summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/65532-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/65532-0.txt')
-rw-r--r--old/65532-0.txt4358
1 files changed, 0 insertions, 4358 deletions
diff --git a/old/65532-0.txt b/old/65532-0.txt
deleted file mode 100644
index 9d3396f..0000000
--- a/old/65532-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,4358 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Kwan Yin, by Henri Borel
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Kwan Yin
- Een boek van de Goden en de Hel
-
-Author: Henri Borel
-
-Release Date: June 6, 2021 [eBook #65532]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book
- was produced from scanned images of public domain material
- from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KWAN YIN ***
-
-
-
- KWAN YIN.
- EEN BOEK VAN DE GODEN EN DE HEL.
-
-
- DOOR
- HENRI BOREL.
-
-
- AMSTERDAM
- P. N. VAN KAMPEN & ZOON.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD.
-
-
-Eigenlijk heb ik het land aan voorredes. Maar ik vind het toch heusch
-noodig even iets vóóraan dit boek te zeggen. Toen mijn „Wijsheid en
-Schoonheid uit China” was uitgekomen, heb ik daar zoo nu en dan iets
-over moeten hooren. Dat kon niet anders. Ik hoorde het uit recensies,
-over het algemeen wat men noemt gunstige, en uit brieven en gesprekken.
-Een mijner gewezen collega’s, als sinoloog een geleerde van groote
-beteekenis, zeide: „Een mooi boek heb je daar geschreven, een mooi
-boek,—maar niet wetenschappelijk”. En in de wijze, waarop hij dat
-„niet-wetenschappelijk” uitsprak, was te voelen hoeveel hooger hij
-wetenschappelijk stelde dan mooi. Dat had ik wel voorzien. Mijn boek
-was .... mooi (prettig om te hooren, nietwaar?), maar .... niet
-wetenschappelijk, niet zuiver sinologisch, en zuiver ethnografisch. En
-dat is een doodzonde in de oogen der speciaal wetenschappelijke wereld.
-
-Daarom heb ik een bizonder prettige aandoening gevoeld bij het lezen
-van een artikel in het „Nieuw Bataviaasch Handelsblad” [1] aan de hand
-van een mij onbekend gebleven literator, die zich „Lettore” teekende.
-Deze recensent zegt precies wat ik zelf heb gedacht bij het hooren van
-dergelijke streelende veroordeelingen van mijn boek door de exacte
-wetenschap-mannen. „Den kunstenaar” zegt hij, „wil men altijd ver
-afhouden van de wetenschap, van wat men noemt het exacte.”
-
-Lettore vermoedt dan ook, „dat dit werk (dat van mij n.l.) door de
-wetenschappelijken daarom met wantrouwen zal worden aangezien. Want ik
-ken hun angst voor den arbeid, die hun gebied betreedt, enz.”
-
-En ten laatste verklaart hij, dat mijn boek hem „een duidelijker
-inzicht en een geheugenvaster kennis heeft gegeven, dan een kille,
-begrensde verhandeling zou kunnen doen.”
-
-Laat ik maar eerlijk bekennen, dat dit een satisfactie voor mij was.
-
-Had ik eenvoudig een logisch, vormelijk relaas gegeven, een exacte
-opsomming of inventaris van de door mij in China geziene dingen, allen
-behoorlijk in hokjes en loketjes, met papiertjes er op, vooral zonder
-emotie, en vooral met veel geleerdheid, in een algemeen gebruikelijke
-verpakking van onaandoenlijke taal gestoken,—ja, dan had ik wel kans
-gehad om óók wetenschappelijk geweest te zijn. Die heb ik mij dus laten
-ontglippen.
-
-Maar, laat ik dit nu met nadruk zeggen, om verdere vergissingen te
-voorkomen, dit heb ik van ’t eerste oogenblik af aan niet gewild, en
-dit ben ik voorloopig niet van plan ook.
-
-Ik houd van warm, van liefdevol, en van innig. Ik houd van emotie.
-Zonder emotie zou China voor mij een dood land zijn geweest, en zou ik
-er nooit iets over geschreven hebben. De geleerdheid kan mij geen
-ziertje schelen dan alleen als hulpmiddel om de schoonheid te leeren
-begrijpen, en als uit haar geen emotie wordt, is zij mij niets waard.
-
-Ik heb in dat heerlijke wonderland, dat China heet, te midden van een
-nooit gedroomde majesteit van zeeën en bergen, de dierbaarste en
-zuiverste emoties in mijn leven gevoeld. Die emoties tracht ik weer te
-geven in mijn werk, dat ik alleen dáárom schrijf. Ik meen in de
-schoonheid de essentie van de geheele natuur en het geheele
-menschenleven in China te zien, en die werd mij door de emotie
-geopenbaard. Ik geloof dat de ziel van een volk en van een land niet
-aan te roeren zijn door intellect alléén, door enkel exacte wetenschap,
-want die ziel, hun eigenlijke, essentieele Wezen, is van een
-transcendente natuur en kan alleen benaderd worden in den warmen gloed
-en op den hoog-gaanden rythmus van door de schoonheid gecreëerde
-emotie. Dit is nu mijn ethnografie en mijn wetenschap.... Men kan van
-de dingen, die ik schrijf, voorzoover ze emotie zijn, onmogelijk
-zeggen, dat ze niet zoo zijn of niet zoo zouden kunnen zijn. Ik heb ze
-zoo gevoeld en daarom zijn ze zoo.
-
-Zeker, ik heb menschen gesproken, die óók in China zijn geweest, die
-langs de dingen zijn gegaan, waar ik van sprak, en die mij verwonderd
-vroegen, of dàt nu alles was, waar ik zoo over uit ben, daar zij „er
-niets in gezien hadden”. Dat ligt niet aan die dingen, maar aan die
-menschen.
-
-Mijn werk en dat der exacte geleerden liggen in verschillende sferen.
-Ik eerbiedig het hunne met een heel grooten eerbied, want ik kan het
-weten welk een toewijding en energie het vereischt. Maar ik ken mijzelf
-het recht toe, op mijn eigen manier te werken, met mijn eigen middelen.
-En het lust mij, niet de wondere bloemen van China te ontleden en te
-determineeren, maar mij weg te droomen in hun glans en schoone kleuren
-en hun zoeten honig te puren in blijde zaligheid.
-
-
-
-Ik wilde dit absoluut nog even zeggen, om duidelijker te maken hoe ik
-mijn „Wijsheid en Schoonheid uit China” kwam te schrijven en hoe ik ook
-thans tot dit werk ben gekomen.
-
-De pretensie van sinoloog en ethnograaf te willen zijn, in den zin
-althans dien de exacte—o! zoo exacte!—wetenschap daaraan geeft, heb ik
-hiermede voldoende van mij afgewezen. Zoo ik die ooit bezeten had, ik
-zou andere, niet déze boeken hebben geschreven.
-
-En hiermede is dan dit voorwoord gesproken.
-
-
- HENRI BOREL.
-
-
-
-
-
-
-
-
-KWAN YIN.
-DE GODIN DER GENADE.
-
-OVER CHINEESCH BOEDDHISME EN CHINEESCHE KUNST.
-
-
-Het is nu vier jaar geleden, dat ik bij Drouot in den Haag voor het
-eerst boeddhistische beeldjes zag. Ze waren van groven steen, en niet
-bizonder fijn van kleur en lijn, maar ik voelde er toch iets liefs van.
-De kleineren stelden eene vrouw voor, op een lotus gezeten, in wit
-gewaad met een kindje op den arm. De grooteren dezelfde vrouw, op een
-zetel in een rots, met aan weerszijden een kind, en nog een op den arm.
-Naast haar, links, een vaasje met bloemen, ook wel eens met een enkel
-takje, waarmede zij verondersteld wordt dauw (Amrîta) te sprenkelen, en
-rechts een vogel, ter hoogte van haar schouder. Ik vond in deze vrouw
-zulk een gelijkenis met beeldjes van de Heilige Maagd, dat ik
-vermoedde, dat zij eene oostersche Maria was. Er was iets zachts en
-teeders in, door de ruwe vormen heenschijnend, dat mij aantrok, en ik
-zette zulk een beeldje op mijn schrijftafel, waar enkel mooie dingen
-mogen staan, opdat ik mij rustig en vertrouwd blijf voelen, even
-opkijkend van mijn werk.
-
-Hoe heerlijk voor mij te bedenken, welk schitterend liefs en subliems
-mij is gekomen van deze vrouwenfiguur; hoe op dit ruwe, eenvoudige
-beeldje àl mooiere en mooiere zijn gevolgd, hoe de grove lijnen van dat
-weinig zeggende gezicht daarin zijn geworden zacht en aetherisch als
-gebeden, hoe de harde, schelle steen is geworden een fijn, transparant
-porselein, een mirakel van tot materieloozen zieleglans ópreinende
-stof, hoe het eerst nog menschelijke gezicht is geworden tot een
-revelatie van Godheid, mij aanziende met groote, stille oogen, van ziel
-tot ziel!
-
-Waar in het Westen de gebeden der donkere volkeren opgaan naar de
-lichte, lelieblanke Moeder-Maagd, gekleed in den zuiveren schijn van
-haar kuischheid, teeder houdende boven de wereld het schuldeloos
-Godskind, dat de zonden der stervelingen met zijn bloed zal boeten;
-waar in majestueuze paleizen van adoratie het eeuwig-glimlachend beeld
-der Moeder Gods troont, in ongenaakbare staatsie, op van goud en
-juweelen schitterende altaren, in een gewijde atmosfeer van wierook en
-gebeden, daar licht het éven virginaal reine beeld van de Godin der
-Genade boven de duistere zondenwereld der oostersche Aziaten; biddende
-scharen liggen geknield, priesteren in goud-omzoomde gewaden zingen
-sombere Soetra’s met monotone melodieën, statig als het ruischen der
-zee, en zij zweeft hoog in de witte wolken, in een blank gewaad van
-aether, schijnend van een maneglans, en sprenkelt zoeten dauw van
-genade in den chaos der menschelijke smarten. En vrouwen op aarde
-liggen geknield in het stof, smeekend om vruchtbaarheid van nieuw
-leven, en zij heft een zacht-lachend kindje op boven de devote in
-deemoed, en belooft zegen aan haren schoot.
-
-Een Maagd, in zachtlucht gewaad van divien licht, een rayonnant blanke
-verschijning in de sombere rijen der ontzaglijk strenge boeddhistische
-goden, een opperste openbaring van vrouwelijke genade, van troost, van
-vergeving, onder de donkere mysterieën van het onverbiddelijk Karma;
-het neêrgaande, neigende, zacht-zegenende in het rotsharde, strenge,
-rechte; zoo is in het chineesche boeddhisme die figuur van de Boeddha
-van de liefde en het medelijden, met dien zacht zangerigen naam als het
-zingen van een viool, van Kwan Yin, de Godin der Genade. [2]
-
-
-
-Het is zeer bizonder, en nooit voldoende verklaard, hoe onder de goden
-van het boeddhistische pantheon eene vrouwelijke figuur in China een
-allereerste plaats inneemt, en een figuur, van welke men in het geheele
-boeddhisme van Azië nergens eene volkomen gelijkenis terugvindt. De
-meeste sinologen hebben gezegd, dat zij niets is dan eene chineesche
-varieteit van de indische Avalokites’vara, die vooral in Thibet wordt
-aangebeden.
-
-Het is niet mijn doel, hier eene studie te maken over de afkomst van de
-Kwan-Yin-figuur in het chineesche boeddhisme, die beter in een
-sinologisch tijdschrift zou thuis behooren, maar heel in ’t kort wil ik
-er toch even enkele dingen van zeggen. Volgens de meeste sinologen en
-oriëntalisten is Kwan Yin (Kwan=Zien, Yin=Geluid, gebeden), eene
-chineesche vertaling van Avalokites’vara, [3] d.i. de neder (ava)-
-ziende (alôkia) vorst of Heer (is’vara). Volgens professor de Groot
-hebben de chineezen dit Avalokites’vara verward tot Avalokita-svara, en
-dit beteekent „die nederziet” (Kwan) op geluiden, tonen (Yin, svara),
-gebeden. Avalokites’vara heeft echter bij de Indiërs bijna uitsluitend
-mannelijke attributen, zegt professor de Groot terecht, en hij leidt
-uit de vrouwelijke figuur van Kwan Yin af, dat zij oorspronkelijk een
-voor-boedhistische godheid was van de oude chineezen. Dit komt mij het
-waarschijnlijkste voor, ook om andere redenen. Monier Williams, er op
-wijzende, dat ieder der hindoe-goden zijn vrouwelijk
-evenbeeld—sakti—had, zegt dat Kwan Yin correspondeert met de figuur van
-Siva’s vrouw, [4] zoodat dan daaruit haar vrouwengedaante zou verklaard
-zijn.
-
-Ik zal mij hierin niet verder verdiepen, daar het tot mijn mooi-vinden
-van de Kwan-Yin-idee er weinig toe afdoet of zij uit Indië dan wel uit
-China afkomstig is, en ik meer de schoonheid en de mij door haar gedane
-emoties van chineesche menschen en godsdiensten en dingen wil geven dan
-de wetenschap, die mij slechts hulpmiddel is.
-
-
-
-Wat wel het allerverschrikkelijkste is in het boeddhisme is de leer van
-Karma, of, zooals de chineezen het noemen, Yin Kwo (Oorzaak en Gevolg),
-de wet, dat het goede en het kwade zich eeuwiglijk zelf weer
-produceeren, en die van het menschenleven een noodlot maakt, vooraf
-bestemd door daden en gedachten uit vorige levens. Wèl wordt hierdoor
-op bizondere wijze verklaard, dat àlles wat voor ons in dit leven
-onrecht schijnt toch nog recht kan zijn, als boete voor vroegere
-zonden, maar het is zwart en hard om de onverbiddelijkheid en het
-vergevinglooze. Daarom is des te meer liefelijk die witte, zachte
-vrouw, in dat zoet-wuivende gewaad, die van weening wordt bevangen door
-het ontzaglijk lijden der menschen, al is het door hun eigen Karma zoo
-bestemd, en die door de intense kracht van hare tot daad geworden
-liefde de verdoemde zielen, knarsetandende in hellepijn, met millioenen
-overvoert naar de reine gewesten der zondeloozen, glimlachend van
-vrede.
-
-De overeenkomst van Kwan Yin met de Heilige Moeder is zóó treffend, dat
-men wel eens eene oostersche Maria in haar heeft willen zien. [5]
-Vooral het kindje, dat zij op den arm draagt, en hare geheele gedaante,
-gaven daar aanleiding toe. Bij nadere studie blijkt duidelijk, dat er
-niet het minste verband, bestaat tusschen de twee diviene figuren, voor
-zoover hun afkomst en hun beteekenis aangaat, maar dat, door een
-onverklaarbaar wonder, de aanbidding van beide eene kunst deed geboren
-worden, die aan beide dezelfde gratie, hetzelfde allerliefelijkst
-vrouwelijke, essentieel moederlijke en toch onbevlekt virginale gaf. Ik
-heb Kwan Yinbeelden gezien, die, in eene roomsch-katholieke kerk
-geplaatst, de geloovigen op de knieën zouden doen zinken. Ik heb een
-beeldje van oud ivoor, dat in Italië voor een oud Mariabeeldje zou
-gekocht worden door kenners. De vrouwenfiguur staat heel recht en
-statig, in een langen mantel met geornamenteerde randen, en houdt op
-den linkerarm een kindje, dat met een bloem speelt. Het hoofdje van het
-kindje is zoo fijn en teeder gemodelleerd, alles is zoo bezorgd en
-gevoelig afgewerkt, dat alleen een diep religieus gevoel de lijntjes en
-omtrekjes zóo, als biddend, kon uitdroomen, en men heeft hier hetzelfde
-in-vrouwelijk en moederlijk vrome, dat de beste Mariabeelden hebben, in
-een zoogenaamd heidensch beeld, in het Oosten van een geheel ander
-werelddeel gemaakt. Waar in het Westen heilige plaatsen zijn met
-wonderbeeldjes, die zieken genezen en mirakelen doen, heeft men in
-China dezelfde beroemde Kwan Yinbeeldjes, die den omtrek beschermen,
-die, door het geweld ontvoerd, vanzelf weer op hunne oude plaats
-terugkomen, en die blinden het licht, dooven het gehoor, lammen de
-beweging geven. Wordt het altaar van Maria met bloemen, goud en zilver
-versierd, in ’t midden van kaarsen en wierook, het beeld van Kwan Yin
-wordt omhangen met fijne zijden mantels, en krijgt een schitterende
-kroon, groote, roode kaarsen branden voor haar, droomerig dampen
-wierookstokjes hun blauwe wolkjes voor haar op, en uit slanke, ranke
-vazen zien groote lotussen haar peinzend aan. En, als om het wonder te
-volmaken, het ritueel der boeddhistische priesteren, hunne
-kniebuigingen, hunne processies, hunne gewaden, tot zelfs hunne
-gezangen toe, vertoonen de grootste overeenkomst met de ceremonieën in
-de roomsche kerken.
-
-De chineezen zijn een volk, dat wel het minst van alle mij bekende
-volken gevoel heeft voor het divien-vrouwelijke, in welk de grootste
-westersche dichters de directe revelatie van het goddelijke zagen, en
-door het aanschouwen waarvan zij zich dat goddelijke niet alleen van de
-aangebeden vrouw, maar van zichzelf en de geheele menschheid bewust
-werden. Zijn er in de chineesche literatuur al aandoenlijke gevallen te
-vinden van gehechtheid tusschen man en vrouw, het idee Liefde in de
-allerhoogste beteekenis is in China onbekend, voor zoover
-gepersonifiëerd in eene vrouw. Liefde tusschen man en vrouw, zoo zuiver
-geestelijk en tot puren godsdienst geworden als bv. in Dante’s Divina
-Commedia, is een idee, dat in geen enkel chineesch hart ingang zou
-vinden, aangezien het geheel buiten de orde der in China bekende ideeën
-ligt. De physieke bekoring, desnoods samen met genegenheid, en altijd
-samen met kuischheid, trouw en gehoorzaamheid, is wat de chinees in
-eene vrouw begeerlijk ziet. Maar het idee van „het vrouwelijke” op
-zichzelf, als een abstract idee, voorstellende iets zoo smetteloos
-reins als een blauwen lentehemel, een blank besneeuwd veld, eene
-doodstille, klaarspiegelende zee, is in China onbekend. Het vrouwelijke
-in China correspondeert met het begrip „duister” (Yin), het zware,
-stoffelijke, dat naar de aarde zonk toen de chaos zich opende, terwijl
-het „licht” (Yang), waartoe het mannelijke principe behoort, lucht
-ópzweefde en den hemel vormde. Het vrouwelijke is volgens chineesche
-begrippen het inferieure, het bevlekte in vijf bevlekkingen, die in de
-hellen met verzinken in een bloedrivier worden geboet; de vrouw is de
-in pijn en zonde barende, goed voor de voortbrenging van het geslacht,
-en het bereiden van voedsel en kleederen. [6]
-
-Daarom is het wèl wonder, dat de verbeelding van dit volk, dat het
-divien vrouwelijke niet begrijpt en daarom inferieur is aan de
-europeesche, een volk, dat de vrouw voorstelt als de personificatie van
-het principe „duister”, een zoo wonder-teêre, van liefelijk-reine
-vrouwelijkheid glanzende figuur als Kwan Yin heeft gecreëerd.
-
-En, wel het meest miraculeuze van alles, de kunstenaars van China, die
-haar beeld in steen, porselein of hout, in krijt of kleuren weergaven,
-zooals zij haar in hunne aanbidding zagen, zij maakten een vrouw, die
-in geen enkel opzicht op de typen de chineesche vrouw gelijkt, een
-vrouw, rijzig en recht-statig, schrijdende met majestueuzen stap, in
-een kuisch, zacht-wuivend gewaad, dat geen vrouw in China draagt, of
-wel zittende in wijd-uitvallende gewade-plooien als St. Barbara van Van
-Eyck, het lijf een weinig voorovergebogen, als neêrneigende tot het
-leed der menschen beneê, met blanke, effen borst, die niet-ontwikkeld
-is, als van een heel jong meisje, en een gelaat, waarin àl wat fysieke
-bekoring heeft volkomen weg is, en waarover een schijn glanst van
-zuivere ziele-essence. Een vrouw, om voor op de knieën te vallen en het
-hoofd biddend te verbergen in de plooien van haar gewaad, een vrouw met
-oogen, om de duisterste onbewustheden van de ziel te verreinen en te
-doen schitteren van haar licht, een vrouw met handen, om zacht op een
-brandend hoofd te leggen en te plooien tot eindeloos teeder gebaar van
-vergeving, een vrouw, als de vernietiging van de fysieke verlangens,
-die stomgeslagen terugsidderen voor haar heilig blank gewaad, en de
-verheerlijking van het zuiver-geestelijke, van Het Vrouwelijke als de
-revelatie van God.—Heeft in de westersche kunst het beeld van de
-Heilige Maria op schilderijen of in statuën nog dikwijls het te
-lief-aanvallige, het te begeerlijke, dat de adoratie van een priester
-onbewust verlangen van een minnaar zou doen worden, de meeste oude Kwan
-Yinbeelden zijn zoo wonderrein uitgevoerd, dat niet de vaagste gedachte
-aan de vleeschelijke vrouw haar zou durven naderen. Zij heeft geen
-mollige, ronde vormen, haar zwarte lokken vallen niet lang uit, golvend
-over haar schouders, geen glimlach beroert haar mond. Haar lichaam is
-als de pure incarnatie in opperste openbaring van het idee ziel in
-stof, en een kuisch, blank gewaad omvouwt het zacht, uitvallend in
-groote, wijze plooien. Hare oogen staren streng en rustig naar één
-punt, als verloren in meditatie; haar ooren zijn lang, met dikke
-lobben, haar kin onmerkbaar klein, haar wangen teêr als bloemebladen.
-Het haar is opgemaakt in een wrong, hoog op het hoofd, zoo fijn dat
-ieder haartje apart glanst als een straaltje licht; het wordt
-opgehouden door een langen naald, en rust van voren op een kroontje met
-paarlen. In het voorhoofd schittert de zieleparel—She Li Tsz’—die in de
-intense meditatie is omhoog gerezen, en daar straalt van zuiver
-goddelijk licht; op haar vlakke, spiegelreine borst schittert het kruis
-Svastika in een krans van paarlen.
-
-Des te wonderlijker is deze gevoelige, pure vrouwenfiguur in een land
-als China, omdat de meeste taoïstische [7] goden, die gelijk met de
-boeddhistische aangebeden worden, en waaronder de god van den
-Oorlog—Kouan Ti—wel de voornaamste is, in ’t geheel geen sereene
-figuren zijn, maar woeste, bijna wanstaltige gedaanten, met grimmig,
-wild gezicht, een langen baard en dreigende oogen. De vier groote
-wachters, die aan den ingang van iederen tempel staan, zijn kolossale,
-afschrikwekkende beelden, grijnzend, en onheilspellend van gebaar. Maar
-deze zijn dan ook uitvindingen van den lateren tijd en niet meer,
-zooals Shakyamuni zelf zeide, simpele symbolen van een idee. Een
-boeddhabeeld is oorspronkelijk de plastiek van de essentieele leer. In
-de immens rustige trekken van het gelaat is de geheele leer gegeven van
-de verreining der ziel en de bevrijding der hartstochten, en den
-stil-starenden blik der half-toeë oogen ziet de aandachtig geloovige
-gericht naar de verre horizonnen van het eindeloos Nirvana. In de
-kuische neêrdaling van een arm en de uitgestrekte hand, met de palm
-naar buiten, is in zéér simpele lijnen uitgedrukt het medelijden, de
-chariteit voor de menschheid, in het sublieme gebaar van een opgeheven
-hand, met drie vingers óp en de punten van duim en wijsvinger samen, is
-eene geheele prediking van de beste dingen der leer duidelijk te
-voelen. De boeddhistische beelden waren oorspronkelijk volstrekt geen
-afgoden, maar zuivere symbolen, symbolistische plastiek van de
-abstracte, hoogste realiteit.—Zij waren dan ook kunst, in den hoogsten
-zin van het woord, want alle kunst was oorspronkelijk symbool, en werd
-gemaakt van adoratie voor het goddelijke.
-
-Men is zoo algemeen gewoon, van oude boeddhistische beelden te spreken
-als van afgoden, of wel van curiositeiten, of bibelots. Maar na veel—o
-zoo genotvol—zien van zulke beelden heb ik heel duidelijk in mij
-gevoeld, dat zij een beteren naam verdienen, want zij zijn echte,
-zuivere kunst. Zij zijn gemaakt door kunstenaars,—simpele menschen, van
-eigen grootheid onbewust; iedere omtrek, ieder lijntje, ieder vormpje
-is geboren uit adoratie, en zij zijn onsterfelijk als de beste
-oud-egyptische beelden en de reinste creaties der primitieven.—Zij zijn
-op de uiterste grens van geest en stof, en geven in stof zichtbaar weêr
-de onstoffelijke en onzichtbare idee van de goddelijke ziel. Zoo als
-het sereene, eindeloos kalme gelaat van een oud boeddhabeeld moet wel
-het gezicht zijn van den uítgeleden, verreinden asceet, als zijn ziel,
-opzwevende in het eeuwig Nirvana, nog éven den afglans van haar licht
-scheen op het in ’t stof achtergelaten lichaam. Het aandachtig zien
-naar zulke wonderen van religieuze kunst als oude boeddhabeelden van
-brons of porselein leert veel meer van het boeddhisme dan het lezen van
-vele soetra’s. Want het onzichtbare ziet u hier aan, met stil-starende
-oogen, en de materielooze ziel schijnt voor u op in deze simpele figuur
-van een tot een gebed van strenge lijnen en aetherische vormen geworden
-lichaam.
-
-En dit heeft deze kunst voor boven die der afbeelding van den Christus,
-dat zij niet geeft het lijden, maar het hoogste geluk, niet de
-bloedende pijn, maar de verlossing, niet den kruisdood, maar de
-opstanding, het suprême moment, als de bevrijde ziel wègdroomt in het
-eindelooze.
-
-
-
-Eigenaardig is het feit, dat, volgens een chineesch werk uit de
-zeventiende eeuw, waaruit ik een en ander zal overnemen, Kwan Yin
-voornamelijk zich op aarde geïncarneerd heeft om het vrouwelijk deel
-der menschheid te komen verlossen, dat slechter was dan het mannelijke.
-Ik zal uit het curieuze werk: „De oorspronkelijke echte soetra van het
-overvoeren van Kwan Yin” een en ander van de oorspronkelijke legende
-van Kwan Yin aanhalen. Het is een wonderlijk boek, waarin de drie
-leeren, confucianisme, boeddhisme en taoïsme broederlijk naast elkaar
-voorkomen, en dat den lezer op voorname punten dikwijls in den steek
-laat, juist als het er op aankomt, maar zeer karakteristiek chineesche
-volksideeën over godsdienst weêrgeeft. [8] Zij wordt er in voorgesteld,
-zwevende in het groote hemelpaleis Ta Lo, in allerhoogste zaligheid,
-gezeten in den lotus der acht kostbaarheden.
-
-Zij was in eindeloos genieten. Haar oneindig vér-ziend oog zag, hoe in
-het Oostelijk Land de menschen in begeerte waren naar wijn, schoonheid
-en schatten, zéér dwalende. In hun hart was opgesloten de lust naar
-roem en geld, en zij waren bevlekt van zonde. De groote Wet wentelt
-rond, en straft en beloont op duizenderlei wijzen. De menschen leven
-als beschonkenen, in een droom, en sterven. Hunne beenderen worden
-verstrooid, talloos als bergen. Het slechte straft zichzelf zonder
-einde. De Eerwaardige voelde, voor zij het zelf wist, een groot
-medelijden in haar liefdevol hart en sprak: „Vanaf het openen van den
-chaos tot op dezen dag heb ik de menschen geholpen, heb ik het
-Oostelijk Land hervormd, heb ik ze overgevoerd door vele gevaren, en ze
-tot bewustzijn gebracht. Thans, tegen het einde der Chow dynastie [9],
-is het menschelijk hart in groote verwarring, vol doodslag en overspel.
-De hemel ziet het slechte van al deze levenden. Hoe dit zwarte principe
-te verdrijven en te versmelten, dat opwolkt in het ledig?
-
-„Ik zie onder de mannen er wel, die weten en zich bewust zijn van de
-rede der drie Leeren [10], wien het goede helder is, en die uit hunnen
-Oorsprong putten. Maar helaas! de vrouwen is niet duidelijk de
-omwenteling der wet, en wát hun op de wereld verboden is. Zij zijn tot
-het uiterste gevallen. Als ik goed nadenk over de bitterheid van het
-stof der wereld is het een ding van medelijden en zuchten. Ik kan niet
-beter doen, dan op aarde neêrdalen in het lichaam van een meisje, om de
-ramp der vijf bevlekkingen te verdrijven, een’ anderen grondslag te
-leggen voor het nageslacht en te maken, dat ook vrouwen en meisjes het
-kwade weten, en over de zonden heenkomen. Zóo ontkomen zij ook aan de
-omwenteling des levens [11] en wordt hun de straf van den bloedstroom
-der hellen bespaard. Dan kunnen zij den weg van de bewustwording
-bestijgen, en het opperste geluk genieten in de hoogere regionen. Dit
-zij mijn wensch.”
-
-Toen deed zij de volgende bede aan Kin Mu, de Gouden Moeder van den
-Jaspis-Vijver, [12] de eindelooze en eerwaardige, en zeide:
-
-„—Ik heb U slechts dit te zeggen, dat ik heden de tallooze menschen op
-aarde in verleiding en dwaling zie. Dit moet ophouden, en zij moeten op
-het goede Pad komen; zij moeten weten, hoe zich te bekeeren, hoe uit de
-poorten van leven en dood te treden, en uit de bittere zee. Dit werk
-moet ik volbrengen.”
-
-Kin Mu zeide: „De menschen op aarde zijn verdwaald van hunnen
-Oorsprong. [13] Zij beleedigen de drie Kostbaarheden. [14]
-
-„Zij slaan de priesters, schelden op de leer, en verguizen de wetten
-der boeddha’s. Hun is het zoet, zoo diep te vallen. Het is een
-karrewei, ze te vermanen en te bekeeren.”—
-
-Maar Ts’z’ Fang [15] smeekte schreiende:
-
-„Genadevolle, gouden Moeder, open wijd uwe eindelooze liefde. Sta mij
-toe, op de aarde neder te dalen! Ik zal de harten der menschen
-volmaken. Ik zal zwoegen om ze te vermanen, totdat zij vanzelf
-terugkeeren en veranderen.”
-
-Toen sprak de Gouden Moeder. „Als gij dan absoluut wilt nederdalen in
-het stof en de misère der tijden, dan is dat nú niet meer dezelfde zaak
-als vroeger. Gij zult heel precies op uw hart moeten passen om niet
-(zelf) in de zee der bitterheden [16] te vallen en uw vroegere Karma
-niet te bederven. Grif dít met zorg in uw hart! Later zal ik Jên Teng
-[17] bevelen om u het rechte Pad te wijzen, opdat gij weer tot het
-Licht kunt terugkeeren.”
-
-Toen boog de Eerwaardige diep het hoofd en dankte voor die eindelooze
-liefde.
-
-Het viel haar hard, de hemelsche regionen van licht en rust te
-verlaten, maar zij voelde een zoo groot medelijden, dat zij meer en
-meer neeg naar het leed der menschen. Toen besloot zij zich te
-incarneeren als een koningsdochter. Over het rijk Hing Lim [18]
-regeerde toen koning Miao Tsjoang met zijne vrouw Peh Ya, die hem twee
-dochters had gebaard, Miao Yuen en Miao Yin. [19]—Op zekeren nacht zag
-de koningin in een’ droom een groot Licht tot haar nederdalen, en haar
-schoot had ontvangen.
-
-Licht en duisternis gaan voorbij, snel als pijlen, dagen en maanden
-wikkelen af als een weefgetouw, en weldra was de onbevlekte dracht
-voldragen, en baarde de koningin een prinses.
-
-Zij werd genoemd Miao Sjen, de Schoone Deugd. Vanaf den nacht, dat de
-koningin ontvangen had, kreeg zij een afschuw van vleesch en onreine
-planten. [20] En van jongsaf aan dronk de prinses geen melk van vrouwen
-of moederdieren, die zulke planten gegeten hadden. Miao Sjen groeide op
-tot vijftien, zestien jaar, en had haren Oorsprong rein gehouden. Haar
-hart was vol heiligen geest als dat van géén ander. Wat ze ook voor
-boeken las, zij wist den inhoud uit haar hoofd als zij ze eens gelezen
-had.
-
-Op zekeren dag zeide koning Tsjoang tot zijne vrouw: „Miao Yin en Miao
-Yuen hebben nu reeds een’ echtgenoot gekozen. Miao Sjen is nu zestien
-jaar, en moet dus den gelukkigen huwelijksdag gaan bepalen. Zij moet de
-huwelijkstrappen [21] laten gereedmaken om een’ man te kiezen, op wien
-zij haar geheele leven kan steunen.” De bruidsmeisjes gingen nu Miao
-Sjen roepen, en haar vader zeide haar, wat hij van haar wenschte.
-
-Maar de prinses antwoordde—in verzen—met de volgende woorden: „Het is
-heel moeilijk voor mij, de liefde te beloonen, die U mij tien maanden
-onder het hart deed dragen. Drie jaren hebt gij mij vol toewijding
-gezoogd en gevoed. Gij hebt mij handel en wandel geleerd. Een voor een
-hebt gij mij de drie gehoorzaamheden [22] en de vier goede
-eigenschappen [23] onderwezen. Ik heb gezien, dat deze roode aarde van
-het stof slecht en valsch is. De menschen behooren als onderdanen
-getrouw, als kind ouderlievend te zijn. Maar dag aan dag gaan voorbij
-dat zij zich bevlekken. Ik geloof dat alles op aarde in stukken ligt
-gebroken. Ik wil geen echtgenoot kiezen. Ik wil mijn ziel verreinen,
-mijn Karma verzorgen, en uit de zee der ellenden ontkomen.”
-
-Koning Tsjoang keek vreemd op toen hij zijne dochter zoo hoorde spreken
-en antwoordde:
-
-„Gij moogt niet zoo duister denken. Alle menschen moeten zich vlijtig
-toeleggen op het in stand houden der vijf betrekkingen. [24] Hoe zouden
-zij dan tegelijk vegetarisme en zieleverreining kunnen betrachten?”
-
-Maar Miao Sjen sprak weder: „Wat gij daar zegt gaat niet boven de
-vulgaire leer der gewone menschen. Ik ben zuchtende, dat alles op aarde
-een chaos is geworden. De Oorsprong der menschen was goed, maar weinig
-zijn de reingeblevenen, de helderen. De menschen begeeren wijn, en
-vrouwen, en rijkdom, en dwalen af van hunnen Oorsprong. Om der wille
-van mond en maag slachten zij levende beesten. Hoe kunnen zij dan het
-goede van den hemel bewaren? Bedenk toch, dat gij in uw vroeger leven
-goede daden hebt opgestapeld [25]; ga dit nu niet weer bederven! Vrees
-toch, dat eenmaal het geluk vergaat, en gij Jen Kiün zult zien. [26] De
-hooge spiegel van het kwaad zal al uwe slechte daden in een oogwenk
-weêrspiegelen. Is uw gedrag goed, dan zult gij volgens het goede
-beloond worden. Zijn uwe daden slecht dan wordt gij volgens het slechte
-gestraft.
-
-„Ik wil geen echtgenoot kiezen, maar mij toeleggen op het verreinen
-mijner ziel. Honderd jaren levens zijn als de droom van een oogenblik.
-Als ik mij niet ga verreinen zal ik weêr in de omwenteling des levens
-vervallen.—Mijne ouders, die oorspronkelijk vol liefde en genade zijt,
-doet nu uw kind geen droefenis aan! Van oudsher werden diegenen
-boeddha’s of geesten, die van een gewoon mensch af een heilige leerden
-worden.”
-
-Maar koning Tsjoang wilde er nìets van weten, en schold haar uit met
-verachtelijke namen. Hij beval haar, alle vorstelijke gewaden, die zij
-aanhad, uit te trekken, en alleen één stuk goed aan te houden om het
-lijf te bedekken. Hij verlaagde haar tot een dienstmaagd, die in den
-bloementuin water moest dragen en de bloemen verzorgen.—De prinses
-weende zeer, maar deed hare gewaden uit, en ging gehoorzaam naar den
-tuin.
-
-„Helaas!” roept de schrijver van het verhaal naïef uit, „oorspronkelijk
-was zij het lichaam der edelsteenen bladen, [27] hoe kan die nu water
-dragen en tuinwerk doen?”
-
-En nu volgt de geschiedenis van lijden, en hoe zij in de smart juist
-hare ziel louterde en rein maakte van alle aardsche verlangens. Hoe zij
-in den tuin met gekruiste beenen zat, in intenze meditatie. Hoe de
-bloemen bloeiden als nooit te voren, doordat geesten het zware werk
-voor haar deden. Hoe de boeddha Jên Teng haar kwam beproeven in de
-gedaante van een’ priester, maar ziende, dat zij niet wankelde, haar de
-esoterische leer onthulde. Hoe hare zusters haar kwamen vermanen, maar
-door hare prediking werden bekeerd. Hoe haar vader, in groote woede
-over hare hardnekkigheid, haar verbande naar het klooster de Witte
-Musch, maar hoe zij daar juist een welkom thuis vond, en een’ ouden
-wijze ontmoette, met wien zij diepzinnige gesprekken over de leer
-hield; hoe zij tot het bewustzijn kwam, dat ééne ziel het ál doordrong,
-en alles weer tot dat principe terugkeerde (want de Ouden zeggen, dat
-tienduizend dingen allen één zelfde ding zijn (van oorsprong)), en de
-diepe beteekenis begreep van die twee simpele karakters die boven
-tempeldeuren staan: „Wu Ngo,” Niet-Ik, géén-Ik, die zinspelen op de
-algeheele overgave en vernietiging van de Ikheid en absorptie in het
-universeel Nirvana. De oude wijze, dien zij in het klooster ontmoette,
-zat in een donkere kamer, en toen zij hem vroeg, waarom het zoo weinig
-licht was, antwoordde hij: „doe nu nog deze twee bewegelijke,
-klepperende deuren dicht en sluit het buitenlicht geheel af. Dan zal
-het eerst recht een groot Licht worden.” Zoo leerde hij haar de
-meditatie met gesloten oogen, de verwerping van het daglicht van
-buiten, en den eindeloozen glans van het zielelicht van binnen.—
-
-Koning Tsjoang, in woede ontbrand door den sterken wil van zijne
-dochter, en verontwaardigd, toen kwade geesten hem berichtten, dat Miao
-Sjen met den ouden wijze in ongeoorloofde betrekking stond, stuurde een
-leger soldaten uit, die het klooster met de vijfhonderd bewoners
-verbrandden. Maar Miao Sjen, in de Zaal der drie Reinheden op een
-kostbaren zetel gezeten, bleef ongedeerd. Toen liet de koning haar naar
-het schavot brengen, en beval zijn veldheer Kin Chao, de Gouden Klauw,
-haar te onthoofden. Maar de boeddha Kin Mu, in de hooge regionen, zond
-hare dienaren Kin Tong, het Gouden Jongetje, en Yü Nü, het Edelsteenen
-Meisje [28] met tal van geesten om haar te beschermen. De veldheer
-sloeg eigenhandig naar het hoofd der prinses, maar de geesten hielden
-de Diamanten Bijl [29] beschermend boven haar, en het beulszwaard viel
-in stukken. Koning Tsjoang, dit niet begrijpende, verdacht zijn’
-generaal van ontrouw, en liet hem onthoofden. Toen Miao Sjen zag, dat
-een ander moest boeten omdat de hemel haar beschermde, smeekte zij de
-geesten, haar niet meer te helpen, en haar te laten sterven. Zij sprak
-eene prediking uit, die zoo heilig was, dat zij door den hemelkoning in
-een groot boek werd opgeteekend, en zeide: „Er is een tijd van leven en
-een tijd van sterven. Ik heb het schijnbare (leven) geleend om het ware
-te verkrijgen. Het scherpe zwaard kan moeilijk mijn echte Zijn
-kwetsen.”
-
-De tweede beul kwam met een rood koord, en nu liet zij zich gewillig
-worgen. Een donderslag weerklonk door de hemelen. Zij gilde en was
-gestikt. Maar haar ziel, haar eigenlijke Oorsprong, zweefde door de
-poorten der duisternis naar de Eindeloosheid des Lichts. En lachend
-zeide de prinses: „Géén vorm hebben is nu eigenlijk eerst recht een
-vorm hebben, en nú krijg ik mijn ware Gedaante te zien. Nu het lichaam
-der hartstochten door het roode koord geworgd is, komt het eindelooze
-licht te voorschijn.” Toen hief zij de handen op en aanschouwde de
-onsterfelijke boeddha’s, in den gouden lotus, van aangezicht. Maar hare
-taak was nog niet volbracht. De Gouden Moeder beval haar, een tocht te
-maken door de tien hellegebieden der onderwereld. De geest Hwang Lung,
-De Gele Draak, en de beide geestenkinderen, het Gouden Jongetje en het
-Edelsteenen Meisje, vergezelden haar.
-
-In de hellen zag zij de tallooze zondaren in groote ellende, boetende
-met afschuwelijke pijnen voor evenveel zonden als zij nu straffen
-ontvingen. Het was een geheele wereld van knarsetandende slachtoffers;
-het bloed stroomde in rivieren, en de lucht weerklonk van kermen en
-schreien. Hun lijden was onverbiddelijk bepaald door hun eigen Karma,
-en na geleden straf werden de uitgepijnigde zielen weer door de
-omwenteling van een rad in het leven teruggewenteld, om òf als mensch
-òf als dier geïncarneerd te worden, en nieuwe ellende te lijden.
-Maar—treffend en zéér bizonder, die witte, teêre meisjesfiguur, hier
-zachtschrijdende door de rotsharde onverbiddelijkheid van het idee van
-Karma—Miao Sjen vouwde de handen saam, en sprak in intenze extaze van
-liefde eene prediking met zulke geestvolle, diviene woorden, dat door
-één wonder al de hellen werden verlicht van het goddelijk licht, wolken
-van gouden lotusbloemen vielen neer, en de verloste zielen,
-gepurifieerd door de verreining van haar goddelijk Woord, zweefden óp
-in volmaakt zuiveren staat, vér boven de omwenteling des levens, en
-droomden het eindeloos Nirvana binnen.
-
-Toen zij haren tocht volbracht had, daalde Miao Sjen weder naar de
-aarde neder, waar haar lichaam door een geesten-tijger naar het heilig
-Cypressenwoud [30] was gebracht, zoodat het niet vergaan kon. Zij
-ontwaakte als uit een droom, in haar oude lichaam. Maar de Gele Draak
-en de geestenkinderen kwamen haar in menschengedaante weêr te hulp, en
-geleidden haar naar een oud klooster op den berg Hiang Shan [31].
-Koning Tsjoang was door den hoogsten hemelkoning gestraft met
-even-zooveel booze zweren als hij menschen in het klooster de Witte
-Musch had doen verbranden. Een oude priester zeide hem, dat alleen een
-poeder, gemaakt uit de linkerhand en het linkeroog van een zijner
-kinderen, hem kon redden. Zijne twee dochters wilden zich niet
-opofferen, en hij zou onder de vreeselijkste pijnen gestorven zijn, als
-Miao Sjen niet van zijne ziekte had gehoord. Zij had vóor dien tijd al
-eens haar lichaam aan een hongerigen tijger aangeboden [32], om diens
-leven te redden, en het was een heel kleine opoffering voor haar, haar
-linkeroog en linkerhand te geven voor haar vader. En hierin ligt,
-geloof ik, een van de oorzaken van de populariteit van Kwan Yin. De
-Hiao toch, de liefde voor de ouders, is de voornaamste hoofddeugd van
-de chineezen, door Confucius overal verheven, en hier doet een Boeddha
-een allerschoonste daad van Hiao, door zichzelf te verminken, om haren
-vader te redden. Toen linkerhand en oog niet genoeg waren gaf zij ook
-nog de rechter.
-
-Door deze daad van liefde werd de zonde van den koning geboet, en kwam
-hij tot inkeer. Al de leden der koninklijke familie legden zich ten
-laatste op verreining der ziel toe, en werden boeddha’s. Door de Hiao
-van het kind konden dus de ouders en zusters de onsterfelijkheid
-verkrijgen.
-
-Dit is wel het mooiste in de anders zoo sombere leer van het
-boeddhisme, dat aan de liefde, van een mensch uitgaande, zulk een
-intenze kracht wordt toegekend, dat zij invloed heeft op het Karma van
-andere menschen, ja, het kwaad van duizenden zondaren kan
-neutraliseeren, en die alzoo bevrijde zielen op haren adem mede kan
-voeren naar Nirvana. [33] Zóó gaat van Kwan Yin een emanatie uit van
-liefde, die zacht neêrdroomt op het woelende noodlot der menschen als
-sereen maanlicht op een wild-stormende zee, dat de golven eindelijk tot
-eene vlakke, rustige strooming effent.
-
-En een van de eerbiedwaardigste figuren in de godsdiensten van alle
-tijden is stellig wel deze Kwan Yin, die de eindelooze zaligheid van
-Nirvana had kunnen bereiken, maar geen eeuwigheid van geluk wilde,
-zoolang de wereld nog in zonde en droefheid was, en een heiligen eed
-zwoer, niet te zullen rusten, zoolang nog één menschelijke ziel
-verloren moest achterblijven. [34]
-
-Haar ijver in het heilige reddingswerk is wonderbaarlijk, en rust
-nooit. Eeuwiglijk werkt de liefde, die zij uitstraalt, op de zonden der
-wereld. Alle menschen zijn kinderen van deze blanke moeder van genade,
-die, in de hemelen troonend op eene witte wolk, zich zacht-neigend
-voorover buigt om te luisteren naar der zondaren gebed. Zij wordt
-aangeroepen als „Ta Ts’z’ Ta Pei”: „De groote Genade, het Groote
-Medelijden. Zij is „de Oceaan van Mededoogen”, de „Beschermer der
-Wereld”, de „Verlosser van Vrees”.
-
-De plaats, waar zij, na haren tocht door de hellen, negen jaren woonde
-in gepeinzen, is de bedevaartplaats voor millioenen uit China, Thibet
-en Japan. Het is het eiland Phu-Tho, in den Chusan-archipel. [35] Hier
-was vroeger de berg van wierook, geheel wit, hier was het gras wit, de
-hooge bamboebosschen wit, en was de zee wit van de schitterende
-blankheid van Kwan Yin, die daar troonde in haar wit gewaad.
-
-De uitingen van vereering aan Kwan Yin zijn naïef en simpel als die van
-de westersche vrouw uit het volk voor haar Mariabeeld. Het Kwan
-Yinbeeld wordt opgetooid en versierd als een lievelingskind; het krijgt
-een mooi zijden baadje, en een hoed met pluimen en blinkende paarlen.
-Kleine kinderen dragen een klein Kwan Yinbeeldje van goud of koper op
-het hoofd, en loopen met vlaggetjes, waarop haar roem staat geschreven.
-
-Op de drie groote feestdagen van Kwan Yin, op den 19en van de tweede,
-zesde en negende chineesche maand: den dag van hare geboorte als Miao
-Sjen, den dag, waarop zij werd geworgd, en den dag, waarop zij, na
-haren vader gered en hare geheele familie bekeerd te hebben, voor goed
-ten hemel steeg, worden de publieke offeranden en ceremonieën voor haar
-verricht, maar bovendien wijden voorál de vrouwen haar eenen dienst van
-elken dag. De mannen hebben niet zulk eene groote vereering voor Kwan
-Yin, en dienen liever de woeste goden van het taoïsme, met de dreigende
-gebaren en de bloeddorstige gezichten. En dit is juist eene bizondere
-teêrheid voor mij in de figuur van Kwan Yin, dat zij alleen door het
-vrouwelijke gevoel, dat altijd naïef en intuïtief is, wordt begrepen,
-en zij als ’t ware schijnt te breken voor minder gevoelige beschouwing.
-Al wat China mist aan essentiëel vrouwelijks, al wat de chineesche
-vrouw mist in hare omgeving, om haar onbegrepen gevoel aan te wijden,
-is gepersonifiëerd in die wonderreine vrouwenfiguur van Kwan Yin.
-
-
-
-De mooiste tempel van Amoy, Nam Phu Tho, het zuidelijk Phu Tho, is
-voornamelijk aan den dienst van Kwan Yin gewijd.
-
-Hoe dikwijls heb ik niet in dat bedehuis van Kwan Yin gezeten, dat zoo
-heerlijk aan den voet van hooge rotsen is gelegen, met een vergezicht
-over groene rijstvelden, bergen en zee! Want de moderne tempels van
-Kwan Yin, als die van alle andere chineesche boeddha’s, zijn geen
-heilige monumenten van adoratie, geen paleizen van statie en majesteit
-zooals de Notre Dame of de Ste Gudule; zij zijn een veilig thuis, een
-toevluchtsoord, een rustplaats voor moede reizigers. Zij zijn als het
-huis van een moeder, waar de kinderen altijd veilig en welkom zijn, en
-waar zij kunnen spelen, eten en slapen. Zelfs beesten weigert men den
-toegang niet, en dikwijls ben ik te paard den geheelen tempel rond
-gereden, voor de oogen van de vier reusachtige wachters Kin Kang,
-zonder dat dit door de priesters bizonder vreemd werd gevonden. Er
-worden zelfs visschen, honden en runderen gevoed en verzorgd, uit
-medelijden. En toch doet dit familjaar-vertrouwelijke niets af tot de
-plechtigheid van de plaats. Want bij een chineeschen tempel is niet de
-tempel zelf een alleen-staand gebouw, dat ook in een straat of aan een
-gracht zou kunnen staan, maar het is vooral de omgeving, de kunst van
-Fung Shui [36], die haar waarde bepaalt. En ik weet dan nu ook de
-schoonheid van dien tempel onafscheidelijk van den somberen,
-majestueuzen rotsenmuur, die zich grijs-zwart achter hem verheft, van
-de groote, trotsche boeddhaboomen in de binnenplaats, van de wijde,
-blinkende rijstvelden, van de teêrgelijnde bergen in de verte, en
-vooral van het uitzicht op de groote, groote zee. Want een tempel, om
-een standplaats te hebben, die heilig genoeg is voor de woning van een
-Boeddha, moet altijd met het front gericht zijn naar de open zee,
-zooals een menschenziel uitziet in de eindeloosheid.
-
-Eén middag zal ik nooit vergeten. Het was een donkere, sombere
-Novembernamiddag, tegen vijf uur. Zwarte wolken hingen dreigend om de
-rotsen, toen ik van een rit terugkeerde; en ziende, dat het gevaarlijk
-was, met den naderenden storm, in een sampan de zee over te steken naar
-mijn eiland, zocht ik een schuilplaats in den tempel.
-
-Het was duister in het derde paviljoen, waar het kolossale beeld troont
-van Kwan Yin. Het oude goud glom in het donker van een mystiek rooden
-glans. Groote schaduwen weifelden aan de wanden en in hoeken, en
-glimplekken beefden vreemd in het rond. Er was een vaag, somber licht
-om de boeddha.
-
-Juist toen een ratelende donderslag door de lucht weerklonk, sonoor
-voortdaverend over de bergen, kwam een grijze priester binnen, die voor
-het groote beeld bleef staan, en een monotoon gezang aanhief. Somtijds
-sloeg hij op een houten voorwerp, met doffen slag van gedempt geluid,
-of deed hij een kleine schel zilverig tinkelen. Hij stond onbewegelijk.
-Het gezang weêrklonk hol in het paviljoen, ál somberder en somberder.
-De regen kletterde neer, de donder sloeg met fatale slagen, de wind
-brulde om de deuren, en felle bliksemstralen lichtten blauwgeel weêr
-over het biddend-gebogen hoofd. Maar den priester bewoog het met geen
-enkel vreezen, en hij zag noch hoorde. Steeds klonk zijn somber gezang,
-een eentonig, plechtig zingen als van een ziel, die, in de diepste
-duisternissen verloren, om licht bidt en erbarmen.
-
-De roerlooze priester, stil, als enkel een ziel, zingende zoo
-somber-droef gezang, het vreemd-lichtende beeld van Kwan Yin, zoo
-hoog-statig en sereen in het duister; de brullende storm, de daverende
-donder, het hel-bliksemende licht, het was als het diepe mysterie van
-het geheele boeddhisme gesymbolizeerd, de droef-verloren, maar
-rustig-biddende ziel, eindeloos kalm in den woedenden passiestorm van
-het leven....
-
-
-
-Geeft deze legende van Miao Sjen een verhaal van een der voornaamste
-incarnaties van Kwan Yin en van hare lotgevallen als mensch, er bestaan
-nog tallooze andere sprookjes en vertellingen over hare daden van
-liefde als boeddha.
-
-Op de meeste platen, die Kwan Yin voorstellen, ziet men haar met een
-kindje aan elke zijde. De een is een jongetje, Shen Ts’ai, de ander een
-meisje Lung Nü. Om de beteekenis van deze twee dienaren te verklaren,
-moeten wij zoeken in het werk „See Yiü”: Zwerftochten in het Westen.
-Dit wonderlijke boek, dat niet in den ouden stijl der „Kings” maar in
-den verhalenden trant is geschreven, en dat eene verzameling van
-sprookjes is van eene zoo rijke en weelderige fantasie, dat alleen de
-Märchen van Grimm er mede kunnen vergeleken worden, en wel een van de
-allerpopulairste boeken is van de chineezen, bij oud en jong geliefd,
-en overal in theaters vertoond,—dit schijnbaar kinderlijke werk is van
-een veel diepere beteekenis, dan de meeste westersche lezers wel hebben
-vermoed. En de Kwan Yinfiguur speelt er een hoofdrol in.
-
-De beroemde koning T’ai Tsung (627–649 n. C.) van de Thang dynastie,
-die door eene onvoorzichtigheid zijn generaal Wei Ting gelegenheid had
-gegeven, Lung Wang, den Rivier-Draken-Koning, te dooden, en die deze
-schuld alleen volkomen kon boeten door een mysterieuzen „King” (soetra)
-te verkrijgen, die de macht had, de zielen uit de hellen te verlossen,
-liet een priester oproepen, die den moed had, dezen soetra in het
-onbekende Westen te gaan zoeken. Toen bood zich een priester aan, Saan
-Tsang geheeten, die op zich nam, het heilige boek te vinden. Deze
-priester stond onder de bescherming van Kwan Yin, die hem, met andere
-gaven, het kostbare, van goud schitterende gewaad Kia Sha deed geven,
-afkomstig van Shakyamuni.
-
-
-
-Tevens gaf Kwan Yin hem vier dienaren mede. De voornaamste van deze was
-een reusachtige aap, Sun Wu K’ung geheeten, die indertijd van een adept
-de diepste geheimen der esoterische leer had geleerd, en de zwarte
-kunst verstond, van gedaante kon verwisselen, en een onoverwinlijk
-wapen had, een gouden pilaar, die hij van den drakenkoning had
-gekregen. Deze aap—die het menschelijk hart symboliseert—was
-oorspronkelijk door den hemel geboren uit een rots, en had zich trouw
-toegelegd op de verreining der ziel, maar zijn apennatuur was altijd
-weer bovengekomen. Als hij de heiligste dingen hoorde kon hij niet
-nalaten, allerlei rare gezichten te trekken en de dolste grimassen te
-maken, en hij gebruikte zijn kunst alleen om er mede te pronken en
-grappen mede te vertoonen. Om van dezen lastigen apengeest af te komen
-had de opperste hemelgod Yü Ti hem in den hemel bij zich genomen, maar
-Sun Wu K’ung was er niet tevreden, omdat hij er geen groote rol
-speelde, totdat hem eindelijk werd opgedragen het veld der perzikken te
-bewaken. Daar deze de perzikken der onsterfelijkheid waren, was het een
-gewichtige taak; maar de aap, die altijd een aap bleef, eindigde met ze
-allen op te eten, omdat hij dol was op zoete perzikken. Toen leverde
-hij een groot gevecht met de hemelbewoners, die hem echter niet konden
-dooden, omdat de perzikken hem onsterfelijk hadden gemaakt. Ten laatste
-werd hij overwonnen door Shakyamuni, die hem op zijn hand zette en
-wegblies in een diepen afgrond, waar hij onder een rotsblok bleef
-gevangen. Zóo had hij daar al vijfhonderd jaar gelegen, zonder zich te
-kunnen verroeren, toen Kwan Yin—overal de reddende uit het noodlot, de
-vergeving van straf en het medelijden—hem kwam verlossen. Zij beloofde,
-dat hij later weer in den Hemel zou mogen terugkeeren, op voorwaarde,
-dat hij zijn schuld zou uitwisschen door Saan Tsang te helpen als
-dienaar op zijnen tocht naar het Westen om de soetra te vinden, die de
-zielen kon verlossen en naar Nirvana overvoeren. Sun Wu K’ung beloofde
-zijn best te doen, maar voor alle zekerheid, omdat hij nu eenmaal een
-aap was, deed zij hem nog een ijzeren band om het hoofd, die hem pijn
-kon doen zoodra zij eenige tooverwoorden uitsprak. De tweede dienaar
-was oorspronkelijk een kind van den westelijken Zee-Draken-Koning [37],
-die wegens zonden uit den hemel verbannen was, en in de lucht zwevende
-als booze geest, levende van roof, een ellendig leven leidde. Ook hij
-werd door de medelijdende Kwan Yin bevrijd, op voorwaarde, dat zij hem
-in een wit paard zou veranderen, om den priester Saan Tsang als rijdier
-te dienen. Een derde was Chu Puh Kiai, ook oorspronkelijk een verbannen
-hemelling, die tot straf in een varken was veranderd, en eveneens door
-Kwan Yin werd gered, als hij Saan Tsang wilde volgen. De vierde was Sha
-Sang, een andere uitgedreven hemelling, die door Kwan Yin werd bekeerd.
-
-Met deze vier dienaren trekt Saan Tsang naar het Westen, om de kostbare
-soetra te zoeken.
-
-En nu volgt een wonderbaar verhaal van de lotgevallen dier vijf
-reizigers, van eene schitterende, maar wilde fantasie, die het boek tot
-een der meesterstukken van fictie in de wereldliteratuur maakt. Vóor de
-soetra wordt gevonden moet de priester door twee en zeventig gevaren
-gaan. Geheele legers van monsters, duivels en geesten staan hem in den
-weg, bergen van vuur, diepe afgronden, eindelooze zeeën moet hij over,
-om het boek te winnen, en de dood dreigt hem bij iedere schrede. Dit
-bonte verhaal van tooverbergen, wilde duivels en gevechten is echter
-geheel en al symboliek. [38]
-
-Saan Tsang is niets anders dan de menschelijke „Sing”, de hemelsche
-oorsprong, die echter hulpeloos is, als het lichaam niet helpt. De aap,
-dat zonderlinge beest, dat nooit zijn natuur verloochent, en altijd
-grimassen maakt, is het menschelijk hart. Het paard, dat, zonder
-teugel, in het wilde doordraaft, en altijd vooruit wil, is de
-menschelijke „i”, de begeerte. Het varken zijn de dingen van de buik,
-de maag en de ingewanden, altijd hongerig. En Sha Sang is het
-menschelijk geraamte, de beenderen, die het vleesch dragen.
-
-Zonder zijne dienaren zou Saan Tsang er nooit gekomen zijn. Want hij is
-altijd maar lijdzaam en willoos, hij loopt blindelings in de gevaren,
-laat zich opsluiten, geeft zich over zonder ernstigen weerstand, uit
-gebrek aan energie. Maar de aap, dol en bewegelijk als hij is, slaat er
-bij de minste gelegenheid op los, gebruikt zijn esoterische geheimen om
-den vijand te bedriegen, verandert zich in duizenderlei gedaanten, en
-laat zich door niets uit het veld slaan. Ook de andere dienaren doen
-het hunne, al is het in ’t wild en zonder wijsheid.
-
-En toch zouden ook de vier dappere dienaren gelijk met Saan Tsang op
-jammerlijke wijze zijn omgekomen, indien niet altijd op het suprême
-moment Kwan Yin, de godin der genade, die den armen priester bezorgd
-heeft gevolgd, en zelf het heilige boek voor hem gereed heeft, op hare
-witte wolk nederdaalde om hem te redden.
-
-Prachtig van teêrheid is de Kwan Yinfiguur in dit boek weêrgegeven. Als
-de strijd in de wildste verwarring is, en geheele zeeën en vuurbergen,
-door een boozen geest getooverd, de reizigers dreigen te verzwelgen, is
-één zacht gebaar van haar hand genoeg, om alles in een groote kalmte te
-doen verdwijnen, en de verschrikkelijke duivel wordt veranderd in een
-zacht, onschuldig kindje, dat in diepe adoratie de handen tot haar
-opvouwt. Kwan Yin alleen stelde Saan Tsang in staat, het heilige boek
-te vinden, dat de zielen de zaligheid van Nirvana kan doen verkrijgen.
-
-Als Saan Tsang op het laatst het kostbare boek vindt is het niets dan
-schoon papier, onbeschreven; want karakters kunnen die opperste
-waarheid der esoterische leer niet uitdrukken. Na intenze meditatie,
-van zeven dagen en nachten lang, ál maar doorstarende op het papier,
-werd hem eindelijk die waarheid bewust van „de soetra zonder
-karakters”, die alleen de ziel; niet de oogen, kan lezen.
-
-Een van de vele gevaren, die Saan Tsang moest overkomen, was een booze
-geest, het Vuur-Kind, Hwo Hai’Rh, die in een atmosfeer van vuur was
-gehuld, en stroomen vuur braakte. Deze booze demon nam den priester
-gevangen, en wilde hem aan haar vader, een geestenkoning, als voedsel
-geven. De dappere Sun Wu K’ung liet zijn meester niet in den steek,
-maar viel zijn vijand aan met al de wapenen, waarover hij kon
-beschikken, den gouden pilaar, dien de drakenkoning hem gegeven had, en
-steeds zijne haren uittrekkende, die hij in evenveel krijgers kon doen
-veranderen. Maar de haren werden door het vuur geschroeid, en deerlijk
-gebrand moest de aap den strijd opgeven. Toen scheen Saan Tsang voor
-goed verloren, indien niet tijdig Kwan Yin ware neergedaald op hare
-wolk, en den demon had onderworpen. Door hare toovermacht veranderde de
-vuurduivel eensklaps in een klein jongetje, dat eerbiedig het hoofdje
-neeg, en de handjes biddend tot haar ophief. Van nu af aan kreeg de
-bekeerde duivel ook een anderen naam: „Shen Ts’ai”, Het Goede Talent,
-en volgde hij overal Kwan Yin als discipel. En dit nu is het biddende
-kindje, dat op zoovele platen en beelden ter linkerzijde van Kwan Yin
-staat.
-
-Een der andere gevaren was een reusachtige visch, met den kop van een
-draak, die de gedaante van een schoone vrouw had aangenomen, en hem in
-haar paleis-grot op den bodem der zee had gelokt. Lí Yü Tsing, zoo was
-haar naam, liet een groot feest aanrichten, daar zij Saan Tsang met
-allerlei feestelijkheden tot echtgenoot wilde nemen. De aap en het
-varken kwamen in allerijl te hulp, maar werden door hare tallooze
-legers van visschen, garnalen, krabben en kreeften verslagen en
-gevangen. Het varken werd bestemd om voor het gastmaal geslacht te
-worden, en de aap om met zijne grimassen de vroolijkheid onder de
-genoodigden te verhoogen. Het witte paard en Sha Sang zochten
-tevergeefs hunnen meester. Eindelijk, op het critieke oogenblik,
-verscheen Kwan Yin, en veranderde den visschengeest in een klein
-meisje, Lung Nü, het drakenmeisje, dat zich bekeerde, en haar voortaan
-overal volgde. En dit is het meisje, dat afgebeeld staat aan de
-rechterhand van Kwan Yin. [39] De vogel, dien men ook veelal in
-afbeeldingen bij Kwan Yin ziet is volgens sommigen een reuzenvogel, die
-het keizer Jên Tsung [40] van de Soung-dynastie deerlijk lastig maakte,
-door zich in zijn sprekend evenbeeld te veranderen, en hem den troon te
-betwisten. Het geheele rijk geraakte daardoor in de grootste
-verwarring, en bloedige oorlogen braken uit tusschen de twee keizers.
-Ten laatste tooverde Kwan Yin een onmetelijke zee, waar zij met haar
-waaier den reuzenvogel in wegzwaaide. Zoo zwierf de vogel dagen en
-nachten boven de zee, tot eindelijk Kwan Yin in een berg veranderde,
-waar hij een toevlucht op zocht, en gevangen werd.
-
-
-
-Volgens anderen was het een der vijanden van Saan Tsang, die hem
-gevangen nam en opsloot. Kwan Yin lokte dezen gevaarlijken vogel in een
-herberg, waar hij zooveel at, dat hij in slaap viel en weerloos werd.
-Hij braakte toen zelf de ketting uit, waaraan Kwan Yin hem gevangen
-hield. Sedert dien tijd bekeerde hij zich en bleef haar trouwe dienaar.
-
-
-
-Moge men glimlachen bij al deze wonderlijke verhalen, er blijkt toch
-duidelijk uit, dat Kwan Yin wordt vereerd als de reddende uit den nood,
-de beheerscheres der booze geesten, de beschermheilige, die den
-priester het heilige boek deed vinden, dat millioenen zielen uit de
-hellen kon verlossen. Zij is niet alleen de beschermster, maar zelfs de
-Voorzienigheid, in de gedaante van eene vrouw in wit gewaad. Nooit rust
-zij van haren arbeid zoolang nog één gevaar den priester dreigt, die
-het boek der onsterfelijkheid zoekt.
-
-Talloos zijn de vele andere verhalen en legenden, omtrent Kwan Yin in
-omloop. Niet alleen als vrouw, ook als man incarneert zij zich, in de
-gedaante van een priester. Zij redt ter dood veroordeelden, door hun
-een soetra te leeren, die, op het schavot uitgesproken, het zwaard
-roerloos boven het bedreigde hoofd doet zweven.
-
-Zij neemt duizenderlei gedaanten en vormen aan, om de menschen te
-helpen en de duivels der zonde te bestrijden. Zij wordt dan ook
-dikwijls afgebeeld met achttien en meer armen, die zij allen tegelijk
-aanwendt om de booze geesten te vernietigen.
-
-Deze beelden met achttien armen hebben vanzelf niet het sereene en
-rustige van de andere, maar kunnen toch zeer indrukwekkend zijn. Iedere
-hand houdt een voorwerp vast, de rechter boven het hoofd verticaal
-uitgestrekt een zon, de linker een maan, de andere een zwaard, een
-soetra, een bel, een snoer paarlen, een rad, een bal, een vaas, een
-discus, een perzik, een koord, enz., allen attributen, waarmede zij,
-volgens de chineezen, mirakelen kan doen. Boven het hoofd van dit
-beeld, met twee armen opgehouden, zweeft meestal nog een klein
-boeddhakindje, dat haar bevrijde ziel voorstelt.
-
-En als eene moeder zorgt voor de lafenis van hare kinderen, zorgt zij
-voor de lafenis der aarde. Zij is de regengeefster, die aandrijft op
-witte wolken boven het smachtende, heete land.
-
-„Fu Tsu lai”: „de Oermoeder-Boeddha is gekomen,” is eene chineesche
-uitdrukking voor „de regen valt.”
-
-Op de witte wolken, die boven de heete aarde aandrijven, rusten lucht
-de zachte voeten van Kwan Yin, en dra zal de zoete, lavende regen
-neerzegenen, die vruchtbaarheid geeft aan den grond en verkoeling aan
-de smachtende menschen. De al dichter en dichter saâmdrijvende
-wolkenmassa’s zijn de wijd en wijd uitvallende plooien van haar gewaad.
-
-
-
-Maar de Kwan Yinfiguur, hoe liefelijk en teêr wij haar ook voor ons op
-zien droomen uit soetra’s en legenden, in hare reinste openbaring is
-zij alleen gegeven in de kunst, vooral in die der beelden, houten,
-bronzen, porseleinen.
-
-Toen in de laatste eeuw, door den invloed der europeanen, de chineesche
-kunst verbasterde en verzwakte, is ook de teêre opvatting van eene Kwan
-Yin bij de kunstenaars gebroken. De moderne beelden hebben het opperste
-moment van expressie verloren, en de goddelijkheid van het gelaat en de
-vormen is meer materialistisch geworden. De nieuwere tempelbeelden van
-Kwan Yin, met hunne schelle kleuren en veel te grove vormen, hebben het
-streng virginale verloren, dat in de oude is te zien. Het zelfde is te
-zeggen van de porseleinen en bronzen. Het is heel moeilijk, in China
-specimen van oude kunst te krijgen. Ik heb door geheel Canton
-gewandeld, zonder in één antiquairswinkel iets bizonder moois te zien,
-en de verlangende kooper zal zich bij zijne eerste bezoeken in
-chineesche winkels, waar ook, Canton, Hongkong, Amoy, zeer
-teleurgesteld zien. Maar de chineesche antiquair heeft dan ook eene
-soort kuischheid, die verfijnd artistiek is. Als hij een heel mooi ding
-heeft zet hij het niet in zijn winkel, maar bewaart het als een schat
-in zijn achterkamer, in een donker hoekje. Hij moet eerst zijn klant
-kennen, zijn gezicht, zijn handen hebben gezien, hoe die door beweging
-aangeven wat ze van een voorwerp voelen. Heeft hij de zekerheid, dat
-zijn klant het waard is, dan neemt hij hem mede naar binnen, zet
-zwijgend het kleinood op tafel, en laat het hem zien. Daarna bergt hij
-het zorgvuldig weg, schenkt een kopje thee in, en spreekt er in ’t
-geheel niet meer over. Hij heeft al aan zijn oogen, zijn mond, zijn
-geheele houding gezien, wat hij gevoeld heeft. Het koopen komt dan
-eerst veel later. Als hij aan hem gezien heeft, dat hij het niet
-begreep, begint hij er ook nooit weer over.
-
-Toch zijn zulke oude voorwerpen in de havensteden zeldzaam. Maar de
-kunst om ze te krijgen is niet zoo heel moeilijk, want men behoeft
-slechts agenten te hebben, arme chineezen, die de kans schoon zien iets
-te verdienen, en wien gij vooruit reisgeld geeft.
-
-Deze maken lange dagreizen in het binnenland, zoeken niet bij
-antiquairs alleen, maar vooral bij deftige, arm geworden families, die
-licht nog een oud stuk uit den goeden tijd hebben bewaard, en, zelf
-eigenlijk de waarde niet kennende, het voor een spotprijs verkoopen. En
-er is in het binnenland van China nog véél meer, dan men wel zou
-vermoeden.
-
-Wat de antiquairswinkels zoo gewoonlijk uitstallen is alles modern,
-imitatie bronzen wierookvaten met het valsche merk Süan Tih, [41]
-goedkoope vazen uit Kang Sai, en moderne beeldjes uit Tik Hoa.
-
-Het zien en voelen van chineesche Kwan Yinbeelden gaat niet inééns, en
-voor velen lijken zij op het eerste gezicht te vreemd om mooi te zijn.
-Het lange, ellipsvormige gezicht is dat van géén chineesche vrouw, de
-schuin opwaarts welvende oogen lijken onnatuurlijk, de lange
-oorschelpen te ongewoon. Maar men moet eerst het idee van zich
-afzetten, in die beelden een natuurlijke gelijkenis van een gewone
-vrouw te zien. Men moet goed begrijpen, dat de kunstenaar in ’t geheel
-niet aan een vrouwenmodel is gebonden, en hij alle hulpmiddelen mag
-gebruiken, die de expressie van zijn beeld verhoogen. Als men maar
-dikwijls en aandachtig ziet, wordt zulk een gezicht meer en meer
-expressief, en eindelijk licht voor u op die klare zielevrede, die
-eindelooze kalmte, die stille uitdrukking van goddelijkheid, die de
-kunstenaar met zijn beeld bedoelde. Meer dan ééne boeddhistische school
-leert, dat boeddha niets anders is dan de menschelijke ziel, [42] en
-zoo is een oud Kwan-Yinbeeld van een groot kunstenaar ook niets dan de
-afbeelding van de menschelijke ziel, in de gedaante van die vrouw. De
-ziel in materie weêr te geven lijkt wel onmogelijk, maar toch hebben de
-chineezen in deze den schijn zoo dicht mogelijk bij het reëele
-gebracht, en, wat in hout of brons nog zoo moeilijk gelukte, werd tot
-het hoogste opgevoerd in de kunst der porseleinen, waarin de materie in
-haar luchtigste, allereerste uiting is gegeven, broos en breekbaar als
-een droom.
-
-Brons is een zooveel grovere materie dan porselein, maar brons is toch
-een wonderheerlijke stof geworden in die bewerking—van waar en door
-wien is mij onbekend gebleven—die het de zachte kleur geeft van het
-„Shih Seu” fabricaat. Een van de mooiste exemplaren van Shih Seu brons,
-die ik gezien heb, is een stuk, voorstellende Kwan Yin op den berg
-Hiang Shan, afkomstig uit Suchau. Of het oud was, weet ik niet, de gave
-glans en de pure staat doen niet vermoeden dat het reeds eeuwen oud is,
-maar die kwestie van oud of modern, waar de verzamelaars zich zulk een
-gewetenszaak van maken, doet er al heel weinig toe af. Is het een feit,
-dat ik nog nooit veel even mooi modern porselein of brons heb gezien
-als het oude, toch is het zeer goed mogelijk dat dit eene stuk modern
-was.
-
-Het stuk werd van den grond opgeheven door teêre, lage pootjes onder
-randen van kantfijn houtsnijwerk, en was omgeven door een glazen kast,
-met den achterwand van donkerblauwe zijde. Op een terras, van hetzelfde
-houtsnijwerk en ivoren pilaartjes, stond, uit bruinzwart, gesneden
-hout, een rots. Prachtig is het rotsige weêrgegeven, met dezelfde ruwe
-vormen als in de natuur, zonder gemaaktheid. Op de rots zit de bronzen
-Kwan Yin, een koraaltakje in het haar, een ivoren boek in de hand, een
-zilveren parel in het voorhoofd. Zij zit in eene houding, die aan de
-beelden van Ho Chao Tsung [43] herinnert, met opgetrokken rechterbeen,
-en het linker er onder gevouwen, in het boeddhagewaad Kia Sha. [44] Het
-beeld is van een donker chocoladekleurig brons, van zachten glans. Het
-lijf is—als dat van bijna alle Kwan-Yinbeelden,—met rechterschouder en
-borst een weinig achterover gebogen, en de linker naar voren, zoodat
-het is, of zij zich onmerkbaar zacht nederbuigt, als luisterende naar
-gebeden, en neigende tot het leed der wereld. Dit gebaar is zoo vaag en
-zacht, dat het somtijds bijna niet te zien is, en dàn het beeld als ’t
-ware weer heel even beweegt. De randen van het dof-bruine Kia Sha
-gewaad zijn fijn bewerkt met zilveren lotussen, als geëtst in het
-brons. Overal waar de gewade-randen uitplooien schittert die
-ornamentatie van zilveren bloemen. Zoo is een band van zacht
-schitterend licht heengedroomd om het donkere beeld, dat het omgeeft
-met een mystieken glans. En, alsof dit nog niet genoeg ware om het te
-verheerlijken, droomt tot het beeld òp een zoete, heilige geur van
-wierook, daar de geheele rots uit wierookhout is gemaakt. Het fijne
-hoofd van de boeddha staat tegen een ranken, langen bamboetak, die zijn
-teêre, spitse bladen van zachtgroene kleuren daarachter ontvouwt. Die
-fijne blaadjes staan zich heel stil te geven achter het wijze
-vrouwenhoofd.
-
-Zoo zal ik haar nop dikwijls zien, die donkerbronzen Kwan Yin, die
-neigende, lief-luisterende, in die kuische, wijze kalmte van haar
-gewaad, zacht omschitterd van zilveren lotussen, in den droomerigen
-geur van de heilige wierook, met die teêre, spitse bamboeblaadjes
-achter het stille hoofd....
-
-
-
-Ook uit hout gesneden heb ik mooie beelden van Kwan Yin gezien. Een
-bizonder fraai exemplaar, in mijn bezit, is van zachtbruin reukhout,
-van zoeten geur. Het voetstukje alleen is van een zwarte reuklooze
-houtsoort, en is een zee met opslaande, krullende golven. Uit de zee
-rijst een welige groei van lotusbloemen, met teêre, gevoelige
-stengeltjes en half uitgekomen, half nog dichtgevouwen blaadjes. Een
-grootere bloem is ontloken, en naast deze twee knoppen. Alles zoo
-simpel natuurlijk, als levend, met de geheele zachtheid en rankheid van
-stengels en ontplooiende blâren allereerst weêrgegeven in de harde
-materie. Boven de bloem en de knoppen spreidt een groot, fijn generfd
-blad zich wijd uit, om de Kwan Yin te dragen, een rank beeldje, van
-ruim een decimeter hoogte, met een gewaadje, zoo zacht en lucht als een
-bloem, keurig afgewerkte handjes, en een fijn, wijs gezichtje. En op
-het kleine hoofd de haartjes één voor één getrokken, een golving van
-teêre, evenwijdige lijntjes, òp in een wrong. Hoe teeder moet de hand
-zijn geweest, die met een miniatuur, scherp mesje zoo voorzichtigjes en
-gevoelig die vrouwenharen uitdroomde uit de materie! Die ranke stengels
-en bloemen, dat wuivende gewaadje, die fijne haren, die kleine, wijs
-predikende handjes, wat moet die artiest een lief, gevoelig mensch zijn
-geweest, en hoe rustig en doodkalm moet zoo iets gemaakt zijn, zonder
-de minste zenuwachtigheid, met welke stille, aandachtige,
-zacht-starende oogen moet hij zich heengebogen hebben over zijn werk!
-
-Van de kleine beeldjes van de goedkoopste soort zijn die uit de stad
-Tik Hoa in de Hokkienprovincie wel de beste. Zij zijn niet van
-porselein, maar van steen. Ze zijn voor den ongeloofelijk lagen
-prijs—van vijf tot tien cents—verwonderlijk teêre dingen. Gevoelig van
-lijn, en blank van kleur, zonder hardheid. De meeste stellen Kwan Yin
-voor schrijdende over de zee, die met opslaande golven is aangegeven.
-Het witte gewaadje omwuift haar luchtig, het in een wrong opgemaakte,
-met een speld vastgehouden haar is keurig gedaan, en onder de rok komt
-een klein voetje te voorschijn. Maar het mooiste van het beeldje zijn
-de handjes, die apart worden gemaakt, en uitgenomen kunnen worden,
-superbe, teêre handjes, met sierlijk spitse vingertjes, de rechter een
-parel vasthoudende, de ander wijzende met een gracieus gebaartje, alsof
-die puntige, fijne nagels de diepste mysterieën van de leer met een
-vlugge gratie van kalmte luchtig kwamen uitduiden. Op andere beeldjes
-zit zij in een lotus, een kindje in den arm dragende, in verschillende
-houdingen. De grootere geven haar op de rotsen van den berg Hiang Shan,
-naast haar Shen Ts’ai en Lung Nü en een kindje in den arm, met een
-vaasje bloemen en den vogel, neêrgestreken bij haren schouder.
-
-Maar, hoe liefelijk en gracieus ook, en hoe adorabel naïef ook door den
-eenvoudigen werkman gedaan, deze moderne steenen beeldjes, die
-hoogstens charmante bruidjes zouden kunnen voorstellen, geven niet het
-hoog-sereene, immens genadige en streng-kuische van de Kwan Yinfiguur,
-de voorstelling van het hoogste vrouwelijke, dat reinheid is en liefde.
-
-Ik weet niet, wie de schepper is van de oude porseleinen beelden, wiens
-naam was Ho Chao Tsung, daar ik nooit de geschiedenis van zijn leven
-heb kunnen vinden, maar sedert ik zijne statige kunst heb gezien, zal
-ik hem evenmin kunnen vergeten als die groote kunstenaars van het
-Westen, wier werk niet van eene periode, maar van de eeuwen is.
-
-Een Kwan Yinbeeld als van Ho Chao Tsung is méér dan eene afbeelding van
-een godenfiguur, het is een geheele filosofie, niet in hare wording en
-ontwikkeling, maar in haar opperste moment van weten, simpel grandioos
-als al het eindelooze. Ik kan mij niet voorstellen, dat iemand zulke
-beelden kon maken die onder zijn werk niet als een wijze en een heilige
-voelde. Want het gezicht van Ho Chao Tsung’s Kwan-Yinbeelden is geen
-menschengezicht meer, maar eene openbaring in dien schijnbaren vorm van
-diviene wereldwijsheid; het ziet met die droomende, half-geloken oogen
-in het eindelooze; het is zoo roerloos en zacht van den vrede van den
-puren god-mensch; het is de goddelijke ziel, die er in schijnt en het
-verheerlijkt tot een revelatie.
-
-De mooiste Ho Chao Tsung, die ik bezit, is een beeld van ongeveer vier
-decimeter hoogte, [45] van een wit porselein, met een lichtblauwe tint,
-als wel eens op melk ligt. Zij is in zittende houding, niet, zooals bij
-de meeste andere beelden, met gekruiste beenen, maar met het
-rechterbeen opgetrokken, en het linker er onder gevouwen. De beenen
-zijn niet te zien, evenmin de armen en handen, want haar enorme wijde,
-witte gewaad bedekt haar gansche lichaam, behalve het gezicht en de
-borst. Het gaat héél voorzichtig-zacht over de haren, zóo lucht, dat
-het niet drukt, maar als een dons is boven het hoofd, valt heel
-gevoelig langs hals en schouders, met diezelfde intenze teêrheid,
-waarmede op oude schilderijen der primitieven blanke sluieren droomen
-langs fijne maagdeslapen, gaat in weinige, statige lijnen langs rug en
-borst, en valt dan wijd uit om heupen en beenen in een triomf van
-vrome, wijze plooien. Die bizonder teêre en toch strenge gewadeplooien
-zijn een apart kenmerk voor een Ho Chao Tsung. Géén ander kunstenaar
-heeft hem ooit overtroffen in het modelleeren van een gewaad en
-rijkheid van draperie. Zóo herkende ik later een ander beeld,
-voorstellende den heiligen priester Tat Mo Tsu Su dadelijk als een Ho
-Chao Tsung, voor ik zijn merk gezien had, enkel aan de sublieme
-staatsie, waarmede hij zijn gewaad optilt op beide armen, en dán in een
-glorie van groote plooien wijd om zich uit laat vallen, als golfde al
-zijne wijsheid daarmede van hem af. Het porselein, immers zelf zoo mooi
-glanzend wit van materie, is zoo fijn en gevoelig bewerkt, dat de
-illusie volkomen is van een echt vrouwenkleed in alle blank- en
-zachtheid. Al de ondulaties van die plooien zijn door de ziel van den
-kunstenaar gevormd, enkel zéér zuivere ziele-emotie kon ze zoo
-statig-streng en toch eindeloos liefelijk doen opgolven, en uitwijken,
-en weêr neêrdroomen, dat het gewaad van transparant porselein wordt als
-de ziel van den adoreerenden artiest, die om het lichaam van de godin
-heendroomt. En dan bij al dat strenge en wijze, dat van een oud, grijs
-man lijkt te komen, die kleine, innige liefheden, als het héél fijn
-bewerken van de haren, één voor één getrokken, en het plooien van een
-rozet op de borst, als gedaan door een meisjeshand en die diadeem van
-bloemen en pareltjes op het hoofd, en de fijn afgewerkte parelen, allen
-even rond, van het kruis op de borst. En,—om te kussen van liefelijke
-gevoeligheid,—onder de plooien van het gewaad komt een gedeelte van een
-bloote voet te voorschijn, tot in de kleinste fijnheden gemodelleerd,
-en met gladde ronde nageltjes als bloemebladen, zooals een kindje wel
-heeft.
-
-Wat moet het een geluk zijn, zooiets langzaam, langzaam aan gemaakt te
-hebben, het te hebben bewerkt met teêre, gevoelige handen, het
-voorzichtig aanrakend als ware het een droom, die elk oogenblik kon
-breken! En dan eindelijk de angst, als het weeke ding in het fornuis
-werd gezet, in de hitte van het vuur! Eén oogenblik boven het
-vereischte, en het werk van maanden barstte in stukken. [46] Maar het
-geluk, als het gaaf uit de hitte kwam, en verkoelde, als het weeke
-glanzend en hard was geworden, en daar stond het beeld levend,
-onaantastbaar door de lucht en stof, en het zag den kunstenaar aan,
-zooals het uit zijn eigen ziel was geboren!
-
-Beelden als de oude porseleinen van Ho Chao Tsung en anderen zijn niet
-om in daglicht te zetten. Zij hebben eene aparte omgeving noodig van
-kleur. Daarom zet een chinees ze altijd in een nis. De nis is vierkant,
-met van achteren een fond van zijde,—bij Ho Chao Tsung doet mooi
-lichtroze—, de zijwanden half van hout, waarop weer dezelfde zijde, en
-de bovenhelft van glas, en van voren een raam van glas, zoo mogelijk de
-stijltjes besneden met lotussen, en aan weerskanten van boven een draak
-of een feniks. De nis rust niet op den bodem—wat te grof zou
-staan,—maar staat òf op een werk van uit hout gezaagde bloemen, fijn
-als kant, òf op gracieuze, kleine pootjes, die het met een teêr
-gebaartje lucht oplichten van den grond. Boven een mijner nissen staat
-met gouden karaktertjes „De wolk van liefde”, een eerenaam voor Kwan
-Yin, en hangen aan weerszijden tabletjes af met in gouden karakters:
-„De wijze Tathagata van het witte lotus terras” en „De
-In-zichzelf-bestaande van het schoone bamboebosch.” Daar voor de
-chineezen karakters heilige dingen zijn wordt de eerwaardigheid van
-zulk een beeld door dit opschrift nog verhoogd. En het zou
-heiligschennis zijn na te laten, op den 1en en 15en der chineesche
-maand, er wierookstokjes voor te branden. Het staat dan ook heel mooi,
-de teêre blauwe wierookwolkjes te zien opdampen, langzaam rijzend, en
-droomend, voor het stille, glanzende beeld.
-
-Uit de beelden van zulke kunstenaars is de Kwan Yinfiguur in hoogste
-uiting voelbaar, véél zuiverder dan uit al de legenden en dubieuze
-Soetra’s. Kwan Yin is dan ook geen hoogste ideaalfiguur voor mij
-geworden vóór ik die oude kunst had gezien. En ik weet nog zoo goed den
-tijd, en de straat, en de omgeving, toen ik voor het eerst dat sublieme
-vrouwenbeeld zag, alsof ik op dien dag de vrouw had gevonden, die ik
-liefhad. De smalle, donkere straat in de chineesche stad, armoedig en
-vuil, en het onaanzienlijke winkeltje, met het grove, grijnzende
-gezicht van den ouden sjacheraar die het voor mij had opgespoord. En
-daar, op die smerige toonbank, in die omgeving, zonder nis, was het
-blanke beeld, wonder glanzende. Dan het loven, en het bieden, en het
-groote, groote verlangen om het aan te vatten met heel zachte vingers,
-en weg te dragen, ver weg van deze misère, naar mijn vertrouwde kamer,
-bij mijn boeken en al mijn intieme dingen! En dit bijna religieuze
-verlangen, bang, bevend voor de slimme, ongevoelige tronie van den
-kwanselaar, wetend dat hij let op iederen trek van mijn gezicht, iedere
-trilling van mijne handen! En dan het weggaan, met kloppend hart, bijna
-schreiend, omdat hij meer wil hebben dan ik met de grootste moeite kan
-missen. Dan een maand, in zenuwachtige spanning, zonder nieuws, tot
-eindelijk de antiquair zelf bij mij komt, om weer te beginnen met het
-ignobele gebied, en dan eindelijk accoord, en naar zijn winkel aan den
-overkant, waar ik het lang-verlangde krijg. En nu zie ik mij weer in
-mijn’ grooten draagstoel zitten, op de schouders gedragen van magere,
-naakte koelies, het beeld voorzichtig tusschen mijne knieën, zoo door
-den goudmist, die in winterschemeringen over de duistere, chineesche
-straten droomt, door de vreemde woeling van gele menschen heen, met
-overal geruisch en geschreeuw, en het bommen van gongs in de verte. En
-dan het uitstappen aan de kade, en haastig in den sampan, van Amoy
-terug naar het mooie eilandje Ku-Lang-Su, waar mijn huis staat.
-
-Ik zie nog de zee, in het weifelend licht van den vallenden avond, zoo
-rustig en sereen. Ik zie nog de bergen van het vasteland, ten Westen,
-met hun roodgouden glans, waarlangs vage wolken droomen. Ik zie de
-hooge rotsen van het eiland, statig-stom oprijzend in de lucht. Ik zie
-de bergen in het Oosten zacht wegnevelen in grijzenden mist, en vage,
-dofgouden zeiltjes wenkende en wuivende over het water, en het
-droevige, roode lichtje ergens, van een vuurtoren, en heel vér die
-wondere mysterieën van mijmerend licht en stervende lijnen aan de
-horizonnen der zee.
-
-En o! hoe duidelijk zie ik het nog, zooals het nu voor mij staat, even
-helder, hoe ik het blanke, blanke beeld hield in mijne handen, hoe ik
-het aanstaarde en staarde, en voel ik hoe gelukkig ik was, dat ik dit
-lichte wezen had gered uit die duistere stad. En die bergen, die
-rotsen, die zee, die vage horizonnen, zij zullen altijd voor mij
-blijven, zooals ik ze zag op dien avond, toen ik haar met mij medenam
-naar mijn eigen huis, die lichte godin van liefde en genade, Kwan Yin.
-
-
-
-Hebben de porseleinen van Ho Chao Tsung het statige van lijn en het
-bizonder prachtige der draperie, en geven zij in uitdrukking van gelaat
-de in het eindelooze verloren zaligheid van de ziel, als
-porseleinmaterie doen zij onder voor het wondere Peh Ting, waar ik met
-groote moeite één exemplaar van ben machtig geworden. Het stuk is „puh
-ts’ üen”: niet volmaakt, want van de achttien armen, die de Kwan Yin
-hierop oorspronkelijk had, zijn er zestien verloren [47], maar het is
-met zulk een minutieuze zorg gerepareerd, zooals alleen een chinees kan
-doen, dat de oningewijde er niets van ziet. [48] Uit een wilde zee, met
-opkrullend schuim, rijst de rechte, gestyleerde stengel van een
-lotusbloem. De lotus opent zich wijd, met twee rijen fijne blaadjes,
-gescheiden door een krans paarlen. In dien blanken kelk zit de boeddha
-Kwan Yin, met over elkaar gekruiste beenen, de zolen naar boven. De
-beide handen zijn opgeheven en saamgevouwen, en op de toppen van de
-opgestoken wijsvingers bloeit een bloem van rood koraal, waar de
-starende blik der oogen op is gericht. Aan weerszijden van den stengel
-staat een figuur op een schubbigen, kronkelenden draak, met
-opengesperden muil, de een de boeddha Jên Ting, Miao Sjen’s beschermer,
-de ander Hwang Lung, de Gele Draak, die haar door de hellen geleidde.
-
-Dit beeldje is wel een van de grootste wonderen van kunst, gemaakt uit
-materie, die ik ooit heb gezien. Het is blank en transparant als een
-sneeuwwitte wolk, waarachter maanlicht schijnt. Het lijkt
-gekristalliseerd uit lichten aether en sterrenglans. Het heeft een
-zacht, puur schitterend licht, als scheen werkelijk door dat broze
-porselein die goddelijke ziel, die van Kwan Yin is. Het zit zoo lucht
-op de blanke bladen van den lotus als ware het enkel lichte schijn,
-zonder zwaarte, als maneglans op een lelie. In het doorzichtige
-porselein beeft héél even een vaag weifelend, teer rose licht, als op
-het moment, als het eerste morgenlicht zich zacht beweegt in den nacht.
-
-De dunne armpjes lijken wel stengels van lotussen, zoo fijn, het
-gewaadje is om de knieën en langs de beenen geplooid met teêre
-vouwtjes, rein-wit, en lucht als golfjes licht.
-
-Dit wondere beeldje heeft een eigen leven van mysterieuze essence; er
-schijnt door zijn pure vormen een licht als van maneschijn en
-sterrenglans, droomend door ijl-blanke wolken. Het is een sublieme
-benadering van materie tot zuiver zielelicht, het is op de grens van de
-verdrooming der essence. Dit Peh Ting porselein is als van ziel
-gemaakt. [49]
-
-
-
-Deze broze, teedere dingen zijn om te zetten in een stille, vertrouwde
-kamer, met zware gordijnen van zachte couleur, temperend het harde,
-schelle daglicht, waarin ze staan als vreemd en koud. Ze zijn om te
-zien ’s avonds, thuisgekomen, vrij van het leêge gepraat over menschen
-en zaken, moê van het zien in de wisselende bleekheid der altijd
-veranderende dingen. Geen hevig licht van gas of gele olie. Dáár staan
-de lotuslampen van zacht-blinkend tin, de wijze, stille bloemen, die
-haar groote, blanke bladen ontvouwen in kuische eerwaardigheid. Zij
-dragen de ballonnen van donkerrood en licht lilas, waarin de heilige
-kaarsen worden ontstoken.
-
-En in dit reine bloemenlicht, in de nissen van roze en blauwe zijde, in
-dat zachte, vaag-droomende licht, schijnen de beelden óp in hun
-allerreinsten staat; hun innigste, pure leven, als dood in den harden
-dag, schittert nú op in zuiveren zieleglans. In de bleeke realiteit van
-den dag doen zij hun leven niet zien, die teêre, kuische, als maagden,
-hun ziel ontbloeit alleen in het zachte licht van een schemerenden
-droom. Dán blinkt hun blanke lichaam van wonderen glans, en roerloos
-zijn ze, hun ziel van licht schijnende om hen heen, want hunne oogen
-zien de horizonnen van het eindelooze....
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN BRUID. [50]
-
-
-Ik was uitgenoodigd, de bruid te zien in het huis van Oei Cho Tsia, een
-der aanzienlijkste chineezen van Amoy.
-
-En ik weet nog zoo goed, hoe toen alles gegaan is! De poort-deuren
-waren opengegaan, en ik stond op het binnenplein. Het is, of ik alles
-weer voor mij zie, nu ik er over schrijf.
-
-Ik blijf stilstaan, daar buiten in het donker, stil van bewondering, in
-lichtgroeting. Ik zie in de openstaande ontvangzaal. Een lange,
-doorloopende hal, donker voor, en áchter schittering van licht, feest
-van licht, waar vreemde lampen schijnen, en kuische kaarsvlammen, en
-wierook droomt. Duister vooraan, en áchter opbloeien van lichtrood,
-lappen van rood, vlaggen van vlammend rood, waarin fonkeling van goud
-en zijde, galakleur in staatsie van licht. En in dat verre licht beweeg
-van menschen, van lichtblauw en geelgroen en paarsch, zacht-gaande
-kleuren van feestgewaden, voornaam van weelde.—Als het beweeg in een
-kerk, gezien van verre.
-
-Ik treed de deur binnen, en hef de handen saâmgevouwen op de borst, en
-dan weer neêr, ten groet. En een schaar rijkgekleede chineezen komt mij
-tegemoet, met evenwijdige nijging van lijven, en waardigen stap. Ik zeg
-op hoogen toon: „Kiong Hi! Kiong Hi!” [51] en ik gebaar vreugde, en
-lichten wensch. De vader van den bruidegom zegt zijn beleefden dank, in
-statig-gestyleerde taal, waarin rijke woorden blinken. Hij draagt
-zacht, licht groen, bijna geel, om zijn voornaam lijf. Hij is de Heer
-van dit groote huis vol kleuren en licht, en de gouden karakters op de
-roode lappen en tabletten aan den wand roemen zijn deugd en zijn geluk.
-Breede lappen, van een superieur rood, schitterend van intenze kleur,
-met het goud in overdadige luxe. Hij staat kalm en waardig in die
-glorie, uitstralend van de wanden.
-
-Tegen den achtergrond van de zaal staat het familie-altaar, een wondere
-creatie van licht, paarsch-rood licht, helwit licht, en geel licht,
-rechte vlammen van kaarsen en blinkende glazen kappen. In de heilige
-lotuslampen met roodhoornen ballonnen, donkere wijngloeiing, vlamloos
-in bloemekelken. En uit teêre bundels wierookstokjes, éven opschietend,
-gaan mystieke vonken omhoog. Er waait een zachte geur van af, op
-stillen adem.
-
-Ik wilde wel lang, lang zien in die lichten, maar de kleuren van
-menschen komen er telkens weer voor.
-
-De Bruidegom.—Een deftige chinees, met een gezicht van veel studie, en
-zich zelf aanzienlijk en superieur weten. Kalm onder het plechtige
-feest, met de emotie verbloemd in voorname rust, en met eenvoudige
-gebaren bewegend ín zijn gewaad van weelde. Hij draagt een donkerbrons
-costuum, met wijde mouwen, en wijde broek, waarover op de borst een
-overgewaad, zonder armen, van lichtblauw. Zachte kleur van gebrocheerd
-zijde-satijn, een gala van lichte liefdekleur, met gestyleerde figuren.
-Een bloei van stijlvolle bloemen op zijn borst, wonder glanzend, met
-fijne omtrekken, lichte buiging van lijn. Zij zijn zachte geheimen om
-zijn huwend lijf.
-
-Ik buig diep, met den eerbied van handenheffing en daling. Dán zeg ik
-mijne gelukwenschen, met hoog-opgaande woorden, naar den roem van zijn
-huis, en de deugd zijner bruid.
-
-Ik spreek moeilijk het zingende chineesch, want ik zie te veel den
-schijn van zijn wezen daar vóór mij. Ik zie naar den glanzenden bloei
-van bloemen over zijn hart.
-
-Dán zie ik weer overal in ’t rond de groote lappen kleur, luid
-feestgejubel van rood, met de schittering van ’t rijke goud der
-karakters. De chineezen bewegen voor mijn oogen als stukken
-zacht-waaiende kleur, langzaam-wuivende stoet van blauw, paarsch, en
-geel, en het teêrvibreerend geuren van den wierook doet om mijn hoofd
-een droom gaan.
-
-Ik gevoel mij onwillekeurig bewegen en gebaren, onbewust meêgevoerd in
-het doen der chineezen. Ik kom te zitten in een ebbenhouten zetel, rijk
-ingelegd met paarlemoer, ter linkerzijde van het altaar, en ik ruik een
-fijnen geur. Het is naast mij, op een laag tafeltje, een kopje thee,
-zacht wit porselein, met groene en roode figuren. De thee daarin is van
-het geel der bleeke bladeren in den herfst.
-
-En terwijl ik zonder weten gebruikelijke woorden spreek, kijk ik naar
-de altaar-tafel. De lichten branden zacht voor de ziele-tabletten der
-vaderen. Ik zie twee lampen als bloemen. Een ranke, zilveren stengel,
-lucht rijzend omhoog, uitbloeiend in een lotuskelk, met gestyleerde
-bladen. Zacht bolt uit den kelk een donkerroode bloem-ballon, waarin
-licht droomt. Donkere gloeiing als van heiligen wijn in transparanten
-kelk. Deze bloeme-lamp brandt vlamloos boven de tafel, teer gedragen
-door den luchten steel, op de rijke bladen van zilver. Aan het andere
-einde brandt een zelfde bloem tweeling-licht. En tusschen die twee
-lotus-lampen staan vazen met vreemde bloemen, van het donker
-goud-en-geel van bergen in zonneglans, en het purper van avondrood
-boven de zee. Zij zijn zachte mysterieën van bloem, wondere poëemen van
-kleur, een wijding in dezen hoogtijd. Daarachter staan rechte, roode
-kaarsen, met de fijne amandelvlam, die somtijds beeft. En in blinkende
-wierookvaten met sandelpoeder rijzen de dunne wierookstokjes, mystieke
-vonken dragend van donkerrood, die roerloos gloeien. Hier en daar dampt
-een wolkje rook op, in kuische golving, droomerig en stil...
-
-En de gewaden wuiven steeds vóór mij, wuiven blauw, wuiven zacht, zacht
-voor mijn oogen...
-
-
-
-Vrouwen en meisjes zijn niet te zien. Die worden verborgen voor
-mannen-oogen, des te meer voor barbaren uit het Westen. Maar áchter het
-altaar, waar het ver doorloopt, wuift somtijds een gordijn weg, gaat
-ergens een deurtje open, even, hálf-open maar, en dán ópgekleur van
-rood vrouwengewaad, geschitter van oogen, gedempt lachen, en gerucht
-van fluisterende stemmen... Fonkeling van een steen in het donker, en
-geruisch als van armbanden, en schuivende snoeren koraal of jaspis...
-
-Vaag en zacht is het verlangen, om die vrouwen te zien...
-
-
-
-Nu word ik uitgenoodigd om naar de bruid te gaan. En een paar chineezen
-gaan mij vóor, op zachten stap van hun vilten zolen, mooie figuren zoo
-van achteren gezien, met de wijd-uitgolvende mouwen, rijk van val. De
-lange staarten, recht over den rug, ingevlochten met roode zijde,
-glanzende op hun gewaad.
-
-Links van de groote voordeur een kleine kamer. Veel licht, en weer
-schittering van kleur en goud. Ik krijg een lagen zetel, vóór in die
-kamer, en om mij heen blijven de chineezen staan. En ik zie het eerst
-een beeld, levensgroot, naast een tafeltje met licht en porselein, en
-daarachter wakende een oude, oude vrouw. Het beeld zóó schitterend, dat
-ik niets anders zie. Het is van rood en goud, van zóó intenzen glans,
-dat het licht van zich uitstraalt, als een ster.
-
-Het is het beeld van een maagd. Het draagt een kostbaren, rooden
-mantel, wijd van armen, met rechten val van breede mouwen. Het hooge
-rood draagt een lichten bloei van goud. Een draak van goud, rijzende
-uit gouden golven, strevende omhoog boven een wilde zee, in een
-atmosfeer van gouden wolken, lekkend met opgesperden muil naar een zon
-van goud. De oogen zijn twee blauwe steenen, fonkelend van een vreemden
-gloed. En rijk er omheen blinken gouden bloemen, sterren en karakters,
-en schitterende fenixen vliegen op wijd gespreide wieken in het helle
-rood. Een creatie van goud en licht, met superbe lijnen, in
-heerlijk-statig bewegen. Het straalt een emanatie van goud naar alle
-zijden, rayonneerend uit het felle gala-rood.
-
-Daaronder tintelt lichtgroen van wijde ondergewaden, rokken van
-fonkelend groen, met zachtroze bloemen, en gouden vogels en vreemde
-dieren, een hert, een schildpad, een reiger, een vleermuis. Vage
-herinneringen gaan door mijn hoofd van geweten hebben waaróm die
-figuren, en welke symbolische beteekenis, maar niet meer weten, niet
-meer willen weten, veel te gelukkig van al dat goud, te blijde in de
-ontvangenis van al het licht. Mijn oogen bewegende meê met al die
-lijnen en contouren, vergaande in die wereld van goud. Lang, lang
-daarin turen. En dan opkijken, hooger aangetrokken door nóg meer glans.
-Een hoofdtooi van groote schittering. Het beeld heeft een hooge tiara,
-als een papale kroon zonder kruis, maar met vier hoog uitstekende
-fonkelstengels, dragende bladen, waarop gouden karakters. Op die kroon
-weer een rijke bloei van bloemen, waarboven zwevend luchte kapellen.
-Somtijds, op een lichten tocht-adem, trillen hun transparante vleugels.
-En aan weerszijden zware gouden sieraden, met rechte, laag neêrdalende
-franjes. Kuische neiging van gouden lijnen langs een hoofd, neerkomende
-met zegenend gebaar, als de luchtwortels van den heiligen boeddha-boom.
-En nu, nedergaande met de gouden lijnen, zie ik het hoofd, het hoofd
-van zacht-geel, van teêr blozerood omdroomd. Het neigt zacht, zacht
-naar beneê, in roerlooze rust.
-
-De oogen zijn geloken, hun kleur is niet te zien, door de lange, fijne
-wimpers der half-toeë oogleden, die ze kuisch bedekken. Daarboven gaan
-teêre wenkbrauwen vér omhoog, met een vaag gebaar, als de lijning van
-avondbergen in manedroom. De mond met een vastheid van wil in de
-uitdrukking, alsof hij in hoogste intensiteit zoo is geworden, en niet
-meer te spreken behoeft, zóó volmaakt.
-
-Zoo staat het beeld, als een licht wezen van rood en goud, rijk van
-kleur en lijning, met het hoofd zacht gebogen, neigende met het gebaar
-van een eindeloos geluk, of een eindeloos leed, dat roerloos is in
-hoogste expressie. Het suprême leef-moment van een mensch, als de
-wisselende vorm een eeuwig ideaal wordt, éven opschitterend in den
-rusteloozen gang der verschijningen, zóó lichtte voor mij óp dit
-maagdelijk gezicht....
-
-Mijn oogen zijn nu moê van ’t zien, mijn oogen van het Westen, die zóó
-de kleur niet kenden, en het licht. En zij dwalen af. Een tafel met
-brandende lampen, en kaarsen, en wierook, en daarbij ook schotels met
-vruchten, gebak en wild. Vreemd, dit vertoon van spijzen, en onwillig
-ruik ik den geur van het gebraad. Maar weer mooi het gedempte licht van
-de lampen.
-
-Links zie ik een bed, een praalbed, ook van rood en goud, met rijke,
-opgeslagen gordijnen, vastgehouden met gouden banden, en bewerkt met
-glanzende borduursels. De stijlen van het bed zijn wonderen van
-houtsnijkunst, fijn uitgesneden, en van boven door een breede strook
-van dat cantillewerk verbonden. Het is een mêlée van menschen, en
-paarden en wagenen, ijlend door vlakten en dorpen, en vloten van
-jonken, in wild-golvende zee. En ik herken het, van dichtbij. De
-sprookjes, de sagen van de Saam Kok Tsi, dat heerlijke boek der
-chineesche middeneeuwen! Gezien op het tooneel van af de eerste jeugd,
-en eindelijk zoo één met den chinees, dat hij dat alles laat uitsnijden
-in zijn eigen slaapstede, als om er ’s nachts van te kunnen droomen!
-
-Op de mat in het bed liggen fijne, dunne dekens van zachtroode zijde,
-streeling voor vermoeide leden. Want dit bed van gala is de heilige
-sponde van huwing.
-
-En ik zie weer naar het beeld. Wat is het stil, zoo stil! Ik kijk
-aandachtig, aandachtig, met half-dichte oogen.... Zou het wel een beeld
-zijn?.... Totdat het zachtjes beweegt. De bloemen op de kroon trillen,
-onder adem van wind. Luchtjes wiegelen de kapellen....
-
-Het beeld draagt een mandje op de handen, met gebaar als van offering.
-De oude vrouw steunt het onder de armen, bang of het zou vallen. Zacht,
-zacht beweegt het, op stillen stap van kleine, o! zoo kleine voeten.
-Het nadert mij, langzaam. Maar geen lid van het bovenlijf beweegt. Het
-gezicht blijft roerloos genegen, de oogen blijven laag geloken, en
-dezelfde wijding glanst over dat hoofd. Reine rust in den val der
-mouwen, in de lijning der gewadeplooien, die stil blijven van
-ongebroken boog. Zacht ruischen de gouden sieraden. Bloemen trillen op
-luchte wuiving. En de Bruid nadert mij zachtjes, waar ik eerbiedig ben
-gezeten. Maar het is een boeddhabeeld, dat roerloos schrijdt naar
-adoreerenden, de incarnatie van een hoog ziele-moment, op luchten adem
-zwevend van een mirakel.....
-
-O ja, ik heb een klein geschenk medegebracht in rood papier, dat moet
-ik leggen in dat mandje, en buigen. En ik moet wat van de lekkernijen
-daarin van één vak overleggen in een ander, en zelf niets nemen. Dat is
-mij zoo geleerd. Gelukkig, dat ik er nog even om heb gedacht....
-
-De Bruid is vóór mij, en staat stille. Ik grijp voorzichtig in het
-mandje, verwissel de suikertjes, en leg er zachtjes mijn geschenk in
-neêr. Opstaande, heb ik het hoofd gebogen, diep. En nu zie ik
-dichterbij het zacht-geel gezicht, waarover droomerig roze. Het blijft
-roerloos, en genegen.
-
-En ik zie er het sterven van de Maagd, dood van broze mysterieën, wat
-eindeloos droef is, en ik zie er den droom van licht Verlangen, de
-kuische rijzenis van de Vrouw, wat eindeloos blij. En de oogen zijn
-stil toegegaan, in dat suprême moment van dien dood en die opstanding
-van het Leven, dat zoo hoog over dat teêre hoofd ging....
-
-
-
-Nu gaat de Bruid zacht, zacht weer heen, op denzelfden luchten adem. Ik
-voel het, hoe zij weggaat, het gaat ver, ver van mij. Het was te schoon
-om lang te blijven.
-
-Maar ik heb gezien het opperste moment van leven in den wisselenden
-gang der vage menschenvormen, een goddelijk droomgezicht, bevende op
-die grens van Maagd en Vrouw, waar de weerglans schijnt van een eeuwig
-licht.
-
-Het is gekomen, als alles wat heel broos is, en te teêr om lang te
-wijlen, stil, stil gekomen, het toefde even, en is toen zacht weer
-heengegaan van mijn oogen....
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE CHINEESCHE HEL.
-
-
-I.
-
-Zooals algemeen bekend is, neemt de Noordelijke boeddhistische school,
-die men gewoonlijk de Mahâyana noemt, het bestaan aan van een hel, in
-welke de zielen voor de op aarde begane zonden moeten boeten. De
-chineesche hel is uit het indische boeddhisme overgenomen, maar heeft
-een geheel eigenaardig chineesch karakter gekregen.
-
-Zij is verdeeld in tien gebieden—tjen—, elk met een koning aan het
-hoofd. Elke „tjen” is weer verdeeld in achttien groote en zestien
-kleine afdeelingen. Zij liggen onder den bodem der oceanen, in het rijk
-der duisternis. In die hellen heerscht, als op aarde, een
-mandarijnenregeering. De koning heeft zijne hooge en lage ambtenaren,
-in verschillende gewaden, met verschillende teekenen van waardigheid.
-Hij zit behoorlijk voor de mandarijnentafel, en de zielen, door
-soldaten opgebracht, komen knielende binnen om hun vonnis aan te
-hooren.
-
-Karakteristiek is de beschrijving der hel in „De oorspronkelijke, echte
-Soetra van het overvoeren van Kwan Yin”, een totnutoe onvertaald werk.
-[52]
-
-Kwan Yin, de Godin der Genade, bezocht na haren dood, als prinses Miao
-Sjen, met den geest Hwang Lung, den Gelen Draak, en de beide
-geestenkinderen, het Gouden Jongetje en het Edelsteenen Meisje, de
-hellen.
-
-Toen het eerwaardige gezelschap aan de grenzen van het Rijk der
-Duisternis was gekomen, ging het Gouden Jongetje voorop, naar den
-duivel die voor de poort de wacht hield. Toen deze die van licht
-schitterende verschijning zag aankomen, dacht hij: „dit is zeker een of
-andere geest uit de westelijke regionen”, en vroeg dus heel beleefd:
-„Groote Geest, wat voert U herwaarts?” Het Gouden Jongetje zeide: „Ik
-ben het Gouden Jongetje, dat in het Paleis van den Jaspis-Vijver voor
-den zetel van de Gouden Moeder, Kin Mu, staat, en ik ben uitgezonden
-met den Gelen Draak en het Edelsteenen Meisje, om de prinses Miao Sjen
-de hel te laten zien. Weest dus zoo goed, dit te gaan berichten.” De
-duivel bracht dit bericht over aan den mandarijn Saan Tso Fah, die dit
-grensgebied regeerde. Toen deze zulke aanzienlijke gasten hoorde
-aandienen, liet hij direct de tafel met wierook gereed maken, en beval
-zijn gevolg, de staatsiekleederen aan te trekken. Toen liet hij de
-prinses in de voor-binnenzaal, en verrichtte hij voor zijne gasten de
-hooge beleefdheidsceremonieën.
-
-De prinses vroeg: „Waarvoor dient toch de poort op deze plaats?”
-
-—„Hier wordt de naam der menschen opgeschreven, die gestorven zijn,”
-antwoordde de mandarijn. „Van hun goed en kwaad, dat hier onderzocht
-wordt, maak ik een verslag op. Zij, die hun ziel verreind hebben, en
-wier deugden en werken volmaakt zijn, gaan naar de hemelsche gewesten
-om daar eene betrekking te krijgen. Volgens de oorzaak, door hun werk
-gecreëerd, ontvangen zij de albewustheid der geesten en wordt er voor
-hen op aarde wierook gebrand. Degenen, wier goed werk wel bestaat, maar
-nog niet geheel volmaakt is, gaan van het eerste hellegebied direct
-naar het tiende, en behoeven niet door de acht anderen. Zijn zij in het
-tiende hellegebied gekomen, dan wordt, volgens hun vroegere
-verdiensten, hun kleeding en tractement vastgesteld, en worden zij weer
-in het leven als mensch geboren, òf rijk òf arm. Het goed wordt, als
-het minder is, van het kwaad afgetrokken, en volgens het overblijvende
-kwaad wordt dan gestraft. En omgekeerd.”
-
-De prinses zeide hierop: „Deze betrekking van U lijkt mij nogal
-ellendig toe. Kunt U ook promotie maken?”
-
-De mandarijn antwoordde hierop bevestigend, daar Shang Ti, de opperste
-God, wel het kwaad strafte, maar ook het goede beloonde. Als hij dus
-maar goed oppaste kon hij hoogerop komen.
-
-Toen vroeg hem de prinses: „Ik heb gehoord, dat hier een Spiegel der
-Zonde is, waarin de dingen, die de menschen gedaan hebben, worden
-weerspiegeld, en die goed en kwaad weêrkaatst. Is dat werkelijk zoo?”
-
-„—Óf het,” antwoordde de mandarijn. „Dat zijn heusch geen leêge
-praatjes!”
-
-Daarop ging het gezelschap verder, en zagen zij een ander hoog
-ambtenaar, den „Beslisser-Mandarijn” genaamd, die op last van den
-koning van het eerste hellegebied, de prinses kwam begroeten. Deze
-Beslisser bracht haar bij een hoogen spiegel, op een voetstuk. Een
-roodgebaarde duivel, met groen gezicht, en slagtanden, had juist een
-mensch gegrepen, en hem gedwongen, voor den spiegel neer te knielen.
-Ter zijde stond een mandarijn die, met het hoofd knikkende, zijne
-bevinding met een penseel opschreef in een boek. De prinses vroeg, wat
-dit toch wel moest beteekenen, en de Beslisser antwoordde, dat deze
-mensch op aarde veel zonde had gedaan, en die maar niet wilde bekennen.
-Daarom werd hij nu voor den alles weerkaatsenden spiegel gebracht. De
-mandarijn die ter zijde stond, schreef alles op, om de straf te kunnen
-bepalen, die de zondaar moest ondergaan.
-
-Zóo sprekende, wandelde het illuuster gezelschap verder op, tot voor
-den zetel van den hellekoning Tseu Kwang. De koning excuseerde zich,
-dat hij de prinses niet reeds eerder was komen begroeten, en bewees
-haar de gebruikelijke beleefdheden.
-
-Hij geleidde de prinses en haar gevolg nu verder in zijn gebied. Twee
-scharen menschen waren elk aan eene zijde van den weg verzameld. De
-eene schaar lachte en scheen vergenoegd, de andere was in groote
-vreeze, en lag geknield.
-
-Toen de prinses nader om zich heen keek zag zij een houten tablet boven
-den koninklijken zetel, waarop geschreven stond: „Het Eerste
-Helle-Gebied,” en een rol neêrhangend papier met het opschrift: „De
-Spiegel der Zonde is helder. Duizend booze plannen kunnen hier niet
-verborgen blijven.”
-
-Miao Sjen vroeg, wat de menschen daar deden, en hoe het kwam, dat
-sommigen lachten, en anderen schreiden. En de koning antwoordde:
-
-„Die daar, met die blauwe kleederen, heeft den familienaam Lao en den
-eigennaam Poe Sien. Hij had een hart als de goede Oorsprong van Hemel
-en Aarde. Hij deelde overal aalmoezen uit aan armen en ellendigen. Die
-daar met het groene kleed heet Kang Siu Tik. Deze heeft zijn geheele
-leven lang het beschreven papier vereerd en verzorgd, soetra’s en
-stukken uit de heilige Kings opgezegd, nooit vleesch gegeten, en de
-menschen vermaand tegen het dooden van levende schepselen. Hij heeft
-bruggen en wegen hersteld, en was geen dag van zijn leven in ledigheid.
-Die daar met het gebloemde kleed is Tin Ti Go. De eerste dertig jaren
-van zijn leven wist hij niet wat goed en kwaad was, en zijne zonden
-waren velen. Op zijn een en dertigste jaar ontmoette hij iemand, die
-hem tot bewustzijn riep en hem deed ontwaken. Toen deed hij een gelofte
-om den heiligen Tao Teh King van Lao Tsz’ op te zeggen, en zich uit te
-putten in gaven voor de armen en ellendigen. Door zijn gedrag en zijn
-werken maakte hij alles weder goed. Nu is hij gestorven, twee en
-zeventig jaren oud. Die daar met dat andere groene kleed, het
-gescheurde, is Tshi Lip Tsi, die van jongs af aan alleen plantaardig
-voedsel at. Zijn geheele familie was arm en leed altijd gebrek, maar
-toch bleef hij goed, hetzelfde mensch tot aan zijn dood toe. Die vrouw
-daar in het blauw is Hong Si, gehuwd met zekeren Ang. Haar man leerde
-het vak van varkensslachter. Zij bad van ’s morgens vroeg tot ’s avonds
-laat den Hemel, om hem tot inzicht te doen komen. Zij smeekte hem, toch
-niet te dooden, en eindelijk verliet hij de zonde en volgde het goede.
-Man en vrouw, en hunne geheele familie werden vegetariërs.
-
-„Over deze vijf menschen wordt volgens de wet beslist. Ik heb reeds een
-rekwest voor hen opgezonden, en als hierop een gunstige beschikking
-komt, geleid ik ze de hel uit, den weg op naar de hemelsche paleizen.”
-
-Eigenaardig is deze epizode voor de karakterizeering der chineesche
-ideeën omtrent de hel. Zóó ingegroeid is bij de chineezen het idee van
-een mandarijnen-regeering, en zóó innig is het genot en het verlangen
-om mandarijn te zijn, dat zij zich geen hel, en ook geen hemel, kunnen
-voorstellen, waar het niet evenzoo zou toegaan als op aarde. Er worden
-missives en rekwesten opgezonden naar de opperste Godheid, er komen
-gunstige beschikkingen, er zijn registers en boeken, waarin namen
-worden opgeteekend, er is promotie en degradatie, in één woord, er
-heerscht dezelfde autocratie, en ook dezelfde bureaucratie, als in het
-ondermaansche. Zonder dat is er nu eenmaal geen plezier aan.—Of er ook
-omgekocht en geknoeid kan worden, staat niet vermeld, maar dat is wel
-waarschijnlijk. Een chinees in de hel of in den hemel blijft nu eenmaal
-een chinees. En in het vervolg van dit stuk, als ik van koning T’ai
-Tsung vertel, zal de lezer zien hoe goed het in elk geval is
-kruiwagentjes te hebben in de hel.
-
-De hellekoning ging voort:
-
-„Die daar met dat vuile kleed, die daar knielt en schreit, heet Ho Hin
-Jen. In een vorig leven werd hij arm en ellendig geboren, maar zijn
-hart en zijn Oorsprong waren goed. Vol liefde gehoorzaamde hij steeds
-zijn ouders, en twee-en-veertig jaar lang was hij vegetariër. Hij
-deelde aan de armen driehonderd drie-en-zeventig paar strooien schoenen
-uit, en leefde zelf in gebrek. Hij herstelde op vier plaatsen
-hobbelige, slechte wegen. Toen stierf hij, zooals hij geleefd had. Hij
-deed het hart van den Hemel ontroeren, zoodat hij in een volgende
-incarnatie werd geboren in de familie van een hoog mandarijn, en zijn
-levensduur werd vastgesteld op zes-en-tachtig jaren. Wie had gedacht
-dat hij, eenmaal rijk en geëerd, van zijn oorsprong zou afdwalen? Van
-af een gewoon mandarijn klom hij op tot minister. Hij bespotte zijn
-opperheer en verguisde het volk. Hij misbruikte zijn macht om menschen
-ten onder te brengen. Hij vernietigde het leven van negentien menschen,
-en sloeg twee zijner huisgenooten dood. Hij beroofde drie-en-zestig
-huisgezinnen van hun goed. Hij was begeerig naar schatten en lekker op
-eten, en doodde daarvoor meer dan driehonderd en zeventig duizend
-levende schepselen. Toen nam de Hemel vier-en-twintig jaren van zijn
-levensduur af, en tot straf ging bovendien van zijn vroegere verdienste
-een geheele graad weg. Daarom is hij nu op twee-en-zestigjarigen
-leeftijd gestorven.
-
-„Die daar knielt, in het blauwe kleed, en zoo weent, is Li Bo Ting. Hij
-behoorde tot de literatoren, maar beoefende niet de rechte Leer. Met
-zijn penseel [53] wondde hij menschen als met een mes. Hij had
-menschlievendheid noch plichtmatigheid, ouderlievendheid noch
-oprechtheid. Zijn mond sprak als een Boeddha, maar zijn hart was dat
-van een slang.
-
-„Deze twee menschen hebben misdaden begaan. Binnenkort zullen zij naar
-het tweede gebied worden gevoerd, om daar te boeten voor hunne zonden.”
-
-De prinses, wier hart een groote genade was, die over álle zonden
-heenvloeide, werd van weedom bevangen bij het zien van zóóveel leed.
-Zij sprak eene prediking uit van zoo transcendente kracht, dat zij de
-zonde aller zondaren zuiverde, en de zielen der lijdenden in het eerste
-hellegebied overvoerde naar den Hemel.
-
-Toen schreed Miao Sjen met haar gevolg naar het tweede gebied, waar
-koning Ch’u Kiang regeerde. De koning ontving haar zeer deftig, en
-begon met haar te vertellen, dat het hier eigenlijk de bodem van een
-grooten oceaan was, onder een gloeienden steen gelegen, en dat zijn hel
-in achttien groote en zestien kleine afdeelingen was verdeeld. De
-prinses zag boven zijn zetel een houten tablet met het opschrift: „Voel
-naar uw hart, en vraag dan U zelf af”, en daarnaast een rolprent,
-waarop was geschreven: „Het hart is als een pijl. De lach verbergt een
-mes. Hier kan men precies de ellende te weten komen van pijlen en
-messen.”
-
-De Gele Draak verzocht den koning eerbiedig, of Zijne Majesteit zoo
-goed wilde zijn, de hellen te laten zien, waarop de vorst beleefd
-antwoordde, dat hij dit bevel dadelijk zou gehoorzamen. Daarop ging de
-koning het gezelschap voor.
-
-Eerst kwam de Berg der Messen en Lansen. Dit was een berg, beplant met
-messen en lansen, als met bamboe, waar mannen en vrouwen op werden
-neergesmeten door duivels. De koning legde Miao Sjen uit, dat dit
-menschen waren, die met vergiftige praatjes hadden gelasterd,
-familieleden van elkander hadden vervreemd, en anderen geld hadden
-afgezet en ongelukkig gemaakt.
-
-Een tweede afdeeling was een steile berg, met olie bestreken, waaronder
-diepe afgronden. Hier werden zondaren met geweld door duivels
-afgeworpen. Zij stootten en kletterden in hun val tegen de scherpe
-steenen, dat het bloed als een rivier van den berg stroomde. Het was
-een afgrijselijk gezicht, en vol afschuw vroeg de prinses, wat dit toch
-moest beduiden. En de koning zeide onbewogen, dat dit de gerechte straf
-der menschen was, die de leer der Boeddha’s hadden verguisd, en de
-wetten des Hemels geschonden.
-
-Toen kwam de afdeeling der slachterij. Het weêrklonk er van een
-oorverdoovend gehuil. De koning vertelde, dat hier de vrouwen geslacht
-werden, die, onbewust van hun Oorsprong, niet van hun echtgenoot
-hielden en van hun schoonmoeder, voorkinderen van hun man
-verwaarloosden, en een hart vol vergif hadden.
-
-Een volgende afdeeling was de hel der onthoofding. Hier werden menschen
-met koorden vastgebonden, en daarna onthoofd, onverschillig of het
-armen of rijken waren.
-
-En zóó nog vele andere afdeelingen, overal gevloei van bloed en tranen,
-en gekerm en gehuil van gepijnigde zondaren.
-
-Weer werd het Miao Sjen zoo droef te moede, dat zij in extaze van
-medelijden een innig liefdevolle prediking uitsprak en de
-Dhyâni-Boeddha Amitâbha te hulp riep, om de verdoemde zielen te
-verlossen. En ziet! Een donderslag daverde, een bliksemstraal flitste,
-en een mirakel veranderde de hel in een goud-rossige wolk van
-lotusbloemen. Een groot Licht voerde de zondaren ten Hemel.
-
-Toen dit werk volbracht was schreed Kwan Yin naar het derde gebied.
-Koning Soeng Ti, die hier regeerde, ontving haar met muziek en gezang,
-en veel ceremonieel. Boven zijn zetel prijkte een houten tablet met de
-woorden: „Het kleinste heeft nog altijd macht, zelfs een kleinigheid
-zult gij niet verkeerd doen. Als het ongeluk over u hangt, hoop dan
-maar niet op redding, want de vergelding komt voor ieder naar zijn
-aandeel”. Evenals de vorige potentaten geleidde Soeng Ti zijne gasten
-welwillend door de hellen.
-
-In een van dezen werden de zondaren door duivels met een zwart touw aan
-de rechterhand en de linkervoet opgehangen. Dit waren menschen, die op
-aarde de zwakken verdrukt hadden, en hen beroofd van gronden en
-eigendommen. In een andere werden de zondaren aan ijzeren pilaren
-gebonden, en dan door duivels met messen de oogen uitgestoken. Dezen
-hadden het geschreven papier verwaarloosd, en graven geschonden. Met
-een slecht hart en lage gedachten hadden zij vrouwen en meisjes van
-anderen begeerd. In een derde hel werden de verdoemden in weegschalen
-gewogen, terwijl een mandarijn nauwkeurig de gewichten van hun goed en
-kwaad opteekende. Dit waren de kooplieden, die op aarde valsche
-gewichten hadden gebruikt, en nu op hun beurt óok werden gewogen, ter
-bepaling van hun straf. In weêr een andere afdeeling werden de
-slachtoffers aan palen gebonden, waarna duivels hun de huid afscheurden
-en levend vilden. Dit waren de misdadigers, die andere menschen hadden
-gewond en vermoord op aarde.
-
-Weêr werd het lijden te zwaar voor de oogen van de Godin der Genade.
-Zij sprak vol geestdrift een nieuwe prediking uit, en een groot Licht
-herschiep de hel in een wit lotusterras, en voerde de verloste zielen
-naar de eeuwige gewesten over.
-
-Toen ging de eerwaardige Kwan Yin met haar gevolg naar de vierde hel,
-waar koning Wu Kwan regeerde. En zóó achtereenvolgens door al de
-overige hellegebieden, waar de koningen Yen Lo, [54] Pien Ch’ing, T’ai
-Shan, Tu Shi, Ping Ting en Ch’wen Lun haar met dezelfde beleefdheden
-ontvingen, en met de meeste bereidwilligheid door de verschrikkingen
-van hun koninkrijken leidden, als waren het even zooveel
-pleiziertuinen. De martelingen waren talloos als de zonden der
-menschen, door welke zij werden gecreëerd. Zondaren werden handen en
-voeten afgeschroeid boven een vuur, omdat zij indertijd valsche
-geneesmiddelen hadden verkocht, en vogels geschoten; zij werden aan
-pilaren gebonden, en door duivels de aderen doorgesneden, omdat zij in
-hun leven hadden geprocedeerd en gedobbeld, en naar vrouwen waren
-geloopen; zij werden onder steenen begraven, omdat zij op aarde,
-mandarijn zijnde, geld voor een publiek doel hadden verzameld, en ten
-eigen bate gebruikt; en weêr anderen werden blootgesteld aan ijskoude
-winden, die hen verstijfden.
-
-Grimmige duivels smeten de zondaren in vijvers van ijswater, staken hun
-dorens in den mond, en goten gloeiend gesmolten ijzer in hun keel. Dit
-waren de lasteraars, die door hun praatjes huwelijken deden mislukken,
-of oneenigheid tusschen echtgenooten hadden gestookt. Andere zondaren
-werden naar een hoog terras gesleept, vanwaar zij de aarde konden
-overzien, waar hunne kinderen op het slechte pad waren, de
-nagedachtenis hunner ouders verguisden, en tot den bedelstaf werden
-gebracht, of wel, duivels rukten dien verdoemden lever en longen uit,
-en hakten hen door de lendenen in tweeën. Degenen, die indertijd
-meisjes en vrouwen hadden verleid, zagen zich de tong en het hart
-uitgesneden, om later als kippen of honden weer geïncarneerd te worden.
-Mandarijnen, die vroeger van hun macht misbruik hadden gemaakt om het
-volk te bestelen, werden als rijst door duivels met groote mortieren in
-een vijzel fijngestampt. Taoistische en boeddhistische priesters, die
-de indertijd door verreining der ziel verkregen kennis der
-natuurgeheimen ten kwade aangewend hadden om andere menschen in ’t
-verderf te storten, werden op een plank heen en weer geschuurd, tot de
-beenderen vergruisden en het bloed stroomde. Andere zondaren werden
-door duivels met haken in afgronden van vuur gesleurd, omdat zij
-vroeger bosschen in brand hadden gestoken en zoo de daarin wonende
-beesten hadden gedood, of wel door duivels met roode baarden en groene
-gezichten op een ijzeren spijkerbed geworpen en dan onder ijzeren
-planken gesmoord. Weêr anderen werden in een vijver gesmeten, waar
-vergiftige slangen kronkelden,—dezen hadden er op aarde pleizier in
-gehad om slangen en schildpadden dood te slaan, en visschen en garnalen
-te eten;—of wel, zij werden in een vuurkuil gedrongen, omdat zij
-vroeger huizen in brand hadden gestoken en daarvan gebruik gemaakt
-hadden om te stelen. Ook werden er op planken gebonden en met zagen
-doorgezaagd. Een andere verschrikking was een brug, twee-en-zeventig
-vademen lang en maar zeven en twee tiende duim breed. Aan weerszijden
-van de brug zweefden duivels met stokken en haken, en in de rivier
-beneden zwommen slangen en honden. De verdoemden moesten in allerijl
-over de brug, en verloren hun evenwicht door de op hen gerichte haken.
-Er waren er maar weinigen die veilig overkwamen; de meesten vielen in
-het water, sommigen nog op het laatste eindje, en werden daar door de
-beesten verscheurd.
-
-Ook hier redde Kwan Yin’s gebed alle zondaren uit deze verschrikkingen
-en voerde hen naar de hemelsche gewesten over.
-
-Ten laatste kwam de prinses in het tiende hellegebied, waar koning
-Ch’wen Lun, de Wiel-Draaier, regeerde. Hier werd over het lot der
-menschen in eene volgende incarnatie beschikt. Op vier wijzen konden
-zij wedergeboren worden: uit een baarmoeder, uit een ei, uit water, of
-uit gedaanteverwisseling, dat is, als zoogdieren, als vogels, als
-visschen, of als insecten [55]. Als mensch op zes manieren: met lang
-leven, met kort leven, rijk, geëerd, behoeftig en verachtelijk, en deze
-onderling gecombineerd. De prinses vroeg den koning hoe het mogelijk
-was, dat de zielen door al die pijnigingen in de hel niet geheel
-vergruizeld en vernietigd waren, maar Ch’wen Lun antwoordde, dat dit
-heel eenvoudig was. Telkens als er gevaar was voor vernietiging,
-verfrischte een geneeskrachtige, weldadige wind de gehavende zielen
-zoodanig, dat zij weer nieuwe pijnigingen konden verduren. Toen maakte
-de prinses de opmerking, dat in de wereld de slechte menschen juist met
-voorspoed beloond werden, en de goede met ellende. Dit was toch niet in
-den haak, vond zij. Maar dit was wel degelijk in den haak, zeide de
-koning, want die voorspoed en ellende waren gecreëerd door deugd of
-zonde uit vorige levens, en die hadden deze menschen dan nog te goed.
-Voor wat zij nú deden zouden zij in een volgend leven wel weer beloond
-of gestraft worden. Dat kon niet uitblijven. Zoodat ten slotte alles
-zoo rechtvaardig was, als ’t maar eenigszins wezen kon.
-
-Maar hoe dan, als die menschen, al werden zij eens gelukkig herboren,
-met de herinnering aan al die doorgestane folteringen in de hel,
-moesten leven? Ook dáár was behoorlijk voor gezorgd, zeide de koning.
-En hij geleidde de prinses naar een theehuis, waar de zondaren bij
-massa’s door duivels werden ingedreven om thee te drinken. Hier werd
-hun de thee der vergetelheid ingeschonken, en wie deze ééns gedronken
-had, wist van al de doorgestane smarten niets meer af.
-
-Voorbij het theehuis stond een kolossaal wiel. Dit wiel droeg zes
-wagens, en draaide langs zes wegen. De duivels waren druk bezig, een
-schaar voor nieuwe geboorte bestemde zielen in de wagens te leiden, en
-toen deze vol waren, begon het rad langs de zes wegen te draaien. De
-eerste weg was van goud, de tweede van zilver, de derde van jaspis, de
-vierde van steen, de vijfde van koper en de zesde van hout. De zielen
-die den eersten weg opgingen werden hooge mandarijnen, rijke lieden in
-zijden kleederen, die van den tweeden werden onbemiddelde menschen, van
-gewone klassen, die van den derden armen, zieken en gebrekkigen. Die
-van den vierden weg werden vogels, die van den vijfden viervoetige
-dieren, die van den zesden visschen, schildpadden, garnalen en krabben
-[56].
-
-Ook dit gezicht was te, overweldigend voor de zachte zinnen der Maagd
-van Genade. En door een nieuwe, innige prediking, werd ook het tiende
-hellegebied door het mirakel van hare Liefde getransformeerd in een
-geurig lotusparadijs, en stegen de zielen, voor goed ontkomen aan de
-omwenteling des Levens, in allerzuiversten staat òp naar de gewesten
-der gelukzalige Boeddha’s.
-
-
-
-Zóó ver kunnen de chineezen het tegenwoordig niet meer brengen. Zoo in
-eens álle zielen uit de hellen voor goed verlossen is ook wèl wat véél.
-Maar, lach niet, beste lezer, want het is heusch adorabel van
-naïefheid, den armen stakkerts een maand vacantie bezorgen uit het
-hellevuur, dát kan er nog wel meê door, en dát gebeurt dan ook!
-
-Na zonsondergang op den laatsten der zesde chineesche maand worden de
-poorten der hel geopend, en mogen de gepijnigde zielen een maand lang
-rondwaren op de aarde. Deze gunst is alweer voornamelijk een gave van
-de boeddha Kwan Yin, wier medelijdend hart nooit uitgeput raakt van
-weldaden. Door het lang aangehouden op-bidden van toovergebeden,
-Tantra’s, aan alle Boddhissatva’s en Boeddha’s ter wereld, maar vooral
-aan Kwan Yin, slagen de priesters er in, de hellepoorten te openen, en
-de zielen stroomen met millioenen terug naar de aarde [57]. Daar de
-hellen tot het gebied der duisternis behooren, vanwaar de weg in het
-donker naar de aarde niet zoo gemakkelijk te vinden is, steken de
-chineezen overal voor hun huis brandende kaarsen en lantarens aan, om
-hen bij te lichten. En daar de geesten in de hel een alles behalve
-lekker leventje hebben, worden zij, nu zij dan eens voor een maand
-„uit” zijn, behoorlijk van alles voorzien. Papieren, waarop
-kleedingstukken en geld zijn afgebeeld, worden verbrand, om den geesten
-goede kleeren en zakgeld te geven, en voor de deur zet men allerlei
-lekkernijen, om hen eens terdege te doen smullen. En om hen wat op te
-vroolijken en te verstrooien worden de geheele maand door, dag en
-nacht, tooneelvoorstellingen gegeven. Op den dag van de groote,
-algemeene offerande is het in de buurt van de tempels een waar
-Luilekkerland. Geheele straten door worden stellages opgeslagen, waarop
-een overdaad van voedsel, waar de Rijstenbrij-berg niets bij is. [58]
-Geheele varkens, schapen en geiten, ladingen eenden en kippen, op
-allerlei wijzen toebereid en versierd, manden aan manden met ooft en
-vruchten, pakjes opium, sigaren, sigaretten, tabak, sirih, alles wat de
-geesten maar met mogelijkheid zouden kunnen wenschen, wordt daar
-rijkelijk voor hen uitgestald, en alles smaakvol en keurig, zooals
-alleen een chinees dat kan. Men kan er om lachen, en het volk dat zoo
-iets doet een volk van dwazen vinden, van domme bijgeloovigen. Zeker,
-dat kan men, en dat doet men dan ook. Maar naïef zijn ze, die
-chineezen, naïef als kinderen, en daarom,—ik wil het niet goed weten,
-aldoor zie ik meer slechts en leelijks in hen,—daarom houd ik toch
-eigenlijk dol van dit volk, zooals ik houd van dwaze, lieve vrouwen, en
-van kinderen, die gekke dingen doen,—verbeeld je, hoe bespottelijk, hè,
-hoe kan-je nou zoo iets doen!—maar dingen, die óók aanbiddelijk en
-charmant zijn van naïefheid, van simpele, zuivere bedoeling, en au fond
-toch zoo héél, héél goed gemeend!
-
-Uit die voor ons, verstandige menschen, nietwaar? zoo tamelijk ridicule
-opvatting van de hel—waar bijna alle chineezen vast aan gelooven—zijn
-heel gemakkelijk eenigen der voornaamste principes van het
-oorspronkelijke boeddhisme te halen. Ze zijn heusch nog zoo gek niet,
-die verhaaltjes. En wat er aan ten grondslag ligt, is alles behalve
-belachelijk. Ten eerste de leer van „Yin Kwo”, van Oorzaak en Gevolg,
-dat wat de indische boeddhisten Karma noemen. De leer dus, dat de
-mensch zichzelf met het goede ten laatste beloont, en met het kwade
-straft, zichzelf, en niet anderen; dat zijn geluk of ongeluk van nu het
-produkt is van zijn goed en kwaad in een vorig leven, zooals hij nu
-bezig is, zijn volgend leven te creëeren. Ten tweede, de leer der
-transmigratie door wedergeboorte. Ten derde, de leer der verreining, de
-leer dus, dat men door steeds het spiritueel goede te doen en zich van
-het kwade te bevrijden, door dus zijn Karma te verzorgen, aan de
-reïncarnatie kan ontkomen, en het eeuwige zieleleven kan verkrijgen. En
-ten vierde, de leer, die wondere leer, die een zoo subliem reine
-vrouwenfiguur schiep als Kwan Yin, de blanke Godin van Genade,—dat
-intenze liefde de macht heeft, om zelfs andere menschen te redden, en
-te reinigen van zonden.
-
-Ik hoop, dat deze zeer serieuze ideeën den lezer eenigszins het
-kinderachtige en eng-griezelige van die helle-verschrikkingen zullen
-vergoeden, en speciaal den lezer in Indië, die gedurende de vacantie
-der geesten door de chineesche kampen moet, waar op lange stellages de
-varkens, en schapen, en geiten, en allerlei verdachte chineesche
-manisans liggen te stinken, in den afschuwelijken rook van walmende
-olielampjes en brandend offerpapier.
-
-Van den chinees, die in al de bovenverhaalde verschrikkingen gelooft,
-is het echter te begrijpen, dat hij de arme, verhongerde geesten eens
-een lekker beetje gunt, vooral als het ten slotte,—wat werkelijk het
-geval is, nadat zij er onzichtbaar de essence van hebben verorberd,—in
-zijn eigen maag verdwijnt!
-
-
-
-
-II.
-
-Ik kan nog maar niet uitscheiden over de chineesche hel. Ik houd toch
-zoo van zulke vertelseltjes! Ik houd toch zoo van dingen, die niet waar
-kunnen zijn, waar allerlei vreemde wonderen in gebeuren; ik houd toch
-zoo van een beetje dwaas en onpractisch, en van een beetje wild en
-onmogelijk, van den hak op den tak, en van dolle fantasieën en
-paradoxen. En daarom houd ik zeker zoo van dat aanbiddelijke, dolle
-sprookjesboek „de Zwerftochten in het Westen”, „See Yü”, een
-fabelenboek van een chineeschen Grimm, dat in China bijna elke gewone
-koelie kent, en waar ik nog zoo dikwijls in zit te lezen, in gespannen
-verwachting van de nieuwe mirakelen, die er nú weer zullen komen,
-vooral als ik weer voor een tijdje genoeg heb van het gekriebel en
-gedoe in onze lieve vaderlandsche literatuur. De taal in de „See Yü”
-lijkt wel wat op gestamel, het boek is niet geschreven in den
-klassieken stijl der Kings, maar in het colloquial, zooals de lui
-praten in huis, en de sprookjesvertellers op den hoek van de straat. De
-geleerden zien er op neer. Maar wat een verbeeldingskracht, wat een
-naïef praten, wat een voor ’t vaderland weg doorgallopeeren, door ’t
-wilde heen, en altijd weer ergens onverwachts terechtkomen!
-
-Ik zou zoo gauw niet klaar zijn, als ik al de wonderen in dit
-kostelijke boekje wilde oververtellen. Maar dat van de chineesche hel,
-hoe de groote koning T’ai Tsung daar ter verantwoording wordt geroepen,
-en hoe hij daar een kruiwagentje heeft, net precies zooals je er een
-noodig hebt in Indië, en hoe hij daar beren maakt, en, wat nog mooier
-is, die eerlijk terugbetaalt ook, dát zou misschien nog wel gaan.
-
-Daar zal ik dan tevens mee kunnen aantoonen, dat de chinees niet alleen
-met den hemel, maar ook met de hel „des racommodements” kan hebben, en
-dat het altijd goed is, hooge ambtenaren te vriend te houden, want die
-kunnen na hun dood nog invloedrijke posten in de Hel bekleeden, al is
-het dan ook niet in den Hemel.
-
-Het was ten tijde van keizer T’ai Tsung, dat in de toenmalige hoofdstad
-van China, Ch’ang Ngan, twee goede vrienden woonden. De een was een
-visscher, genaamd Ch’ang Shau, de ander een houthakker, die Li Ting
-heette. Op een goeden morgen zaten zij in een wijnhuis wat te eten en
-te drinken. Toen zij daarna een eindje langs de rivier opwandelden
-vroeg Li Ting: „Zeg, broeder Ch’ang Shau, je vangt iederen dag zoo’n
-hoop mooie visschen en garnalen, welk geheim middeltje heb je daar toch
-voor?”
-
-„Wat zou ik voor een geheim middeltje kunnen hebben?” antwoordde Ch’ang
-Shau. „Aan de westelijke poort staat op straat een geleerd waarzegger
-die wichelstokjes verkoopt. Dien geef ik elken dag een mooien karper
-cadeau, en daarvoor wijst hij mij het goede plekje aan om mijn
-vischtouw in neêr te laten. Zoo is het vandaag óók gegaan, en ik heb
-volop gevangen. Morgen zal ik wat wijn koopen en je eens tracteeren.”
-
-Toevallig kwam op dat oogenblik een van de op inspectie uitzijnde
-geesten van Lung Wang, den Rivier-Draken-Koning [59], voorbij, die het
-geheele gesprek hoorde, en het ijlings aan zijn meester ging
-overbrengen. Lung Wang was woedend, en wilde er direct op uit, om den
-wichelaar dood te slaan. Maar zijne kinderen en kleinkinderen brachten
-hem hiervan af door te zeggen: „Groote Koning, bedaar uw toorn! Als gij
-zóo heengaat zullen stellig de wolken en de regen U volgen en helpen,
-en dan zult U het arme volk van Ch’ang Ngan een doodelijke vrees op het
-lijf jagen, tot ergernis van den Hemel. Het is veel beter, U in een Siu
-Ts’ai [60] te veranderen, en zelf naar de stad te gaan, om deze zaak
-eens te onderzoeken.”
-
-De Draken-Koning volgde dezen raad op, veranderde zich in een deftigen,
-in ’t wit gekleeden Siu Ts’ai en ging naar de westelijke poort van
-Ch’ang Ngan. Dáár informeerde hij naar de woning van den wichelaar,
-klopte aan, en werd door dezen heel beleefd ontvangen en uitgenoodigd
-om te gaan zitten.
-
-„Zoudt u mij ook kunnen zeggen,” vroeg de koning, „wanneer er regen zal
-vallen?”
-
-Daarop begon de wichelaar met zijn wichelstokjes te werken en zeide het
-volgende versje op:
-
-
- „De wolken dwalen boven de bergen,
- Mistdampen bedekken het woud en het graan;
- Als ik wichel wanneer de regen zal neerzegenen,
- Is het antwoord: „op morgen.””
-
-
-Toen vroeg de Zee-Draken-Koning: „Op welk uur dan morgen, en hoeveel
-regen zal er zoowat vallen?”
-
-De wichelaar antwoordde: „Morgen op het uur Ch’an zullen de wolken
-bijeenkomen, op het uur Sz’ zal de donder komen opzetten, op het uur Wu
-zal de regen neervallen, en op het uur Wei [61] zal die ophouden. Er
-zal in ’t geheel vallen drie voet en drie duim regen, en laatste
-na-droppels acht en veertig.”
-
-De Zee-Draken-Koning zeide lachende: „Zulke woorden mag je niet uit
-gekheid uitspreken, mannetje! Als morgen juist op de tijden, die gij
-bepaald hebt, precies zooveel regen valt, zal ik u vijftig ons goud
-geven tot belooning. Maar als er geen regen komt, òf niet op den
-bepaalden tijd en in de bepaalde hoeveelheid, dan zal ik uw voordeur
-kapot trappen, uw uithangbord vernielen, u uit Ch’ang Ngan jagen, en u
-niet meer toestaan, hier de menschen te bedriegen.”
-
-„Zooals u wilt,” zeide de wichelaar kalmpjes.
-
-Hai Lung Wang, die niets wist van regenen op morgen, ging verheugd naar
-zijn rijk in de wateren terug, in het vooruitzicht, den gehaten
-wichelaar den volgenden dag zijn wraak te doen gevoelen. Hij vertelde
-de leugenachtige voorspelling omtrent den regen aan zijne volgelingen
-over, en allen lachten den wichelaar uit, en riepen: „Hoe durft hij
-zulke valsche praatjes te verkoopen!”
-
-Plotseling riep een stem uit de lucht: „Draken-Koning, ontvang het
-bevel!”
-
-Allen keken omhoog, en zagen een in gouden kleederen gedoschten
-afgezant van den oppersten Hemelgod Yü Ti, die een bevelschrift uit de
-hooge regionen kwam brengen. De afgezant daalde in het water neder,
-overhandigde de missive, en verdween weder omhoog, de wolken in.
-
-En waarlijk! Het bevelschrift bevatte de strikte order, om den
-volgenden dag regen te doen vallen, precies op denzelfden tijd, in
-dezelfde hoeveelheid als de waarzegger had voorspeld! Er mankeerde
-niets aan. Hevig verschrikt riep de Draken-Koning uit: „Waar moet het
-op die manier heen, als zoo’n stuk mensch de geheimen weet van Hemel en
-Aarde? Dan blijft er niets over dan mij aan hem te onderwerpen!”
-
-Maar zijn vertrouwde minister zeide: „Wat voor moeite zou het kosten,
-hem te overwinnen? Laat, o groote koning, wèl regen vallen, maar
-verander de tijden en de hoeveelheden een beetje, dan zal die schavuit
-van een wichelaar wel in zijn schulp kruipen!”
-
-Zoo gezegd zoo gedaan. Den volgenden dag kwam een onweder boven de stad
-Ch’ang Ngan opzetten, met donder, bliksem en regen. Maar op het uur Sz’
-en niet op het voorspelde uur Ch’an verzamelden zich de wolken, eerst
-op het uur Wu kwam de donder op, op het uur Wei viel pas de regen neer,
-en op het uur Shan [62] hield hij op. Er viel ook maar drie voet regen,
-en niet meer dan veertig na-droppels.
-
-Toen de Draken-Koning met dit werk gereed was, veranderde hij zich weer
-in den in ’t wit gekleeden Siu Ts’ai en ging naar het huis van den
-wichelaar. Dáár gekomen begon hij dadelijk het uithangbord, de
-penseelen en den inktsteen in stukken te slaan, en riep schimpend:
-„Wel, durf jij de menschen te bedriegen met je geleuter! Het is nu eens
-lekker niet uitgekomen, en nu maak je maar als de weêrga dat je
-uitknijpt, dan zal ik je deze misdaad vergeven, waar de dood op staat!”
-
-Maar de wichelaar glimlachte eens kalmpjes en zeide: „Ik ben niet
-strafbaar met den dood, maar ik ben bang dat gij het wèl zijt. Gij zijt
-geen Siu Ts’ai, gij zijt de Rivier-Draken-Koning, en gij zijt
-ongehoorzaam geweest aan het bevel van den Hemel-God, en hebt op uw
-eigen houtje de tijden en de maten veranderd, en dus de Wetten des
-Hemels weêrstaan. Ik vrees dat gij moeilijk aan het zwaard zult
-ontkomen, en nu komt gij waarachtig mij nog uitschelden!”
-
-Toen sloeg de angst den armen Draken-Koning om het hart, en zijn
-geheele lichaam begon te beven. Hij knielde voor den wichelaar neder en
-smeekte hem, toch niet boos meer te zijn, en hem een redmiddel aan de
-hand te doen.
-
-De waarzegger kreeg medelijden met hem. „Ik kan u zelf er niet uit
-helpen,” zeide hij, „maar ik weet, dat degene, die u dooden moet, Wei
-Ting zal zijn, de opperrechter van koning T’ai Tsung. Ik kan u dus
-aanraden T’ai Tsung om hulp te vragen.”
-
-De Draken-Koning volgde dezen goeden raad dadelijk op. Hij ging niet
-eens naar zijne wateren terug, maar steeg op een wolk, en zweefde naar
-het paleis. T’ai Tsung [63] lag juist te slapen, en in zijn droom ging
-zijn ziel het lichaam uit, en ging wat in den maneschijn wandelen. De
-Draken-Koning veranderde zich weer in een mensch, en viel voor den
-koning op de knieën, roepende: „Red mij, red mij, Uwe Majesteit!”
-
-De koning vroeg hem wie hij was, en nu vertelde Lung Wang hem, dat hij
-de Draken-Koning was, dat hij gezondigd had tegen den Hemel, en nu zou
-moeten sterven door de hand van den opperrechter Wei Ting, als de
-koning dit niet verhinderde. Toen kreeg koning T’ai Tsung medelijden en
-zeide vertroostend: „Als ’t alleen maar die kwestie met Wei Ting is,
-wees dan maar gerust, hoor, ik zal u er wel uit helpen”. Vol vreugde
-ging de Draken-Koning weg, na zijn weldoener innig te hebben bedankt.
-
-Toen T’ai Tsung wakker werd, dacht hij ernstig na over zijn droom. Het
-was een gewichtig geval. Hij had zijn woord gegeven aan den
-Draken-Koning dat hij hem redden zou, en dat moest hij tot elken prijs
-houden, wilde diens dood niet op hem zelven neêrkomen. Daarom besloot
-hij, alle civiele en militaire mandarijnen op te roepen aan zijn hof.
-Hoe schrikte hij, toen hij zag, dat Wei Ting niet was opgekomen!
-Dadelijk zond hij nog een speciaal bevelschrift naar den opperrechter,
-om op staande voet te verschijnen. „Als hij maar eenmaal binnen is,
-laat ik hem er niet meer uit,” dacht hij. Wei Ting had juist dien nacht
-een droom gehad. In dien droom was hem een hemelgeest verschenen met
-een order van Yü Ti, den oppersten Hemelgod, waarin geschreven stond,
-dat hij ín het derde kwartier van het uur Wu den Rivier-Draken-Koning
-moest onthoofden. Daarom was Wei Ting niet naar het hof gegaan, maar
-thuis gebleven om zijn groot tweesnijdend zwaard op te poetsen en te
-scherpen.
-
-Toen echter het speciale bevel van den koning kwam, moest hij wel
-gehoorzamen, en ging in allerijl ten hove. Hij smeekte T’ai Tsung, hem
-zijne ongehoorzaamheid te vergeven, wat genadig werd toegestaan. Nu
-zond T’ai Tsung al de andere hovelingen weg, en liet alleen den
-opperrechter blijven. Om den tijd te korten stelde hij hem voor, een
-partijtje te schaken. Het werd een interessant spel, toen, juist in het
-derde kwartier van het uur Wu, de opperrechter plotseling met het hoofd
-op de armen in slaap viel. De koning was hier in ’t geheel niet boos
-over, daar hij nu zeker was, dat de gevaarlijke rechter niet het paleis
-uit kon. Langzamerhand begon Wei Ting sterk te zweeten, en zijn gezicht
-vertoonde een uitdrukking van woede, terwijl hij allerlei zenuwachtige
-trekkingen met armen en beenen begon te maken, zooals een hond die
-droomt dat hij op de jacht is. T’ai Tsung kreeg medelijden met hem, en
-denkende dat hij aan nachtmerrie leed, begon hij hem met zijn zijden
-waaier koelte toe te wuiven. Dit bracht blijkbaar verfrissching aan,
-want daarna werd de slapende rustiger.
-
-Maar o wee! wat had de koning gedaan! Wei Ting’s ziel was in zijn droom
-uit het lichaam gegaan om den Draken-Koning te zoeken. Toen deze hem
-zag aankomen zette hij het op een loopen, en er volgde een jacht op
-leven en dood. De riviergod was een fameus looper, en Wei Ting, hoeveel
-moeite hij ook deed, zou hem niet ingehaald hebben, en werd op ’t
-laatst zóó afgemat, dat hij ten achter raakte. Maar het was juist op
-dat oogenblik, dat koning T’ai Tsung den droomende begon te bewaaieren.
-Deze koelte gaf Wei Ting’s lichaam, en dus ook zijn ziel nieuwe
-krachten, en spoedig had nu de opperrechter zijn slachtoffer ingehaald
-en hem het hoofd afgehouwen!
-
-Toen de ziel haar plicht gedaan had, keerde zij in het lichaam terug,
-en Wei Ting werd wakker. Hoe schaamde hij zich, toen hij zag, hoe
-oneerbiedig hij was geweest! Maar de goede koning vergaf hem gaarne, en
-stelde voor, het partijtje schaak uit te spelen. Juist wilden zij
-beginnen, toen de twee grootvizieren des konings, de hooge mandarijnen
-Sü Meu Kung en Tseu Shuh Pao binnentraden met een van bloed druipend
-drakenhoofd in de handen, en dat voor T’ai Tsung nederlegden. Zij
-vertelden hem vol schrik, dat dit hoofd zooeven uit de wolken was komen
-vallen.
-
-T’ai Tsung vroeg in grooten angst aan den opperrechter, wat dit moest
-beteekenen. En toen biechtte Wei Ting eerlijk alles op, hoe hij van Yü
-Ti het bevel had ontvangen om den Draken-Koning te onthoofden, en hoe
-hij dat zoo juist in zijn’ droom had ten uitvoer gebracht. Toen
-verschoot T’ai Tsung van kleur, en voelde, dat hij voor dien dood zou
-moeten boeten.
-
-En de straf zou niet lang uitblijven. Toen de koning den nacht daarop
-te bed lag, hoorde hij plotseling voor zijn deur een klagend gekerm, en
-daar trad de Draken-Koning binnen, met zijn bloedend hoofd in de
-handen! Op hoogen toon riep het spook uit: „Koning der Thangs, geef mij
-mijn leven terug! Gisteren nacht hebt gij mij beloofd, mij te redden,
-en hoe durfdet gij nu uw opperrechter uitzenden om mij te onthoofden?
-Ik zal deze zaak met u uitmaken voor Yen Kiün, den Hellekoning!”
-
-T’ai Tsung weende tranen bij tuiten, en knarsetandde van angst. Toen
-verscheen een in ’t wit gekleede vrouw, die met een schepter het spook
-gebood heen te gaan, dat daarop ijlings verdween. Is het noodig te
-zeggen, dat dit Kwan Yin was, de Godin der Genade, die met koning T’ai
-Tsung nog zooveel ándere groote plannen voorhad?
-
-Nu wilde de koning niet meer slapen zonder wachten. Iederen nacht
-waakten in het paleis de dapperste krijgers, en voor zijn deur stonden
-de twee beroemdste helden-generaals, met ontbloote zwaarden. Het spook
-kwam niet meer terug, maar de koning werd elken dag zwakker en zwakker,
-en voelde ten laatste dat hij sterven ging. De geheele koninklijke
-familie was aan het sterfbed vergaderd. De koning was razend van
-wanhoop, want hij wist dat de doode Rivier-God hem in de hel had
-aangeklaagd en hem daar opwachtte. Maar op het laatste oogenblik kreeg
-de opperrechter Wei Ting nog een gelukkige ingeving.
-
-„Wees gerust, Uwe Majesteit,” zeide hij. „Uw gehoorzame onderdaan heeft
-een uitstekend middeltje, om U nog een lang leven te verzekeren. Uw
-vroegere onderdaan, wijlen mijn vriend de Minister van Eeredienst, is
-op ’t oogenblik Beslisser-Mandarijn in de onderwereld. Hij heeft mij
-juist laten weten, dat hij nu ook belast is met het bijhouden van het
-Leven-en-Dood Register. Ik zal U dezen brief voor hem medegeven, en als
-U hem dien maar overhandigt, ben ik zeker, dat hij U weer naar de aarde
-zal doen terugkeeren.”
-
-Kort daarop stierf de koning. Zijn ziel ging uit het lichaam, en
-ontmoette een schaar ruiters, die hem een paard gaven, en in wilde
-jacht met ontzettende snelheid met hem voortrenden. Plotseling waren
-ruiters en paarden verdwenen, en hij stond op een woeste vlakte, waar
-hij nog nooit geweest was. Hij voelde zich alles behalve op zijn gemak,
-toen gelukkig een in ’t zwart gekleed, heel voornaam mandarijn
-verscheen, die voor hem nederknielde, en hem verzocht, zijn geleide te
-willen aannemen. [64]
-
-„Wie zijt gij?” vroeg de koning.
-
-„Vroeger op aarde was ik Minister van Eeredienst,” antwoordde de
-beleefde wegwijzer, „maar nu ben ik Beslisser-Mandarijn hier in het
-hellegebied. Ik heb al Uw zaak met den Draken-Koning onderzocht, en ben
-nu expres hier gekomen om U den weg te wijzen.”
-
-T’ai Tsung voelde zich nu heel wat prettiger, en riep verheugd uit:
-„Dan heb ik hier een brief voor u, van mijn opperrechter Wei Ting!”
-
-De Beslisser las den brief, en begreep daaruit, hoe wonderlijk alles
-zich op aarde had toegedragen, en hoe de arme koning er was ingeloopen.
-
-„Wees maar gerust, Uwe Majesteit,” zeide hij. „Ik zal U wel weer op
-aarde terug krijgen. Als U nu maar eens mede wilt gaan.” En hij
-geleidde den koning naar de hellen. T’ai Tsung werd naar een kolossalen
-zetel gevoerd, waar de tien koningen der tien hellegebieden waren
-gezeten. De hellekoningen kwamen behoorlijk van hun’ zetel af om den
-menschen-koning te begroeten, en met hem de gebruikelijke
-beleefdheidsceremonieën te verrichten. Toen zeide Tseu Kwang, de koning
-van het eerste hellegebied:
-
-„De Rivier-Draken-Koning heeft U hier aangeklaagd, dat U hem beloofd
-had, zijn leven te redden, en hem toen juist hebt laten dooden. Wat is
-hier van aan?”
-
-Toen vertelde T’ai Tsung eerlijk, hoe alles gebeurd was, precies
-volgens de waarheid.
-
-De hellekoningen—die het alreeds wisten natuurlijk—geloofden hem, en
-zeiden: „Het was tóch al lang geleden besloten, en in het Leven-en-Dood
-Register opgeteekend, dat de Draken-Koning in dezen tijd door de hand
-van een’ opperrechter zou moeten sterven. Nu zullen wij hem weer in het
-Wiel der Omwenteling zetten, en in ’t leven nieuw geboren doen worden.
-Maar hoe is het met Uw levensduur gesteld? Beslisser-Mandarijn, haal
-eens even het Register!”
-
-En de Beslisser haalde het register, waar de levensduur, en in geval
-het vorsten zijn, de regeeringsduur der stervelingen nauwkeurig waren
-opgeteekend. De Beslisser zocht den naam T’ai Tsung op, en o wee! er
-stond voor zijn regeeringsduur niet meer dan dertien jaren, juist de
-tijd, dien hij reeds koning was geweest. Fluks smokkelde hij zijn
-penseel te voorschijn, veranderde het bovenste ééntje in een drietje,
-en nu stond er drie en dertig [65]. En met een doodleuk gezicht liet
-hij den hellekoningen zien, dat T’ai Tsung drie en dertig jaren
-regeeren mocht, en dus nog twintig jaar levens te goed had.
-
-De tien hellekoningen konden toen niet anders dan T’ai Tsung vergunning
-geven, naar de aarde terug te keeren. Onze koning, die om alles dacht,
-vond nu, dat hij van deze zeldzame gelegenheid moest gebruik maken, om
-nog eens méér te weten te komen, en vroeg beleefd, of men hem ook zou
-willen zeggen, hoe het met den levensduur van de leden zijner familie
-stond. Het register werd even geraadpleegd, en er werd hem geantwoord:
-„Daar staat het best meê. Maar alleen Uw keizerlijke zuster Li Yü Ying
-zal het niet lang meer maken, vreezen wij.”
-
-Toen vroeg T’ai Tsung, wat hij den hellekoningen zou mogen aanbieden,
-om hen voor hun goedheid te bedanken. En de tien koningen antwoordden:
-„Wij hebben hier gebrek aan meloenen uit het Zuiden.”
-
-„Als wij op aarde terug zijn, zullen wij U meloenen zenden,” beloofde
-de koning. Daarop boog hij eerbiedig. Een duivel met een vlag ging hem
-toen voor, om hem den weg te wijzen, en de Beslisser-Mandarijn volgde
-hem. En nu werd T’ai Tsung een tochtje door de verschillende hellen
-aangeboden, waar hij al de verschrikkingen zag, die de zondaren hadden
-te doorstaan. De koning voelde zich allesbehalve op zijn gemak, en
-beefde van angst over al zijne leden. Eindelijk was hij met zijne
-geleiders door eenige hellegebieden gekomen. Na een poos geloopen te
-hebben kwamen zij bij een stad, „de Stad der onrechtvaardig gedooden”.
-Hier woonden de geesten der menschen, die eigenlijk nog niet moesten
-gestorven zijn, volgens het register, maar door onvoorziene
-ongerechtigheden der menschen gedood waren. Met deze geesten zaten de
-hellekoningen verlegen, want zij behoorden eigenlijk nog niet in de
-hel, daar zij niet vóór hun tijd konden overgevoerd worden, en ook niet
-op de aarde, daar zij dood waren.
-
-Toen die geesten den koning hoorden aankomen liepen zij in groote
-scharen uit, en versperden den weg. Het waren siniestere gestalten,
-sommigen zonder hoofd. „T’ai Tsung,” schreeuwden zij, „geef ons het
-leven terug!”
-
-De koning klappertandde van angst en riep: „Beslisser, toe, red mij!”
-
-De Beslisser antwoordde: „Ik heb niet veel over hen te zeggen, maar als
-U hun wat geld geeft, zullen ze U wel doorlaten.”
-
-Maar ongelukkig had T’ai Tsung geen cent op zak. Hij had wel een brief
-medegenomen naar de hel, maar aan geld had hij niet gedacht. „Hoe kom
-ik nu aan geld!” riep hij in wanhoop uit.
-
-Gelukkig wist de Beslisser raad. „Op aarde, in de provincie Ho Lam, in
-’t district K’ai Fung, woont een zekere Siang Liang. Deze heeft dertien
-schatkamers goudstukken naar hier gezonden. Als Uwe Majesteit een
-schuldbekentenis wil onderteekenen, zal ik er U met genoegen een
-schatkamer van leenen. Als U op aarde zijt wedergekeerd, zendt U het
-geld aan Siang Liang zelf terug. Dan strooit gij nu de goudstukken maar
-allen onder deze hongerige geesten, en zij zullen U stellig doorlaten.”
-
-De koning teekende haastig het verlangde stuk, en strooide het geld
-onder de gretig grabbelende geesten. En de Beslisser riep hun nog toe:
-
-„Al dit geld is voor u, om den dag genoegelijk door te brengen. Als de
-koning T’ai Tsung op aarde is teruggekeerd, zal ik hem opdragen, een
-weg voor u te maken, die u over zal leiden naar de gewesten der
-onsterfelijkheid. [66]”
-
-Zonder verdere ongelukken kwam de koning nu buiten het territorium der
-hel. De Beslisser wees hem een groot paard, dat voor hem gereed stond,
-en raadde hem aan, zich maar door dit beest te doen leiden, dan zou hij
-van zelf wel weer in zijn eigen rijk terechtkomen.
-
-T’ai Tsung bedankte zijn welwillenden Mentor, sprong in het zadel,
-en..... rrrrt! daar vloog het wilde paard in pijlsnelle vaart vooruit,
-met duizelingwekkende snelheid over velden en bosschen, en toen
-plotseling met een plons halsoverkop in een diepe zee. Toen verloor de
-koning het bewustzijn.....
-
-Inmiddels stond in het paleis de doodkist met zijn lijk in de groote
-staatsiezaal. De vrouwen en verwanten weeklaagden en jammerden bij de
-baar, en reeds wilde men den kroonprins tot koning uitroepen, toen
-opeens uit de doodkist een stem werd gehoord, roepende: „Dat scheelde
-weinig of ik was dood!”
-
-Alle aanwezigen schrikten om het hardst, en een paar vrouwen vielen
-flauw, denkende een spook te hooren. De grootvizier, die een dapper man
-was, boog zich over de kist en riep: „Wat kan er zijn, dat het hart van
-Uwe Majesteit verontrust. Zeg het ons dan, maar laat niet Uw geest hier
-komen spoken en schrik verspreiden!”
-
-Maar de stem antwoordde: „Het is mijn geest niet, ik ben het zelf!”
-
-De doodkist werd opengebroken, en ziet! de koning sloeg de oogen op, en
-leefde weer!
-
-„Als ik maar een geest was geweest zou ik dat ongeluk in de zee niet
-overleefd hebben,” zeide de koning.
-
-„Een ongeluk in de zee? Welk ongeluk?” vroeg men hem verbaasd.
-
-En nu vertelde de koning, hoe het paard hem in den oceaan had geworpen,
-en waar hij vandaan kwam.
-
-Dien nacht sliep T’ai Tsung heel rustig, zoodat hij zich den volgenden
-dag weer geheel hersteld voelde en vol levenskracht.
-
-Met groote vreugde hoorde het volk de tijding van zijn herleven, en er
-waren groote feesten over het geheele land. De koning schonk amnestie
-aan alle misdadigers, richtte weeshuizen op, en schonk promotie aan
-velen zijner ambtenaren, ter eere van het heuglijke feit.
-
-Zoodra de eerste drukten wat over waren, begon T’ai Tsung te denken
-over het vervullen der belofte, en het betalen der schuld, die hij in
-de hel gemaakt had. Het laatste was het gemakkelijkste. Hij zond den
-hertog van Ngoh naar het district K’ai Fung om Siang Liang op te
-zoeken, en gaf hem de waarde van een schatkamer gouds mede, om de
-schuld eerlijk af te doen. Toen de hertog in het district was
-aangekomen, hoorde hij tot zijn verbazing, dat Siang Liang maar een
-heel arme man was, die met zijn vrouw in een schamel hutje woonde, en
-leefde van den verkoop van drinkwater en steenen potten en pannen. Maar
-deze arme stakkert was tegelijk een heel goed en vroom mensch, die zich
-tevreden stelde met het hoogst noodige eten, en de rest van zijn
-weinigje geld gebruikte voor aalmoezen aan monniken, en vooral voor het
-koopen van offerpapier, dat hij trouw verbrandde voor de geesten. Nu
-was de zaak duidelijk. Dat offerpapier, schijfjes grof geel papier, met
-zilver- en goudgeld er op geteekend, stijgt immers op, en wordt door
-een wonder in werkelijk geld veranderd, duizend, honderdduizendvoudig,
-naar gelang van de intensiteit der deugd die haar verbrandde, der
-oorzaak, die dat mirakel creëerde! En zonder aarzelen ging de hertog
-van Ngoh naar de hut van Siang Liang. Toen de deugdzame man den
-schitterenden hertog met zijn gevolg zag aankomen, viel hij met zijne
-vrouw voor hem op de knieën, en sloeg met het hoofd op den grond.
-
-„Sta op, eerwaarde grijsaard,” sprak de hertog. „Ik ben de afgezant van
-den koning, en kom u de goudstukken terugbetalen.”
-
-Hevig verschrikt vroeg Siang Liang: „Wat zou ik, verachtelijk wezen,
-voor goudstukken uit hebben staan? En hoe zou ik dan deze schatten
-durven aannemen, waar ik de afkomst niet van weet?”
-
-Toen antwoordde de hertog: „Ik heb ook gehoord, dat gij maar een arme
-drommel zijt. Maar gij hebt altijd aalmoezen gegeven aan monniken, en
-offerpapier verbrand, en dat is nu in de hel al een groote schat
-geworden. Toen onze koning in de hel was, heeft de Beslisser-Mandarijn
-hem daarvan een schatkamer geleend, om aan de geesten te geven, op
-voorwaarde, dat hij het later op aarde weer aan u zou teruggeven. Gij
-kunt het dus gerust aannemen.”
-
-Toen bogen Siang Liang en zijne vrouw eerbiedig voor Hemel en Aarde en
-zeiden: „Als dat geld afkomstig is van offerpapier, dan blijft de zaak
-toch duister en van een andere wereld. Wij kunnen het onmogelijk
-aannemen.”
-
-En hier bleven zij bij. De hertog slaagde er niet in, hen te overreden,
-en rapporteerde dit aan den koning. Toen gelastte T’ai Tsung hem, om
-met dat geld op die plaats een groot klooster op te richten. Aan
-weerszijden van den tempel werd een levensgroot beeld geplaatst, het
-eene van Siang Liang en het andere van zijn vrouw. Die beelden werden
-nog gedurende hun leven door ieder bezoeker aangebeden. En het klooster
-stond overal in den omtrek in een reuk van groote heiligheid.
-
-Zóó was de schuld in geld behoorlijk door den koning voldaan. Maar nu
-de tweede, de belofte. Hoe woord te houden, en de meloenen naar de
-hellekoningen te zenden? Dit was een moeilijk geval. Hij liet overal
-plakkaten aanplakken, door het geheele rijk, waarin hij lieden
-uitnoodigde, die genegen waren voor den keizer meloenen te brengen naar
-de hel. En gelukkig meldde zich kort daarop iemand aan. Hij was een
-schatrijk man uit Kiün Chow, genaamd Lao Ts’üen. Deze Lao Ts’üen was
-getrouwd met een beeldschoone vrouw, Li Ts’ui Lien, van wie hij innig
-veel hield, maar wie hij het leven erg lastig maakte door zijne
-overdreven jaloerschheid. Op een goeden dag was er een monnik komen
-bedelen, die er heel hongerig en haveloos uitzag, en de goede Ts’ui
-Lien, die een medelijdend hart bezat, schonk hem een gouden haarnaald
-uit haar kapsel. Toen was Lao Ts’üen woedend geworden, en had haar
-verweten, dat zij stellig een oogje op dien monnik had en overspel met
-hem pleegde. Dit was te veel voor de eerzame vrouw. Zij ging
-onmiddellijk naar haar kamer, en hing zich op. Lao Ts’üen was niet te
-troosten, en toen hij de oproeping van den keizer las, was hij blij,
-zulk eene goede gelegenheid te vinden om zijn vrouw in de hel terug te
-zien. De koning was erg in zijn schik toen hij zich aanbood, en wees
-hem een zijner paleizen, het Gouden Priëel, waar meloenen in overvloed
-waren. Lao Ts’üen ging daarheen, at met smaak een partijtje mooie
-meloenen, nam daarop vergif in, en stierf. Zijn ziel toog uit het
-lichaam, en ging, behoorlijk voorzien van de pas verorberde meloenen,
-die nu weer gaaf en blinkend waren, naar de hel. Hij werd aan de poort
-uiterst beleefd door een duivel ontvangen, die hem naar den zetel
-leidde van den hellekoning Yen Lo Kiün. Lao Ts’üen knielde neder, en
-bood den koning eerbiedig de meloenen aan. Yen Kiün was zeer verheugd,
-en zeide tevreden: „Dat is me nu eerst eens een keizer die zijn woord
-houdt, die T’ai Tsung!” Daarna informeerde hij naar den naam van den
-afgezant. En Lao Ts’üen vertelde hem, hoe hij heette, hoe hij zijn
-vrouw verloren had, Li Ts’ui Lien, en hoe hij, zonder haar niet
-kunnende leven, ook maar gestorven was. En de hellekoning vond deze
-geschiedenis zóó aandoenlijk, dat hij dadelijk een duivel gelastte,
-Ts’ui Lien in de tien gebieden op te zoeken, en bij hem te brengen.
-Voor de securiteit liet hij zich meteen even door den Beslisser het
-Register van Leven-en-Dood aanreiken. En dat was volkomen in orde, want
-zoowel Lao Ts’üen als zijne vrouw bleken bestemd te zijn om later wijze
-Geesten te worden, en den eeuwigen levensduur dier uitverkorenen te
-genieten.
-
-Kort daarop kwam Ts’ui Lien veilig en wel aan, en viel haar man in de
-armen. Alles was vergeven en vergeten. Yen Kiün gelastte daarop een
-duivel, om de beide zielen weer op de aarde terug te brengen. Maar de
-duivel antwoordde: „Dat zal met Ts’ui Lien moeilijk gaan, vrees ik.
-Want haar lichaam is al te lang geleden dood gegaan, en door het
-ophangen is het hoofd van den romp gescheiden.”
-
-Daar had de hellekoning zoo gauw niet aan gedacht! En een vrouw zonder
-hoofd, daar had Lao Ts’üen niet veel aan! Toch wist hij er spoedig iets
-op te vinden. Er stond namelijk in het Register, dat T’ai Tsung’s
-jongere zuster, Li Yü Ying, juist om dezen tijd sterven moest. Wat nu
-eenvoudiger, dan de ziel van Li Ts’ui Lien in het lichaam van de
-prinses Li Yü Ying weer te doen herleven? En de hellekoning gelastte
-twee duivels om het echtpaar weer in het leven terug te geleiden, Lao
-Ts’üen naar het Gouden Priëel, waar zijn lijk nog lag, en Ts’ui Lien
-naar het koninklijk paleis. En zóó gebeurde het, dat toen de prinses Li
-Yü Ying wat in den tuin van het paleis liep te kuieren, zij plotseling
-door een duivel werd aangegrepen en gedood, zoodat haar ziel het
-lichaam ontvlood, dat als een lijk bleef liggen. Zóó vonden de
-kamerjuffrouwen hun meesteres dood in den tuin, en in allerijl liepen
-zij naar den koning, om de treurmare mede te deelen. Maar wat zij niet
-wisten was, dat toen de ziel der prinses uit het lichaam was getogen,
-de duivel gauw de ziel van Ts’ui Lien, Lao Ts’üens vrouw, er voor in de
-plaats had gezet. T’ai Tsung riep bij het hooren der jobstijding uit:
-„Helaas! wat de hellekoningen mij voorspeld hadden is dan toch
-uitgekomen!”, en spoedde zich naar den tuin, om de geliefde zuster nog
-eens te zien. En kijk! zij scheen toch niet dood te zijn, want het hart
-klopte nog zwakjes, en er was nog een beetje ademhaling zichtbaar. De
-koning beurde haar met de hand op en riep: „Keizerlijke zuster,
-ontwaak! ontwaak!”
-
-De prinses, ten minste het lichaam der prinses maar met de ziel van
-Ts’ui Lien er in, richtte zich op, en riep: „Lieve echtgenoot, loop
-toch wat langzamer, en wacht een beetje op mij!” T’ai Tsung zeide: „Ik
-ben hier bij U, keizerlijke zuster!”
-
-Het lichaam sloeg de oogen op en zeide: „Wie zijt gij, die mij durft
-aan te raken?” En de koning: „ik ben uw oudere broeder, de keizer”.
-
-„Wat?” riep de prinses, „wat zou ik voor een keizerlijken broeder
-hebben? Ik ben een vrouw uit het volk, mijn familienaam is Li, en mijn
-eigen naam Ts’ui Lien, en mijn man heet Lao Ts’üen, uit Kiün Chow. Ik
-heb mij opgehangen, omdat hij aan mijn eer twijfelde, en toen werd hij
-door den koning der Thangs naar de hel gezonden, om meloenen cadeau te
-geven. Yen Kiün, de hellekoning, had medelijden met ons, en heeft ons
-weer in ’t leven doen terugkeeren. Maar Lao Ts’üen heeft een beetje
-harder geloopen, en daarom ben ik nu hier alleen, en is hij vooruit.”
-
-Maar de koning wilde er niets van gelooven. Want het lichaam was
-precies dat van de prinses, zijn zuster, dezelfde gelaatstrekken,
-dezelfde oogen, hetzelfde haar. Totdat plotseling Lao Ts’üen zelf
-verscheen, in levenden lijve. De prinses herkende hem dadelijk en
-vloog, tot groote verbazing van den keizer, in zijn armen. Toen deed
-Lao Ts’üen een uitvoerig verhaal van zijn lotgevallen in de hel, en
-eindigde met uit te leggen, hoe Yen Kiün, de hellekoning, besloten had,
-de ziel zijner vrouw in het lichaam van de keizerlijke prinses te
-reïncarneeren. Nu moest T’ai Tsung het wel gelooven. Hij schonk Ts’ui
-Lien al de bezittingen en kostbaarheden van de prinses, en gaf haar aan
-Lao Ts’üen tot vrouw. Eigenlijk was het ook nog zoo erg niet. Want, al
-was Li Yü Ying’s ziel verscheiden, T’ai Tsung kon toch altijd haar
-liefelijk lichaam zien, alsof zij nog steeds leefde. En wat Lao Ts’üen
-betreft, al was het stoffelijke omhulsel zijner geliefde echtgenoote
-verloren, hij bezat toch nog altijd haar ziel, wat toch het voornaamste
-is van een vrouw, en Li Yü Ying, de prinses, wier lichaam die ziel had
-opgenomen, was óók een heel mooi meisje, waar hij even dol verliefd op
-raakte als vroeger op zijn bruid. En van zijn jaloerschheid was hij nu
-voor goed genezen.
-
-
-
-Het is onmogelijk, over chineesche sprookjes en legenden te spreken,
-zonder vanzelf bij het chineesche tooneel terecht te komen. Want
-voornamelijk door het tooneel worden zij bij de chineezen zoo bemind.
-Als kleine kleuter, vóór hij nog lezen kan, staat de chinees al met
-open mond en roode ooren van inspanning uren voor het tooneel al die
-wonderen te aanschouwen, en eerst later leest hij er van in de
-goedkoope volksboekjes van eenige cash, die zich gemakkelijk laten
-lezen, omdat zij in de volkstaal zijn geschreven.
-
-Het lijkt nog al „eng”, voor ons Westerlingen, die chineesche hel met
-al die afgrijselijkheden. Wij zouden er ’s nachts liever niet van
-droomen. En wij zouden het afschuwelijk vinden, aan zoo iets te denken
-bij den dood van onze ouders, of onze vrienden, en bij gelegenheid
-hunner begrafenis ons hun ziel voor te stellen in de hel, overgeleverd
-aan de verfijnde martelingen der woeste duivels. Het is om van te
-rillen, dat idee, nietwaar? Maar een chinees is veel meer vertrouwd met
-den dood en het donker mysterie daarachter dan wij. Een chinees wandelt
-langs de graven, die zijn geheele land over verspreid liggen, zonder
-ooit één bevinkje van de rilling te voelen, die ons ’s nachts zou
-overvallen, als wij ons verdwaald zagen op een kerkhof, liefst precies
-om twaalf uur. Een chinees krijgt van zijn eigen kinderen een doodkist
-cadeau, zooals wij een kop en schotel „voor uw verjaardag”, en zet die
-op een plek in huis, die hij iederen dag voorbijgaat. Hij is zelfs een
-bevoorrecht wezen, als hij het zoover gebracht heeft in de kunst van
-Fung Shui, dat hij een geschikte plaats kan gaan uitzoeken voor zijn
-eigen graf. En hij heeft elken dag gemeenschap met alle mogelijke
-geesten van voorvaderen en oudere verwanten, en is heilig overtuigd,
-dat de geheele atmosfeer bevolkt is door honderdduizenden spoken van
-allerlei aard.
-
-Waarom zou hij zich dan ook niet verdiepen in de sombere mysterieën der
-hel, als zijn vader of zijn moeder dood is? Het is dan namelijk de
-gewoonte, om tooneelvoorstellingen te geven, die de hel in geuren en
-kleuren voor de treurende achterblijvenden vertoonen. Als zoo iets
-wordt gespeeld is het publiek nog veel grooter dan anders.
-
-Vreemd volk!
-
-Stel u voor, dat een chinees zijn moeder verloren heeft, van wie hij
-innig veel hield, zooals chineezen doen, zoo goed als Europeanen. Hij
-weet, dat haar ziel naar de hel gaat, even zeker als hij weet, hoeveel
-cash er in een dollar gaan. En stel u dan verder voor, dat hij, terwijl
-het lijk nog boven aarde staat, kalmpjes een komedie-troep engageert,
-en die vlak voor zijn deur de hel laat vertoonen, waar zijn moeder nu
-juist naar toe is! Men moet maar sterke zenuwen hebben, of in ’t gehéél
-geen zenuwen! Onder de vele stukken, die bij die gelegenheid worden
-gespeeld, is de geschiedenis van Lao Ts’üen, die de meloenen gaat
-brengen, een der populairste. De hel wordt daarin voorgesteld in tien
-tafereelen, correspondeerende met de tien hellegebieden, waarvan ik
-verteld heb bij het bezoek van Kwan Yin met haar gevolg aan de
-onderwereld.
-
-Het eerste tafereel, zooals ik het voor het laatst in China vertoond
-zag, stelt voor Lao Ts’üen, die voor de poort der Hel wordt opgewacht
-door den Beslisser. Deze ziet er in het geheel niet siniester uit, maar
-is een hoog mandarijn, in een prachtig donkerbruin zijden gewaad, met
-den breeden jaspisgordel om, en een langen witten baard. Ook Lao Ts’üen
-ziet er keurig uit, en dat moet dan ook, want hij is een afgezant van
-den keizer. Deftig stapt hij, in een groen gewaad met gouden draken,
-met heel wijde mouwen, en nu en dan zijn langen baard even
-uitstrijkend, wat een chineesch tooneelspeler met een gratie doet,
-waarmede ik nog nooit een Europeaan aan zijn baard heb zien komen. Zij
-buigen heel diep voor elkaar, de twee eerwaarde mannen, en zingen heel
-vreemde melodieën op bizarre muziek, waarvan men de beteekenis weten
-moet, om alles goed te begrijpen. Twee duiveltjes, jongetjes met zwart
-gemaakte gezichten en roode lippen, dragen een mand met enorme meloenen
-achter Lao Ts’üen aan.
-
-Hierna brengen koelies twee bamboestokken en een touw, en in een
-minimum van tijd is hierover een wit doek gespannen, dat fluks dicht
-wordt geschoven. Dit is niets meer of minder dan de poort van de hel.
-De muziek begint een heidensch lawaai te maken, om het leven te
-overstemmen, dat de koelies maken, die achter het doek de hel aan ’t
-opslaan zijn. Lao Ts’üen en zijn begeleider blijven doorzingen. Totdat
-opeens het doek opengaat, en een fantastisch, luguber tooneel te
-voorschijn komt. Achter een tafel met brandende kaarsen zit de
-hellekoning, een reusachtige potentaat, met vuurrood gezicht vol witte
-figuren, in een van goud schitterend vuurrood gewaad, waarover een
-sneeuwwitte baard hangt. Naast hem, ter rechterzijde, staat een duivel
-met een enormen paardenkop, en ter linkerzijde een met een koeienkop,
-die er beiden niet te zeggen siniester uitzien. Zij zijn met lange
-lansen gewapend. Een schaar dienstdoende duivels loopt somber over het
-tooneel. Er zijn pikzwarte, en groene, en gele, en roode, met klauwen
-en staarten, en met vuil en bloed bevlekt. Nooit heb ik zulk een
-uitgelezen troep ongure wezens bij elkaar gezien, en ik hoop maar, dat
-de goede lezer er niet van droomen zal. Vóóraan staat een soort oven,
-waar de vlammen uit opstijgen, en waar eenige duivels, door een
-opening, met blaaspijpen lustig in blazen, grijnzende van de pret.
-
-Plotseling klinkt een oorverscheurend gejammer. Een half naakt, bebloed
-mensch, met van angst verwrongen trekken, wordt door vier grimmige
-duivels vooruit gesleurd. In zijn doodsangst trekt hij zijn belagers
-soms terug, wordt dán weer vooruit gerukt, vlucht weer, wordt weer
-ingehaald, en worstelt in wanhoop.
-
-Het publiek is ademloos van spanning. Eindelijk is het arme zieltje
-voor den oven gesleept. Zijn spieren zijn gezwollen van de worsteling,
-zijn gelaat is afschuwelijk verwrongen, zijn haren hangen los over den
-rug, en hij kermt met ontzettende jammerkreten. Maar in de hel is geen
-genade. Met ijzeren drietanden wordt hij opgepikt en in den oven
-gedeponeerd, waaruit zijn afschuwelijk gebrul nog even opstijgt, en de
-vlammen opeens hooger opslaan. En korten tijd daarna wordt uit den
-vuurpoel met een groote vork een gansch verkoold klompje gehaald, en
-aan het publiek vertoond! En dan, roef! het gordijn dicht, en weer een
-ander hellegebied klaargemaakt.
-
-Zóó worden alle tien gebieden vertoond. Vooral het vijfde was de moeite
-waard. Dáár heerscht Yen Lo Kiün, de verschrikkelijkste van allen. Hij
-had een pikzwart gezicht, met roode, grimmige wenkbrauwen, en een
-vuurrooden baard, en rooden neus. Zijn gewaad was van zwarte zijde, met
-een creatie van gouden draken. Hij noodigde Lao Ts’üen uit om te gaan
-zitten met een afgrijselijk gegil, of hij eigenlijk van plan was om hem
-subiet den nek om te draaien. Zijn wenkbrauwen bewogen woest, en zijn
-vurige oogen rolden vervaarlijk. Voor op het tooneel stond een blok bij
-een paal, waarnaast een enorme zaag.
-
-En onder een hartverscheurend gebrul werd een ontzaglijk dikke vrouw
-aangesleept, die zich in de afschuwelijkste stuipen wrong van pijn.
-Zonder complimenten werd zij op het blok gebonden, en twee groene
-duivels met roode baarden, grinnikend van plezier, en dansend van de
-jool, begonnen haar buik open te zagen. Ssjjt! sssjüut! ging de zaag,
-en men hoorde de beenderen kraken. En met groote stroomen vloeide het
-bloed over het tooneel. Haar vreeselijk gillen scheurde door de
-lucht.... Ook de smalle Brug der Verschrikkingen was kostelijk. Een
-lange, smalle plank, over twee stoelen. En aan weerszijden twee kisten,
-met duivels er op, anders niet. Een chinees heeft nu eenmaal geen
-décors noodig. Zijn gloeiende fantazie toovert hem de schoonste décors
-voor met de primitiefste gegevens. Beneden op den grond, die een rivier
-moet verbeelden, kruipen twee sombere personages, een zwarte duivel met
-een enormen krokodillenkop vol scherpe tanden, en een groote slang. Een
-voor een gaan de zondige zieltjes over de brug; de meesten verliezen
-het evenwicht, bang gemaakt door de drietanden der duivels aan
-weerszijden, en vallen in het water, waar zij door de slang en den
-krokodil worden verscheurd. Heel enkelen komen veilig de brug over,
-kijken de duivels op zijde met een kwaadaardigen sneer aan, en gaan
-kalmpjes hun weg.
-
-Maar het mooiste van alles was nog het tiende gebied, waar het Wiel der
-Omwenteling is, dat de zielen zal reïncarneeren. Dit gebied werd
-eenvoudig voorgesteld door een wit doek met twee deuropeningen, dat
-over bamboestokken was gespannen. Dit doek deelde het tooneel in twee
-helften, zoodat het publiek zien kon, wat er achter en vóór gebeurde.
-En het groote Rad der Omwenteling was een gewoon houten wieltje op een
-stok, dat lustig aan een touwtje werd rondgesnord. Men vergete hierbij
-niet, dat dit geen monteering voorstelt, maar enkel het aangeven van
-het idee. Het publiek moet zijn eigen fantazie laten werken om alles
-werkelijk te zien zooals het zijn moet.
-
-De zieltjes gingen nu heel eenvoudig één deurtje in, het wieltje
-draaide even, rrrt! en uit het andere deurtje stapte de reïncarnatie te
-voorschijn. Maar wat in het eene deurtje inging was héél wat anders dan
-wat aan het andere deurtje uitstapte. Dat scheelde nog al wat.
-Bijvoorbeeld een rijke sinjeur, in een prachtig costuum, schitterend
-van goud en edelgesteenten, die met een voornaam, trotsch air de eene
-deur binnenstapte, kwam er aan den anderen kant als een havelooze
-schooier weer uit, die onder een zwaren last liep te zwoegen, om een
-paar cash te verdienen. Een poenerig europeaantje, met een
-monkey-jacket aan, een hoogen hoed op, en een lorgnet op zijn neus,
-die, met een fatterig gebaar zijn opgewipte kneveltjes opstrijkend, het
-eene deurtje binnenflaneerde, kwam er aan het andere uit als..... een
-goor zwijntje, dat knorrende en brommende met bamboeslagen door een
-chineeschen koelie werd voortgedreven! Een arme stakkert van een
-daglooner, die nauwelijks loopen kon van vermoeidheid, kwam daarentegen
-weêr te voorschijn als een heel deftig heerschap, een personage van het
-Hof, die in een superbe galagewaad, een jaspis staf in de handen,
-waardig voortstapte, met een aplomb alsof hij al zijn vorige levens
-lang nooit iets anders gedaan had. En een rijk-uitgedost, dik gegeten
-mandarijn, die zich vetgemest had met de gestolen gelden van het volk,
-en die met een verwaand gezicht de eene deur binnenkuierde, of hij óók
-in de hel over leven en dood te beschikken had, strompelde behoorlijk
-het andere deurtje uit, gereïncarneerd als een bedelaar op krukken, die
-jammerlijk een verminkt, met vuile zweren bedekt been vooruitstak.....
-
-Zoo ziet men. Goed baart goed en kwaad baart kwaad. Daar is nu eenmaal
-niets aan te doen. De oorzaak werkt, en het gevolg blijft niet uit, is
-het niet nu, dan in een later leven. En in de hel komt loontje om zijn
-boontje.
-
-
-
-Alleen een allerpuurste, goddelijke Liefde kan die onverbiddelijke wet
-van het Noodlot veranderen. Kwan Yin redde millioenen zondaren uit de
-verschrikkingen der hel, en haar gebed verbrak de onverbreekbaar sterke
-causale keten van hun Karma. En hoe afgrijselijker de verschrikkingen,
-voorgesteld in de chineesche hel, des te schooner komt de blanke figuur
-uit van die kuische Maagd van medelijden en genade, van de liefdevolle
-boeddha Kwan Yin, die in den immenzen ópzwaai van haar bidden de
-millioenen zielen van zonde naar de paradijzen overvoerde van het
-eindeloos Nirvana.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN BEGRAFENIS.
-
-
-Van Koe-Lang-Soe de zee over, met een sampan, ging ik naar de
-rotsvlakte, oostelijk van het eiland Amoy, de vlakte der witte
-grafsteenen, waar de tempel staat van Kwan Yin, de Godin der Genade.
-
-In China is de dood niet een bang geheim, dat men wegstopt, ergens in
-een hoek, op een kerkhof, maar het geheele land is één groot kerkhof,
-waar de graven overvloedig bloeien, als roerlooze, sombere gewassen.
-China is een land des doods. Het is of de menschen er alleen leven om
-begraven te worden. In de velden, in de tuinen, in de bergen, vooral in
-de bergen, liggen de graven. Het is onmogelijk ergens lang te loopen
-zonder over graven te gaan. Overal, overal in het rond liggen de dingen
-des doods. De gedachte aan den dood is altijd bij mij hier, een ding
-van alle dag, als de lucht en het licht. De dood grijnst met duizend
-gezichten uit de aarde. De dood ligt open op het land, als de bloemen.
-De lichte zon ziet over graven, de boomen neigen met treurende pluimen
-over graven, de vogelen zingen hun melodieloos lied boven graven en de
-voeten der menschen gaan aldoor over kille steenen, voelend de
-aanraking des doods.
-
-Aan land gekomen, stond ik op een wit strandje, en volgde een weg langs
-hooge, witte muren. Primitieve versterkingen, wat broze wallen met
-kanteeltjes en schietgaten. Het idee van veilig te wezen achter een
-muur. In holten lagen doodkisten, achteloos neergezet. Ik lichtte uit
-nieuwsgierigheid met een stuk hout een deksel op. Er lagen beenderen in
-de kist, en wat vodden en zwarte dingen. Nu éven landwaarts in, door
-sawahs met wuivend groen, en daarachter lag de vlakte, voor een hoogen
-rotsenmuur, die als een massieve, zwarte verschrikking recht voor de
-oogen stond. Zoo ver te zien was lagen de rotsblokken opgestapeld, en
-overal in het grauw-zwarte waren de witte plekken der grafsteenen.
-Generaties van eeuwen liggen hier in de rotsen, álom. Er groeien hier
-enkel graven, koud en droef tegen den rotsenmuur, zoovèr ik maar kon
-zien. Hoe verlaten en des doods, die naakte rotsen met die graven! Het
-was om te denken een oud, oud land, een land van fossielen, eindelijk
-weêr ontdekt, voor goed ontvolkt, en onder den grijzen hemel, in die
-ijzige rust van rotsenmassa’s en kille steenen, leek China mij een Rijk
-der Dooden, waar eeuwig droefheid over hangt en een vloek.....
-
-En opeens, teêr van in de verte aankomen, een rij haastig naderende
-figuren. En, schel door de stilte, snerpende, piepende muziek. Rood is
-te zien en geelwit.
-
-Er wordt een versch lijk aangebracht voor de bergen. Het komt met gele,
-sombere dragers, met geklaag van hooge houtinstrumenten en piepende
-pijpen. Met een fantastisch beweeg, op vreemden doodenmaat, ging de
-stoet het sombere land over.
-
-Nu waren zij naderbij. Voorop de vuile, havelooze muzikanten, de gele
-gezichten gebold door ’t blazen, en hoofd-schuddende met den wilden
-cadans mede van hunnen lijkzang. Het was geen muziek, hun lawaai. Het
-was een verward koor van hooge fanssetten, met uitgegilde,
-verscheurende jammerkreten, op een wilden wanhoopsmaat, onharmonisch,
-maar de droefste en verschrikkelijkste smartgeluiden, die ik ooit
-hoorde. Achter de muzikanten een baar, gedekt met een rood kleed,
-waarop bloemfiguren. Een helle vlek rood in het grijze landschap van
-rotsen. Acht mannen dragen haar aan bamboestokken, zwoegende en gebukt;
-maar toch met het vlugge, veerende gaan der Oostersche volken.
-
-Achter de baar komen de verwanten, de rouwenden, in smerige, gele
-lompen, met vunze doeken om het hoofd, krijschende en gillende, en
-besnotterd met vieze tranen en bellen speeksel. Zij loopen met
-wankelstappen en zwaaien wanhoop om zich heen, met woeste gebaren. Een,
-zeker de zoon—want dat de baar met rood bedekt is duidt aan, dat de
-doode een vrouw is, stellig een moeder, denk ik—waggelt als een
-beschonkene, en wordt ondersteund door vrienden. Ze zijn bang en
-afschuwelijk om te zien, in die gore lappen van vuil zakkengoed, met
-loshangende haren, met hun onbehouwen, brute smart, als groteske
-persiflages op menschelijk gevoel, verdierlijkingen van wanhoop. Het is
-maar een heel armoedige begrafenis, zonder de pompeuze staatsie van
-palankijnen en vlaggen en lantarens der rijken, een miserabele troep in
-vuile lappen, met smerige, gore gezichten, maar daarom juist des te
-somberder in dat grauwe landschap, met al die ijzige graven. En de
-siniestere stoet gaat aan mij voorbij, dáár, naar de kille rijzenis van
-rotsen, in het land der lijken, waar geslachten van eeuwen verzonken en
-vergaan zijn, in hun dood opeengehoopt als in hun leven in de
-opgepropte steden, samengekrioeld als onuitroeibaar ongedierte.
-
-De gillende clarinet verspreidt de nadering van het nieuwe aas, met
-snerpende kreten door de stilte. Het geluid gaat verder en verder, hoog
-vlamt de bloedvlek van de roode baar in het grijs, en geruischloos
-snellen de voeten der dragers over het zand. Ik volg ze op een afstand.
-Een sombere wandeling achter dien vreemden stoet. Dat duurt een half
-uur, en nu komen zij bij de rotsige bergen. Ik zie nu, hoe die bijna
-onbegaanbaar zijn door granietblokken, met scherpe hoeken, en steile
-hellingen. Maar plotseling zie ik de dragers en de rouwenden al in de
-hoogte. Zij zijn vooruitgegaan met denzelfden luchten stap, op
-denzelfden rythmus, ongestoord door de stijging op steen. De beenen der
-lijkdragers zijn nu mooi van fijnheid in de hoogte, en het is zoo teêr
-en vlug als dunne paardepootjes, ver op een dijk. Zij bewegen
-regelmatig en haastig, die vreemde menschen, en worden allengs bijna
-silhouet, gevoelig van ver-zijn. En hoe verder hij gaat, de licht
-trippelende stoet, hoe mooier. Hij gaat de ongebaande rotsen op als de
-zachte zandvlakte. De voeten der chineezen zijn aangepast aan dit
-gruwbaar land, voeten gemaakt om over graven te loopen. Met eenparige,
-ongeschokte beweging zweeft de baar in de hoogte, met haar felle
-bloedkleur, als een vlag van den dood. Somtijds verdwijnt alles achter
-een hoog rotsblok, en dan is er niets meer te zien, tot het rood
-plotseling weer ópvlamt, onverwacht lager, en weêr weg, en dan weêr
-hooger. De muziek valt nu vreemd uit de lucht, als kreten van wilde
-vogels, gieren of roofuilen, azende op een lijk.
-
-Ik ga op een grooten steen zitten, en zie het nu angstig nieuwsgierig
-uit de laagte aan. Nu blijven de dragers ergens staan, en de rouwenden
-vormen een kring, zeker om een graf, en ik zie koelies met spaden. De
-maat der muziek is hevig versneld, en de wilder en wilder wordende
-rythmus geeft het stijgen aan der emotie. De woeste smartmuziek gilt
-hooger tonen, en drijft de wanhoop met groote schokken in de lucht.
-Daartusschen een jammerend brullen van menschenstemmen, schreeuwend hun
-bruut gevoel door de grafstilte der bergen.
-
-Ik zie de mannetjes bewegen, ver, met vage gebaren, een wriemelend
-gedoe omhoog. Het is niet te zeggen funèbre, om te rillen, dat
-doodenwerk daar tusschen die rotsgevaarten, met dat lawaai van schelle
-mineuren omlaag treurend.
-
-Plotseling een stilte.
-
-De kist is afgenomen van de baar. Een buigen van de verre mannetjes,
-koppen omlaag, en begrijpen, dat de doode in het graf zinkt.
-
-Dán een oorverscheurend gehuil en gejammer, dat overal in de rondte
-weêrgalmt, het brullen van een pandemonium vol duivels. En dan
-plotseling even stilte, en de klarinet alleen, eerst langzaam, één
-hooge toon, dan nog een, en weêr een, en dan sneller, sneller, in
-woeste vaart een stroom van spitse tonen omhoog, een fontein van
-kreten, razend van rythmus, wijd-uitspuitend in felle geluiden. En
-eindelijk één allerhoogste noot, egaal en monotoon, langgerekt,
-wild-opgehaald, als de láátste, woest-opgedreven uiting van wanhoop,
-uit de allerdiepste lagen van de smart omhoog gerukt, en met een
-laatste stuiptrekking uitgestooten in de lucht, om dan in de hoogste
-sferen eindeloos door te dreunen....
-
-De doode ligt in het graf van rots.
-
-Boven de rotsen hangt laag een zwartgrijze hemel, donker en dreigend.
-De donkere granietmassa’s staan somber, onwankelbaar opgerezen, omhoog.
-En in dat ijzig grauwe vlekken de witte steenen van duizenden graven.
-
-Maar het graf van de doode, daar hoog op die rots, ziet uit boven het
-landschap, en ver over de groote, groote zee, zóó als een ziel uitziet
-in de eindeloosheid.
-
-
-
-
-
-
-
-
-UIT CANTON.
-
-EEN REIS-IMPRESSIE.
-
-
-Leemgeel, zacht verroodend in avondglans, lag Hongkong tegen het
-rossige, statig-rijzende rotsgebergte. Dit sombere gevaarte stijgt met
-immenze lijnen omhoog, hier en daar vrediger golvend, met glooiende
-dalen, en schiet dan rechtop in een hoogen, steilen piek. De rotsen
-zijn donkergoud, met rood als van fel avondrood, de stad is leemgeel
-van een stil, heilig geel.
-
-Beneden, klein tegen het roodgouden hooge, ligt de drukke stad met een
-front van lang-rijende, gele huizen tegen de zee. Zij ligt in een damp
-van witten schijn, opstijgend uit de electrisch verlichte straten, en
-er ruischt rumoer van stemmen en ratelende ricksha’s. Hooger, hier en
-daar, tegen kuische hellingen, rustig-eenzaam staan de gele bungalows,
-met hun door de avondzon in brand gegloeide ramen uitziende ver over de
-zee.
-
-De lange kadestraat is in wit licht van hoog opgehangen ballons met
-gloeilampen, waaruit melancholieke, intenze manestralen de hooge
-facades van hotels en offices doodsbleek slaan in het gloeiende geel
-alom. Klein en wriemelend onder dat witte licht van boven gaan proppen
-menschen, in schelle kleuren, hel rood en blauw, van de tulbanden der
-Sikhs, van de engelsche soldatenjassen, van wuivende chineesche
-gewaden.
-
-Ik stond op het dek van de „Hankow”, de groote rivierstoomboot naar
-Canton. Overal, wijd in het rond, de booten in de haven; met een
-sereene kalmte lagen zij op het vlakke water, heel stil. Het tuig om
-hunne masten stond ragfijn in de ijle atmosfeer, als teêre takjes van
-dunne boomen, en alles aan hen was zacht-duidelijk te zien en stond
-zich stil te geven in den langzaam dalenden avond. Zij lagen vertrouwd
-en moê in de wijde, wijde haven, alsof zij, eindelijk gekomen, daar
-nooit weer weg zouden gaan en alles daar goed was.
-
-Op de fransche mailboot, vlak over ons, werd en seinlichtje in de
-voorste mast geheschen; het wiegelde even zwaaiend omhoog en bleef toen
-peinzen over de zee. Alleen het vage geruisch van de kade verbrak de
-heilige zeeëstilte, waar alle winde-adem ingehouden.
-
-Plotseling een hoog, droef-klagend geluid,—dit is in een stille haven
-als een bange smart over de ziel, die huivert,—een ver echoënd galmen
-over de bergen in het Westen,—en langzaam verdween een groote, donkere
-boot, uitvarend naar den rooden horizon als een sombere, zwarte vogel.
-Toen een knarsend geratel van ankerkettingen, en een nieuw, snijdend
-fluitgeluid vlak bij mij. Nog in den vrede van de stilte vooraf voelde
-ik pijn van dit felle. Langzaam draaide onze boot, en ook wij stoomden
-de haven uit, naar hooge, roode bergen in het Zuidwesten.
-
-En opeens zag ik de stad als iets moois dat weggaat.—O! het
-roodomgloeide geel, het heilige geel van die avondstad tegen de rossig
-gouden rots! De lantarenvlammetjes flikkerden vér-rijend weg, de witte
-ballonnen straalden fel-weenende lichtbundels over de zee, en een
-blanke damp beefde boven de huizen. Een groote wijding lag over de gele
-bungalows, hoog tegen hellingen. Zij stonden als matgouden tempels in
-den avond.
-
-Verder en verder stoomde de boot weg naar de Paarlrivier, en niets meer
-bleef over schijnen van Hongkong dan een droom van geel en rood.
-
-In de verte van de havenkom gloeiden de lichtjes der booten, als roode
-oogen die ons nà-tuurden.
-
-
-
-De sereene, rustig-ruischende zee, waarin ik zacht vooruit zweefde. Nu
-waren wij in den mond der Paarlrivier, met álom de bergen. De bergen,
-de goede, vertrouwde bergen van China, die de vrienden zijn van mijne
-ziel, die ik ken, alsof zij heel intieme menschen waren met oude, lieve
-namen, zóó innig heb ik gevoeld hun diepste wezen, zoo eerlijk en
-oprecht hebben zij aan mij gegeven de luchtige reinheid van hunne
-droomende lijnen, het statig rijzen van hun stijgenden wil, het
-hoog-deemoedige van hun roerlooze, vrome rust.
-
-Dichtbij, aan den rechter oever stonden zij steil-hoog, rood-goud in de
-donkerende lucht, en op hunne toppen brandden vlammende vuren, die de
-hemelen deden beven van rossigen weerschijn. Statig rezen de vlammen in
-die hooge regionen. [67]
-
-Maar aan den linkeroever was het wezen der bergen zachter, en droomden
-de vredige vormen liefelijk op in de schemering, met de teedere lijnen
-van hunne omtrekken bevende van gevoel in de ijle atmosfeer. De avond
-daalde met zacht-suizende schaduwen, en van uit de zee stegen fijne,
-aetherische nevelen, wolkend tegen de bergen, stil vergaand tegen het
-rood-goud, met groote innigheid. Alles begon te wuiven, te weifelen, te
-deinzen. Een sneeuwwit zeiltje lichtte ergens op in de verte, intens
-rein, en was weer weg, of het te ongelooflijk was, zóó wit-puur. Het
-landschap werd een eindelooze droom. De kleuren vervloeiden, goud
-gloeide langzaam weg in geel-wit, rood verschemerde in grijs, in de
-hooger rijzende nevelen, die wijd en wijd uitwaaiden hunne wuivende
-gewaden. Het zacht-melodieuze ruischgeluid der golven was
-zalig-vibreerende van gevoel. Overal was fluisteren, suizen, ruizelen,
-verdroomen, en dat alles in een absolute rust. De zee was een groote,
-groote ziel. En in een wijding van kuisch getemperd avondlicht daalde
-een immenze liefde van den Hemel neder.....
-
-Ik stond zwijgend op het dek. Wèl kende ik dien plechtigen tijd van
-bidstonde in de chineesche zeeën, als alles luidloos verglijdt in
-droomen, als de witte nevel puur en blank over het water gaat, en de
-innigste essence van de natuur éven klaar op durft schijnen in de
-eerwaardige schemering, vlak voor de oogen van de verwante
-menschenziel, die in haar wil vergaan. Ik huiverde. Want dit kan een
-mensch niet lang dragen, het wijd-strekkend uitspreiden van de ziel,
-het rekkend reiken om in eindelooze liefde het Al te omvatten. Dit is
-de alleruiterste spanning van het wereld-verlangen. En bevend ging ik
-naar beneden, in de kajuit.
-
-
-
-Hier was alles weer gewoon. Een deftige, gedekte tafel, met blinkend
-zilver en kristal. Roode rustbanken. Alles hôtel-achtig. Heel gewoon
-even een bittertje drinken en een courant lezen. En toen een uitstekend
-diner met een alleraangenaamst causeerenden kapitein. Het had nu niet
-heel veel meer van China. Alleen, op den achtergrond, een staand rek
-met geweren en revolvers, met het opschrift „loaded,” deed een beetje
-unheimisch aan. Er konden eens zeeroovers onder de
-tusschendekspassagiers zijn, wat wel eens gebeurd is.
-
-Na afloop van het diner ging de kapitein weer naar boven, op de brug.
-De kajuit was behagelijk warm, en hel verlicht met electrische
-gloeilampen. En nu dat speciaal oostersche genot te savoureeren, om na
-het diner een bizonder fijne Manila te rooken, half droomend op een
-zachte rustbank, onder het dreunen van de machine! Zoo veilig, zoo
-héélemaal-er-uit, zoo heerlijk ver van het gedoe en gescharrel thuis
-over kunst en literatuur, zoo geen kwestie meer van kibbelen en
-leuteren over dát is mooi en dat niet, zoo goddelijk in je ééntje in
-een heel vreemd land overal mooie dingen te gaan zien, met menschen in
-blauwe en gele zijden gewaden om je heen! Dingen van architectuur, van
-beeldhouwkunst, van schilderkunst, en oude, oude literatuur van groote
-wijzen, die nooit het woord artiest hebben gehoord! En dan dat
-in-gezellig egoïstische, er niets van behoeven te zeggen, maar héél
-alleen en vrij te zijn—het gaat hun allemaal niets aan—, er zoo
-schijnbaar onverschillig bij te blijven en een fijne sigaar op te
-steken, terwijl toch in de ziel van binnen alles in uiterst reinen
-staat in essence is bewaard! Later vertel je ’t dan wel eens, zoo bij
-gelegenheid. Er is niets geen haast bij, zoo met al die vredige bergen
-om je heen, en al dat groote van zee en horizonnen.
-
-Ik heb daar zoo heel lang op die bank liggen genieten, onder den
-exquizen geur van allerfijnste sigaren, van tijd tot tijd eens
-uitziende door een raampje, en dan overal omhoog sterren, sterren,
-sterren, en alom zachte bergen in weinig, vaag maanlicht, waar alles
-goed was en tevreden. En een bizonder reine schittering op heel zacht,
-egaal water. Zoo alsof alles zoo hoorde in die kalme rust, en zoo is
-het overal, en anders is er niets in de wereld. En o! zoo veilig, want
-zoo vér van alles, ongenaakbaar..... En toen ik daarna op mijn bed lag
-in mijn hut, was al het geziene van de avondschemering weer voor mijn
-ziel. Zij verdroomde in die vage zaligheid, als de bergen en de zee.
-En, ik wil het wel bekennen, dit is voor mij het allerhoogste genot
-geworden, het niet-uiten, maar het heel stille ondergaan, het
-onmerkbaar zweven tusschen bewustheid en vergeten, een zielestemming
-lucht en aetherisch, als in een avondlandschap, als de nevelen hunne
-wijde, vage gewaden spreiden over de slapende bergen en de zachte,
-vlakke zee.....
-
-
-
-’s Ochtends vroeg het ontwaken in helder daglicht, in een groot geluid
-van stemmen, hooge, schelle keelgeluiden van sjouwers en roeiers. De
-„Hankow” lag voor Canton, vlak aan de kade. Een nette kade, europeesch,
-met stemmige rijen boompjes, langs europeesche huizen, waartusschen een
-kerkje. Maar verderop de donkere chineesche stad, eenvormig laag, met
-hier en daar de sombere, vierkante torens der pandjeshuizen, of de
-sierlijke oprijzing van een slanke, smalle pagode, als een vreemde,
-hoog-ranke bloem met veel klokjes.
-
-Aan de andere zijde de wijde, breede rivier, vol sampans en andere
-schuiten, een aparte stad van bootjes op het water, vol wriemeling van
-menschen, en rumoer van schreeuwen. Links buigt zich een zijstroom
-landwaarts in, een enorme zilveren streep, schitterend vér door de
-vlakte, met hier en daar een groot gouden zeil glorieus in de zon.
-
-De rivier was luid levend van stemmen en beweging; het lawaai kwam op
-mij af als een wind. En nu, in den vroegen morgen, een licht blij zijn,
-een verlangen om óók hevig meê te doen, vooruit te gaan, óók te gebaren
-en te spreken. De nevelen van droom wuiven wèg van de ziel, die stil en
-zwijgend blijft van binnen; het gewone, krachtige leven trilt in het
-lichaam, gretig ademt de mond de frissche ochtendlucht, en de zintuigen
-trillen scherp, en voelen intens.
-
-Na een uitstekend ontbijt stapte ik aan wal, en bracht de beleefde
-„purser” van de boot mij naar hôtel Shameen. Een donker hôtel, quasi
-first class, met muffe kamers. Na eene kleine wandeling door de
-europeesche nederzettingen in Shameen (het europeesche gedeelte van
-Canton), bestaande uit eenvormige, saaie boulevards, stapte ik vóór het
-hôtel in een draagstoel, een nauw, vuil hokje van bamboe op
-bamboestokken, gedragen door drie smerige kerels. De gids van ’t hôtel,
-een poenerige, vereuropeeschte chinees, die slecht engelsch sprak,
-voorop.
-
-En toén de tocht door de chineesche stad Canton, een stad als alle
-andere in China die ik gezien heb, niet mooier, niet leelijker. De
-straten eng en smal en donker door de overneigende daken der huizen,
-die elkaar van weerszijden raken, en overal een benauwing van
-onbestemde, maar verdachte stanken. Wie er voor het eerst komt wordt er
-geslagen van walging, zoo sterk dat hij niet meer in staat is, het
-mooie overal te zien. Maar reeds kende ik dien schijn van benauwing en
-rotting, van vroeger, uit zooveel andere chineesche steden.
-
-En er is een zeer schoone ziel in die sombere donkere chineesche steden
-vol vuil en stanken. Zij liggen treurig en grauw, als de half-vergane
-ophooping van een verdoemd volk, en het lijkt er alles slijk en duister
-en slechtheid. Maar ik weet, onder al dat hideuze liggen schatten van
-schoonheid verborgen, en leeft een ziel van glans en schitterende
-kleur.
-
-Hier ging ik weer langs de winkels van zijde en goud, waar de rijkste
-couleuren ópfonkelen in het half-duister, waar de blinkende gouden
-draken glorieus uitgloeien op intens rood, waar aandachtig, als vroom
-geziene werklieden stil gebogen zitten over lappen blauwe, gele,
-groene, roode zijde, met teêre hand het goud en zilver bordurend tot
-precieuze bloemen en bizarre vogels, fijn en gevoelig als trokken zij
-etsen. Hier ook weêr de winkels van houtsnijders, en lakwerkers, en
-antiquairs, vol dingen van kunst en hooge industrie, als wel
-onbestaanbaar lijken in die omgeving van stof en modder. En waar het
-zonlicht niet door kan dringen vlamt het helle rood van lappen en
-neêrhangende tabletten, en schittert het goud van stijlvolle karakters.
-Beestachtige, gekromde koelies loopen als gevloekten onder zware
-lasten, met schelle kreten, maar hier en daar wuift statig het langzaam
-waaiende gewaad van een gegoeden chinees, die met voorname stappen van
-zijn geel zijden pantoffelschoenen over den beslijkten grond gaat, als
-liep hij over rozen. Zóó, door geschreeuw en gelach, door duisternis en
-stank, door ópschittering van sublieme kleuren, wuiving van hemelsblauw
-en lichtgroen en vurig paarsch, ging het in het bedompte, overhuifde
-stoeltje een klein uur lang door de nauwe straten, somtijds hooge
-trappen op en af, op de schommelende beweging der dragers, als op een
-deining van zee.
-
-Ik liet even ophouden vóór den winkel van een sjacheraar in
-antiquiteiten. De draagstoel met een schok neer, en voorzichtig uit het
-nauwe hokje gekropen. Een hoop volk nieuwsgierig achter mij aan. Een
-bejaarde chinees wachtte mij voor den drempel op, met diepe buiging, en
-groet van op de borst saâmgebrachte handen. Even zag ik in spanning
-door den winkel, met de mij eigen geworden flair van verzamelaar, en
-wist toen al direct, wat ik ook verwachtte, dat de antiquiteiten hier
-evenzooveel noviteiten waren. En weêr als zooveel keeren stond ik in
-bewondering voor de kostbare gebaren van den beleefden chinees, en voor
-den sereenen ernst op zijn gezicht, toen hij mij het met zware eeden
-voorzette, dat deze—piksplinternieuwe—Kangsai vaas een antiquiteit was
-uit de Handynastie, van fabelachtige waarde, dat dit blinkend
-geschuurde koperen wierookvaatje een schat was uit de dynastie der
-Soeng, en dat dit gewone theekopje, waarvan hij de éénig bestaande vier
-exemplaren bezit, [68] afkomstig was uit het paleis te Peking. Want het
-is eigenlijk niet om boos te worden, het is eerder om voor te knielen,
-die sublieme gave van fantazie, die de chinees bezit, en ik was
-volkomen zeker, dat de antiquair op dat moment zelf geloofde wat hij
-zeide, zoo liefdevol zagen zijne oogen door een enormen bril al die
-dingen aan, en zoo teêr en gevoelig ging zijn magere, lang-genagelde
-hand er streelend over. O! die heerlijke gave om de emotie van iets in
-waarheid te kunnen doorvoelen en te gebaren door de enkele fantazie er
-van, hoe zalig moet een leven daarmede zijn, wat een immens geluk moet
-zoo’n chinees zich daar altijd meê kunnen geven!
-
-En dan, al is alles nieuw, hoe mooi zijn al die dingen hier, hoeveel
-voornamer dan bijna alles in een galanteriewinkel in Holland! Die
-wierookbakjes met hun teêre pootjes, die simpele speksteentjes met die
-kleine, maar grandioze lijntjes, die gracieuze poppetjes met die
-gevoelige gebaartjes, die glanzende witte vazen als blanke bloemkelken!
-En nu dat fijne Kwan Yin beeldje, dat de sjacheraar mij voorhoudt, wat
-is dat weêr een keurig figuurtje, hoe mooi is het opgerezen uit die
-fraai gestyleerde lotusbloem, hoe lucht en rein wuift het lichte
-gewaadje in zachte plooien er om heen, hoe subliem is het gebaartje,
-waarmee twee vingertjes der linkerhand prediking wijzen! En ik kocht
-het elegante poppetje, dat hoogstens vijf en twintig cents waard was,
-voor drie dollars, omdat ik wist dat ik, in Canton onbekend zijnde,
-voor een globetrotter werd aangezien, en het dus toch niet voor minder
-zou krijgen. En nóg zie ik het verslagen gezicht vóór mij van den
-chinees, die jammert, dat hij er zoo’n schade bij heeft, en op die
-manier zijn zaak op de flesch zal gaan. Die fantazie, dat
-representatie-vermogen, die kostelijke mimiek in dit land, waar elk
-wezen een volleerd, eminent tooneelspeler is, een land van opperste
-kunstenaars! Is China misschien niet één immens tooneel?....
-
-En nu weer verder, door slijk, modder en drek, langs smerige,
-fielterige gezichten, door getier en gevloek, half ziek van den
-walgelijken stank overal, en in beraad om in Godsnaam maar liever terug
-te keeren....
-
-Tot dat men mij weer neêrzet voor een tempel. De tempel der vijfhonderd
-Ló-Han’s. [69]
-
-Eerst een paar poorten door, waar menschenmassa’s krioelen om
-stalletjes van vruchten en stinkende eetwaren, en dán een labyrinth van
-lange, rechte alleeën.
-
-Het was er vol blauwigen wierookdamp, en in dien zachten schijn blonk
-overal donkerrood van oud goud. Aan weerszijden in lange, lange rijen
-zaten op steenen terrassen, dicht naast elkaar, kolossale gouden
-beelden, en de gangen openden zich rechts en links tot andere, overal
-uniforme alleeën, waarin de roerlooze, plechtige samenkomst van
-mysterieuze, heilige wezens. Voor elk der vijfhonderd beelden stond een
-groot wierookvat en een kandelaar; wierook brandde in de vaten, en zóo
-droomde overal een blauwe damp op, waarin het goud lichtte van een
-vreemden, mystieken glans. Op elk kruispunt van gangen stond een
-pagode, in den vorm van een lotusterras, waarin een oud, zwart
-boeddhabeeld aan elk der vier zijden statig nederziet op de eerwaardige
-vergadering van wijzen daar beneden. Op de hoeken bloeiden slanke
-porseleinen vazen, als bloemkelken.
-
-Vijfhonderd expressieve gezichten van hooge wijsheid, devoot biddend in
-roerlooze rust, of verdroomd in zalige meditatie, vér van de dingen der
-wereld, of enkelen verschrikkelijk stormend, in woedenden haat tegen de
-doodsvijanden, de passies, met afschuwelijk verwrongen trekken!
-
-Het was er plechtig, van een sombere, gewijde stilte. Dat kwam
-plotseling uit de benauwing en het leven van zooeven als een wijding
-van droom.
-
-O, die eindeloos kalme, gouden wijzen, hoe ontzaglijk zaten zij, in een
-sfeer van vreemde zaligheid, hoe passieloos was veler gelaat, hoe
-wonder was die roodgulden glans, lichtend in die hooge, koude stilte!
-
-Naast mij, bóven, waar ik laag onder stond, zag een mat-gouden Ló-Han
-vreemd-lachend mij aan, zooals ik nooit weêr zal vergeten, met een
-lach, die over andere dingen in andere werelden gaat, en met een
-subliem gebaar wees hij op zijn open-gegane borst, waar een heel klein,
-schitterend beeldje zat, de voetjes op een lotus gevouwen, de oogen
-starende op de punten van twee opgestoken vingers, verloren in immenze
-zaligheid; zoo wees hij mij met een wonderen lach op zijn bevrijde,
-pure ziel van binnen!
-
-Voor en achter, links en rechts, overal liepen de alleeën door, en in
-alle richtingen, zoover ik zien kon waar ik stond, waren de statige
-wijzen, in onbeweeglijke rijen, peinzende donkergoud in een droom van
-zachtwolkend blauw.
-
-En het was als een stuk uit een oude Soetra:
-
-„Alzoo hebbe ik gehoord: Toen der tijde woonde de Gezegende (Boeddha)
-in Srâvastî, in de allee van Geta, in den tuin van Anathapindika, te
-zamen met een gezelschap van Boeddha’s, dertienhonderd, met ouderen,
-groote discipelen en Arhats, zooals Sáriputra, Mahamaudgalyama,
-Mahakasyapa, Mahakapphina, Suddhipanthaka, Nanda, Ananda, Râhula,
-Bharadvâga en Arismuddha. Hij woonde te zamen met dezen en vele andere
-groote discipelen en vele nobele Boddhissatva’s, als Mangrusî, den
-prins, en alle anderen.
-
-„En hij woonde te zamen met Sakra, den Indra, den koning der Dewa’s en
-met den Brahmaan Sahârupati. Met dezen, en vele anderen,
-honderdduizenden Naguta’s [70] van godenkinderen, woonde Bhagavat in
-Srâvastî. [71]....”
-
-En deze tempel was als een gezicht in heel oude, vervlogen tijden, toen
-de sereene Shakyamuni zijne onsterfelijke predikingen zeide, met
-duizenden vrome discipelen in roerlooze rijen devoot om hem heen. Hoe
-groot, hoe gelukkig, zoo pas uit al die menschen; de menschen leken nu
-als vér uit een nachtmerrie, krioelende wezentjes; wat veilig, hier zoo
-vér van allen, in die koude laan met gouden goden!
-
-„O-Bi-Tô,” zeide een schelle keelstem.
-
-Een smerig, gluiperig kereltje, miserabel in een vuil grijs
-lompenkleed. Een puntig dievensnoet, vér, vér van beneden.
-
-Ik wist wat hij hebben moest, en gaf hem een „kah” [72].
-
-Gretig greep de vieze hand mijn geldstuk.
-
-„Gegroet, vrome Bikshu,” zeide ik, met een sneer, dien hij voelen
-moest.
-
-Maar onverstoorbaar kalm, zijn vuile snuit in een plooi van
-Nirvâna’sche rust, antwoordde hij weder:
-
-„O-Bi-Tô”, „O-Bi-Tô”..... [73]
-
-Amitâbha, de Dhyâni Boeddha, de in-zich-zelf bestaande, vóór de
-formatie der wereld, Amitâbha, de „abstracte Wijsheid”!
-
-En ik voelde een grooten angst, nu deze havelooze schooier dien
-subliemen naam op de lippen had, zooals ik zelf wel van véél sublieme
-dingen spreek, ik, die mijzelf van binnen nauwelijks durf zien, in de
-duistere afgronden der onbewustheden. Is daarom China mij zoo
-sympathiek, of liever, zoo vreemd verwant, omdat het een symbool is van
-een menschenziel? Omdat er van uit het sombere en droeve van duistere
-onbewustheden de hoogste wijsheid wordt gezongen, en in de gure,
-donkere wijken een roerloos, statig Boeddhabeeld de handen biddend op
-de borst vouwt, in allerdiepste contemplatie?
-
-Angstig peinzend ging het weer door de sombere straten, en ik wist niet
-eens meer wat ik zoeken kwam, ik, droomende zwerver, ver van de dingen
-van mijn land.
-
-Het liefs van zonnige duinen was nu zoo lang reeds weg, en de weiden
-met gouden koeien, en de weggetjes waar een wagen met paard aankomt in
-de verte. Het is hier alles somber en tragisch, alles roept hier van
-den dood, en mijn grootste geluk was hier immers altijd doodstil liggen
-aan de zee, met vage nevelen op het water, en overal stervende lijnen
-en wijkende horizonnen.....
-
-Tot een plof mij weer wakker schrok. Ik was voor den tempel van den
-stervenden Boeddha. [74]
-
-Een met onkruid begroeid voorhof over; dán, langs twee pagodevormige
-wierookbranders, de voordeur van den lagen, breeden tempel binnen. Het
-is niet in een statige, groote zaal, in pracht van architectuur en
-kleuren, dat het beeld hier ligt. Een paar gangen door, een trap op, en
-ik kwam in een kleine, vierkante kamer, in donker, droef licht. Hier
-stond een armoedig chineesch bed met vuile, groene gordijnen. Ik sloeg
-ze terug en hing ze over de stijlen. En ik zag een levensgroot, gouden
-boeddhabeeld dat—o, wondere chineesche naïeveteit!—met een deken bedekt
-was, voor de koude. Ook de deken trok ik weg. Géén beeld van heel fijne
-afwerking als de oude porseleinen,—een dik, bijna grof gezicht, met
-grooten neus, en lompe, vette oorlobben. Het haar in krullige
-vlamknoppen, donkerblauw. Dikke, logge lijnen had het lijf, als dat van
-een vleezigen, massalen werkman, die één brute kracht is. Maar toch zág
-ik het en was het duidelijk, ik zag het, en zal het niet licht
-vergeten.....
-
-„Zóó moet het zijn,” dacht ik, „zóó is het grandioze, zachte, teedere
-einde.....”
-
-Want de gouden boeddha lag met het hoofd zóó rustigjes op een luchtig
-gebogen arm.... o! hoe rustig en zalig en in sereene kalmte,—de beenen
-zóó zachtkens gevleid over elkaar, en over het slapende gezicht lag
-zulk een wijding van eindeloozen vrede, dat ik dadelijk voelde, hoe
-hier een ziel verzweefde, en dit lichaam verheerlijkte met den glans
-van haren schaduw.
-
-Zacht, zacht lag daar de boeddha vóór mij, hoe zalig was hij daar
-gelegen; ja, nu wist ik het—hoe heerlijk dit te weten!—dit was geen
-lijden, geen bange dood, dit was enkel het lucht-droomend verglijden
-van een bevrijde ziel.....
-
-In een donkere, vuile kamer was het, in sombergeel, treurend licht,
-ergens op een verdieping van een armoedigen tempel, in de duistere stad
-van modder en immondices, waar ik zooeven nog walgde.
-
-Toen ben ik haastig weggegaan, na eerst de deken zelf weer over het
-gouden lijf te hebben geslagen, en de groene gordijnen dichtgedaan. Dit
-is niet iets om veel van te zeggen, om lang naar te zien. Maar iets om
-heel stil te bewaren van binnen, om voorzichtig mede te dragen door het
-leven, en niet meer van te spreken.....
-
-En weêr ging het, een uur lang, door de donkere stad, en in mijn
-moeheid zag ik niets meer dan vage schaduwen. Alleen nog even héél
-helder, op een breede, open plek, op zij gezien, een blanke pagoda, een
-blanke bloem, rank oprijzend, hoog boven de lage, schuitvormige daken,
-met zeven gestyleerde terrassen boven rijen zeskantige bladen, en
-gekroond door een spits van in den wind zacht klingelende klokjes. Een
-wondere bloem van steen en porcelein, opbloeiend uit het vuilbruine der
-huizenmassa’s.....
-
-Toen heb ik getiffind, in een koude, leege zaal, en later in een
-donkere hôtelkamer gezeten, met vreemde stadsgeruchten roezemoezend in
-de verte, en angstig gillen van stoomfluiten, dicht bij op de rivier.
-Moe van warmte, lam van benauwdheid als ik was, viel ik in een zwaren
-slaap, donker en leeg, een groote zwarte onbewustheid, als een
-afgrond.....
-
-
-
-Na het diner, ’s avonds, werd ik door een jong engelsch student van de
-„consular service”, met wien ik aan één tafeltje had gezeten,
-geïnviteerd om de „flower-boats” op de Cantonrivier te gaan zien, een
-chineesche, drijvende buurt van „haut plaisir”. Daar hij
-Canton-chineesch sprak, een dialect waarvan ik maar heel weinig machtig
-ben, nam ik die invitatie met graagte aan.
-
-En nu ging het in een sampan, onder een rieten dakje gezeten, over een
-breede, donkere rivier. Voorbij de stad was het alles donker, en van
-een vreemde melancholie, die ik nergens anders voelde dan op chineesche
-rivieren. Een zacht drijven met korte stootjes, onder het droevig
-gepiep van riemen in de haken, en van buiten niets te zien dan donker
-water alom. Tot opeens in de verte een rumoer klonk van stemmen en
-gezang. En wij kwamen bij een groote, opeengehoopte massa, die ik eerst
-voor een stad hield, maar die uit honderden naast elkaar vastgemeerde
-booten bestond. [75] Bamboebruggen op palen vormen wegen tusschen de
-rijen schuiten, die allen stil liggen.
-
-Met veel moeite liepen wij op die ruwe wegen voort. De eerste schuiten
-die wij voorbijgingen waren klein en slecht verlicht, en ik zag vrouwen
-in zwarte jakken met een sigaret in den mond. Maar verder blonk veel
-licht, en nu kwamen wij bij wonderlijke huizen—want op booten lijken
-zij niet in het duister—met fijn houtsnijwerk van bloemen en vogels. De
-deuren open, en binnen alles hel verlicht, veel menschen in kleurige
-gewaden, en vreemde vrouwenfiguren in schitterende zij. In een der
-laatsten gingen wij binnen. Een aanzienlijke Chinees, de secretaris van
-den onderkoning van Canton, gaf daar een feest. De boot leek wel een
-langwerpige, smalle, lichte doos met menschen. De eerste indruk was
-rood en goud. Langs de muren veel spiegels in vergulde lijsten, en veel
-roode tabletten met gouden karakters. Overal europeesche kronen en
-lustres, met veel glazen breloques. Overal schitterde en fonkelde
-kristal en licht.
-
-Langs de wanden, als in chineesche ontvangzalen, stoeltjes van
-zwartbruin hout, rijk ingelegd met parelmoer, en rijk besneden. Naast
-elken stoel een laag tafeltje, voor de thee. In het midden een fijn
-geornamenteerde tafel op drakenpooten, waarop allerlei porseleinen
-schalen met lekkernijen, en waarom rijkgekleede chineezen met wondere,
-frêle wezentjes—bloemen? feeën?—van lichte, tintelende couleur, met
-vreemde droomgezichten, nog niet gezien.
-
-Mijn beleefde nieuwe kennis stelde mij voor aan een immenzen, loggen
-chinees, met enormen, vooruitstekenden buik en vuurrood gezicht, een
-vette, lompachtige vleeschklomp. Ik boog zoowat en mompelde iets van
-het weinige mandarijn dialect dat ik kende—en dat een hooggeplaatst
-chinees door het geheele rijk verstaan moet. Maar ik heb niet gehoord
-wat hij toen zeide, want ik keek naar die vreemde, ongeloofelijke
-wezentjes om de tafel. Ze waren allen zoo klein en broos in de
-fonkelende roze en hemelsblauwe gewaden met teêre bloemen en vogels
-daarover geborduurd, roze omzoomd met blauw, en rood met goud, en
-helgroen met fel geel, alles schitterend en tintelend in ’t intenze
-licht, wijde korte gewaden over wijde broeken, met vage, vermoede
-vormen er héél even doorkomend. En dan die gezichten, allen zoo
-poederwit en bloemenrood, en die opgaande wenkbrauwbogen en die kleine
-zwarte amandeloogen die niet schijnen te zien wat er om hen heen is,
-maar enkel vage, verre mysterieën! De slanke droomwezentjes van
-porseleinen vazen en van zijden waaiers en schermen en bizarre
-teekeningen. En alles even sterk uitkomend van kleur, als geschilderd
-op rijstpapier, zóó intens, kleuren alleen in China te zien. Er stond
-er een op, met veel geruisch en kletteren van jaspis-sieraden, en nu
-zweefde het kleurig schepseltje naar ons toe, als op het rythmusje van
-een heel langzame droommuziek. De zijden miniatuurschoentjes van een
-héél klein kindje raken maar even den grond, en het toch zoo lichte
-lichaampje, te zwaar voor die babyvoetjes, helt links en rechts telkens
-over, en wiegt in het wankelend evenwicht, met telkens uitstrekken van
-een wijde mouw, als een vlag van een équilibriste. Dit kleine, zijden
-figuurtje, als uit een droom gekomen, dit heel teêre, frêle wezentje
-komt bij den kolossalen chinees staan, als zijn kindje ver beneden zijn
-schouder reikend, en wil den vleezigen reus, die haar Lief is, weer
-meêtrekken naar de tafel, om te eten.
-
-Maar hij zeide haar iets, wat ik niet verstond, waarop zij ons met haar
-zwarte oogjes aankeek, eerst half-bang, toen verwonderd, toen guitig,
-en opeens in een schel gelach uitschaterde.
-
-De dikke chinees scheen een héél goed vriend van mijn kennis te wezen,
-wat deze mij dan ook verzekerd had, want ineens vroeg hij mij wat in
-gebroken, maar toch verstaanbaar engelsch:
-
-„Please sit down there, with my friends. Do you like a mistress?”
-
-En daarna een bulderend gelach. Nu zag ik pas dat hij een beetje
-dronken was.
-
-„Hoe zou ik durven? Hoe zou ik durven?” riep ik, dezen keer voor de
-eerste maal dit in China gebruikelijk antwoord eens heuschelijk
-meenend.
-
-Want die zijden, kleurige schepseltjes daar zijn geen vrouwen, dacht
-ik. Het zijn geschilderde, met zijde omhangen automaatjes, ze zijn
-broos als vlinders, de kleur zit er in fijn poeder op, ze geven stellig
-af als je er aankomt. Hoe dit ooit aan te roeren—zou er geen
-griezelige, bleeke plek óverblijven als bij een kapel,—zou die mooie
-kleur er niet afgaan? En dan al die heerlijke, zachte zijde, zou het
-niet kreuken, zou het niet scheuren en vlekken, en dan die curieuze,
-porseleinen gezichtjes, me dunkt ze zouden breken en in scherven vallen
-als de poppetjes op zoo’n waaier, als je er even aan stoot!
-
-Wat een vreemd festijn, die logge, groote kerels, meestal met dikke
-buiken en opgezette tronies, die daar vreemde vruchten eten en uit
-miniatuurkopjes thee en wijn drinken met porseleinen poppen, die
-dadelijk breken!
-
-Wij werden opgenomen in den kring. Naast mij zat een figuurtje in roode
-zij, met sterk riekende bloemen in ’t haar, en een smallen band van
-blauwe ijsvogelveeren, bezet met groote paarlen, over een smal,
-wit-gepoederd voorhoofd. Zij zat mij aan te kijken alsof ik een vreemd,
-zwart monster was in mijn europeesche jasje, en begon telkens met
-andere zulke vrouwtjes uitbundig te lachen over zóó iets ongerijmds.
-Onze gastheer liet de muziekinstrumenten komen, en het wezentje naast
-mij begon met haar kleine, roodporseleinen vingertjes in iets als een
-guitare te tokkelen. Vreemde, maar heel zangerige wijsjes, en een
-vreemde stem er tusschen, zingend in heel hooge noten ongehoorde
-faussetten.
-
-Het ging er alles heel netjes toe. Niets van de ruwe grofheid als op
-europeesche bacchanalen, al was het nog een ietsje anders dan in een
-europeesche salon. Deze vlinderachtige dametjes zijn dan ook de meest
-ontwikkelde van China, en onderwezen in literatuur en muziek.
-
-De booten—ik spreek hier enkel van de besten, niet van de
-kleineren—zijn geen publieke lokalen, maar worden door een of meer
-rijke chineezen afgehuurd, en de feestvierenden zijn allen gasten.
-Behalve een toiletkamertje zijn er geen andere vertrekken dan de
-feestzaal. Na het festijn gaan allen naar huis.
-
-Mijn nieuwe vriend was in druk gesprek met de Chineezen, maar ik zeide
-niet veel, en zat, een geurig kopje „siaochoeng” thee savoureerend, de
-porseleinen vrouwtjes aan te staren, die ik nog nooit zoo gezien had.
-Ik kende alleen van Cantonvrouwen de korte, dikke „girls”, die overal
-in China, in de Straits en in Indië zijn te vinden, gekleed in de
-glimmende, zwart bombazijnen jakken. Maar déze waren de echte
-chineesche feeën uit de oude sprookjes en legenden, die op feniksen en
-reigers door de lucht zweven, of voorbijdrijven op wolken, als Ho Sien
-Kou, het wondere, lichte wezen, dat nooit at, en in het volle daglicht
-eindelijk ten hemel voer, als te lucht en te broos voor deze aarde. Ik
-trachtte te vergeefs mij voor te stellen, dat die gekleurde, teere
-poppen courtisanes waren, zoo vaag en vreemd bewogen ze, zoo klein en
-tenger leken ze, zoo curieus automatisch waren hun gebaartjes, als
-werden ze onzichtbaar door touwtjes bewogen. Toen de dikke secretaris
-zijn zware hand op de fijne, zijden schoudertjes van zijn meisje legde,
-had ik een gevoel alsof ik een porseleinen voorwerp zag breken. Maar ze
-weerde hem af met een keurige wending van haar zijden waaier, en lachte
-met een hoog geluid, te hoog fausset om natuurlijk te zijn, maar dat
-bizonder mooi wordt gevonden in een chineesche vrouw.—Hoe’n vreemd
-gevoel was het, toen later zoo’n wezentje achter elk der gasten kwam te
-staan, zooals gebruikelijk is, om wijn te schenken! Telkens als het
-gepoederde, roode handje bij mijn kopje kwam, en een zijden wijde mouw
-even ruizelend mijn jas effleureerde, week ik onwillekeurig terug, en
-keek bezorgd of er niets was afgegeven, en geen roode of witte vlek was
-gekomen op het zwarte laken.....
-
-Het was laat toen wij, na vele strijkages en buigingen, afscheid namen
-van de overbeleefde chineezen en hun raadselachtige schoonen. En toen
-ik weer in de donkere sampan zat en over de doodstille, duistere rivier
-gleed, had ik moeite te gelooven, dat ik de schitterende, kleurige
-poppetjes van de oude vazen en rijstpapieren plaatjes werkelijk levend
-had gezien, en dat alles misschien niet enkel een vertooning maar
-geweest was op dat immenze tooneel, dat China is.
-
-De stad, toen wij naderden, lag donker en somber, met hier en daar een
-schaarsch lichtje, een groote opeenhooping van zwarte vormen, onder de
-duistere droefheid, die over alle chineesche steden ligt, als een
-vloek. Het gezicht op zoo’n ontzaglijke groote stad, doodstil onder den
-zwarten nacht, vanuit de wijde, duistere rivier, is beangstigend met
-een vreemde beklemming.
-
-De schitterend roode en blauwe lichtfiguurtjes weken weg voor mijn
-denken, en opeens dacht ik om de vijfhonderd gouden wijzen, statig
-gezeten in den damp van blauwen wierook en om den heiligen, zaligen
-Boeddha, die daar lag te sterven in het donkere kamertje, achter
-armoedige, groene gordijntjes, dáár ergens in die zwartgrijze massa,
-zoo somber en dreigend voor mij, de mysterieuze, fabelachtige stad van
-wonderen, die Canton heet....
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Blz.
- Kwan Yin. De Godin der genade. Over Chineesch
- boeddhisme en Chineesche kunst 1
- Een Bruid 73
- De Chineesche Hel 85
- Een Begrafenis 152
- Uit Canton. Een reisimpressie 160
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] 14 Maart 1896. Letterkundige Opstellen. IX.
-
-[2] De „i” in Yin lang uit te spreken, de „a” in Kwan kort.
-
-[3] Deze was geboren uit het hoofd van den Dhyâna boeddha Amitâbha, in
-China de allerhoogst erkende boeddha, genaamd O-Bi-Tô.
-
-[4] Ook deze werd voorgesteld als zittende op een berg, nederziende
-naar de wereld.
-
-[5] De roomsch-katholieke zendelingen zagen in haar een spel van den
-Satan, die de Mariafiguur wilde namaken.
-
-[6] Meisjes worden dan ook slechts bij uitzondering in China onderwezen
-in andere vakken dan vrouwelijke handwerken, decoreeren, huishouden
-enz. en kunnen lezen noch schrijven.
-
-[7] Wat men „taoïsme” noemt heeft niets te maken met de oorspronkelijke
-leer over Tao van Lao Tsz’. Dwaze discipelen, die Lao Tsz’s boek niet
-begrepen, haalden er allerlei absurde dingen uit, gingen den steen der
-wijzen zoeken enz. en creëerden later een geheel pantheon van goden.
-Geheel ten onrechte wordt dan ook van „taoïsme” gesproken.
-
-[8] Het boekje, dat voorgesteld wordt door Kwan Yin zelf gemaakt te
-zijn, is geen echte soetra, en is geschreven gedeeltelijk in proza en
-gedeeltelijk in verzen. Het is getiteld; „Oorspronkelijke, echte soetra
-van het overvoeren (naar Nirvana) van Kwan Yin” en is veel beter
-geschreven en van veel ernstiger karakter dan de „Volledige traditieën
-omtrent de Kwan Yin der zuidelijke zeeën”, waaruit andere schrijvers
-wel eens hebben geput.
-
-[9] De Chow dynastie bloeide vanaf 1122 v. C. en verviel vanaf
-1079 v. C.
-
-[10] Confucianisme, taoïsme en boeddhisme.
-
-[11] Zooals bekend is gelooven de boeddhisten aan tallooze incarnaties
-door transmigratie, en, zooals ik verder in dit stuk nader zal
-beschrijven, wordt door omwenteling van een wiel de ziel telkens weer
-in het leven gewenteld.
-
-[12] Eene niet-boeddhistische godheid, vermoedelijk van oud-chineeschen
-oorsprong, die in allerlei legenden en taoïstische verhalen een groote
-rol speelt.
-
-[13] Hiermede wordt bedoeld de „Sing” waarvan Confucius spreekt, „dat
-wat de hemel als natuur verleend heeft.” (Zie „Chung Yung”.) Deze
-„Sing” is het essentieel reine van den hemel in den mensch, en haar
-rein te houden is het geheim van een goed leven. Alle zonde komt door
-verduistering van de „Sing.”
-
-[14] Boeddha, Dharma, Sangha, d.i. Boeddha, de Wet, en de
-Priesterschap.
-
-[15] „Het schip der liefde.” Andere naam voor Kwan Yin. Met „schip” is
-bedoeld het vaartuig, dat de zielen over de zee des levens voert naar
-Nirvana.
-
-[16] „De zee der bitterheden,” „het roode stof” enz. is het leven.
-
-[17] Jên Teng (sanskriet Dipankara) is een oude boeddha, die al vóór
-Shakyamuni’s incarnatie als Siddharta dezen onder zijne discipelen
-telde.
-
-[18] Volgens prof. de Groot een land ten Z. van Siam en ten O. van
-Indië.
-
-[19] Miao Yin = het Schoone Geluid, Miao Yuen = het Schoone Begin.
-Tsjoang is de Schoone, Versierde.
-
-[20] Er zijn vijf planten, die als onrein worden beschouwd, (o. a.
-uien) als zijnde wedergeboorte als plant van een hond.
-
-[21] Op dien gelukkigen dag werd in oude tijden een trap gereed gemaakt
-en met bloemen versierd. De prinses stond op de trap met een zijden bal
-in de hand, die zij neerwierp. Wie de bal opving werd haar echtgenoot.
-
-[22] De eerste is de gehoorzaamheid aan den vader (ongehuwd zijnde), de
-tweede die aan den man (gehuwd zijnde), de derde die aan den oudsten
-zoon (weduwe zijnde).
-
-[23] Goed gedrag, gepaste woorden, nederigheid, gepaste bezigheden.
-
-[24] Het hoofdprincipe van Confucius’ leer. Die van vader tot zoon en
-omgekeerd, vorst tot onderdaan, echtgenoot tot echtgenoot, oudere
-broeder tot jongere en omgekeerd, vriend tot vriend, zijn de vijf
-betrekkingen.—Deze leer heeft geruimen tijd het boeddhisme in den weg
-gestaan dat niet familieleven maar ascetisme voor het hoogste leven
-hield.—
-
-[25] Dat hare ouders koning en koningin waren was de belooning voor in
-vroegere levens gedane goede daden.
-
-[26] „Yama,” de koning der hel.
-
-[27] Naam voor eene prinses.
-
-[28] Dit zijn dezelfde (in Amoy Kim Tong en Giok Lu genoemd) die in
-mijn stuk over het chineesche tooneel voorkomen (Zie Wijsheid en
-Schoonheid uit China).
-
-[29] Deze bijl, oorspronkelijk de scepter van Indra (vadjrna), wordt nu
-nog door de priesters gedragen bij ceremonieën, en is een symbool van
-de macht van Boeddha, die door wijsheid (pradjna) onoverwinlijk is.
-
-[30] Cypres en pijnboom zijn symbolen van onsterfelijkheid.
-
-[31] Wierook-Berg.
-
-[32] Eene dergelijke legende wordt van Shakyamuni verhaald.
-
-[33] „Love here pronounces itself lord of Fate,” zegt Samuel Johnson
-hiervan terecht. (Oriental Religions. India.)
-
-[34] Ook Avalokiteshvara zwoer: „zich te manifesteeren in elk schepsel
-in het heelal; alle menschen van de gevolgen der zonde te bevrijden, en
-nooit het boeddhaschap te bereiken tot allen zijn geboren in de eeuwige
-rust en vervulling hebben gekregen van hunne gebeden.” (Beal. Catena of
-Buddhist Scripture.)
-
-[35] Correspondeerende met den berg Potala, waar Avalokiteshvara
-woonde.
-
-[36] „Fung Shui” zou men de wetenschap van de astronomische en
-religieuze ligging eener plaats kunnen noemen. Uitweiding zou hier te
-ver voeren.
-
-[37] Er zijn vier zulke Zee-Draken-Koningen, Hai Lung Wang, in de
-noordelijke, westelijke, zuidelijke en oostelijke zee elk één. Zij
-worden door de Chineezen zeer in eere gehouden en krijgen offeranden in
-zee geworpen.
-
-[38] Dit is niet in het boek vermeld. Maar de vegetariërs hebben er
-eene geheele mystieke filosofie op gebaseerd, en verklaren de geheele
-kunst van de bevrijding der ziel door overwinning der hartstochten, uit
-dit boek. Er bestaan geheele boeken van vegetariërs over de z.g.
-ziele-verreining, waarin alle in de See Yiü voorkomende personen als
-gedeelten van het menschelijk lichaam worden voorgesteld.
-
-[39] Men zij niet te veel verwonderd, dat deze verklaring van Shen
-Ts’ai en Lung Nü zoo geheel en al verschilt met die, welke Prof. de
-Groot ervan geeft in zijn „Jaarlijksche feesten en gebruiken der
-Emoy-chineezen” (1e deel bl. 155 v.v.), en die hij vermoedelijk uit
-tooneelvoorstellingen heeft geput. Ik heb mij gehouden aan mijne editie
-van See Yiü, maar teeken er bij aan, dat vele edities daarvan
-aanmerkelijk verschillen.
-
-[40] 1023–1063 n. C.
-
-[41] Als dit echt is, is het uit de 15e eeuw, de regeering van Süan
-Tsung (1426–1435) der Ming-dynastie. Het merk Süan Teh, dat de Goncourt
-(Cabinet de l’extrême Oriënt) zoo dikwijls aanhaalt, is echter geen
-bewijs van echtheid, daar het op moderne vazen en vaten ook staat.
-
-[42] Dikwijls ziet men dan ook op platen of in tempelbeelden de ziel
-afgebeeld in het lichaam van een beeld, als een klein boeddhaatje,
-zittende in meditatie. Ook zag ik dit bij oude duitsche primitieven,
-maar dan de ziel in den vorm van een engel.
-
-[43] Hierover later, bij de beschrijving der porseleinen.
-
-[44] „Kachâya” (sanskriet).
-
-[45] Zie de afbeelding tegenover den titel.
-
-[46] Vóór een beeld gaaf uit het verhittingsproces komt, zijn meestal
-eerst eenige exemplaren gesprongen, waarna telkens weer van voren af
-aan moest begonnen worden.
-
-[47] Gelukkig zijn juist de gewone armen over, die zij op andere
-beelden heeft, zoodat het schijnt, of er niets aan ontbreekt.
-
-[48] Voor een chinees heeft een „puh ts’ üen,” dat is defect, stuk heel
-veel van zijn waarde verloren, al is het maar één klein barstje. Groot
-was de verwondering van een antiquair wien ik vertelde, dat de Venus
-van Milo een beeld is, dat niet voor goud te koop is, maar geen armen
-meer heeft!
-
-[49] Peh Ting porselein is zoo kostbaar in China, dat zelfs scherven
-van gebroken dingen duur worden betaald. Men denkt namelijk, dat het
-tot poeder gemalen, een geneesmiddel is voor ooglijders, en verhaalt
-van dit poeder, dat het blinden het licht kan teruggeven.
-
-[50] Het is in China gebruikelijk om gedurende de huwelijksdagen de
-bruid aan belangstellenden te laten zien (kh’oà sin nioê). Deze staat
-dan rechtop in de bruidskamer, in groot gala.
-
-[51] Zooveel als: „Ik feliciteer u!”
-
-[52] Zie het eerste stuk in dezen bundel: „Kwan Yin”.
-
-[53] De chineezen schrijven n.l. niet met een pen, maar met een
-penseel.
-
-[54] Yen Lo (Sanskriet: Yama) of Yen Kiün is eigenlijk de algemeene
-naam voor alle hellekoningen.
-
-[55] De chineezen dachten dat visschen uit water geboren worden.
-
-[56] De lezer zal opgemerkt hebben, dat de chineesche verteller hier
-een beetje in de war is, want waar blijven nu de insecten „uit
-gedaanteverwisseling geboren”?
-
-[57] Zie voor détails Prof. de Groot’s „Jaarlijksche feesten en
-gebruiken der Emoy-chineezen”, 2e deel, van af blz. 333.
-
-[58] In Indië heet dit feest „reboetan-feest”, omdat sommige der tafels
-later door de armen mogen geplunderd worden. In Tandjong Pinang (Riouw)
-kan men b.v. dit feest goed bijwonen. Het wordt daar op tamelijk groote
-schaal aangericht.
-
-[59] Deze Rivier-Draken-Koning heeft de stroomen en rivieren, met al
-hunne bevolking van visschen enz. tot zijn gebied, en veroorzaakt, op
-last van den Hemel, de regens.
-
-[60] Literator van den eersten graad, ongeveer „bachelor of arts”.
-
-[61] De chineezen hebben twaalf uren in een etmaal. Het uur Ch’an
-correspondeert met ons 7–9 ’s m., het uur Sz’ met ons 9–11 ’s m., het
-uur Wu met ons 11–1 ’s nam., en het uur Wei met ons 1–3 ’s nam.
-
-[62] Van 3–5 ’s nam.
-
-[63] T’ai Tsung was toen nog koning, maar later werd hij keizer, de
-tweede keizer der Thang-dynastie die regeerde van 618–913 n. C.—T’ai
-Tsung regeerde van 627–649 n. C.
-
-[64] Men bedenke hierbij, dat een keizer (later werd T’ai Tsung keizer)
-ook in de hel recht heeft op de noodige égards, als zijnde de Zoon des
-Hemels.
-
-[65] Dit kon heel gemakkelijk gebeuren. Dertien schrijft men in ’t
-chineesch één tien drie. De voorste één, in ’t chineesch door één
-liggend streepje: 一 voorgesteld, is door toevoeging van nog twee
-streepjes te veranderen in drie: 三.
-
-[66] Hoe hij dit deed, door Saan Tsang de Soetra zonder karakters te
-doen zoeken, heb ik in „Kwan Yin” verhaald.
-
-[67] Het was in den tijd der eerste nieuwe maan na chineesch nieuwjaar
-(Februari), wanneer de bergbewoners gewoon zijn vuren in de bergen te
-ontsteken.
-
-[68] Een chineesche „set” van kopjes bestaat uit vier, en somtijds tien
-of acht, maar niet zes of twaalf.
-
-[69] Ló-Han’s = Arhats, adepten.
-
-[70] Staat hier voor: „eindeloos velen.”
-
-[71] Uit den aanhef der „Sukhâvatî-vynha-mahayana-sûtra (iets verkort
-in dit citaat).
-
-[72] 10 cents engelsch = 100 chineesche cash.
-
-[73] O-Bi-Tô (Amitâbha) is de gewone zegswijze der priesters, die zij
-voor alle gevallen en als antwoord op alle mogelijke gezegden
-gebruiken. Zij denken dat het eindeloos uitspreken van dit heilige
-woord hun door transcendenten, mystieken invloed tot Nirvâna kan
-brengen.
-
-[74] De chineezen in Canton noemen het „slapende boeddha”, maar dit is
-verkeerd. Het beeld komt geheel overeen in houding met de siameesche en
-birmaansche, die den stervenden boeddha voorstellen.
-
-[75] In September 1894 is deze geheele bootenbuurt door brand vernield.
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KWAN YIN ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.