summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/65535-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/65535-0.txt')
-rw-r--r--old/65535-0.txt3598
1 files changed, 0 insertions, 3598 deletions
diff --git a/old/65535-0.txt b/old/65535-0.txt
deleted file mode 100644
index e360d42..0000000
--- a/old/65535-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,3598 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Ghetto, by Herman Heijermans Jr.
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Ghetto
- Burgerlijk Treurspel in 3 Bedrijven
-
-Author: Herman Heijermans Jr.
-
-Release Date: June 5, 2021 [eBook #65535]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: far Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book
- was produced from scanned images of public domain material
- from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GHETTO ***
-
-
-
- GHETTO.
- BURGERLIJK TREURSPEL
- in 3 Bedrijven
-
- DOOR
- HERM. HEIJERMANS JR.
-
- AMSTERDAM.—S. L. VAN LOOY.
-
- 1899.
-
-
-
-
-
-
-
-
-Voor de eerste maal opgevoerd door de „Nederlandsche
-Tooneelvereeniging” te Amsterdam op Zaterdag 24 December 1898.
-
- DRAMATIS PERSONAE.
-
- Sachel.
- Rafaël, zijn zoon.
- Esther, zijn zuster.
- Aaron.
- Rebecca.
- Rebbe Haëzer.
- Rose.
- Een jood.
- Een bewoner.
- Een grijsaard.
-
- Bewoners der Jodenwijk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE BEDRIJF.
-
-
-De bedompte uitdragerswinkel van Sachel. Het is avond. Er brandt een
-kleine olielamp.
-
-
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Sachel. Rose. Een jood.
-
-
-EEN JOOD. Goeienavond..... (knoopt een pak los). Warm. ’t Is om ’r bij
-neer te vallen. Is Esther ’r niet?
-
-SACHEL. Esther is uit.
-
-EEN JOOD. Hoe wou jij dan helpen?
-
-SACHEL. Geef ’t maar hier. Ik zie beter met mijn handen dan jullie met
-je oogen. (het goed betastend). Niks. Geen cent waard. Heelemaal niks.
-Prullen.
-
-EEN JOOD. Geen cent waard? En Esther heit ’r me de vorige keer twee
-gulden op gegeven!
-
-SACHEL. Twee gulden? Twee gulden! Daar had ik bij motten wezen! As ’k
-tien stuiver geef is ’t al mooi. Allemaal versleten goed...
-
-EEN JOOD. As je kinderen ’r maar nooit gebrek an zullen hebben! Noem je
-die jas versleten? Noem je die broek versleten? kan wel merken dat u ’r
-geen kijk op heit.
-
-SACHEL. Ik vergis me niet. M’n vingers verstaan ’t. Die zién. Die zién.
-De knoopsgaten zijn heelemaal uitgerafeld en wat heb ’k an ’n broek met
-afgetrapte randen?
-
-EEN JOOD. Noem u dat uitgerafeld? Noem u dat afgetrapt? Was uw zuster
-maar hier! Wat doe ’k met al die redeneering!
-
-SACHEL. Rose—kom is hier. Bekijk die jas is bij de lamp. Heb ’k recht
-as ’k zeg dat-ie versleten is?
-
-ROSE. (De jas bekijkend). Mooi is-ie niet. Maar zoo erg versleten, zoo
-héel erg....
-
-SACHEL. (nijdig.) Wat niet versleten! Ben jij blind? Houen jullie me
-voor de gek! Had ik me óógen, dan had ik jou niet noodig, jou niet,
-niemand niet! Is ’t niet ongelukkig genoeg dat ’k blind ben? An me
-vijanden ben ik overgeleverd. Nou staan ze mekaar an te kijken of ’k ’t
-zoo zie! Dievetuig! Maar bestelen laat ik me niet! Nog niet voor ’n
-cent! Geef hier die jas! (betastend). De knoopsgaten zijn kapot....
-Hier is ’n heele plek waar de wol ’r af is.... En de voering.... de
-voering.... kijk die gescheurde voering!.... En zoo’n stomme os ziet
-niks, wil niet zien!... Geven we je daarvoor te vrèten dat je mijn in
-me zak liegt!
-
-ROSE. Ik lieg niet....
-
-SACHEL. Jij liegt! Jullie liegt allemaal!
-
-EEN JOOD. Wat doe ’k met al dat geklets! Maakt Esther ooit zoo’n
-spektakel? Geef me honderdvijftig centen en ’t is uit!
-
-SACHEL. ’n Daalder? ’n Cent ’n kwaje dag meer as vier kwartjes.
-
-EEN JOOD. Vier kwartjes? Dank je wel! Dan pak ’k ’t weer in.
-
-SACHEL. Ga je gang! Ik zal me geld in ’t water gooien! ’k Kom ’r ook
-niet met stelen an....
-
-EEN JOOD. Nou, laten we zeggen vijf kwartjes. Ik heb ’t hard noodig, me
-vrouw is ziek. Anders kreeg je ’t nog voor geen drie gulden....
-
-SACHEL. Al was je heele familie ziek ik geef niet meer as vier
-kwartjes. Vodden! Vuiligheid! Voor mijn part neem je ’t weer mee. ’t
-Zal me zorg zijn! Vraag wat ’t mijn hindert. Wat begin ik nou!
-
-EEN JOOD. Ik heb al m’n levensdagen nog nooit zoo’n hond gezien—weigert
-’n kwartje meer voor ’n zieke vrouw (inpakkend). Dan breng ’k ’t naar
-Levi! Die heit nog ’n beetje meelijden met ’n ongelukkig mensch!
-
-SACHEL. Me zorg. Laat Levi z’n heil d’r in zien. Zoo’n rommel zal me
-afgestolen worden!
-
-EEN JOOD. In Godsnaam! Og wat ’n uitzuiger!
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Sachel. Rose.
-
-
-SACHEL (snauwend). Haast je ’n beetje dat je klaar komt! Stommeling! Te
-beroerd om voor de duvel te dansen! Je had toch kunnen hélpen met te
-zeggen dat ’t niks waard was! Je vreet ’r toch van mee! As ik ’n
-jódenmeid had—die—die zou léeper zijn.
-
-ROSE (schuw). Als ’k ’n jodin was had ’k ook moeten zeggen dat de jas
-zoo slecht niet was.
-
-SACHEL. Wàt moeten? Wie vraagt je wat? Wie, hè? Hè?
-
-ROSE. Ik lieg niet.... Dat doe ’k niet....
-
-SACHEL. Hou je bek! As je tien jaar bij me ben, begrijp je nòg niks! ’t
-Zit niet in jùllie kop. ’t Is er niet in te gieten. Wat draai je nou?
-Je heb niet noodig in die hoek... Wat scharrel je?
-
-ROSE. Ik veeg ’t vuil bij mekaar.
-
-SACHEL. Jij veegt? Jij veegt? Luilakken doe je, tijd vermorsen,
-dagdieven!—’n Goeie jas, ’n kostelijke jas.—Ongeluk brengen jullie an.
-Geen haar zegen. Schiet op! Sta me niet an te kijken! (Stilzwijgen).
-Was jij op van nacht?
-
-ROSE. Nee!
-
-SACHEL. Waarom schrik je?
-
-ROSE. Ik schrik niet.
-
-SACHEL. Leugen! Leugen! Wát dee je op?
-
-ROSE. Ik ben niet op geweest.
-
-SACHEL. Ik heb ’t gehoord. De klok had geslagen. Je liep op je kousen,
-op de trap, in de gang.
-
-ROSE (schuw). Niet waar..... Ik heb geslapen, ben ’t bed niet uit
-geweest.
-
-SACHEL. Je liegt! Ik heb hóóren loopen.
-
-ROSE. Ik niet.... Ik niet....
-
-SACHEL. Je deur heeft gekraakt—je ben in de gang geweest en de trap af
-tot an de deur van de winkel.—Die was op slot. Diè was op slot! Wat woù
-je? Ik laat me niet bestelen. As ’k iets mis al is ’t de knop van ’n
-speld, dan, dàn, dàn ben je ’r bij, dan ben j’r voor jàren bij—versta
-je....
-
-ROSE. .... Ik bèn niet opgeweest.
-
-SACHEL. Kom hier! Heelemaal hier. Dichter bij. Nog dichter. Waar is je
-hand? Zoo. Zeg ’t nou nòg is!
-
-ROSE (angstig). Ik ben niet opgeweest! Waarachtig niet. Geen oogenblik.
-Ik heb....
-
-SACHEL. Je liegt! Je hand beeft! Tuig! Tuig! Maar ik lèt op je. Geen
-beweging maak je, of ’k zie ’t. En as ’k je snap, laat ’k je ’r uit
-slèpen of ’k zal geen gezond uur meer hebben!
-
-ROSE (voortwerkend). Ik zou niet weten, waarom ik op zou staan—wàt ’k
-in de winkel zou noodig hebben.
-
-SACHEL. Jij zou niet weten! Jij! Bij tijjen willen jullie me doen
-gelooven, dat ’k gek ben, heet je liegen wat m’n óoren zien! Dat God
-jullie straffe met mijn straf, dat jullie oogen wegkwijnen zooas de
-mijne weggekwijnd zijn, dat jullie zoeken in die verdomde nacht, zooas
-ik zoek elk uur, elken dag! Het is om te huilen! Het is om je handen te
-heffen tegen God—altijd nacht en vijanden om je heen, vijanden die je
-niet zièt, vijanden die zich niet hoeven te verbergen, vijanden die
-spotten zonder dat je d’r spot ziet, vijanden die lachen zonder dat je
-d’r lach ziet, vijanden die je vóélt, hier, daar, overal, vijanden met
-stemmen, waarin de leugen gevreten ligt...
-
-ROSE. .... Ik ben geen vijand.
-
-SACHEL. Ik ken jou niet, weet niet wie jij ben. Nooit zag ik je
-gezicht, nooit je oogen. Pas heb je tegen me samen gespannen met die
-kleeren, misschien wat van ’m angenomen! Je stond zoo dicht bij ’m.....
-
-ROSE. Nee! Niewaar!
-
-SACHEL. En vannacht heb ’k je hóóren loopen. Wat dee je? Wat wou je? Je
-hàd niet op te zijn. Wat dee je op de trap en benejen? Daar denk ik
-over, daar tob ’k over òmdat je liegt. Nòu zit ’r wat achter. As je
-gezegd had: ik wàs op, ik was ziek—dan—had ’k je geloofd, was ’t uit
-geweest, heelemaal uit. Maar je wil me wijsmaken dat ’k niks gehoord
-heb! Ik niks hooren! Ik, die op m’n ooren leef!
-
-ROSE (aarzelend). Ik was ziek—vannacht.
-
-SACHEL. Dus je wàs op.
-
-ROSE. Ik was....
-
-SACHEL. Waaróm zeg je dat noù pas?
-
-ROSE. Ik weet ’t niet. Ik was bang.
-
-SACHEL. Bang voor wàt?
-
-ROSE. Bang voor.... Bang voor.... Ik kan me niet bewegen of ’k wor
-afgesnauwd.... Ik durf niks meer zeggen... Ik was bang—omdat ’k dacht
-je wakker gemaakt te hebben.
-
-SACHEL. Zoo. Zoo. Maar de tràp. Wat dee je op de trap?
-
-ROSE. Dat herinner ’k me niet....
-
-SACHEL. Ik vertrouw jou niet... Jij ben ’s nachts nooit ziek.... En je
-liegen, je verdomde liegen.... Je kon wel ’n ànder plan gehad hebben...
-
-ROSE. ’n Plan?....
-
-SACHEL. Praat niet zoo onnoozel! Wie zegt me dat je niet stelen wou?
-(Stilzwijgen). Nou? Zeg je niks?
-
-ROSE. Wàt moet ’k zeggen?
-
-SACHEL. Zoo. Zoo. Ze houdt d’r mond. Dan weet ze dat ’k héélemaal in ’t
-donker zit.—Nou? Nou?
-
-ROSE. Ik heb niks te zeggen. ’t Is te geméén om zoo iets te denken.
-
-SACHEL. Te gemeen? Te gemeen! Gemeen is ’n ouwe man bedriegen en
-beliegen.
-
-ROSE. Dat heb ’k nooit gedaan.
-
-SACHEL. Ik vertrouw jullie niet, me zuster niet, me zoon niet, niemand
-niet! Tuig, allemaal tuig!
-
-
-
-
-DERDE TOONEEL.
-
-
-Sachel. Rose. Esther.
-
-
-ESTHER. Wat schreeuwt-ie nou weer? Je ben op ’n uur afstand te hooren.
-De buren motten wat van ons denken....
-
-SACHEL. De buren! De buren! Wat gaan mijn de buren an!
-
-ESTHER. Wat hem de buren angaan? Nee, wat zeg je me daàr van? Wat hèm
-de buren angaan?... ’k Zou zegge dat ze je niks angaan! Og, is me dàt
-’n spektakel! Lastige ouwe man! ’t Verstand komt ook niet met je jaren!
-
-SACHEL. Jullie zijn me haast kwijt. Je heb zoo lang niet meer last van
-me!
-
-ESTHER. Wie legt je wat in de weg! Wie doet je wat? Jij schreeuwt maar.
-Jij schreeuwt ’t heele huis bij mekaar. As je dan schreeuwt, schreeuw
-dan met reden.
-
-SACHEL. Met rèden? Dùizende redene heb ’k. Was daar niet ’n koopman
-hier met ’n partijtje negotie en jaagt zoo’n stomme meid ’m de deur
-niet uit? Blijf jij daar kalm bij. Zeg jij dan niks!
-
-ESTHER. Wat heit zij d’r van noodig?
-
-SACHEL. As ’k ’r vraag om ’t bij de lamp te bekijken, zeit ze dat ’t
-zoo slecht niet is—as ze pas heit hoore zeggen dat de franje ’r bij
-hangt.
-
-ROSE. Ik wist niet beter.
-
-ESTHER. En às ze ’t gedaan heit, lastige ouwe, dee ze ’t toch niet met
-opzet? Wor je arm van eén partijtje? In gosnaam stràkkies wat anders!
-Hóe kan ’n blinde zich zóo te doen maken? Wat schiet je ’r mee op?
-
-SACHEL. .... Pràte jullie maar.... Ik voel wat ik voel. Ik heb ’t bij
-mekaar geschraapt uit hoeken en gaten. Krom heb ’k gelegen voor die
-paar centen. Me vrouw zaliger, diè, dié, heit me gehòlpen tot an d’r
-sterfbed. Jùllie verstaan de handel niet. ’n Zoon die nooit bij de
-affaire is, ’n zuster die álles te duur inkoopt, as ’k ’r niet bij zit,
-as ’k niet elke rooie duit met tàngen vasthou! Bloed zweet ’k!
-
-ESTHER. Zweet wat anders! Hij zweet bloed! Zweet geen bloed, nar! Alles
-komt terecht as je maar niet lastig ben—Doe de luiken voor de ramen,
-Roos.
-
-SACHEL. Zij niet. Dat mot jij doen of Rafaël. Zij verstaat ’t niet.
-
-ESTHER. Verstaat zij ’t niet? Doet ze ’t niet èlke avond? Wat mankeert
-je toch? Ga maar je gang, Roos.
-
-SACHEL. Zij niet! Zij niet! As ze de pennen vergeet.
-
-ESTHER. Die vergeet ze toch nooit!
-
-SACHEL. Stoor je niet an me! Groot gelijk. Tot ’t te laat is.
-
-ESTHER. God allemachtig—wat heit die man ’t van avond op z’n heupen.
-(Rose doet de luiken voor). D’r komt zeker onweer los met die warmte.
-Ik heb ’t hòndswarm. Zouen we niet beter doen voor de deur ’n luchie te
-scheppen?
-
-SACHEL. Dank jou voor je luchie. Ik heb ijskouwe voeten.
-
-ESTHER. IJskouwe voeten? Hoe is ’t mogelijk? Hoe komt iemand an
-ijskouwe voeten? D’r hangt ’n lucht om te stikken. Ik zweet me dood.
-(gaat bij de onderdeur zitten).
-
-SACHEL. Heb je gekeken of de pennen....
-
-ESTHER. Maak je maar niet ongerust. Alles komt in orde.
-
-SACHEL. Op ’t linkerraam zit-ie nog niet.
-
-ESTHER. Ze zal ’m ’r wel opdoen....
-
-SACHEL. Ben je bij Abram geweest?
-
-ESTHER. ’n Loop voor niks! Hij had de heele boel verkocht. Vanmiddag
-al.
-
-SACHEL. Was Rafaël ’r dan niet geweest?
-
-ESTHER. Rafaël? Rafaël? As-diè wat belooft, komt ’r toch niks van! Was
-’r heelemaal niet geweest! Je mot ’t van je kinderen hebben. ’t Geeft
-me wonder dat-ie nog thuis komt eten. ’k Zal z’n eten op de stoep
-zetten, dan hoeft-ie niet binnen te kommen.
-
-SACHEL. Had ’r zelf heengegaan van morgen!.... ’n Heele partij goed
-naar de maan!
-
-ESTHER. Og, wat zal ’k antwoord geven op jouw gezanik! Mot ik jóuw zoon
-achterna loopen? ’k Heb niet genog te doen! Kan ik helpe dat-ie te lui
-is om ’n voet te verzetten? Zoo’n leeglooper! As-die eenmaal belooft om
-bij Abram an te gaan, kan ik dan ruike dat-ie niet gaat? ’k Zal ’m an
-’n handje nemen! ’k Zal ’m op me arm d’r naar toe dragen! Wat zegje me
-daàr van!
-
-SACHEL. Met al jouw gesmoes—de pen is nog niet op ’t raam...
-
-ESTHER. Wat wil die man toch van avond van die pen! Ze halen hier niks
-weg. En mijn zeker niet, want ik eet te veel. En as ze jou stelen
-brengen ze je over ’n uur terug. Je ben te lastig. Ben je klaar, Roos?
-
-ROSE. Alles is klaar. Heb u mij nog noodig?
-
-ESTHER. Zet water op voor de koffie. En kom ook ’n luchie scheppen. ’t
-Is om te bezwijken. En... en... geef me broer ’n heete stoof voor z’n
-kouwe voeten!
-
-SACHEL. Spot maar! Spot met ’n blind man! Ik ben nog niet genoeg
-bezocht!
-
-ESTHER. Daar heb je me waarachtig Aaron! Wat doe jij hier?
-
-
-
-
-VIERDE TOONEEL.
-
-
-Aaron. Esther. Sachel. Rose.
-
-
-AARON. Wat ik hier doe? ’k Heb ’n beetje handel.
-
-ESTHER. Mot je daarvoor zoo laat kommen? ’t Is kinderen-bedtijd.
-
-AARON. Kinderenbedtijd? Noem je tien uur kinderenbedtijd? Voor handel
-is ’t nooit te laat. Al wou ’k in de nacht kommen! Wat zeg jij, Sachel?
-Ik zal ’t nooit vergeten, toen we jong waren, dreven we in ’t hartje
-van de nacht nòg handel. En wat ’n gezegende tijd. Weet je Sachel met
-die verkooping van de marine, hoe we om vier uur ’s morgens opzaten met
-Jozef en Meyer? Toen konden we zeggen: we hebben ’n paar centen
-verdiend—kwamen we met ’n stuk geld thuis. Nou is de handel gedaan. Ze
-weten nie-meer wat handel is! ’t Wordt armoe troef.
-
-ESTHER. Beklaag je! Klagers hebben geen nood. Je kan nog ’n boel van je
-vet verliezen vóor je mager wordt.
-
-AARON. Waar staat geschreven dat ’k me vet mot verliezen? (tot Sachel)
-’k Heb ’n partijtje afval van wol.
-
-SACHEL. Afval van wol? Niks voor mijn.
-
-AARON. Niks voor jou? Hij weet nog niet eens wat ’t is! ’k Heb ’n
-monstertje meegebracht. ’t Laat zich aardig fijn voelen.
-
-SACHEL. Niks voor mijn. D’r loopt ’n katoenen draad door! Hoor hoe ’t
-kraakt as je ’t scheurt.
-
-AARON. Maak mijn wat wijs. Geen krummel katoenen draad! Wat zeg jij,
-Esther?
-
-ESTHER. Geen katoenen draad? Noem je dàt wol? En dat?
-
-AARON. Is dat katoen? Je heb ’r geen verstand van! Dat noemt zij
-katoen! Kijk hoe ’t brandt! Ruikt dat na wol of na katoen? Je zal mijn
-wat opdringen! Nog geen pietsie zit ’r in! De fijnste wol! Over de
-heele wereld vin je zoo’n fijne wol niet!
-
-SACHEL. Hij maakt zich druk! Voor wie maak jij je druk? Toen ’k ’n kind
-van twee jaar was, wist ’k ’t onderscheid! Engelsch laken, anders niks!
-
-AARON. Engelsch laken? Zoo zal jij gelukkig blijven en ik ’n goeie week
-hebbe as dat Engelsch laken is!
-
-ESTHER. Heb je niks anders....?
-
-AARON. Is dàt dan niks? ’k Heb ’r ’n heele partij van—over de twintig
-pakken. Pracht van ’n goed. Reusachtig.
-
-SACHEL. Niks voor mijn.
-
-(Rose op met koffie).
-
-ESTHER. Wi-je ’n bakkie koffie, Aaron?
-
-AARON. Geef me ’n kommetje.
-
-ESTHER. En ’n boterkoekie? Eigen gebak.
-
-AARON. Geef me ’n brokkie.
-
-(Rose gaat bij de open deur zitten).
-
-ESTHER. Smaakt ze? ’k Heb ’r anderhalf pond boter in.
-
-AARON. Z’is ook aardig fijn. ’t Is of me dochter Rebecca ’r geen slag
-van kan krijgen. Je heb ’n goeie hand van suiker. Rebecca maakt ze te
-zoet of heelemaal geen suiker. En altijd half gaar. Nooit zal ze zoo
-knappen as jouw koek.—Nou, hoe is ’t, kunnen we handelen?
-
-SACHEL. Hoeveel mot je ’r voor hebben?
-
-AARON. Zeg jij wat ze jou waard is.
-
-SACHEL. Ik doe geen bod. Jij kan beter vragen dan ik biejen.
-
-ESTHER. Ach, wat motten wij ’r mee doen? Wat heb je ’r an?—Is je
-dochter Rebecca al beter?
-
-AARON. Zoo gezond as ’n visch. Ze mankeert niks meer. Is Rafaël niet
-thuis?
-
-SACHEL. Natuurlijk bij de weg.
-
-AARON. Heit-ie ongelijk? Wat heit-ie hier? Wat mot zoo’n jonge jongen
-altijd thuis zitten?
-
-SACHEL. Wat had ìk toen ’k jong was? Wat had jìj toen je jong was? Op
-’n klein kamertje woonde ’k met vijf broertjes en zussies en me ouwers
-en me grootmoeder. Gebrek en honger heb ’k gelejen. Gevòchten hebben we
-om ’n korst brood. Op ’n morgen ben ’k wakker geworden—met z’n vieren
-sliepen we op de grond—en—en ’n zussie lag dood naast me. Ik zal ’t
-nooit vergeten—ik pakte d’r hand—ijskoud was die. Dat voel ’k nòg! Van
-gebrek is me grootmoeder gestorven. In éen jaar zijn ’r drié kinderen
-begraven. Ik heb wat meegemaakt. ’t Is ’n wonder dat ’k nog léef, dat
-Esther nog leeft.... Wat heit zich mijn zoon te beklàgen? Die kent geen
-gebrek. Die kent geen zorg. De tijd is veranderd. Zoo vrij as ’n
-christen loopt-ie door de stad, komt op allemaal plaatsen waarvan ik
-nooit gedroomd heb, waar wij joden, vroeger, ons niet konden vertoonen.
-’n Halve christen is-ie geworden. Ik beleef niet veel vreugd an me
-zoon. Soms lijkt ’t of ’k heelemaal geen kind heb.
-
-AARON. Je mot ’t zoo zwaar niet nemen. Jeugd, niks dan jeugd. As-ie
-maar eenmaal ’n mèissie heit.
-
-ESTHER. Dat zeg ’k zoo dikwels. Maar hij kijkt niet naar meissies.
-
-AARON. Dan motten júllie voor hèm kijken.—Nou, doen we handel? Wat is
-’t je waard?
-
-SACHEL. Waard is ’t me niks. Maar as ’k je ’r ’n plezier mee doe....
-
-AARON. Ja, je bewijst me daar ’n dienst! Overal kan ’k ’t kwijt.
-
-SACHEL. Nou, dan niet. In Godsnaam!
-
-ESTHER. Wi-je nog ’n kommetje?
-
-AARON. As je heb.
-
-ESTHER. Nog wel tien.
-
-SACHEL. Wat blijft-ie uit!
-
-AARON. Wie?
-
-SACHEL. Hij....
-
-AARON. Voor wat maak je je ongerust? ’t Is geen kind! Hij loopt in geen
-zeven slooten tegelijk.
-
-SACHEL. Vanmorgen zou-die bij Abram angaan... Bij Abram is-ie niet
-geweest. De heele dag heb ’k ’m niet gezien. As ’m maar niks overkommen
-is.
-
-ESTHER. D’r overkomt ’m wat! ’n Luilak! ’n Niksnut!
-
-AARON. As-die maar eerst tróúwt.
-
-ESTHER. Heb jij ’n meissie voor ’m an de hand?
-
-AARON. D’r zijn ’r zoo’n boel. ’n Knappe jongen die centen anbrengt.
-
-SACHEL. Centen? Centen? Ik klee me niet uit voor ’k naar bed ga.
-
-AARON. Wat doet dat ’r toe? Rafaël is je eenige zoon. En je zal ’m toch
-wel wàt meegeven?
-
-SACHEL. As ’t meisje wat meebrengt.... Ik heb niet me heele leven
-gewerkt voor ’n vreemde.... Ik geef ’n andermans kind niet te eten.
-
-AARON. Hij mot trouwen.
-
-ESTHER. Ja—as die getrouwd is....
-
-SACHEL. Trouwen? Met wie? Van mijn zaak kunnen geen twee gezinnen
-leven. De verdiensten leveren tegenwoordig nog al wat op! Ik zou wel
-willen dat-ie trouwde. Maar ’t meissie mot minstens vijfduizend gulden
-meebrengen. Geen cent minder.
-
-AARON. Vijfduizend gulden! ’n Bagatel! Vijfduizend gulden! Mot ’n ander
-zich voor jóú uitkleejen? Wie geeft ’n meissie vijfduizend gulden mee?
-’t Is daar ’n prinses! Jouw zoon is toch ook geen graaf? Hij durft! Wat
-’n brutaaligheid!
-
-ESTHER. Om wat maak jij je kwaad? ’t Is toch maar bij wijze van
-spreken?
-
-SACHEL. En ’k doe ’t geen cént minder dan vijfduizend! En as ze maar ’n
-kleinigheid mankeert, mot ze mèer inbrengen!
-
-AARON. Dat kan ’k nou niet uitstaan! Hij vraagt maar! En as ’r nou is
-iemand zoo gek is om z’n dochter zoo’n kapitaal mee te geven, wat
-krijgt jouw zoon dan?
-
-SACHEL. Mijn zoon geef ’k niks. Die zit in de zaak.
-
-AARON. Wat zeg je me daarvan? Hij wil zich niet uitkleejen voor die
-naar bed toe gaat en ’n ander zet-ie ’t mes op de keel. Wat ’n onzin!
-Dat gààt niet. Jij alles en ’n ander niks!
-
-SACHEL. Waar bemoei jij je mee? Vraag ik jou wat?
-
-AARON. Nou—nee! ’t Zal mijn me zorg zijn. Nou, doe je ’n bod op de wol?
-Zoo’n fijne partij zie je in geen jaren terug. Voel wat ’n goed!
-
-SACHEL. Jij weet beter wat ’t jou ingekocht kost.
-
-AARON. Esther—zeg jij ’t.
-
-ESTHER. Ik? God zal me beware! Ik zeg niks.
-
-AARON. Zij zegt niks. Hij zegt niks. Zoo kommen we ’n boel verder. Wil
-je de heele partij in de roest?
-
-SACHEL. Ik zou je danken.
-
-AARON. Wat is ’t je dan waard?
-
-SACHEL. Ik geef je twee gulden de honderd kilo.
-
-AARON. Daar heb ’k jou voor noodig! Dank je wel! ’k Ben ’r met stelen
-an gekommen! Omdat ’r ’n klein stukkie Engelsch doorloopt kan je ’t
-krijgen voor vier.
-
-SACHEL. Néé! Je wor bedankt. Voor vier kan je ’t van mijn krijgen.
-
-AARON. Dan niet!—Wat is ’t kolossaal heet, hè? En die koffie maakt je
-zoo warm. Geef mijn nog ’n brokkie van je koek.
-
-ESTHER. Je schijnt ze te lusten.
-
-AARON. Hoe is ’t nou mogelijk dat mijn Rebecca ze nooit goed maakt en
-anders mot je d’r zien!—Wat doe je ’r allemaal in?
-
-ESTHER. Laat Rebecca maar is hier kommen, zal ’k ’t ’r wel leeren. Wat
-zal ’k ’t joù zeggen? Je heb ’r tòch geen verstand van. ’n Goed meissie
-is ’t, ’n goed meissie, je dochter. Waarachtig ik hou van ’r.
-
-AARON. Dat zal waar wezen. De man die d’r trouwt heit ’n huisvrouw an
-d’r. Ze kan van alles, van alles! Met recht wat d’r oogen zien, kennen
-d’r handen. Je kan ’t zoo gek niet prakkizeeren of ze verstaat ’t. Ze
-wascht, ze plast, ze kookt, ze smookt! En piender in de winkel!
-Reusachtig. D’r is geen vrouw die ’t ’r verbetert! Precies me vrouw
-zaliger. Tot d’r eigen japonnen maakt ze. En je mot ’r zien schrijven!
-Kolossaal. ’n Rijkeluiskind doet ’t ’r niet na.
-
-SACHEL. Da’s allemaal mooi. Maar as ze geen geld heit blijft ze tòch
-zitten.
-
-AARON. Geen geld? Geen geld? Je zal ’t èlk jaar overleggen wat ’k ’r
-mee geef.
-
-SACHEL. En wat kan jij ’r nou meegeven? Elke som geld heb je noodig
-voor je eigen zaak.
-
-AARON. Nou—drie bankies van duizend heb ’k altijd voor d’r over. (Een
-stilzwijgen).
-
-ESTHER. Puf! Wat is ’t heet! Kwam ’r maar ’n tochie! Verbeel je: hij
-heit ijskouwe voeten!
-
-AARON. Zal van ’t stilzitten kommen.
-
-SACHEL. Drie bankies van duizend. Driè bankies..... Denk jij dat daar
-’n rèchtschapen man voor komt?
-
-AARON. (driftig). En denk jij dat ’n vrouw met vijfduizend gulden voor
-jóuw zoon klaar staat?
-
-SACHEL. ’t Most mijn zoon niet overkommen ’n vrouw te nemen met
-drieduizend gulden!
-
-AARON. En wie praat ’r van jóuw zoon?—Ik geef mijn dochter drieduizend
-en ’n uitzet van alles twaalf. ’k Hoef me hand niet om te draaien of an
-elke vinger heit ze d’r tien. Ze is maar niet knap. ’n Aardig figuur en
-d’r oogen! Oogen as ’n paar sterren. Geregeld ’n christen dame. Je mot
-’r zien as ze angekleed is. Denken ze allemaal: ’t Is ’n fransche
-vrouw!
-
-ESTHER. Ja dat weet ik—’t is ’n engel. Ik heb ’t al zoo lang gezeid.
-
-AARON. Nou, geef je drie gulden? Voor drie gulden heb je ’n koopie,
-verlies ’k ’r de helft an.
-
-SACHEL. ’k Denk ’r niet an. Wat ’k gezeid heb.
-
-AARON. Dan doen we geen zaken—Waar blijft nou die Rafaël?
-
-SACHEL. God weet waar die zit.
-
-ESTHER. Rebecca zou ’n tof meissie voor ’m zijn.
-
-AARON. Ik geef geen vijfduizend gulden.
-
-SACHEL. Jij geeft geen vijfduizend gulden en ik geef me zoon niet.
-
-AARON. Hij geeft z’n zoon niet! Die is goed! Heb ik joù wat gevraagd?
-
-SACHEL (nijdig). Heb ik wat met joùw dochter
-noodig?
-
-AARON. Mijn dochter! Mijn dochter daar ben ’k trotsch op! D’r naam mag
-ik noemen!
-
-SACHEL (nijdig). Wat heb ik an al die praatjes! Doe jij met je dochter
-wat jij wil! Vraag ìk joù om raad?
-
-AARON (nijdig). Maakt ’n drukte van z’n zoon! ’n Jongen die te lui is
-om z’n pooten op te tillen, slentert de heele dag bij de weg!
-
-SACHEL. Geef jij ’m te eten? Heb jij d’r last van?
-
-AARON. En voor zóó’n jongen maakt-ie ’n bereddering van belang!
-
-ESTHER. Jullie lijken wel gek! Voor wàt maak je je warm? Is ’t niet
-warm genog? Wat ’n onzin! Overleggen jullie kàlm. Wat ’n gekheid om je
-zoo op te winden! Rebecca is ’n gezegend meissie, Rafaël ’n goeie
-jongen, maar mot ’n flinke vrouw hebben, die ’m leidt. Redeneeren
-jullie verstandig. ’t Geld komt in orde. Sachel is zoo kwaad niet
-as-die d’r uitziet. ’t Geeft wat duizend gulden meer of minder, ’t komt
-toch allemaal làter terecht?
-
-SACHEL. Zij gééft! Wie geeft joù? Gooit met duizend gulden of ’t daar
-niks is!
-
-ESTHER. Dwarskop, wat maak je je de sappel? As jij je eenige zoon an
-zijn eenige dochter geeft, blijft ’t toch in de fàmilie?
-
-SACHEL. En ik geef nou ’n andermanskind niet te eten!
-
-AARON. Wat zeg je me van zoo’n stijfkop, van zoo’n geweldenaar!
-
-ESTHER. Laat ’m maar gaan, ’t komt wel in orde. Ik mot je eerlijk
-bekennen: beter meissie weet ’k niet voor ’m. Nou is Sachel ’r tegen en
-morgen dankt-ie God dat-ie ’t gedaan heit. Laat-ie ’r maar eerst over
-slàpen. Ik ken ’m.
-
-SACHEL. Dat kan je begrijpen! D’r komt hier geen schoondochter onder de
-vijfduizend gulden over de vloer!....
-
-ESTHER. Weet je wat je doet, deel ’t verschil!
-
-AARON. Dank je. Geen cent meer of minder. Drie duizend gulden en van
-alles twaalf. Wat zal ’k meer geven? ’t Is toch voor ’n begin? As ’k
-sterf krijgt ze toch àlles?
-
-ESTHER. Ik weet goeie raad: nemen jullie ’t ’n paar dagen in handen en
-zeg dan ja of nee.
-
-SACHEL. Bedenken kost niks—maar ik doe ’t tòch niet.
-
-ESTHER (knipoogend tegen Aaron). Laat maar gaan! As ik je nou zeg: ’t
-komt in orde.
-
-AARON. Goed. Mijn goed. Dan tot overmorgen. Nou, de wol wil je niet
-hebben?
-
-SACHEL. Voor de prijs die ’k genoemd heb.
-
-AARON. ’k Smijt ze nog net zoo lief in ’t water! Men kan met jou
-tegenswoordig niet meer handele! Doe ’r vijftig centen bij en ze is
-voor jou.
-
-SACHEL. Geen cent!
-
-ESTHER. Praten jullie daar nou ook overmorgen over. As ’t eene in orde
-komt, komt ’t andere vanzelf in orde. ’t Is nou toch zoo laat!
-
-AARON. Nou, goeien avond dan. Misschien ben je later beter te spreken.
-
-SACHEL. Goeien avond.
-
-ESTHER. Pas op val niet! Denk an ’t stoepie.
-
-
-
-
-VIJFDE TOONEEL.
-
-
-Esther. Sachel. Rose.
-
-
-SACHEL. D’r komt niks van. Geen zier. ’k Heb ’m noódig! Og!
-
-ESTHER. ’t Mot toch éens gebeure? Wat wil je meer? ’t Is ’n knap
-meissie, ’t is ’n mooi meissie.
-
-SACHEL. En ik doe ’t niet. ’k Heb me heele leven lang de boel niet bij
-mekaar motten schràpen voor niks! ’k Heb de tijd!
-
-ESTHER. Jij heb de tijd—jij ’n man op jaren? As je God-beware wat
-overkomt, weet je heelemaal niet wat-je krijgt.
-
-SACHEL. Overkomt? Overkomt? Ik ga nog niet dood. Ik denk ’r niet an.
-
-ESTHER. Veel kan je zeggen. Je ben elk oogenblik in God’s hand. Wie
-weet ’t eene uur wat ’t andere gebeurt.
-
-SACHEL (vinnig). Daar wil ik niet over hooren. Hou je mond. Beschrie me
-niet! Ik ga nog niet dood. Waarom zou ’k dood gaan! Waarom? Je zou ’t
-wel willen, wat? Dan kon je doen en laten wat je wou. Dan had je de
-beschikking over alles. Dan kon je met ’t geld smijten, mijn geld, mijn
-gèld! Wat hebben jullie ’r voor gedaan? Niks! Doodvreters zijn jullie,
-jij, hij, allemaal!
-
-ESTHER. Wat win je je nou weer op? Wie legt je ’n stroo in de weg.
-
-SACHEL (kort). Praat dan niet van dood! Je maakt me niet bang. Ik bèn
-niet bang. Ik overleef jullie allemaal!
-
-ESTHER. Zooveel te beter. Voor mijn part honderd jaar. Wat ben je weer
-làstig! Roos neem de koffieboel mee. Hoor je niet?
-
-ROSE. Ja, ja. Hier ben ’k.
-
-ESTHER. Wat heb jij ’n rooie oogen. Heb je gehuild?
-
-ROSE. Ik? Nee. Hoe kom u ’r op?
-
-ESTHER. Heb jij nièt gehuild? Heb jij niet gehuild?
-
-ROSE. Nee. Verbeelding.
-
-ESTHER. Je mot ’t zelf weten. Ga naar je bed.
-
-SACHEL. Heb je de pennen op de luiken gedaan? Nou? Nou?
-
-ESTHER. Wat snauw je toch? De pennen zitten ’r op. Ga ’t zelf voelen as
-je ’t niet gelooft.
-
- (Rose af).
-
-SACHEL. Dat zal ik ook. Ik heb ’r m’n reden voor. Vannacht heb ’k
-iemand hooren loopen.
-
-ESTHER. Ik ook! En mot je dààrom die sjikse [1] zoo wantrouwen? Rafaël
-is op geweest.
-
-SACHEL. Niet waar! Niet waar! Die meid was op!
-
-ESTHER. Alles weisz me scheintje! ’k Zal je maar laten praten. Wat zal
-’k me nog langer moeilijk maken met jou!
-
-
-
-
-ZESDE TOONEEL.
-
-
-Rafaël. Esther. Sachel. Rose.
-
-
-RAFAËL. Goeien avond.—Ik zeg goeien avond.
-
-SACHEL. Dat hoor ik. Zeg liever, goeien nacht!
-
-ESTHER. Goeien avond! Meneer zeit goeien avond. ’t Lijkt hier ’n
-kosthuis! Meneer doet ons de éér an om te kommen slapen!
-
-RAFAËL. Ik heb me verlaat. Ben je ongerust geweest, vàder? Vader? Hoor
-je me niet? Kun je geen antwoord geven? Ook goed.
-
-ESTHER. Gelijk heit-ie dat-ie z’n mond houdt. Van mijn kreeg je ook
-geen boe noch ba. Wat ben jìj voor ’n zoon? Zou bij Abram angaan—is
-niet bij Abram geweest! Je most mijn zoon wezen!
-
-SACHEL. Waar heb jij uitgehangen?
-
-RAFAËL (verstrooid). Wat doet ’t ’r toe? ’k Heb dat van Abram vergéten.
-’t Spijt me. Met opzet heb ’k ’t niet gedaan.
-
-ESTHER. Hij vertelt wat! Geen opzet—wél opzet! ’t Komt ’r wat op an!
-
-SACHEL. ’k Heb je gevraagd wáar je gezeten heb de godganschelijke
-dag—en je praat ’r om heen....
-
-RAFAËL. Moet ik van àlles uitleg geven? Ik ben hier en daar en overal
-geweest—de tijd is omgevlogen. (vermoeid) Heb je wat te eten, tante? ’k
-Heb honger.
-
-ESTHER. Wou je dat ’k noù nog ging dekken? Ik zou je danken. Kom op je
-tijd.
-
-SACHEL. Nou nog eten? Nou wordt ’r niet meer gegeten.
-
-RAFAËL. Goed. ’k Zal zelf ’n stuk brood nemen.
-
-SACHEL. O God, wat straf je me zwaar op me ouwen dag overgeleverd an
-vreèmden! As je moeder-zaliger je zien kon, as ze zien kon hoe jij je
-blinden vader mishandelt, mis-han-delt, dan, dàn, dàn....
-
-RAFAËL (rustig). Laat mijn moeder ’r buiten. Je hoeft geen
-herinneringen wakker te maken; vandaag—leef ik enkel in herinneringen.
-Ik was op ’t graf.
-
-ESTHER. Hij was op d’r graf! ’t Is toch geen jaartijd? Was ’r nièt
-gegaan....
-
-RAFAËL (haalt de schouders op) .... Ik was op ’t graf ùren lang, heb
-zitten suffen en droomen. ’t Werd avond; de doodgraver heeft me
-opgeschrikt. Dat ’s alles. De zerk is weggezakt, vader. Je kunt de plek
-niet meer vinden. D’r groeit van alles. ’k Heb wat bloemen meegebracht.
-Hier heb je ze. D’r mag wel ’n nieuwe zerk komen.
-
-SACHEL. Jij ben krankzinnig, jij ben gèk! Ik wil jouw bloemen niet! Wèg
-met jouw bloemen! Was teruggekommen zooas ’t je pàste! Had niet je dag
-verluierd, je dag verdaan met onzin—ònzin, zeg ik je! Gister ben je
-niet thuis geweest, had je ’n uitvlucht! Eergister heb je geen vin
-verroerd! Zóo alle dagen die God geeft! Ben jij ’n zoon? Denk jij ’r an
-dat je ’n blinden vader heb, dat ’t ongeluk me vervolgt, dat Levi en
-Abram en zoo’n koopman-van-niks as Aaron—alles naar zich toehalen, dat
-m’n zaak verloopt, m’n goeie zaak m’n zaak, waarvoor ik gezweet heb,
-m’n zaak, m’n záák! Ik kan ’r bij huilen! Op m’n ouwen dag kan ’k
-bedelen gaan! Heb ’k je daarvoor grootgebracht!
-
-ESTHER. Trek ’t je toch niet zoo an! Mot je om zoo’n zoon grienen?
-
-SACHEL. God straft me wel! Heb ik ’t brood uit me mond gespaard
-toen-die ’n kind was? Hebben z’n moeder-zaliger en ik kromgelegen om ’m
-groot te brengen! Heeft-ie scholen bezocht en talen geleerd, waarvan
-wij nooit gehoord hebben! Hebben we ons uitgekleed voor ’m, bij ’m
-gewaakt as-die ziek was, ons alles ontzegd om ’t hém goed te laten
-gaan! En nou? Wat heb ik nou? Nou kan ik alléén rondwurmen! An niemand
-steun! Nou kan ’k vèrrèkken! Nou mot ’k wachten tot ze híér kommen met
-handel—me laten bedriègen—me laten bestelen!
-
-RAFAËL. Dat ’s niet mijn schuld.
-
-SACHEL. Niet zijn schuld! Ik kan ’m vasthouen! Ik kan ’m daar dwingen
-thuis te blijven en voor mijn te kijken!
-
-RAFAËL. ’k Heb over al die dingen gedacht van middag, lang nagedacht—je
-heb gelijk, maar ànders worden kan ’t niet, nou niet, nooit meer.
-
-ESTHER. Stapelmesjogge!
-
-SACHEL (hard). En wáarom niet?
-
-RAFAËL. Dat kan ’k niet zeggen....
-
-SACHEL. Jij liègt! Jij heb iets buitenshuis, dat ik niet weten mag, dat
-je verbergt!
-
-RAFAËL. Nee.
-
-SACHEL. Zeg op! Zeg op: je mag alles zeggen!
-
-ESTHER. Geheimen? ’t Zullen me geheimen zijn! Nog geen dubbeltje zijn
-ze me waard! As die niks zeit, weet ik nog genog!
-
-SACHEL. Op ’t graf van z’n moeder heit-ie gedacht! Hahaha! Op ’t graf
-van je moeder most jij niet durven kommen!
-
-RAFAËL. Waarom zullen we zóó tegenover elkander staan? Ik zal hier niet
-lang meer blijven, ’t je niet lastig maken.
-
-SACHEL. Wat? Wàt zegt-ie?
-
-ESTHER. Schtos! Allemaal schtos!
-
-RAFAËL. Ik ga weg.
-
-SACHEL. Jij gaat weg? Jij gaat weg? Zegt-ie dat Esther?
-
-RAFAËL. ’t Is beter vrindschappelijk van mekaar te gaan. Over heftige
-dingen heb je later spijt, altijd spijt....
-
-SACHEL. Hahaha! Hahaha! Nou is alles in orde! O! O! O! Voel je dan niks
-as je m’n oogen ziet?
-
-RAFAËL. Vroèger gaven die me onrust, angst, wroeging—hoe zal ik ’t
-noemen?—vroeger had ik alles voor je kunnen doen,—in den tijd toen ìk
-jong, jij hulpeloos was—vroeger zou ’k geen oogenblik rust hebben
-gehad, als ’k tranen in je arme oogen had gezien—vroeger zou ’k me de
-haren uit ’t hoofd hebben getrokken bij de gedachte—ènkel bij de
-gedachte—je displeizier te doen—nou is dat ùit me—heelemaal ùit me—je
-heb ’t ’r uit getràpt!
-
-SACHEL. Ik? Ik? Wat heb ìk joú gedaan? Wat? Wat?
-
-RAFAËL. Nee, ik wil je niks verwijten. Je ben ’r niet verantwoordelijk
-voor. Je heb ’t zèlf geleerd....
-
-ESTHER. Ik ga naar bed. Ik heb genog van die kinderpraat! Zal ik me
-nachtrust geven an zùlk gekles! Hij wil wèg: laat ’m gaan! ’k Dacht dat
-je wijzer was. Allemaal praatjes, uitvluchten, smoesjes! Mòrgen
-vraagt-ie je weer centen! Jouw zoon is ’n klaplooper—nou wéet je ’t!
-
-SACHEL. Ze heit gelijk! Wat stoor ik me an joùw gekkepraat. Maar ’r
-komt ’n end an me geduld! ’k Heb ’t lang genoeg gekropt. Làng genoeg!
-
-RAFAËL. Dreig niet. Ik zei je dat ik ’n besluit genomen heb—’n besluit
-dat zóó vaststaat, dat niemand ’r iets aan veranderen kan. Ik ga weg.
-Heel gauw. Ik maak jullie ongelukkig. Jullie mij. ’k Weet geen àndre
-oplossing.
-
-SACHEL. Waàrom wil jij weg?
-
-RAFAËL (droevig). Dat is mijn zaak.
-
-SACHEL. Bloedhond! ’n Blinden vader an z’n lot overlaten! God zal je ’r
-voor bezoeken!
-
-RAFAËL. Nee. Dat kàn niet. Ik voel me voor ’t eerst sinds jàren
-rustig—nou ik mijn weg ga, nou ik weet wàt ’k doen moet.
-
-SACHEL (woest). Maar de reden, de reden! Je heb toch je hersens! Je ben
-toch niet volslagen idioot! De reden! De reden!
-
-RAFAËL. De reden—de reden. Sta je ’r zóo op? O, ’t zou voor ons beiden
-beter zijn, als ’k zweeg. Je wìl dat ik spreek? Dan zùl je hooren, dan
-zul je weten hoe ’k me hier ben gaan voelen als ’n ellendige, als ’n
-vreemde.
-
-ESTHER. Ach wat ’n schtos! Wat doen we met die onzin!
-
-RAFAËL. Laat me uitspreken. Ik kijf niet, maak geen twist: zeg de
-dingen kàlm—als je ’t voelen kunt: wanhopig—’t Is niet zoolang
-geleden—’k denk twee, drie—’k weet ’t niet—’t Doet ’r niet toe. Ik was
-onnoozel, ’n jongen, ’n kind. En ’k hield van je, vader. ’k Hield
-zièlsveel van je. Als ’k je tasten zag door den winkel, de
-bergplaatsen, dan moest ik haast snikken. Had ik je niet gekend met je
-oogen vol leven en opgewekt? ’t Was zoo verschrikkelijk je àltijd in ’t
-donker te denken. Soms kneep ik m’n oogen dicht, hield m’n hand er voor
-om ’t licht af te sluiten—dan dacht ik: god, hoe schrikkelijk, hoe
-vreeselijk—hij heeft de dingen gekend zooals ik ze ken—nou moet-ie
-gissen, de vormen raden, de kleuren raden....
-
-SACHEL. Hou je mond! Dát vraag ik je niet!
-
-RAFAËL. Toen kwam de dag.... ’n Vrijdag... ’k Was begonnen je in de
-zaak te helpen.... Je had ’n partij goed verkocht—’k weet niet meer
-wàt.—De schuit lag voor de loods—de knechts stouwden de balen er in. ’k
-Ziè ’t gebeuren. Jij stond bij de weegschaal. Je zag me niet: had me
-niet hooren loopen. Nièmand zag me: ’k was in de scheemring van de
-loods. Jozef, de knecht, las ’t gewicht—zelf schreef je de getallen. Ik
-keek naar je met ’n zoo groote genegenheid, ’n zoo groot meelijden. Je
-had zooveel wil—je droeg ’t ongeluk zoo dapper. ’k Zag je vingers
-bevend bewegen over ’t papier—’k wou naar je toekomen en zeggen: laat
-mij ’t schrijven—vermoei je niet.—Maar op eens zag ik iets, iets dat me
-dee schrikken, me terugdrong naar de scheemring van de loods. ’r Werd
-’n baal gewogen—Jozef en de koopman bukten naar de gewichten—en
-terwijl—tastte je voet naar de scháal—bleef er op drùkken. Ze wogen je
-voet mee. Niemand lette op je. Ze hadden vertrouwen in je blinde oogen.
-Je stal. Je was ’n dief...
-
-ESTHER. Dat lieg je! ’k Zou me schamen zulke leugens te zeggen!
-
-SACHEL. Laat ’m gaan... laat ’m uitspreken...
-
-RAFAËL. Ik lieg niet! Loog ik maar!—Ik dacht dat ’k me vergist had,
-bleef angstig wachten op ’n tweede baal.—De baal kwam—werd op de
-bascuul geschoven—wéér drukte je voet op het blad—wéér nam je watje
-niet toekwam. Ik hoorde den koopman verwonderd spreken dat de balen zoo
-zwaar waren; wantrouwig bekeek-ie de schaal. Jij, stond zwijgend, met
-gevouwen handen—je stond zóó verlaten, zóó rampzalig met je enkel-witte
-oogen, dat niemand aan je dacht—’n hulpelooze blinde. En bij élke
-schaal herhaalde je ’t—óver de twintig maal. Twintig maal! Twintig maal
-je stelende voet en je dooie oogen, je bewusteloos meeleven, je
-misbruik maken van ’n ramp, je misbruik maken van ’t meelij van
-andren!—Nou weet je de hoofdzaak. ’k Heb zitten huilen achter de
-loods—zoo màl was ik toen. Twee uur later zijn we naar de kèrk gegaan,
-zooals elken Vrijdagavond. Je zat naast me. Ik bad niet. Telkens keek
-ik naar je oogen om er iets in te vinden, om er ’n uitdrukking in te
-zien—telkens zag ik het wit zonder pupillen, ’t wit zooals ’t geglansd
-had toen je bij de bascuul naar den hemel stond te kijken.—’t Was ’n
-bleeke hemel met ’n énkele violette streep: zóó sterk is ’t me
-bijgebleven.—Van de kerk gingen we naar huis. De sjabbestafel wachtte.
-Je klaagde, dat ’k stil was. Ik wàs stil. Je zei brooge. Je doopte ’t
-brood in ’t zout. En aldoor keek ik, kéék ik. ’t Lamplicht scheen in je
-oogen. ’t Lamplicht gaf ’r denzèlfden glans aan als de hemel. Je wierp
-’n glas om—wat nooit gebeurde. En ’k voelde niks. Je was geen blinde
-meer voor me. Je was ’n..... Je was ’n..... Waarom zal ik verwijten en
-schimpen? ’t Is gebeurd. Honderd keer na die eerste heb ’k ’t zelfde
-van je gezien. Ik wou je vervangen, zèlf ’t goed wegen, afleveren. Jij
-wóú niet. Je maakte je kwaad. Nooit mocht ik aan de bascuul komen. Je
-beloog me. Je zei dat je niet werkloos kon blijven, dat je geen rust
-had als je stil moest zitten. En met Jozef sámen—met je knecht lag je
-onder éen deken!—bleef je de kooplui bestelen, bestèlen. Laat me
-uitspreken! Langzaam heb ’k alles begrepen, ben ’k je gaan
-minachten.—’n Blinde beklaag ik zoo innig—’n blinde zie ’k voor me als
-’n mensch van wie God ’n oneindige gelatenheid vraagt èn een gróóte
-berusting—’n blinde zie ’k als iemand die voor de helft afscheid heeft
-genomen—van àlles.... Joú zag ’k ’t gèld dat je bij elkaar schraapte
-bestréelen, jou zag ’k vechten en worstlen om naar je toe te halen, jou
-zag ik dag aan dag—bedriegen. O, hoe wouen je blinde oogen me dan wat
-doen. Hoe wou je voor me staan als ’n hulpelooze, als ’n vàder!
-
-SACHEL. Doen àndren anders?
-
-RAFAËL (triestig). Ons héele volk is ontaard. [2]
-
-SACHEL. As ìk niet neem, nemen andren dan niet? Is ’t niet onze hàndel?
-Maken zij geen misbruik van mijn ongeluk? Gaan we niet elk uur
-achteruit? Kan jij eerlijk zijn—as ze je bestelen van alle
-kanten—bestelen an wicht—bestelen an kwaliteit? Is handel geen hàndel?
-
-RAFAËL. De andren heb ’k àltijd veracht—maar dat ik eéns zou leeren
-joúw ongeluk te vergeten.... dat je àltijd voor me zou blijven de
-man—bij—de—bascuul.
-
-ESTHER. Veel heb ’k van me leven gehoord, maar zóo iets nog nooit. Daar
-heb ik nou verstomd van gezeten. Waar haalt iemand de vuilheid vandaan!
-Verwijt z’n ouwen vader dat-ie z’n best heit gedaan voor z’n brood. Hij
-neemt niet as-die krijgen kan! Hij geeft gewicht toe! As je vader zoo
-niet gehandeld had, kon jij nou bedelen gaan! Og! Je zal ’t elk jaar
-verdienen wat ze óns bestolen hebben! Is dat diefstal? Noem jij
-diefstal as je voor je brood steelt? Dan is ’r in de heele stad geen
-eerlijke Jood en geen eerlijke Chris! De een steelt op die manier, de
-andere op die. Geen mensch is dief in z’n eigen zak. Hoe wou jij handel
-drijven? En eet je d’r niet van mee? Is zelf te lam om te werken en z’n
-ouwen vader gooit-ie verwijten voor z’n voeten!
-
-RAFAËL. Ik heb ’t niet uitgelokt. Ik had m’n mond gehouen. Maar nou ’k
-weg ga....
-
-SACHEL. Jij gáat niet weg! Ik wil niet dat jij weggaat! Waarom zou je
-weggaan? ’k Heb toch niks op de wereld! Heb ’k ’n misdaad begaan? As je
-oud en wijs genoeg ben, zal je begrijpen wat hàndel is. Bijt je ze niet
-van je af—dan sta je binnen ’n jaar op straat.... Je mot ’n róófdier
-wezen... Anders trappen ze je ’r onder... Zonder gèld ben je weerloos,
-zonder gèld ben je an ze overgeleverd, zonder gèld ben je niks! Heb ’k
-’t niet voor jóú gedaan? Wie krijgt alles na me dood?
-
-RAFAËL. Laten we ’r niet verder over praten. ’t Is laat. ’k Ben moe. ’k
-Had beter gedaan ’r niet over te spreken. Denk ’r over na, vader. We
-kunnen vrindschappelijk van mekaar gaan.
-
-ESTHER. Wil ik j’s wat zeggen? As jij ’r zèlf over slaap—heb-ie morgen
-spijt over wat je nou allemaal gezeid heb.... Schtos! Hij gaat weg! Nog
-in geen tien jaar! Wil je wat eten?
-
-RAFAËL. Nee. ’k Heb geen trek meer.
-
-ESTHER. Dan mot je maar trek maken. ’t Is aardig ongezond ’n heele dag
-met ’n nuchtere maag te loopen. ’k Heb nog ’n kliekie snijboonen met
-aardappelen en ’n stukkie schapevleesch. Zal ’k ’t even warmen?
-
-RAFAËL. Nee.
-
-ESTHER. Voor wat straf je je maag? Roos! Roos!
-
-ROSE. Roep u?
-
-ESTHER. ’k Dacht wel dat-je nog op zou zijn! Wil jij ’t kliekie even
-warmen?
-
-RAFAËL. Nee, tante—ik eet niet.
-
-ESTHER. Wàrm jij ’t maar! (Rose af) As je de lucht ruikt, eet je wel.
-
-RAFAËL. Heeft zij—gehuild?
-
-ESTHER. Weet ik veul! ’k Heb genog zorg an me kop. Kom, ’k zal binnen
-de tafel dekken...
-
-RAFAËL. Nee. Nee. Ik kàn nou niet meer. M’n keel is toegeschroefd.
-
-ESTHER. Zenuwen! Niks as zenuwen! Je windt je op voor niks! Geen
-wonder. Je etensuur verzetten en ’s nachts niet slapen! Groote nar! Wat
-heb je òp gedaan van nacht? Was je ziek?
-
-RAFAËL. ’k Kon niet slapen... ben opgestaan... Nacht vader—Nàcht
-vader!—Geef je geen antwoord?—Nacht.
-
-
-
-
-ZEVENDE TOONEEL.
-
-
-SACHEL. (Staat op—bevoelt de pennen van de luiken—bonst zich voor ’t
-hoofd)
-
-Hij was op vannacht—En—èn die mèid was op—Ze waren sámen
-op—sámen—Waarvoor waren ze op?—Waarom heit die sjikse gehuild?—
-
-
- (EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF).
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE BEDRIJF.
-
-
-De huiskamer van Sachel achter den winkel.
-
-
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Rose. Rafaël.
-
-
-RAFAËL (binnentredend). Waar is vader? Waar is tante?
-
-ROSE. Ze zijn nog niet terug van de kerk. We zijn alleen—Goddank!
-
-RAFAËL. Liefje—huil je?
-
-ROSE. Raak me niet an! Raak me niet an!
-
-RAFAËL. Hebben ze je....? Wat is ’r? Kom, huil zoo niet!
-
-ROSE. O, dat ik naar je geluisterd heb!
-
-RAFAËL. Is ’r iets gebeurd? Wat dan?
-
-ROSE. Laat me met rust! Ik walg van je! Ik haat je! Ik haat jullie
-allemaal! O, o, dat ’k sterven kon, dat God me zoo dadelijk dee
-doodblijven!
-
-RAFAËL. Heeft vader je iets gezegd? Heeft tante....
-
-ROSE. Nee! Nee! Nee! Raak me niet an! Ik wil van jou niet gezoend
-worden! Ik wil alleen dood, dood!
-
-RAFAËL. Kom, màlle meid! Ben ik niet je man, jij m’n vróúw?
-
-ROSE. Nee! Blijf van me af! Ik je vrouw! Ik! Ik! Hahaha! ’t Is om te
-schateren! Ik, je bijzit, je tijd-verdrijf, je hoèr!....
-
-RAFAËL. Rose!
-
-ROSE. Ik, wat ben ik? Ik die niks op de wereld heb—ik die me moet laten
-trappen door je vader—door je tante—door elken jóód die hier komt!
-
-RAFAËL. Joòd? Joòd? Waarom zeg jij jood?
-
-ROSE. Joòd, joòd! Wat kan ’t me schelen! ’k Ben hier ’n slavin! ’n
-Vreemde! ’n Vreemde voor je vader! ’n Vreemde voor je tante! ’n Vreemde
-voor den eersten den besten jood.—Ze kijken op me neer.—’k Ben máar de
-Sjabbesmeid—ik mag de lampen opsteken—ik mag an ’t vuur komen—ik met
-m’n vréémde handen—ik hun mèid, hun mèid! Ik, joùw bijzit! Want je ben
-als de àndren—je heb me getrapt als de andren.—Je ben ’n jood zooals
-zij!...
-
-RAFAËL (neemt haar hand). O wat vind ’k ’t nàar dat je dàt zegt! Wat
-vernedert ’t je zelf... Ik weet niet wàt de oorzaak is dat je zoo
-opgewonden ben, zoo buiten jezelf, zoo ruw, zoo onvrouwelijk, zoo
-grof..... Maar ik weet wel, Rose, dat je ’t woord niet meer zeggen
-moet. ’t Herinnert me an zoo’n boel dingen. Nee, laat me je hand houen.
-Zóó zit ik met de óúwe vertrouwelijkheid—Toen ’k ’n kind was—met andere
-jongens wilde spelen—scholden ze voor jood—smaus. ’k Wist niet waarom.
-Misschien zìj ook niet. Ze deeën ’t uit gewoonte. ’t Dee pijn. Want als
-kind vroeg je jezelf: Is er iets bijzonders aan me? Heb ik iets gedaan?
-Ben ik anders dan zij? Wat is joòd? Wat? Soms smeten ze met steenen,
-riepen: jullie hebben Jezus gekruizigd! Ik klaagde. M’n moeder zei dan:
-je moet er om lachen—je moet er aan wènnen—Eens op school—’k had niet
-opgelet—trok de meester me uit de bank, gaf me ’n klap, zei: in den
-hoek staan, jood! Ik stond ’n uur lang in den hoek, ik, de eenige jood
-van die school en door m’n zotte tranen zag ’k de jongens die lachten,
-den meester, de banken, de kamer. En ’n wrok kwam in me. ’k Had dien
-man kunnen ranselen, ’k had me kunnen wreken aan allen. Waarom was ’k
-’n vreemde? Waarom zeien ze jood? Zoó begon ’t. Zoo hoorde ik ’t in m’n
-jeugd. Zoo bleéf ’t—M’n moeder stierf. Den dag dat ze begraven werd,
-gingen we langzaam achter de kist, vader, ik, haar broers, de vrienden.
-Op den hoek van ’n straat stond ’n slager—’k weet z’n gezicht nòg—en
-die lachte.—„Daar gaat ’n ouwe jodin”, hoorde ’k ’m zeggen.—Vader werd
-blind. Den eersten dag dat ’k ’m leidde, liep hij aan tegen een man en
-die schimpte: kijk waar je loopt, jood!.... Wil je meer? Is ’t genoeg?
-Hoor je dat ’t woord me niet vreemd is?
-
-ROSE. Rafaël....
-
-RAFAËL. Als kind dee ’t pijn, had ’k ’t gevoel alsof ik ’n merkteeken
-droeg, alsof jood-zijn ’n slecht ding was—Ik leerde, keek om me heen.
-En overal in de vrije christenmaatschappij zag ’k de wrijving—de
-vijandschap van de rassen, de vijandschap van de godsdiensten. Maar als
-màn, lieve vrouw, heb ’k dat vroeger gevoel van verbittering verloren,
-is er iets in me open gegaan, dat me meelijden, innig meelijden heeft
-gegeven met wie jood-schimpen kán! Doe ’t niet meer. Zie ons hier
-zitten—jij—’t is om te làchen!—’n christen vrouw—ik—O, wat dwaas
-niet?—’n jóòd! Hoe kunnen wij twee, als we elkander in de oogen zien—an
-zùlke kleine dingen denken...
-
-ROSE. Je heb gelijk—Je ben beter dan ik, wijzer dan ik. Maar ’k was zoo
-wanhopig, zoo òp! En nog, nog! Hebben ze je niks gezegd?
-
-RAFAËL. Gezegd?
-
-ROSE. Gisteravond zat ’k dáar, bij de deur. Aaron was hier, praatte met
-je vader, met je tante....
-
-RAFAËL. Over zijn dochter Rebecca, die drieduizend gulden inbrengt—ik
-weet het.
-
-ROSE. Je weet ’t.... O ze halen je van me af.... Ik ben bang voor je
-vader, durf ’m niet anzien. Alles hoort-ie in m’n stem.... Wat moet ’r
-van me worden! Jij liegt niet. Ik geloof je. Alles aan je is eerlijk.
-Maar wat kùn jij? Wat kun je tegen hem, haar? Als ze ’t begrijpen
-zetten ze me op straat. Zij hebben rechten. Voor mij ’n ander. En dan?
-En dan? Ik wou dat ’k niet geboren was. Dat hoort God!
-
-RAFAËL. Nou heb ’k je aangehoord—kalm. Zie je—ik glimlach. Ik glimlach
-omdat je bang ben voor ’n meisje dat ik niet ken, misschien éens
-gesproken heb.
-
-ROSE. Zoo gaat ’t altijd bij....
-
-RAFAËL. Zeg maar bij.... ons.
-
-ROSE. Jà—bij jullie. Heeft Meijer z’n dochter niet gekoppeld aan den
-zoon van Markus? Hadden die twee elkaar ooit gezien? Hebben de vaders
-’t niet in orde gebracht? O, Rafaël bedrieg me niet!
-
-RAFAËL. Kind—soms is er iets in je toon—in je vragen—in je kijken dat
-me triestig maakt. Ik zou je zoo graag willen opheffen, opheffen van
-dat làgere levensplan, je heelemaal brengen tot ’t mijne, je heelemaal
-meenemen naar mijn wereld, waar geen plaats is voor de kleine,
-ophitsende, wantrouwende dingen, die joù dikwijls zoo zwak maken. Ik
-kan me geen voorstelling vormen van je angsten. Elk woord van je
-twijfel is me ’n raadsel. Heb ik je dan niet in die uren dat-je in m’n
-armen lag—als de nacht om ons heen was en je élke aarzeling zou gevóéld
-hebben—gesproken van m’n liefste hopen, gesproken over de toekomst van
-ons beiden? Is er dan plaats voor ’t benauwde geknoei van andren? Ben
-ik dan zoo week, zoo karakterloos in je oogen dat je spoken ziet waar
-ze niet zijn, dat je maar één oogenblik veronderstellen kúnt—dat ik....
-ik.... ik! Hahaha! Ik verkocht! Ik die princelijk begin te leven! Ik
-hokkend met zoo’n vrouw! Ik bruidcenten tellend! Ik ingezegend! Ik die
-geen jóód meer ben! Ik m’n nek buigen!.... O liefje wor toch
-sterk—geloof in de geringste van m’n woorden—wees niet bang—twijfel
-niet! Hoe kan ’n man twijflen die sterk is door ’n vrouw? Hoe kan ’n
-vrouw aarzlen als ze één in extase is geweest met ’n man? En gaan we
-niet samen hier vandaan?
-
-ROSE. Is dat waar? Gaan we heen?
-
-RAFAËL. Eergister heb ik ’t ’m gezegd—m’n vader.
-
-ROSE. O! Wat ’n geluk! Meen je ’t? Meèn je ’t? En gaan we vèr weg—waar
-de menschen ons niet kennen, jou niet, mij niet?
-
-RAFAËL. Waarom zouen we vèr weggaan? Waarom ons verbergen? Kunnen we
-niet met trots komen waár we willen? Diè tijd is voorbij. ’t Wordt
-lichter over de wereld. ’t Zal ’n héele rijzing van zon zijn, als we
-voorbeelden stellen, als we nièt schuchter wegschuilen, maar elkeen
-eerlijk in de oogen zien.
-
-ROSE. Dus je neemt háár niet?
-
-RAFAËL. Ben ik niet getrouwd?
-
-ROSE. Ja, ja, ja, we zijn getrouwd! ’t Is alles malligheid van
-me—angsten—wantrouwen! Zie je, wanneer je altijd bij me bleven kon—zoo
-héel dicht bij me, zou ’k lachen om de hééle wereld—de wereld is slècht
-niewaar?
-
-RAFAËL. Nòg is ze ’t. Maar ’n nieuwe tijd breekt aan. (in extase) Als
-je goed luistert, hoor je ’t breede rumoer van ’t opgaande volk, zie je
-banieren en vlammende oogen, voel je de lucht sidderen....
-(glimlachend) ’t Was me zoo vreemd, zoo zonderling toen vader me sprak
-van dat meisje—toen hij beloòfde dat ìk-alleen de „zaak” drijven
-mòcht—als ’k blééf—als ’k háár nam. Ik heb hem aangekeken met ’n
-machtige verwondring. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó ver van
-elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon?... Ik
-heb hem gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ik weg moest! ’k Heb
-gelàchen....
-
-ROSE.... Weg moest? Zul je láter geen berouw hebben dat je gekozen heb
-tusschen hem en mij?
-
-RAFAËL (haar op zijn schoot trekkend). Ik kiès niet tusschen joú en
-hèm! Jij ben ’n deel van ’t níéuwe leven.
-
-ROSE. Hij is blind—’t lijkt zoo wréed....
-
-RAFAËL. Maak je geen verwijten. Ik kan je niet àlles zeggen, wil ’t
-niet. Wat gebeurt, móést gebeuren. Elk geslacht geeft z’n smarten, z’n
-tot ruïne vergaan, z’n opbloeien van jeugd.—Kom—denk niet na.
-
-ROSE. Heb je hem niets gezegd van òns?
-
-RAFAËL. Nee. Nog niet. Eerst als je dit huis heb verlaten. Eerst dán.
-Jij zou hun schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet.
-
-ROSE. Stil! God!
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Rebecca. Rafaël. Rose.
-
-
-REBECCA (driest-lachend). O!....
-
-RAFAËL. ’t Is niet de gewoonte ergens binnen
-te sluipen.
-
-REBECCA (lachend). Sluipen? Ik heb geklopt één—tweemaal. Je hoorde
-niet.
-
-RAFAËL. En op Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod!
-
-REBECCA (verwonderd). Ik kom niet voor handel.
-
-RAFAËL. Niet voor handel? Ei, wel!
-
-REBECCA (lachend). Vader zei me hierheen te gaan....
-
-RAFAËL. Je vader? Vierde gebod!
-
-ROSE. Rafaël!
-
-RAFAËL (smartlijk-spottend) .... Je vader.... Dat ’s Aaron, de koopman.
-Ga zitten—laten we hàndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk!
-Voor éeuwen sprak Bil’am—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe
-de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen
-Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de
-aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het water”... Ga zitten
-Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd.
-In de woestijn Sinaï waren wij gelegerd.—Ik erf dit àlles, de
-bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t
-ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twàalef
-van alles? Laten we handlen....
-
-REBECCA (verlegen). Je doet zoo vreemd .... Je maakt me angstig....
-
-RAFAËL. O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarin Aaron zijn
-vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je
-kan koken en braden—èn ’n doodshemd (zegt tante) naai je zoo rad en zoo
-net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose!
-
-ROSE. Laat me gaan! Laat me gaan!
-
-REBECCA (met stijgende verlegenheid). Heb ik je wat misdaan, dat je
-zoo, zoo....
-
-RAFAËL (smartelijk). Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe
-zou je misdaan kùnnen hebben? Wàar was ’t? ’t Was in ’t huis van je
-vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van
-èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen
-zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden. Peroe oerewoe
-oemieloe es hoöres [3]—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hàhà!—’n
-kind is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met ènkel
-knoppen van vreugd.—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader
-drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt
-hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n
-ziel. Die krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.... O
-Rebecca, we kunnen zoo gelukkig met elkander zijn!
-
-ROSE. Laat me gaan, Rafaël. Ik kàn je niet hooren!
-
-REBECCA (driest). Hoor wat zij zegt—zij, de sjikse, die zich scháàmt!
-
-RAFAËL (vernietigend). Ze schaamt zich over hàndel op Zaterdag.... Wees
-indachtig dat je de Sabbathdag heiligt. Ga nog niet heen Rebecca. Je
-naam is zoo lief en zoo zoet—om zachjes te zeggen.... Rebecca....
-Rèbècca.... Moeder van Esau en Jacob.... Weet je hóe Jacob zijn broeder
-bedroog, zijn blinden vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t
-vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor
-elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer
-groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden,
-sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn.
-Alles. De grond waar we op staan, de stofdeeltjes, de zonnestralen, het
-rek met tefillem [4]. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen
-vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we
-bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en
-ik! Met drie, hebben jullie ’t voordeel, joùw vader en jij....
-
-REBECCA (angstig). Ik hecht aan geen geld, Rafaël....
-
- (Rose af.)
-
-RAFAËL. Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis hier niet, in de heele
-stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij
-hàndel? Weent je vader ooit als hij kóópt?
-
-REBECCA. Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.... Ik
-zal weer gáán.... verlang niks van je, niks....
-
-RAFAËL. Ga, ga, Rebecca.... Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld!
-Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik
-ben geen drièduizend waard.—Geef me je hand. O, kind—je ben nog zoo
-jóng. ’k Wou dat ’k wat voor je kon dóén....
-
-REBECCA. Nee, niks....
-
-RAFAËL. Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor làter—voor veel
-later... voor... Nee! Dwaasheid!—Hoe kan ik je raden? Ik ken je niet,
-zag je maar éénmaal, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van
-je oog....
-
-REBECCA. Goeiendag....
-
-RAFAËL. Goeiendag, Rebecca!—Rose!—Rose, ben je tòch heengegaan!
-
- (af).
-
-
-
-
-DERDE TOONEEL.
-
-
-Sachel. Esther. Rebbe Haëzer.
-
-
-ESTHER. Ging Rebecca daar niet? ’k Zou ’r op zweren. Nee, ze is ’t toch
-niet.... Kom u binnen. Wees u voorzichtig.
-
-HAËZER. Pas op voor de drempel.
-
-SACHEL. Hier ken ik de weg—heel precies—heel precies. Help me maar
-niet. ’k Ben niet gewend geholpen te worden.
-
-HAËZER. Is Rafaël niet thuis?
-
-ESTHER. ’k Zal wel is kijken. Maar zoo’n haast heit ’t niet. Laat-ie
-maar blijven. Dan kan Sachel u verder vertellen.
-
-SACHEL. Wat helpt vertellen? Heb ’k niet àlles verteld? D’r zit geen
-hart in die jongen. Z’n vader behandelt-ie als ’n stuk vuil. Erger nog.
-En voor wie heb ’k alles gedaan? Voor wie vraag ik? Dat’s m’n ouwe dag!
-Geen uur vrede, geen uur rust!
-
-HAËZER. La-la-la. Loop niet op de dingen vooruit. Ik heb dat meer bij
-de hand gehad. Jeùgd, Jeùgd. Anders niet. Daar moet je niet met geweld
-tegen ingaan. Geweld bederft. Ik ken Rafaël, beter dan jij. Heb ’k ’m
-niet zien groeien? Kwam hij niet uit zichzelf bij me, als-ie iets
-kwaads gedaan had? Weet je nog hoe-die me gebiecht heeft van die
-appel—die appel—op Groote Verzoendag.—Geen hardheid.—Geen groote
-woorden.—Geen geweld.—Hij gaàt niet heen.—Hij troùwt de dochter van
-Aaron.
-
-ESTHER. Wat heb ik je gezeid? Nou hoór je dat ’k gelijk heb.
-
-SACHEL. Ik voel ’t ánders. Ik heb geen macht meer over ’m. Vroeger. Ja,
-vroéger—zooas ’t staat in de boeken van Mozes—vroeger kon je ’n zoon
-dwingen—dat was recht....
-
-HAËZER. Gekkigheid—gekkigheid. We stéénigen niet meer. We gaan vooruit
-en niet achteruit. Vroeger, werd een ongehoorzame zoon naar de poort
-van de stad gebracht en gesteenigd. Dat weet ik wel, gekje—maar we
-hebben geen poorten meer—je màg niet met steenen gooien. Elke ruit kan
-je betalen. Andere tijden: andere zorgen, andere dwàng. Eer we drie
-maanden verder zijn is Rafaël getrouwd en ’n jaar later kom ’k op de
-brezemiele. [5] Want je krijgt ’n kleinzoon. Ik zeg je, ’t is ’n
-kleinzoon. Hahaha! Ja-ja, je doet veel beter je zorg weg te lachen.
-
-ESTHER. ...Groot gelijk, mijneer de rabbijn... Met de dag wordt-ie
-zwaartillender—en nou ìs Rafaël ’n lastige jongen, maar overleg is ’t
-halve werk. Zal u wat gebruiken? ’n Koppie koffie met kiks?
-
-HAËZER. Met twéé stukken kiks....
-
-ESTHER (in de deur). Roosie! Roosie! Breng je de koffie?
-
-SACHEL. Gister heb ’k ’m gezeid: jij mag de zaak alleen drijven—ik zal
-me met niks meer bemoeien—en—en—en ’k weet ’n vroúw voor je—’n vroúw
-die wat meebrengt—’n goeie vrouw—hij hield z’n mond—hij hield z’n
-mond.—Zeg je niks, zei ik—en ’k hoorde ’m met z’n vingers trommelen op
-de ruit.—Dat doet-ie méer.—’k Weet precies wánneer-ie ’t doet.—Ze
-brengt wat in, zei ik—ze heeft wat te wachten.—Toen lachte-die.—Waarom
-làch je, zei ik.—Toen lachte die hàrder en kwam op me toe—en pakte m’n
-hoofd beet: o vader, ’k heb zoo’n meelij met je, zei-die—toen liet-ie
-me staan—anders zei-die niks—anders niks.—Nou vraag ik.—Daar zit iets
-tusschen.—Dat kan zoo niet.—’t Is ’n gruwel wat me gebeurt.....
-
-HAËZER. Gruwel, gekje, gruwel? Je moet niet toegeven aan je
-achterdocht, aan die angst om òveral spoken te zien waar ze niet zijn.
-Denk aan Izaac. Izaac was blind en Jacob stal zijn zegen. Heeft-ie
-geklaagd? Hij zegende Esau óok. Rafaël is ’n kind, ’n gróot kind....
-
-ESTHER. Sust!.... De meid....
-
-
-
-
-VIERDE TOONEEL.
-
-
-Sachel. Esther. Rebbe Haëzer. Rose.
-
-
-SACHEL. Is m’n zoon thuis?
-
-ROSE. Ja.
-
-SACHEL. Waar is-ie?
-
-ROSE. Boven.
-
-SACHEL. Is-ie thuis gebleven, terwijl wij naar de kerk waren?
-
-ROSE. Nee.... Ja, ’n poosje....
-
-SACHEL. Hoe lang?....
-
-ESTHER. Wat vraag je die meid toch?
-
-SACHEL. Bemoei je ’r niet mee!... Hoe lang? Nou? Hoelang?
-
-ROSE. Dat weet ’k niet....
-
-SACHEL. Zoo—Was ’r niemand anders?
-
-ESTHER. Snauw toch zoo niet! Wat wil je van die meid.... Was ’r nóg
-iemand hier, Roos? Laat ’m maar brommen—Was ’r nog iemand?
-
-ROSE (aarzelend). Nee. ’k Heb niemand gezien.
-
-SACHEL. En jij heb iemand de deur zien uitgaan toen wij thuis kwamen.
-
-ESTHER. Dan heb ’k me vergist. Ben je noú tevrejen. ’k Sta wat met ’m
-uit, mijneer de rabbijn! Blaas nou nog ’t licht uit onder de koffie....
-
-SACHEL. Wat doet me zoon boven?
-
-ROSE. Weet ik niet....
-
-SACHEL. Weet ik niet? Weet ik niet.... Ik weet meer.
-
-ROSE (verschrikt). ’k Heb ’m niet gezien.
-
-ESTHER. Laat ’m toch praten.... Geef ’m geen antwoord.... Je kent ’m
-toch lang genog—Hier neem ’n stuk kiks mee.
-
-ROSE. Nee, dank u.
-
-ESTHER. Ach wat! Neem mee. Eet op. Kauw maar op je gemak. (Rose af)
-Zoo’n meid durft op die manier geen mond open doen. En wat ’n goeie
-meid. Je kan alles an d’r overlaten. In geen jaren hebben we zoo’n
-sjikse gehad. Heb u ’m nou bijgewoond, meneer de rabbijn? En zoo
-handelt-ie met iedereen.
-
-SACHEL. Ik weet wat ik weet. Ik pas op. Ik zie meer dan jij....
-
-ESTHER. Goed. Goed. As je maar niet lastig ben.
-
-HAËZER. Hahaha! Hahaha! Heel goed. Zoo moet je met ’m omspringen.... En
-waar blijft onze vriend?....
-
-ESTHER. ’k Zal ’m roepen.
-
-SACHEL. Nee, nog niet. Eérst die meid wegzenden voor ’n boodschap, voor
-’n vèrre boodschap....
-
-ESTHER. Alweer ’n inval. Waarom zal ik de meid wegzenden? Onzin!
-Hindert ze jou wat, hindert ze mijn wat?
-
-SACHEL. Ze hindert mìjn....
-
-ESTHER. Onzin! Onzin! ’k Heb geen boodschap voor d’r.
-
-SACHEL. Máak ’r dan een—Ik vertrouw d’r niet—Ze staat me niet an—Ze kan
-luisteren....
-
-ESTHER. ’t Is of we staatsgeheimen hebben! Hoor u ’m? Hoor u ’m? Ik sta
-wat met ’m uit. Me laatste cent zou ’k die meid geven.
-
-SACHEL. Jouw laatste cent? Mot die niet uit mijn zak kommen? Ik heb ’r
-m’n reden voor—ik wil dat je ’r wegzendt....
-
-HAËZER. Geef ’m z’n zin. En heelemaal ongelijk heeft-ie niet. Je moet
-die zaken zonder vreemden behandelen. Al ben je nog zoo goed voor ’n
-sjikse—vertrouwen kun je ’r nooit. Wat niet eigen is, wordt niet eigen.
-
-ESTHER. En waar moet ’k ’r heenzenden? ’k Kan ’r toch op Sjabbes geen
-boodschappen laten doen.
-
-HAËZER. Zendt ’r naar d’r moeder.
-
-ESTHER. Ze heit geen moeder.
-
-HAËZER. Naar d’r vader dan.
-
-ESTHER. Ze heit geen vader.
-
-HAËZER. Naar d’r oom, naar d’r tante.
-
-ESTHER. Ze heit geen familie.
-
-HAËZER. Geen moeder, geen vader, geen familie—dan ben ik uitgepraat.
-
-ESTHER. En ze luistert niet! ’t Is ’n rechtschapen meid. Nog geen
-korrel heit ze gesnoept zoolang ze bij me dient. Je kan me daar ’n meid
-zonder reden wegzenden. Waarheen?
-
-SACHEL. Voor mijn part naar de duivel! Stuur d’r naar Meijer—dat-ie
-morgen hier komt.
-
-ESTHER. Meijer... Meijer... Da’s ’n vol úúr weg.
-
-SACHEL. Doe wat ’k je zeg. Morgen, tegen één uur, wou ’k Meijer
-spreken. De rest komt ’r niet op an.
-
-ESTHER. Hij mot z’n zin hebben. Doe ’k je ’r ’n pleizier mee, lastige
-ouwe? Je zàl je zin hebben!
-
-(af).
-
-
-
-
-VIJFDE TOONEEL.
-
-
-Sachel. Haëzer.
-
-
-SACHEL. Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg.
-
-HAËZER. Wie?
-
-SACHEL. De meid....
-
-HAËZER. Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je voor die geen andere
-nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp
-wel dat je ongeluk je somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat
-hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid....
-
-SACHEL. Grootheid.... Grootheid.... ’t Is moeilijk God gróot te denken
-as je door je ooren en je vingertoppen mot zien....
-
-HAËZER. La-la-la.... Niet zoo doorslaan....
-
-SACHEL. Maar met die meid is ’t wat ánders. ’r Gebeuren dingen onder
-m’n dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de
-nacht—en—en....
-
-
-
-
-ZESDE TOONEEL.
-
-
-Sachel. Haëzer. Esther. Rafaël.
-
-
-ESTHER. Zoo. Nou kunnen we knuf-knuf praten.
-
-HAËZER. Dag Rafaël, dag bèste jongen.
-
-RAFAËL. O.—’k Heb u in làng niet gezien.
-
-HAËZER. In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel,
-wel, wel.—Je krijgt ’n hééle baard. Nee, geen melk.—Schuif wat bij
-Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, héele wereld—en
-nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je
-alleen bíj óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen
-Sjabbesavond, die wèten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n
-Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om,
-’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood die
-begrijp je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen
-huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche
-vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot—
-
-SACHEL. ’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld....
-
-HAËZER. Ja-ja-ja.—Zóo gewichtig is dat toch niet. Strakjes. Strakjes.
-Niewaar, Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je
-geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar
-frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur?
-
-ESTHER. Dat ’s de meid die naar Meijer gaat...
-
-RAFAËL. O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen.
-
-SACHEL. ’k Heb gesproken over Rebecca....
-
-HAËZER. La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op
-z’n pootjes terecht. Alles. Niet zoo doordrijven. Niet zoo haastig
-gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoòn heeft ’n wil—en voor de wil van je
-zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind.
-Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot
-zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te
-trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot
-van rekening troùwt Rafaël en trouw jij niet, gekje.
-
-ESTHER. Dat zeg ik ook. Hij praat altijd asof hij de bruigom is. Nar!
-
-HAËZER. Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n
-joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n
-jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders,
-na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël.
-Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n
-voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je
-moet niet naar m’n haar kijken. Hahaha!
-
-ESTHER. Drink u is uit, mijneer de rabbijn.
-
-HAËZER. Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och,
-ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om
-te hebben—die kwestie, wàt was ’t ook weer?
-
-SACHEL. M’n zoon....
-
-HAËZER. La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en
-nog niet trouwen—nog niet trouwen.—Wel, wel, wel.... En hoe zit dat
-zoo, Rafaël?.... Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn
-twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En
-jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle mooie
-wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat
-is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stàp alleen
-doen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje,
-gekje vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk
-hoekje, èlke balk, èlke schaduw. Kijk is rond. Je jeugd vergeet je
-nooit. Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel,
-bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, brèken met de scheur
-in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je zoo’n kléine
-dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog de
-twéé-en-twintig letters, de vijf lange, de vijf korte klinkers...
-hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je
-me làter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat
-jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi
-toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je
-nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat?
-Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk
-je an de Sjabbestafel thùis, an je blinden vader die zelf brooge moet
-maken, zelf benchen.—En kom je bij chrìstenen en is ’t Vrijdagàvond dan
-verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de
-lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nèrgens.
-Hoor—En geef me nou nog ’n kopje.
-
-ESTHER. Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en
-ik dans op de bruiloft.
-
-RAFAËL. Goeie ouwe rebbe.—God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan
-niet. Nou niet. Later niet.
-
-SACHEL. Daar heb je ’m wéer! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen.
-
-HAËZER. La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik
-vraag alleen: waàrom niet, Rafaël? Waàrom niet? De leeftijd van grillen
-ben je nou toch te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéet
-je. Je ben ’n heele tijd niet in de Schoel [6] geweest—’k heb je niets
-gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nòu....
-
-RAFAËL. Vraag ’t m’n vader....
-
-SACHEL. Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van
-hàndel—om—om—nooit heb ’k handel ànders voor me gezien.... Maar hij
-liégt—ik héb toegegeven, àlles toegegeven—en hij wil niet....
-
-HAËZER. Zoo. En nou jij, gekje?
-
-RAFAËL. Hij heeft gelijk.
-
-HAËZER. Wat hoeven we dan nog te praten?
-
-RAFAËL. Maar, zèlfs wanneer ik àlles vergeet wat ik hier—wat ik
-hier—van hàndel gezien heb, dan nog kàn ’k niet, wil ’k niet—want
-handel en bezit—wérken alléén óm bezit—werken van ’s morgens tot ’s
-avonds om géld naar je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen,
-dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van
-andren—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat
-strijdt tegen de wetten van Mozes....
-
-HAËZER. Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten
-gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat
-wordt ’n theologisch gesprek. Nou maar, dat màg ’k wel. Daar kan ik van
-leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken.
-Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet. Zoó. Laat nou is hooren.
-’k Zit ’r voor...
-
-RAFAËL. Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen,
-veranderen we ’t tegenwoordige niet....
-
-HAËZER. Heel, héél handig.—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a
-gezegd—zeg nou b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val!
-Hahaha! We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen
-we ’t goeie wegje om jou ràdikaal van je malle ideetjes te genezen.
-Kom, gekje!
-
-RAFAËL. Wil je? Goed.—Kijk—op ’n dag kwam ik ’n—’n—làmme tegen. Hij kon
-niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op
-dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht....
-
-SACHEL. Zeg maar ’n blinde....
-
-RAFAËL. ... hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht
-’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig...
-
-HAËZER. Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben....
-
-RAFAËL. .... Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te wèten.
-Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in
-krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond
-verdeeld voor een ièder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid
-worden aan den arme.... dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard
-braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet
-voor àltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land, en gij zijt
-slechts vreemdelingen bij Mij”—dat ’r een jubeljaar zijn zou en een
-lossing....
-
-HAËZER. Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd....
-
-RAFAËL. En zooveel meer!...
-
-HAËZER. En de hàndel, gekje?
-
-RAFAËL. Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar?
-
-HAËZER. Heel goed. Heel goed.... Een sterk gebeende ezel, niewaar?
-Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mòoiere beelden dan in ons
-wetboek?.... Maar, gekje, je had ’t onder léiding moeten lezen. Nou heb
-je hiér wat opgevangen en dàar wat en ’t rèchte weet je niet.
-
-RAFAËL. Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten.
-
-HAËZER. La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél
-tevreden.
-
-RAFAËL. Welke leéring is er te trekken uit wat niet meer leeft?
-
-HAËZER. Niet meer leeft, gekje?
-
-RAFAËL. Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ik was in ’n dóóden tijd?
-Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor lévenden?
-
-HAËZER. Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n
-godsdienst levend. Met letters kun je vechten, met letters kun je
-goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met
-letters.... Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Jà. Getuigt niet
-Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met
-schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en
-ezelen? Gèèn bezìt? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn
-bezit? Met letters.... De géést.... De géést alleen—de jóódsche
-geest.... We gaan niet àchteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug
-kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan
-zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel
-voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat
-goed was voor een nomadenvolk dat zich véstigde en niet meer zoo
-héélemaal goed voor.... voor ’n volk dat vrij leeft in ’n
-christenmaatschappij... Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche
-geest.... de jóódsche géést zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd
-laten.... En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in
-wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—en ’t
-gòddelijke voelen ze niet....
-
-RAFAËL. Ik voel ’t goddelijke van mijn tijd, ’t goede, ’t schoone, ’t
-slechte.... Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw
-ànders wordt, ànders door—door—hoe zal ’k ’t jùllie zeggen?—door ’n
-maatschappij die zich verandert, vervalt of verheft. Ik voel dat de
-geest waarvan ù spreekt vástgébónden ligt aan ons volk in zijn
-ópkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken.
-
-HAËZER. Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto?
-We leven niet meer in ghetto’s, gekje!
-
-ESTHER. Hij praat as ’n kind. Allemaal schtos! Hij praat as ’n
-risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootste rissches
-zèlf.... [7]
-
-HAËZER. Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen
-wàar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je
-geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen? (met climax) Wordt
-Eleazar niet aan ’t Hòf ontvangen met éérbewijzen: Wat wil je met je
-ghetto?
-
-SACHEL. Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron
-kan hier zijn, elk oogenblik....
-
-HAËZER. Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t
-ghetto.... En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje....
-
-RAFAËL. Ghetto? Dat ìk ’t zeggen moet aan ’n rabbijn! Ghetto? Hebben
-jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?....
-
-HAËZER. Leugens? Dat pàst je niet!
-
-SACHEL. Leugens?.... Leùgens?
-
-RAFAËL. Mocht ’k eten bij ’n christen? Mocht ’k op Vrijdagavond ’t vuur
-aanraken, de lamp opsteken, ’n brief openscheuren? Had je daar geen
-christen-dienstmeid voor? Gaf je me àndere vrienden—toen ’k ’n kind
-was—dan jòden? Ben ’k niet ’n tijd op ’n jodenschool geweest? Werd God
-me niet geleerd, Gód, Gòd—door ’n jóód?.... [8]
-
-HAËZER. Laat ’m uitspreken....
-
-RAFAËL. Ghetto?.... De poorten zijn neergehaald, de muren zijn
-gesloopt—de gràchten zijn gebleven—de grachten van ònze en hùn haat....
-
-HAËZER. Hún haat! Zij hebben vervolgd door alle eeuwen. Wij niet!
-
-RAFAËL. Onze haat! Onze haat! Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben
-ons uit de ghetto’s gelaten—we zijn tóch bij elkander gebleven. We
-hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld—nee, schud
-je hoofd niet—stràks heb je ’t zelf gezeid.—We hebben ze als vréémden
-beschouwd, als vréémden behandeld. Hún vrouwen hebben we.... hebben we
-betááld,—onze getroùwd![8]
-
-HAËZER. Dat is ’n leugen!
-
-RAFAËL. God hoort me getuigen!
-
-HAËZER. Gelogen! Driedubbel gelogen!
-
-RAFAËL. Wáárom ben je nou kwaad, rebbe Haëzer? Waarom làch je niet
-meer?
-
-HAËZER. Omdat je van ’n onbeschaamdheid ben die iemand ’t laatst geduld
-doet verliezen! Omdat....
-
-ESTHER. Schaam je! Ben jij ’n jóód?
-
-RAFAËL. Nee. Nièt meer.
-
-HAËZER. Rafaël, Rafaël bezin wat je zegt! Je wil je blinden vader
-verlaten—je weigert als ’n goed zoon te trouwen—je beschimpt ons
-volk—je staat in opstand tegen onzen God, den God van Israël, die
-genade bewijst tot in duizenden geslachten, maar die wráakzúchtig
-is!... „Gij zult.... Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht
-hebben!”
-
-RAFAËL. Goden?... Goden? Hebben we ooit anders dan gòden gekend? (Slaat
-het raam open). O, de benauwenis, de benauwenis! Hoe komen we ’r uit!
-
-HAËZER. Jij ben gek—jij ben gèk!
-
-RAFAËL. Gek? Hahaha! Gek? Kijk: aan de overzij heb je huizen, huizen
-met kamers. En ginder. En verder. En nòg verder. Telkens weer huizen
-met kamers en menschen. Overal menschen met gòden. Hahaha! Hahaha! Zie
-dan neer, God, door dit gàt. Zoo is ’t op je hééle wereld. Zoo zitten
-ze overal, elkander plagend, elkander ophitsend, elkander beliegend.
-Zoo verdorren ze tusschen vier wanden, bij hun lampen, bij hun kleine
-gepraat over ùw grootheid! Zoo sluiten ze zich op, verdeeld in ùw naam,
-vervolgend in uw naam, vervloekend in uw naam! O, die kamers, die
-benauwde, heete, wanhopige kamertjes, waar geen frischheid
-binnenstroomt, waar ’t groen van de blaeren geel wordt, waar de longen
-hijgen en de ziel vermummelt als ’n gestorven bloem! Laat me spreken,
-rebbe Haëzer, nou hinder je me niet langer met je spot! Nou ben ìk de
-prediker, ìk die geen jood ben, geen jood en geen christen, ik die God
-voel in het licht van de zon, in de geuren van den zomer, in den dauw
-van ’t veld, in het glanzen van het water, in de bloemen op het graf
-van mijn moeder.—Neergesmeten heb je ze, vader, de muurruitjes,
-vergeet-mij-nietjes en gouwen! Neergesmeten bij ’t stof van je
-vodden!—O, ’k heb meelij met jullie, meelij met je kleine getob, meelij
-met je ghètto’s, met jùllie ghetto, met hùn ghetto, meelij met de kamer
-hier en de kamers rondom, meelij met al de goden die geen goden
-zijn—want de wàre God moet nog komen, de God van de nieuwe gemeenschap,
-de gemeenschap zònder goden, zònder slechtheid, zònder slaven!....
-
-SACHEL. Dus—dus—as ’k begrijp—as ’k begijp—’t vlamt in ’t donker van
-m’n hoofd—as ’k begrijp—dan wil jij heen—dan—dan trouw jij Rebecca
-niet....
-
-RAFAËL. Hiér was ze straks—en ’k heb ’r geweigerd. Ik kàn niet anders.
-
-HAËZER. Rafaël.... Rafaël....
-
-SACHEL. Sust!... Sust! Laat mijn spreken—’k Heb zoo lang gezwegen....
-Je heb ’r geweigerd...... Ze was hiér.... ....Dan heit die meid
-gelogen.... die meid.... dàn... dàn... heit die meid gelógen, wèèr
-gelogen... dan... dan.... Wát is ’r tusschen joù... en die meid...
-tusschen jou en die Christenméid?....
-
-RAFAËL. Die meid!....
-
-SACHEL. Je ben sámen op geweest eergisternacht—’k heb je gehoord.—En
-straks—stràks—(staat woest op met gebalde vuisten).
-
-ESTHER. Sachel!... In Godsnaam!
-
-SACHEL (inzakkend). Vloek! Vloek over m’n
-ouwen dag!
-
-RAFAËL. ’t Is waar. Ik ontken niet. Lang gelejen zou ’k ’t gezegd
-hebben. Maar ik aarzelde: diezelfden dag zou je háár uit je deur
-getrapt hebben, háár, mijn vrouw.... Noù weét je ’t vader, dat ’t zijn
-móét. (af).
-
-
-
-
-ZEVENDE TOONEEL.
-
-
-Haëzer. Esther. Sachel.
-
-
-SACHEL. Wee! wee! Wee dat ’k dat alles mot ondergaan! Wee! Wee!
-
-HAËZER. Sachel! Sachel!
-
-SACHEL (knarsend). Wee! Lag-ie begraven bij z’n moeder!
-
-
- (EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.)
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE BEDRIJF.
-
-
-Een slop in de jodenbuurt. Aan de achterzijde een gracht met verweerde
-pakhuizen. Schemering. Voor den uitdragerswinkel zitten Esther en
-Sachel.
-
-
-
-
-EERSTE TOONEEL.
-
-
-Sachel. Esther.
-
-
-SACHEL. Staat ’r niemand in de poort?...
-
-ESTHER. Nee....
-
-SACHEL. Hoór ’k dan niks?
-
-ESTHER. Je hoort kinderen in de straat spelen. Hij zal de meid achterop
-wezen. Jouw zoon... jouw zóón godbetert!
-
-SACHEL. Is naastan niemand thuis?
-
-ESTHER. Wat vraag je weer ’n boel! Néé. Levi en z’n vrouw zijn over
-Sjabbes bij d’r dochter. We hebben ’t rijk alleen. En maar goed ook.
-Anders wist morgen de heele kille [9] wat voorgevallen is.
-
-SACHEL. Asof ze ’t morgen toch niet weten—van—van de rebbe—èn van
-hèm—èn van die mèid—Die mèid! Waar blìjft die meid?
-
-ESTHER. Begrijp je niet dat-ie ’r tegemoet is geloopen, d’r alles
-gezeid heit, dat ze niet meer dúrft. ’k Zou d’r oogen uit d’r kop
-krabbe. As ’k maar kòn. Jouw zóón die zich afgeeft met zoo’n del, met
-zoo’n slét! Joùw zoon onder joùw dak! ’t Hoogste woord heb je ’m laten
-voeren. Heb je ooit naar ’n gezond woord geluisterd, jij, jij? Heb ’k
-je niet honderdmaal gewaarschouwd, as-ie uitbleef, as-ie ons alleen
-liet sàppelen? Nou krijg je ’t met rènte terug. Met woekerrente. Nou
-oogst je! ’n Zoon die zich vergooit, ’n zoon die de rabbijn as ’n
-kwajongen behandelt! De snotneus! Opstaan tegen ’t geloof van z’n
-vaderen. Weet-ie ’r véul van! En wàt ’n huwelijk had-ie kennen doen! ’n
-Engel, ’n huisvrouw uit duizenden, ’n vrouw die de negotie
-verstaat—heit ze ’t niet bij d’r vader geleerd tot in de nagels van d’r
-duimen?—’n rechtschapen meissie—en die smijt-ie weg voor oud-vuil om
-zoo’n lellebel die nog geen aardappel schillen kan, die geen hemd an
-d’r lijf heit, die van handel zooveul weet as de ràt die daar gaat....
-
-SACHEL. Ging ’r ’n ràt?....
-
-ESTHER. Schrik je van ’n rat, nar? Daar gaat-ie ’t water in.
-Afgeloopen.—Dat serpent! Overmorgen verwijt z’m z’n geloof, scheldt ’m
-voor jood! Jood en Chris gààt niet samen. Zijn vróúw! Og! Tróúwen! Og!
-Die jongen is niet wijs, die mot opgesloten worden—Je zal ’r wat van
-beleven! ’t Is om je dood te ergeren. En jij, jij die altijd zoo’n
-praas heb—jij—dat je nòù niks zegt, hè?
-
-SACHEL. Laat me met rust—Ik ben kapot—Ik ben op.
-
-ESTHER. ’t Most mìjn zoon wezen. ’k Zou ’m leeren. As ’k ’r an denk!
-Laat ze is om d’r goed kommen, d’r armeluisrommel! Geen korrel geef ’k
-af. Geen zaddoek. Wie heit ’m slecht gemaakt? Wie heit ’m angehaald?
-Keek-ie ooit naar ’n vrouw? Heb je ’m zien scharrelen zooas de jongens
-van Ruth en van Bram? Wie heit ’m met d’r strèken ingepalmd? Kreeg ze
-voor mijn part, kreeg ze ’n ziekte, dat ze morgen krepeerde!
-
-SACHEL. Schreeuw zoo niet.... Denk an de buren....
-
-ESTHER. Buren! Buren! Is ’r iemand thuis? En làten ze ’t hooren! Zal
-d’r me één ongelijk geven? Nou héb je je zin—As ìk wat zei wer ’k
-afgesnauwd. As ìk wat zei kreeg ’k ’n groote bek. En hij? Hoeveel keer
-heit-ie me niet ’t bloed uit me vingers gezogen. ’t Komt je toe.
-
-SACHEL. Hou op. M’n kop staat ’r niet na.
-
-ESTHER. De schande—de schande in de kille.
-
-SACHEL. Ik weet ’t. Je hoeft me niet op te warmen.
-
-ESTHER. Dat gezicht dat ’k zoo vertrouwd heb!... Dat pestgezicht!...
-Gister gaf ’r nog ’n afgedragen japon. Hoe kom ’k zoo gek? Maar ze
-neemt ’m nièt mee. Niks geef ’k af.
-
-SACHEL. Daar is iemand....
-
-ESTHER. Nee. Je maakt me zenuwachtig. Laten we naar binnen gaan. ’t
-Wordt donker.
-
-SACHEL. Ik blijf hier. Binnen heb ik geen rust. As-die nou is niet
-terugkwam—wegbleef—voor góed wegbleef....
-
-ESTHER. Groot verlies! Liever geen zoon—dan zoo een....
-
-SACHEL. Jij—jij kan dat zeggen—màkkelijk zeggen—jij heb nooit ’n kind
-gehad—Wat heb ’k voor vreugde—voor afleiding—dan...
-
-ESTHER (verbaasd). .... Huil je, Sachel? Sàchel?
-
-SACHEL. Nee. Hou je bek! Wie praat ’r van huilen! Ik zeg dat z’n
-stem... Maar dat begrijp jij niet—dat kán jíj niet begrijpen—Wàt
-begrijp je wel? Steek de lamp an! Nou dan!
-
-ESTHER. Goddank. Je ben weer gezond. ’k Had me haast ongerust gemaakt.
-
- (af).
-
-
-
-
-TWEEDE TOONEEL.
-
-
-Sachel. Aaron.
-
-
-AARON. Zit je daar Sachel?
-
-SACHEL. Wat mot je?
-
-AARON. ’t Is wat moois....
-
-SACHEL. Wat is ’r moois?
-
-AARON. Dat met je zóon....
-
-SACHEL. Wat gaat joú dat an?
-
-AARON. Vraagt naar de bekende weg! Wat ’t mijn angaat? Reusachtig zou
-’k denke. Og, wat ’t mijn angaat!
-
-SACHEL. ’k Heb met jóu niks te maken.
-
-AARON. Je zoon is ’n ploert en ’n....
-
-SACHEL. D’r wordt je niks gevraagd....
-
-AARON. Waren we accoord—ja of nee?
-
-SACHEL. Nee.
-
-AARON. Heeft je zuster niet gezeid, dat ik mijn Rebecca sturen zou?....
-
-SACHEL. Weet ’k niet....
-
-AARON. Jij weet niks wat je niet weten wil—of ’t mot zwart op wit
-staan....
-
-SACHEL. Je verveelt me!
-
-AARON. Jij verveelt mijn al làng!
-
-SACHEL. Wat doe ’k met jouw gemier! ’k Zal me zoon dwingen as-die joùw
-dochter niet wil. Mot-ie zèlf weten!
-
-AARON. Mijn dochter..... Mijn dochter.... ’n Wèldaad had ze ’m
-bewezen....
-
-SACHEL. Ik kan jouw weldaden niet gebruiken—en me zoon oók niet.
-
-AARON. Jouw zoon! Jouw zoon! M’n voeten veeg ’k nog niet an ’m af. Daar
-zijn me zolen te goed voor.
-
-
-
-
-DERDE TOONEEL.
-
-
-Sachel. Aaron. Esther.
-
-
-ESTHER. Dacht ’k wel. Dàcht ’k wel. Hij mot zich wreken. Groot gelijk
-heb-ie Aaron—gelijk tot over ’t end van je jaren! Is ’t geen schande
-wat ’r gebeurt?
-
-AARON. Schande? Schande? Jullie wèten nog niks! Jullie weet niet van
-van-morgen—wat-ie met mijn Rebecca gedaan heit!
-
-SACHEL. Kan me niks schelen!
-
-ESTHER. Mijn wel! Mijn wel! Nòg trekt-ie z’n partij!
-
-AARON. Heb jij niet gezeid dat Rebecca bij je most kommen?
-
-ESTHER. Zeker heb ’k ’t gezeid.
-
-AARON. En is ze niet grienend teruggekeerd? Grienend om ’t affront!
-Zat-ie niet met die christenmeid, met die sjikse op z’n schoot? Mot je
-zoo mijn dochter ontvangen? Mijn dochter is geen schànddochter! Mijn
-dochter is geen vulnis! Mijn dochter kan huwelijken doen, reusachtig!
-Mijn dochter hoeft door jóúw zoon niet van de deur gewezen te worden!
-
-SACHEL. Had ze nièt gekommen!
-
-ESTHER. Hoor hém! Hoor hém! Daar kan ’k me nou zóo bij opwinden! Daar
-sta ’k geregeld bij te beven! O, o, as ’k geen meelij met je had! Mot
-je die man nog òngelijk geven? Die man die zich komt beklagen! Die man
-die in ’t fatsoenlijke tot je spreekt!
-
-SACHEL. We hadden geen accoord....
-
-ESTHER. Komt ’r wat op an!.... Zoo’n engel van ’n meissie!—Zat ze op
-z’n schoot? Zat die vuilik op z’n schoot?
-
-AARON. Met d’r eigen oogen—met d’r éigen oogen heit ze ’t gezien. En
-was ’t daar bij gebleven! Maar beleedigd heìt-ie ’r, geaffronteerd in
-’t bijzijn van die méid! Is mijn dochter ’n opraapsel van de straat?
-Staat mijn dochter bij jou in de schúld? De brutaaligheid—de
-brutaaligheid van die kwajongen! En joùw schuld! Joúw schuld!
-
-ESTHER. Net wat ’k zei.
-
-SACHEL. Práten jullie maar. Ik wor zelf ’t zwaarst gestraft.... Voelen
-jullie dan geen zier meelij?
-
-ESTHER. Jij ben te koppig. Jij neèmt je gelijk. Met jou kan niemand
-over-weg.
-
-SACHEL. ’k Heb ’t ’t éérst zien ankommen. Ik vóélde dat ’r wat was. Ik
-wist ’t vóor jullie....
-
-AARON. Hoor, wat ’n redeneering! Hij ziet ’t ankomme, hij weet ’t voor
-ons... En geen mond doet-ie open. As ik in me huis ’n meid heb en me
-zoon—hád ’k ’r een!—me zoon die kruipt in d’r bed—dan—dan waarschouw ’k
-me zoon—dan ben ’k as vader verplicht te waarschouwen dat-ie niet
-blijft hàngen—dat-ie geen strop krijgt—zooas m’n vader-zaliger mijn
-gewaarschouwd heit—toen—toen—’t was ’n mooie meid—gekheid, ’t is làng
-voorbij—toen ’k in m’n jonge jaren was. Dat ben je as vader verplicht.
-En luistert-ie niet—dan—dan roep je de meid—en dan maak je geen
-herrie—herrie maakt ’n nàr—en je geeft ’r twintig gulden, dertig,
-veertig—as ze lastig wordt honderd—’t is weggesmeten geld—maar as je ’t
-niet doet?—as je ’t nièt doet krijg je grijze haren van zorg en
-ellende—en, en, en je zet ’r met ’t geld je deur uit—en je neemt ’n
-reçu—zonder reçu geen geld—en je belooft as ze stil is en wegblijft nóg
-wat geld na máanden.—D’r is geen meid die née zegt—fèl zijn ze op
-honderd gulden! Ze doen ’r ’n moord voor.... Nou? Nou? En wat doe jij?
-Jij smoest voor jezelf. Jij laat God’s water over God’s akker
-loopen—en, en, en, as ’t te laat is maak je lawaai. Maak lawaai vóór ’t
-te laat is. Wat is je verdienste dat je ’t heb zien ankommen? Waar laat
-je je winst? Nog nooit heb ’k iemand zoo dwars zien handelen, zoo
-averechts. ’t Is bijzonder. ’t Is reusachtig. Hèb je je zoon
-gewaarschouwd? Hèb je de meid afgekocht?
-
-SACHEL. Hij laat zich niet waarschouwen....
-
-AARON. En de meid? Nou?
-
-SACHEL. Die laat zich niet afkoopen....
-
-AARON. Zal ik jou is wat zeggen? Je mag ’n goed koopman zijn, maar van
-die dingen heb-ie geen cent verstand, geen cent, geen hálve cent. Daar
-heb-ie de zoon van Salomon—Salomon van de Dwarsstraat. Heb-ie niet
-gehoord van de zoon van Salomon? Dan zal ’k ’t je vertelle. Die jongen
-had ’n strop—en wát ’n strop. Zoover is joúw Rafaël nog niet eens. Daar
-mag je dankbaar voor zijn. Toen Salomon zich d’r mee bemoeide had de
-meid al ’n kind. En wat heit Salomon gedaan? Salomon heit z’n zoon op
-de reis gestuurd en de meid afgekocht, voor twee, driehonderd gulden,
-weisz-ich-viel! En toen ze werom kwam—vertrouwe kan je ze niet—heit-ie
-’n agent late komme, ’n agent van politie en toen was ’t uit. Zal ’n
-verstandig man anders handele? En handele de christenen anders? Spiegel
-je an de christenen. Met geld krijgen joden èn christenen alles gedaan.
-Heb je geld? Je hèb geld. Gebruik ’t dan. Eergister zag ik ’n christene
-trouwpartij. En bij ’t stadhuis daar had je ’n scène! Daar stond ’n
-meid met ’n kind. En die maakte spektakel! Reusachtig. En in ’n oògwenk
-was ze gebrocht na ’t bureau! Had ze ’t niet angeleid met ’n heer boven
-d’r stand! Had ze niet ja-gezeid! As ze nee zegge gebeurt ’r niks.
-Allemaal d’r éigen schuld. As ze niet luistere willen motten ze voélen!
-
-SACHEL. ’t Is nou te laat....
-
-ESTHER. Wat is te laat? D’r is niks te laat. Aaron heit recht.
-
-SACHEL. Doe wat je wil! Ik ga naar binnen. ’k Heb ’t koud. Ik zeg je—ik
-zeg je—d’r valt niks te verhelpen.
-
-
-
-
-VIERDE TOONEEL.
-
-
-Aaron. Esther.
-
-
-ESTHER. Redeneer daar tegen in.
-
-AARON. As hij geen verstand heit, heb jij ’t voor twéé.
-
-ESTHER. As ’k maar kon.
-
-AARON. Met ’n zoet lijntje krijg je alles gedaan. Sachel is ’n
-geweldenaar. Reusachtig. Wat bereik je met geweld? Geen sikkepit. ’t
-Doet me hartzeer. Zou je dan denken dat ik me zooveel moeite zou geven
-om die snotneus—om die leeglooper—as ’k niet wist dat mijn Rebecca d’r
-zinnen op ’m gezet heit? Kan ze ’r niet honderd-duizend krijgen? Met
-veel meer geld? Maar ze wil.
-
-ESTHER. O, dat krèng, dat ’n heele familie verstoort.... As ’k ’r had
-onder me handen!
-
-AARON. Daar heb je d’r waarachtig!
-
-
-
-
-VIJFDE TOONEEL.
-
-
-Aaron. Esther. Rose.
-
-
-ROSE. ’k Ben laat.
-
-ESTHER. Wel nee, kind. Welnee. ’k Was al ongerust.
-
-ROSE. ’t Is ’n schrikkelijk end. ’k Heb ’n uur lang gezocht, kon ’m
-niet vinden en toen ’k ’r eindelijk was, moest ’k ’n heele tijd wachten
-voor Meijer thuis kwam.
-
-ESTHER. Nou, da’s niks hoor.
-
-AARON. Zoo’n lange wandeling is heel gezond, best voor de
-spijsvertering.
-
-ROSE. Hij kan morgen niet komen.
-
-ESTHER. Kan-ie niet?
-
-ROSE. Eerst Maandag.
-
-ESTHER. Best. Best. Heb je Rafaël gezien?
-
-ROSE. Rafaël?
-
-ESTHER. ’k Dacht zoo—’k bedoel—Hij ging juist ’n boodschap....
-
-ROSE. ’k Heb ’m niet gezien.
-
-ESTHER. Je zal wel moe zijn, hè? Ga maar binnen. D’r staat wat koud
-vleesch .... Maar—maar wacht is....
-
-ROSE. Roep u nog?
-
-ESTHER. .... Dat wil zeggen—dat wil zeggen—
-
-AARON. Ik wou je wat vragen—’k sprak ’r met de juffrouw over—of—of—zou
-jij geen zin hebben—’k val maar met de deur in huis—om—om bij mijn te
-kommen?....
-
-ESTHER. Dat wil zegge....
-
-AARON. Dat wil zegge—laat mijn nou gaan!—dat ’k in de verlegenheid zit,
-in ’n gróóte verlegenheid—te lang om zoo in-eens uit te leggen—en toen
-sprak ’k zoo....
-
-ESTHER. —ja toen spraken we ’r over....
-
-AARON. .... Zie je, niet voor gòed—maar zoo tijdelijk—voor ’n paar
-dagen, voor ’n week...
-
-ESTHER. Ja nàtuurlijk....
-
-AARON. .... En na die paar weken—ga je weer na Esther terug—of—of ’t
-most je zóó bij mijn bevallen! Hahaha!—’t Most je zoo bij mijn bevallen
-dat je niet meer terug wil. Esther heit ’r niks op tegen....
-
-ESTHER. Dat wil zegge.... ’k Heb ’r ’n hééle boel op tegen—maar je mot
-mekaar helpe.
-
-AARON. En je verdient ’n heele duit extra—Dat kan je mijn overlaten....
-
-ESTHER. Dat is waar—dat kan je Aaron overlaten....
-
-ROSE (rustig). Dus—ik moet wèg?
-
-AARON. Wat zeit ze? Je mot? Je mot? Je mot niks! ’t Wordt je vrindelijk
-verzocht. Je mot? Je wor niet gedwòngen!
-
-ESTHER. Hoe kòm je ’r op?.... Nog voor geen góúd! As ’r iemand tevrejen
-over je is, ben ìk ’t! Dat weet je. Enkel de kwestie van ’n paar
-dagen...
-
-AARON. Och, ’t is niet de moeite waard om lang over te praten. Mijn
-huishoudster is ’r van door—met d’r beminde, hahaha!—en m’n dochter is
-de godganschelijke dag in de zaak—zoo kan je ontriefd zitten!....
-
-ESTHER. —ja, ’t is ’n last....
-
-AARON. Of ’t!—En niewaar: ik doe ’r júllie geen overlast mee? Jij wil
-je wel ’n paar dagen behelpen?
-
-ESTHER. —Je weet wat ’k gezeid heb: liever niet. Maar in de steek laat
-’k je niet. Is ’t goed, Roos?
-
-ROSE. Nee.
-
-ESTHER. Wat nee?
-
-ROSE. Ik doe ’t niet.
-
-ESTHER. Jij doet ’t niet? En wáárom doe jij ’t niet, as ’t je zoo
-vrindelijk verzocht wordt?
-
-AARON. Ja—dat is onzin! Op me woord van waarachtig: je heb ’r geen
-nadeel bij.
-
-ROSE. Dat kan me niet schelen.
-
-ESTHER. Toon nou geen kop, kind! ’k Meen ’t goed met je—’k zal je niks
-anrajen of je komt ’r mee vooruit.
-
-AARON. Me dochter is ’n zachtzinnig meissie—andere huisgenooten heb ’k
-niet....
-
-ROSE. Je dóchter....—Nee.
-
-ESTHER. Blijf hier.
-
-ROSE. Waarom jaag je me niet weg—zònder omwegen?
-
-ESTHER. Niemand jaagt je weg, malle meid. Praat ik niet in vrindschap
-met je? Je mot niet overal wat achter zoeken.
-
-ROSE. Je wil me kwijt. Goed. Zeg ’t eerlijk. Mot ’t dàdelijk?
-
-AARON. Wat ’n opwinding voor ’n bagatel. Laat ìk nou is duidelijk
-make....
-
-ROSE. ’k Heb met jóu niks te praten. Mot ’t dàdelijk?
-
-ESTHER. Wel nee! Hoe kom je ’r op? Al wou je járen bij me blijven. Ik
-had alleen liéver....
-
-AARON. Gekheid! Gekheid! Jij draait ’r om heen. Zoo kom je ’r
-nooit!.... Zal ’k jou is wat zegge, meissie: je mag God danke dat je
-bij zulke goeie mensche beland ben—ik zou je anders behandele!
-
-ESTHER. Wat waar is, is waar. ’n Zoon van z’n vader hale—netjes is ’t
-niet!....
-
-ROSE. Ah!
-
-AARON. Netjes? Geméén is ’t!
-
-ESTHER. Gemeen—geméen! Dát zal ’k niet beweren. ’k Kan begrijpe dat ’n
-knappe jonge meid ’n oogie laat vallen op ’n knappe jongen—maar alles
-heit z’n grenzen.—Je wéet dat ’t niet gaat. Vreemd geloof trouwt niet
-met vreemd geloof.—Dat is ’t zondigst wat ’r bestaat. Daar hoeven we
-heelemaal niet over te praten. Dat leit voor de hand. Maar ’k neem ’t
-je niet kwalijk! God beware! Rafaël is ’n sjieke jongen. ’k Begrijp ’t
-best....
-
-AARON. ’n Jood met ’n christene vrouw of ’n christen met ’n jodene
-vrouw dat gààt niet. Wij zijn oùwer, wij kenne de wereld beter. Jij
-komp pas kijke. Trouw jij met een van joùw geloof. Daar doe je wijs an.
-Wat niet bij mekaar past mot je niet met geweld bij mekaar brengen. ’t
-Ongeluk leit ’r dik bovenop, dikker dan je denkt.
-
-ESTHER. En nog niet eens van z’n vader gesproken—van z’n ongelukkigen
-vader. Sterft-ie niet van hartzeer om wat ’r gebeurd is? Wees jij nou
-wijs en ga ’n dag of veertien weg. Dan is Sachel gekalmeerd en kan jij
-ook is dénke...
-
-ROSE. Ik heb niet te denken. Ik hou van hem en ’k laat ’m niet los....
-
-ESTHER. Dàt pleit voor je karakter. As je dadelijk jà zei, zou je geen
-knip voor je neus waard zijn. D’r is geen meissie over de heele wereld
-dat née zeit as ze jà meent—in diè dinge. En—en—’k zal niet bewere dat
-je ’m dàdelijk mot láten—dat zou gróóte gekkigheid zijn—’k zal de
-laatste zijn om je an te rajen tegen je geweten in te handelen—maar ga
-nou is na—ga nou is góed na—hóé wou je hier blijven?—hóé wou je blijven
-nou we alles weten....
-
-ROSE. Dat wil ik ook niet. Ik ga met Rafaël...
-
-ESTHER (kwaadaardig). Jij gaat! Jij gáát!....
-
-AARON. Stil nou! Niet driftig! Dat geeft allemaal niks. As ik ’n
-woordje zeggen mag: ’t is onzin, meid! Reusachtig. In de eerste plaas
-kàn ’t niet—in de tweede plaas—às ’t kon—zou ’t nòg niet kennen. Ik heb
-joden gekend en christene die ’t gedaan hebben. ’t Ongeluk lag ’r
-bovenop—zei ’k straks al—En met jóu kan ’t nog in geen dúízend
-jaren—bij wijze van spreken—over duizend jaar zijn we allemaal
-dood.—Want let nou is op: is z’n vader blind ja of nee? Z’n vader is
-blind. Wat wou jij met die blinde man beginnen? Daar kan je niks mee
-beginnen. Die z’n ideejen verander je niet. Wij zijn liberaler. Maar ’n
-man van die leeftijd die buig je niet—die bréék je. Wou je bij ’m
-inwonen? Nog geen spoog water zal-ie bij je gebruiken, nog geen
-handdruk zal-ie je geven. Wou je nièt bij ’m inwonen? Dat wil zeggen
-wou je ’m an z’n lot overlaten—we zijn allemaal sterfelijk en Esther is
-op leeftijd—wou je dàt? ’n Ramp as je ’t doet! Geen sekonde rust in je
-leven. En later de verwijten! Later verwijt hij jou, dat je ’m van z’n
-vader gehaald heb—familie blijft familie! Later heb je allebei
-spijt—dat wil zeggen—as ’t kon dat jullie samen—maar ’t kàn niet....
-
-ESTHER. Heel verstandig. En as je luistert ben je góed af.... Met
-plezier heb ’k ’r wat voor over....
-
-ROSE. Wat voor óver?
-
-ESTHER. ’k Ben nìet rijk.... ’k Leef zelf van me broer—maar as je ’t
-dée—as ’n góed kind—as ’n verstandig kind—dan kreeg je buiten je loon
-’n.... ’n....
-
-AARON. Zeg vijftig gulden!
-
-ROSE. O! O! Vijftig gulden!
-
-ESTHER. Honderd! Daar! Honderd guldens is ’n boel geld.
-
-AARON. ’n Héele boel. En trouw je later met ’n fàtsoenlijke
-burgerjongen—dan schiet ’r nòg wel wat over.
-
-ESTHER. En alles wat ’k je gegeven heb, kan je houen—en ik reken je
-maand vol-uit....
-
-ROSE. O, tuig, tuig! Vervloekt tuig!
-
-ESTHER (snerpend). Wat zeg je, jij slét!
-
-AARON. Stil nou! Maak geen burengerucht! Jullie begrepen mekaar niet.
-Gebruik nou je hoofd, stomme meid! ’r Komt tòch niks van, niks—tusschen
-jou en die jongen. ’t Kan niet. Je heb ’t vooruit geweten. Je ben de
-eerste niet. Je zal de laatste niet zijn. Ga dan niet op je achterste
-pooten staan. Wat bereik je ’r mee? Dat wij geweld met gewèld keeren.
-Want wij hebben ’t recht op onze hand!—En as je dat weet—handel
-verstandig—neem wat je krijgen kan....
-
-ESTHER. Twéé honderd guldens hebben we ’r voor over....
-
-AARON. En doe je ’t niét—dan ben je éven ver, dan win je geen zier—dan
-wor je zóó an de deur gezet....
-
-ROSE. Ik laat me niet an de deur zetten! Ik vraag m’n man. Anders niet!
-
-AARON. Je man! Hahaha!
-
-ESTHER. Je man? Je man?
-
-ROSE. Mijn man! Mijn man die jullie me niet ontnemen kunnen! Mijn man
-die eerlijk en groot is! Mijn man die niet buigt voor jullie gèld, zoo
-min als ik ’t doe! O! O!... Dat ze me zóo iets kunnen andoen!
-
-AARON. Jouw man? Wiè is jouw man? Ben je dan heelemaal doof meid, dat
-je niet begrijp—na zooveel, zóóveel woorden—dat-ie met mìjn dochter
-trouwt?
-
-ROSE. Dat lieg je!
-
-ESTHER. Jij liegt gemeen schepsel die onze jongen angehaald heb,
-angehaald met je hóerestreken!
-
-ROSE. Niks van je beleedigingen voel ’k. God heeft ’t gewild! Júllie
-halen ons niet van elkaar!
-
-AARON. Hahaha! Nou wordt ze prachtig—as in ’n bóék! Ik lach me ’n
-ongeluk! As je ’t dan weten wil: vanmiddag is ’t ’r door gegaan, vàn
-mìddag....
-
-ESTHER. En daarvoor hebben we je uitgezonden!
-
-AARON. En over vier weken trouwen ze!
-
-ESTHER (krijschend). Versta je? Versta je? En nou me deur uit! Me deur
-uit! En geen stuk neem je mee! Me deur uit! Op staande voet!
-
-ROSE. Nee-nee! Ik ga niet zonder hém! Jullie, belíegt me! Anders zou je
-geen géld gebojen hebben!
-
-AARON. Wie zegt je, dat hij ’t niet verzocht?...
-
-ROSE. Wàt zeg je?
-
-AARON. Heb ’k ’t zélf niet gehoord dat we tot twééhonderd gulden
-mochten gaan?
-
-ROSE. Je liegt! Je liegt! O, kerel wat ben je laag!
-
-AARON. Lieg ik? Hoor je dat Esther? Zal ’k ’r ’n vloek op doen?
-
-ESTHER. Laat ’r gaar koken in d’r eigen vuil! ’k Heb ’r genog van!
-(hàrder krijschend). Jij serpent durf jij ’t hoogste woord voeren? Jij
-die ongeluk brengt over ’n heele familie! Jij! Jij! Wat doe je nog
-hier? Wat let me of....
-
-AARON. Kalm nou! Kalm nou! Brand je vingers niet! Ze wéét ’t nou. Ze
-weet dat Rafaël binnen ’n maand trouwt en dat-ie ’r twééhonderd gulden
-biedt—en geen cent meer—versta je: twééhonderd gulden òm vàn jè àf tè
-kòmmen.
-
-ESTHER. En me huis niet meer in! Geen voet meer over me drempel! Geen
-voet hoor!
-
-AARON. Gelijk heb je. Laat ’r maar uithuilen.—As je nou dádelijk bij
-mijn thuis komt is de zaak in orde. ’t Geld leit klaar. Op die jongen
-hoef je niet te wachten. Die is weg.
-
-ROSE. Weg?
-
-AARON. Weg voor ’n hééle poos.
-
-ROSE. Waarheen?
-
-AARON. Dat mag ik je niet zeggen!
-
-ROSE. O God, belieg me niet! Belieg me niet!
-
-ESTHER. As-ie nièt weg was, had j’m al lang gezien. ’n Bewijs dat Aaron
-de waarheid zeit.
-
-AARON. Nou? Neem je ’t an?
-
-ROSE (suffig). Ik weet ’t niet.... Ik weet ’t niet.... Ik wor gek....
-Ik kan niet meer.... O lieve heer Jezus!....
-
-AARON. Sust! Niks meer zeggen.... ’t Kòmt in orde. Nou. Nou. We loopen
-’n grachie om. Bedenk je terwijl. Op straat kan je niet slapen.
-
- (Af.)
-
-
-
-
-ZESDE TOONEEL.
-
-
-Rose. Sachel.
-
-
-SACHEL. Mot ’k de heele avond alleen blijven? Hoor je niet, Esther.
-
-ROSE (angstig-opschrikkend). Ik ben ’t....
-
-SACHEL (woest). Jij! Jij!....
-
-ROSE. O God—doe me niks—doe me niks—’k Ben zoo bang voor je.
-
-SACHEL. Wat mot je nog hier?
-
-ROSE. Ik weet ’t niet....
-
-SACHEL (woest). Durf jij nog....
-
-ROSE. O nee..... ’k durf niks..... ’k zal wel gaan.... as je maar
-niet....
-
-SACHEL. .... Ik zal je niet vermoorden.... Ik zié je niet, ’k heb geen
-kracht meer—jij, uitvaagsel!... Jij, jij, jij....
-
-ROSE. Ja—ja—Je heb gelijk—je heb gelijk—’k Ben suf—In Godsnaam—In
-Godsnaam drijf me ’t wàter niet in!
-
-SACHEL. .... ’t Water....
-
-ROSE. Kwam-ie maar.... Kwam-ie maar.... O Rafaël! Rafaël!...
-
-SACHEL. Hou je bek! Ruk uit! Ruk uit, zeg ’k je!
-
-ROSE (smeekend). Zeg dan of ’t waar is..... Jij ben blind—Je ziet niks
-dan donker—Jij kan niet liegen—dat voel ’k—hoe zou jij kunnen
-liegen—zeg of ’t wáár is dat-ie met Rebecca trouwt....
-
-SACHEL. Dat raakt je niet! Ruk uit! Of ’k zal je weg-ranselen—met me
-ouwe handen!...
-
-ROSE. Ik heb je niks misdaan, nooit wat misdaan! Zeg of ’t wáár is!
-Sachel! Sachel!
-
-SACHEL. Niks misdaan? En m’n zoon?... M’n zoon?
-
-ROSE. O, praat daar nou niet over! Nou niet!—Trouwt-ie Rebecca?
-Trouwt-ie Rebecca?
-
-SACHEL. Dacht je dat-ie joù trouwen zou, jou, ’n christin, jou, ’n
-méid! Wou je méér zijn dan z’n tijdverdrijf, meer dan z’n bijslaap?
-
-ROSE. O! O! Lieg jìj niet! Ze hebben me geld gebojen, géld! Ze hebben
-me willen afkoopen... Ze hebben me neergetrapt erger dan ’n hoer! Hoor
-me nóu! Hoor me! Wat hebben jullie an m’n ongeluk. Niks heb ’k op de
-wereld. Niks. En ’k hou zoo van ’m, zoo alles. Wat kan ’t me schelen of
-jullie joden zijn. ’k Denk ’r niet an. ’k Vraag ’r niet na. ’k Hou van
-jullie allemaal, van jou en van Esther, van wie hier komt. Als ’k maar
-blijven mag, blijven. Enkel blijven—als-ie háár maar niet trouwt! O
-Sachel, Sachel, draai je gezicht niet af. Je hoort da’k haast
-krankzinnig wor. ’k Zal goed voor je zijn. Je zal niet te klagen
-hebben, nooit, nooit! ’k Wil jodin worden, alles wat je maar zegt.
-Alles. Maar jaag me niet weg. Ik kan niet leven alléén, zònder hem. Kom
-nou. Toe nou!... Zég ’n woordje... Je maakt me bang met je oogen. Kijk
-me zoo niet an, Sachel!
-
-SACHEL (rauw). Raak me niet an. Had ’k je liever gewurgd voór ’k je in
-me huis nam—jij....
-
-ROSE. ... Scheld niet! ’k Ben kapot genoeg! Zeg ’t! Zeg dat Aaron
-gelogen heeft, dat-ie me niet in de steek laat!
-
-SACHEL (hard). Blijf van me af, ongeluksmeid, bedriegster! Was
-gekrepeerd de dag van je eerste ontucht! Was....
-
-ROSE. Ja-ja. Vloek me. Vlóek me! Maar lieg niet! Zeg wat je wil, alles
-goed, alles goed!... Is ’t wáár?... Ze hebben me.. O, ’k wor gek...
-
-SACHEL. Jij heb mijn jongen... Heb je an mijn gedacht.... An mìjn ouwen
-dag?...
-
-ROSE. Nee. Ja.... Verwijt nou niks.... ’t Is niet meer te verhelpen...
-’k Wil ’t wel goed maken, als ’t kán, als ’t kán...
-
-SACHEL. ’t Kan niet meer. Ruk uit!
-
-ROSE. O nee, nee... Wéet wat je doet, Sachel! Sachel, weet wat je
-doet!...
-
-SACHEL. ’k Weet wat ’k doe, ’k weet dat ’k je haat, ’k weet dat ’k je
-bloed zou kunnen drinken...
-
-ROSE. Goed. Goed. Haat me. Vervloek me. Verwensch me. Maar de waarheid!
-De waarheid! Jij kán niet liegen, jij met je blinde oogen! Ze wouen me
-tweehonderd gulden geven—zeien dat ’t van Rafaël kwam, dat-ie weg is,
-me verschopt.... O, dat is schrikkelijk, niewaar Sachel,—schrikkelijk
-om zóó je eeden te breken!.... Toe nou! Toe nou! ’k Sta voor je te
-beven.... Zeg dan iets, iets... Als ’t waar is—als—als—dan—verdrink ’k
-me voor je oogen, dan wil ’k niet langer leven, geen oogenblik langer.
-Want wat heb ’k dan nog? Dan heb ’k niks meer, niks, niks! O, jij weet
-niet wat niks is!...
-
-SACHEL (dof). Ik? Ik? Ik zou ’t niet weten!
-
-ROSE. O jij ook. Jij ook. Maar niet zoo!
-
-SACHEL (zachter). Niet zoo? Wat heb ik dan! Ik?...
-
-ROSE. Jij.... jij.... O je ben óok ongelukkig.... Maar je leeft.... je
-weet niet wat liéfde is.... Je weet niet.... Toe! Toe! We zullen goed
-voor je zijn.... We zullen.... Je heb alles in je eigen hand....
-
-SACHEL (snauwend). ’k Mot niks van jou
-hebben!
-
-ROSE. Hahaha! Dan hebben ze gelogen! Dan heeft Aaron gelogen! Dan heeft
-Esther gelogen! Dan.... Dan.... Als ’t waar was zou je ’t zeggen. En je
-zegt niks! Als-ie vanmiddag beloofd had Rebecca te trouwen zou jij ’r
-om làchen, had je al lang geroepen jà, jà! Hahaha!... O, nou lukt ’t
-niet! Nou wacht ’k—nou wacht ’k op ’m de heele nacht!....
-
-SACHEL (woest). Wacht niet—wacht niet—hij
-komt nièt!
-
-ROSE. Hij komt! Hij komt!
-
-SACHEL. Hij komt nièt.—’t Is wáár!
-
-ROSE. Zweer ’t! Zweer ’t Sachel!
-
-SACHEL. Laat me met rust slet van m’n zoon, slet die an me tàfel zat,
-slet die me bedrogen heeft, onder me eigen dak!
-
-ROSE. Zweer ’t, toe! ’k Geloof jóu. ’t Water is zoo dichtbij.... ’k Ben
-gèk, gèk.... drijf me ’r niet in met ’n leugen....
-
-SACHEL (heesch). Verdrink je voor mijn part! Mot ik je terughouen, ik,
-ik?
-
-ROSE. O, wees niet zoo wreed....
-
-SACHEL (woest). Alles is waar. En verdrink je nou! Jij—jij—jij je
-verdrinken!... Jouw sóórt, verdrinkt zich niet!
-
-ROSE. Dus hij komt niet terug?
-
-SACHEL. Nee! Vort!
-
-ROSE. Zweer ’t... Zweer bij de geboden op de post van je deur....
-
-SACHEL (legt vluchtig de hand op de mezoesos). ’k Zweer.—’k Zweer.—En
-nou wèg! Dat geld kan je krijgen.—Dat gèld....
-
-ROSE (versuft) ... Dan... dan... ja, dan... lieve Jezus....
-
-SACHEL (angstig). Waar ga je heen?...
-
-ROSE. Nergens.... nergens....
-
-SACHEL (schreeuwend). Niet bij ’t water kommen! Niet bij ’t water!...
-(zij springt in de gracht)... God! ’t Is niet waar, Rose! Rose! (bukt
-zich naar het water). Hier is m’n hand! ’n Stok! ’n Stok! Is ’r geen
-stok! Waar ben je? Antwoord dan! Hoor je me niet? O! O,
-godlief—godlief—O! O! (bonst op de deur van den buurman). Levi! Levi,
-doe open! Niemand thuis! (bukt opnieuw bij den walkant). Hier is m’n
-hand. Hier! Hier! Geef dan antwoord!... Hou je mond niet! God, God,
-laat ’r niet verdrinken. Rose!—Roòòòse!—O, geen geluid!... Geen enkel
-geluid!... (wankelt naar de bank voor den uitdragerswinkel).
-
-
-
-
-ZEVENDE TOONEEL.
-
-
-Sachel. Esther. Aaron.
-
-
-ESTHER. Is die meid wèg? Heb je die meid niet gezien?
-
-SACHEL. Die meid!... Die meid!... Wàt meid?
-
-ESTHER. Je maakt me schrikken! Wat scheelt je?—(tot Aaron). Mooie raad
-die je gegeven heb! Nou is ze vòrt...
-
-SACHEL. Zachies pratén. Zachies. Zachies.
-
-ESTHER. Je lijkt wel gék!... Wat mot je toch!...
-
-SACHEL. Laten we naar binnen gaan—naar binnen.
-
-AARON. Hij klappertandt—hij heit koorts...
-
-SACHEL. Dat lieg je!... Ik klappertand niet!... Ik, ik, ik.....
-
-ESTHER. Waarom gil je zoo?...
-
-SACHEL. Sust!
-
-ESTHER. Schei toch uit! Ben je ’n man of ’n kind?
-
-SACHEL. O! O!... Jullie motten bij me blijven—de heele avond—de heele
-nacht—me niet alleen laten! Kom nou.—Kom nou! De deur dicht. Stevig
-dicht. God-lief!
-
-
-
-
-ACHTSTE TOONEEL.
-
-
-Rafaël. Sachel. Esther. Aaron.
-
-
-RAFAËL. Wat gebeurt hier?
-
-ESTHER. Hij vraagt wat ’r gebeurt!...
-
-AARON. Durf jij dat vragen!...
-
-ESTHER. Vermoorden doe je ’m, die ouwe man! Kijk in wat ’n toestand je
-’m gebracht heb!
-
-AARON. Ben jij ’n zóón? ’n Ouwe blinde vader die je krankzinnig
-maakt!...
-
-SACHEL. Niet zoo hàrd praten!
-
-ESTHER. Steek dan je pooten uit en breng ’m naar binnen!
-
-RAFAËL. Kom vader!
-
-SACHEL. Weg jullie tuig!—Alleen m’n zóón. O, Rafaël, lieve jongen,
-goeie jongen! Wat motten jullie van me? ’k Ben ziek, ’k ben op. Laten
-we naar binnen gaan! Vóór Levi thuis komt. Weg jij!
-
-ESTHER. Hou je daar bij in! Dat mot je ànhooren!... Kindsch wordt-ie.
-
-RAFAËL. Wees stil! Zìe je niet dat-ie ziek is....
-
-ESTHER. Heb ìk ’r schuld an—jij, leeglooper!...
-
-AARON. ’k Zou háár nog verwijte!... Og, dat loopt de spuigaten uit!...
-
-ESTHER. Ziek? Ziek? Had ’m niet z’n kop gek gemaakt met die meid, met
-jouw slêt!...
-
-RAFAËL. Mijn slèt... Pas op! ’k Ben in geen stemming om je vuilheden an
-te hooren!...
-
-ESTHER. Mijn vuilheden? Mijn vuilheden?.... Ongeluk!... Daàr zit jouw
-werk! In je graf zal je nog geen minuut rust hebben—jij niet en die
-slet niet!...
-
-RAFAËL. Pas op!... Pas op!... Je kent me nog niet! Als je m’n vrouw met
-één woord beleedigt als ze daar thuis komt...
-
-ESTHER. ’k Lach om je dreigementen! Zijn vrouw! De meid die mijn vuil
-gereinigd heit! Zoek ’r! Ze is goddank vort... Met ’n fooi was ze af te
-koopen!...
-
-RAFAËL. Beest!...
-
-SACHEL. Niewaar! Niet gelooven, Rafaël. Ze liegt ’t...
-
-RAFAËL. Waar is ze dan?
-
-SACHEL. ’k Weet ’t niet! ’k Weet ’t niet! ’k Heb ’r niet gezien!
-
-RAFAËL. Waar heb je ’r heengezonden dat ze zoo lang wegblijft? Uren
-wacht ’k voor niks.
-
-ESTHER. Hij maakt zich bezorgd over dat krèng! (Gerucht).
-
-RAFAËL. Stil! (loopt op de gracht toe).
-
-SACHEL (schreeuwend). Niet bij ’t water!.....
-
-ESTHER. Schreeuw toch zoo niet.
-
-AARON. Ze kommen door de poort...
-
-SACHEL. O! O!
-
-
-
-
-NEGENDE TOONEEL.
-
-
-Sachel. Esther. Aaron. Rafaël. Bewoners.
-
-
-EEN BEWONER. We hebben ’n vrouw opgehaald...
-
-SACHEL. Weg ’r mee!
-
-RAFAËL. Rose!...
-
-EEN BEWONER. Ze lag voor de tralies van ’t riool bij ons... ’k Wou
-water scheppen...
-
-RAFAËL (tot Esther). Dat heb jij gedaan!...
-
-ESTHER. Ik? Zoo waar hoort me God...
-
-RAFAËL. Roep God niet an! Moordenaarster! Jij en hij!...
-
-ESTHER. Je ben krankzinnig!
-
-RAFAËL. O, m’n liefje, min hartje! Gòd, God, Gòd...
-
-ESTHER. Laat me los...
-
-RAFAËL. Zeg op! Zeg op!...
-
-ESTHER. Je breekt m’n pols, lafbek! (Bewoners rukken Rafaël los).
-
-RAFAËL. Jullie heb gelijk—gelijk.—Liefje, liefje! D’r haren—d’r mooie
-blonde haren—vol slijk!—En d’r oogen—d’r mond.—Kijk d’r mond!—Gestikt
-bij ’n riool—bij ’n riool! O, wat hebben jullie gedaan!
-
-AARON. As je naar rede wil luistere...
-
-RAFAËL. Naar rede? (razend). Schurftige moordenaar!.....
-
-SACHEL. Rafaël!...
-
-RAFAËL. Weg van me vader!...
-
-SACHEL. ’k Kon ’r niet tegenhouen...
-
-RAFAËL. Jij?... jij!...
-
-SACHEL. Rafaël!...
-
-RAFAËL. Dus—Dus—Ze was hier met jóú?
-
-SACHEL. O! O!...
-
-RAFAËL. Je was ’r bij?...
-
-SACHEL. Ja-ja...
-
-RAFAËL. ... Je heb ’t geweten!...
-
-SACHEL. Ik wou—Ik wou—O, m’n jongen.
-
-RAFAËL. En al die tijd—Je opwinding—En je heb je bék gehouen!...
-
-SACHEL. Godlief!
-
-RAFAËL. —Dus—dus—Jìj heb ’r in ’t water gejaagd, jíj!...
-
-SACHEL. O, o, m’n jongen!
-
-RAFAËL. —Je wou de deur grendelen—stevig grendelen—je wou—terwijl zij
-in die gracht lag, in die gracht van stinkend water—Breng ’m weg! Breng
-weg die kérel dat ’k ’m niet wùrg!...
-
-EEN GRIJSAARD.... Zoo mot je niet tekeer gaan tegen je ouwe, blinde
-vader!...
-
-RAFAËL. M’n vader! Hahaha!...
-
-ESTHER. Zelf ben je oorzaak. ’r Most ongeluk van kommen. ’n Jood met ’n
-christin!...
-
-AARON. Dat ’s de straf van Gòd...
-
-RAFAËL (smartelijk). God? Welke God, stumpers?
-
-EEN GRIJSAARD. De God van de joden...
-
-RAFAËL. Hahaha!—Van de joden!—Van de joden! O, hoon, hoon! Hoon van den
-waarachtigen God, die van geen grenzen weet! (neerzinkend) Rose,
-Rose....
-
-EEN BEWONER. ... Laten we ’r weer opnemen...
-
-RAFAËL. Blijf af!
-
-SACHEL. Rafaël! Rafaël!
-
-RAFAËL. Weg! Weg!... Niks heb ’k met jòù te maken!...
-
-EEN GRIJSAARD. ... Denk an je plichten als zóon...
-Wat gebeurd is—is gebeurd.
-
-RAFAËL. ... Plichten—Wat gebeurd is—is gebeurd—Plichten—(extatisch) O,
-’k hèb plichten, gróóte plichten, plichten opgelegd door den God dien
-jullie niet kennen en de christenen niet kennen—plichten, gróóte
-plichten. (hij verlaat het slop).
-
-SACHEL. Rafaël! Rafaël!
-
-
- EINDE VAN HET LAATSTE BEDRIJF.
-
-
-
-
-
-
-
-
- Amsterdam, 15 Sept.—9 Nov. 1898.
-
-
-
-
-
-
-
-
-BIJLAGE.
-
-Op de blz. 40 en 76 is een noot aangebracht. Die gezegden van Rafaël
-werden bij latere opvoeringen achterwege gelaten, na een
-correspondentie tusschen de „Nederlandsche Tooneelvereeniging” en den
-schrijver. Te curieus is de historie om haar onvermeld te laten:
-
-
- Amsterdam, 4 Januari 1899.
-
- Den WelEd. Heer
- Herm. Heijermans Jr.,
- Alhier.
-
- Geachte Heer!
-
- Ik ontving van den heer Franken, hoofdcommissaris van politie, een
- uitnoodiging om naar aanleiding der Ghetto-opvoeringen even bij hem
- te komen.
-
- Aan dat verzoek voldeed ik heden.
-
- De heer Franken wenschte in Uw stuk te doen wijzigen de gezegden
- van Rafaël op blz. 40 en 76. Ik wees hem er op, dat in geen der
- vijf voorstellingen, die plaats gehad hebben, deze gezegden tot
- eenige rustverstoring, zelfs niet tot gefluit aanleiding gegeven
- hebben en dat trouwens elke voorstelling een stijgend succes had.
- De heer Franken bleef evenwel in overweging geven, deze gezegden te
- verzachten of achterwege te laten, daar bij eventueel voorkomende
- wanordelijkheden de voorstelling onherroepelijk verboden zou
- worden.
-
- Wilt U mij even omgaand mededeelen of U de gewenschte wijzigingen
- wilt aanbrengen?
-
- Na beleefde groeten
- Hoogachtend,
- n. d. N. T. V.:
-
- Uw dr.,
- A. v. d. Horst,
-
-
-
-
- Amsterdam, 4 Januari 1899.
-
- Den WelEd. Heer
- A. v. d. Horst,
- President-Directeur der „Nederlandsche Tooneelvereeniging”,
- Alhier.
-
- Geachte Heer,
-
- Het doet mij genoegen dat de heer Franken, hoofdcommissaris van
- politie, wiens critische bekwaamheden op letterkundig terrein ik
- volkomen erken, zulke bescheiden wijzigingen verlangt. Ik ben het
- met U eens dat geen der drie gezegden eenig protest, laat staan
- „rustverstoring” ontlokte tijdens de 5 eerste voorstellingen. Om
- echter in Uw belang te voorkomen dat ’s heeren Franken’s inzichten
- zich plotseling mochten verwerkelijken—de wegen der politie zijn
- ondoorgrondelijk—zal ik morgenavond vóór de voorstelling dezen
- „Grober Unfug” verwijderen. Waarom zouden wij mijn litterairen
- collega Franken ’t pleiziertje misgunnen?
-
- Zeer de Uwe
- Herm. Heijermans Jr.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Meisje.—Bewerker.
-
-[2] Zie Bijlage.
-
-[3] Genesis 1:28: ‏פְּרוּ וּרְבִוּ וּמִלְאוּ אֶת־הָאָרֶץ‎.—Bewerker.
-
-[4] Gebedsriemen.—Bewerker.
-
-[5] ‏בְּרית מִלָה‎, besnijdenis.
-
-[6] Kerk.
-
-[7] Rissches: aanstoot.
-
-[8] Zie bijlage.
-
-[9] Gemeente.
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GHETTO ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.