diff options
Diffstat (limited to 'old/65535-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/65535-0.txt | 3598 |
1 files changed, 0 insertions, 3598 deletions
diff --git a/old/65535-0.txt b/old/65535-0.txt deleted file mode 100644 index e360d42..0000000 --- a/old/65535-0.txt +++ /dev/null @@ -1,3598 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Ghetto, by Herman Heijermans Jr. - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Ghetto - Burgerlijk Treurspel in 3 Bedrijven - -Author: Herman Heijermans Jr. - -Release Date: June 5, 2021 [eBook #65535] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: far Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book - was produced from scanned images of public domain material - from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GHETTO *** - - - - GHETTO. - BURGERLIJK TREURSPEL - in 3 Bedrijven - - DOOR - HERM. HEIJERMANS JR. - - AMSTERDAM.—S. L. VAN LOOY. - - 1899. - - - - - - - - -Voor de eerste maal opgevoerd door de „Nederlandsche -Tooneelvereeniging” te Amsterdam op Zaterdag 24 December 1898. - - DRAMATIS PERSONAE. - - Sachel. - Rafaël, zijn zoon. - Esther, zijn zuster. - Aaron. - Rebecca. - Rebbe Haëzer. - Rose. - Een jood. - Een bewoner. - Een grijsaard. - - Bewoners der Jodenwijk. - - - - - - - - -EERSTE BEDRIJF. - - -De bedompte uitdragerswinkel van Sachel. Het is avond. Er brandt een -kleine olielamp. - - - - -EERSTE TOONEEL. - - -Sachel. Rose. Een jood. - - -EEN JOOD. Goeienavond..... (knoopt een pak los). Warm. ’t Is om ’r bij -neer te vallen. Is Esther ’r niet? - -SACHEL. Esther is uit. - -EEN JOOD. Hoe wou jij dan helpen? - -SACHEL. Geef ’t maar hier. Ik zie beter met mijn handen dan jullie met -je oogen. (het goed betastend). Niks. Geen cent waard. Heelemaal niks. -Prullen. - -EEN JOOD. Geen cent waard? En Esther heit ’r me de vorige keer twee -gulden op gegeven! - -SACHEL. Twee gulden? Twee gulden! Daar had ik bij motten wezen! As ’k -tien stuiver geef is ’t al mooi. Allemaal versleten goed... - -EEN JOOD. As je kinderen ’r maar nooit gebrek an zullen hebben! Noem je -die jas versleten? Noem je die broek versleten? kan wel merken dat u ’r -geen kijk op heit. - -SACHEL. Ik vergis me niet. M’n vingers verstaan ’t. Die zién. Die zién. -De knoopsgaten zijn heelemaal uitgerafeld en wat heb ’k an ’n broek met -afgetrapte randen? - -EEN JOOD. Noem u dat uitgerafeld? Noem u dat afgetrapt? Was uw zuster -maar hier! Wat doe ’k met al die redeneering! - -SACHEL. Rose—kom is hier. Bekijk die jas is bij de lamp. Heb ’k recht -as ’k zeg dat-ie versleten is? - -ROSE. (De jas bekijkend). Mooi is-ie niet. Maar zoo erg versleten, zoo -héel erg.... - -SACHEL. (nijdig.) Wat niet versleten! Ben jij blind? Houen jullie me -voor de gek! Had ik me óógen, dan had ik jou niet noodig, jou niet, -niemand niet! Is ’t niet ongelukkig genoeg dat ’k blind ben? An me -vijanden ben ik overgeleverd. Nou staan ze mekaar an te kijken of ’k ’t -zoo zie! Dievetuig! Maar bestelen laat ik me niet! Nog niet voor ’n -cent! Geef hier die jas! (betastend). De knoopsgaten zijn kapot.... -Hier is ’n heele plek waar de wol ’r af is.... En de voering.... de -voering.... kijk die gescheurde voering!.... En zoo’n stomme os ziet -niks, wil niet zien!... Geven we je daarvoor te vrèten dat je mijn in -me zak liegt! - -ROSE. Ik lieg niet.... - -SACHEL. Jij liegt! Jullie liegt allemaal! - -EEN JOOD. Wat doe ’k met al dat geklets! Maakt Esther ooit zoo’n -spektakel? Geef me honderdvijftig centen en ’t is uit! - -SACHEL. ’n Daalder? ’n Cent ’n kwaje dag meer as vier kwartjes. - -EEN JOOD. Vier kwartjes? Dank je wel! Dan pak ’k ’t weer in. - -SACHEL. Ga je gang! Ik zal me geld in ’t water gooien! ’k Kom ’r ook -niet met stelen an.... - -EEN JOOD. Nou, laten we zeggen vijf kwartjes. Ik heb ’t hard noodig, me -vrouw is ziek. Anders kreeg je ’t nog voor geen drie gulden.... - -SACHEL. Al was je heele familie ziek ik geef niet meer as vier -kwartjes. Vodden! Vuiligheid! Voor mijn part neem je ’t weer mee. ’t -Zal me zorg zijn! Vraag wat ’t mijn hindert. Wat begin ik nou! - -EEN JOOD. Ik heb al m’n levensdagen nog nooit zoo’n hond gezien—weigert -’n kwartje meer voor ’n zieke vrouw (inpakkend). Dan breng ’k ’t naar -Levi! Die heit nog ’n beetje meelijden met ’n ongelukkig mensch! - -SACHEL. Me zorg. Laat Levi z’n heil d’r in zien. Zoo’n rommel zal me -afgestolen worden! - -EEN JOOD. In Godsnaam! Og wat ’n uitzuiger! - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Sachel. Rose. - - -SACHEL (snauwend). Haast je ’n beetje dat je klaar komt! Stommeling! Te -beroerd om voor de duvel te dansen! Je had toch kunnen hélpen met te -zeggen dat ’t niks waard was! Je vreet ’r toch van mee! As ik ’n -jódenmeid had—die—die zou léeper zijn. - -ROSE (schuw). Als ’k ’n jodin was had ’k ook moeten zeggen dat de jas -zoo slecht niet was. - -SACHEL. Wàt moeten? Wie vraagt je wat? Wie, hè? Hè? - -ROSE. Ik lieg niet.... Dat doe ’k niet.... - -SACHEL. Hou je bek! As je tien jaar bij me ben, begrijp je nòg niks! ’t -Zit niet in jùllie kop. ’t Is er niet in te gieten. Wat draai je nou? -Je heb niet noodig in die hoek... Wat scharrel je? - -ROSE. Ik veeg ’t vuil bij mekaar. - -SACHEL. Jij veegt? Jij veegt? Luilakken doe je, tijd vermorsen, -dagdieven!—’n Goeie jas, ’n kostelijke jas.—Ongeluk brengen jullie an. -Geen haar zegen. Schiet op! Sta me niet an te kijken! (Stilzwijgen). -Was jij op van nacht? - -ROSE. Nee! - -SACHEL. Waarom schrik je? - -ROSE. Ik schrik niet. - -SACHEL. Leugen! Leugen! Wát dee je op? - -ROSE. Ik ben niet op geweest. - -SACHEL. Ik heb ’t gehoord. De klok had geslagen. Je liep op je kousen, -op de trap, in de gang. - -ROSE (schuw). Niet waar..... Ik heb geslapen, ben ’t bed niet uit -geweest. - -SACHEL. Je liegt! Ik heb hóóren loopen. - -ROSE. Ik niet.... Ik niet.... - -SACHEL. Je deur heeft gekraakt—je ben in de gang geweest en de trap af -tot an de deur van de winkel.—Die was op slot. Diè was op slot! Wat woù -je? Ik laat me niet bestelen. As ’k iets mis al is ’t de knop van ’n -speld, dan, dàn, dàn ben je ’r bij, dan ben j’r voor jàren bij—versta -je.... - -ROSE. .... Ik bèn niet opgeweest. - -SACHEL. Kom hier! Heelemaal hier. Dichter bij. Nog dichter. Waar is je -hand? Zoo. Zeg ’t nou nòg is! - -ROSE (angstig). Ik ben niet opgeweest! Waarachtig niet. Geen oogenblik. -Ik heb.... - -SACHEL. Je liegt! Je hand beeft! Tuig! Tuig! Maar ik lèt op je. Geen -beweging maak je, of ’k zie ’t. En as ’k je snap, laat ’k je ’r uit -slèpen of ’k zal geen gezond uur meer hebben! - -ROSE (voortwerkend). Ik zou niet weten, waarom ik op zou staan—wàt ’k -in de winkel zou noodig hebben. - -SACHEL. Jij zou niet weten! Jij! Bij tijjen willen jullie me doen -gelooven, dat ’k gek ben, heet je liegen wat m’n óoren zien! Dat God -jullie straffe met mijn straf, dat jullie oogen wegkwijnen zooas de -mijne weggekwijnd zijn, dat jullie zoeken in die verdomde nacht, zooas -ik zoek elk uur, elken dag! Het is om te huilen! Het is om je handen te -heffen tegen God—altijd nacht en vijanden om je heen, vijanden die je -niet zièt, vijanden die zich niet hoeven te verbergen, vijanden die -spotten zonder dat je d’r spot ziet, vijanden die lachen zonder dat je -d’r lach ziet, vijanden die je vóélt, hier, daar, overal, vijanden met -stemmen, waarin de leugen gevreten ligt... - -ROSE. .... Ik ben geen vijand. - -SACHEL. Ik ken jou niet, weet niet wie jij ben. Nooit zag ik je -gezicht, nooit je oogen. Pas heb je tegen me samen gespannen met die -kleeren, misschien wat van ’m angenomen! Je stond zoo dicht bij ’m..... - -ROSE. Nee! Niewaar! - -SACHEL. En vannacht heb ’k je hóóren loopen. Wat dee je? Wat wou je? Je -hàd niet op te zijn. Wat dee je op de trap en benejen? Daar denk ik -over, daar tob ’k over òmdat je liegt. Nòu zit ’r wat achter. As je -gezegd had: ik wàs op, ik was ziek—dan—had ’k je geloofd, was ’t uit -geweest, heelemaal uit. Maar je wil me wijsmaken dat ’k niks gehoord -heb! Ik niks hooren! Ik, die op m’n ooren leef! - -ROSE (aarzelend). Ik was ziek—vannacht. - -SACHEL. Dus je wàs op. - -ROSE. Ik was.... - -SACHEL. Waaróm zeg je dat noù pas? - -ROSE. Ik weet ’t niet. Ik was bang. - -SACHEL. Bang voor wàt? - -ROSE. Bang voor.... Bang voor.... Ik kan me niet bewegen of ’k wor -afgesnauwd.... Ik durf niks meer zeggen... Ik was bang—omdat ’k dacht -je wakker gemaakt te hebben. - -SACHEL. Zoo. Zoo. Maar de tràp. Wat dee je op de trap? - -ROSE. Dat herinner ’k me niet.... - -SACHEL. Ik vertrouw jou niet... Jij ben ’s nachts nooit ziek.... En je -liegen, je verdomde liegen.... Je kon wel ’n ànder plan gehad hebben... - -ROSE. ’n Plan?.... - -SACHEL. Praat niet zoo onnoozel! Wie zegt me dat je niet stelen wou? -(Stilzwijgen). Nou? Zeg je niks? - -ROSE. Wàt moet ’k zeggen? - -SACHEL. Zoo. Zoo. Ze houdt d’r mond. Dan weet ze dat ’k héélemaal in ’t -donker zit.—Nou? Nou? - -ROSE. Ik heb niks te zeggen. ’t Is te geméén om zoo iets te denken. - -SACHEL. Te gemeen? Te gemeen! Gemeen is ’n ouwe man bedriegen en -beliegen. - -ROSE. Dat heb ’k nooit gedaan. - -SACHEL. Ik vertrouw jullie niet, me zuster niet, me zoon niet, niemand -niet! Tuig, allemaal tuig! - - - - -DERDE TOONEEL. - - -Sachel. Rose. Esther. - - -ESTHER. Wat schreeuwt-ie nou weer? Je ben op ’n uur afstand te hooren. -De buren motten wat van ons denken.... - -SACHEL. De buren! De buren! Wat gaan mijn de buren an! - -ESTHER. Wat hem de buren angaan? Nee, wat zeg je me daàr van? Wat hèm -de buren angaan?... ’k Zou zegge dat ze je niks angaan! Og, is me dàt -’n spektakel! Lastige ouwe man! ’t Verstand komt ook niet met je jaren! - -SACHEL. Jullie zijn me haast kwijt. Je heb zoo lang niet meer last van -me! - -ESTHER. Wie legt je wat in de weg! Wie doet je wat? Jij schreeuwt maar. -Jij schreeuwt ’t heele huis bij mekaar. As je dan schreeuwt, schreeuw -dan met reden. - -SACHEL. Met rèden? Dùizende redene heb ’k. Was daar niet ’n koopman -hier met ’n partijtje negotie en jaagt zoo’n stomme meid ’m de deur -niet uit? Blijf jij daar kalm bij. Zeg jij dan niks! - -ESTHER. Wat heit zij d’r van noodig? - -SACHEL. As ’k ’r vraag om ’t bij de lamp te bekijken, zeit ze dat ’t -zoo slecht niet is—as ze pas heit hoore zeggen dat de franje ’r bij -hangt. - -ROSE. Ik wist niet beter. - -ESTHER. En às ze ’t gedaan heit, lastige ouwe, dee ze ’t toch niet met -opzet? Wor je arm van eén partijtje? In gosnaam stràkkies wat anders! -Hóe kan ’n blinde zich zóo te doen maken? Wat schiet je ’r mee op? - -SACHEL. .... Pràte jullie maar.... Ik voel wat ik voel. Ik heb ’t bij -mekaar geschraapt uit hoeken en gaten. Krom heb ’k gelegen voor die -paar centen. Me vrouw zaliger, diè, dié, heit me gehòlpen tot an d’r -sterfbed. Jùllie verstaan de handel niet. ’n Zoon die nooit bij de -affaire is, ’n zuster die álles te duur inkoopt, as ’k ’r niet bij zit, -as ’k niet elke rooie duit met tàngen vasthou! Bloed zweet ’k! - -ESTHER. Zweet wat anders! Hij zweet bloed! Zweet geen bloed, nar! Alles -komt terecht as je maar niet lastig ben—Doe de luiken voor de ramen, -Roos. - -SACHEL. Zij niet. Dat mot jij doen of Rafaël. Zij verstaat ’t niet. - -ESTHER. Verstaat zij ’t niet? Doet ze ’t niet èlke avond? Wat mankeert -je toch? Ga maar je gang, Roos. - -SACHEL. Zij niet! Zij niet! As ze de pennen vergeet. - -ESTHER. Die vergeet ze toch nooit! - -SACHEL. Stoor je niet an me! Groot gelijk. Tot ’t te laat is. - -ESTHER. God allemachtig—wat heit die man ’t van avond op z’n heupen. -(Rose doet de luiken voor). D’r komt zeker onweer los met die warmte. -Ik heb ’t hòndswarm. Zouen we niet beter doen voor de deur ’n luchie te -scheppen? - -SACHEL. Dank jou voor je luchie. Ik heb ijskouwe voeten. - -ESTHER. IJskouwe voeten? Hoe is ’t mogelijk? Hoe komt iemand an -ijskouwe voeten? D’r hangt ’n lucht om te stikken. Ik zweet me dood. -(gaat bij de onderdeur zitten). - -SACHEL. Heb je gekeken of de pennen.... - -ESTHER. Maak je maar niet ongerust. Alles komt in orde. - -SACHEL. Op ’t linkerraam zit-ie nog niet. - -ESTHER. Ze zal ’m ’r wel opdoen.... - -SACHEL. Ben je bij Abram geweest? - -ESTHER. ’n Loop voor niks! Hij had de heele boel verkocht. Vanmiddag -al. - -SACHEL. Was Rafaël ’r dan niet geweest? - -ESTHER. Rafaël? Rafaël? As-diè wat belooft, komt ’r toch niks van! Was -’r heelemaal niet geweest! Je mot ’t van je kinderen hebben. ’t Geeft -me wonder dat-ie nog thuis komt eten. ’k Zal z’n eten op de stoep -zetten, dan hoeft-ie niet binnen te kommen. - -SACHEL. Had ’r zelf heengegaan van morgen!.... ’n Heele partij goed -naar de maan! - -ESTHER. Og, wat zal ’k antwoord geven op jouw gezanik! Mot ik jóuw zoon -achterna loopen? ’k Heb niet genog te doen! Kan ik helpe dat-ie te lui -is om ’n voet te verzetten? Zoo’n leeglooper! As-die eenmaal belooft om -bij Abram an te gaan, kan ik dan ruike dat-ie niet gaat? ’k Zal ’m an -’n handje nemen! ’k Zal ’m op me arm d’r naar toe dragen! Wat zegje me -daàr van! - -SACHEL. Met al jouw gesmoes—de pen is nog niet op ’t raam... - -ESTHER. Wat wil die man toch van avond van die pen! Ze halen hier niks -weg. En mijn zeker niet, want ik eet te veel. En as ze jou stelen -brengen ze je over ’n uur terug. Je ben te lastig. Ben je klaar, Roos? - -ROSE. Alles is klaar. Heb u mij nog noodig? - -ESTHER. Zet water op voor de koffie. En kom ook ’n luchie scheppen. ’t -Is om te bezwijken. En... en... geef me broer ’n heete stoof voor z’n -kouwe voeten! - -SACHEL. Spot maar! Spot met ’n blind man! Ik ben nog niet genoeg -bezocht! - -ESTHER. Daar heb je me waarachtig Aaron! Wat doe jij hier? - - - - -VIERDE TOONEEL. - - -Aaron. Esther. Sachel. Rose. - - -AARON. Wat ik hier doe? ’k Heb ’n beetje handel. - -ESTHER. Mot je daarvoor zoo laat kommen? ’t Is kinderen-bedtijd. - -AARON. Kinderenbedtijd? Noem je tien uur kinderenbedtijd? Voor handel -is ’t nooit te laat. Al wou ’k in de nacht kommen! Wat zeg jij, Sachel? -Ik zal ’t nooit vergeten, toen we jong waren, dreven we in ’t hartje -van de nacht nòg handel. En wat ’n gezegende tijd. Weet je Sachel met -die verkooping van de marine, hoe we om vier uur ’s morgens opzaten met -Jozef en Meyer? Toen konden we zeggen: we hebben ’n paar centen -verdiend—kwamen we met ’n stuk geld thuis. Nou is de handel gedaan. Ze -weten nie-meer wat handel is! ’t Wordt armoe troef. - -ESTHER. Beklaag je! Klagers hebben geen nood. Je kan nog ’n boel van je -vet verliezen vóor je mager wordt. - -AARON. Waar staat geschreven dat ’k me vet mot verliezen? (tot Sachel) -’k Heb ’n partijtje afval van wol. - -SACHEL. Afval van wol? Niks voor mijn. - -AARON. Niks voor jou? Hij weet nog niet eens wat ’t is! ’k Heb ’n -monstertje meegebracht. ’t Laat zich aardig fijn voelen. - -SACHEL. Niks voor mijn. D’r loopt ’n katoenen draad door! Hoor hoe ’t -kraakt as je ’t scheurt. - -AARON. Maak mijn wat wijs. Geen krummel katoenen draad! Wat zeg jij, -Esther? - -ESTHER. Geen katoenen draad? Noem je dàt wol? En dat? - -AARON. Is dat katoen? Je heb ’r geen verstand van! Dat noemt zij -katoen! Kijk hoe ’t brandt! Ruikt dat na wol of na katoen? Je zal mijn -wat opdringen! Nog geen pietsie zit ’r in! De fijnste wol! Over de -heele wereld vin je zoo’n fijne wol niet! - -SACHEL. Hij maakt zich druk! Voor wie maak jij je druk? Toen ’k ’n kind -van twee jaar was, wist ’k ’t onderscheid! Engelsch laken, anders niks! - -AARON. Engelsch laken? Zoo zal jij gelukkig blijven en ik ’n goeie week -hebbe as dat Engelsch laken is! - -ESTHER. Heb je niks anders....? - -AARON. Is dàt dan niks? ’k Heb ’r ’n heele partij van—over de twintig -pakken. Pracht van ’n goed. Reusachtig. - -SACHEL. Niks voor mijn. - -(Rose op met koffie). - -ESTHER. Wi-je ’n bakkie koffie, Aaron? - -AARON. Geef me ’n kommetje. - -ESTHER. En ’n boterkoekie? Eigen gebak. - -AARON. Geef me ’n brokkie. - -(Rose gaat bij de open deur zitten). - -ESTHER. Smaakt ze? ’k Heb ’r anderhalf pond boter in. - -AARON. Z’is ook aardig fijn. ’t Is of me dochter Rebecca ’r geen slag -van kan krijgen. Je heb ’n goeie hand van suiker. Rebecca maakt ze te -zoet of heelemaal geen suiker. En altijd half gaar. Nooit zal ze zoo -knappen as jouw koek.—Nou, hoe is ’t, kunnen we handelen? - -SACHEL. Hoeveel mot je ’r voor hebben? - -AARON. Zeg jij wat ze jou waard is. - -SACHEL. Ik doe geen bod. Jij kan beter vragen dan ik biejen. - -ESTHER. Ach, wat motten wij ’r mee doen? Wat heb je ’r an?—Is je -dochter Rebecca al beter? - -AARON. Zoo gezond as ’n visch. Ze mankeert niks meer. Is Rafaël niet -thuis? - -SACHEL. Natuurlijk bij de weg. - -AARON. Heit-ie ongelijk? Wat heit-ie hier? Wat mot zoo’n jonge jongen -altijd thuis zitten? - -SACHEL. Wat had ìk toen ’k jong was? Wat had jìj toen je jong was? Op -’n klein kamertje woonde ’k met vijf broertjes en zussies en me ouwers -en me grootmoeder. Gebrek en honger heb ’k gelejen. Gevòchten hebben we -om ’n korst brood. Op ’n morgen ben ’k wakker geworden—met z’n vieren -sliepen we op de grond—en—en ’n zussie lag dood naast me. Ik zal ’t -nooit vergeten—ik pakte d’r hand—ijskoud was die. Dat voel ’k nòg! Van -gebrek is me grootmoeder gestorven. In éen jaar zijn ’r drié kinderen -begraven. Ik heb wat meegemaakt. ’t Is ’n wonder dat ’k nog léef, dat -Esther nog leeft.... Wat heit zich mijn zoon te beklàgen? Die kent geen -gebrek. Die kent geen zorg. De tijd is veranderd. Zoo vrij as ’n -christen loopt-ie door de stad, komt op allemaal plaatsen waarvan ik -nooit gedroomd heb, waar wij joden, vroeger, ons niet konden vertoonen. -’n Halve christen is-ie geworden. Ik beleef niet veel vreugd an me -zoon. Soms lijkt ’t of ’k heelemaal geen kind heb. - -AARON. Je mot ’t zoo zwaar niet nemen. Jeugd, niks dan jeugd. As-ie -maar eenmaal ’n mèissie heit. - -ESTHER. Dat zeg ’k zoo dikwels. Maar hij kijkt niet naar meissies. - -AARON. Dan motten júllie voor hèm kijken.—Nou, doen we handel? Wat is -’t je waard? - -SACHEL. Waard is ’t me niks. Maar as ’k je ’r ’n plezier mee doe.... - -AARON. Ja, je bewijst me daar ’n dienst! Overal kan ’k ’t kwijt. - -SACHEL. Nou, dan niet. In Godsnaam! - -ESTHER. Wi-je nog ’n kommetje? - -AARON. As je heb. - -ESTHER. Nog wel tien. - -SACHEL. Wat blijft-ie uit! - -AARON. Wie? - -SACHEL. Hij.... - -AARON. Voor wat maak je je ongerust? ’t Is geen kind! Hij loopt in geen -zeven slooten tegelijk. - -SACHEL. Vanmorgen zou-die bij Abram angaan... Bij Abram is-ie niet -geweest. De heele dag heb ’k ’m niet gezien. As ’m maar niks overkommen -is. - -ESTHER. D’r overkomt ’m wat! ’n Luilak! ’n Niksnut! - -AARON. As-die maar eerst tróúwt. - -ESTHER. Heb jij ’n meissie voor ’m an de hand? - -AARON. D’r zijn ’r zoo’n boel. ’n Knappe jongen die centen anbrengt. - -SACHEL. Centen? Centen? Ik klee me niet uit voor ’k naar bed ga. - -AARON. Wat doet dat ’r toe? Rafaël is je eenige zoon. En je zal ’m toch -wel wàt meegeven? - -SACHEL. As ’t meisje wat meebrengt.... Ik heb niet me heele leven -gewerkt voor ’n vreemde.... Ik geef ’n andermans kind niet te eten. - -AARON. Hij mot trouwen. - -ESTHER. Ja—as die getrouwd is.... - -SACHEL. Trouwen? Met wie? Van mijn zaak kunnen geen twee gezinnen -leven. De verdiensten leveren tegenwoordig nog al wat op! Ik zou wel -willen dat-ie trouwde. Maar ’t meissie mot minstens vijfduizend gulden -meebrengen. Geen cent minder. - -AARON. Vijfduizend gulden! ’n Bagatel! Vijfduizend gulden! Mot ’n ander -zich voor jóú uitkleejen? Wie geeft ’n meissie vijfduizend gulden mee? -’t Is daar ’n prinses! Jouw zoon is toch ook geen graaf? Hij durft! Wat -’n brutaaligheid! - -ESTHER. Om wat maak jij je kwaad? ’t Is toch maar bij wijze van -spreken? - -SACHEL. En ’k doe ’t geen cént minder dan vijfduizend! En as ze maar ’n -kleinigheid mankeert, mot ze mèer inbrengen! - -AARON. Dat kan ’k nou niet uitstaan! Hij vraagt maar! En as ’r nou is -iemand zoo gek is om z’n dochter zoo’n kapitaal mee te geven, wat -krijgt jouw zoon dan? - -SACHEL. Mijn zoon geef ’k niks. Die zit in de zaak. - -AARON. Wat zeg je me daarvan? Hij wil zich niet uitkleejen voor die -naar bed toe gaat en ’n ander zet-ie ’t mes op de keel. Wat ’n onzin! -Dat gààt niet. Jij alles en ’n ander niks! - -SACHEL. Waar bemoei jij je mee? Vraag ik jou wat? - -AARON. Nou—nee! ’t Zal mijn me zorg zijn. Nou, doe je ’n bod op de wol? -Zoo’n fijne partij zie je in geen jaren terug. Voel wat ’n goed! - -SACHEL. Jij weet beter wat ’t jou ingekocht kost. - -AARON. Esther—zeg jij ’t. - -ESTHER. Ik? God zal me beware! Ik zeg niks. - -AARON. Zij zegt niks. Hij zegt niks. Zoo kommen we ’n boel verder. Wil -je de heele partij in de roest? - -SACHEL. Ik zou je danken. - -AARON. Wat is ’t je dan waard? - -SACHEL. Ik geef je twee gulden de honderd kilo. - -AARON. Daar heb ’k jou voor noodig! Dank je wel! ’k Ben ’r met stelen -an gekommen! Omdat ’r ’n klein stukkie Engelsch doorloopt kan je ’t -krijgen voor vier. - -SACHEL. Néé! Je wor bedankt. Voor vier kan je ’t van mijn krijgen. - -AARON. Dan niet!—Wat is ’t kolossaal heet, hè? En die koffie maakt je -zoo warm. Geef mijn nog ’n brokkie van je koek. - -ESTHER. Je schijnt ze te lusten. - -AARON. Hoe is ’t nou mogelijk dat mijn Rebecca ze nooit goed maakt en -anders mot je d’r zien!—Wat doe je ’r allemaal in? - -ESTHER. Laat Rebecca maar is hier kommen, zal ’k ’t ’r wel leeren. Wat -zal ’k ’t joù zeggen? Je heb ’r tòch geen verstand van. ’n Goed meissie -is ’t, ’n goed meissie, je dochter. Waarachtig ik hou van ’r. - -AARON. Dat zal waar wezen. De man die d’r trouwt heit ’n huisvrouw an -d’r. Ze kan van alles, van alles! Met recht wat d’r oogen zien, kennen -d’r handen. Je kan ’t zoo gek niet prakkizeeren of ze verstaat ’t. Ze -wascht, ze plast, ze kookt, ze smookt! En piender in de winkel! -Reusachtig. D’r is geen vrouw die ’t ’r verbetert! Precies me vrouw -zaliger. Tot d’r eigen japonnen maakt ze. En je mot ’r zien schrijven! -Kolossaal. ’n Rijkeluiskind doet ’t ’r niet na. - -SACHEL. Da’s allemaal mooi. Maar as ze geen geld heit blijft ze tòch -zitten. - -AARON. Geen geld? Geen geld? Je zal ’t èlk jaar overleggen wat ’k ’r -mee geef. - -SACHEL. En wat kan jij ’r nou meegeven? Elke som geld heb je noodig -voor je eigen zaak. - -AARON. Nou—drie bankies van duizend heb ’k altijd voor d’r over. (Een -stilzwijgen). - -ESTHER. Puf! Wat is ’t heet! Kwam ’r maar ’n tochie! Verbeel je: hij -heit ijskouwe voeten! - -AARON. Zal van ’t stilzitten kommen. - -SACHEL. Drie bankies van duizend. Driè bankies..... Denk jij dat daar -’n rèchtschapen man voor komt? - -AARON. (driftig). En denk jij dat ’n vrouw met vijfduizend gulden voor -jóuw zoon klaar staat? - -SACHEL. ’t Most mijn zoon niet overkommen ’n vrouw te nemen met -drieduizend gulden! - -AARON. En wie praat ’r van jóuw zoon?—Ik geef mijn dochter drieduizend -en ’n uitzet van alles twaalf. ’k Hoef me hand niet om te draaien of an -elke vinger heit ze d’r tien. Ze is maar niet knap. ’n Aardig figuur en -d’r oogen! Oogen as ’n paar sterren. Geregeld ’n christen dame. Je mot -’r zien as ze angekleed is. Denken ze allemaal: ’t Is ’n fransche -vrouw! - -ESTHER. Ja dat weet ik—’t is ’n engel. Ik heb ’t al zoo lang gezeid. - -AARON. Nou, geef je drie gulden? Voor drie gulden heb je ’n koopie, -verlies ’k ’r de helft an. - -SACHEL. ’k Denk ’r niet an. Wat ’k gezeid heb. - -AARON. Dan doen we geen zaken—Waar blijft nou die Rafaël? - -SACHEL. God weet waar die zit. - -ESTHER. Rebecca zou ’n tof meissie voor ’m zijn. - -AARON. Ik geef geen vijfduizend gulden. - -SACHEL. Jij geeft geen vijfduizend gulden en ik geef me zoon niet. - -AARON. Hij geeft z’n zoon niet! Die is goed! Heb ik joù wat gevraagd? - -SACHEL (nijdig). Heb ik wat met joùw dochter -noodig? - -AARON. Mijn dochter! Mijn dochter daar ben ’k trotsch op! D’r naam mag -ik noemen! - -SACHEL (nijdig). Wat heb ik an al die praatjes! Doe jij met je dochter -wat jij wil! Vraag ìk joù om raad? - -AARON (nijdig). Maakt ’n drukte van z’n zoon! ’n Jongen die te lui is -om z’n pooten op te tillen, slentert de heele dag bij de weg! - -SACHEL. Geef jij ’m te eten? Heb jij d’r last van? - -AARON. En voor zóó’n jongen maakt-ie ’n bereddering van belang! - -ESTHER. Jullie lijken wel gek! Voor wàt maak je je warm? Is ’t niet -warm genog? Wat ’n onzin! Overleggen jullie kàlm. Wat ’n gekheid om je -zoo op te winden! Rebecca is ’n gezegend meissie, Rafaël ’n goeie -jongen, maar mot ’n flinke vrouw hebben, die ’m leidt. Redeneeren -jullie verstandig. ’t Geld komt in orde. Sachel is zoo kwaad niet -as-die d’r uitziet. ’t Geeft wat duizend gulden meer of minder, ’t komt -toch allemaal làter terecht? - -SACHEL. Zij gééft! Wie geeft joù? Gooit met duizend gulden of ’t daar -niks is! - -ESTHER. Dwarskop, wat maak je je de sappel? As jij je eenige zoon an -zijn eenige dochter geeft, blijft ’t toch in de fàmilie? - -SACHEL. En ik geef nou ’n andermanskind niet te eten! - -AARON. Wat zeg je me van zoo’n stijfkop, van zoo’n geweldenaar! - -ESTHER. Laat ’m maar gaan, ’t komt wel in orde. Ik mot je eerlijk -bekennen: beter meissie weet ’k niet voor ’m. Nou is Sachel ’r tegen en -morgen dankt-ie God dat-ie ’t gedaan heit. Laat-ie ’r maar eerst over -slàpen. Ik ken ’m. - -SACHEL. Dat kan je begrijpen! D’r komt hier geen schoondochter onder de -vijfduizend gulden over de vloer!.... - -ESTHER. Weet je wat je doet, deel ’t verschil! - -AARON. Dank je. Geen cent meer of minder. Drie duizend gulden en van -alles twaalf. Wat zal ’k meer geven? ’t Is toch voor ’n begin? As ’k -sterf krijgt ze toch àlles? - -ESTHER. Ik weet goeie raad: nemen jullie ’t ’n paar dagen in handen en -zeg dan ja of nee. - -SACHEL. Bedenken kost niks—maar ik doe ’t tòch niet. - -ESTHER (knipoogend tegen Aaron). Laat maar gaan! As ik je nou zeg: ’t -komt in orde. - -AARON. Goed. Mijn goed. Dan tot overmorgen. Nou, de wol wil je niet -hebben? - -SACHEL. Voor de prijs die ’k genoemd heb. - -AARON. ’k Smijt ze nog net zoo lief in ’t water! Men kan met jou -tegenswoordig niet meer handele! Doe ’r vijftig centen bij en ze is -voor jou. - -SACHEL. Geen cent! - -ESTHER. Praten jullie daar nou ook overmorgen over. As ’t eene in orde -komt, komt ’t andere vanzelf in orde. ’t Is nou toch zoo laat! - -AARON. Nou, goeien avond dan. Misschien ben je later beter te spreken. - -SACHEL. Goeien avond. - -ESTHER. Pas op val niet! Denk an ’t stoepie. - - - - -VIJFDE TOONEEL. - - -Esther. Sachel. Rose. - - -SACHEL. D’r komt niks van. Geen zier. ’k Heb ’m noódig! Og! - -ESTHER. ’t Mot toch éens gebeure? Wat wil je meer? ’t Is ’n knap -meissie, ’t is ’n mooi meissie. - -SACHEL. En ik doe ’t niet. ’k Heb me heele leven lang de boel niet bij -mekaar motten schràpen voor niks! ’k Heb de tijd! - -ESTHER. Jij heb de tijd—jij ’n man op jaren? As je God-beware wat -overkomt, weet je heelemaal niet wat-je krijgt. - -SACHEL. Overkomt? Overkomt? Ik ga nog niet dood. Ik denk ’r niet an. - -ESTHER. Veel kan je zeggen. Je ben elk oogenblik in God’s hand. Wie -weet ’t eene uur wat ’t andere gebeurt. - -SACHEL (vinnig). Daar wil ik niet over hooren. Hou je mond. Beschrie me -niet! Ik ga nog niet dood. Waarom zou ’k dood gaan! Waarom? Je zou ’t -wel willen, wat? Dan kon je doen en laten wat je wou. Dan had je de -beschikking over alles. Dan kon je met ’t geld smijten, mijn geld, mijn -gèld! Wat hebben jullie ’r voor gedaan? Niks! Doodvreters zijn jullie, -jij, hij, allemaal! - -ESTHER. Wat win je je nou weer op? Wie legt je ’n stroo in de weg. - -SACHEL (kort). Praat dan niet van dood! Je maakt me niet bang. Ik bèn -niet bang. Ik overleef jullie allemaal! - -ESTHER. Zooveel te beter. Voor mijn part honderd jaar. Wat ben je weer -làstig! Roos neem de koffieboel mee. Hoor je niet? - -ROSE. Ja, ja. Hier ben ’k. - -ESTHER. Wat heb jij ’n rooie oogen. Heb je gehuild? - -ROSE. Ik? Nee. Hoe kom u ’r op? - -ESTHER. Heb jij nièt gehuild? Heb jij niet gehuild? - -ROSE. Nee. Verbeelding. - -ESTHER. Je mot ’t zelf weten. Ga naar je bed. - -SACHEL. Heb je de pennen op de luiken gedaan? Nou? Nou? - -ESTHER. Wat snauw je toch? De pennen zitten ’r op. Ga ’t zelf voelen as -je ’t niet gelooft. - - (Rose af). - -SACHEL. Dat zal ik ook. Ik heb ’r m’n reden voor. Vannacht heb ’k -iemand hooren loopen. - -ESTHER. Ik ook! En mot je dààrom die sjikse [1] zoo wantrouwen? Rafaël -is op geweest. - -SACHEL. Niet waar! Niet waar! Die meid was op! - -ESTHER. Alles weisz me scheintje! ’k Zal je maar laten praten. Wat zal -’k me nog langer moeilijk maken met jou! - - - - -ZESDE TOONEEL. - - -Rafaël. Esther. Sachel. Rose. - - -RAFAËL. Goeien avond.—Ik zeg goeien avond. - -SACHEL. Dat hoor ik. Zeg liever, goeien nacht! - -ESTHER. Goeien avond! Meneer zeit goeien avond. ’t Lijkt hier ’n -kosthuis! Meneer doet ons de éér an om te kommen slapen! - -RAFAËL. Ik heb me verlaat. Ben je ongerust geweest, vàder? Vader? Hoor -je me niet? Kun je geen antwoord geven? Ook goed. - -ESTHER. Gelijk heit-ie dat-ie z’n mond houdt. Van mijn kreeg je ook -geen boe noch ba. Wat ben jìj voor ’n zoon? Zou bij Abram angaan—is -niet bij Abram geweest! Je most mijn zoon wezen! - -SACHEL. Waar heb jij uitgehangen? - -RAFAËL (verstrooid). Wat doet ’t ’r toe? ’k Heb dat van Abram vergéten. -’t Spijt me. Met opzet heb ’k ’t niet gedaan. - -ESTHER. Hij vertelt wat! Geen opzet—wél opzet! ’t Komt ’r wat op an! - -SACHEL. ’k Heb je gevraagd wáar je gezeten heb de godganschelijke -dag—en je praat ’r om heen.... - -RAFAËL. Moet ik van àlles uitleg geven? Ik ben hier en daar en overal -geweest—de tijd is omgevlogen. (vermoeid) Heb je wat te eten, tante? ’k -Heb honger. - -ESTHER. Wou je dat ’k noù nog ging dekken? Ik zou je danken. Kom op je -tijd. - -SACHEL. Nou nog eten? Nou wordt ’r niet meer gegeten. - -RAFAËL. Goed. ’k Zal zelf ’n stuk brood nemen. - -SACHEL. O God, wat straf je me zwaar op me ouwen dag overgeleverd an -vreèmden! As je moeder-zaliger je zien kon, as ze zien kon hoe jij je -blinden vader mishandelt, mis-han-delt, dan, dàn, dàn.... - -RAFAËL (rustig). Laat mijn moeder ’r buiten. Je hoeft geen -herinneringen wakker te maken; vandaag—leef ik enkel in herinneringen. -Ik was op ’t graf. - -ESTHER. Hij was op d’r graf! ’t Is toch geen jaartijd? Was ’r nièt -gegaan.... - -RAFAËL (haalt de schouders op) .... Ik was op ’t graf ùren lang, heb -zitten suffen en droomen. ’t Werd avond; de doodgraver heeft me -opgeschrikt. Dat ’s alles. De zerk is weggezakt, vader. Je kunt de plek -niet meer vinden. D’r groeit van alles. ’k Heb wat bloemen meegebracht. -Hier heb je ze. D’r mag wel ’n nieuwe zerk komen. - -SACHEL. Jij ben krankzinnig, jij ben gèk! Ik wil jouw bloemen niet! Wèg -met jouw bloemen! Was teruggekommen zooas ’t je pàste! Had niet je dag -verluierd, je dag verdaan met onzin—ònzin, zeg ik je! Gister ben je -niet thuis geweest, had je ’n uitvlucht! Eergister heb je geen vin -verroerd! Zóo alle dagen die God geeft! Ben jij ’n zoon? Denk jij ’r an -dat je ’n blinden vader heb, dat ’t ongeluk me vervolgt, dat Levi en -Abram en zoo’n koopman-van-niks as Aaron—alles naar zich toehalen, dat -m’n zaak verloopt, m’n goeie zaak m’n zaak, waarvoor ik gezweet heb, -m’n zaak, m’n záák! Ik kan ’r bij huilen! Op m’n ouwen dag kan ’k -bedelen gaan! Heb ’k je daarvoor grootgebracht! - -ESTHER. Trek ’t je toch niet zoo an! Mot je om zoo’n zoon grienen? - -SACHEL. God straft me wel! Heb ik ’t brood uit me mond gespaard -toen-die ’n kind was? Hebben z’n moeder-zaliger en ik kromgelegen om ’m -groot te brengen! Heeft-ie scholen bezocht en talen geleerd, waarvan -wij nooit gehoord hebben! Hebben we ons uitgekleed voor ’m, bij ’m -gewaakt as-die ziek was, ons alles ontzegd om ’t hém goed te laten -gaan! En nou? Wat heb ik nou? Nou kan ik alléén rondwurmen! An niemand -steun! Nou kan ’k vèrrèkken! Nou mot ’k wachten tot ze híér kommen met -handel—me laten bedriègen—me laten bestelen! - -RAFAËL. Dat ’s niet mijn schuld. - -SACHEL. Niet zijn schuld! Ik kan ’m vasthouen! Ik kan ’m daar dwingen -thuis te blijven en voor mijn te kijken! - -RAFAËL. ’k Heb over al die dingen gedacht van middag, lang nagedacht—je -heb gelijk, maar ànders worden kan ’t niet, nou niet, nooit meer. - -ESTHER. Stapelmesjogge! - -SACHEL (hard). En wáarom niet? - -RAFAËL. Dat kan ’k niet zeggen.... - -SACHEL. Jij liègt! Jij heb iets buitenshuis, dat ik niet weten mag, dat -je verbergt! - -RAFAËL. Nee. - -SACHEL. Zeg op! Zeg op: je mag alles zeggen! - -ESTHER. Geheimen? ’t Zullen me geheimen zijn! Nog geen dubbeltje zijn -ze me waard! As die niks zeit, weet ik nog genog! - -SACHEL. Op ’t graf van z’n moeder heit-ie gedacht! Hahaha! Op ’t graf -van je moeder most jij niet durven kommen! - -RAFAËL. Waarom zullen we zóó tegenover elkander staan? Ik zal hier niet -lang meer blijven, ’t je niet lastig maken. - -SACHEL. Wat? Wàt zegt-ie? - -ESTHER. Schtos! Allemaal schtos! - -RAFAËL. Ik ga weg. - -SACHEL. Jij gaat weg? Jij gaat weg? Zegt-ie dat Esther? - -RAFAËL. ’t Is beter vrindschappelijk van mekaar te gaan. Over heftige -dingen heb je later spijt, altijd spijt.... - -SACHEL. Hahaha! Hahaha! Nou is alles in orde! O! O! O! Voel je dan niks -as je m’n oogen ziet? - -RAFAËL. Vroèger gaven die me onrust, angst, wroeging—hoe zal ik ’t -noemen?—vroeger had ik alles voor je kunnen doen,—in den tijd toen ìk -jong, jij hulpeloos was—vroeger zou ’k geen oogenblik rust hebben -gehad, als ’k tranen in je arme oogen had gezien—vroeger zou ’k me de -haren uit ’t hoofd hebben getrokken bij de gedachte—ènkel bij de -gedachte—je displeizier te doen—nou is dat ùit me—heelemaal ùit me—je -heb ’t ’r uit getràpt! - -SACHEL. Ik? Ik? Wat heb ìk joú gedaan? Wat? Wat? - -RAFAËL. Nee, ik wil je niks verwijten. Je ben ’r niet verantwoordelijk -voor. Je heb ’t zèlf geleerd.... - -ESTHER. Ik ga naar bed. Ik heb genog van die kinderpraat! Zal ik me -nachtrust geven an zùlk gekles! Hij wil wèg: laat ’m gaan! ’k Dacht dat -je wijzer was. Allemaal praatjes, uitvluchten, smoesjes! Mòrgen -vraagt-ie je weer centen! Jouw zoon is ’n klaplooper—nou wéet je ’t! - -SACHEL. Ze heit gelijk! Wat stoor ik me an joùw gekkepraat. Maar ’r -komt ’n end an me geduld! ’k Heb ’t lang genoeg gekropt. Làng genoeg! - -RAFAËL. Dreig niet. Ik zei je dat ik ’n besluit genomen heb—’n besluit -dat zóó vaststaat, dat niemand ’r iets aan veranderen kan. Ik ga weg. -Heel gauw. Ik maak jullie ongelukkig. Jullie mij. ’k Weet geen àndre -oplossing. - -SACHEL. Waàrom wil jij weg? - -RAFAËL (droevig). Dat is mijn zaak. - -SACHEL. Bloedhond! ’n Blinden vader an z’n lot overlaten! God zal je ’r -voor bezoeken! - -RAFAËL. Nee. Dat kàn niet. Ik voel me voor ’t eerst sinds jàren -rustig—nou ik mijn weg ga, nou ik weet wàt ’k doen moet. - -SACHEL (woest). Maar de reden, de reden! Je heb toch je hersens! Je ben -toch niet volslagen idioot! De reden! De reden! - -RAFAËL. De reden—de reden. Sta je ’r zóo op? O, ’t zou voor ons beiden -beter zijn, als ’k zweeg. Je wìl dat ik spreek? Dan zùl je hooren, dan -zul je weten hoe ’k me hier ben gaan voelen als ’n ellendige, als ’n -vreemde. - -ESTHER. Ach wat ’n schtos! Wat doen we met die onzin! - -RAFAËL. Laat me uitspreken. Ik kijf niet, maak geen twist: zeg de -dingen kàlm—als je ’t voelen kunt: wanhopig—’t Is niet zoolang -geleden—’k denk twee, drie—’k weet ’t niet—’t Doet ’r niet toe. Ik was -onnoozel, ’n jongen, ’n kind. En ’k hield van je, vader. ’k Hield -zièlsveel van je. Als ’k je tasten zag door den winkel, de -bergplaatsen, dan moest ik haast snikken. Had ik je niet gekend met je -oogen vol leven en opgewekt? ’t Was zoo verschrikkelijk je àltijd in ’t -donker te denken. Soms kneep ik m’n oogen dicht, hield m’n hand er voor -om ’t licht af te sluiten—dan dacht ik: god, hoe schrikkelijk, hoe -vreeselijk—hij heeft de dingen gekend zooals ik ze ken—nou moet-ie -gissen, de vormen raden, de kleuren raden.... - -SACHEL. Hou je mond! Dát vraag ik je niet! - -RAFAËL. Toen kwam de dag.... ’n Vrijdag... ’k Was begonnen je in de -zaak te helpen.... Je had ’n partij goed verkocht—’k weet niet meer -wàt.—De schuit lag voor de loods—de knechts stouwden de balen er in. ’k -Ziè ’t gebeuren. Jij stond bij de weegschaal. Je zag me niet: had me -niet hooren loopen. Nièmand zag me: ’k was in de scheemring van de -loods. Jozef, de knecht, las ’t gewicht—zelf schreef je de getallen. Ik -keek naar je met ’n zoo groote genegenheid, ’n zoo groot meelijden. Je -had zooveel wil—je droeg ’t ongeluk zoo dapper. ’k Zag je vingers -bevend bewegen over ’t papier—’k wou naar je toekomen en zeggen: laat -mij ’t schrijven—vermoei je niet.—Maar op eens zag ik iets, iets dat me -dee schrikken, me terugdrong naar de scheemring van de loods. ’r Werd -’n baal gewogen—Jozef en de koopman bukten naar de gewichten—en -terwijl—tastte je voet naar de scháal—bleef er op drùkken. Ze wogen je -voet mee. Niemand lette op je. Ze hadden vertrouwen in je blinde oogen. -Je stal. Je was ’n dief... - -ESTHER. Dat lieg je! ’k Zou me schamen zulke leugens te zeggen! - -SACHEL. Laat ’m gaan... laat ’m uitspreken... - -RAFAËL. Ik lieg niet! Loog ik maar!—Ik dacht dat ’k me vergist had, -bleef angstig wachten op ’n tweede baal.—De baal kwam—werd op de -bascuul geschoven—wéér drukte je voet op het blad—wéér nam je watje -niet toekwam. Ik hoorde den koopman verwonderd spreken dat de balen zoo -zwaar waren; wantrouwig bekeek-ie de schaal. Jij, stond zwijgend, met -gevouwen handen—je stond zóó verlaten, zóó rampzalig met je enkel-witte -oogen, dat niemand aan je dacht—’n hulpelooze blinde. En bij élke -schaal herhaalde je ’t—óver de twintig maal. Twintig maal! Twintig maal -je stelende voet en je dooie oogen, je bewusteloos meeleven, je -misbruik maken van ’n ramp, je misbruik maken van ’t meelij van -andren!—Nou weet je de hoofdzaak. ’k Heb zitten huilen achter de -loods—zoo màl was ik toen. Twee uur later zijn we naar de kèrk gegaan, -zooals elken Vrijdagavond. Je zat naast me. Ik bad niet. Telkens keek -ik naar je oogen om er iets in te vinden, om er ’n uitdrukking in te -zien—telkens zag ik het wit zonder pupillen, ’t wit zooals ’t geglansd -had toen je bij de bascuul naar den hemel stond te kijken.—’t Was ’n -bleeke hemel met ’n énkele violette streep: zóó sterk is ’t me -bijgebleven.—Van de kerk gingen we naar huis. De sjabbestafel wachtte. -Je klaagde, dat ’k stil was. Ik wàs stil. Je zei brooge. Je doopte ’t -brood in ’t zout. En aldoor keek ik, kéék ik. ’t Lamplicht scheen in je -oogen. ’t Lamplicht gaf ’r denzèlfden glans aan als de hemel. Je wierp -’n glas om—wat nooit gebeurde. En ’k voelde niks. Je was geen blinde -meer voor me. Je was ’n..... Je was ’n..... Waarom zal ik verwijten en -schimpen? ’t Is gebeurd. Honderd keer na die eerste heb ’k ’t zelfde -van je gezien. Ik wou je vervangen, zèlf ’t goed wegen, afleveren. Jij -wóú niet. Je maakte je kwaad. Nooit mocht ik aan de bascuul komen. Je -beloog me. Je zei dat je niet werkloos kon blijven, dat je geen rust -had als je stil moest zitten. En met Jozef sámen—met je knecht lag je -onder éen deken!—bleef je de kooplui bestelen, bestèlen. Laat me -uitspreken! Langzaam heb ’k alles begrepen, ben ’k je gaan -minachten.—’n Blinde beklaag ik zoo innig—’n blinde zie ’k voor me als -’n mensch van wie God ’n oneindige gelatenheid vraagt èn een gróóte -berusting—’n blinde zie ’k als iemand die voor de helft afscheid heeft -genomen—van àlles.... Joú zag ’k ’t gèld dat je bij elkaar schraapte -bestréelen, jou zag ’k vechten en worstlen om naar je toe te halen, jou -zag ik dag aan dag—bedriegen. O, hoe wouen je blinde oogen me dan wat -doen. Hoe wou je voor me staan als ’n hulpelooze, als ’n vàder! - -SACHEL. Doen àndren anders? - -RAFAËL (triestig). Ons héele volk is ontaard. [2] - -SACHEL. As ìk niet neem, nemen andren dan niet? Is ’t niet onze hàndel? -Maken zij geen misbruik van mijn ongeluk? Gaan we niet elk uur -achteruit? Kan jij eerlijk zijn—as ze je bestelen van alle -kanten—bestelen an wicht—bestelen an kwaliteit? Is handel geen hàndel? - -RAFAËL. De andren heb ’k àltijd veracht—maar dat ik eéns zou leeren -joúw ongeluk te vergeten.... dat je àltijd voor me zou blijven de -man—bij—de—bascuul. - -ESTHER. Veel heb ’k van me leven gehoord, maar zóo iets nog nooit. Daar -heb ik nou verstomd van gezeten. Waar haalt iemand de vuilheid vandaan! -Verwijt z’n ouwen vader dat-ie z’n best heit gedaan voor z’n brood. Hij -neemt niet as-die krijgen kan! Hij geeft gewicht toe! As je vader zoo -niet gehandeld had, kon jij nou bedelen gaan! Og! Je zal ’t elk jaar -verdienen wat ze óns bestolen hebben! Is dat diefstal? Noem jij -diefstal as je voor je brood steelt? Dan is ’r in de heele stad geen -eerlijke Jood en geen eerlijke Chris! De een steelt op die manier, de -andere op die. Geen mensch is dief in z’n eigen zak. Hoe wou jij handel -drijven? En eet je d’r niet van mee? Is zelf te lam om te werken en z’n -ouwen vader gooit-ie verwijten voor z’n voeten! - -RAFAËL. Ik heb ’t niet uitgelokt. Ik had m’n mond gehouen. Maar nou ’k -weg ga.... - -SACHEL. Jij gáat niet weg! Ik wil niet dat jij weggaat! Waarom zou je -weggaan? ’k Heb toch niks op de wereld! Heb ’k ’n misdaad begaan? As je -oud en wijs genoeg ben, zal je begrijpen wat hàndel is. Bijt je ze niet -van je af—dan sta je binnen ’n jaar op straat.... Je mot ’n róófdier -wezen... Anders trappen ze je ’r onder... Zonder gèld ben je weerloos, -zonder gèld ben je an ze overgeleverd, zonder gèld ben je niks! Heb ’k -’t niet voor jóú gedaan? Wie krijgt alles na me dood? - -RAFAËL. Laten we ’r niet verder over praten. ’t Is laat. ’k Ben moe. ’k -Had beter gedaan ’r niet over te spreken. Denk ’r over na, vader. We -kunnen vrindschappelijk van mekaar gaan. - -ESTHER. Wil ik j’s wat zeggen? As jij ’r zèlf over slaap—heb-ie morgen -spijt over wat je nou allemaal gezeid heb.... Schtos! Hij gaat weg! Nog -in geen tien jaar! Wil je wat eten? - -RAFAËL. Nee. ’k Heb geen trek meer. - -ESTHER. Dan mot je maar trek maken. ’t Is aardig ongezond ’n heele dag -met ’n nuchtere maag te loopen. ’k Heb nog ’n kliekie snijboonen met -aardappelen en ’n stukkie schapevleesch. Zal ’k ’t even warmen? - -RAFAËL. Nee. - -ESTHER. Voor wat straf je je maag? Roos! Roos! - -ROSE. Roep u? - -ESTHER. ’k Dacht wel dat-je nog op zou zijn! Wil jij ’t kliekie even -warmen? - -RAFAËL. Nee, tante—ik eet niet. - -ESTHER. Wàrm jij ’t maar! (Rose af) As je de lucht ruikt, eet je wel. - -RAFAËL. Heeft zij—gehuild? - -ESTHER. Weet ik veul! ’k Heb genog zorg an me kop. Kom, ’k zal binnen -de tafel dekken... - -RAFAËL. Nee. Nee. Ik kàn nou niet meer. M’n keel is toegeschroefd. - -ESTHER. Zenuwen! Niks as zenuwen! Je windt je op voor niks! Geen -wonder. Je etensuur verzetten en ’s nachts niet slapen! Groote nar! Wat -heb je òp gedaan van nacht? Was je ziek? - -RAFAËL. ’k Kon niet slapen... ben opgestaan... Nacht vader—Nàcht -vader!—Geef je geen antwoord?—Nacht. - - - - -ZEVENDE TOONEEL. - - -SACHEL. (Staat op—bevoelt de pennen van de luiken—bonst zich voor ’t -hoofd) - -Hij was op vannacht—En—èn die mèid was op—Ze waren sámen -op—sámen—Waarvoor waren ze op?—Waarom heit die sjikse gehuild?— - - - (EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF). - - - - - - - - -TWEEDE BEDRIJF. - - -De huiskamer van Sachel achter den winkel. - - - - -EERSTE TOONEEL. - - -Rose. Rafaël. - - -RAFAËL (binnentredend). Waar is vader? Waar is tante? - -ROSE. Ze zijn nog niet terug van de kerk. We zijn alleen—Goddank! - -RAFAËL. Liefje—huil je? - -ROSE. Raak me niet an! Raak me niet an! - -RAFAËL. Hebben ze je....? Wat is ’r? Kom, huil zoo niet! - -ROSE. O, dat ik naar je geluisterd heb! - -RAFAËL. Is ’r iets gebeurd? Wat dan? - -ROSE. Laat me met rust! Ik walg van je! Ik haat je! Ik haat jullie -allemaal! O, o, dat ’k sterven kon, dat God me zoo dadelijk dee -doodblijven! - -RAFAËL. Heeft vader je iets gezegd? Heeft tante.... - -ROSE. Nee! Nee! Nee! Raak me niet an! Ik wil van jou niet gezoend -worden! Ik wil alleen dood, dood! - -RAFAËL. Kom, màlle meid! Ben ik niet je man, jij m’n vróúw? - -ROSE. Nee! Blijf van me af! Ik je vrouw! Ik! Ik! Hahaha! ’t Is om te -schateren! Ik, je bijzit, je tijd-verdrijf, je hoèr!.... - -RAFAËL. Rose! - -ROSE. Ik, wat ben ik? Ik die niks op de wereld heb—ik die me moet laten -trappen door je vader—door je tante—door elken jóód die hier komt! - -RAFAËL. Joòd? Joòd? Waarom zeg jij jood? - -ROSE. Joòd, joòd! Wat kan ’t me schelen! ’k Ben hier ’n slavin! ’n -Vreemde! ’n Vreemde voor je vader! ’n Vreemde voor je tante! ’n Vreemde -voor den eersten den besten jood.—Ze kijken op me neer.—’k Ben máar de -Sjabbesmeid—ik mag de lampen opsteken—ik mag an ’t vuur komen—ik met -m’n vréémde handen—ik hun mèid, hun mèid! Ik, joùw bijzit! Want je ben -als de àndren—je heb me getrapt als de andren.—Je ben ’n jood zooals -zij!... - -RAFAËL (neemt haar hand). O wat vind ’k ’t nàar dat je dàt zegt! Wat -vernedert ’t je zelf... Ik weet niet wàt de oorzaak is dat je zoo -opgewonden ben, zoo buiten jezelf, zoo ruw, zoo onvrouwelijk, zoo -grof..... Maar ik weet wel, Rose, dat je ’t woord niet meer zeggen -moet. ’t Herinnert me an zoo’n boel dingen. Nee, laat me je hand houen. -Zóó zit ik met de óúwe vertrouwelijkheid—Toen ’k ’n kind was—met andere -jongens wilde spelen—scholden ze voor jood—smaus. ’k Wist niet waarom. -Misschien zìj ook niet. Ze deeën ’t uit gewoonte. ’t Dee pijn. Want als -kind vroeg je jezelf: Is er iets bijzonders aan me? Heb ik iets gedaan? -Ben ik anders dan zij? Wat is joòd? Wat? Soms smeten ze met steenen, -riepen: jullie hebben Jezus gekruizigd! Ik klaagde. M’n moeder zei dan: -je moet er om lachen—je moet er aan wènnen—Eens op school—’k had niet -opgelet—trok de meester me uit de bank, gaf me ’n klap, zei: in den -hoek staan, jood! Ik stond ’n uur lang in den hoek, ik, de eenige jood -van die school en door m’n zotte tranen zag ’k de jongens die lachten, -den meester, de banken, de kamer. En ’n wrok kwam in me. ’k Had dien -man kunnen ranselen, ’k had me kunnen wreken aan allen. Waarom was ’k -’n vreemde? Waarom zeien ze jood? Zoó begon ’t. Zoo hoorde ik ’t in m’n -jeugd. Zoo bleéf ’t—M’n moeder stierf. Den dag dat ze begraven werd, -gingen we langzaam achter de kist, vader, ik, haar broers, de vrienden. -Op den hoek van ’n straat stond ’n slager—’k weet z’n gezicht nòg—en -die lachte.—„Daar gaat ’n ouwe jodin”, hoorde ’k ’m zeggen.—Vader werd -blind. Den eersten dag dat ’k ’m leidde, liep hij aan tegen een man en -die schimpte: kijk waar je loopt, jood!.... Wil je meer? Is ’t genoeg? -Hoor je dat ’t woord me niet vreemd is? - -ROSE. Rafaël.... - -RAFAËL. Als kind dee ’t pijn, had ’k ’t gevoel alsof ik ’n merkteeken -droeg, alsof jood-zijn ’n slecht ding was—Ik leerde, keek om me heen. -En overal in de vrije christenmaatschappij zag ’k de wrijving—de -vijandschap van de rassen, de vijandschap van de godsdiensten. Maar als -màn, lieve vrouw, heb ’k dat vroeger gevoel van verbittering verloren, -is er iets in me open gegaan, dat me meelijden, innig meelijden heeft -gegeven met wie jood-schimpen kán! Doe ’t niet meer. Zie ons hier -zitten—jij—’t is om te làchen!—’n christen vrouw—ik—O, wat dwaas -niet?—’n jóòd! Hoe kunnen wij twee, als we elkander in de oogen zien—an -zùlke kleine dingen denken... - -ROSE. Je heb gelijk—Je ben beter dan ik, wijzer dan ik. Maar ’k was zoo -wanhopig, zoo òp! En nog, nog! Hebben ze je niks gezegd? - -RAFAËL. Gezegd? - -ROSE. Gisteravond zat ’k dáar, bij de deur. Aaron was hier, praatte met -je vader, met je tante.... - -RAFAËL. Over zijn dochter Rebecca, die drieduizend gulden inbrengt—ik -weet het. - -ROSE. Je weet ’t.... O ze halen je van me af.... Ik ben bang voor je -vader, durf ’m niet anzien. Alles hoort-ie in m’n stem.... Wat moet ’r -van me worden! Jij liegt niet. Ik geloof je. Alles aan je is eerlijk. -Maar wat kùn jij? Wat kun je tegen hem, haar? Als ze ’t begrijpen -zetten ze me op straat. Zij hebben rechten. Voor mij ’n ander. En dan? -En dan? Ik wou dat ’k niet geboren was. Dat hoort God! - -RAFAËL. Nou heb ’k je aangehoord—kalm. Zie je—ik glimlach. Ik glimlach -omdat je bang ben voor ’n meisje dat ik niet ken, misschien éens -gesproken heb. - -ROSE. Zoo gaat ’t altijd bij.... - -RAFAËL. Zeg maar bij.... ons. - -ROSE. Jà—bij jullie. Heeft Meijer z’n dochter niet gekoppeld aan den -zoon van Markus? Hadden die twee elkaar ooit gezien? Hebben de vaders -’t niet in orde gebracht? O, Rafaël bedrieg me niet! - -RAFAËL. Kind—soms is er iets in je toon—in je vragen—in je kijken dat -me triestig maakt. Ik zou je zoo graag willen opheffen, opheffen van -dat làgere levensplan, je heelemaal brengen tot ’t mijne, je heelemaal -meenemen naar mijn wereld, waar geen plaats is voor de kleine, -ophitsende, wantrouwende dingen, die joù dikwijls zoo zwak maken. Ik -kan me geen voorstelling vormen van je angsten. Elk woord van je -twijfel is me ’n raadsel. Heb ik je dan niet in die uren dat-je in m’n -armen lag—als de nacht om ons heen was en je élke aarzeling zou gevóéld -hebben—gesproken van m’n liefste hopen, gesproken over de toekomst van -ons beiden? Is er dan plaats voor ’t benauwde geknoei van andren? Ben -ik dan zoo week, zoo karakterloos in je oogen dat je spoken ziet waar -ze niet zijn, dat je maar één oogenblik veronderstellen kúnt—dat ik.... -ik.... ik! Hahaha! Ik verkocht! Ik die princelijk begin te leven! Ik -hokkend met zoo’n vrouw! Ik bruidcenten tellend! Ik ingezegend! Ik die -geen jóód meer ben! Ik m’n nek buigen!.... O liefje wor toch -sterk—geloof in de geringste van m’n woorden—wees niet bang—twijfel -niet! Hoe kan ’n man twijflen die sterk is door ’n vrouw? Hoe kan ’n -vrouw aarzlen als ze één in extase is geweest met ’n man? En gaan we -niet samen hier vandaan? - -ROSE. Is dat waar? Gaan we heen? - -RAFAËL. Eergister heb ik ’t ’m gezegd—m’n vader. - -ROSE. O! Wat ’n geluk! Meen je ’t? Meèn je ’t? En gaan we vèr weg—waar -de menschen ons niet kennen, jou niet, mij niet? - -RAFAËL. Waarom zouen we vèr weggaan? Waarom ons verbergen? Kunnen we -niet met trots komen waár we willen? Diè tijd is voorbij. ’t Wordt -lichter over de wereld. ’t Zal ’n héele rijzing van zon zijn, als we -voorbeelden stellen, als we nièt schuchter wegschuilen, maar elkeen -eerlijk in de oogen zien. - -ROSE. Dus je neemt háár niet? - -RAFAËL. Ben ik niet getrouwd? - -ROSE. Ja, ja, ja, we zijn getrouwd! ’t Is alles malligheid van -me—angsten—wantrouwen! Zie je, wanneer je altijd bij me bleven kon—zoo -héel dicht bij me, zou ’k lachen om de hééle wereld—de wereld is slècht -niewaar? - -RAFAËL. Nòg is ze ’t. Maar ’n nieuwe tijd breekt aan. (in extase) Als -je goed luistert, hoor je ’t breede rumoer van ’t opgaande volk, zie je -banieren en vlammende oogen, voel je de lucht sidderen.... -(glimlachend) ’t Was me zoo vreemd, zoo zonderling toen vader me sprak -van dat meisje—toen hij beloòfde dat ìk-alleen de „zaak” drijven -mòcht—als ’k blééf—als ’k háár nam. Ik heb hem aangekeken met ’n -machtige verwondring. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó ver van -elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon?... Ik -heb hem gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ik weg moest! ’k Heb -gelàchen.... - -ROSE.... Weg moest? Zul je láter geen berouw hebben dat je gekozen heb -tusschen hem en mij? - -RAFAËL (haar op zijn schoot trekkend). Ik kiès niet tusschen joú en -hèm! Jij ben ’n deel van ’t níéuwe leven. - -ROSE. Hij is blind—’t lijkt zoo wréed.... - -RAFAËL. Maak je geen verwijten. Ik kan je niet àlles zeggen, wil ’t -niet. Wat gebeurt, móést gebeuren. Elk geslacht geeft z’n smarten, z’n -tot ruïne vergaan, z’n opbloeien van jeugd.—Kom—denk niet na. - -ROSE. Heb je hem niets gezegd van òns? - -RAFAËL. Nee. Nog niet. Eerst als je dit huis heb verlaten. Eerst dán. -Jij zou hun schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet. - -ROSE. Stil! God! - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Rebecca. Rafaël. Rose. - - -REBECCA (driest-lachend). O!.... - -RAFAËL. ’t Is niet de gewoonte ergens binnen -te sluipen. - -REBECCA (lachend). Sluipen? Ik heb geklopt één—tweemaal. Je hoorde -niet. - -RAFAËL. En op Zaterdag drijft m’n vader geen handel. Derde gebod! - -REBECCA (verwonderd). Ik kom niet voor handel. - -RAFAËL. Niet voor handel? Ei, wel! - -REBECCA (lachend). Vader zei me hierheen te gaan.... - -RAFAËL. Je vader? Vierde gebod! - -ROSE. Rafaël! - -RAFAËL (smartlijk-spottend) .... Je vader.... Dat ’s Aaron, de koopman. -Ga zitten—laten we hàndlen. ’k Heb afval te koop—afval van ’n vòlk! -Voor éeuwen sprak Bil’am—de Eeuwige heeft hem ontmoet; wéet je nog: hoe -de Rebbe ’t leerde?—„Hoe schoon zijn uwe tenten, Jacob! Uwe woningen -Israël! Als beken alom verspreid, als hoven aan een rivier, als de -aloës door den Eeuwige geplant, als cederen aan het water”... Ga zitten -Rebecca. De heugenis der tijden is groot. Uit Egypte zijn we gevoerd. -In de woestijn Sinaï waren wij gelegerd.—Ik erf dit àlles, de -bergplaatsen, den grond, de kachel, ’t portret van m’n moeder, ’t -ganneke-ijzer. En jij? Is ’t drie, is ’t vier, is ’t vijf? En twàalef -van alles? Laten we handlen.... - -REBECCA (verlegen). Je doet zoo vreemd .... Je maakt me angstig.... - -RAFAËL. O, ik ben zacht als ’t bloed van ’t kalf, waarin Aaron zijn -vinger doopte. Jouw vader heet Aaron oók—Aaron, Aaron-de-priester! Je -kan koken en braden—èn ’n doodshemd (zegt tante) naai je zoo rad en zoo -net! Je ben ’n huisvrouw om te stélen! Blijf hier, Rose! - -ROSE. Laat me gaan! Laat me gaan! - -REBECCA (met stijgende verlegenheid). Heb ik je wat misdaan, dat je -zoo, zoo.... - -RAFAËL (smartelijk). Misdaan? We hebben elkander éénmaal gesproken. Hoe -zou je misdaan kùnnen hebben? Wàar was ’t? ’t Was in ’t huis van je -vader. Je zei iets tot mij. Ik zei iets tot jou. Woorden, woorden van -èlken dag. Misdaan? Je heb mooie oogen, ’n mond om te kussen. Je handen -zijn blank. Je zult moeder van véel kinderen worden. Peroe oerewoe -oemieloe es hoöres [3]—gaat en vermenigvuldigt je—En ’n kind—hàhà!—’n -kind is ’n weelde, ’n kind groeit uit de aarde als ’n plant met ènkel -knoppen van vreugd.—Wat breng je mee? Drie, vier of vijf? Als m’n vader -drie neemt, neem ik drie! Als m’n vader vier neemt, neem ik vier! Neemt -hij vijf is ’t mij goed! Ik ben gezond, heb geen gebreken. Ik heb ’n -ziel. Die krijg je toe! Ik droom. M’n droomen zijn te geef.... O -Rebecca, we kunnen zoo gelukkig met elkander zijn! - -ROSE. Laat me gaan, Rafaël. Ik kàn je niet hooren! - -REBECCA (driest). Hoor wat zij zegt—zij, de sjikse, die zich scháàmt! - -RAFAËL (vernietigend). Ze schaamt zich over hàndel op Zaterdag.... Wees -indachtig dat je de Sabbathdag heiligt. Ga nog niet heen Rebecca. Je -naam is zoo lief en zoo zoet—om zachjes te zeggen.... Rebecca.... -Rèbècca.... Moeder van Esau en Jacob.... Weet je hóe Jacob zijn broeder -bedroog, zijn blinden vader bestal? Ook de mijne is blind. Heb je ’t -vel van een geit meegebracht voor mijn handen en hals?—Ah, we zijn voor -elkander geschapen, bestemd Israël te doen voortleven, Israël weer -groot te maken!—Kijk om je heen. Kijk rond! Er zijn kostbaarheden, -sieradiën in die kast, beleende horloges en goud. Alles wordt mijn. -Alles. De grond waar we op staan, de stofdeeltjes, de zonnestralen, het -rek met tefillem [4]. ’t Hangt af van je zelf! Waarom breng je geen -vijf mee? Voor drie doen we ’t niet—m’n vader en ik! Voor drie zijn we -bekòcht—m’n vader en ik! Voor drie, verbinden we ons niet, m’n vader en -ik! Met drie, hebben jullie ’t voordeel, joùw vader en jij.... - -REBECCA (angstig). Ik hecht aan geen geld, Rafaël.... - - (Rose af.) - -RAFAËL. Wee ons! Dan hoor je hier niet thuis hier niet, in de heele -stad niet!—O?—Huil je? Rebecca-lief, huil je? Wat doen tranen bij -hàndel? Weent je vader ooit als hij kóópt? - -REBECCA. Waarom ben je zoo wreed? ’k Heb niet één woord gezegd.... Ik -zal weer gáán.... verlang niks van je, niks.... - -RAFAËL. Ga, ga, Rebecca.... Ga tot je vader. Vraag geld, véél geld! -Ween niet. Ik voorspel je: je trouwt! Je trouwt ’n beetren dan ik. Ik -ben geen drièduizend waard.—Geef me je hand. O, kind—je ben nog zoo -jóng. ’k Wou dat ’k wat voor je kon dóén.... - -REBECCA. Nee, niks.... - -RAFAËL. Ja—ja—’n ráád—iets dat je moet onthouen voor làter—voor veel -later... voor... Nee! Dwaasheid!—Hoe kan ik je raden? Ik ken je niet, -zag je maar éénmaal, weet nauwlijks de klank van je stem, den glans van -je oog.... - -REBECCA. Goeiendag.... - -RAFAËL. Goeiendag, Rebecca!—Rose!—Rose, ben je tòch heengegaan! - - (af). - - - - -DERDE TOONEEL. - - -Sachel. Esther. Rebbe Haëzer. - - -ESTHER. Ging Rebecca daar niet? ’k Zou ’r op zweren. Nee, ze is ’t toch -niet.... Kom u binnen. Wees u voorzichtig. - -HAËZER. Pas op voor de drempel. - -SACHEL. Hier ken ik de weg—heel precies—heel precies. Help me maar -niet. ’k Ben niet gewend geholpen te worden. - -HAËZER. Is Rafaël niet thuis? - -ESTHER. ’k Zal wel is kijken. Maar zoo’n haast heit ’t niet. Laat-ie -maar blijven. Dan kan Sachel u verder vertellen. - -SACHEL. Wat helpt vertellen? Heb ’k niet àlles verteld? D’r zit geen -hart in die jongen. Z’n vader behandelt-ie als ’n stuk vuil. Erger nog. -En voor wie heb ’k alles gedaan? Voor wie vraag ik? Dat’s m’n ouwe dag! -Geen uur vrede, geen uur rust! - -HAËZER. La-la-la. Loop niet op de dingen vooruit. Ik heb dat meer bij -de hand gehad. Jeùgd, Jeùgd. Anders niet. Daar moet je niet met geweld -tegen ingaan. Geweld bederft. Ik ken Rafaël, beter dan jij. Heb ’k ’m -niet zien groeien? Kwam hij niet uit zichzelf bij me, als-ie iets -kwaads gedaan had? Weet je nog hoe-die me gebiecht heeft van die -appel—die appel—op Groote Verzoendag.—Geen hardheid.—Geen groote -woorden.—Geen geweld.—Hij gaàt niet heen.—Hij troùwt de dochter van -Aaron. - -ESTHER. Wat heb ik je gezeid? Nou hoór je dat ’k gelijk heb. - -SACHEL. Ik voel ’t ánders. Ik heb geen macht meer over ’m. Vroeger. Ja, -vroéger—zooas ’t staat in de boeken van Mozes—vroeger kon je ’n zoon -dwingen—dat was recht.... - -HAËZER. Gekkigheid—gekkigheid. We stéénigen niet meer. We gaan vooruit -en niet achteruit. Vroeger, werd een ongehoorzame zoon naar de poort -van de stad gebracht en gesteenigd. Dat weet ik wel, gekje—maar we -hebben geen poorten meer—je màg niet met steenen gooien. Elke ruit kan -je betalen. Andere tijden: andere zorgen, andere dwàng. Eer we drie -maanden verder zijn is Rafaël getrouwd en ’n jaar later kom ’k op de -brezemiele. [5] Want je krijgt ’n kleinzoon. Ik zeg je, ’t is ’n -kleinzoon. Hahaha! Ja-ja, je doet veel beter je zorg weg te lachen. - -ESTHER. ...Groot gelijk, mijneer de rabbijn... Met de dag wordt-ie -zwaartillender—en nou ìs Rafaël ’n lastige jongen, maar overleg is ’t -halve werk. Zal u wat gebruiken? ’n Koppie koffie met kiks? - -HAËZER. Met twéé stukken kiks.... - -ESTHER (in de deur). Roosie! Roosie! Breng je de koffie? - -SACHEL. Gister heb ’k ’m gezeid: jij mag de zaak alleen drijven—ik zal -me met niks meer bemoeien—en—en—en ’k weet ’n vroúw voor je—’n vroúw -die wat meebrengt—’n goeie vrouw—hij hield z’n mond—hij hield z’n -mond.—Zeg je niks, zei ik—en ’k hoorde ’m met z’n vingers trommelen op -de ruit.—Dat doet-ie méer.—’k Weet precies wánneer-ie ’t doet.—Ze -brengt wat in, zei ik—ze heeft wat te wachten.—Toen lachte-die.—Waarom -làch je, zei ik.—Toen lachte die hàrder en kwam op me toe—en pakte m’n -hoofd beet: o vader, ’k heb zoo’n meelij met je, zei-die—toen liet-ie -me staan—anders zei-die niks—anders niks.—Nou vraag ik.—Daar zit iets -tusschen.—Dat kan zoo niet.—’t Is ’n gruwel wat me gebeurt..... - -HAËZER. Gruwel, gekje, gruwel? Je moet niet toegeven aan je -achterdocht, aan die angst om òveral spoken te zien waar ze niet zijn. -Denk aan Izaac. Izaac was blind en Jacob stal zijn zegen. Heeft-ie -geklaagd? Hij zegende Esau óok. Rafaël is ’n kind, ’n gróot kind.... - -ESTHER. Sust!.... De meid.... - - - - -VIERDE TOONEEL. - - -Sachel. Esther. Rebbe Haëzer. Rose. - - -SACHEL. Is m’n zoon thuis? - -ROSE. Ja. - -SACHEL. Waar is-ie? - -ROSE. Boven. - -SACHEL. Is-ie thuis gebleven, terwijl wij naar de kerk waren? - -ROSE. Nee.... Ja, ’n poosje.... - -SACHEL. Hoe lang?.... - -ESTHER. Wat vraag je die meid toch? - -SACHEL. Bemoei je ’r niet mee!... Hoe lang? Nou? Hoelang? - -ROSE. Dat weet ’k niet.... - -SACHEL. Zoo—Was ’r niemand anders? - -ESTHER. Snauw toch zoo niet! Wat wil je van die meid.... Was ’r nóg -iemand hier, Roos? Laat ’m maar brommen—Was ’r nog iemand? - -ROSE (aarzelend). Nee. ’k Heb niemand gezien. - -SACHEL. En jij heb iemand de deur zien uitgaan toen wij thuis kwamen. - -ESTHER. Dan heb ’k me vergist. Ben je noú tevrejen. ’k Sta wat met ’m -uit, mijneer de rabbijn! Blaas nou nog ’t licht uit onder de koffie.... - -SACHEL. Wat doet me zoon boven? - -ROSE. Weet ik niet.... - -SACHEL. Weet ik niet? Weet ik niet.... Ik weet meer. - -ROSE (verschrikt). ’k Heb ’m niet gezien. - -ESTHER. Laat ’m toch praten.... Geef ’m geen antwoord.... Je kent ’m -toch lang genog—Hier neem ’n stuk kiks mee. - -ROSE. Nee, dank u. - -ESTHER. Ach wat! Neem mee. Eet op. Kauw maar op je gemak. (Rose af) -Zoo’n meid durft op die manier geen mond open doen. En wat ’n goeie -meid. Je kan alles an d’r overlaten. In geen jaren hebben we zoo’n -sjikse gehad. Heb u ’m nou bijgewoond, meneer de rabbijn? En zoo -handelt-ie met iedereen. - -SACHEL. Ik weet wat ik weet. Ik pas op. Ik zie meer dan jij.... - -ESTHER. Goed. Goed. As je maar niet lastig ben. - -HAËZER. Hahaha! Hahaha! Heel goed. Zoo moet je met ’m omspringen.... En -waar blijft onze vriend?.... - -ESTHER. ’k Zal ’m roepen. - -SACHEL. Nee, nog niet. Eérst die meid wegzenden voor ’n boodschap, voor -’n vèrre boodschap.... - -ESTHER. Alweer ’n inval. Waarom zal ik de meid wegzenden? Onzin! -Hindert ze jou wat, hindert ze mijn wat? - -SACHEL. Ze hindert mìjn.... - -ESTHER. Onzin! Onzin! ’k Heb geen boodschap voor d’r. - -SACHEL. Máak ’r dan een—Ik vertrouw d’r niet—Ze staat me niet an—Ze kan -luisteren.... - -ESTHER. ’t Is of we staatsgeheimen hebben! Hoor u ’m? Hoor u ’m? Ik sta -wat met ’m uit. Me laatste cent zou ’k die meid geven. - -SACHEL. Jouw laatste cent? Mot die niet uit mijn zak kommen? Ik heb ’r -m’n reden voor—ik wil dat je ’r wegzendt.... - -HAËZER. Geef ’m z’n zin. En heelemaal ongelijk heeft-ie niet. Je moet -die zaken zonder vreemden behandelen. Al ben je nog zoo goed voor ’n -sjikse—vertrouwen kun je ’r nooit. Wat niet eigen is, wordt niet eigen. - -ESTHER. En waar moet ’k ’r heenzenden? ’k Kan ’r toch op Sjabbes geen -boodschappen laten doen. - -HAËZER. Zendt ’r naar d’r moeder. - -ESTHER. Ze heit geen moeder. - -HAËZER. Naar d’r vader dan. - -ESTHER. Ze heit geen vader. - -HAËZER. Naar d’r oom, naar d’r tante. - -ESTHER. Ze heit geen familie. - -HAËZER. Geen moeder, geen vader, geen familie—dan ben ik uitgepraat. - -ESTHER. En ze luistert niet! ’t Is ’n rechtschapen meid. Nog geen -korrel heit ze gesnoept zoolang ze bij me dient. Je kan me daar ’n meid -zonder reden wegzenden. Waarheen? - -SACHEL. Voor mijn part naar de duivel! Stuur d’r naar Meijer—dat-ie -morgen hier komt. - -ESTHER. Meijer... Meijer... Da’s ’n vol úúr weg. - -SACHEL. Doe wat ’k je zeg. Morgen, tegen één uur, wou ’k Meijer -spreken. De rest komt ’r niet op an. - -ESTHER. Hij mot z’n zin hebben. Doe ’k je ’r ’n pleizier mee, lastige -ouwe? Je zàl je zin hebben! - -(af). - - - - -VIJFDE TOONEEL. - - -Sachel. Haëzer. - - -SACHEL. Ik weet—wat ik weet. Ze mot heelemaal weg. - -HAËZER. Wie? - -SACHEL. De meid.... - -HAËZER. Legt ze je iets in den weg, gekje! Moet je voor die geen andere -nemen? Praat nou ’s over iets anders—wees wat opgewekter. Ik begrijp -wel dat je ongeluk je somber maakt. Maar de Eeuwige, onze God, wil wat -hij wil en in alles is zijn heerlijkheid en zijn grootheid.... - -SACHEL. Grootheid.... Grootheid.... ’t Is moeilijk God gróot te denken -as je door je ooren en je vingertoppen mot zien.... - -HAËZER. La-la-la.... Niet zoo doorslaan.... - -SACHEL. Maar met die meid is ’t wat ánders. ’r Gebeuren dingen onder -m’n dak—dingen—ze bedriegen me.—’k Heb ’r gehoord—laat in de -nacht—en—en.... - - - - -ZESDE TOONEEL. - - -Sachel. Haëzer. Esther. Rafaël. - - -ESTHER. Zoo. Nou kunnen we knuf-knuf praten. - -HAËZER. Dag Rafaël, dag bèste jongen. - -RAFAËL. O.—’k Heb u in làng niet gezien. - -HAËZER. In lang niet, nee.—Ja, heel graag: ik wil nog ’n kopje.—Wel, -wel, wel.—Je krijgt ’n hééle baard. Nee, geen melk.—Schuif wat bij -Sachel.—Zoek nou over de heele wereld, over de heele, héele wereld—en -nèrgens vin je die goeie, prettige, joodsche huiselijkheid. Die vin je -alleen bíj óns. De christenen verstaan ’t niet. Die kennen geen -Sjabbesavond, die wèten niet wat fámilie is. Waar of niet? Bij ’n -Christen ben je niet op je gemak. Al ga je jaar in, jaar uit met ze om, -’t blijft vreemd. Elke jood is ’n stuk van je familie—en ’n jood die -begrijp je, die voelt met je mee, daar vin je iets in van je eigen -huis.—Dat ’s ’n héél fijne kiks—kan òok alleen maar ’n joodsche -vrouw.—En wat is ’r zoo voor nieuws op de wereld?—de wereld is groot— - -SACHEL. ’k Wou dat u sprak met m’n zoon—’k heb u verteld.... - -HAËZER. Ja-ja-ja.—Zóo gewichtig is dat toch niet. Strakjes. Strakjes. -Niewaar, Rafaël, wij vliegen mekaar niet in ’t haar. Bij mij heb je -geen houvast meer! Hahaha! Tja-tja.—Smakelijk lachen is alles. Daar -frisch je zoo heelemaal van op. Slaat daar niet ’n deur? - -ESTHER. Dat ’s de meid die naar Meijer gaat... - -RAFAËL. O! O ja juist. Ja, nou zijn we alleen. - -SACHEL. ’k Heb gesproken over Rebecca.... - -HAËZER. La-la-la. Gekje wat maak je ’t je toch moeilijk! Alles komt op -z’n pootjes terecht. Alles. Niet zoo doordrijven. Niet zoo haastig -gebakerd. Jij heb ’n wil en je zoòn heeft ’n wil—en voor de wil van je -zoon moet je respect hebben. Je mag Rafaël niet behandelen als ’n kind. -Je kent ’m nog altijd van toen die zoo kléin was. Je heb ’m niet groot -zien worden. Als Rafaël redenen heeft, bezwaren heeft om met Rebecca te -trouwen, dan moet je luisteren, dan moet je redeneeren. Want per slot -van rekening troùwt Rafaël en trouw jij niet, gekje. - -ESTHER. Dat zeg ik ook. Hij praat altijd asof hij de bruigom is. Nar! - -HAËZER. Z’n hart is jong genoeg! Hahaha! Niewaar Sachel? Oók ’n -joodsche eigenschap. Zoek ’t bij de christenen! ’n Jood drinkt niet, ’n -jood is matig, ’n jood brengt ’t tot hoogen ouderdom. Zouen we anders, -na zóóveel vervolging, geworden zijn wie we zijn? Wat zeg jij, Rafaël. -Zeg ook ’s wat. Je moet niet zoo ernstig zijn op joùw leeftijd. Neem ’n -voorbeeld an mij. Zou je zeggen dat ’k diep in de zestig ben—maar je -moet niet naar m’n haar kijken. Hahaha! - -ESTHER. Drink u is uit, mijneer de rabbijn. - -HAËZER. Nee. Nee. ’k Ben voorzien. En nou over die kleine kwestie—och, -ze vallen zoo dikwijls voor en je hoeft ’r mekaar niet minder lief om -te hebben—die kwestie, wàt was ’t ook weer? - -SACHEL. M’n zoon.... - -HAËZER. La-la-la—’k weet ’t al—hij wou graag wat van de wereld zien en -nog niet trouwen—nog niet trouwen.—Wel, wel, wel.... En hoe zit dat -zoo, Rafaël?.... Je vader is ’n gekje en jij ben ’n gekje. Jullie zijn -twéé gekjes bij mekaar. Waarom zul je ’t elkander moeilijk maken? En -jij—jij met je gezonde oogen—jij die ’t licht ziet—en de hééle mooie -wereld—hoe kom je op de kinderachtige inval om wèg te willen? Weg—wat -is wèg? Kijk je vader eens an! Zie ’m zitten. Kan-ie ’n stàp alleen -doen?—Weg, wat is weg? Wèg, dat is zijn bij andere menschen. Gekje, -gekje vin je óóit weer ’n huis, waarvan je elk meubeltje ken, élk -hoekje, èlke balk, èlke schaduw. Kijk is rond. Je jeugd vergeet je -nooit. Ben je opgegroeid bij die kast, bij die klok, bij die tafel, -bij, bij, bij wat je maar wil? Weg, dat is breken, brèken met de scheur -in die balk, met de stoelen waar je over klauterde toen je zoo’n kléine -dreumes was.—En onder die lamp hebben we samen gezeten. Weet je nog de -twéé-en-twintig letters, de vijf lange, de vijf korte klinkers... -hahaha! En dan viel de snuif uit m’n neus op ’t gebedenboek—dat heb je -me làter verteld—en je moeder zat dáár—die luisterde—die lachte omdat -jij niet gelooven wou dat de staf van Aaron, die aan ’t huis Levi -toebehoorde—in de tent-der-getuigenis ’n bloem had gekregen—weet je -nog? Wat wil je gekje? Wat krijg je in de plaats als je weg gaat? -Vreemden. Kom je bij andere joden en zit je an de Sjabbestafel dan denk -je an de Sjabbestafel thùis, an je blinden vader die zelf brooge moet -maken, zelf benchen.—En kom je bij chrìstenen en is ’t Vrijdagàvond dan -verlang je naar je soepje èn je pudding—èn naar de kast—èn naar de -lamp—èn naar de klok. Zooals ’n klok thuis tikt, tikt ze nèrgens. -Hoor—En geef me nou nog ’n kopje. - -ESTHER. Zie je—nou lacht-ie zelf.—Malle jongen. Jij trouwt Rebecca—en -ik dans op de bruiloft. - -RAFAËL. Goeie ouwe rebbe.—God gaf dat ’t anders zijn kòn. Maar ’t kan -niet. Nou niet. Later niet. - -SACHEL. Daar heb je ’m wéer! ’k Begin ’r genoeg van te krijgen. - -HAËZER. La-la! La-la-la.—Geen herrie. Met krakeelen bereik je niets. Ik -vraag alleen: waàrom niet, Rafaël? Waàrom niet? De leeftijd van grillen -ben je nou toch te boven. Nooit heb ik ’t je lastig gemaakt. Dat wéet -je. Je ben ’n heele tijd niet in de Schoel [6] geweest—’k heb je niets -gevraagd—ik dwing niet.—Maar noù, maar nòu.... - -RAFAËL. Vraag ’t m’n vader.... - -SACHEL. Hij wil wèg—hij wil weg—om—om—om ’n kwestie van -hàndel—om—om—nooit heb ’k handel ànders voor me gezien.... Maar hij -liégt—ik héb toegegeven, àlles toegegeven—en hij wil niet.... - -HAËZER. Zoo. En nou jij, gekje? - -RAFAËL. Hij heeft gelijk. - -HAËZER. Wat hoeven we dan nog te praten? - -RAFAËL. Maar, zèlfs wanneer ik àlles vergeet wat ik hier—wat ik -hier—van hàndel gezien heb, dan nog kàn ’k niet, wil ’k niet—want -handel en bezit—wérken alléén óm bezit—werken van ’s morgens tot ’s -avonds om géld naar je toe te halen, géld, géld—dat zou ’k niet kunnen, -dat is spótten met ’t leven, dat is bestaan op kosten van -andren—èn—èn—o, goeie rebbe—waarom zeg je ’t niet in de kerk—dat -strijdt tegen de wetten van Mozes.... - -HAËZER. Wéér ’n profeet! In geen tijden hebben we zóóveel profeten -gehad. Handel—bezit—in strijd met de wetten van Mozes. Wel, wel. Dat -wordt ’n theologisch gesprek. Nou maar, dat màg ’k wel. Daar kan ik van -leeren. Als ’t geen Sjabbes was, zou ’k ’r ’n pijp bij opsteken. -Hahaha! Tja-tja, we worden in ’n hoekje gezet. Zoó. Laat nou is hooren. -’k Zit ’r voor... - -RAFAËL. Waartoe zou ’t dienen? Met ’t oprakelen van ouwe dingen, -veranderen we ’t tegenwoordige niet.... - -HAËZER. Heel, héél handig.—Maar zóó laat ik je niet los. Je heb a -gezegd—zeg nou b. En als jij b zegt, zeg ik c en zóó kom je in de val! -Hahaha! We zitten gezellig, niewaar—we hebben allen tijd. En zoo volgen -we ’t goeie wegje om jou ràdikaal van je malle ideetjes te genezen. -Kom, gekje! - -RAFAËL. Wil je? Goed.—Kijk—op ’n dag kwam ik ’n—’n—làmme tegen. Hij kon -niet bewegen, niet loopen, niet staan. Hij zat. Hij zat altijd op -dezelfde plek, dreef handel. Want hij sprák en hij dácht.... - -SACHEL. Zeg maar ’n blinde.... - -RAFAËL. ... hij kende alleen ’t genot van geld en koopwaar. Lang dacht -’k over die ongelukkige na, begreep ’m niet. Hij was geloovig... - -HAËZER. Ja—ja—maar daar zou je ’t niet over hebben.... - -RAFAËL. .... Hij was geloovig. Ik las de boeken van Mozes om te wèten. -Ik las van ’n volk dat groot was geweest in kracht en in moed en in -krijgsroem. Ik las van ’n volk dat tabernakels gebouwd had en grond -verdeeld voor een ièder gelijk. Ik las dat geen renten zouden opgeleid -worden aan den arme.... dat het zévende jaar ’t land en de wijngaard -braak zouden liggen om de behoeftigen te steunen—dat landerijen niet -voor àltijd zouden verkocht worden—„want Mijn is het land, en gij zijt -slechts vreemdelingen bij Mij”—dat ’r een jubeljaar zijn zou en een -lossing.... - -HAËZER. Heel goed. Heel goed. Dat heb ik je zèlf geleerd.... - -RAFAËL. En zooveel meer!... - -HAËZER. En de hàndel, gekje? - -RAFAËL. Handel? Was handel niet veracht? Hoe sprak Jacob van Issachar? - -HAËZER. Heel goed. Heel goed.... Een sterk gebeende ezel, niewaar? -Hahaha! Aardig beeld. Vin je ergens mòoiere beelden dan in ons -wetboek?.... Maar, gekje, je had ’t onder léiding moeten lezen. Nou heb -je hiér wat opgevangen en dàar wat en ’t rèchte weet je niet. - -RAFAËL. Meer dan ’k weet, wil ’k niet weten. - -HAËZER. La-la-la. Daar ken ik je beter voor. Jij ben niet met ’n déél -tevreden. - -RAFAËL. Welke leéring is er te trekken uit wat niet meer leeft? - -HAËZER. Niet meer leeft, gekje? - -RAFAËL. Heb ’k niet bij ’t lezen gevoeld dat ik was in ’n dóóden tijd? -Is ’n kerkhof ’n wandelweg voor lévenden? - -HAËZER. Woorden, woorden, gekje. De geest, niet de letter maakt ’n -godsdienst levend. Met letters kun je vechten, met letters kun je -goochelen. Met letters bewijs je dat groen geel en geel rood is. Met -letters.... Dreef David handel? Dreef Salomo handel? Jà. Getuigt niet -Abraham’s dienstknecht dat de Eeuwige zijn heer heeft gezegend met -schapen, runderen, zilver, goud, knechten en dienstmaagden, kemelen en -ezelen? Gèèn bezìt? Getuigt Mozes niet van Gad’s ruime grenzen? Geèn -bezit? Met letters.... De géést.... De géést alleen—de jóódsche -geest.... We gaan niet àchteruit. We gaan vóóruit. Stel dat Mozes terug -kon komen en God’s wetten opnieuw schrijven—dan zou-die—dan -zou-die—wat-ie zou wèten we niet—maar dan zou-die, en dát kun je wel -voor zeker aannemen—dan zou-die heel wat òngeschreven kunnen laten wat -goed was voor een nomadenvolk dat zich véstigde en niet meer zoo -héélemaal goed voor.... voor ’n volk dat vrij leeft in ’n -christenmaatschappij... Maar ’t lévende, ’t lévende deel—de joodsche -geest.... de jóódsche géést zou die ònveranderd—ik zeg ònveranderd -laten.... En dat is de groote fout, gekje, als leeken snuffelen in -wijze boeken. Die zien ’t oppervlak, de huid, ’t uiterlijke—en—en—en ’t -gòddelijke voelen ze niet.... - -RAFAËL. Ik voel ’t goddelijke van mijn tijd, ’t goede, ’t schoone, ’t -slechte.... Ik voel dat elk begrip van God zich verplaatst, èlke eeuw -ànders wordt, ànders door—door—hoe zal ’k ’t jùllie zeggen?—door ’n -maatschappij die zich verandert, vervalt of verheft. Ik voel dat de -geest waarvan ù spreekt vástgébónden ligt aan ons volk in zijn -ópkomst—ik voel dat we ons ghetto moeten verbreken. - -HAËZER. Ghetto? Ghetto? Hahaha! Hóóren jullie dat? Waar is dat ghetto? -We leven niet meer in ghetto’s, gekje! - -ESTHER. Hij praat as ’n kind. Allemaal schtos! Hij praat as ’n -risschesmaker—de joden maken tegenswoordig de grootste rissches -zèlf.... [7] - -HAËZER. Ghetto? Waar vin je ’n ghetto in ons land? Mag je niet komen -wàar je wil? Ben je niet net zoo goed burger als ieder ander? Heb je -geen joden in de aanzienlijkste betrekkingen? (met climax) Wordt -Eleazar niet aan ’t Hòf ontvangen met éérbewijzen: Wat wil je met je -ghetto? - -SACHEL. Zoo kommen we niet verder. Laten we over Rebecca spreken.—Aaron -kan hier zijn, elk oogenblik.... - -HAËZER. Prachtig gaat ’t. Prachtig. Niet doordrijven. Eérst over ’t -ghetto.... En nou jij weer.—Nee, ’k blijf bij één kopje.... - -RAFAËL. Ghetto? Dat ìk ’t zeggen moet aan ’n rabbijn! Ghetto? Hebben -jullie me niet groot gebracht in léúgens van ras en geloof?.... - -HAËZER. Leugens? Dat pàst je niet! - -SACHEL. Leugens?.... Leùgens? - -RAFAËL. Mocht ’k eten bij ’n christen? Mocht ’k op Vrijdagavond ’t vuur -aanraken, de lamp opsteken, ’n brief openscheuren? Had je daar geen -christen-dienstmeid voor? Gaf je me àndere vrienden—toen ’k ’n kind -was—dan jòden? Ben ’k niet ’n tijd op ’n jodenschool geweest? Werd God -me niet geleerd, Gód, Gòd—door ’n jóód?.... [8] - -HAËZER. Laat ’m uitspreken.... - -RAFAËL. Ghetto?.... De poorten zijn neergehaald, de muren zijn -gesloopt—de gràchten zijn gebleven—de grachten van ònze en hùn haat.... - -HAËZER. Hún haat! Zij hebben vervolgd door alle eeuwen. Wij niet! - -RAFAËL. Onze haat! Onze haat! Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben -ons uit de ghetto’s gelaten—we zijn tóch bij elkander gebleven. We -hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld—nee, schud -je hoofd niet—stràks heb je ’t zelf gezeid.—We hebben ze als vréémden -beschouwd, als vréémden behandeld. Hún vrouwen hebben we.... hebben we -betááld,—onze getroùwd![8] - -HAËZER. Dat is ’n leugen! - -RAFAËL. God hoort me getuigen! - -HAËZER. Gelogen! Driedubbel gelogen! - -RAFAËL. Wáárom ben je nou kwaad, rebbe Haëzer? Waarom làch je niet -meer? - -HAËZER. Omdat je van ’n onbeschaamdheid ben die iemand ’t laatst geduld -doet verliezen! Omdat.... - -ESTHER. Schaam je! Ben jij ’n jóód? - -RAFAËL. Nee. Nièt meer. - -HAËZER. Rafaël, Rafaël bezin wat je zegt! Je wil je blinden vader -verlaten—je weigert als ’n goed zoon te trouwen—je beschimpt ons -volk—je staat in opstand tegen onzen God, den God van Israël, die -genade bewijst tot in duizenden geslachten, maar die wráakzúchtig -is!... „Gij zult.... Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht -hebben!” - -RAFAËL. Goden?... Goden? Hebben we ooit anders dan gòden gekend? (Slaat -het raam open). O, de benauwenis, de benauwenis! Hoe komen we ’r uit! - -HAËZER. Jij ben gek—jij ben gèk! - -RAFAËL. Gek? Hahaha! Gek? Kijk: aan de overzij heb je huizen, huizen -met kamers. En ginder. En verder. En nòg verder. Telkens weer huizen -met kamers en menschen. Overal menschen met gòden. Hahaha! Hahaha! Zie -dan neer, God, door dit gàt. Zoo is ’t op je hééle wereld. Zoo zitten -ze overal, elkander plagend, elkander ophitsend, elkander beliegend. -Zoo verdorren ze tusschen vier wanden, bij hun lampen, bij hun kleine -gepraat over ùw grootheid! Zoo sluiten ze zich op, verdeeld in ùw naam, -vervolgend in uw naam, vervloekend in uw naam! O, die kamers, die -benauwde, heete, wanhopige kamertjes, waar geen frischheid -binnenstroomt, waar ’t groen van de blaeren geel wordt, waar de longen -hijgen en de ziel vermummelt als ’n gestorven bloem! Laat me spreken, -rebbe Haëzer, nou hinder je me niet langer met je spot! Nou ben ìk de -prediker, ìk die geen jood ben, geen jood en geen christen, ik die God -voel in het licht van de zon, in de geuren van den zomer, in den dauw -van ’t veld, in het glanzen van het water, in de bloemen op het graf -van mijn moeder.—Neergesmeten heb je ze, vader, de muurruitjes, -vergeet-mij-nietjes en gouwen! Neergesmeten bij ’t stof van je -vodden!—O, ’k heb meelij met jullie, meelij met je kleine getob, meelij -met je ghètto’s, met jùllie ghetto, met hùn ghetto, meelij met de kamer -hier en de kamers rondom, meelij met al de goden die geen goden -zijn—want de wàre God moet nog komen, de God van de nieuwe gemeenschap, -de gemeenschap zònder goden, zònder slechtheid, zònder slaven!.... - -SACHEL. Dus—dus—as ’k begrijp—as ’k begijp—’t vlamt in ’t donker van -m’n hoofd—as ’k begrijp—dan wil jij heen—dan—dan trouw jij Rebecca -niet.... - -RAFAËL. Hiér was ze straks—en ’k heb ’r geweigerd. Ik kàn niet anders. - -HAËZER. Rafaël.... Rafaël.... - -SACHEL. Sust!... Sust! Laat mijn spreken—’k Heb zoo lang gezwegen.... -Je heb ’r geweigerd...... Ze was hiér.... ....Dan heit die meid -gelogen.... die meid.... dàn... dàn... heit die meid gelógen, wèèr -gelogen... dan... dan.... Wát is ’r tusschen joù... en die meid... -tusschen jou en die Christenméid?.... - -RAFAËL. Die meid!.... - -SACHEL. Je ben sámen op geweest eergisternacht—’k heb je gehoord.—En -straks—stràks—(staat woest op met gebalde vuisten). - -ESTHER. Sachel!... In Godsnaam! - -SACHEL (inzakkend). Vloek! Vloek over m’n -ouwen dag! - -RAFAËL. ’t Is waar. Ik ontken niet. Lang gelejen zou ’k ’t gezegd -hebben. Maar ik aarzelde: diezelfden dag zou je háár uit je deur -getrapt hebben, háár, mijn vrouw.... Noù weét je ’t vader, dat ’t zijn -móét. (af). - - - - -ZEVENDE TOONEEL. - - -Haëzer. Esther. Sachel. - - -SACHEL. Wee! wee! Wee dat ’k dat alles mot ondergaan! Wee! Wee! - -HAËZER. Sachel! Sachel! - -SACHEL (knarsend). Wee! Lag-ie begraven bij z’n moeder! - - - (EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.) - - - - - - - - -DERDE BEDRIJF. - - -Een slop in de jodenbuurt. Aan de achterzijde een gracht met verweerde -pakhuizen. Schemering. Voor den uitdragerswinkel zitten Esther en -Sachel. - - - - -EERSTE TOONEEL. - - -Sachel. Esther. - - -SACHEL. Staat ’r niemand in de poort?... - -ESTHER. Nee.... - -SACHEL. Hoór ’k dan niks? - -ESTHER. Je hoort kinderen in de straat spelen. Hij zal de meid achterop -wezen. Jouw zoon... jouw zóón godbetert! - -SACHEL. Is naastan niemand thuis? - -ESTHER. Wat vraag je weer ’n boel! Néé. Levi en z’n vrouw zijn over -Sjabbes bij d’r dochter. We hebben ’t rijk alleen. En maar goed ook. -Anders wist morgen de heele kille [9] wat voorgevallen is. - -SACHEL. Asof ze ’t morgen toch niet weten—van—van de rebbe—èn van -hèm—èn van die mèid—Die mèid! Waar blìjft die meid? - -ESTHER. Begrijp je niet dat-ie ’r tegemoet is geloopen, d’r alles -gezeid heit, dat ze niet meer dúrft. ’k Zou d’r oogen uit d’r kop -krabbe. As ’k maar kòn. Jouw zóón die zich afgeeft met zoo’n del, met -zoo’n slét! Joùw zoon onder joùw dak! ’t Hoogste woord heb je ’m laten -voeren. Heb je ooit naar ’n gezond woord geluisterd, jij, jij? Heb ’k -je niet honderdmaal gewaarschouwd, as-ie uitbleef, as-ie ons alleen -liet sàppelen? Nou krijg je ’t met rènte terug. Met woekerrente. Nou -oogst je! ’n Zoon die zich vergooit, ’n zoon die de rabbijn as ’n -kwajongen behandelt! De snotneus! Opstaan tegen ’t geloof van z’n -vaderen. Weet-ie ’r véul van! En wàt ’n huwelijk had-ie kennen doen! ’n -Engel, ’n huisvrouw uit duizenden, ’n vrouw die de negotie -verstaat—heit ze ’t niet bij d’r vader geleerd tot in de nagels van d’r -duimen?—’n rechtschapen meissie—en die smijt-ie weg voor oud-vuil om -zoo’n lellebel die nog geen aardappel schillen kan, die geen hemd an -d’r lijf heit, die van handel zooveul weet as de ràt die daar gaat.... - -SACHEL. Ging ’r ’n ràt?.... - -ESTHER. Schrik je van ’n rat, nar? Daar gaat-ie ’t water in. -Afgeloopen.—Dat serpent! Overmorgen verwijt z’m z’n geloof, scheldt ’m -voor jood! Jood en Chris gààt niet samen. Zijn vróúw! Og! Tróúwen! Og! -Die jongen is niet wijs, die mot opgesloten worden—Je zal ’r wat van -beleven! ’t Is om je dood te ergeren. En jij, jij die altijd zoo’n -praas heb—jij—dat je nòù niks zegt, hè? - -SACHEL. Laat me met rust—Ik ben kapot—Ik ben op. - -ESTHER. ’t Most mìjn zoon wezen. ’k Zou ’m leeren. As ’k ’r an denk! -Laat ze is om d’r goed kommen, d’r armeluisrommel! Geen korrel geef ’k -af. Geen zaddoek. Wie heit ’m slecht gemaakt? Wie heit ’m angehaald? -Keek-ie ooit naar ’n vrouw? Heb je ’m zien scharrelen zooas de jongens -van Ruth en van Bram? Wie heit ’m met d’r strèken ingepalmd? Kreeg ze -voor mijn part, kreeg ze ’n ziekte, dat ze morgen krepeerde! - -SACHEL. Schreeuw zoo niet.... Denk an de buren.... - -ESTHER. Buren! Buren! Is ’r iemand thuis? En làten ze ’t hooren! Zal -d’r me één ongelijk geven? Nou héb je je zin—As ìk wat zei wer ’k -afgesnauwd. As ìk wat zei kreeg ’k ’n groote bek. En hij? Hoeveel keer -heit-ie me niet ’t bloed uit me vingers gezogen. ’t Komt je toe. - -SACHEL. Hou op. M’n kop staat ’r niet na. - -ESTHER. De schande—de schande in de kille. - -SACHEL. Ik weet ’t. Je hoeft me niet op te warmen. - -ESTHER. Dat gezicht dat ’k zoo vertrouwd heb!... Dat pestgezicht!... -Gister gaf ’r nog ’n afgedragen japon. Hoe kom ’k zoo gek? Maar ze -neemt ’m nièt mee. Niks geef ’k af. - -SACHEL. Daar is iemand.... - -ESTHER. Nee. Je maakt me zenuwachtig. Laten we naar binnen gaan. ’t -Wordt donker. - -SACHEL. Ik blijf hier. Binnen heb ik geen rust. As-die nou is niet -terugkwam—wegbleef—voor góed wegbleef.... - -ESTHER. Groot verlies! Liever geen zoon—dan zoo een.... - -SACHEL. Jij—jij kan dat zeggen—màkkelijk zeggen—jij heb nooit ’n kind -gehad—Wat heb ’k voor vreugde—voor afleiding—dan... - -ESTHER (verbaasd). .... Huil je, Sachel? Sàchel? - -SACHEL. Nee. Hou je bek! Wie praat ’r van huilen! Ik zeg dat z’n -stem... Maar dat begrijp jij niet—dat kán jíj niet begrijpen—Wàt -begrijp je wel? Steek de lamp an! Nou dan! - -ESTHER. Goddank. Je ben weer gezond. ’k Had me haast ongerust gemaakt. - - (af). - - - - -TWEEDE TOONEEL. - - -Sachel. Aaron. - - -AARON. Zit je daar Sachel? - -SACHEL. Wat mot je? - -AARON. ’t Is wat moois.... - -SACHEL. Wat is ’r moois? - -AARON. Dat met je zóon.... - -SACHEL. Wat gaat joú dat an? - -AARON. Vraagt naar de bekende weg! Wat ’t mijn angaat? Reusachtig zou -’k denke. Og, wat ’t mijn angaat! - -SACHEL. ’k Heb met jóu niks te maken. - -AARON. Je zoon is ’n ploert en ’n.... - -SACHEL. D’r wordt je niks gevraagd.... - -AARON. Waren we accoord—ja of nee? - -SACHEL. Nee. - -AARON. Heeft je zuster niet gezeid, dat ik mijn Rebecca sturen zou?.... - -SACHEL. Weet ’k niet.... - -AARON. Jij weet niks wat je niet weten wil—of ’t mot zwart op wit -staan.... - -SACHEL. Je verveelt me! - -AARON. Jij verveelt mijn al làng! - -SACHEL. Wat doe ’k met jouw gemier! ’k Zal me zoon dwingen as-die joùw -dochter niet wil. Mot-ie zèlf weten! - -AARON. Mijn dochter..... Mijn dochter.... ’n Wèldaad had ze ’m -bewezen.... - -SACHEL. Ik kan jouw weldaden niet gebruiken—en me zoon oók niet. - -AARON. Jouw zoon! Jouw zoon! M’n voeten veeg ’k nog niet an ’m af. Daar -zijn me zolen te goed voor. - - - - -DERDE TOONEEL. - - -Sachel. Aaron. Esther. - - -ESTHER. Dacht ’k wel. Dàcht ’k wel. Hij mot zich wreken. Groot gelijk -heb-ie Aaron—gelijk tot over ’t end van je jaren! Is ’t geen schande -wat ’r gebeurt? - -AARON. Schande? Schande? Jullie wèten nog niks! Jullie weet niet van -van-morgen—wat-ie met mijn Rebecca gedaan heit! - -SACHEL. Kan me niks schelen! - -ESTHER. Mijn wel! Mijn wel! Nòg trekt-ie z’n partij! - -AARON. Heb jij niet gezeid dat Rebecca bij je most kommen? - -ESTHER. Zeker heb ’k ’t gezeid. - -AARON. En is ze niet grienend teruggekeerd? Grienend om ’t affront! -Zat-ie niet met die christenmeid, met die sjikse op z’n schoot? Mot je -zoo mijn dochter ontvangen? Mijn dochter is geen schànddochter! Mijn -dochter is geen vulnis! Mijn dochter kan huwelijken doen, reusachtig! -Mijn dochter hoeft door jóúw zoon niet van de deur gewezen te worden! - -SACHEL. Had ze nièt gekommen! - -ESTHER. Hoor hém! Hoor hém! Daar kan ’k me nou zóo bij opwinden! Daar -sta ’k geregeld bij te beven! O, o, as ’k geen meelij met je had! Mot -je die man nog òngelijk geven? Die man die zich komt beklagen! Die man -die in ’t fatsoenlijke tot je spreekt! - -SACHEL. We hadden geen accoord.... - -ESTHER. Komt ’r wat op an!.... Zoo’n engel van ’n meissie!—Zat ze op -z’n schoot? Zat die vuilik op z’n schoot? - -AARON. Met d’r eigen oogen—met d’r éigen oogen heit ze ’t gezien. En -was ’t daar bij gebleven! Maar beleedigd heìt-ie ’r, geaffronteerd in -’t bijzijn van die méid! Is mijn dochter ’n opraapsel van de straat? -Staat mijn dochter bij jou in de schúld? De brutaaligheid—de -brutaaligheid van die kwajongen! En joùw schuld! Joúw schuld! - -ESTHER. Net wat ’k zei. - -SACHEL. Práten jullie maar. Ik wor zelf ’t zwaarst gestraft.... Voelen -jullie dan geen zier meelij? - -ESTHER. Jij ben te koppig. Jij neèmt je gelijk. Met jou kan niemand -over-weg. - -SACHEL. ’k Heb ’t ’t éérst zien ankommen. Ik vóélde dat ’r wat was. Ik -wist ’t vóor jullie.... - -AARON. Hoor, wat ’n redeneering! Hij ziet ’t ankomme, hij weet ’t voor -ons... En geen mond doet-ie open. As ik in me huis ’n meid heb en me -zoon—hád ’k ’r een!—me zoon die kruipt in d’r bed—dan—dan waarschouw ’k -me zoon—dan ben ’k as vader verplicht te waarschouwen dat-ie niet -blijft hàngen—dat-ie geen strop krijgt—zooas m’n vader-zaliger mijn -gewaarschouwd heit—toen—toen—’t was ’n mooie meid—gekheid, ’t is làng -voorbij—toen ’k in m’n jonge jaren was. Dat ben je as vader verplicht. -En luistert-ie niet—dan—dan roep je de meid—en dan maak je geen -herrie—herrie maakt ’n nàr—en je geeft ’r twintig gulden, dertig, -veertig—as ze lastig wordt honderd—’t is weggesmeten geld—maar as je ’t -niet doet?—as je ’t nièt doet krijg je grijze haren van zorg en -ellende—en, en, en je zet ’r met ’t geld je deur uit—en je neemt ’n -reçu—zonder reçu geen geld—en je belooft as ze stil is en wegblijft nóg -wat geld na máanden.—D’r is geen meid die née zegt—fèl zijn ze op -honderd gulden! Ze doen ’r ’n moord voor.... Nou? Nou? En wat doe jij? -Jij smoest voor jezelf. Jij laat God’s water over God’s akker -loopen—en, en, en, as ’t te laat is maak je lawaai. Maak lawaai vóór ’t -te laat is. Wat is je verdienste dat je ’t heb zien ankommen? Waar laat -je je winst? Nog nooit heb ’k iemand zoo dwars zien handelen, zoo -averechts. ’t Is bijzonder. ’t Is reusachtig. Hèb je je zoon -gewaarschouwd? Hèb je de meid afgekocht? - -SACHEL. Hij laat zich niet waarschouwen.... - -AARON. En de meid? Nou? - -SACHEL. Die laat zich niet afkoopen.... - -AARON. Zal ik jou is wat zeggen? Je mag ’n goed koopman zijn, maar van -die dingen heb-ie geen cent verstand, geen cent, geen hálve cent. Daar -heb-ie de zoon van Salomon—Salomon van de Dwarsstraat. Heb-ie niet -gehoord van de zoon van Salomon? Dan zal ’k ’t je vertelle. Die jongen -had ’n strop—en wát ’n strop. Zoover is joúw Rafaël nog niet eens. Daar -mag je dankbaar voor zijn. Toen Salomon zich d’r mee bemoeide had de -meid al ’n kind. En wat heit Salomon gedaan? Salomon heit z’n zoon op -de reis gestuurd en de meid afgekocht, voor twee, driehonderd gulden, -weisz-ich-viel! En toen ze werom kwam—vertrouwe kan je ze niet—heit-ie -’n agent late komme, ’n agent van politie en toen was ’t uit. Zal ’n -verstandig man anders handele? En handele de christenen anders? Spiegel -je an de christenen. Met geld krijgen joden èn christenen alles gedaan. -Heb je geld? Je hèb geld. Gebruik ’t dan. Eergister zag ik ’n christene -trouwpartij. En bij ’t stadhuis daar had je ’n scène! Daar stond ’n -meid met ’n kind. En die maakte spektakel! Reusachtig. En in ’n oògwenk -was ze gebrocht na ’t bureau! Had ze ’t niet angeleid met ’n heer boven -d’r stand! Had ze niet ja-gezeid! As ze nee zegge gebeurt ’r niks. -Allemaal d’r éigen schuld. As ze niet luistere willen motten ze voélen! - -SACHEL. ’t Is nou te laat.... - -ESTHER. Wat is te laat? D’r is niks te laat. Aaron heit recht. - -SACHEL. Doe wat je wil! Ik ga naar binnen. ’k Heb ’t koud. Ik zeg je—ik -zeg je—d’r valt niks te verhelpen. - - - - -VIERDE TOONEEL. - - -Aaron. Esther. - - -ESTHER. Redeneer daar tegen in. - -AARON. As hij geen verstand heit, heb jij ’t voor twéé. - -ESTHER. As ’k maar kon. - -AARON. Met ’n zoet lijntje krijg je alles gedaan. Sachel is ’n -geweldenaar. Reusachtig. Wat bereik je met geweld? Geen sikkepit. ’t -Doet me hartzeer. Zou je dan denken dat ik me zooveel moeite zou geven -om die snotneus—om die leeglooper—as ’k niet wist dat mijn Rebecca d’r -zinnen op ’m gezet heit? Kan ze ’r niet honderd-duizend krijgen? Met -veel meer geld? Maar ze wil. - -ESTHER. O, dat krèng, dat ’n heele familie verstoort.... As ’k ’r had -onder me handen! - -AARON. Daar heb je d’r waarachtig! - - - - -VIJFDE TOONEEL. - - -Aaron. Esther. Rose. - - -ROSE. ’k Ben laat. - -ESTHER. Wel nee, kind. Welnee. ’k Was al ongerust. - -ROSE. ’t Is ’n schrikkelijk end. ’k Heb ’n uur lang gezocht, kon ’m -niet vinden en toen ’k ’r eindelijk was, moest ’k ’n heele tijd wachten -voor Meijer thuis kwam. - -ESTHER. Nou, da’s niks hoor. - -AARON. Zoo’n lange wandeling is heel gezond, best voor de -spijsvertering. - -ROSE. Hij kan morgen niet komen. - -ESTHER. Kan-ie niet? - -ROSE. Eerst Maandag. - -ESTHER. Best. Best. Heb je Rafaël gezien? - -ROSE. Rafaël? - -ESTHER. ’k Dacht zoo—’k bedoel—Hij ging juist ’n boodschap.... - -ROSE. ’k Heb ’m niet gezien. - -ESTHER. Je zal wel moe zijn, hè? Ga maar binnen. D’r staat wat koud -vleesch .... Maar—maar wacht is.... - -ROSE. Roep u nog? - -ESTHER. .... Dat wil zeggen—dat wil zeggen— - -AARON. Ik wou je wat vragen—’k sprak ’r met de juffrouw over—of—of—zou -jij geen zin hebben—’k val maar met de deur in huis—om—om bij mijn te -kommen?.... - -ESTHER. Dat wil zegge.... - -AARON. Dat wil zegge—laat mijn nou gaan!—dat ’k in de verlegenheid zit, -in ’n gróóte verlegenheid—te lang om zoo in-eens uit te leggen—en toen -sprak ’k zoo.... - -ESTHER. —ja toen spraken we ’r over.... - -AARON. .... Zie je, niet voor gòed—maar zoo tijdelijk—voor ’n paar -dagen, voor ’n week... - -ESTHER. Ja nàtuurlijk.... - -AARON. .... En na die paar weken—ga je weer na Esther terug—of—of ’t -most je zóó bij mijn bevallen! Hahaha!—’t Most je zoo bij mijn bevallen -dat je niet meer terug wil. Esther heit ’r niks op tegen.... - -ESTHER. Dat wil zegge.... ’k Heb ’r ’n hééle boel op tegen—maar je mot -mekaar helpe. - -AARON. En je verdient ’n heele duit extra—Dat kan je mijn overlaten.... - -ESTHER. Dat is waar—dat kan je Aaron overlaten.... - -ROSE (rustig). Dus—ik moet wèg? - -AARON. Wat zeit ze? Je mot? Je mot? Je mot niks! ’t Wordt je vrindelijk -verzocht. Je mot? Je wor niet gedwòngen! - -ESTHER. Hoe kòm je ’r op?.... Nog voor geen góúd! As ’r iemand tevrejen -over je is, ben ìk ’t! Dat weet je. Enkel de kwestie van ’n paar -dagen... - -AARON. Och, ’t is niet de moeite waard om lang over te praten. Mijn -huishoudster is ’r van door—met d’r beminde, hahaha!—en m’n dochter is -de godganschelijke dag in de zaak—zoo kan je ontriefd zitten!.... - -ESTHER. —ja, ’t is ’n last.... - -AARON. Of ’t!—En niewaar: ik doe ’r júllie geen overlast mee? Jij wil -je wel ’n paar dagen behelpen? - -ESTHER. —Je weet wat ’k gezeid heb: liever niet. Maar in de steek laat -’k je niet. Is ’t goed, Roos? - -ROSE. Nee. - -ESTHER. Wat nee? - -ROSE. Ik doe ’t niet. - -ESTHER. Jij doet ’t niet? En wáárom doe jij ’t niet, as ’t je zoo -vrindelijk verzocht wordt? - -AARON. Ja—dat is onzin! Op me woord van waarachtig: je heb ’r geen -nadeel bij. - -ROSE. Dat kan me niet schelen. - -ESTHER. Toon nou geen kop, kind! ’k Meen ’t goed met je—’k zal je niks -anrajen of je komt ’r mee vooruit. - -AARON. Me dochter is ’n zachtzinnig meissie—andere huisgenooten heb ’k -niet.... - -ROSE. Je dóchter....—Nee. - -ESTHER. Blijf hier. - -ROSE. Waarom jaag je me niet weg—zònder omwegen? - -ESTHER. Niemand jaagt je weg, malle meid. Praat ik niet in vrindschap -met je? Je mot niet overal wat achter zoeken. - -ROSE. Je wil me kwijt. Goed. Zeg ’t eerlijk. Mot ’t dàdelijk? - -AARON. Wat ’n opwinding voor ’n bagatel. Laat ìk nou is duidelijk -make.... - -ROSE. ’k Heb met jóu niks te praten. Mot ’t dàdelijk? - -ESTHER. Wel nee! Hoe kom je ’r op? Al wou je járen bij me blijven. Ik -had alleen liéver.... - -AARON. Gekheid! Gekheid! Jij draait ’r om heen. Zoo kom je ’r -nooit!.... Zal ’k jou is wat zegge, meissie: je mag God danke dat je -bij zulke goeie mensche beland ben—ik zou je anders behandele! - -ESTHER. Wat waar is, is waar. ’n Zoon van z’n vader hale—netjes is ’t -niet!.... - -ROSE. Ah! - -AARON. Netjes? Geméén is ’t! - -ESTHER. Gemeen—geméen! Dát zal ’k niet beweren. ’k Kan begrijpe dat ’n -knappe jonge meid ’n oogie laat vallen op ’n knappe jongen—maar alles -heit z’n grenzen.—Je wéet dat ’t niet gaat. Vreemd geloof trouwt niet -met vreemd geloof.—Dat is ’t zondigst wat ’r bestaat. Daar hoeven we -heelemaal niet over te praten. Dat leit voor de hand. Maar ’k neem ’t -je niet kwalijk! God beware! Rafaël is ’n sjieke jongen. ’k Begrijp ’t -best.... - -AARON. ’n Jood met ’n christene vrouw of ’n christen met ’n jodene -vrouw dat gààt niet. Wij zijn oùwer, wij kenne de wereld beter. Jij -komp pas kijke. Trouw jij met een van joùw geloof. Daar doe je wijs an. -Wat niet bij mekaar past mot je niet met geweld bij mekaar brengen. ’t -Ongeluk leit ’r dik bovenop, dikker dan je denkt. - -ESTHER. En nog niet eens van z’n vader gesproken—van z’n ongelukkigen -vader. Sterft-ie niet van hartzeer om wat ’r gebeurd is? Wees jij nou -wijs en ga ’n dag of veertien weg. Dan is Sachel gekalmeerd en kan jij -ook is dénke... - -ROSE. Ik heb niet te denken. Ik hou van hem en ’k laat ’m niet los.... - -ESTHER. Dàt pleit voor je karakter. As je dadelijk jà zei, zou je geen -knip voor je neus waard zijn. D’r is geen meissie over de heele wereld -dat née zeit as ze jà meent—in diè dinge. En—en—’k zal niet bewere dat -je ’m dàdelijk mot láten—dat zou gróóte gekkigheid zijn—’k zal de -laatste zijn om je an te rajen tegen je geweten in te handelen—maar ga -nou is na—ga nou is góed na—hóé wou je hier blijven?—hóé wou je blijven -nou we alles weten.... - -ROSE. Dat wil ik ook niet. Ik ga met Rafaël... - -ESTHER (kwaadaardig). Jij gaat! Jij gáát!.... - -AARON. Stil nou! Niet driftig! Dat geeft allemaal niks. As ik ’n -woordje zeggen mag: ’t is onzin, meid! Reusachtig. In de eerste plaas -kàn ’t niet—in de tweede plaas—às ’t kon—zou ’t nòg niet kennen. Ik heb -joden gekend en christene die ’t gedaan hebben. ’t Ongeluk lag ’r -bovenop—zei ’k straks al—En met jóu kan ’t nog in geen dúízend -jaren—bij wijze van spreken—over duizend jaar zijn we allemaal -dood.—Want let nou is op: is z’n vader blind ja of nee? Z’n vader is -blind. Wat wou jij met die blinde man beginnen? Daar kan je niks mee -beginnen. Die z’n ideejen verander je niet. Wij zijn liberaler. Maar ’n -man van die leeftijd die buig je niet—die bréék je. Wou je bij ’m -inwonen? Nog geen spoog water zal-ie bij je gebruiken, nog geen -handdruk zal-ie je geven. Wou je nièt bij ’m inwonen? Dat wil zeggen -wou je ’m an z’n lot overlaten—we zijn allemaal sterfelijk en Esther is -op leeftijd—wou je dàt? ’n Ramp as je ’t doet! Geen sekonde rust in je -leven. En later de verwijten! Later verwijt hij jou, dat je ’m van z’n -vader gehaald heb—familie blijft familie! Later heb je allebei -spijt—dat wil zeggen—as ’t kon dat jullie samen—maar ’t kàn niet.... - -ESTHER. Heel verstandig. En as je luistert ben je góed af.... Met -plezier heb ’k ’r wat voor over.... - -ROSE. Wat voor óver? - -ESTHER. ’k Ben nìet rijk.... ’k Leef zelf van me broer—maar as je ’t -dée—as ’n góed kind—as ’n verstandig kind—dan kreeg je buiten je loon -’n.... ’n.... - -AARON. Zeg vijftig gulden! - -ROSE. O! O! Vijftig gulden! - -ESTHER. Honderd! Daar! Honderd guldens is ’n boel geld. - -AARON. ’n Héele boel. En trouw je later met ’n fàtsoenlijke -burgerjongen—dan schiet ’r nòg wel wat over. - -ESTHER. En alles wat ’k je gegeven heb, kan je houen—en ik reken je -maand vol-uit.... - -ROSE. O, tuig, tuig! Vervloekt tuig! - -ESTHER (snerpend). Wat zeg je, jij slét! - -AARON. Stil nou! Maak geen burengerucht! Jullie begrepen mekaar niet. -Gebruik nou je hoofd, stomme meid! ’r Komt tòch niks van, niks—tusschen -jou en die jongen. ’t Kan niet. Je heb ’t vooruit geweten. Je ben de -eerste niet. Je zal de laatste niet zijn. Ga dan niet op je achterste -pooten staan. Wat bereik je ’r mee? Dat wij geweld met gewèld keeren. -Want wij hebben ’t recht op onze hand!—En as je dat weet—handel -verstandig—neem wat je krijgen kan.... - -ESTHER. Twéé honderd guldens hebben we ’r voor over.... - -AARON. En doe je ’t niét—dan ben je éven ver, dan win je geen zier—dan -wor je zóó an de deur gezet.... - -ROSE. Ik laat me niet an de deur zetten! Ik vraag m’n man. Anders niet! - -AARON. Je man! Hahaha! - -ESTHER. Je man? Je man? - -ROSE. Mijn man! Mijn man die jullie me niet ontnemen kunnen! Mijn man -die eerlijk en groot is! Mijn man die niet buigt voor jullie gèld, zoo -min als ik ’t doe! O! O!... Dat ze me zóo iets kunnen andoen! - -AARON. Jouw man? Wiè is jouw man? Ben je dan heelemaal doof meid, dat -je niet begrijp—na zooveel, zóóveel woorden—dat-ie met mìjn dochter -trouwt? - -ROSE. Dat lieg je! - -ESTHER. Jij liegt gemeen schepsel die onze jongen angehaald heb, -angehaald met je hóerestreken! - -ROSE. Niks van je beleedigingen voel ’k. God heeft ’t gewild! Júllie -halen ons niet van elkaar! - -AARON. Hahaha! Nou wordt ze prachtig—as in ’n bóék! Ik lach me ’n -ongeluk! As je ’t dan weten wil: vanmiddag is ’t ’r door gegaan, vàn -mìddag.... - -ESTHER. En daarvoor hebben we je uitgezonden! - -AARON. En over vier weken trouwen ze! - -ESTHER (krijschend). Versta je? Versta je? En nou me deur uit! Me deur -uit! En geen stuk neem je mee! Me deur uit! Op staande voet! - -ROSE. Nee-nee! Ik ga niet zonder hém! Jullie, belíegt me! Anders zou je -geen géld gebojen hebben! - -AARON. Wie zegt je, dat hij ’t niet verzocht?... - -ROSE. Wàt zeg je? - -AARON. Heb ’k ’t zélf niet gehoord dat we tot twééhonderd gulden -mochten gaan? - -ROSE. Je liegt! Je liegt! O, kerel wat ben je laag! - -AARON. Lieg ik? Hoor je dat Esther? Zal ’k ’r ’n vloek op doen? - -ESTHER. Laat ’r gaar koken in d’r eigen vuil! ’k Heb ’r genog van! -(hàrder krijschend). Jij serpent durf jij ’t hoogste woord voeren? Jij -die ongeluk brengt over ’n heele familie! Jij! Jij! Wat doe je nog -hier? Wat let me of.... - -AARON. Kalm nou! Kalm nou! Brand je vingers niet! Ze wéét ’t nou. Ze -weet dat Rafaël binnen ’n maand trouwt en dat-ie ’r twééhonderd gulden -biedt—en geen cent meer—versta je: twééhonderd gulden òm vàn jè àf tè -kòmmen. - -ESTHER. En me huis niet meer in! Geen voet meer over me drempel! Geen -voet hoor! - -AARON. Gelijk heb je. Laat ’r maar uithuilen.—As je nou dádelijk bij -mijn thuis komt is de zaak in orde. ’t Geld leit klaar. Op die jongen -hoef je niet te wachten. Die is weg. - -ROSE. Weg? - -AARON. Weg voor ’n hééle poos. - -ROSE. Waarheen? - -AARON. Dat mag ik je niet zeggen! - -ROSE. O God, belieg me niet! Belieg me niet! - -ESTHER. As-ie nièt weg was, had j’m al lang gezien. ’n Bewijs dat Aaron -de waarheid zeit. - -AARON. Nou? Neem je ’t an? - -ROSE (suffig). Ik weet ’t niet.... Ik weet ’t niet.... Ik wor gek.... -Ik kan niet meer.... O lieve heer Jezus!.... - -AARON. Sust! Niks meer zeggen.... ’t Kòmt in orde. Nou. Nou. We loopen -’n grachie om. Bedenk je terwijl. Op straat kan je niet slapen. - - (Af.) - - - - -ZESDE TOONEEL. - - -Rose. Sachel. - - -SACHEL. Mot ’k de heele avond alleen blijven? Hoor je niet, Esther. - -ROSE (angstig-opschrikkend). Ik ben ’t.... - -SACHEL (woest). Jij! Jij!.... - -ROSE. O God—doe me niks—doe me niks—’k Ben zoo bang voor je. - -SACHEL. Wat mot je nog hier? - -ROSE. Ik weet ’t niet.... - -SACHEL (woest). Durf jij nog.... - -ROSE. O nee..... ’k durf niks..... ’k zal wel gaan.... as je maar -niet.... - -SACHEL. .... Ik zal je niet vermoorden.... Ik zié je niet, ’k heb geen -kracht meer—jij, uitvaagsel!... Jij, jij, jij.... - -ROSE. Ja—ja—Je heb gelijk—je heb gelijk—’k Ben suf—In Godsnaam—In -Godsnaam drijf me ’t wàter niet in! - -SACHEL. .... ’t Water.... - -ROSE. Kwam-ie maar.... Kwam-ie maar.... O Rafaël! Rafaël!... - -SACHEL. Hou je bek! Ruk uit! Ruk uit, zeg ’k je! - -ROSE (smeekend). Zeg dan of ’t waar is..... Jij ben blind—Je ziet niks -dan donker—Jij kan niet liegen—dat voel ’k—hoe zou jij kunnen -liegen—zeg of ’t wáár is dat-ie met Rebecca trouwt.... - -SACHEL. Dat raakt je niet! Ruk uit! Of ’k zal je weg-ranselen—met me -ouwe handen!... - -ROSE. Ik heb je niks misdaan, nooit wat misdaan! Zeg of ’t wáár is! -Sachel! Sachel! - -SACHEL. Niks misdaan? En m’n zoon?... M’n zoon? - -ROSE. O, praat daar nou niet over! Nou niet!—Trouwt-ie Rebecca? -Trouwt-ie Rebecca? - -SACHEL. Dacht je dat-ie joù trouwen zou, jou, ’n christin, jou, ’n -méid! Wou je méér zijn dan z’n tijdverdrijf, meer dan z’n bijslaap? - -ROSE. O! O! Lieg jìj niet! Ze hebben me geld gebojen, géld! Ze hebben -me willen afkoopen... Ze hebben me neergetrapt erger dan ’n hoer! Hoor -me nóu! Hoor me! Wat hebben jullie an m’n ongeluk. Niks heb ’k op de -wereld. Niks. En ’k hou zoo van ’m, zoo alles. Wat kan ’t me schelen of -jullie joden zijn. ’k Denk ’r niet an. ’k Vraag ’r niet na. ’k Hou van -jullie allemaal, van jou en van Esther, van wie hier komt. Als ’k maar -blijven mag, blijven. Enkel blijven—als-ie háár maar niet trouwt! O -Sachel, Sachel, draai je gezicht niet af. Je hoort da’k haast -krankzinnig wor. ’k Zal goed voor je zijn. Je zal niet te klagen -hebben, nooit, nooit! ’k Wil jodin worden, alles wat je maar zegt. -Alles. Maar jaag me niet weg. Ik kan niet leven alléén, zònder hem. Kom -nou. Toe nou!... Zég ’n woordje... Je maakt me bang met je oogen. Kijk -me zoo niet an, Sachel! - -SACHEL (rauw). Raak me niet an. Had ’k je liever gewurgd voór ’k je in -me huis nam—jij.... - -ROSE. ... Scheld niet! ’k Ben kapot genoeg! Zeg ’t! Zeg dat Aaron -gelogen heeft, dat-ie me niet in de steek laat! - -SACHEL (hard). Blijf van me af, ongeluksmeid, bedriegster! Was -gekrepeerd de dag van je eerste ontucht! Was.... - -ROSE. Ja-ja. Vloek me. Vlóek me! Maar lieg niet! Zeg wat je wil, alles -goed, alles goed!... Is ’t wáár?... Ze hebben me.. O, ’k wor gek... - -SACHEL. Jij heb mijn jongen... Heb je an mijn gedacht.... An mìjn ouwen -dag?... - -ROSE. Nee. Ja.... Verwijt nou niks.... ’t Is niet meer te verhelpen... -’k Wil ’t wel goed maken, als ’t kán, als ’t kán... - -SACHEL. ’t Kan niet meer. Ruk uit! - -ROSE. O nee, nee... Wéet wat je doet, Sachel! Sachel, weet wat je -doet!... - -SACHEL. ’k Weet wat ’k doe, ’k weet dat ’k je haat, ’k weet dat ’k je -bloed zou kunnen drinken... - -ROSE. Goed. Goed. Haat me. Vervloek me. Verwensch me. Maar de waarheid! -De waarheid! Jij kán niet liegen, jij met je blinde oogen! Ze wouen me -tweehonderd gulden geven—zeien dat ’t van Rafaël kwam, dat-ie weg is, -me verschopt.... O, dat is schrikkelijk, niewaar Sachel,—schrikkelijk -om zóó je eeden te breken!.... Toe nou! Toe nou! ’k Sta voor je te -beven.... Zeg dan iets, iets... Als ’t waar is—als—als—dan—verdrink ’k -me voor je oogen, dan wil ’k niet langer leven, geen oogenblik langer. -Want wat heb ’k dan nog? Dan heb ’k niks meer, niks, niks! O, jij weet -niet wat niks is!... - -SACHEL (dof). Ik? Ik? Ik zou ’t niet weten! - -ROSE. O jij ook. Jij ook. Maar niet zoo! - -SACHEL (zachter). Niet zoo? Wat heb ik dan! Ik?... - -ROSE. Jij.... jij.... O je ben óok ongelukkig.... Maar je leeft.... je -weet niet wat liéfde is.... Je weet niet.... Toe! Toe! We zullen goed -voor je zijn.... We zullen.... Je heb alles in je eigen hand.... - -SACHEL (snauwend). ’k Mot niks van jou -hebben! - -ROSE. Hahaha! Dan hebben ze gelogen! Dan heeft Aaron gelogen! Dan heeft -Esther gelogen! Dan.... Dan.... Als ’t waar was zou je ’t zeggen. En je -zegt niks! Als-ie vanmiddag beloofd had Rebecca te trouwen zou jij ’r -om làchen, had je al lang geroepen jà, jà! Hahaha!... O, nou lukt ’t -niet! Nou wacht ’k—nou wacht ’k op ’m de heele nacht!.... - -SACHEL (woest). Wacht niet—wacht niet—hij -komt nièt! - -ROSE. Hij komt! Hij komt! - -SACHEL. Hij komt nièt.—’t Is wáár! - -ROSE. Zweer ’t! Zweer ’t Sachel! - -SACHEL. Laat me met rust slet van m’n zoon, slet die an me tàfel zat, -slet die me bedrogen heeft, onder me eigen dak! - -ROSE. Zweer ’t, toe! ’k Geloof jóu. ’t Water is zoo dichtbij.... ’k Ben -gèk, gèk.... drijf me ’r niet in met ’n leugen.... - -SACHEL (heesch). Verdrink je voor mijn part! Mot ik je terughouen, ik, -ik? - -ROSE. O, wees niet zoo wreed.... - -SACHEL (woest). Alles is waar. En verdrink je nou! Jij—jij—jij je -verdrinken!... Jouw sóórt, verdrinkt zich niet! - -ROSE. Dus hij komt niet terug? - -SACHEL. Nee! Vort! - -ROSE. Zweer ’t... Zweer bij de geboden op de post van je deur.... - -SACHEL (legt vluchtig de hand op de mezoesos). ’k Zweer.—’k Zweer.—En -nou wèg! Dat geld kan je krijgen.—Dat gèld.... - -ROSE (versuft) ... Dan... dan... ja, dan... lieve Jezus.... - -SACHEL (angstig). Waar ga je heen?... - -ROSE. Nergens.... nergens.... - -SACHEL (schreeuwend). Niet bij ’t water kommen! Niet bij ’t water!... -(zij springt in de gracht)... God! ’t Is niet waar, Rose! Rose! (bukt -zich naar het water). Hier is m’n hand! ’n Stok! ’n Stok! Is ’r geen -stok! Waar ben je? Antwoord dan! Hoor je me niet? O! O, -godlief—godlief—O! O! (bonst op de deur van den buurman). Levi! Levi, -doe open! Niemand thuis! (bukt opnieuw bij den walkant). Hier is m’n -hand. Hier! Hier! Geef dan antwoord!... Hou je mond niet! God, God, -laat ’r niet verdrinken. Rose!—Roòòòse!—O, geen geluid!... Geen enkel -geluid!... (wankelt naar de bank voor den uitdragerswinkel). - - - - -ZEVENDE TOONEEL. - - -Sachel. Esther. Aaron. - - -ESTHER. Is die meid wèg? Heb je die meid niet gezien? - -SACHEL. Die meid!... Die meid!... Wàt meid? - -ESTHER. Je maakt me schrikken! Wat scheelt je?—(tot Aaron). Mooie raad -die je gegeven heb! Nou is ze vòrt... - -SACHEL. Zachies pratén. Zachies. Zachies. - -ESTHER. Je lijkt wel gék!... Wat mot je toch!... - -SACHEL. Laten we naar binnen gaan—naar binnen. - -AARON. Hij klappertandt—hij heit koorts... - -SACHEL. Dat lieg je!... Ik klappertand niet!... Ik, ik, ik..... - -ESTHER. Waarom gil je zoo?... - -SACHEL. Sust! - -ESTHER. Schei toch uit! Ben je ’n man of ’n kind? - -SACHEL. O! O!... Jullie motten bij me blijven—de heele avond—de heele -nacht—me niet alleen laten! Kom nou.—Kom nou! De deur dicht. Stevig -dicht. God-lief! - - - - -ACHTSTE TOONEEL. - - -Rafaël. Sachel. Esther. Aaron. - - -RAFAËL. Wat gebeurt hier? - -ESTHER. Hij vraagt wat ’r gebeurt!... - -AARON. Durf jij dat vragen!... - -ESTHER. Vermoorden doe je ’m, die ouwe man! Kijk in wat ’n toestand je -’m gebracht heb! - -AARON. Ben jij ’n zóón? ’n Ouwe blinde vader die je krankzinnig -maakt!... - -SACHEL. Niet zoo hàrd praten! - -ESTHER. Steek dan je pooten uit en breng ’m naar binnen! - -RAFAËL. Kom vader! - -SACHEL. Weg jullie tuig!—Alleen m’n zóón. O, Rafaël, lieve jongen, -goeie jongen! Wat motten jullie van me? ’k Ben ziek, ’k ben op. Laten -we naar binnen gaan! Vóór Levi thuis komt. Weg jij! - -ESTHER. Hou je daar bij in! Dat mot je ànhooren!... Kindsch wordt-ie. - -RAFAËL. Wees stil! Zìe je niet dat-ie ziek is.... - -ESTHER. Heb ìk ’r schuld an—jij, leeglooper!... - -AARON. ’k Zou háár nog verwijte!... Og, dat loopt de spuigaten uit!... - -ESTHER. Ziek? Ziek? Had ’m niet z’n kop gek gemaakt met die meid, met -jouw slêt!... - -RAFAËL. Mijn slèt... Pas op! ’k Ben in geen stemming om je vuilheden an -te hooren!... - -ESTHER. Mijn vuilheden? Mijn vuilheden?.... Ongeluk!... Daàr zit jouw -werk! In je graf zal je nog geen minuut rust hebben—jij niet en die -slet niet!... - -RAFAËL. Pas op!... Pas op!... Je kent me nog niet! Als je m’n vrouw met -één woord beleedigt als ze daar thuis komt... - -ESTHER. ’k Lach om je dreigementen! Zijn vrouw! De meid die mijn vuil -gereinigd heit! Zoek ’r! Ze is goddank vort... Met ’n fooi was ze af te -koopen!... - -RAFAËL. Beest!... - -SACHEL. Niewaar! Niet gelooven, Rafaël. Ze liegt ’t... - -RAFAËL. Waar is ze dan? - -SACHEL. ’k Weet ’t niet! ’k Weet ’t niet! ’k Heb ’r niet gezien! - -RAFAËL. Waar heb je ’r heengezonden dat ze zoo lang wegblijft? Uren -wacht ’k voor niks. - -ESTHER. Hij maakt zich bezorgd over dat krèng! (Gerucht). - -RAFAËL. Stil! (loopt op de gracht toe). - -SACHEL (schreeuwend). Niet bij ’t water!..... - -ESTHER. Schreeuw toch zoo niet. - -AARON. Ze kommen door de poort... - -SACHEL. O! O! - - - - -NEGENDE TOONEEL. - - -Sachel. Esther. Aaron. Rafaël. Bewoners. - - -EEN BEWONER. We hebben ’n vrouw opgehaald... - -SACHEL. Weg ’r mee! - -RAFAËL. Rose!... - -EEN BEWONER. Ze lag voor de tralies van ’t riool bij ons... ’k Wou -water scheppen... - -RAFAËL (tot Esther). Dat heb jij gedaan!... - -ESTHER. Ik? Zoo waar hoort me God... - -RAFAËL. Roep God niet an! Moordenaarster! Jij en hij!... - -ESTHER. Je ben krankzinnig! - -RAFAËL. O, m’n liefje, min hartje! Gòd, God, Gòd... - -ESTHER. Laat me los... - -RAFAËL. Zeg op! Zeg op!... - -ESTHER. Je breekt m’n pols, lafbek! (Bewoners rukken Rafaël los). - -RAFAËL. Jullie heb gelijk—gelijk.—Liefje, liefje! D’r haren—d’r mooie -blonde haren—vol slijk!—En d’r oogen—d’r mond.—Kijk d’r mond!—Gestikt -bij ’n riool—bij ’n riool! O, wat hebben jullie gedaan! - -AARON. As je naar rede wil luistere... - -RAFAËL. Naar rede? (razend). Schurftige moordenaar!..... - -SACHEL. Rafaël!... - -RAFAËL. Weg van me vader!... - -SACHEL. ’k Kon ’r niet tegenhouen... - -RAFAËL. Jij?... jij!... - -SACHEL. Rafaël!... - -RAFAËL. Dus—Dus—Ze was hier met jóú? - -SACHEL. O! O!... - -RAFAËL. Je was ’r bij?... - -SACHEL. Ja-ja... - -RAFAËL. ... Je heb ’t geweten!... - -SACHEL. Ik wou—Ik wou—O, m’n jongen. - -RAFAËL. En al die tijd—Je opwinding—En je heb je bék gehouen!... - -SACHEL. Godlief! - -RAFAËL. —Dus—dus—Jìj heb ’r in ’t water gejaagd, jíj!... - -SACHEL. O, o, m’n jongen! - -RAFAËL. —Je wou de deur grendelen—stevig grendelen—je wou—terwijl zij -in die gracht lag, in die gracht van stinkend water—Breng ’m weg! Breng -weg die kérel dat ’k ’m niet wùrg!... - -EEN GRIJSAARD.... Zoo mot je niet tekeer gaan tegen je ouwe, blinde -vader!... - -RAFAËL. M’n vader! Hahaha!... - -ESTHER. Zelf ben je oorzaak. ’r Most ongeluk van kommen. ’n Jood met ’n -christin!... - -AARON. Dat ’s de straf van Gòd... - -RAFAËL (smartelijk). God? Welke God, stumpers? - -EEN GRIJSAARD. De God van de joden... - -RAFAËL. Hahaha!—Van de joden!—Van de joden! O, hoon, hoon! Hoon van den -waarachtigen God, die van geen grenzen weet! (neerzinkend) Rose, -Rose.... - -EEN BEWONER. ... Laten we ’r weer opnemen... - -RAFAËL. Blijf af! - -SACHEL. Rafaël! Rafaël! - -RAFAËL. Weg! Weg!... Niks heb ’k met jòù te maken!... - -EEN GRIJSAARD. ... Denk an je plichten als zóon... -Wat gebeurd is—is gebeurd. - -RAFAËL. ... Plichten—Wat gebeurd is—is gebeurd—Plichten—(extatisch) O, -’k hèb plichten, gróóte plichten, plichten opgelegd door den God dien -jullie niet kennen en de christenen niet kennen—plichten, gróóte -plichten. (hij verlaat het slop). - -SACHEL. Rafaël! Rafaël! - - - EINDE VAN HET LAATSTE BEDRIJF. - - - - - - - - - Amsterdam, 15 Sept.—9 Nov. 1898. - - - - - - - - -BIJLAGE. - -Op de blz. 40 en 76 is een noot aangebracht. Die gezegden van Rafaël -werden bij latere opvoeringen achterwege gelaten, na een -correspondentie tusschen de „Nederlandsche Tooneelvereeniging” en den -schrijver. Te curieus is de historie om haar onvermeld te laten: - - - Amsterdam, 4 Januari 1899. - - Den WelEd. Heer - Herm. Heijermans Jr., - Alhier. - - Geachte Heer! - - Ik ontving van den heer Franken, hoofdcommissaris van politie, een - uitnoodiging om naar aanleiding der Ghetto-opvoeringen even bij hem - te komen. - - Aan dat verzoek voldeed ik heden. - - De heer Franken wenschte in Uw stuk te doen wijzigen de gezegden - van Rafaël op blz. 40 en 76. Ik wees hem er op, dat in geen der - vijf voorstellingen, die plaats gehad hebben, deze gezegden tot - eenige rustverstoring, zelfs niet tot gefluit aanleiding gegeven - hebben en dat trouwens elke voorstelling een stijgend succes had. - De heer Franken bleef evenwel in overweging geven, deze gezegden te - verzachten of achterwege te laten, daar bij eventueel voorkomende - wanordelijkheden de voorstelling onherroepelijk verboden zou - worden. - - Wilt U mij even omgaand mededeelen of U de gewenschte wijzigingen - wilt aanbrengen? - - Na beleefde groeten - Hoogachtend, - n. d. N. T. V.: - - Uw dr., - A. v. d. Horst, - - - - - Amsterdam, 4 Januari 1899. - - Den WelEd. Heer - A. v. d. Horst, - President-Directeur der „Nederlandsche Tooneelvereeniging”, - Alhier. - - Geachte Heer, - - Het doet mij genoegen dat de heer Franken, hoofdcommissaris van - politie, wiens critische bekwaamheden op letterkundig terrein ik - volkomen erken, zulke bescheiden wijzigingen verlangt. Ik ben het - met U eens dat geen der drie gezegden eenig protest, laat staan - „rustverstoring” ontlokte tijdens de 5 eerste voorstellingen. Om - echter in Uw belang te voorkomen dat ’s heeren Franken’s inzichten - zich plotseling mochten verwerkelijken—de wegen der politie zijn - ondoorgrondelijk—zal ik morgenavond vóór de voorstelling dezen - „Grober Unfug” verwijderen. Waarom zouden wij mijn litterairen - collega Franken ’t pleiziertje misgunnen? - - Zeer de Uwe - Herm. Heijermans Jr. - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Meisje.—Bewerker. - -[2] Zie Bijlage. - -[3] Genesis 1:28: פְּרוּ וּרְבִוּ וּמִלְאוּ אֶת־הָאָרֶץ.—Bewerker. - -[4] Gebedsriemen.—Bewerker. - -[5] בְּרית מִלָה, besnijdenis. - -[6] Kerk. - -[7] Rissches: aanstoot. - -[8] Zie bijlage. - -[9] Gemeente. - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK GHETTO *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
