diff options
Diffstat (limited to 'old/65532-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/65532-0.txt | 4358 |
1 files changed, 0 insertions, 4358 deletions
diff --git a/old/65532-0.txt b/old/65532-0.txt deleted file mode 100644 index 9d3396f..0000000 --- a/old/65532-0.txt +++ /dev/null @@ -1,4358 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Kwan Yin, by Henri Borel - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Kwan Yin - Een boek van de Goden en de Hel - -Author: Henri Borel - -Release Date: June 6, 2021 [eBook #65532] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book - was produced from scanned images of public domain material - from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KWAN YIN *** - - - - KWAN YIN. - EEN BOEK VAN DE GODEN EN DE HEL. - - - DOOR - HENRI BOREL. - - - AMSTERDAM - P. N. VAN KAMPEN & ZOON. - - - - - - - - -VOORWOORD. - - -Eigenlijk heb ik het land aan voorredes. Maar ik vind het toch heusch -noodig even iets vóóraan dit boek te zeggen. Toen mijn „Wijsheid en -Schoonheid uit China” was uitgekomen, heb ik daar zoo nu en dan iets -over moeten hooren. Dat kon niet anders. Ik hoorde het uit recensies, -over het algemeen wat men noemt gunstige, en uit brieven en gesprekken. -Een mijner gewezen collega’s, als sinoloog een geleerde van groote -beteekenis, zeide: „Een mooi boek heb je daar geschreven, een mooi -boek,—maar niet wetenschappelijk”. En in de wijze, waarop hij dat -„niet-wetenschappelijk” uitsprak, was te voelen hoeveel hooger hij -wetenschappelijk stelde dan mooi. Dat had ik wel voorzien. Mijn boek -was .... mooi (prettig om te hooren, nietwaar?), maar .... niet -wetenschappelijk, niet zuiver sinologisch, en zuiver ethnografisch. En -dat is een doodzonde in de oogen der speciaal wetenschappelijke wereld. - -Daarom heb ik een bizonder prettige aandoening gevoeld bij het lezen -van een artikel in het „Nieuw Bataviaasch Handelsblad” [1] aan de hand -van een mij onbekend gebleven literator, die zich „Lettore” teekende. -Deze recensent zegt precies wat ik zelf heb gedacht bij het hooren van -dergelijke streelende veroordeelingen van mijn boek door de exacte -wetenschap-mannen. „Den kunstenaar” zegt hij, „wil men altijd ver -afhouden van de wetenschap, van wat men noemt het exacte.” - -Lettore vermoedt dan ook, „dat dit werk (dat van mij n.l.) door de -wetenschappelijken daarom met wantrouwen zal worden aangezien. Want ik -ken hun angst voor den arbeid, die hun gebied betreedt, enz.” - -En ten laatste verklaart hij, dat mijn boek hem „een duidelijker -inzicht en een geheugenvaster kennis heeft gegeven, dan een kille, -begrensde verhandeling zou kunnen doen.” - -Laat ik maar eerlijk bekennen, dat dit een satisfactie voor mij was. - -Had ik eenvoudig een logisch, vormelijk relaas gegeven, een exacte -opsomming of inventaris van de door mij in China geziene dingen, allen -behoorlijk in hokjes en loketjes, met papiertjes er op, vooral zonder -emotie, en vooral met veel geleerdheid, in een algemeen gebruikelijke -verpakking van onaandoenlijke taal gestoken,—ja, dan had ik wel kans -gehad om óók wetenschappelijk geweest te zijn. Die heb ik mij dus laten -ontglippen. - -Maar, laat ik dit nu met nadruk zeggen, om verdere vergissingen te -voorkomen, dit heb ik van ’t eerste oogenblik af aan niet gewild, en -dit ben ik voorloopig niet van plan ook. - -Ik houd van warm, van liefdevol, en van innig. Ik houd van emotie. -Zonder emotie zou China voor mij een dood land zijn geweest, en zou ik -er nooit iets over geschreven hebben. De geleerdheid kan mij geen -ziertje schelen dan alleen als hulpmiddel om de schoonheid te leeren -begrijpen, en als uit haar geen emotie wordt, is zij mij niets waard. - -Ik heb in dat heerlijke wonderland, dat China heet, te midden van een -nooit gedroomde majesteit van zeeën en bergen, de dierbaarste en -zuiverste emoties in mijn leven gevoeld. Die emoties tracht ik weer te -geven in mijn werk, dat ik alleen dáárom schrijf. Ik meen in de -schoonheid de essentie van de geheele natuur en het geheele -menschenleven in China te zien, en die werd mij door de emotie -geopenbaard. Ik geloof dat de ziel van een volk en van een land niet -aan te roeren zijn door intellect alléén, door enkel exacte wetenschap, -want die ziel, hun eigenlijke, essentieele Wezen, is van een -transcendente natuur en kan alleen benaderd worden in den warmen gloed -en op den hoog-gaanden rythmus van door de schoonheid gecreëerde -emotie. Dit is nu mijn ethnografie en mijn wetenschap.... Men kan van -de dingen, die ik schrijf, voorzoover ze emotie zijn, onmogelijk -zeggen, dat ze niet zoo zijn of niet zoo zouden kunnen zijn. Ik heb ze -zoo gevoeld en daarom zijn ze zoo. - -Zeker, ik heb menschen gesproken, die óók in China zijn geweest, die -langs de dingen zijn gegaan, waar ik van sprak, en die mij verwonderd -vroegen, of dàt nu alles was, waar ik zoo over uit ben, daar zij „er -niets in gezien hadden”. Dat ligt niet aan die dingen, maar aan die -menschen. - -Mijn werk en dat der exacte geleerden liggen in verschillende sferen. -Ik eerbiedig het hunne met een heel grooten eerbied, want ik kan het -weten welk een toewijding en energie het vereischt. Maar ik ken mijzelf -het recht toe, op mijn eigen manier te werken, met mijn eigen middelen. -En het lust mij, niet de wondere bloemen van China te ontleden en te -determineeren, maar mij weg te droomen in hun glans en schoone kleuren -en hun zoeten honig te puren in blijde zaligheid. - - - -Ik wilde dit absoluut nog even zeggen, om duidelijker te maken hoe ik -mijn „Wijsheid en Schoonheid uit China” kwam te schrijven en hoe ik ook -thans tot dit werk ben gekomen. - -De pretensie van sinoloog en ethnograaf te willen zijn, in den zin -althans dien de exacte—o! zoo exacte!—wetenschap daaraan geeft, heb ik -hiermede voldoende van mij afgewezen. Zoo ik die ooit bezeten had, ik -zou andere, niet déze boeken hebben geschreven. - -En hiermede is dan dit voorwoord gesproken. - - - HENRI BOREL. - - - - - - - - -KWAN YIN. -DE GODIN DER GENADE. - -OVER CHINEESCH BOEDDHISME EN CHINEESCHE KUNST. - - -Het is nu vier jaar geleden, dat ik bij Drouot in den Haag voor het -eerst boeddhistische beeldjes zag. Ze waren van groven steen, en niet -bizonder fijn van kleur en lijn, maar ik voelde er toch iets liefs van. -De kleineren stelden eene vrouw voor, op een lotus gezeten, in wit -gewaad met een kindje op den arm. De grooteren dezelfde vrouw, op een -zetel in een rots, met aan weerszijden een kind, en nog een op den arm. -Naast haar, links, een vaasje met bloemen, ook wel eens met een enkel -takje, waarmede zij verondersteld wordt dauw (Amrîta) te sprenkelen, en -rechts een vogel, ter hoogte van haar schouder. Ik vond in deze vrouw -zulk een gelijkenis met beeldjes van de Heilige Maagd, dat ik -vermoedde, dat zij eene oostersche Maria was. Er was iets zachts en -teeders in, door de ruwe vormen heenschijnend, dat mij aantrok, en ik -zette zulk een beeldje op mijn schrijftafel, waar enkel mooie dingen -mogen staan, opdat ik mij rustig en vertrouwd blijf voelen, even -opkijkend van mijn werk. - -Hoe heerlijk voor mij te bedenken, welk schitterend liefs en subliems -mij is gekomen van deze vrouwenfiguur; hoe op dit ruwe, eenvoudige -beeldje àl mooiere en mooiere zijn gevolgd, hoe de grove lijnen van dat -weinig zeggende gezicht daarin zijn geworden zacht en aetherisch als -gebeden, hoe de harde, schelle steen is geworden een fijn, transparant -porselein, een mirakel van tot materieloozen zieleglans ópreinende -stof, hoe het eerst nog menschelijke gezicht is geworden tot een -revelatie van Godheid, mij aanziende met groote, stille oogen, van ziel -tot ziel! - -Waar in het Westen de gebeden der donkere volkeren opgaan naar de -lichte, lelieblanke Moeder-Maagd, gekleed in den zuiveren schijn van -haar kuischheid, teeder houdende boven de wereld het schuldeloos -Godskind, dat de zonden der stervelingen met zijn bloed zal boeten; -waar in majestueuze paleizen van adoratie het eeuwig-glimlachend beeld -der Moeder Gods troont, in ongenaakbare staatsie, op van goud en -juweelen schitterende altaren, in een gewijde atmosfeer van wierook en -gebeden, daar licht het éven virginaal reine beeld van de Godin der -Genade boven de duistere zondenwereld der oostersche Aziaten; biddende -scharen liggen geknield, priesteren in goud-omzoomde gewaden zingen -sombere Soetra’s met monotone melodieën, statig als het ruischen der -zee, en zij zweeft hoog in de witte wolken, in een blank gewaad van -aether, schijnend van een maneglans, en sprenkelt zoeten dauw van -genade in den chaos der menschelijke smarten. En vrouwen op aarde -liggen geknield in het stof, smeekend om vruchtbaarheid van nieuw -leven, en zij heft een zacht-lachend kindje op boven de devote in -deemoed, en belooft zegen aan haren schoot. - -Een Maagd, in zachtlucht gewaad van divien licht, een rayonnant blanke -verschijning in de sombere rijen der ontzaglijk strenge boeddhistische -goden, een opperste openbaring van vrouwelijke genade, van troost, van -vergeving, onder de donkere mysterieën van het onverbiddelijk Karma; -het neêrgaande, neigende, zacht-zegenende in het rotsharde, strenge, -rechte; zoo is in het chineesche boeddhisme die figuur van de Boeddha -van de liefde en het medelijden, met dien zacht zangerigen naam als het -zingen van een viool, van Kwan Yin, de Godin der Genade. [2] - - - -Het is zeer bizonder, en nooit voldoende verklaard, hoe onder de goden -van het boeddhistische pantheon eene vrouwelijke figuur in China een -allereerste plaats inneemt, en een figuur, van welke men in het geheele -boeddhisme van Azië nergens eene volkomen gelijkenis terugvindt. De -meeste sinologen hebben gezegd, dat zij niets is dan eene chineesche -varieteit van de indische Avalokites’vara, die vooral in Thibet wordt -aangebeden. - -Het is niet mijn doel, hier eene studie te maken over de afkomst van de -Kwan-Yin-figuur in het chineesche boeddhisme, die beter in een -sinologisch tijdschrift zou thuis behooren, maar heel in ’t kort wil ik -er toch even enkele dingen van zeggen. Volgens de meeste sinologen en -oriëntalisten is Kwan Yin (Kwan=Zien, Yin=Geluid, gebeden), eene -chineesche vertaling van Avalokites’vara, [3] d.i. de neder (ava)- -ziende (alôkia) vorst of Heer (is’vara). Volgens professor de Groot -hebben de chineezen dit Avalokites’vara verward tot Avalokita-svara, en -dit beteekent „die nederziet” (Kwan) op geluiden, tonen (Yin, svara), -gebeden. Avalokites’vara heeft echter bij de Indiërs bijna uitsluitend -mannelijke attributen, zegt professor de Groot terecht, en hij leidt -uit de vrouwelijke figuur van Kwan Yin af, dat zij oorspronkelijk een -voor-boedhistische godheid was van de oude chineezen. Dit komt mij het -waarschijnlijkste voor, ook om andere redenen. Monier Williams, er op -wijzende, dat ieder der hindoe-goden zijn vrouwelijk -evenbeeld—sakti—had, zegt dat Kwan Yin correspondeert met de figuur van -Siva’s vrouw, [4] zoodat dan daaruit haar vrouwengedaante zou verklaard -zijn. - -Ik zal mij hierin niet verder verdiepen, daar het tot mijn mooi-vinden -van de Kwan-Yin-idee er weinig toe afdoet of zij uit Indië dan wel uit -China afkomstig is, en ik meer de schoonheid en de mij door haar gedane -emoties van chineesche menschen en godsdiensten en dingen wil geven dan -de wetenschap, die mij slechts hulpmiddel is. - - - -Wat wel het allerverschrikkelijkste is in het boeddhisme is de leer van -Karma, of, zooals de chineezen het noemen, Yin Kwo (Oorzaak en Gevolg), -de wet, dat het goede en het kwade zich eeuwiglijk zelf weer -produceeren, en die van het menschenleven een noodlot maakt, vooraf -bestemd door daden en gedachten uit vorige levens. Wèl wordt hierdoor -op bizondere wijze verklaard, dat àlles wat voor ons in dit leven -onrecht schijnt toch nog recht kan zijn, als boete voor vroegere -zonden, maar het is zwart en hard om de onverbiddelijkheid en het -vergevinglooze. Daarom is des te meer liefelijk die witte, zachte -vrouw, in dat zoet-wuivende gewaad, die van weening wordt bevangen door -het ontzaglijk lijden der menschen, al is het door hun eigen Karma zoo -bestemd, en die door de intense kracht van hare tot daad geworden -liefde de verdoemde zielen, knarsetandende in hellepijn, met millioenen -overvoert naar de reine gewesten der zondeloozen, glimlachend van -vrede. - -De overeenkomst van Kwan Yin met de Heilige Moeder is zóó treffend, dat -men wel eens eene oostersche Maria in haar heeft willen zien. [5] -Vooral het kindje, dat zij op den arm draagt, en hare geheele gedaante, -gaven daar aanleiding toe. Bij nadere studie blijkt duidelijk, dat er -niet het minste verband, bestaat tusschen de twee diviene figuren, voor -zoover hun afkomst en hun beteekenis aangaat, maar dat, door een -onverklaarbaar wonder, de aanbidding van beide eene kunst deed geboren -worden, die aan beide dezelfde gratie, hetzelfde allerliefelijkst -vrouwelijke, essentieel moederlijke en toch onbevlekt virginale gaf. Ik -heb Kwan Yinbeelden gezien, die, in eene roomsch-katholieke kerk -geplaatst, de geloovigen op de knieën zouden doen zinken. Ik heb een -beeldje van oud ivoor, dat in Italië voor een oud Mariabeeldje zou -gekocht worden door kenners. De vrouwenfiguur staat heel recht en -statig, in een langen mantel met geornamenteerde randen, en houdt op -den linkerarm een kindje, dat met een bloem speelt. Het hoofdje van het -kindje is zoo fijn en teeder gemodelleerd, alles is zoo bezorgd en -gevoelig afgewerkt, dat alleen een diep religieus gevoel de lijntjes en -omtrekjes zóo, als biddend, kon uitdroomen, en men heeft hier hetzelfde -in-vrouwelijk en moederlijk vrome, dat de beste Mariabeelden hebben, in -een zoogenaamd heidensch beeld, in het Oosten van een geheel ander -werelddeel gemaakt. Waar in het Westen heilige plaatsen zijn met -wonderbeeldjes, die zieken genezen en mirakelen doen, heeft men in -China dezelfde beroemde Kwan Yinbeeldjes, die den omtrek beschermen, -die, door het geweld ontvoerd, vanzelf weer op hunne oude plaats -terugkomen, en die blinden het licht, dooven het gehoor, lammen de -beweging geven. Wordt het altaar van Maria met bloemen, goud en zilver -versierd, in ’t midden van kaarsen en wierook, het beeld van Kwan Yin -wordt omhangen met fijne zijden mantels, en krijgt een schitterende -kroon, groote, roode kaarsen branden voor haar, droomerig dampen -wierookstokjes hun blauwe wolkjes voor haar op, en uit slanke, ranke -vazen zien groote lotussen haar peinzend aan. En, als om het wonder te -volmaken, het ritueel der boeddhistische priesteren, hunne -kniebuigingen, hunne processies, hunne gewaden, tot zelfs hunne -gezangen toe, vertoonen de grootste overeenkomst met de ceremonieën in -de roomsche kerken. - -De chineezen zijn een volk, dat wel het minst van alle mij bekende -volken gevoel heeft voor het divien-vrouwelijke, in welk de grootste -westersche dichters de directe revelatie van het goddelijke zagen, en -door het aanschouwen waarvan zij zich dat goddelijke niet alleen van de -aangebeden vrouw, maar van zichzelf en de geheele menschheid bewust -werden. Zijn er in de chineesche literatuur al aandoenlijke gevallen te -vinden van gehechtheid tusschen man en vrouw, het idee Liefde in de -allerhoogste beteekenis is in China onbekend, voor zoover -gepersonifiëerd in eene vrouw. Liefde tusschen man en vrouw, zoo zuiver -geestelijk en tot puren godsdienst geworden als bv. in Dante’s Divina -Commedia, is een idee, dat in geen enkel chineesch hart ingang zou -vinden, aangezien het geheel buiten de orde der in China bekende ideeën -ligt. De physieke bekoring, desnoods samen met genegenheid, en altijd -samen met kuischheid, trouw en gehoorzaamheid, is wat de chinees in -eene vrouw begeerlijk ziet. Maar het idee van „het vrouwelijke” op -zichzelf, als een abstract idee, voorstellende iets zoo smetteloos -reins als een blauwen lentehemel, een blank besneeuwd veld, eene -doodstille, klaarspiegelende zee, is in China onbekend. Het vrouwelijke -in China correspondeert met het begrip „duister” (Yin), het zware, -stoffelijke, dat naar de aarde zonk toen de chaos zich opende, terwijl -het „licht” (Yang), waartoe het mannelijke principe behoort, lucht -ópzweefde en den hemel vormde. Het vrouwelijke is volgens chineesche -begrippen het inferieure, het bevlekte in vijf bevlekkingen, die in de -hellen met verzinken in een bloedrivier worden geboet; de vrouw is de -in pijn en zonde barende, goed voor de voortbrenging van het geslacht, -en het bereiden van voedsel en kleederen. [6] - -Daarom is het wèl wonder, dat de verbeelding van dit volk, dat het -divien vrouwelijke niet begrijpt en daarom inferieur is aan de -europeesche, een volk, dat de vrouw voorstelt als de personificatie van -het principe „duister”, een zoo wonder-teêre, van liefelijk-reine -vrouwelijkheid glanzende figuur als Kwan Yin heeft gecreëerd. - -En, wel het meest miraculeuze van alles, de kunstenaars van China, die -haar beeld in steen, porselein of hout, in krijt of kleuren weergaven, -zooals zij haar in hunne aanbidding zagen, zij maakten een vrouw, die -in geen enkel opzicht op de typen de chineesche vrouw gelijkt, een -vrouw, rijzig en recht-statig, schrijdende met majestueuzen stap, in -een kuisch, zacht-wuivend gewaad, dat geen vrouw in China draagt, of -wel zittende in wijd-uitvallende gewade-plooien als St. Barbara van Van -Eyck, het lijf een weinig voorovergebogen, als neêrneigende tot het -leed der menschen beneê, met blanke, effen borst, die niet-ontwikkeld -is, als van een heel jong meisje, en een gelaat, waarin àl wat fysieke -bekoring heeft volkomen weg is, en waarover een schijn glanst van -zuivere ziele-essence. Een vrouw, om voor op de knieën te vallen en het -hoofd biddend te verbergen in de plooien van haar gewaad, een vrouw met -oogen, om de duisterste onbewustheden van de ziel te verreinen en te -doen schitteren van haar licht, een vrouw met handen, om zacht op een -brandend hoofd te leggen en te plooien tot eindeloos teeder gebaar van -vergeving, een vrouw, als de vernietiging van de fysieke verlangens, -die stomgeslagen terugsidderen voor haar heilig blank gewaad, en de -verheerlijking van het zuiver-geestelijke, van Het Vrouwelijke als de -revelatie van God.—Heeft in de westersche kunst het beeld van de -Heilige Maria op schilderijen of in statuën nog dikwijls het te -lief-aanvallige, het te begeerlijke, dat de adoratie van een priester -onbewust verlangen van een minnaar zou doen worden, de meeste oude Kwan -Yinbeelden zijn zoo wonderrein uitgevoerd, dat niet de vaagste gedachte -aan de vleeschelijke vrouw haar zou durven naderen. Zij heeft geen -mollige, ronde vormen, haar zwarte lokken vallen niet lang uit, golvend -over haar schouders, geen glimlach beroert haar mond. Haar lichaam is -als de pure incarnatie in opperste openbaring van het idee ziel in -stof, en een kuisch, blank gewaad omvouwt het zacht, uitvallend in -groote, wijze plooien. Hare oogen staren streng en rustig naar één -punt, als verloren in meditatie; haar ooren zijn lang, met dikke -lobben, haar kin onmerkbaar klein, haar wangen teêr als bloemebladen. -Het haar is opgemaakt in een wrong, hoog op het hoofd, zoo fijn dat -ieder haartje apart glanst als een straaltje licht; het wordt -opgehouden door een langen naald, en rust van voren op een kroontje met -paarlen. In het voorhoofd schittert de zieleparel—She Li Tsz’—die in de -intense meditatie is omhoog gerezen, en daar straalt van zuiver -goddelijk licht; op haar vlakke, spiegelreine borst schittert het kruis -Svastika in een krans van paarlen. - -Des te wonderlijker is deze gevoelige, pure vrouwenfiguur in een land -als China, omdat de meeste taoïstische [7] goden, die gelijk met de -boeddhistische aangebeden worden, en waaronder de god van den -Oorlog—Kouan Ti—wel de voornaamste is, in ’t geheel geen sereene -figuren zijn, maar woeste, bijna wanstaltige gedaanten, met grimmig, -wild gezicht, een langen baard en dreigende oogen. De vier groote -wachters, die aan den ingang van iederen tempel staan, zijn kolossale, -afschrikwekkende beelden, grijnzend, en onheilspellend van gebaar. Maar -deze zijn dan ook uitvindingen van den lateren tijd en niet meer, -zooals Shakyamuni zelf zeide, simpele symbolen van een idee. Een -boeddhabeeld is oorspronkelijk de plastiek van de essentieele leer. In -de immens rustige trekken van het gelaat is de geheele leer gegeven van -de verreining der ziel en de bevrijding der hartstochten, en den -stil-starenden blik der half-toeë oogen ziet de aandachtig geloovige -gericht naar de verre horizonnen van het eindeloos Nirvana. In de -kuische neêrdaling van een arm en de uitgestrekte hand, met de palm -naar buiten, is in zéér simpele lijnen uitgedrukt het medelijden, de -chariteit voor de menschheid, in het sublieme gebaar van een opgeheven -hand, met drie vingers óp en de punten van duim en wijsvinger samen, is -eene geheele prediking van de beste dingen der leer duidelijk te -voelen. De boeddhistische beelden waren oorspronkelijk volstrekt geen -afgoden, maar zuivere symbolen, symbolistische plastiek van de -abstracte, hoogste realiteit.—Zij waren dan ook kunst, in den hoogsten -zin van het woord, want alle kunst was oorspronkelijk symbool, en werd -gemaakt van adoratie voor het goddelijke. - -Men is zoo algemeen gewoon, van oude boeddhistische beelden te spreken -als van afgoden, of wel van curiositeiten, of bibelots. Maar na veel—o -zoo genotvol—zien van zulke beelden heb ik heel duidelijk in mij -gevoeld, dat zij een beteren naam verdienen, want zij zijn echte, -zuivere kunst. Zij zijn gemaakt door kunstenaars,—simpele menschen, van -eigen grootheid onbewust; iedere omtrek, ieder lijntje, ieder vormpje -is geboren uit adoratie, en zij zijn onsterfelijk als de beste -oud-egyptische beelden en de reinste creaties der primitieven.—Zij zijn -op de uiterste grens van geest en stof, en geven in stof zichtbaar weêr -de onstoffelijke en onzichtbare idee van de goddelijke ziel. Zoo als -het sereene, eindeloos kalme gelaat van een oud boeddhabeeld moet wel -het gezicht zijn van den uítgeleden, verreinden asceet, als zijn ziel, -opzwevende in het eeuwig Nirvana, nog éven den afglans van haar licht -scheen op het in ’t stof achtergelaten lichaam. Het aandachtig zien -naar zulke wonderen van religieuze kunst als oude boeddhabeelden van -brons of porselein leert veel meer van het boeddhisme dan het lezen van -vele soetra’s. Want het onzichtbare ziet u hier aan, met stil-starende -oogen, en de materielooze ziel schijnt voor u op in deze simpele figuur -van een tot een gebed van strenge lijnen en aetherische vormen geworden -lichaam. - -En dit heeft deze kunst voor boven die der afbeelding van den Christus, -dat zij niet geeft het lijden, maar het hoogste geluk, niet de -bloedende pijn, maar de verlossing, niet den kruisdood, maar de -opstanding, het suprême moment, als de bevrijde ziel wègdroomt in het -eindelooze. - - - -Eigenaardig is het feit, dat, volgens een chineesch werk uit de -zeventiende eeuw, waaruit ik een en ander zal overnemen, Kwan Yin -voornamelijk zich op aarde geïncarneerd heeft om het vrouwelijk deel -der menschheid te komen verlossen, dat slechter was dan het mannelijke. -Ik zal uit het curieuze werk: „De oorspronkelijke echte soetra van het -overvoeren van Kwan Yin” een en ander van de oorspronkelijke legende -van Kwan Yin aanhalen. Het is een wonderlijk boek, waarin de drie -leeren, confucianisme, boeddhisme en taoïsme broederlijk naast elkaar -voorkomen, en dat den lezer op voorname punten dikwijls in den steek -laat, juist als het er op aankomt, maar zeer karakteristiek chineesche -volksideeën over godsdienst weêrgeeft. [8] Zij wordt er in voorgesteld, -zwevende in het groote hemelpaleis Ta Lo, in allerhoogste zaligheid, -gezeten in den lotus der acht kostbaarheden. - -Zij was in eindeloos genieten. Haar oneindig vér-ziend oog zag, hoe in -het Oostelijk Land de menschen in begeerte waren naar wijn, schoonheid -en schatten, zéér dwalende. In hun hart was opgesloten de lust naar -roem en geld, en zij waren bevlekt van zonde. De groote Wet wentelt -rond, en straft en beloont op duizenderlei wijzen. De menschen leven -als beschonkenen, in een droom, en sterven. Hunne beenderen worden -verstrooid, talloos als bergen. Het slechte straft zichzelf zonder -einde. De Eerwaardige voelde, voor zij het zelf wist, een groot -medelijden in haar liefdevol hart en sprak: „Vanaf het openen van den -chaos tot op dezen dag heb ik de menschen geholpen, heb ik het -Oostelijk Land hervormd, heb ik ze overgevoerd door vele gevaren, en ze -tot bewustzijn gebracht. Thans, tegen het einde der Chow dynastie [9], -is het menschelijk hart in groote verwarring, vol doodslag en overspel. -De hemel ziet het slechte van al deze levenden. Hoe dit zwarte principe -te verdrijven en te versmelten, dat opwolkt in het ledig? - -„Ik zie onder de mannen er wel, die weten en zich bewust zijn van de -rede der drie Leeren [10], wien het goede helder is, en die uit hunnen -Oorsprong putten. Maar helaas! de vrouwen is niet duidelijk de -omwenteling der wet, en wát hun op de wereld verboden is. Zij zijn tot -het uiterste gevallen. Als ik goed nadenk over de bitterheid van het -stof der wereld is het een ding van medelijden en zuchten. Ik kan niet -beter doen, dan op aarde neêrdalen in het lichaam van een meisje, om de -ramp der vijf bevlekkingen te verdrijven, een’ anderen grondslag te -leggen voor het nageslacht en te maken, dat ook vrouwen en meisjes het -kwade weten, en over de zonden heenkomen. Zóo ontkomen zij ook aan de -omwenteling des levens [11] en wordt hun de straf van den bloedstroom -der hellen bespaard. Dan kunnen zij den weg van de bewustwording -bestijgen, en het opperste geluk genieten in de hoogere regionen. Dit -zij mijn wensch.” - -Toen deed zij de volgende bede aan Kin Mu, de Gouden Moeder van den -Jaspis-Vijver, [12] de eindelooze en eerwaardige, en zeide: - -„—Ik heb U slechts dit te zeggen, dat ik heden de tallooze menschen op -aarde in verleiding en dwaling zie. Dit moet ophouden, en zij moeten op -het goede Pad komen; zij moeten weten, hoe zich te bekeeren, hoe uit de -poorten van leven en dood te treden, en uit de bittere zee. Dit werk -moet ik volbrengen.” - -Kin Mu zeide: „De menschen op aarde zijn verdwaald van hunnen -Oorsprong. [13] Zij beleedigen de drie Kostbaarheden. [14] - -„Zij slaan de priesters, schelden op de leer, en verguizen de wetten -der boeddha’s. Hun is het zoet, zoo diep te vallen. Het is een -karrewei, ze te vermanen en te bekeeren.”— - -Maar Ts’z’ Fang [15] smeekte schreiende: - -„Genadevolle, gouden Moeder, open wijd uwe eindelooze liefde. Sta mij -toe, op de aarde neder te dalen! Ik zal de harten der menschen -volmaken. Ik zal zwoegen om ze te vermanen, totdat zij vanzelf -terugkeeren en veranderen.” - -Toen sprak de Gouden Moeder. „Als gij dan absoluut wilt nederdalen in -het stof en de misère der tijden, dan is dat nú niet meer dezelfde zaak -als vroeger. Gij zult heel precies op uw hart moeten passen om niet -(zelf) in de zee der bitterheden [16] te vallen en uw vroegere Karma -niet te bederven. Grif dít met zorg in uw hart! Later zal ik Jên Teng -[17] bevelen om u het rechte Pad te wijzen, opdat gij weer tot het -Licht kunt terugkeeren.” - -Toen boog de Eerwaardige diep het hoofd en dankte voor die eindelooze -liefde. - -Het viel haar hard, de hemelsche regionen van licht en rust te -verlaten, maar zij voelde een zoo groot medelijden, dat zij meer en -meer neeg naar het leed der menschen. Toen besloot zij zich te -incarneeren als een koningsdochter. Over het rijk Hing Lim [18] -regeerde toen koning Miao Tsjoang met zijne vrouw Peh Ya, die hem twee -dochters had gebaard, Miao Yuen en Miao Yin. [19]—Op zekeren nacht zag -de koningin in een’ droom een groot Licht tot haar nederdalen, en haar -schoot had ontvangen. - -Licht en duisternis gaan voorbij, snel als pijlen, dagen en maanden -wikkelen af als een weefgetouw, en weldra was de onbevlekte dracht -voldragen, en baarde de koningin een prinses. - -Zij werd genoemd Miao Sjen, de Schoone Deugd. Vanaf den nacht, dat de -koningin ontvangen had, kreeg zij een afschuw van vleesch en onreine -planten. [20] En van jongsaf aan dronk de prinses geen melk van vrouwen -of moederdieren, die zulke planten gegeten hadden. Miao Sjen groeide op -tot vijftien, zestien jaar, en had haren Oorsprong rein gehouden. Haar -hart was vol heiligen geest als dat van géén ander. Wat ze ook voor -boeken las, zij wist den inhoud uit haar hoofd als zij ze eens gelezen -had. - -Op zekeren dag zeide koning Tsjoang tot zijne vrouw: „Miao Yin en Miao -Yuen hebben nu reeds een’ echtgenoot gekozen. Miao Sjen is nu zestien -jaar, en moet dus den gelukkigen huwelijksdag gaan bepalen. Zij moet de -huwelijkstrappen [21] laten gereedmaken om een’ man te kiezen, op wien -zij haar geheele leven kan steunen.” De bruidsmeisjes gingen nu Miao -Sjen roepen, en haar vader zeide haar, wat hij van haar wenschte. - -Maar de prinses antwoordde—in verzen—met de volgende woorden: „Het is -heel moeilijk voor mij, de liefde te beloonen, die U mij tien maanden -onder het hart deed dragen. Drie jaren hebt gij mij vol toewijding -gezoogd en gevoed. Gij hebt mij handel en wandel geleerd. Een voor een -hebt gij mij de drie gehoorzaamheden [22] en de vier goede -eigenschappen [23] onderwezen. Ik heb gezien, dat deze roode aarde van -het stof slecht en valsch is. De menschen behooren als onderdanen -getrouw, als kind ouderlievend te zijn. Maar dag aan dag gaan voorbij -dat zij zich bevlekken. Ik geloof dat alles op aarde in stukken ligt -gebroken. Ik wil geen echtgenoot kiezen. Ik wil mijn ziel verreinen, -mijn Karma verzorgen, en uit de zee der ellenden ontkomen.” - -Koning Tsjoang keek vreemd op toen hij zijne dochter zoo hoorde spreken -en antwoordde: - -„Gij moogt niet zoo duister denken. Alle menschen moeten zich vlijtig -toeleggen op het in stand houden der vijf betrekkingen. [24] Hoe zouden -zij dan tegelijk vegetarisme en zieleverreining kunnen betrachten?” - -Maar Miao Sjen sprak weder: „Wat gij daar zegt gaat niet boven de -vulgaire leer der gewone menschen. Ik ben zuchtende, dat alles op aarde -een chaos is geworden. De Oorsprong der menschen was goed, maar weinig -zijn de reingeblevenen, de helderen. De menschen begeeren wijn, en -vrouwen, en rijkdom, en dwalen af van hunnen Oorsprong. Om der wille -van mond en maag slachten zij levende beesten. Hoe kunnen zij dan het -goede van den hemel bewaren? Bedenk toch, dat gij in uw vroeger leven -goede daden hebt opgestapeld [25]; ga dit nu niet weer bederven! Vrees -toch, dat eenmaal het geluk vergaat, en gij Jen Kiün zult zien. [26] De -hooge spiegel van het kwaad zal al uwe slechte daden in een oogwenk -weêrspiegelen. Is uw gedrag goed, dan zult gij volgens het goede -beloond worden. Zijn uwe daden slecht dan wordt gij volgens het slechte -gestraft. - -„Ik wil geen echtgenoot kiezen, maar mij toeleggen op het verreinen -mijner ziel. Honderd jaren levens zijn als de droom van een oogenblik. -Als ik mij niet ga verreinen zal ik weêr in de omwenteling des levens -vervallen.—Mijne ouders, die oorspronkelijk vol liefde en genade zijt, -doet nu uw kind geen droefenis aan! Van oudsher werden diegenen -boeddha’s of geesten, die van een gewoon mensch af een heilige leerden -worden.” - -Maar koning Tsjoang wilde er nìets van weten, en schold haar uit met -verachtelijke namen. Hij beval haar, alle vorstelijke gewaden, die zij -aanhad, uit te trekken, en alleen één stuk goed aan te houden om het -lijf te bedekken. Hij verlaagde haar tot een dienstmaagd, die in den -bloementuin water moest dragen en de bloemen verzorgen.—De prinses -weende zeer, maar deed hare gewaden uit, en ging gehoorzaam naar den -tuin. - -„Helaas!” roept de schrijver van het verhaal naïef uit, „oorspronkelijk -was zij het lichaam der edelsteenen bladen, [27] hoe kan die nu water -dragen en tuinwerk doen?” - -En nu volgt de geschiedenis van lijden, en hoe zij in de smart juist -hare ziel louterde en rein maakte van alle aardsche verlangens. Hoe zij -in den tuin met gekruiste beenen zat, in intenze meditatie. Hoe de -bloemen bloeiden als nooit te voren, doordat geesten het zware werk -voor haar deden. Hoe de boeddha Jên Teng haar kwam beproeven in de -gedaante van een’ priester, maar ziende, dat zij niet wankelde, haar de -esoterische leer onthulde. Hoe hare zusters haar kwamen vermanen, maar -door hare prediking werden bekeerd. Hoe haar vader, in groote woede -over hare hardnekkigheid, haar verbande naar het klooster de Witte -Musch, maar hoe zij daar juist een welkom thuis vond, en een’ ouden -wijze ontmoette, met wien zij diepzinnige gesprekken over de leer -hield; hoe zij tot het bewustzijn kwam, dat ééne ziel het ál doordrong, -en alles weer tot dat principe terugkeerde (want de Ouden zeggen, dat -tienduizend dingen allen één zelfde ding zijn (van oorsprong)), en de -diepe beteekenis begreep van die twee simpele karakters die boven -tempeldeuren staan: „Wu Ngo,” Niet-Ik, géén-Ik, die zinspelen op de -algeheele overgave en vernietiging van de Ikheid en absorptie in het -universeel Nirvana. De oude wijze, dien zij in het klooster ontmoette, -zat in een donkere kamer, en toen zij hem vroeg, waarom het zoo weinig -licht was, antwoordde hij: „doe nu nog deze twee bewegelijke, -klepperende deuren dicht en sluit het buitenlicht geheel af. Dan zal -het eerst recht een groot Licht worden.” Zoo leerde hij haar de -meditatie met gesloten oogen, de verwerping van het daglicht van -buiten, en den eindeloozen glans van het zielelicht van binnen.— - -Koning Tsjoang, in woede ontbrand door den sterken wil van zijne -dochter, en verontwaardigd, toen kwade geesten hem berichtten, dat Miao -Sjen met den ouden wijze in ongeoorloofde betrekking stond, stuurde een -leger soldaten uit, die het klooster met de vijfhonderd bewoners -verbrandden. Maar Miao Sjen, in de Zaal der drie Reinheden op een -kostbaren zetel gezeten, bleef ongedeerd. Toen liet de koning haar naar -het schavot brengen, en beval zijn veldheer Kin Chao, de Gouden Klauw, -haar te onthoofden. Maar de boeddha Kin Mu, in de hooge regionen, zond -hare dienaren Kin Tong, het Gouden Jongetje, en Yü Nü, het Edelsteenen -Meisje [28] met tal van geesten om haar te beschermen. De veldheer -sloeg eigenhandig naar het hoofd der prinses, maar de geesten hielden -de Diamanten Bijl [29] beschermend boven haar, en het beulszwaard viel -in stukken. Koning Tsjoang, dit niet begrijpende, verdacht zijn’ -generaal van ontrouw, en liet hem onthoofden. Toen Miao Sjen zag, dat -een ander moest boeten omdat de hemel haar beschermde, smeekte zij de -geesten, haar niet meer te helpen, en haar te laten sterven. Zij sprak -eene prediking uit, die zoo heilig was, dat zij door den hemelkoning in -een groot boek werd opgeteekend, en zeide: „Er is een tijd van leven en -een tijd van sterven. Ik heb het schijnbare (leven) geleend om het ware -te verkrijgen. Het scherpe zwaard kan moeilijk mijn echte Zijn -kwetsen.” - -De tweede beul kwam met een rood koord, en nu liet zij zich gewillig -worgen. Een donderslag weerklonk door de hemelen. Zij gilde en was -gestikt. Maar haar ziel, haar eigenlijke Oorsprong, zweefde door de -poorten der duisternis naar de Eindeloosheid des Lichts. En lachend -zeide de prinses: „Géén vorm hebben is nu eigenlijk eerst recht een -vorm hebben, en nú krijg ik mijn ware Gedaante te zien. Nu het lichaam -der hartstochten door het roode koord geworgd is, komt het eindelooze -licht te voorschijn.” Toen hief zij de handen op en aanschouwde de -onsterfelijke boeddha’s, in den gouden lotus, van aangezicht. Maar hare -taak was nog niet volbracht. De Gouden Moeder beval haar, een tocht te -maken door de tien hellegebieden der onderwereld. De geest Hwang Lung, -De Gele Draak, en de beide geestenkinderen, het Gouden Jongetje en het -Edelsteenen Meisje, vergezelden haar. - -In de hellen zag zij de tallooze zondaren in groote ellende, boetende -met afschuwelijke pijnen voor evenveel zonden als zij nu straffen -ontvingen. Het was een geheele wereld van knarsetandende slachtoffers; -het bloed stroomde in rivieren, en de lucht weerklonk van kermen en -schreien. Hun lijden was onverbiddelijk bepaald door hun eigen Karma, -en na geleden straf werden de uitgepijnigde zielen weer door de -omwenteling van een rad in het leven teruggewenteld, om òf als mensch -òf als dier geïncarneerd te worden, en nieuwe ellende te lijden. -Maar—treffend en zéér bizonder, die witte, teêre meisjesfiguur, hier -zachtschrijdende door de rotsharde onverbiddelijkheid van het idee van -Karma—Miao Sjen vouwde de handen saam, en sprak in intenze extaze van -liefde eene prediking met zulke geestvolle, diviene woorden, dat door -één wonder al de hellen werden verlicht van het goddelijk licht, wolken -van gouden lotusbloemen vielen neer, en de verloste zielen, -gepurifieerd door de verreining van haar goddelijk Woord, zweefden óp -in volmaakt zuiveren staat, vér boven de omwenteling des levens, en -droomden het eindeloos Nirvana binnen. - -Toen zij haren tocht volbracht had, daalde Miao Sjen weder naar de -aarde neder, waar haar lichaam door een geesten-tijger naar het heilig -Cypressenwoud [30] was gebracht, zoodat het niet vergaan kon. Zij -ontwaakte als uit een droom, in haar oude lichaam. Maar de Gele Draak -en de geestenkinderen kwamen haar in menschengedaante weêr te hulp, en -geleidden haar naar een oud klooster op den berg Hiang Shan [31]. -Koning Tsjoang was door den hoogsten hemelkoning gestraft met -even-zooveel booze zweren als hij menschen in het klooster de Witte -Musch had doen verbranden. Een oude priester zeide hem, dat alleen een -poeder, gemaakt uit de linkerhand en het linkeroog van een zijner -kinderen, hem kon redden. Zijne twee dochters wilden zich niet -opofferen, en hij zou onder de vreeselijkste pijnen gestorven zijn, als -Miao Sjen niet van zijne ziekte had gehoord. Zij had vóor dien tijd al -eens haar lichaam aan een hongerigen tijger aangeboden [32], om diens -leven te redden, en het was een heel kleine opoffering voor haar, haar -linkeroog en linkerhand te geven voor haar vader. En hierin ligt, -geloof ik, een van de oorzaken van de populariteit van Kwan Yin. De -Hiao toch, de liefde voor de ouders, is de voornaamste hoofddeugd van -de chineezen, door Confucius overal verheven, en hier doet een Boeddha -een allerschoonste daad van Hiao, door zichzelf te verminken, om haren -vader te redden. Toen linkerhand en oog niet genoeg waren gaf zij ook -nog de rechter. - -Door deze daad van liefde werd de zonde van den koning geboet, en kwam -hij tot inkeer. Al de leden der koninklijke familie legden zich ten -laatste op verreining der ziel toe, en werden boeddha’s. Door de Hiao -van het kind konden dus de ouders en zusters de onsterfelijkheid -verkrijgen. - -Dit is wel het mooiste in de anders zoo sombere leer van het -boeddhisme, dat aan de liefde, van een mensch uitgaande, zulk een -intenze kracht wordt toegekend, dat zij invloed heeft op het Karma van -andere menschen, ja, het kwaad van duizenden zondaren kan -neutraliseeren, en die alzoo bevrijde zielen op haren adem mede kan -voeren naar Nirvana. [33] Zóó gaat van Kwan Yin een emanatie uit van -liefde, die zacht neêrdroomt op het woelende noodlot der menschen als -sereen maanlicht op een wild-stormende zee, dat de golven eindelijk tot -eene vlakke, rustige strooming effent. - -En een van de eerbiedwaardigste figuren in de godsdiensten van alle -tijden is stellig wel deze Kwan Yin, die de eindelooze zaligheid van -Nirvana had kunnen bereiken, maar geen eeuwigheid van geluk wilde, -zoolang de wereld nog in zonde en droefheid was, en een heiligen eed -zwoer, niet te zullen rusten, zoolang nog één menschelijke ziel -verloren moest achterblijven. [34] - -Haar ijver in het heilige reddingswerk is wonderbaarlijk, en rust -nooit. Eeuwiglijk werkt de liefde, die zij uitstraalt, op de zonden der -wereld. Alle menschen zijn kinderen van deze blanke moeder van genade, -die, in de hemelen troonend op eene witte wolk, zich zacht-neigend -voorover buigt om te luisteren naar der zondaren gebed. Zij wordt -aangeroepen als „Ta Ts’z’ Ta Pei”: „De groote Genade, het Groote -Medelijden. Zij is „de Oceaan van Mededoogen”, de „Beschermer der -Wereld”, de „Verlosser van Vrees”. - -De plaats, waar zij, na haren tocht door de hellen, negen jaren woonde -in gepeinzen, is de bedevaartplaats voor millioenen uit China, Thibet -en Japan. Het is het eiland Phu-Tho, in den Chusan-archipel. [35] Hier -was vroeger de berg van wierook, geheel wit, hier was het gras wit, de -hooge bamboebosschen wit, en was de zee wit van de schitterende -blankheid van Kwan Yin, die daar troonde in haar wit gewaad. - -De uitingen van vereering aan Kwan Yin zijn naïef en simpel als die van -de westersche vrouw uit het volk voor haar Mariabeeld. Het Kwan -Yinbeeld wordt opgetooid en versierd als een lievelingskind; het krijgt -een mooi zijden baadje, en een hoed met pluimen en blinkende paarlen. -Kleine kinderen dragen een klein Kwan Yinbeeldje van goud of koper op -het hoofd, en loopen met vlaggetjes, waarop haar roem staat geschreven. - -Op de drie groote feestdagen van Kwan Yin, op den 19en van de tweede, -zesde en negende chineesche maand: den dag van hare geboorte als Miao -Sjen, den dag, waarop zij werd geworgd, en den dag, waarop zij, na -haren vader gered en hare geheele familie bekeerd te hebben, voor goed -ten hemel steeg, worden de publieke offeranden en ceremonieën voor haar -verricht, maar bovendien wijden voorál de vrouwen haar eenen dienst van -elken dag. De mannen hebben niet zulk eene groote vereering voor Kwan -Yin, en dienen liever de woeste goden van het taoïsme, met de dreigende -gebaren en de bloeddorstige gezichten. En dit is juist eene bizondere -teêrheid voor mij in de figuur van Kwan Yin, dat zij alleen door het -vrouwelijke gevoel, dat altijd naïef en intuïtief is, wordt begrepen, -en zij als ’t ware schijnt te breken voor minder gevoelige beschouwing. -Al wat China mist aan essentiëel vrouwelijks, al wat de chineesche -vrouw mist in hare omgeving, om haar onbegrepen gevoel aan te wijden, -is gepersonifiëerd in die wonderreine vrouwenfiguur van Kwan Yin. - - - -De mooiste tempel van Amoy, Nam Phu Tho, het zuidelijk Phu Tho, is -voornamelijk aan den dienst van Kwan Yin gewijd. - -Hoe dikwijls heb ik niet in dat bedehuis van Kwan Yin gezeten, dat zoo -heerlijk aan den voet van hooge rotsen is gelegen, met een vergezicht -over groene rijstvelden, bergen en zee! Want de moderne tempels van -Kwan Yin, als die van alle andere chineesche boeddha’s, zijn geen -heilige monumenten van adoratie, geen paleizen van statie en majesteit -zooals de Notre Dame of de Ste Gudule; zij zijn een veilig thuis, een -toevluchtsoord, een rustplaats voor moede reizigers. Zij zijn als het -huis van een moeder, waar de kinderen altijd veilig en welkom zijn, en -waar zij kunnen spelen, eten en slapen. Zelfs beesten weigert men den -toegang niet, en dikwijls ben ik te paard den geheelen tempel rond -gereden, voor de oogen van de vier reusachtige wachters Kin Kang, -zonder dat dit door de priesters bizonder vreemd werd gevonden. Er -worden zelfs visschen, honden en runderen gevoed en verzorgd, uit -medelijden. En toch doet dit familjaar-vertrouwelijke niets af tot de -plechtigheid van de plaats. Want bij een chineeschen tempel is niet de -tempel zelf een alleen-staand gebouw, dat ook in een straat of aan een -gracht zou kunnen staan, maar het is vooral de omgeving, de kunst van -Fung Shui [36], die haar waarde bepaalt. En ik weet dan nu ook de -schoonheid van dien tempel onafscheidelijk van den somberen, -majestueuzen rotsenmuur, die zich grijs-zwart achter hem verheft, van -de groote, trotsche boeddhaboomen in de binnenplaats, van de wijde, -blinkende rijstvelden, van de teêrgelijnde bergen in de verte, en -vooral van het uitzicht op de groote, groote zee. Want een tempel, om -een standplaats te hebben, die heilig genoeg is voor de woning van een -Boeddha, moet altijd met het front gericht zijn naar de open zee, -zooals een menschenziel uitziet in de eindeloosheid. - -Eén middag zal ik nooit vergeten. Het was een donkere, sombere -Novembernamiddag, tegen vijf uur. Zwarte wolken hingen dreigend om de -rotsen, toen ik van een rit terugkeerde; en ziende, dat het gevaarlijk -was, met den naderenden storm, in een sampan de zee over te steken naar -mijn eiland, zocht ik een schuilplaats in den tempel. - -Het was duister in het derde paviljoen, waar het kolossale beeld troont -van Kwan Yin. Het oude goud glom in het donker van een mystiek rooden -glans. Groote schaduwen weifelden aan de wanden en in hoeken, en -glimplekken beefden vreemd in het rond. Er was een vaag, somber licht -om de boeddha. - -Juist toen een ratelende donderslag door de lucht weerklonk, sonoor -voortdaverend over de bergen, kwam een grijze priester binnen, die voor -het groote beeld bleef staan, en een monotoon gezang aanhief. Somtijds -sloeg hij op een houten voorwerp, met doffen slag van gedempt geluid, -of deed hij een kleine schel zilverig tinkelen. Hij stond onbewegelijk. -Het gezang weêrklonk hol in het paviljoen, ál somberder en somberder. -De regen kletterde neer, de donder sloeg met fatale slagen, de wind -brulde om de deuren, en felle bliksemstralen lichtten blauwgeel weêr -over het biddend-gebogen hoofd. Maar den priester bewoog het met geen -enkel vreezen, en hij zag noch hoorde. Steeds klonk zijn somber gezang, -een eentonig, plechtig zingen als van een ziel, die, in de diepste -duisternissen verloren, om licht bidt en erbarmen. - -De roerlooze priester, stil, als enkel een ziel, zingende zoo -somber-droef gezang, het vreemd-lichtende beeld van Kwan Yin, zoo -hoog-statig en sereen in het duister; de brullende storm, de daverende -donder, het hel-bliksemende licht, het was als het diepe mysterie van -het geheele boeddhisme gesymbolizeerd, de droef-verloren, maar -rustig-biddende ziel, eindeloos kalm in den woedenden passiestorm van -het leven.... - - - -Geeft deze legende van Miao Sjen een verhaal van een der voornaamste -incarnaties van Kwan Yin en van hare lotgevallen als mensch, er bestaan -nog tallooze andere sprookjes en vertellingen over hare daden van -liefde als boeddha. - -Op de meeste platen, die Kwan Yin voorstellen, ziet men haar met een -kindje aan elke zijde. De een is een jongetje, Shen Ts’ai, de ander een -meisje Lung Nü. Om de beteekenis van deze twee dienaren te verklaren, -moeten wij zoeken in het werk „See Yiü”: Zwerftochten in het Westen. -Dit wonderlijke boek, dat niet in den ouden stijl der „Kings” maar in -den verhalenden trant is geschreven, en dat eene verzameling van -sprookjes is van eene zoo rijke en weelderige fantasie, dat alleen de -Märchen van Grimm er mede kunnen vergeleken worden, en wel een van de -allerpopulairste boeken is van de chineezen, bij oud en jong geliefd, -en overal in theaters vertoond,—dit schijnbaar kinderlijke werk is van -een veel diepere beteekenis, dan de meeste westersche lezers wel hebben -vermoed. En de Kwan Yinfiguur speelt er een hoofdrol in. - -De beroemde koning T’ai Tsung (627–649 n. C.) van de Thang dynastie, -die door eene onvoorzichtigheid zijn generaal Wei Ting gelegenheid had -gegeven, Lung Wang, den Rivier-Draken-Koning, te dooden, en die deze -schuld alleen volkomen kon boeten door een mysterieuzen „King” (soetra) -te verkrijgen, die de macht had, de zielen uit de hellen te verlossen, -liet een priester oproepen, die den moed had, dezen soetra in het -onbekende Westen te gaan zoeken. Toen bood zich een priester aan, Saan -Tsang geheeten, die op zich nam, het heilige boek te vinden. Deze -priester stond onder de bescherming van Kwan Yin, die hem, met andere -gaven, het kostbare, van goud schitterende gewaad Kia Sha deed geven, -afkomstig van Shakyamuni. - - - -Tevens gaf Kwan Yin hem vier dienaren mede. De voornaamste van deze was -een reusachtige aap, Sun Wu K’ung geheeten, die indertijd van een adept -de diepste geheimen der esoterische leer had geleerd, en de zwarte -kunst verstond, van gedaante kon verwisselen, en een onoverwinlijk -wapen had, een gouden pilaar, die hij van den drakenkoning had -gekregen. Deze aap—die het menschelijk hart symboliseert—was -oorspronkelijk door den hemel geboren uit een rots, en had zich trouw -toegelegd op de verreining der ziel, maar zijn apennatuur was altijd -weer bovengekomen. Als hij de heiligste dingen hoorde kon hij niet -nalaten, allerlei rare gezichten te trekken en de dolste grimassen te -maken, en hij gebruikte zijn kunst alleen om er mede te pronken en -grappen mede te vertoonen. Om van dezen lastigen apengeest af te komen -had de opperste hemelgod Yü Ti hem in den hemel bij zich genomen, maar -Sun Wu K’ung was er niet tevreden, omdat hij er geen groote rol -speelde, totdat hem eindelijk werd opgedragen het veld der perzikken te -bewaken. Daar deze de perzikken der onsterfelijkheid waren, was het een -gewichtige taak; maar de aap, die altijd een aap bleef, eindigde met ze -allen op te eten, omdat hij dol was op zoete perzikken. Toen leverde -hij een groot gevecht met de hemelbewoners, die hem echter niet konden -dooden, omdat de perzikken hem onsterfelijk hadden gemaakt. Ten laatste -werd hij overwonnen door Shakyamuni, die hem op zijn hand zette en -wegblies in een diepen afgrond, waar hij onder een rotsblok bleef -gevangen. Zóo had hij daar al vijfhonderd jaar gelegen, zonder zich te -kunnen verroeren, toen Kwan Yin—overal de reddende uit het noodlot, de -vergeving van straf en het medelijden—hem kwam verlossen. Zij beloofde, -dat hij later weer in den Hemel zou mogen terugkeeren, op voorwaarde, -dat hij zijn schuld zou uitwisschen door Saan Tsang te helpen als -dienaar op zijnen tocht naar het Westen om de soetra te vinden, die de -zielen kon verlossen en naar Nirvana overvoeren. Sun Wu K’ung beloofde -zijn best te doen, maar voor alle zekerheid, omdat hij nu eenmaal een -aap was, deed zij hem nog een ijzeren band om het hoofd, die hem pijn -kon doen zoodra zij eenige tooverwoorden uitsprak. De tweede dienaar -was oorspronkelijk een kind van den westelijken Zee-Draken-Koning [37], -die wegens zonden uit den hemel verbannen was, en in de lucht zwevende -als booze geest, levende van roof, een ellendig leven leidde. Ook hij -werd door de medelijdende Kwan Yin bevrijd, op voorwaarde, dat zij hem -in een wit paard zou veranderen, om den priester Saan Tsang als rijdier -te dienen. Een derde was Chu Puh Kiai, ook oorspronkelijk een verbannen -hemelling, die tot straf in een varken was veranderd, en eveneens door -Kwan Yin werd gered, als hij Saan Tsang wilde volgen. De vierde was Sha -Sang, een andere uitgedreven hemelling, die door Kwan Yin werd bekeerd. - -Met deze vier dienaren trekt Saan Tsang naar het Westen, om de kostbare -soetra te zoeken. - -En nu volgt een wonderbaar verhaal van de lotgevallen dier vijf -reizigers, van eene schitterende, maar wilde fantasie, die het boek tot -een der meesterstukken van fictie in de wereldliteratuur maakt. Vóor de -soetra wordt gevonden moet de priester door twee en zeventig gevaren -gaan. Geheele legers van monsters, duivels en geesten staan hem in den -weg, bergen van vuur, diepe afgronden, eindelooze zeeën moet hij over, -om het boek te winnen, en de dood dreigt hem bij iedere schrede. Dit -bonte verhaal van tooverbergen, wilde duivels en gevechten is echter -geheel en al symboliek. [38] - -Saan Tsang is niets anders dan de menschelijke „Sing”, de hemelsche -oorsprong, die echter hulpeloos is, als het lichaam niet helpt. De aap, -dat zonderlinge beest, dat nooit zijn natuur verloochent, en altijd -grimassen maakt, is het menschelijk hart. Het paard, dat, zonder -teugel, in het wilde doordraaft, en altijd vooruit wil, is de -menschelijke „i”, de begeerte. Het varken zijn de dingen van de buik, -de maag en de ingewanden, altijd hongerig. En Sha Sang is het -menschelijk geraamte, de beenderen, die het vleesch dragen. - -Zonder zijne dienaren zou Saan Tsang er nooit gekomen zijn. Want hij is -altijd maar lijdzaam en willoos, hij loopt blindelings in de gevaren, -laat zich opsluiten, geeft zich over zonder ernstigen weerstand, uit -gebrek aan energie. Maar de aap, dol en bewegelijk als hij is, slaat er -bij de minste gelegenheid op los, gebruikt zijn esoterische geheimen om -den vijand te bedriegen, verandert zich in duizenderlei gedaanten, en -laat zich door niets uit het veld slaan. Ook de andere dienaren doen -het hunne, al is het in ’t wild en zonder wijsheid. - -En toch zouden ook de vier dappere dienaren gelijk met Saan Tsang op -jammerlijke wijze zijn omgekomen, indien niet altijd op het suprême -moment Kwan Yin, de godin der genade, die den armen priester bezorgd -heeft gevolgd, en zelf het heilige boek voor hem gereed heeft, op hare -witte wolk nederdaalde om hem te redden. - -Prachtig van teêrheid is de Kwan Yinfiguur in dit boek weêrgegeven. Als -de strijd in de wildste verwarring is, en geheele zeeën en vuurbergen, -door een boozen geest getooverd, de reizigers dreigen te verzwelgen, is -één zacht gebaar van haar hand genoeg, om alles in een groote kalmte te -doen verdwijnen, en de verschrikkelijke duivel wordt veranderd in een -zacht, onschuldig kindje, dat in diepe adoratie de handen tot haar -opvouwt. Kwan Yin alleen stelde Saan Tsang in staat, het heilige boek -te vinden, dat de zielen de zaligheid van Nirvana kan doen verkrijgen. - -Als Saan Tsang op het laatst het kostbare boek vindt is het niets dan -schoon papier, onbeschreven; want karakters kunnen die opperste -waarheid der esoterische leer niet uitdrukken. Na intenze meditatie, -van zeven dagen en nachten lang, ál maar doorstarende op het papier, -werd hem eindelijk die waarheid bewust van „de soetra zonder -karakters”, die alleen de ziel; niet de oogen, kan lezen. - -Een van de vele gevaren, die Saan Tsang moest overkomen, was een booze -geest, het Vuur-Kind, Hwo Hai’Rh, die in een atmosfeer van vuur was -gehuld, en stroomen vuur braakte. Deze booze demon nam den priester -gevangen, en wilde hem aan haar vader, een geestenkoning, als voedsel -geven. De dappere Sun Wu K’ung liet zijn meester niet in den steek, -maar viel zijn vijand aan met al de wapenen, waarover hij kon -beschikken, den gouden pilaar, dien de drakenkoning hem gegeven had, en -steeds zijne haren uittrekkende, die hij in evenveel krijgers kon doen -veranderen. Maar de haren werden door het vuur geschroeid, en deerlijk -gebrand moest de aap den strijd opgeven. Toen scheen Saan Tsang voor -goed verloren, indien niet tijdig Kwan Yin ware neergedaald op hare -wolk, en den demon had onderworpen. Door hare toovermacht veranderde de -vuurduivel eensklaps in een klein jongetje, dat eerbiedig het hoofdje -neeg, en de handjes biddend tot haar ophief. Van nu af aan kreeg de -bekeerde duivel ook een anderen naam: „Shen Ts’ai”, Het Goede Talent, -en volgde hij overal Kwan Yin als discipel. En dit nu is het biddende -kindje, dat op zoovele platen en beelden ter linkerzijde van Kwan Yin -staat. - -Een der andere gevaren was een reusachtige visch, met den kop van een -draak, die de gedaante van een schoone vrouw had aangenomen, en hem in -haar paleis-grot op den bodem der zee had gelokt. Lí Yü Tsing, zoo was -haar naam, liet een groot feest aanrichten, daar zij Saan Tsang met -allerlei feestelijkheden tot echtgenoot wilde nemen. De aap en het -varken kwamen in allerijl te hulp, maar werden door hare tallooze -legers van visschen, garnalen, krabben en kreeften verslagen en -gevangen. Het varken werd bestemd om voor het gastmaal geslacht te -worden, en de aap om met zijne grimassen de vroolijkheid onder de -genoodigden te verhoogen. Het witte paard en Sha Sang zochten -tevergeefs hunnen meester. Eindelijk, op het critieke oogenblik, -verscheen Kwan Yin, en veranderde den visschengeest in een klein -meisje, Lung Nü, het drakenmeisje, dat zich bekeerde, en haar voortaan -overal volgde. En dit is het meisje, dat afgebeeld staat aan de -rechterhand van Kwan Yin. [39] De vogel, dien men ook veelal in -afbeeldingen bij Kwan Yin ziet is volgens sommigen een reuzenvogel, die -het keizer Jên Tsung [40] van de Soung-dynastie deerlijk lastig maakte, -door zich in zijn sprekend evenbeeld te veranderen, en hem den troon te -betwisten. Het geheele rijk geraakte daardoor in de grootste -verwarring, en bloedige oorlogen braken uit tusschen de twee keizers. -Ten laatste tooverde Kwan Yin een onmetelijke zee, waar zij met haar -waaier den reuzenvogel in wegzwaaide. Zoo zwierf de vogel dagen en -nachten boven de zee, tot eindelijk Kwan Yin in een berg veranderde, -waar hij een toevlucht op zocht, en gevangen werd. - - - -Volgens anderen was het een der vijanden van Saan Tsang, die hem -gevangen nam en opsloot. Kwan Yin lokte dezen gevaarlijken vogel in een -herberg, waar hij zooveel at, dat hij in slaap viel en weerloos werd. -Hij braakte toen zelf de ketting uit, waaraan Kwan Yin hem gevangen -hield. Sedert dien tijd bekeerde hij zich en bleef haar trouwe dienaar. - - - -Moge men glimlachen bij al deze wonderlijke verhalen, er blijkt toch -duidelijk uit, dat Kwan Yin wordt vereerd als de reddende uit den nood, -de beheerscheres der booze geesten, de beschermheilige, die den -priester het heilige boek deed vinden, dat millioenen zielen uit de -hellen kon verlossen. Zij is niet alleen de beschermster, maar zelfs de -Voorzienigheid, in de gedaante van eene vrouw in wit gewaad. Nooit rust -zij van haren arbeid zoolang nog één gevaar den priester dreigt, die -het boek der onsterfelijkheid zoekt. - -Talloos zijn de vele andere verhalen en legenden, omtrent Kwan Yin in -omloop. Niet alleen als vrouw, ook als man incarneert zij zich, in de -gedaante van een priester. Zij redt ter dood veroordeelden, door hun -een soetra te leeren, die, op het schavot uitgesproken, het zwaard -roerloos boven het bedreigde hoofd doet zweven. - -Zij neemt duizenderlei gedaanten en vormen aan, om de menschen te -helpen en de duivels der zonde te bestrijden. Zij wordt dan ook -dikwijls afgebeeld met achttien en meer armen, die zij allen tegelijk -aanwendt om de booze geesten te vernietigen. - -Deze beelden met achttien armen hebben vanzelf niet het sereene en -rustige van de andere, maar kunnen toch zeer indrukwekkend zijn. Iedere -hand houdt een voorwerp vast, de rechter boven het hoofd verticaal -uitgestrekt een zon, de linker een maan, de andere een zwaard, een -soetra, een bel, een snoer paarlen, een rad, een bal, een vaas, een -discus, een perzik, een koord, enz., allen attributen, waarmede zij, -volgens de chineezen, mirakelen kan doen. Boven het hoofd van dit -beeld, met twee armen opgehouden, zweeft meestal nog een klein -boeddhakindje, dat haar bevrijde ziel voorstelt. - -En als eene moeder zorgt voor de lafenis van hare kinderen, zorgt zij -voor de lafenis der aarde. Zij is de regengeefster, die aandrijft op -witte wolken boven het smachtende, heete land. - -„Fu Tsu lai”: „de Oermoeder-Boeddha is gekomen,” is eene chineesche -uitdrukking voor „de regen valt.” - -Op de witte wolken, die boven de heete aarde aandrijven, rusten lucht -de zachte voeten van Kwan Yin, en dra zal de zoete, lavende regen -neerzegenen, die vruchtbaarheid geeft aan den grond en verkoeling aan -de smachtende menschen. De al dichter en dichter saâmdrijvende -wolkenmassa’s zijn de wijd en wijd uitvallende plooien van haar gewaad. - - - -Maar de Kwan Yinfiguur, hoe liefelijk en teêr wij haar ook voor ons op -zien droomen uit soetra’s en legenden, in hare reinste openbaring is -zij alleen gegeven in de kunst, vooral in die der beelden, houten, -bronzen, porseleinen. - -Toen in de laatste eeuw, door den invloed der europeanen, de chineesche -kunst verbasterde en verzwakte, is ook de teêre opvatting van eene Kwan -Yin bij de kunstenaars gebroken. De moderne beelden hebben het opperste -moment van expressie verloren, en de goddelijkheid van het gelaat en de -vormen is meer materialistisch geworden. De nieuwere tempelbeelden van -Kwan Yin, met hunne schelle kleuren en veel te grove vormen, hebben het -streng virginale verloren, dat in de oude is te zien. Het zelfde is te -zeggen van de porseleinen en bronzen. Het is heel moeilijk, in China -specimen van oude kunst te krijgen. Ik heb door geheel Canton -gewandeld, zonder in één antiquairswinkel iets bizonder moois te zien, -en de verlangende kooper zal zich bij zijne eerste bezoeken in -chineesche winkels, waar ook, Canton, Hongkong, Amoy, zeer -teleurgesteld zien. Maar de chineesche antiquair heeft dan ook eene -soort kuischheid, die verfijnd artistiek is. Als hij een heel mooi ding -heeft zet hij het niet in zijn winkel, maar bewaart het als een schat -in zijn achterkamer, in een donker hoekje. Hij moet eerst zijn klant -kennen, zijn gezicht, zijn handen hebben gezien, hoe die door beweging -aangeven wat ze van een voorwerp voelen. Heeft hij de zekerheid, dat -zijn klant het waard is, dan neemt hij hem mede naar binnen, zet -zwijgend het kleinood op tafel, en laat het hem zien. Daarna bergt hij -het zorgvuldig weg, schenkt een kopje thee in, en spreekt er in ’t -geheel niet meer over. Hij heeft al aan zijn oogen, zijn mond, zijn -geheele houding gezien, wat hij gevoeld heeft. Het koopen komt dan -eerst veel later. Als hij aan hem gezien heeft, dat hij het niet -begreep, begint hij er ook nooit weer over. - -Toch zijn zulke oude voorwerpen in de havensteden zeldzaam. Maar de -kunst om ze te krijgen is niet zoo heel moeilijk, want men behoeft -slechts agenten te hebben, arme chineezen, die de kans schoon zien iets -te verdienen, en wien gij vooruit reisgeld geeft. - -Deze maken lange dagreizen in het binnenland, zoeken niet bij -antiquairs alleen, maar vooral bij deftige, arm geworden families, die -licht nog een oud stuk uit den goeden tijd hebben bewaard, en, zelf -eigenlijk de waarde niet kennende, het voor een spotprijs verkoopen. En -er is in het binnenland van China nog véél meer, dan men wel zou -vermoeden. - -Wat de antiquairswinkels zoo gewoonlijk uitstallen is alles modern, -imitatie bronzen wierookvaten met het valsche merk Süan Tih, [41] -goedkoope vazen uit Kang Sai, en moderne beeldjes uit Tik Hoa. - -Het zien en voelen van chineesche Kwan Yinbeelden gaat niet inééns, en -voor velen lijken zij op het eerste gezicht te vreemd om mooi te zijn. -Het lange, ellipsvormige gezicht is dat van géén chineesche vrouw, de -schuin opwaarts welvende oogen lijken onnatuurlijk, de lange -oorschelpen te ongewoon. Maar men moet eerst het idee van zich -afzetten, in die beelden een natuurlijke gelijkenis van een gewone -vrouw te zien. Men moet goed begrijpen, dat de kunstenaar in ’t geheel -niet aan een vrouwenmodel is gebonden, en hij alle hulpmiddelen mag -gebruiken, die de expressie van zijn beeld verhoogen. Als men maar -dikwijls en aandachtig ziet, wordt zulk een gezicht meer en meer -expressief, en eindelijk licht voor u op die klare zielevrede, die -eindelooze kalmte, die stille uitdrukking van goddelijkheid, die de -kunstenaar met zijn beeld bedoelde. Meer dan ééne boeddhistische school -leert, dat boeddha niets anders is dan de menschelijke ziel, [42] en -zoo is een oud Kwan-Yinbeeld van een groot kunstenaar ook niets dan de -afbeelding van de menschelijke ziel, in de gedaante van die vrouw. De -ziel in materie weêr te geven lijkt wel onmogelijk, maar toch hebben de -chineezen in deze den schijn zoo dicht mogelijk bij het reëele -gebracht, en, wat in hout of brons nog zoo moeilijk gelukte, werd tot -het hoogste opgevoerd in de kunst der porseleinen, waarin de materie in -haar luchtigste, allereerste uiting is gegeven, broos en breekbaar als -een droom. - -Brons is een zooveel grovere materie dan porselein, maar brons is toch -een wonderheerlijke stof geworden in die bewerking—van waar en door -wien is mij onbekend gebleven—die het de zachte kleur geeft van het -„Shih Seu” fabricaat. Een van de mooiste exemplaren van Shih Seu brons, -die ik gezien heb, is een stuk, voorstellende Kwan Yin op den berg -Hiang Shan, afkomstig uit Suchau. Of het oud was, weet ik niet, de gave -glans en de pure staat doen niet vermoeden dat het reeds eeuwen oud is, -maar die kwestie van oud of modern, waar de verzamelaars zich zulk een -gewetenszaak van maken, doet er al heel weinig toe af. Is het een feit, -dat ik nog nooit veel even mooi modern porselein of brons heb gezien -als het oude, toch is het zeer goed mogelijk dat dit eene stuk modern -was. - -Het stuk werd van den grond opgeheven door teêre, lage pootjes onder -randen van kantfijn houtsnijwerk, en was omgeven door een glazen kast, -met den achterwand van donkerblauwe zijde. Op een terras, van hetzelfde -houtsnijwerk en ivoren pilaartjes, stond, uit bruinzwart, gesneden -hout, een rots. Prachtig is het rotsige weêrgegeven, met dezelfde ruwe -vormen als in de natuur, zonder gemaaktheid. Op de rots zit de bronzen -Kwan Yin, een koraaltakje in het haar, een ivoren boek in de hand, een -zilveren parel in het voorhoofd. Zij zit in eene houding, die aan de -beelden van Ho Chao Tsung [43] herinnert, met opgetrokken rechterbeen, -en het linker er onder gevouwen, in het boeddhagewaad Kia Sha. [44] Het -beeld is van een donker chocoladekleurig brons, van zachten glans. Het -lijf is—als dat van bijna alle Kwan-Yinbeelden,—met rechterschouder en -borst een weinig achterover gebogen, en de linker naar voren, zoodat -het is, of zij zich onmerkbaar zacht nederbuigt, als luisterende naar -gebeden, en neigende tot het leed der wereld. Dit gebaar is zoo vaag en -zacht, dat het somtijds bijna niet te zien is, en dàn het beeld als ’t -ware weer heel even beweegt. De randen van het dof-bruine Kia Sha -gewaad zijn fijn bewerkt met zilveren lotussen, als geëtst in het -brons. Overal waar de gewade-randen uitplooien schittert die -ornamentatie van zilveren bloemen. Zoo is een band van zacht -schitterend licht heengedroomd om het donkere beeld, dat het omgeeft -met een mystieken glans. En, alsof dit nog niet genoeg ware om het te -verheerlijken, droomt tot het beeld òp een zoete, heilige geur van -wierook, daar de geheele rots uit wierookhout is gemaakt. Het fijne -hoofd van de boeddha staat tegen een ranken, langen bamboetak, die zijn -teêre, spitse bladen van zachtgroene kleuren daarachter ontvouwt. Die -fijne blaadjes staan zich heel stil te geven achter het wijze -vrouwenhoofd. - -Zoo zal ik haar nop dikwijls zien, die donkerbronzen Kwan Yin, die -neigende, lief-luisterende, in die kuische, wijze kalmte van haar -gewaad, zacht omschitterd van zilveren lotussen, in den droomerigen -geur van de heilige wierook, met die teêre, spitse bamboeblaadjes -achter het stille hoofd.... - - - -Ook uit hout gesneden heb ik mooie beelden van Kwan Yin gezien. Een -bizonder fraai exemplaar, in mijn bezit, is van zachtbruin reukhout, -van zoeten geur. Het voetstukje alleen is van een zwarte reuklooze -houtsoort, en is een zee met opslaande, krullende golven. Uit de zee -rijst een welige groei van lotusbloemen, met teêre, gevoelige -stengeltjes en half uitgekomen, half nog dichtgevouwen blaadjes. Een -grootere bloem is ontloken, en naast deze twee knoppen. Alles zoo -simpel natuurlijk, als levend, met de geheele zachtheid en rankheid van -stengels en ontplooiende blâren allereerst weêrgegeven in de harde -materie. Boven de bloem en de knoppen spreidt een groot, fijn generfd -blad zich wijd uit, om de Kwan Yin te dragen, een rank beeldje, van -ruim een decimeter hoogte, met een gewaadje, zoo zacht en lucht als een -bloem, keurig afgewerkte handjes, en een fijn, wijs gezichtje. En op -het kleine hoofd de haartjes één voor één getrokken, een golving van -teêre, evenwijdige lijntjes, òp in een wrong. Hoe teeder moet de hand -zijn geweest, die met een miniatuur, scherp mesje zoo voorzichtigjes en -gevoelig die vrouwenharen uitdroomde uit de materie! Die ranke stengels -en bloemen, dat wuivende gewaadje, die fijne haren, die kleine, wijs -predikende handjes, wat moet die artiest een lief, gevoelig mensch zijn -geweest, en hoe rustig en doodkalm moet zoo iets gemaakt zijn, zonder -de minste zenuwachtigheid, met welke stille, aandachtige, -zacht-starende oogen moet hij zich heengebogen hebben over zijn werk! - -Van de kleine beeldjes van de goedkoopste soort zijn die uit de stad -Tik Hoa in de Hokkienprovincie wel de beste. Zij zijn niet van -porselein, maar van steen. Ze zijn voor den ongeloofelijk lagen -prijs—van vijf tot tien cents—verwonderlijk teêre dingen. Gevoelig van -lijn, en blank van kleur, zonder hardheid. De meeste stellen Kwan Yin -voor schrijdende over de zee, die met opslaande golven is aangegeven. -Het witte gewaadje omwuift haar luchtig, het in een wrong opgemaakte, -met een speld vastgehouden haar is keurig gedaan, en onder de rok komt -een klein voetje te voorschijn. Maar het mooiste van het beeldje zijn -de handjes, die apart worden gemaakt, en uitgenomen kunnen worden, -superbe, teêre handjes, met sierlijk spitse vingertjes, de rechter een -parel vasthoudende, de ander wijzende met een gracieus gebaartje, alsof -die puntige, fijne nagels de diepste mysterieën van de leer met een -vlugge gratie van kalmte luchtig kwamen uitduiden. Op andere beeldjes -zit zij in een lotus, een kindje in den arm dragende, in verschillende -houdingen. De grootere geven haar op de rotsen van den berg Hiang Shan, -naast haar Shen Ts’ai en Lung Nü en een kindje in den arm, met een -vaasje bloemen en den vogel, neêrgestreken bij haren schouder. - -Maar, hoe liefelijk en gracieus ook, en hoe adorabel naïef ook door den -eenvoudigen werkman gedaan, deze moderne steenen beeldjes, die -hoogstens charmante bruidjes zouden kunnen voorstellen, geven niet het -hoog-sereene, immens genadige en streng-kuische van de Kwan Yinfiguur, -de voorstelling van het hoogste vrouwelijke, dat reinheid is en liefde. - -Ik weet niet, wie de schepper is van de oude porseleinen beelden, wiens -naam was Ho Chao Tsung, daar ik nooit de geschiedenis van zijn leven -heb kunnen vinden, maar sedert ik zijne statige kunst heb gezien, zal -ik hem evenmin kunnen vergeten als die groote kunstenaars van het -Westen, wier werk niet van eene periode, maar van de eeuwen is. - -Een Kwan Yinbeeld als van Ho Chao Tsung is méér dan eene afbeelding van -een godenfiguur, het is een geheele filosofie, niet in hare wording en -ontwikkeling, maar in haar opperste moment van weten, simpel grandioos -als al het eindelooze. Ik kan mij niet voorstellen, dat iemand zulke -beelden kon maken die onder zijn werk niet als een wijze en een heilige -voelde. Want het gezicht van Ho Chao Tsung’s Kwan-Yinbeelden is geen -menschengezicht meer, maar eene openbaring in dien schijnbaren vorm van -diviene wereldwijsheid; het ziet met die droomende, half-geloken oogen -in het eindelooze; het is zoo roerloos en zacht van den vrede van den -puren god-mensch; het is de goddelijke ziel, die er in schijnt en het -verheerlijkt tot een revelatie. - -De mooiste Ho Chao Tsung, die ik bezit, is een beeld van ongeveer vier -decimeter hoogte, [45] van een wit porselein, met een lichtblauwe tint, -als wel eens op melk ligt. Zij is in zittende houding, niet, zooals bij -de meeste andere beelden, met gekruiste beenen, maar met het -rechterbeen opgetrokken, en het linker er onder gevouwen. De beenen -zijn niet te zien, evenmin de armen en handen, want haar enorme wijde, -witte gewaad bedekt haar gansche lichaam, behalve het gezicht en de -borst. Het gaat héél voorzichtig-zacht over de haren, zóo lucht, dat -het niet drukt, maar als een dons is boven het hoofd, valt heel -gevoelig langs hals en schouders, met diezelfde intenze teêrheid, -waarmede op oude schilderijen der primitieven blanke sluieren droomen -langs fijne maagdeslapen, gaat in weinige, statige lijnen langs rug en -borst, en valt dan wijd uit om heupen en beenen in een triomf van -vrome, wijze plooien. Die bizonder teêre en toch strenge gewadeplooien -zijn een apart kenmerk voor een Ho Chao Tsung. Géén ander kunstenaar -heeft hem ooit overtroffen in het modelleeren van een gewaad en -rijkheid van draperie. Zóo herkende ik later een ander beeld, -voorstellende den heiligen priester Tat Mo Tsu Su dadelijk als een Ho -Chao Tsung, voor ik zijn merk gezien had, enkel aan de sublieme -staatsie, waarmede hij zijn gewaad optilt op beide armen, en dán in een -glorie van groote plooien wijd om zich uit laat vallen, als golfde al -zijne wijsheid daarmede van hem af. Het porselein, immers zelf zoo mooi -glanzend wit van materie, is zoo fijn en gevoelig bewerkt, dat de -illusie volkomen is van een echt vrouwenkleed in alle blank- en -zachtheid. Al de ondulaties van die plooien zijn door de ziel van den -kunstenaar gevormd, enkel zéér zuivere ziele-emotie kon ze zoo -statig-streng en toch eindeloos liefelijk doen opgolven, en uitwijken, -en weêr neêrdroomen, dat het gewaad van transparant porselein wordt als -de ziel van den adoreerenden artiest, die om het lichaam van de godin -heendroomt. En dan bij al dat strenge en wijze, dat van een oud, grijs -man lijkt te komen, die kleine, innige liefheden, als het héél fijn -bewerken van de haren, één voor één getrokken, en het plooien van een -rozet op de borst, als gedaan door een meisjeshand en die diadeem van -bloemen en pareltjes op het hoofd, en de fijn afgewerkte parelen, allen -even rond, van het kruis op de borst. En,—om te kussen van liefelijke -gevoeligheid,—onder de plooien van het gewaad komt een gedeelte van een -bloote voet te voorschijn, tot in de kleinste fijnheden gemodelleerd, -en met gladde ronde nageltjes als bloemebladen, zooals een kindje wel -heeft. - -Wat moet het een geluk zijn, zooiets langzaam, langzaam aan gemaakt te -hebben, het te hebben bewerkt met teêre, gevoelige handen, het -voorzichtig aanrakend als ware het een droom, die elk oogenblik kon -breken! En dan eindelijk de angst, als het weeke ding in het fornuis -werd gezet, in de hitte van het vuur! Eén oogenblik boven het -vereischte, en het werk van maanden barstte in stukken. [46] Maar het -geluk, als het gaaf uit de hitte kwam, en verkoelde, als het weeke -glanzend en hard was geworden, en daar stond het beeld levend, -onaantastbaar door de lucht en stof, en het zag den kunstenaar aan, -zooals het uit zijn eigen ziel was geboren! - -Beelden als de oude porseleinen van Ho Chao Tsung en anderen zijn niet -om in daglicht te zetten. Zij hebben eene aparte omgeving noodig van -kleur. Daarom zet een chinees ze altijd in een nis. De nis is vierkant, -met van achteren een fond van zijde,—bij Ho Chao Tsung doet mooi -lichtroze—, de zijwanden half van hout, waarop weer dezelfde zijde, en -de bovenhelft van glas, en van voren een raam van glas, zoo mogelijk de -stijltjes besneden met lotussen, en aan weerskanten van boven een draak -of een feniks. De nis rust niet op den bodem—wat te grof zou -staan,—maar staat òf op een werk van uit hout gezaagde bloemen, fijn -als kant, òf op gracieuze, kleine pootjes, die het met een teêr -gebaartje lucht oplichten van den grond. Boven een mijner nissen staat -met gouden karaktertjes „De wolk van liefde”, een eerenaam voor Kwan -Yin, en hangen aan weerszijden tabletjes af met in gouden karakters: -„De wijze Tathagata van het witte lotus terras” en „De -In-zichzelf-bestaande van het schoone bamboebosch.” Daar voor de -chineezen karakters heilige dingen zijn wordt de eerwaardigheid van -zulk een beeld door dit opschrift nog verhoogd. En het zou -heiligschennis zijn na te laten, op den 1en en 15en der chineesche -maand, er wierookstokjes voor te branden. Het staat dan ook heel mooi, -de teêre blauwe wierookwolkjes te zien opdampen, langzaam rijzend, en -droomend, voor het stille, glanzende beeld. - -Uit de beelden van zulke kunstenaars is de Kwan Yinfiguur in hoogste -uiting voelbaar, véél zuiverder dan uit al de legenden en dubieuze -Soetra’s. Kwan Yin is dan ook geen hoogste ideaalfiguur voor mij -geworden vóór ik die oude kunst had gezien. En ik weet nog zoo goed den -tijd, en de straat, en de omgeving, toen ik voor het eerst dat sublieme -vrouwenbeeld zag, alsof ik op dien dag de vrouw had gevonden, die ik -liefhad. De smalle, donkere straat in de chineesche stad, armoedig en -vuil, en het onaanzienlijke winkeltje, met het grove, grijnzende -gezicht van den ouden sjacheraar die het voor mij had opgespoord. En -daar, op die smerige toonbank, in die omgeving, zonder nis, was het -blanke beeld, wonder glanzende. Dan het loven, en het bieden, en het -groote, groote verlangen om het aan te vatten met heel zachte vingers, -en weg te dragen, ver weg van deze misère, naar mijn vertrouwde kamer, -bij mijn boeken en al mijn intieme dingen! En dit bijna religieuze -verlangen, bang, bevend voor de slimme, ongevoelige tronie van den -kwanselaar, wetend dat hij let op iederen trek van mijn gezicht, iedere -trilling van mijne handen! En dan het weggaan, met kloppend hart, bijna -schreiend, omdat hij meer wil hebben dan ik met de grootste moeite kan -missen. Dan een maand, in zenuwachtige spanning, zonder nieuws, tot -eindelijk de antiquair zelf bij mij komt, om weer te beginnen met het -ignobele gebied, en dan eindelijk accoord, en naar zijn winkel aan den -overkant, waar ik het lang-verlangde krijg. En nu zie ik mij weer in -mijn’ grooten draagstoel zitten, op de schouders gedragen van magere, -naakte koelies, het beeld voorzichtig tusschen mijne knieën, zoo door -den goudmist, die in winterschemeringen over de duistere, chineesche -straten droomt, door de vreemde woeling van gele menschen heen, met -overal geruisch en geschreeuw, en het bommen van gongs in de verte. En -dan het uitstappen aan de kade, en haastig in den sampan, van Amoy -terug naar het mooie eilandje Ku-Lang-Su, waar mijn huis staat. - -Ik zie nog de zee, in het weifelend licht van den vallenden avond, zoo -rustig en sereen. Ik zie nog de bergen van het vasteland, ten Westen, -met hun roodgouden glans, waarlangs vage wolken droomen. Ik zie de -hooge rotsen van het eiland, statig-stom oprijzend in de lucht. Ik zie -de bergen in het Oosten zacht wegnevelen in grijzenden mist, en vage, -dofgouden zeiltjes wenkende en wuivende over het water, en het -droevige, roode lichtje ergens, van een vuurtoren, en heel vér die -wondere mysterieën van mijmerend licht en stervende lijnen aan de -horizonnen der zee. - -En o! hoe duidelijk zie ik het nog, zooals het nu voor mij staat, even -helder, hoe ik het blanke, blanke beeld hield in mijne handen, hoe ik -het aanstaarde en staarde, en voel ik hoe gelukkig ik was, dat ik dit -lichte wezen had gered uit die duistere stad. En die bergen, die -rotsen, die zee, die vage horizonnen, zij zullen altijd voor mij -blijven, zooals ik ze zag op dien avond, toen ik haar met mij medenam -naar mijn eigen huis, die lichte godin van liefde en genade, Kwan Yin. - - - -Hebben de porseleinen van Ho Chao Tsung het statige van lijn en het -bizonder prachtige der draperie, en geven zij in uitdrukking van gelaat -de in het eindelooze verloren zaligheid van de ziel, als -porseleinmaterie doen zij onder voor het wondere Peh Ting, waar ik met -groote moeite één exemplaar van ben machtig geworden. Het stuk is „puh -ts’ üen”: niet volmaakt, want van de achttien armen, die de Kwan Yin -hierop oorspronkelijk had, zijn er zestien verloren [47], maar het is -met zulk een minutieuze zorg gerepareerd, zooals alleen een chinees kan -doen, dat de oningewijde er niets van ziet. [48] Uit een wilde zee, met -opkrullend schuim, rijst de rechte, gestyleerde stengel van een -lotusbloem. De lotus opent zich wijd, met twee rijen fijne blaadjes, -gescheiden door een krans paarlen. In dien blanken kelk zit de boeddha -Kwan Yin, met over elkaar gekruiste beenen, de zolen naar boven. De -beide handen zijn opgeheven en saamgevouwen, en op de toppen van de -opgestoken wijsvingers bloeit een bloem van rood koraal, waar de -starende blik der oogen op is gericht. Aan weerszijden van den stengel -staat een figuur op een schubbigen, kronkelenden draak, met -opengesperden muil, de een de boeddha Jên Ting, Miao Sjen’s beschermer, -de ander Hwang Lung, de Gele Draak, die haar door de hellen geleidde. - -Dit beeldje is wel een van de grootste wonderen van kunst, gemaakt uit -materie, die ik ooit heb gezien. Het is blank en transparant als een -sneeuwwitte wolk, waarachter maanlicht schijnt. Het lijkt -gekristalliseerd uit lichten aether en sterrenglans. Het heeft een -zacht, puur schitterend licht, als scheen werkelijk door dat broze -porselein die goddelijke ziel, die van Kwan Yin is. Het zit zoo lucht -op de blanke bladen van den lotus als ware het enkel lichte schijn, -zonder zwaarte, als maneglans op een lelie. In het doorzichtige -porselein beeft héél even een vaag weifelend, teer rose licht, als op -het moment, als het eerste morgenlicht zich zacht beweegt in den nacht. - -De dunne armpjes lijken wel stengels van lotussen, zoo fijn, het -gewaadje is om de knieën en langs de beenen geplooid met teêre -vouwtjes, rein-wit, en lucht als golfjes licht. - -Dit wondere beeldje heeft een eigen leven van mysterieuze essence; er -schijnt door zijn pure vormen een licht als van maneschijn en -sterrenglans, droomend door ijl-blanke wolken. Het is een sublieme -benadering van materie tot zuiver zielelicht, het is op de grens van de -verdrooming der essence. Dit Peh Ting porselein is als van ziel -gemaakt. [49] - - - -Deze broze, teedere dingen zijn om te zetten in een stille, vertrouwde -kamer, met zware gordijnen van zachte couleur, temperend het harde, -schelle daglicht, waarin ze staan als vreemd en koud. Ze zijn om te -zien ’s avonds, thuisgekomen, vrij van het leêge gepraat over menschen -en zaken, moê van het zien in de wisselende bleekheid der altijd -veranderende dingen. Geen hevig licht van gas of gele olie. Dáár staan -de lotuslampen van zacht-blinkend tin, de wijze, stille bloemen, die -haar groote, blanke bladen ontvouwen in kuische eerwaardigheid. Zij -dragen de ballonnen van donkerrood en licht lilas, waarin de heilige -kaarsen worden ontstoken. - -En in dit reine bloemenlicht, in de nissen van roze en blauwe zijde, in -dat zachte, vaag-droomende licht, schijnen de beelden óp in hun -allerreinsten staat; hun innigste, pure leven, als dood in den harden -dag, schittert nú op in zuiveren zieleglans. In de bleeke realiteit van -den dag doen zij hun leven niet zien, die teêre, kuische, als maagden, -hun ziel ontbloeit alleen in het zachte licht van een schemerenden -droom. Dán blinkt hun blanke lichaam van wonderen glans, en roerloos -zijn ze, hun ziel van licht schijnende om hen heen, want hunne oogen -zien de horizonnen van het eindelooze.... - - - - - - - - -EEN BRUID. [50] - - -Ik was uitgenoodigd, de bruid te zien in het huis van Oei Cho Tsia, een -der aanzienlijkste chineezen van Amoy. - -En ik weet nog zoo goed, hoe toen alles gegaan is! De poort-deuren -waren opengegaan, en ik stond op het binnenplein. Het is, of ik alles -weer voor mij zie, nu ik er over schrijf. - -Ik blijf stilstaan, daar buiten in het donker, stil van bewondering, in -lichtgroeting. Ik zie in de openstaande ontvangzaal. Een lange, -doorloopende hal, donker voor, en áchter schittering van licht, feest -van licht, waar vreemde lampen schijnen, en kuische kaarsvlammen, en -wierook droomt. Duister vooraan, en áchter opbloeien van lichtrood, -lappen van rood, vlaggen van vlammend rood, waarin fonkeling van goud -en zijde, galakleur in staatsie van licht. En in dat verre licht beweeg -van menschen, van lichtblauw en geelgroen en paarsch, zacht-gaande -kleuren van feestgewaden, voornaam van weelde.—Als het beweeg in een -kerk, gezien van verre. - -Ik treed de deur binnen, en hef de handen saâmgevouwen op de borst, en -dan weer neêr, ten groet. En een schaar rijkgekleede chineezen komt mij -tegemoet, met evenwijdige nijging van lijven, en waardigen stap. Ik zeg -op hoogen toon: „Kiong Hi! Kiong Hi!” [51] en ik gebaar vreugde, en -lichten wensch. De vader van den bruidegom zegt zijn beleefden dank, in -statig-gestyleerde taal, waarin rijke woorden blinken. Hij draagt -zacht, licht groen, bijna geel, om zijn voornaam lijf. Hij is de Heer -van dit groote huis vol kleuren en licht, en de gouden karakters op de -roode lappen en tabletten aan den wand roemen zijn deugd en zijn geluk. -Breede lappen, van een superieur rood, schitterend van intenze kleur, -met het goud in overdadige luxe. Hij staat kalm en waardig in die -glorie, uitstralend van de wanden. - -Tegen den achtergrond van de zaal staat het familie-altaar, een wondere -creatie van licht, paarsch-rood licht, helwit licht, en geel licht, -rechte vlammen van kaarsen en blinkende glazen kappen. In de heilige -lotuslampen met roodhoornen ballonnen, donkere wijngloeiing, vlamloos -in bloemekelken. En uit teêre bundels wierookstokjes, éven opschietend, -gaan mystieke vonken omhoog. Er waait een zachte geur van af, op -stillen adem. - -Ik wilde wel lang, lang zien in die lichten, maar de kleuren van -menschen komen er telkens weer voor. - -De Bruidegom.—Een deftige chinees, met een gezicht van veel studie, en -zich zelf aanzienlijk en superieur weten. Kalm onder het plechtige -feest, met de emotie verbloemd in voorname rust, en met eenvoudige -gebaren bewegend ín zijn gewaad van weelde. Hij draagt een donkerbrons -costuum, met wijde mouwen, en wijde broek, waarover op de borst een -overgewaad, zonder armen, van lichtblauw. Zachte kleur van gebrocheerd -zijde-satijn, een gala van lichte liefdekleur, met gestyleerde figuren. -Een bloei van stijlvolle bloemen op zijn borst, wonder glanzend, met -fijne omtrekken, lichte buiging van lijn. Zij zijn zachte geheimen om -zijn huwend lijf. - -Ik buig diep, met den eerbied van handenheffing en daling. Dán zeg ik -mijne gelukwenschen, met hoog-opgaande woorden, naar den roem van zijn -huis, en de deugd zijner bruid. - -Ik spreek moeilijk het zingende chineesch, want ik zie te veel den -schijn van zijn wezen daar vóór mij. Ik zie naar den glanzenden bloei -van bloemen over zijn hart. - -Dán zie ik weer overal in ’t rond de groote lappen kleur, luid -feestgejubel van rood, met de schittering van ’t rijke goud der -karakters. De chineezen bewegen voor mijn oogen als stukken -zacht-waaiende kleur, langzaam-wuivende stoet van blauw, paarsch, en -geel, en het teêrvibreerend geuren van den wierook doet om mijn hoofd -een droom gaan. - -Ik gevoel mij onwillekeurig bewegen en gebaren, onbewust meêgevoerd in -het doen der chineezen. Ik kom te zitten in een ebbenhouten zetel, rijk -ingelegd met paarlemoer, ter linkerzijde van het altaar, en ik ruik een -fijnen geur. Het is naast mij, op een laag tafeltje, een kopje thee, -zacht wit porselein, met groene en roode figuren. De thee daarin is van -het geel der bleeke bladeren in den herfst. - -En terwijl ik zonder weten gebruikelijke woorden spreek, kijk ik naar -de altaar-tafel. De lichten branden zacht voor de ziele-tabletten der -vaderen. Ik zie twee lampen als bloemen. Een ranke, zilveren stengel, -lucht rijzend omhoog, uitbloeiend in een lotuskelk, met gestyleerde -bladen. Zacht bolt uit den kelk een donkerroode bloem-ballon, waarin -licht droomt. Donkere gloeiing als van heiligen wijn in transparanten -kelk. Deze bloeme-lamp brandt vlamloos boven de tafel, teer gedragen -door den luchten steel, op de rijke bladen van zilver. Aan het andere -einde brandt een zelfde bloem tweeling-licht. En tusschen die twee -lotus-lampen staan vazen met vreemde bloemen, van het donker -goud-en-geel van bergen in zonneglans, en het purper van avondrood -boven de zee. Zij zijn zachte mysterieën van bloem, wondere poëemen van -kleur, een wijding in dezen hoogtijd. Daarachter staan rechte, roode -kaarsen, met de fijne amandelvlam, die somtijds beeft. En in blinkende -wierookvaten met sandelpoeder rijzen de dunne wierookstokjes, mystieke -vonken dragend van donkerrood, die roerloos gloeien. Hier en daar dampt -een wolkje rook op, in kuische golving, droomerig en stil... - -En de gewaden wuiven steeds vóór mij, wuiven blauw, wuiven zacht, zacht -voor mijn oogen... - - - -Vrouwen en meisjes zijn niet te zien. Die worden verborgen voor -mannen-oogen, des te meer voor barbaren uit het Westen. Maar áchter het -altaar, waar het ver doorloopt, wuift somtijds een gordijn weg, gaat -ergens een deurtje open, even, hálf-open maar, en dán ópgekleur van -rood vrouwengewaad, geschitter van oogen, gedempt lachen, en gerucht -van fluisterende stemmen... Fonkeling van een steen in het donker, en -geruisch als van armbanden, en schuivende snoeren koraal of jaspis... - -Vaag en zacht is het verlangen, om die vrouwen te zien... - - - -Nu word ik uitgenoodigd om naar de bruid te gaan. En een paar chineezen -gaan mij vóor, op zachten stap van hun vilten zolen, mooie figuren zoo -van achteren gezien, met de wijd-uitgolvende mouwen, rijk van val. De -lange staarten, recht over den rug, ingevlochten met roode zijde, -glanzende op hun gewaad. - -Links van de groote voordeur een kleine kamer. Veel licht, en weer -schittering van kleur en goud. Ik krijg een lagen zetel, vóór in die -kamer, en om mij heen blijven de chineezen staan. En ik zie het eerst -een beeld, levensgroot, naast een tafeltje met licht en porselein, en -daarachter wakende een oude, oude vrouw. Het beeld zóó schitterend, dat -ik niets anders zie. Het is van rood en goud, van zóó intenzen glans, -dat het licht van zich uitstraalt, als een ster. - -Het is het beeld van een maagd. Het draagt een kostbaren, rooden -mantel, wijd van armen, met rechten val van breede mouwen. Het hooge -rood draagt een lichten bloei van goud. Een draak van goud, rijzende -uit gouden golven, strevende omhoog boven een wilde zee, in een -atmosfeer van gouden wolken, lekkend met opgesperden muil naar een zon -van goud. De oogen zijn twee blauwe steenen, fonkelend van een vreemden -gloed. En rijk er omheen blinken gouden bloemen, sterren en karakters, -en schitterende fenixen vliegen op wijd gespreide wieken in het helle -rood. Een creatie van goud en licht, met superbe lijnen, in -heerlijk-statig bewegen. Het straalt een emanatie van goud naar alle -zijden, rayonneerend uit het felle gala-rood. - -Daaronder tintelt lichtgroen van wijde ondergewaden, rokken van -fonkelend groen, met zachtroze bloemen, en gouden vogels en vreemde -dieren, een hert, een schildpad, een reiger, een vleermuis. Vage -herinneringen gaan door mijn hoofd van geweten hebben waaróm die -figuren, en welke symbolische beteekenis, maar niet meer weten, niet -meer willen weten, veel te gelukkig van al dat goud, te blijde in de -ontvangenis van al het licht. Mijn oogen bewegende meê met al die -lijnen en contouren, vergaande in die wereld van goud. Lang, lang -daarin turen. En dan opkijken, hooger aangetrokken door nóg meer glans. -Een hoofdtooi van groote schittering. Het beeld heeft een hooge tiara, -als een papale kroon zonder kruis, maar met vier hoog uitstekende -fonkelstengels, dragende bladen, waarop gouden karakters. Op die kroon -weer een rijke bloei van bloemen, waarboven zwevend luchte kapellen. -Somtijds, op een lichten tocht-adem, trillen hun transparante vleugels. -En aan weerszijden zware gouden sieraden, met rechte, laag neêrdalende -franjes. Kuische neiging van gouden lijnen langs een hoofd, neerkomende -met zegenend gebaar, als de luchtwortels van den heiligen boeddha-boom. -En nu, nedergaande met de gouden lijnen, zie ik het hoofd, het hoofd -van zacht-geel, van teêr blozerood omdroomd. Het neigt zacht, zacht -naar beneê, in roerlooze rust. - -De oogen zijn geloken, hun kleur is niet te zien, door de lange, fijne -wimpers der half-toeë oogleden, die ze kuisch bedekken. Daarboven gaan -teêre wenkbrauwen vér omhoog, met een vaag gebaar, als de lijning van -avondbergen in manedroom. De mond met een vastheid van wil in de -uitdrukking, alsof hij in hoogste intensiteit zoo is geworden, en niet -meer te spreken behoeft, zóó volmaakt. - -Zoo staat het beeld, als een licht wezen van rood en goud, rijk van -kleur en lijning, met het hoofd zacht gebogen, neigende met het gebaar -van een eindeloos geluk, of een eindeloos leed, dat roerloos is in -hoogste expressie. Het suprême leef-moment van een mensch, als de -wisselende vorm een eeuwig ideaal wordt, éven opschitterend in den -rusteloozen gang der verschijningen, zóó lichtte voor mij óp dit -maagdelijk gezicht.... - -Mijn oogen zijn nu moê van ’t zien, mijn oogen van het Westen, die zóó -de kleur niet kenden, en het licht. En zij dwalen af. Een tafel met -brandende lampen, en kaarsen, en wierook, en daarbij ook schotels met -vruchten, gebak en wild. Vreemd, dit vertoon van spijzen, en onwillig -ruik ik den geur van het gebraad. Maar weer mooi het gedempte licht van -de lampen. - -Links zie ik een bed, een praalbed, ook van rood en goud, met rijke, -opgeslagen gordijnen, vastgehouden met gouden banden, en bewerkt met -glanzende borduursels. De stijlen van het bed zijn wonderen van -houtsnijkunst, fijn uitgesneden, en van boven door een breede strook -van dat cantillewerk verbonden. Het is een mêlée van menschen, en -paarden en wagenen, ijlend door vlakten en dorpen, en vloten van -jonken, in wild-golvende zee. En ik herken het, van dichtbij. De -sprookjes, de sagen van de Saam Kok Tsi, dat heerlijke boek der -chineesche middeneeuwen! Gezien op het tooneel van af de eerste jeugd, -en eindelijk zoo één met den chinees, dat hij dat alles laat uitsnijden -in zijn eigen slaapstede, als om er ’s nachts van te kunnen droomen! - -Op de mat in het bed liggen fijne, dunne dekens van zachtroode zijde, -streeling voor vermoeide leden. Want dit bed van gala is de heilige -sponde van huwing. - -En ik zie weer naar het beeld. Wat is het stil, zoo stil! Ik kijk -aandachtig, aandachtig, met half-dichte oogen.... Zou het wel een beeld -zijn?.... Totdat het zachtjes beweegt. De bloemen op de kroon trillen, -onder adem van wind. Luchtjes wiegelen de kapellen.... - -Het beeld draagt een mandje op de handen, met gebaar als van offering. -De oude vrouw steunt het onder de armen, bang of het zou vallen. Zacht, -zacht beweegt het, op stillen stap van kleine, o! zoo kleine voeten. -Het nadert mij, langzaam. Maar geen lid van het bovenlijf beweegt. Het -gezicht blijft roerloos genegen, de oogen blijven laag geloken, en -dezelfde wijding glanst over dat hoofd. Reine rust in den val der -mouwen, in de lijning der gewadeplooien, die stil blijven van -ongebroken boog. Zacht ruischen de gouden sieraden. Bloemen trillen op -luchte wuiving. En de Bruid nadert mij zachtjes, waar ik eerbiedig ben -gezeten. Maar het is een boeddhabeeld, dat roerloos schrijdt naar -adoreerenden, de incarnatie van een hoog ziele-moment, op luchten adem -zwevend van een mirakel..... - -O ja, ik heb een klein geschenk medegebracht in rood papier, dat moet -ik leggen in dat mandje, en buigen. En ik moet wat van de lekkernijen -daarin van één vak overleggen in een ander, en zelf niets nemen. Dat is -mij zoo geleerd. Gelukkig, dat ik er nog even om heb gedacht.... - -De Bruid is vóór mij, en staat stille. Ik grijp voorzichtig in het -mandje, verwissel de suikertjes, en leg er zachtjes mijn geschenk in -neêr. Opstaande, heb ik het hoofd gebogen, diep. En nu zie ik -dichterbij het zacht-geel gezicht, waarover droomerig roze. Het blijft -roerloos, en genegen. - -En ik zie er het sterven van de Maagd, dood van broze mysterieën, wat -eindeloos droef is, en ik zie er den droom van licht Verlangen, de -kuische rijzenis van de Vrouw, wat eindeloos blij. En de oogen zijn -stil toegegaan, in dat suprême moment van dien dood en die opstanding -van het Leven, dat zoo hoog over dat teêre hoofd ging.... - - - -Nu gaat de Bruid zacht, zacht weer heen, op denzelfden luchten adem. Ik -voel het, hoe zij weggaat, het gaat ver, ver van mij. Het was te schoon -om lang te blijven. - -Maar ik heb gezien het opperste moment van leven in den wisselenden -gang der vage menschenvormen, een goddelijk droomgezicht, bevende op -die grens van Maagd en Vrouw, waar de weerglans schijnt van een eeuwig -licht. - -Het is gekomen, als alles wat heel broos is, en te teêr om lang te -wijlen, stil, stil gekomen, het toefde even, en is toen zacht weer -heengegaan van mijn oogen.... - - - - - - - - -DE CHINEESCHE HEL. - - -I. - -Zooals algemeen bekend is, neemt de Noordelijke boeddhistische school, -die men gewoonlijk de Mahâyana noemt, het bestaan aan van een hel, in -welke de zielen voor de op aarde begane zonden moeten boeten. De -chineesche hel is uit het indische boeddhisme overgenomen, maar heeft -een geheel eigenaardig chineesch karakter gekregen. - -Zij is verdeeld in tien gebieden—tjen—, elk met een koning aan het -hoofd. Elke „tjen” is weer verdeeld in achttien groote en zestien -kleine afdeelingen. Zij liggen onder den bodem der oceanen, in het rijk -der duisternis. In die hellen heerscht, als op aarde, een -mandarijnenregeering. De koning heeft zijne hooge en lage ambtenaren, -in verschillende gewaden, met verschillende teekenen van waardigheid. -Hij zit behoorlijk voor de mandarijnentafel, en de zielen, door -soldaten opgebracht, komen knielende binnen om hun vonnis aan te -hooren. - -Karakteristiek is de beschrijving der hel in „De oorspronkelijke, echte -Soetra van het overvoeren van Kwan Yin”, een totnutoe onvertaald werk. -[52] - -Kwan Yin, de Godin der Genade, bezocht na haren dood, als prinses Miao -Sjen, met den geest Hwang Lung, den Gelen Draak, en de beide -geestenkinderen, het Gouden Jongetje en het Edelsteenen Meisje, de -hellen. - -Toen het eerwaardige gezelschap aan de grenzen van het Rijk der -Duisternis was gekomen, ging het Gouden Jongetje voorop, naar den -duivel die voor de poort de wacht hield. Toen deze die van licht -schitterende verschijning zag aankomen, dacht hij: „dit is zeker een of -andere geest uit de westelijke regionen”, en vroeg dus heel beleefd: -„Groote Geest, wat voert U herwaarts?” Het Gouden Jongetje zeide: „Ik -ben het Gouden Jongetje, dat in het Paleis van den Jaspis-Vijver voor -den zetel van de Gouden Moeder, Kin Mu, staat, en ik ben uitgezonden -met den Gelen Draak en het Edelsteenen Meisje, om de prinses Miao Sjen -de hel te laten zien. Weest dus zoo goed, dit te gaan berichten.” De -duivel bracht dit bericht over aan den mandarijn Saan Tso Fah, die dit -grensgebied regeerde. Toen deze zulke aanzienlijke gasten hoorde -aandienen, liet hij direct de tafel met wierook gereed maken, en beval -zijn gevolg, de staatsiekleederen aan te trekken. Toen liet hij de -prinses in de voor-binnenzaal, en verrichtte hij voor zijne gasten de -hooge beleefdheidsceremonieën. - -De prinses vroeg: „Waarvoor dient toch de poort op deze plaats?” - -—„Hier wordt de naam der menschen opgeschreven, die gestorven zijn,” -antwoordde de mandarijn. „Van hun goed en kwaad, dat hier onderzocht -wordt, maak ik een verslag op. Zij, die hun ziel verreind hebben, en -wier deugden en werken volmaakt zijn, gaan naar de hemelsche gewesten -om daar eene betrekking te krijgen. Volgens de oorzaak, door hun werk -gecreëerd, ontvangen zij de albewustheid der geesten en wordt er voor -hen op aarde wierook gebrand. Degenen, wier goed werk wel bestaat, maar -nog niet geheel volmaakt is, gaan van het eerste hellegebied direct -naar het tiende, en behoeven niet door de acht anderen. Zijn zij in het -tiende hellegebied gekomen, dan wordt, volgens hun vroegere -verdiensten, hun kleeding en tractement vastgesteld, en worden zij weer -in het leven als mensch geboren, òf rijk òf arm. Het goed wordt, als -het minder is, van het kwaad afgetrokken, en volgens het overblijvende -kwaad wordt dan gestraft. En omgekeerd.” - -De prinses zeide hierop: „Deze betrekking van U lijkt mij nogal -ellendig toe. Kunt U ook promotie maken?” - -De mandarijn antwoordde hierop bevestigend, daar Shang Ti, de opperste -God, wel het kwaad strafte, maar ook het goede beloonde. Als hij dus -maar goed oppaste kon hij hoogerop komen. - -Toen vroeg hem de prinses: „Ik heb gehoord, dat hier een Spiegel der -Zonde is, waarin de dingen, die de menschen gedaan hebben, worden -weerspiegeld, en die goed en kwaad weêrkaatst. Is dat werkelijk zoo?” - -„—Óf het,” antwoordde de mandarijn. „Dat zijn heusch geen leêge -praatjes!” - -Daarop ging het gezelschap verder, en zagen zij een ander hoog -ambtenaar, den „Beslisser-Mandarijn” genaamd, die op last van den -koning van het eerste hellegebied, de prinses kwam begroeten. Deze -Beslisser bracht haar bij een hoogen spiegel, op een voetstuk. Een -roodgebaarde duivel, met groen gezicht, en slagtanden, had juist een -mensch gegrepen, en hem gedwongen, voor den spiegel neer te knielen. -Ter zijde stond een mandarijn die, met het hoofd knikkende, zijne -bevinding met een penseel opschreef in een boek. De prinses vroeg, wat -dit toch wel moest beteekenen, en de Beslisser antwoordde, dat deze -mensch op aarde veel zonde had gedaan, en die maar niet wilde bekennen. -Daarom werd hij nu voor den alles weerkaatsenden spiegel gebracht. De -mandarijn die ter zijde stond, schreef alles op, om de straf te kunnen -bepalen, die de zondaar moest ondergaan. - -Zóo sprekende, wandelde het illuuster gezelschap verder op, tot voor -den zetel van den hellekoning Tseu Kwang. De koning excuseerde zich, -dat hij de prinses niet reeds eerder was komen begroeten, en bewees -haar de gebruikelijke beleefdheden. - -Hij geleidde de prinses en haar gevolg nu verder in zijn gebied. Twee -scharen menschen waren elk aan eene zijde van den weg verzameld. De -eene schaar lachte en scheen vergenoegd, de andere was in groote -vreeze, en lag geknield. - -Toen de prinses nader om zich heen keek zag zij een houten tablet boven -den koninklijken zetel, waarop geschreven stond: „Het Eerste -Helle-Gebied,” en een rol neêrhangend papier met het opschrift: „De -Spiegel der Zonde is helder. Duizend booze plannen kunnen hier niet -verborgen blijven.” - -Miao Sjen vroeg, wat de menschen daar deden, en hoe het kwam, dat -sommigen lachten, en anderen schreiden. En de koning antwoordde: - -„Die daar, met die blauwe kleederen, heeft den familienaam Lao en den -eigennaam Poe Sien. Hij had een hart als de goede Oorsprong van Hemel -en Aarde. Hij deelde overal aalmoezen uit aan armen en ellendigen. Die -daar met het groene kleed heet Kang Siu Tik. Deze heeft zijn geheele -leven lang het beschreven papier vereerd en verzorgd, soetra’s en -stukken uit de heilige Kings opgezegd, nooit vleesch gegeten, en de -menschen vermaand tegen het dooden van levende schepselen. Hij heeft -bruggen en wegen hersteld, en was geen dag van zijn leven in ledigheid. -Die daar met het gebloemde kleed is Tin Ti Go. De eerste dertig jaren -van zijn leven wist hij niet wat goed en kwaad was, en zijne zonden -waren velen. Op zijn een en dertigste jaar ontmoette hij iemand, die -hem tot bewustzijn riep en hem deed ontwaken. Toen deed hij een gelofte -om den heiligen Tao Teh King van Lao Tsz’ op te zeggen, en zich uit te -putten in gaven voor de armen en ellendigen. Door zijn gedrag en zijn -werken maakte hij alles weder goed. Nu is hij gestorven, twee en -zeventig jaren oud. Die daar met dat andere groene kleed, het -gescheurde, is Tshi Lip Tsi, die van jongs af aan alleen plantaardig -voedsel at. Zijn geheele familie was arm en leed altijd gebrek, maar -toch bleef hij goed, hetzelfde mensch tot aan zijn dood toe. Die vrouw -daar in het blauw is Hong Si, gehuwd met zekeren Ang. Haar man leerde -het vak van varkensslachter. Zij bad van ’s morgens vroeg tot ’s avonds -laat den Hemel, om hem tot inzicht te doen komen. Zij smeekte hem, toch -niet te dooden, en eindelijk verliet hij de zonde en volgde het goede. -Man en vrouw, en hunne geheele familie werden vegetariërs. - -„Over deze vijf menschen wordt volgens de wet beslist. Ik heb reeds een -rekwest voor hen opgezonden, en als hierop een gunstige beschikking -komt, geleid ik ze de hel uit, den weg op naar de hemelsche paleizen.” - -Eigenaardig is deze epizode voor de karakterizeering der chineesche -ideeën omtrent de hel. Zóó ingegroeid is bij de chineezen het idee van -een mandarijnen-regeering, en zóó innig is het genot en het verlangen -om mandarijn te zijn, dat zij zich geen hel, en ook geen hemel, kunnen -voorstellen, waar het niet evenzoo zou toegaan als op aarde. Er worden -missives en rekwesten opgezonden naar de opperste Godheid, er komen -gunstige beschikkingen, er zijn registers en boeken, waarin namen -worden opgeteekend, er is promotie en degradatie, in één woord, er -heerscht dezelfde autocratie, en ook dezelfde bureaucratie, als in het -ondermaansche. Zonder dat is er nu eenmaal geen plezier aan.—Of er ook -omgekocht en geknoeid kan worden, staat niet vermeld, maar dat is wel -waarschijnlijk. Een chinees in de hel of in den hemel blijft nu eenmaal -een chinees. En in het vervolg van dit stuk, als ik van koning T’ai -Tsung vertel, zal de lezer zien hoe goed het in elk geval is -kruiwagentjes te hebben in de hel. - -De hellekoning ging voort: - -„Die daar met dat vuile kleed, die daar knielt en schreit, heet Ho Hin -Jen. In een vorig leven werd hij arm en ellendig geboren, maar zijn -hart en zijn Oorsprong waren goed. Vol liefde gehoorzaamde hij steeds -zijn ouders, en twee-en-veertig jaar lang was hij vegetariër. Hij -deelde aan de armen driehonderd drie-en-zeventig paar strooien schoenen -uit, en leefde zelf in gebrek. Hij herstelde op vier plaatsen -hobbelige, slechte wegen. Toen stierf hij, zooals hij geleefd had. Hij -deed het hart van den Hemel ontroeren, zoodat hij in een volgende -incarnatie werd geboren in de familie van een hoog mandarijn, en zijn -levensduur werd vastgesteld op zes-en-tachtig jaren. Wie had gedacht -dat hij, eenmaal rijk en geëerd, van zijn oorsprong zou afdwalen? Van -af een gewoon mandarijn klom hij op tot minister. Hij bespotte zijn -opperheer en verguisde het volk. Hij misbruikte zijn macht om menschen -ten onder te brengen. Hij vernietigde het leven van negentien menschen, -en sloeg twee zijner huisgenooten dood. Hij beroofde drie-en-zestig -huisgezinnen van hun goed. Hij was begeerig naar schatten en lekker op -eten, en doodde daarvoor meer dan driehonderd en zeventig duizend -levende schepselen. Toen nam de Hemel vier-en-twintig jaren van zijn -levensduur af, en tot straf ging bovendien van zijn vroegere verdienste -een geheele graad weg. Daarom is hij nu op twee-en-zestigjarigen -leeftijd gestorven. - -„Die daar knielt, in het blauwe kleed, en zoo weent, is Li Bo Ting. Hij -behoorde tot de literatoren, maar beoefende niet de rechte Leer. Met -zijn penseel [53] wondde hij menschen als met een mes. Hij had -menschlievendheid noch plichtmatigheid, ouderlievendheid noch -oprechtheid. Zijn mond sprak als een Boeddha, maar zijn hart was dat -van een slang. - -„Deze twee menschen hebben misdaden begaan. Binnenkort zullen zij naar -het tweede gebied worden gevoerd, om daar te boeten voor hunne zonden.” - -De prinses, wier hart een groote genade was, die over álle zonden -heenvloeide, werd van weedom bevangen bij het zien van zóóveel leed. -Zij sprak eene prediking uit van zoo transcendente kracht, dat zij de -zonde aller zondaren zuiverde, en de zielen der lijdenden in het eerste -hellegebied overvoerde naar den Hemel. - -Toen schreed Miao Sjen met haar gevolg naar het tweede gebied, waar -koning Ch’u Kiang regeerde. De koning ontving haar zeer deftig, en -begon met haar te vertellen, dat het hier eigenlijk de bodem van een -grooten oceaan was, onder een gloeienden steen gelegen, en dat zijn hel -in achttien groote en zestien kleine afdeelingen was verdeeld. De -prinses zag boven zijn zetel een houten tablet met het opschrift: „Voel -naar uw hart, en vraag dan U zelf af”, en daarnaast een rolprent, -waarop was geschreven: „Het hart is als een pijl. De lach verbergt een -mes. Hier kan men precies de ellende te weten komen van pijlen en -messen.” - -De Gele Draak verzocht den koning eerbiedig, of Zijne Majesteit zoo -goed wilde zijn, de hellen te laten zien, waarop de vorst beleefd -antwoordde, dat hij dit bevel dadelijk zou gehoorzamen. Daarop ging de -koning het gezelschap voor. - -Eerst kwam de Berg der Messen en Lansen. Dit was een berg, beplant met -messen en lansen, als met bamboe, waar mannen en vrouwen op werden -neergesmeten door duivels. De koning legde Miao Sjen uit, dat dit -menschen waren, die met vergiftige praatjes hadden gelasterd, -familieleden van elkander hadden vervreemd, en anderen geld hadden -afgezet en ongelukkig gemaakt. - -Een tweede afdeeling was een steile berg, met olie bestreken, waaronder -diepe afgronden. Hier werden zondaren met geweld door duivels -afgeworpen. Zij stootten en kletterden in hun val tegen de scherpe -steenen, dat het bloed als een rivier van den berg stroomde. Het was -een afgrijselijk gezicht, en vol afschuw vroeg de prinses, wat dit toch -moest beduiden. En de koning zeide onbewogen, dat dit de gerechte straf -der menschen was, die de leer der Boeddha’s hadden verguisd, en de -wetten des Hemels geschonden. - -Toen kwam de afdeeling der slachterij. Het weêrklonk er van een -oorverdoovend gehuil. De koning vertelde, dat hier de vrouwen geslacht -werden, die, onbewust van hun Oorsprong, niet van hun echtgenoot -hielden en van hun schoonmoeder, voorkinderen van hun man -verwaarloosden, en een hart vol vergif hadden. - -Een volgende afdeeling was de hel der onthoofding. Hier werden menschen -met koorden vastgebonden, en daarna onthoofd, onverschillig of het -armen of rijken waren. - -En zóó nog vele andere afdeelingen, overal gevloei van bloed en tranen, -en gekerm en gehuil van gepijnigde zondaren. - -Weer werd het Miao Sjen zoo droef te moede, dat zij in extaze van -medelijden een innig liefdevolle prediking uitsprak en de -Dhyâni-Boeddha Amitâbha te hulp riep, om de verdoemde zielen te -verlossen. En ziet! Een donderslag daverde, een bliksemstraal flitste, -en een mirakel veranderde de hel in een goud-rossige wolk van -lotusbloemen. Een groot Licht voerde de zondaren ten Hemel. - -Toen dit werk volbracht was schreed Kwan Yin naar het derde gebied. -Koning Soeng Ti, die hier regeerde, ontving haar met muziek en gezang, -en veel ceremonieel. Boven zijn zetel prijkte een houten tablet met de -woorden: „Het kleinste heeft nog altijd macht, zelfs een kleinigheid -zult gij niet verkeerd doen. Als het ongeluk over u hangt, hoop dan -maar niet op redding, want de vergelding komt voor ieder naar zijn -aandeel”. Evenals de vorige potentaten geleidde Soeng Ti zijne gasten -welwillend door de hellen. - -In een van dezen werden de zondaren door duivels met een zwart touw aan -de rechterhand en de linkervoet opgehangen. Dit waren menschen, die op -aarde de zwakken verdrukt hadden, en hen beroofd van gronden en -eigendommen. In een andere werden de zondaren aan ijzeren pilaren -gebonden, en dan door duivels met messen de oogen uitgestoken. Dezen -hadden het geschreven papier verwaarloosd, en graven geschonden. Met -een slecht hart en lage gedachten hadden zij vrouwen en meisjes van -anderen begeerd. In een derde hel werden de verdoemden in weegschalen -gewogen, terwijl een mandarijn nauwkeurig de gewichten van hun goed en -kwaad opteekende. Dit waren de kooplieden, die op aarde valsche -gewichten hadden gebruikt, en nu op hun beurt óok werden gewogen, ter -bepaling van hun straf. In weêr een andere afdeeling werden de -slachtoffers aan palen gebonden, waarna duivels hun de huid afscheurden -en levend vilden. Dit waren de misdadigers, die andere menschen hadden -gewond en vermoord op aarde. - -Weêr werd het lijden te zwaar voor de oogen van de Godin der Genade. -Zij sprak vol geestdrift een nieuwe prediking uit, en een groot Licht -herschiep de hel in een wit lotusterras, en voerde de verloste zielen -naar de eeuwige gewesten over. - -Toen ging de eerwaardige Kwan Yin met haar gevolg naar de vierde hel, -waar koning Wu Kwan regeerde. En zóó achtereenvolgens door al de -overige hellegebieden, waar de koningen Yen Lo, [54] Pien Ch’ing, T’ai -Shan, Tu Shi, Ping Ting en Ch’wen Lun haar met dezelfde beleefdheden -ontvingen, en met de meeste bereidwilligheid door de verschrikkingen -van hun koninkrijken leidden, als waren het even zooveel -pleiziertuinen. De martelingen waren talloos als de zonden der -menschen, door welke zij werden gecreëerd. Zondaren werden handen en -voeten afgeschroeid boven een vuur, omdat zij indertijd valsche -geneesmiddelen hadden verkocht, en vogels geschoten; zij werden aan -pilaren gebonden, en door duivels de aderen doorgesneden, omdat zij in -hun leven hadden geprocedeerd en gedobbeld, en naar vrouwen waren -geloopen; zij werden onder steenen begraven, omdat zij op aarde, -mandarijn zijnde, geld voor een publiek doel hadden verzameld, en ten -eigen bate gebruikt; en weêr anderen werden blootgesteld aan ijskoude -winden, die hen verstijfden. - -Grimmige duivels smeten de zondaren in vijvers van ijswater, staken hun -dorens in den mond, en goten gloeiend gesmolten ijzer in hun keel. Dit -waren de lasteraars, die door hun praatjes huwelijken deden mislukken, -of oneenigheid tusschen echtgenooten hadden gestookt. Andere zondaren -werden naar een hoog terras gesleept, vanwaar zij de aarde konden -overzien, waar hunne kinderen op het slechte pad waren, de -nagedachtenis hunner ouders verguisden, en tot den bedelstaf werden -gebracht, of wel, duivels rukten dien verdoemden lever en longen uit, -en hakten hen door de lendenen in tweeën. Degenen, die indertijd -meisjes en vrouwen hadden verleid, zagen zich de tong en het hart -uitgesneden, om later als kippen of honden weer geïncarneerd te worden. -Mandarijnen, die vroeger van hun macht misbruik hadden gemaakt om het -volk te bestelen, werden als rijst door duivels met groote mortieren in -een vijzel fijngestampt. Taoistische en boeddhistische priesters, die -de indertijd door verreining der ziel verkregen kennis der -natuurgeheimen ten kwade aangewend hadden om andere menschen in ’t -verderf te storten, werden op een plank heen en weer geschuurd, tot de -beenderen vergruisden en het bloed stroomde. Andere zondaren werden -door duivels met haken in afgronden van vuur gesleurd, omdat zij -vroeger bosschen in brand hadden gestoken en zoo de daarin wonende -beesten hadden gedood, of wel door duivels met roode baarden en groene -gezichten op een ijzeren spijkerbed geworpen en dan onder ijzeren -planken gesmoord. Weêr anderen werden in een vijver gesmeten, waar -vergiftige slangen kronkelden,—dezen hadden er op aarde pleizier in -gehad om slangen en schildpadden dood te slaan, en visschen en garnalen -te eten;—of wel, zij werden in een vuurkuil gedrongen, omdat zij -vroeger huizen in brand hadden gestoken en daarvan gebruik gemaakt -hadden om te stelen. Ook werden er op planken gebonden en met zagen -doorgezaagd. Een andere verschrikking was een brug, twee-en-zeventig -vademen lang en maar zeven en twee tiende duim breed. Aan weerszijden -van de brug zweefden duivels met stokken en haken, en in de rivier -beneden zwommen slangen en honden. De verdoemden moesten in allerijl -over de brug, en verloren hun evenwicht door de op hen gerichte haken. -Er waren er maar weinigen die veilig overkwamen; de meesten vielen in -het water, sommigen nog op het laatste eindje, en werden daar door de -beesten verscheurd. - -Ook hier redde Kwan Yin’s gebed alle zondaren uit deze verschrikkingen -en voerde hen naar de hemelsche gewesten over. - -Ten laatste kwam de prinses in het tiende hellegebied, waar koning -Ch’wen Lun, de Wiel-Draaier, regeerde. Hier werd over het lot der -menschen in eene volgende incarnatie beschikt. Op vier wijzen konden -zij wedergeboren worden: uit een baarmoeder, uit een ei, uit water, of -uit gedaanteverwisseling, dat is, als zoogdieren, als vogels, als -visschen, of als insecten [55]. Als mensch op zes manieren: met lang -leven, met kort leven, rijk, geëerd, behoeftig en verachtelijk, en deze -onderling gecombineerd. De prinses vroeg den koning hoe het mogelijk -was, dat de zielen door al die pijnigingen in de hel niet geheel -vergruizeld en vernietigd waren, maar Ch’wen Lun antwoordde, dat dit -heel eenvoudig was. Telkens als er gevaar was voor vernietiging, -verfrischte een geneeskrachtige, weldadige wind de gehavende zielen -zoodanig, dat zij weer nieuwe pijnigingen konden verduren. Toen maakte -de prinses de opmerking, dat in de wereld de slechte menschen juist met -voorspoed beloond werden, en de goede met ellende. Dit was toch niet in -den haak, vond zij. Maar dit was wel degelijk in den haak, zeide de -koning, want die voorspoed en ellende waren gecreëerd door deugd of -zonde uit vorige levens, en die hadden deze menschen dan nog te goed. -Voor wat zij nú deden zouden zij in een volgend leven wel weer beloond -of gestraft worden. Dat kon niet uitblijven. Zoodat ten slotte alles -zoo rechtvaardig was, als ’t maar eenigszins wezen kon. - -Maar hoe dan, als die menschen, al werden zij eens gelukkig herboren, -met de herinnering aan al die doorgestane folteringen in de hel, -moesten leven? Ook dáár was behoorlijk voor gezorgd, zeide de koning. -En hij geleidde de prinses naar een theehuis, waar de zondaren bij -massa’s door duivels werden ingedreven om thee te drinken. Hier werd -hun de thee der vergetelheid ingeschonken, en wie deze ééns gedronken -had, wist van al de doorgestane smarten niets meer af. - -Voorbij het theehuis stond een kolossaal wiel. Dit wiel droeg zes -wagens, en draaide langs zes wegen. De duivels waren druk bezig, een -schaar voor nieuwe geboorte bestemde zielen in de wagens te leiden, en -toen deze vol waren, begon het rad langs de zes wegen te draaien. De -eerste weg was van goud, de tweede van zilver, de derde van jaspis, de -vierde van steen, de vijfde van koper en de zesde van hout. De zielen -die den eersten weg opgingen werden hooge mandarijnen, rijke lieden in -zijden kleederen, die van den tweeden werden onbemiddelde menschen, van -gewone klassen, die van den derden armen, zieken en gebrekkigen. Die -van den vierden weg werden vogels, die van den vijfden viervoetige -dieren, die van den zesden visschen, schildpadden, garnalen en krabben -[56]. - -Ook dit gezicht was te, overweldigend voor de zachte zinnen der Maagd -van Genade. En door een nieuwe, innige prediking, werd ook het tiende -hellegebied door het mirakel van hare Liefde getransformeerd in een -geurig lotusparadijs, en stegen de zielen, voor goed ontkomen aan de -omwenteling des Levens, in allerzuiversten staat òp naar de gewesten -der gelukzalige Boeddha’s. - - - -Zóó ver kunnen de chineezen het tegenwoordig niet meer brengen. Zoo in -eens álle zielen uit de hellen voor goed verlossen is ook wèl wat véél. -Maar, lach niet, beste lezer, want het is heusch adorabel van -naïefheid, den armen stakkerts een maand vacantie bezorgen uit het -hellevuur, dát kan er nog wel meê door, en dát gebeurt dan ook! - -Na zonsondergang op den laatsten der zesde chineesche maand worden de -poorten der hel geopend, en mogen de gepijnigde zielen een maand lang -rondwaren op de aarde. Deze gunst is alweer voornamelijk een gave van -de boeddha Kwan Yin, wier medelijdend hart nooit uitgeput raakt van -weldaden. Door het lang aangehouden op-bidden van toovergebeden, -Tantra’s, aan alle Boddhissatva’s en Boeddha’s ter wereld, maar vooral -aan Kwan Yin, slagen de priesters er in, de hellepoorten te openen, en -de zielen stroomen met millioenen terug naar de aarde [57]. Daar de -hellen tot het gebied der duisternis behooren, vanwaar de weg in het -donker naar de aarde niet zoo gemakkelijk te vinden is, steken de -chineezen overal voor hun huis brandende kaarsen en lantarens aan, om -hen bij te lichten. En daar de geesten in de hel een alles behalve -lekker leventje hebben, worden zij, nu zij dan eens voor een maand -„uit” zijn, behoorlijk van alles voorzien. Papieren, waarop -kleedingstukken en geld zijn afgebeeld, worden verbrand, om den geesten -goede kleeren en zakgeld te geven, en voor de deur zet men allerlei -lekkernijen, om hen eens terdege te doen smullen. En om hen wat op te -vroolijken en te verstrooien worden de geheele maand door, dag en -nacht, tooneelvoorstellingen gegeven. Op den dag van de groote, -algemeene offerande is het in de buurt van de tempels een waar -Luilekkerland. Geheele straten door worden stellages opgeslagen, waarop -een overdaad van voedsel, waar de Rijstenbrij-berg niets bij is. [58] -Geheele varkens, schapen en geiten, ladingen eenden en kippen, op -allerlei wijzen toebereid en versierd, manden aan manden met ooft en -vruchten, pakjes opium, sigaren, sigaretten, tabak, sirih, alles wat de -geesten maar met mogelijkheid zouden kunnen wenschen, wordt daar -rijkelijk voor hen uitgestald, en alles smaakvol en keurig, zooals -alleen een chinees dat kan. Men kan er om lachen, en het volk dat zoo -iets doet een volk van dwazen vinden, van domme bijgeloovigen. Zeker, -dat kan men, en dat doet men dan ook. Maar naïef zijn ze, die -chineezen, naïef als kinderen, en daarom,—ik wil het niet goed weten, -aldoor zie ik meer slechts en leelijks in hen,—daarom houd ik toch -eigenlijk dol van dit volk, zooals ik houd van dwaze, lieve vrouwen, en -van kinderen, die gekke dingen doen,—verbeeld je, hoe bespottelijk, hè, -hoe kan-je nou zoo iets doen!—maar dingen, die óók aanbiddelijk en -charmant zijn van naïefheid, van simpele, zuivere bedoeling, en au fond -toch zoo héél, héél goed gemeend! - -Uit die voor ons, verstandige menschen, nietwaar? zoo tamelijk ridicule -opvatting van de hel—waar bijna alle chineezen vast aan gelooven—zijn -heel gemakkelijk eenigen der voornaamste principes van het -oorspronkelijke boeddhisme te halen. Ze zijn heusch nog zoo gek niet, -die verhaaltjes. En wat er aan ten grondslag ligt, is alles behalve -belachelijk. Ten eerste de leer van „Yin Kwo”, van Oorzaak en Gevolg, -dat wat de indische boeddhisten Karma noemen. De leer dus, dat de -mensch zichzelf met het goede ten laatste beloont, en met het kwade -straft, zichzelf, en niet anderen; dat zijn geluk of ongeluk van nu het -produkt is van zijn goed en kwaad in een vorig leven, zooals hij nu -bezig is, zijn volgend leven te creëeren. Ten tweede, de leer der -transmigratie door wedergeboorte. Ten derde, de leer der verreining, de -leer dus, dat men door steeds het spiritueel goede te doen en zich van -het kwade te bevrijden, door dus zijn Karma te verzorgen, aan de -reïncarnatie kan ontkomen, en het eeuwige zieleleven kan verkrijgen. En -ten vierde, de leer, die wondere leer, die een zoo subliem reine -vrouwenfiguur schiep als Kwan Yin, de blanke Godin van Genade,—dat -intenze liefde de macht heeft, om zelfs andere menschen te redden, en -te reinigen van zonden. - -Ik hoop, dat deze zeer serieuze ideeën den lezer eenigszins het -kinderachtige en eng-griezelige van die helle-verschrikkingen zullen -vergoeden, en speciaal den lezer in Indië, die gedurende de vacantie -der geesten door de chineesche kampen moet, waar op lange stellages de -varkens, en schapen, en geiten, en allerlei verdachte chineesche -manisans liggen te stinken, in den afschuwelijken rook van walmende -olielampjes en brandend offerpapier. - -Van den chinees, die in al de bovenverhaalde verschrikkingen gelooft, -is het echter te begrijpen, dat hij de arme, verhongerde geesten eens -een lekker beetje gunt, vooral als het ten slotte,—wat werkelijk het -geval is, nadat zij er onzichtbaar de essence van hebben verorberd,—in -zijn eigen maag verdwijnt! - - - - -II. - -Ik kan nog maar niet uitscheiden over de chineesche hel. Ik houd toch -zoo van zulke vertelseltjes! Ik houd toch zoo van dingen, die niet waar -kunnen zijn, waar allerlei vreemde wonderen in gebeuren; ik houd toch -zoo van een beetje dwaas en onpractisch, en van een beetje wild en -onmogelijk, van den hak op den tak, en van dolle fantasieën en -paradoxen. En daarom houd ik zeker zoo van dat aanbiddelijke, dolle -sprookjesboek „de Zwerftochten in het Westen”, „See Yü”, een -fabelenboek van een chineeschen Grimm, dat in China bijna elke gewone -koelie kent, en waar ik nog zoo dikwijls in zit te lezen, in gespannen -verwachting van de nieuwe mirakelen, die er nú weer zullen komen, -vooral als ik weer voor een tijdje genoeg heb van het gekriebel en -gedoe in onze lieve vaderlandsche literatuur. De taal in de „See Yü” -lijkt wel wat op gestamel, het boek is niet geschreven in den -klassieken stijl der Kings, maar in het colloquial, zooals de lui -praten in huis, en de sprookjesvertellers op den hoek van de straat. De -geleerden zien er op neer. Maar wat een verbeeldingskracht, wat een -naïef praten, wat een voor ’t vaderland weg doorgallopeeren, door ’t -wilde heen, en altijd weer ergens onverwachts terechtkomen! - -Ik zou zoo gauw niet klaar zijn, als ik al de wonderen in dit -kostelijke boekje wilde oververtellen. Maar dat van de chineesche hel, -hoe de groote koning T’ai Tsung daar ter verantwoording wordt geroepen, -en hoe hij daar een kruiwagentje heeft, net precies zooals je er een -noodig hebt in Indië, en hoe hij daar beren maakt, en, wat nog mooier -is, die eerlijk terugbetaalt ook, dát zou misschien nog wel gaan. - -Daar zal ik dan tevens mee kunnen aantoonen, dat de chinees niet alleen -met den hemel, maar ook met de hel „des racommodements” kan hebben, en -dat het altijd goed is, hooge ambtenaren te vriend te houden, want die -kunnen na hun dood nog invloedrijke posten in de Hel bekleeden, al is -het dan ook niet in den Hemel. - -Het was ten tijde van keizer T’ai Tsung, dat in de toenmalige hoofdstad -van China, Ch’ang Ngan, twee goede vrienden woonden. De een was een -visscher, genaamd Ch’ang Shau, de ander een houthakker, die Li Ting -heette. Op een goeden morgen zaten zij in een wijnhuis wat te eten en -te drinken. Toen zij daarna een eindje langs de rivier opwandelden -vroeg Li Ting: „Zeg, broeder Ch’ang Shau, je vangt iederen dag zoo’n -hoop mooie visschen en garnalen, welk geheim middeltje heb je daar toch -voor?” - -„Wat zou ik voor een geheim middeltje kunnen hebben?” antwoordde Ch’ang -Shau. „Aan de westelijke poort staat op straat een geleerd waarzegger -die wichelstokjes verkoopt. Dien geef ik elken dag een mooien karper -cadeau, en daarvoor wijst hij mij het goede plekje aan om mijn -vischtouw in neêr te laten. Zoo is het vandaag óók gegaan, en ik heb -volop gevangen. Morgen zal ik wat wijn koopen en je eens tracteeren.” - -Toevallig kwam op dat oogenblik een van de op inspectie uitzijnde -geesten van Lung Wang, den Rivier-Draken-Koning [59], voorbij, die het -geheele gesprek hoorde, en het ijlings aan zijn meester ging -overbrengen. Lung Wang was woedend, en wilde er direct op uit, om den -wichelaar dood te slaan. Maar zijne kinderen en kleinkinderen brachten -hem hiervan af door te zeggen: „Groote Koning, bedaar uw toorn! Als gij -zóo heengaat zullen stellig de wolken en de regen U volgen en helpen, -en dan zult U het arme volk van Ch’ang Ngan een doodelijke vrees op het -lijf jagen, tot ergernis van den Hemel. Het is veel beter, U in een Siu -Ts’ai [60] te veranderen, en zelf naar de stad te gaan, om deze zaak -eens te onderzoeken.” - -De Draken-Koning volgde dezen raad op, veranderde zich in een deftigen, -in ’t wit gekleeden Siu Ts’ai en ging naar de westelijke poort van -Ch’ang Ngan. Dáár informeerde hij naar de woning van den wichelaar, -klopte aan, en werd door dezen heel beleefd ontvangen en uitgenoodigd -om te gaan zitten. - -„Zoudt u mij ook kunnen zeggen,” vroeg de koning, „wanneer er regen zal -vallen?” - -Daarop begon de wichelaar met zijn wichelstokjes te werken en zeide het -volgende versje op: - - - „De wolken dwalen boven de bergen, - Mistdampen bedekken het woud en het graan; - Als ik wichel wanneer de regen zal neerzegenen, - Is het antwoord: „op morgen.”” - - -Toen vroeg de Zee-Draken-Koning: „Op welk uur dan morgen, en hoeveel -regen zal er zoowat vallen?” - -De wichelaar antwoordde: „Morgen op het uur Ch’an zullen de wolken -bijeenkomen, op het uur Sz’ zal de donder komen opzetten, op het uur Wu -zal de regen neervallen, en op het uur Wei [61] zal die ophouden. Er -zal in ’t geheel vallen drie voet en drie duim regen, en laatste -na-droppels acht en veertig.” - -De Zee-Draken-Koning zeide lachende: „Zulke woorden mag je niet uit -gekheid uitspreken, mannetje! Als morgen juist op de tijden, die gij -bepaald hebt, precies zooveel regen valt, zal ik u vijftig ons goud -geven tot belooning. Maar als er geen regen komt, òf niet op den -bepaalden tijd en in de bepaalde hoeveelheid, dan zal ik uw voordeur -kapot trappen, uw uithangbord vernielen, u uit Ch’ang Ngan jagen, en u -niet meer toestaan, hier de menschen te bedriegen.” - -„Zooals u wilt,” zeide de wichelaar kalmpjes. - -Hai Lung Wang, die niets wist van regenen op morgen, ging verheugd naar -zijn rijk in de wateren terug, in het vooruitzicht, den gehaten -wichelaar den volgenden dag zijn wraak te doen gevoelen. Hij vertelde -de leugenachtige voorspelling omtrent den regen aan zijne volgelingen -over, en allen lachten den wichelaar uit, en riepen: „Hoe durft hij -zulke valsche praatjes te verkoopen!” - -Plotseling riep een stem uit de lucht: „Draken-Koning, ontvang het -bevel!” - -Allen keken omhoog, en zagen een in gouden kleederen gedoschten -afgezant van den oppersten Hemelgod Yü Ti, die een bevelschrift uit de -hooge regionen kwam brengen. De afgezant daalde in het water neder, -overhandigde de missive, en verdween weder omhoog, de wolken in. - -En waarlijk! Het bevelschrift bevatte de strikte order, om den -volgenden dag regen te doen vallen, precies op denzelfden tijd, in -dezelfde hoeveelheid als de waarzegger had voorspeld! Er mankeerde -niets aan. Hevig verschrikt riep de Draken-Koning uit: „Waar moet het -op die manier heen, als zoo’n stuk mensch de geheimen weet van Hemel en -Aarde? Dan blijft er niets over dan mij aan hem te onderwerpen!” - -Maar zijn vertrouwde minister zeide: „Wat voor moeite zou het kosten, -hem te overwinnen? Laat, o groote koning, wèl regen vallen, maar -verander de tijden en de hoeveelheden een beetje, dan zal die schavuit -van een wichelaar wel in zijn schulp kruipen!” - -Zoo gezegd zoo gedaan. Den volgenden dag kwam een onweder boven de stad -Ch’ang Ngan opzetten, met donder, bliksem en regen. Maar op het uur Sz’ -en niet op het voorspelde uur Ch’an verzamelden zich de wolken, eerst -op het uur Wu kwam de donder op, op het uur Wei viel pas de regen neer, -en op het uur Shan [62] hield hij op. Er viel ook maar drie voet regen, -en niet meer dan veertig na-droppels. - -Toen de Draken-Koning met dit werk gereed was, veranderde hij zich weer -in den in ’t wit gekleeden Siu Ts’ai en ging naar het huis van den -wichelaar. Dáár gekomen begon hij dadelijk het uithangbord, de -penseelen en den inktsteen in stukken te slaan, en riep schimpend: -„Wel, durf jij de menschen te bedriegen met je geleuter! Het is nu eens -lekker niet uitgekomen, en nu maak je maar als de weêrga dat je -uitknijpt, dan zal ik je deze misdaad vergeven, waar de dood op staat!” - -Maar de wichelaar glimlachte eens kalmpjes en zeide: „Ik ben niet -strafbaar met den dood, maar ik ben bang dat gij het wèl zijt. Gij zijt -geen Siu Ts’ai, gij zijt de Rivier-Draken-Koning, en gij zijt -ongehoorzaam geweest aan het bevel van den Hemel-God, en hebt op uw -eigen houtje de tijden en de maten veranderd, en dus de Wetten des -Hemels weêrstaan. Ik vrees dat gij moeilijk aan het zwaard zult -ontkomen, en nu komt gij waarachtig mij nog uitschelden!” - -Toen sloeg de angst den armen Draken-Koning om het hart, en zijn -geheele lichaam begon te beven. Hij knielde voor den wichelaar neder en -smeekte hem, toch niet boos meer te zijn, en hem een redmiddel aan de -hand te doen. - -De waarzegger kreeg medelijden met hem. „Ik kan u zelf er niet uit -helpen,” zeide hij, „maar ik weet, dat degene, die u dooden moet, Wei -Ting zal zijn, de opperrechter van koning T’ai Tsung. Ik kan u dus -aanraden T’ai Tsung om hulp te vragen.” - -De Draken-Koning volgde dezen goeden raad dadelijk op. Hij ging niet -eens naar zijne wateren terug, maar steeg op een wolk, en zweefde naar -het paleis. T’ai Tsung [63] lag juist te slapen, en in zijn droom ging -zijn ziel het lichaam uit, en ging wat in den maneschijn wandelen. De -Draken-Koning veranderde zich weer in een mensch, en viel voor den -koning op de knieën, roepende: „Red mij, red mij, Uwe Majesteit!” - -De koning vroeg hem wie hij was, en nu vertelde Lung Wang hem, dat hij -de Draken-Koning was, dat hij gezondigd had tegen den Hemel, en nu zou -moeten sterven door de hand van den opperrechter Wei Ting, als de -koning dit niet verhinderde. Toen kreeg koning T’ai Tsung medelijden en -zeide vertroostend: „Als ’t alleen maar die kwestie met Wei Ting is, -wees dan maar gerust, hoor, ik zal u er wel uit helpen”. Vol vreugde -ging de Draken-Koning weg, na zijn weldoener innig te hebben bedankt. - -Toen T’ai Tsung wakker werd, dacht hij ernstig na over zijn droom. Het -was een gewichtig geval. Hij had zijn woord gegeven aan den -Draken-Koning dat hij hem redden zou, en dat moest hij tot elken prijs -houden, wilde diens dood niet op hem zelven neêrkomen. Daarom besloot -hij, alle civiele en militaire mandarijnen op te roepen aan zijn hof. -Hoe schrikte hij, toen hij zag, dat Wei Ting niet was opgekomen! -Dadelijk zond hij nog een speciaal bevelschrift naar den opperrechter, -om op staande voet te verschijnen. „Als hij maar eenmaal binnen is, -laat ik hem er niet meer uit,” dacht hij. Wei Ting had juist dien nacht -een droom gehad. In dien droom was hem een hemelgeest verschenen met -een order van Yü Ti, den oppersten Hemelgod, waarin geschreven stond, -dat hij ín het derde kwartier van het uur Wu den Rivier-Draken-Koning -moest onthoofden. Daarom was Wei Ting niet naar het hof gegaan, maar -thuis gebleven om zijn groot tweesnijdend zwaard op te poetsen en te -scherpen. - -Toen echter het speciale bevel van den koning kwam, moest hij wel -gehoorzamen, en ging in allerijl ten hove. Hij smeekte T’ai Tsung, hem -zijne ongehoorzaamheid te vergeven, wat genadig werd toegestaan. Nu -zond T’ai Tsung al de andere hovelingen weg, en liet alleen den -opperrechter blijven. Om den tijd te korten stelde hij hem voor, een -partijtje te schaken. Het werd een interessant spel, toen, juist in het -derde kwartier van het uur Wu, de opperrechter plotseling met het hoofd -op de armen in slaap viel. De koning was hier in ’t geheel niet boos -over, daar hij nu zeker was, dat de gevaarlijke rechter niet het paleis -uit kon. Langzamerhand begon Wei Ting sterk te zweeten, en zijn gezicht -vertoonde een uitdrukking van woede, terwijl hij allerlei zenuwachtige -trekkingen met armen en beenen begon te maken, zooals een hond die -droomt dat hij op de jacht is. T’ai Tsung kreeg medelijden met hem, en -denkende dat hij aan nachtmerrie leed, begon hij hem met zijn zijden -waaier koelte toe te wuiven. Dit bracht blijkbaar verfrissching aan, -want daarna werd de slapende rustiger. - -Maar o wee! wat had de koning gedaan! Wei Ting’s ziel was in zijn droom -uit het lichaam gegaan om den Draken-Koning te zoeken. Toen deze hem -zag aankomen zette hij het op een loopen, en er volgde een jacht op -leven en dood. De riviergod was een fameus looper, en Wei Ting, hoeveel -moeite hij ook deed, zou hem niet ingehaald hebben, en werd op ’t -laatst zóó afgemat, dat hij ten achter raakte. Maar het was juist op -dat oogenblik, dat koning T’ai Tsung den droomende begon te bewaaieren. -Deze koelte gaf Wei Ting’s lichaam, en dus ook zijn ziel nieuwe -krachten, en spoedig had nu de opperrechter zijn slachtoffer ingehaald -en hem het hoofd afgehouwen! - -Toen de ziel haar plicht gedaan had, keerde zij in het lichaam terug, -en Wei Ting werd wakker. Hoe schaamde hij zich, toen hij zag, hoe -oneerbiedig hij was geweest! Maar de goede koning vergaf hem gaarne, en -stelde voor, het partijtje schaak uit te spelen. Juist wilden zij -beginnen, toen de twee grootvizieren des konings, de hooge mandarijnen -Sü Meu Kung en Tseu Shuh Pao binnentraden met een van bloed druipend -drakenhoofd in de handen, en dat voor T’ai Tsung nederlegden. Zij -vertelden hem vol schrik, dat dit hoofd zooeven uit de wolken was komen -vallen. - -T’ai Tsung vroeg in grooten angst aan den opperrechter, wat dit moest -beteekenen. En toen biechtte Wei Ting eerlijk alles op, hoe hij van Yü -Ti het bevel had ontvangen om den Draken-Koning te onthoofden, en hoe -hij dat zoo juist in zijn’ droom had ten uitvoer gebracht. Toen -verschoot T’ai Tsung van kleur, en voelde, dat hij voor dien dood zou -moeten boeten. - -En de straf zou niet lang uitblijven. Toen de koning den nacht daarop -te bed lag, hoorde hij plotseling voor zijn deur een klagend gekerm, en -daar trad de Draken-Koning binnen, met zijn bloedend hoofd in de -handen! Op hoogen toon riep het spook uit: „Koning der Thangs, geef mij -mijn leven terug! Gisteren nacht hebt gij mij beloofd, mij te redden, -en hoe durfdet gij nu uw opperrechter uitzenden om mij te onthoofden? -Ik zal deze zaak met u uitmaken voor Yen Kiün, den Hellekoning!” - -T’ai Tsung weende tranen bij tuiten, en knarsetandde van angst. Toen -verscheen een in ’t wit gekleede vrouw, die met een schepter het spook -gebood heen te gaan, dat daarop ijlings verdween. Is het noodig te -zeggen, dat dit Kwan Yin was, de Godin der Genade, die met koning T’ai -Tsung nog zooveel ándere groote plannen voorhad? - -Nu wilde de koning niet meer slapen zonder wachten. Iederen nacht -waakten in het paleis de dapperste krijgers, en voor zijn deur stonden -de twee beroemdste helden-generaals, met ontbloote zwaarden. Het spook -kwam niet meer terug, maar de koning werd elken dag zwakker en zwakker, -en voelde ten laatste dat hij sterven ging. De geheele koninklijke -familie was aan het sterfbed vergaderd. De koning was razend van -wanhoop, want hij wist dat de doode Rivier-God hem in de hel had -aangeklaagd en hem daar opwachtte. Maar op het laatste oogenblik kreeg -de opperrechter Wei Ting nog een gelukkige ingeving. - -„Wees gerust, Uwe Majesteit,” zeide hij. „Uw gehoorzame onderdaan heeft -een uitstekend middeltje, om U nog een lang leven te verzekeren. Uw -vroegere onderdaan, wijlen mijn vriend de Minister van Eeredienst, is -op ’t oogenblik Beslisser-Mandarijn in de onderwereld. Hij heeft mij -juist laten weten, dat hij nu ook belast is met het bijhouden van het -Leven-en-Dood Register. Ik zal U dezen brief voor hem medegeven, en als -U hem dien maar overhandigt, ben ik zeker, dat hij U weer naar de aarde -zal doen terugkeeren.” - -Kort daarop stierf de koning. Zijn ziel ging uit het lichaam, en -ontmoette een schaar ruiters, die hem een paard gaven, en in wilde -jacht met ontzettende snelheid met hem voortrenden. Plotseling waren -ruiters en paarden verdwenen, en hij stond op een woeste vlakte, waar -hij nog nooit geweest was. Hij voelde zich alles behalve op zijn gemak, -toen gelukkig een in ’t zwart gekleed, heel voornaam mandarijn -verscheen, die voor hem nederknielde, en hem verzocht, zijn geleide te -willen aannemen. [64] - -„Wie zijt gij?” vroeg de koning. - -„Vroeger op aarde was ik Minister van Eeredienst,” antwoordde de -beleefde wegwijzer, „maar nu ben ik Beslisser-Mandarijn hier in het -hellegebied. Ik heb al Uw zaak met den Draken-Koning onderzocht, en ben -nu expres hier gekomen om U den weg te wijzen.” - -T’ai Tsung voelde zich nu heel wat prettiger, en riep verheugd uit: -„Dan heb ik hier een brief voor u, van mijn opperrechter Wei Ting!” - -De Beslisser las den brief, en begreep daaruit, hoe wonderlijk alles -zich op aarde had toegedragen, en hoe de arme koning er was ingeloopen. - -„Wees maar gerust, Uwe Majesteit,” zeide hij. „Ik zal U wel weer op -aarde terug krijgen. Als U nu maar eens mede wilt gaan.” En hij -geleidde den koning naar de hellen. T’ai Tsung werd naar een kolossalen -zetel gevoerd, waar de tien koningen der tien hellegebieden waren -gezeten. De hellekoningen kwamen behoorlijk van hun’ zetel af om den -menschen-koning te begroeten, en met hem de gebruikelijke -beleefdheidsceremonieën te verrichten. Toen zeide Tseu Kwang, de koning -van het eerste hellegebied: - -„De Rivier-Draken-Koning heeft U hier aangeklaagd, dat U hem beloofd -had, zijn leven te redden, en hem toen juist hebt laten dooden. Wat is -hier van aan?” - -Toen vertelde T’ai Tsung eerlijk, hoe alles gebeurd was, precies -volgens de waarheid. - -De hellekoningen—die het alreeds wisten natuurlijk—geloofden hem, en -zeiden: „Het was tóch al lang geleden besloten, en in het Leven-en-Dood -Register opgeteekend, dat de Draken-Koning in dezen tijd door de hand -van een’ opperrechter zou moeten sterven. Nu zullen wij hem weer in het -Wiel der Omwenteling zetten, en in ’t leven nieuw geboren doen worden. -Maar hoe is het met Uw levensduur gesteld? Beslisser-Mandarijn, haal -eens even het Register!” - -En de Beslisser haalde het register, waar de levensduur, en in geval -het vorsten zijn, de regeeringsduur der stervelingen nauwkeurig waren -opgeteekend. De Beslisser zocht den naam T’ai Tsung op, en o wee! er -stond voor zijn regeeringsduur niet meer dan dertien jaren, juist de -tijd, dien hij reeds koning was geweest. Fluks smokkelde hij zijn -penseel te voorschijn, veranderde het bovenste ééntje in een drietje, -en nu stond er drie en dertig [65]. En met een doodleuk gezicht liet -hij den hellekoningen zien, dat T’ai Tsung drie en dertig jaren -regeeren mocht, en dus nog twintig jaar levens te goed had. - -De tien hellekoningen konden toen niet anders dan T’ai Tsung vergunning -geven, naar de aarde terug te keeren. Onze koning, die om alles dacht, -vond nu, dat hij van deze zeldzame gelegenheid moest gebruik maken, om -nog eens méér te weten te komen, en vroeg beleefd, of men hem ook zou -willen zeggen, hoe het met den levensduur van de leden zijner familie -stond. Het register werd even geraadpleegd, en er werd hem geantwoord: -„Daar staat het best meê. Maar alleen Uw keizerlijke zuster Li Yü Ying -zal het niet lang meer maken, vreezen wij.” - -Toen vroeg T’ai Tsung, wat hij den hellekoningen zou mogen aanbieden, -om hen voor hun goedheid te bedanken. En de tien koningen antwoordden: -„Wij hebben hier gebrek aan meloenen uit het Zuiden.” - -„Als wij op aarde terug zijn, zullen wij U meloenen zenden,” beloofde -de koning. Daarop boog hij eerbiedig. Een duivel met een vlag ging hem -toen voor, om hem den weg te wijzen, en de Beslisser-Mandarijn volgde -hem. En nu werd T’ai Tsung een tochtje door de verschillende hellen -aangeboden, waar hij al de verschrikkingen zag, die de zondaren hadden -te doorstaan. De koning voelde zich allesbehalve op zijn gemak, en -beefde van angst over al zijne leden. Eindelijk was hij met zijne -geleiders door eenige hellegebieden gekomen. Na een poos geloopen te -hebben kwamen zij bij een stad, „de Stad der onrechtvaardig gedooden”. -Hier woonden de geesten der menschen, die eigenlijk nog niet moesten -gestorven zijn, volgens het register, maar door onvoorziene -ongerechtigheden der menschen gedood waren. Met deze geesten zaten de -hellekoningen verlegen, want zij behoorden eigenlijk nog niet in de -hel, daar zij niet vóór hun tijd konden overgevoerd worden, en ook niet -op de aarde, daar zij dood waren. - -Toen die geesten den koning hoorden aankomen liepen zij in groote -scharen uit, en versperden den weg. Het waren siniestere gestalten, -sommigen zonder hoofd. „T’ai Tsung,” schreeuwden zij, „geef ons het -leven terug!” - -De koning klappertandde van angst en riep: „Beslisser, toe, red mij!” - -De Beslisser antwoordde: „Ik heb niet veel over hen te zeggen, maar als -U hun wat geld geeft, zullen ze U wel doorlaten.” - -Maar ongelukkig had T’ai Tsung geen cent op zak. Hij had wel een brief -medegenomen naar de hel, maar aan geld had hij niet gedacht. „Hoe kom -ik nu aan geld!” riep hij in wanhoop uit. - -Gelukkig wist de Beslisser raad. „Op aarde, in de provincie Ho Lam, in -’t district K’ai Fung, woont een zekere Siang Liang. Deze heeft dertien -schatkamers goudstukken naar hier gezonden. Als Uwe Majesteit een -schuldbekentenis wil onderteekenen, zal ik er U met genoegen een -schatkamer van leenen. Als U op aarde zijt wedergekeerd, zendt U het -geld aan Siang Liang zelf terug. Dan strooit gij nu de goudstukken maar -allen onder deze hongerige geesten, en zij zullen U stellig doorlaten.” - -De koning teekende haastig het verlangde stuk, en strooide het geld -onder de gretig grabbelende geesten. En de Beslisser riep hun nog toe: - -„Al dit geld is voor u, om den dag genoegelijk door te brengen. Als de -koning T’ai Tsung op aarde is teruggekeerd, zal ik hem opdragen, een -weg voor u te maken, die u over zal leiden naar de gewesten der -onsterfelijkheid. [66]” - -Zonder verdere ongelukken kwam de koning nu buiten het territorium der -hel. De Beslisser wees hem een groot paard, dat voor hem gereed stond, -en raadde hem aan, zich maar door dit beest te doen leiden, dan zou hij -van zelf wel weer in zijn eigen rijk terechtkomen. - -T’ai Tsung bedankte zijn welwillenden Mentor, sprong in het zadel, -en..... rrrrt! daar vloog het wilde paard in pijlsnelle vaart vooruit, -met duizelingwekkende snelheid over velden en bosschen, en toen -plotseling met een plons halsoverkop in een diepe zee. Toen verloor de -koning het bewustzijn..... - -Inmiddels stond in het paleis de doodkist met zijn lijk in de groote -staatsiezaal. De vrouwen en verwanten weeklaagden en jammerden bij de -baar, en reeds wilde men den kroonprins tot koning uitroepen, toen -opeens uit de doodkist een stem werd gehoord, roepende: „Dat scheelde -weinig of ik was dood!” - -Alle aanwezigen schrikten om het hardst, en een paar vrouwen vielen -flauw, denkende een spook te hooren. De grootvizier, die een dapper man -was, boog zich over de kist en riep: „Wat kan er zijn, dat het hart van -Uwe Majesteit verontrust. Zeg het ons dan, maar laat niet Uw geest hier -komen spoken en schrik verspreiden!” - -Maar de stem antwoordde: „Het is mijn geest niet, ik ben het zelf!” - -De doodkist werd opengebroken, en ziet! de koning sloeg de oogen op, en -leefde weer! - -„Als ik maar een geest was geweest zou ik dat ongeluk in de zee niet -overleefd hebben,” zeide de koning. - -„Een ongeluk in de zee? Welk ongeluk?” vroeg men hem verbaasd. - -En nu vertelde de koning, hoe het paard hem in den oceaan had geworpen, -en waar hij vandaan kwam. - -Dien nacht sliep T’ai Tsung heel rustig, zoodat hij zich den volgenden -dag weer geheel hersteld voelde en vol levenskracht. - -Met groote vreugde hoorde het volk de tijding van zijn herleven, en er -waren groote feesten over het geheele land. De koning schonk amnestie -aan alle misdadigers, richtte weeshuizen op, en schonk promotie aan -velen zijner ambtenaren, ter eere van het heuglijke feit. - -Zoodra de eerste drukten wat over waren, begon T’ai Tsung te denken -over het vervullen der belofte, en het betalen der schuld, die hij in -de hel gemaakt had. Het laatste was het gemakkelijkste. Hij zond den -hertog van Ngoh naar het district K’ai Fung om Siang Liang op te -zoeken, en gaf hem de waarde van een schatkamer gouds mede, om de -schuld eerlijk af te doen. Toen de hertog in het district was -aangekomen, hoorde hij tot zijn verbazing, dat Siang Liang maar een -heel arme man was, die met zijn vrouw in een schamel hutje woonde, en -leefde van den verkoop van drinkwater en steenen potten en pannen. Maar -deze arme stakkert was tegelijk een heel goed en vroom mensch, die zich -tevreden stelde met het hoogst noodige eten, en de rest van zijn -weinigje geld gebruikte voor aalmoezen aan monniken, en vooral voor het -koopen van offerpapier, dat hij trouw verbrandde voor de geesten. Nu -was de zaak duidelijk. Dat offerpapier, schijfjes grof geel papier, met -zilver- en goudgeld er op geteekend, stijgt immers op, en wordt door -een wonder in werkelijk geld veranderd, duizend, honderdduizendvoudig, -naar gelang van de intensiteit der deugd die haar verbrandde, der -oorzaak, die dat mirakel creëerde! En zonder aarzelen ging de hertog -van Ngoh naar de hut van Siang Liang. Toen de deugdzame man den -schitterenden hertog met zijn gevolg zag aankomen, viel hij met zijne -vrouw voor hem op de knieën, en sloeg met het hoofd op den grond. - -„Sta op, eerwaarde grijsaard,” sprak de hertog. „Ik ben de afgezant van -den koning, en kom u de goudstukken terugbetalen.” - -Hevig verschrikt vroeg Siang Liang: „Wat zou ik, verachtelijk wezen, -voor goudstukken uit hebben staan? En hoe zou ik dan deze schatten -durven aannemen, waar ik de afkomst niet van weet?” - -Toen antwoordde de hertog: „Ik heb ook gehoord, dat gij maar een arme -drommel zijt. Maar gij hebt altijd aalmoezen gegeven aan monniken, en -offerpapier verbrand, en dat is nu in de hel al een groote schat -geworden. Toen onze koning in de hel was, heeft de Beslisser-Mandarijn -hem daarvan een schatkamer geleend, om aan de geesten te geven, op -voorwaarde, dat hij het later op aarde weer aan u zou teruggeven. Gij -kunt het dus gerust aannemen.” - -Toen bogen Siang Liang en zijne vrouw eerbiedig voor Hemel en Aarde en -zeiden: „Als dat geld afkomstig is van offerpapier, dan blijft de zaak -toch duister en van een andere wereld. Wij kunnen het onmogelijk -aannemen.” - -En hier bleven zij bij. De hertog slaagde er niet in, hen te overreden, -en rapporteerde dit aan den koning. Toen gelastte T’ai Tsung hem, om -met dat geld op die plaats een groot klooster op te richten. Aan -weerszijden van den tempel werd een levensgroot beeld geplaatst, het -eene van Siang Liang en het andere van zijn vrouw. Die beelden werden -nog gedurende hun leven door ieder bezoeker aangebeden. En het klooster -stond overal in den omtrek in een reuk van groote heiligheid. - -Zóó was de schuld in geld behoorlijk door den koning voldaan. Maar nu -de tweede, de belofte. Hoe woord te houden, en de meloenen naar de -hellekoningen te zenden? Dit was een moeilijk geval. Hij liet overal -plakkaten aanplakken, door het geheele rijk, waarin hij lieden -uitnoodigde, die genegen waren voor den keizer meloenen te brengen naar -de hel. En gelukkig meldde zich kort daarop iemand aan. Hij was een -schatrijk man uit Kiün Chow, genaamd Lao Ts’üen. Deze Lao Ts’üen was -getrouwd met een beeldschoone vrouw, Li Ts’ui Lien, van wie hij innig -veel hield, maar wie hij het leven erg lastig maakte door zijne -overdreven jaloerschheid. Op een goeden dag was er een monnik komen -bedelen, die er heel hongerig en haveloos uitzag, en de goede Ts’ui -Lien, die een medelijdend hart bezat, schonk hem een gouden haarnaald -uit haar kapsel. Toen was Lao Ts’üen woedend geworden, en had haar -verweten, dat zij stellig een oogje op dien monnik had en overspel met -hem pleegde. Dit was te veel voor de eerzame vrouw. Zij ging -onmiddellijk naar haar kamer, en hing zich op. Lao Ts’üen was niet te -troosten, en toen hij de oproeping van den keizer las, was hij blij, -zulk eene goede gelegenheid te vinden om zijn vrouw in de hel terug te -zien. De koning was erg in zijn schik toen hij zich aanbood, en wees -hem een zijner paleizen, het Gouden Priëel, waar meloenen in overvloed -waren. Lao Ts’üen ging daarheen, at met smaak een partijtje mooie -meloenen, nam daarop vergif in, en stierf. Zijn ziel toog uit het -lichaam, en ging, behoorlijk voorzien van de pas verorberde meloenen, -die nu weer gaaf en blinkend waren, naar de hel. Hij werd aan de poort -uiterst beleefd door een duivel ontvangen, die hem naar den zetel -leidde van den hellekoning Yen Lo Kiün. Lao Ts’üen knielde neder, en -bood den koning eerbiedig de meloenen aan. Yen Kiün was zeer verheugd, -en zeide tevreden: „Dat is me nu eerst eens een keizer die zijn woord -houdt, die T’ai Tsung!” Daarna informeerde hij naar den naam van den -afgezant. En Lao Ts’üen vertelde hem, hoe hij heette, hoe hij zijn -vrouw verloren had, Li Ts’ui Lien, en hoe hij, zonder haar niet -kunnende leven, ook maar gestorven was. En de hellekoning vond deze -geschiedenis zóó aandoenlijk, dat hij dadelijk een duivel gelastte, -Ts’ui Lien in de tien gebieden op te zoeken, en bij hem te brengen. -Voor de securiteit liet hij zich meteen even door den Beslisser het -Register van Leven-en-Dood aanreiken. En dat was volkomen in orde, want -zoowel Lao Ts’üen als zijne vrouw bleken bestemd te zijn om later wijze -Geesten te worden, en den eeuwigen levensduur dier uitverkorenen te -genieten. - -Kort daarop kwam Ts’ui Lien veilig en wel aan, en viel haar man in de -armen. Alles was vergeven en vergeten. Yen Kiün gelastte daarop een -duivel, om de beide zielen weer op de aarde terug te brengen. Maar de -duivel antwoordde: „Dat zal met Ts’ui Lien moeilijk gaan, vrees ik. -Want haar lichaam is al te lang geleden dood gegaan, en door het -ophangen is het hoofd van den romp gescheiden.” - -Daar had de hellekoning zoo gauw niet aan gedacht! En een vrouw zonder -hoofd, daar had Lao Ts’üen niet veel aan! Toch wist hij er spoedig iets -op te vinden. Er stond namelijk in het Register, dat T’ai Tsung’s -jongere zuster, Li Yü Ying, juist om dezen tijd sterven moest. Wat nu -eenvoudiger, dan de ziel van Li Ts’ui Lien in het lichaam van de -prinses Li Yü Ying weer te doen herleven? En de hellekoning gelastte -twee duivels om het echtpaar weer in het leven terug te geleiden, Lao -Ts’üen naar het Gouden Priëel, waar zijn lijk nog lag, en Ts’ui Lien -naar het koninklijk paleis. En zóó gebeurde het, dat toen de prinses Li -Yü Ying wat in den tuin van het paleis liep te kuieren, zij plotseling -door een duivel werd aangegrepen en gedood, zoodat haar ziel het -lichaam ontvlood, dat als een lijk bleef liggen. Zóó vonden de -kamerjuffrouwen hun meesteres dood in den tuin, en in allerijl liepen -zij naar den koning, om de treurmare mede te deelen. Maar wat zij niet -wisten was, dat toen de ziel der prinses uit het lichaam was getogen, -de duivel gauw de ziel van Ts’ui Lien, Lao Ts’üens vrouw, er voor in de -plaats had gezet. T’ai Tsung riep bij het hooren der jobstijding uit: -„Helaas! wat de hellekoningen mij voorspeld hadden is dan toch -uitgekomen!”, en spoedde zich naar den tuin, om de geliefde zuster nog -eens te zien. En kijk! zij scheen toch niet dood te zijn, want het hart -klopte nog zwakjes, en er was nog een beetje ademhaling zichtbaar. De -koning beurde haar met de hand op en riep: „Keizerlijke zuster, -ontwaak! ontwaak!” - -De prinses, ten minste het lichaam der prinses maar met de ziel van -Ts’ui Lien er in, richtte zich op, en riep: „Lieve echtgenoot, loop -toch wat langzamer, en wacht een beetje op mij!” T’ai Tsung zeide: „Ik -ben hier bij U, keizerlijke zuster!” - -Het lichaam sloeg de oogen op en zeide: „Wie zijt gij, die mij durft -aan te raken?” En de koning: „ik ben uw oudere broeder, de keizer”. - -„Wat?” riep de prinses, „wat zou ik voor een keizerlijken broeder -hebben? Ik ben een vrouw uit het volk, mijn familienaam is Li, en mijn -eigen naam Ts’ui Lien, en mijn man heet Lao Ts’üen, uit Kiün Chow. Ik -heb mij opgehangen, omdat hij aan mijn eer twijfelde, en toen werd hij -door den koning der Thangs naar de hel gezonden, om meloenen cadeau te -geven. Yen Kiün, de hellekoning, had medelijden met ons, en heeft ons -weer in ’t leven doen terugkeeren. Maar Lao Ts’üen heeft een beetje -harder geloopen, en daarom ben ik nu hier alleen, en is hij vooruit.” - -Maar de koning wilde er niets van gelooven. Want het lichaam was -precies dat van de prinses, zijn zuster, dezelfde gelaatstrekken, -dezelfde oogen, hetzelfde haar. Totdat plotseling Lao Ts’üen zelf -verscheen, in levenden lijve. De prinses herkende hem dadelijk en -vloog, tot groote verbazing van den keizer, in zijn armen. Toen deed -Lao Ts’üen een uitvoerig verhaal van zijn lotgevallen in de hel, en -eindigde met uit te leggen, hoe Yen Kiün, de hellekoning, besloten had, -de ziel zijner vrouw in het lichaam van de keizerlijke prinses te -reïncarneeren. Nu moest T’ai Tsung het wel gelooven. Hij schonk Ts’ui -Lien al de bezittingen en kostbaarheden van de prinses, en gaf haar aan -Lao Ts’üen tot vrouw. Eigenlijk was het ook nog zoo erg niet. Want, al -was Li Yü Ying’s ziel verscheiden, T’ai Tsung kon toch altijd haar -liefelijk lichaam zien, alsof zij nog steeds leefde. En wat Lao Ts’üen -betreft, al was het stoffelijke omhulsel zijner geliefde echtgenoote -verloren, hij bezat toch nog altijd haar ziel, wat toch het voornaamste -is van een vrouw, en Li Yü Ying, de prinses, wier lichaam die ziel had -opgenomen, was óók een heel mooi meisje, waar hij even dol verliefd op -raakte als vroeger op zijn bruid. En van zijn jaloerschheid was hij nu -voor goed genezen. - - - -Het is onmogelijk, over chineesche sprookjes en legenden te spreken, -zonder vanzelf bij het chineesche tooneel terecht te komen. Want -voornamelijk door het tooneel worden zij bij de chineezen zoo bemind. -Als kleine kleuter, vóór hij nog lezen kan, staat de chinees al met -open mond en roode ooren van inspanning uren voor het tooneel al die -wonderen te aanschouwen, en eerst later leest hij er van in de -goedkoope volksboekjes van eenige cash, die zich gemakkelijk laten -lezen, omdat zij in de volkstaal zijn geschreven. - -Het lijkt nog al „eng”, voor ons Westerlingen, die chineesche hel met -al die afgrijselijkheden. Wij zouden er ’s nachts liever niet van -droomen. En wij zouden het afschuwelijk vinden, aan zoo iets te denken -bij den dood van onze ouders, of onze vrienden, en bij gelegenheid -hunner begrafenis ons hun ziel voor te stellen in de hel, overgeleverd -aan de verfijnde martelingen der woeste duivels. Het is om van te -rillen, dat idee, nietwaar? Maar een chinees is veel meer vertrouwd met -den dood en het donker mysterie daarachter dan wij. Een chinees wandelt -langs de graven, die zijn geheele land over verspreid liggen, zonder -ooit één bevinkje van de rilling te voelen, die ons ’s nachts zou -overvallen, als wij ons verdwaald zagen op een kerkhof, liefst precies -om twaalf uur. Een chinees krijgt van zijn eigen kinderen een doodkist -cadeau, zooals wij een kop en schotel „voor uw verjaardag”, en zet die -op een plek in huis, die hij iederen dag voorbijgaat. Hij is zelfs een -bevoorrecht wezen, als hij het zoover gebracht heeft in de kunst van -Fung Shui, dat hij een geschikte plaats kan gaan uitzoeken voor zijn -eigen graf. En hij heeft elken dag gemeenschap met alle mogelijke -geesten van voorvaderen en oudere verwanten, en is heilig overtuigd, -dat de geheele atmosfeer bevolkt is door honderdduizenden spoken van -allerlei aard. - -Waarom zou hij zich dan ook niet verdiepen in de sombere mysterieën der -hel, als zijn vader of zijn moeder dood is? Het is dan namelijk de -gewoonte, om tooneelvoorstellingen te geven, die de hel in geuren en -kleuren voor de treurende achterblijvenden vertoonen. Als zoo iets -wordt gespeeld is het publiek nog veel grooter dan anders. - -Vreemd volk! - -Stel u voor, dat een chinees zijn moeder verloren heeft, van wie hij -innig veel hield, zooals chineezen doen, zoo goed als Europeanen. Hij -weet, dat haar ziel naar de hel gaat, even zeker als hij weet, hoeveel -cash er in een dollar gaan. En stel u dan verder voor, dat hij, terwijl -het lijk nog boven aarde staat, kalmpjes een komedie-troep engageert, -en die vlak voor zijn deur de hel laat vertoonen, waar zijn moeder nu -juist naar toe is! Men moet maar sterke zenuwen hebben, of in ’t gehéél -geen zenuwen! Onder de vele stukken, die bij die gelegenheid worden -gespeeld, is de geschiedenis van Lao Ts’üen, die de meloenen gaat -brengen, een der populairste. De hel wordt daarin voorgesteld in tien -tafereelen, correspondeerende met de tien hellegebieden, waarvan ik -verteld heb bij het bezoek van Kwan Yin met haar gevolg aan de -onderwereld. - -Het eerste tafereel, zooals ik het voor het laatst in China vertoond -zag, stelt voor Lao Ts’üen, die voor de poort der Hel wordt opgewacht -door den Beslisser. Deze ziet er in het geheel niet siniester uit, maar -is een hoog mandarijn, in een prachtig donkerbruin zijden gewaad, met -den breeden jaspisgordel om, en een langen witten baard. Ook Lao Ts’üen -ziet er keurig uit, en dat moet dan ook, want hij is een afgezant van -den keizer. Deftig stapt hij, in een groen gewaad met gouden draken, -met heel wijde mouwen, en nu en dan zijn langen baard even -uitstrijkend, wat een chineesch tooneelspeler met een gratie doet, -waarmede ik nog nooit een Europeaan aan zijn baard heb zien komen. Zij -buigen heel diep voor elkaar, de twee eerwaarde mannen, en zingen heel -vreemde melodieën op bizarre muziek, waarvan men de beteekenis weten -moet, om alles goed te begrijpen. Twee duiveltjes, jongetjes met zwart -gemaakte gezichten en roode lippen, dragen een mand met enorme meloenen -achter Lao Ts’üen aan. - -Hierna brengen koelies twee bamboestokken en een touw, en in een -minimum van tijd is hierover een wit doek gespannen, dat fluks dicht -wordt geschoven. Dit is niets meer of minder dan de poort van de hel. -De muziek begint een heidensch lawaai te maken, om het leven te -overstemmen, dat de koelies maken, die achter het doek de hel aan ’t -opslaan zijn. Lao Ts’üen en zijn begeleider blijven doorzingen. Totdat -opeens het doek opengaat, en een fantastisch, luguber tooneel te -voorschijn komt. Achter een tafel met brandende kaarsen zit de -hellekoning, een reusachtige potentaat, met vuurrood gezicht vol witte -figuren, in een van goud schitterend vuurrood gewaad, waarover een -sneeuwwitte baard hangt. Naast hem, ter rechterzijde, staat een duivel -met een enormen paardenkop, en ter linkerzijde een met een koeienkop, -die er beiden niet te zeggen siniester uitzien. Zij zijn met lange -lansen gewapend. Een schaar dienstdoende duivels loopt somber over het -tooneel. Er zijn pikzwarte, en groene, en gele, en roode, met klauwen -en staarten, en met vuil en bloed bevlekt. Nooit heb ik zulk een -uitgelezen troep ongure wezens bij elkaar gezien, en ik hoop maar, dat -de goede lezer er niet van droomen zal. Vóóraan staat een soort oven, -waar de vlammen uit opstijgen, en waar eenige duivels, door een -opening, met blaaspijpen lustig in blazen, grijnzende van de pret. - -Plotseling klinkt een oorverscheurend gejammer. Een half naakt, bebloed -mensch, met van angst verwrongen trekken, wordt door vier grimmige -duivels vooruit gesleurd. In zijn doodsangst trekt hij zijn belagers -soms terug, wordt dán weer vooruit gerukt, vlucht weer, wordt weer -ingehaald, en worstelt in wanhoop. - -Het publiek is ademloos van spanning. Eindelijk is het arme zieltje -voor den oven gesleept. Zijn spieren zijn gezwollen van de worsteling, -zijn gelaat is afschuwelijk verwrongen, zijn haren hangen los over den -rug, en hij kermt met ontzettende jammerkreten. Maar in de hel is geen -genade. Met ijzeren drietanden wordt hij opgepikt en in den oven -gedeponeerd, waaruit zijn afschuwelijk gebrul nog even opstijgt, en de -vlammen opeens hooger opslaan. En korten tijd daarna wordt uit den -vuurpoel met een groote vork een gansch verkoold klompje gehaald, en -aan het publiek vertoond! En dan, roef! het gordijn dicht, en weer een -ander hellegebied klaargemaakt. - -Zóó worden alle tien gebieden vertoond. Vooral het vijfde was de moeite -waard. Dáár heerscht Yen Lo Kiün, de verschrikkelijkste van allen. Hij -had een pikzwart gezicht, met roode, grimmige wenkbrauwen, en een -vuurrooden baard, en rooden neus. Zijn gewaad was van zwarte zijde, met -een creatie van gouden draken. Hij noodigde Lao Ts’üen uit om te gaan -zitten met een afgrijselijk gegil, of hij eigenlijk van plan was om hem -subiet den nek om te draaien. Zijn wenkbrauwen bewogen woest, en zijn -vurige oogen rolden vervaarlijk. Voor op het tooneel stond een blok bij -een paal, waarnaast een enorme zaag. - -En onder een hartverscheurend gebrul werd een ontzaglijk dikke vrouw -aangesleept, die zich in de afschuwelijkste stuipen wrong van pijn. -Zonder complimenten werd zij op het blok gebonden, en twee groene -duivels met roode baarden, grinnikend van plezier, en dansend van de -jool, begonnen haar buik open te zagen. Ssjjt! sssjüut! ging de zaag, -en men hoorde de beenderen kraken. En met groote stroomen vloeide het -bloed over het tooneel. Haar vreeselijk gillen scheurde door de -lucht.... Ook de smalle Brug der Verschrikkingen was kostelijk. Een -lange, smalle plank, over twee stoelen. En aan weerszijden twee kisten, -met duivels er op, anders niet. Een chinees heeft nu eenmaal geen -décors noodig. Zijn gloeiende fantazie toovert hem de schoonste décors -voor met de primitiefste gegevens. Beneden op den grond, die een rivier -moet verbeelden, kruipen twee sombere personages, een zwarte duivel met -een enormen krokodillenkop vol scherpe tanden, en een groote slang. Een -voor een gaan de zondige zieltjes over de brug; de meesten verliezen -het evenwicht, bang gemaakt door de drietanden der duivels aan -weerszijden, en vallen in het water, waar zij door de slang en den -krokodil worden verscheurd. Heel enkelen komen veilig de brug over, -kijken de duivels op zijde met een kwaadaardigen sneer aan, en gaan -kalmpjes hun weg. - -Maar het mooiste van alles was nog het tiende gebied, waar het Wiel der -Omwenteling is, dat de zielen zal reïncarneeren. Dit gebied werd -eenvoudig voorgesteld door een wit doek met twee deuropeningen, dat -over bamboestokken was gespannen. Dit doek deelde het tooneel in twee -helften, zoodat het publiek zien kon, wat er achter en vóór gebeurde. -En het groote Rad der Omwenteling was een gewoon houten wieltje op een -stok, dat lustig aan een touwtje werd rondgesnord. Men vergete hierbij -niet, dat dit geen monteering voorstelt, maar enkel het aangeven van -het idee. Het publiek moet zijn eigen fantazie laten werken om alles -werkelijk te zien zooals het zijn moet. - -De zieltjes gingen nu heel eenvoudig één deurtje in, het wieltje -draaide even, rrrt! en uit het andere deurtje stapte de reïncarnatie te -voorschijn. Maar wat in het eene deurtje inging was héél wat anders dan -wat aan het andere deurtje uitstapte. Dat scheelde nog al wat. -Bijvoorbeeld een rijke sinjeur, in een prachtig costuum, schitterend -van goud en edelgesteenten, die met een voornaam, trotsch air de eene -deur binnenstapte, kwam er aan den anderen kant als een havelooze -schooier weer uit, die onder een zwaren last liep te zwoegen, om een -paar cash te verdienen. Een poenerig europeaantje, met een -monkey-jacket aan, een hoogen hoed op, en een lorgnet op zijn neus, -die, met een fatterig gebaar zijn opgewipte kneveltjes opstrijkend, het -eene deurtje binnenflaneerde, kwam er aan het andere uit als..... een -goor zwijntje, dat knorrende en brommende met bamboeslagen door een -chineeschen koelie werd voortgedreven! Een arme stakkert van een -daglooner, die nauwelijks loopen kon van vermoeidheid, kwam daarentegen -weêr te voorschijn als een heel deftig heerschap, een personage van het -Hof, die in een superbe galagewaad, een jaspis staf in de handen, -waardig voortstapte, met een aplomb alsof hij al zijn vorige levens -lang nooit iets anders gedaan had. En een rijk-uitgedost, dik gegeten -mandarijn, die zich vetgemest had met de gestolen gelden van het volk, -en die met een verwaand gezicht de eene deur binnenkuierde, of hij óók -in de hel over leven en dood te beschikken had, strompelde behoorlijk -het andere deurtje uit, gereïncarneerd als een bedelaar op krukken, die -jammerlijk een verminkt, met vuile zweren bedekt been vooruitstak..... - -Zoo ziet men. Goed baart goed en kwaad baart kwaad. Daar is nu eenmaal -niets aan te doen. De oorzaak werkt, en het gevolg blijft niet uit, is -het niet nu, dan in een later leven. En in de hel komt loontje om zijn -boontje. - - - -Alleen een allerpuurste, goddelijke Liefde kan die onverbiddelijke wet -van het Noodlot veranderen. Kwan Yin redde millioenen zondaren uit de -verschrikkingen der hel, en haar gebed verbrak de onverbreekbaar sterke -causale keten van hun Karma. En hoe afgrijselijker de verschrikkingen, -voorgesteld in de chineesche hel, des te schooner komt de blanke figuur -uit van die kuische Maagd van medelijden en genade, van de liefdevolle -boeddha Kwan Yin, die in den immenzen ópzwaai van haar bidden de -millioenen zielen van zonde naar de paradijzen overvoerde van het -eindeloos Nirvana. - - - - - - - - -EEN BEGRAFENIS. - - -Van Koe-Lang-Soe de zee over, met een sampan, ging ik naar de -rotsvlakte, oostelijk van het eiland Amoy, de vlakte der witte -grafsteenen, waar de tempel staat van Kwan Yin, de Godin der Genade. - -In China is de dood niet een bang geheim, dat men wegstopt, ergens in -een hoek, op een kerkhof, maar het geheele land is één groot kerkhof, -waar de graven overvloedig bloeien, als roerlooze, sombere gewassen. -China is een land des doods. Het is of de menschen er alleen leven om -begraven te worden. In de velden, in de tuinen, in de bergen, vooral in -de bergen, liggen de graven. Het is onmogelijk ergens lang te loopen -zonder over graven te gaan. Overal, overal in het rond liggen de dingen -des doods. De gedachte aan den dood is altijd bij mij hier, een ding -van alle dag, als de lucht en het licht. De dood grijnst met duizend -gezichten uit de aarde. De dood ligt open op het land, als de bloemen. -De lichte zon ziet over graven, de boomen neigen met treurende pluimen -over graven, de vogelen zingen hun melodieloos lied boven graven en de -voeten der menschen gaan aldoor over kille steenen, voelend de -aanraking des doods. - -Aan land gekomen, stond ik op een wit strandje, en volgde een weg langs -hooge, witte muren. Primitieve versterkingen, wat broze wallen met -kanteeltjes en schietgaten. Het idee van veilig te wezen achter een -muur. In holten lagen doodkisten, achteloos neergezet. Ik lichtte uit -nieuwsgierigheid met een stuk hout een deksel op. Er lagen beenderen in -de kist, en wat vodden en zwarte dingen. Nu éven landwaarts in, door -sawahs met wuivend groen, en daarachter lag de vlakte, voor een hoogen -rotsenmuur, die als een massieve, zwarte verschrikking recht voor de -oogen stond. Zoo ver te zien was lagen de rotsblokken opgestapeld, en -overal in het grauw-zwarte waren de witte plekken der grafsteenen. -Generaties van eeuwen liggen hier in de rotsen, álom. Er groeien hier -enkel graven, koud en droef tegen den rotsenmuur, zoovèr ik maar kon -zien. Hoe verlaten en des doods, die naakte rotsen met die graven! Het -was om te denken een oud, oud land, een land van fossielen, eindelijk -weêr ontdekt, voor goed ontvolkt, en onder den grijzen hemel, in die -ijzige rust van rotsenmassa’s en kille steenen, leek China mij een Rijk -der Dooden, waar eeuwig droefheid over hangt en een vloek..... - -En opeens, teêr van in de verte aankomen, een rij haastig naderende -figuren. En, schel door de stilte, snerpende, piepende muziek. Rood is -te zien en geelwit. - -Er wordt een versch lijk aangebracht voor de bergen. Het komt met gele, -sombere dragers, met geklaag van hooge houtinstrumenten en piepende -pijpen. Met een fantastisch beweeg, op vreemden doodenmaat, ging de -stoet het sombere land over. - -Nu waren zij naderbij. Voorop de vuile, havelooze muzikanten, de gele -gezichten gebold door ’t blazen, en hoofd-schuddende met den wilden -cadans mede van hunnen lijkzang. Het was geen muziek, hun lawaai. Het -was een verward koor van hooge fanssetten, met uitgegilde, -verscheurende jammerkreten, op een wilden wanhoopsmaat, onharmonisch, -maar de droefste en verschrikkelijkste smartgeluiden, die ik ooit -hoorde. Achter de muzikanten een baar, gedekt met een rood kleed, -waarop bloemfiguren. Een helle vlek rood in het grijze landschap van -rotsen. Acht mannen dragen haar aan bamboestokken, zwoegende en gebukt; -maar toch met het vlugge, veerende gaan der Oostersche volken. - -Achter de baar komen de verwanten, de rouwenden, in smerige, gele -lompen, met vunze doeken om het hoofd, krijschende en gillende, en -besnotterd met vieze tranen en bellen speeksel. Zij loopen met -wankelstappen en zwaaien wanhoop om zich heen, met woeste gebaren. Een, -zeker de zoon—want dat de baar met rood bedekt is duidt aan, dat de -doode een vrouw is, stellig een moeder, denk ik—waggelt als een -beschonkene, en wordt ondersteund door vrienden. Ze zijn bang en -afschuwelijk om te zien, in die gore lappen van vuil zakkengoed, met -loshangende haren, met hun onbehouwen, brute smart, als groteske -persiflages op menschelijk gevoel, verdierlijkingen van wanhoop. Het is -maar een heel armoedige begrafenis, zonder de pompeuze staatsie van -palankijnen en vlaggen en lantarens der rijken, een miserabele troep in -vuile lappen, met smerige, gore gezichten, maar daarom juist des te -somberder in dat grauwe landschap, met al die ijzige graven. En de -siniestere stoet gaat aan mij voorbij, dáár, naar de kille rijzenis van -rotsen, in het land der lijken, waar geslachten van eeuwen verzonken en -vergaan zijn, in hun dood opeengehoopt als in hun leven in de -opgepropte steden, samengekrioeld als onuitroeibaar ongedierte. - -De gillende clarinet verspreidt de nadering van het nieuwe aas, met -snerpende kreten door de stilte. Het geluid gaat verder en verder, hoog -vlamt de bloedvlek van de roode baar in het grijs, en geruischloos -snellen de voeten der dragers over het zand. Ik volg ze op een afstand. -Een sombere wandeling achter dien vreemden stoet. Dat duurt een half -uur, en nu komen zij bij de rotsige bergen. Ik zie nu, hoe die bijna -onbegaanbaar zijn door granietblokken, met scherpe hoeken, en steile -hellingen. Maar plotseling zie ik de dragers en de rouwenden al in de -hoogte. Zij zijn vooruitgegaan met denzelfden luchten stap, op -denzelfden rythmus, ongestoord door de stijging op steen. De beenen der -lijkdragers zijn nu mooi van fijnheid in de hoogte, en het is zoo teêr -en vlug als dunne paardepootjes, ver op een dijk. Zij bewegen -regelmatig en haastig, die vreemde menschen, en worden allengs bijna -silhouet, gevoelig van ver-zijn. En hoe verder hij gaat, de licht -trippelende stoet, hoe mooier. Hij gaat de ongebaande rotsen op als de -zachte zandvlakte. De voeten der chineezen zijn aangepast aan dit -gruwbaar land, voeten gemaakt om over graven te loopen. Met eenparige, -ongeschokte beweging zweeft de baar in de hoogte, met haar felle -bloedkleur, als een vlag van den dood. Somtijds verdwijnt alles achter -een hoog rotsblok, en dan is er niets meer te zien, tot het rood -plotseling weer ópvlamt, onverwacht lager, en weêr weg, en dan weêr -hooger. De muziek valt nu vreemd uit de lucht, als kreten van wilde -vogels, gieren of roofuilen, azende op een lijk. - -Ik ga op een grooten steen zitten, en zie het nu angstig nieuwsgierig -uit de laagte aan. Nu blijven de dragers ergens staan, en de rouwenden -vormen een kring, zeker om een graf, en ik zie koelies met spaden. De -maat der muziek is hevig versneld, en de wilder en wilder wordende -rythmus geeft het stijgen aan der emotie. De woeste smartmuziek gilt -hooger tonen, en drijft de wanhoop met groote schokken in de lucht. -Daartusschen een jammerend brullen van menschenstemmen, schreeuwend hun -bruut gevoel door de grafstilte der bergen. - -Ik zie de mannetjes bewegen, ver, met vage gebaren, een wriemelend -gedoe omhoog. Het is niet te zeggen funèbre, om te rillen, dat -doodenwerk daar tusschen die rotsgevaarten, met dat lawaai van schelle -mineuren omlaag treurend. - -Plotseling een stilte. - -De kist is afgenomen van de baar. Een buigen van de verre mannetjes, -koppen omlaag, en begrijpen, dat de doode in het graf zinkt. - -Dán een oorverscheurend gehuil en gejammer, dat overal in de rondte -weêrgalmt, het brullen van een pandemonium vol duivels. En dan -plotseling even stilte, en de klarinet alleen, eerst langzaam, één -hooge toon, dan nog een, en weêr een, en dan sneller, sneller, in -woeste vaart een stroom van spitse tonen omhoog, een fontein van -kreten, razend van rythmus, wijd-uitspuitend in felle geluiden. En -eindelijk één allerhoogste noot, egaal en monotoon, langgerekt, -wild-opgehaald, als de láátste, woest-opgedreven uiting van wanhoop, -uit de allerdiepste lagen van de smart omhoog gerukt, en met een -laatste stuiptrekking uitgestooten in de lucht, om dan in de hoogste -sferen eindeloos door te dreunen.... - -De doode ligt in het graf van rots. - -Boven de rotsen hangt laag een zwartgrijze hemel, donker en dreigend. -De donkere granietmassa’s staan somber, onwankelbaar opgerezen, omhoog. -En in dat ijzig grauwe vlekken de witte steenen van duizenden graven. - -Maar het graf van de doode, daar hoog op die rots, ziet uit boven het -landschap, en ver over de groote, groote zee, zóó als een ziel uitziet -in de eindeloosheid. - - - - - - - - -UIT CANTON. - -EEN REIS-IMPRESSIE. - - -Leemgeel, zacht verroodend in avondglans, lag Hongkong tegen het -rossige, statig-rijzende rotsgebergte. Dit sombere gevaarte stijgt met -immenze lijnen omhoog, hier en daar vrediger golvend, met glooiende -dalen, en schiet dan rechtop in een hoogen, steilen piek. De rotsen -zijn donkergoud, met rood als van fel avondrood, de stad is leemgeel -van een stil, heilig geel. - -Beneden, klein tegen het roodgouden hooge, ligt de drukke stad met een -front van lang-rijende, gele huizen tegen de zee. Zij ligt in een damp -van witten schijn, opstijgend uit de electrisch verlichte straten, en -er ruischt rumoer van stemmen en ratelende ricksha’s. Hooger, hier en -daar, tegen kuische hellingen, rustig-eenzaam staan de gele bungalows, -met hun door de avondzon in brand gegloeide ramen uitziende ver over de -zee. - -De lange kadestraat is in wit licht van hoog opgehangen ballons met -gloeilampen, waaruit melancholieke, intenze manestralen de hooge -facades van hotels en offices doodsbleek slaan in het gloeiende geel -alom. Klein en wriemelend onder dat witte licht van boven gaan proppen -menschen, in schelle kleuren, hel rood en blauw, van de tulbanden der -Sikhs, van de engelsche soldatenjassen, van wuivende chineesche -gewaden. - -Ik stond op het dek van de „Hankow”, de groote rivierstoomboot naar -Canton. Overal, wijd in het rond, de booten in de haven; met een -sereene kalmte lagen zij op het vlakke water, heel stil. Het tuig om -hunne masten stond ragfijn in de ijle atmosfeer, als teêre takjes van -dunne boomen, en alles aan hen was zacht-duidelijk te zien en stond -zich stil te geven in den langzaam dalenden avond. Zij lagen vertrouwd -en moê in de wijde, wijde haven, alsof zij, eindelijk gekomen, daar -nooit weer weg zouden gaan en alles daar goed was. - -Op de fransche mailboot, vlak over ons, werd en seinlichtje in de -voorste mast geheschen; het wiegelde even zwaaiend omhoog en bleef toen -peinzen over de zee. Alleen het vage geruisch van de kade verbrak de -heilige zeeëstilte, waar alle winde-adem ingehouden. - -Plotseling een hoog, droef-klagend geluid,—dit is in een stille haven -als een bange smart over de ziel, die huivert,—een ver echoënd galmen -over de bergen in het Westen,—en langzaam verdween een groote, donkere -boot, uitvarend naar den rooden horizon als een sombere, zwarte vogel. -Toen een knarsend geratel van ankerkettingen, en een nieuw, snijdend -fluitgeluid vlak bij mij. Nog in den vrede van de stilte vooraf voelde -ik pijn van dit felle. Langzaam draaide onze boot, en ook wij stoomden -de haven uit, naar hooge, roode bergen in het Zuidwesten. - -En opeens zag ik de stad als iets moois dat weggaat.—O! het -roodomgloeide geel, het heilige geel van die avondstad tegen de rossig -gouden rots! De lantarenvlammetjes flikkerden vér-rijend weg, de witte -ballonnen straalden fel-weenende lichtbundels over de zee, en een -blanke damp beefde boven de huizen. Een groote wijding lag over de gele -bungalows, hoog tegen hellingen. Zij stonden als matgouden tempels in -den avond. - -Verder en verder stoomde de boot weg naar de Paarlrivier, en niets meer -bleef over schijnen van Hongkong dan een droom van geel en rood. - -In de verte van de havenkom gloeiden de lichtjes der booten, als roode -oogen die ons nà-tuurden. - - - -De sereene, rustig-ruischende zee, waarin ik zacht vooruit zweefde. Nu -waren wij in den mond der Paarlrivier, met álom de bergen. De bergen, -de goede, vertrouwde bergen van China, die de vrienden zijn van mijne -ziel, die ik ken, alsof zij heel intieme menschen waren met oude, lieve -namen, zóó innig heb ik gevoeld hun diepste wezen, zoo eerlijk en -oprecht hebben zij aan mij gegeven de luchtige reinheid van hunne -droomende lijnen, het statig rijzen van hun stijgenden wil, het -hoog-deemoedige van hun roerlooze, vrome rust. - -Dichtbij, aan den rechter oever stonden zij steil-hoog, rood-goud in de -donkerende lucht, en op hunne toppen brandden vlammende vuren, die de -hemelen deden beven van rossigen weerschijn. Statig rezen de vlammen in -die hooge regionen. [67] - -Maar aan den linkeroever was het wezen der bergen zachter, en droomden -de vredige vormen liefelijk op in de schemering, met de teedere lijnen -van hunne omtrekken bevende van gevoel in de ijle atmosfeer. De avond -daalde met zacht-suizende schaduwen, en van uit de zee stegen fijne, -aetherische nevelen, wolkend tegen de bergen, stil vergaand tegen het -rood-goud, met groote innigheid. Alles begon te wuiven, te weifelen, te -deinzen. Een sneeuwwit zeiltje lichtte ergens op in de verte, intens -rein, en was weer weg, of het te ongelooflijk was, zóó wit-puur. Het -landschap werd een eindelooze droom. De kleuren vervloeiden, goud -gloeide langzaam weg in geel-wit, rood verschemerde in grijs, in de -hooger rijzende nevelen, die wijd en wijd uitwaaiden hunne wuivende -gewaden. Het zacht-melodieuze ruischgeluid der golven was -zalig-vibreerende van gevoel. Overal was fluisteren, suizen, ruizelen, -verdroomen, en dat alles in een absolute rust. De zee was een groote, -groote ziel. En in een wijding van kuisch getemperd avondlicht daalde -een immenze liefde van den Hemel neder..... - -Ik stond zwijgend op het dek. Wèl kende ik dien plechtigen tijd van -bidstonde in de chineesche zeeën, als alles luidloos verglijdt in -droomen, als de witte nevel puur en blank over het water gaat, en de -innigste essence van de natuur éven klaar op durft schijnen in de -eerwaardige schemering, vlak voor de oogen van de verwante -menschenziel, die in haar wil vergaan. Ik huiverde. Want dit kan een -mensch niet lang dragen, het wijd-strekkend uitspreiden van de ziel, -het rekkend reiken om in eindelooze liefde het Al te omvatten. Dit is -de alleruiterste spanning van het wereld-verlangen. En bevend ging ik -naar beneden, in de kajuit. - - - -Hier was alles weer gewoon. Een deftige, gedekte tafel, met blinkend -zilver en kristal. Roode rustbanken. Alles hôtel-achtig. Heel gewoon -even een bittertje drinken en een courant lezen. En toen een uitstekend -diner met een alleraangenaamst causeerenden kapitein. Het had nu niet -heel veel meer van China. Alleen, op den achtergrond, een staand rek -met geweren en revolvers, met het opschrift „loaded,” deed een beetje -unheimisch aan. Er konden eens zeeroovers onder de -tusschendekspassagiers zijn, wat wel eens gebeurd is. - -Na afloop van het diner ging de kapitein weer naar boven, op de brug. -De kajuit was behagelijk warm, en hel verlicht met electrische -gloeilampen. En nu dat speciaal oostersche genot te savoureeren, om na -het diner een bizonder fijne Manila te rooken, half droomend op een -zachte rustbank, onder het dreunen van de machine! Zoo veilig, zoo -héélemaal-er-uit, zoo heerlijk ver van het gedoe en gescharrel thuis -over kunst en literatuur, zoo geen kwestie meer van kibbelen en -leuteren over dát is mooi en dat niet, zoo goddelijk in je ééntje in -een heel vreemd land overal mooie dingen te gaan zien, met menschen in -blauwe en gele zijden gewaden om je heen! Dingen van architectuur, van -beeldhouwkunst, van schilderkunst, en oude, oude literatuur van groote -wijzen, die nooit het woord artiest hebben gehoord! En dan dat -in-gezellig egoïstische, er niets van behoeven te zeggen, maar héél -alleen en vrij te zijn—het gaat hun allemaal niets aan—, er zoo -schijnbaar onverschillig bij te blijven en een fijne sigaar op te -steken, terwijl toch in de ziel van binnen alles in uiterst reinen -staat in essence is bewaard! Later vertel je ’t dan wel eens, zoo bij -gelegenheid. Er is niets geen haast bij, zoo met al die vredige bergen -om je heen, en al dat groote van zee en horizonnen. - -Ik heb daar zoo heel lang op die bank liggen genieten, onder den -exquizen geur van allerfijnste sigaren, van tijd tot tijd eens -uitziende door een raampje, en dan overal omhoog sterren, sterren, -sterren, en alom zachte bergen in weinig, vaag maanlicht, waar alles -goed was en tevreden. En een bizonder reine schittering op heel zacht, -egaal water. Zoo alsof alles zoo hoorde in die kalme rust, en zoo is -het overal, en anders is er niets in de wereld. En o! zoo veilig, want -zoo vér van alles, ongenaakbaar..... En toen ik daarna op mijn bed lag -in mijn hut, was al het geziene van de avondschemering weer voor mijn -ziel. Zij verdroomde in die vage zaligheid, als de bergen en de zee. -En, ik wil het wel bekennen, dit is voor mij het allerhoogste genot -geworden, het niet-uiten, maar het heel stille ondergaan, het -onmerkbaar zweven tusschen bewustheid en vergeten, een zielestemming -lucht en aetherisch, als in een avondlandschap, als de nevelen hunne -wijde, vage gewaden spreiden over de slapende bergen en de zachte, -vlakke zee..... - - - -’s Ochtends vroeg het ontwaken in helder daglicht, in een groot geluid -van stemmen, hooge, schelle keelgeluiden van sjouwers en roeiers. De -„Hankow” lag voor Canton, vlak aan de kade. Een nette kade, europeesch, -met stemmige rijen boompjes, langs europeesche huizen, waartusschen een -kerkje. Maar verderop de donkere chineesche stad, eenvormig laag, met -hier en daar de sombere, vierkante torens der pandjeshuizen, of de -sierlijke oprijzing van een slanke, smalle pagode, als een vreemde, -hoog-ranke bloem met veel klokjes. - -Aan de andere zijde de wijde, breede rivier, vol sampans en andere -schuiten, een aparte stad van bootjes op het water, vol wriemeling van -menschen, en rumoer van schreeuwen. Links buigt zich een zijstroom -landwaarts in, een enorme zilveren streep, schitterend vér door de -vlakte, met hier en daar een groot gouden zeil glorieus in de zon. - -De rivier was luid levend van stemmen en beweging; het lawaai kwam op -mij af als een wind. En nu, in den vroegen morgen, een licht blij zijn, -een verlangen om óók hevig meê te doen, vooruit te gaan, óók te gebaren -en te spreken. De nevelen van droom wuiven wèg van de ziel, die stil en -zwijgend blijft van binnen; het gewone, krachtige leven trilt in het -lichaam, gretig ademt de mond de frissche ochtendlucht, en de zintuigen -trillen scherp, en voelen intens. - -Na een uitstekend ontbijt stapte ik aan wal, en bracht de beleefde -„purser” van de boot mij naar hôtel Shameen. Een donker hôtel, quasi -first class, met muffe kamers. Na eene kleine wandeling door de -europeesche nederzettingen in Shameen (het europeesche gedeelte van -Canton), bestaande uit eenvormige, saaie boulevards, stapte ik vóór het -hôtel in een draagstoel, een nauw, vuil hokje van bamboe op -bamboestokken, gedragen door drie smerige kerels. De gids van ’t hôtel, -een poenerige, vereuropeeschte chinees, die slecht engelsch sprak, -voorop. - -En toén de tocht door de chineesche stad Canton, een stad als alle -andere in China die ik gezien heb, niet mooier, niet leelijker. De -straten eng en smal en donker door de overneigende daken der huizen, -die elkaar van weerszijden raken, en overal een benauwing van -onbestemde, maar verdachte stanken. Wie er voor het eerst komt wordt er -geslagen van walging, zoo sterk dat hij niet meer in staat is, het -mooie overal te zien. Maar reeds kende ik dien schijn van benauwing en -rotting, van vroeger, uit zooveel andere chineesche steden. - -En er is een zeer schoone ziel in die sombere donkere chineesche steden -vol vuil en stanken. Zij liggen treurig en grauw, als de half-vergane -ophooping van een verdoemd volk, en het lijkt er alles slijk en duister -en slechtheid. Maar ik weet, onder al dat hideuze liggen schatten van -schoonheid verborgen, en leeft een ziel van glans en schitterende -kleur. - -Hier ging ik weer langs de winkels van zijde en goud, waar de rijkste -couleuren ópfonkelen in het half-duister, waar de blinkende gouden -draken glorieus uitgloeien op intens rood, waar aandachtig, als vroom -geziene werklieden stil gebogen zitten over lappen blauwe, gele, -groene, roode zijde, met teêre hand het goud en zilver bordurend tot -precieuze bloemen en bizarre vogels, fijn en gevoelig als trokken zij -etsen. Hier ook weêr de winkels van houtsnijders, en lakwerkers, en -antiquairs, vol dingen van kunst en hooge industrie, als wel -onbestaanbaar lijken in die omgeving van stof en modder. En waar het -zonlicht niet door kan dringen vlamt het helle rood van lappen en -neêrhangende tabletten, en schittert het goud van stijlvolle karakters. -Beestachtige, gekromde koelies loopen als gevloekten onder zware -lasten, met schelle kreten, maar hier en daar wuift statig het langzaam -waaiende gewaad van een gegoeden chinees, die met voorname stappen van -zijn geel zijden pantoffelschoenen over den beslijkten grond gaat, als -liep hij over rozen. Zóó, door geschreeuw en gelach, door duisternis en -stank, door ópschittering van sublieme kleuren, wuiving van hemelsblauw -en lichtgroen en vurig paarsch, ging het in het bedompte, overhuifde -stoeltje een klein uur lang door de nauwe straten, somtijds hooge -trappen op en af, op de schommelende beweging der dragers, als op een -deining van zee. - -Ik liet even ophouden vóór den winkel van een sjacheraar in -antiquiteiten. De draagstoel met een schok neer, en voorzichtig uit het -nauwe hokje gekropen. Een hoop volk nieuwsgierig achter mij aan. Een -bejaarde chinees wachtte mij voor den drempel op, met diepe buiging, en -groet van op de borst saâmgebrachte handen. Even zag ik in spanning -door den winkel, met de mij eigen geworden flair van verzamelaar, en -wist toen al direct, wat ik ook verwachtte, dat de antiquiteiten hier -evenzooveel noviteiten waren. En weêr als zooveel keeren stond ik in -bewondering voor de kostbare gebaren van den beleefden chinees, en voor -den sereenen ernst op zijn gezicht, toen hij mij het met zware eeden -voorzette, dat deze—piksplinternieuwe—Kangsai vaas een antiquiteit was -uit de Handynastie, van fabelachtige waarde, dat dit blinkend -geschuurde koperen wierookvaatje een schat was uit de dynastie der -Soeng, en dat dit gewone theekopje, waarvan hij de éénig bestaande vier -exemplaren bezit, [68] afkomstig was uit het paleis te Peking. Want het -is eigenlijk niet om boos te worden, het is eerder om voor te knielen, -die sublieme gave van fantazie, die de chinees bezit, en ik was -volkomen zeker, dat de antiquair op dat moment zelf geloofde wat hij -zeide, zoo liefdevol zagen zijne oogen door een enormen bril al die -dingen aan, en zoo teêr en gevoelig ging zijn magere, lang-genagelde -hand er streelend over. O! die heerlijke gave om de emotie van iets in -waarheid te kunnen doorvoelen en te gebaren door de enkele fantazie er -van, hoe zalig moet een leven daarmede zijn, wat een immens geluk moet -zoo’n chinees zich daar altijd meê kunnen geven! - -En dan, al is alles nieuw, hoe mooi zijn al die dingen hier, hoeveel -voornamer dan bijna alles in een galanteriewinkel in Holland! Die -wierookbakjes met hun teêre pootjes, die simpele speksteentjes met die -kleine, maar grandioze lijntjes, die gracieuze poppetjes met die -gevoelige gebaartjes, die glanzende witte vazen als blanke bloemkelken! -En nu dat fijne Kwan Yin beeldje, dat de sjacheraar mij voorhoudt, wat -is dat weêr een keurig figuurtje, hoe mooi is het opgerezen uit die -fraai gestyleerde lotusbloem, hoe lucht en rein wuift het lichte -gewaadje in zachte plooien er om heen, hoe subliem is het gebaartje, -waarmee twee vingertjes der linkerhand prediking wijzen! En ik kocht -het elegante poppetje, dat hoogstens vijf en twintig cents waard was, -voor drie dollars, omdat ik wist dat ik, in Canton onbekend zijnde, -voor een globetrotter werd aangezien, en het dus toch niet voor minder -zou krijgen. En nóg zie ik het verslagen gezicht vóór mij van den -chinees, die jammert, dat hij er zoo’n schade bij heeft, en op die -manier zijn zaak op de flesch zal gaan. Die fantazie, dat -representatie-vermogen, die kostelijke mimiek in dit land, waar elk -wezen een volleerd, eminent tooneelspeler is, een land van opperste -kunstenaars! Is China misschien niet één immens tooneel?.... - -En nu weer verder, door slijk, modder en drek, langs smerige, -fielterige gezichten, door getier en gevloek, half ziek van den -walgelijken stank overal, en in beraad om in Godsnaam maar liever terug -te keeren.... - -Tot dat men mij weer neêrzet voor een tempel. De tempel der vijfhonderd -Ló-Han’s. [69] - -Eerst een paar poorten door, waar menschenmassa’s krioelen om -stalletjes van vruchten en stinkende eetwaren, en dán een labyrinth van -lange, rechte alleeën. - -Het was er vol blauwigen wierookdamp, en in dien zachten schijn blonk -overal donkerrood van oud goud. Aan weerszijden in lange, lange rijen -zaten op steenen terrassen, dicht naast elkaar, kolossale gouden -beelden, en de gangen openden zich rechts en links tot andere, overal -uniforme alleeën, waarin de roerlooze, plechtige samenkomst van -mysterieuze, heilige wezens. Voor elk der vijfhonderd beelden stond een -groot wierookvat en een kandelaar; wierook brandde in de vaten, en zóo -droomde overal een blauwe damp op, waarin het goud lichtte van een -vreemden, mystieken glans. Op elk kruispunt van gangen stond een -pagode, in den vorm van een lotusterras, waarin een oud, zwart -boeddhabeeld aan elk der vier zijden statig nederziet op de eerwaardige -vergadering van wijzen daar beneden. Op de hoeken bloeiden slanke -porseleinen vazen, als bloemkelken. - -Vijfhonderd expressieve gezichten van hooge wijsheid, devoot biddend in -roerlooze rust, of verdroomd in zalige meditatie, vér van de dingen der -wereld, of enkelen verschrikkelijk stormend, in woedenden haat tegen de -doodsvijanden, de passies, met afschuwelijk verwrongen trekken! - -Het was er plechtig, van een sombere, gewijde stilte. Dat kwam -plotseling uit de benauwing en het leven van zooeven als een wijding -van droom. - -O, die eindeloos kalme, gouden wijzen, hoe ontzaglijk zaten zij, in een -sfeer van vreemde zaligheid, hoe passieloos was veler gelaat, hoe -wonder was die roodgulden glans, lichtend in die hooge, koude stilte! - -Naast mij, bóven, waar ik laag onder stond, zag een mat-gouden Ló-Han -vreemd-lachend mij aan, zooals ik nooit weêr zal vergeten, met een -lach, die over andere dingen in andere werelden gaat, en met een -subliem gebaar wees hij op zijn open-gegane borst, waar een heel klein, -schitterend beeldje zat, de voetjes op een lotus gevouwen, de oogen -starende op de punten van twee opgestoken vingers, verloren in immenze -zaligheid; zoo wees hij mij met een wonderen lach op zijn bevrijde, -pure ziel van binnen! - -Voor en achter, links en rechts, overal liepen de alleeën door, en in -alle richtingen, zoover ik zien kon waar ik stond, waren de statige -wijzen, in onbeweeglijke rijen, peinzende donkergoud in een droom van -zachtwolkend blauw. - -En het was als een stuk uit een oude Soetra: - -„Alzoo hebbe ik gehoord: Toen der tijde woonde de Gezegende (Boeddha) -in Srâvastî, in de allee van Geta, in den tuin van Anathapindika, te -zamen met een gezelschap van Boeddha’s, dertienhonderd, met ouderen, -groote discipelen en Arhats, zooals Sáriputra, Mahamaudgalyama, -Mahakasyapa, Mahakapphina, Suddhipanthaka, Nanda, Ananda, Râhula, -Bharadvâga en Arismuddha. Hij woonde te zamen met dezen en vele andere -groote discipelen en vele nobele Boddhissatva’s, als Mangrusî, den -prins, en alle anderen. - -„En hij woonde te zamen met Sakra, den Indra, den koning der Dewa’s en -met den Brahmaan Sahârupati. Met dezen, en vele anderen, -honderdduizenden Naguta’s [70] van godenkinderen, woonde Bhagavat in -Srâvastî. [71]....” - -En deze tempel was als een gezicht in heel oude, vervlogen tijden, toen -de sereene Shakyamuni zijne onsterfelijke predikingen zeide, met -duizenden vrome discipelen in roerlooze rijen devoot om hem heen. Hoe -groot, hoe gelukkig, zoo pas uit al die menschen; de menschen leken nu -als vér uit een nachtmerrie, krioelende wezentjes; wat veilig, hier zoo -vér van allen, in die koude laan met gouden goden! - -„O-Bi-Tô,” zeide een schelle keelstem. - -Een smerig, gluiperig kereltje, miserabel in een vuil grijs -lompenkleed. Een puntig dievensnoet, vér, vér van beneden. - -Ik wist wat hij hebben moest, en gaf hem een „kah” [72]. - -Gretig greep de vieze hand mijn geldstuk. - -„Gegroet, vrome Bikshu,” zeide ik, met een sneer, dien hij voelen -moest. - -Maar onverstoorbaar kalm, zijn vuile snuit in een plooi van -Nirvâna’sche rust, antwoordde hij weder: - -„O-Bi-Tô”, „O-Bi-Tô”..... [73] - -Amitâbha, de Dhyâni Boeddha, de in-zich-zelf bestaande, vóór de -formatie der wereld, Amitâbha, de „abstracte Wijsheid”! - -En ik voelde een grooten angst, nu deze havelooze schooier dien -subliemen naam op de lippen had, zooals ik zelf wel van véél sublieme -dingen spreek, ik, die mijzelf van binnen nauwelijks durf zien, in de -duistere afgronden der onbewustheden. Is daarom China mij zoo -sympathiek, of liever, zoo vreemd verwant, omdat het een symbool is van -een menschenziel? Omdat er van uit het sombere en droeve van duistere -onbewustheden de hoogste wijsheid wordt gezongen, en in de gure, -donkere wijken een roerloos, statig Boeddhabeeld de handen biddend op -de borst vouwt, in allerdiepste contemplatie? - -Angstig peinzend ging het weer door de sombere straten, en ik wist niet -eens meer wat ik zoeken kwam, ik, droomende zwerver, ver van de dingen -van mijn land. - -Het liefs van zonnige duinen was nu zoo lang reeds weg, en de weiden -met gouden koeien, en de weggetjes waar een wagen met paard aankomt in -de verte. Het is hier alles somber en tragisch, alles roept hier van -den dood, en mijn grootste geluk was hier immers altijd doodstil liggen -aan de zee, met vage nevelen op het water, en overal stervende lijnen -en wijkende horizonnen..... - -Tot een plof mij weer wakker schrok. Ik was voor den tempel van den -stervenden Boeddha. [74] - -Een met onkruid begroeid voorhof over; dán, langs twee pagodevormige -wierookbranders, de voordeur van den lagen, breeden tempel binnen. Het -is niet in een statige, groote zaal, in pracht van architectuur en -kleuren, dat het beeld hier ligt. Een paar gangen door, een trap op, en -ik kwam in een kleine, vierkante kamer, in donker, droef licht. Hier -stond een armoedig chineesch bed met vuile, groene gordijnen. Ik sloeg -ze terug en hing ze over de stijlen. En ik zag een levensgroot, gouden -boeddhabeeld dat—o, wondere chineesche naïeveteit!—met een deken bedekt -was, voor de koude. Ook de deken trok ik weg. Géén beeld van heel fijne -afwerking als de oude porseleinen,—een dik, bijna grof gezicht, met -grooten neus, en lompe, vette oorlobben. Het haar in krullige -vlamknoppen, donkerblauw. Dikke, logge lijnen had het lijf, als dat van -een vleezigen, massalen werkman, die één brute kracht is. Maar toch zág -ik het en was het duidelijk, ik zag het, en zal het niet licht -vergeten..... - -„Zóó moet het zijn,” dacht ik, „zóó is het grandioze, zachte, teedere -einde.....” - -Want de gouden boeddha lag met het hoofd zóó rustigjes op een luchtig -gebogen arm.... o! hoe rustig en zalig en in sereene kalmte,—de beenen -zóó zachtkens gevleid over elkaar, en over het slapende gezicht lag -zulk een wijding van eindeloozen vrede, dat ik dadelijk voelde, hoe -hier een ziel verzweefde, en dit lichaam verheerlijkte met den glans -van haren schaduw. - -Zacht, zacht lag daar de boeddha vóór mij, hoe zalig was hij daar -gelegen; ja, nu wist ik het—hoe heerlijk dit te weten!—dit was geen -lijden, geen bange dood, dit was enkel het lucht-droomend verglijden -van een bevrijde ziel..... - -In een donkere, vuile kamer was het, in sombergeel, treurend licht, -ergens op een verdieping van een armoedigen tempel, in de duistere stad -van modder en immondices, waar ik zooeven nog walgde. - -Toen ben ik haastig weggegaan, na eerst de deken zelf weer over het -gouden lijf te hebben geslagen, en de groene gordijnen dichtgedaan. Dit -is niet iets om veel van te zeggen, om lang naar te zien. Maar iets om -heel stil te bewaren van binnen, om voorzichtig mede te dragen door het -leven, en niet meer van te spreken..... - -En weêr ging het, een uur lang, door de donkere stad, en in mijn -moeheid zag ik niets meer dan vage schaduwen. Alleen nog even héél -helder, op een breede, open plek, op zij gezien, een blanke pagoda, een -blanke bloem, rank oprijzend, hoog boven de lage, schuitvormige daken, -met zeven gestyleerde terrassen boven rijen zeskantige bladen, en -gekroond door een spits van in den wind zacht klingelende klokjes. Een -wondere bloem van steen en porcelein, opbloeiend uit het vuilbruine der -huizenmassa’s..... - -Toen heb ik getiffind, in een koude, leege zaal, en later in een -donkere hôtelkamer gezeten, met vreemde stadsgeruchten roezemoezend in -de verte, en angstig gillen van stoomfluiten, dicht bij op de rivier. -Moe van warmte, lam van benauwdheid als ik was, viel ik in een zwaren -slaap, donker en leeg, een groote zwarte onbewustheid, als een -afgrond..... - - - -Na het diner, ’s avonds, werd ik door een jong engelsch student van de -„consular service”, met wien ik aan één tafeltje had gezeten, -geïnviteerd om de „flower-boats” op de Cantonrivier te gaan zien, een -chineesche, drijvende buurt van „haut plaisir”. Daar hij -Canton-chineesch sprak, een dialect waarvan ik maar heel weinig machtig -ben, nam ik die invitatie met graagte aan. - -En nu ging het in een sampan, onder een rieten dakje gezeten, over een -breede, donkere rivier. Voorbij de stad was het alles donker, en van -een vreemde melancholie, die ik nergens anders voelde dan op chineesche -rivieren. Een zacht drijven met korte stootjes, onder het droevig -gepiep van riemen in de haken, en van buiten niets te zien dan donker -water alom. Tot opeens in de verte een rumoer klonk van stemmen en -gezang. En wij kwamen bij een groote, opeengehoopte massa, die ik eerst -voor een stad hield, maar die uit honderden naast elkaar vastgemeerde -booten bestond. [75] Bamboebruggen op palen vormen wegen tusschen de -rijen schuiten, die allen stil liggen. - -Met veel moeite liepen wij op die ruwe wegen voort. De eerste schuiten -die wij voorbijgingen waren klein en slecht verlicht, en ik zag vrouwen -in zwarte jakken met een sigaret in den mond. Maar verder blonk veel -licht, en nu kwamen wij bij wonderlijke huizen—want op booten lijken -zij niet in het duister—met fijn houtsnijwerk van bloemen en vogels. De -deuren open, en binnen alles hel verlicht, veel menschen in kleurige -gewaden, en vreemde vrouwenfiguren in schitterende zij. In een der -laatsten gingen wij binnen. Een aanzienlijke Chinees, de secretaris van -den onderkoning van Canton, gaf daar een feest. De boot leek wel een -langwerpige, smalle, lichte doos met menschen. De eerste indruk was -rood en goud. Langs de muren veel spiegels in vergulde lijsten, en veel -roode tabletten met gouden karakters. Overal europeesche kronen en -lustres, met veel glazen breloques. Overal schitterde en fonkelde -kristal en licht. - -Langs de wanden, als in chineesche ontvangzalen, stoeltjes van -zwartbruin hout, rijk ingelegd met parelmoer, en rijk besneden. Naast -elken stoel een laag tafeltje, voor de thee. In het midden een fijn -geornamenteerde tafel op drakenpooten, waarop allerlei porseleinen -schalen met lekkernijen, en waarom rijkgekleede chineezen met wondere, -frêle wezentjes—bloemen? feeën?—van lichte, tintelende couleur, met -vreemde droomgezichten, nog niet gezien. - -Mijn beleefde nieuwe kennis stelde mij voor aan een immenzen, loggen -chinees, met enormen, vooruitstekenden buik en vuurrood gezicht, een -vette, lompachtige vleeschklomp. Ik boog zoowat en mompelde iets van -het weinige mandarijn dialect dat ik kende—en dat een hooggeplaatst -chinees door het geheele rijk verstaan moet. Maar ik heb niet gehoord -wat hij toen zeide, want ik keek naar die vreemde, ongeloofelijke -wezentjes om de tafel. Ze waren allen zoo klein en broos in de -fonkelende roze en hemelsblauwe gewaden met teêre bloemen en vogels -daarover geborduurd, roze omzoomd met blauw, en rood met goud, en -helgroen met fel geel, alles schitterend en tintelend in ’t intenze -licht, wijde korte gewaden over wijde broeken, met vage, vermoede -vormen er héél even doorkomend. En dan die gezichten, allen zoo -poederwit en bloemenrood, en die opgaande wenkbrauwbogen en die kleine -zwarte amandeloogen die niet schijnen te zien wat er om hen heen is, -maar enkel vage, verre mysterieën! De slanke droomwezentjes van -porseleinen vazen en van zijden waaiers en schermen en bizarre -teekeningen. En alles even sterk uitkomend van kleur, als geschilderd -op rijstpapier, zóó intens, kleuren alleen in China te zien. Er stond -er een op, met veel geruisch en kletteren van jaspis-sieraden, en nu -zweefde het kleurig schepseltje naar ons toe, als op het rythmusje van -een heel langzame droommuziek. De zijden miniatuurschoentjes van een -héél klein kindje raken maar even den grond, en het toch zoo lichte -lichaampje, te zwaar voor die babyvoetjes, helt links en rechts telkens -over, en wiegt in het wankelend evenwicht, met telkens uitstrekken van -een wijde mouw, als een vlag van een équilibriste. Dit kleine, zijden -figuurtje, als uit een droom gekomen, dit heel teêre, frêle wezentje -komt bij den kolossalen chinees staan, als zijn kindje ver beneden zijn -schouder reikend, en wil den vleezigen reus, die haar Lief is, weer -meêtrekken naar de tafel, om te eten. - -Maar hij zeide haar iets, wat ik niet verstond, waarop zij ons met haar -zwarte oogjes aankeek, eerst half-bang, toen verwonderd, toen guitig, -en opeens in een schel gelach uitschaterde. - -De dikke chinees scheen een héél goed vriend van mijn kennis te wezen, -wat deze mij dan ook verzekerd had, want ineens vroeg hij mij wat in -gebroken, maar toch verstaanbaar engelsch: - -„Please sit down there, with my friends. Do you like a mistress?” - -En daarna een bulderend gelach. Nu zag ik pas dat hij een beetje -dronken was. - -„Hoe zou ik durven? Hoe zou ik durven?” riep ik, dezen keer voor de -eerste maal dit in China gebruikelijk antwoord eens heuschelijk -meenend. - -Want die zijden, kleurige schepseltjes daar zijn geen vrouwen, dacht -ik. Het zijn geschilderde, met zijde omhangen automaatjes, ze zijn -broos als vlinders, de kleur zit er in fijn poeder op, ze geven stellig -af als je er aankomt. Hoe dit ooit aan te roeren—zou er geen -griezelige, bleeke plek óverblijven als bij een kapel,—zou die mooie -kleur er niet afgaan? En dan al die heerlijke, zachte zijde, zou het -niet kreuken, zou het niet scheuren en vlekken, en dan die curieuze, -porseleinen gezichtjes, me dunkt ze zouden breken en in scherven vallen -als de poppetjes op zoo’n waaier, als je er even aan stoot! - -Wat een vreemd festijn, die logge, groote kerels, meestal met dikke -buiken en opgezette tronies, die daar vreemde vruchten eten en uit -miniatuurkopjes thee en wijn drinken met porseleinen poppen, die -dadelijk breken! - -Wij werden opgenomen in den kring. Naast mij zat een figuurtje in roode -zij, met sterk riekende bloemen in ’t haar, en een smallen band van -blauwe ijsvogelveeren, bezet met groote paarlen, over een smal, -wit-gepoederd voorhoofd. Zij zat mij aan te kijken alsof ik een vreemd, -zwart monster was in mijn europeesche jasje, en begon telkens met -andere zulke vrouwtjes uitbundig te lachen over zóó iets ongerijmds. -Onze gastheer liet de muziekinstrumenten komen, en het wezentje naast -mij begon met haar kleine, roodporseleinen vingertjes in iets als een -guitare te tokkelen. Vreemde, maar heel zangerige wijsjes, en een -vreemde stem er tusschen, zingend in heel hooge noten ongehoorde -faussetten. - -Het ging er alles heel netjes toe. Niets van de ruwe grofheid als op -europeesche bacchanalen, al was het nog een ietsje anders dan in een -europeesche salon. Deze vlinderachtige dametjes zijn dan ook de meest -ontwikkelde van China, en onderwezen in literatuur en muziek. - -De booten—ik spreek hier enkel van de besten, niet van de -kleineren—zijn geen publieke lokalen, maar worden door een of meer -rijke chineezen afgehuurd, en de feestvierenden zijn allen gasten. -Behalve een toiletkamertje zijn er geen andere vertrekken dan de -feestzaal. Na het festijn gaan allen naar huis. - -Mijn nieuwe vriend was in druk gesprek met de Chineezen, maar ik zeide -niet veel, en zat, een geurig kopje „siaochoeng” thee savoureerend, de -porseleinen vrouwtjes aan te staren, die ik nog nooit zoo gezien had. -Ik kende alleen van Cantonvrouwen de korte, dikke „girls”, die overal -in China, in de Straits en in Indië zijn te vinden, gekleed in de -glimmende, zwart bombazijnen jakken. Maar déze waren de echte -chineesche feeën uit de oude sprookjes en legenden, die op feniksen en -reigers door de lucht zweven, of voorbijdrijven op wolken, als Ho Sien -Kou, het wondere, lichte wezen, dat nooit at, en in het volle daglicht -eindelijk ten hemel voer, als te lucht en te broos voor deze aarde. Ik -trachtte te vergeefs mij voor te stellen, dat die gekleurde, teere -poppen courtisanes waren, zoo vaag en vreemd bewogen ze, zoo klein en -tenger leken ze, zoo curieus automatisch waren hun gebaartjes, als -werden ze onzichtbaar door touwtjes bewogen. Toen de dikke secretaris -zijn zware hand op de fijne, zijden schoudertjes van zijn meisje legde, -had ik een gevoel alsof ik een porseleinen voorwerp zag breken. Maar ze -weerde hem af met een keurige wending van haar zijden waaier, en lachte -met een hoog geluid, te hoog fausset om natuurlijk te zijn, maar dat -bizonder mooi wordt gevonden in een chineesche vrouw.—Hoe’n vreemd -gevoel was het, toen later zoo’n wezentje achter elk der gasten kwam te -staan, zooals gebruikelijk is, om wijn te schenken! Telkens als het -gepoederde, roode handje bij mijn kopje kwam, en een zijden wijde mouw -even ruizelend mijn jas effleureerde, week ik onwillekeurig terug, en -keek bezorgd of er niets was afgegeven, en geen roode of witte vlek was -gekomen op het zwarte laken..... - -Het was laat toen wij, na vele strijkages en buigingen, afscheid namen -van de overbeleefde chineezen en hun raadselachtige schoonen. En toen -ik weer in de donkere sampan zat en over de doodstille, duistere rivier -gleed, had ik moeite te gelooven, dat ik de schitterende, kleurige -poppetjes van de oude vazen en rijstpapieren plaatjes werkelijk levend -had gezien, en dat alles misschien niet enkel een vertooning maar -geweest was op dat immenze tooneel, dat China is. - -De stad, toen wij naderden, lag donker en somber, met hier en daar een -schaarsch lichtje, een groote opeenhooping van zwarte vormen, onder de -duistere droefheid, die over alle chineesche steden ligt, als een -vloek. Het gezicht op zoo’n ontzaglijke groote stad, doodstil onder den -zwarten nacht, vanuit de wijde, duistere rivier, is beangstigend met -een vreemde beklemming. - -De schitterend roode en blauwe lichtfiguurtjes weken weg voor mijn -denken, en opeens dacht ik om de vijfhonderd gouden wijzen, statig -gezeten in den damp van blauwen wierook en om den heiligen, zaligen -Boeddha, die daar lag te sterven in het donkere kamertje, achter -armoedige, groene gordijntjes, dáár ergens in die zwartgrijze massa, -zoo somber en dreigend voor mij, de mysterieuze, fabelachtige stad van -wonderen, die Canton heet.... - - - - - - - - -INHOUD. - - - Blz. - Kwan Yin. De Godin der genade. Over Chineesch - boeddhisme en Chineesche kunst 1 - Een Bruid 73 - De Chineesche Hel 85 - Een Begrafenis 152 - Uit Canton. Een reisimpressie 160 - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] 14 Maart 1896. Letterkundige Opstellen. IX. - -[2] De „i” in Yin lang uit te spreken, de „a” in Kwan kort. - -[3] Deze was geboren uit het hoofd van den Dhyâna boeddha Amitâbha, in -China de allerhoogst erkende boeddha, genaamd O-Bi-Tô. - -[4] Ook deze werd voorgesteld als zittende op een berg, nederziende -naar de wereld. - -[5] De roomsch-katholieke zendelingen zagen in haar een spel van den -Satan, die de Mariafiguur wilde namaken. - -[6] Meisjes worden dan ook slechts bij uitzondering in China onderwezen -in andere vakken dan vrouwelijke handwerken, decoreeren, huishouden -enz. en kunnen lezen noch schrijven. - -[7] Wat men „taoïsme” noemt heeft niets te maken met de oorspronkelijke -leer over Tao van Lao Tsz’. Dwaze discipelen, die Lao Tsz’s boek niet -begrepen, haalden er allerlei absurde dingen uit, gingen den steen der -wijzen zoeken enz. en creëerden later een geheel pantheon van goden. -Geheel ten onrechte wordt dan ook van „taoïsme” gesproken. - -[8] Het boekje, dat voorgesteld wordt door Kwan Yin zelf gemaakt te -zijn, is geen echte soetra, en is geschreven gedeeltelijk in proza en -gedeeltelijk in verzen. Het is getiteld; „Oorspronkelijke, echte soetra -van het overvoeren (naar Nirvana) van Kwan Yin” en is veel beter -geschreven en van veel ernstiger karakter dan de „Volledige traditieën -omtrent de Kwan Yin der zuidelijke zeeën”, waaruit andere schrijvers -wel eens hebben geput. - -[9] De Chow dynastie bloeide vanaf 1122 v. C. en verviel vanaf -1079 v. C. - -[10] Confucianisme, taoïsme en boeddhisme. - -[11] Zooals bekend is gelooven de boeddhisten aan tallooze incarnaties -door transmigratie, en, zooals ik verder in dit stuk nader zal -beschrijven, wordt door omwenteling van een wiel de ziel telkens weer -in het leven gewenteld. - -[12] Eene niet-boeddhistische godheid, vermoedelijk van oud-chineeschen -oorsprong, die in allerlei legenden en taoïstische verhalen een groote -rol speelt. - -[13] Hiermede wordt bedoeld de „Sing” waarvan Confucius spreekt, „dat -wat de hemel als natuur verleend heeft.” (Zie „Chung Yung”.) Deze -„Sing” is het essentieel reine van den hemel in den mensch, en haar -rein te houden is het geheim van een goed leven. Alle zonde komt door -verduistering van de „Sing.” - -[14] Boeddha, Dharma, Sangha, d.i. Boeddha, de Wet, en de -Priesterschap. - -[15] „Het schip der liefde.” Andere naam voor Kwan Yin. Met „schip” is -bedoeld het vaartuig, dat de zielen over de zee des levens voert naar -Nirvana. - -[16] „De zee der bitterheden,” „het roode stof” enz. is het leven. - -[17] Jên Teng (sanskriet Dipankara) is een oude boeddha, die al vóór -Shakyamuni’s incarnatie als Siddharta dezen onder zijne discipelen -telde. - -[18] Volgens prof. de Groot een land ten Z. van Siam en ten O. van -Indië. - -[19] Miao Yin = het Schoone Geluid, Miao Yuen = het Schoone Begin. -Tsjoang is de Schoone, Versierde. - -[20] Er zijn vijf planten, die als onrein worden beschouwd, (o. a. -uien) als zijnde wedergeboorte als plant van een hond. - -[21] Op dien gelukkigen dag werd in oude tijden een trap gereed gemaakt -en met bloemen versierd. De prinses stond op de trap met een zijden bal -in de hand, die zij neerwierp. Wie de bal opving werd haar echtgenoot. - -[22] De eerste is de gehoorzaamheid aan den vader (ongehuwd zijnde), de -tweede die aan den man (gehuwd zijnde), de derde die aan den oudsten -zoon (weduwe zijnde). - -[23] Goed gedrag, gepaste woorden, nederigheid, gepaste bezigheden. - -[24] Het hoofdprincipe van Confucius’ leer. Die van vader tot zoon en -omgekeerd, vorst tot onderdaan, echtgenoot tot echtgenoot, oudere -broeder tot jongere en omgekeerd, vriend tot vriend, zijn de vijf -betrekkingen.—Deze leer heeft geruimen tijd het boeddhisme in den weg -gestaan dat niet familieleven maar ascetisme voor het hoogste leven -hield.— - -[25] Dat hare ouders koning en koningin waren was de belooning voor in -vroegere levens gedane goede daden. - -[26] „Yama,” de koning der hel. - -[27] Naam voor eene prinses. - -[28] Dit zijn dezelfde (in Amoy Kim Tong en Giok Lu genoemd) die in -mijn stuk over het chineesche tooneel voorkomen (Zie Wijsheid en -Schoonheid uit China). - -[29] Deze bijl, oorspronkelijk de scepter van Indra (vadjrna), wordt nu -nog door de priesters gedragen bij ceremonieën, en is een symbool van -de macht van Boeddha, die door wijsheid (pradjna) onoverwinlijk is. - -[30] Cypres en pijnboom zijn symbolen van onsterfelijkheid. - -[31] Wierook-Berg. - -[32] Eene dergelijke legende wordt van Shakyamuni verhaald. - -[33] „Love here pronounces itself lord of Fate,” zegt Samuel Johnson -hiervan terecht. (Oriental Religions. India.) - -[34] Ook Avalokiteshvara zwoer: „zich te manifesteeren in elk schepsel -in het heelal; alle menschen van de gevolgen der zonde te bevrijden, en -nooit het boeddhaschap te bereiken tot allen zijn geboren in de eeuwige -rust en vervulling hebben gekregen van hunne gebeden.” (Beal. Catena of -Buddhist Scripture.) - -[35] Correspondeerende met den berg Potala, waar Avalokiteshvara -woonde. - -[36] „Fung Shui” zou men de wetenschap van de astronomische en -religieuze ligging eener plaats kunnen noemen. Uitweiding zou hier te -ver voeren. - -[37] Er zijn vier zulke Zee-Draken-Koningen, Hai Lung Wang, in de -noordelijke, westelijke, zuidelijke en oostelijke zee elk één. Zij -worden door de Chineezen zeer in eere gehouden en krijgen offeranden in -zee geworpen. - -[38] Dit is niet in het boek vermeld. Maar de vegetariërs hebben er -eene geheele mystieke filosofie op gebaseerd, en verklaren de geheele -kunst van de bevrijding der ziel door overwinning der hartstochten, uit -dit boek. Er bestaan geheele boeken van vegetariërs over de z.g. -ziele-verreining, waarin alle in de See Yiü voorkomende personen als -gedeelten van het menschelijk lichaam worden voorgesteld. - -[39] Men zij niet te veel verwonderd, dat deze verklaring van Shen -Ts’ai en Lung Nü zoo geheel en al verschilt met die, welke Prof. de -Groot ervan geeft in zijn „Jaarlijksche feesten en gebruiken der -Emoy-chineezen” (1e deel bl. 155 v.v.), en die hij vermoedelijk uit -tooneelvoorstellingen heeft geput. Ik heb mij gehouden aan mijne editie -van See Yiü, maar teeken er bij aan, dat vele edities daarvan -aanmerkelijk verschillen. - -[40] 1023–1063 n. C. - -[41] Als dit echt is, is het uit de 15e eeuw, de regeering van Süan -Tsung (1426–1435) der Ming-dynastie. Het merk Süan Teh, dat de Goncourt -(Cabinet de l’extrême Oriënt) zoo dikwijls aanhaalt, is echter geen -bewijs van echtheid, daar het op moderne vazen en vaten ook staat. - -[42] Dikwijls ziet men dan ook op platen of in tempelbeelden de ziel -afgebeeld in het lichaam van een beeld, als een klein boeddhaatje, -zittende in meditatie. Ook zag ik dit bij oude duitsche primitieven, -maar dan de ziel in den vorm van een engel. - -[43] Hierover later, bij de beschrijving der porseleinen. - -[44] „Kachâya” (sanskriet). - -[45] Zie de afbeelding tegenover den titel. - -[46] Vóór een beeld gaaf uit het verhittingsproces komt, zijn meestal -eerst eenige exemplaren gesprongen, waarna telkens weer van voren af -aan moest begonnen worden. - -[47] Gelukkig zijn juist de gewone armen over, die zij op andere -beelden heeft, zoodat het schijnt, of er niets aan ontbreekt. - -[48] Voor een chinees heeft een „puh ts’ üen,” dat is defect, stuk heel -veel van zijn waarde verloren, al is het maar één klein barstje. Groot -was de verwondering van een antiquair wien ik vertelde, dat de Venus -van Milo een beeld is, dat niet voor goud te koop is, maar geen armen -meer heeft! - -[49] Peh Ting porselein is zoo kostbaar in China, dat zelfs scherven -van gebroken dingen duur worden betaald. Men denkt namelijk, dat het -tot poeder gemalen, een geneesmiddel is voor ooglijders, en verhaalt -van dit poeder, dat het blinden het licht kan teruggeven. - -[50] Het is in China gebruikelijk om gedurende de huwelijksdagen de -bruid aan belangstellenden te laten zien (kh’oà sin nioê). Deze staat -dan rechtop in de bruidskamer, in groot gala. - -[51] Zooveel als: „Ik feliciteer u!” - -[52] Zie het eerste stuk in dezen bundel: „Kwan Yin”. - -[53] De chineezen schrijven n.l. niet met een pen, maar met een -penseel. - -[54] Yen Lo (Sanskriet: Yama) of Yen Kiün is eigenlijk de algemeene -naam voor alle hellekoningen. - -[55] De chineezen dachten dat visschen uit water geboren worden. - -[56] De lezer zal opgemerkt hebben, dat de chineesche verteller hier -een beetje in de war is, want waar blijven nu de insecten „uit -gedaanteverwisseling geboren”? - -[57] Zie voor détails Prof. de Groot’s „Jaarlijksche feesten en -gebruiken der Emoy-chineezen”, 2e deel, van af blz. 333. - -[58] In Indië heet dit feest „reboetan-feest”, omdat sommige der tafels -later door de armen mogen geplunderd worden. In Tandjong Pinang (Riouw) -kan men b.v. dit feest goed bijwonen. Het wordt daar op tamelijk groote -schaal aangericht. - -[59] Deze Rivier-Draken-Koning heeft de stroomen en rivieren, met al -hunne bevolking van visschen enz. tot zijn gebied, en veroorzaakt, op -last van den Hemel, de regens. - -[60] Literator van den eersten graad, ongeveer „bachelor of arts”. - -[61] De chineezen hebben twaalf uren in een etmaal. Het uur Ch’an -correspondeert met ons 7–9 ’s m., het uur Sz’ met ons 9–11 ’s m., het -uur Wu met ons 11–1 ’s nam., en het uur Wei met ons 1–3 ’s nam. - -[62] Van 3–5 ’s nam. - -[63] T’ai Tsung was toen nog koning, maar later werd hij keizer, de -tweede keizer der Thang-dynastie die regeerde van 618–913 n. C.—T’ai -Tsung regeerde van 627–649 n. C. - -[64] Men bedenke hierbij, dat een keizer (later werd T’ai Tsung keizer) -ook in de hel recht heeft op de noodige égards, als zijnde de Zoon des -Hemels. - -[65] Dit kon heel gemakkelijk gebeuren. Dertien schrijft men in ’t -chineesch één tien drie. De voorste één, in ’t chineesch door één -liggend streepje: 一 voorgesteld, is door toevoeging van nog twee -streepjes te veranderen in drie: 三. - -[66] Hoe hij dit deed, door Saan Tsang de Soetra zonder karakters te -doen zoeken, heb ik in „Kwan Yin” verhaald. - -[67] Het was in den tijd der eerste nieuwe maan na chineesch nieuwjaar -(Februari), wanneer de bergbewoners gewoon zijn vuren in de bergen te -ontsteken. - -[68] Een chineesche „set” van kopjes bestaat uit vier, en somtijds tien -of acht, maar niet zes of twaalf. - -[69] Ló-Han’s = Arhats, adepten. - -[70] Staat hier voor: „eindeloos velen.” - -[71] Uit den aanhef der „Sukhâvatî-vynha-mahayana-sûtra (iets verkort -in dit citaat). - -[72] 10 cents engelsch = 100 chineesche cash. - -[73] O-Bi-Tô (Amitâbha) is de gewone zegswijze der priesters, die zij -voor alle gevallen en als antwoord op alle mogelijke gezegden -gebruiken. Zij denken dat het eindeloos uitspreken van dit heilige -woord hun door transcendenten, mystieken invloed tot Nirvâna kan -brengen. - -[74] De chineezen in Canton noemen het „slapende boeddha”, maar dit is -verkeerd. Het beeld komt geheel overeen in houding met de siameesche en -birmaansche, die den stervenden boeddha voorstellen. - -[75] In September 1894 is deze geheele bootenbuurt door brand vernield. - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KWAN YIN *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
