diff options
Diffstat (limited to 'old/65536-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/65536-0.txt | 17370 |
1 files changed, 0 insertions, 17370 deletions
diff --git a/old/65536-0.txt b/old/65536-0.txt deleted file mode 100644 index cdc2faf..0000000 --- a/old/65536-0.txt +++ /dev/null @@ -1,17370 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Hilda van Suylenburg, by Cécile De Jong van -Beek en Donk - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Hilda van Suylenburg - -Author: Cécile De Jong van Beek en Donk - -Release Date: June 5, 2021 [eBook #65536] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file - was produced from images generously made available by The - Internet Archive/Canadian Libraries) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HILDA VAN SUYLENBURG *** - - - - HILDA - VAN - SUYLENBURG - - - DOOR - C. GOEKOOP-DE JONG VAN BEEK EN DONK. - - - 3e DRUK. - - AMSTERDAM, - SCHELTEMA & HOLKEMA’S BOEKHANDEL. - 1898. - - - - - - - - - -Hilda was juist aangekomen. Het laatste gedeelte van haar reis, -tusschen Utrecht en den Haag, had ze alleen in den coupé gezeten, -alleen met het steeds sterker wordend besef van een nieuw huis, een -nieuwe vreemde omgeving die haar wachtte. Droomend en mat, in doffen -weemoed had zij achterover geleund en gestaard naar buiten tot het haar -was geweest als of zij stilstond en het landschap haar voorbij vloog in -een rondende beweging van kromme lijnen. Een wee gevoel van iets -onbekends, iets onbehagelijks had haar doorstokt bij het stilstaan van -den trein en toen er niemand aan het station was geweest om haar af te -halen dan de livreiknecht die haar naar het rijtuig had gebracht, was -er een duizeling over haar gekomen van eenzaamheid, en bang -terug-verlangen naar huis. - -Moe, met het veerkrachtlooze dat komt na lang hartstochtelijk geween, -zette ze zich neer in het zachte satijn der kussens, waarvan de -glanzing haar gladde rouwkleedje nog doffer en zwarter maakte. Zij zag -uit het raampje. Prachtig lag het groote Bosch in rijk najaars getint -van goud en rood en bruinend groen vóór haar. Het was vier uur, de -Octoberzon straalde met warm geel licht op het landschap neer en lange -rijen wandelaars, vooral veel dames in nieuwe, elegante -najaarstoiletten, brachten drukte en vroolijkheid langs den zoom van -het Bosch en den Bezuidenhout. Maar Hilda zag het nauwelijks, lusteloos -voelde ze zich voortdragen, en het feestelijk mooie dat den Haag op dat -oogenblik voor elken vreemdeling bekoorlijk moest maken, vermeerderde -door zijn contrast met haar stemming nog de onrust die in haar was. -Eindelijk, op het Nassauplein voor een van de grootste huizen, hield de -equipage stil en zwijgend volgde Hilda den huisknecht langs de gang en -de trap op met de mollige tapijten, die geheimzinnig elken voetstap -onhoorbaar maakten, naar boven naar den salon. Hier, met een schel -gevoel van pijn ontwaakte zij weer tot volkomen bewustzijn. De scherpe -helderheid, waarmede in haar hoofd gewoonlijk elke indruk werd -weerkaatst, keerde terug, nadat het doezelen in den trein, voorafgegaan -van een langen nacht vol tranen haar de betrekkelijke weldaad had -geschonken van eenige oogenblikken in dofheid niet voelen, niet denken. -Zij zag om zich heen. Het was de schrijnende indruk van dat salon met -grooten rijkdom maar zonder eenig kunstgevoel gemeubeld, die haar had -geprikkeld tot wakker worden. Haar oog gleed langs de geel damasten -behangsels en de gouden meubeltjes met rood peluche en een warreling -van goud en rood kwam in haar oogen tot zij ze een oogenblik sluiten -moest. - -Toen echter voelde zij de warme zonnestralen, die nauwelijks door de -kanten gordijnen getemperd, naar binnen stroomden en het geheele -vertrek besprenkelden met een cascade van licht, met felle flikkeringen -als van gouden tientjes. Onwillekeurig volgde haar blik een dier -spelende zonnestraaltjes, dat door een trillenden nevel van goudstofjes -recht neerschoot op de pendule, een groote bronzen negerknaap in rijk -verguld gewaad, en dat zich vasthechtte aan zijn mutsje. Hilda zag het -glinsteren, en het warm bruin gezicht van het beeld scheen onder den -glans te gaan leven; brutaal staarden de oogen haar aan. Onrustig -wendde zij toen het hoofd om, en nog jaren later als zij op dit zelfde -uur, in deze kamer binnen ging en zij zag dit zelfde licht op het -gouden mutsje vallen, beving haar dit zelfde gevoel van onrust. Kleuren -evengoed als klanken spreken soms hun eigen taal en in dit vertrek vol -goudglans en purper en kostbare smakeloosheid, en in de hol cynische -oogen van het pendulebeeld lag een onbeschrijfelijke indruk van -trotsche domheid en leegen, banalen rijkdom. - -Hilda stond nog onbewegelijk in het midden der kamer en met angst drong -de gedachte in haar door: „En dit is nu voortaan mijn tehuis!” Toen -gleed haar blik achter het beeld naar den grooten spiegel en zij zag -zich zelve staan, heel vreemd in al dat goud. De oogen leken zoo groot -en donker met de diepe, blauwige kringen er onder. Zij verslonden het -heele gezichtje en ’t was als of het bleekrose van wangen en voorhoofd -en daarboven het rouwkrip van het hoedje niets waren dan een lijst om -die vragende, strakke oogen. - -Maar op dit oogenblik werd de deur geopend en een elegante vrouw van -rijperen leeftijd kwam snel op Hilda toe, de beide handen uitgestrekt -en op de lippen dat vleiend banale welkomstwoord, dat aangenaam kan -aandoen als men een huis als gewone gast is ingekomen, maar dat als een -kille tochtwind beroert wanneer het komt in de plaats van het -hartewoord. - -Maar Hilda overwon de huivering van haar impressie en vriendelijk kuste -ze de toegestoken wang van haar tante, de eenige zuster van haar vader, -die haar zoo lief had aangeboden om haar bij zich in huis te nemen nu -ze door haar vaders dood alleen was achter gebleven. - -„Ga zitten, lieve kind en vertel me eens hoe was je reis?” zeide -Mevrouw van Starren in haar vriendelijken ijstoon. „Je hebt het toch -niet kwalijk genomen niet waar? dat niemand je kon komen afhalen? Mijn -man had een vergadering. Edward is in ’t zuiden, zooals je weet, ik -zelf durf met dien kouden wind niet naar zoo’n tochtig station en de -beide meisjes moesten verkoopen vandaag op den Zendingsbazaar.” - -Hilda glimlachte beleefd. „O! nee, zeker niet. Ik zou het heel naar -hebben gevonden als iemand zich voor mij gederangeerd had. Hoe is het -met uw gezondheid tegenwoordig?” - -„Dat gaat nog al. Mijn kuur van den zomer in Ems heeft me veel goed -gedaan, maar ik moet toch nog altijd wel oppassen.” - -Zij zwegen even en observeerden elkaar met glimlachende lippen en -scherp kritische oogen. - -„Je ziet er een beetje moe en bleek uit, was het erg benauwd in den -coupé?” - -„Ja heel benauwd”, zeide Hilda, zonder te begrijpen wat zij eigenlijk -zei. Het trof haar onaangenaam dat hare tante zoo volstrekt niet op -hare vader leek en zulke fletse, rustelooze oogen had en zulke slappe -handen, die voortdurend zenuwachtig met den zakdoek speelden. - -„Heb je veel bagage meegebracht, behalve de twee koffers, die gisteren -gekomen zijn?” - -„Niet veel”, zij glimlachte even. „Toilet had ik natuurlijk in -Suylenburg haast niet noodig. Maar u zult mij wel een beetje raad -willen geven wat ik hier aanschaffen moet.” - -„Zeker, beste kind. De meisjes zijn nu ook juist bezig om haar -wintergarderobe te bedenken, je gaat toch zeker uit den rouw?” - -Hilda kleurde even. „Ik heb eigenlijk nog niets geen lust in uitgaan en -lichte kleeren, maar als u ’t bepaald liever hebt....” - -„Natuurlijk! Het zal ’n drukke winter zijn, en hier in huis kun je je -moeilijk aan alles onttrekken. Ik zou nou maar gewoon met Eugénie en -Corry mee doen, je zult zien dat het je erg mee zal vallen. Je bent -eigenlijk nog nooit uitgeweest, is het niet? of heb je op reis met papa -wel es een season meegemaakt?” - -Hilda schudde het hoofd. „Nee, wij hebben wel met allerlei menschen -kennis gemaakt, maar dat waren er die papa aardig vond om mee te -praten, kunstenaars of geleerden of zoo, en naar opera’s en comedies -ben ik ook veel geweest, maar ’n echt bal of ’n groote partij heb ik -eigenlijk nog nooit bijgewoond.” - -„Nee, dat dacht ik wel. Dat was niks voor je papa, maar dan wordt het -toch ook wel hoog tijd dat je eindelijk eens wordt gepresenteerd. Hoe -oud ben je nou?” - -Koel, neerbuigend klonk de vraag, verwijtend bijna. - -„Een en twintig”, zeide Hilda zacht, een beetje verlegen, want zij -voelde in eens dat ze al heel oud en erg achterlijk zou worden -gevonden. - -Mevrouw van Starren nam haar op een oogenblik met koude doordringende -oogen. - -Zij had haar broer nooit kunnen begrijpen, en voor kleine bekrompen -zielen als de hare is niet begrijpen hetzelfde als dwaas en belachelijk -vinden. Zij had hem in haar jeugd geminacht om zijn zwaarmoedig, terug -getrokken karakter, waarvan haar elegante wereldzieltje zelfs de -diepten niet vermoedde; zijn huwelijk en zijn ontroostbaar treuren na -den dood van zijn jonge vrouw had zij overdreven genoemd—voor menschen -als zij is elk sterk voelen overdreven—maar vooral in de opvoeding van -Hilda had zij hem hoogst zonderling en verkeerd gevonden. Bijna nooit -hadden zij elkaar meer ontmoet, maar wat zij nu en dan van hem en zijn -dochtertje hoorde was genoeg om haar met ergernis, en in haar goedige -oogenblikken met medelijden voor Hilda te vervullen. - -Zoo’n meisje dat grieksch en latijn kende, maar nooit had leeren -dansen, dat met Italianen en Spanjaarden over kunst had gesproken, maar -nooit een bal had bijgewoond of in goede kringen was verschenen, dat -over allerlei dingen had gelezen en gehoord waar een vrouw best buiten -kan, maar dat misschien nooit in haar leven een handwerkje had gemaakt, -moest volgens haar idee zoo’n zonderling wezen zijn geworden, dat zij -niet zonder stille verbazing de bekoorlijk jonge verschijning tegenover -haar kon aanzien. - -Maar Hilda’s half jongensachtige opvoeding buiten, van paardrijden en -stoeien met groote honden, en rondloopen in wijde, grove kleeren, en al -de geleerdheid uit de boeken, schenen niets te hebben weggenomen van de -bijzondere gratie in elke beweging van haar lang slank lichaam, niets -te hebben uitgewischt van den glans van haar wazig krullend, zwaar -goudbruin haar of van het teer rose satijn van haar huid. - -„Ze valt me erg mee!” dacht Mevrouw van Starren. „Wel een nichtje om -mee voor den dag te kunnen komen. Misschien zijn haar oogen zelfs wel -wat al te mooi. Maar tenminste een rust dat ze er niet geëmancipeerd -uitziet.” - -Op dit oogenblik rolde het rijtuig vóór. - -„Daar zul je de meisjes hebben.” - -En Hilda stond op om aan het raam haar nichtjes te zien uitstappen. Zij -was blij dat het alleen zijn met haar tante voorbij was. Er lag zoo -iets beklemmends in die koude onderzoekende oogen, in die slappe -handen, in het kraken van het nauwsluitende zwart satijnen kleed. Het -vervulde haar met heimwee naar ’t eenzame buitenleven. - -De deur vloog open en de beide meisjes snelden binnen, Hilda begroetend -met een zenuwachtige vroolijkheid die haar pijn deed. Zij verlangde zoo -naar een enkel woord van ware sympathie. Maar giegelend, druk pratend, -met een klein beetje verlegenheid onder de opgewonden lachjes, stonden -zij voor haar en Hilda kreeg een angstig besef van stijfheid en -onhandigheid toen zij zich zoo stil voelde staan tusschen die twee -bewegelijke figuurtjes. - -„Heb je een prettige reis gehad, en niet al te warm? Op den Bazaar was -de hitte vreeselijk, maar toch was het er amusant. O ja, mama, weet u -nog wel dat zijden vuurscherm met zilver geborduurd? Dat heeft Tilie -van Heemeren nog gekocht voor vijftig gulden. We hebben er vreeselijk -om moeten lachen, o! we hebben het uitgeproest!” En Corry praatte maar -door, heel snel sprekend, blijkbaar om maar iets te zeggen, want waarom -zij zoo gelachen had, bleek nergens uit, en misschien wist zij het -zelve niet. Maar onder het vertellen van al dat lachen stonden haar -oogen koel en namen Hilda van ’t hoofd tot de voeten op. Bijna iets -vijandigs lag in dien onderzoekenden blik. Zoo zien sommige vrouwen -elke nieuwelinge aan, die zich in haar kring komt bewegen. In één blik -trachten zij te ontdekken wat in den grooten wedkamp der ijdelheid van -haar te vreezen is. - -„Vondt je ’t niet naar om afscheid van buiten te nemen en van die ouwe -huishoudster, hoe heet ze ook weer? juffrouw Betje? Dat is immers zoo’n -trouw familiestuk?” - -Eugénie zei het lachend, zonder eenig vermoeden hoe teer het onderwerp -voor Hilda zijn moest. En Hilda dwong zich om rustig te glimlachen. Ze -voelde hoe de tranen, die in eens opzwollen, belachelijk zouden zijn in -zoo’n omgeving. - -Eugénie was de oudste, een elegante verschijning, heel aristocratisch -met haar fijn besneden kopje, het cameeachtige teint, de bleek blauwe -oogen en het wazige blond der krulletjes. Zij liet denken aan een lief -miniatuurtje uit het einde der vorige eeuw, maar over het geheel lag -zoo iets afgemats en looms, zoodra ze zich niet tot febriele -bewegelijkheid opwond, dat zij meestal veel ouder scheen dan haar acht -en twintig jaren. - -Corry daarentegen met het zachte donkerblonde haar, de witte tandjes -heel klein, tusschen de dikke roode lipjes parelend, de blozende volle -wangen, de heldere diepblauwe oogen met hun kinderlijken opslag, heel -haar type van vleiend schalksch tooneelpagetje, ofschoon zij vijf -uitgaansjaren achter den rug had, zag er jong uit als een -kostschoolmeisje. Op haar sterk gestel hadden de drukke winters geen -sporen nagelaten. - -„Kinderen, ’t is al bij zessen, en ’t zal hoog tijd worden dat je je -gaat verkleeden voor ’t eten,” zeide Mevrouw van Starren. „Hilda zal -haar kamer ook wel eens graag willen zien, nietwaar? Wil jij haar den -weg wijzen Eugénie?” - -En terwijl zij samen de trap opklommen, heel hoog, want haar kamer lag -op de bovenste verdieping, begon Corry nieuwsgierig te vragen: - -„Maar Hilda, wat heb je toch voor zwaars in dien eenen koffer -meegebracht? Gisteren zijn ze allebeide bezorgd en ze staan nou op je -kamer, maar we dachten heusch dat die eene nooit boven zou komen. Je -hebt daar te Suylenburg toch geen goudvelden ontdekt, dat je koffers -vol erts hebt meegebracht?” - -„Ja, het was wel erg zwaar geworden, en ’t spijt me als het veel last -heeft gegeven, maar het zijn mijn boeken, waar ik geen afscheid van kon -nemen, en ik hoop, omdat het nog al bescheiden gasten zijn, dat ze hier -dezelfde gastvrijheid zullen vinden als ik.” - -„Prachtig gezegd,” zeide Eugénie, klankloos de woorden uithijgende, -want zij was doodop van ’t klimmen. - -„Och wezenlijk? zijn het boeken? Die groote zware koffers vol boeken? -Wat ’n massa!” En Corry zag tot haar op in vermakelijke verbazing. Toen -zei ze goedig: „Nou, als je zooveel van lezen houdt, dan hebben wij ook -nog genoeg boeken voor je hier. Eugénie heeft een groote kast op haar -kamer vol romans, want ze houdt ook nog wel es van lezen, maar heel -veel tijd hebben we er eigenlijk niet voor, niet waar Eus?” - -Maar Eugénie kon niet antwoorden. Zij stonden nu alle drie boven aan de -trap, en het klimmen had haar zoo aangegrepen dat zij naar adem -hijgend, het duizelend kloppende hoofd geleund tegen den muur, even -moest rusten, vóór zij kon spreken. Hilda zag bezorgd naar het bleeke -gezichtje, maar Corry stelde haar gerust op den luchtigen toon van hen, -die geen zwakte kennen: - -„O! ’t is niks, alleen maar ’n beetje bleekzucht! Ze heeft zich de -laatste weken maar wat veel vermoeid met tennissen.” - -„Kijk hier is je kamer,” zeide Eugénie, toen ze was bijgekomen, „Corry -en ik hebben onze kamers hier vlak onder, als je dus straks klaar bent -en je wilt even bij ons komen overwippen houden we ons erg aanbevolen.” - -„O, maar ze moet eerst es even zien wat dat voor een attentietje is dat -de ouwe mevrouw Cranz van Rozenhagen vanmorgen heeft laten brengen,” -zeide Corry levendig, wijzend op een bruin pakje dat op de tafel lag en -zij leunde over Hilda’s schouder, nieuwsgierig om te zien wat er wel -voor den dag zou komen. Het was een zwart klein boekje dat Hilda -loswikkelde uit het bruine papier, een versleten, veel gebruikt Nieuw -Testamentje en voorin lag een briefje waarop de oude dame met haar -energiek ouderwetsch schrift had geschreven: - - -Mijne lieve Hilda! - -Als groet in uwe nieuwe omgeving, kon ik niets beters vinden dan deze -heilige bladzijden, die eenmaal aan uwe lieve moeder hebben toebehoord, -en die mij na haren dood door uw’ vader werden geschonken. Mogen zij -ook u bijstaan in vele moeielijke, gevaarlijke uren die uw jonge leven -nog zal moeten doorworstelen. Kom mij spoedig eens opzoeken. Ik verlang -zeer u te zien. - -Uwe oude vriendin, -U. Cranz van Rozenhagen. - - -„Gut, ik wist niet dat mevrouw Cranz zoo fijn was, ik dacht dat er heel -wat anders in zat,” zeide Corry teleurgesteld. - -Hilda zeide niets. Het hartstochtelijk verdriet der vorige dagen bij -het afscheid nemen van al het lieve oude, daar buiten, had haar zenuwen -zoo sterk gespannen, dat het haar was als hingen zij slap neer, niet in -staat onder een nieuwen gevoelsdruk te trillen. Het is soms een milde -compensatie voor de intensiteit van jeugdemoties, dat zij door de -onstuimigheid zelve der gevoelens, een soort moreele bewusteloosheid -nalaten die rust geeft aan het gemartelde voelen. Toch gleed het -vriendelijke woord der oude dame warm balsemend in haar ziel, en kalme, -langzame tranen, heel helder, als van ijskristallen die zachtjes -smelten, vielen neer op het briefje. Zij keek er naar, droomerig, -zonder goed te begrijpen, en zag hoe ze zich uitspreidden als -sterretjes waar de inkt grijzige randjes om heen trok. - -Corry ook had de tranen gezien, maar zij hield niet van huilende -menschen, ze was niet op haar gemak als er verdriet in de buurt was, en -stil was zij weg geslopen, en had Eugénie mee genomen, zachtjes de deur -achter zich sluitend. - -Toen stond Hilda alleen in haar kamertje en keek naar het oude boekje -en de groote koffers in den hoek, zoo vol gezellige oud bekenden, en in -eens was het als of zij minder eenzaam was dan straks met haar -vroolijke nichtjes. - -Reeds als klein kindje had Hilda haar moeder verloren, een jonge, mooie -vrouw, maar wier lichaam te teer was geweest om weerstand te bieden aan -hetgeen het leven van haar geëischt had. Als de dood haar niet in de -eerste jeugd had weggenomen, zou zij een dier begaafde, uitnemend -sympathieke vrouwen hebben kunnen worden, wier leven een verkwikking is -voor allen die haar naderen; nu, op haar negentiende jaar, een paar -maanden na Hilda’s geboorte was zij heengegaan, als had zij aan haar -kindje alles weggegeven wat zij aan levenskrachten bezat. En zoo was -Hilda opgegroeid alleen met haar vader, den ouden baron van Suylenburg, -in het stille groote kasteel in Noord-Brabant, tusschen de geurige -dennebosschen en paarsroode heide, en in die groote vlakten vol -geheimzinnige klanken en kleuren had Hilda veel geleerd, veel wat de -meeste menschen niet kennen. - -Behalve enkele privaatlessen die zij ging halen in het naburige stadje, -had zij haar geheele opvoeding van haar vader ontvangen. In zijn jeugd -was hij bij de diplomatie geweest, maar na zijn huwelijk—hij was toen -al in de veertig—had hij zich op het kasteel van Suylenburg terug -getrokken en zich sinds den dood van zijn jonge vrouw uitsluitend aan -zijn arm klein moederloos meisje gewijd, behalve natuurlijk ook aan -zijn plichten van landedelman, waarvan hij een heel hooge opvatting had -en aan zijn lievelingstudiën: historie en staathuishoudkunde. - -Het waren gelukkige jaren geweest, de jeugdjaren van Hilda en tot haar -zestiende jaar hadden zij zoo samen eenzaam voortgeleefd. Maar in -Hilda’s hoofdje en hart was onder die omstandigheden een zonderlinge -mengeling gekomen van groote kennis en volkomen onwetendheid, van -naïeve droombeelden en helder zelfstandig nadenken, van gloeiend -enthousiasme voor alles wat mooi en groot was en een totale -onbekendheid met het werkelijke leven, die op den duur gevaarlijk -worden kon. Toen had haar vader gevoeld dat een meisje in den aanvang -van haar jonge leven nog iets anders noodig had dan dit bestaan waarin -hij zelf zich tevreden voelde, hij de geleerde, die nog altijd onder -zijn onherstelbaar verlies gebogen ging. Maar wat moest hij doen? Haar -uit laten gaan in het wuft, bekrompen wereldje der naastbijgelegen -provincie-stad scheen hem een volkomen onmogelijkheid, en nog minder -wenschelijk kwam het hem voor haar bij mevrouw van Starren, zijn zuster -in den Haag te zenden, in dat milieu van onbeduidendheid en genotzucht. -Toen had hij het zware besluit genomen. Hij had het dierbaar rustige -landleven opgegeven en gedurende vier jaren hadden zij overal -rondgereisd. In Parijs en Londen, Rome en al de Italiaansche -lustoorden, in Berlijn en Constantinopel, Athene en Stockholm, in Caïro -en in het grootste gedeelte der Vereenigde Staten, overal hadden zij -rond gezworven, overal schatten verzamelend, schatten van kunde en -genot, van liefde, en bewondering voor het heerlijke dat de natuur -heeft voortgebracht en menschen hebben gemaakt. - -Eerst een dringend verlangen naar een rustigen zomer op het eigen -landgoed, had de beide reizigers teruggevoerd naar Suylenburg en daar -plotseling, zonder ziekbed, was Hilda’s vader gestorven. - -Alleen, heel alleen was zij achter gebleven, huiverend in de kou van -die gedachte: alleen! - -Haar oom en tante in den Haag en hunne drie kinderen kende zij -nauwelijks en toch waren dit nu de eenigen die haar nabestonden. - -En als zij nu maar haar eigen verlangen had kunnen volgen en stil op -het kasteel had kunnen blijven, omringd van de naïeve vriendschap van -het landvolk, met juffrouw Betje, haar oude huishoudster, die haar -moeder nog gekend had, met haar grooten hond en haar rijpaard en haar -boeken, bloemen brengend op de stille graven achter in het park en -droomend van een wereld veel mooier dan de werkelijkheid, zij zou er -beter in hebben kunnen berusten, maar mijnheer van Starren, die nu haar -voogd was, kon dezen wensch volstrekt niet begrijpen en drong er met -kracht op aan dat zij, althans voorloopig, bij hem in den Haag zou -komen inwonen. Alles wat zij had kunnen verkrijgen was het eerste jaar -van diepen rouw nog buiten te mogen doorbrengen en hierin was te -gemakkelijker toegestemd omdat zoo als mevrouw van Starren fluisterend -had bekend: „Het wel heel lastig is, zoo’n treurend schepseltje in huis -te hebben als je veel menschen ziet en van vroolijkheid houdt.” - -Nu echter was de tijd verstreken en Hilda was gekomen. Den laatsten -tijd, als zij aan hare nieuwe omgeving had gedacht en het jonge leven, -dat zoo krachtig in haar aderen joeg haar prikkelde tot die -nieuwsgierigheid die elk jong schepsel onweerstaanbaar verlangend -voortdrijft naar de toekomst, had zij met een schuldig gevoel die -gedachten verbannen. Het was haar of ze ontrouw werd aan haar -droefheid, als ze zich overgaf aan toekomstbeschouwingen en in een -ziekelijk zich vastklampen aan haar verdriet, dat noch met haar -frissche jeugd, noch met haar veerkrachtige opvoeding strookte, had zij -de laatste maanden doorgebracht. - -Toen was de reactie gekomen, heerlijk triomfeerend over het groote leed -dat haar zoo geweldig geschokt had. - -„Niet gelukkig zijn is de bestemming van het leven. Arbeiden, nuttig -wezen, zich geven, mooier en rijker maken het gemeenschapsleven, is de -eeuwige wet die elk menschenbestaan beheerscht. Wee over hen die het -niet hebben verstaan, want ten slotte, alleen aan het einde van dien -weg wordt onthuld de geluksmysterie.” - -Daar stond het op een klein stukje papier dat fladderend uit Homeros -viel, toen Hilda op een morgen het versleten lievelingsboekje van haar -vader opnam om nog eens enkele dier verzen te lezen, die zij samen zoo -menigmaal hadden genoten. Het waren zulke eenvoudige woorden en zulk -een eenvoudige gedachte. Iedereen weet die waarheid immers. Maar in dat -vaste klare handschrift van den geliefden doode, schenen haar die -woorden een nieuwe bron van wijsheid. Was het een citaat of een -eenvoudige formule waarin hij had samengevat een rij van diepere -gedachten? Was het een in distractie half spelend daarheen geschreven -woord, dat hem uit vroegere tijden in den zin was gekomen? Wat doet het -er toe? Het stukje papier was dwarrelend neergevallen op den sleep van -haar rouwkleed en duidelijk, in hun zwarte lijst, spraken die woorden -haar aan, toen zij zich bukte om het op te rapen. Een oogenblik bleef -zij er op den grond gehurkt aandachtig naar zitten turen, toen zag ze -naar het boekje in haar hand en ’t kwam in eens weer voor haar geest -met ontroerende duidelijkheid hoe haar vader op reis eens,—in -Griekenland was het—haar hoofdje in zijn handen had genomen en op zijn -eigen teedere manier had gezegd: „Mijn kindje, mijn kleine Brünnhilde, -zul je nooit vergeten dat alles wat je nu geniet en voelt van mooie -emotie, en geestdrift, en alles wat je nu opgaart van ontwikkeling en -breeder denken, je later om moet zetten in vruchtdragenden arbeid. Nu -is je tijd van groeien en rijpen, geniet er van mijn kleine meisje, -want later komt de tijd, mooier en heerlijker nog, maar veel zwaarder, -dat je schaduw moet geven aan de vermoeiden en lafenis brengende -vruchten aan de angstigen en uitgeputten.” - -Misschien had zij die woorden toen nauwelijks verstaan, maar nu begreep -zij ze en zij doortrilden haar met een sterk verlangen naar arbeid. - -Wat had zij toch gedaan al die maanden van treurend heenleven? ’t Was -of ze dat jaar geslapen had, gewiegd in zelfzuchtige droefheid; niet -eens had ze in ’t eentonig, gelijkvormig komen en gaan der dagen -gemerkt dat sinds haar ontzettend verlies al zooveel tijd was -verloopen. Maar zeker, nu was ze ontwaakt. Zij zou zich aanpakken en -haar werk beginnen. In die groote menschenwereld, daar buiten, heel ver -van haar rustige bosschen, was daar niet oneindig veel te doen? - -„Ja zeker, ik wil werken,” herhaalde zij halfluid, „werken, ik zal naar -den Haag gaan en werk zoeken.” En met dit besluit was de oude -veerkracht gekomen. - -De pijn van het afscheid van Suylenburg en het bange opzien tegen een -nieuwe omgeving waren zeker nog heel smartelijk geweest, maar meer toch -dan ze zelf vermoedde, waren levenskracht en levenslust ontwaakt. - - - - - - - - - -De eerste avond was goed afgeloopen. Hilda had haar uiterste best -gedaan om lief tegen allen te zijn, en belang te stellen in de dingen -harer nieuwe omgeving. In haar wangspieren had ze op ’t laatst een -klein pijntje gevoeld van het glimlachen en haar hoofd was doodmoe van -’t ongewone praten maar ze had een volkomen innemenden indruk gemaakt. - -„Nou, met haar verdriet zal het wel schikken, dat is ze, geloof ik, een -heel eindje te boven,” zeide Eugénie, toen Hilda en Corry naar boven -waren gegaan en zij met haar ouders nog even bleef na praten. „Ik was -’n beetje bang dat ze stil en sentimenteel zou zijn omdat haar brieven -altijd nog zoo bedroefd waren.” - -„Het ergste is dat we nog een heele toer zullen hebben met die vreemde -opvattingen van vroeger, die mijn arme broer haar heeft ingeprent,” -zeide Mevrouw van Starren. „Enfin, ze is slim genoeg, geloof ik, om wel -gauw in te zien dat een heele boel van die theorieën van de -broederschap van alle menschen en van vrijheid voor de vrouwen en dat -meisjes uit onze kringen zich nuttig moeten maken en zoo meer, hier -volstrekt niet gegoûteerd worden, en dan zullen ze van zelf wel -verdwijnen. Het voornaamste is dat het een vriendelijk dankbaar -schepseltje schijnt te zijn, en een lief gezichtje is het ook, vindt je -niet Henk?” - -Mijnheer van Starren antwoordde niet, maar floot sissend tusschen zijn -tanden een oud operadeuntje. Hij vond Hilda bijzonder mooi, bijzonder -bekoorlijk vooral, maar hij vond het beter om het niet te zeggen. - -Na een lange wilde jeugd, waaruit nog enkele anecdoten de ronde deden -bij heerendiners, was hij eerst laat getrouwd, en zijn relatie tot zijn -kinderen was hierdoor eenigszins als van een grootvader tot zijn -kleinkinderen geworden. Meestal was hij goedig, zwak zelfs in het -toegeven aan hun verlangens, maar zonder eigenlijke belangstelling in -hun intiemer leven. Alleen voor Edward, zijn zoon, voelde hij warmer en -toen de jongen, na vlug het gymnasium te hebben afgeloopen, gezond en -flink, in eens was gaan hoesten en een zware bloedspuwing had gekregen -en weg gezonden was naar het Zuiden, had hij er, meer dan iemand kon -vermoeden, onder geleden. - -Misschien was het wel minder het kind dan de stamhouder, dien hij toen -gevreesd had te verliezen, misschien gold zijn angst meer den wapen- en -naamdrager dan den zoon, hoe het zij, Edward was de eenige in wiens -ontwikkeling hij werkelijk had belang gesteld, wiens gezondheid hem -interesseerde en voor wiens toekomst hij zich illusies maakte. - -Voor de meisjes echter scheen hij volkomen onverschillig en later was -voor Hilda de onderlinge verhouding van dezen vader met zijn dochters -een bron van onuitputtelijke verwondering. Beleefd, als welopgevoede -menschen, leefden zij naast elkander voort, zonder iets in elkaars -leven te beteekenen, de meisjes meestal met een nuance ongeduld in haar -toon, en de vader met een iets sterkere nuance ironie. Want uit zijn -vroegere ervaringen had hij over al wat vrouw was een zeer cynische -beschouwing gehouden: „Toutes les mêmes, mon cher, au fond allemaal -dezelfde, geen een kun je er vertrouwen, een noodzakelijk, en op zijn -tijd heel bekoorlijk kwaad, j’en conviens, mais un mal tout de même.” - -Dit was zijn credo over „de vrouw”, dat hij gaarne bij alle -gelegenheden te pas bracht, en het spreekt van zelf dat zijn -belangstelling in zijn meisjes niet groot kon zijn bij deze -overtuiging. - -De man, die het geloof in de vrouw verloren heeft kan immers nooit meer -een waarachtig vader voor zijn dochters zijn! - -„Wat is het een curieus wijsneusje, voor zoo’n jong ding,” zeide hij -lachend. „Hoe noemde ze het ook weer? meisjes die niets deden dan zich -amuseeren en toilet maken waren economische nonvaleurs! Ik ben -nieuwsgierig hoe of ze het aan wil leggen om een valeur te worden.” - -„Onzin,” zeide mevrouw ongeduldig, „dat zijn nog van die idees van m’n -broer. We zullen haar die deftige woorden wel uit het hoofd praten.” - -Mijnheer van Starren knikte, ondeugende lachtrekjes van ironie en -minachting om zijn grijzen knevel. - -„Welzeker, ’n paar baltoiletjes en complimentjes, en de ernstigste -principes zijn uit ’n meisjeshoofd verdwenen. Een bout de cour, -enfuut!”—met een geluid dat Eugénie woedend zenuwachtig maakte, knipte -hij een paar maal met den langen nagel van zijn duim tegen dien van -zijn ringvinger,—„de verhevenste theorieën gaan bij jonge dames op den -loop.” - - - - - - - - - -De eerste weken van Hilda’s zijn in den Haag gingen snel en geanimeerd -voorbij. Iedereen was lief tegen haar, er werd paard gereden en -gemusiceerd, zij leerde tennissen en wielrijden, en zij gingen naar het -strand en deden boodschappen, en bij het uitzoeken van aardige -toiletjes voelde Hilda dat echt vrouwelijke, kinderlijk-artistieke -genot, dat het aanraken van kostbare stoffen geeft met rijke glanzingen -en teere kleuren, als zij glijden tusschen fijne handjes en verbeelding -kleine staallapjes omtoovert in heerlijk diepplooiende gewaden. - -Bezoeken in mooie salons werden afgelegd bij oude wereldsche dames, die -veel over haar „petite santé” praatten, en over engagementen die af of -aan zouden raken, bij elegante jonge vrouwtjes, met wie Corry en -Eugénie eindelooze gesprekken hielden over de deugden en ondeugden van -haar kennissen in ’t algemeen en van haar naaisters in ’t bijzonder, -vrome dames, bij wie op elk bedenkbaar voorwerp een kroon of een wapen -was aangebracht, en die veel Bijbelspreuken schenen te kennen maar er -nooit citeerden die op ootmoed sloegen, bij jonge meisjes, meestal -bleek en tenger als Eugénie, over wier bloedelooze lipjes akelige -verhalen van heeren en dames uit haar omgeving kwamen, die nog naarder -klonken nu jonge cynische mondjes ze uitspraken, bij andere jonge -meisjes wier zacht doezelige oogen niets schenen te zien in de wereld -dan taartjes en complimentjes en de bonte prisma’s van zeepbellen, bij -vroolijke menschen, die door het leven schenen heen te lachen en bij -zenuwachtigen die zich zelf en anderen het leven moeilijk maakten, bij -artistieke menschen, die veel spraken over kunst en er liefst in -dilettantiseerden, maar meestal geen acht sloegen op de prachtige kunst -om van hun bestaan iets waarlijk moois te maken, bij ambitieuze -menschen met erbarmelijke illusies van een beetje meer aanzien bij het -groote publiek, bij menschen met goeden aanleg maar wier leven, -verbrokkeld en versnipperd door duizenderlei onvruchtbare nietigheden, -in oppervlakkigheid ten onder scheen te gaan, bij deftige koele -menschen, van wie men niet zeggen kon, of zij nog een ziel en een -gedachteleven hadden, wier wezen zich geheel in vormelijke voornaamheid -scheen te hebben opgelost, bij enkele beminnelijke menschen ook, aan -wie het van geslacht op geslacht streng voorgehouden: noblesse oblige, -werkelijke beschaving en adel van gemoed scheen gegeven te hebben, maar -ook bij menschen zoo plat en vulgair en in alle opzichten zoo grof van -maaksel dat men zich afvroeg hoe afstammelingen van oude geslachten, -die zich sinds eeuwen in weelde en uitgezochten omgang hadden kunnen -verfijnen, zulke grove typen konden aanbieden. - -Dit alles was Hilda voorzeker niet sympathiek, maar het amuseerde, het -boeide haar, en de glans die over deze geheele wereld lag, ook over het -leelijkste, laagste, de glans van zelfbewustheid en rijkdom verblindde -haar een beetje. - -Ook hadden haar ernstige jeugd en het eenzaam stille rouwjaar buiten -haar misschien nog ontvankelijker gemaakt voor de bekoring van dit -bonte leven. Het was voor haar een nieuw genot om met jonge meisjes te -lachen, om weer eens kinderachtig uitgelaten te zijn, om in eens midden -in die wereld te zijn, die zij tot dusver alleen maar in romans -genaderd was. Zoet enerveerend ook begon de wierook der complimentjes -te werken en ’t feestelijk mooie van lichte zalen vol bloemen en groote -toiletten begon haar te betooveren. - -Toch trachtte zij soms nog eerlijk te reageeren. - -„Maar ik ben hier niet gekomen om te dansen en te lachen,” zeide zij op -een morgen in eens onder het aankleeden. „Hoe lang ben ik al hier? Al -twee maanden! Ik moet gauw zien dat ik iets nuttigs vind om te doen.” - -En zij dacht aan haar werk-illusies van den laatsten tijd in Suylenburg -en zuchtte, want zij voelde in eens dat het enthousiasme er voor -heelemaal was verdwenen en dat het een groote verleiding was om maar -rustig zoo voort te leven als een vlinder in zonneschijn. - -Zij was naar den Haag gekomen met groote minachting voor al de wuftheid -die ze wist er te zullen vinden en ze was vast overtuigd geweest dat ze -veel te ernstig en te oud was om er aan mee te doen. Ze had zich zoo -heel heel treurig en oud gevoeld, als alleen heel jonge menschen zich -voelen kunnen. Alleen naar werken en nuttig zijn had ze verlangd, om te -doen wat haar vader gewenscht had, en wat was er nu toch van al die -verlangens geworden? - -Ze had het zoo druk gehad met al haar nieuwe mondaine plichtjes, met al -de tallooze bezigheidjes die haar omgeving van haar eischte en alles -rondom haar was zoo vol suggesties, dat het van zelf spreekt, dat jonge -meisjes niets doen dan zich amuseeren. En wat was dat toch ook -eigenlijk voor werk dat zij had willen doen? Niemand had haar noodig en -zij voelde geen enkele roeping in zich. Waarom zou zij zich maar niet -amuseeren net als al de andere meisjes. Later kon zij altijd nog zien -wat ze zou aanvangen, er zou zich wel eens iets voordoen, waarin ze -zich nuttig kon maken! Later zou ze wel werk vinden.... Later....! - -Het was het „Later” dat zooveel energie heeft in slaap gesust en -zooveel werkkracht verlamd. - -Toch had zij er een paar maal ernstig met haar tante en de nichtjes -over gesproken. Er was trouw in haar karakter en de voornemens te -Suylenburg waren te eerlijk geweest om ze dadelijk in de bekoring van -haar nieuw leven te willen opgeven. Maar ze was overal uitgelachen. -Eugénie’s vlijmende spot was als een ijswind snerpend over haar heen -gegaan, telkens als zij van „nuttig zijn” heel aarzelend had gesproken, -en Corry had fou rires gekregen en had haar burgerlijk gevonden. „Zoo’n -idée van iets te willen doen, dat was goed voor meisjes zonder geld.” -En mevrouw van Starren had eindelijk ernstig gezegd: „Er werd -tegenwoordig al zooveel voor ’t volk gedaan, eigenlijk veel te veel; -het werd maar ontevreden als men er zooveel notitie van nam! Zij vond -dat iedereen in zijn eigen kring moest blijven. Waar moest het heen als -alle meisjes van naam en fortuin diacones of wijkverpleegster wilden -worden! Er was zoo’n ziekelijke overdrijving tegenwoordig onder de -menschen, en daardoor kwam juist alles in de war. In haar jeugd dweepte -niemand uit haar kring met volksbelangen en nuttig zijn en toen was het -een boel rustiger in de wereld. En waarom zou Hilda nu ook heel anders -willen doen dan al de meisjes die ze kende? Dat was allemaal -excentriciteit, aanstellerij. Ze moest liever dankbaar zijn dat ze nu -in de gelegenheid was om zoo prettig in de beste kringen uit te gaan, -en ze moest zich niet verbeelden dat zij beter was dan al die andere -meisjes die zich gewoon amuseerden. Dat was gevaarlijke pedanterie!” - -En na dit onderhoud, had Hilda niet meer over werken gesproken, er -nauwelijks meer aan gedacht. De stroom van winteramusementen had haar -meegesleurd in zijn glanzende vaart. Dagen, weken volgden elkaar op, -niets achterlatend in haar geest dan een warreling van muziek en -gelach, witdamastgeschitter tusschen bonte bloemen, flitsjes van -diamanten en goudborduursels en witte dassen en ruischende kleurige -vrouwenkleeren en zoet streelende woorden en alleen heel diep -daarachter, haast onzichtbaar van vaagheid, een achtergrond van -onbevrediging. - -In het begin had zij niet veel succes gehad. De echte conversatietoon -was haar wat vreemd en moeilijk geweest en telkens was ze in uitersten -vervallen, nu eens onbeduidend door banaliteit, dan weer door veel te -zware onderwerpen wat al te diepzinnig schijnend. Maar ze had zich haar -eerste nederlaagjes al heel weinig aangetrokken. Gewend sinds jaren, op -haar reizen, om veel om zich heen objectief te beschouwen, en zooveel -moois of leelijks, treurigs of vermakelijks in de menschenwereld gade -te slaan, met de rustige belangstelling van den toeschouwer, die zelf -in het drama geen rol heeft te vervullen, had zij ook nu haar nieuwe -omgeving in kalme passiviteit bestudeerd. Alles had voor haar de volle -bekoring van het nieuwe, maar in haar denken was zij geen bakvischje -meer, voor wie een dans, een bouquet, een souper levenskwesties zijn. -De aanvankelijke koelheid van haar cavaliers had haar weinig -geïmpressioneerd; in vroolijke nieuwsgierigheid had ze haar nieuwe -wereld bekeken. - -En toen was het langzaam gekomen, het succes, en ze was jong en ijdel -genoeg om er zich vol aan over te geven. Sommigen vonden haar nog wat -gereserveerd en koud in het luchtig abandon der groote wereld, sommigen -„een beetje docte”, wat al te geleerd, maar langzamerhand toch hadden -de meesten de charme gevoeld harer jonge mooie verschijning. En ze -genoot er van, hoe langer hoe meer, toen ze zich omstreeld voelde door -bewondering, en een groot verlangen, een passie om te schitteren kwam -bedwelmend soms over haar. - -Eerst was zij zachtjes voortgegleden op de goud glanzende zee, lachend -meedeinend op de dansende golfjes, toen had ze, zonder bijna te -beseffen hoe sterk het haar verblindde, fascineerde, naar het roer -gegrepen, en gestuurd dáar naar de open zee waar het fonkelde van -diamanten. En toch soms waren er oogenblikken dat zij haar vaart reeds -vertraagde, vermoedend dat de schitterglans slechts spel der -zonnestralen was waaronder gevaarlijk en koud donkere diepten scholen. - - - - - - - - - -„Kom meisjes,” riep mevrouw van Starren, „het is hoog tijd dat jullie -je gaat kleeden. Hilda, ik zou m’n groene zijdje maar aandoen, dunkt -me, Corry en Eus kunnen dan haar rosetjes aantrekken.” - -Zij verwachtten dien middag verscheidene gasten, en op die eigenaardig -langzame manier van menschen die veel tijd hebben, hadden de drie -meisjes den ganschen middag doorgebracht met het schikken van bonbons -op schaaltjes en het klaarmaken van bloemen voor de tafel. - -Hilda knikte toestemmend. Zij gehoorzaamde altijd volkomen gedwee als -haar dergelijke dingen gezegd werden. Wat kon het haar schelen of zij -rose of groen aan had? Maar in den naklank van haar tantes woorden -trilde op eens iets dat haar onaangenaam aandeed, alsof er een diepere -bedoeling in lag. Vrouwen zijn sterk in het opmerken van zulke nuancen -in stem en toon. In de samenleving is het misschien wel hare grootste -macht, dit zeer subtiele opmerken, dat aangevuld door intuïtie, -dikwijls de geheimste drijfveeren voor haar bloot legt. - -Bij het opgaan van de trap trachtte Hilda den bijna onmerkbaren -wanklank te ontleden en zich iets te herinneren wat betrekking kon -hebben op groen of rose of japonnetjes, en toen zij boven was lichtte -het even in haar op dat een paar dagen geleden de jonge von Görtzen, -het rijke Duitsche diplomaatje haar had gezegd dat rose de mooiste -kleur van de wereld was en een vrouw er nooit „aanbiddelijker” uitzag -dan in rose zijde. - -Hilda had toen even geglimlacht, want zij droeg rose zijde en ’t -compliment was te duidelijk en te flauw om er op in te gaan. Maar toen, -ja zeker, toen zij opkeek, vlak bij hen stond hare tante met een -kleinen rimpel tusschen de oogen. Zij glimlachte wel, maar toch..... -ja, zeker, zoo was het, en von Görtzen was geïnviteerd vandaag en -dus.... en zat niet Corry naast hem? - -Toen Hilda haar kamerdeur opende, wist zij wat niemand in haar omgeving -nog vermoedde, dat mevrouw van Starren von Görtzen voor Corry bestemd -had en dat zij zelve wijs zou doen met zich zeer op den achtergrond te -houden. - -Een oogenblik amuseerde haar de ontdekking en midden in de kamer bleef -ze even staan om zich beter rekenschap er van te geven; maar toen kwam -weer dat gevoel van verwondering en ergernis dat haar, in haar -onnoozelheid, de laatste maanden telkens had bekropen. Werd niet Corry -sinds een half jaar het hof gemaakt door Rooselaar? en was het niet -duidelijk te zien hoe haar behaagzuchtige oogjes bijzonder straalden en -lachten, als de knappe jonge advocaat zich tot haar over boog. Waarom -dan von Görtzen? Von Görtzen was Freiherr en .... rijk, en Rooselaar -had niet veel meer dan zijn hooge voorhoofd met de schrandere gedachten -daarachter om zijn toekomst te maken. Maar wat beteekende dat alles? -Was hare tante dan niets meer dan zoo’n armzalig type uit de Fliegende -Blätter, dat droomt van rijke adelijke schoonzoons? En waarom dan -hadden zij Rooselaar aangemoedigd al dien tijd? Was het dan ook van -Corry maar een spel geweest? - -Hilda hield veel van Rooselaar. Door zijn duidelijk werk maken van -Corry was zijn omgang met haar zoo prettig sans conséquence geweest, -hij was één van de weinigen waarmee zij gezellig kon praten, ook over -ernstige dingen. - -Hij was niet gevraagd vanmiddag, ofschoon het een intiem dinertje was -en hij daar haast nooit bij ontbrak. Arme jongen! Zou zijn vonnis -geveld zijn? En eergisteren was Corry toch nog zoo lief tegen hem -geweest? Bah, het was om wee van te worden! maar vanavond zou ze alles -nauwkeurig gade slaan om er achter te komen wat Corry in haar schild -voerde. Maar waarom moesten dan toch ook altijd zulke ernstige, flinke -mannen als Rooselaar verliefd worden op hartelooze speelpopjes als -Corry? Wat was dat toch voor een wreed mysterie dat telkens en telkens -weer een paar krulletjes of een aardig figuurtje, zelfs de zeer -intelligenten onder betoovering konden brengen? Waarom waren de mannen -dan toch ook zoo naïef om maar dadelijk te gelooven, en altijd weer op -nieuw, dat een lief omhulseltje ook een mooie ziel moet bevatten. - -Loom en lusteloos begon zij de spelden uit heur haar te trekken, dat -met een zware golf neerviel en diep neerrolde over haar kleed. Zij -voelde zich in eens vreeselijk ontstemd, en mat trok ze de kam door het -zijden blond, tot ze zich eindelijk schuin neerzette op den arm van een -leuningstoel bij het vuur en daar roerloos zitten bleef. - -„Och Hilda, kijk es even, jij kunt zoo goed naaien, en Lisette is bezig -mama te kappen, wat moet ik doen? die heele kant is losgegaan en ik -weet niet hoe het weer zoo netjes te krijgen als het was.” - -Eugénie stond in de deur, half smeekend het getornde lijfje omhoog -houdend. Wat was zij toch mager en hoe oud al voor haar acht en twintig -jaren, nu de ongebrande ponnyharen haar sluik in de oogen vielen en -onder het opzijde gebogen hoofdje de halsspieren zoo scherp naar voren -streepten. En die magere armpjes met de knoestige rood gevlekte -ellebogen! Als zij straks haar lijfje aan zou hebben met de volle -kanten zou ze er wel beter uitzien, maar toch, waarom of Eugénie niet -liever hooge japonnen droeg? - -Hilda zette zich neer om vlug de ramp te herstellen, maar iets van haar -laatste gedachte zeggen, durfde zij niet. Zij was al zoo dikwijls door -de nichtjes om haar afkeer van decolleteeren uitgelachen. - -Een poosje stil voortnaaien volgde. Eugénie zat op den grooten koffer -met boeken in den hoek bij het vuur, met nu en dan een lichte huivering -in kleine schokjes over haar bloote schouders kruipend. - -„Zeg Hilda, die boeken had je ook niet hoeven mee te brengen, ik geloof -dat je den koffer niet eenmaal hebt open gehad,” zeide zij met den hak -van haar verlakte schoentje even tegen de kist schoppend. - -„Nee,” zeide Hilda, even opziende, strak in de lamp, met een vreemd -verlangen in haar blik. „Nee, er is nooit tijd voor geweest, maar soms -zou ik toch wel graag weer wat werken en lezen. Zooals ik nou leef, is -er nooit tijd om tot je zelf te komen, nooit om je eigen weer te vinden -tusschen al die indrukken van buiten, die al maar door op je -aanstormen. Ik heb soms een gevoel alsof m’n ziel in duizend stukjes -verbrokkeld is, waar tusschenin zich allerlei vreemde brokjes voegen, -die er niet in hooren en me pijn doen.” - -„Hé, wat is dat nou weer voor ’n malle vergelijking, je ziel in -brokjes, wil ik je op je verjaardag soms een lijmpotje geven?” - -„Nee, heusch, ik meen het, zoo’n soort gevoel heb ik dikwijls -tegenwoordig. In het begin natuurlijk niet, toen vond ik alles zoo -amusant, zoo nieuw, maar o het lijkt me nou eigenlijk zoo.... leeg, al -die afwisseling, die op ’t eind toch eentonig is, en al die drukte, die -geen inspanning en geen uitspanning is....” - -„Ik begrijp niet dat je zoo spreekt, nou dat je eigenlijk pas goed -bekend bent met de menschen en de toestanden en.... dat je meer succès -krijgt....”, verlegen hield Eugénie op, zij wist niet of Hilda die -toespeling op haar weinig succès in het begin ook hatelijk zou vinden. - -Maar Hilda naaide rustig voort en Eugénie begon weer betoogend: -„Eergisteren heb je nog den heelen avond gedanst en je had het mooiste -bouquet van ons drieën. Ik begrijp je niet, in het begin hadt je overal -plezier in, en toen had ik toch dikwijls medelijden met je, en nu je -gefêteerd wordt, ben je.... of komen je ouwe nuttigheidstheorieën weer -boven?” - -„Eugénie geloof je dan heusch dat succès tevreden en.... gelukkig kan -maken?” - -Eugénie lachte haar bleek lachje van desillusie. „Wat vat je ’t altijd -zwaar op! wie spreekt nou van geluk? Maar we gaan nou eenmaal uit om -ons te amuseeren, niet waar? Zonder succès amuseeren we ons niet, en -dus is succès ons grootste streven. En als wij dat bereikt hebben -kunnen we tevreden zijn, dat is logisch dunkt me.” - -„Ja,” zeide Hilda zacht, „wij gaan uit om ons te amuseeren, maar zou -amuseeren wel de bedoeling van ons leven zijn?” en toen met -onweerstaanbare behoefte aan expansie: „zeg es eerlijk, Eus, van je -achttiende tot je achtentwintigste ben je uitgegaan, heb je je heusch -al dien tijd geamuseerd?” - -Maar Eugénie was niet in een confidentieele stemming. - -„Wel natuurlijk!” zeide zij met onrustige bewegingen aan haar -rokborduursels plukkend. „Maar wat bezielt je toch vanavond? Heb je bij -mevrouw Cranz een preek gehad over waereldsche wuftheid, of voel je -weer je hoogdravende roeping in je opkomen om non of pleegzuster of zoo -iets te worden en mij ook te bekeeren?” - -Als Eugénie in haar kouden spottoon verviel, was het Hilda alsof er -zich een ijsmuur tusschen haar optrok. Ver en vreemd voelde ze zich in -eens tegenover haar staan. - -„Ziezoo het is klaar,” zeide zij, de kant nog even luchtigjes schikkend -met de streelende, vlugge vingertoppen, „trek het nou maar gauw aan, -want het is al laat geworden; Corry is geloof ik al naar beneden.” - -En in groote haast voltooiden zij haar toilet. - -Maar Hilda, toen zij voor den spiegel stond om een paar natuurlijke -rozen aan het uitgesneden corsage vast te hechten, en ze zag hoe mooi -de fluweelig zijden rozenknopjes langs haar blooten hals schenen op te -klimmen, hoe goed haar het groene kleedje stond met niets dan die mat -rose bloemen, glimlachte onder de bekoring van haar eigen beeld. De -ontstemming van zooeven, trok zachtjes weer weg naar de geheimzinnige -diepten waaruit zij was opgestegen en legde zich weer te sluimeren. - -Half neuriënd holde zij de trappen af, en toen de eerste gast werd -aangediend stond ze tusschen haar nichtjes in, alle drie lief -poseerend, en onwillekeurig glimlachte zij tegen haar eigen kopje, toen -zij het toevallig in den spiegel ontmoette. De glansnevel was weer over -haar gekomen en zij voelde zich zelf en haar nichtjes, zooals zij er op -dit oogenblik, in de teere schakeeringen van haar bloemkleurige -kleedjes ook uitzagen, als een groepje van kostbare bloemen, voor -salongefonkel geschapen. - -Het was een gezellig dinertje. Het winterseizoen begon op zijn einde te -loopen en in de kleine afgesloten kringen der groote wereld kende men -elkaar betrekkelijk goed na zoo’n „wintercampagne”, en heerschten de -conversaties met groot abandon, nog geaccentueerd door gewilde ruwheid -van enkelen. Corry zat druk met haar diplomaatje te spreken en zag er -met het verhoogde kleurtje meer dan ooit snoezig uit; ook Hilda was -vroolijk, bijna uitgelaten. De reactie van haar ontstemming deed zich -gelden. In het oppervlakkige wereldleven dat van de vrouw onophoudelijk -een glimlach vergt, terwijl zij over alle onderwerpen licht schertsend -heenglijdt, begon haar gezond zenuwgestel te lijden en zachtjes aan -kreeg zij die afwisselende stemmingen van opwinding en -neerslachtigheid, waaraan maar zoo weinigen in haar omgeving wisten te -ontkomen. - -„Van Gaefden ga je morgen ochtend mee paardrijden,” zeide Eugénie over -de tafel heen tot Hilda’s buurman, een lange jongen met blonde -bakkebaardjes en een mooi, onbeduidend gezicht. Hij was juist -geëngageerd met Eugénie’s beste vriendin, freule Valérie Vermaezen, het -prachtige roodblonde meisje naast hem, en als zoodanig werd hij nu -getutoyeerd. - -„Het spijt mij zeer, freule,” riep hij terug, „maar morgen moet ik naar -de Hoek van Holland om Cranz af te halen, die uit Engeland komt. Het -was vroeger een van mijn beste vrienden en wij hebben elkaar nu in geen -jaren gezien. Telkens als hij met verlof kwam was ik hier of daar op -reis, en nou ik toevallig bij zijn moeder hoorde, dat zij hem morgen -terug verwacht, wil ik hem graag tegemoet gaan.” - -„Is dat een zoon van de ouwe mevrouw Cranz van Rozenhagen?” vroeg -Hilda. - -„Ja, juist, freule, Bernard Cranz van Rozenhagen, ’n beste kerel. Hij -is nou secretaris bij de legatie te Londen.” - -„Wat zal de ouwe mevrouw in den zevenden hemel zijn dat haar afgod, -haar lieve Bernardje thuis komt,” zeide Eugénie, met haar sarcastischen -lach. - -„Hoe gaat het met je broer en wanneer komt ie terug uit het Zuiden?” -vroeg Valérie. - -„Edward! O, die komt in het begin van Mei, de volgende maand. De dokter -wil niet dat ie vroeger thuis komt,” zeide Eugénie onverschillig, maar -toen in eens levendig, met schuwen blik naar het andere einde van de -tafel, waar een fijn blond vrouwtje rustig met haar vader zat te -praten: „Zeg Valérie,” zeide zij gedempt, „ga je de volgende week ook -naar Gladys van Praege?” - -Freule Vermaezen knikte en glimlachte heel neerbuigend, en ook zij zag -even naar het fijne blonde profiel aan het andere einde. „Och ja, we -hebben maar aangenomen, laatst zijn we er ook geweest, ik vind er niets -in, en iedereen gaat er nou toch ook weer heen. En jullie?” - -„Wij gaan ook!” - -„Vindt je haar geen lief vrouwtje?” zeide Hilda zich voorbij van -Gaefden buigend tot Valérie. „Ik vind het zoo’n innig sympathiek -gezichtje.” - -„Welzeker,” zeide van Gaefden goedig, toen zijn mooie verloofde alleen -antwoordde met eene kleine schouderbeweging van onverschilligheid. „Een -heel aardig vrouwtje, en lang niet leelijk, en dat moet ik zeggen goeie -wijn hebben ze er, uitstekende wijnen.” En toen vertrouwelijk ging hij -zachtjes voort: „En wezenlijk het zijn aardige menschen, maar zij is -een Amerikaansche, en zoo’n vreemd vrouwtje, natuurlijk van geen -familie, is eerst nog al koeltjes ontvangen en toen hebben ze een paar -onmogelijke flaters gemaakt met hun invitaties, zoodat een heele boel -lui, hun toen een tijdlang niet hebben willen zien. Maar dat is nou al -weer een poos geleden, ze zijn nou heelemaal gelanceerd en iedereen -komt er nu ook aan huis. Kent u haar?” - -„Heel weinig, ik heb haar maar een paar maal op haar ontvangdag -gesproken, want bijna den geheelen winter is zij niet wel geweest en -kwam ze nergens.” - -„Ik houd het er voor,” zei Valérie, „dat het maar een pretext was, haar -gezondheid, want elken dag ’s morgens zag ik haar langs komen met haar -oudste kindje, dat mooie meisje. Maar ik heb van verscheiden kanten -gehoord dat ze niets houdt van uitgaan, en in haar hart, door en door -burgerlijk, maar stil ’s avonds thuis zou willen zitten bij de wieg.” - -„Nou, dan heeft ze het getroffen met haar man!” lachte Van Gaefden, „ik -geloof dat hij onmogelijk een avond thuis zou kunnen blijven. Een echte -doordraaier die Praeg! ze vertellen dat-ie zijn boeltje er mooi aan ’t -doorbrengen is.” - -„Nou, ik mag hem toch wel”, zeide Valérie fluisterend, „hij kan -verbazend geestig zijn, je amuseert je altijd dol met hem.” - -„Hè nee, dat vind ik volstrekt niet,” protesteerde Hilda. - -„Het eenige is,” ging Valérie door, „dat al doen ze nou ook zulke -flaters niet meer als in het begin, ze toch altijd nog allerlei -menschen samen vragen, die elkaar anders nooit ontmoeten. Nergens zie -je zoo’n gemêleerd gezelschap als bij hen.” - -„Dat kan geen kwaad voor ’n keer, ik mag dat zoo wel es, en die je niet -aanstaan ignoreer je eenvoudig,” zei Van Gaefden, vol zelfbehagen om -zijn liberale opvattingen. - -„Ja, dat kan wel eens aardig zijn,” zeide Hilda peinzend, de lange -tafel overziende waar al die welbekende gezichten haar in eens met -onuitstaanbare verveling vervulden. Even bleef haar blik aandachtig op -het Amerikaansche vrouwtje rusten; wat een charme van distinctie lag er -in dat fijne, wat al te magere kopje, zoo als het zich zwakjes wiegde -boven den hoogen boord van het zwarte fluweelen kleed. Toen zag zij -daar schuin tegenover naar van Praege, zij had het al zoo dikwijls -gezien het vale teint, de donkere, ingezonken oogen, dat sluike, diep -op het lage voorhoofd geplakte haar, het dunne kneveltje, dat maar even -schaduwde boven de dikke, sensueele lippen, maar vandaag leek hij haar -nog antipathieker dan vroeger. En toch vonden verscheiden dames hem -knap! Hij was druk in gesprek met Ottilie van Heemeren „het mooiste -vrouwtje van den Haag,” waarvan den laatsten tijd veel vreemde dingen -werden gefluisterd. Het scheen wel grappig te zijn, wat hij haar nu -juist vertelde, want beiden lachten, lachten lang en zenuwachtig en -zagen elkaar dan weer aan, en lachten weer, tot eindelijk mevrouw van -Heemeren zich achterover in haar stoel wierp en van Praege zich diep -tot haar overboog, en zij in eens weer bedaard werden toen zij -bemerkten dat men naar hen keek. Het is vreemd, maar als heeren als van -Praege en vrouwtjes als Ottilie naast elkaar zitten, wordt er altijd -zoo gelachen. Daar is een kleine demon van onrein lachen, die gewekt -wordt door hun contact. - -Het diner liep vlug ten einde. Corry en haar jonge Freiherr zaten nu -vertrouwelijk te praten, zij met dien diepen kinderblik tot hem -opgeheven, die Rooselaar zoo dikwijls naast haar had doen sidderen van -ontroering. - -Eugénie, tusschen twee uniformen, koketteerde en lachte, het tengere -lichaam één zenuwtrilling, en Hilda zich opwindend tot haar vroolijkste -stemming trachtte zich erg te amuseeren, maar vanavond lukte het toch -eigenlijk maar half. - -Na het eten, toen de dames alleen in den salon gelaten waren en zich -vertrouwelijke groepjes vormden, ging Hilda naar Gladys van Praege, het -banale salonwoord op de lippen, maar in haar gezichtje een warmere -uitdrukking van sympathie. - -„Wat ben ik blij, dat ik de volgende week gebruik kan maken van uw -allerliefste invitatie.” - -„O, ja, het doet ons ook zoo’n genoegen dat u zoo vriendelijk wilt zijn -om te komen”...... - -Toen zwegen beiden, in eens niet wetend hoe verder te gaan. - -Het hinderde Hilda, nu zij zich aangetrokken voelde tot dit jonge -vrouwtje, die ijsmuur van banaliteiten tusschen haar te voelen, en zij -ging voort, aarzelend omdat ze in eens bang was dat Gladys haar woorden -zou opvatten als een van die gedachteloos uitgesproken complimentjes, -die men tegen alle jonge moeders zegt: „Ik ben verleden uw dochtertje -tegengekomen, wat is het een prachtig mooi kindje! Laat u haar elken -dag uitgaan?” - -„O, ja,” zeide Gladys, in eens kwam er leven in het bleeke gezichtje, -want zij had verstaan dat Hilda iets anders dan banale -beleefdheidszinnetjes meende. „Het doet haar zoo’n goed om veel in de -lucht te komen. Houdt u van kinderen?” - -„Heel veel! Mag ik misschien uw zoontje ook es komen zien?” - -„O! ja, doet u dat! dat vind ik lief van u!” zeide Gladys snel, en zij -zagen elkaar aan en glimlachten en praatten nu verder, beiden met een -blij gevoel van sympathie dat warmte gaf aan ’t koude woord van nieuwe -kennismaking. - -De meeste dames waren langzamerhand gaan zitten, de groote kamer -vullend met kleine groepjes van mollige fluweelplooiing, satijngeglans -van blanke schouders, en weerschijntjes van zijde onder kantgewaas. -Zachtjes, bekoorlijk als van intimiteit, gonsden de gesprekken, van -tijd tot tijd door een jonge stemmeklank, of een hoog lachje verbroken. -Het waren deze tafereeltjes van licht, van elegante voorname -gezelligheid, die Hilda in het begin zoo sterk hadden gefascineerd; -maar den laatsten tijd begon zij ze met andere oogen te bekijken. Nu -haar blik aan de schittering gewend raakte en door begon te dringen -door de glanzende oppervlakte, ging er veel van de eerste bekoring -verloren. - -Bij den haard, het vlammenlicht geel optintend langs haar zeegroen -fluweelen kleed, stond Ottilie van Heemeren, trotsch het prachtige, -half naakte bovenlijf oplichtend uit het boordsel van zwanendons dat -als eenig garneersel haar lijfje omgaf. Zij had het teint der -blondines, zoodat het dons met zachtgroen fluweel, haar volmaakt goed -stond, maar heur haar was zwart kroezig, en de donkere wimpers, -omsluierend de lichtblauwe oogen gaven haar iets vreemds, iets -sfinxachtigs dat nog sterker boeide dan hare schoonheid. Er werd -verteld dat zij zich verfde, en men haar als kind vuurrood had gekend, -maar zij was zoo lang te Parijs op kostschool geweest en toen zij -terugkwam was zij zoo als nu, de wereld in het onzekere latend of men -met een artistieke gril van de natuur, of met groote kapperskunst te -doen had. - -Corry stond naast haar, al haar snoezigheid in ’t niet verzinkend naast -Ottilie’s exotische schoonheid. - -„Corry, stout kind,” zei ze plagend „waarom kom je nooit meer es rustig -bij me praten? Je komt alleen maar op m’n jour, en dan hebben we zoo -niets aan elkaar! ’s Middags van twee tot vier ben ik altijd thuis, -want de dokter heeft mij voorgeschreven om elken middag te rusten, en -dus lig ik zoet een paar uur lang op mijn rustbank. Kom me dan eens -zien, en breng je nichtje mee. Ze trekt me erg aan, al heeft ze me ook -straks, toen de heeren nog binnen waren, in het bijzijn van van Brehnen -zoo vreeselijk uit de hoogte terecht gezet, dat ik het niet gauw aan -een ander zou vergeven.” - -„Wezenlijk? Wat heeft ze dan wel gezegd?” vroeg Corry nieuwsgierig, met -een tikje leedvermaak. - -Corry en Ottilie waren van denzelfden leeftijd, en zoogenaamd groote -vriendinnen, maar in den grond konden zij elkander niet uitstaan. Corry -was jaloersch op Ottilie’s veel grootere intelligentie en gaven en -schoonheid, en op haar positie als getrouwde vrouw, en Ottilie zag neer -op „het onbeduidende kind.” - -„Ja, dat zou je nou wel es willen weten, liefje, maar het waren een -paar hatelijkheden zoo netjes ingewikkeld dat ik er niets op antwoorden -kon, en ze toch best moest snappen. Het is een bijdehandje, dat nichtje -van je, maar als ik het je nu over ging vertellen, zou je het fijne -misschien niet eens begrijpen.” - -„Als je denkt dat ik zoo dom ben, zal ik maar aan Hilda zeggen dat ze -alleen naar je toe moet gaan, dan zul je mij liever niet zien,” zei -Corry geraakt. - -Maar Ottilie, wie het juist om Hilda te doen was, lachte haar -ondoordringbaar raadsellachje. „Nee zeker, jij moet ook mee komen! -anders zou ik ’t me erg aantrekken! Dus een van de volgende dagen, niet -waar?” - -Toen wendde zij zich om, Corry alleen latend; de heeren waren weer -binnen gekomen voor de thee, en als er heeren waren om mee te praten, -sprak Ottilie nooit met dames. - - - - - - - - - -Den volgenden morgen, toen Hilda ontwaakte, stroomde een weelde van -zonnestralen haar kamer binnen, met al de vroolijkheid van -lentezonneschijn. Er zat levensmoed en lachlust in dat morgenlicht en -het stukje blauwe hemel met dunne waterige wolkdonsjes, dat zij van uit -haar bed kon zien. Een oogenblik lag zij dommelig genietend van al dat -instroomende licht, toen kwam weer het bewustzijn van iets onaangenaams -in haar op. Wat was het ook weer? O, ja die arme Rooselaar! Er was geen -twijfel aan, Corry had hem verraden voor den Duitschen baron met zijn -geld en „Rittergut.” „Arme jongen! Ik geloof dat hij zoo zielsveel van -haar houdt! Quelle pitié!” - -Maar toen zij weer opzag naar het kleine stukje lucht, dat in de -vierkante lijst van het raam, in zijn stralende blauwheid onverschillig -voortlachte, lachte zij zelve mee. - -„Eugénie heeft gelijk, ik neem ook alles veel te zwaar op. Wel, Corry -met haar snoezigheid en gratie en lieve lachjes beantwoordt heelemaal -aan ’t vrouwenideaal van de meeste heeren. Laten zij dan ook maar eens -ondervinden wat zulke ideaaltjes hun te dragen geven! Het ergste is -alleen dat als zij tot de ontdekking van hun vergissing komen, zij de -heele vrouwenwereld de schuld geven van hun eigen domheid en de -valschheid van zoo’n mooi klein nest.” - -„Freule”, zei een stem achter de deur, „daar is een briefje van mevrouw -Cranz, de knecht heeft het net gebracht, wil ik het u hier geven of -..... - -„Kom maar binnen, Lisette, ik wil het graag dadelijk lezen,” riep -Hilda, en blij, ze was altijd blij als er iets van de oude dame kwam, -opende ze het couvert. - - -Lieve! - -Kunt gij vanmiddag even aankomen tegen drie uur? Ik heb weer een paar -arme vrouwtjes die ik naaiwerk zal geven. Wilt gij het komen -klaarmaken? Gij ziet uwe goedheid en hulpvaardigheid maken mij -veeleischend! Maar het is zulk een vreugde u bij mij te zien, mijn -kind, dat ik niet kan nalaten uw geduld telkens op de proef te stellen, -om te zien hoe lang gij het zult volhouden om toe te geven aan het -egoïsme eener oude vrouw. - -Uwe u liefhebbende U. Cranz van Rozenhagen. - - -Het waren feestbodes, deze korte briefjes, met hun ouderwetsch deftigen -stijl en vriendelijke zinnetjes uit een vroeger tijdperk, toen -beleefdheid nog voor een deugd gold, en met het prettige vooruitzicht -dien middag weer eens gezellig te kunnen praten, zoo als zij het met -niemand anders doen kon, begon Hilda opgewekt haar toilet. - -En tegenwoordig kwamen er telkens van die episteltjes, want schertsend -had de oude mevrouw haar tot haar armenverzorgster aangesteld, en hoe -langer hoe meer begon zij haar van die kleine plichtjes op te dragen, -die zij vroeger zoo gaarne zelf volbracht, maar nu overgaf, -gedeeltelijk omdat zij zich inderdaad te zwak en te oud begon te voelen -en gedeeltelijk omdat zij het jonge meisje in deze kleine liefdewerkjes -een tegenwicht wilde geven tegen haar wufte omgeving. - -Toen Hilda klaar was, en ze was altijd vlug klaar, omdat hare werkzame -jeugd haar nooit het treuzelen geleerd had van vrouwen, wie een lange -leege dag wacht, klopte zij zachtjes aan de slaapkamerdeur van haar -nichtjes. - -Eugénie lag nog te bed. Het bleeke gezichtje met de paarsige, vermoeide -oogleden half gesloten, lag diep in de kussens gezonken, één mager -handje hing slap en bleek neer als van een doode, nog witter schijnend -in de borduursels van haar nachtkleed. Een leeg champagneglas stond -voor haar bed. Zij deed dat tegenwoordig heel dikwijls: zoo’n slokje -champagne ’s morgens wekte haar zoo op. Corry lag half gekleed op de -sofa te lezen, het laatste boek van Albert Coppet, een fransche -romancier die den laatsten tijd veel opgang had gemaakt en vooral dat -jaar druk in de Haagsche dameswereld werd gelezen. Hilda kende het boek -en eerlijk gezegd, zij had het leelijk gevonden. - -„Waarom lees je niet liever het boek van die Amerikaansche schrijfster, -dat Rooselaar ons geleend heeft?” zeide zij. „Het is heusch heel -aardig. Er is een heel merkwaardige karakterstudie in van een jong -meisje dat in Californië eerst in een farm dient en later in Boston -komt en redactrice van een politiek blad wordt. Een curieus verhaal en -heel goed geschreven.” - -„Zoo, is het aardig,” zei Corry. „Eus had het ingekeken en dacht dat -het nog al erg braaf en zoet was, vreeselijk braaf, zie je, met niets -pikants er in, en daar hou ik juist zoo van.” - -„Nee, het is heel aardig, maar van die prikkelingen, zooals Coppet ze -geeft, komen er niet in,” zeide Hilda ongeduldig. „Maar klee je nou -gauw aan, dan kunnen we samen ontbijten.” - -„O! Foei, moet ik nou al weer uitscheiden! ik was pas begonnen!” -zuchtte Corry, het sierlijke lichaampje lang achterover op de sofa -uitrekkend. „Hoe laat is het eigenlijk? Half tien? ja, dan moet ik wel -voortmaken, want ik wou nog even een kantje zetten om de antimacassar -van tante Charlotte, en om elf uur komt Betty de Mureaux quatremains -spelen. O! O! wat een drukte toch altijd en eeuwig! Maar zeg, Hilda, ga -je mee vanmiddag om drie uur naar Ottilie van Heemeren?” - -„Nee, liever een anderen dag, ik wou vanmiddag even bij mevrouw Cranz -gaan.” - -Eugénie, die nog niet gesproken had dan een mat: „goeie morgen”, liet -in eens de nasale klankjes van haar spotlachje hooren. „Ga je ’t lieve -zoontje begroeten?” - -„Hé, Eus, hoe kun je nou zoo flauw zijn? Wie denkt daar nou aan?” - -Maar Corry met een leelijk verwringen van spijtigheid in haar mooie -gezichtje, draaide zich om en zeide heftig: „Natuurlijk denk je daar -aan! Dacht je dat we zoo dom waren om je slimmigheid niet te begrijpen? -Tous mes compliments, mademoiselle! Wel zeker, ga gerust je gang. -Schijnheilig freuletje! Dat komt met een preutsch gezichtje over Coppet -spreken en dat loopt zoo gauw als zij maar kan, naar mevrouw Cranz om -haar lieven zoon in te palmen! Je wou ons allemaal vóór zijn, nietwaar, -om indruk op hem te maken. Nou begrijp ik ook waarom je mevrouw zoo het -hof hebt gemaakt!” - -„Corry, hoe kun je toch zoo iets verzinnen? Hoe kom je er bij? Ik heb -heelemaal niet aan dien zoon gedacht, ik wou maar even ....” - -Weer lachte Eugénie van uit haar bed, en Corry lachte nu ook met de -sarrende rouladetjes, waar vrouwen zoo wreed mee kunnen kwetsen. - -„O, natuurlijk niet! je was het heelemaal vergeten dat hij thuis kwam -vandaag! en je wist ook niet dat Bernard Cranz een prachtige partij zou -zijn.” - -„Nee,” zei Hilda. Corry met haar groote reine oogen strak aanziende, -„daar heb ik nooit, nooit over gedacht. Maar mevrouw Cranz heeft me een -briefje geschreven of ik komen wou vanmiddag, en ik zal gaan.” - -„Waar is dat briefje? Wanneer is dat gekomen?” riepen de beide meisjes -door elkaar. - -Hilda had het in den zak, en een oogenblik maakte zij de beweging om -het voor den dag te halen, maar toen voelde zij in eens de vijandigheid -die uit het spotgelach naklonk en langzaam, zonder iets te zeggen, ging -zij de kamer uit. - -„Zeker is het vannacht om twaalf uur door een kaboutertje gebracht!” -riep Corry haar nog na, en weer lachten zij het scherp snijdend gelach -van booze, jaloersche meisjes, waar bovenuit Eugénies hatelijk schril -stemmetje gilde: „Schijnheilig freuletje.” - -Hilda antwoordde niets. Het was de eerste keer dat haar nichtjes zoo -waren geweest. Tot dusver hadden zij alle drie succes genoeg gehad, -ieder in haar eigen kringetje, om vreedzaam naast elkaar te gaan, en -Hilda’s vroolijk hulpvaardig karakter had heel wat botsinkjes vermeden. -Maar wat was nu dit? Waar zag men haar wel voor aan? - -„Maar ik wil er mij niet aan storen!” dacht zij flink, „zulke -verdenkingen spatten zwart terug op diegenen die ze verzinnen, en het -is geen reden dat ik de ouwe mevrouw afschrijf.” - - - - - - - - - -Het rijtuig kon Hilda niet krijgen dien middag; mevrouw van Starren was -al vroeg uitgereden om visites te maken; en met een paar stevige -laarzen aan, want de dooiende sneeuw, in vuilgrijze natheid, lag nog -dik hier en daar in de straten, stapte Hilda vlug voort naar haar oude -vriendin. Zij voelde zich blij, toen zij het huis had verlaten, waar -sinds dien morgen zulk een gespannen stemming heerschte; de buitenlucht -maakte haar in eens weer vroolijk en licht en in haar nauwsluitend -blauw laken pakje, het blauw vilten matrozenhoedje, mooi kleurend tegen -het blondbruine haar, ging ze haar gewonen gang van veerkracht naar de -woning van mevrouw Cranz. - -De lucht was zacht, maar de wind, als hij vol aanblies, deed nog -huiveren en snerpte roode frischheid op Hilda’s wangen. - -„Wat kunnen me eigenlijk al die speldenprikken en laffe verdenkingen -schelen?” zeide zij opgewekt onder het voortgaan. - -En toch, toen zij in de gang van mevrouw Cranz die pelsjas en den -hoogen hoed zag hangen, die getuigden van een nieuw element in de -stille ouderwetsche omgeving, kreeg ze het op eenmaal verschrikkelijk -benauwd en had wel weer terug willen gaan. Maar de knecht wierp de deur -open en Hilda’s blauwe figuurtje, zacht omstraald door het lentelicht -dat door de hooge ramen haar tegemoet stroomde, stond op den drempel en -moest binnen gaan. - -De oude mevrouw zat in haar stoel, met de hooge rechte leuning, dicht -bij het vuur, zij glimlachte toen zij het jonge meisje zag en met een -vreugdeglans in de oude oogen zich toen weer wendend tot den forschen -jongen man, vlak voor den haard, stelde zij hen aan elkander voor met -een wijzende beweging der hand: - -„Mijn zoon; freule van Suylenburg.” - -Beiden bogen, hun vluchtigen blik van nieuwsgierigheid zich kruisend, -en hij bleef nog even kijken en zei toen een paar beleefde woorden. -Maar, op eenmaal hoorde Hilda Corry’s gelach weer: „schijnheilig -freuletje, prachtige partij” en een groote verwarring kwam over haar, -die haar wel jong en bekoorlijk stond in de oogen van den man, die ze -bij haar opwekte, zonder het waarom te vermoeden, maar die zoo sterk -afstak tegen haar gewone voorname gemakkelijkheid dat de oude mevrouw -haar goedig te hulp trachtte te komen. - -„Hoe lief dat je door dat morsige weer toch nog gekomen bent. Ga -zitten, lieve! Och Bernard geef mij die briefjes even aan, die daar -liggen. Ik heb met de freule van Suylenburg altijd gewichtige zaken te -bespreken, niet waar? en je moet ons even onze conferentie laten -houden. Misschien wil jij wel in dien tijd even een sigaar opsteken -hier naast?” - -„Wilt u me nou alweer weghebben mama?” zei de jonge man lachend. „Ik -ben nauwelijks hier en laat mij zoo maar niet afschepen. Ik zal hier -heel zoet in een hoek gaan zitten en lezen tot u klaar bent.” - -En hij ging naar de vensterbank met een boek en keek beurtelings naar -buiten in de straat en naar ’t blauwe figuurtje binnen tot hij -heelemaal op ’t einde vergat weer naar buiten in de straat te kijken. - -Hilda zat half met haar rug naar hem toe, schijnbaar verdiept in de -brieven die zij lezen moest, maar inwendig trillend van ergernis. „Hoe -kon me nou toch zoo iets doms overkomen, te staan stotteren en kleuren -tegenover zoo’n vreemden man! Wat is het toch leelijk van de nichtjes -om mij van zulke intenties te verdenken! En als de oude mevrouw nou -mijn verwarring maar niet heeft gemerkt en ook zoo iets van mij gaat -denken! Dat zou ik niet kunnen verdragen.” - -„Mevrouw,” zeide de knecht, na zachten klop, „daar is Dominee Moisette -die vraagt of ie u een oogenblikje belet doet.” - -„Laat Dominee maar binnen komen,” zeide de oude dame, en toen de knecht -teruggegaan was naar de spreekkamer, „dat tref je Bernard, nou zie je -vandaag in eens de twee vrienden die je ouwe moedertje het best -troosten en helpen als je weg bent. Moisette is een nieuw licht aan -onzen pastoralen hemel, een jong mannetje nog, maar met veel ijver, en -die mij dikwijls groote diensten bewijst in mijn armenzorg. Maar jij, -Hildy, jij mag wel een beetje voor hem oppassen. Het komt mij verdacht -voor dat hij toevallig juist altijd bij mij komt als jij er ook bent.” - -„O! lieve mevrouw, dat kunt u niet meenen, daar is geen kwestie van,” -zeide Hilda sterk afwerend, want zij wist dat het wèl waar was, dat -Moisette haar tegenwoordig overal tegen kwam, haar overal trachtte te -ontmoeten. Maar de ernst die over haar jeugdjaren had geheerscht, had -haar verheven boven het spottend zich gevleid voelen, waarmede zoovele -jonge meisjes dergelijke stille vereeringen beschouwen. Bij intuïtie -begreep zij het leed dat de jonge predikant, met zijn harde -zelfbedwongen natuur moest lijden en ze was te ernstig om er zich een -ijdelheidsspeelgoed van te maken. Medelijden en eerbied lagen in haar -heftig ontkennen. - -Moisette kwam binnen. Een lange, magere, jonge man. Zijn donkere, -kleine oogen, het dikke, sluikzwarte haar, en het boven de oogen sterk -gewelfde voorhoofd der fanatieken gaven hem iets terugstootends, alleen -de mond was week en treurig en om de glad geschoren kin rondden zich -lijnen van goedheid. - -„Wat een contrast tusschen die twee,” dacht Hilda toen de beide jonge -mannen aan elkaar werden voorgesteld. „De eene lijkt wel een monnik uit -de middeleeuwen, die weken lang gevast en met den duivel geworsteld -heeft en de andere ....? ja waar lijkt die op?” Voor ’t eerst zag ze -even aandachtig naar hem heen. Zijn forsche, gevulde gestalte van -sportlievenden edelman, het hooge, kale voorhoofd, de zorgelooze blik -der ronde lichte oogen, de volle lippen tusschen de zware, blonde -knevel en baard, met hun zelfbewust glimlachje van mooie man, zeiden -haar eigenlijk niets. „Wel, al is hij ook de zoon van mijn lieve -mevrouw, ik kan het niet helpen, hij lijkt het meest op een Duitsche -officier in politiek, stilletjes gezegd het vreeselijkste wezen dat ik -ken,” en met zekere voorkeur keerde zij zich weer tot het monnikstype. - -„Wat dunkt je Moisette,” hoorde zij mevrouw nu zeggen, „als dat arme -Sophietje met haar rugpijnen dat eeuwige naaien, vooral op de machine, -niet kan volhouden, zouden wij haar dan geen boekhouden kunnen laten -leeren en haar plaatsen kunnen aan die Levensverzekering van je vriend -Wilte, waar je verleden van sprak?” - -„O, maar mevrouw, daar had ik Jacob Spruiten voor bestemd.” - -„Ja dat weet ik,” hernam de oude vrouw haastig, „maar nu die zulk een -mooie betrekking aan die fabriek gekregen heeft, vervalt hij -natuurlijk. Waarom zou je er Sophietje Vanen nou niet voor nemen? -Freule van Suylenburg vindt ook dat zij bepaald bijzonder vlug is.” - -„En zou de freule dan willen dat het meisje bij zoo’n maatschappij ging -werken?” vroeg hij weifelend, direkt tot Hilda gewend. - -„O, ik zou het uitstekend vinden,” zeide Hilda. „Het naaien kan zij op -den duur toch niet uithouden, en Sophie is zoo’n bedaard, accuraat en -intelligent meisje dat zij juist voor zoo iets geschikt zou zijn. Als -mevrouw Cranz haar les wou laten geven en u zorgde later voor de -plaatsing, zou het kind gered zijn.” - -Moisette schudde het hoofd. „Klerkenwerk en boekhouden in een -Levensverzekering zijn nu eenmaal geen vrouwenwerk. Neem mij niet -kwalijk, mevrouw, maar in mijn ambt zie ik mij gedrongen om op alle -wijzen die nieuwe emancipatieideeën der vrouwen tegen te gaan en ik mag -ze dus in dit geval ook niet aanmoedigen. Ieder moet in zijn eigen -werkkring blijven, anders neemt de vrouw den man het brood uit den -mond.” - -„En waar zie je de scheiding dan tusschen ieders werkkring?” vroeg -mevrouw Cranz even ironisch. „Vindt je dan naaien zoo’n speciaal -vrouwenwerk? Maar dan moest je ook preken tegen die duizenden -kleermakers voor heeren en voor dames en de goudborduurders en -stoffeerders, die de vrouwen het brood uit den mond nemen, ofschoon, ik -moet zeggen, daar heb ik nog nooit een vrouw over hooren klagen, hoe -hard de strijd om het bestaan ook voor haar is.” - -„Maar waarde mevrouw Cranz, als vrouwen de goed gesalarieerde baantjes -aan de mannen gaan betwisten waar moeten wij dan van leven?” zei de -jonge dominee zonder haar vraag te beantwoorden. - -Hilda hief levendig het hoofd op. Zij zag in haar verbeelding weer het -geduldig bleeke gezichtje van het naaistertje voor zich en ergernis -trilde in haar stem: „En als de man de goed gesalarieerde baantjes aan -de vrouw blijft betwisten, waar moeten wij dan van leven? Met pijnlijke -ruggen het droge brood van ons naaiwerk eten om de mannen rustig en -aangenaam hun betere betrekkingen te laten genieten? Hebt u dan meer -medelijden met den honger van den man, dan met dien van de vrouw, dat u -voor alles zijn brood beschermt?” - -Moisette zag haar een oogenblik onthutst aan. „Maar de man moet het -brood verdienen, ook voor de vrouw. Als hij goed verdient kan hij een -gezin onderhouden.” - -„En de vrouw dan?” riep Hilda bijna heftig, „moet die in dezen tijd -niet ook heel dikwijls een gezin onderhouden? Sophietje heeft haar -zieke moeder en ’t kleine, gebulte Fritsje, dat nooit veel zal kunnen -verdienen. Vrouw van Toorn, die mevrouw verleden heeft voortgeholpen, -heeft een man die al drie jaar aan tering lijdt, en zes kleine -kinderen, juffrouw Spanjaard heeft acht weezen van haar broer en zoo -zijn er immers massa’s! De toestanden zijn niet meer, dat de vrouw -rustig het verdienen aan den man kan overlaten, u weet zelf ook best -hoe dikwijls het onderhoud op de vrouw aankomt en dan staat zij -eenvoudig tusschen zedelijken ondergang en hard werken voor droog -brood. Waarom, als zij even intelligent is en even veel haar best doet, -mag zij geen even goede betrekkingen hebben als de man? Trouwens het is -tegenover de Sophietjes in de heele wereld wel wat al te hard om haar -iets te weigeren, dat aan den vader van een huisgezin toekomt, want zij -weten heel goed, die bleeke, leelijke stumpertjes, dat niemand haar tot -moeder van een gezin zal maken, en zij dus nooit zullen profiteeren van -die voordeelen, die men haar onthoudt onder voorwendsel dat men ze aan -haar echtgenoot wil geven.” - -„Maar de vrouw hoort niet op een kantoor, zij hoort thuis in het -huishouden!” zeide Moisette met een smeekenden blik op mevrouw Cranz, -die zwijgend naar Hilda geluisterd had. - -„Wat meent u met huishouden?” vroeg Hilda ironisch, meegesleept door -het onderwerp. „Lekkere schoteltjes klaarmaken voor moeder en Fritsje? -Hoe lief! Maar als er niet eens brood op tafel is? Wat is het -huishouden der armoede? Geld moet er toch in de eerste plaats zijn, -niet waar? Eerst moet Sophietje verdienen, en dan kan zij heel -„vrouwelijk” en lief gaan huishouden!” - -„Kom Moisette,” kwam mevrouw Cranz goedig tusschen beiden. „Wees nou -maar goed voor mij en Sophietje en ook voor de freule van Suylenburg; -je ziet hoe veel belang zij in de zaak stelt, en zorg jij nu voor die -betrekking op het kantoor van je vriend, dan zorg ik voor de lessen.” - -„Ik zal zien mevrouw,” zei de jonge man heesch. „Maar het is tegen mijn -beginsel.” - -Ineens stond hij op om heen te gaan met gejaagde bewegingen en een -stijve buiging voor Hilda, maar toen zij hem vriendelijk de hand -reikte, als tot verzoening na hare heftigheid, ontroerde zij van zijn -donkeren blik. - -„Wel moeder, ik wist niet dat u zoo voor vrouwenemancipatie ijverde,” -zeide de jonge Cranz lachend, op dien lichten speeltoon, half ironisch, -half verwonderd, waarmede ernstige zaken gewoonlijk in de elegante -wereld worden behandeld. „Sinds wanneer bent u zoo revolutionair -geworden?” - -„Niet revolutionair, mijn jongen, evolutionair! Geen revolutie hoor! -Maar krachtige evolutie! en daarvoor is vrouwenemancipatie een van de -noodigste factoren. Hoe wil je de menschheid vooruit laten gaan als de -eene helft, de vrouwen, kunstmatig achter wordt gehouden?” - -„Ach, moeder, menschenvooruitgang en vrouwenemancipatie, waar vermoeit -u u mee? Wie tobt nou over zulke dingen? Ik zou die naaistertjes maar -stilletjes aan haar machines laten en zich maar laten redden zooals ze -kunnen. Alles komt in de wereld immers terecht.” - -Hij lachte weer en zag Hilda aan. Maar het gesprek met Moisette had -prikkelend op haar gewerkt. Zij was niet gestemd tot het licht lachend -heenglijden over vragen die haar zoo’n belang begonnen in te boezemen. - -„Wel zeker,” zeide zij scherp. „Wij voelen immers toch niet de rugpijn -van die stumpertjes of haar vermoeienis als zij den geheelen dag -getrapt hebben voor hoogstens twaalf stuivers.” - -„Nou ja freule, maar men kan het nou eenmaal in dezen wereld niet -iedereen naar den zin maken, niet waar? Als men toevallig iets voor -zoo’n meisje kan doen, doe je het natuurlijk, maar ik zou er dien armen -dominee die er gewetensbezwaren over heeft, heusch niet zoo hard over -vallen.” - -„Waarom niet,” zeide mevrouw Cranz, „dan moet-ie zijn geweten maar een -beetje meer in overeenstemming met de eischen van den tegenwoordigen -tijd brengen. Een herder mag den drang van zijn tijd niet ignoreeren. -Ik kibbel er altijd met hem over en ik was blij dat de freule van -Suylenburg er hem vandaag ook eens iets van gezegd heeft.” - -„Maar zoudt u het heusch goed vinden freule, in ’t algemeen gesproken, -dat vrouwen alle mannenbaantjes konden bekleeden?” vroeg hij -ongeloovig. „Och kom, zoudt u bijvoorbeeld in de diplomatie willen -studeeren? Wat een gevaarlijke storingen in de gemoedsrust van al uw -collega’s zou dat geven.” - -Hilda glimlachte even en pijlsnel kwam het in haar op welk antwoord zij -als „lief jong meisje” nu eigenlijk behoorde te geven. Ze moest even de -oogen neer slaan en dan bewonderend tot hem opzien en zachtjes zeggen: -„O! nee, zulke hooge, moeilijke betrekkingen meen ik natuurlijk niet. -Zulke studies zijn veel te zwaar voor een vrouw!” Sinds honderde jaren -zijn zulke antwoorden gegeven door vrouwen die op hetzelfde oogenblik -volkomen overtuigd waren driemaal intelligenter dan haar toehoorder te -zijn, maar ook wisten, dat zij nooit beminnelijker en verstandiger -werden gevonden, dan wanneer zij vleiend partij trokken van zijn naïeve -mannenijdelheid. Vleien is een groote macht en veel vrouwen zijn -machtig geweest omdat zij den man wisten wijs te maken dat zij -geloofden in zijne superioriteit. - -Maar Hilda’s eerlijke fierheid liet het laffe comediespel niet toe dat -de relatien tusschen de sexen in den wereldomgang zoo dikwijls bederft, -en Corry’s woorden: „prachtige partij, schijnheilig freuletje,” klonken -in eens luid in haar op en gaven haar lust om zelfs scherp te zijn. - -„Over de gemoedsrust der heeren van de legatie zou ik mij al heel -weinig bekommeren, en waarom, als er flinke, knappe meisjes waren, die -er lust in hadden, zouden zij geen diplomaat worden? Door alle eeuwen -heen zijn vrouwen groote staatslieden en politieke intriganten -geweest.” - -„Freule, als u diplomaat werd zou ik uw tegenstanders vreeselijk -beklagen, u hebt het straks ook weer aan dien dominee gezien, hoe heet -hij eigenlijk, Moisette? die vond het ook, geloof ik, moeielijker om u -te weerstaan dan om zijn principes op te geven.” - -Cranz zei het lachend zijn voornaam geblaseerd lachje om vooral te -toonen dat hij het gesprek niet in ernst wou nemen, dat het voor hem -niets was dan een kleine, pikante woordenstrijd. - -„Zeker is het ook moeielijk voor dominee Moisette om mij te weerstaan, -niet omdat ik het ben, maar omdat ik alleen verlang wat een geweldig -dringende eisch van elk rechtvaardigheidsgevoel is.” - -Zij zeide het hoog, heel koud, uitdagend, bijna beleedigend na zijn -complimentjes, en stond op in zenuwachtige ergernis. Het begon haar zoo -vreeselijk te vervelen altijd om haar heen dat flauwe, gezochte -schertsen, dat zorgvuldig onder ironische lachjes wegstoppen van den -ernst van het leven en zijn vraagstukken. Waarom konden die menschen -nooit eens ernstige zaken gewoon ernstig behandelen? En dan, er lag in -Bernards toon ook nog dat hoffelijk nederbuigende, dat ze dien winter -dikwijls opgemerkt had van heeren tegenover dames, alsof hij haar -aardig genoeg vond om zich met haar te amuseeren, maar niet de moeite -waard om verstandig mee te praten. - -„Ga je al heen Hilda?” zeide de oude mevrouw. „Je moet nog maar eens -dikwijls met mijn zoon komen kibbelen, dat is heel goed voor hem.” - -Hilda glimlachte haar gewonen lieven glimlach toen zij afscheid van de -oude dame nam, maar toen vlug langs Bernard glijdend, zonder hem de -hand te geven, ging zij heen met een buiging van stijve hoogheid, die -hem een beetje onthutst midden in de kamer liet staan. - - - - - - - - - -„Ziezoo, dàt is tenminste een rust, de nichtjes kunnen tevreden zijn, -mijn eerste ontmoeting met Cranz leek alles behalve op flirt,” zeide -Hilda onder het naar huis gaan. En toch ...... er was iets in zijn -oogen geweest toen hij bij ’t weggaan voor haar boog .... Nonsens, dat -was immers onmogelijk. Zij vond hem vervelend en aanstellerig, met zijn -aardigheden en complimentjes, nadat hij in ’t gesprek met Moisette heel -goed had kunnen zien dat zij in vollen ernst belang in die dingen -stelde, en hij moest haar belachelijk en vinnig hebben gevonden om zich -zoo op te winden. En zij probeerde het prettig te vinden dat zij zeker -een slechten indruk op hem gemaakt had, maar in den grond toch hinderde -het haar. - -Ontevreden op Cranz, ontevreden op haar nichtjes, ontevreden op zich -zelve en haar heele leven kwam zij thuis, en in den leunstoel op haar -kamer viel ze neer, lusteloos en verdrietig. - -Waarover had ze zich straks toch eigenlijk zoo geërgerd? Omdat Cranz -spotte met vrouwenemancipatie? en Moisette er tegen was? Maar wat -bedoelden zij daar eigenlijk mee? Als men zulke onderwerpen bespreekt, -mocht men wel eerst beginnen met een definitie te geven van ’t geen men -onder zoo’n woord verstaat. - -Wat waren er nog een massa menschen die onder „vrouwenemancipatie” een -soort streven verstonden om allerlei dingen te mogen doen en vrijheden -te nemen waar geen enkele beschaafde vrouw naar verlangen kan. Het was -vervelend al het misverstand, dat over dit woord heerschte, maar dat -hadden immers alle woorden gemeen die een streven, een idee uitdrukten! - -Wat een gruwelen zijn er niet bedreven in naam van het christendom dat -liefde en vrede bedoeld! In naam van het geloof in een God van liefde -zijn brandstapels en pijnbanken gebruikt, in den naam van vrijheid, -gelijkheid en broederschap, is felle tyrannie, bloedvergieting, -schending van vrijheid gepleegd; in naam van de wetenschap gebeuren de -schandelijkste wreedheden, in naam van vaderlandsliefde wordt -broedermoord op grooten schaal gepredikt, in naam van orde en recht -wordt telkens het recht van de zwakke vertreden, in naam van de -liefdadigheid wordt groote ijdelheid bedreven. Hoe kan het dan anders -dat ook in naam van vrouwenemancipatie treurige, belachelijke dingen -zijn gedaan, die misverstand in de wereld hebben gebracht? - -Maar voor allen die het goed begrijpen is vrouwenemancipatie een woord -van aangrijpenden ernst. Voor hen beduidt dit het mooie streven naar -een vrijheid die elk mensch toekomt, hetzij man of vrouw, een vrijheid -om te mogen werken, zich nuttig maken, geld verdienen zooals eigen -aanleg, behoeften en geweten het eischen, niet langer zooals traditie -het voorschrijft. - -„Vrouwenemancipatie is het recht voor ons om te leven niet net als een -man, maar even goed als een man, niet meer aan alle zijden belemmerd!” -dacht Hilda voort. Hoe is het mogelijk dat Moisette dat niet ook zoo -inziet? Waarom tracht hij toch bij alle gelegenheden de vrouw terug te -houden binnen haar treurig klein arbeidsveldje waar alleen droog brood -te verdienen is? En wat beduidt toch al dat gepraat over de „vrouw?” en -wat zij doen mag of niet? Als men de menschen er over hoort spreken, -zou men soms denken dat zij het over een plantsoort hebben, die in -kleigrond en niet in zandgrond behoort te groeien of andersom, in -plaats van over levende menschen, wier passies, karakters, verlangens, -aanleg, behoeften en roeping hemelsbreed van elkaar kunnen verschillen. -Als of er niet evenveel geweldige contrasten onder de vrouwen gevonden -worden als onder de mannen! - -Zij amuseerde zich een oogenblik met het bedenken van tegenstellingen: -Een Sarah Bernard, de verfijnde kunstenares, en een Utrechtsche -orthodoxe burgerjuffrouw, een Florence Nightingale, die bij de -menschenslachting van den Krim-oorlog als een voorzienigheid op het -slagveld rondging en onder kogelregens de stervenden bijstond, en een -Betty de Mureaux die bang was voor een muis, een Maria Theresia die een -eerste plaats inneemt onder de koningen en staatslieden van haar tijd, -en een dier stille liefdezusters die men in groote steden in -achterbuurten soms tegenkomt, wier naam en onvermoeid troosten en -helpen niet door de geschiedschrijvers worden gemeld; een heilige -Theresia die den Augiasstal van het Spaansche kloosterleven der -zestiende eeuw wist te reinigen, en niettegenstaande zeer vijandige -tegenwerking van machtige geestelijken, met ongeëvenaarde energie en -tact, tucht, materieele en moreele reinheid in de kloosters wist in te -voeren, en een markiezin de Pompadour, misschien de gedepraveerdste van -alle courtisanes; een Harriet Beecher Stowe, de onvermoeide arbeidster -aan de vrijheid der Amerikaansche slaven, die behalve voor haar groot -sociaal werk nog den tijd vond om voor hare zes kinderen een uitnemende -moeder te zijn, en de Madame Bovary’s, de Eline Vere’s van de geheele -wereld, die in haar zinnelijk romantisch egoïsme te gronde gaan; een -krijgszuchtige als de comtesse de Montfort, waarvan de Croniqueur zegt: -„Quelle avait un coeur d’homme et de lion”, en eene Blanche de -Castille, de teedere moeder van den heiligen Lodewijk, die zeker niet -minder wijs en deugdzaam was als haar heilig verklaarde zoon; een -Monica, de moeder van den heiligen Augustinus die haar zoon redde uit -de zondemacht door tranen en gebed en de Parijsche elegante, die haar -zuigelingen buiten „en nourrice” zendt, en haar kinderen in -kloosterpensionaten laat opgroeien om zich zelf luchtig te amuseeren; -een Catharina de Groote van Rusland, de infame wellustelinge en in ’t -begin van deze eeuw een zuster Catherine Emmerich, die het zalig vond -de afgrijselijkste smarten te dragen als verzoenende boete—zoo zeide -haar heur geloof—voor de booze zonden der wereld; een freule Tinne, de -stoute Afrika-reizigster, een miss Kingsley die haar gevaarvolle tocht -in Kamerun volbracht en juffrouw Betje die ’t „eng” vond om over den -Moerdijk te gaan; een Amalia Edwards, die haar heele vermogen -beschikbaar stelde om aan University college te Londen een professoraat -in de Egyptologie te stichten, een mevrouw Lewis die naar den berg -Sinaï reisde om daar van belangrijke manuscripten photographische -afbeeldingen te nemen en die later te ontcijferen, en mevrouw Vermaezen -die hoofdpijn kreeg van een Ouida-roman, een door ziekelijke eerzucht -verteerde Marie Baskirtcheff, een dweepster als Charlotte Corday, een -staatkundige als madame de Stael en madame Roland, een Kate Marsden, -die de afschuwelijke verblijven der leprozen opzocht om hun leven -dragelijk te maken, een dichteres als Elisabeth Browning een Cosima -Wagner, een Jeanne d’Arc, een Bettina von Arnim, een Octavia Hill -................. - -Dagen lang zou men immers zoo voort kunnen gaan en hoe meer namen men -zou vinden, hoe sterker de contrasten zouden uitkomen. Het zou een -aardige studie kunnen worden om eens ernstig na te gaan hoe weinig -gelijkvormigheid er heerscht onder die millioenen individuen waarover -philosophen en staathuishoudkundigen in belachelijke eenzijdigheid -hebben geschreven als of het één wezen was: „de vrouw”! - -O! natuurlijk er is dikwijls beweerd dat al die groote figuren -excepties waren en dus niet mee konden worden gerekend als er sprake -was van „de vrouw”. Maar voor wie oogen heeft om te zien rondom zich in -de wereld en eerlijkheid om te erkennen, voor dien moet het duidelijk -zijn dat die vrouwen die op een of andere wijze hebben uitgeblonken, -geen abnormale wezens waren, maar alleen volkomen volwassene, sterke -exemplaren van soorten die men in de vrouwenwereld overal ontmoet, in -alle graden en schakeeringen. Duizende zielverwanten in miniatuur -moeten er op dit oogenblik zijn van Kate Marsden en Ristori, en George -Eliot, en mevrouw Butler, en Maria Theresia, en Ninon de Lenclos, en -Vittoria Colonna en Cleopatra en Harriet Beecher Stowe! Duizenden en -duizenden, bewust of onbewust moeten iets in zich voelen van hetgeen -deze historische vrouwen in volmaaktheid hebben bezeten! En deze alle -wilde men, de wreede, domme men, onder één etiquette „de vrouw” tot één -zelfde leven veroordeelen! Was het niet onzinnig? - -Waarom liet men het toch niet over aan elk individu om voor zich zelf -te bepalen waar zij zich geschikt voor voelde? Wat beteekende toch dat -verontwaardigde angstgeschrei zoodra een vrouw lust toonde iets anders -te doen dan wat haar moeders of grootmoeders hadden gedaan of haar -buurvrouwen nog deden? Alleen die enkelen, die aan groote gaven een -zeldzame dosis moreelen moed, energie en volharding paarden of in -buitengewone omstandigheden waren, konden nu haar eigen roeping volgen. -Al de anderen moesten zich nog buigen voor de uitspraken van de -gedachtelooze „men.” Wat een kapitaal van liefde en gaven moest -daardoor voor de maatschappij verloren gaan! Hoeveel vrouwen suften nu -nog in werkeloosheid weg, die zoo nuttig zouden zijn geweest als men -haar haar eigen richting had laten gaan! - -Sinds honderde jaren is er nu al met gewetensvrijheid gedweept, maar -hoe weinigen kennen eigenlijk nog het eerbiedigen in anderen, en vooral -als het een vrouw geldt, van vrijheid in willen en werken! - -Hilda bleef stil zitten, lang doorsoezend een rij van gedachten, maar -in eens klonk in den gang vlak bij haar deur Corry’s hoog-kirrend -lachje. De kruk werd zachtjes omgedraaid en Eugénie gluurde naar -binnen. - -„Zoo, ben je terug van den verkenningstocht en goed succes gehad?” - -Met een leelijken lach, de bovenlip hoog opgetrokken, de oogen schril -wijd geopend, de stem trillend onder den lust van te verwonden had -Eugénie het gezegd, toen met een knakkenden slag sloot ze de deur en -Hilda stond alleen, wild getergd, midden in de kamer, die als vervuld -was plotseling met een damp van hatelijken smaad. - -„Ik moet het me niet aantrekken,” zeide zij hardop met strakke blikken -naar de deur. „Ik wil het me niet aantrekken. Ik wil me te hoog voelen -om door zulke gemeene, laffe hatelijkheden beleedigd te zijn!” Maar wat -ze ook tegen zich zelf mocht zeggen, het hinderde haar toch -verschrikkelijk. - -Zenuwachtig zag zij op naar het groote portret van haar vader aan den -muur tegenover haar. Maar vandaag gaf het haar geen vrede. Wat zou hij -wel gezegd hebben, als hij geweten had dat zijn „klein meisje” door -zulke nietigheden zich het leven liet verbitteren, dat zij daar stond -te trillen van opgewonden ergernis om een paar booze woorden! „De -groote levenskunst,” had hij eens gezegd, „is om het kleine klein, en -het groote groot te zien. Veel menschen die onverschillig blijven bij -de groote strijdvragen van het leven en luchtigjes omspringen met hun -gezondheid, de opvoeding van hun kinderen, huwelijkskeuze en andere -algemeene belangen, leven soms dagen lang in de grootste woede door een -woord dat zij kwalijk nemen en worden uit hun humeur gebracht door -kleinigheden, die zij zich over een paar maanden zelfs niet meer kunnen -herinneren.” En zoo was immers dit hatelijke kibbelpartijtje van de -nichtjes ook maar een onbelangrijk ietsje, dat zij moest trachten klein -te zien! Maar het was moeilijk, verschrikkelijk moeilijk, want alles -was immers relatief: Als men zijn leven vult met mooie, belangrijke -gedachten en een streven naar een doel waarvoor men zich heerlijk kan -inspannen, worden al zulke kwelpartijtjes een onbeduidend kruisje dat -men trotsch glimlachend dragen kan. Maar als het leven één beuzelarij -is geworden, zooals het hare tegenwoordig, zonder werk, zonder doel, -vol nietige belangetjes, een schakel van miniatuurgewichtigheidjes, -wordt elke kleinigheid een zaak van groote afmeting. Was zij den -laatsten tijd niet telkens uit haar humeur gebracht door een naaister, -die een japon niet op tijd had bezorgd, door avondschoentjes, waarop -men verkeerde strikken gezet had, door een kleur van lint die zij niet -had kunnen krijgen en nu vanmorgen weer door het jaloersche gesar van -de nichtjes? O! zij voelde zich wegzinken in een stroom van nietige -kleinheid. - -Vlak bij haar op een stoel lag het blauwzijden kleedje klaar, dat zij -vanavond in de opera zou dragen. In het glanzende blauw der plooien lag -een vage herinnering aan dien lachenden toon, dien zij vanmorgen in de -lucht had gezien, en de lange peau de suède handschoenen streepten dof -tegen het blauw als mollige voorjaarswolkjes. Maar het voorjaarsgevoel -van dien morgen was weg; zij voelde zich bitter ontstemd. - -Wat werd er ook weer gegeven vanavond? O, ja, de Favorite en ’t was -haar als hoorde zij de banaal zinnelijke klanken reeds dier oude -theatrale aria’s met hun onware liefdesuitingen. Wat was het vroeger -heerlijk geweest met haar vader in de groote schouwburgen van het -buitenland. Een kleine huivering van enthousiasme doortrilde haar bij -het herinneren van zooveel avonden van intens genieten. Maar in het -begin was het toch ook hier wel aardig geweest! Het kleine gezellige -theater, al die bekende gezichten, het zoet enerveerend gevoel van -bewonderd te worden, gebinocleerd, aangewezen door die menigte daar -beneden in het parket, in de stalles.... zich zoo hoog en voornaam en -mooi te voelen.... Een weeldedrank was het geweest die zelfs haar -sterke gezonde hoofd had doen duizelen. Maar het strenge, weemoedige -gezicht aan den muur durfde zij niet aanzien onder het zich bekennen -dier prikkeling. Had hij dan voor niets haar het mooiste, het beste -leeren kennen, dat zij zich nu nog had laten bekoren door al dat -schijnmooi, en die glanzende wuftheid? O! wat was ze vandaag moe en wee -van dat alles! Wat had zij in al die maanden van uitgaan gehad dat -opwoog tegen een week van haar vroeger leven op reis met haar vader? -Niet één onder al die vreemden tegen wie zij nu maanden lang had -geglimlacht, was haar volkomen sympathiek, er was niemand onder al die -menschen aan wie zij zich had kunnen hechten! En het jonge hart heeft -zulk een smachtende behoefte aan liefde geven, misschien nog meer dan -aan ontvangen. Daar was niemand dan de oude mevrouw Cranz en die arme -Moisette, maar die twee konden haar eenzaamheid niet vullen; eenzaam -was zij, en ontevreden, hongerend naar een vol en rijk leven. Maar hoe -kon zij dat bereiken? - -Zuchtend stond zij op, met de bewegingen van een poes, die uit een -diepen slaap komt en lui het lenige lijfje rekt, als om zijn veerkracht -weer te vinden. - -Langzaam begon zij haar toilet voor het eten, maar haar moreele -veerkracht wilde niet terugkeeren. „Waarom moet ik me nou weer -aankleeên? Wat beteekent het allemaal? Wat een comedie is het leven! -Daar is toch niemand, die iets om mij geeft, niemand waartegen ik -zeggen kan wat ik denk, of wat ik voel! Als ik vanavond aan iemand iets -liet zien van het beste dat in me is, zouên ze me vervelend of ridikuul -vinden. Bewonderd en gefêteerd te worden, zooals Corry het noemt, is -wel een zoet gevoeletje, maar het laat je toch eenzaam au fond, als de -eerste bedwelming over is. Geen van hun allen bewonderen in mij wat het -heiligste in me is! Het is mijn oppervlakkigste lachje en mijn luchtig -comediewoord dat ze van me vergen, om er zich mee te amuseeren!” - -En toen in eens half luid, bekende zij het zich zelf: - -„Ik kan het hier nooit uithouên!” - -Het was de eerste maal, dat zij onder den druk van zenuwachtige -ontstemming haar onbevredigd voelen duidelijk had uitgesproken. Zij -schrok er zelf even van. Maar wat dan? Waar kon zij heen gaan? Wat zou -ze doen? - -Het sloeg half zeven, zij moest voortmaken, maar terwijl ze in groote -haast het blauwzijden kleedje aantrok, klonk in het ruischen van elke -beweging: „Wat moet ik doen? Ik kan het hier toch niet uithouên!” Maar -een antwoord vond ze niet. - -Alleen onder het naar beneden gaan, kwam het met bitterheid in haar op: -„van jonge dames werd immers alleen geëischt dat zij zich amuseerden en -er lief uitzagen! Wat wilde zij dan nog meer?” - - - - - - - - - -Bernard Cranz was in de opera de familie van Starren komen aanspreken, -den halven avond was hij bij hen gebleven en had zich bijna uitsluitend -met Hilda bezig gehouden. In het begin had zij zich stroef -teruggetrokken, verlegen tegenover Eugénie, die Cranz daarenboven al -van haar jeugd af kende en duidelijk alle moeite deed om zijn aandacht -tot zich te trekken. Maar toen hij zich telkens weer tot Hilda had -gewend en haar voortdurend in het gesprek had betrokken, had zij zich -op het einde maar gewoon laten gaan. Eus moest dan maar denken wat zij -wilde. Zij kon zich toch niet ridikuul stijf aanstellen tegen dien man -die haar niets had gedaan, alleen omdat de nichtjes haar vanmorgen -leelijke bedoelingen hadden toegeschreven. Als zij nu niet natuurlijk -en beleefd tegen hem was, zou hij nog denken dat zij met hem wilde -koketteeren of zich aanstellen over zijn spotten vanmiddag met haar -emancipatieidees. - -Onder het naar huis rijden was er geen woord gesproken. Mevrouw van -Starren en Corry waren verdiept in die geschiedenis met von Görtzen, -die weer druk zijn hof had gemaakt, en Eugénie had haar ergernis in -stilzwijgen gehuld. - -Maar den volgenden dag scheen, aan de oppervlakte althans, het -hatelijke stormpje geheel te zijn voorbij gedreven. Er zouden tableaux -vivants bij Valérie Vermaezen gegeven worden en de vraag welk toilet -Eugénie en Corry daarbij zouden dragen had hen allen dien ganschen -morgen weer schijnbaar gemoedelijk in een levendig gesprek vereenigd. - -„Hilda, ga je mee vanmiddag om drie uur naar Ottilie van Heemeren?” -vroeg Corry aan de koffietafel. - -„Tenminste als je vandaag geen belangrijker bezoeken te maken hebt,” -voegde Eugénie er bij. Haar stem klonk zacht en haar gezichtje was -glad, naïef vriendelijk, en toch welk een wereld van booze, giftige -verdenking lag uitgesproken in dit nauwelijks geaccentueerde: -„belangrijker bezoeken.” - -Wee, wanneer het fijne denkweefsel van de vrouw en haar scherpe -instinct van wat wondend en wat balsemend zijn kan, gebruikt worden om -te kwetsen, niet om te sparen. - -„Zeker, vandaag wil ik heel graag met je mee gaan,” zeide Hilda -bedaard, maar het bloed steeg toch warm naar haar voorhoofd. De slag -had getroffen, maar zij was machteloos zich te verdedigen, de vijand -was onzichtbaar. In hoevele huisgezinnen zijn niet op deze wijze geluk -en vrede verwoest geworden, hoevele zenuwgestellen niet bedorven door -de onedelmoedige schermutselingen in bedekte termen, waarin vooral de -vrouw zulk een treurig meesterschap heeft verworven. - -Intusschen, toen om drie uur de beide meisjes in haar glanzende -equipage op den Bezuidenhout voor het huis van mevrouw van Heemeren -stil hielden, zou niemand iets van een ontstemming geraden hebben. -Beiden, Corry en Hilda hadden het gezicht dat de wereld van haar -eischte, lachend en onbezorgd. - -Ottilie van Heemeren was op dat oogenblik een beroemde beauté in haar -kringen. In het begin had Hilda zich volstrekt niet tot haar -aangetrokken gevoeld. Haar ongedistingeerde schoonheid, haar -zonderlinge reputatie, het ruwe in haar optreden soms, vooral als er -heeren bij waren, waren weinig geschikt geweest om Hilda naar een -intiemere kennismaking te doen verlangen, maar onlangs, door een -toeval, hadden zij elkaar op een tentoonstelling in Pulchri ontmoet en -daar in een lang gesprek over kunst, hadden beiden in verwondering -ontdekt dat zij in vele opzichten hetzelfde voelden en dachten, en dit -had haar veel nader tot elkaar gebracht. - -Zooals de jonge vrouw verteld had, was haar voorgeschreven een paar -uren in den middag te rusten en in haar overspannen verlangen om vooral -esthetisch te zijn, om alles „mooi te laten doen” om zich heen en alles -weelderig te hebben, had zij in haar boudoir een rustbed opgericht als -voor een oostersche vorstin. De lange smalle divan was geheel bedekt -met een perzisch kleed, kostbaar, met zeldzaam rijke kleuren, een -hoofdkussen van goudgeel fluweel ondersteunde het mooie hoofd met de -vreemde zwarte haren en daarachter donker glanzend vormden -breedbladerige palmen een achtergrond. Een groote, witte berenhuid op -den grond, overal bloemen in kostbare, bonte vazen, spiegels met teer -matte prismas van Venetiaansch glas, zilverige draperieën van -oostersche, dunzijden vrouwensluiers, tallooze kleine bibelots, -meubeltjes Louis XV, een empire schrijftafeltje, waarop groepjes van -Saksisch porcelein, alles wat elegante rijkdom zich aan kan schaffen in -deze eeuw van namaak en stijlloosheid, was er bijeen gebracht. - -Op den banalen bezoeker moest het een indruk van groote weelde en -pracht maken, maar voor wie zoeken naar harmonische schoonheid, was al -dit opeengehoopte moois, waarvan de typen elkaar onderling zelfs hier -en daar vijandig waren, bijna een marteling voor de oogen. - -Hilda voelde zich bij het binnenkomen even beklemd, als bij ’t inademen -van oververhitte broeikaslucht. - -Ottilie stond langzaam op, elk van hare bewegingen bestudeerd, op -effect berekend. Eerst kwijnend loom richtte zij zich overeind op de -rustbank, haar japon met de eene hand optrekkend zoodat men het voetje -met de zwartzijden kous en ’t geelfluweelen muiltje zich licht en -voorzichtig op den berenhuid kon zien neerzetten en toen met een -veerkrachtig opheffen stond ze in eens in haar volle lengte en ging de -meisjes levendig een paar schreden te gemoet. - -„Wel dat is braaf en lief van jullie, dat je me komt opzoeken!” - -Zij sprak met dat weeke, half uitlandsche accent dat met slappe lippen, -zonder eenige articulatie, gesproken wordt en op dat oogenblik in haar -wereld bon ton was. - -„Als je eens wist hoe gruwelijk ik me verveel, als ik hier zoo alleen -lig. Het is haast niet dragelijk.” - -„En toch heeft de dokter je zeker voorgeschreven om die paar uren -absoluut rust te nemen, niet waar? zonder iemand te zien, en doen wij -eigenlijk groote contrabande?” vroeg Hilda. - -„Eigenlijk wel,” zeide Ottilie lachend, „mais que veux-tu? Het is niet -om uit te houên, en toch moet ik het wel doen, anders ben ik ’s avonds -te doodop om iets weer uit te voeren. Maar zoo’n paar visites mag wel, -mijn doktertje weet ook wel dat ik er anders onder bezwijken zou, -alleen heb ik haar moeten beloven dat ik geen heeren op die uren -ontvangen zou, dat is te druk, begrijp je wel: met heeren is het altijd -lachen en flirten, enfin .... te vermoeiend, en onder dames kun je nog -es rustig over koetjes en kalfjes praten.” - -„Geloof je niet dat men met heeren ook rustig en prettig kan praten?” -zeide Hilda. - -„Prettig zeker,” zij lachte even een korten schaterlach vol -dubbelzinnigheid—„maar rustig? .... O ja, natuurlijk het kan wel, er -zijn zelfs wel vrouwen, die sociale kwestie en theologie met heeren -bespreken, maar je weet even goed als ik dat haast alle heeren veel -liever zoo’n beetje pikante nonsens met ons praten en hoogstens wat -over kunst fantaseeren en verder wat complimentjes en gekheid. Zoo es -gemoedelijk praten kun je toch niet met ze, of ze zijn weer vervelend.” - -Hilda zweeg; zij dacht aan de heerlijke gesprekken met haar vader en -met zoo menigen vreemdeling op reis, en toen weer aan van Gaefden’s -jachtgeschiedenissen eergisteren en aan Bernard Cranz’s voornamen -spotlach en zij begreep dat Ottilie gelijk had, wat betreft het -meerendeel der heeren uit haar kring. - -„Maar zeggen jullie me nou eerst es eerlijk en vooral jij Hilda, met je -uitstekenden smaak, hoe vinden jullie mijn kamer? Is het geen gezellig -hokje? Vindt je ’t niet goed van toon? Vindt je niet dat die geele -lapjes brocaat goed doen achter dat ouwe blauw?” - -„Ik vind het prachtig, bepaald uniek mooi, voor zoover ik het, met mijn -niet uitstekenden smaak, kan beoordeelen,” zeide Corry half geraakt, -maar toch lachend. Hilda keek rond. - -„Wie heeft die mooie bloemen daar geschilderd?” zeide zij ontwijkend, -naar een groot doek wijzend met knap gedane rozen en irissen. - -„O, dat heb ik vroeger eens gemaakt, je weet ik schilder zoo’n beetje, -als ik tijd heb en vroeger ben ik hier zelfs op de academie geweest. -Maar dezen winter was het al te druk.” - -„Hoe jammer dat je er niet wat meer aan doet,” zeide Hilda in eerlijke -bewondering. - -„Ja mijn dokter zegt altijd dat zij wou dat ik mijn fortuin en mijn -.... zooals zij het noemt, mijn schoonheid verloor, dan zou er nog een -flink artist uit mij terecht komen, zegt ze. O! zie je, ze vindt het -afschuwelijk van me dat ik al mijn .... enfin, gaven en al mijn -vermogen gebruik om mij zelf een prettig leventje te bezorgen, zij zou -willen dat ik voor de kunst ging leven en hard werken. Maar och je -begrijpt, daar komt toch niets van, en al die mooie woorden van voor de -kunst of de wetenschap, of de waarheid of de menschheid te leven zijn -veel te hoog voor mijn gewone vrouwenverstand.” - -Zij lachte in eens met een vreemde bitterheid. - -„Ja, dat begrijp ik,” zei Corry gichelend, „voor de kunst leven! Ik zie -je al Tilie, met ’n oud japonnetje ’s morgens om negen uur door weer en -wind naar ’n atelier trekken.” - -„Wie is je dokter, die zulke dingen tegen je zegt?” vroeg Hilda, -peinzend naar de bloemen ziende. - -„Natuurlijk Corona van Oven. Ken je haar niet? Ik heb juist hooren -zeggen dat ze lijfarts van de jonge Koningin zou worden. Dat zou wel -aardig voor haar zijn, en voor de Koningin ook, want ze is vreeselijk -knap.” - -„Ik heb haar nooit ontmoet, maar ik geloof toch wel dat iemand me haar -es gewezen heeft, ze heeft zoo’n lief gezicht, niet waar?” - -„Lief?” zeide Ottilie opgetogen, „nee prachtig! Een mooi, edel gezicht. -Kijk daar op het tafeltje staat haar portret.” - -Hilda nam het op en keek er aandachtig naar. Mooi, in de banale -beteekenis van het woord als het samen gebruikt wordt met vrouw: „een -mooie vrouw” was het niet, daarvoor was het gezicht te mager en de mond -een beetje te groot, maar het lange, fijne profiel, het hooge voorhoofd -van zeer edelen vorm en de groote, donkere oogen met hun strengen, -kalmen blik onder de prachtige wenkbrauwen moesten een bijzonder diepen -indruk maken. Hilda zag even op, zoekend naar een woord dat haar -impressie kon weergeven. - -„Een .... boeiend gezicht,” zeide zij langzaam. „Ja juist dat is het” -.... - -Maar op dit oogenblik werd Gladys van Praege aangediend en Ottilie -hield stil om haar theatraal mooie opstaan te herhalen. - -„Dag Gladys.” - -„Dag Tilie. Dag freule, hoe aardig u hier te vinden. Dag Corry.” - -„Ga zitten Glad, en vertel ons iets nieuws.” - -Gladys glimlachte. „Dat moet je mij niet vragen, ik kom met -stadsnieuwtjes altijd met de trekschuit, en het eenige nieuws dat ik -zou kunnen vertellen zal jullie niet veel interesseeren.” - -„Wat is het dan? Het interesseert me erg!” - -„Nou alleen maar dat ze mij gevraagd hebben om presidente van de -vereeniging voor vrouwenkiesrecht te worden en dat ik heb aangenomen.” - -„Maar Gladys hoe kom je daar nou bij? Wat ’n idee, en wat zegt je man -er van. Me dunkt dat is niks voor hem.” - -„Ja die vindt het ook heel dwaas van me, maar daarom kon ik toch niet -bedanken, niet waar? Ik doe altijd erg graag wat hij prettig vindt en -iets voor m’n eigen plezier zou ik nooit doen als hij het niet -goedkeurde, maar als hij dingen gek en verkeerd noemt, die ik volgens -mijn geweten nuttig en noodig vind, dan kan ik mij toch niet heelemaal -naar hem schikken.” - -Zij had het aarzelend verlegen en zoo ootmoedig gezegd dat al de -anderen even lachten. - -„O! wat dat betreft, ik schik me al lang niet meer naar wat mijn heer -gemaal goed of verkeerd of gek vindt!” zeide Ottilie met een uitdagend -oplichten in haar zonderlinge oogen. „En ik geloof niet eens dat ik -daarbij juist altijd mijn geweten raadpleeg. Verleden klaagde mevrouw -de Mureaux er ook nog over dat met de tegenwoordige nieuwe idees van -emancipatie de gehoorzaamheid aan den man heelemaal verdwijnen zou. -Maar ik heb haar gezegd: die is er nooit geweest mevrouw! Vroeger -zetten de bijdehandte vrouwen, die zich de weelde veroorloofden om er -een eigen overtuiging en geweten op na te houên ook gewoonlijk haar wil -door. Maar dan moesten ze het dikwijls door allerlei listen en -slimmigheden en pijnlijke compromietjes zien te bereiken, terwijl nou, -dat zij er eindelijk achter zijn gekomen dat haar opinie precies even -veel waarde heeft als die van haar mannen, nou gaan ze meer eenvoudig -en eerlijk haar eigen gang, en dat is voor iedereen wél zoo goed en -prettig, dunkt me!” - -Gladys klapte zenuwachtig in haar witgehandschoende handjes en het viel -Hilda ineens op hoe aardig Ottilie kon zijn als ze maar even vergat aan -haar eigen mooiheid te denken. - -„Ik vind gehoorzaamheid tusschen twee vrije menschen die zich in liefde -hebben vereenigd een onzedelijkheid,” zeide Gladys in plotselinge -heftigheid. „Men zegt dat het in den Bijbel staat, omdat Paulus heeft -gesproken van den man als het hoofd der echtvereeniging, maar Paulus -was feilbaar, evengoed als ieder ander en natuurlijk had ie nog -allerlei Joodsche inzichten, maar Jezus heeft nooit van die dingen een -woord gezegd! Hij heeft alleen gezegd: Hebt elkander lief, en -natuurlijk als je liefhebt doe je graag en van zelf wat de andere -verlangt, niet waar? Maar als de man b.v. iets eischt wat de vrouw -verkeerd vindt volgens haar eigen geweten en zij gehoorzaamt hem toch, -dan is zij laf en onzedelijk vind ik! of als de vader iets met zijne -kinderen doen wil wat de moeder, volgens haar eigen overtuiging afkeurt -en zij laat hem lijdelijk en gehoorzaam begaan dan is ze een slechte -moeder, en dat is het ergste wat men van een vrouw kan zeggen.” - -Er was iets pijnlijks in Gladys’ heftigheid, dat de anderen even stil -maakte. Men kon het aan den klank van haar stem hooren dat dit voor -haar geen koel objectief te behandelen vraagstuk was, maar een dat zij -zelf misschien in tranen doorworsteld had. - -„Maar één moet toch de baas zijn,” wijsneusde Corry in een klein, -ongemotiveerd gegichel. - -„Waarom? In een gelukkig, in een mooi huwelijk zal niemand verlangen -„de Baas” te zijn, in de gewone huwelijken zal de baas zijn, diegene -die op een of andere manier de krachtigste is, door geldelijke positie, -door knapheid, door willen, door liefde, door koppigheid, door ruwheid, -of enfin door wat dan ook, en het man of vrouw zijn heeft daar niks mee -te maken.” - -„Dat is waar!” zeide Ottilie. „Dat wijst zich van zelf uit! Daar kan de -wet toch niks van bepalen! En weet je waarom of ik dat domme artikel in -ons wetboek ook zoo’n dwaze tegenstrijdigheid vind? De wet beveelt de -vrouw te gehoorzamen maar daar is geen een rechter die een vrouw zou -vrijspreken bij diefstal of moord als zij zich beriep op de bevelen van -haar man.” - -„En dan,” zeide Gladys zacht met een warme kleur, „hoe plat zou het -huwelijk worden en hoe zou al het mooie en ideale er afgaan als de -vrouw uit gehoorzaamheid datgene geven moest wat alleen waarde heeft -als het komt uit volle, vrije liefde-overgave! Als ik man was zou ik -niets door gehoorzaamheid willen ontvangen wat alleen uit liefde moet -gegeven worden! O! het is een schande voor elk land dat zulke artikels -in zijn wetboek heeft! Toen ik trouwde heb ik ook tegen Frederik -gezegd: gehoorzamen kan ik je nooit! en ’t hinderde me vreeselijk dat -ik niet hardop kon protesteeren toen ze het me op het stadhuis -voorlazen. Ik had net een gevoel alsof ik met een leugen mijn huwelijk -inging.” - -„Ik ook,” zeide Ottilie. - -„Hemeltje, wat zit jullie vandaag wijs te praten! Kom Hilda, ga je mee? -wij hebben er toch geen begrip van of we willen gehoorzamen of niet,” -zeide Corry. - -„Dan wordt het hoog tijd dat je er begrip van krijgt! Maar Hilda moet -eerst nog even m’n atelier zien, wil je? Ik laat je niet zoo dadelijk -weer weg gaan. Toe Corry blijf jij ook nog maar even!” - -Ottilie nam vleiend Hilda’s hand, en Corry ging weer zitten, een beetje -ontstemd, want het gesprek had haar verveeld. In haar jong fin de -siècle cynisme vond ze het belachelijk om zoo te zitten zaniken over -gehoorzamen. Het sprak immers van zelf dat men zijn eigen zin deed, als -men de vormen maar in acht nam en een beetje handig was om den man van -tijd tot tijd in het zoete geloof te laten, dat hij toch de baas was. - -„En dus Glad, jij bent voortaan: Mevrouw de presidente der vereeniging -van vrouwenkiesrecht! Hemel, wat een lange titel, ik mag wel groote -couverten koopen om je mijn kattebelletjes te zenden.” - -„Je moet er mij niet mee plagen Til. Het is voor mij groote ernst,” -zeide Gladys zacht, verlegen. - -„Ik plaag je heusch niet. Als je er plezier in hebt waarom zou je niet -presideeren? Vive la liberté, de vrijheid leve! Maar wat moet je nou -doen? Speechen houên?” - -„Natuurlijk van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.” - -Gladys lachte, maar verlegen. Zij behoorde tot de heel dapperen als zij -eens in ’t volle vuur was, maar bij kleine schermutselingen was altijd -haar eerste neiging om weg te loopen en zich te verbergen. - -„Wat heb je daar een prachtige fotographie van dokter van Oven!” zeide -zij haastig om ’t gesprek op een ander onderwerp af te leiden. - -„Ja, nie waar? Wat lijkt ze goed!” - -„Is zij uw dokter ook?” vroeg Hilda. - -„Ja zeker! Kent u haar freule?” - -„Nee, eigenlijk nog niet, maar ik zou het wel aardig vinden.” - -„Wel,” riep Ottilie, „ga op haar spreekuur en consulteer haar over een -of ander kwaaltje.” - -„Ik zou niet weten wat ik tegen haar zeggen moest, ik ben zoo gezond -als een visch.” - -„Och kom! Ik wed dat je toch hier of daar wel es een zenuwpijntje -hebt!” - -„Nee, heusch niet! Ik mankeer nooit iets!” - -„Wat een wonder ben je dan! Ik dacht dat alle vrouwen altijd min of -meer sukkelden.” - -„Zoo als ’t fransche spreekwoord zegt: la femme est un animal toujours -malade?” spotte Hilda. - -„Ja zeker, in ernst, in onzen stand wèl. Ken jij onder onze kennissen -iemand die geen staal of geen middeltjes tegen overspanning noodig -heeft? Bij de volksvrouwen is het natuurlijk iets anders, die zijn te -grof en te plat om onze zenuwen te kennen, maar een dame die niet een -beetje lijdend is, is nou eenmaal niet denkbaar.” - -„Dat bewijst alleen dat de hygiëne van onzen stand niet schitterend is, -en ik ben blij dat ik volgens jou dan geene „dame” ben! Maar hoe zal ik -nou kennis maken met dokter van Oven.” - -Hilda lachte en nam de Morastaander weer op om het zeldzaam -aantrekkelijke gezicht der jonge doktores nog eens weer te bekijken. - -„U zult haar de volgende week op mijn dinertje wel zien,” antwoordde -Gladys, „of liever nà het diner, want ze heeft haast nooit tijd om te -komen eten, maar, als ze dan ’s avonds niet te moe is en haar bezoeken -zijn afgelegd, verschijnt ze nog wel es ’n uurtje.” - -„En als ze komt, Hilda, moet je es opletten wat een vorstelijke -verschijning. Niemand zie je ooit zoo mooi binnen komen!” zeide Ottilie -met die kinderlijke opgetogenheid die sommige vrouwen leggen in haar -vriendschap voor andere vrouwen. „Wat een malle vereering toch voor -zoo’n modedokter! Wat zijn jullie toch nog kinderachtig. O! Hilda, als -je Til haar gang liet gaan zou ze ’n uur lang kunnen gaan zitten -dweepen met die engel van ’n Corona. Als het nou nog zoo’n aardige -jonge man was met mooie, zwarte, melancholieke oogen zoo als die dokter -Swartz, die zoo vroeg gestorven is, dan kun je het je nog begrijpen, -daar waren alle dames op gecharmeerd, maar zoo’n juffrouw! .... Het is -toch eigenlijk een heel onvrouwelijk beroep voor een meisje ....” - -Ottilie verliet in eens de mooie houding waarin zij tot nu toe -geposeerd had en antwoordde vinnig: - -„Corry, je bent een lief, snoezig meisje, maar je moest niet zulke -idiote dingen zeggen! passe-moi le mot! O! dat eeuwige gezeur over -onvrouwelijkheid! Wie heeft er ooit aan gedacht sinds eeuwen en eeuwen -om pleegzusterwerk onvrouwelijk te noemen! Iedereen is het er over eens -dat dat nu eens een vrouwenwerkje bij uitnemendheid is. En als of niet -doktoressen en pleegzusters precies dezelfde dingen zien en weten en -behandelen! Geloof je dat men door dokterstudies dingen leert, die een -geheim blijven voor de zuster van barmhartigheid die haar heele leven -de vreeselijkste ziekten verpleegt en in de afschuwelijkste -achterbuurten hulp brengt? Trouwens ten eeuwigen dage zijn er immers -vrouwelijke dokters geweest. De moeder van Socrates was een soort -doktores, en in de middeleeuwen waren het eigenlijk alleen de -zoogenaamde heksen, die de macht der kruiden bestudeerden. [1] Maar -toen was het een ondankbaar, zelfs een gevaarlijk werkje om zich in die -dingen te verdiepen en liet men het graag aan de vrouw over. - -Het is net als nu nog met het werk van pleegzusters en vroedvrouwen; -zoo lang een arbeid nederig en slecht betaald is, vindt niemand het -onvrouwelijk. Eerst toen het dokterzijn een eervolle, voordeelige -betrekking was geworden met een kostbare, moeilijke studie vooraf, kwam -men ineens tot de ontdekking dat er iets onvrouwelijks in was! Allons -donc. Wat ’n onzin.” - -„Ik geloof,” zeide Gladys zacht met haar haperend engelsch accent, „dat -als een vrouw er roeping en gaven voor heeft—dat stel ik natuurlijk -voorop—dit het werk bij uitnemendheid voor haar is. Zoo als -bijvoorbeeld Corona van Oven onder alle standen werkt en goed doet, zou -een man het nooit kunnen. Ze is zoo dol op kinderen en je kunt niet -begrijpen wat ze niet verzonnen heeft toen mijn kleine Mary ziek was om -haar zoet en bezig te hoûen. Altijd bedacht ze wat nieuws, wezenlijk -geniaal. En verleden hoorde ik zelfs dat ze modelletjes had om -kinderkleertjes lief en zuinig en hygiënisch te maken en bij jonge -meisjes doet ze wonderen, schijnt het. Natuurlijk aan zoo’n zachte, -beschaafde vrouw willen zij zooveel eerder alles zeggen, niet waar? Ik -geloof stellig dat er honderde vrouwen en meisjes stilletjes zijn -weggekwijnd, omdat ze den moed niet hadden om zich aan mannelijke -artsen toe te vertrouwen. Misschien vindt je dat gek en overdreven, ik -vind het niet, maar in elk geval is het zoo. En moreel ook, is het -zooveel makkelijker en teerder om alles aan een vrouw te zeggen, die je -met een enkel woord verstaat en die met je spreekt net als een oudere -zuster! En dan... hoe kunnen de menschen toch van onfatsoenlijkheid -spreken! Ieder die ooit iets gelezen of gehoord heelt van het samenstel -van het menschelijk lichaam, wat een goddelijk mooi wonderwerk dat is, -moest zich toch schamen om het bestudeeren van dat prachtige -mechanisme, nog wel met het heiligend doel om te genezen, onvrouwelijk, -onrein te noemen. Onrein is alleen preutschheid, die gichelt en bloost, -in plaats van bewonderend neer te knielen! Durch Mitleid wissend! -Kennen jullie een enkel werk waar het mooie woord van Wagner zoo goed -op past als op dat van de doctores? De mooie bedoel ik natuurlijk, die -’t niet als een baantje, maar zoo als Corona, als een prachtige taak -opvat.” - -Gladys had zich onder het spreken opgewonden en als zij maar eens over -haar eerste verlegenheid heen was, kon zij veel beter haar Hollandsche -woorden vinden en sprak ze zelfs makkelijk. - -Corry stond op, haar kindermondje in een zenuwachtig lachje wringend. - -„Nou, jullie zult wel gelijk hebben, hoor! Ik heb eigenlijk nooit zoo -verschrikkelijk veel over die dingen nagedacht en jullie bent ook zoo -vreeselijk knap. Maar nou moet ik heusch gaan. Dag Tilie. Hilda, jij -blijft zeker nog? Al die diepzinnigheid is net iets voor jou!” - -Zij ging heen, een beetje kriebelig. Zij wilde maar dadelijk naar Betty -de Mureaux gaan. Die vond toch ook dat het geen vrouwenwerk was om -dokter te zijn en die zou het ook wel bespottelijk vinden van Tilie en -Glad om zich over zoo iets zoo warm te maken. - -„Kom ga nou gauw mee hier naast naar m’n atelier!” zeide Ottilie, en -Gladys en Hilda volgden. - -Het atelier was een groote vierkante kamer; middenin stonden drie -schilderezels waarop drie groote, onvoltooide bloemstukken, en juist -als in het boudoir, was ook hier weer diezelfde fantastische weelde, -die stijllooze opeenstapeling van kostbare en ook mooie dingen, die -bonte warreling van bloemen en glanskleurige weefsels en vazen en -spiegels van draperieën. - -Hilda stond een oogenblik zwijgend, probeerend te begrijpen waarom zij -al dat saamgebrachte moois toch eigenlijk zoo leelijk vond. - -Toen zag zij naar Ottilie die met Gladys bij een tafeltje in de hoek -stond om haar een nieuw soort orchideën te laten zien en op eens -begreep zij hoe het was. Elk voorwerp kon mooi zijn op zich zelf -beschouwd, en kostbaar was het materiaal, maar de hand die van dit -alles een geheel had gebouwd had de koortstrilling der -fin-de-siècle-overspanning, de oogen die deze kleuren en lijnen hadden -gekozen hadden den vaag zoekenden blik van onvoldaan rusteloos -verlangen, en de geest die heerschte over dit alles, die zich in dit -alles had uitgesproken, had het onzegbaar evenwichtlooze van hoogen -aanleg en leeg, gemankeerd bestaan. Dat was het wat de atmosfeer in -deze vertrekken zoo beklemmend maakte. - -Ottilie’s schetsen en aquarellen waren aardig. Hilda beschouwde ze lang -en aandachtig terwijl zij samen gezellig over kunst spraken. Iets -frisch en breeds lag er in, verradend een bijzonderen aanleg, maar men -zag het, er was niet gewerkt, niet hard en geduldig gearbeid, om van -geboren talentje te stijgen tot kunstenares. - -„Hoe jammer, kijk, die rozen daar es malsch en prachtig liggen, wat -jammer Tilie dat je niet wat meer werkt. Ik begrijp niet dat je er niet -alle diners en partijen voor geeft om het met jouw gaven wat verder te -brengen.” - -„Och het leven is niet de moeite waard om het zoo ernstig op te nemen.” - -Ottilie zeide het distrait, bezig de plooien van een zilverzijden -Oosterschen sluier te verschikken, en vóór zij er zich rekenschap van -had gegeven. Het waren hare gewone woorden waarmee zij elke lastige -opwelling van ernst uit haar leven verbande. - -„Dat meen je niet Til,” zeide Gladys zacht. - -Ottilie zag lachend om met hoog opgetrokken wenkbrauwen. Toen zeide zij -langzaam: - -„Nee, heel au fond misschien niet, maar ’t is zoo’n makkelijke spreuk! -En werken? Ja soms heb ik het me wel es voorgenomen, maar er komt toch -nooit van. Het leven van een huisvrouw en een vrouw van de wereld is -zoo druk! Vandaag heb ik nou bijvoorbeeld den heelen morgen -doorgebracht met het versieren van mijn tafel voor het diner van -vanmiddag. Ik heb een nieuwe kleurcombinatie uitgevonden, o, je zult -zien, het komt in de mode. Paarse, heel donkere orchideën met goudgeel -satijnen linten en kleine strikjes van paars fluweel met -goudpailletten. Het is heel goed geworden, goed van toon, heel rijk, -maar ’t heeft natuurlijk een langen tijd genomen. En zoo is er altijd -wat! Ga maar na bij je zelf. Wanneer zou ik moeten werken?” - -„Ja maar dat is het juist wat mij voor me zelf ook zoo begint te -hinderen. Is het niet zonde om een heel leven te gebruiken voor al zulk -beuzelwerk?” - -Ottilie lachte en trok even de schouders op. - -„Je bent een grappig meisje, Hilda, dat heb ik wel dadelijk gesnapt! -Zonde? Wie denkt daar nou over? Het leven van de vrouwen uit onze -wereld is nou eenmaal zoo! Toilet en duizende mondaine plichtjes, een -beetje charité, een beetje lektuur, wat boodschappen doen, teaen, -passen, briefjes schrijven, tennissen, fietsen, bezoeken maken, -musiceeren, ontvangen, menus samenstellen, dàt is ons werk nou -eenmaal!” - -„Maar de maatschappij heeft al heel weinig aan al dien arbeid. Me dunkt -al dat luxewerk, om het zoo maar es te noemen, waar we ons mee -aftobben, en toch eigenlijk op den duur ons onvoldaanheidsgevoel niet -mee verdrijven, heeft toch voor niemand eenige waarde?” - -Hilda zag vragend naar hare beide toehoorsters. Zij had het meer als -een probleem dan als een meening uitgesproken, want dit alles raakte -van zoo nabij haar eigen levensvraagstuk. - -„Wat ’n positief droge opvatting, wie denkt er nou over of zijn arbeid -voor de maatschappij waarde heeft of niet? En als ik dan vanmiddag mijn -tafel in mooie kleuren zie schitteren en mijn gasten zijn verrukt en ik -heb het bewustzijn dat niemand dit heele seizoen een mooiere -tafelversiering heeft gehad, noem je dat allemaal niets?” - -„Neen, niets! Voor een vrouw in de kracht van haar leven met jouw -gaven!” - -Hilda had het heftig gezegd en Gladys met haar zachte stem, voegde er -bij: - -„Ik geloof toch ook, Tilie, dat natuurlijk je tafel en je huis en je -zelf mooi maken heel goeie dingen zijn, die je lang niet moet -wegcijferen en die vooral hier de Hollandsche dames, wel es wat al te -veel vergeten, maar het kan toch geen vulling zijn voor een heel -volwassen-menschen-leven! ’t is allemaal wat je daar straks voor -werkjes opnoemde: tijdpasseering maar geen tijdgebruiking! of is dat -geen hollandsch woord?” - -Ottilie staarde zonder antwoorden met vreemde, peinzende oogen naar -haar doek. Toen ging Gladys weer voort, zacht, suggestief: - -„En als je nou, om es ’n voorbeeld te noemen, in plaats van de vorige -weken eindelooze visites te maken, die je toch niets kunnen schelen en -zoo al meer, hard had gewerkt aan dit doek en er iets goeds van gemaakt -had en je had het gezonden naar het kinder-ziekenhuis om hier of daar -een kalen wand vroolijk te maken, geloof je niet dat je dan iets beters -had gedaan? geloof je niet dat een goed schilderij en blije -kindergezichtjes een mooier resultaat zijn van gebruikten tijd dan -complimentjes van voorname gasten?” - -Ottilie bleef een oogenblik nog zwijgen; haar lichten raadseloogen half -gesluierd door de zwarte wimpers staarden strak voor zich uit en een -moment, als een regenwolk die door de winden snel voort wordt gejaagd -boven een zonnelandschap, kwam er over haar gezicht een uitdrukking van -namelooze pijn. Toen schudde zij het hoofd en lachte weer: - -„Met jullie valt niet te redeneeren! Ik geloof dat jullie nog -vrouwenhervorming wilt gaan preêken. Maar ik ben veel te oud om nog -bekeerd te worden! Mijn heele leven heb ik geleerd dat het de roeping -van de vrouw is om te trouwen en dan haar huishoudentje te doen en een -sieraad voor haar huis te zijn. Nou dacht ik al dat ik dat ideaal vrij -nabij was gekomen en nu komen jullie mij vertellen dat ik eigenlijk -mijn leven... verdoe! ’t is erg hard vindt je zelf niet?” - -Hilda kon niet antwoorden. De huisbel had geklonken en Ottilie met een -blik op de pendule riep in eens gejaagd: - -„Hoe is ’t mogelijk, al half vijf! Dan is mijn rustuur voorbij en -kunnen er weer bezoekers worden toegelaten. ’t Zal zeker visite zijn, -en Jacob heeft misschien nog niet eens de thee binnen gebracht.” - -In een oogwenk was zij voor den grooten Venetiaanschen spiegel met de -vingers de donkere kroesvlokjes op haar voorhoofd friseerend, de strik -verplooiend van haar ceintuur van mort doré satijn die van voren lang -neerglansde over haar reebruin fluweel kleed. - -„’t Is hier ook alweer, net als overal, de kwestie van het evenwicht! -Een heele boel van die kleine luxewerkjes zijn heel lief en goed als je -ze maar geen te groote plaats in je leven laat innemen. Visites en -diners en paars fluweelen strikjes met goudpailletten zijn allerliefst -als ze maar niet een levensdoel moeten voorstellen!” - -Gladys had het haastig gefluisterd, want men hoorde voetstappen -naderen. Hilda knikte, maar Ottilie had blijkbaar niet meer geluisterd. -Toen de deur openging, en Jacob aandiende: „Mijnheer van Brehnen,” -stond zij midden in de kamer, half geleund tegen een hoog marmer -zuiltje, poseerend het hoofd even op zijde gebogen om de weeke ronding -van hals en schouders mooi te doen uitkomen. - -„Mijnheer van Brehnen, mevrouw van Praege en freule van Suylenburg -hebben mij heelemaal den tijd laten vergeten, zoodat u ons komt -overvallen in het atelier, maar als u ’t goed vindt, gaan we weer naar -mijn boudoir, daar kunnen we prettiger praten.” - -Zij reikte hem de hand en zag hem met haar zonderling bekorenden -glimlach aan. Toen ging zij vóór naar het boudoir, het nauw gesnoerde -bovenlijf licht wiegend op de zware heupen, een gang van -ongedistingeerde gratie. Hilda volgde het laatst, huiverend in een -vreemde ontstemming. - -Was deze vrouw met haar sleepend uitheemsch accent, haar uitdagenden -glimlach en die zonderlingen gloed in de oogen, dezelfde die straks in -’t atelier zoo eenvoudig en rustig had zitten praten? De klank van de -huisbel die haar had herinnerd de buitenwereld en haar eigen rol -daarin, was voor haar geweest als Klingsor’s stem als hij Kundry tot -haar rampzalig werk roept. Alles was op den achtergrond getreden, alles -vergeten, behalve de groote leus der mondaine: „Behagen!” En was ’t -niet wezenlijk alsof een toovermacht haar daar juist had opgeroepen? -Hoe kon anders deze intelligente, begaafde vrouw zich vernederen tot -het willen bekoren van dien kleinen, dikken Stephaan van Brehnen, zoo’n -onbeduidend jongetje met zijn wit blonde ooghaartjes en zijn fletse -kleine oogen en rozig kinderteint en roodblond snorretje, waar hij -verlegen telkens op probeerde te bijten. - -Hilda had zelf den dorst naar succès gekend, maar op dit oogenblik had -zij een klaar inzicht tot welk een vernedering hij voert als het een -passie wordt. Haastig nam zij afscheid, het was haar als kon zij op -eens niet meer adem halen in het geurende, bonte geglans dier kamer, en -Gladys ging met haar mee. - - - - - - - - - -„U komt nog al veel bij Ottilie?” vroeg Hilda toen zij op straat naast -Gladys voortging. - -„O ja, we wonen zoo vlak bij elkaar en ze trekt mij toch altijd weer -aan. Ik heb zoo’n vreeselijk medelijden met haar. Zij verbeeldt zich -dat ze zich amuseert en eigenlijk doet ze niets dan onophoudelijk bonte -sluiers trekken over afgronden van verveling. Als ze maar es in iets -waarachtig belang kon stellen, maar ik weet niet .... Haar opvoeding, -haar man, haar kennissen, haar mooiheid, alles spant samen om haar in -dat onbeduidende, gedachtelooze leven te houên, waar ze veel te goed -voor is, en dus geen vrede in kan vinden, en daardoor komt ze tot -allerlei verkeerde dingen. Ik geloof.......” - -Ineens hield zij stil. De tram was voorbij gekomen en een lange, jonge -man, toen hij Gladys had gezien, was er afgesprongen en stond voor hen. - -„Dag Gladys.” - -„Dag Maarten.” - -„Wat een goed voorteeken, dat ik jou het eerste van alle menschen -ontmoet!” - -„Foei, wat bijgeloovig, wie gelooft nou aan voorteekens. Ben je al lang -terug?” - -„Ik ben nog geen uur in de stad.” - -„Wat zie je er goed uit.” - -„Niet waar? om honderd jaar te worden! Maken de kinderen het goed?” - -Zij stonden voor elkaar en zagen elkaar aan met blije -weerziengezichten. Toen dacht Gladys aan Hilda: - -„Mijnheer van Hervoren; freule van Suylenburg.” - -„Laat ik de dames niet staande houên, mag ik even mee oploopen? Hoe -gaat het met de kinderen, Glad?” - -En terwijl zij samen voortgingen werd aan Hilda even het verhaal gedaan -van hun oude vriendschap. Als ingenieur was Maarten van Hervoren een -tijd lang in Amerika werkzaam geweest en toen de intieme vriend -geworden van Harry Arlington, Gladys’ jong gestorven lievelingsbroer. -Dagelijks was hij toen bij hen aan huis gekomen, eigenlijk evenveel -omgaande met de meisjes als met de broers op de vrije Amerikaansche -manier. Maar later, toen Harry gestorven was en Hervoren naar Australië -was gegaan, hadden zij elkaar bijna geheel uit het oog verloren totdat -verleden voorjaar Maarten in ’t land was teruggekeerd om zijn moeder, -die zeer ziek was, te bezoeken. - -Toen hadden zij elkaar weer ontmoet, in blijde verwondering dat het lot -hen weer had samengevoerd aan deze zijde van de groote zee en de oude -jeugdvriendschap was opgebloeid. Voor Gladys vooral, in haar nieuwe -vaderland, was het zoo’n vreugde geweest met iemand te kunnen spreken -die haar als jong meisje, bijna nog als kind gekend had en haar ouders -en vrienden en familie en ’t ouderlijke huis, en honderd herinneringen -aan Maud en Harry en de andere broers had bewaard. Maar in ’t najaar -was mevrouw van Hervoren gestorven en Maarten, wiens gezondheid -daardoor al zeer was geschokt, had kort daarop longontsteking gekregen -en, bang voor tering, had de dokter hem naar het Zuiden gezonden. - -„En ben je nou heusch weer even goed als vóór je ziekte? Hoe heerlijk -toch van het Zuiden!” zeide Gladys hartelijk. - -„Als het kan, ben ik nog beter. Ik voel me heerlijk, zie je, en dat zal -me goed te pas komen! Want ik ga nou aan ’t werk zooals ik nog nooit -gewerkt heb.” - -„Hoe dan? is je betrekking zoo druk?” - -„O nee, ik heb helaas nog niet eens een betrekking. Maar ik ga me met -hartstocht op de sociale studie toeleggen. Je zult eens zien! Mijn -hoofd is vol plannen, als nou mijn beurs ook maar vol goud was om die -plannen uit te voeren!” - -Hij lachte met een jongen hoopvollen lach en zijn lenig, tenger lichaam -rekte zich uit met een beweging van groote energie. - -Hilda zag glimlachend tot hem op, maar toen ze zijn oogen ontmoette, -klare, lichtblauwe oogen met scherp geteekende, zwarte randjes om het -blauw, had zij een zonderling gevoel alsof hun blikken elkaar -aanraakten, alsof zij iets uit het diepst van hun zelf, ze begreep niet -wat, in dien blik tot elkaar voelde naderen. En het zonderlingste was -dat zij die heel subtiele, intieme aanraking volstrekt niet onaangenaam -vond, integendeel een week gevoel van rust was in eens over haar -gekomen, alsof zij altijd zoo zou willen voortloopen in het paarsrose -licht van den vroeg-voorjaars zonneondergang en van tijd tot tijd de -immaterieele liefkoozing ontvangen van de oogen van dien vreemden -jongen man. - -„Heb je die plannen in ’t Zuiden opgedaan?” vroeg Gladys. - -„Den heelen winter heb ik veel gewerkt en nagedacht, maar je weet wel, -mama stelde zoo’n belang in al die sociale dingen en verleden zomer -toen ik altijd bij haar was, zijn mijn oogen er eigenlijk eerst voor -open gegaan en nou passioneert het me wezenlijk.” - -Toen Maarten den naam van zijn moeder had uitgesproken, had hij even -gewacht, en zijn stem had even getrild; het was maar een nuance -geweest, maar Hilda’s oor, misschien nog meer haar instinkt om -droefheid te verstaan, waar zij ze ook ontmoette, had het opgevangen, -en verlangend om sympathie te geven zag ze weer tot hem op. - -En weer gebeurde het zonderling ontroerende, weer boog hij zich tot -haar over voorbij Gladys, aan wier anderen kant hij ging, en weer was -het als of er onzichtbare draden uit hun oogen gingen, die elkaar -aanraakten en wier contact haar stil gelukkig maakte. - -Maar zij waren op de Heerengracht gekomen en Gladys stond stil voor het -huis van de familie van Herkelen. - -„Kom je vanavond thee drinken Maarten? Je moet me niet kwalijk nemen, -maar ik heb beloofd hier een zieke op te zoeken.” - -„Natuurlijk, derangeer je niet voor mij. Heel graag, dus tot vanavond.” - -Hartelijk zeiden zij elkaar vaarwel. Toen boog hij voor Hilda, en wat -zij anders nooit deed aan vreemde heeren, zij reikte hem haar hand. Het -was alles zoo zonderling vandaag, alsof ze hem al jaren lang kende en -als of zij heel lang geleden nog eens zoo, precies zoo, de Bezuidenhout -met hem gewandeld had en hetzelfde, precies hetzelfde had gezegd en -gehoord en gevoeld. - - - - - - - - - -Hilda had stil naar haar kamertje willen gaan, en zelfs gehoopt dat zij -niemand in de gang zou tegen komen, maar een vreemde vroolijkheid op -het anders zoo deftige gezicht van den knecht, die haar open deed, en -het zien van een paar groote handkoffers en reisdekens in de vestibule, -gaven op eens een andere richting aan haar gedachten. Vroolijke, drukke -stemmen klonken uit de kamer, en de knecht zeide haar met geheimzinnige -plechtigheid: - -„Freule, de jonker is onverwachts uit het Zuiden thuis gekomen. De -heele familie is in het salon.” - -Hilda begreep dat zij onmiddellijk naar binnen moest gaan; zij mocht -niet onhartelijk schijnen, en de komst van haar neef maakte haar toch -ook wel wat nieuwsgierig. Uit zijn brieven, die meestal kort en -onbeduidend waren geweest, had zij zich nauwelijks een idee van hem -kunnen maken, alleen zoo nu en dan was er een woord van ironie in -voorgekomen dat haar aan Eugénie’s scherpe uitvallen had doen denken. -De meisjes spraken bijna nooit over hem. Eugénie scheen vroeger veel -met hem te hebben gekibbeld, Hilda had haar tenminste dikwijls met -nadruk hooren zeggen dat zulke aankomende jongens vreeselijk lastig -zijn in huis, en aan Corry was hij blijkbaar volkomen onverschillig -geweest. „Aan zoo’n gymnasiumjongen heb je heelemaal niets!” die -behoorde tot een categorie van wezens waarvoor zij nog geen -belangstelling kon voelen. Wat hare tante betreft, deze had zij een -paar malen aan kennissen een uitvoerig verhaal hooren doen van Edward’s -bloedspuwing en het gevaar waarin hij verkeerd had; in dergelijke -ziekteverhalen, die zij tot in de kleinste bijzonderheden mededeelde, -was mevrouw van Starren onvermoeid, vooral wanneer zij vertrouwelijk -met dames van haar eigen leeftijd zat te praten. Van het karakter van -haar zoon had zij echter nooit gesproken, alleen scheen zij er trotsch -op te zijn dat hij vlug, zonder blokken het gymnasium had afgeloopen. - -Toen Hilda binnen kwam ging er juist een groot gelach op, een lachen -zoo vroolijk en eerlijk als er maar zelden in den goud-purperen salon -weerklonk. Edward stond midden in de kamer, gedrapeerd in een grijs -geruiten plaid, een samenspraak voorstellende, die hij op reis had -bijgewoond tusschen een Engelschman die bijna geen Fransch verstond en -een garçon van het Grand Hôtel in Parijs. Er was een onweerstaanbare -humor in de wijze waarop hij het misverstand weergaf, nu eens het -snelzuivere Engelsch van den Brit met de daartusschen radeloos -uitgestooten pogingen om een Fransch woord samen te stellen, en dan -weer het vloeiende Fransch van den garçon, alles te zamen nog komieker -klinkend door het overslaan van zijn jongensstem. - -Of hij het werkelijk alles zoo had bijgewoond, of wel het meeste er op -dit oogenblik bij verzon, onder den prikkel van het vleiend gevoel zoo -het middelpunt te zijn, was moeielijk te zeggen, maar hij speelde -aardig en Hilda bij de deur lachte mee met al de anderen tot hij zijn -plaid wegwierp en haar deftig kwam begroeten. - -„Ik hoef niet te vragen of je een goeie reis hebt gehad,” zei ze -lachend. - -„Nee, dank je, een perfecte reis. Ik ben wel een beetje eerder gekomen -dan ik geschreven had, maar een paar van mijn beste kennissen daarginds -gingen nu weg en toen ben ik er ook maar van door gegaan, want nou zou -het er al te vervelend zijn geworden.” - -„Waren die kennissen heeren of dames?” gichelde Corry. - -„Heeren, natuurlijk; dames zijn nooit de moeite waard om er vroeger of -later om weg te gaan.” - -„C’est ça! Nice heeft je niet veel beleefder gemaakt, maar misschien -ben je nog wat jong om over zulke dingen te oordeelen.” - -Eugénie zeide het vinnig met een tergend lachje van bescherming. - -Edward zag haar uitdagend over zijn schouder aan. - -„Ja, jong in jaren ben ik zeker, genadige freule, ik zal zelfs niet -ontkennen dat u mij negen jaren vóór bent, maar misschien dat mijn -woorden van straks eerder van ervaring getuigen dan van al te groote -jeugd!” - -Eugénie kleurde even onder de toespeling op haar acht en twintig jaren. - -„Kom ons nou maar niks wijsmaken, van je ervaringen te Malaga en te -Nice hoor! Ervaringen van negentien jaar zijn en blijven kinderspel.” - -Edward antwoordde niet en streek zijn zware, donker roodblonde snor -omhoog met een lachje van geblaseerde ironie, dat volkomen beantwoordde -aan zijn doel om Eugénie woedend te maken. - -„Maar jongen!” zeide mijnheer van Starren, zonder aandacht te geven aan -het gekibbel waaraan trouwens sinds jaren iedereen gewend was, „wat zie -je er toch goed uit! Ik ben verbaasd over je! Wat is ie flink geworden, -vindt je niet mama? En voel je je nou heusch weer heelemaal goed?” - -Hij stond op en legde zijn hand op den schouder van zijn zoon, zijn -oogen waren vochtig. - -„Och ja, papa, natuurlijk ben ik weer goed. U hebt u in ’t najaar mijn -toestand natuurlijk erg overdreven voorgesteld en....” - -„Jongen ja, het is een vreeselijke angst geweest!” En op eenmaal was -het den ouden man als zag hij weer zijn zoon daar voor zich liggen, het -bleeke ingevallen gezicht, de roode vlekken overal, en in de blauwe -Japansche kom, die het eerst bij de hand was geweest, het lichtroode, -schuimende longenbloed. Den geheelen winter had hem dit visioen -vervolgd en nu hij hem daar weer voor zich zag, zijn trots, zijn -lieveling, zoo gezond en vroolijk, voelde hij zich op eenmaal heel week -worden. Zenuwachtig, met een korten snik trok hij Edward in zijn armen. - -„Maar mijn hemel, papa, laten we nou in godsnaam niet sentimenteel -worden! Ik zeg u immers dat het niets te beteekenen heeft gehad. Maar -Cor, kun je ons niet wat thee en koekjes bezorgen of anders maar een -glas port. Dat zal mij na de reis beter smaken dan al die -belangstelling in mijn gezondheid.” - -Mijnheer van Starren wendde zich stil af, zich schamende over zijn -zwakheid, maar Hilda, die hem tot dusver alleen met zijn dochters en -vrouw gezien had, en sterk gefrappeerd was door die onverwachte -teederheid, zat stil in een hoekje van de canapé, schijnbaar verdiept -in het opvouwen van haar voiletje, maar haar handen beefden daarbij. -Een nameloos heimwee doorsidderde haar. O! als haar vader op dat -oogenblik gekomen was en haar zoo in zijn armen genomen had! Wat was -die Edward voor een jongen? Was het eenvoudig jongensbluf, die het -onmannelijk vindt toe te geven aan eenige gemoedsaandoening, of was het -gemis aan hart? - -Een oogenblik, met intense nieuwsgierigheid, zat ze hem op te nemen. -Hij had zich nu languit in een grooten fauteuil neergeworpen, een -houding van nonchalante distinctie. De ellebogen gesteund op de -stoelarmen, de bleeke tengere handen slap in elkaar gevouwen—het waren -de handen zijner moeder, aristocratisch, met week-rose toppen en -glanzend gepolijste nagels—de beenen over elkaar geslagen, de -onberispelijk verlakte schoenen naar voren glimmend, een beeld van -achtelooze zelfvoldaanheid. - -En het amuseerde Hilda, want ze zag dat hij poseerde, en zijn voorname -onverschilligheid, die waarschijnlijk een zorgvuldig nadoen was van een -of ander hoog eleganten, levensmoeden vreemdeling, stond grappig bij -zijn frisch, jong gezicht. - -„Maar Eddy, nou moet je ons nog vertellen van dien mijnheer.... -jonkheer .... hoe heet ie ook weer? Die Hollander dien je daar ontmoet -hebt? Eerst schreef je dat je ’m te logeeren mee woudt brengen, en -later dacht je toch dat het beter was van niet?” - -Corry riep het nieuwsgierig van achter het theetafeltje waar zij in -kleine, drukke beweginkjes de kopjes rangschikte. - -„Je meent zeker Maarten van Hervoren,” antwoordde Edward, „wat wou je -van hem weten Cor, of ie een goeie partij voor je zou zijn? Nee dat is -ie heelemaal niet, hoor!” - -„Maar Eddy, heb je nou nog al niet afgeleerd altijd zulke onhebbelijke -dingen te zeggen!” - -„Wel mama, waarom mag ik dat niet zeggen? Aan de Riviera heb ik den -laatsten tijd weer allerlei zulke verbazende dingen gezien van „la -chasse au mari!” Badplaatsen zijn niet bepaald geschikt om andere -opvattingen over zulke dingen te krijgen, wat zeg jij er van, nichtje -Hilda?” - -Hilda voelde zich een oogenblik verward, hier in eens tot getuige te -worden geroepen. Zij zag zijn driest doordringende oogen op haar -gericht en de ironische glimlach die haar zoo geamuseerd had, straks -bij het binnenkomen, toen hij voor garçon speelde, begon haar in eens -erg te vervelen. - -„Ik ben nooit lang op badplaatsen geweest, maar ik wil heel best -gelooven dat je daar allerlei treurige, rare dingen ziet; maar daarom -kan Corry toch wel zonder bijbedoelingen naar dien mijnheer van -Hervoren vragen?” - -Corry klapte in haar dikke, blanke poezelhandjes, half verbaasd dat -Hilda haar partij koos. „Bravo! Hildy, bravo!” - -Edward streelde zijn knevel en zag het raam uit, zijn ironisch lachje -kon evengoed Hilda’s antwoord gelden als de vreemde dingen die hij -gezien had. Toen zich tot zijn moeder wendend: - -„Ja, een oogenblik heb ik er heusch over gedacht, mama, om hem hier mee -te brengen. Het is de merkwaardigste kerel die je ooit gezien hebt. -Soms kan ie geweldig mooie dingen zeggen, dan zou je denken een groot -philosoof en alles heeft ie gelezen, bepaald ongeloofelijk, en soms is -ie ook vroolijk, uitgelaten als een klein kind, en goed voor arme -menschen en beesten! En als ie wil allemachtig amusant! Maar juist op -dien avond dat ik hem dan wou vragen om bij ons te komen logeeren, -kreeg ik Corry’s brief over het bal van de Mureaux en dat bracht mij -weer zoo duidelijk al die uitgaanmenschen voor den geest en toevallig -vertelde Hervoren mij juist ook dien avond voor het eerst van zijn -omstandigheden en toen begreep ik in eens dat het een stommiteit van me -zou zijn geweest om hem hier mee te brengen.” - -„Waarom jongen? Waren die omstandigheden dan van dien aard ..... Enfin -..... hij is toch jonkheer van Hervoren niet waar?” - -„Zeker maatje, maar hij kan daarom toch wel in benauwde omstandigheden -zijn? Dat gaat best samen hoor! En toen ie er een beetje -vertrouwelijker over sprak, begreep ik dan ook dat hij eigenlijk geen -cent op de wereld heeft. Zijn ouders moeten vroeger schatrijk zijn -geweest, maar bij den dood van zijn vader was de boel op en toen is -hij, zoodra ie te Delft met zijn ingenieursstudies klaar was naar -Amerika gegaan, en later nog een poos naar Australië, en daar heeft ie -tenminste zooveel verdiend dat ie zich zelf en zijn moeder, die erg -zwak was, kon onderhouden. Maar de groote zwaai om het fortuinrad naar -zich toe te halen schijnt ie niet te hebben kunnen vinden. Verleden -voorjaar is ie hier thuis gekomen omdat zijn werk in Australië toch -juist was afgeloopen en zijn moeder, waar ie dol op was, zoo erg -achteruit ging, en toen zij in September, geloof ik, gestorven was, had -ie eigenlijk wel weer dadelijk de wijde wereld willen ingaan, maar hij -kreeg longontsteking en half dood hebben ze hem naar ’t Zuiden -gezonden.” - -„En wat gaat ie nou doen?” - -„Dat weet ik nog niet, maar hij zal er zich wel weer doorslaan, daar -kunt u van op aan. U hebt nooit zoo’n kranigen kerel gezien. Als ie -hier niks vindt, gaat ie maar weer de wereld in.” - -„En waarom heb je hem niet gevraagd om hier te komen logeeren?” vroeg -Eugénie goedig. - -Edward haalde de schouders op en zag zijn moeder aan: - -„Ik dacht dat jullie het gek zoudt vinden als ik zoo’n arme drommel -hier meebracht. Hij mocht es verliefd op een van jullie worden, dan -waren de poppen aan het dansen en dan kreeg ik er nog de schuld van.” - -„Edward heeft groot gelijk gehad. Zulke individuen zijn licht geneigd -van je te profiteeren als je te goed voor ze bent.” - -Edward dronk kalm zijn kopje thee leeg en antwoordde niet, en ’t was -Hilda op dit oogenblik alsof ze hem haten moest omdat hij de partij -niet nam van den man waarover hij zoo juist met bewondering gesproken -had. Wat een onrecht lag er in die laatdunkende achterdocht van haar -tante, en waarom bleven al die anderen daar zoo kalmgenoegelijk -onverschillig bij, in hun zelfzucht van rijken, die weten dat niemand -hen ooit op die manier verdenken kan! - -Stil zat zij nog een oogenblik in haar hoekje, luisterend naar de -conversatie die zich weer levendig kruiste over kennissen en Haagsche -nieuwtjes; toen stond zij op en ging naar boven in haar eigen kamertje -en wierp zich op haar bed, groote tranen neerdruppend op haar kussen. -Waarom zij weende wist zij niet. Een nameloos verlangen opwellend uit -diepten in haar eigen hart die zij niet kende, niet begreep, een groot -verlangen naar een onbestemd iets dat hoog en mooi zou zijn, dat haar -leven zou kunnen vullen, overstelpte haar plotseling. „Vader,” snikte -ze zachtjes een paar maal, maar bij het aanroepen van hem, die het -middelpunt harer kinderjaren was geweest, voelde zij dat ook al had hij -op dit oogenblik naast haar gestaan, hij niet vermocht zou hebben dien -weemoed van haar weg te nemen. Walging van haar eigen leven, van haar -omgeving, van de maanden die achter haar lagen en die nu komen zouden, -was als een doffe achtergrond van dit opbruisend verlangen naar een -ander, rijker leven en terwijl zij zachtjes voortweende, blij de -spanning van haar onbegrepen droefheid te zien wegvloeien in die warme -kristaldruppels, dacht zij aan Ottilie en Moisette en Edward en aan -dien vreemde met zijn magnetische oogen en het leven scheen haar vol -donkere raadsels, die, als zij oplosbaar waren, toch niets dan -teleurstelling konden brengen. - -Eerst het luiden van de etensbel herinnerde haar er weer aan dat het -„jonge meisje” niet treuren mag in smartelijke onvoldaanheid. - -„Lachen, amuseeren, schitteren, lachen,” gilden de hooge tonen van de -bel, maar Hilda, onder het betten van hare roode oogen, in een -plotselingen, woedenden opstand antwoordde er hardop tegen in: „Ik wil -niet! Het mag niet! Dat kan niet de bestemming van het jonge -vrouwenleven zijn!” - - - - - - - - - -Na Hilda en Gladys’ vertrek had Ottilie van Heemeren nog verscheiden -bezoeken ontvangen, meest heeren die hun digestievisites kwamen maken. -Vroolijk en schitterend, met den hoogen uitdagenden klanklach, de -raadselblikken der troublante oogen, de geestige boutades had zij zich -bewogen in dien kleinen kring bewonderaars. Maar nu waren zij allen -vertrokken; zij zag op de klok: half zes. Eerst om half acht wachtte -zij hare gasten. Wat zou zij doen voor dien tijd? Doelloos stond zij -voor het raam. Zij had nog geen zin zich nu al te gaan kleeden. - -Maar ineens klonk het aanrollen van een rijtuig, pijlsnel, wild rennend -kwam het aan en in een oogwenk was het voorbij. Alleen een visioen had -het achter gelaten van koolzwarte paarden, kleine koper en kristal -fonkelingen van lantaarns en daar boven, op den hoogen bok een glimlach -teeder familiaar, een groet met de zweep in ’t voorbij vliegen. - -Ottilie groette lachend terug en liet zich toen zinken op een van haar -kleine fauteuils. - -„Wat ’n dolleman is ie toch om zoo te hollen en nog wel op de -Bezuidenhout die zoo smal is! Maar wat heeft ie ze flink in de hand, -die wilde zwarten en keurig netjes groeten kan ie ook in zoo ééne -seconde. Een echte ridder!” - -Zij glimlachte, maar met een nuance van medelijden. - -„Arme jongen, ik zal hem toch maar een invitatie voor Zondag zenden, -anders zal ie al te ongelukkig zijn. Het schijnt een groote vlam te -worden. Als ie nou maar niet lastig wordt, kan het nog wel amusant -zijn, goed om den tijd door te komen tot we naar Zwitserland gaan.” - -Loom stond ze op en ging naar haar schrijftafeltje met een kleine -gaapbeweging vol lusteloosheid. Toen schreef ze met groote letters, zoo -als de mode was van dat oogenblik, het adres: Jhr. Mr. van Smaarth. En -terwijl ze de invitatie deed, glimlachte ze weer haar wreede -sphinxenlachje en herhaalde met een zucht: „Poor fool! en dat noemen de -dichters liefde! Boeken en boeken vol, allemaal over liefde! die .... -niet bestaat! Niets dan wat zinnelijkheid en ijdelheidsstreeling en -convenance, dat is de heele verhouding tusschen man en vrouw!” - -Ze stond op en trad langzaam voor den grooten spiegel, de handen achter -het hoofd gevouwen, en beschouwde zich lang met nieuwsgierige aandacht. -Ze stond dikwijls zoo en zij vond zich mooi, ze genoot in de bekoring -van haar eigen beeld. - -„Als liefde bestond, had ik haar moeten ontmoeten! Beantwoord ik niet -heelemaal aan het ideaal, waarvan mannen droomen als zij van -vrouwelijke bekoring spreken? En toch heb ik nooit iemand ontmoet die -mij waarachtig om me zelf liefhad! ’t Is niets dan een dichterleugen, -liefde. Alsof niet van Smaarth alleen zich zelve, zijn eigen genot in -mij liefhad, als of niet mijn man alleen een sierlijk ornament in zijn -huis, een goeie huishoudster voor zijn tafel, een jong, vroolijk -gezelschap in zijn leege uren in mij liefhad. Wat kan het ze allemaal -schelen wat of ik voel en lijd en of ik verga van verveling, verveling, -verveling!” - -Zij had het woord hardop gezegd en het verlichtte haar het met -hartstocht te herhalen in een gril van machtelooze wanhoop. - -„En al die menschen die gelooven dat ik gelukkig ben, omdat ik jong en -mooi en rijk en artistiek en bewonderd ben! Als of ik niet verging van -kou en leegte en onbevrediging en verveling!” - -Toen ging de deur open en mijnheer van Heemeren trad binnen. Hij was -veel ouder dan Ottilie en zijn hooge magere gestalte begon zich aan de -schouders wat te buigen, maar in zijn zorgvuldig geconserveerden -ouderdom zag hij er zeer voornaam uit, vooral zooals nu als hij in rok -en witte das was. - -„Ottilie, is het geen tijd dat je je gaat kleeden? anders ben ik bang -dat je je weer zoo zult moeten haasten.” - -„Ja zeker ik zal dadelijk gaan,” zeide zij vriendelijk beleefd, zooals -zij gewoonlijk tot hem sprak en zij ging heen nog zachtjes neuriënd -„verveling.” - -Maar onder het opgaan van de trap was zij reeds verdiept in de vraag -wat beter zou staan bij haar nieuwe japon, haar paarlen collier of de -antieke parure van amathysten. - - - - - - - - - -Op het diner bij de van Praegen had Hilda Corona van Oven ontmoet. -Tegen half tien was zij gekomen, een mooie verschijning, met iets zeer -edels, de hooge slanke gestalte in ’t lange zwart fluweelen kleed, dat -tegen het bonte lichtglanzen der andere damestoiletten streng afstak, -maar mooi deed bij den zuidelijken ivoorteint en de groote grijze -oogen. Zij hadden een oogenblik prettig samen gepraat en Corona had -Hilda geïnviteerd om den volgenden dag bij haar te komen afternoon tea -drinken. „Dat mag je wel apprecieeren!” had Gladys schertsend gezegd, -„want dokter van Oven is niet gul met haar invitaties!” - -Maar Corona had levendig geantwoord dat zij meende met de freule van -Suylenburg bijzonder prettig te zullen kunnen praten. - -Het kleine huis op het Lange Voorhout dat dokter van Oven bewoonde, was -niet moeilijk te vinden. In duidelijke eenvoudige letters stond het -zwart tegen het grijze huisfond: Dr. Corona van Oven, arts. - -Het zag er heel gewoon uit, en toch leken zij Hilda iets heel -bijzonders, die woorden die daar stonden. - -Een kindermeisje, aan elke hand een klein bleek kindje, kwam juist -voorbij de stoep. Het eene kleintje bukte zich om een steentje op te -rapen, dat glinsterde in de zon. „Wil je wel es niet zoo ondeugend -zijn, akelig nest! en die vuiligheid laten liggen,” snauwde het meisje, -ruw schuddend het teere armpje. Het kind huilde niet en liep voort, -misschien alleen nog iets bleeker en doffer. Een paar werklieden kwamen -aan, in ’t voorbijgaan de zoele voorjaarsatmosfeer besmettend met een -stroom van vuile lucht, en hun lach was nog vuiler toen zij het -kindermeisje een paar gemeene woorden toeriepen. Daar ratelde een -equipage voorbij, een verlept blonde vrouw, een hoed met veel rozen, -witte handschoenen, van achteren gezien niets dan een kostbaar kanten -parasol en het was voorbij. Hilda groette even en zag toen weer naar de -letters en als een revelatie voelde zij opeens hoe de wereld schijnbaar -veranderingloos in de sleur van elken dag voortleeft, terwijl er groote -dingen geschieden. Kinderleed, ruwheid, smerige ellende, zonde en wufte -onverschilligheid schijnen overal hun gang te gaan, maar hier als een -blij zegeteeken van overwonnen veroordeel stonden een paar -beteekenisvolle woorden als een belofte voor de toekomst. - -De voordeur ging open en Marijken, Corona’s oude meid kwam voor. - -„Is u de freule van Suylenburg?” - -„Ja, de dokter wacht mij.” - -„De dokter is net uitgeroepen. Dat gaat altijd zoo. Je weet nooit of ze -thuis zal zijn of niet. Maar lang geloofde ze niet dat het duren zou en -ze heeft me gezegd of u maar op d’r wachten woudt. Freule van Arkel is -er ook al, die zou ook komen thee drinken.” - -Hilda ging binnen, teleurgesteld. Zij vond het idee van daar met een -vreemde dame te moeten zitten erg vervelend, en vroeg zich af wie het -wel zijn kon. Zij kende aan het hof een ouden mijnheer en mevrouw van -Arkel, maar die hadden geen kinderen. Waar kwam nou deze freule -vandaan? - -Corona’s kamer was een ruim en stil vertrek aan den achterkant van het -huis, hoogst eenvoudig met iets van den grooten ernst van haar beroep. -Het ameublement van mooi donker eikenhout met rood leer, de groote -bureau-ministre, de kasten en tafels vol boeken, het zag er alles -streng uit, maar toch ook rustgevend voor diegenen die met gefolterde -zenuwen van buiten uit het gewoel tot haar kwamen. Geen enkele dier -weeldeprullen waarmede de modesalons van tegenwoordig overvuld zijn, -stoorde de harmonie van dit werkheiligdom. De eenige versiering, en die -was vorstelijk, bestond uit een photographie van Braun naar Rafael’s -Sixtijnsche madonna, origineele grootte. Overweldigend was de indruk -der zwevende figuur. Zij vulde, zij verslond het heele vertrek, het -verlichtend met haar reinheidsglans. - -Hilda had de schilderij dikwijls en nooit zonder groote ontroering te -Dresden gezien, maar vandaag frappeerde het haar bijzonder. - -Dit was niet de teedere moeder die haar kindje koestert, niet de -weemoedsvolle jonkvrouw, vóórvoelend de Mater Dolorosa, niet de -hemelkoningin in extatisch opzien tot haar zoon, niet de heilige maagd -in beate onnoozelheid. Dit was niet de incarnatie van gebed en -vroomheid en jubelende Godsliefde of stille aanbiddende contemplatie -zooals de primitieven hun Madonna’s hebben gemaakt, noch ook de gezocht -mooie vrouw, het ideaal van vrouwelijk schoon, dat de renaissance heeft -geschapen. Deze Sixtijnsche Maagd heeft haar eigen plaats. Het is de -hoogreine vrouw, de glansoogen wijd geopend starend in de verre -toekomst, in één blik overziende het al, de smarten der realiteit en de -vreugden van het ideale streven. Zij ziet ze vóór zich, de lijdende, -zondigende menschheid, smachtend naar het verlossende liefdewoord en ’t -machtige voorbeeld, zij ziet de hoog heilige taak en ’t vreeselijke -wee, wachtend haar kind, en toch fier, zonder aarzelen schenkt zij het -der wereld. De teederdragende handen houden nauwelijks het lichaampje -vast, zij bieden het aan, heel de houding is een voorspel van ’t -sterke, vrijwillige offer te Golgotha volbracht; geen week weenende -moeder om haar zoons physieke lijden, alleen de hooge vrouw die in den -smartelijken ernst van helderziendheid, een stille vreugdeglorie om den -mond, haar kind tot het hoogste wijdt. Vrouwen die iets van dezen blik -hebben verstaan, zullen groote zonen opvoeden. - -Een oogenblik stond Hilda midden in de kamer, getroffen, toen dacht ze -aan freule van Arkel en groette. Het was een tenger meisje, niet jong -meer, met kleine, bruine oogen vol intelligentie, in een kleedje van -kleurloos bruin, het type der geëffaceerde distinctie, waarin Haagsche -dames met weinig fortuin uitmunten. - -Gedurende haar vroegere reisjaren was Hilda zorgeloos gemakkelijk in -haar omgang met vreemden geweest, maar in de leerschool harer tante had -zij den laatsten tijd tegenover onbekenden iets van de voorzichtige -stijfheid aangeleerd, die een onaangename eigenaardigheid van veel -Hollanders is. - -Na een kleine banaliteitenwisseling, zette zij zich zwijgend in -Corona’s stoel, terwijl Marguérite van Arkel, blijkbaar volkomen thuis, -begon thee te zetten. Een poosje zaten zij bij elkaar, in een vervelend -zwijgen, toen zeide Marguérite lachend, een klein beetje verlegen: - -„Ik geloof, freule, dat Corona ons samen gevraagd had omdat zij dacht -dat wij beiden iets aan elkaar zouden hebben. Zij heeft mij van u -verteld en ik geloof dat wij prettig zouden kunnen praten. Willen we -dus maar dadelijk beginnen en niet onzen tijd verliezen om onder een -paar onnoozele opmerkingen te zitten wachten tot wij deftig aan elkaar -zijn gepresenteerd?” - -Hilda lachte, haar onweerstaanbaar jong lachen dat heel haar gezichtje -verlichtte. Toen was alle reserve voorbij. - -Een half uur hadden zij druk zitten praten, bijna vergetend te wachten -op Corona’s komst, in de blije verwondering harer ontwakende sympathie. - -„Hoe zou toch de dokter aan deze prachtige reproductie komen?” vroeg -Hilda naar de Madonna wijzend. - -„Dat kan ik u makkelijk vertellen, want ik heb ze haar zelf gegeven.” - -„Zeker na ’n gevaarlijke ziekte? een dankoffer?” - -Marguérite glimlachte met een warme kleur die aan haar stil, bleek -gezichtje een gloed van jeugd teruggaf. Toen met het abandon, het -spontaan vertrouwen dat zoo wonderbaar ontstaat soms tusschen vrouwen -die elkaar nog vreemd zijn, maar voelen dat zij elkaar begrijpen, -antwoordde zij zacht: - -„Ja, voor de redding van een gevaarlijke ziekte. Een heel gevaarlijke, -omdat zij moreel was. Ik heb u al gezegd dat ik het eigen nichtje ben -van den adjudant der Koningin, en dat ik Fransche les geef hier aan een -kostschool. Dat was mijn ziekte! Begrijpt u dat?” - -Hilda’s spanningsblik liet haar dadelijk voortgaan: - -„Mijn oom aan het hof, veel schatrijke familie hier, allemaal uitgaande -in de hofkringen, en ik een arme schooljuffrouw! Kunt u u indenken wat -dat een pijn van valsche schaamte, vernedering, afgunst was. Tot mijn -twaalfde jaar was ik ook rijk geweest. Het is de oude, eeuwig zich -herhalende geschiedenis der groote families, die te gronde gaan. Mijn -moeder was jong gestorven, en in zorgelooze verkwisting leefde mijn -vader voort in een luxe, die hij vond dat noodzakelijk bij zijn stand -paste maar die zijn beurs hoe langer hoe minder toestond. Gelukkig -heeft hij zijn ruïne niet lang overleefd; hij had niet in armoe kunnen -leven, mijn arme papa! .... Maar ik bleef alleen achter en leerde voor -mijn examens in een vochtig, kil kamertje bij vuile menschen in den -kost en had niets om me te wapenen tegen de hardheid van dat nieuwe -leven dan de herinnering aan prachtig speelgoed en kleeren en een eigen -ponny en aan de illusie om later in wit satijn met parelen naar het hof -te gaan. Toch, behalve natuurlijk de enkele oogenblikken dat ik mij -zelve erg miskend en diep te beklagen vond, waren mijn meisjesjaren -niet ongelukkig. Ik leerde makkelijk en er waren op de kweekschool en -later op de Fransche kostschool verscheiden juffrouwen en meisjes waar -ik veel van hield. Heel wat uurtjes van echt dol meisjeslachen en jong -dweepen kan ik mij herinneren uit dien tijd. Eerst toen ik klaar was en -toevallig hier in den Haag een betrekking kreeg, begon de verbittering -en de ellende. In een echte kostschoolmeisjesonnoozelheid had ik mij -zoo half voorgesteld dat ik heel goed tegelijk secondante kon zijn en -aan het hof kon komen en bij al mijn familie, als ik maar geld genoeg -opspaarde om een mooie japon te koopen. Ik was drie-en-twintig, en had -al mijn lagere aktes en die van hoofdonderwijzeres en middelbaar -fransch a. De laatste jaren waren dus niets dan hard leeren geweest. -Van de wereldverhoudingen kende ik niets. O! ik ben wel een echt -specimen geweest van die akelige halfontwikkeling die de tegenwoordige -opvoedingsmethode kweekt: aan den eenen kant een bergenhooge -opeenstapeling van schoolboekengeleerdheid en aan den anderen kant -volkomen onkunde van het leven, volkomen gebrek aan inzicht en -begrijpen, waar het in de wereld toch juist op aan komt. Natuurlijk was -ik trotsch op mijn akten en ik stelde mij voor dat mijn familie in den -Haag ook trotsch op mij zou zijn, en ik daar allemaal hartelijke -menschen zou vinden die hun eenzaam nichtje dat zoo hard gewerkt had en -zoo knap was, met liefde zouden overladen.” - -Zij lachte even, het rustige lachje van overwonnen leed. - -„Toen kwam natuurlijk de ontgoocheling. De meesten kenden mij niet -meer, namen geen notitie van mijn bestaan. Mijn bezoeken werden -onbeantwoord gelaten. Enkelen groetten mij hoog beschermend, de meeste -wendden het hoofd om, alleen een oude nicht zond mij vijftig gulden en -den raad om nu goed mijn positie te leeren inzien en te begrijpen dat -ik, een van Arkel die haar brood moest verdienen, in zekeren zin een -schande voor de familie was, hoe verdienstelijk het ook zijn mocht dat -ik mij onafhankelijk had gemaakt, en zij raadde mij aan voortaan het -„freule” er maar af te laten en als juffrouw van Arkel mijn carrière te -volgen.” - -„En wat hebt u gedaan?” vroeg Hilda gespannen. Met haar sterke -vrouwenintuïtie had zij onmiddellijk het beeld van Marguérite’s -toestand in zich opgenomen. Zij had ze in haar eigen hart gevoeld, de -brandende teleurstelling in de menschheid, de opstand, de bitterheid -die het secondantetje deze eerste jaren moest hebben geleden. - -„Ik heb haar het bankje teruggezonden met de woorden: Met dank aan -jonkvrouwe Brigitte van Arkel, van jonkvrouwe Marguérite van Arkel.” - -De beide meisjes lachten, maar Marguérite ging ernstig voort, het was -een stuk uit haar leven zoo vol pijn, dat zij het ernstig behandelen -moest: - -„Natuurlijk, het trotsche bloed van mijn vader zat in mij en ik -betaalde hun hoogmoed met gelijke munt, en wreekte mij waar ik kon op -dezelfde kleingeestige, hatelijke manier als zullie mij vernederden, -maar dat maakte mij nog ellendiger, al dacht ik ook dat het mij -voldoening gaf, en soms als ik zoo’n equipage zag aankomen met mijn -wapen op het portier, kwam er een woede in mij op die me slecht maakte, -bepaald slecht, freule, een passie van haat en afgunst. Er waren -oogenblikken dat ik met vreugde een ongeluk zou hebben gebracht in die -trotsche, rijke huizen waar men weelde en geluk had en de arme -schooljuffrouw verachtte, en dan schold ik op de hoogere standen en -verlustigde me bepaald in de praatjes van hun schandalen die ik hier of -daar opving. En soms ook weer had ik er een laf, heimelijk genot in om -me toch niettegenstaande alles zoo nauw verwant te gevoelen aan die -machtige menschen die toch zoo onbereikbaar hoog waren, dat ze mij, hoe -ik me ook schrap zette, onder hun neerzien konden verpletteren. O! het -waren zulke ontzettende jaren. - -Alles verbitterde me, overal zag ik een vernedering in. Achterdocht en -jaloezie maakten alles zwart. Voortdurend was ik in opstand over het -domme onrecht van de wereld die mij, die ’t zelfde bloed in de aderen -had en veel knapper en energieker was, zoo ver beneden mijn trotsche -familie stelde, omdat ze meer geld bezat. Mijn werk zou ik wel prettig -hebben gevonden, want de kinderen hielden van mij en ik doceer graag, -maar dat was juist de ellende, een werkkring, waarom ik door mijn -familie veracht werd, kon ik niet hoog stellen. Ik schaamde er mij over -en de rampzalige strijd begon tusschen voort te moeten om te leven en -zich diep vernederd te voelen door dat werken. Mijn zelfachting, de -achting voor mijn werk begon heelemaal te zinken, en ik geloof, dat ik -toen in staat zou zijn geweest een laagheid te doen, een huwelijk uit -raison of zoo iets, om mij op te heffen uit wat ik toen mijn -vernedering noemde. - -Toen kwam Corona en zij lachte mij uit tot ik mij schaamde over mijn -valsche schaamte! Haar voorbeeld deed eigenlijk nog meer; ik zag hoe -zij rustig en hard voortwerkte, haar werk heilig houdend, hoe zij kalm -glimlachte bij de kleingeestig beschermende hoogheid waarmee sommige -dames haar trachtten te behandelen, ik zag hoe zij van dag tot dag meer -achting en vereering won door de suggestieve overtuiging waarmede zij -haar roeping volbracht en op eens als een zonnestraal in een kamer, -waarvan de luiken lang toe zijn geweest, kwam het besef tot mij dat er -nog een ander soort aristocratie is, dan die van rijkdom en luxe, een -aristocratie van geest en hooge beschaving, die voor mij open stond als -ik mijn best deed, en waar ik mij gelukkiger in zou gevoelen, dan in -die van equipages en niets-doen.” - -Beide meisjes zwegen, even voortsoezend over de beelden, die -Marguérite’s lange verhaal had opgewekt. - -„Hoe heerlijk dat u juist toen dokter Corona heeft ontmoet,” zeide -Hilda. - -„Ja, heerlijk! En ik wou dat ik u kon herhalen wat zij in zulke dagen -tegen mij zeide. Ik wou dat ik haar woorden had opgeschreven en ze nu -kon uitgeven, want al dragen ook niet veel meisjes zoo’n lastigen naam -als de mijne, mijn strijd in alle nuancen en graden wordt nog iederen -dag gestreden door honderden vrouwen, die door den nood gedrongen zijn -om geld te verdienen, terwijl fatsoen en deftigheid werken voor geld -verbieden. Dat geeft het schandevol hunkeren naar een huwelijk, het -eerste het beste, en het tot den laatsten dag uitstellen om te gaan -verdienen van meisjes die het hoog noodig hebben, maar die liever in -den uitersten nood, de goede jaren en gelegenheden laten voorbijgaan -dan tot dat gevreesde te besluiten! Het is de groote factor van -zedeloosheid en energieverslapping onder de onbemiddelde vrouwen! En o! -als zij het toch maar wilden begrijpen, dat nu de tijd voorbij moet -zijn, dat het eervoller voor het jonge meisje is, haar leven in -onhandige philantropie of in de enerveerend drukke leegheid van uitgaan -te verbeuzelen of hoogstens in onbemiddelde huishoudens meidenwerk te -doen, dan flink te arbeiden en zich zelve een vrij bestaan te verdienen -ten nutte van het algemeen. Want dit moet het principe van werken -worden, zoowel voor mannen als voor vrouwen: Nuttig zijn, iets -beteekenen voor de gemeenschap! Omdat leven zonder werken niet -fatsoenlijk, maar eerloos is en ook omdat er toch geen heerlijker, -glorieuser, moreeler geld is dan het zelf verdiende!” - -In groote opwinding had Marguérite voortgesproken, het stille gezichtje -één leven. Hilda voelde zich meegesleept; het was haar op eenmaal als -viel er een nieuw licht op haar vaag onbevredigd voelen van den -laatsten tijd. Zij was verlegen wat te antwoorden. Marguérite had zoo -vreeselijk groot gelijk, maar wat kon zij antwoorden, zij met haar -beuzelleven? - -Maar ze behoefde niets te zeggen. Marguérite had haar een nieuw kopje -thee gebracht en bleef voor haar staan. Aarzelend, kinderlijk lief, -vatte zij haar hand: - -„Vindt u het niet gek van me, freule van Suylenburg, dat ik u dat -allemaal zoo bij onze eerste kennismaking heb verteld? Maar! u kunt -niet gelooven hoe deze kwestie mij passioneert, en uw vraag over de -Madonna bracht er mij zoo van zelf op. Ik zou soms willen uitgaan en er -hardop over preeken! Ik zou het onze jonge meisjes met hartstocht -willen toeroepen tot ze ’t eindelijk verstonden: Ga uit en werk en -grijp je aan! Gebruik dan toch je gaven en krachten, die God je er voor -gegeven heeft! Stel je niet tevreden met dien toestand van te veel geld -om te verhongeren en te weinig om echt van te leven, waarin zoovelen nu -nog treurig voortsoezelen, werk uit al je macht in alle richtingen, je -hebt evengoed als je broers recht op een onafhankelijk, werkzaam -leven!” - -Hilda zag tot haar op met haar sympathiek jonge glimlach van -opgetogenheid. - -„O! Waarom doet u het niet! Waarom gaat u niet uit preeken? Ik geloof -dat u ons allemaal zou kunnen meeslepen!” - -Maar Marguérite, met iets mats in eens na de opwinding van haar -spreken, schudde het hoofd. - -„Later misschien. Eerst moet ik zelf nog een boel leeren en lezen en -denken en dan..... Waarschijnlijk kom ik later aan het hoofd van de -kostschool en als ik er dan een opvoedingsinrichting van gemaakt heb, -zooals ik mij die voorstel, waar wij denkende, voelende vrouwen zullen -klaarmaken, inplaats van zooals nu, welgemanierde volleerde jonge -dames—wat een grappig veelbeteekenend woord nietwaar: volleerd?—dan ga -ik misschien uit om te preeken.” - -Op dit oogenblik kwam Corona binnen. Zij had blijkbaar hard geloopen en -zag er onder het strooien voorjaarshoedje met de animatie van het -snelle gaan, jonger en vroolijker uit dan den vorigen avond. - -„Preeken, Maggy? Wou je gaan preeken? Maar je doet je heele leven niets -anders, kind! Is ze niet al te zwaar op de hand geweest, freule?” - -Marguérite antwoordde met gezochte deftigheid, maar om haar oogen -wemelde het van lachtrekjes. - -„Je moest je schamen, Corona van Oven. Eerst laat je je gasten alleen -zitten en dan luister je aan de deur wat zij zeggen. Maar hier in deze -zelfde kamer heb ik zooveel preekjes van jou gehad, dat ik hier gerust -durf zeggen dat ik op mijn beurt ook eens zou willen gaan preeken.” - -Hilda stond op; het was laat geworden en zij moest uit eten. - -„Ik hou erg veel van die soort van preeken!” zeide zij lachend. „Mag ik -er nog eens meer een komen hooren?” - -„Ik hoop, dat u heel dikwijls komen zult!” zeide Corona hartelijk. - -En terwijl Hilda naar huis ging, vreemd ontroerd door dien blik op een -leven vol werk en strijd, dat haar nieuw was en boeiend scheen, zeide -Marguérite van Arkel: - -„Ik geloof dat je gelijk hebt, Cora mia, er zit iets heel aardigs in -dat meisje. Het zou zonde van haar zijn, als zij verloren ging in het -fladder-leven van niets-doen.” - -„Ik geloof het ook! Heb je nog iets dieper met haar kunnen gaan dan de -gewone praatjes?” - -„Ja, het kwam zoo van zelf. Zij vroeg hoe je aan de Madonna kwam, en -toen heb ik haar het heele verhaal van mijn ziekte gedaan.” - -„En geloof je dat het haar pakte; dat zij het begreep?” - -„Ik geloof het zeker. Maar hoe heb je haar gisterenavond in dat korte -oogenblik eigenlijk zoo ineens ontdekt onder al die menschen?” - -„Ik had al van haar gehoord door mevrouw Cranz en door Gladys van -Praege, en gisteravond viel het mij op, hoe koel zij was tegen den -jongen Cranz, die haar blijkbaar erg het hof maakte, en toen begreep ik -dat zij bepaald anders moest zijn, dan de meeste, om zoo’n prachtige -partij niet vriendelijker te behandelen.” - -„Misschien was het koketterie?” zeide Marguérite aarzelend. - -„Neen, Maggy, dat kun je toch wel dadelijk zien, ze ziet er niet uit -als een kokette, vindt je niet?” - -„Neen, maar met die echte uitgaan-meisjes kun je ’t nooit weten, ze -zien er soms zoo lief en onschuldig uit en ondertusschen ....” - -„Nee!” zeide Corona warm, „van die comediantjes heeft Hilda heelemaal -niets. En dan toch Maggy, al kunnen die listige onnoozelheidjes ook nog -zoo makkelijk haar dupes onder de heeren maken, geloof je dat wij er -ooit een van beiden zouden inloopen? Vrouwen zien onder elkaar zoo -oneindig scherp.” - -„Ja, dat is waar, en je zult wel gelijk hebben dat Suylenburgje beter -dan de meesten is, eigenlijk geloof ik het zelf ook wel, en wij kunnen -ons best voor haar doen, maar geloof je heusch, Cora dat het ooit -gelukken zal om een meisje uit die wereld tot werken te krijgen?” - -„Wij moeten het in elk geval probeeren. Het kan niet lang duren of zij -zal zich onbevredigd gaan voelen. Misschien doet ze ’t nu al, en dan -zullen we zien! Het moet er toch eenmaal toe komen dat de rijke en -voorname vrouwen aan het werk trekken. De vrouwenzaak zou er zoo -oneindig hooger door worden wanneer principes en niet alleen meer -geldnood de meisjes aan den arbeid deed gaan!” - -„Amen!” zeide Marguérite. En in een elan van dartele teederheid hare -beide armen om Corona heenslaande: - -„O! Corretje, ik wou dat ik rijk was! Niet meer om naar ’t hof te gaan -in wit satijn met parelen, maar om een groote school op te richten waar -ik meisjes tot geëmancipeerde vrouwen zou willen opvoeden! Zie je, niet -zoo als de domme wereld van ons denkt als we van emancipatie spreken, -dat we vrouwen tot mannen willen maken, maar vrouwen tot waarachtige -vrouwen, niet meer, zooals nu de meesten zijn opgevoed tot vrouwelijke -kinderen, die alleen maar lichamelijk volwassen zijn. En dan zou ik aan -de heele wereld willen zeggen: zie jullie het wel? Ik ben schatrijk en -toch blijf ik „schoolmamzel”. Het is heerlijk om elken dag een vaste -taak te volbrengen, waar je in geloofd en waar je je geschikt voor -voelt. Heerlijk om trotsch te zijn, op ernstig plichtgetrouw werken!” - -Corona bukte zich, zachtjes glimlachend, en kuste haar op het -voorhoofd. Toen, met een vreemd vertrekken van pijn in haar bleeke -gezichtje fluisterde zij: - -„Blijf je bij mij eten, lieveling? Ik wou je spreken .... Ik wou je -laten lezen ..... Ik heb een brief van Frank .....” - - - - - - - - - -Sedert Edwards thuiskomst was er in huis een vroolijke gezelligheid -gekomen die Hilda er tot nog toe niet gekend had. Niet dat hij zooveel -thuis was: Scheveningen en zijn nieuwe rijpaard namen hem een groot -gedeelte van den dag in beslag, maar aan tafel, nu de stilte van het -zomerseizoen begon en men dikwijls alleen onder elkaar was, vulden zijn -komieke verhalen en grapwoorden heel wat stille oogenblikjes aan. - -Mijnheer van Starren vertoonde zich meer in den huiskring, mevrouw -scheen minder koelvormelijk als Eddy haar liet lachen en met Corry kon -hij stoeien langs de trappen en door de kamers als een paar jonge -honden. Alleen Eugénie was in zijn bijzijn nog scherper in haar -replieken dan vroeger. Woorden van boosaardige geestesscherpte, van -wreed koud spotten en hatelijkheden in bedekte termen werden er -voortdurend tusschen hen gewisseld. Het was een antipathie die zich -reeds als kinderen bij hen had doen gevoelen, en die zich bij het -groeien van hun vernuft en het zich weinig ontwikkelen van hun -gemoedsleven noodwendig moest accentueeren. Maar Eugénie bleef den -laatsten tijd veel alleen op haar kamer en haar afwezigheid, misschien -nog meer dan Edwards bijzijn, gaf iets van rust en gezelligheid in de -huiskamer. - -Veel zat zij alleen, maar niemand bekommerde er zich over wat zij daar -eigenlijk al die uren uitvoerde. Niemand nam er eenige notitie van als -zij zoo lang wegbleef en niemand wist dat zij dan soms stil -ineengezonken, uren lang in haar stoel zat, hopeloos dof voor zich -uitstarend met een slap slaperig gevoel in haar hoofd, alsof het leeg -was, tot haar oogen toevielen en onder de neergeslagen wimpers tranen -weggleden en de bovenlip zich met kleine kramptrekjes optrok als van -lachen, akelig lachen. Soms ook zat zij te lezen met brandend roode -vlekken van inspanning op de wangen, voorover gebogen, ademloos het gif -inzuigend van romans uit een leesbibliotheek, die zij zorgvuldig, zelfs -voor Corry, verborgen hield. En als zij dan beneden kwam in gezelschap, -soms mat en klagend over hoofdpijn, soms koortsig opgewonden, was er -niemand die acht gaf op die vreemd afwisselende stemmingen. - -De huisgenooten vonden haar lastig en prikkelbaar, maar niemand -verdiepte zich in de oorzaak daarvan. In hoeveel gezinnen leven niet de -familieleden geestelijk verder van elkander verwijderd, dan wanneer zij -vele dagreizen van elkaar gescheiden waren? Wat zij aan zouden doen, -waar zij heen zouden gaan, om zich te amuseeren, en wat zij af te -keuren vonden in hun wederzijdsche kennissen, dat waren de eenige -punten van belangstelling in elkaars voelen en denken, die de van -Starren’s kenden. - -Juni was heet en droog dat jaar. Brandend scheen de zon op de -kiezelpaadjes van den tuin en honderde rozen kaatsten de stralen terug -in verblindenden kleurengloed. Hilda en Corry zaten in de veranda, -warme geurende lucht stroomde bedwelmend binnen, maar de groote -marquise hield den zonnegloed buiten en met de donker gehouden -tuinkamer tot achtergrond, de afhangende varens, de beide meisjes in -haar lichte zomerkleedjes, lag er iets feestelijk rustigs in de geheele -omgeving. - -„Hê, wat heb jullie ’t hier lekker! Zeg meisjes, twee nieuwtjes, is dat -niet veel voor zoo’n snikheeten morgen, dat je al je verstand voelt -wegsmelten?” - -Edward wierp zich languit op de rieten sofa. Keurig, bijna fatterig zag -hij er uit in zijn nieuw fluweelen rijpak, met de lichtgele, leeren -slopkousen, toegegespt tot aan de knie en de kokette jockeypet, waarop -hij ijdel was als een kostschoolmeisje. - -„Twee nieuwtjes, Eddy?” - -„Ja, eigenlijk zelfs drie, maar dat derde beteekent minder voor jullie, -dat is alleen maar, dat Maarten van Hervoren weer een goeie betrekking -gekregen heeft, en nog wel hier in de stad, aan de fabriek van Lagrange -en Co.” - -Een zacht gichelen liet zich in de donkere achterkamer hooren, waar -Eugénie en Betty de Mureaux bij de piano muziek aan het doorbladeren -waren. Edward sprong op: - -„Neem me niet kwalijk, freule! Ik had u in de schemering niet zoo gauw -gezien.” - -„Toch geen godenschemering?” vroeg Betty, op den klank afgaande, want -zij had geen flauw besef wat het woord beteekende. - -„Een godinnenschemering!” zeide Edward met de mooiste buiging uit zijn -flirtrepertoire, maar zijn koel ironische glimlach zeide het -dubbelzinnige van zijn antwoord. - -Betty echter nam het als een compliment op en lachte een behaagziek -lachje. - -Het was een klein dik meisje met zwaar plompe bewegingen. Het dunne -gladde haar, licht blond, was van achteren in een armoedig knoopje -gewonden, het geheele gezichtje, wasachtig rose, onbeduidend, had Hilda -dikwijls herinnerd aan een boerennaaistertje te Suylenburg. Het waren -de zware vormen van den landbouwstand, de matte teint en de stijve -bewegingen van een zittend leven en zij had zich verwonderd hoe deze -erfgename van het oude refugié-geslacht, dat zich sinds eeuwen in -weelde had kunnen verfijnen, dit grove type kon aanbieden. Toch hield -zij wel van Betty, iedereen hield van haar. Zij was zoo goedig en -zacht, vooral onder meisjes alleen, want als er heeren bij waren, had -zij soms iets nerveus dat haar onnatuurlijk maakte. - -„Maar vertelt u nou gauw uw nieuwtjes, of zijn het geheimen voor mij?” -zeide Betty, met een poging in haar fletse oogen om schalks te kijken. - -„Nee, zeker niet freule, ze zullen u ook interesseeren, denk ik. Wel, -het eerste is, dat Valérie Vermaezen begin September trouwt op hun -buiten te Wassenaar, en dat er groote feesten komen, waar iedereen op -gevraagd wordt.” - -„Hoe aardig!” riep Corry bijna juichend. „Zij was eerst van plan om in -November te trouwen en dan hier in de stad, maar buiten zal het veel -aardiger zijn!” - -„Nou, dat groote nieuws had ik jullie ook wel kunnen vertellen! Als of -ik, die haar bruidsmeisje zal zijn, dat niet al lang wist!” Eugénie -zeide het met tergende minachting. - -„En waarom vertel je het dan ook niet? Je bent altijd zoo gewichtig en -geheimzinnig, als je zoo iets hoort!” zeide Edward, boos dat zijn -nieuwtje bekend was. - -„Och, ik vind dat nou zoo belangrijk niet. Ik maak niet zoo’n drukte -over zoo’n bruiloft.” Koud sarrend, uit de hoogte klonk Eugénie’s -antwoord. - -Edward stoof op. - -„En wat vindt de freule dan wél belangrijk? Wat is er ooit belangrijk -voor vrouwenhersens, dan de partijen die er zullen zijn en de -toiletten, die zij zelve en haar vriendinnen zullen aanhebben en de -heeren die ze daar zullen ontmoeten? Dat is jullie heele leven! En dat -geeft zich dan nog airs van zoo’n trouwfeest niet hare aandacht waardig -te keuren.” - -Betty zag vleiend teeder tot hem op, maar hij lette niet op haar. - -„Maar mijnheer van Starren, waarom spreekt u nou zoo in ’t algemeen? -Corry en ik vonden uw nieuwtje heel belangrijk. En dan .... wij stellen -toch ook nog in een heele boel andere dingen, dan die u daar opnoemde, -belang!” - -Eugénie en Edward stonden tegenover elkander, elkaar strak uitdagend -aanziende; hij vuurrood in die machtelooze drift, waarin Eugénie hem -telkens wist te prikkelen, zij zeer bleek, het hoofd achterover, de -koude oogen, de opgetrokken bovenlip éen tergende minachting. Buiten -zich zelve barstte hij uit: - -„Nou, die heele boel andere dingen zullen allemaal wel even interessant -zijn als de japonnen kwesties. Alsof dames zich ooit interesseerden -voor ernstiger dingen! Daar hebben ze immers geen hoofd en geen tijd -voor! Zooals Schopenhauer zegt: de vrouw is maar een tusschenwezen, -tusschen man en kind!” - -Driftig, persoonlijk beleedigend, slingerde hij zijn woorden naar -Eugénie. - -„Maar, dat moet u ons niet verwijten, dat kunnen wij toch niet helpen!” -riep Betty koket pruilend. Het scheen niet in haar op te komen, dat -Schopenhauer’s uitspraak minder juist kon zijn. - -„Eddy, Eddy, wat hol je door!” Zacht legde Hilda haar hand op zijn arm. - -„Edward, lieve jongen, je bent een echte parvenu!” zeide Eugénie ijzig -kalm. - -Het kwam striemend op hem neer, hem treffend in zijn teerste gevoel. -Sinds maanden was al wat chic en elegant was, zijn hoogste streven -geweest, met jonge naïviteit had hij genoten van het bewustzijn een van -Starren te zijn, en rijk en voornaam. - -„Hoe meen je dat?” vroeg hij onthutst, heftig kleurend. - -„Parvenus, beste jongen, zijn menschen die een weelde hebben verworven, -die zij nog niet sterk genoeg zijn, om in volkomen evenwicht te dragen. -En nu schijnen het dons op hun bovenlip en een hoopje boeken in hun -hoofd voor sommige jonge heeren zulke verbazende schatten te zijn, dat -zij die niet zonder bluf kunnen bezitten en op iedereen neerzien, die -het niet zoo ver kan brengen. Later als je er wat aan gewend bent, zul -je dat parvenuachtige superieurvoelen wel afleeren.” - -Betty de Mureaux stond op, pijnlijk verlegen onder dat gekibbel en haar -afscheidnemen voorkwam een nieuwen uitval van Edward. - -Hilda liet haar uit en toen zij weer binnen kwam, waren de beide -meisjes verdwenen en Edward stond in de veranda te bladeren in het -boek, waarin zij had zitten lezen. Hij was nog woedend. - -„En Eddy, nou het tweede nieuwtje!” - -Hij keek op, wantrouwend. Haar oogen waren groot open, vol -vriendelijkheid, zonder leedvermaak over Eugénie’s vernederende -terechtwijzing. - -Dat scheen hem op eens tot rust te brengen, weer in zijn goed humeur. - -„Kan het je heusch iets schelen?” - -Hilda stelde op dit oogenblik er meer belang in, om zijn gekwetst -gevoel te verzachten, dan in hetgeen hij te vertellen had, maar lachend -knikte zij ja. - -„Wel, ik heb vanmorgen een invitatie gekregen van Lord Hampden, je weet -wel, dien ik aan de Riviera heb ontmoet, om van den winter op zijn -jacht mee naar Japan te gaan.” - -„O Eddy, hoe heerlijk!” riep zij hartelijk. - -„Ja, maar nou de meisjes het toevallig niet gehoord hebben, moet je er -maar liever met niemand over spreken, want ik denk dat papa het niet -makkelijk goed zal vinden. Hij rekent er zoo stellig op, dat ik nou ga -studeeren, en daarom zal ik m’n nieuwtje maar liever tot Augustus voor -me houên, tot we kamers gaan zoeken in Utrecht. Dan is het nog tijd -genoeg om met het gezanik te beginnen. Maar Hildy, waar haal je dat -boek vandaan?” - -„Ik heb het van Corona geleend. Het is prachtig, ik zou willen dat -iedereen het las.” - -Edward glimlachte, zijn aangeleerd quasi voornaam cynisch glimlachje, -dat hij had afgezien op reis van oudere mannen, die het leven waarlijk -cynisch had gemaakt. - -„L’Histoire morale des femmes, Legouvé. Zoo, lees je over -vrouwenemancipatie! gut Hildy, ga je daar toch maar niet mee -vermoeien.” - -„Waarom niet?” - -Edward schudde het hoofd. - -„Je krijgt het toch niet gedaan, dat de meisjes zich wezenlijk gaan -interesseeren voor de groote vraagstukken van onzen tijd, en dan is het -maar beter dat ze niet te veel over vrijheid en rechten hooren.” - -Hilda zag in de verte naar den zonglanzenden tuin. Daar fonkelden de -donker roode rozen en de geelwitte met mat zijden reflets, alle hadden -groote scherpe doornen, en daar was het koele schaduwplekje onder de -kastanje, en verder was alles gehuld in het levenbrengende licht. Dat -was de wereld met licht en schaduw, met pijn en vreugde en hier binnen -heerschte voorname schemer. De marquise scheidde die beide werelden. -Als de marquise werd opgetrokken op dit oogenblik, zou de veranda juist -zijn als de tuinen daarbuiten, vol scherp licht en zwarte schaduw. Kon -ook die andere marquise, geweven uit onverschilligheid, onkunde, -wuftheid en fatsoen, in wier droomerig schemerlicht de meeste dier -vrouwen nu voortsuften, die niet door nood het leven in waren -gedrongen, niet ook eens opgetrokken worden? Dan zouden vanzelf de -sluimerende verandabewoonsters wakker worden en zich midden in het -leven voelen, niet meer als daar buiten staande toeschouwsters. - -„Waarom zouden meisjes geen belang kunnen leeren stellen in de -vraagstukken van haar tijd? Ik doe het toch ook wel.” - -„Ja, maar jij bent ook een uitzondering, die den regel bewijst.” - -„Dat geloof ik niet, ik heb alleen maar een beetje ruimer en ernstiger -opvoeding gehad. Ik geloof zeker dat, als er nu bij de meeste vrouwen -nog zoo weinig belangstelling is, dat komt omdat men haar geleerd heeft -dat het lief en braaf en vrouwelijk is, om zich niet te bemoeien met -dingen van algemeen belang. Want aan alle groote bewegingen die haar -tijd in beroering brachten, het Christendom, de Fransche revolutie, de -Amerikaansche slavenemancipatie, enz., enz. hebben de vrouwen altijd -met hartstocht deelgenomen, en tegenwoordig is er toch ook eigenlijk -geen eene ernstige beweging op welk gebied ook, die niet haar -vrouwelijke kampioenen heeft.” - -„Nou, ik geloof toch nooit dat je er zulke meisjes”—met een hoofdknik -wees Edward naar de plaats waar zooeven Betty de Mureaux en zijn -zusters gestaan hadden—„toe krijgt om zich voor iets anders dan haar -prulbelangetjes te interesseeren. En dat is immers maar goed ook, de -wereld kan het best zonder ze stellen.” - -„Nee, ’t is volstrekt niet goed! al die millioenen onverschilligen -werken zoo belemmerend voor ieder die een beetje vooruit wil! ’t Zijn -net wollen dekens waar elke kreet van enthousiasme of verontwaardiging -in gesmoord wordt. Elk mensch behoorde zich tenminste voor één van de -problemen, die dezen tijd in ontroering brengen, warm te maken! en voor -de vrouwen zelf zou het ook zoo’n boel beter zijn als ze aan alles -deelnamen.” - -„Geloof je? Nou ik weet het niet hoor! voor haar zelf zou het ze maar -pedant maken als ze overal in wouen mee praten en geloof je nou heusch, -dat er zoo veel reden tot verontwaardiging is? Ik vind het toch nog zoo -kwaad niet, in de wereld.” - -Hilda lachte. - -„Nee, in zoo’n mooi pakje, met zulke prachtige rijlaarzen en een -heerlijk egyptisch cigaretje, is het voor jou ook heusch „nog zoo kwaad -niet.” Maar als je vindt, dat de toestanden wezenlijk goed zijn, dan -zou ik haast zeggen, dat jij je ook nog niet hard voor de vraagstukken -van je tijd hebt geïnteresseerd!” - -„Je bent veel te bijdehand, Hilda.” - -Zij lachte weer haar zachten zonnigen lach, die altijd ontwapende, maar -toen heel ernstig: - -„Nee maar, heusch, Eddy, geloof je nou ook niet, dat Eugénie -bijvoorbeeld heel anders zou zijn als zij iets had, dat haar leven -vulde, waarvoor zij haar intelligentie nuttig kon gebruiken, dat haar -afleidde van haar eigen kleine bittere gedachtetjes? Ik geloof, dat zij -dikwijls zoo onaangenaam is, alleen omdat ze niet weet, wat ze met zich -zelf moet aanvangen.” - -Edward zag haar even strak verwonderd aan. Hij had er zich nooit -rekenschap van probeeren te geven, waarom Eugénie zoo hatelijk in haar -eigen kring, zoo lief en geestig bij vreemden kon zijn. - -„Laat ze dan trouwen, dat is toch het natuurlijkste voor een meisje. -Dan heeft ze bezigheid en afleiding.” - -Hilda trok de schouders op, ongeduldig over het eeuwige argument. - -„Zij kan toch zoo maar niet eens trouwen, bij wijze van een bezigheid -te zoeken! Er dient zich toch ook eerst een partner voor te doen.” - -Edward lachte zijn ruwen lach: - -„Ja, dat is waar! Het arme kind! Na al die jaren nog geen man kunnen -vinden, en toch zoo veel kleedgeld, en zooveel lieve lachjes! De jacht -schijnt moeielijk tegenwoordig! Zeker weinig wild.” - -Hilda kleurde onder zijn grove woorden, en even had zij lust om weg te -loopen. Toen zeide ze warm: - -„Eddy, hoe kun je nou toch zoo iets zeggen? Dat is juist de ellende van -den heelen toestand. Als wij dringend wijzen op de wenschelijkheid van -te werken, van deel te nemen aan alles wat in de wereld omgaat, dan -zegt men ons: Trouw! het huwelijk is de plicht en de plaats van de -vrouw! Maar o wee, als we dan toonen dat we graag trouwen willen, dat -we ons best doen om die plaats te veroveren, die ons geleerd is onze -uitsluitende bestemming te zijn! Het is een contradictie, die als een -vloek over het bestaan van het jongemeisjesleven ligt. Trouwen is de -bestemming! Ja maar om die bestemming te bereiken mag men geen hand -uitsteken zonder ridikuul, bijna verachtelijk te zijn, terwijl het toch -in de natuur ligt van elk jong mensch om te streven naar wat zijn -bestemming heet te zijn! Waarom leert men ons niet liever: „Werk en -wees nuttig, hetzij in, hetzij buiten het huwelijk, ontwikkel je gaven! -Overal kun je nuttig zijn als je een goed en verstandig mensch bent. -Overal in de wereld is er behoefte aan consciëntieuze arbeidsters!” Dat -is iets waar iedereen naar streven kan, begrijp je? dat ligt in ieders -macht. Als ze dat aan de meisjes leerden zouden zij vroolijk en dapper -aan het werk kunnen gaan in plaats van nou onbevredigd te zitten -hunkeren.” - -Edward zag haar even aan, heel ernstig nu, blijkbaar gefrappeerd. Toen -keek hij weer in het boek en bleef bladeren terwijl Hilda zachtjes op -en neer wippend in haar schommelstoel hem heimelijk bestudeerde. - -Van den beginne af aan had zij geloofd dat er onder zijn jongensbluf, -veel goedhartigheid en intelligentie scholen. Maar hoe langer hoe meer -had zij sterk het gevoel dat het heel jammer van hem was als hij zoo -voortging op dien weg! - -Op eenmaal stond hij weer voor haar. - -„Hildy geloof je dat het uit is tusschen Rooselaar en Corry?” - -Hilda zag zeer ernstig. - -„Ik weet het niet, maar ik vrees dat ze verschrikkelijk met hem -gespeeld heeft en nog speelt. Eergisteren aan het strand kwam hij ons -aanspreken en was ze weer erg lief tegen hem. Ik had kunnen huilen toen -ik zag hoe gelukkig ie daardoor was, en gisterenavond, je hebt zelf -gezien hoe ze toen weer met von Görtzen deed!” - -Edward draaide zich in eens om: „Verdomd!” zeide hij tusschen zijn -tanden en liep fluitend den tuin in. - -Hilda zag hem na, en voor het eerst voelde zij iets als vriendschap in -zich opwellen voor een van haar huisgenooten. - -Eugénie had gelijk: Hij was nog parvenu, parvenu van geest en van -leeftijd, pedant en overmoedig, maar hij kon tenminste nog ernstig zijn -en onder zijn geaffecteerd cynisme lag waarschijnlijk meer gemoed dan -onder de snoezigste glimlachjes van zijn zusters. - - - - - - - - - -Dokter van Oven’s coupétje had lang staan wachten voor het -Diaconessenhuis van Bronovo. Corona had er een paar zware patiënten en -het was al bij half elf toen zij vlug de trappen afkwam en onder het -instappen den koetsier toeriep: - -„Pankaert van Hozen.” - -Het rijtuig rolde weg, de caoutchouc banden verdoofden het geluid, -alleen de hoefslagen van het paard klonken snelvolgend en licht over de -Laan van Meerdervoort. In de van Speykstraat voor een der kleine -bovenhuizen met smal gele deur hield het coupétje stil. Corona was al -op de stoep en belde, even in haar notitieboekje naziende waar zij -vervolgens naar toe moest gaan. - -De deur werd open getrokken en boven aan de trap stond een oude vrouw, -gebukt, met zwakke oogen naar beneden turend en vrij onvriendelijk -roepend: - -„Wie is daar?” - -„Ik ben het, mevrouwtje! Ik kwam nog es even zien hoe het gaat,” -antwoordde Corona onder het klimmen. - -„O dokter, hoe lief van u. Ik zag u zoo gauw niet. Neemt u me niet -kwalijk! Het is veel beter en Belle zal erg blij zijn.” - -Het was een lange magere vrouw. In het ingezonken verlepte gezicht -waren nog sporen van vroegere schoonheid, in de houding, de beweging -waarmede zij Corona binnen leidde lag nog een spoor van vroegere -hoogheid, maar de ruwe handen met korte dikhoornige nagels, het -vuilzwarte kleed met het ros geworden tresband spraken van -tegenwoordige ellende. Van ellende, van pijnlijke, fatsoenlijke ellende -sprak ook de kleine suite waar Corona nu inging. Een paar groote -mahoniehouten meubels, die blijkbaar hun diensttijd in veel ruimere -omgeving begonnen waren, vulden het grootste gedeelte der kleine ruimte -met aanmatigende leelijkheid. In een hoek stond een tafel, glad -blinkend geboend, met allerlei fotografieën en kleine kunst- en -waardelooze ornamentjes, een jammerlijke imitatie der kostbare etalages -in rijke salons. Een paar groote gravures van academischen wansmaak, -voorstellende: geloof, hoop en liefde en een schildersgroep uit de -zeventiende eeuw, trokken de aandacht naar het burgerlijke behangsel; -aan den anderen wand hingen een paar teekeningen naar de gewone -ouderwetsche voorbeelden: een bouwvallig huisje bij een waterval en een -paar smachtende jonge dames met rozen in de hand, die een kapel -nastaren. Zij waren voluit onderteekend met groot kinderlijk schrift: -Charles Pankaert van Hozen. - -Aan de tafel, midden in de kamer, met het roode tafelkleed, waarop zich -akelig zwarte bloemen kransten, zat een bleek schepseltje, een groote -mand met maaswerk vóór zich. Bij Corona’s binnenkomen sprong zij op, -kinderlijk onstuimig haar omhelzend, en toen, half verlegen, half -dwepend opgetogen zich tegen haar aan vleiend: - -„Hoe lief van u, ik was al bang, dat u niet meer komen zoudt, toen het -zoo laat begon te worden.” - -„Dwaas kindje! Ik had het immers beloofd! En het is maar goed ook, dat -ik kom zien, of je zoet bent. Is dat nou werk voor een herstellende? -Mevrouwtje, u moest uw dochter wat beter onder den duim hoûen, en haar -niet toestaan, om zulk fijn werk te doen.” - -Isabelle kleurde, het bleekrose anemische kleurtje, dat telkens ging en -kwam. Onrustig glimlachend zag zij naar haar moeder op. Het was een -klein tenger gebouwd meisje, wier teere vormen en sluik vaallicht haar, -haar veel jonger deden schijnen dan haar een en twintig jaar. Vóór op -het voorhoofd waren een paar dunne armoedige vlokjes, kunstmatig tot -kroezen gedwongen, de mond was groot, niet mooi met de bleeke -bloedelooze lippen en leelijke tanden, de neus klein en dik gezwollen, -en de oogen, haar eenige schoonheid, vriendelijke zachtgrijze oogen, -waren met roode randen. Zij was het type van het bloedarme scrofuleuze -aristocratenkind, de laatste uit een geslacht, waarvan sinds vele -generaties de vrouwen door ongezonde kleeding en verweekelijking, de -mannen door elegante zonden hun levenskrachten hebben uitgeput. Corona -had er velen zoo onder haar praktijk, maar hier was de toestand nog -dubbel treurig, omdat de middelen ontbraken, om een beetje nieuw leven -aan het kwijnende plantje te geven. - -„Gelooft u wezenlijk, dat het haar vermoeien zal?” vroeg mevrouw -Pankaert. „Het zijn sokken van Charles, hij heeft er al tweemaal om -geschreven. Door Belle’s ziekte is alles blijven liggen en ik kan het -niet meer zien met m’n ouwe oogen.” - -„Wat is het fijn!” zeide Corona, de sok waaraan Belle bezig was, -opnemend. - -„O! ik stop het ook maar, als de gaten een beetje groot zijn. Mazen zou -niet te doen zijn, en Charles kan geen grove velen.” - -Corona schudde het hoofd. - -„En heb je trouw melk gedronken en elken dag naar Scheveningen -geweest?” - -Het meisje kleurde weer, met een hulpeloozen blik op haar moeder. - -„Ik zal u zeggen dokter, elken dag is wat veel. Het wandelen vermoeit -haar nog zoo en trammen loopt zoo op.” - -„Ik wou dat ze zeebaden ging nemen, dat zou erg goed voor haar zijn en -misschien is ze dan tegen den winter weer heelemaal flink.” - -„O! ik zou het heerlijk vinden dokter, ik heb er altijd naar verlangd -om es in zee te gaan. Maar het zal moeielijk zijn, nietwaar moeder? -Charles heeft van den winter een nieuwen rok gehad en gisteren vroeg -hij weer erg dringend om geld. En zeebaden zijn zoo duur!” - -Mevrouw Pankaert zuchtte zwaar. - -„Als het moet, zal het natuurlijk gebeuren, kind. Maar het zal -misschien ook wel zonder kunnen. Later als Charles klaar is en zelf -verdient, dan kunnen we voor je gezondheid gaan leven.” - -Corona glimlachte treurig. Zij, die aan zoovele sterfbedden gestaan -had, kende de ijdelheid van het woord: „later.” - -„Hoe gaat het met Charles? Hoe ver is ie nu al?” - -„Hij maakt het best. Het volgend jaar hoopt ie zijn doktoraal te doen.” -Iets warm gelukkigs kwam in haar oude oogen, als mevrouw Pankaert over -haar zoon sprak. - -„Het volgend jaar pas? Ik dacht ....” - -„Ja, misschien had ie het wel iets vlugger kunnen doen, maar u -begrijpt, zoo’n jong mensch moet toch ook wat genieten van zijn jonge -leven ....” - -Corona zag op eenmaal met de groote glansoogen tot haar op: - -„Dat ben ik met u eens mevrouw, dat jonge menschen zooveel mogelijk, -vóór de zorgentijd komt, van hun jonge leven moeten genieten. Maar als -u het zoo natuurlijk vindt, dat Charles zich daar in Utrecht amuseert, -waarom vindt u het dan ook natuurlijk dat Isabelle hier dag aan dag -flanelletjes zit te naaien en kousen zit te mazen en stil vreugdeloos -in saaiheid voort leeft?” - -„Dokter!” riep de oude mevrouw bitter gegriefd. „Hoe kunt u nou toch -zoo hard zijn. Als of ik niet mijn leven zou geven om Belle ook wat -gelukkiger te maken! Maar u weet dat ik het geld niet heb!” - -„Uw leven is niet noodig, een beetje rechtvaardigheid tusschen uw zoon -en dochter zou voldoende zijn!” zeide Corona met haar rustigen -glimlach, waarmede zij gewend was de moeilijkste dingen te zeggen. - -„Dat kan men immers niet zoo uitmeten. Charlie is een man, die moet -zijn stand ophoûen; wat wij vrouwen hier binnenshuis uitvoeren en hoe -wij ’t hebben, gaat niemand aan. Hij is een man, hij moet het leven -leeren kennen....” - -„Het leven leeren kennen!” herhaalde Corona haar strak aanziende. „Het -leven dat u hem nu, ten koste van alle opofferingen in staat stelt te -leeren kennen, kan misschien zijn gezondheid, misschien zijn teerste -edelste voelen vernietigen, maar het leert hem niets van het -waarachtige leven. Het is niet precies in café chantants, op -rijpartijen en jolige avondjes dat men het Leven leert kennen! Het is -komiek, die uitdrukking zoo opgevat. Misschien dat Isabelle, hier over -haar maaswerk en met een boek naast zich, er nog meer van heeft -verstaan dan hij.” - -„Maar wat wilt u dan toch dokter? Dat ik hem minder geld geef? Hij moet -toch al zoo dikwijls tevergeefs vragen, de arme jongen.” - -„Vindt u het billijk, lieve mevrouw, dat terwijl Charlie misschien op -dit oogenblik in Utrecht rond rijdt, Isabelle het te duur vindt om te -trammen? of terwijl hij misschien nog slaperig is van den wijn van -gisteravond, zij tegen de onkosten opziet om een beetje levenskracht in -de zee te gaan halen?” - -Mevrouw Pankaert zat zwijgend voor zich uit te staren, met den strak -harden blik van hen die niet overtuigd willen worden. Er werd gebeld. -Zij stond op, verlegen: - -„Vergeef me, dokter, de meid is niet thuis.” - -En zij ging, de hooge hoekige gestalte stijf opgericht, inwendig -woedend om Corona’s opmerking. - -Toen zij vertrokken was, legde Isabelle schuchter streelend haar handje -op Corona’s arm. - -„Toe dokter, spreekt u nou maar nooit meer over die dingen tegen mama. -Het doet haar zoo’n verdriet. Ze houdt heusch misschien wel evenveel -van mij als van Charles, maar het is eenmaal zoo, overal immers, de -zoon is numero één. Bij de van Stratens, bij de Horenraads, bij de -Heyelaars en bij iedereen immers.” - -„Ja, dat weet ik wel, maar daar vecht ik er ook altijd tegen. Ik kan -het niet verdragen! Hoe wil je het onrecht in de maatschappij -tegengaan, als het in het huisgezin stelselmatig wordt aangekweekt?” - -„Weet u hoe het komt? Ik geloof dat zelfopoffering een van de hoogste -deugden is en misschien is het daarom heel gelukkig voor de vrouwen, -dat zij van kind af aan er in geoefend worden.” - -Corona nam het bleeke magere handje en kuste het even; toen zeide zij -plagend: - -„Foei Belle, als je die deugd de hoogste vindt, mag je niet zoo egoïst -zijn om ze alleen voor de vrouwen te houden, dan moet je er ook vóór -zijn dat de jonge mannen er zich bijtijds in oefenen. Het hoogste mag -je niet voor je zelf hoûen!” - -Isabelle glimlachte even, maar ging voort: - -„En dan .... misschien is er toch wel iets rechtvaardigs in, dat alles -aan de opvoeding en de pret van de jongens wordt opgeofferd, want al -verteren zij eerst wat meer, later moeten zij ook soms hun zuster -onderhouden .....” - -Corona zag zeer ernstig. - -„Vind je dat rechtvaardig Belle? Dat, waar geen fortuin is, de man -alleen in staat wordt gesteld om later behoorlijk in zijn onderhoud te -voorzien, en het meisje in de vernederende pijnlijke positie wordt -gelaten om later van de meer of minder delicate edelmoedigheid van haar -broer af te hangen! Ken je de freules van Ysselen niet, hier, op haar -bovenhuisje in de Da Costastraat? Groote hemel, wat een bestaan! En -toch kan men het haar broer, met zijn eigen gezin niet kwalijk nemen -dat hij niet méér voor haar doet. Voor hem zijn die zusters even -bezwarend als het voor haar ellendig is om van hem af te hangen. En -vind je dat rechtvaardig, Belle? en natuurlijk?” - -Isabelle wendde het hoofd om. Groote tranen zwollen op tusschen de -neergeslagen oogleden en drupten langzaam op haar verschoten -blauwkatoenen kleedje. Corona zag ze vallen, groote heete diamanten, -geluidloos neerglijdend, als Belle’s leven zelf, rein, vol warme -toewijding, zonder een enkele klacht wegvlietend. Zij hield nog altijd -haar handje vast, en zij drukte en koesterde het in beide haar handen, -zwijgend in grooten weemoed. Want dat was juist het smartelijke van -haar taak, dat zij berusting, onderwerping prediken moest, bij de -groote beproevingen van dood en lijden, die elk menschenleven moet -doorworstelen, en zoo dikwijls vond zij daar bitterheid, wilde -vertwijfeling. En daarentegen bij het leed dat geleden wordt, niet door -de onvermijdelijke levenswetten, maar door bekrompen kleinmenschelijke -opvattingen van conventie en fatsoen, en ouderwetsche ongerechtigheid -tusschen geslachten en standen, dáár moest zij opstand en verzet -prediken en ontmoette maar al te dikwijls energielooze dofheid. - -„Och dokter, het zou allemaal niks zijn, ik wil me immers wel voor -Charlie opofferen, omdat mama het nou eenmaal zoo inziet, maar weet u -wat ik nooit heb kunnen begrijpen en altijd vreeselijk hard zal -vinden?”—zij hield even op, snakkend naar lucht om de opbruischende -emotie te bedwingen—„dat is dat Charles wel vioolles heeft gekregen en -dat mama mij geen zangles wil geven. Hij speelt nou zoo mooi, ik wou -dat u hem eens kondt hooren! En mama is er zoo trotsch op! En verleden -zei ze weer: Als een jongen muzikaal is hoort muziek bij zijn -opvoeding! Maar voor mij vindt ze het te duur. En toch zou ik het zoo -heerlijk vinden. Het is het eenige waar ik naar verlang. U moet het -niet kinderachtig van me vinden, maar soms ’s avonds zing ik alleen op -m’n eigen hokje boven van die lange tonen, die opzwellen en zachtjes -wegvloeien, en dan is het net of al het donker vervelende uit mijn -leven weggaat.” - -„Wil ik er straks nog eens met je mama over spreken? Maar ik heb het al -es meer gedaan en het geeft niets.” - -„O! nee dokter, doet u het toch niet meer. Er is niets aan te doen, en -u ziet immers dat ik zóó ook heel gelukkig en tevreden ben.” - -Maar de tranen, die op nieuw begonnen te stroomen, zeiden heel andere -dingen. Toen gleed ze op eens voor Corona op den grond, het hoofd op -haar schoot verborgen en zachtjes snikkend ging ze voort: - -„U moet het niet pedant van me vinden, maar ik geloof heusch dat ik een -mooie stem heb gekregen, en als ik les had, zou ik later mijn geld -daarmee kunnen verdienen, en dan zou ik niet afhankelijk van Charles -hoeven te blijven, en later geen last voor hem zijn, en ik zou rijk -worden en mama allerlei dingen kunnen geven, die ze nou niet hebben kan -.... en ze zou niet meer zoo angstig naar een rijk huwelijk voor me -hoeven uit te zien, want ik wil niet trouwen om maar geborgen te zijn -.... en ik ben ook veel te leelijk om te trouwen .... Maar mama -verlangt er zoo naar, en dat is zoo akelig .... en ik zou zoo graag -willen leeren zingen, omdat het zoo verrukkelijk is ....” - -Op dit oogenblik kwam mevrouw Pankaert terug. Stroef, achterdochtig zag -zij naar de omstrengeling der beide jonge vrouwen. Zij hield veel van -Corona, in Belle’s ziekte was deze als een kleine voorzienigheid voor -haar geweest, maar op het punt van Charlie, haar lieveling, werden zij -het nooit eens, en de meerdere gelijkstelling die Corona eischte -tusschen hem en Isabelle ergerde haar nog des te meer, omdat zij in -stilte de rechtvaardigheid er van voelde. Zij bleef vlak voor de tafel -staan en heel haar houding scheen te vragen: „Ben je, toen ik weg was, -mijn dochter tegen mij aan het opstoken geweest?” Isabelle, ofschoon -met den rug naar de deur gekeerd, scheen het als bij intuïtie te raden. -Corona voelde een schrikschokje haar doortrillen toen haar moeder -binnen kwam. Zij sprong op, haastig haar tranen drogend. Ook Corona -stond op, de oude mevrouw met haar gewonen rustigen glimlach aanziende: - -„Ik zou mijn tijd nog verpraten en de andere zieken, die op me wachten, -haast vergeten bij deze kleine meid. Maar laat ons nog eens even -afspreken! Dus niet vermoeien, nietwaar? U ziet wel aan de -waterlanders, mevrouwtje, dat de zenuwen nog lang niet sterk zijn. Niet -langer dan vijftien minuten mazen, hoor, als Charles dan absoluut z’n -fijne sokjes moet hebben, en dan stuur ik je morgen een -abonnementskaart van twintig zeebaden om te beginnen, en een paar -tramboekjes. Is dat goed? Zul je dan trouw baden?” - -Isabelle, verward, opgetogen, kleurend haar heftig opjagend en -wegzinkend kleurtje van anemie, zeide niets, haar hoofd op Corona’s -schouder. Weer zwollen er tranen op. Mevrouw Pankaert keek nog stroef. -Het plotseling genereuze aanbod van Corona zag er uit als een verwijt -voor haar zelve. Maar Charlie’s brief, daàr in haar sleutelmandje, -stelde haar gerust. Hij, met zijn naam en uiterlijk en dolguitig -karakter, kon niet zuiniger leven dan hij deed, en hij vroeg al weer om -geld .... Belle’s ziekte had haar toch al meer gekost, dan waar zij op -gerekend had in dit voorjaar, nee, ze was heusch niet in staat Belle te -laten baden en dus kon ze het voor haar geweten gerust aannemen. - -Zij zag op. Corona keek haar aan, open en vriendelijk zooals -gewoonlijk. Bij haar kon goedheid geen hatelijkheid beduiden, en in -eens, ontwapend, met groote hartelijkheid, drukte zij haar bij het -heengaan de hand. - - - - - - - - - -Druk was het dien morgen geweest voor Corona, verscheidene zware zieken -hadden haar grootste zorgen vereischt en toch was het beeld der kleine -bleeke Isabelle haar bijgebleven. „Als ik dien Charles es ergens -tegenkom, moet ik toch eens zien, of het jonge onnadenkendheid of -bepaald grove zelfzucht is, dat hij die twee vrouwen zoo laat krom -liggen voor zijn eigen amusementjes. Het zal wel, zooals bij de -meesten, beide tegelijk zijn. Maar ondertusschen zal ik toch probeeren, -om het meisje zangles te bezorgen.” - -Peinzend in de kussens geleund, zag zij het raampje uit. Daar liep -Marguérite van Arkel, de kleine veerkrachtige gestalte in het -kleurlooze kleedje. Zij zag op, met een blijden lach van herkennen, en -riep den koetsier om even op te houden. Dit gebeurde heel dikwijls. -Wanneer de beide vriendinnen elkaar zoo ontmoetten, stapte Marguérite -meestal in, om even een grappig woord of een ernstige gedachte mee te -deelen; soms reed zij een paar straten ver mee, soms ook stapte Corona -uit en liepen zij samen een oogenblik voort, zich wederzijds -verfrisschend in de altijd nieuwe bekoring harer vriendschap. - -„Cora mia,” zeide Marguérite onder het instijgen, „hoe gezellig, dat ik -je juist heb getroffen. Ik liep net te lachen in me zelve, om een -amusant tafreeltje, dat ik straks heb bijgewoond. Vandaag had ik maar -tot elf uur les en na de school was ik bij mevrouw de Mureaux, om over -litteratuur-lessen te spreken, die ik aan Betty geven zou.” - -„Wezenlijk? Dat kleine domme ding, litteratuur-les? Hoe komen zij -daarbij?” - -„Ja, er moet een scenetje geweest zijn tusschen Betty en Hilda van -Suylenburg. O! je moet hooren, het is heel grappig. Betty was begonnen -te lachen, schijnt het, over een dame, die in Amsterdam in de -philosophie moet zijn gepromoveerd en toen schijnt Hilda zich te hebben -opgewonden en zich heftig te hebben uitgelaten over de onontwikkeling -van de meeste meisjes, die zoogenaamd een „brillante educatie” hebben -gehad, maar eigenlijk niets hebben gekregen dan ’n schijnvernisje van -kennis om er de ontzettende leegheid van haar hersenen onder te -verbergen. „Jullie weet niets dan wat talen, om in vier verschillende -spraken dezelfde nonsens te spreken,” moet zij hebben gezegd, „maar wat -in die talen voor groots en heerlijks is gesproken en geschreven, daar -heb je zelfs geen vermoeden van”, en in ééne drift schijnt zij zoo te -zijn voortgegaan. Natuurlijk is zij toen even heftig door Betty en de -nichtjes van Starren en mama de Mureaux, die er allen bij waren, -aangevallen, maar de jonge van Starren, die nog al invloed bij moeder -en dochter de Mureaux schijnt te hebben, is in eens Hilda te hulp -gekomen, door uit te schateren: „Diezelfde nonsens praatjes in vier -verschillende talen en geen notie van de geweldige dingen die in die -talen gezegd zijn. O! Hildy, die is goed! Dat is juist het type der -volleerde jonge dame! Wat kun je toch grappig zijn!”—En daarmee schijnt -het besluit te zijn genomen, om Betty met een extra litteratuursausje -te overgieten.” - -Corona lachte, genietend in Marguérite’s levendig verhaal: - -„O! Maggy, wat een komieke, treurig komieke wereld toch!” - -„Ja, Corretje, maar nou komt nog het aardigste, nou moet je hooren! Ik -was dan straks bij mevrouw de Mureaux, die me op het hart drukte, om -haar dochter alles van de Fransche litteratuur te leeren, dat zij er -flink over mee zou kunnen praten, maar vooral niets onordentelijks te -laten lezen, omdat zij niet van emancipatie hield. Toen zegt Betty in -eens met haar gemaakt onnoozel stemmetje: „Wat is toch eigenlijk -vrouwenemancipatie, waar tegenwoordig zoo dikwijls over gesproken -wordt, ma?”—„Wat dat is, kind?” zegt mevrouw, „ja, dat is nou zoo’n -idee, om de vrouw mannelijk te maken en met ’n sigaar in den mond naar -de stembus te laten gaan, terwijl de man thuis de kinderen verschoont.” -En toen proestte ze het uit.” - -„Zei ze dat wezenlijk?” riep Corona, ongeloovig. Voor haar, wie de -vrouwenkwestie hoogheilige ernst was, scheen Marguérite’s verhaal een -grapje uit de Fliegende Blätter. - -„Ik verzeker het je, Cora? Ik kan het je plechtig verzekeren.” - -„En wat heb jij toen gezegd?” - -„Niets natuurlijk. Hoe kon ik nog iets toevoegen aan zoo’n meesterlijk -geteekend beeld? Maar weet je wat, Cora? Nou moet jij ook een formule -bedenken. Iets korts en duidelijks, om, als het weer es voorkomt, zoo’n -vraag te beantwoorden.” - -Corona staarde peinzend voor zich uit. Weer zag ze Isabelle vóór zich, -en daarnaast Charles Pankaert, zoo als zij hem een poos geleden, ’s -avonds, toen zij laat terugkeerde van een consult te Amsterdam, had -gezien met een troepje vrienden. Toen zeide zij, beheerscht door die -twee beelden: - -„Vrouwenemancipatie beteekent vrijheid voor de beide geslachten, om in -hun jeugdjaren te genieten van het leven. Niet de man alleen, terwijl -het meisje in benauwde omstandigheden versuft.” - -„Maar Corretje, waar denk je aan? Al ons streven is juist om de vrouw -wat beters te leeren dan pretzoeken in haar jeugd, dan die -amusementenjacht waarin ze dikwijls haar beste jaren verliest, en wil -jij nou ....” - -„Ik dacht niet aan de gefortuneerde vrouwen, ik dacht aan die massa -families met bekrompen middelen, waar alles van de meisjes, opvoeding -en genot, wordt opgeofferd aan de zoons. Ik ben vanmorgen bij Pankaert -geweest, Maggy, en het ergert me telkens op nieuw.” - -„O, natuurlijk, die toestand is ook ergerlijk, maar de formule die ik -van je hebben wou, Cora mia, moet op de geheele emancipatie slaan, niet -op een gedeelte daarvan. Maar wat zijn we al ver doorgereden! Adieu, -denk aan mijn opdracht hoor, de formule, goed zoeken!” - -Zij drukte op de knop, die den koetsier waarschuwde en vloog het -coupétje uit, nog voor het heelemaal stilstond. Nog een vriendelijke -blik der trouwe intelligente oogjes, nog een glimlach uit het rijtuig -en beide jonge vrouwen gingen weer ieder haar weg, om de zware dagtaak -met alle energie te volbrengen. - - - - - - - - - -Corona stond voor het open venster van haar stille werkkamer, en heel -langzaam en diep ademde zij de zoet aanwaaiende avondlucht in. Er was -een zwaar onweer gevallen, en aromatische geuren van uitwasemende -planten en aarde stroomden frischheid en verkwikking in de kamer waar -de zware hitte van den dag nog hing. - -Een gevoel van verlangen naar buiten, naar het wijde, lichte van den -zomeravondhemel vervulde haar. Haar kamer leek haar zoo klein op eens, -en zoo stil, en de stilte, die zij er anders zoo lief had, maakte haar -nu benauwd. - -Het gaf haar een vreemde bangheid van eenzaam zijn, toen ze daar zoo -stond. Waarom kwam Marguérite niet es even aan? Als zij maar met iemand -had kunnen praten, zou het wel over zijn gegaan. Zoo heel alleen is -toch treurig! dacht zij, ik moest toch maar met Maggy gaan samen wonen! -Maar in de groote gewoontemacht van haar streng, zelfbeheerscht leven, -ging ze zooals altijd aan het werk en weldra zat ze met alle aandacht -zich verdiepend in een Duitsch medisch geschrift, dat ze zich -voorgenomen had dien avond uit te lezen. - -Eindelijk na een doodstil uur van werken, kwam de meid haar storen: - -„Dokter, hier is een brief voor u, en de koetsier vraagt, hoe laat ie -vanavond vóór moet zijn?” - -Corona nam den brief, en een gevoel van jubelende vreugde doorhuiverde -haar, toen zij de hand herkende. Het waren maar een paar regels: -„Liefste, zooeven ben ik hier aangekomen, kun je me om half negen -wachten?” - -Frank. - - - -„Zeg aan Jacob, dat ie onmiddellijk vóór komt, ik ga dadelijk uit -Marijken, en als er soms bezoek voor mij komt in dien tijd, laat dan -wachten, ik ben vroeg terug.” - -Toen stond ze weer voor het raam. Warm doortrilde haar de heftig -opgewekte ontroering. Zij zag op haar horloge. Het was bij achten. Als -Jacob wat hard aanreed, en zij ging alleen bij de ernstigste zieken, -kon ze wel ongeveer half negen thuis zijn. „De anderen zal ik vanavond -dan maar laten. Daar is niets geen bezwaar bij,” zeide ze bij zich -zelve, en zij dwong zich, niettegenstaande de opwinding, die telkens -met bedwelmenden gloed in haar opsteeg, nauwkeurig haar notitieboekje -in te zien. - -Nooit in het sterke gevoel van haar roeping had zelfs de grootste -emotie haar een oogenblik hare zieken doen vergeten. - - - - - - - - - -Niet minder bewogen dan Corona een half uur geleden het huis verlaten -had, stond thans op haar stoep een jonge man. De slap vilten hoed, de -groote kraagjas, die zijn forsche gestalte in reusachtige plooien -hulde, het gladgeschoren gezicht met de levendige zwarte oogen en het -donker krullende haar, lieten hem bij den eersten aanblik als een -vreemdeling herkennen. Toch werd hij door de oude Marijken, die hem -open deed, als een bekende begroet. - -„Dokter is nog niet thuis, mijnheer van Soeterwolde, maar ze dacht wel -vroeg terug te zijn vanavond. Wil u maar naar boven op de studeerkamer -gaan, en even wachten! Wil meneer ook thee hebben?” - -In het intense geluksgevoel, dat hem bij het binnenkomen in dit huis -doorstroomde, glimlachte hij haar vroolijk toe, en antwoordde, -nauwelijks wetend wat zij gevraagd had: - -„Heel graag Marijken.” - -In Corona’s kamer was niets veranderd sinds zijn laatste bezoek, nu -zoowat een jaar geleden. Dezelfde weldadige rust, dezelfde machtige -madonna-verschijning, dezelfde strenge eenvoud, zonder koû of leegheid. -Een groot boeket rozenknopjes stond op haar schrijftafel, een cadeau -dien morgen van een harer patiëntjes, het geopende boek, waar zij -straks in had zitten lezen, lag nog op de tafel en daarnaast een paar -vergeten handschoenen. - -De jonge man stond een oogenblik midden in de kamer, in groote -ontroering dit alles beschouwende. Toen ging hij zitten in den armstoel -bij het raam, waar Marguérite van Arkel ook altijd in kwam praten, en -strijdend met het koortsig verlangen, dat hem het wachten bijna -ondragelijk maakte, dwong hij zich stil te blijven, gespannen -luisterend naar elk geluid dat Corona’s komst kon aankondigen. - -Frank van Soeterwolde was de eenige zoon van een vrij gefortuneerde en -deftige familie, die van vader op zoon de rechterlijke toga had -gedragen. Ook hij was in zijn jeugd bestemd geweest om in de rechten te -studeeren, maar van zijne moeder, een geestig, artistiek zeer begaafd -Fransch vrouwtje, had hij een hartstocht voor litteratuur en vooral -voor het tooneel geërfd, die hem al vroeg in stilte het besluit had -doen nemen, om zich aan de dramatische kunst te wijden. Groote -moeilijkheden had hij echter te doorworstelen gehad. Zijn vader was het -type dier plichtmatige onkreukbare magistraten, waarop Nederland -terecht trotsch is, maar naast de groote zedelijke deugden van dien -stand, bezat hij er ook al de bekrompen zelfgenoegzaamheid van die zich -uit in antipathie en achterdocht tegen alles wat afwijkt van den -gewonen Hollandsch burgerlijken gang. Het woord kunstenaar was voor hem -niet, zooals het sinds eeuwen aan vele Duitsche en Italiaansche hoven -geklonken heeft, een adelbrief, die zelfs den laagst geborene vrijheid -verleent, om met de grooten des lands als gelijken om te gaan en hem -aanspraak geeft op hunne hulp, voor hem en zijn kring van bekrompen -braafheid en angstvallige fatsoenlijkheids-theorieën stond het gelijk -met een brevet van losse zeden en half wijze daden, en dat zijn zoon -tot deze lage kaste wilde afdalen, was voor hem een ontzettende -ergernis. Jaren lang bleef hij volhouden, Frank zou en moest studeeren. -Droevige jaren waren het, van wederzijdsche verbittering. Frank werkte -niet en droop voor alle examens, hij werd driftig en somber, de -huiselijke omgang werd onmogelijk. Van alle voorkomende gelegenheden, -maakte zijn vader gebruik, om hatelijkheden tegen artisten en tegen het -tooneel te zeggen, hetgeen natuurlijk alleen tengevolge had, dat Frank -ijveriger dan ooit argumenten zocht om hem te weerleggen, en steeds -meer overtuigd werd, dat hij zijn roeping volgen moest. Het eenige wat -hem in die tijden voor de eene of andere booze daad van vertwijfeling -behoedde, was de begrijpende liefde zijner moeder en de uurtjes met -haar na het eten, wanneer zijn vader uit was, en hij verzen voor haar -reciteerde of drama’s met haar las. Dit waren uren van onzegbaar genot -voor hem. Oppervlakkig schenen zij niets dan een uitspanning, maar -inderdaad waren zij de eenige, waarin hij met bezielde inspanning -werkte. Dan namen zij dikwijls ieder een exemplaar van het een of ander -drama vóór zich en lazen hardop de groote dialogen, beiden geheel in -hun rol verdiept, tot zij eindelijk de woorden van buiten kennend, de -boeken wegwierpen en de scène werkelijk acteerend afspeelden. - -Zoo had op een avond mijnheer van Soeterwolde hen gevonden. Zij -speelden toen de laatste acte van de Hernani en bij het binnenkomen -klonken hem reeds de liefdesklachten der stervende jonggehuwden tegen: - - - - O! béni soit le ciel qui m’a fait une vie - D’abîmes entourée et de spectres suivie, - Mais qui permet que, las d’un si rude chemin - Je puisse m’endormir ma bouche sur ta main! - - - -„God-sta-me-bij!” zeide hij donderend met een ruwen vloek. „Nou weet ik -waar die jongen zijn ellendige nonsens vandaan haalt. Maar ga je gang -maar mevrouw, we zullen zien wie de sterkste is.” - -Het stervende paartje sprong op, schokschrikkend, en Frank heel bleek, -de oogen brutaal vlammend, stond vlak voor zijn vader: - -„Papa, u hoeft niet boos op mama te zijn. Als ik nog niet lang uit dit -huis ben weggeloopen, is het alleen om haar. Waarom mag zij me niet dit -ééne uurtje na het eten gelukkig maken, als u dan absoluut wilt dat ik -mijn heele verdere leven ongelukkig zal zijn!” - -Maar met opgeheven arm stond zijn vader en wees hem de deur, en Frank, -sidderend van woede, in machteloos verlangen om zijn moeder te -beschermen, had de kamer moeten verlaten. Toen, met het hoofd tegen de -deur gedrongen, had hij staan luisteren in zulk een razernij van -opstand, dat hij tot alles in staat zou zijn geweest wanneer een enkel -geluid in de kamer hem had gewaarschuwd, dat zijn moeder in drift -mishandeld werd. - -Maar geen klacht werd gehoord, en in pijnigende angst, de hand aan de -kruk om binnen te vliegen, de slapen bonzend, de gehoorzenuwen tot het -uiterste geprikkeld, om elken klank op te vangen, trachtte hij zich -voor te stellen, wat daar achter die deur voorviel. Zou zijn moeder, -het tengere vrouwtje, nu bleek en sidderend bij de tafel staan? Of zou -ze stil op de canape liggen, het hoofd in het oude grijze kussen, om -haar snikken te smooren? - -Het was vreeselijk wat zijn vader zeide. Al de ruwe woorden, al de -onrechtvaardigheden, die drift ingeeft, krijschten door de kamer, -uitingen van onbeheerschte woede. Hij meende immers ook verraad in zijn -vrouw ontdekt te hebben, als had zij heimelijk zijn zoon gesterkt in -zijn opstand. Hij kon immers ook niet weten, hoe zij den jongen -voortdurend had gesmeekt den wil van zijn vader te doen, hoe deze -uurtjes van samen lezen en spelen alleen als belooning of aanmoediging -voor ander werk werden toegestaan. - -Eindelijk zweeg de toornende stem; toen klonk heel zacht zijn moeders -stem met het lief zangerig uitlandsch accent: - -„Louis, ik zal me niet verdedigen, je moest me beter kennen dan om me -te verdenken van tusschen jou en hem zoo’n dubbelzinnige rol te hebben -gespeeld. Maar al heb ik bij hem altijd trouw jouw wenschen -geëerbiedigd, nou zal ik het je eerlijk zeggen, Louis, ik geloof dat je -groote zonde doet met jouw eigenmachtigen wil, tegenover den zieledrang -van het kind te stellen. Het is slecht, Louis, de ingeboren roeping van -een kind aan familietradities of zulke dingen op te offeren.” - -„Praatjes, we zullen eens zien of we die ingeboren roeping er niet uit -zullen krijgen.” Het klonk dreigend, schor, als van nieuw opstijgende -drift. - -„O! Louis,” zeide de zachte stem weer. „Waarom wil je niet toegeven? Je -hebt het nou lang genoeg geprobeerd, en je ziet immers dat je niets -vordert. En wat is er toch tegen het tooneel dan wat vooroordeel? -Artiesten zijn slecht van zeden, zegt men, maar ik moet altijd lachen, -als ik de menschen over zedeloosheid aan het tooneel hoor spreken. Kijk -es naar de academies, geloof je, dat studentjes en advocaatjes, en -ingenieurs, en officieren in deugd zooveel hooger staan dan acteurs? -Wie uit braafheid neerziet op tooneelspelers is een huichelaar, of -heeft al een heel naïef optimisme over de zedelijkheid van de menschen -van zijn eigen kring.” - -Frank luisterde angstig. Hoe kon zij de moed hebben om zoo tot dien -driftigen man te spreken? Maar het bleef even doodstil, toen ging ze -weer voort met vaster stemklank: - -„En wat betreft aanzien en fortuin, als Frank een groot tooneelspeler -wordt, zal hij gauw vrij wat rijker en aanzienlijker zijn, dan de -meeste van die advocaatjes, die hier rondloopen, maar naar een baantje -hunkerend, en op hun dertigste jaar nog niet eens in staat zijn om zich -te bedruipen. Of het leven van een kunstenaar glorieus of armzalig zal -zijn, hangt er ten slotte heelemaal van af, of hij waarachtig talent -heeft, en Louis, heb je straks niet gehoord, hoe hij zei: - - - - Mais qui permet que, las d’un si rude chemin, - Je puisse m’endormir ma bouche sur ta main. - - - -Als een kind van zijn jaren dat zóó zeggen kan, is er in hem een groot -kunstenaar.” - -Verder had Frank niet gehoord. Naar boven was hij gegaan, naar zijn -kamertje, in een hartstochtelijk jubelen van heel zijn ziel. „Een groot -kunstenaar,” had zijn moeder gezegd, en haar woorden hadden hem tot -kunstenaar gewijd. Een blij zelfvertrouwen in eigen gave hadden zij -plotseling in hem gewekt, dat heerlijk gelooven in eigen kracht, dat -zoo ver staat van pedanterie, en waaruit alleen elk groot willen en -kunnen geboren wordt. - -Twee maanden later was Frank aan de tooneelschool te Amsterdam. Hoe -zijn moeder het er eindelijk had doorgekregen, had hij nooit kunnen te -weten komen en in de zelfzucht van zijn jong opgaan in het nieuwe -leven, had hij er misschien ook weinig over nagedacht. Eerst veel later -had hij begrepen aan welk een rijkdom van overredingskracht, aan welk -een stillen heldenmoed hij de inwilliging van zijn wenschen te danken -had. Zij was kort na zijn vertrek onverwacht gestorven, en haar -heengaan had een plekje van ongeneeselijk verlangen in hem -achtergelaten. Twee jaren had hij hard gewerkt en daarna besloten, -verder te Parijs zijn studie te voltooien. Toen had zijn grootmoeder -van vaderszijde, die nog sterker dan zijn vader al de vooroordeelen -tegen het tooneel bezat, hem in de vakantie bij zich gevraagd, en vol -van schrikbeelden over Parijsche losbandigheid, had zij hem voortdurend -samengebracht met een jong buurmeisje en niet gerust voor er een -huwelijk was tot stand gebracht tusschen deze beide onervaren kinderen. - -Zij was een vroolijk schepseltje, Eva Lofner, en Frank kon zich later -niet meer herinneren wat hem eigenlijk verliefd had gemaakt, de blonde -krulletjes, of het lachkuiltje in de kin, of het fluweeltje, dat haar -hals omsloot boven het uitgesneden lijfje. Een domme -jongensverliefdheid was het geweest, maar zijn grootmoeder had er -bitteren ernst van gemaakt. - -Getrouwd was hij naar Parijs vertrokken, maar nog geen maand na zijn -huwelijk, had hij het reeds begrepen hoe dit meisje, dat hem als -schutsengel was opgedrongen, in het woelige glansleven der wereldstad -veel grootere gevaren liep dan hij. O! de wreede onnoozelheid van zijn -grootmoeder, te meenen dat een huwelijk op zich zelf ooit een waarborg -kon zijn voor deugd! Het was de treurige herhaling geworden van zoo -ontelbaar vele huwelijken, waarin op korte verliefdheid lange bittere -teleurstelling volgt. In zijn studie, en nu en dan bij het kleine -meisje, dat hun in ’t tweede huwelijksjaar geboren was, had Frank zijn -troost gezocht, terwijl zijn vrouw, oppervlakkig en egoïst, opging in -futiliteit en zelfaanbidding. - -Hij had willen scheiden, Frank; het samenzijn met deze vrouw was hem -een marteling geworden die hij dikwijls de kracht niet voelde te -doorstaan. Maar Eva, met het scherpe instinkt van eigenbelang, had in -hem erkend den kunstenaar, die binnen enkele jaren grooten naam en -groot fortuin gaat maken, en ze weigerde te scheiden. - -Noch beloften, noch bedreigingen, noch smeekingen hadden iets vermocht; -zij bleef weigeren. Zoo had Frank verscheiden jaren doorleefd, terwijl -zijn teere kunstenaarsziel in smachtend verlangen naar mededeelen en -begrepen worden, in peillooze eenzaamheid verkwijnde. - -Toen op een plekje in Zwitserland, waar beiden wat rust en nieuwe -kracht kwamen zoeken, had hij Corona van Oven ontmoet. Het kon niet -anders, een groote liefde was ontstaan uit hun samenzijn. Enkele weken, -mooi als een droom, met al het eterisch ideale, al het vluchtig -toekomstlooze van een visioen, hadden zij samen doorgebracht, toen was -elk in ’t harde werkleven teruggekeerd, veel rijker aan voelen en -denken, veel rijker vooral ook aan smart. Zij kenden nu het geluk, dat -zij onbewust jaren gezocht hadden, en wisten dat zij elkaar niet -toebehooren mochten, zoolang zijn vrouw tusschen hen in stond. - -Alleen vriendschap mocht het zijn, en de brieven, die zij elkaar -zonden, vele, lange brieven, hun eenige troost, stonden vol van dat -woord; maar beiden wisten er de onwaarheid van. - -Frank zat stil in den ouden armstoel bij het raam. Hij dacht over dit -alles en voelde in de verteedering van dit uur al het heerlijke, dat er -lag in zijn verlangensleed, en dat hij het niet meer zou hebben willen -ruilen voor zijn vroegere ontzettende eenzaamheid. - -Daar klonk de doffe slag van de voordeur, lichte stappen naderden, hij -sprong op, bevend over al zijn leden, en zij stonden tegenover -elkander, Corona’s beide handen vastgesloten in de zijne en zij zeiden -niets, daar waren geen woorden, zij zagen elkaar slechts aan. - -Eindelijk zich bewust wordend van het gevaar dat er lag in dien langen, -duizelend vollen blik, in de ontroering der weerziensvreugd, trok zij -voorzichtig, als was zij bang hem pijn te doen, haar handje terug. - -„Frank, ga je mee naar buiten? ’t Is hier zoo warm,” zeide zij -geagiteerd. - -„Waarom, lieveling? buiten is het vol menschen, en hier zijn we zoo -rustig.” - -„Nee, hier hangt de onweerszoelte nog in de kamer, kom ga mee Frank, -het rijtuig wacht beneden, dan rijên we naar Scheveningen, aan ’t -strand is nou haast niemand. De groote avondhemel is beter voor ons -samenzijn.” - -En zij liep de trap af, snel, verward, worstelend om haar -zelfbeheersching te hervinden. Hij volgde, teleurgesteld om die storing -in hun weerzien en toch gelukkig door haar zichtbare ontroering. De -vorige malen, toen hij haar bezocht had, had hij geleden onder haar -ijzig zelfbedwang. - -Zij zaten naast elkander in het rijtuig, Corona stil, achterovergeleund -in een weekheid vol pijn en zaligheid die haar bang maakte, omdat ze -haar zoo nieuw was. Frank praatte druk, verlangend om veel, om alles te -zeggen en boos op zich zelf omdat hij niets vond dan dingen van de -oppervlakte van zijn leven, van zijn troep, en hoe die overmorgen te -Brussel spelen zou, en hoe hij toen een paar dagen vooruit was gereisd -om haar te zien. Eerst, toen zij samen het strand langs liepen in den -plechtigen weemoed van den zonneondergang vonden zij elkaar wéer in de -oude harmonie. - -Het was laat toen zij terugkeerden, te voet langs den Scheveningschen -weg, hun woorden en gedachten gewiegd op de rythmische beweging van hun -voortgaan naast elkaar. Soms ook liepen zij zwijgend, hand in hand in -het flauwe licht dat de lantaarns van den straatweg door de bladeren en -takken heen op den hoogen weg wierpen. Voor Corona’s huis stonden zij -stil. - -„Mag ik morgen weer komen?” vroeg Frank. - -Zij dacht even na. - -„Er zijn juist zoo vreeselijk veel zieken op het oogenblik. Maar kom -morgen koffie drinken, dan hebben we een rustig uur samen, en morgen -avond zal ik zien vrij te zijn.” - -„Maar dan blijven we hier thuis, ja? Ik zal je mooie dingen komen -voorlezen, en dan vraag je er niemand bij, nietwaar?” - -„Waarom niet?” zeide ze verlegen. „Waarom mag Marguérite niet komen? je -kent haar, en zij zal zoo genieten van je lectuur.” - -„Waarom Cora?” vroeg hij dringend. „Waarom altijd iemand er bij? Waarom -mogen we dezen eenen avond niet genieten in samen alleen zijn? Of is -het dat je bang bent voor je reputatie?” - -Zij zag hem even aan met haar trotschen glimlach. - -„O! Frank, het zou al heel onnoozel van me zijn geweest, als ik me niet -sinds lang mondig had verklaard van de voogdijschap die de wereld zoo -graag over ons uitoefent. In mijn eigen huis ontvang ik wien en wanneer -ik wil. En als men zich werkelijk niets te verwijten heeft, heb ik ook -altijd opgemerkt, dat de menschen gauw genoeg geneigd zijn te ontzien, -wie toonen zich niet veel om hun oordeel te bekommeren.” - -„Maar waarom dan?” vroeg Frank, haar handje grijpend in -hartstochtelijken druk. - -„Omdat het beter is zóó!” zeide zij heel zacht opeens en week. „Omdat -het ons zwak maakt, Frank, lang samen alleen te zijn. Als er anderen -bij zijn blijft het gesprek meer algemeen, ik bedoel over de dingen -waar we allebei veel belang in stellen, maar die ons persoonlijk niet -aangaan, en als we samen alleen zijn, praten we te veel over ons zelve, -voelen we te duidelijk wat we missen, wat we zouden willen en niet -kunnen hebben, en dat maakt ons zwak, Frank, en we moeten sterk zijn.” - -Het was de eerste maal dat zij erkende, hoe hun omgang, ook voor haar -niet meer als in het begin, enkel groot intellectueel genot was, hoe -hij ook voor haar strijd en smart was geworden. Zij voelde zijn handen -zich krampachtig om de hare sluiten, zij zag zijn groote gestalte -sidderen. Toen nam hij zijn hoed af met iets plechtigs, een koninklijke -beweging, en zich bukkend, kuste hij haar hand heel even, heel licht, -heel eerbiedig, en ging toen heen. Maar in de stilte klonk een dof -geluid, als van pijngekreun en Corona wist dat het het snikken was van -een man die zwaar leed. - -O! waarom hadden zij elkaar leeren kennen? Moesten die enkele uren vol -sympathiegeluk zoo duur worden gekocht? - - - - - - - - - -„Het rijtuig is vóór, mevrouw.” - -„Goed Johan,” zeide mevrouw van Starren, zich nog even een kopje thee -inschenkend, en toen met een onrustigen blik op de pendule, terwijl ze -haar nieuwe witte handschoenen voorzichtig vinger voor vinger begon aan -te schuiven: „Waar blijft nou toch Eugénie weer. Ze is tegenwoordig -verschrikkelijk langzaam. Wat ze al die uren uitvoert op haar kamer, -mag de hemel weten. Maar luister es even Henri, vind jij ook niet dat -ze er den laatsten tijd erg slecht uit ziet?” - -Mijnheer van Starren zag even op van zijn courant. - -„Nee, eigenlijk is ’t me niet opgevallen. Ja toch, misschien is ze wat -magerder geworden, maar je moet niet vergeten, ze wordt ook al een -jaartje ouwer.” - -In groote ergernis trok mevrouw een knoopje van haar handschoen af. Hoe -was het nou toch mogelijk om dat zoo onverschillig te zeggen. Had hij -dan geen hart voor zijn dochters? Alsof niet een „jaartje ouder -worden”, voor Eugénie hetzelfde was, als verlies van charmes en -daardoor van kans om te trouwen. - -Gelukkig de jonge vrouw, voor wie „ouder worden” beteekent: rijpen in -denken en voelen, maar voor de Eugénie van Starrens beteekent het: het -verlies van succes, dat is namelooze leegte in een bestaan waarin alles -op dat succes is gericht. - -Maar op dit oogenblik kwam Eugénie binnen. In haar zilvergrijs nieuw -voorjaarspakje, met de breede revers van licht lila moiré zag zij er -toch nog snoezig uit, en zoo gedistingeerd. Onwillekeurig zagen -mijnheer en mevrouw beiden haar aan met dien onderzoekenden blik, dien -zij zich van kind af herinnerde. Vroeger was hij haar een streeling -geweest, die blik die haar duidelijk zeide: „Wat is onze dochter toch -mooi,” nu vervulde hij haar met onrust en wrevel. Zij was bang er -teleurstelling of medelijden in te vinden. - -„Wat heb je me lang laten wachten, Eus,” zeide mevrouw, maar niet -onvriendelijk. Zij was verteederd omdat zij haar vanavond toch weer -„zoo beelderig” vond. - -Zij zouden mevrouw de Mureaux en Betty gaan afhalen om wat door de -boschjes te toeren. - -„Och mama,” zeide Eugénie, voor den spiegel, verdiept in het -vastspelden van haar voiletje, „Mevrouw de Mureaux is toch nooit klaar, -als we komen. We kunnen best wat later zijn dan de afspraak.” - -„Maar ik verkies niet dat je de paarden zoo’n eeuw laat wachten!” riep -mijnheer van Starren op eens heftig, met de opstuivende knorrigheid van -goedige naturen, als zij in hun zwak gegrepen zijn; en voor hem waren -zijn paarden een groot zwak. - -Hilda kwam juist binnen. De onvriendelijke toon harer huisgenooten -onderling was altijd nog een pijniging voor haar; weifelend bleef zij -even aan de deur staan. - -„Zoo, Hilda, waar ga jij naar toe? met hoed en handschoenen? We kunnen -je niet meenemen kind, we hebben met mevrouw de Mureaux en Betty -afspraak gemaakt, en dus zijn we al vier in ’t rijtuig.” - -„Als u ’t goed vindt, tante, wou ik vanavond gaan thee drinken bij -Corona van Oven.” - -„Alweer!” zeide Eugénie, en een wereld van vijandige aanmerking en -tegenstand lag in dat ééne woord. - -„Ja, mij dunkt ook, je gaat er wel wat heel druk naar toe,” zeide -mevrouw. „Ik houd niet van die drukke vriendschappen met menschen zoo -buiten onze côterie. Ik wil niks tegen het meisje zeggen, en als onze -ouwe dokter zijn praktijk neerlegt, zou ik er zelf sterk over denken om -haar te nemen, maar het is geen omgang voor freule van Suylenburg.” - -Hilda stond verlegen. Het bruischte even in haar op, ze had heftige -woorden op de lippen. Maar wat kon haar tante, die gewend was de waarde -harer kennissen te berekenen naar geboorte, relatie, en fortuin, -verstaan van het heerlijke wat er lag in een intiemeren omgang met -Corona? - -Maar mijnheer van Starren kwam goedig tusschen beiden: - -„Wel Hermine, laat Hilda toch gaan waar ze het prettig vindt! Corona -van Oven is een heel achtenswaardig meisje. En ze is van goeie familie. -Haar moeder was een van Plooze, en die haar moeder een freule van -Brosselen, je weet wel, van de ouwe, de Overijselsche tak.” - -Hilda lachte even; zij kon het niet helpen. In haar gedachte zag zij -weer Corona’s vorstelijke gestalte, en het fijne edele hoofd. Zij dacht -aan dit hooge rijke vrouwenleven van studie en barmhartigheid, en zij -lachte, even hard op, dat er een adelijke grootmoeder bij te pas moest -komen, om te weten, of zij met haar intiemer om mocht gaan of niet. Hoe -komiek waren toch die maatschappelijke appreciaties! En toen zij hare -tante en Eugénie in het rijtuig had zien stappen en zelf vlug den weg -naar ’t Voorhout in sloeg, lachte ze nog voort. En deze wereld, waarin -eerst gevraagd wordt naar de familierelaties en geboorte dergenen aan -wie men zijn vriendschap wil geven, durfde zich nog christelijk noemen -en ontwikkeld? Christelijk naar Hem die tollenaren en zondaren, niet de -grooten van zijn volk opzocht, en ontwikkeld, terwijl het beginsel van -elke ontwikkeling is, naar de innerlijke waarde van menschen en dingen -te vragen, niet naar de uiterlijke omstandigheden. - -Op de stoep bij Corona ontmoette zij Marguérite van Arkel. - -„Kom je ook vanavond? Dat is heerlijk. Het zal mooi zijn. Frank van -Soeterwolde zal voorlezen.” - -Hilda schrok een beetje van den beroemden naam. - -„Wat bedoel je? zal die vanavond bij Corona lezen? die acteur? Maar dan -ga ik niet binnen. Ik ben niet gevraagd, ik kwam zoo maar, en het zou -indiscreet zijn .....” - -„Ik weet zeker dat Cora blij zal zijn je te zien, kom, ga maar gerust -mee. Soeterwolde is een groot vriend van Corona, en ze zal het heel -prettig vinden dat je hem ook hoort. Heb je hem ooit zien spelen?” - -„Ja,” zeide Hilda, en haar enthousiasme overwon het aarzelen van -bescheidenheid. „Het is de grootste speler van onzen tijd. In Parijs -heb ik hem gezien, het is heerlijk!” En opgewonden volgde ze Marguérite -naar de studeerkamer. - -In plaats van een paar stille uurtjes met Corona, vol van dat -psychologisch bespiegelen, wat denkende vrouwen zoo lief is, wanneer -zij vertrouwelijk te zamen zijn, zou ze dus nu in eens dien grooten -kunstenaar terug zien! Als Corona haar nu maar niet indiscreet vond! -Maar dokter Van Oven’s welkom getuigde genoeg van het tegendeel. Er was -den laatsten tijd een groote vriendschap tusschen haar ontbloeid. - -„Waarom heb je toch zoo gelachen, Cora?” vroeg Marguérite, toen zij -allen gezeten waren. „Straks op de gang, toen we onze hoeden afzetten, -hoorden we je schaterlachen, is het niet Hilda?” - -Corona lachte weer en het verwonderde Hilda, hoe jong zij er uitzag -dien avond. - -„Mijnheer van Soeterwolde vertelde me van ’n bezoek, dat hij vanmorgen -gemaakt heeft bij zijn tante, mevrouw van Remstra, je weet wel, die -vrome douairière in de Nassaulaan, en hoe ze hem eerst uit de hoogte -heeft ontvangen en hem toen zalvend over de zonden van zijn carrière -heeft onderhouden.” - -„En natuurlijk,” voegde Frank er bij, „was ze nooit in haar leven in de -comedie geweest en had zelfs geen flauw besef dat er ook op het tooneel -verschillende geestesrichtingen zijn, die elkander beoorlogen. Van -symbolisme en naturalisme had zij natuurlijk nooit gehoord, of van het -Theatre Libre, of L’Oeuvre, of van ons troepje, Le Petit Theatre Vrai; -misschien gelooft ze niet eens dat er verschil bestaat tusschen een -vaudeville en een drama van Shakespeare. Maar voor sommige vromen -schijnt het ’n geloofsartikel te zijn, om het tooneel voor zondig te -houden.” - -„En toch zijn juist op het tooneel altijd de nobelste gedachten -uitgesproken,” zeide Hilda levendig. „Als men denkt aan Sophocles, en -de andere klassieken, of aan Corneille, Racine, Shakespeare, Lessing, -Molière, Vondel, Ibsen, Maeterlinck, Goethe, Wagner, zou dat allemaal -zonde zijn?” - -Allen lachten. Het klonk grappig naïef, die combinatie van „allemaal -zonde” en de opsomming, enthousiast in éen adem, dier groote -dichternamen. - -„Het is de eeuwig oude geschiedenis,” zeide Marguérite peinzend, „van -de holle phrases, die men elkaar maar na zegt. Menschen die nooit over -sociale toestanden hebben nagedacht, er nooit één fatsoenlijk werk over -gelezen hebben, hoort men aan alle kanten zeggen: het volk is nog niet -rijp voor meer rechten, armoe is eenmaal noodzakelijk, socialisten zijn -allemaal boeven enz.; menschen die nooit één seconde waarachtig hebben -geworsteld om een eerlijke geloofsovertuiging hoor je zeggen: -godsdienst is allemaal larie, daar is geen God en geen mysterie; -menschen voor wie de vrouwenzaak nooit een ernstige vraag is geweest, -niets dan een bespottelijke grap, kun je deftig hooren vertellen wat -precies vrouwelijk, en wat het niet is, en juist, die soort zijn het -knapste om te weten wat „de vrouw” eigenlijk voor een wezen is. En zoo -is het zeker ook met het tooneel. Die nooit in een schouwburg zijn -geweest, weten natuurlijk het best hoe zondig het daar is.” - -„Het is een oude paradox, die mijn vader en ik eens in een grieksch -boekje hebben gevonden,” lachte Hilda: „Alleen absolute onwetendheid -kan met zekerheid een oordeel vellen.” - -Frank had zwijgend geluisterd met een lach, maar op eens kwam er -hartstochtelijke ernst over zijn gezicht. - -„Het tooneel is dikwijls geweest, en moest het altijd zijn, de plaats -waar men in artistieken en levenden vorm de groote levensvragen kon -zien behandelen, waar men ze objectief kon komen beoordeelen, omdat, -wanneer de dichter en de acteur beiden iets beteekenen, men tegenover -hun spel staat, als tegenover een realiteit die men meeleeft, waarin -men mee voelt, maar zonder dien persoonlijken, verblindenden -hartstocht, die ons gewoonlijk verhindert om koel na te denken, wanneer -wij de drama’s om ons heen in onze eigen omgeving zich zien afspelen. -Het tooneel moest zijn een hoogeschool van wijsbegeerte, waar de groote -problemen worden behandeld in schertsenden of in ernstigen vorm, al -naar het genie van den schrijver. Het moest zijn een hoogeschool van -zeden, van schoonheid, van nieuwe gedachten en van de altijd zich -vernieuwenden vormen, die de oude waarheden in den evolutiegang der -tijden aannemen.” - -En toen ineens direct tot Corona gewend, ging hij voort: - -„O! Cora, zie je, ik wou dat je madame Tachilde leerde kennen. Mijn -troepje is nog jong en heeft dus allerlei jeugdgebreken, maar we -streven ernstig naar dat ideaal, en je weet niet wat ze daarbij een -steun voor me is. Met haar prachtig talent en strenge eischen en haar -voorbeeldig gedrag, zal ze eenmaal een macht zijn in de artistieke -wereld van Frankrijk. Als wij het nou nog maar een paar jaar kunnen -volhoûen finantieel, dan hoû ik het er voor, dat we ons een vast -kringetje van artistiek, fijn, waar denkend publiek hebben veroverd van -waaruit zich ook een betere smaak bij de groote massa zal ontwikkelen! -Het is misselijk tegenwoordig, die idiote stukken die men geeft, of nog -erger, die successtukken, waarin de acteurs en vooral de actrices zich -eigenlijk verlagen tot, ja, wel wat rijker gekleede en deftiger -sprekende, maar daarom toch niet minder café chantantmenschen. Maar dat -die prulstukken zoo’n opgang maken, is juist voor ’n deel de schuld van -de ernstigen en beschaafden onder het publiek. Als die in grooten -getale opkwamen zoodra er een goed stuk gegeven werd en wegbleven bij -de slechte dingen, zouden de theater-directies, voor wie het alleen een -geldkwestie is, wel voor betere stukken gaan zorgen.” - -„Heeft u dat allemaal tegen mevrouw van Remstra gezegd?” vroeg Hilda -vroolijk. - -„Nee, ik geloof niet dat ze me met veel belangstelling zou hebben -aangehoord. Ze is nou eenmaal overtuigd dat alle artiesten goddelooze -onzedelijke menschen zijn.” - -„En de heeren en dames uit de groote wereld dan, die zij aan haar tafel -ontvangt? Zeker allemaal incarnaties van deugd?” lachte Marguérite. - -Frank van Soeterwolde had geen nieuwe lectuur meegebracht. Alles wat er -merkwaardigs uitkwam en hem passioneerde, stuurde hij aan Corona en zij -bespraken het in hun brieven. Wat hij nu bij zich had, was, behalve -enkele verzen van een jong onbekend dichter die hem interesseerde, -Richard Wagner’s: Jesus von Nasareth, de onafgewerkte schets van een -drama, dat nooit voltooid werd, omdat de schrijver zich ten slotte niet -machtig genoeg voelde, om de hoogheid van zulk een onderwerp te -beheerschen. - -Niettegenstaande Frank zich de laatste jaren, eerst aan het Parijsche -conservatoire, later als acteur aan het Odéon, en nu aan het hoofd van -zijn eigen troepje, uitsluitend verdiept had in Fransche taal en -Fransche werken, las hij uitstekend Duitsch. Zwijgend zaten de drie -jonge vrouwen om hem heen, in spanning hem volgend door dit labyrinth -van hooge gedachten. - -Eerst kwam de schets der handeling, zooals die zich zou hebben moeten -ontwikkelen, toen meer uitgewerkte fragmenten, teksten en verklaringen. - -Corona, in machteloos week voelen, leunde achter in haar stoel. De -opgewonden vroolijkheid, die Hilda straks had verbaasd, was -weggegleden; in de drukke conversatie was het zoo veel makkelijker de -emotie tot zwijgen te brengen, dan nu onder het stille luisteren. Zij -dwong zich te verstaan, maar soms hoorde ze minuten lang niets dan de -klank van zijn stem en voelde alleen het weëe bewustzijn, dat hij -morgen weer weg zou zijn, dat zij beiden weer de ontzettende -eenzaamheid in moesten. - -Op eens echter werd ze gewaarschuwd om scherper op te letten; er was -een verandering in Frank’s rustig voorlezen gekomen, in zijn stem klonk -ontroering. Hij las nu de woorden over huwelijkswet en liefde, en -zichtbaar greep het hem aan. - -„Das Gebot sagt: du sollst nicht ehebrechen! Ich (Jesus Christus) aber -sage euch: Ihr sollt nicht freien ohne Liebe. Eine Ehe ohne Liebe ist -gebrochen, als sie geschlossen ward, und wer freite ohne Liebe, der -brach die Ehe. So ihr mein Gebot befolgt, wie könnet ihr es je brechen? -da es euch das gebietet zu thun, wonach sich euer Herz und Seele -sehnen? Wo ihr aber freiet ohne Liebe, so bindet ihr euch wider Gottes -Gebot, und indem ihr die Ehe schliesset, sündigt ihr wider Gott.” [2] - -Frank legde het boek neer, en bleef er even in bladeren, toen tot -Marguérite gewend—naar Corona’s kant durfde hij zelfs niet kijken op -dit oogenblik: - -„Goed, vindt u niet? Een huwelijk zonder liefde echtbreuk te noemen! En -wat een ellendige idees hebben de meeste menschen toch nog over die -dingen! Aan alle kanten zie je dagelijksch huwelijken sluiten om geld -en positie en relaties en protectie en uit angst om ongetrouwd te -blijven en uit gemakzucht, en onwetendheid, en verveling van het -kamerleven, en dépit, en door pressie van familieleden enz. enz. en -zulke paren, wier verbintenis „tegen Gods gebod” is, omdat zij tegen de -liefde zondigt, worden door de wet voor onscheidbaar verklaard! Is het -geen schande?” - -„Weet je hoe men dat makkelijk zou kunnen verklaren?” zeide Marguérite -glimlachend. „Ik geloof dat er onder de zoogenaamde Christenen heel wat -meer afgodendienaars zijn dan men denkt, en zij, die geld, aanzien, -gemak, en al die dingen meer, tot hun godheid hebben gemaakt, kunnen -dan logisch, zich houdend aan het ouwe Bijbelwoord: „Wat God vereenigd -heeft zal de mensch niet scheiden,” verklaren dat zulke huwelijken niet -gescheiden mogen worden, want .... hun (af)god heeft ze verbonden!” - -Frank glimlachte even met een verren peinzenden blik, toen zeide hij -zacht: - -„Het is een mooi woord: Wat God vereenigd heeft, mag de mensch niet -scheiden! Maar gewoonlijk wordt het zoo heel verdraaid opgevat. -Allerlei verbintenissen, ook die door de laagste drijfveeren zijn -gesloten, zoodra zij maar in den burgerlijken stand zijn ingeschreven, -worden als heilig en daardoor als onverbreekbaar beschouwd en -daarentegen zie je dagelijksch dat gemis aan fortuin, ongelijkheid van -stand, verschil van godsdienst en nationaliteit velen scheiden, die -werkelijk goddelijk verbonden zijn, d.i. door de Liefde, want wat -anders is God dan hoogste liefde macht?” En toen op eens met al den -hartstocht van persoonlijk lijden ging hij voort—: „Voor mij bestaan er -maar twee soorten van huwelijken: die uit God en die uit den Satan, om -het oude kernachtige beeld te gebruiken. Voor het goddelijke huwelijk, -dat uit liefde, hoeft men geen bindende wetten te maken. Wat zich in -waarachtige liefde heeft vereenigd, wil één blijven, de mensch mag het -niet scheiden en kan het niet scheiden, omdat die band door het samen -deelen en strijden, het elkaar aanvullen, het samen dragen van de -verantwoordelijkheid der toekomst, dat is: de kinderen, hoe langer hoe -vaster worden moet. Het andere is het satanische huwelijk van -niet-liefde, en elke wet die deze immoreele verhouding sanctionneert en -verhindert dat er een einde aan komt, is slecht, is onzedelijk!” - -„Dus u bent een apostel van de Vrije Liefde?” vroeg Hilda, in een naïef -zich nieuwsgierig voelen naar iemand die in vollen ernst idees durfde -verkondigen, welke men in haar kring voor zoo hoogst gevaarlijk -verklaarde. Wèl gingen er in het salongefluister heel wat verhalen rond -van vreemde vrijheden die men zich permitteerde, maar deze werden -blijkbaar officieel niet gevaarlijk gevonden, omdat zij heimelijk -werden gepleegd en onder leugen en bedrog. - -Frank haalde even de schouders op: - -„Vrije liefde? Och nee, waarom? Waarom zou een jong paar, dat in ernst -besloten is het leven samen door te gaan, samen de verantwoordelijkheid -op zich te nemen voor het gezin dat uit hun liefde kan voortkomen—en -over menschen die met andere plannen trouwen spreken wij nu niet, -nietwaar? dat is maar ’n vermomd soort van prostitutie—waarom zou zoo’n -paar niet op den dag van zijn vereeniging naar een aangewezen gebouw -gaan, en zijn handteekening zetten? Er is iets aardigs in, dat het -daardoor aan de geheele wereld bekent, voortaan samen te willen zijn, -één, en ofschoon ik niet inzie waarom het juist altijd de vrouw zou -moeten zijn die haar naam opgeeft, als symbool is het wel lief dat één -der partijen zijn naam verliest en men voortaan samen slechts onder één -vlag tegenover de buitenwereld optreedt. Het teekenen op het stadhuis -is een maatregel van orde, die goed is en noodig, in een maatschappij -als de onze, getuige de ellendige verwarringen in die landen, waar de -burgerlijke stand nog niet is ingevoerd. Maar dit teekenen te maken tot -een keten, die onder alle levenswisselingen en omstandigheden -onverbreekbaar is, dat is het, waartegen wij met alle kracht moeten -protesteeren!” - -„Ik ben het heelemaal met je eens!” zeide Marguérite warm. - -„Administratief kan de inschrijving in den burgerlijken stand zeker een -nuttige maatregel zijn! Alles wordt immers in de natuur, naar vaste -wetten en in groote orde geregeerd, en het is een van de sterkste -neigingen, ook van ons menschen, om onze handelingen, onze verhouding -tot anderen aan vaste regelen te willen binden. Overal hebben we ons -zelf rythen en verordeningen geschapen, en zoo zal het altijd blijven. -Als de oude wetten zullen zijn te niet gedaan, zullen er nieuwe komen, -altijd en altijd weer. Trouwens zoo als nu ook de toestanden nog zijn -in onze maatschappij, vind ik het vrije huwelijk heel verkeerd om de -kinderen die er uit kunnen geboren worden. De wereld is nog wreed voor -het onwettige kind! We kunnen het betreuren, ontkennen kunnen wij het -niet. En nu is het heel goed voor twee menschen om in enthousiasme, -sterk door het gevoel van wederzijdsche liefde, zich voor een idee ten -offer te brengen, en vrijwillig de wereldschande te trotseeren, maar -wie zal zeggen of het kind, dat uit die liefde voortkomt, willig en -krachtig genoeg zal zijn om blijmoedig den zwaren last te aanvaarden, -die men bij de geboorte heeft neergelegd op zijn teere schoudertjes? -Iets heel anders is het echter om van zoo’n huwelijksakte een -levenslang drukkenden band te maken! Dat is ontegenzeggelijk ellendig!” - -Somber peinzend staarde ze een oogenblik voor zich heen. Het beeld van -een jeugdvriendin rees voor haar op, die kort geleden getrouwd was, -onder den dubbelen drang van armoede en van het drijven eener -gebrekkige moeder, die haar onophoudelijk het huwelijk als eenige -uitkomst had voorgehouden. In wanhoop teerde zij nu weg. Geen berouw, -geen heilige voornemens konden haar meer redden. Levenslang was zij -gebonden aan een man dien zij verachtte. En zoo’n huwelijk, aangegaan -in zwakheid, voortgezet in misdaad, werd door de wet in naam der -zedelijkheid onverbreekbaar verklaard! - -„Maar, er zijn toch scheidingswetten!” riep Hilda, toen een vreemd, -drukkend zwijgen was ingetreden. - -„Ja zeker,” zeide Frank. „Als het zoo erg is dat het een publiek -schandaal is geworden, bij bewezen echtbreuk, en bij levensgevaarlijke -mishandelingen, kan men scheiden, of als een van de partijen heel lang -weggaat, met het klaarblijkelijke doel om de andere te verlaten, of als -men het samen eens is, om voor goed uit elkaar te gaan, en men speelt -’n schandaalcomedietje. En daar moeten we heusch al heel dankbaar voor -zijn! Maar zoo’n geval, als ik gisteren bijvoorbeeld weer hoorde van -een advocaat, die ’s avonds uit de sociëteit gewoonlijk half dronken -thuis komt en dan zijn vrouw op alle manieren zulke mishandelingen laat -ondergaan, dat het arme schepsel door angst en verdriet, tweemaal -achtereen een idioot kindje heeft ter wereld gebracht, zulke bagatellen -rekent de wet niet als scheidingsredenen. Leve het onverbreekbare -huwelijk!” - -Huiverend van afschuw zat Hilda een oogenblik stil, toen zeide ze, in -peinzend aarzelen: - -„Maar bent u niet bang, mijnheer van Soeterwolde, dat, als de -scheidingswetten makkelijker werden, het in de maatschappij een chaos -zou zijn van scheidende en hertrouwende paren?” - -Frank zag haar doordringend aan: - -„Gelooft u aan liefde, freule, en aan een gelukkig huwelijk?” - -Hilda kleurde even en zacht zeide zij: - -„Ja.” - -„En wat gelooft u dan dat de goeie huwelijken nou bij elkaar houdt, de -wet of de onderlinge liefde?” - -„De liefde natuurlijk!” - -„Natuurlijk!” herhaalde Frank. „Menschen die van elkaar hoûen, met of -zonder wet, blijven bijeen!” Hij bladerde even in het boek en las toen -verder: Ein Paar welches sich ohne allen Zwang sich zuwendet, kann dies -nur aus reiner Liebe thun, und diese Liebe kann naturgemäss und sobald -sie nirgends gestört wird, kein Aufhören ihrer Dauer in sich -schliessen, denn sie ist die gegenseitige Ergänzung welche in Mann und -Weib den Quell vollkommener Befriedigung sich erhält, und in der -Fruchtbarkeit, sowie in der den Kindern zufallenden Liebe ihre stete -Bewegung und Erneuerung gewinnt. [3] „En wat betreft degenen, die door -geen andere band meer te zamen worden gehouden dan door een papier van -den burgerlijken stand, deze zedelijk reeds ontbondenen, behoorden het -wettelijk ook te zijn. Bent u dat met mij eens? De chaos die nu -heerscht in de maatschappij van buiten het huwelijk geboren kinderen, -en mannen en vrouwen die elkaar bedriegen, zou dan ophouden. Waarom -bedriegen, nietwaar? als scheiden gemakkelijk is! En trouwens heel wat -huwelijken, voor welke men nu scheiding zou wenschen zouden dan niet -ongelukkig meer worden. Al die kleine dagelijksche zonden, die het -leven vergiftigen: heerschzucht, drift, egoïsme, kwaad humeur, -kibbelzucht, vitzucht, slordigheid, en zoogenaamde zenuwen zouden -bijtijds worden beheerscht, als men wist dat de andere levensgenoot -vrij was om niet langer te verdragen dan hij of zij zelve verkoos! Als -de menschen vrij waren om den huwelijksband af te schudden zoodra het -een knellende keten begon te worden, zouden zij er ook veel eerder -achter komen dat huwelijksgeluk een plantje is dat heel teer en -verstandig moet worden gekweekt.” - -„Ja ..... dat is waar!” ..... zeide Hilda langzaam, en toch kwam nog -weer twijfel in haar op: „maar gelooft u toch niet dat er dan veel -vrouwen schandelijk verlaten zullen worden die jaren lang trouw voor -haar huisgezin hebben geleefd en later als zij oud en niet meer -bekoorlijk zijn, voor het eerste beste aardige gezichtje zullen worden -vergeten?” - -„O! freule, wat ’n zwarte verdenking tegen den man!” zeide Frank -lachend. „Nee, daar ben ik heusch niet bang voor, want wie zoo laag -staat, dat hij na jaren van gelukkig getrouwd zijn, de moeder van zijn -kinderen voor een aardig gezichtje vergeet, zal dan ook zonder -makkelijke scheidingswetten zijn vrijheid wel weten te nemen, daar zijn -voorbeelden bij duizenden van! En wat dunkt u ontzettender voor een -vrouw, de man, die haar zoo onwaardig is eerlijk van zich te zien -scheiden, of wettelijk aan hem verbonden te blijven, terwijl hij haar -telkens bedriegt?” - -„Trouwens,” hernam Marguérite, „hiervan geldt ook wat je straks hebt -gezegd. Als de scheidingswetten makkelijker waren, zou menigeen zich -wel langer bedenken om toe te geven aan een „caprice,” zooals de -elegante wereld het luchtigjes noemt. Er zou heel wat minder met vuur -gespeeld worden als het niet meer was zoo als nu, dat, met ’n beetje -voorzichtigheid in de vormen, de ontrouw rustig zijn gang kan gaan, -zonder dat de beleedigde partij zich los kan maken.” - -„Maar de kinderen,” zeide Hilda, „wat moet er met al de kinderen -gebeuren van al die gescheiden paren?” - -Frank lachte. „Al die gescheiden paren! Freule? U denkt, geloof ik, dat -ik ze bij millioenen wil laten scheiden. Wat worden er naar verhouding -niet weinig engagementen verbroken, waar men toch volkomen vrij is, en -omdat de ouwe gildewetten niet meer den schoenmaker dwingen bij zijn -schoenen en den smid bij zijn smeedwerk te blijven, ziet men toch niet -dagelijks alle werklui van hun vak veranderen, en alle menschen, die -wonen kunnen waar zij willen, verhuizen toch niet elken maand! Maar -voor de kinderen van waarlijk rampzalige gezinnen, geloof mij, freule, -zal het oneindig beter zijn bij eén van de beide ouders alleen of -desnoods onder vreemden te worden opgevoed, dan hun sterke -jeugdimpressies te ontvangen in zoo’n hel van wederzijdsch elkaar niet -begrijpen, niet verdragen!” - -Hilda zweeg, in intense spanning van denken. Zij voelde de waarheid -dier voor haar nieuwe gedachten, en toch zocht ze onrustig naar -tegen-argumenten. Het was het behoudende dat in elke menschennatuur -ligt, dat aarzelend ons vast doet klampen aan den ouden gewonen vorm -der dingen, ook al trekken ons de nieuwe aan, het was het knipoogend -zich omwenden naar de duisternis, ook al is het nieuwe licht ons -welkom. - -Toen met een lach, blij omdat zij een oplossing meende gevonden te -hebben, zeide ze: - -„Maar zou het niet beter zijn, in plaats van voor betere -scheidingswetten alle krachten in te spannen, om door opvoeding en -lectuur, de menschen zooveel wijzer en hooger te maken, dat zij geen -slechte huwelijken meer aangingen?” - -Frank sprong op, driftig: - -„Het eeuwige argument der optimistische moralisten! Wel zeker, als de -wereld volmaakt was, hadden we geen divorcewetten noodig! Maar dan ook -evenmin huwelijkswetten, nietwaar? Dan konden we immers het heele -wetboek wel missen? Maar in afwachting van die gouden eeuw, wier komst -juist zoo vertraagd wordt door de millioenen arme schepsels, geboren -uit onzedelijke samenleving, hetzij in, hetzij buiten het huwelijk, wat -te doen?” - -Met groote stappen ging hij de kamer op en neer, in een plotselinge -gejaagdheid, die Hilda verlegen maakte, omdat haar woorden die hadden -opgewekt, zonder dat ze begreep waarom. - -„Welzeker!” herhaalde hij heftig. „Er moest niet zoo lichtvaardig -getrouwd worden! Maar dat is toch al een heel goedkoop oppervlakkig -antwoord op die duizende angstkreten, die overal opgaan uit ellendige -gezinnen. Wel zeker, genoegelijke idealisten, jullie hebt groot gelijk! -O! het is erbarmelijk te denken hoe groot gelijk jullie hebt! Maar om -niet eens te spreken van de huwelijken uit ambitie of armoede, en al -zulke drijfveeren meer, zoolang er verstandige ouders zijn, of -....”—plotseling stond hij stil voor Corona en zag op haar neer met -oogen donker van hartstocht en pijn—„of zooals in mijn geval, -onverstandige grootouders, en zoolang heel jonge mannen zoo wanhopend -gauw en dom verliefd worden en jonge meisjes zoo erg gauw klaar zijn -met haar „ja,” allemaal categorieën van menschen, dat stem ik volkomen -toe, die in een wijzere wereld niet moesten voorkomen, maar die nog wel -de eerste eeuwen zullen bestaan, zoolang moest de huwelijksband niet -voor het leven bindend zijn! Niet omdat breken goed is,” vervolgde hij -hoe langer hoe heftiger, „maar omdat samenblijven slecht is, als liefde -is heengegaan. Een wet die twee menschen aan elkaar bindt, uit wier -samenzijn het hooge heilige is weggevallen, is immoreel, afgrijselijk -immoreel!” - -Hilda huiverde; zij voelde het duizelen van iemand, die lang langs een -afgrond gegaan is, zonder het te weten en plotseling vlak bij zich de -zwarte diepten ontdekt. - -Corona’s doodsbleek zwijgen en Soeterwolde’s hartstochtelijke -uitval,.... was daar niet vóór haar een drama van zwaar menschenlijden -gespeeld, terwijl zij kalm wat meende te philosopheeren? Een groot warm -medevoelen steeg in haar op. - -„Frank!” zeide Corona, maar met een stem zoo zwak als van een zieke. -„Wil je ons het boek niet uitlezen?” - -„Ja zeker!” zeide hij bedaard. Bij den zachten klaagklank van haar stem -was alle opwinding in hem verdwenen. In machtig zelfbeheerschen ging -hij naar zijn plaats terug en las. - -Maar geen van allen kon toch meer de vroolijkheid van het begin -terughuichelen en het was Hilda een verlichting toen de knecht werd -aangekondigd om haar te halen. - -„Adieu, lieve, ik vond het erg gezellig dat je vanavond gekomen bent,” -zeide Corona, en Hilda was dankbaar voor dat woord, dat haar zeide, -dat, mocht zij iets geraden hebben, men haar niet als een indringster -beschouwde. - -„Dank je wel, Cora, dank je wel!” fluisterde ze gejaagd in een -plotseling verlangen om de armen om haar heen te slaan en met haar te -weenen. - -Wat waren haar handjes ijskoud! en op het hooge voorhoofd, waar het -bleek ivoor licht beschaduwd werd door het donker haargegolf, parelden -kleine angstdropjes. Corona was angstig voor het eerst in haar leven. -Zij voelde dat de ure van bange beslissing dáár was. - - - - - - - - - -Hilda en Marguérite waren weg gegaan, en zwijgend stonden Soeterwolde -en de jonge doktores tegenover elkaar. Zij durfde hem niet aan zien, -geloovende met vreemde intuïtie dat als hun blikken elkaar nu -ontmoetten er iets vreeselijks gebeuren zou. - -„Cora!” zeide hij eindelijk heel zacht. - -Zij ging een stap van hem af en viel neer op een stoel. Zij kon niet -meer staan door het beven, en over haar kwam die radelooze -krachtsinzinking, die ook de sterksten, misschien juist de sterksten, -een moment lang kan vernietigen. Als Frank haar op dit oogenblik in -zijn armen had genomen en tot haar had gesproken de overstelpende -woorden, die als een tooverdrank werken op de vrouw die liefheeft, in -slaap wiegend alle denken, alle willen, misschien zou zij niet bijtijds -tot zelfbeheersching zijn teruggekeerd. En het is vreemd te denken dat -in de momenten van strijd tusschen het sterke en het zwakke geslacht, -het juist aan de vrouw is, om sterk te zijn, wil niet de uitkomst -rampzalig wezen. En hoevele vrouwen werden opgevoed tot kracht? Was -niet tot dusver de leidende hoofdgedachte der meisjesopvoeding: -toegeven, volgen, dienen, gehoorzamen, onderworpen zijn? En als dan, in -het oogenblik van hoogste worsteling het meisje niet heeft weten te -heerschen over zich zelf en den sterke, tot wien men haar geleerd heeft -op te zien, dan werpt in huichelachtige wreedheid de wereld haar den -steen toe. - -Maar Frank stond voor haar en zag neer op het smartvolle gezichtje in -grooten teederen eerbied, en zachtjes dringend herhaalde hij: - -„Cora, wij kunnen immers ons leven zoo niet langer voortslepen, het kan -niet! Die paar keer op een jaar dat ik zoo es even kan overkomen en -onze arme brieven zijn maar broodkruimels, we sterven daarbij van den -honger. Laten we niet meer scheiden! Cora, liefste ga met me mee!” - -Zij sloot de oogen en schudde zachtjes het hoofd. - -„Waarom niet? Corona? Waarom zoûen we niet gelukkig samen zijn? Is dan -niet wat ons samen heeft gebonden van den eersten dag af aan dat we -elkaar gezien hebben, juist die goddelijke band, die niet verbroken mag -worden! Zijn onze zielen niet tot elkaar getrokken door dien onzegbaar -mysterieuzen drang, dien de dieren niet kennen en de lage naturen -kunnen loochenen, maar dien wij erkennen, niet waar? die drang die door -het beste wat in ons is, ons tot elkaar voert, niettegenstaande we ver -van elkaar hebben geleefd, en we beiden geworsteld hebben om ons los te -maken van een liefde die we vooruit wisten dat ons zooveel ellende -geven zou?” - -„Ja, we hebben wèl geworsteld!” zeide ze in een mat fluistergeklaag. -„We hebben getracht op te gaan in ons werk met alle kracht, maar het -geeft allemaal niets!” - -„Nee, Cora, ’t geeft niets! We behooren bij elkaar voor altijd! Waarom -geloof je me niet? en wat is er dan toch dat ons scheidt? ’n stuk -papier daar ginds op het Stadhuis te Rotterdam, dat mij bindt aan een -vrouw, die ik niet lief heb, en die mij niet lief heeft, die alleen in -mij den kunstenaar wil exploiteeren!” - -Hij sprong op en liep de kamer op en neer met zware heftige stappen. -Een oogenblik, zonder dat hij het merkte, volgden hem Corona’s oogen en -langzaam keerde in haar blik het geestkrachtsklare terug: - -„Nee, Frank, niet dat papier scheidt ons! geloof je dat zoo’n akte, -waarvan wij allebeide het onzedelijke hebben erkend, mij zou kunnen -beletten je te volgen, als ik dacht dat het goed was?” - -Met een ruk draaide hij zich om. - -„En waarom denk je dat het niet goed zou zijn? Hebben we elkaar niet -lief? Zijn onze levens niet vernietigd als we zoo gescheiden voort -moeten gaan? Vullen we elkaar niet aan, zoo als man en vrouw dat -behooren te doen?” - -Zij boog het hoofd en staarde op de samengeperste handen. De -angstsmeeking in zijn oogen kon ze niet zien en ze zocht naar woorden. -In zijn nabijheid vol hartstocht en teederheid, hoe koud en vaag -schenen op eens al de argumenten die ze zoo dikwijls bij zich zelf -herhaald had in volle overtuiging. - -„Frank je gelooft in je roeping als kunstenaar niet waar? Je gelooft -dat elk mensch den roep moet volgen die in hem is, waardoor alleen hij -aan de gemeenschap kan geven wat hij het beste in zich heeft?” - -Hij knikte even en bleef haar strak onrustig aanzien. - -„Zoo is er voor mij ook een roeping hier, die ik vervullen moet, en als -ik je nou volgde Frank, zou ik daar ontrouw aan worden, en dat kan -niet?” - -„Wat voor roeping? Overal zijn immers zieken, genezen en helpen kun je -immers overal?” - -Ze schudde het hoofd. - -„Dat bedoel ik niet! Frank! Ik meen niet dat ik als dokter hier moet -blijven. Maar voor velen ben ik hier iets heel anders geworden, een -steun een raad-, een leidsvrouw, en ik weet dat als ik nou met je weg -ging, ik die allen een onherstelbaar kwaad zou doen. Want wat zal de -wereld zeggen van ons? Niet dat we vijf jaar lang in groote kracht -geworsteld hebben, en toen eindelijk erkennende dat de band die ons -verbonden houdt, heilig en onverbreekbaar is, ons vereenigd hebben in -naam van een hoogere moraal dan die van het wetboek. Zij zal van ons -zeggen ....”—een donkere gloed golfde heen over het koud witte -gezichtje—„dat doktoresje is er van door met ’n acteur! en ik hoor het -gelach en gefluister al, en al de geestigheden op de heerensociëteiten -en de commentaren die bij zulke gevallen niet uitblijven: „Dat heb je -nou van die geëmancipeerde vrouwen. Ik heb het altijd wel gezegd! Hoe -geleerder en onafhankelijker hoe lichtzinniger!” Begrijp je niet Frank, -dat waar ik hier jaren lang gewerkt heb om al die onzinnige -vooroordeelen te overwinnen, ik dat alles niet in éen slag mag -vernietigen door in de wereldoogen een grooten val te doen?” - -„Maar men zou ook kunnen zeggen, dat, als jij met je grooten invloed en -vlekkelooze reputatie aan de wereld toonde, dat er voor jou een heel -andere, hoogere zedelijkheid bestaat dan die van verouderde wetten, je -voorbeeld in die richting een weldaad voor de menschheid zou zijn! Wat -kan de wereld beter overtuigen, dan dat een vrouw als jij haar den weg -wijst? Toon door je daad dat je neerziet op degenen die hun zelfgemaakt -wetboekje hooger stellen dan de eeuwige wet van de Liefde! en kom bij -me, Corona!” - -Vol verwachting zag hij haar aan. Maar zij schudde droevig het hoofd. - -„George Eliot en George Sand en zooveel anderen hebben dat voorbeeld al -gegeven, en wat hebben zij bereikt? Hoogstens zou men van mij zeggen: -„Dat had ik nooit van haar gedacht!” De wereld zou nooit gelooven dat -ik uit een hoog beginsel zou hebben gehandeld, zij zou alleen gelooven -aan zwakheid, en dat mag niet, Frank! Vlekkeloos moet ik blijven om met -alle kracht invloed te kunnen uitoefenen. Als mijn stem van protest -tegen het onzedelijke onzer wetten, en tegen zooveel onrecht en domheid -luide weerklinken zal, moet ik op een voetstuk blijven en niet eerst me -zelf in de wereldopinie verlagen.” - -Zonder te spreken, hervatte Frank zijn heen en weer loopen. De handen -in de zakken, het hoofd diep op de borst gebogen, ging hij telkens -langs haar heen. - -Eindelijk hoorde ze hem zeggen, schor fluisterend tusschen de tanden: - -„Wereldopinie! dus toch angst voor de wereldpraatjes!” - -„Niet voor mij zelf, Frank!” riep ze smeekend tot hem opziend, bang -voor misverstand. „Begrijp me toch, voor mij zelf ben ik onverschillig -voor de wereld! Heb ik niet mijn heele moeielijke leven door alleen dat -gedaan, wat ik zelf voor plicht en goed hield, zonder mij om allerlei -opinies te bekommeren? Maar voor de anderen hier, mag ik niet, Frank, -toe geloof me, ik mag niet!” - -Hij antwoordde niet, en zij, zacht pleitend ging voort: - -„O! als je ’t wist, hoe er onder de armen hier meisjes zijn, die alleen -het geloof in reinheid en goed zijn terug hebben gekregen, doordat ze -in mij geloofden, en uit de hoogere standen, hoeveel ik er gered heb -van het akelig luie leven van wachten op een man, doordat ze in mijn -werk leerden gelooven. O! Frank, dan zou je zelf inzien dat ik dat -geloof niet mag breken door een zondeschijn op me te nemen.” - -„Maar, mijn God, Corona, wat kunnen me al die anderen schelen! Zoo’n -handjevol Haagsche meisjes, wier deugd zoo zwak is dat ze valt of staat -met jouw voorbeeld, is dat de moeite waard, om ons heerlijke geluk aan -op te offeren?” - -„Ja Frank,” zeide ze met iets warm plechtigs. „Tenminste, als je -gelooft, zoo als ik, dat het doel van het leven niet is geluk, maar -volmaking, dan is het de moeite waard dat wij ons geluk van dit -oogenblik opgeven voor diegenen, al waren het er maar tien, maar vijf, -maar drie, voor wie een teleurstelling in mij een verlies van -vertrouwen in al het goede zou zijn!” - -„Dwaasheid,” zeide hij bijna grof. „Niemand is onontbeerlijk, dus jij -ook niet. Het is hoogmoed van je, Cora, om zoo te spreken.” - -Zij sloeg de oogen neer, peilend in haar eigen hart, zich onderzoekend -in grooten angst, en het frappeerde hem op eens toen hij op haar neer -zag, hoe sterk zij geleek, zoo, in het licht van de lamp, de donkere -wimpers blauwzwart kringend op de bleeke wang, op een Madonnakopje, dat -hem eens in een oude kerk in Italië getroffen had. - -Maar toen begon ze weer te spreken, de groote glansoogen tot hem -opgeslagen: - -„Ik geloof niet dat het hoogmoed is, want als in de physische wereld -het een bekend feit is, dat het kleinste stofje dat zich verplaatst -duizende en duizende bewegingen en tegenbewegingen in de wereld van het -onzichtbaar kleine wekt, dan moet dat in de moreele wereld ook zoo -zijn, en ik weet zeker, dat, als ik nu met je wegging, ik over heel -Nederland duizende cynische lachjes en hoonwoorden zou oproepen, die -aan ontelbare vrouwen den strijd zouden verzwaren voor een -onafhankelijker waardiger leven! Ik hoor het al: „Daar heb je nou weer -die doktores, in den Haag, die er van door is met ’n getrouwd man! Nou -zie je weer es, waar die emancipatie toe leidt!” En nu mag het waar -zijn, dat er dagelijks alles behalve geëmancipeerde vrouwen geschaakt -worden en bedriegen en zondigen, met logica houdt zich de wereldopinie -niet op, en het feit dat ik gestudeerd heb en .... „er van door was” -.... zou weer als wapen dienen tegen heel wat vrouwen die worstelen om -haar eigen weg te mogen volgen.” - -Zwijgend, in wrevelopstand tegen alles wat ze zeide bleef hij de kamer -rondloopen, woedend op zich zelf en haar, dat hij geen afdoende -weerlegging kon vinden. Toen begon ze weer, dringend, vol pijn om zijn -niet overtuigd zijn: - -„Luister Frank, toen ik pas aan de academie kwam, studeerde daar ook -een Oostersch meisje, dat wil zeggen van een Hollandschen vader en een -Javaansche huishoudster. Het was een vreemd kind, vol wilde -hartstochten, ook wel met iets goeds en aardigs in haar impulsies, maar -opgevoed zonder beginsel, zonder eenige zelfbeheersching, of liever -niet opgevoed, alleen opgegroeid. Als zij niet gestudeerd had en tot ’n -gewoon suf meisjesbestaan was veroordeeld geweest, zou ze al lang den -verkeerden weg zijn opgegaan, daar ben ik zeker van. Alleen haar -hartstochtelijke belangstelling in de studie, en haar kinderachtig -plezier om boven al de studenten uit te blinken heeft haar een tijd -lang tegen zich zelf beschermt. Zoolang ze intens opging in haar werk, -sliep het zinnelijke in haar, dat heeft ze me dikwijls gezegd. Zij was -bijzonder knap, de professoren, zelfs de conservatiefsten hadden -plezier in haar en de jonge lui waren bepaald onder den indruk van de -vlugheid en ’t gemak waarmee ze haar twee eerste examens had gedaan. -Toen kwam op een dag een Spaansche violist op een concert spelen, een -jonge man nog, met het gewone zuidelijke virtuosentype, donkere oogen -en lange genieharen en toen .... enfin, ’n paar dagen daarna hoorde men -dat het meisje verdwenen was en dat ze te Brussel en later te Londen in -zijn gezelschap gezien was, en jaren daarna heb ik eens gehoord dat -zij, natuurlijk door dien man verlaten, in de grootste ellende moreel -en physiek, in Parijs in een hospitaal is gestorven. En nou zul je wel -zeggen dat het een ouwe geschiedenis is en dat te allen tijde meisjes -van allerlei stand en aanleg zich hebben weggeworpen, maar als je het -schandaal aan de academie had bijgewoond zou je gezien hebben dat -daaraan op dat oogenblik niemand scheen te denken, en dat ook niemand -zich scheen af te vragen of ook de immoraliteit van haar geboorte, dus -haar vader de causa remota van haar lichtzinnigheid kon zijn. Het was -de studeerende vrouw, die in haar werd gegeeseld, het was de -emancipatie die de schuld van alles kreeg! Wil je wel gelooven Frank, -dat in die dagen, een professor, die altijd heel voorkomend was -geweest, mij zoo onbeschaamd behandelde alsof ik zelf het weggeloopen -meisje was? En onder de studenten, die tot dus ver volkomen correct -waren geweest, waren er toen, die in mijn tegenwoordigheid aardigheden -begonnen te vertellen, waar ik nog van walg, als ik er aan denk! De -aureool van de vrouw-student was vernietigd door dat ééne wilde kind en -het heeft wel een half jaar geduurd vóór ik m’n prestige geheel terug -had. Kun je niet begrijpen dat ik me zelf toen heilig beloofd heb om -anderen door mijn schuld nooit aan te doen wat ik toen heb doorstaan! -Een paar nichtjes van me, waarvan de eene in de theologie, de andere in -de pharmacie zouen studeeren, kregen na dat geval geen permissie van -haar vader meer, met dat gevolg dat eene van haar aan ’n treurige -zenuwziekte is weggekwijnd na een jaar of drie voortgesleept te zijn in -het gewone leven van haakwerkjesknutselen, suikerpotjesvullen, -visitetjesloopen, romannetjeslezen, stofjesafnemen van een hoogst -fatsoenlijke jonge dame. O! Frank, er zijn oogenblikken waarin ik alle -vrouwen zou willen toeroepen met een stem zoo geweldig dat het tot in -haar binnenste doordrong: In deze overgangstijden, waarin de vrouw nog -haar goed recht te bewijzen en te veroveren heeft om niet meer volgens -een conventioneel plan, maar in vrijheid haar eigen leven te leven, -laat toch allen, die de kracht in zich voelen baanbreeksters te zijn, -haar naam smetteloos bewaren en zelfs den schijn van het kwade -vermijden! Laat haar licht zijn als een baak, waarop andere zwakkeren -zich in vertrouwen kunnen richten! Haar verantwoordelijkheid is -vertienvoudigd sinds de groote massa naar elk harer daden niet haar -alleen, maar haar principes en haar streven zal veroordeelen! Begrijp -je nou waarom ik niet met je mee mag gaan?” - -Maar Frank antwoordde niet en bleef gejaagd op en neer loopen. Een -oogenblik was het doodstil, en het zware getik van de pendule drong in -haar hoofd, pijnlijk enerveerend, als het geklop van een groot -menschenhart. - -Suf zat Corona er even naar te luisteren, zonder ander bewustzijn dan -een vagen wensch, om de pendule te laten stilhouden, maar ze verroerde -zich niet en volgde met starende oogen, de altijd heen en weer gaande -gestalte. Eindelijk in wild aangroeiend verlangen om toch iets van hem -te hooren, begon ze weer zachtjes te spreken: - -„Toe, Frank, waarom zeg je niets! Zie je niet dat ik gelijk heb! .... -O! als ik met je mee ging, zou het geluk wel heel groot zijn! Heel -groot!”—en alsof haar lippen het heerlijk vonden even van dat geluk te -mogen spreken, herhaalden ze nog een paar maal: „Heel groot!”—„Maar hoe -lang zou het duren? Een half, misschien ’n heel jaar, misschien twee, -zoûen we ons hier of daar kunnen begraven en dan? .... dan zouên we -beiden, in de volle kracht van ons leven, gewend om te werken, terug -verlangen naar een breederen levenskring. Genieten alleen kan ’n -menschenleven niet lang vullen! We zouden terug verlangen naar strijd -en werk en dan .... O! Frank het is afschuwelijk zoo verstandig te -zitten praten als je zoo heel anders voelt, maar ik heb mij deze dingen -zoo dikwijls met alle kracht voorgehouden, omdat ik wist dat dit uur -van beslissing eens komen moest! En zie je, als we dan in de -maatschappij terug keerden, wat zou dan onze positie zijn? .... -Iedereen zou op ons neerzien .... en je kindje, Frank .... ik zou het -niet kunnen verdragen, dat je kindje de vrouw verachtte, die jouw -liefde bezat.” - -„Dat zou ze niet!” riep hij heftig. „We zouden haar samen opvoeden, -Cora, we zouden haar leeren naar ’n hooger moraal te oordeelen, dan -naar die van ’n verouderd menschenwetboekje? Mijn God! Gebonden te zijn -aan die men niet, en gescheiden te zijn van die men wèl liefheeft! en -dat zedelijkheid te noemen! Weet je waar die wettelijke huwelijksdwang -op lijkt? Op die rotte huizen in de achterbuurten, die door stutten -zoowat bijeen worden gehouden! Alsof dat nog ooit gezonde vroolijke -woningen konden worden!” - -Maar toen op eens voor haar staan blijvend, greep hij haar handje, dat -op tafel zenuwachtig met ’n vouwbeen lag te spelen, en zeide, schor met -een vreemde stem: „Dus ik heb het goed van je verstaan, Corona, je -weigert bij me te komen, tenzij dat gevloekte contract is verbroken en -ik je mijn wettige vrouw kan maken? Goed, het zal gebeuren, zooals je -wilt! Heel best, maar dan moet ik haar dwingen, de ellendige, die -tusschen ons staat, en ik zal haar mishandelen, slaan zal ik haar, als -het moet, tot ze op haàr beurt, me om scheiding komt smeeken. Dan -kunnen we met wederzijdsch goedvinden ’n comedietje van overspel of zoo -iets opvoeren,—in de rechtzaal nemen ze ’t zoo nauw niet met de -waarheid—en dan .... mooi zoo, eerst ’n correcte divorce en daarna ’n -correct huwelijk! Dan is de wereld tevreden, ben jij het dan ook, -liefste?” - -Corona zag angstig tot hem op. Zijn gezicht was vlak boven het hare, -vol wreede passies van nameloos wee, dat met zich zelve spot. Zij -trachtte haar hand los te maken, maar hij greep ook de andere, vlak om -de polsen en drukte ze alsof hij ze verbrijzelen wilde. - -„Frank, zeg toch zulke dingen niet! Was dat niet juist het heerlijke in -onze liefde, dat als we thuis kwamen, moe en ziek van al het wreede, -lage, booze dat in de wereld is, we toch zeker wisten, dat er ergens op -die wereld een mensch leefde, die in groote liefde aan ons dacht en in -wien we gelooven konden met een vroom hoog opzien! Je weet niet hoe -dikwijls me de gedachte getroost heeft, dat je groot en sterk waart! -Als ik wist dat je die vrouw mishandelde zou ik rampzaliger zijn dan ik -nog ooit geweest ben! Maar je meent het niet, je bent er niet toe in -staat.” - -„Misschien niet! Maar wat wil je dan toch in Godsnaam! Moeten we er ons -maar kalmpjes bij neerleggen en ons prachtige geluk zoo lamlendig -opgeven?” - -„O! Frank!” riep ze in een korten, tranenloozen snik. „Je maakt het me -zoo zwaar! Ja, we moeten geduld hebben. Die vrouw zal toch wel ééns -toegeven. Daar kunnen allerlei omstandigheden komen,.... ik weet -niet,.... je moet blijven aandringen, ze kan toch onmogelijk haar -weigeren volhoûen....” - -„Waarom niet? Ze kan ons geduld immers nog jarenlang tergen. En ik wil -geen geduld meer hebben! Zie je dan niet dat het me krankzinnig maakt -als ik zoo voort moet leven? O! je hebt misschien groot gelijk dat je -weggaan valsch zou worden uitgelegd en dat het daardoor aan een boel -vrouwen kwaad zou doen! Maar als je mij liefhadt zou je niet om al die -vreemden geven. Wat kan haar ellende in vergelijking met de onze zijn? -Cora, zoolang je je liefde niet boven dat alles stelt, geloof ik dat ze -een leugen is.” - -Zij kromp ineen, met een stijve beweging harer armen hem afwerend, toen -hij hartstochtelijk zich over haar heen boog. Het was het groote -gevaarlijke woord, dat sinds eeuwen vrouwen zwak heeft gemaakt. Want de -vrouw die liefheeft kan beter alles verdragen, dan dat er getwijfeld -wordt aan wat zij op dat oogenblik het sterkst, het heiligst in zich -voelt. Op eens ging er brandende koortstgloed door haar lichaam, een -krankzinnig verlangen om hem te toonen, dat zij hem wèl lief had: - -„Frank!....” - -Maar toen in eens, in een krampachtig samentrekken van haar wil, in het -besef dat het uiterste moment dààr was en zwakheid niet zijn mocht, -zeide ze met een vreemde stem, snijdend van ironie: - -„Dat is een theaterphrase, Frank, waar de premier amoureux gewoon is de -jeune première mee te vangen. Als je werkelijk aan mijn liefde -twijfelt, ga dan maar weg.” - -In een oogwenk lag hij geknield voor haar neer, haar handen bedekkend -met kussen: - -„Vergeef me, Cora! Maar het is zoo vreeselijk geen uitweg te vinden!” - -„Vaarwel!” zeide zij zacht, nog bleeker wordend, terwijl zij langzaam -opstond. - -Verder spraken zij niet meer. Hij had haar in zijn armen genomen, en -zij met een reine beweging van overgave had haar hoofdje tegen zijn -borst gelegd, en een oogenblik schreiden zij zoo samen. Nog nooit als -bij deze eerste omarming hadden zij zoo fel het peillooze wee van hun -verlangen en eenzaam-zijn gevoeld en toch was er weelde in dit zwaar -lijden samen. Toen nam hij haar hoofd voorzichtig tusschen zijn beide -handen en kuste even het koude voorhoofd en was weggegaan vóór zij het -vermoedde. - - - - - - - - - -Den volgenden morgen al vroeg stond Marguérite van Arkel voor Corona’s -bed. - -„Wat is er Maggy? O! wee, heb ik me verslapen? Hoe laat is het al?” Zij -schrok wakker, nog half bedwelmd door den zwaren morgenslaap, die volgt -op een nacht van groote uitputting. - -„Nee, rustig maar kindje, ’t is pas zes uur, en Marijken wou je juist -gaan roepen. Maar ik kwam even naar je kijken. Ik heb vannacht zoo -ontzettend met je mee geleden! Hoe is het gegaan Cora mia?” - -Corona richtte zich half overeind, steunend op haar elleboog, en zag op -tot Marguérite, de dof vermoeide oogen vol leedschaduwen. Toen zeide ze -met vaag klanklooze stem als of ze met haar gedachten ver weg was: „Hoe -het gegaan is, Maggy? Slecht, heel slecht, Maggy, heel slecht!” - -„Hoe bedoel je dat?” zeide Marguérite angstig. - -„Het kon niet anders, het beslissende oogenblik was gekomen en we -hebben een rampzalige explicatie gehad. Hij wou me mee nemen, en -niettegenstaande alle conventies gelukkig zijn, en hij had gelijk! en -ik wou niet met hem mee gaan en iedereen teleurstellen, en ik had ook -gelijk! En van de twee heb ik helaas getriomfeerd?” - -„Goddank!” zeide Marguérite. - -Corona liet zich weer achterover vallen in bed in een beweging van -moedeloosheid en bitter vroeg zij: - -„Och, waarom? Niemand is onmisbaar!” - -„Cora! Schaam je je niet! Jij hebt me zelf de les vol raadsels -ingeprent, dat niemand onmisbaar is en dat toch ieder een zware -verantwoordelijkheid is opgelegd. Heb je me niet dikwijls gezegd hoe je -geloofde dat ieder van ons bewust of onbewust een partij in ’t groote -wereldconcert heeft te vervullen, al was het ook maar eén enkele -vioolstreek of paukenslag en dat ieder, die iets begrepen heeft van die -taak van medespeler in het wonderbare geheel, en eerlijk zijn -gewetensdrang volgt, die partij ook op zich zal nemen al zou het hem -alles kosten!” - -Een moe glimlachje schemerde even over Corona’s gezicht. Het was haar -een vreemde satisfactie, Frank’s argument van gisterenavond nu zelf te -gebruiken en weerlegd te worden met bijna haar eigen woorden. Toen -zuchtte zij lang: - -„Ik wou dat ik vandaag maar in bed kon blijven! Zoo den heelen dag, -zonder denken, zonder bewust zijn, als of ik dood was. Het is alles zoo -afgrijselijk! Toe laat me maar liggen, Maggy!” - -Marguérite kende die oogenblikken, waarin het leven zoo zwaar is, dat -het ons toeschijnt als of het boven onze krachten gaat om voor een -nieuwen dag den smartelijken last weer op te nemen. Zij zette zich neer -op den rand van het bed en streelde Corona’s hand. - -„Liefste, hoe onverstandig van je! in bed te willen blijven, jij nog -wel, die honderden door werken getroost en genezen hebt! Je hebt me -verleden immers nog à propos van Mientje van Herkelens gezegd hoe het -ongeluk voor zooveel vrouwen juist daarin ligt, dat zij al den tijd -hebben om zich in haar leed te koesteren als ’t ware, en te verdiepen, -te verdiepen, tot ze er in weg zinken en nooit meer naar de oppervlakte -kunnen stijgen! Ik ben heel blij dat je vanmorgen plichten heb, die je -wachten, en zieken die je genezen moet en een massa menschen waar je -voor denken en handelen en leven moet!” Corona antwoordde niet, maar -begon langzaam op te staan en zich te kleeden. - -Een poosje zwegen zij. Marguérite was bij het raam gaan zitten op den -eenigen stoel die er was, want het kamertje was klein en blijkbaar werd -het alleen gebruikt om in den kortst mogelijken tijd door slaap en koud -water de verbruikte krachten te herwinnen. - -„Cora!” zeide Marguérite aarzelend. „Ik begrijp heel goed dat jullie -erg ongelukkig bent, maar, misschien is het toch eigenlijk maar een -wachttijd. Als Frank veel geld heeft verdiend, kan ie die vrouw -misschien wel afkoopen, ik bedoel haar een groote som beloven als zij -scheiden wil. En als zij maar ééns wil, zijn er wel middelen te vinden -om een scheiding gedaan te krijgen!” - -„Misschien wel,” zeide Corona mat, nog te veel geslagen om er in te -gelooven. Toen legde ze op eens de kam neer en stond voor Maggy, de -zwartzijden haren neerstroomend aan beide kanten van haar hoofd als -nonnensluiers die het bleeke gezichtje nog witter maakten: - -„Maggy, weet je wat ik daar denk?” - -„Nee, wat dan?” - -„Dit is de formule die we gezocht hebben voor vrouwenemancipatie: De -vrouw hebbe het recht om mee te werken aan de wetten die eenmaal op -haar leven en dat van haar zusters en dochters een beslissenden invloed -kunnen uitoefenen!” - -„De formule is niet goed,” zeide Marguérite. „Want ze geeft alleen maar -’n klein gedeelte van ons streven terug.” - -„Dat is ook zoo, maar mij dunkt dat dit toch wel, voor de menschheid, -één van de groote weldaden er van zal zijn! Als je wist in hoeveel -huishoudens ik kom, onder alle standen, waar betere -echtscheidingswetten, een redding van zedelijkheid en waardigheid -zouden zijn geweest, als je al het leed kondt zien, al de zonde, zooals -ik ze van nabij heb gezien, voortkomende uit dat onverbreekbaar -saamverbonden zijn van twee levende elementen, die niet meer door den -tooverband van affectie zijn vereenigd, dan zou je ook zeggen ..... -enfin, en dan nog al de andere verouderde wetten, die betrekking hebben -op onzen rechtstoestand ..... Geloof je niet, dat, als er -vrouwen-kiezers, vrouwen-afgevaardigden waren, die hadden zien lijden -of zelf hadden geleden, zooals ik het heb gezien en gedaan, er heel wat -flinker zou worden aangepakt om de toestanden te verbeteren?” - -„Natuurlijk,” zeide Marguérite, glimlachend, „ik geloof zelfs dat als -de wetgevers bijvoorbeeld alleen uit vrouwen bestonden, er veel te gauw -aangepakt zou worden. In de meesten van ons zit iets van de Hollandsche -huisvrouw, die, als ze wat stof op een meubel ziet, en zoo gauw geen -stofdoek bij de hand heeft, haar zakdoek of schort zal gebruiken, -gehoorzaam aan het instinkt om elke onreinheid onmiddellijk te -verwijderen. Moreel zouden wij dat ook doen en onder onze absolute -heerschappij zou dus de wereld zelfs misschien veel te hard -vooruitloopen, bijna op hol gaan.” - -„Maar daarom ook is immers een bestuur bestaande alleen uit vrouwen of -alleen uit mannen, altijd nadeelig voor de gemeenschap!” zeide Corona. -„Physiek zijn man en vrouw twee equivalente deelen van het menschtype, -nietwaar? Zij zijn precies gelijk, de een kan zonder de andere niet -voortbrengen, alleen door hun vereeniging blijft het ras in stand en is -er een toekomst mogelijk. En die zelfde wet geldt ook, moet gelden in -de moreele en maatschappelijke verhoudingen. Alles wat tot stand komt -door samenwerking van mannen en vrouwen moet noodwendig vruchtbaarder, -rechtvaardiger, evenwichtiger zijn, dan wat een van de beide geslachten -alleen heeft gedaan.” - -„Getuige ons wetboek!” riep Marguérite. „Maar er is immers ’n commissie -bezig geweest het te herzien, nietwaar?” - -„Ja, een commissie! ....” antwoordde Corona met voor het eerst iets als -een lach. „In 1880 is die aangesteld, maar ik hoor dat die herziening -niet veel verbetering behelst en wanneer zal dat ontwerp eindelijk es -in behandeling komen?” - -Beiden zwegen een lange poos, terwijl Marguérite zich in stilte -verheugde dat zij gekomen was, en Corona had kunnen opwekken uit haar -eerste diepe neerslachtigheid. Zoodra zij zich maar weer kon verdiepen -in die vragen, waaraan zij haar leven gewijd had, zou ze weer meester -zijn over haar eigen leed. Niets is zoo machtig om eigen smart op den -achtergrond te dringen als het zich hartstochtelijk absorbeeren in een -groot algemeen belang. Het werkt als een hefboom, ons oprichtend uit de -diepten van zelfmedelijden en zelfzuchtig neerzitten. Dankbaar zag -Marguérite hoe langzamerhand onder het voortdenken, Corona’s loome -lusteloosheid verdween en de oude rustige veerkracht in hare bewegingen -terugkeerde. - -„Weet je wel Maggy,” zeide Corona eindelijk, „dat over vijftig jaar de -heele wereld zal lachen om al dit geschrijf en gepraat voor en tegen de -vrouwenemancipatie. Het jongere geslacht zal er niets meer van -begrijpen, en het zal er om lachen, zooals wij nou zoûen lachen als er -brochures en boeken vol werden geschreven om te bewijzen dat ’n -huisgezin waar een lieve intelligente moeder de zorgen voor haar -kinderen met den vader deelt, oneindig completer, gelukkiger moet zijn -dan eén waar zoo’n moeder ontbreekt. En dan te denken dat het nog -zooveel moeite kost om de menschen te laten begrijpen, dat het in het -groote huishouden van den staat of van de gemeente precies hetzelfde -is!” - -Corona was klaar en samen, de armen om elkaar heengestrengeld, terwijl -Marguérite, die zooveel kleiner was, haar hoofd op Corona’s schouder -liet rusten, daalden zij de trappen af naar de smalle ontbijtkamer -beneden. - -Het was de houding die kostschoolmeisjes zoo gaarne aannemen, een -houding van teederheid en vertrouwen, waarbij gewichtige kleine -geheimen zoo makkelijk worden uitgesproken; en Cora en Maggy, van af -die eerste tijden van haar vriendschap, toen zij zooveel jonger waren -en deze omstrengeling voor haar weinig expansieve naturen een groote -liefkoozing beteekende, hadden zich aangewend om dikwijls zoo te -loopen. Iets van veiligheid en troost lag er in, om steunend op elkaar, -zoo samen voort te gaan. - - - - - - - - - -Ottilie van Heemeren lag uitgestrekt op de rustbank in haar boudoir en -telde de geschilderde bladeren van den rand van het plafond. Het -regende dien morgen, zoodat zij haar plan had moeten opgeven om naar -het strand te gaan, waar zij wist dat zij van Smaarth zou ontmoeten. -Een oogenblik richtte zij zich op: Zou ze toch maar gaan? Met den -dikken wollen regenmantel? Zij zag naar de lucht, een vale hemel vol -grijze waterdampen, waaruit het eindeloos scheen te zullen -neerstroomen; zelfs de bontvroolijke kamer, met al haar -weeldegeschitter, zag er kil uit op dit oogenblik, en zuchtend liet zij -zich weer neervallen. Zij trachtte zich nu het strand voor te stellen, -zooals het er uit moest zien, de effen geelgrijze lucht en daaronder -het woelende water, koud, grijs met zwarte strepen, en hier en daar een -witte schuimkop, die schuim, die in de zon zoo lachend kon schitteren -en dansen, maar bij zulk weer angstig opfladderde als voortgejaagde -schimmen. De natkoude wind en de druipende stoelen op hoopen bijeen -gezet en hier en daar ’n badgast, die door de uiterste verveling -gedreven of door aandoenlijke gehoorzaamheid aan het woord van den -dokter, om toch zooveel mogelijk van de zeelucht te profiteeren, zich -onder oude verschoten mantels en sjaals heeft bedolven, en verkleumd en -verwonderd den voorbijganger aanstaart. Huiverend rekte ze zich uit op -de sofa: „’n mooie plaats om te flirten, zoo’n druipnat strand! -Misschien is van Smaarth ook wel zoo wijs geweest om niet te gaan! Maar -hij zal het niet hebben durven laten om de mogelijkheid dat het weer -opklaarde, en ik toch nog kwam. Poor fool! pauvre petiot: onder zulk -weer samen alleen op het strand zou toch wel wat heel compromettant -zijn geweest! Als ie dat niet begrepen heeft moet ie voor z’n straf ook -maar ’n paar natte uurtjes op de uitkijk staan!” - -Zij glimlachte, het wreede sfinxenlachje. De dwaze figuur van dien -wachtenden minnaar onder een parapluie verdreef een oogenblik de -drukkende verveling. Toen begon ze weer onwillekeurig de bladeren op -het plafond te tellen: dertien, veertien, vijftien! Maar waar moest dat -romannetje met Johnie nou toch eigenlijk op uit loopen? „Soms geloof -ik, dat het hem ernst begint te worden. Wat heeft ie zacht krulhaar en -vreemde oogen! Dat is zijn charme, geloof ik, die donkere, vreemde -oogen.” - -Zij stond op en liep doelloos door de kamer, de handen op den rug. „Zou -het dan eeuwig blijven regenen? O! dat gevoel van namelooze verveling! -Zij nam haar boek op, dat half opengesneden was: „Mensonges” van -Bourget. Maar dadelijk legde ze het weer neer. Er was iets in de -volkomen, en toch bijna onbewuste demoralisatie dier Susanne Moraine, -dat haar dien morgen ondragelijk was. De beschrijving der verfijnde -dierlijkheid, van het als ’t ware spelend neerzinken dezer vrouw, tot -de uiterste depravatie, maakte haar zenuwachtig. Er spatten vonken uit, -verlichtend dingen in haar eigen leven, die zij liever in donker liet. -En weer liet ze zich achterover vallen op de rustbank. Het was de -gewone geschiedenis: door lusteloosheid kwam ze tot nietsdoen en door -nietsdoen werd de lusteloosheid hoe langer hoe drukkender. En wat zou -ze ook doen? Een oogenblik nog kwamen er een paar grappige gedachten, -zooals door regenwolken een valsch waterzonnetje breekt; maar voor wie -gewend zijn met haar geest te schitteren in een kring van vleiende -bewondering, is er weinig aantrekkelijks in om geestige dingen te -bedenken in eenzaamheid. Weer daalde verveling op haar neer, grijze, -oneindige, en juist haar intellectueele gaven en de bloeiende -gezondheid van haar jong lichaam, maakten die nog gevaarlijker, omdat -zij de doffe uren opvulden met hartstochtelijke verlangens naar leven -en genieten, zooals zij nog nooit geleefd en genoten had. Dat genieten, -zooals zij het zich nu voorstelde, alleen korte oogenblikken kan geven -van koortsigen gelukswaan, zonder bevrediging, zonder verzadiging -zelfs, waarna het ontwaken komt vol desillusie-bitterheid, en dat -levensvoldaanheid alleen wordt geboren uit ernstig arbeiden voor iets -dat ons lief is, dat ons met bezieling vervult, waren waarheden, die -niet in het bereik lagen dier jonge vrouw, nog in den bacchantenroes -harer ijdelheid. Als madame Bovary, en al hare zusters over de geheele -aarde, een druk vroolijk huishouden van tien kinderen hadden gehad, of -zich aan de zieken van haar man hadden gewijd, of uit armoede hadden -moeten les geven aan de dorpsschool, zouden zij hoogst waarschijnlijk -niet gezondigd hebben. Eerst een gewone meisjesopvoeding, waarbij, door -het stelselmatig eenzijdig ontwikkelen van het gevoelsleven alleen, het -natuurlijk evenwicht wordt verbroken tusschen verbeelding en logisch -beschouwen, daarna een bestaan zonder doel, zonder werk, waarop de -volwassen levenskrachten kunnen worden geconcentreerd, is het wonder -dat zoovele vrouwen de holheid van haar bestaan trachten op te vullen -met de prikkelende emoties van ongeoorloofde verhoudingen? - -Een half uur lag Ottilie stil achterover, terwijl de gedachten kwamen -en gingen, vluchtig en toch duidelijk zooals in droomen, over briefjes -die zij schrijven moest, over een gebroken armband, over vleiwoorden, -die men haar gezegd had, over van Smaarth, over het nieuw zijden kleed, -blauw met Brusselsche kanten, voor Valérie Vermaezen’s bruiloft, over -een zelfmoord in de courant, over Rooselaar’s hardnekkige blindheid om -niet te zien dat Corry met hem speelde, allemaal onderwerpen geschikt -om met kennissen uren lang te bepraten, maar armzalig gezelschap op een -regenmorgen, alleen. Soms met een loomen armbeweging nam zij een bonbon -van het tafeltje naast haar, fondants met liqueur er in. Het was -verbazend hoeveel zij den laatsten tijd daarvan gebruikt had. Maar dit -voorjaar, nu de maalstroom van amusementen wat bedaard was, waren er -zooveel van die leege uren, en telkens als ze zich verveelde kreeg ze -zoo’n flauw hongergevoel, waartegen de liqueur-bonbons moesten helpen. - -Eindelijk werd er gebeld. Zij luisterde met kinderachtig verlangen. Zou -het maar een leverancier zijn? of ’n afleiding, ’n briefje, ’n visite? -Met een gevoel van bevrijding sprong ze op, toen Gladys van Praege en -haar beide kinderen even daarna binnen kwamen. - -„Hoe gezellig, dat je de kinderen hebt meegebracht! kom je ’n beetje -rustig praten? Dag broertje! Hé, wat ’n frissche wangen!” - -De kleine Hajo liet zich gewillig kussen en ging naast haar op de sofa -zitten, vertrouwelijk spelend met de ringen van haar linker hand. -Kleine Mary stond schuw naast haar moeder en keek scherp onderzoekend -naar Ottilies zware zwarte haar. - -„Hoe vreeselijk toevallig, dat je vanmorgen juist aankomt? - -Ik had je net ’n briefje willen schrijven of je vanavond met je man -kwam theedrinken?” - -„Mogen we liever een andere avond? Vanmiddag krijg ik juist m’n zuster -uit Amerika te logeeren, je weet wel Maud, de oudste, en zoo’n eerste -avond zoûen we liever stil samen thuis blijven, dat begrijp je wel, -nietwaar?” - -„Natuurlijk. Maar hoe heerlijk voor je. Je hebt haar zeker in lang niet -gezien?” - -„Nee, niet sinds m’n huwelijk. Ze kon nooit overkomen omdat haar -betrekking zoo druk is. Je weet ze is eerste geneesheer aan ’t groote -hospitaal van Washington. Maar nou heeft ze ’n jaar verlof gevraagd om -een beetje op rust te komen en wat van Europa te zien en ze zal nou bij -me blijven tot .... de kinderen ’n nieuw broertje of zusje hebben -gekregen ....” - -„O! .... zoo, zoo .... wel .... dat is heerlijk voor je! Is je zuster -al in Engeland?” Een nuance van ironie lag in Ottilie’s stem. - -„Ja gisteren heb ik ’n telegram uit Liverpool gekregen, en vanmiddag -wacht ik haar hier.” - -„En wat zegt je man er van dat je nog zoo’n derde lastpostje gaat -krijgen?” - -Gladys kleurde even, met een flauwen glimlach; zonder te antwoorden zag -zij het raam uit. - -„We zijn geen laspossen van mama!” zeide kleine Hajo, haar strak -aanziende, ernstig, met ronde verwonderde kinderoogen. „We zijn mama’s -Arlis en papa’s laspossen.” - -„Mama’s Darlings, meent ie zeker,” legde Gladys uit en weer steeg langs -het doorzichtige teint een roode gloedgolf. „En papa noemt ze misschien -wel es lastpostjes voor de grap.” - -Ottilie lachte. Zij begreep er alles van. Den vorigen avond was van -Praege op het Kurhaus bij hen komen zitten; zij hadden zich uitstekend -samen geamuseerd, en zij kon het niet helpen, zij lachte, zij vond er -iets belachelijks in, dat dat naïeve schepseltje daar nog zat te -probeeren om de hoe langer hoe duidelijker wordende scheuren te -bedekken van de bouwvallen van haar huisgeluk. - -En terwijl Gladys, in de blijheid van haar zusterweerzien voortsprak, -levendiger dan gewoonlijk, zat Ottilie met haar raadselglimlach en -koude oogen, en nam het blonde kopje in koele analyse op, zich -afvragend, waarom zulk een bekoorlijk vrouwtje, dat zooveel -bewonderaars kon krijgen als ze wilde, haar man bleef voorspreken en -treurend bij de kinderen thuis zat, in plaats van zich van haar kant -ook te amuseeren. - -Hoe dat amuseer-leven haar zelf juist nog een oogenblik te voren tot -vervelingswanhoop had gebracht scheen ze zich niet meer te herinneren, -en zoo als allen, die gewend zijn weinig na te denken en naar een enkel -individu een tallooze massa te beoordeelen, trok ze in stilte haar -conclusie: „Wat zijn die Amerikaansche vrouwen toch onnoozel!” - -Gladys stond op. „Nou kinderen, nog gauw ’n boodschap in de Pooten en -dan naar huis.” - -„Mag ik dit boek nog even uitzien?” zeide Mary. Zij was verdiept in -Flora’s Feast van Crane en haar kleine feeënziel scheen geboeid door -den feeëndans der bloemen. Een vreemd teer kind was Mary met intuïtief -begrijpen van dingen, veel te zwaar voor haar klein-kinderziel van -zeven jaren, die zich schuw droef soms kromde onder het gewicht van -haar voelen. Gladys was dikwijls angstig over haar; er was een -uitdrukking in de donkere grootdroomende kinderoogen, die haar ’s -nachts kon doen opstaan om te zien of alles wèl was in het witte -ledikantje en nooit zonder een gevoel van dankbaarheid zag ze haar -lachen en spelen als een gewoon kind. - -„Het regent zoo, laat ze maar hier tot je terugkomt, en haal ze dan -even aan, je moet toch hier voorbij,” zeide Ottilie. - -„Maar zullen ze ’t je niet lastig maken, die kleine kleuters? Wou je -erg graag blijven, Mary?” - -„O ja, mama, kijk es hoe prachtig! die man schenkt vlammen van de eene -tulp in de andere; zeker bloemenvuur dat niet verbrandt, en ziet u es -hier, dat engeltje met vleugels van crocusbloemen, dat een zonnestraal -opvangt in een crocuskelkje!” - -„Prachtig!” zeide Gladys, zich tot haar bukkend met die teere volle -belangstelling, waarmede zij alles van haar kinderen tegemoet kwam. -„Nou maar tot straks dan; zul je heel zoet zijn broertje?” - -„Broer, kom ook es kijken,” riep Mary opgetogen bij een nieuwe bloem. - -Maar de kleine jongen, door al het bonte speelgoed, dat hem -tegenflonkerde in de tallooze luxevoorwerpjes, opgewonden, stapte rond -op zijn kleine stevige beenen, de handjes voorzichtig opgeborgen in -zijn zakken, de oogen vol schroomvallige begeerlijkheid. - -„Kom es hier!” riep Ottilie, „kijk es wat ik hier heb!” En terwijl zij -zich lachend in een laag satijnen fauteuiltje liet zakken, hield zij -hem een van die karikatuurachtige Japansch-porceleinen poppen tegen, -die met hun hoofd kunnen knikken en de tong uitsteken. - -Hajo schaterde en kwam met uitgestrekte handjes op haar toe geloopen, -maar met opgeheven arm hield zij het dingetje omhoog. Lachend de mond -en ernstig de oogen, stond hij even stil, opziende tot het lokkende -speelgoed, overleggend in zijn kleinen bol hoe het te bereiken. Toen op -eens, met een grappig aanloopje van waggelende bedrijvigheid klom hij -op haar schoot, met zijn handjes haar arm omklemmend om dien naar -beneden te trekken. Maar plagend hield zij de pop stijf omhoog en een -kleine worsteling volgde, voor haar een spel, voor hem een -hartstochtelijk inspannen van al zijn krachten. Maar toen in eens, bij -het voelen trappelen der kleine voeten in haar schoot, bij den druk der -warme grijpende handjes op haar arm, bij het voelen wringen en bonzen -tegen haar borst van het week buigzame en toch zoo stevige lichaampje, -werd een troublant weeldegevoel in haar wakker. En in eens in een -passie kwam het over haar. - -Al de overspanning en verveling der laatste tijden, al haar drang naar -een ongekend nieuw geluk, al haar onbevredigd voelen, loste zich in dit -oogenblik op in een wild verlangen naar zoo’n klein lichaam dat haar -zou toebehooren. - -De opgeheven hand zonk neer, en Hajo jubelend zijn heerlijk -kinderlachen greep het Japansche monster, maar zij, de armen om hem -heen, hem vast tegen zich aandrukkend, bedekte zijn gezichtje, zijn -handjes, zijn kleertjes met heete gulzige kussen. - -Angstig, om het plotselinge, heftige der liefkozing, spartelde het kind -om los te komen en in een oogwenk stond Mary naast hen, Ottilie’s arm -in haar kleine nerveuze handen knijpend, totdat zij met een kreet van -pijn de krampachtige vingertjes afschudde, maar tegelijk ook gleed Hajo -van haar schoot. - -„U mag broertje geen pijn doen! Ik zal het aan mama zeggen!” zeide het -meisje, de vroegwijze kinderoogen vol verwijt. - -„Jou kleine feeks, wat heb je me verschrikkelijk geknepen! Pas maar op, -dat ik dàt niet aan mama vertel! Ik heb broertje geen pijn gedaan, is -’t wel, Hajo? Nee, zie je wel, hij schudt zelf van nee. Maar kom dan -nog es even hier, kleine vent!” - -Zij strekte de armen uit, in een groot verlangen nog eenmaal de -weeldeprikkeling te voelen van straks. De drukking van het warme ronde -lijfje tegen haar borst, had er op eens een koud gevoel achter gelaten: -bijna physiek leed zij onder het plotseling leeg voelen van haar armen. - -„Kom maar gerust, kleine kleuter, kom maar! Als je hier komt mag je het -popje hoûen!” - -En toen het kind schuw gehoorzaam naderde, trok zij hem wild op haar -knieën, het gezichtje met heete hartstochtkussen bedekkend, in -koortsige haast, want het was haar alsof ze een diefstal beging, een -verboden geluk roofde, alsof zij zonde bedreef door het frischrose -kinderhuidje onder haar brandende lippen te doen gloeien. - -Maar het kereltje begon bang te huilen, en weer kwam Mary tusschen -beiden: - -„Mama wil volstrekt niet, dat we door vreemde menschen gezoend worden. -Waarom neemt u zelf niet een eigen kindje om mee te sollen?” - -Ottilie stond op, plotseling duizelig, met een brandend moe gevoel in -haar hoofd. Zij zag het meisje aan, en een wreede woede, een -krankzinnig verlangen welde even in haar op, om die mooie kinderoogen -vol tranen te zien, haar te mishandelen. Toen lachte zij, het hoofd -achterover en belde en tot de knecht die dadelijk verscheen: - -„Och, Hendrik, neem die kinderen toch mee naar beneden; ze zijn me veel -te druk en te lastig. Laat Mina maar op ze passen tot mevrouw van -Praege ze komt halen.” - -En zonder hen zelfs vaarwel te zeggen, duwde ze ongeduldig de kleinen -de kamer uit en wierp zich voorover op de rustbank, uitbrekend in -tranen. - -Lang lag zij zoo, het hoofd voorover, haar kreunen van wanhoop smorend -in het zachte witzijden kussen, weenend in al de wilde onstuimigheid -harer ziel, zich overgevend aan haar leed, toomeloos zooals zij het aan -haar amusementen deed. - -Eindelijk werd ze gewekt door een zachte hand, die haar streelend over -het hoofd gleed. Zij schrikte op, boos dat zij gestoord was, angstig -dat iemand haar zoo had gezien, maar toen zij Corona van Oven had -herkend, legde ze zich weer neer, gerustgesteld en schreide voort, maar -nu toch kalmer. - -„Wat is er Tilie, wat is er gebeurd?” - -Zij schudde het hoofd zonder op te zien. - -„Gelukkig, ik dacht dat er iets vreeselijks was, toen je me niet hoorde -binnenkomen en ik je zoo zag liggen. Kom bedaar nou maar, en laat er -ons samen over spreken, wat is er voor verdriet? Als het niet erg is, -moet je je ook niet zoo opwinden! Kom, vertel het me nou maar!” - -Maar Ottilie lag onbewegelijk, mokkend het gezicht verborgen, alsof zij -nooit meer zou willen opzien. - -Corona glimlachte en zette zich rustig naast haar neer. Zij kende haar -patiënten en gewild vroolijk hernam zij: - -„Kom Tilie, wees niet zoo kinderachtig; ik weet het immers al lang! -Gisteravond wat veel champagne en hofmakerij en vandaag hoofdpijn en -tranen. Het is de eeuwige afwisseling van opwinding zonder geluk en -depressie zonder verdriet, waar jullie wereldvrouwtjes je leven mee -verknoeit.” - -Ottilie kwam dadelijk overeind, gekwetst door Corona’s spottoon, waar -zij medelijdend beklag verwacht had: - -„Hoe leelijk van je, Cora, om te zitten lachen als je me ongelukkig -ziet. Ik heb gisterenavond geen druppel champagne geproefd.” - -„Wel, wat is er dan?” zeide Corona, voldaan over de uitwerking van haar -toon. - -„Wat er is? Gladys van Praege is net hier geweest met haar kinderen en -toen ik zoo met hen speelde, kwam het ineens over me, hoe rampzalig -leeg en doelloos m’n leven eigenlijk is? Waar besta ik voor? Waarom ben -ik op de wereld? Je denkt dat ik me amuseer, maar dat is een leugen, ik -ben rampzalig, Corona, versta je? Ik verga van verveling en van heimwee -naar iets anders! O! ik wou dat ik maar dood was! Ik kan me best -begrijpen dat zooveel menschen tot zelfmoord komen!” - -Corona zat stil en zag aandachtig naar de gebogen gestalte, welke nu en -dan een hijgende snik nog doortrilde. Nu ruim een jaar geleden had zij -juist zoo’n scène met haar doorgemaakt, met dezelfde wanhoop en -dezelfde klachten. Zij had haar toen volkomen au sérieux genomen, -geloovende in de waarheid van haar verlangen naar iets beters en zij -had met haar gestreden, haar gesteund met raad en liefde: deze jonge -vrouw was te intelligent, van nature in alle opzichten te rijk -aangelegd, meende ze toen, om in oppervlakkige genotzucht onder te -gaan. Maar kort daarna was Ottilie naar Zwitserland vertrokken met -koffers vol nieuwe toiletten, en bij haar terugkomst had ze zich met -hartstocht weer in het oude ijdele leven teruggeworpen, toen had Corona -zich stil terug getrokken, tegen Marguérite van Arkel haar -teleurstelling aldus uitdrukkend: „Zij behoort tot de velen die door de -natuur goed maar door hun opvoeding slecht zijn gemaakt. Als men van -haar geëischt had een mensch, een ernstige vrouw te worden, zou ze het -geworden zijn, nu heeft men van haar geëischt een pop, een bekoorlijk -luxevoorwerp, een ornament van een rijk huis te zijn, en ze is het -geworden, te zwak om zich een ander ideaal te kiezen dan ’t welk men -haar altijd heeft voorgehouden!” - -En nu, na al die maanden was dezelfde wanhoop weer daar! Zou ze haar -nogmaals au sérieux nemen? of was het niets dan verveling met een -beetje voorjaarssentimentaliteit, die haar zoo liet spreken? of een -uiting van naïef zelfbedrog om in haar eigen achting en die van Corona -te stijgen, door zich als martelares van haar fladderleven voor te -stellen? - -Een oogenblik doorkruisten deze beschouwingen de gedachten der jonge -doktores. Zij kende de vrouwen. Zij wist dat er wanhoopswoorden zijn -die uit ijdelheid voortkomen, en dat er ijdelheidswoorden zijn die -wanhoop beteekenen, en ze besloot voorzichtig te zijn maar toch in -ernst en vertrouwen te antwoorden. - -„Wat spreek je toch van zelfmoord, Tilie, natuurlijk kun je je die -voorstellen, want zoo’n leven als jij nou leidt, van overprikkeling en -zoeken van genietingen waarvan op den bodem walging ligt, brengt daar -heel makkelijk toe! Maar je bent nog jong genoeg, om liever je leven te -veranderen dan zulke groote woorden te kermen.” - -„Ik kerm geen groote woorden!” zeide Ottilie wrevelig, „maar je wilt me -niet verstaan. Ik zeg niet dat ik me vermoorden wil, maar dat ik wou -dat ik al dood was! Zoó kan ik niet langer voortleven.” - -„Ik wou dat je dat waarachtig meende, dat je zoo niet langer leven -wilt! Maar ik heb dat al door zoo veel vrouwen en meisjes hooren -zuchten, maar iets doen om anders te gaan leven willen ze niet.” - -„Wat moet ik doen?” zeide Ottilie aarzelend, want ze voorzag het -antwoord. - -„Werken! Tilie! Weet je niet meer dat ik het je verleden jaar ook -gezegd heb? Werken voor iets dat je bezielt of voor iemand! Het is het -eenige remedie voor al de kwaaltjes van wuftheid en zonde en wanhoop en -verveling en zenuwachtigheid, die de vrouwenwereld verwoesten.” - -„Maar wat zal ik werken? Ik heb me verleden jaar in drie besturen van -liefdadige vereenigingen laten kiezen, en ik heb in twee commissies -voor Bazaars gezeten, maar wat geeft dat?” - -Corona glimlachte. „Ik spreek niet van bestuurtjes en vergaderingetjes, -maar van werken. O! die naïefheid van dames om zulke administratieve -bezigheidjes werk te noemen! Werk voor een volwassen mensch in de -kracht van zijn leven, is heel wat anders.” - -„Maar wat voor werk zou er voor mij zijn? Eens ben ik es armenbezoek -gaan doen, verleden Januari, was het, geloof ik, omdat ik gelezen had -dat het in dezen tijd zoo noodig is dat de hoogere en lagere standen -elkaar leeren kennen. In de Lage Nieuwstraat woonde een arme vrouw, die -wel es bij me bedelde en ik had gehoord dat ze erg vuil was, maar -verder heel fatsoenlijk, zoodat ik er wel naar toe kon gaan, maar.....” - -„Natuurlijk!” zeide Corona, in bijna onbewuste bitterheid, „als ze niet -fatsoenlijk was geweest zou je er niet heen zijn gegaan. Dat was al -dadelijk iets dat je kondt leeren uit dat bezoek, dat de zedelijkheid -in de lagere standen altijd angstvallig wordt nagegaan vóór we zoo goed -zijn tot hen neer te dalen, terwijl we al bitter weinig streng zijn -voor de heeren en dames, die we aan onze tafel ontvangen, als ze -tenminste de vormen maar zoowat observeeren.” - -Maar Ottilie scheen niet geluisterd te hebben, en ging voort, vervuld -met haar eigen verhaal: - -„Ik had een speech klaar gemaakt over zindelijkheid, en bonbons voor de -kinderen meegenomen. Heusch, Cora, ’t was heilig m’n bedoeling daar -goed te gaan doen. Maar je kunt niet gelooven wat ik ondervond. Eerst -al, toen ik nog rondzwierf in het labyrinth van de Lage Nieuwstraat om -het huis te vinden, kwamen overal vrouwen aan de deuren om naar me te -kijken; ’t was ’n soort van opschudding in dat vunzige wereldje. -Sommige keken vol wantrouwen naar m’n toilet, een riep me hatelijke -geestigheden na, en toen kwamen er ’n paar met benauwende familjariteit -vragen waar ik zijn moest, en toen ik den naam genoemd had, waren ze ’t -oneens over het nummer, en begonnen ruzie met elkaar te maken in -woorden die ik nooit gehoord had. En eindelijk toen ik m’n menschje -gevonden had, en wou binnengaan, dankbaar om even aan al die -nieuwsgierigheid te ontsnappen, o! foei, je kunt niet begrijpen wat ’k -daar voor ’n toestand vond. Op de kachel stond ’n pot met aardappelen -en uien, en ik die geen uienlucht kan verdragen! In de bedstee lagen -twee vieze kinderen, éen met een vuurrood gezicht vol pukkels en de -bedstee was zoó, dat ik er me nooit in zou hebben durven neerleggen, al -had ik moeten omkomen van den slaap. In den anderen hoek bij de tafel -stond de vrouw wasch te stampen, en uit haar tobbe steeg een dikke -walgdamp, een weeë verpestende damp van vuil goed en zeepsop. Ik wou de -deur achter me openlaten voor ’n beetje versche lucht, maar dat mocht -niet: geen graadje warmte mocht verloren gaan, en ’n lange magere -jongen, zoowat van een jaar of zestien met nare glinsteroogen, die -zeker op het uiendiner stond te wachten, gooide met ’n bons de deur -achter me toe. Ik begrijp nog niet dat ik toen niet dadelijk ben -weggeloopen, maar ik had toch het gevoel dat ik iets zeggen moest en ’k -begon een paar woorden uit m’n aanspraak over zindelijkheid maar daar -valt me die lange bengel in de rede—later heb ik gehoord dat ie een van -de belhamels is onder zoo’n troepje opgeschoten socialistische -jongens—en die zegt: „Wel mevrouw, als u onze wasch voor uw rekening -bij uw bleeker wilt laten wasschen, ik beloof u dat moeder het dan hier -veel zindelijker zal hoûen en ’t hier niet meer zoo stinken zal!” Het -was verschrikkelijk brutaal, natuurlijk, maar op dat oogenblik had ik -het gevoel dat hij groot gelijk had, en dat, als men zulk voedsel moet -eten, en moet wasschen en slapen en zieke kinderen oppassen, alles in -éen kamertje, het ridikuul is om over zindelijkheid te preeken. Zoo -gauw mogelijk ben ik weggegaan, maar toen was ik ook meteen overtuigd -dat ik totaal ongeschikt ben voor armenbezoek!” - -Corona lachte even. - -„Dat wil ik wel gelooven! Geen moeielijker werk dan armenbezoek en -zeker niet geschikt om door rijke dames in een verloren oogenblikje als -tijdverdrijf gedaan te worden. En toch is het jammer, dat je het nog -niet eens een paar maal geprobeerd hebt, want de lagere standen hebben -het zoo vreeselijk noodig om van de hoogere standen te leeren, maar de -hoogere standen hebben het nog veel meer noodig om van de lagere te -leeren. Als de rijken maar eenmaal in konden zien dat de zonden der -armen voortkomen voor een groot deel uit hun ellendige woningen, -voedsel, opvoeding en de afschuwelijke voorbeelden, die hen van jongs -afaan omringen, dan zoûen ze, als het dan niet was uit barmhartigheid, -tenminste uit zelfbehoud de hand slaan aan die broeiplaatsen van -misdaden en ziekten!” - -Ottilie begon onrustig met haar spitse blanke vingers te spelen, ze -vond het vervelend als Corona zoo heftig over die dingen sprak. - -Een poosje zaten ze zwijgend. Toen hervatte Corona: - -„Kom Tilie, kun je nou geen enkel werk bedenken, waar je lust in zoudt -hebben? Is er nou niks, waar je es bijzonder belang in stelt? -Armenbezoek is toch niet het eenige wat je doen kunt? Waarom zet je -niet es flink door met schilderen.” - -Maar Ottilie schudde het hoofd, en bij het weer terugkeeren tot haar -eigen leed begonnen op nieuw tranen te komen: - -„Ik schilder niet meer! Ik wil nooit meer schilderen! Ik heb het me -vast voorgenomen verleden week. Ik doe toch niks dan prullewerk, en -daar is al genoeg geknoei in de wereld.” - -„Nou ja, dat je genoeg hebt van dat kunstgeliefhebber, begrijp ik best, -maar als je ’t es heel ernstig aanpakte, heelemaal als werk?” - -„Daar kom ik toch niet meer toe, ik ken me zelf, en wat zou ik nog -anders kunnen doen?” - -„Ja, dat is zoo makkelijk niet te zeggen! Werk is er in overvloed, maar -’t kost ’n beetje inspanning om het te vinden. En je huishoûen....” - -„Och, m’n huishoûen, daar zeuren m’n man en m’n schoonmoeder ook altijd -over. Maar als ik het eten besteld, m’n japonnen gepast, ’n paar -boodschappen gedaan heb en van tijd tot tijd nog es ’n uurtje ben bezig -geweest, heb ik zoo vreeselijk veel tijd om me te vervelen als ’t -uitgaan niet druk is. O! als ik maar kinderen had!”—en zich plotseling -voorover werpend, met de handen voor het gezicht, begon ze het uit te -snikken.—„O! Cora, waarom heb ik toch geen kinderen! Het is zoo -afschuwelijk wreed! Als ik kleine snoezige kinderen had zou alles heel -anders zijn! Dan zou ik zelf ook wel beter wezen!” - -Corona zag treurig neer op de ineengezonken gestalte, schokkend onder -het wilde snikken. Een groote weemoed om dit verloren leven, dat zoo -veel had kunnen zijn, kwam over haar, maar toen ze zocht om iets te -zeggen, vond ze niets dan bittere woorden: - -„Dat zou je niet, Tilie, het is zoo makkelijk om te zeggen, ik zou goed -zijn, als ik had wat ik verlang, maar je zoudt net doen als zooveel -anderen: eindelooze praatjes over kinderkleertjes, discussietjes over -gortwater of havermeel, min of meer vertrouwde bonnes en gouvernantes -en scholen zoeken, en spelen met de kleinen als eigen lust het ingeeft, -dat is alles wat zooveel vrouwen onder hun moederplichten begrijpen, en -dat zou jij ook, en op die manier zou je leven er ten slotte, al had je -kinderen, niets rijker en mooier en gelukkiger om zijn!” - -„Dat is niet waar!” snikte ze heftig. - -„Ja, dat is het wel,” zeide Corona hard. „Je hebt het daar juist goed -gezegd: snoezige kindertjes wou je hebben, om er mee te pronken en te -spelen, maar als ze leelijk waren of gebrekkig of ziek, zou je ze gauw -naar de kinderkamer zenden.” - -„Het is niet waar, Corona! het is gemeen van je, om zoo tegen me te -spreken. Als ik kinderen had zou ik heel anders zijn! Ik zou ’n goeie -moeder zijn!” - -„Een goeie moeder!” herhaalde Corona met een vreemd warme trilling in -haar stem, die men alleen bij diepe ontroering van haar hoorde. Want -het was plotseling in haar duidelijk geworden, hoe zoo ontelbaar vele -kinderlooze en ongehuwde vrouwen, bewust of onbewust, dezen zelfden -strijd hebben moeten doorstrijden, maar daarna hebben leeren inzien dat -er voor haar in deze treurige maatschappij nog wel een andere mooie -roeping dan kinderenkrijgen te vinden is, dat er nog wel ander werk is, -waard om alle krachten en liefde aan te wijden. Hoe durfde dan deze -wufte vrouw al de schuld van haar ijdel verloren leven aan haar -kinderloosheid te wijten? En toch was er misschien iets waars in haar -beweren; de wereld had van haar geëischt het verstandshuwelijk van -gelijke geboorte met een veel ouderen man en daarna het leven van -behagen en amuseeren—helaas, het vrouwen-ideaal in zulke kringen—en -misschien was het waar dat zij alleen bij het licht van een paar -kinderoogen een ander ideaal zou hebben ontdekt. - -Toen steeg het oude mededoogen weer warm in haar op, de onvermoeibare -liefde waarmede Corona alle lijden altijd weer opnieuw te gemoet kwam. -Een gevoel dat dit wellicht een moment van invloed in Ottilie’s leven -kon zijn liet gloeiende woorden haar op de lippen stijgen: - -„Een goeie moeder, Tilie? Weet je wel iets van wat dat woord beteekent? -Hoe heb je je al deze jaren voorbereid, wetend dat wellicht een kleine -menschenziel aan je liefde zou worden toevertrouwd? Wat heb je met je -lichaam gedaan, waarin een klein nieuw leven wellicht gewekt zou -worden? Je hebt er wuft mee gepronkt en, wie weet, het misschien nog -erger bezoedeld, in plaats, o God, van het heilig en rein te houden als -een tempel, waarin geopenbaard zal worden het geweldige levensmysterie! -Wat heb je met je ziel gedaan, wier leven één zal zijn met het -ongeborene, wier invloed nog vóór de geboorte wellicht een beslissing -zal zijn over heel een nieuw menschenbestaan! Heb je haar blank en -heilig gehouden, als voor de wijding tot eene hoogepriesterschap? Want -wat anders is het moeder zijn? Het kleine menschenkind wordt niet -geboren om een elegant moedertje bezig te houden en haar van -vervelingszonden te redden! Niet het kind is er voor de moeder, de -moeder is er voor het kind, versta je, en wat heb jij gedaan om je voor -te bereiden op de groote taak? Waarlijk, als je alleen kinderen -verlangt om ze op te voeden tot wat je zelf bent, zou het -barmhartigheid zijn ze niet in het leven te wenschen.” - -Ottilie had bewegingloos toegehoord. Het snikken was in eens opgehouden -als onder den zenuwdruk van intens luisteren. Corona kon het gezicht -niet zien, het lag afgewend in de kussens, maar toen na een oogenblik -geluidlooze stilte er geen beweging kwam, stond ze voorzichtig op en -verliet de kamer. Als haar woorden indruk hadden gemaakt, was het beter -de jonge vrouw alleen te laten, alleen met haar geweten en haar -toekomst. - -„Wacht, dokter, ik zal es effen kijken of uw rijtuig wel vóór is,” -zeide Hendrik naar de voordeur snellend, zoodra hij haar de trap zag -afkomen; maar toen ze vlak bij de deur waren, schrikte ze pijnlijk -onder het krijschend geluid van de huisbel. - -Paardengetrappel werd gehoord, de afrijwagen van van Smaarth stond -buiten voor het huis en op de stoep de palfrenier, die een brief afgaf -met de boodschap hem dadelijk aan mevrouw te brengen. - -Angstig ontroerd zonk Corona neer in haar coupétje, en als in een -onbewusten drang naar gebed vouwden zich haar handen. Hadden haar -woorden ingang gevonden en kwam nu deze brief dit alles vernietigen? -Waren die tranen alleen wat zenuwachtigheid geweest of lag de jonge -vrouw op dit oogenblik te worstelen tusschen betere voornemens en de -lokstem uit dien brief? Was dit wellicht het beslissende oogenblik van -haar leven, een van die korte zeldzame oogenblikken, waarop de -levensweg zich in tweeën splitst en de keuze soms over een heel -menschenbestaan beslist? De twijfel, het gevoel van onmacht om te -helpen, overstelpten haar even. O! al die strijd, al dat lijden, die -zij altijd maar door om zich heen zag, en in zich zelf voelde branden! -O! het moeielijke leven! - -Maar het was maar een kort moment. Haar kinderlijk eenvoudige -levensphilosophie, die haar door zoo heel veel leed had heengedragen: -dat alle ellende tot hoogere volmaking dient, al wordt zij er dikwijls -niet voor gebruikt, liet haar weldra weer het gewone energieke -evenwicht hervinden. - -Op de Heerengracht voor een der bovenvensters van een groot huis stond -een bleek blond meisje, dat haar in het voorbij rijden hartelijk -toewuifde. Het was de oudste dochter van Baron van Herkelens wier -engagement met van Smaarth men den vorigen winter algemeen voorspeld -had. Hij had haar in ’t oogvallend het hof gemaakt en sommigen zeiden -dat hij haar in stilte gevraagd had en maar op de terugkomst zijner -moeder uit het zuiden had gewacht om officieel zijn aanzoek bij haar -vader te doen. Toen op een avond bij de Mureaux, waar het meisje niet -bij was, had hij met Ottilie van Heemeren gesoupeerd en van af dat -oogenblik was alles geheel anders geworden. Men fluisterde nu dat -Mientje van Herkelens wegkwijnde van verdriet, sommigen hadden -medelijden met haar en anderen spraken ironisch van treurende maagden -en gebroken harten. Er zijn er wier geestigheid altijd bijzonder door -’t hooren van liefdesverdriet schijnt opgewekt te worden. Maar Corona -wist meer dan de wereld, die het geval befluisterde. Haar had het kind -het arme hart geopend vol schrijnende scherven van gebroken illusies, -en zij wist dat zij zachtjes wegstierf. - -„En wat kan ik voor haar doen?”—dacht Corona—„zoolang ze zoo hardnekkig -weigert om weg te gaan in een heel andere omgeving, en daar maar blijft -zitten voor dat raam, het matte leven slepend tusschen de canape en het -bed om te droomen, te treuren, wie weet, misschien nog te hopen?” - -Zij zuchtte en rustte zwaar tegen de kussens van den coupé, starend in -de druipende straten, waar de voorbijschietende parapluies, als groote -rouwvlekken tegen de glimmende natgrijze straatsteenen afstaken. - -Toen op eenmaal vlamde de gedachte in haar op, als een lichtstraal over -de emotie van dien morgen: Dit is vrouwenemancipatie, dat niet langer -de meisjes onzer invloedrijkste standen tot vrouwen als Ottilie worden -opgevoed, ongelukkig voor zich zelf, leed brengend over anderen en voor -de maatschappij een element van rotting en bederf, maar ook dat haar -niet langer geleerd wordt dat trouwen en kinderenkrijgen de eenige -roeping der vrouw is, zoodat zij volkomen hulpeloos gedesoeuvreerd -zijn, als de omstandigheden haar dezen werkkring weigeren. Veel, veel -is er te doen op allerlei gebied? Maar aan haar voor wie wèl het -moederschap is weggelegd, zal dan ook worden ingeprent dat moeder zijn -niet is alleen het voortbrengen, voeden en kleeden van kinderen, maar -het opvoeden van een nieuw geslacht, waarvan de wereld-toekomst -afhangt. En luide zal er dan om hoogstaande vrouwen geroepen worden, -die begrepen hebben het heilige van haar taak, het onmetelijke van hare -verantwoordelijkheid! - - - - - - - - - -„Wel, waar gaat dat al zoo vroeg naar toe?” vroeg mijnheer van Starren, -toen hij Hilda ’s morgens dadelijk na het ontbijt de trap zag afkomen, -het lichte stroohoedje en de lange zeemleeren handschoenen in de hand. - -„Oom, mevrouw Cranz heeft gevraagd of ik vanmorgen wat vroeg wou komen. -Om dezen tijd maakt ze altijd allerlei bezendingen klaar voor -gestichten, en nou moeten er allemaal boekjes, prenten, teksten, -speelgoed en kleeren worden uitgezocht, naarmate van de behoeften. ’t -Is ’n heel werk, ziet u, en ze wou graag dat ik het voor haar deed.” - -„Natuurlijk, papa, ze gaat weer naar haar lieve mevrouwtje!” riep -Eugénie van boven aan de trap, met een lang hatelijk sleepen op de l en -i van lieve. - -Mijnheer van Starren lachte goedig met de onverschillige -toegefelijkheid van oude menschen, voor wie het gekibbel en de -ergernissen die de jeugd in ontroering brengen geen beteekenis meer -hebben. Hij had de bedoeling van Eugénie’s uitval best begrepen en het -amuseerde hem. - -Hilda zag hem onder het aantrekken van haar handschoenen peinzend na, -zooals hij de lange gang afging, de kleine gebogen gestalte met de -korte onzekere stapjes, tot aan de deur van zijn studeerkamer, zijn -stoffig paradijs vol wapenboeken en geslachtsboomen. Met de knop in de -hand draaide hij zich nog even om en knikte haar toe met een knipoogje. - -Hilda kleurde, ’n brandende gloed overstroomde haar gezichtje, terwijl -ze zich driftig omdraaide en de voordeur opende. - -„Hij denkt het dus ook al! Waar zien die menschen me dan toch voor aan? -Dat ik mij vernederen zou om dien man na te loopen? Wat kan me die -modepop met al z’n schatten schelen? Hoe durven ze me zoo te -beleedigen. Maar misschien vindt oom het niet eens ’n beleediging, -misschien vindt ie ’t heel natuurlijk, dat ik m’n netten zou gaan -zetten bij de oude mevrouw, om haar zoontje te vangen. In onze wereld, -waar het de eenige roeping van het meisje is om een goeie partij te -veroveren, neemt men het immers niet zoo nauw met fierheid en -zelfachting. Waarom zoûen ze mij dan ook niet verdenken van zoo’n -heerlijk doel! ’t Is kinderachtig om het me nog zoo aan te trekken!” Ze -kneep de kleine vuisten samen en liep nog harder voort. - -„O ik wou dat .... ik hem hier had, die mooie mijnheer, ik zou .... hem -toonen ....” - -„Goeie morgen, freule, hê, wat hebt u hard geloopen, ik kon u haast -niet inhalen; mag ik u even vragen, gaat u misschien ook naar mevrouw -Cranz?” - -Hilda zag om, bij ’t hooren hijgen vlak achter zich dier woorden, en ze -herkende een van de protegéetjes van mevrouw Cranz, een forsch gebouwd -jong meisje, in een ouden zwarten regenmantel, die haar te nauw was -geworden en uit welks te korte mouwen een paar groote handen staken in -grijs garen handschoenen. - -„O, dag, juffrouw Wendelings, ik wist niet dat u achter me liep, ja, ik -ga naar mevrouw Cranz, maar waarom? moet u er ook heen?” - -„Ja, ik ben op weg naar mevrouw, maar ik zie er zoo vreeselijk tegen -op, en toen ik u zag loopen, dacht ik, dat het mogelijk een uitkomst -zou zijn ....” - -Bertha Wendelings was de eenige dochter van een zeeofficiers-weduwe, -die in groote armoede van haar klein pensioentje leefde, en jaren lang -reeds bijna blind was. Mevrouw Cranz had haar dikwijls ondersteund, en -toen het gebleken was dat Bertha makkelijk leerde, had zij haar lessen -laten geven en laten klaarmaken voor de examens van candidaat-notaris. -Sinds twee jaar was zij nu werkzaam op een van de eerste Haagsche -notariskantoren. - -„Waarom ziet u er zoo tegen op om bij mevrouw te komen? Mevrouw is -altijd zoo lief, niemand hoeft toch bang te zijn om haar iets te -vragen!” Hilda zeide het aanmoedigend, in de veronderstelling dat het -een kwestie van voorschot of zoo iets zou zijn. - -„Ja, ze is altijd erg lief voor ons geweest, maar dat is het juist .... -dat maakt me zoo vervelend, omdat .... ze zal het erg ondankbaar van -ons vinden .... want ik vond .... ik heb voor m’n betrekking bedankt!” - -Heel zenuwachtig, gauw, binnensmonds had ze het gefluisterd, maar toen -op eens luider, heel heftig: - -„Ik wil niet langer dat mannenbaantje waarnemen, ik bedank er voor! -....” - -„Bedankt?” herhaalde Hilda, alsof ze niet kon begrijpen. Zij herinnerde -zich hoe mevrouw Cranz nog onlangs gezegd had:—„als dat meisje nou -flink haar best doet, kan ze de laatste levensjaren van haar moeder nog -’n boel aangenamer maken, en voor haar zelf ook is de toekomst nu -verzekerd en hoeft ze niet, als zooveel andere stumpertjes in haar -omstandigheden, te zitten hunkeren of er ook een man komt, die zoo goed -wil zijn haar te onderhoûen.”—En Edward van Starren, die er bij zat, -had er zijn ruwe jongensgrap bijgevoegd:—„En als ze nou ooit trouwt, -kan ze de inspraak van haar hart volgen, in plaats van die van haar -maag!”—En wat beteekende nu deze stap? - -„Wat bedoelt u met mannenbaantje?” zeide Hilda koel. - -„Wel .... zoo’n betrekking, die tot dusver alleen door heeren is -vervuld geworden, zoo’n kantoorleven alleen tusschen al die mannen -....” - -„Hebben ze het u lastig gemaakt?” - -„Nee, ze waren allemaal heel beleefd, behalve één die probeerde wel es -om flauwe grapjes te zeggen.” - -„En hebt u daàrom bedankt? Natuurlijk, overal, in elke positie kan men -onaangename menschen treffen, maar ’n massa vrouwen in Amerika, en ook -hier verscheidene dames, die betrekkingen bekleeden, hebben me altijd -gezegd, dat iedere waarachtig ernstige vrouw, die het wil, zich kan -laten respecteeren.” - -„Dat is ook zoo!” zeide Bertha kleurend, omdat ze in Hilda’s woorden -een verdenking voelde. „En dat is ook heelemaal niet de reden van mijn -bedanken. Maar de vrouw moet vrouw blijven en niet mannenwerk doen.” - -„Waarom noemt u zulk kantoorwerk speciaal mannelijk? Waar is toch die -grens tusschen mannen- en vrouwenwerk waar altijd zoo over gesproken -wordt? En wat denkt u nu te doen?” - -„Ik zal zien naaiwerk te krijgen, maar ik ben helaas niet erg handig -met de naald ....” - -„Naaiwerk? O! maar juffrouw, hoe onvrouwelijk! De naald is geen -vrouweninstrument, want duizende kleermakers en goudborduurders en -stoffeerders hanteeren haar!” - -„En ik zal leeren kantwasschen,” ging Bertha voort, alsof zij Hilda’s -ironie niet had verstaan, „daar kan ik misschien ook nog wat mee -verdienen.” - -„Wasschen? O, maar dat is mannenwerk! In heel de Vereenigde Staten -wordt de wasch haast uitsluitend door mannen gedaan, mannelijke -Chineezen! En wilt u u misschien ook toeleggen op het koken? dat is ook -al zoo verschrikkelijk mannelijk! want in alle kazernes, oorlogschepen, -hotels, restaurants, paleizen, wordt door duizende mannen gekookt. U -ziet wel, als de vrouwen zich wilden onthouden van alle werk, dat op -grooten schaal door mannen gedaan wordt, zouên ze niet alleen de -kantoren moeten vaarwel zeggen, maar dan bleef er zelfs niet veel -anders over dan kinderjuffrouw. Dat is nog een van de weinige baantjes, -voor zoover ik weet, waar ze niet in concurrentie met de mannen treden, -of het moest zijn met een haakwerkje voor het raam gaan zitten; zoover -hebben de mannen het ook nog niet gebracht.” - -Hilda lachte bitter. De ergernis over dit jonge meisje, dat heel een -toekomst weggooide onder suggestie van een paar holle phrases over -vrouwelijkheid, maakte haar woorden bijtend. - -„Ik had gehoopt steun bij u te vinden, maar als u zoo spreekt zal ik -maar liever niets meer zeggen!” zeide juffrouw Wendelings geraakt. - -Hilda zag haar aan, strak, uitdagend, en toen uit de hoogte, half omdat -zij boos was, half om Bertha uit te lokken tot verder spreken: - -„Natuurlijk, tegen mijn argumenten valt ook verder niets te zeggen!” - -„Dat wel!” riep Bertha geprikkeld, „want u kunt misschien gelijk hebben -dat er eigenlijk geen speciaal vrouwenwerk bestaat dan -klein-kinderverpleging, maar wij kunnen toch niet allemaal bonnes -worden, en we moeten toch leven en dus....” - -„En dus,” viel Hilda warm in, „is het logisch, aangezien er bijna geen -vrouwenarbeid is, die niet evengoed door mannen kan gedaan worden en is -gedaan, dat men ophoude te schermen met die vage woorden van mannen- en -vrouwenwerk! Waarom laat men niet aan ieder individu de vrijheid om -zijn of haar levensonderhoud te zoeken op die manier die lust en -geschiktheid aanwijzen!” - -„Maar gelooft u dan niet dat de natuur toch zekere grenzen heeft -gesteld?” - -„Ja zeker,” zeide Hilda, „werk, waar groote spierkracht voor gevorderd -wordt, in mijnen, steengroeven, dokken, smidsen en natuurlijk -slachters- en oorlogswerk, enz. zal wel nooit bij voorkeur en als regel -door vrouwen gezocht worden, evenmin als mannen zich ooit als -opzichters in fröbeltuinen zullen aanmelden. Maar tusschen deze -uitersten, waarbij de natuur zelf hare grenslijnen getrokken heeft, -ligt het groote algemeene menschen-werk, waarvoor alle verschillende -gaven en hoedanigheden kunnen worden gebruikt, en waaruit het -belachelijk is, de eene helft der menschheid willekeurig buiten te -sluiten. Als u meent, dat ’n vrouw die op ’n registratie- of hypotheek- -of notaris- of post-kantoor of secretarie, of bureau werkt, de -natuurgrenzen overtreedt, waarom vindt u het dan hoogst natuurlijk dat -er mannen zijn, duizende, die bakken en braden, en anderen die keurige -zoompjes maken? De natuur heeft immers bij zulke werkverdeelingen niets -te maken. Alleen vooroordeel en sleur trekken als ’t ware ’n -toovercirkel om de vrouw, die haar aan alle kanten insluit, dien zij -nooit mag overschrijden, op straffe van voor onvrouwelijk te worden -uitgekreten, maar dien de man volkomen vrij is om overal binnen te -dringen zonder onmannelijk te worden genoemd. Maar ziet u dan niet dat -’t maar ’n kwestie van jaren is om dien cirkel tot het uiterste te -verwijden? De laatste vijf en twintig jaren hebben reuzenschreden -gedaan, nu nog vijf en twintig jaren en men zal de vraag vergeten -hebben: „is dit wel werk voor een vrouw?” er zal alleen nog gevraagd -worden: „is deze persoonlijkheid geschikt voor dezen arbeid?” - -„Maar er zal toch sommig werk zijn dat door het eene geslacht veel -beter dan door het andere kan gedaan worden?” - -„Waarom beter?” zeide Hilda, „dat geloof ik niet! maar anders zeker! In -het onderwijs, in de geneeskunde, in politiek en armenzorg, in -handelszaken, in godsdienstquaesties, overal in zal de vrouw een ander -standpunt innemen, een ander oordeel over, een anderen blik op den -toestand hebben dan de man, en daarom is het juist zoo noodig dat zij -beiden te samen dezelfde functies vervullen. Want alleen daardoor kan -de volle som der gaven van de tweevoudige menschelijke natuur aan de -gemeenschap ten goede komen.” - -„Maar moet dan de vrouw aan alle betrekkingen deelnemen?” zeide Bertha -ongeloovig. - -Hilda knikte. „Evengoed als de vrouwen altijd aan de hoogste -betrekking, die van den troon hebben deelgenomen, kunnen ze ook de -minder hooge met den man deelen.” - -„Maar wat een vreeselijke concurrentie voor den man!” - -Hilda dacht aan haar gesprek een poos geleden met Dominee Moisette over -het arme naaistertje en, bijna zonder het te weten, herhaalde ze de -woorden die zij toen ook gezegd had: „Hebt u dan meer medelijden met -den honger van den man, dan met dien van de vrouw? vindt u dat om hem -concurrentie te besparen zij maar gebrek moet lijden? Heeft de vrouw -dan niet evenveel recht op levensonderhoud? Hebt u er wel es aan -gedacht, voor wie van de twee de levensstrijd het zwaarst is? Voor den -man beteekent armoede: gebrek en honger, dat is zeker heel erg; maar -voor de vrouw beteekent ze: gebrek, honger en .... schande. Voor de man -is ze lijden, voor de vrouw lijden en gevaar! Trouwens als men -kunstmatig de bittere concurrentie dezer overgangstijden wil -verzachten, zou men veeleer beginnen moeten, om alle rijke jonge mannen -uit te sluiten van alle goed gesalarieerde betrekkingen. Deze, veel -beter dan onbemiddelde vrouwen, zouden den druk der tijden kunnen -weerstaan. Maar dat zou immers nonsens zijn! en u zoudt es zien wat ’n -kreet van verontwaardiging er door ’t land zou gaan van alle -gefortuneerde ouders als zoo iets serieus werd voorgesteld. En waarom -dan, als iedereen het hoogst natuurlijk, zelfs flink vindt, dat de -rijke jonge man studeert en een betrekking krijgt, die een -ongefortuneerde ook zoo graag gehad had, waarom dan de vrouw in naam -der concurrentie het recht ontzegd om in eerlijken strijd mee te dingen -naar een levensonderhoud? Is dit argument van concurrentie niet een van -de aller-onrechtvaardigste, laagste, zelfzuchtigste die de man tegen de -vrouw heeft aangevoerd? Maar hier zijn we er!” en Hilda strekte de hand -uit om te bellen. - -Bertha hield haar tegen met een beweging van angst: - -„O! ik durf nooit binnen te gaan! Wacht u nog even, freule, ik durf nou -nog minder dan zoo straks. Het is nog zoo vroeg, zoudt u nog niet ’n -eindje met me door willen loopen?” - -Hilda knikte, en langzaam liepen zij voort, de Javastraat uit, toen de -Scheveningsche weg tot in de Boschjes, beiden zoo geheel verdiept in -haar vraagstuk, dat zij niet eens Valérie Vermaezen in haar dogcarretje -zagen voorbijrijden met naast zich Eugénie. - -„Dear me, Eus, kijk es, wat doet Hilda daar, met dat onmogelijke kind?” - -„Ik heb er geen ahnung van,” zeide Eugénie, zich wringend op het nauwe -bankje om ver achteruit te zien. „Wat ’n log gevaarte! Je moest die -dikke handen uit die korte mouwen zien bengelen! Hilda heeft bepaald ’n -passie om zich te encanailleeren.” - -En voort vloog het aardige carretje, licht en elegant, met den -correcten groom en de vroolijke meisjes, achterlatend waar Hilda liep -een kleine warreling van stof en spotgelach. Maar Hilda merkte het -niet; zij dacht niet aan den nauw geworden regenmantel; voor haar was -Bertha en haar jammerlijk besluit op dit oogenblik alleen een -abstractie, een vraagstuk dat zij met alle macht trachtte op te lossen. - -„Maar freule .... gelooft u toch ook niet dat .... ons eigenlijke werk -in het huishouden ligt,” zeide Bertha eindelijk. „Daàr is ons -koninkrijk en daàr moeten we ons aan houden.” - -„Het huishouden ....? En waar moeten de ongetrouwde vrouwen dat -hooggeprezen huishouden vandaan halen? Alleen op een kamertje ’n potje -koken, of voor zichzelf eten bestellen? Dat is toch geen menschwaardige -levensvulling! En hier in den Haag zijn 15000 vrouwen meer dan mannen! -In heel Europa zijn er honderd duizenden meer! Wat ’n leuterzinnetje -voor die allen als men ze naar ’t huishouden verwijst! En wat de -getrouwde vrouw betreft, o! juffrouw Wendelings, het is grappig u te -hooren zeggen dat het huishouden haar koninkrijk is! Weet u wel, dat -noch over haar zelve, noch over de plaats waar ze haar huisgezin wil -vestigen, noch over het land onder welks wetten ze leven wil, noch over -het geld waarmee ze haar huishouden moet bekostigen, ook al heeft ze -het aangebracht, of al verdient ze het zelf noch over haar goed, noch -over hare kinderen, heeft de getrouwde vrouw bij de wet iets te zeggen! -Alles, verstaat u, alles hangt van den wil van den man af. De man, ook -de dronkaard, ook de laagst gezonkene, heeft wettelijk, dus feitelijk, -als hij wil, alles over het huishouden te zeggen! En natuurlijk weet ik -wel dat er ’n massa goeie mannen zijn, en het er in de praktijk niet -zoo zwart uitziet als in het wetboek, maar er zijn toch ook voorbeelden -in overvloed van mannen, die ten koste van het gezin hun macht daarop -laten gelden! En daarom is het harde ironie, vindt u niet? om het -huishouden ons koninkrijk te noemen! Een mooi rijk, waar we alleen door -gunst, dus als favorite in kunnen heerschen, maar nooit als wettig -regeerende vorstin!” - -„Maar ’t is toch onze roeping ....” - -„Dat geloof ik niet!” zeide Hilda beslist. Aangeboren lust en aanleg -voor de dingen van het huishouden zijn geheel individueele gaven, die -even goed bij den man als bij de vrouw worden gevonden, getuige de heel -oude benaming van keuken-Piet, maar getuige vooral het feit dat er -minstens evenveel beroemde koks als beroemde keukenmeiden zijn geweest -en dat op sommige oorlogschepen het heel gekompliceerde huishouden, -uitsluitend door mannen bestuurd, zoo goed wordt gedaan, dat heel wat -huisvrouwen er een voorbeeld aan zouden kunnen nemen! Van de twintig -vrouwen zijn er immers ook maar hoogstens vier of vijf voor wie koken, -inmaken, wasch opdoen, verstellen, poetsen een genot, een behoefte -zijn. U ziet het immers dagelijks: zoodra de middelen het toelaten -draagt iedere vrouw zooveel mogelijk de huishoudzorgen aan gehuurde -hulp over. Waar vindt je een dame, die zich de luxe van ’n paar meiden -kan veroorloven, en die bij voorkeur het werk zelf doet? ’t Zijn hooge -uitzonderingen. Zelfs bij vrouwen die nooit anders dan met afschuw het -woord „emancipatie” hebben gezegd, bestaat hoe langer hoe meer de drang -en de gewoonte om alles buitenshuis te laten maken. Bewijst dat niet -duidelijk dat het huishouden even goed als elk ander werk, heel goed -door ons gedaan kan worden uit plichtbesef, wanneer de omstandigheden -het eischen, maar volstrekt niet een aangeboren roeping voor ons is? - -Weet u wat me verleden is ingevallen? Er bestaat ’n mooie gelijkenis -van de getrouwe en de ongetrouwe dienstknechten die talenten hadden -ontvangen, en de eene woekerde er mee en de andere begroef ze. En ziet -u, ik geloof dat wij vrouwen maar al te veel en te lang behoord hebben -tot de ontrouwe dienstknechten, die hun talenten begroeven, en het -treurigste hiervan is nog, dat men ons wijs heeft gemaakt, tot we het -zelf geloofden, dat wij juist onze vrouwelijke roeping vervullen door -een groot gedeelte onzer talenten te begraven, om maar in een heel -klein kringetje een paar er van te gebruiken! Niet in het kleine -huishoudentje, besloten tusschen de vier muren van een modern huisje, -ligt de roeping van de vrouw, juffrouw Wendelings, maar overal in de -groote maatschappij, waar goed te doen valt.” - -Bertha zuchtte. „Ik weet het niet,” zeide ze fluisterend met tranen in -haar stem. „Ik kan me niet tegen u verdedigen, want als u zoo spreekt, -heb ik ’n gevoel, dat u gelijk hebt, en toch, als dominee Moisette zoo -met ons zat te praten zag ik het duidelijk in dat ’t niet goed was om -op het kantoor te blijven! Ik wou dat u es met hem spreken woudt? - -„O! was het dominee Moisette, die u er toe overhaalde?” zeide Hilda in -hartstochtelijke ergernis. - -„Ja .... kent u hem?” - -„’n Beetje .... en wat zei hij dan wel?” - -Bertha aarzelde. „Hij sprak van de verleiding, die meisjes wacht -buitenshuis op groote kantoren ....” - -„Verleiding! ....” riep Hilda heftig met een glimlach van vernietigend -minachten. „Voor elk mensch, waar hij ook leeft, wat hij ook doet, is -er strijd en verzoeking! Maar ik zou wel es willen weten, voor wie de -verleiding grooter is, voor ’n arm meisje dat nauwelijks weet hoe rond -te komen en ’n armzalig suf bestaan heeft, of voor iemand die eervol -een goed inkomen verdient! Vergeef me dat ik ’t zoo ruw zeg, als -dominee Moisette in de wereld had rondgekeken, zou ie gezien hebben, -dat gebrek, of zelfs maar de angst er voor, het grootste gevaar voor -jonge meisjes is. Er zouden heel wat minder te gronde gaan als er meer -goede betrekkingen voor haar open stonden! En wat zei hij nog meer?” - -„Dat als de vrouw dezelfde rechten en hetzelfde werk wil hebben als de -man, hij haar als zijn concurrent en kameraad zal gaan beschouwen en -dat dat zal zijn ten koste van den eerbied en de bescherming waarvan -zij nu het voorwerp is.” - -„Eerbied en bescherming,” zeide Hilda lachend, „vindt u heusch dat die -nu zoo groot zijn? Als het maar ’n beetje donker wordt mogen we niet op -straat, uit vrees dat iemand ons de beleediging zal aandoen van zijn -weinig eerbiedig geleide! O! zeker, de rijke jonge dame in haar -equipage of onder geleide van papa’s en broers, wordt allerliefst -eerbiedig behandeld, maar ik zou wel es willen vragen of het -naaistertje, dat ’s avonds moe naar huis gaat en nog een ver eind te -loopen heeft, ook zoo tevreden kan zijn over den eerbied voor haar als -vrouw! O! zeker in fatsoenlijk gezelschap wil men aan de „dames” wel -zekere eerbiedige beleefdheid bewijzen, haar ’t eerst een deur laten -ingaan of het eerst van een schotel presenteeren, en zelfs, als het -niet al te hard regent, zijn er soms heeren, die hun plaats binnen in -de tram aan dames afstaan. Maar als ik in ons wetboek de getrouwde -vrouw telkens gelijk zie genoemd met misdadigers, krankzinnigen en -kleine kinderen, als ik overal reine, onwetende meisjes zie -uithuwelijken aan mannen, van wier verleden zij zouden gruwen wanneer -zij het kenden, als ik het hoogst natuurlijk hoor noemen in de wereld, -noodzakelijk zelfs, dat er dagelijks duizende meisjes uit het volk -worden geofferd aan de genotzucht van den man, als ik het meisje voor -éen enkele zondestap zie uitwerpen, en de man na jarenlange débauche -overal zie ontvangen, als ik de echtgenoote en moeder voor de wet in -alle opzichten in de macht van den man, ook den dronkaard zie gesteld, -als ik de vrouw overal voor gelijk werk minder loon zie ontvangen, dan -vraag ik u toch, waar is nu die hoog geroemde eerbied? Waarlijk ik -geloof dat als de vrouw wat meer deel kon nemen aan mannenwerk en -mannenrechten het er beter uit zou zien in het wetboek en de -maatschappij met vrouweneerbiediging en vrouwenbescherming! Trouwens in -Amerika is het al bewezen: geen land waar de vrouw meer rechten en -vrijheid heeft, en geen waar zij hooger geëerd wordt!” - -„Misschien wel,” zeide juffrouw Wendelings weifelend, „maar dominee -Moisette zegt ook nog, en dat zult u toch niet ontkennen dat de vrouw -voor ’t meeste mannenwerk ongeschikt is. Haar hersenen zijn zooveel -lichter en kleiner ....” - -„O! dat eeuwige hersenargument!” Hilda glimlachte. „Zoudt u het logisch -vinden als men zei dat de olifant beter denken kon dan de mensch omdat -hij grooter hersenvolume heeft? Is de bij niet veel intelligenter dan -het schaap? Trouwens bij de mannen onderling verschilt het -hersengewicht immers nog veel meer dan gemiddeld tusschen mannen en -vrouwen. De hersenen van Byron wogen 1.807 gr. die van Dante 1.320 en -niemand zal toch wel durven beweren dat Byron superieur aan Dante is -geweest of dat Gambetta een onnoozele was, omdat zijn hersenen maar -1.241 gr. wogen, dus minder dan 1.250 gr., het gemiddelde cijfer van -hersengewicht bij de vrouw. [4] Daarbij is het gebleken dat in -verhouding tot haar lichaamsgrootte en zwaarte het hersenvolume der -vrouw gemiddeld grooter is dan dat van den man in verhouding tot zijn -veel zwaarderen bouw. Men zou hier dus uit kunnen besluiten dat de -vrouw per slot van rekening nog de superieure is, maar dat geloof ik -niet. Het zal bij de hersenen wel hetzelfde zijn als bij de meeste -dingen, dat het meer op de qualiteit aankomt, dan op de quantiteit, en -’t lijkt me ook ’n beetje erg kruideniersachtig om de menschelijke -denkkracht naar ’t gewicht te willen berekenen!” - -Vroeger in haar rustige jeugd, onder de wijze leiding van een vader, -dien zij voor den knapsten en edelsten van alle stervelingen hield, was -het nooit in Hilda opgekomen om zich af te vragen of de vrouw ook -superieur of inferieur aan den man kon zijn. Waar man en vrouw te zamen -in volle vrijheid naar hun beste krachten arbeiden aan hetgeen hen -interesseert, is de vraag wie van beiden wel het uitnemendste is, zoo -hoogst onbelangrijk. In de toekomst, waarvan wij nu de overgangstijden -beleven, zal zij vergeten zijn. Wie zou er nu in ernst willen twisten -over wat mooier is, de vrouwen- of de mannenstem? De sopraan stijgt -hooger dan de tenor, de bas vindt dieper toonen dan de alt, een -vrouwen-koor klinkt als gewiek van witte duiven, zilverblank in de -lucht, een mannenkoor als ’t vallen van een diepen bergstroom; als zij -beiden hetzelfde lied zingen klinkt het volkomen anders, maar wie kan -beslissen wat het mooiste is? een knap componist smelt ze samen tot een -groot geheel. Samen met haar vader had Hilda de hoofdfiguren van alle -eeuwen en volken bestudeerd en bij beide geslachten hadden zij -hoogedele verschijningen gevonden en ook afzichtelijk lage en wijze en -dwaze. Alles wat haar vader goed vond dat zij leerde, had ze geleerd -met het grootste gemak, en zonder zelfs te vermoeden dat er veel -geschreven en gesproken is over vrouwelijke inferioriteit, had Hilda -onbewust een ontwikkeling gekregen ver boven die der meeste jongelieden -van beiderlei geslacht. - -Eerst nu, onder de opwekking van sommige woorden van Corona, maar -vooral onder den prikkel harer tegenwoordige omgeving, waar ze telkens -onvrouwelijk hoorde noemen, wat zij heel natuurlijk vond, en waar men -de geestelijke minderheid der vrouw voor een onbetwistbaar feit scheen -te houden, was zij belang gaan stellen in deze vragen en had getracht -daarover voor zich zelf een overtuiging te vormen. Eerst als één der -partijen achter gezet wordt in naam eener inferioriteit van welke zij -zich niet bewust is, begint het vergelijken een noodzaak te worden. - -„Maar freule,” zeide Bertha weer, „als de hersenen gelijk zijn, hoe -komt het dan dat er nooit vrouwelijke genieën zijn geweest?” - -Hilda dacht aan het bedanken op het kantoor, en lachte—zij kon het niet -helpen—een klein geluid van spot. „Daàrom hebt u toch uw betrekking -niet opgegeven? Ik dacht niet dat er genialiteit voor notarieele actes -vereischt werd.” - -„O! nee!” zeide Bertha, kleurend onder Hilda’s ironie. „Toen dominee -Moisette ons voorrekende dat er nooit een vrouwelijke Goethe of -Shakespeare of Michel Angelo is geweest, zei moeder ook dat dat toch -geen reden was om aan vrouwen betrekkingen te ontzeggen, waarvoor zij -de vereischte examens makkelijk en goed kunnen afleggen.” - -„Natuurlijk, daar komt het maar op aan, en als men nagaat in Engeland -en Amerika hoeveel knappe vrouwelijke rechtsgeleerden, doktoren, -ingenieurs, chimisten, architecten, professoren, godgeleerden daar zijn -en ook hoe in andere landen, overal waar het maar toegestaan is, de -vrouwen hoe langer hoe meer met uitstekend succes aan alle mogelijke -examens deelnemen, dan begint het toch langzamerhand belachelijk te -worden om nog aan haar capaciteit te twijfelen. Ik kan best begrijpen -dat het pijnlijk voor sommige heeren is, om zoo het monopolie van -geleerdheid te moeten opgeven, het stralenkransje van kundigheden, die -veel te hoog voor de vrouw heeten, maar ze zullen er zich wel in leeren -schikken. Maar wat betreft de genieënquaestie zelf, de -vrouwenemancipatie is nog veel te jong, om ons een ernstig overzicht te -laten hebben van wat de vrouw presteren kan. Als Shakespeare den heelen -dag aan de waschtobbe had moeten staan zou hij ook niet Hamlet -geschreven hebben, en wie weet hoeveel vrouwen gedwongen zijn geweest -om stil te zitten spinnen en verstellen, die voor iets groots geboren -waren. Vroeger was het voor de meeste vrouwen immers onmogelijk om een -goede opleiding te krijgen en zelden hadden ze ooit gelegenheid om haar -gaven buiten een heel beperkten kring te toonen. Niet dat er zich zoo -weinigen bijzonder hebben onderscheiden moet ons verwonderen, maar -integendeel dat in verhouding tot haar uiterst ongunstige -omstandigheden, er nog zoo velen iets hebben beteekend. Maar zelfs al -was het nu eens waar, dat alleen het mannelijk geslacht genieën voort -kan brengen, wat nog bewezen moet worden, nietwaar? en dat de vrouw -alleen intelligent, begaafd, talentvol, maar nooit geniaal kan zijn, -dan nog zou het immers dwaasheid wezen om te meenen dat de domste man -hooger staat dan de knapste vrouw, even als het krankzinnig zou zijn om -van twee bergen, waarvan de eene iets hooger dan de andere is, te -beweren dat al de aardkorrels van den hoogsten verhevener liggen dan -die van den laagsten. De groote zandmassas van beiden liggen immers op -hetzelfde niveau, alleen de enkele aardklompen op den hoogsten top -steken boven alles uit. En trouwens ....”—Hilda zag op, en een zacht -rood van emotie trok even over haar gezicht—„ik heb wel es gedacht, nu -het tegenwoordig hoe langer hoe meer blijkt uit de biographieën van -alle groote mannen, dat hun moeders buitengewone vrouwen zijn geweest, -dat het aandeel in de menschelijke genialiteit misschien heel mooi -tusschen de twee geslachten verdeeld is: de man brengt het geniale werk -voort, maar de vrouw den genialen mensch! Mij dunkt met dat deel zouden -wij best tevreden kunnen zijn!” - -„Ja maar,” zeide Bertha ongeloovig, „dominee Moisette zegt juist dat de -bijzonder ontwikkelde vrouwen geen kinderen meer voort brengen .... -groote herseninspanning ....” - -Hilda zag haar een oogenblik ernstig aan. - -„Gelooft u dat de natuur, die alles zoo prachtig doet, ons hersenen en -intelligentie zou gegeven hebben, op conditie dat we ze niet mochten -gebruiken? Het is heiligschennis, zulke praatjes! Natuurlijk het is -best aan te nemen dat groote herseninspanning een overmatig werkzaam -zijn van andere lichaamsfuncties zal tegenhouden, maar de emancipatie, -vooral onder de getrouwde vrouwen, is nog veel te jong om op dit punt -eenige betrouwbare gegevens te hebben. Het eenige wat zeker is, is, dat -onder de vrouwen die bijzonder hebben uitgeblonken, er een massa zijn, -die moeder zijn geweest: George Sand, mevrouw de Sevigné, Sarah -Bernard, Henriette Beecher Stowe, .... ik noem maar enkelen, die mij -het eerst invallen, en mevrouw F. Fischer Wood heeft statistische -gegevens verzameld, waaruit blijkt dat negen tienden der kinderen van -vrouwen, die een academischen loopbaan hadden gevolgd, het eerste -levensjaar, waarin de sterfte zoo groot is, goed doorkomen en op de -tentoonstelling van Chicago herinner ik me ook de portretjes gezien te -hebben van de snoezigste babies van de wereld, die door hun moeders, -jonge Engelsche gepromoveerde vrouwen, waren ingezonden, om te bewijzen -dat het menschenras niet hoeft te ontaarden of uit te sterven al hebben -de vrouwen iets anders in haar hoofd dan meidenpraatjes.” - -„Maar gelooft u toch niet op den duur,” zeide Bertha dringend, „dat als -de vrouw den grooten wedstrijd om het bestaan met den man gaat -aanvaarden, zij met haar zwakker physiek moet ondergaan?” - -„Dat zal zich van zelf wel uitwijzen. Dàar, waar zij den strijd niet -kan volhouden, zal ze zich van zelf terugtrekken. Maar vergeet u niet -dat overal waar verbeelding, intuïtie, delicate analyse, fijnheid van -voelen en raden bij te pas komt, de vrouw gauwer en met minder -inspanning haar doel zal bereiken dan de man. Edison bijvoorbeeld -schijnt op zijn werkplaats liever vrouwen-machinisten dan -mannen-machinisten te gebruiken, en moet es gezegd hebben dat over het -algemeen de vrouw veel gauwer begrip van machinerie kan vergaren dan de -man. En op het tooneel hebben immers ook alle groote actrices, veel -jonger dan de groote acteurs, de volle hoogte van haar talent bereikt. -Door sommige eigenaardige vrouwelijke gaven, van zich makkelijker in -andere omstandigheden in te denken, zich makkelijker andere -persoonlijkheden te assimileeren, bereiken de Sarah Bernards en de -Rachels veel gauwer en met minder zware studie haar gloriepunt dan de -Talma’s en de Monnet Sullys. En zoo heeft me ook eens een beroemde -vrouwelijke tandarts te Londen gezegd dat het kiezentrekken misschien -te zwaar voor veel vrouwen zou zijn als het alleen op kracht aankwam, -maar doordat de vrouwenhand dikwijls subtieler, fijnervoelend is dan de -mannenhand, merkt de vrouw gauwer naar welken kant getrokken moet -worden, en hierdoor kan zij dus met minder krachtsinspanning volstaan. -U begrijpt wat ik hiermee bedoel, nietwaar? Dat het wellicht blijken -zal, in sommige gevallen, dat de vrouw, door enkele harer eigenaardige -gaven, langs een anderen weg, met andere middelen, hetzelfde doel zal -bereiken, en voor hetzelfde werk zich op een andere manier en misschien -minder, zal moeten inspannen. Maar al was het waar dat wij ons voor den -zelfden werkkring evenveel of meer dan de man moesten aangrijpen, dan -hou ik het er toch nog voor dat we over het algemeen best tegen hem -zullen kunnen opwerken! Dit is trouwens al glorierijk bewezen bij alle -examens, op alle scholen, conservatoires, academies, waar men vrouwen -heeft toegelaten, en als ik naga hoeveel, op z’n zachtst uitgedrukt, -hoogst middelmatige heeren ik dezen winter heb ontmoet, die hooge -betrekkingen bekleeden, dan geloof ik zelfs dat we op den duur -makkelijk zullen kunnen mee doen.”—Zij lachte even, de oogen vol -ondeugend licht.—„En als dan de tijd zal zijn gekomen van den korten -arbeidsdag in alle kringen en als men de krankzinnige overdrijving in -het onderwijs zal hebben laten varen, die nu zooveel slachtoffers kost, -evengoed onder de jongens als onder de meisjes, en er in de opvoeding -meer op gezondheid en karakter en intelligentievorming, dan op -ingepompte schoolboekengeleerdheid gelet zal worden, dan zal op den -duur de zuster zonder het minste bezwaar naast den broer kunnen -opwerken en heel wat levenskrachtiger kinderen voortbrengen, dan het -slappe zenuwachtige vrouwengeslacht van nu!” - -„Maar als u dan gelooft dat de man en de vrouw precies hetzelfde zijn, -waarom ....” - -„O! pardon!” zeide Hilda snel. „Dat geloof ik heelemaal niet! Ik geloof -dat zij equivalent zijn, maar heel anders, munten van gelijke waarde -maar met andere stempels!” - -„Nou ja,” zeide Bertha ongeduldig, „als u dan meent dat de man en de -vrouw equivalent zijn, hoe komt het dan dat de emancipatie nou pas -begonnen is? Het is onzinnig, zegt dominee Moisette dat, wat altijd -bestaan heeft en duizende jaren geduurd, nou ineens door een troepje -dames zou worden omvergeworpen!” - -Hilda stond in eens stil. Zij waren de boschjes reeds diep ingegaan. -Een bank stond vlak bij haar en zij liet er zich moe op neervallen. - -„Hoe is het mogelijk!” zeide ze bitter. „Hij neemt de -verantwoordelijkheid op zich om uwe carrière te breken en weet zoo -weinig van die zaken, dat hij zoo iets zeggen kan!” - -„Is het dan niet zoo? U hebt daar juist zelf gezegd, dat de emancipatie -nog zoo jong was.” - -„Ja, wel het woord, en het bewuste streven er naar door min of meer -aaneengesloten partijen en het consequent doorvoeren van haar -principes. Maar de behoefte naar meer vrijheid en recht is er altijd -geweest. Of dacht u dat wij daar minder gevoel voor hadden dan de man? -In geen enkele onafhankelijkheidsoorlog heeft het toch ooit ontbroken -aan vrouwen, die de grootste offers met enthousiasme wisten te brengen. -Nee! de behoefte om de slavenketen af te schudden zit oorspronkelijk in -elk mensch, men kan haar onderdrukken en bedwelmen, maar zij blijft -bestaan, en door alle eeuwen heen, soms duidelijk, soms onmerkbaar -heeft de menschheid gearbeid aan de emancipatie der vrouw! Stapje voor -stapje is het opwaarts gegaan, soms met pijnlijk terugvallen maar -altijd vooruit. Elke nieuwe generatie worstelende tegen de -vooroordeelen der oudere generatie: dat is de geschiedenis van alle -evolutie! En als dominee Moisette zich uit den Bijbel herinnerd had, -hoe de vrouw in den tijd van de koningen Saul en David behandeld werd, -of geweten wat de vrouw in de Grieksche wereld was: niets dan een wezen -om wettige kinderen voort te brengen, dat de man bij zijn dood, alsof -zij goed of vee was, aan een vriend kon legateeren, of bij de oude -germanen, waar zij kon worden verdobbeld als huisraad en wapens, dan -had hij toch kunnen inzien dat, hoeveel verkeerds er nu ook nog moge -zijn in de positie der vrouw, er sinds dien tijd toch heel wat stapjes -voorwaarts zijn gedaan! Vrouwenemancipatie is niet een grilgedachte die -in eens uit de lucht is komen vallen in het opgewonden brein van een -troepje negentiende eeuwsche dames! Zij sluit zich logisch aan bij al -wat is voorafgegaan! Als een zaadje is zij geweest, dat langzaam, -langzaam ontkiemd is, telkens schuchter één klein worteltje schietend, -één klein blaadje ontplooiend, tot het nu een flinke jonge plant is -geworden, die zich niet meer laat ontwortelen door spotgelach en holle -phrases. - -Trouwens het is onwaar wat dominee Moisette u verteld heeft, dat de -vrouw overal en van den beginne af aan onderdane is geweest. Bij veel -volken,—al is het dan ook niet bij alle, zooals men vroeger wel eens -meende—is er een tijd geweest, dat de vrouw heerschte en volkomen macht -had over zich zelf en haar kinderen. Dat noemen ze het matriarchaat, -het moederrecht—bij enkele wilde volken schijnt het nog te heerschen. -En het is ook heel natuurlijk, niet waar? dat in het primitieve -huisgezin de moeder soms hooger stond dan de vader, zij die het leven -aan de kinderen gaf, en ze verzorgde en macht en welvaart aan haar stam -schonk door die vermeerdering van strijd- en werkkrachten. Maar ieder -die iets van de geschiedenis weet, kan zich niet verwonderen dat die -toestand niet blijvend is geweest. Toen het leven gekompliceerder werd, -het bezit kwam en de rijkdom en daardoor strijd, en door toeneming van -bevolking, volksverhuizingen ontstonden, en daardoor veroveringszucht -en slavernij en soms vrouwenroof, kan ieder licht begrijpen dat in de -ruwheid dier tijden het sterke geslacht moest zegevieren. Denkt u eens -even aan de tijden die toen gekomen zijn! Aan de Romeinsche oorlogen, -aan Attila met zijn woeste Hunnen, aan de prediking van het christendom -met het zwaard, waarbij duizenden werden gedood, die niet onmiddellijk -overtuigd waren van zijn voortreffelijkheid, aan de Noormannen en hun -invallen, aan de middeleeuwen toen het oorlogvoeren onderling der -kleinere en grootere kasteelen zoo onhoudbaar was geworden, en de roof- -en plunderzucht der edelen zoo groot, dat de geestelijkheid, die zich -machteloos voelde tegenover het kwaad zelf, eenige verbetering in den -toestand trachtte te brengen door de Trêve Dieu in te voeren, een -bepaling waarbij het op straffe van excommunicatie verboden was, om te -dooden of met gewapende hand te stelen, van Woensdag avond tot Maandag -morgen. Niet waar? zulke bepalingen, geldende de grooten en machtigen, -zeggen meer dan alle beschouwingen over de woestheid dier tijden! En -denkt u verder nog eens even aan de gruwelen der burgeroorlogen, der -kettervervolgingen, aan den honderdjarigen oorlog in Frankrijk, aan den -dertigjarigen in Duitschland, aan den tachtigjarigen in ons eigen land! -Aan al die benden slecht bezoldigde huurtroepen die het land door -trokken of muitend heele streken onveilig maakten, en later, nog geen -eeuw geleden, aan Napoleon’s bloedheerschappij! Dan kan het u toch -waarlijk niet verwonderen dat de vrouw in die tijden een ondergeschikte -plaats moest innemen! Zonder zich zelf aan het grootste gevaar bloot te -stellen, kon ze zich toen immers nauwelijks buiten de poorten van haar -stad of burcht wagen tenzij onder vertrouwd geleide, en alleen achter -de kloostermuren, of in het huwelijk, vond zij zekere veiligheid, die -zij met haar onafhankelijkheid moest koopen. Wèl vinden wij in de -geschiedenis telkens en telkens weer vrouwenfiguren in kracht en moed, -zelfs in strijdlust, de gelijken van den man en als de omstandigheden -het eischten ontbrak het nooit aan heldinnen. Maar onze aard is het nu -eenmaal niet om op het slagveld te schitteren. Zoolang de wereld -voortdurend vervuld was van het kletteren van wapenen en kanongebulder -kon de vrouw zich nooit laten hooren, zoolang physieke kracht en -vaardigheid in wapenhandel onder de hoogste deugden werden gerekend, -oorlogvoeren de hoogste carrière was, tournooien houden het eenigste -voorname vermaak, dapperheid de eenige heldendeugd, was er in de groote -maatschappij voor de vrouw officieel geen plaats. Eerst in deze eeuw -waarin Bertha von Suttners kreet: Leg neer de wapens [5] luid heeft -geklonken en echos heeft gewekt aan alle kanten, kan er sprake zijn van -vrouwenemancipatie; d.i.: de vrouw vrij en onbeperkt werkzaam op alle -gebied midden in de maatschappij, en ook eerst in deze eeuw, met zijn -trillend verlangen naar sociale rechtvaardigheid, kan de vrouw de -plaats opeischen die haar toekomt.” - -Hilda had lang en heftig doorgesproken, zich zelf soms verbazend over -de klaarheid waarmede al deze dingen haar in de gedachten kwamen, nu -zij ze onder woorden brengen moest. - -Bertha zat zwijgend met neergeslagen oogen en teekende met de punt van -haar parasol onvaste dwarrelende strepen in het zand, onvast en -dwarrelend als haar eigen gedachte. - -„Dominee Moisette zegt juist, dat de vrouw in de middeleeuwen zoo hoog -vereerd werd,” zeide zij aarzelend, „en daaruit leidt hij juist af dat -hoe afhankelijker de vrouw blijft, hoe meer zij beschermd en geëerd -wordt.” - -„Ja,” zeide Hilda bitter, „de troubadours en minnestreels -verheerlijkten haar in hun liedjes en de ridders trokken met de kleuren -van hun dames op hun banieren gestikt ten strijde. Maar ik zou wel eens -willen vragen aan de arme koninginnen en burchtvrouwen, die naast zich, -en met meer eerbewijzen omringd dan zij zelven, de minnaressen van haar -mannen moesten dulden, aan de vrouwelijke slachtoffers der geplunderde -steden, aan de duizende vrouwen, die liever een wijkplaats achter de -kloostermuren zochten, dan het voorwerp dier hooggeroemde bescherming -te zijn, aan de knappe kruidkensters, eigenlijk de doktoressen van de -middeleeuwen [6], die wegens hekserij op de vreeselijkste manier werden -doodgemarteld, aan de jonge vrouwen, die zoo juist in het huwelijk -waren verbonden met den man dien zij liefhadden, en daarop den gruwel -moesten doorstaan van Droit du seigneur! of die allen wel erg over de -vrouwenvereering dier tijden tevreden waren? Ik denk dat zij gaarne -zouden hebben willen ruilen met de vrije Amerikaansche!” - -Het meisje keek verward op. Voor haar, die weinig van geschiedenis -wist, waren Hilda’s toespelingen op de middeleeuwsche toestanden -nauwelijks verstaanbaar, maar aan den toon van afgrijzen begreep zij -dat het vreeselijke dingen waren, die der vrouw toen werden aangedaan. -Roerloos bleef ze zitten, bijna niet in staat om te denken van -zenuwachtigheid. - -„Kom,” zeide Hilda, „’t is hoog tijd, we moeten gaan. Ik heb het al -half elf hooren slaan, en ik had nog wel aan mevrouw Cranz beloofd -vroeg te zullen komen.” - -Maar Bertha bleef zitten .... „Wat zal ik toch aan mevrouw zeggen?” -zeide ze met ’n hijgenden snik. - -Hilda zag op haar neer en in haar gezicht kwam iets zachters van -medelijden. „Kom juffrouw Wendelings, grijp uw moed bij elkaar, wil ik -eerst met mevrouw spreken? Mevrouw is zoo innig goed en houdt zooveel -van uw mama. Ga naar haar toe en zeg haar dat u onder verkeerden -invloed een .... enfin, een domheid hebt begaan maar dat u trachten -zult ....” - -„Nee, nee,” zeide juffrouw Wendelings, „dat is het juist, ik geloof -tòch dat dominee Moisette gelijk heeft en ik wil niet meer ....” - -Hilda stond verslagen. Een uur lang had zij met alle inspanning haar -zaak bepleit, éen voor éen alle bezwaren weerleggend en niets was ze -gevorderd. „U bent toch geen kind meer, dat u iets alleen op gezag van -een ander aanneemt!” zeide ze zacht met het plotseling moeie gevoel, -dat alles wat ze zeggen kon toch tevergeefs zou zijn. „Dominee Moisette -is toch geen paus voor u, aan wiens onfeilbaarheid u zelfs tegen logica -en geweten in moet gelooven?” - -Maar toen in eens met de intuïtie dat er wellicht nog een laatste -argument bestond dat Bertha niet gezegd had, maar dat zwaar bij haar -woog: „Waarom hebt u toch eigenlijk bedankt?” zeide ze alsof het vorige -vergeten was. - -Bertha boog het hoofd en zat zenuwachtig plukkend aan de toppen der -grijsgaren handschoenen, die haar groote handen nog grooter maakten. - -„Zulk werk,” zeide ze eindelijk, „zal de vrouw het bekoorlijke -ontnemen, haar leelijk maken.” - -Een oogenblik kwam er verlangen in Hilda op, om weg te loopen en de -onvruchtbare discussie te eindigen, toen zag ze neer op de gebogen -gestalte, plomp in elkaar gezakt, waarvan elke lijn tot in de kleinste -bijzonderheden ongracieus was. Van het dikke roode gezicht met de -vooruitstekende lippen, den stompen neus, en de kleine diepliggende -zwarte oogen, kon zij niets zien omdat het hoofd te veel naar voren -hing, maar zij zag onder het vaal verkleurde stroohoedje het armoedige -knoopje van rosachtig haar, en onder uit het nauwe kleedje zag ze de -groote, leelijk gevormde voet uitkomen in een oude laars, de hak, naar -buiten gekeerd en de punt naar binnen. Toen steeg er langzaam een groot -medelijden in haar op. - -Zou dit meisje werkelijk denken, dat, door stil thuis te zitten bij -moeder in het bovenkamertje in het benauwde Juffrouw Ida straatje, zij -in eens een bekoorlijke jonkvrouw zou worden, zooals ze voorkomen in -ouderwetsche romans? Hilda dacht aan een paar Amerikaansche meisjes, -die zij in Philadelphia had ontmoet, de eene boekhoudster, de andere -stenografe, twee slanke feetjes vol frischheid en gratie, zij dacht aan -een vrouwelijke advocate in Washington, de elegantste vrouw die ze ooit -gezien had, en ze verbaasde zich over de macht van holle phrases. - -„Ik zou juist denken,” zeide ze zacht, „dat uw betrekking u mooier zou -hebben gemaakt. Met wat ruimer inkomen zou u wat meer werk van uw -toilet kunnen maken, wat niet zonder beteekenis is in het uiterlijk van -een vrouw, nietwaar? en als u dan in uw vrije avonden wat koekjes aan -de thee voor uw moeder kondt meebrengen en haar wat moois kondt -voorlezen, in plaats van nu uw oogen moe en rood te gaan werken op -slecht betaald naaiwerk, geloof ik, dat u er veel vroolijker en liever -zoudt hebben uitgezien. Overwerken is voor ieders gezondheid slecht en -dus ook voor de schoonheid, maar een rustig volbrachte dagtaak en een -voldoend salaris zijn uitstekende schoonheidsmiddelen!” - -Bertha vouwde de handen en Hilda zag een paar tranen neerglijden, die -als donkere vlekjes neerspatten op de grijsgaren handschoenen. - -„Kom juffrouw Wendelings, zeg het me maar. Al uw argumenten waren maar -uitvluchten, nietwaar? U ziet wel, dat het maar klanken en zinnen zijn, -die niet bestand zijn tegen ’n beetje doordenken. Zeg me nou maar -waarom u bedankt hebt, het zal u goed doen om het te zeggen!” - -„O! omdat .... nee, het waren geen uitvluchten, het waren wel degelijk -argumenten van dominee Moisette, maar ik kan ze niet verdedigen tegen -u, maar hij heeft ook nog gezegd .... hij heeft ons gewaarschuwd .... -dat misschien .... es iemand komen kon .... die, .... onze eigenlijke -bestemming is toch het huwelijk, niet waar? .... en .... heeren hoûen -niet van meisjes die zulke betrekkingen bekleeden .... en zoo iemand, -die mij gelukkig had kunnen maken zou dan niet naar me om zien....” -Hakkelend met een roode vlam in het gezicht had ze het uitgesproken. - -Hilda stond een oogenblik strak voor zich ziende, toen draaide ze zich -om en begon den terugweg. Bertha volgde zwijgend. - -Dus voor een vaag iemand, die misschien nimmer komen zou, en die, als -hij kwam, heel misschien haar werkkring zou afkeuren, had dit meisje -haar toekomst vernield? Marguérite van Arkel had het haar onlangs wel -gezegd hoe verslappend het vage denkbeeld op vele vrouwen werkt: dat -„de heeren” sommige betrekkingen onvrouwelijk vinden. Zij had het niet -willen gelooven en nu zag zij het vóór zich. Al hare fierheid kwam in -opstand tegen deze laffe angst voor een denkbeeldige afkeuring van een -denkbeeldig minnaar. - -„Weet u dan niet,” zeide ze hard, „dat er honderd duizenden meer -vrouwen zijn dan mannen? Wie zegt u dat die „iemand,” voor wie u uw -carrière gebroken hebt, ooit komen zal? En dan, waarom zou het niet -even goed kunnen dat die „iemand,” in plaats van bekrompen te zijn, vol -verouderde dwaze begrippen over vrouwenarbeid juist in u apprecieerde, -uw energieke werken, uw geld verdienen voor uw moeder; waarom zou het -niet kunnen dat hij u juist liefhad om uw moedig alle bezwaren en -vooroordeelen overwinnen, dat hij juist trotsch was op een vrouwtje dat -haar uitzet had betaald met haar eigen mooie zelfverdiende geld? Zulke -mannen bestaan er toch ook! en mij dunkt, zij die zoo denken zijn onze -liefde meer waard dan de anderen. O! het is ergerlijk, ergerlijk, dat -dominee Moisette u de dingen zoo verkeerd heeft voorgesteld. Ik vind -het ellendig van hem!” - -Bertha zag op, snel met een hooge kleur. - -„Hoe kunt u zoo iets zeggen, freule, dominee Moisette heeft nooit iets -ellendigs gedaan. Hij is de wijsheid en goedheid zelf en al zoudt u me -ook honderdmaal bewijzen dat ie ongelijk heeft, ik geloof het toch -niet. Hij is zoo vreeselijk verstandig en edel, hij moet het beter -weten ....” - -Toen zuchtte Hilda even met een erg vernederd gevoel dat ze al heel -weinig scherpzinnig was geweest dien morgen. Dàt was het dus, ze had -den jongen dominee lief en ze had haar toekomst vernietigd om niet in -zijn oogen onvrouwelijk te schijnen. - -En Hilda zuchtte weer met groote moeheid, omdat de wereld zoo vol -treurigheid was. Want zij kende immers het geheim van Moisette en wist -dat hij dit offer niet vergelden kon en ze voelde zich nameloos droevig -om Bertha en om Moisette en ook om zich zelve, die uren lang vol -enthousiasme over werken had gepraat en niet eens wist wat met haar -leven aan te vangen. - -Tot aan het huis van mevrouw Cranz liepen ze zwijgend voort, toen -spraken zij weer voor het eerst. - -„Adieu freule.” - -„Gaat u niet mee naar binnen?” - -„Nee, als mevrouw zoo tegen me spreekt als u gedaan heeft, weet ik geen -raad. Ik zal moeder gaan halen. Als zij er bij is, durf ik het beter -zeggen.” - -„Adieu, juffrouw Wendelings.” En Hilda drukte haar de hand met een -hartelijkheid, die het meisje na haar gesprek verbaasde. - - - - - - - - - -„Mevrouw is boven op de bibliotheek,” zeide de knecht en Hilda ging -naar boven, naar de mooie ouderwetsche kamer, die vroeger aan mijnheer -Cranz van Rozenhagen tot studeerkamer had gediend. De oude mevrouw zat -hier veel. Tusschen die vier wanden, rondom betimmerd met planken vol -boeken, waarvan velen met oude kostbare banden, bracht ze gaarne haar -lange eenzame uren van weemoedig herdenken door. Haar meisjesjaren -waren kort en gelukkig geweest, maar door de gierigheid van haar man en -zijn absolute zelfzucht was haar huwelijk een lange tijd geweest vol -schrijnende pijn. Na zijn dood was er een krachtig nieuw opbloeien in -haar gekomen, een terugvinden van jeugd, van illusies bijna, en met -hartstocht had ze er zich toen aan gewijd, om tot geluk van anderen -haar groot vermogen te besteden dat zij in haar huwelijk had -aangebracht, maar dat al die bange jaren in misdadigen schijndood in de -macht van haar man was gebleven. - -Onder voorwendsel dat zoo’n eenigst zoontje licht door mama vertroeteld -zou worden, was Bernard al heel jong door zijn vader het huis -uitgestuurd en had zijn opvoeding gekregen op een kostschool, waarvan -zijn moeder den geest volstrekt niet goedkeurde. Dit was wel een van de -zwaarste verwondingen geweest die het huwelijksleven haar gebracht had, -en eene die nooit meer kon genezen. Maar Bernard’s opgroeien had naar -het oppervlakkige wereldoordeel den vader gelijk gegeven. Hij was een -flinke knappe jongen geworden, die een prachtige carrière maakte, en er -zijn ouders, die niets meer voor hun kinderen verlangen! Voor een reine -hoogvoelende moeder echter als mevrouw Cranz waren er veel dingen in -Bernard die haar met onrust en leed vervulden. Telkens als hij thuis -zou komen was zij vol van blij hoopvol verlangen, maar telkens als zij -een poosje samen waren, voelde zij, dikwijls zonder het zich zelf te -willen bekennen, hoe teleurgesteld ze was. O! hij was heel hartelijk en -vol attenties voor haar! Maar zij wist dat zij buiten het intiemste van -zijn leven stond, en ongeduldig weerde hij haar af, als zij probeerde -er in door te dringen. „Vrouwen hebben zulke eigenaardige -opvattingen!”—had zij hem eens tegen een kennis hooren zeggen.—„Je moet -ze erg vereeren, maar ze zoo veel mogelijk buiten alles hoûen!” En dat -drukte karakteristiek hun verhouding uit. Voor veel moeders is het -genoeg als haar zonen maar een beetje hartelijk de alledaagsche -praatjes houden, en zich wat laten bederven, maar mevrouw Cranz had -gedroomd van een zooveel mooier samenzijn, en soms was er een kille -onrust in haar, die haar ineens liet huiveren, als zij vermoedde dat er -ook veel in dat leven was, waarvoor hij zich geschaamd zou hebben als -zij het had geweten. - -Op dit oogenblik zat zij stil te breien, éen harer tallooze grof -katoenen borstrokjes voor arme kinderen, luisterend naar Bernard, die -haar de courant voor las. - -„Dag Hildy!” zeide ze hartelijk, en toen in schertsend verwijt: „Wat -ben je laat! en je had me nog zóo beloofd om vroeg te komen!” - -„Ja, dat is waar, maar onderweg ben ik opgehoûen, .... ik zal u dat -later wel es vertellen.” - -„Foei, mama, u mag niet zoo tyranniek zijn!” riep Bernard lachend. „Men -kan wel zien dat de freule u verwend heeft, dat u haar met verwijten in -plaats van met dankbetuigingen ontvangt.” - -„Mevrouw heeft groot gelijk!” antwoordde Hilda, in een eerlijke poging -om zoo stroef mogelijk te zijn. „Ik bén ook veel te laat!” - -„De kisten met al het goed staan beneden in de eetkamer,” hernam de -oude mevrouw. „Moisette is er al een uur aan bezig geweest, en zal wel -erg naar je hulp verlangen!” - -„Is dominee Moisette beneden?” - -Mevrouw Cranz glimlachte, hare zichtbare ontroering misvattend: - -„Ja zeker, ik heb hem gevraagd om je te komen helpen. Er is veel te -veel voor éen persoon om uit te zoeken.” - -Hilda ging zwijgend heen. Na de opwinding en het vermoeiend gesprek met -Bertha was het haar ondragelijk Moisette te moeten zien. - -„Mama!” zeide Bernard, toen Hilda was gegaan. „Wat moet nou toch -eigenlijk die dominee er bij doen?” - -„Haar helpen, beste jongen, en .... z’n hof maken, als ie lust heeft!” - -„Dat meent u toch niet? die .... die predikant met z’n dwepend -monniksgezicht en .... Hilda?” - -Heel zacht, met een kleine trilling had hij het laatste woord gezegd, -maar de oude mevrouw merkte het niet op. Een oogenblik breide ze rustig -voort, telde hare steken, en toen, ernstig tot hem opziende: - -„En waarom niet? Het zou niet de eerste keer zijn dat ’n mooi, rijk, -voornaam meisje met ’n dominee trouwde. Ik dacht dat je boven zulke -ouwe aristocratische opvattingen verheven was.” - -Maar Bernard antwoordde niet en liep de kamer op en neer met gefronsd -voorhoofd en groote gejaagde passen. - -Toen, op eens, begreep ze. - -„O! Ber! ... is het mogelijk! Zou jij ...?” en in wondere ontroering, -half van schrik, half van vreugde, vouwde ze de handen boven haar -breiwerk, en zag strak naar hem op, haar oude zwakke oogen wijd open. - -Hij knikte en kwam naar haar toe, juist als vroeger, heel lang geleden, -vóór ze hem van haar weg, naar de kostschool hadden gezonden, vroeger -toen hij kind was, als hij verdriet had, en knielde juist als toen voor -haar neer. - -„O! mijn jongen! is het mogelijk!” En met onbewuste bewegingen streelde -ze zijn haar, juist als vroeger, zoo heel lang geleden. Een oogenblik -zaten zij stil, een oogenblik voor haar van groote weemoedsvolle -weelde, waarin ze vergat haar levensteleurstelling, dat hij zoo heel -anders geworden was dan ze gewild had. - -„Had u er heusch niks van gemerkt moedertje? En nou is het misschien te -laat! zeide hij week. - -„Dat geloof ik niet. Ze hebben elkaar eigenlijk nog zoo weinig gezien. -Moisette is wel erg doodelijk van haar, maar ik weet volstrekt niet of -ze het beantwoordt, en juist omdat ik zoo’n medelijden met hem kreeg, -had ik ze vandaag samen .... Hoe kon ik toch zoo blind zijn! ....” - -Bernard glimlachte gerustgesteld. In den grond van zijn hart, had hij -eigenlijk ook nooit geloofd dat, waar een vrouw de keuze had tusschen -hem en dien bleeken theoloog, haar beslissing ongunstig voor hem kon -zijn. En toch was er iets in Hilda, dat hem telkens ongerust maakte. -Zij was zoo heel anders dan de vrouwen waarmee hij omgang had gehad, en -de vele jonge meisjes, die hem duidelijk toonden hoe bereid zij waren -om Baronesse Cranz van Rozenhagen te worden. - -Een klop op de deur liet hem overeind springen. - -„Mevrouw, daar is mevrouw Wendelings en de juffrouw die u graag even -woûen spreken.” - -„Laat de dames naar boven komen!” antwoordde ze met een zucht van -ongeduld en toen zij weer alleen waren ging zij naar hem toe en sloeg -haar armen om hem heen, maar de weeke emotie van straks was tusschen -hen weg. - -„Waarom heb je het me niet eerder gezegd?” zeide ze zenuwachtig, -bedroefd dat zij het niet geraden had. - -Maar Bernard rolde zwijgend zijn cigarette en ging de kamer uit. - -Hilda was intusschen naar beneden gegaan. - -Met strakke lippen, het hoofd nauwelijks buigend en zonder hem de hand -te reiken, had zij Moisette’s vroolijken groet beantwoord. - -Voor hem was dezen morgen een stralend lichtpunt geweest, waarnaar hij -verlangend had uitgezien sinds het oogenblik dat mevrouw Cranz hem -gevraagd had te komen. Het vooruitzicht alleen met Hilda een paar uur -samen te werken had hem dagen van koortsige blijheid gegeven; honderd -malen had hij die oogenblikken voor zijn verbeelding gesteld, ze gevuld -met al de woorden vol diepe, teere beteekenis, die hij haar zeggen zou, -maar haar laat komen en koele begroeting ontroerden hem plotseling met -onrust. Het was, alsof er bij haar binnenkomen, op eens iets in hem was -gebroken. - -„Wat ’n prachtig weer, freule, vindt u niet? Maar haast al te warm!” - -„Ja veel te warm!” en Hilda bukte zich over een groote mand met -speelgoed en ging ijverig aan het uitzoeken. - -„Dit is ’n hoopje prenten en boekjes voor de doofstommen,” zeide -Moisette na een poosje. „Als u er speelgoed voor bij elkaar hebt -gezocht, wilt u het dan hierbij zetten? En hier in de hoek is voor de -verwaarloosde meisjes van de Annastichting ....” - -„Dank u, ik weet het. Mevrouw heeft het me gisteren allemaal verteld.” - -Weer volgde een lange pauze; beiden werkten schijnbaar ijverig voort, -elkaar onbemerkt bespiedend. - -„Wat is er toch in vredesnaam met haar gebeurd?” dacht Moisette, en -wanhopend zag hij den tijd voorbijgaan van de kostbare uren, waarvan -hij zich zooveel had voorgesteld. - -„Zoudt u denken dat we vanmorgen klaar komen? Ik had gedacht .... ik -had .... gehoopt dat .... u vroeger zoudt zijn gekomen!” - -Het was zacht gezegd en Hilda wist hoe hij het bedoelde, maar het -prikkelde haar plotseling tot verzet. Misschien was het ook de reactie -van het opwindend gesprek dien morgen, misschien ook het gevoel dat het -onhoudbaar was langer haar stugge zwijgen te bewaren, terwijl zij hem -naast zich voelde smachten naar een vriendelijk woord. - -„Ja!” zeide ze uitdagend, bijna vijandig: „Ik zou ook eerder gekomen -zijn, maar onderweg kwam ik juffrouw Wendelings tegen en ik ben ’n eind -met haar omgeloopen om haar van haar dwaze besluit af te brengen.” - -Er was, terwijl zij sprak, in eens een harde uitdrukking in zijn -gezicht gekomen. Dát was het dus waarom zij vanmorgen zoo koel was! -Overal dus moesten hem die ellendige emancipatieidées als booze geesten -vervolgen! In zijn gemeente moest hij ze overal bestrijden en nu wilden -zij hem ook de vrouw, die hij liefhad ontnemen. - -„Ik vind het besluit van juffrouw Wendelings volstrekt niet dwaas,” -zeide hij streng met iets van ouderwetsch priesterlijke hoogheid. „Ik -vind het zeer in het meisje te waardeeren, dat ze terug is gekeerd tot -haar plaats als vrouw in de binnenkamer.” - -Maar toen Hilda hem een oogenblik zwijgend had aangezien met haar -groote oogen vol uitdagende spot, verloor hij zijn zelfbeheersching: - -„De vrouw is veel te mooi, te teer, te hoog, te zwak voor zulk -kantoorwerk!” zeide hij heftig, verward. - -„Te teer, te mooi, te hoog voor kantoorwerk?” herhaalde Hilda. „Maar -niet te mooi, te hoog, te teer om armoe te lijden niet waar? En te -zwak? De vrouw niet sterk? Alsof de voorzienigheid, éen deel van de -menschheid, het mannelijke, gezond en flink zou hebben gemaakt, en het -andere, het vrouwelijke, te zwak en te ziekelijk om de gaven, die het -gekregen heeft te gebruiken. Ik zou durven wedden dat op haar kantoor -geen harer heeren collega’s zoo frisch en stralend van gezondheid was -als juffrouw Wendelings! En alsof niet in een massa gevallen het -huishoudwerk oneindig meer kracht vereischt en vermoeiender is dan -geregeld kantoorwerk! Kijkt u maar es naar de huisvrouwen op het platte -land, die nog veel zelf moeten doen, dat de stadsdame kant en klaar in -de winkels koopt; kijkt u maar es even naar de boerenvrouw, zooals ze -b.v. in Suylenburg, en overal in Noord-Brabant is, of ze niet nog veel -harder dan haar man werkt! en niemand merkt daar iets van die -veelbesproken zwakheid! En dan de fabrieksarbeidster, die dikwijls -hetzelfde werk als de man doet en nog het huiswerk bovendien. O! al die -fabels over vrouwenzwakte! Gelooft u niet dat de meesten van al de -kwaaltjes van ons vrouwen uit de hoogere standen alleen ontstaan door -het tegelijk leege en overspannen leven, dat we leiden: vol drukte en -zonder arbeid! met veel tijd om over onze petite santé te denken en -weinig ernst om hygiënisch te leven?” - -Zij lachte, een beetje brooddronken door haar eigen woordenvloed, die -ze met kracht uit haar lippen voelde wegstroomen. En zooals ze daar -vóór hem stond met haar glanzende groote oogen, de volle roode lippen -even geopend in een trotschen lach, hoog opgericht het slanke, -veerkrachtige lijf, scheen ze elk argument van vrouwenzwakheid te -tarten. Maar toen ging ze weer voort, zonder te bemerken hoe -hartstochtelijk hij zijn blikken op haar gevestigd hield, hoe hij -nauwelijks scheen te hooren wat zij zeide, verloren in het strakke -kijken naar haar mooi bezielde verschijning: - -„Heusch Dominee, de tijden zijn voorbij, dat we om gedistingueerd en -echt vrouwelijk te zijn, er bleek moesten uitzien en flauwvallen en -niet eten mochten en zwakjes moesten doen. In de twintigste eeuw zal de -vrouw onder haar lievelingsstudies de hygiëne rekenen en sterk zijn! En -dan, vergeet u ook niet, als er nu soms over mindere werkkracht bij de -vrouw geklaagd wordt, dat we in ’n overgangsperiode leven, waarin dus -de gegevens hoogst onzuiver zijn. Hoeveel vrouwen moeten niet, vóór zij -haar werk kunnen aanvangen, een groot gedeelte van haar krachten geven -in het worstelen tegen familie en wereld-vooroordeelen, dáar waar de -man onbelemmerd, zelfs aangemoedigd zijn gang kan gaan? En het is geen -kleinigheid, en zeer afmattend, om tegen onwil en tegenwerking in, het -eigen pad te volgen! En voor de meeste mannen is er na volbrachten -arbeid rust en ontspanning, terwijl op ontelbare vrouwen, na haar -dagtaak, nog eindelooze huishoudzorgen wachten. De -dochter-onderwijzeres heeft na haar schooluren menigmaal nog al het -verstelwerk der geheele familie, de zoon-onderwijzer kan zich rust -gunnen. Het onrecht tusschen de sexen in het familieleven, zooals dat -nu nog is, drukt als een ontzettende belasting op de zenuwen en -werkkracht der vrouwen uit dezen tijd ....” - -Maar plotseling hield ze stil. Mevrouw Cranz was binnen gekomen en nog -nooit had Hilda het lieve oude gezicht met die uitdrukking gezien. - -„Moisette,” zeide de oude dame, de stem bevend, heel achter in de keel. -„Mevrouw Wendelings is daar juist bij me geweest met haar dochter, maar -ik moet zeggen, dat ik je dit hoogst kwalijk neem!” - -Hilda bukte zich diep over de mand met speelgoed, erg onthutst. Mevrouw -Cranz moest wel heel boos zijn, om haar lieveling op die manier toe te -spreken. Voorzichtig ging ze achter haar om, onhoorbaar naar de deur en -sloop de kamer uit. - -Moisette was heel bleek geworden, zenuwachtig, met ’n beweging van -gewoonte wierp hij een van de sluike, zwarte haarlokken terug, die -telkens op zijn voorhoofd vielen. Dus ook zijn oude vriendin was nu -tegen hem om die ongelukkige geschiedenis! - -„O! die rampzalige emancipatie,” zeide hij half luid in een zucht. - -„Zeg liever dat rampzalige conservatisme,” zeide mevrouw Cranz ernstig. -„Die rampzalige onmacht om mee te voelen, te begrijpen, den drang van -je tijd!” - -Hij zag haar even aan, en toen driftig: - -„Wel mogelijk, maar ik kan het niet helpen! De vrouw staat voor mij te -hoog, en het is mij een gruwel, dat vrouwen mannenwerk gaan doen!” - -„Mij ook!” zeide mevrouw Cranz warm. „Een gruwel! Maar het komt er maar -op aan wat wij mannenwerk noemen!” Zij ging zitten en haalde uit haar -sleutelmandje eenige velletjes papier, waarop ze onlangs uit boeken en -tijdschriften, die zij gelezen had, notities had gemaakt. „Wil je dit -es even inzien? Dit is wat ik mannenwerk noem, niet omdat door allerlei -toevallige omstandigheden de man er voornamelijk in gearbeid heeft, -maar omdat dit soort werk de vrouw in haar meest vrouwelijke functie, -het moederzijn beleedigt. Maar omdat het lage verachte arbeid is, -worden er nauwelijks enkele stemmen gehoord, die protesteeren tegen -deze hoogst „onvrouwelijke” bezigheden! Wie bekommert er zich over dat -duizende arme schepselen en haar kinderen te gronde gaan. Eerst als het -geldt goedbetaalde, fatsoenlijke baantjes, waar de vrouw volkomen -veilig bij is, gaan er huichelkreten van „onvrouwelijkheid” op.” - -Moisette had het papier genomen en werktuigelijk las hij het door. Maar -langzamerhand toch kregen de woorden beteekenis voor hem en begon hij -nauwkeurig opnieuw te lezen: - -De kinderen der loodwitwerksters komen slechts ter wereld om bijna -zonder uitzondering aan stuipen en loodwitvergiftiging te sterven. Zij -worden òf te vroeg geboren, òf sterven binnen het eerste jaar. Mr. -Vaughan Nash. Fortnightly review Febr. 1893. - -De aandacht wordt in de fransche bladen gevestigd op de enorme sterfte -onder de poudreuses, de bestuifsters, in de fabrieken van gekleurd -porselein en aardewerk. Te Limoges sterven de jonge fabriekwerksters in -grooten getale aan loodzoutvergiftiging; het werk is het volgende: -zoodra de bladen met een patroon in kleefstof bedrukt uit de machine -komen, moet de werkster een prop droge watten, die zij in metaalpoeder -gedompeld heeft, er over laten gaan, vóórdat de kleefstof droog is. Het -poeder verspreidt zich als een wolk om de werkster en hoe meer zij zich -haast, des te dichter is de atmosfeer er mee vergiftigd. De poudreuse -moet 250 bladen per dag bewerken, het loon is 15 à 20 centimes per uur! -Welke kinderen zullen zulke vrouwen voortbrengen? - -Onder de beroepen voor vrouwen zijn er velen die het grootste gevaar -opleveren. Zoo is het gevaar voor inwerking van zwavelzure en -alkalische gassen in hooge mate voorhanden bij het stroohoeden maken en -wasschen, het gevaar voor vergiftiging, bij het vervaardigen van -gekleurd papier en bloemen, en van metachromotypie, bij het behandelen -van vergiften en chemicalieën, het beschilderen van looden soldaten en -looden speelgoed. Het bedekken van spiegels met kwikzilver is voor de -vrucht der zwangere arbeidster meestal doodelijk. Als men gemiddeld -rekent dat van levend geboren kinderen 22 percent gedurende het eerste -levensjaar sterven, dan kan men rekenen dat van levend geboren kinderen -van spiegelbedeksters 65 percent, van glasslijpsters 55 percent, van -loodwerksters 40 percent in het eerste jaar sterven. Volgens Dr. Hirt -zijn in de tweede helft der zwangerschap bijzonder gevaarlijk voor de -werksters zelven en hare kinderen het fabriceeren van gekleurd papier, -van kunstbloemen, het zoogenaamde bestuiven van Brusselsche kant met -loodwit, het vervaardigen van decalqueerplaatjes, de -caoutschoucindustrie en alle verdere fabrieksarbeid waarbij de -werksters blootgesteld zijn aan het inademen van schadelijke gassen: -kooloxyde, koolzuur en zwavelwaterstofgas. Hoogst gevaarlijk is ook het -maken van phosphorlucifers en het zijde spinnen. Bebel. „Die Frau und -der Socialismus.” - -De toenemende gewoonte om in publieke plaatsen van vermaak en -consumptie vrouwelijke bedienden in plaats van mannelijke te nemen, -dreigt een groot gevaar te worden voor de physieke en moreele -gezondheid van het volksmeisje, de toekomstige volksmoeder. Brochure, -Mevrouw van Bergen: „Sluit men voor de vrouw de goede broodwinningen -dan moet zij de kwade wel opzoeken.” - -Het lijstje met aanteekeningen van mevrouw Cranz was lang. Feiten en -cijfers en aanhalingen uit statistieken volgden elkaar op tot Moisette -er langzamerhand ’n visioen uit voelde opstijgen van nameloos, stil -gedragen lijden, van ontzettend zwaar sloven waar niemand zich om -bekommerde en van folteringen, geluidloos ondergaan. - -„Zie je, als je nou van mannenwerk praat, dan noem ik dát mannenwerk,” -zeide mevrouw Cranz. „Als men aanneemt dat dit werk gedaan moet worden, -dan beter door den sterke, den man, dan door haar die ’t nieuwe -geslacht moet voortbrengen en voeden. Maar juist voor zulk werk wordt -de vrouw bij voorkeur gebruikt omdat zij een goedkoope arbeidskracht is -en niemand hoor je daarbij roepen over onvrouwelijkheid!” - -„Het is ontzettend, ontzettend!” herhaalde Moisette en driftig gooide -hij de zwarte sluike lok weer naar achteren, die op zijn voorhoofd was -terug gevallen. „Daar moeten wetten voor gemaakt, dat is duidelijk! -Heel eenvoudig moet de wet dit werk aan vrouwen verbieden.” - -„Flink zoo! en wat moet er dan van al die duizende vrouwen worden die -in eens broodeloos zijn gemaakt? Geloof je dat die arme schepsels, die -zulk werk verrichten”—met een hoofdknik wees zij naar het papier, dat -hij nog in de hand hield,—„het voor haar amusement doen? Zij doen het -natuurlijk uit nooddwang, ontneem of beknibbel je haar nu dat bloedig -gekochte stukje brood, zonder haar iets anders er voor in de plaats te -geven, dan drijf je haar eenvoudig den weg op van de gevangenis of -erger nog .... Je ziet, zulke verbodsbepalingen, alleen, zonder verdere -ingrijpende maatregelen, zonder andere hulp, zijn een meedoogenlooze -oppervlakkigheid! O! die vrouwenkwestie is zoo maar niet ’n eenvoudig -knoopje, dat men es even met ’n wetje en ’n paar rollende phrases kan -doorhakken! Zij raakt tot in het hart van de sociale vragen! Maar daar -spreken we op dit oogenblik niet over. Wat ik je even wou laten zien -was maar hoe al die ridders, die in naam van teerheid en mooiheid onze -vrouwen terug dringen uit de goede betrekkingen,—vooral in Duitschland -is dat type nog sterk vertegenwoordigd,—zich al bitter weinig -bekommeren om wat er van haar terecht komt, als zij maar tevreden zijn -met het ellendige slecht betaalde werk, dat in de vreeselijkste -beteekenis van het woord onvrouwelijk is! O! al die huichelachtige -ridderlijke phrases!” - -„U bedoelt toch niet dat u mij ook voor huichelachtig aanziet?” - -„Nee, dat geloof ik niet,” zeide ze zachter, „ik sprak meer in ’t -algemeen. Jou zou ik alleen willen beschuldigen van ..... -oppervlakkigheid .... stil, laat me even uitspreken, ik bedoel dat je -niet, lang niet genoeg hebt nagedacht en onderzocht om deze groote -kwestie te mogen bestrijden! Ik ben ’n ouwe vrouw, Moisette, ik heb zoo -veel beleefd en geleden, en natuurlijk, ’t kost me soms groote moeite -om me te verplaatsen in den gedachtengang van de jongeren, maar dit is -een zaak van humaniteit en rechtvaardigheid, waar ik mijn volle -sympathie dadelijk aan heb kunnen geven, en dat zou jij ook doen als je -de vraag ernstig had bestudeerd.” - -„O! maar ik ontken ook niet dat er in die vrouwenbeweging wel iets -goeds is,” antwoordde hij langzaam. „Maar .... denkt u nou, om es ’n -voorbeeld te nemen, dat voor de hand ligt ... de freule van Suylenburg, -zoo gracieus, zoo teer en fijn in al haar voelen en denken, op ’n -kantoor of aan ’n ministerie. Zoudt u dat niet afschuwelijk vinden?” - -„O, maar zóo moet je de zaak niet voorstellen!” riep de oude mevrouw -levendig. „De vraag is niet of het voor rijke meisjes een geluk zou -zijn om droge kantoorbaantjes te gaan bekleeden, ofschoon, ik voor mij -geloof, dat het voor de zenuwen van onze jonge dames heel best zou -zijn, als zij eenige uren van den dag vast werk hadden, op ’n kantoor, -in de keuken, op school, op ’n atelier, in ’n ziekenhuis of waar dan -ook. Maar wij hadden het nu over die ontelbare massa vrouwen, die -ongefortuneerd zijn, zooals juffrouw Wendelings, wier aantal door den -druk der tijden voorloopig nog enorm zal toenemen, en die aan meer en -aan betere betrekkingen moeten geholpen worden. Stel nu bijvoorbeeld de -freule Hilda verloor haar fortuin, wat makkelijk zou kunnen -tegenwoordig met al die geldcrisissen niet waar? zou je haar dan niet -veel liever klerk of ambtenaar zien worden met ’n fatsoenlijk -tractement en vrije avonden dan juffrouw van gezelschap of bonne, het -eenige wat nu voor haar open zou staan, en wat zeker in acht van de -tien gevallen een heel onderdrukt droevig leven beteekent? Maar weet je -wat Moisette?” En ineens ontrimpelde zich de stroeve trek in haar -gezicht, ze lachte, weer in een goed humeur gebracht door het grapje, -dat haar zoo juist inviel.—„Al degenen die nu tegen ons streven zijn, -om de vrouw aan betere werkkringen te helpen, moesten eigenlijk -gedwongen worden om ’n fonds bijeen te brengen, waaruit alle -onvermogende vrouwen konden putten om werkeloos als de leliën des velds -voort te leven! Zou je dat geen prachtig idee vinden, zoo’n fonds? -Moreel zijn jullie er toe verplicht, hoor, als je het verdienen van de -vrouw zoo af keurt! Want of jullie ’t nou goed vindt of niet, om te -leven, al is ze ook nog zoo’n ideaal wezen, moet elke vrouw heel gewoon -eten, om te kunnen eten moet er geld zijn, en om geld te krijgen moet -er verdiend worden, mijn waarde, dat is onverbiddelijke logica! nou, -wat denk je van zoo’n fonds?” - - - - - - - - - -Toen Hilda de kamer was uitgeslopen, bleef ze een oogenblik -besluiteloos in den gang staan. Wat moest ze doen? Het was nog te vroeg -om naar huis te gaan; ze was pas aan het uitzoeken begonnen! Maar als -ze naar de bibliotheek ging zou ze er misschien Bernard vinden en hij -zou denken dat ze voor hem kwam .... Toen werd er een deur geopend, -achter in de gang en met een plotselinge angst, dat men haar daar -betrappen zou, alsof ze stond te luisteren, vloog ze de trap op, naar -boven, naar de bibliotheek, die ze tot hare groote geruststelling leeg -vond. - -„O! wat een trouble en gezeur allemaal!” - -Met een langen zucht wierp ze zich in een der armstoelen, maar ze was -te opgewonden om te kunnen blijven zitten, en een paar keer ging ze de -kamer op en neer, langs de boekenrijen, werktuigelijk de titels der -banden lezend, zonder iets van den zin te begrijpen. Het boek waarin -mevrouw Cranz had zitten lezen,—een engelsche brochure die veel opgang -had gemaakt over den arbeid van fabrieksinspectrices,—lag geopend op de -tafel. Hilda nam het op, en bleef er een poosje in kijken, maar toen ze -op het einde der pagina was gekomen, merkte ze dat ze geen woord had -begrepen. - -Heele fragmenten van haar gesprek met Bertha kwamen haar telkens voor -den geest, woordelijk en met een helderheid die haar buiten staat -maakte iets anders in zich op te nemen. En telkens vond ze nieuwe -argumenten tegen Bertha’s bezwaren en het maakte haar wanhopend dat zij -daar straks niet aan gedacht had. „Arm schepseltje, wat zal ze nou gaan -doen? Hoe kan Moisette toch zoo bekrompen zijn! Ik hoop dat mevrouw het -hem es flink zegt ....” Maar toen kreeg ze toch weer medelijden met -hem: misschien kon hij niet anders dan zoo denken. Er zijn planten die -van zon en andere die van schaduw houden, misschien zijn er ook -menschen die zich van zelf getrokken voelen tot het nieuwe licht, en -anderen die liever leven in den schemer van verouderde gedachten. - -Weer liep ze doelloos rond, heel zenuwachtig en stond voor het raam, in -zich zelf brieven opstellend, die ze aan Bertha schrijven wou. Toen, in -eens, hoorde ze in de stilte van de kamer het tergend rustige tikken -van de pendule. Ze keek om, het moest wel ’n half uur zijn sinds ze -hier wachtte! Maar de klok tikte onverschillig haar antwoord dat pas -tien minuten waren voorbij gegaan. - -Daar viel haar blik op de schrijftafel, waar postpapier gereed lag; -bijna zonder te beseffen wat ze deed, ging ze er heen en schreef: - - -Lieve Corona! - -Ken je de geschiedenis van Bertha Wendelings? Ik ben er dezen morgen -zoozeer van vervuld, dat ik bij wijze van veiligheidsklep mijn emotie -even praat, maar weet je wat me in dit gesprek telkens heeft -gefrappeerd? Dat wij eigenlijk tegen twee stroomingen tegelijkertijd -hebben te worstelen! Aan den eenen kant staan zij die ons inferieur -rekenen aan den man, en bij elken stap ons toeroepen: „onvrouwelijk! -want dit werk is te hoog voor u!” Aan den anderen kant staan onze -vereerders, bij elk onzer bewegingen klagend: „onvrouwelijk! Gij staat -te hoog voor dezen arbeid!” En het groote publiek schermt met de -argumenten der beide partijen tegelijk! Maar beide deze stroomingen -zullen we overwinnen, Cora, en dan zal de tijd dáár zijn dat we vrij en -onbeperkt werkzaam zullen kunnen wezen op alle gebied, al naar onze -individueele gaven en krachten! niet boven of onder den man, maar naast -hem! - -Adieu lieve, vergeef mijn slordig schrift. - -Je Hilda. - - -Langzaam vouwde ze het briefje samen, toen de deur zachtjes geopend -werd. Ze zag niet op, maar boog zich kleurend dieper over de enveloppe; -ze voelde dat het Bernard zijn moest. - -„O! Pardon, freule, ik wist niet .... ik stoor u toch niet?” - -„Volstrekt niet, mijnheer Cranz, ik heb hier maar even gewacht, omdat -uw mama iets met dominee Moisette te bespreken had.” - -„Ja, zijn WelEerwaarde schijnt het vandaag erg verbruid te hebben!” -zeide hij met een leelijken lach. - -Hilda voelde het onedelmoedige, het leedvermaak dat in zijn woorden -lag, en het ontstemde haar. - -„Het is geen wonder,” zeide ze koel, „in dezen tijd, dat op alle gebied -de nieuwe idees tegen de ouwe indruischen, dat men het niet altijd eens -is, al is verder de sympathie ook nog zoo groot! Trouwens hun onderwerp -is belangrijk genoeg om er ’n beetje over te discussieeren!” - -„O ja, de emancipatie, nietwaar?”—Hij zeide het met zijn glimlach van -voorname ironie, die haar zoo dikwijls had geërgerd.—„Ik was straks -even in de kamer daarnaast en ik hoorde ze redeneeren, alsof hun leven -er van afhing, over vrouwenarbeid en hongerloonen en ik weet al niet -wat! Mijn God, freule, ik moet u bekennen, de vrouw zelf vind ik ’n -heel belangrijk onderwerp van gesprek, dat blijft altijd hoogst -interessant, al praat je er ook nog zooveel over! maar haar arbeid en -rechten .... ik moet u zeggen .... dat lijkt me al heel weinig -aantrekkelijk! Maar nou vindt u me zeker afschuwelijk ouderwetsch?” - -„U spreekt zeker liever over de toiletten en de chronique scandaleuse -der dames? Dat kan ik me best begrijpen, dat is ook veel pikanter!” Ze -zeide het scherp, even kleurend onder den prikkel van haar vinnigheid, -waar ze zich half over schaamde, en half in genoot. Toen opstaande: -„Maar wie weet hoe lang uw mama nog over die „weinig aantrekkelijke” -kwesties zal blijven praten! Wilt u haar zeggen dat ik morgen terug zal -komen, maar nu maar naar huis ben gegaan, omdat ik nog wat te doen -had?” - -„O! maar blijft u toch nog een oogenblikje!” zeide hij in eens heel -zacht, met dien warmen vleiklank in zijn stem, die hij wist dat -bekorend op vrouwenzenuwen werkte. „Mama zal wel zóó klaar zijn en ze -zou ’t zeker naar vinden als ze u niet meer gezien had.” - -Hij stond vlak voor haar nu, en zijn oogen zochten de hare. Al haar -koelheid en scherpe woorden hadden nooit indruk op hem gemaakt; hij had -ze eenvoudig voor één van die ondoorgrondelijke vrouwengrillen -gehouden, waarmee je je hoofd maar niet te veel breken moet. Misschien -ook was ze ’n beetje koket en wilde ze hem vóór de overgave nog even -laten voelen, dat haar conquête zoo makkelijk niet was. „Jonge meisjes -hebben dikwijls van die prikkelbaarheden en kunstjes! maar dat ze -werkelijk iets tegen hem had, had ze hem geen minuut kunnen wijsmaken -.... en toch ....” - -Een wild verlangen kwam plotseling in hem op om het trotsche mondje met -kussen te bedekken, om de hoog opgerichte houding van haar lichaam te -breken in den druk van zijn armen, om haar week en schuchter te maken -door de aanraking van zijn hartstocht. Hij wilde een einde maken aan de -stil knagende onrust die hem niettegenstaande al zijn zelfvertrouwen -toch onverwachts altijd weer bekroop. Waarom zou hij het haar nu ook -niet zeggen? Ze waren alleen en ongestoord. Maar Hilda, als bij -intuïtie, voelde hoe plotseling het begeeren in hem wakker werd. Een -oogenblik vervulde het haar met verlammenden schrik, toen, met een -lichte, schuwvogeltjes beweging gleed ze langs hem heen tot aan de -deur. - -„Nee, heusch, mijnheer Cranz, ’t is beter dat ik nou maar naar huis ga. -Wilt u veel groeten aan mevrouw doen?” - -Zonder hem aan te zien, gejaagd, en vóór hij iets kon antwoorden, holde -ze de trap af, tot aan de voordeur. Maar buiten bleef ze een oogenblik -staan, huiverend niettegenstaande de zomermiddaghitte, die in de straat -was, haar verzengend tegemoet kwam. Het was even, of de opwinding haar -de kracht tot gaan ontnomen had, maar de angst dat Bernard haar -misschien zou nazien dreef haar toch dadelijk voort. - -En thuiskomend wierp ze zich moe achterover op haar bed, inzinkend een -oogenblik onder de reactie van dien langen morgen vol zenuwspanning, -maar zonderling, toch was er iets als vroolijkheid in haar voelen. Voor -het eerst sinds lang had ze met hartstocht ergens in belang gesteld, -met warmte iets bestreden, iets verdedigd en de ongewone -geestesinspanning had een trilling van levenslust in haar gewekt. -Misschien was ze wat al te heftig geweest, maar evenwicht bewaren was -ook zoo moeielijk .... De emoties met Cranz en Moisette waren ook wel -pijnlijk geweest, maar nu ze Bernard’s declaratie had weten te -voorkomen, zou ze hem immers verder ook wel op een afstand kunnen -houden? En terwijl ze neerlag, heerlijk rustend, en de herinneringen -van dien morgen aan haar voorbijtrokken, onder de ’n klein beetje -romantische verlichting harer verbeelding, voelde ze op eenmaal hoe -jong en krachtig ze was en dat ze veel met haar leven wilde doen. Een -kleine prettige tinteling van energie werkte na uit de opwinding van -haar gesprekken en ze glimlachte met gesloten oogen, blij in dit -ontwakensgevoel na al die maanden van doelloos alledaagsch bestaan. - - - - - - - - - -Maar de jong moedige stemming van dit rustuur was niet bestand tegen de -zenuwprikkelingen van den middag. - -Eugénie verscheen aan de koffietafel, bleek, klagend over hoofdpijn, -gewapend met een arsenaal dier wondende toespelingen, dier hatelijke -allusies, die zij ook in de meest gewone gezegden wist te leggen, en -die als giftige dolken sluipmoordend in het huisgezin den vrede en de -vreugde verwoesten zonder zelfs hun slachtoffers gelegenheid te geven -om zich in eerlijken kamp te verdedigen. - -Na den lunch waren Hilda en Corry naar het strand gereden, waar zij -mevrouw Vermaezen zouden vinden. Iedereen was er, en Rooselaar was hen -komen aanspreken en Corry had zacht en teeder met hem gepraat, de -naïeve blauwe oogen onschuldig tot hem opgeheven, het kindermondje -glimlachend om elk zijner woorden. En Hilda had er bij gezeten in -machtelooze drift om het verraad van dit blonde engelenkopje en de -blindheid van dien man, en toen hij eindelijk was weggegaan had kort -daarop von Görtzen zijn plaats ingenomen en was hetzelfde spel -vertoond. - -„Geloof je dat von Görtzen je vragen zal?” zeide Hilda onder het naar -huis rijden. - -„Nous verrons, nous verrons.” Corry lachte even, verwonderd over -Hilda’s toon van ter verantwoording roepen. „Ik geloof het wel, maar -men weet het eigenlijk nooit .... Ik had gedacht dat ie ’t al lang -gedaan zou hebben.” - -„Waarom ben je dan nog zoo lief tegen Rooselaar?” - -„Wel, ten eerste, omdat ik hem heusch heel aardig vind, ten tweede -omdat flirten altijd amusant is en ten derde .... In October word ik al -vier en twintig. Als Görtzen me niet vraagt, dan neem ik Rooselaar. Ik -bedank er voor om zooals Eus oud te worden en te zitten grienen, omdat -ze zoo zachtjes aan het succes ziet verminderen, of in philantropie te -gaan scharrelen, zooals Willy en Betsy en al die anderen.” - -Corry lag makkelijk achterover in het rijtuig, en mooi kleurde het -donkere goud van haar hoofd tegen het teer mauve van den parasol, dien -ze achter zich hield. Heel stellig en eenvoudig had ze het gezegd, -zooals iemand die vertelt langs welke route zij haar pleizierreisje zal -nemen en met ’n zonderlingen, strak energieken blik, die vreemd stond -in het kindergezicht, zag ze voor zich uit. Hilda bleef sprakeloos bij -het kille cynisme uit die rose lipjes. - -Zwijgend reden zij naar huis, en toen langzamerhand kwam de oplossing -klaar voor Hilda’s oogen van het raadsel, waarover zij zoo dikwijls had -nagedacht, waarom toch aan de vrouw zoo bitter in vroegere en latere -tijden is verweten, dat haar wezen valsch en bedriegelijk is. Zij had -er telkens van gelezen: kerkvaders en oude schrijvers, philosofen en -philosoofjes hebben het elkander steeds nagezegd, tot in -couranten-feuilletons vindt men er de echo van. Zij had er zich -dikwijls over verwonderd, geërgerd; maar vanmiddag had ze het begrepen. -Duizende kooplieden, bankiers, diplomaten, notarissen, makelaars, -advocaten, politieke leiders en journalisten mogen dagelijks hun -beroepsonwaarheden zeggen, alle Don Juans en avonturiers mogen de -schandelijkste leugens gebruiken, hun bedrog heeft nooit heel het -mannelijk geslacht als valsch verdacht gemaakt. Maar is het een mooi -vrouwenmondje, vol zoete weeldewoordjes, en kinderlijke lachjes dat in -bedrog en leugen heeft gesproken, dan ligt daarin iets zoo stuitends, -zoo alle geloof in waarheid schokkends dat als van zelf de gedachte -schijnt op te rijzen: zoo zullen zij wel allen zijn, alle vrouwen -moeten valsch zijn, nu deze heeft kunnen bedriegen! Vele anders toch -zoo scherpzinnige mannen hebben zich tot het onrecht van die uitspraak -laten verleiden, ook al behoorden zij beter te hebben geweten, dat -waarheid een groote en moeielijke deugd is, die alleen bij de edelsten -van beiderlei geslacht kan gevonden worden! Maar zoo was het nu eenmaal -en als straks von Görtzen zich gedeclareerd zou hebben en Rooselaar zou -hebben begrepen hoe Corry met hem gespeeld had, dan zou ook hij weer -alle vrouwen gaan aanklagen en haar allen verdenken en bitter over haar -spreken om dit eéne mooie kind. - - - - - - - - - -Met ’n bons trok Bernard Cranz de voordeur achter zich toe, peuterde -aan zijn das, die van achteren wat tegen het boordje was opgeschoven en -begon langzaam een van zijn lichtgele handschoenen aan te schuiven, -terwijl hij opliep met zijn geforceerd lange stappen, te lang voor zijn -beenen, waardoor bij elken pas zijn lichaam even naar voren knikte. Een -paar huizen verder stond hij stil en keek om, naar den knecht, dien hij -nog juist den anderen kant van de Javastraat op, en de hoek naar het -Nassauplein zag om gaan. Hij glimlachte, wond even met de dikke blanke -vingers zijn snor omhoog, en zag op zijn horloge, berekenend hoe lang -het duren kon vóór hij antwoord zou hebben op dien brief, dien hij aan -den knecht had meegegeven. Op zijn minst een uur, dacht hij, en ’t was -nou half negen, en langzaam slenterde hij naar den Scheveningschen weg. - -Toen, in eens, voelde hij een hand op zijn schouder: - -„Wel Narretje, dat is ook niet van gisteren dat wij elkaar gezien -hebben! Hoe staat het leven?” - -„Gut Maarten! Ik wist waarachtig niet wie me daar bij dien ouwen -schooljongensnaam riep! Hoe heb je dien nog onthoûen?” - -Zij stonden voor elkaar, Maarten van Hervoren en Bernard en schudden -elkaar hartelijk de hand. - -„Natuurlijk, die ouwe namen en dingen vergeet je nooit. Op weg naar -Scheveningen?” - -„Nee, ik maak maar zoo’n loopje, ga mee naar de Promenade ’n pousse -drinken, en vertel me waar je uithangt tegenwoordig.” - -En onder het oploopen vertelden zij elkaar hun leven sinds den tijd dat -zij elkaar gekend hadden op de schoolbanken en later in de vakanties -thuis. - -„En dus, je hebt voor goed je anker hier neergelegd?” zeide Bernard. - -„O! dat weet ik nog niet. Misschien neem ik m’n wandelstaf nog wel weer -es op. Maar op ’t oogenblik bevalt het me hier best. Weet je wat het -is? Geld kun je hier niet maken, en de opvattingen zijn hier in ’t land -dikwijls erg klein en bekrompen, maar je leeft hier in Europa toch -intenser dan in de nieuwe landen. Ik ben den laatsten tijd vreeselijk -veel belang gaan stellen in de groote puzzles van onze -maatschappij.—Mijn moeder was er zoo mee vervuld en die laatste maanden -met haar hebben er me eigenlijk de oogen voor geopend.—Natuurlijk in -jonge landen heb je ook dezelfde vraagstukken min of meer; overal heb -je partijgekibbel en is er eén gedeelte van de menschen dat vooruit -wil, en den boel beter maken en een ander dat alles precies wil hoûen -zooals ’t is. Maar hier in het ouwe Europa is alles zoo veel -gecompliceerder en dus moeielijker interessanter, diepzinniger, -schilderachtiger, als men ’t zoo mag uitdrukken. O! het passionneert me -hier wezenlijk!” - -„Zoo, ben jij ook al beet gepakt? ’t Is net ’n aanstekelijke ziekte -tegenwoordig, dat geleuter over sociale vragen! En nou zit je -natuurlijk tot over de ooren in enquêtes, werkstakingen, -vrouwenemancipatie, kiesrecht, arbeiderswoningen, anarchisme, -socialisme, gemeenschapskunst, vredebonden, godsdienstcongressen, vrije -liefde, vegetarisme en god-weet-wat!” - -Bernard had het heel uit de hoogte gezegd, op elk woord drukkend, met -een kleinen ironischen klemtoon, die tergend werd bij de lange -opsomming, en sterker uitdrukte dan eenig betoog, dat hij, als -ontwikkeld man, op de hoogte van zijn tijd, de namen der kwesties -kende, maar tegenover al de vragen zelf, volkomen onverschillig stond. - -Maar Hervoren scheen het niet te merken. - -„Waarachtig zit ik er tot over de ooren in! Ik ben er als een razende -Roland op afgestormd en nou sleept het me van zelf mee! Het zijn -allemaal zulke ontzettend lastige problemen, en de strijd zal hoe -langer hoe heftiger worden. We gaan geweldige tijden tegemoet ....” - -„Geloof je?” - -„Ik ben er zeker van! Maar waar zit jij tegenwoordig?” - -„In Londen, secretaris bij de legatie, en ik kan het er best uithoûen! -Verleden nog die gloeiende feesten van ’t huwelijk van prinses Mary mee -gemaakt, prachtig en ....” Maar ineens hield hij op, onder een -zonderling sterken aandrang plotseling om te spreken over dien brief -waar hij den knecht juist mee had weggestuurd en waarop hij straks het -antwoord zou ontvangen. Het was als een dringende behoefte op eens, die -moest worden bevredigd; hij kon er niet meer van zwijgen. „En waarom -eigenlijk ook? Wat kwam het er op aan of Maarten, zoo’n ouwe kennis, -het ’n beetje eerder dan de anderen wist?” - -„En je mag me bijna feliciteeren ook, want ik ben op het punt om le -saut périlleux te doen, de groote stap in ’t gevreesde bootje!” - -„Jij? .... wel, wel!” - -„Ja, vindt je ’t niet verdienstelijk van me dat ik een meisje ga -gelukkig maken?” - -„Ik vind het .... enorm verbazend. ’k Moet zeggen, ik dacht niet dat je -’t ooit zoover zoudt brengen!” - -„Wel, waarom niet? Je moet er toch éens toe komen. Maar waarom vindt je -dat zoo verbazend?” - -Er was iets in Hervoren’s koel ironische verwondering dat hem hinderde. - -„Ik ben pas voor zaken van de fabriek in Parijs geweest en daar hebben -ze me juist nog stukjes van je verteld die .... nou, niet precies -lieten denken dat je trouwplannen had!” - -„Van wie heb je dat gehoord?” - -„Wel van van Praege, daar was je immers mee? en in Parijs van d’Aréchal -en du Plessiz en al de anderen ....” - -Cranz lachte met een paar leelijke grimassen, half spottend, half -verlegen. - -„Nou ja, iedereen heeft wel es iets op z’n kerfstok, en toen kende ik -haar ook nog niet; ik ben over Parijs hierheen gekomen.” - -„Heeft ze ouders?” - -„Om naar me te informeeren?” spotte Cranz, inwendig kwaad, omdat hij -achter Maarten’s woorden afkeuring voelde. „Nee, ze heeft geen ouders -meer en haar oom zal blij zijn dat ie ze met goed fatsoen kwijt raakt -....” - -Maar toen geprikkeld door Maarten’s kille zwijgen, dat hem ergerde -omdat het in de plaats kwam van de gewone nieuwsgierige sympathie -waarmee men onder oude kennissen elkaars avonturen behoort aan te -hooren, begon hij opeens wat door te slaan: - -„Nee, ik hoef niet bang te zijn dat iemand zich zal vermoeien om achter -mijn geheimpjes te komen, en als zij zelf ooit iets van die -geschiedenissen te weten kwam—maar vrouwen komen nooit achter zulke -dingen—dan is het nog niks! Je weet niet wat wij zondaars ’n boel vóór -hebben bij de dames boven de brave jongetjes. Als je ze maar kunt -wijsmaken dat je eerst in de macht van de zonde verstrikt was, maar -door haar invloed den weg naar den hemel hebt gevonden—en dat gelooven -ze allemaal dadelijk—dan vergeven ze je alles. Dat is de eenvoudige -reden dat je zoo dikwijls de grootste losbollen met de ernstigste -meisjes ziet trouwen en dat je de strengste matrones haar mannen, die -’t zoo nauw niet nemen met de huwelijkstrouw, altijd weer in genade -ziet aannemen. Als je ze maar telkens handig genoeg kunt inprenten dat -je verloren gaat als ze je laten loopen, kun je bij de vrouwtjes -vergiffenis krijgen voor alles en au fond hebben ze nog ’n speciaal -zwakje voor le pauvre pécheur! Dat is het duiveltje van de -reddende-engeltje-spelen-ijdelheid, voor ons ’n patente bondgenoot.” - -Maarten liep zwijgend voort, zenuwachtig op zijn snor bijtend, en met -zijn gewone tic, als hij nadacht, zijn rechter oog uitwrijvend. Toen -vroeg hij onverschillig beleefd: - -„En wie is het meisje, dat je op die manier gelukkig wilt gaan maken?” - -„Freule van Suylenburg, die bij de van Starren’s in huis is.” - -Maarten zag in eens op zijn horloge, haastig, en bleef staan aan ’t hek -van de Promenade: - -„Sinds wanneer ben je dan eigenlijk geëngageerd?” - -„Ik ben nog niet geëngageerd, kerel. Ik wacht vanavond pas haar -antwoord.” - -„En ben je daar zoo zeker van?” - -„Ik heb straks, toen ik den brief wegzond geprobeerd om heel angstig te -voelen, en ik weet wel dat ik nou bleek en van onrust bevend moest -rondloopen, maar ik kan het niet helpen, ik voel me erg akelig en -onpoëtisch bedaard. Ik begrijp niet waarom ze me niet zou aannemen?” - -„Baron Cranz van Rozenhagen is geen partij die men zoo maar afslaat, -nietwaar?” - -„Nou ja, entre nous, er zijn er wel slechtere, en of ze nou erg dol op -me is, weet ik niet, daar kun je met die lieve welopgevoede -huichelaarstertjes nooit achter komen: die ze het liefst behandelen, -hoûen ze soms voor de gek en soms zijn ze stug tegen dengeen waar ze ’t -mee meenen, maar de liefde zal later wel komen, dat komt wel terecht, -en wat voor reden zou ze eigenlijk hebben, om me te bedanken? Maar hoe -staat het met jou? Heb jij nog geen brave plannen?” - -„O!—Nee!” Maarten zei het heftig, met een verren strakken blik, die -zijn lichte oogen bijna zwart maakte, doordat alleen de pupil tusschen -de toegeknepen oogleden zichtbaar was—„maar als ik ooit trouw, verzeker -ik je dat ik geen vrouw ga zoeken onder de freuletjes, die op ’n goeie -partij zitten te wachten! Ik denk dat ik nog es zoo’n arm naaistertje -zal nemen, dat jaar in jaar uit heldhaftig liever voor bloedgeld zit te -pikken dan zich makkelijk te laten onderhoûen door den een of den -ander.” - -„Allemachtig, wat ’n rooie illusies! Nou ieder zijn smaak! Maar ga toch -zitten. Wat wil je hebben? ....” - -„Dank je, ’t spijt me, maar ik moet je in de steek laten; ik had bijna -vergeten dat ik straks iemand moest gaan spreken. Bonjour, tot plezier. -Daar is net de tram.” - -En Hervoren holde de trapjes van de Promenade af en sprong met een -behendige beweging van zijn lang lenig lichaam op de voorbijkomende -tram en Cranz, vóór hij het goed besefte, zag hem op de platform achter -het traliehek wegglijden en verdwijnen in de groene, donkere massa van -den weg. - -„Wat ’n rare kerel is ie geworden,” zeide Bernard in zich zelve, maar -lang verdiepte hij zich niet in dat zonderling plotseling weggaan. -Langzaam, onder het glaasje triple sec kwam Hilda’s beeld hoe langer -hoe duidelijker vóór hem, en wat hij zich vanavond vooral bijzonder -goed van haar kon voorstellen, waren hare schouders, zooals hij die op -’t laatste bal bij de Binckhorsten had gezien. Mooie blanke schouders -waren het, rond en toch meisjesachtig, niet te gevuld en ’t was -vanavond alsof die schouders het eenige was waar hij aan denken kon. -Haar oogen kon hij zich niet volkomen duidelijk voorstellen, en ook -eigenlijk niet het voorhoofd, alleen ’n paar kleine donzige krulletjes -op zij van den nek, vlak bij het rozige oorlapje en daar onder de -blanke trotsche hals en dan weer de schouders. - -En terwijl zijn sigaar in de stille avondlucht lange blauwige -dampkronkels om hem heen slingerde, bleef hij behagelijk zitten soezen, -maar Hervoren tramde recht door, naar zijn kamers op de Plaats, en -werkte hartstochtelijk tot laat in den nacht een nieuwe brochure over -socialisme en individualisme door. - - - - - - - - - -Hilda was dien dag dadelijk na het eten naar haar kamer gegaan en een -boek begonnen dat Valérie Vermaezen haar dringend had aanbevolen. Het -was een dier fransche romans, die als verschietende sterren even langs -den literairen hemel glijden, maar in hun kort bestaan de wereld met -dertig herdrukken vergiftigen. Vlugge dialoog, beschrijving van -toiletten en zinneprikkelende tooneeltjes zijn er de levenskrachten -van, en knap genoeg geschreven om ’t gewone publiek te bekoren en niet -knap genoeg om serieuse kritiek op te wekken, zijn zij oneindig -gevaarlijker dan Zola’s ruwst realisme, omdat zij minder waar, minder -ernstig zijn, en ongemerkt in de meisjes-boudoirs doordringen om er de -verbeelding te verontreinigen, de zenuwen te verslappen. Natuurlijk -handelde het over het eeuwig geliefde onderwerp der middelmatige -Fransche auteurs: een getrouwde vrouw, die een liefdesbetrekking heeft -aangeknoopt met den vriend van haar man. En ofschoon zeer zeker deze -strijd van het arme menschenhart tusschen verlangen en eens beloofde -trouw, tusschen meesleependen hartstocht en afkeer van bedrog plegen -tusschen het opgeven van den geliefde en het breken met den man die den -eersten kus ontving, door alle eeuwen heen een van de meest tragische -zal blijven, het bestudeeren van zulke problemen onder leiding van -jonge auteurtjes, die hun studies over „de vrouw” en „de liefde” -voornamelijk op de Parijsche boulevards en achter de coulissen hebben -gemaakt, moet alles behalve opbouwend voor jonge meisjes werken. - -Een poosje las Hilda voort, half verontwaardigd, half nieuwsgierig, -verwonderd dat Valérie zoo iets kon aanbevelen. Maar Hilda behoorde tot -die zeldzame, volkomen geëquilibreerde reine gemoederen, waarlangs het -kwade heenglijdt als modderspatten langs zwaneveeren. Eén slag met de -vleugels, en de vuile druppels zijn afgeschud, het blanke dons is weer -smetteloos. Zoo ook Hilda: haar gedachten bleven rustig, haar zenuwen -onbewogen bij het zinneprikkelend Fransch vergif. En toch ging zij -voort met lezen, ook toen zij merkte welke lectuur het was. De -vloeiende vorm, die onwillekeurig boeit, een soort van indolente -nieuwsgierigheid, en behoefte aan een lichte afleiding na al de -ontstemmingen van dien dag, lieten haar lusteloos voortlezen. - -Maar toen op eens kwam er een groote stoornis. Men bracht haar een -brief, een groot couvert met het adres door een mannenhand geschreven -en gezegeld met het wapen van Cranz. Bevend hield ze het geheimzinnige -papier in de hand, wachtend tot de knecht de kamer weer verlaten had. -Het was een gewichtig oogenblik, dat deze brief in haar leven kwam -brengen, zij voelde het en het verwarde haar. - -Maar uit den chaos van plotseling heftig opgeschokte aandoeningen was -het eerste wat klaar tot haar bewustzijn doordrong een razend gevoel -van teleurstelling, wreede bittere teleurstelling, omdat bij het -openscheuren van den brief zij het op eenmaal duidelijk in zich voelde -hoe heel haar wezen verlangde naar liefde geven en liefde ontvangen, en -hier nu, zij wist het, kwam liefde vragend tot haar en zij had niets te -geven. - -Langzaam ontvouwde ze den brief en las de hartstochtelijke woorden -waarin Bernard haar vroeg om zijn vrouw te worden. Het was doodstil in -de kamer en ze bleef zitten, lezend en herlezend die liefdewoorden, als -om hun zin geheel in zich op te nemen, en langzaam stegen toen uit de -warreling van haar emoties, naast het eerste eerlijke deceptiegevoel, -veel andere meer gecompliceerde gedachten op, die haar meevoerden in -een lang gedroom. Er was wrevel in haar impressies, omdat Bernard het -toch gewaagd had haar te vragen, na al haar koelheid, en ook een beetje -minachting omdat hij zonder eenige zekerheid van haar liefde, haar toch -tot zijn vrouw had gewenscht, maar ook was er in bedwelmende streeling -van ijdelheid! Het was bijna duizelend dat machtsgevoel om op dit -oogenblik te kunnen beslissen over het levensgeluk van een ander -mensch. Een wereld van compensaties voor veel vernedering ligt er voor -de vrouw in dit moment van zich geven of weigeren, van daar wellicht, -dat de meest onderdrukte vrouwen altijd het wreedst zijn geweest in dit -éene machtuur van haar leven. - -Maar toen begonnen onrustige gedachten en vragen op te stormen in haar -hoofd; hoe zou hij het opnemen als ze weigerde? Zou de oude mevrouw -Cranz bitter bedroefd zijn, zou hij veel lijden en jaren lang er onder -gebukt gaan? en ze kreeg medelijden en een weeker gevoel voor hem bij -de voorstelling dat hij misschien diep rampzalig zijn zou. En toen .... -als van zelf kwam de vraag in haar op waarom ze eigenlijk weigeren zou -en zooveel leed zou geven? zij had hem niet lief, straks bij ’t -ontvangen van den brief had zij het immers volkomen duidelijk gevoeld? -Maar misschien zou ze hem eenmaal lief krijgen, als ze hem beter kende -.... Zij had hem nu oppervlakkig en cynisch gevonden, maar misschien -gaf hij zich niet in de wereldconversatie zoo als hij wezenlijk was. -Zijn brief was zoo teeder en ootmoedig een zoete streeling was het om -dien laatdunkenden man, die gevierde partij, zoo smeekend aan haar -voeten te zien. Het verteederde haar op eenmaal, zij had toch niets -gedaan om hem tot zich te trekken, en als hij haar nu toch, na al haar -reserve zoo lief had gekregen, welk een invloed moest ze dan op hem -verkrijgen kunnen! Misschien zou ze hem kunnen leiden, vervormen naar -haar eigen ideaal? Het was de oude illusie waarvan de wreede -teleurstelling duizende vrouwenlevens heeft vernietigd maar op dit -oogenblik met de passiewoorden van Bernard vóór zich, scheen haar heur -macht zoo onmetelijk groot, en zij wist zoo weinig hoe diep de stempels -van wereld-cynisme en demoralisatie zich in de ziel drukken. - -En terwijl ze zoo voort bleef peinzen en de kamer zich met schemering -vulde, steeg er voor haar verbeelding een teeder tafreeltje op, vaag en -toch gedetailleerd zooals in droomen. Zij zat in een kleine kamer, die -veel op haar boudoirtje op Suylenburg leek en een groote lamp met -geelzijden kap wierp een zacht licht over de kamer en de theetafel waar -het fijne blauw porcelein zich in het zilver spiegelde; en vlak bij -haar stond een rose zijden mandje met kant bekleed, waarin een klein -teer kindje sliep. Zij zag de rose handjes en de hulpelooze beweginkjes -en een vermoeden van onuitsprekelijke weelde doortrilde haar. Toen werd -de deur geopend, zij hoorde iemand binnen komen, die naderde en zich -tot haar over boog .... Maar toen was het visioen verdwenen, ze -huiverde. Zich zelve met het kindje voor te stellen scheen zoo -natuurlijk, maar dat Bernard Cranz zoo zou kunnen binnen komen en haar -zou kunnen kussen als zijn vrouw, ze durfde er zelfs niet meer aan -denken. Het vervulde haar met schrik en schaamte als van een zondige -gedachte. - -„Ik moet hem afschrijven!” zeide ze op eens heel zenuwachtig. „Ik zal -probeeren voorzichtige zachte woorden te vinden.” Maar ze bleef zitten -en op nieuw slopen vreemde, tegenstrijdige gedachten af en aan, die -haar wil verlamden en haar het pad onduidelijk maakten. - -„Wie weet of dit niet het geluk voor mij kan zijn; als ik het van mij -werp, zal ik er later misschien om treuren?” Maar tegelijk met deze -gedachte werd ook het bewustzijn in haar duidelijk dat dit het geluk -niet kon zijn. Toen stelde ze zich vóór dat het morgen was, en dat zij -haar weigering den vorigen avond had geschreven en met een klaarheid -als nooit te voren, voelde ze op eens al het doelloos leege van haar -leven, al het nameloos drukkende van een toekomst zonder bestemming. -Was dit niet misschien de aangewezen weg om een levensdoel te vinden? -O! het troostelooze onbevredigende leven, ze was het zoo moe! Zij had -dien morgen tegen Bertha Wendelings met verachting over het huwelijk -zonder liefde gesproken en langzaam, onbewust naderde ze de gevaarlijke -helling. Bernard’s hartstochtswoorden hadden plotseling het heimwee -naar liefde in haar wakker geroepen, zij smachtte er naar heel haar -jonge rijke leven te geven, en niets zag ze voor zich, als zij dit -huwelijk afwees, dan lange grijze jaren, voortgesleept in -onbevredigdheid! Zij vouwde de handen boven op den brief en staarde in -de donkere kamer, en ’t was haar of alles beter zou zijn dan dit leege -meisjesbestaan voort te zetten. In haar jong bloeiend lichaam voelde ze -reuzenkrachten van werken, in haar ziel schatten van teederheid en -devouement, en niets, niets om zich aan te wijden. Zou zij deze -gelegenheid om zich een nieuw leven te scheppen voorbij laten gaan? „Ik -hoop dat mijn klein meisje in haar later leven altijd bedenken zal dat -het niet de vraag is, hoe de tijd te dooden of door te komen, maar hoe -hem te gebruiken!” had haar vader eens gezegd en in pijnlijke ironie -bedacht zij hoe nu haar tijd werd doorgebracht in wat toiletmaken en -wereldparade en tennissen en paardrijden en wat liefhebberen in musiek -en philantropie. Maar de gedachte aan haar vader’s woorden maakte haar -twijfel nog angstiger. Zeker, hij zou haar tegenwoordig leven niet -goedkeuren, maar zou hij een huwelijk dan wèl goed vinden, waarvan niet -liefde, maar ontevredenheid de drijfveer was? Haastig onderdrukte ze -die onwelkome vraag. Er was immers geen anderen weg denkbaar, zij moest -wel kiezen tusschen deze twee: zoo voort leven, of Bernard aannemen. En -het denkbeeld van een nieuw leven begon haar nu sterker aan te trekken, -het fascineerde haar. Voor alle jonge ontevreden zielen ligt een groote -bekoring, een wondere belofte in het „opnieuw beginnen.” Alsof niet het -leven altijd doorging en nieuwe toestanden nooit uit zich zelf -beginnen, maar altijd als gevolg voortkomen uit het vroeger zijnde. - -De zoele avondlucht stroomde warm en verweekend naar binnen. Het was -éen dier uren waarin het jonge hart zoo dringend naar sympathie -verlangt en de eenzaamheid zoo vreemd en ondragelijk lijkt en zachtjes -sloopt de verleiding nader zich aan dien man over te geven, die haar -zoo liefhad en haar een mooi eigen home aanbood! Als men haar dien -morgen, op haar wandeling, gezegd had, dat de kansen van den jongen -Cranz gunstig bij haar stonden, uit de hoogte zou ze geantwoord hebben: -„ik heb hem niet lief.” En nu reeds had het zich indenken in de -onvoldaanheid van haar leven en de angst voor een toekomst zonder -bestemming haar zoozeer ontzenuwd dat ze bereid was de hand aan te -nemen, welke dan ook, die haar een nieuw pad zou inleiden. Zelfs de -gedachte dat het treurige bestaan van een Ottilie van Heemeren haar -wachten kon, kinderloos, gebonden in een huwelijk zonder liefde, had nu -geen macht meer over haar. Zij wierp haar van zich, met een bang gevoel -dat ze niet anders meer kon, dat het nog beter was zich te wagen in een -huwelijk dat verdriet en teleurstelling kon brengen dan dit gloedlooze -grijze meisjesbestaan voort te slepen. - -Bleek, met koortsgloed in al haar ledematen stond ze eindelijk op. „Ik -zal hem schrijven dat ik z’n vrouw zal worden,” zeide ze zachtjes. „Als -het zonde is, de hemel moge ons genadig zijn, maar ik kan niet anders.” - -Het was nu volkomen donker geworden en het duurde lang vóór ze de -lucifers kon vinden. Zij wilde dadelijk schrijven, als ’t ware om zich -zelf voor een voldongen feit te stellen. Het angstige getwijfel van -dien avond hield ze op dit oogenblik wezenlijk voor rijp nadenken en ze -was bang, zonder het bijna zelf te weten dat de strijd bij de minste -aanleiding terug zou keeren. Maar op haar schrijftafeltje ontbrak de -inktkoker. Gisteren had ze hem beneden, in de serre gebruikt om menus -te schrijven en hij moest daar nog zijn. Met een vreemd plechtig gevoel -dat er iets vreeselijks in haar leven gebeurd was, dat zij zelve nog -niet kon overzien, daalde ze de trappen af. - -In de achterkamer, waardoor men gewoonlijk in de serre kwam, hoorde ze -stemmen opklinken en besloot dus door het spreekkamertje te gaan, -achter in de gang, dat ook tot de serre toegang gaf. Het zou haar op -dit oogenblik onmogelijk zijn geweest iemand te ontmoeten. Alles was -donker en rustig in de serre, alleen uit de huiskamer viel een -fantastisch licht door de kanten gordijnen, waarvan de bloemranken -spookachtige figuren op den grond teekenden. Hilda bleef even staan, -huiverend in de hitte van haar opgewonden verbeelding, maar toen haar -oogen aan de schemering gewend waren, kon ze de voorwerpen alle -makkelijk onderscheiden en had dadelijk haar inktkoker gevonden. -Voorzichtig gleed ze naar het tafeltje waar hij stond, maar juist toen -ze hem in de hand hield en zachtjes wilde terugsluipen hoorde ze binnen -Edward lachen en haar tante’s stem die zeide: - -„Nee, Hilda is wél ’n zonderling kind, maar dáarvoor is ze toch te -verstandig.” - -„Weet u zeker dat de brief van Bernard was?” zeide Edward. - -Hilda stond roerloos en luisterde, niet in staat na die woorden om heen -te gaan. - -„Ja zeker, ik ging juist door de gang toen ie gebracht werd, en ik zag -duidelijk het wapen van Cranz, toen Johan hem in de hand hield.” - -„Ik heb toch nooit gemerkt dat Hilda iets om hem gaf?” zeide Edward -vragend. - -„Nee, ik geloof ook niet precies dat ze dol op hem is, maar daarom kan -ze hem toch wel aannemen. Het is in alle opzichten ’n prachtige partij: -naam, fortuin, carrière, goed uiterlijk, en... nou ja, men zegt wel dat -er op zijn leven nog al wat aan te merken valt, maar daar heeft ’n -meisje niets mee te maken, en als je bent zooals Hilda, zonder -bijzondere schoonheid en volstrekt niet schatrijk dan kun je er niet te -veel pretensies op na hoûen. Aan alle mannen mankeert iets, maar ik heb -altijd gezegd: Cranz is het lot uit de loterij en Hilda zal zich geen -tweemaal bedenken vóór ze zich aan hem g....” - -„Verkoopt,” vulde Edward aan met zijn scherp overslaande jongensstem en -Hilda rilde onder den striemenden slag van het woord. - -„Maar Eddy, wat ’n akelige dingen kun je toch altijd zeggen!” riep -mevrouw van Starren ongeduldig. - -„Waarom is dat nou weer akelig, mama? Als Hilda geen liefde voor hem -heeft en ze neemt hem tòch, doet ze eenvoudig ’n ruil en verkoopt zich -zelf tegen ’n zekere kwantiteit, „goeie partijdigheid,” is dat -nietwaar?” - -Meer hoorde Hilda niet, zoo snel als ze zich in de duisternis bewegen -kon, zonder zich te verraden, sloop ze de serre uit, naar boven, en -stond daar, midden in haar kamertje, in ’n opwinding zooals ze nog -nooit gekend had. - -„Verkoopen”, herhaalde ze tusschen de dicht geklemde tanden, „ik mij -verkoopen tegen zooveel aan geld en naam? Hoe durven ze het van mij te -denken! Het huwelijk is ’n heilige instelling zeggen de menschen, mooi -zoo, maar zoodra zich ’n goeie partij aan ’n meisje voordoet, vindt -iedereen het heel natuurlijk om haar te verdenken van het laagste -waartoe ’n vrouw in staat is: zich te verkoopen! En pretensies, zei -tante, ik mocht geen pretensies hebben omdat ik niet schatrijk en geen -bijzondere schoonheid ben! m.a.w. moet ik daarom maar klaar staan voor -den eersten den besten! Maar ik heb wèl pretensies, en ik zal het ze -toonen! Hoogere pretensies dan ’n mooi huis, en ’n equipage beschilderd -met dubbele wapens! Ik wil liefde en geluk en geen mooie partij!” - -Trillend stond ze midden in de kamer, de handjes hartstochtelijk te -zamen geklemd om de inktkoker. Met een schok was de oude fierheid -ontwaakt. - -Maar op de schrijftafel vóór haar lag Bernards open brief en daarnaast -het blanke velletje waarop ze zooeven nog haar jawoord had willen -neerschrijven. Toen, plotseling, begreep ze den afgrond dien ze straks -genaderd was, en gebroken, het gloeiende voorhoofd verborgen in de -handen, zonk ze neer, knielend op den grond. - -„O! mijn God! mijn God! mijn God! wat ’n vernedering in mij zelve! -gevallen, o! God ik ben gevallen, ik die zoo trotsch was, zoo hoog -hield mijn geloof aan liefde, zoo laag neerzag op al die meisjes -hunkerend naar ’n huwelijk, ik ben gevallen, toen de eerste verzoeking -kwam!” - -Zij snikte, de handen stijf tegen de oogen gedrukt, die droog en -brandend waren.... „Vader, vergeef me! Maar ik voelde me zoo eenzaam -en.... zoo nutteloos, als ’n drijvend stroohalmpje op ’n stroom. Als ik -maar iets had gehad, wat ook, waar ik me met hart en ziel op had kunnen -toeleggen, zou het niet gebeurd zijn, vader! In elk mensch toch is ’n -ingeboren drang om voor iets te willen leven, zich aan iets te willen -wijden, en ik had niets! Vader, niets!” - -Lang, met dorstend verlangen lag ze zoo, van tijd tot tijd opziende -naar het groote portret aan den wand, en de oude mooie kop scheen bij -het kaarslicht, dat hem van uit de verte flauw verlichtte, mysterieuze -blikken naar haar heen te werpen. - -En toen met een verplettering van schaamte dacht ze er op eenmaal aan -hoe haar jonge doode moeder haar Brünnhilde had genoemd „omdat,” had ze -gezegd met een van haar laatste glimlachjes, toespeling makende op de -oude Germaansche Walkürelegende, „ik hoop dat het hart van ons -dochtertje omgeven zal zijn van een kring van reine en trotsche -vlammen, waardoor alleen een held, dit is een edele, een hooggestemde -zal vermogen door te dringen, om haar tot liefde te wekken!” - -„O! mijn God! moeder! vergeef me!” zeide Hilda en bij ’t aanroepen van -dien naam, dien ze nooit gezegd had, kwamen eindelijk haar tranen. „En -ik die me bijna aan dien.... Cranz zou hebben.... verkocht! Maar niet -verkocht, tenminste, in de infame beteekenis die Edward er aan gaf. -Niet voor rijkdom en eer zou uwe Hilda zich ooit gegeven hebben! Dat -nooit, moeder, dat nooit! Het was alleen maar om te ontkomen aan dat -nameloos leege onbevredigde leven! Maar er moet immers ’n andere weg -zijn? Straks wanhoopte ik er aan, maar ik voel het nou duidelijk. Het -is dom en laf om het huwelijk als eenige uitkomst te beschouwen....” - -Lang bleef ze geknield, half biddend, half peinzend om klaarheid te -vinden in haar ziel, toen stond ze op en schreef haar moeielijken -brief, in zachte woorden de pijnlijke weigering hullend. - -Maar toen zij den knecht had weggezonden om dadelijk den brief aan zijn -adres te bezorgen bleef ze nog lang in groote ontroering achter. Het -was éen dier lange levensdagen voor haar geweest waarin het -menschenhart veel jongen overmoed en trots verliest, maar daarvoor ook -in de plaats ontvangt een beetje meer wijsheid en kracht. - - - - - - - - - -Corona zat voor haar eenvoudigen lunch en deed haar best om wat te -eten, maar het kostte haar moeite vandaag, ze voelde zich zoo erg moe. -Den ganschen nacht had ze bij Marietje Roerade gewaakt, en al was ze -ook gewend aan het bijwonen van veel leed, gevallen als die van dezen -nacht, grepen haar toch altijd weer aan. - -Gisterenavond tegen elf uur was vrouw Roerade het haar komen zeggen: -Marietje, het oudste van haar negen kinderen, een meisje van zeventien, -dat in een winkel in de Spuistraat diende, was plotseling thuis gekomen -en .... het was de oude geschiedenis, zoo oud dat zij banaal klinkt -voor wie haar hooren, en toch voor wie haar doorleven moeten, nog -altijd even verbrijzelend. Het meisje was verleid, zij was mooi en nog -zoo jong en had geloofd in liefdewoorden en beloften en toen was, -zooals altijd, de ontzettende teleurstelling gekomen met haar grijnzend -spookgeleide van wanhoop en schaamte en ze was thuis gekomen ’s avonds -bij de ouders, die niets vermoedden, en had een arm klein meisje het -leven gegeven. - -Corona steunde het moede hoofd op de hand en staarde lang voor zich -uit. Zij dacht aan zooveel jonge schepselen, die zij in de vreeselijke -ure had bijgestaan, want wetend van hoeveel waarde het voor de meesten -is om in het supreme oogenblik zich physiek en moreel gesteund te -voelen, had ze de arme jonge zondaressen eerder opgezocht dan zich van -haar teruggetrokken. Zij had er van allerlei soort ontmoet, zij kende -er die gevallen waren door grenzenlooze onwetendheid, door beneveling -van alcohol, door overgeërfde lichtzinnigheid, en door armoede, door -heilig gelooven in beloften van trouw, door pressie van infame ouders, -door éen oogenblik van zwakheid na een braaf eerlijk leven, en sommigen -hadden haar doen walgen door groote verdorvenheid, voor anderen had zij -vriendschap en achting leeren voelen. En terwijl ze zoo neerzat en de -lange lijdensrij herdacht, kwam groote bitterheid in haar op om de -wreedheid waarmede de geëerde gelukkige vrouwen deze toestanden -trachten te ignoreeren. Zelfs boeken, waarin over deze dingen met ernst -wordt gesproken, heeten ongeschikt voor dameslektuur. Het klinkt zoo -lief, zoo vrouwelijk rein te zeggen dat men van al die zonde en ellende -niets afweet, alsof het niet waarachtiger reinheid is de modderpoelen -naast uw voordeur weg te ruimen dan er met afgewende gezichtjes langs -te wandelen en te doen alsof gij ze niet ziet. O! de schandevolle -onverschilligheid der zoogenaamd fatsoenlijke vrouwen, die neerzien op -die armen, die wellicht de slachtoffers zijn van haar eigen zonen en -broers en echtgenooten! en dan achten zij zich nog heel vrouwelijk -deugdzaam, als zij de gedachte ver van zich werpen dat het haar plicht -is mee te werken in, mee te waken over een maatschappij waar zulke -toestanden zijn. - -Corona stond op en nam van haar rekje een klein boekje met -statistieken: „jaarlijks in Nederland ongeveer 5000 onwettige -kindergeboorten,” peinzend sloeg ze het weer toe. En al deze arme -kleine schepsels hebben toch vaders gehad waarvan de meesten de moeder -en het kind aan hun lot van gevaar en schande hebben overgelaten! Hoe -kan men nu toch denken dat mannen, die tot dit in staat waren, als zij -direct of indirect invloed hebben op de wetgeving, goed de belangen van -de vrouw en het kind zullen behartigen? De vrouw zelf moet mee haar -stem kunnen doen hooren voor zich en de kleinen die zij het leven -geeft! Als de vrouw de laatste twintig jaren mede het volk had mogen -vertegenwoordigen, zou het afgrijselijk laffe spel met Marietje Roerade -niet straffeloos meer gespeeld kunnen zijn en haar kleintje niet -hulpeloos alleen in de wereld staan met niemand tot steun dan een -zeventienjarig kind, dat in de wereldoogen nog wel verachtelijk -gevallen is!” - -Toen kwam de oude Marijken binnen om af te nemen. - -„Maar dokter, heb je nou je eitje niet opgegeten? Denk je dat men zich -kan voeden met nachtwaken en goeie werken?” - -„Kom Marijken, brom nou maar niet, ik heb heusch m’n best gedaan en met -’n stukje brood en vruchten kan men het ’n heel eind ver brengen.” - -„Ik weet wel wat ’t is, die geschiedenis van Marietje Roerade zit je in -de maag. Ja, wie had nou ook ooit zoo iets kunnen denken?” - -„Waarom niet?” zeide Corona treurig. „Je moet je nog verbazen dat die -dingen niet meer voorkomen, als je denkt hoe zulke meisjes opgroeien in -die slopjes tusschen de ellendigste voorbeelden, hoe jong ze de wereld -ingaan en, als ze er aardig uit zien, hoeveel vijanden er aan alle -kanten loeren. Een mooi arm meisje is immers vogelvrij verklaard! Elke -gemeene kerel, die haar tegenkomt fluistert haar vuile, de verbeelding -verhittende complimentjes toe, elke dandy vindt het hoogst natuurlijk -om brutaal tegen haar te lachen en wie beschermt haar tegen de -genotzucht van den eersten den besten? Iedereen vindt dat het ’n jong -mensch toekomt om zich te „amuseeren”, en wie denkt aan de meisjes die -daarbij te gronde gaan? Wie wreekt ze als ze bedrogen zijn? Ze moeten -maar voor zich zelf zorgen en het zijn nog kinderen!” - -„Ja, ze moeten maar voor zich zelf zorgen, dat spreekt van zelf. -Juffrouw Roerade kan al der negen kinders niet aan ’n touwtje hoûen en -haar meidenwaschjes er nog bij doen. Maar van Marietje had ik het nooit -gedacht, zoo’n stil net meisje altijd?” - -Marijken slofte weg, haar hoofd in een onafgebroken schuddende -beweging; dat was zoo hare wijze om ontroering en medelijden te -betuigen. - -Mat zette Corona zich toen neer in de oude armstoel. Het was kwart over -éenen, dus vóór zij moest uitrijden, nog bijna een uur om wat te -rusten, misschien wel ’n oogenblik te slapen. - -Maar nauwelijks had ze de oogen gesloten of Marijken kwam weer binnen, -zorg en meewarigheid in elken rimpel van haar oude gezicht; zij legde -een brief op haar schoot met buitenlandsche zegels. Och, die brieven -uit den vreemde, ze kende ze al en wist heel goed hoeveel ontroering en -verdriet ze gewoonlijk brachten. Zoo graag had ze dokter nou dit éene -rustuurtje gelaten, maar een van deze brieven achterhouden zou ze toch -nooit hebben gedurfd. - -Maar ’t was alsof bij ’t zien van die hand Corona’s vermoeidheid in -eens was verdwenen. In een oogwenk zat ze recht en veerkrachtig -overeind, de oogen klaar wakker en opende haastig het couvert. - -Het was een brief van Frank uit Parijs, haar meldende dat hij -onverwachts uit Amerika de prachtigste aanbiedingen had ontvangen om -daar met zijn gezelschap een aantal voorstellingen te komen geven. -„Financieel,” schreef hij, „zijn de condities zoo schitterend dat wij -er niet over kunnen denken om te weigeren, en daarbij kan ik niet -ontkennen dat het mij machtig aantrekt om op deze wijze het reusachtige -jonge land te leeren kennen met zijn nieuwe organisaties en nieuwe -typen. Wat wij hier van de Amerikanen zien zijn dikwijls blufferige, -ongemanierde parvenus, of armzalige reisgezelschappen, die als -voortgejaagde troepen onze musea, paleizen en kerken doorrennen, maar -in het land van Emerson moet veel aantrekkelijks en belangrijks zijn, -dat ik graag zou willen leeren kennen. - -Maar Corona, mijn liefste, éen groote zorg vervult mij bij al deze -plannen en zooals in al mijn oogenblikken van leed en onrust kom ik tot -je om raad en dezen keer zelfs om hulp, Corona, om groote krachtige -hulp. Zul je mij die kunnen geven? en is het niet al te zelfzuchtig van -mij je dezen dienst te vragen? Luister, mijn lieveling, en oordeel. -Zooals ik je dikwijls gezegd heb, staat mijn troepje in alle opzichten -moreel zeer hoog en uit den aard der zaak, dat wij trachten niet het -publiek te dienen of ons eigen succes, maar alleen onze strenge en -naijverige godin: de kunst, heb ik vrijwel mijn ideaal bereikt om een -klein troepje te vereenigen van werkelijk beschaafde hooggestemde -menschen. Toch zijn er nog altijd een paar bij, en zij ook zullen den -Amerikaanschen tocht meemaken, die ik voor mijn kleine Rosa op dezen, -voor indrukken zoo uiterst gevoeligen leeftijd, een ongewenscht -gezelschap vind. Daarbij zijn de vermoeienissen van zulk een reis ook -niet gering voor ’n klein meisje, zoodat ik besloten heb, hoeveel het -mij ook kosten zal, mijn kindje niet mee te nemen. Of Eva mee zal gaan, -weet ik nog niet. Zij schijnt er erg op gesteld te zijn om den tocht -mee te maken, maar dit is zeker, dat ik, als zij achter blijft, Rosa -toch in geen geval bij haar zou kunnen laten. Het kind is nu tien jaar, -en bijzonder voor haar leeftijd ontwikkeld en het wordt hoog tijd dat -ik haar aan den moederlijken invloed onttrek. O! Corona, wij hebben -zelden over deze dingen gesproken. Om sterk te kunnen zijn is het soms -beter ons leed niet te veel uit te spreken, maar bitterheid overstroomt -mijn hart, als ik deze vrouw samen zie met mijn kind. - -Liefste, van den beginne af aan is de opvoeding allertreurigst geweest. -Ik zelf had geen tijd om er mij veel mee bezig te houden en Eva? .... -Om er mee te pronken, om het op te smukken, als zij er visites en -boodschappen mee gaat doen, is haar geen moeite of kosten te veel. -Heele dagen zit zij er voor te naaien, hardnekkig, koortsig, tot haar -zenuwen zoo kapot zijn, dat zij er iedereen onder laat lijden! Maar -terwijl loopt het kind verwaarloosd en eenzaam rond! Om er op haar jour -mee te poseeren als mooi jong moedertje is het kind haar lief, maar als -er zich amusantere occupaties voordoen, wordt het dadelijk naar de -bonne gestuurd. Enfin, je kent het type, je moet er velen zoo kennen, -die haar moederschap opvatten als middel om haar tijd aan te vullen en -haar ijdelheid te streelen en niet als een doel, waarvoor zij al haar -krachten willen inspannen. - -Meermalen heb ik getracht Eva’s belangstelling voor de eigenlijke -opvoeding te wekken, maar „zieleontwikkeling”, „karaktervorming”, zijn -woorden zonder eenige beteekenis voor haar. Ik heb haar een paar maal -een mooi stuk van Fröbel voorgelezen, haar boeken gegeven, hopende haar -een beetje tot nadenken, althans tot belangstelling te brengen, maar -zij begon te huilen en zeide dat ik onvrouwelijke dingen van haar -eischte. Zat zij niet uren lang te naaien omdat het mij niet -conveniëerde het goed buitenshuis te laten maken en zij toch uit liefde -wou zorgen dat haar kind er netjes uitzag? Maar dikke vervelende boeken -lezen kon niemand van haar vergen, dat was goed voor mannen en geleerde -professors, de vrouw moest voor de kleeren en het huishoûen zorgen en -dat deed ze immers, wat kon ik dan toch meer van haar vergen? - -Toen begreep ik, Corona, dat wij elkander nooit konden begrijpen. Het -eenige wat zulke „lieve vrouwtjes” voor haar kinderen kunnen doen is -voor kleeren en voedsel zorgen, en dat natuurlijk heel onhygiënisch, en -dan een beetje brommen als zij lastig zijn. Het was immers ook onzinnig -van mij nog te hopen dat mijn kindvrouw mijn kindje zou kunnen opvoeden -tot een vrouw? - -En dikwijls kwam de gedachte bij mij op dat ik Rosa weg moest zenden -uit mijn treurig wuft interieur, maar ik had er de kracht niet toe, zij -was mijn eenige lichtstraal, maar ik weet nu dat het onvergefelijke -zwakheid was. Zondag was ik met haar gaan wandelen, het -kinderfiguurtje, och arme, uitgedoscht als een miniatuur modedame. Zij -zag er aardig uit, maar toen ik haar omhelsde, voelde ik hoe het teere -lichaam was ingeprangd in een baleinen harnas en ongeduldig weerde zij -mij af, zij die zoo dol van me houdt, uit angst dat ik haar kantjes zou -kreukelen. Arm martelaresje, physiek en moreel van de moederlijke -ijdelheid. Maar wij gingen uit, Corona liefste, en op eens, met wanhoop -vervulde het mij, toen ik zag hoe het kleine ding de hulde der -voorbijgangers gretig opving. Wij kwamen een troepje studenten tegen in -den tuin van het Luxembourg, die erg naar ’t kleine mooie dametje -keken, en ik zag hoe Rosa glimlachte zonder reden, en hoe er in haar -oogen een uitdrukking kwam van huichelachtige onschuld toen ze naar me -opkeek en onverschillige dingen vroeg en terwijl onophoudelijk den -indruk gadesloeg, dien ze op de voorbijgangers maakte. O! mijn liefste, -het was een uur van namelooze bitterheid. Ik kan er niet aan denken dat -mijn dochter het evenbeeld van haar moeder zou kunnen worden. En daarom -kom ik tot je, Corona, je smeekend om je over mijn kind te ontfermen. -Neem ze tot je en red haar! O! lieveling, jij kunt het, onder jouw -leiding kan alles nog goed met haar worden. - -Soms als ik aan Rosa’s toekomst denk, droom ik er van dat zij misschien -eenmaal mijn voetsporen drukken zal, dat zij, als mevrouw Tachilde, zal -worden een groote kunstenares en dat zij mijn werk zal vervolgen om het -tooneel te verheffen. Onze kunst heeft het zoo heel noodig dat zich -waarachtig edele, hoog ontwikkelde menschen aan haar wijden, om een -einde te maken aan het rijk van zooveel onzer tegenwoordige actrices, -wier kleermaker en verfkwast soms meer tot haar succes bijdragen dan -hare talenten. En ik geloof zeker dat er ’n tragedienne in het meisje -zit, maar liefste, vóór alles wil ik dat mijn kind een goed mensch -wordt! en ik weet nu, dat zij dat hier nooit worden zou. - -O! de bitterheid, Corona, om hopeloos aan een vrouw verbonden te zijn, -die de ziel van mijn kind vergiftigt, en haar, de heerlijke vrouw te -moeten missen, die ons beiden gelukkig zou kunnen maken. Maar -tenminste, erbarm je over het jonge leven, Corona, voor mij zelve smeek -ik je niet meer, ik heb leeren eerbiedigen je inzichten, al kan ik ze -niet deelen, maar voor Rosa wil ik bidden! geef haar de weldaad van je -nabijheid en je liefde! Niemand dan jij kunt haar maken tot de sterke -hooge vrouw die eenmaal mijn werk moet voortzetten! Mag ik op je -toestemming hopen, Corona? ik kan er niet aan twijfelen, al weet ik ook -hoeveel storing het in je drukke leven geven zal!...................... -.......................................” - -Corona zat lang bewegingloos, stil turend op den brief, dien zij niet -meer las. - -Zijn woorden van teederheid voor het kindje, waarvan hij maar zelden -gesproken had, zijn toekomstdroomen, zijn angsten en zorgen voor de -kleine dierbare ziel, waren heel nieuw voor haar. Niet de kunstenaar -die werkt en zoekt, niet de denker die haar iets van zijn -gedachtenleven komt zeggen, niet de geliefde, die haar zijn arme -woorden van wanhoop en hartstocht zendt, geen van die allen, die zij -zoo goed kende, sprak uit het blad dat zij vasthield, alleen de vader! -En die nieuwe persoonlijkheid vervulde haar met vreemde ontroering. - -O! zijn kindje, zijn eigen geliefd kind bij zich te zullen ontvangen, -het te zullen koesteren en opvoeden zoo als hij het begeerde! Een -zachte vreugde ging op in haar borst, een stille jubel, alsof zij op -dit oogenblik tot iets heerlijks was uitverkoren. - -Zou nu niet tusschen haar en Frank een nog inniger band, met nog -dieper, heiliger beteekenis ontstaan? Maar toch .... dit kind was niet -van hem alleen .... en het beeld rees voor haar op dier onbekende -vrouw, die hem jaren lang het leven had verbitterd, die tusschen hen -stond met haar hardnekkig weigeren om hem zijn vrijheid weer te geven, -wier wuftheid nu zelfs een gevaar voor haar dochter was, maar die toch, -niettegenstaande dit alles, de moeder was van zijn kind! - -Corona bukte zich en legde het hoofd voorover op de tafel. In lang niet -was de wanhoop, het verlangen over haar gekomen met die intense macht, -en zij huilde hartstochtelijk, het uitschreeuwend van tijd tot tijd met -een wild gekreun, dat opsteeg uit de geheimzinnige diepten van haar -liefdeleed, klanken als van een gewond dier. - -Marijken, achter in de keuken hoorde het, en weifelend sloop ze naar -voren, angstig luisterend aan de deur. Eindelijk, toen het binnen -stiller werd stak ze voorzichtig het hoofd door een kiertje. - -„Dokter, wat is er gebeurd? Heb je kwade tijding gehad?” - -Corona zag op. „Nee Marijken, dank je wel. Ik heb heele goeie tijding -zelfs. We krijgen ’n klein huisgenootje, je zult es zien hoe ons oudjes -dat zal opfleuren. Het is niets, ik ben maar ’n beetje zenuwachtig,” en -zij glimlachte onder het zachte snikken dat telkens nog haar borst -doorschokte, zooals op het water na hevige deining nog lang driftige -golfjes komen breken aan den kant. - -Marijken trok zich terug, het rimpelige hoofd heftig schuddend. „Zij -begreep er wel alles van!” maar Corona stond op en ging in de -slaapkamer om haar brandend gezicht te wasschen. Zij voelde zich zoo -doodelijk vermoeid door haar nachtwaak en de wilde ontroering van -straks, maar over een paar minuten zou het rijtuig komen, en als altijd -moest ze dan weer klaar zijn, volkomen zich zelf meester om haar zieken -te helpen. - - - - - - - - - -Hilda stond lusteloos droomend voor het raam, ze voelde zich nameloos -gedesoeuvreerd; juist na de opeengestapelde emoties van eergisteren en -de gedruktheid die daar gisteren op gevolgd was, scheen het leven haar -vandaag zoo leeg en troosteloos. Zij had geweigerd om met haar tante en -Corry naar de wedrennen bij Clingendaal te gaan. Een afleidinkje meer -of minder kon haar onvoldaanheid immers toch niet genezen? en het zien -halfdoodjagen van arme mooie paarden leek haar ook zoo’n barbaarsch -amusement en de menschen die ze er ontmoet zou hebben, verveelden haar -al, als ze er maar aan dacht. - -„Hilda, mag ik even binnenkomen?” zeide Eugénie om het hoekje van de -deur, maar Hilda hoorde niet en bleef roerloos aan het raam geleund. - -Toen kwam Eugénie zachtjes binnen. Zij was nog in haar nachtjapon en -het verkreukelde slappe linnen hing in slordige plooien om de magere -leden. Zij zag oud en doodelijk bleek, de oogen droevig dof in de -gezwollen roode randen, een beeld van te vroeg gestorven jeugd. - -Bij de gespannen verhouding, die nu sinds Bernard’s komst tusschen haar -en Hilda geheerscht had, was zij in lang niet in deze kamer geweest; -met een verlegen zenuwlachje bleef zij midden in staan, even kuchend om -Hilda’s aandacht te trekken, en toen deze zich plotseling omkeerde, -wantrouwend met vragende oogen, lachte ze weer, de bovenlip optrekkend, -de mondhoeken omlaag een akelig nerveuzen lach. - -„Hilda, ik wou je even komen vragen .... je hoeft me niets voor te -jokken, want ik moet het nou toch gauw hooren, maar is het waar dat -Cranz je gevraagd heeft?” - -Hilda kwam een stap nader; een stille blijdschap zwol op in haar hart. -Dit was het oogenblik van weerwraak, dat voelde ze, voor al de -hatelijkheden der laatste weken. En ze was blij, in eens, want ze wist -dat ze edelmoedig zou zijn en er ligt verteedering en weelde in het -edelmoedig zich voelen. Kleine zielen zijn scherp en genieten zich in -leedvermaak in de ure van genoegdoening, maar Hilda zeide zacht: - -„Waarom zou ik jokken, Eus? Ja zeker, Cranz heeft me gevraagd, maar ik -heb hem bedankt.” - -„Waarom?” - -„Dat weet je wel, omdat ik hem niet liefheb.” - -„Dat is geen reden.” - -„Voor mij wel!” Hilda zeide het in een ootmoedig gefluister, het -schandegevoel van de vorige dagen schrijnde nog in haar ziel. - -Maar Eugénie, in een plotseling ineenzinken van al haar trots, wierp -zich hartstochtelijk in haar armen. - -„O! Hildy vergeef me! ik had altijd gedacht .... kun je me vergeven? -.... Ik ben ook zoo slecht! O! Je weet het niet! En ik ben zoo blij -nou, O! God, Hilda, O! vergeef me maar! Ik zal nooit meer zoo akelig -tegen je zijn! Maar ik ben zoo .... blij, misschien komt alles nou nog -terecht ....” - -Hilda voelde het uitgeteerde lichaam in haar armen zenuwschokken, en ze -zag neer op de gebogen snikkende gestalte en voelde zich akelig koud -omdat ze niets wist te zeggen, omdat zij niet kon sympathiseeren met -die droefheid en zij leed onder haar kou. - -Eindelijk onbeholpen, zich vreeselijk prozaisch vindend, omdat ze in -dit oogenblik van verzoening niets beters vond, zeide ze zacht: „Toe -Eus, ga je aankleeden, je zult kou vatten, alles is nou immers weer -goed?” - -Maar Eugénie schudde het hoofd. „Nee, ga daar even zitten, ik moet met -je praten.” En zij knielde neer naast Hilda en zachtjes in een eentonig -gefluister begon ze te vertellen van haar wanhoop en hoe ze altijd op -dit huwelijk met Cranz gerekend had, hoe het eigenlijk al door de -families was afgesproken toen zij nog kinderen waren, hoe men haar -altijd met hem geplaagd had, tot haar verbeelding geheel met hem -vervuld was geworden, hoe ze altijd was blijven hopen, ook toen zij -ouder werden, en Bernard zich maar steeds niet declareerde, hoe ze -geleden had onder de vernedering van dit wachten, hoe ze toen Hilda had -gehaat, meenend dat zij hem tot zich wilde trekken, en eindelijk hoe -haar leven was geworden één foltering van jalouzie en van tobben, -tobben, tobben over de toekomst die ze voor zich zag, hopeloos dor en -eenzaam. - -„En als ik dan den heelen nacht gehuild had met allerlei akelige -droomen er tusschen in, en den volgenden morgen dol van de hoofdpijn -was, kwam de dokter en zei: „Niets dan zenuwen freule, mevrouw u moet -de freule maar veel afleiding geven.” Veel afleiding! Alsof afleiding -nog mogelijk is in een leven waarvan de eenige bezigheid juist is -afleiding zoeken! Weet je Hilda, ik heb er den laatsten tijd dikwijls -aan gedacht hoe onrechtvaardig het is, dat wij meisjes, als we verdriet -hebben, zoo weinig kunnen doen om ons zelf te vergeten als we geen -afleiding meer kunnen vinden in toilet en handwerkjes en uitgaan.” - -„Ja!” zeide Hilda bitter, „het lijkt zoo veel poëtischer en -„vrouwelijker” om te zitten treuren op ’n chaise longue in ’n elegant -boudoir dan om werk te zoeken in de groote maatschappij, maar dat zou -wèl zoo goed voor ons zijn!” - -„Werk?” vroeg Eugénie met haar cynischen zenuwlach, „wat zouden wij -kunnen doen? We zijn immers nergens toe in staat of het moest zijn -zoo’n beetje philantropie, maar ik hou niet van vieze menschen! O! het -heerlijkste zou maar wezen om zoo als Corry en Valérie en Betty te -zijn, die nemen het leven zoo als het komt, die kennen geen getob en -onvoldaanheid ....” - -„Maar dat is juist het ergste! die kennen geen onvoldaanheid, maar -daarom zullen zij ook nooit zoeken naar iets hoogers!”—een plotseling -enthousiasme klonk in Hilda’s stem—„naar een doel, naar iets enfin, dat -het leven waard maakt om geleefd te worden ....” - -Eugénie lachte weer haar bitter, ongeloovig, lachje. „Wat voor doel -meen je eigenlijk?” - -En toen Hilda, diep in gedachten, niet antwoordde, vroeg ze na een -lange poos: „Hildy, zeg es eerlijk, geloof je dat er nog hoop voor me -is dat Bernard nog ....” - -Hilda stond op, gejaagd. Nog onder den indruk van haar zwakheid, „haar -val”, van den vorigen avond had ze geduldig met veel belangstelling -naar Eugénie’s lange confessie geluisterd. Het had haar telkens -getroffen, hoe zij beiden, op verschillende wijzen waren -gedemoraliseerd geworden door haar doellooze leven, met niets dan een -huwelijk tot uitkomst. Vol medelijden had zij toen plotseling begrepen -hoe Eugénie’s bestaan er geheel door verwoest was; daardoor alleen! -Want dat zij waarlijk Bernard liefhad, Hilda had het nooit geloofd en -ze wist nu zeker van neen. Niet een ongelukkige liefde had het arme -schepseltje gebroken, ofschoon zij het zich zelf nu wel inbeeldde. Wat -zij zoo bitter betreurde was het huwelijk, de goede positie, de -negatieve satisfactie om niet ongetrouwd te blijven, vooral het lang -verbeidde, beloofde land, waarop heel haar opvoeding was gericht -geweest. De man, hoewel hij haar sympathiek kon zijn, kwam daarbij toch -in de tweede plaats. - -Hilda had groot medelijden gevoeld, maar nu, dit hardnekkig, onzinnig -blijven hopen niettegenstaande zij wist dat hij eene andere liefhad, -plotseling prikkelde het haar tot drift. - -Een paar maal ging ze de kamer op en neer, zoekend naar zachte woorden, -maar in eens bleef ze voor haar staan en eigenlijk vóór ze het zelf -wist, had ze het gezegd, koud, verpletterend: „neen!” - -Eugénie kromp in een, heel even, maar ze huilde niet, zooals Hilda -verwacht had, en ze bleef zitten op den grond waar ze straks bij Hilda -geknield had en staarde lang voor zich uit, heel bleek, met moeë oogen -en ging toen eindelijk zachtjes en zwijgend de kamer uit. - - - - - - - - - -Hilda was te kort geleden haar eigen worstelperiode ingetreden om zich -lang te verdiepen in Eugénie’s klagelijken toestand, maar toch voelde -ze er de terugwerking van en het maakte haar lusteloosheid nog grooter. - -Vreeselijk terneer gedrukt zette ze zich op den rand van haar bed en -een lange rij van vage mistroostige gedachten begon zich te ontspinnen, -van onduidelijke plannen om naar vrienden in Amerika te gaan, of om -diacones te worden, ofschoon ze voelde dat ze er de ware roeping voor -miste, allerlei phantastische plannen, die ze eén voor eén zuchtend -verwierp, tot ze eindelijk ziek was van verveling en weltschmertz. - -Toen kwam Corona; met haar lichten vrouwenstap was ze onhoorbaar de -trap opgekomen en op eens stond ze voor haar, de kamer vullend met een -atmosfeer van moreele kracht en goedheid, die vreemd verkwikkend op -Hilda inwerkte na haar week gepeins. - -„Wel klein meisje, wat zit je daar? Verzen aan ’t maken of aan ’t -treuren over de zonden der menschheid? Schaam je je niet ’n klein -beetje, op een dag dat de zon zoo mooi schijnt en dat er zooveel goeds -in de wereld te doen is?” - -Hilda stond op en trachtte vroolijk te zien, maar op eens, juist toen -ze zich voelde lachen, kwam er een droefheid over haar, die ze niet -meester was. Zij sloeg beide armen om Corona’s hals en bleef even tegen -haar aanliggen, terwijl een paar groote tranen langzaam opwelden en -toen zwaar neervielen als eerste groote druppels van een onweersbui. - -„Wat is er kindje, verdriet?” - -„Nee Corona, eigenlijk niet; ik geloof dat ik maar ’n beetje uit m’n -humeur ben.” - -„Dat bestaat niet, Hildy. Dat is ’n woord zonder zin. Als je je naar -voelt is er òf een physieke reden, en dan zal ik als doktores met je -spreken, òf een moreele reden en die moeten we dan zien weg te ruimen. -Wat is het, denk je?” - -Hilda zuchtte. „Het is moreel, denk ik,” zeide ze aarzelend. „Het is -omdat ik wee ben van me zelf en m’n tegenwoordig leven. Ik word er -slecht en zwak door; ik weet zeker dat mijn vader, als ie zien kon hoe -ik nou leef, meer als ’n kapel eigenlijk dan als een mensch, diep -bedroefd zou zijn. Hij heeft me zoo heel anders opgevoed, en ik heb het -altijd in me gevoeld het verlangen, om mijn leven te gebruiken, om er -iets moois van te maken, en ik weet niet hoe ik dat hier bereiken kan.” - -„Is dat alles?” zeide Corona. - -Hilda knikte, en ging voort, blij in woorden te kunnen brengen wat ze -al zoo lang gevoeld had en sinds eergisterenavond in bange klaarheid -had begrepen. - -„Ik walg van me zelf en van al de anderen. Kun je me niet helpen, om -hier weg te komen? Al de meisjes haast, die ik ken, zijn òf zenuwziek -van verveling en teleurstelling en onbevredigde verlangens, òf ze -hebben geen vermoeden zelfs hoe leeg en armzalig, eigenlijk onwaardig -haar leven is. Het maakt me wanhopend, Corona, dat alles bij te wonen -en mee te maken. Ik ben nu twee en twintig, mij dunkt dat het -kinderleven nou uit moet zijn. Ik wil nu een vrouw zijn, Corona, een -mensch, een willend, levend, werkend mensch. Kun je me niet helpen?” - -Hijgend, in volle jonge opwinding, terwijl het bloed in donkeren gloed -langs haar slapen opbruischte, stond ze voor Corona, die met een blijen -lach geluisterd had. Elk van Hilda’s woorden had een vreugdetrilling in -haar hart gewekt. - -„Ja zeker wil ik je helpen. Ik wachtte al lang dat je het me vragen -zou.” - -„Hoe meen je dat?” - -Corona nam haar handje en streelde het. „Dacht je dat ik niet dadelijk -begrepen had dat jij je tenminste niet rustig zoudt neerleggen en vrede -vinden bij het gewone meisjesbestaan? Ik heb het dadelijk gevoeld, toen -ik je zag, maar ik moest wachten tot je uit je eigen ontwaakte. O! de -maatschappij is zoo arm, zoo slecht, zoo leelijk! Ze heeft zoo hoog -noodig menschen die zich met volle liefde aan haar wijden, op welke -manier dan ook, en ik heb altijd gehoopt en geloofd dat jij tot het -kleine leger zoudt willen behooren van hen die hun hartebloed geven om -de wereld ’n klein beetje mooier en beter te maken. Is het niet zoo?” - -Hilda beefde van opwinding, Corona’s blijde emotie ging in eens in haar -over en opgezweept door jong genereus enthousiasme, was het haar of er -plotseling een stroom van kracht door haar heen ging. - -„Wat moet ik doen?” zeide ze fluisterend. - -Corona dacht even na. „Morgen is het Zondag. Dan maak ik altijd zoo min -mogelijk rijke visites en ga alleen enkele armen bezoeken, die me -speciaal interesseeren. Als het je ernst is om het eigenlijke leven te -beginnen ga dan met me mee. Je zult veel groote ellende zien, het lijkt -haast wreed om je zoo in direkte aanraking met het wezenlijke leed te -brengen, maar de waarheid leeren zien is toch het eerste wat we doen -moeten als we willen helpen. Wat geeft het of we in vage theorieën en -melancholieke droomerijen medelijden voelen en zuchten om verbetering, -als we de menschen en de toestanden niet eerst zelf hebben gezien?”—Zij -stond op—„Wil je komen, morgen om tien uur?” - -„Ik zal komen,” zeide Hilda bijna plechtig, maar toen, in eens, in -kinderlijke onstuimigheid, pakte ze Corona beet en omhelsde haar. -„Zeker zal ik komen!” en zij glimlachte, maar in haar oogen was reeds -iets van den mysterieuzen ernst van een nieuwe toekomst. - - - - - - - - - -Corona stapte haastig in haar coupétje, bang zich door het gesprek met -Hilda wat verlaat te hebben; ze wist dat verscheiden patiënten thuis -nog op haar wachtten. - -Edward stond voor het salonraam met zijn vriend Stephaan van Brehnen en -zij zagen haar gaan. - -„’n Mooie vrouw toch, die juf-doctores,” zeide Stephaan, tevergeefs -trachtend zijn bewondering weg te huichelen onder den spottenden vorm. - -Edward knikte en wond langzaam, met onbeschrijfelijk fatuiteit zijn -mooien rossen knevel omhoog. „Ja, gek, dat ze nog geen man heeft kunnen -vinden, maar niemand schijnt er aan te durven. ’t Is tegenwoordig niet -makkelijk voor meisjes om beet te krijgen!” - -Beiden lachten den naïef hoovaardigen lach van heel jonge ijdelheid. -Het is zoo streelend zich het doel van alle meisjesdroomen te voelen en -toch vast van plan te zijn om „er niet in te loopen.” - -„Zeg jij maar niks, kereltje,” plaagde van Brehnen, „jij zult gauw -genoeg ingepalmd zijn door Betty de Mureaux’s lieve blikjes.” - -Maar Edward schudde heftig het hoofd en fluisterde zijn vriend iets in -het oor, waarop zij beiden schaterlachend de kamer inliepen. - -En terwijl reed Corona naar huis, het hoofd duizelend vol gedachten. De -komst van het onbekende kindje, het kindje van Frank, Hilda’s ontwaken -en de geheime hoop die zij daarop bouwde, Marietje Roerade en haar arme -kleine baby, en haar eigen groote levensproblemen, pijnlijk dwarrelde -het dooreen in haar moeë hoofd. Een oogenblik hield zij de handen voor -de oogen, worstelend om kracht. O! God hoe zwaar was het leven! Maar -thuis, onder de lange rij patiënten, die zij dien middag ontving, was -er geen die den storm achter het reine voorhoofd bemerkte. Zoo gaan -vele vrouwen daarhenen met kalmen glimlach en rustige trekken en de -wereld, die spottend vraagt waarom zij niet getrouwd zijn, heeft zelfs -geen vermoeden van den geweldigen strijd die daar plaats heeft gehad in -de harten dier stil voorbijgaande figuren. - - - - - - - - - -„Ben je klaar om de reis te aanvaarden, Hildy?” - -Hilda knikte, een beetje zenuwachtig, en zwijgend reden zij weg van -Corona’s huis naar de Prinsegracht, waar zij haar visites zouden -beginnen. - -Het was een rij bitter treurige bezoeken. - -Eerst in de Lage Nieuwstraat, bij kleine scrofuleuze kindertjes met -akelig schitterende oogen en blauwbleeke gezichtjes en opgezwollen -neusjes en opgezette lichaampjes, gedragen door heel magere beentjes. -Toen bij een vader, die wegstierf aan de tering en wist dat hij zijn -vrouw en zes kinderen onverzorgd zou achter laten! Onverzorgd! hij wist -dat het zeggen wilde voor hen: overgeleverd aan honger, kou, misschien -wel aan schande! en hij had niet voor hen kunnen sparen. Hij had immers -maar acht gulden in de week verdiend, daar kon niet van gespaard -worden! En hij was radeloos, in bitteren opstand en wanhoop, en hij -vertelde van een deftige dame die bij hem gekomen was en hem aangemaand -had tot berusting en hem scherp had verweten dat het volk tegenwoordig -zoo ontevreden was en ondankbaar voor het vele dat voor hem gedaan -werd, maar hij had haar uitgelachen, zeide hij, in haar gezicht: -„Millioenen menschen gingen door armoe te gronde, en wie kon hem op -zijn stervensbed, in de worgende angsten van zijn ziekte, de -verzekering geven dat zijn vrouw, die hij lief had en zijn zes kinderen -niet onder die millioenen zouden zijn? ’t was afgrijselijke ironie om -berusting van hem te vergen!” - -Toen bij een oud vrouwtje, dat haar been had gebroken en bang was om te -sterven, zij aan wie het leven niets meer te geven had, dan wat pijn en -gebrek en die toch onwillig was om heen te gaan, en daarop bij een -vrouw wier kindje juist dien nacht gestorven was, maar zij had er -achttien gehad en tien waren er al dood, en dit elfde verlies scheen -haar niet meer te treffen. Zij was te uitgeput om nog sterk te kunnen -voelen voor wat het ook was, en haar moede, emotielooze wijze om over -het doode kindje te spreken, was treuriger dan tranen. - -Het was een smartelijke rij bezoeken. - -„En waar gaan we nou naar toe?” vroeg Hilda even huiverend onder de -tweevoudige aandoening van vrees om nog meer ellende te moeten bijwonen -en koortsig verlangen om toch dieper door te dringen in ’t ontzaglijke -drama van het volksleven. - -Corona zag heel ernstig. „Nou gaan we naar ’n geheime plaats, en je -moet me beloven dat je er nooit tegen iemand een woord van zeggen zult. -Wil je?” - -„Wat bedoel je?” vroeg Hilda bijna angstig. Het geen zij gezien had was -al zoo overstelpend geweest, dat zij achter Corona’s geheimzinnige -woorden onwillekeurig vreemde, ontzettende dingen zocht. - -„Het is ’n groot geheim, en vóór ik je binnen laat, moet je me heusch -volkomen stilzwijgen beloven, want als iemand het hoorde, die er -misbruik van wou maken tegen mij, zou ik met gevangenisstraf kunnen -worden bedreigd.” - -„Ik beloof het je, ik zal er met niemand over spreken.” - -Corona glimlachte. „Als men iets tegen de wet doet, moet men zelfs met -z’n vrienden voorzichtig zijn, niet waar?” - -Zij waren nu in de Willemstraat en het koetsje hield stil voor een -eenvoudig gesloten huis. Op het naambordje op de deur stond: Wedwe -Steunenberg. Hilda zag er naar en het gaf haar een soort rust: er -woonde tenminste niemand die zijn naam verbergen moest. Corona was met -den huissleutel binnen gegaan; zij scheen volkomen thuis en liep -rechtdoor naar achteren. - -Maar als Hilda, in een bewust spel der verbeelding zich deze -achterkamer had voorgesteld als een tooneel van gruwelen, des te -vreedzamer moest haar toeschijnen hetgeen ze er zag. - -Het was een groote lichte tuinkamer, de zon scheen met witte -schittering vlak door de wijdgeopende deuren, en gleed met dartele -lichtlonkjes over de artistiek mooie prenten aan den muur, over de -bloemen op tafel, en over twee groote witte kussens op den grond -waartusschen een kleine baby speelde. - -In een hoek stonden naast elkaar twee rustbedjes, op het eene lag een -meisje van ongeveer zeventien jaren, op het andere een klein bleek -ventje van zes. - -Corona ging naar het kleine kind op den grond, en nam het op haar arm. - -„Wel Suusje, m’n poppetje, ben je heusch blij dat ik kom?” - -Het kind lachte even, alleen het mondje vertrekkend, de oogen schuw -vragend op Hilda gericht. Het was bijna vier jaar, maar zoo klein en -teer dat men het nauwelijks twee zou gegeven hebben. Met groote bange -oogen had het omgekeken bij ’t opengaan van de deur, een blik van -angst, heel treurig in oogjes nog pas zoo kort geleden geopend, maar -bij het herkennen van Corona had het lachend de handjes uitgestrekt. - -„En hoe gaat het met Jaap en met Liesbeth? Ik denk dat ze wel gauw -beter zullen zijn, als ze zoo zoet en geduldig blijven liggen.” - -Corona ging naar hen toe en kuste hen beiden, het kleine Suusje op den -arm, en Hilda, die nog aarzelend bij de deur stond, zag het groepje aan -en vond het heel mooi om Corona zoo te zien; er was iets roerends in -die trotsche slanke vrouw met haar streng profiel en donker type van -Spaansche madonna in teeder erbarmen met een kindje. - -„Maar, als ik beter ben, hoef ik dan heusch de straat niet meer op?” -zeide kleine Jaap. Het was een vraag die hij dikwijls deed, soms zeurde -hij haar drie, vier maal achter elkaar, soms maakte hij er een -spelletje van en vroeg het telkens op een andere manier, altijd weer -verlangend het heerlijke antwoord te hooren. - -„Nee, zeker niet, ventje, heusch niet! Als ie beter is gaat ie heel ver -hier vandaan, buiten, bij ’n lieve boerin, waar allemaal koeien en -schapen zijn.” - -„Maar denkt u, dat m’n beentje weer zal aangroeien?” - -„Dat geloof ik niet, mijn jongen, maar dat is niets, we zullen je ’n -mooi houten beentje geven en je zult es zien hoe flink je daar weer mee -loopen zult! Maar waar is tante Ida?” - -„Hiernaast,” zeide Liesbeth, „in de badkamer.” - -En Corona, met Suusje nog altijd in de armen, ging naar het vertrek -daarnaast en Hilda hoorde haar zeggen: - -„Goeie morgen, tante Ida, hoe gaat het?” - -„Guns, dokter, ik had u niet hooren komen .... hoe hebt u de kinderen -gevonden?” - -„We zullen ze es goed bekijken, maar me dunkt dat alles goed gaat. -Suusje begint me bepaald te kennen. Ze schrok nog wel even bij ’t -opengaan van de deur, maar toen lachte ze toch dadelijk, niet waar -kleine dot? Maar tante, laat me je eerst even ’n vriendin van me -voorstellen, hier naast ....” - -„Hebt u iemand meegebracht? Durfde u dat te wagen? Eén onvoorzichtig -woord kan ons alles kosten ....” - -„Nee, je kunt haar gerust vertrouwen.” - -En daarop zag Hilda een tenger vrouwtje naar zich toe komen in een glad -zwart kleedje, een lief bleek gezicht, niet jong meer, met veel -vermoeide trekjes en grijzend haar, maar iets jong dwepends in de -lichte oogen en veel zachtheid om den mond. - -„Dit is tante Ida,” zeide Corona, na het officieel noemen der namen: -„freule van Suylenburg, juffrouw Steunenberg, mijn medeplichtige bij -onze groote misdaad.” - -„Wat voor ’n misdaad dan toch! Het ziet er hier toch niet uit als ’n -roovershol,” lachte Hilda, nu volkomen gerust. - -„En toch is het dat, in de volle beteekenis van het woord! Maar kom -mee, hier in de badkamer, daar kunnen we rustiger spreken.”—En toen de -deur gesloten was:—„Het is niet goed dat de grootere kinderen dat -allemaal hooren, maar tante Ida en ik zijn heusche roovers, niet waar -tante? Want al deze drie kinderen zijn gestolen en men zou ons kunnen -vervolgen, en het ergste van alles, ons de kinderen afnemen, als iemand -iets wist en ons verraadde.” - -„Ja zeker!” zeide juffrouw Steunenberg. „Ik durf zelfs geen meid hoûen. -Niemand mag iets van deze kinderen weten.” - -„Waarom dan toch? Ik begrijp het niet, toe Corona, vertel het me nou -gauw.” - -En terwijl zij handig het kindje begon uit te kleeden, om straks het -kleine ziekelijke lichaam te kunnen onderzoeken, vertelde Corona het -verhaal van haar kinderroof. - -„Op een nacht in ’t laatst van Februari, toen het zoo lang achtereen -gesneeuwd had en het zoo glad was, was zij teruggekeerd van een zieke -op den Denneweg, bij wie zij in groote haast was geroepen. Zij had niet -eens den tijd gehad om om haar koetsje te telefoneeren. Maar op het -Voorhout, vlak bij huis, had ze in eens zachtjes hooren kreunen, alsof -er een ziek dier lag te klagen, en bij een van de boomen, had zij, -donker, tegen de witte sneeuw, een klein hoopje zien liggen. Ze was er -heen gegaan, meenend dat het misschien een mishandelde hond was, want -ze had niet, als zoovelen, haar medelijden in twee aparte vakjes -verdeeld, één voor menschen, en een ander voor dieren. Voor haar had al -wat lijdend was aanspraak op erbarmen. Maar toen ze bij het hoopje was -gekomen, had ze er geen hond, maar Jaapje gevonden, het kleine -jongetje, dat nu binnen lag, met zijn afgezet beentje. - -Slaperig, bevangen door de koû, had ie half bewusteloos liggen kreunen, -maar toen ze geprobeerd had om hem op te richten, had ie het van pijn -uitgeschreeuwd. - -„Wat doe je hier, ventje?” had ze gezegd. - -„Ik heb m’n been gebroken, juffrouw, ik kan niet opstaan.” - -„Hoe komt dat?” - -„Ik wou hard over ’t Voorhout loopen, naar ’n paar heeren toe, die ik -daar ginds uit dat huis zag komen, om hun ’n doosje lucifers te -verkoopen, maar het was zoo glad en toen ben ik gevallen.” - -„En hoe lang lig je hier?” - -„Ik weet het niet, juffrouw, maar toen ik gevallen ben, juffrouw, had -’t net tien uur geslagen.” - -Een uur had het kind daar gelegen, met zijn gebroken beentje, en het -ergste was dat ’n stuk glas, dat half onder de sneeuw had bedolven -gelegen, door den val diep in zijn vleesch was gedrongen. - -Voorzichtig had Corona hem opgenomen en in haar huis gedragen, en toen, -rillend van de koorts had hij haar zijn smartelijk kinderverhaal -gedaan. Zijn ouders dronken allebeiden en ’s avonds, als hij en de drie -andere kinderen thuis kwamen en niet de opgegeven som bedelcenten mee -brachten, kregen zij geen eten en harde slagen. Op zijn arm lichaampje -zag Corona er nog de sporen van. De andere kinderen hoefden maar -vijftig centen thuis te brengen, maar hij had zulke mooie blonde -krulletjes en zag zoo heel bleek en tenger en daarom kon ie altijd meer -ophalen en mocht niet thuis komen vóór ie vijftien stuivers bijeen had. - -O! de wreedheid dier zoogenaamd goedige menschen, die geven aan arme -bedelkinderen op straat! Alsof niet de ouders hun schandelijke -kinderexploitatie zouden staken, als zij zagen dat niemand ooit iets -meer gaf! Alsof niet die z.g. goedhartigen, in onvergefelijke -onnadenkendheid, door hun giften, de luie of dronken ouders telkens op -nieuw aanmoedigden tot het uitzenden van hun kinderen om geld op te -halen, dat zij zelve niet willen verdienen? En zulke goedigen, in domme -zelfvoldaanheid, meenen dan nog kindervrienden te zijn! - -Maar Corona, terwijl ze de wond uitwiesch en het beentje voorloopig -verbond, had zich angstig afgevraagd wat ze met Jaapje doen moest. -Morgen zou ze hem naar het gasthuis kunnen laten brengen, en daar zou -hij goed verpleegd worden, maar als hij dan genezen was, zou hij terug -gaan naar zijn ouders en hetzelfde leven zou weer voor hem beginnen, -tot hij zou ondergaan van ellende of opgroeien tot een deugniet als -zijn vader. - -Maar dat mocht immers niet? - -Toen had ze hem voorzichtig in een deken gewikkeld, haar rijtuig -besteld en midden in den nacht hem naar tante Ida gebracht, waar ze al -meer zulke patiëntjes gehad had. - -„Niemand weet nou natuurlijk waar ie is!” zeide Corona, „niemand heeft -het flauwste vermoeden dat ik hem heb, en als ie nou genoeg hersteld -is, zend ik hem heimelijk naar buiten, bij goeie menschen, die ik ken, -en daar kan ie dan de eerste jaren ’n beetje bijkomen, want ’t arme -kereltje heeft in z’n zes levensjaren haast niets dan ellende gekend.” - -„Hoe heerlijk, Cora, dat je hem zoo kunt redden! Verrukkelijk! Maar -waarom mag dat nou niemand weten?” - -Corona zag haar aan, de grijze oogen vol ingehouden passie: - -„Moreel is het natuurlijk goed wat ik doe! maar wettelijk ben ik -strafbaar. Wet en zedelijkheid staan dikwijls bitter tegenover elkaar! -Niemand mag een kind aan de macht van zijn ouders onttrekken! ook al -zijn die ouders gezakt tot het laagste peil! Niemand kan ’n hulpeloos -kindje redden, dan zooals ik, door geheime list. En weet je hoe dat -komt? De mannen die aangesteld zijn om over de wetten van ons land te -waken zitten ’s avonds warm in hun vroolijke kamers en spelen misschien -met hun eigen lachende kinderen, zonder zich te bekommeren of daar ook -kleinen langs de straat dolen, die niet naar huis durven gaan. En de -vrouwen dier achtbare heeren, als zij haar eigen gelukkige kinderen in -hun witte bedjes hebben goedennacht gekust, vinden het onvrouwelijk om -over wetten te denken! Wat deert het haar of daarbuiten duizende -kinderen zijn overgeleverd aan al de wreedheid van slechte ouders? O! -zeker, als het toeval haar met zoo’n mishandeld kleintje in aanraking -brengt, zullen ze er misschien heel goedig voor zijn, maar echt -belangstellen in die wetten, die zulke toestanden gedoogen, er met alle -kracht tegen ijveren, daarvan kan geen sprake bij haar zijn!” - -„Hoe jammer,” zeide Hilda, „dat ie z’n beentje heeft moeten verliezen!” - -„Ja! Het glas was zoo diep doorgedrongen, en de wond was zoo lang aan -de lucht blootgesteld geweest met niets er over, dan ’n vuil lapje van -z’n broek, dat ik haast dadelijk het beentje heb moeten afzetten. Het -ventje is lang in groot gevaar geweest.” - -„En Suusje?” - -„En Suusje?” zeide Corona, „haar verhaaltje lijkt wel iets op dat van -Jaap. Ze is het dochtertje van Rooie Leen, heb je nooit gehoord van dat -beruchte mooie meisje? Ze is het kind van een heel akelige vrouw en van -een onzer bekende kamerleden, z’n naam zal ik je maar niet zeggen. Ze -had een slechten aanleg en ’n nog slechtere opvoeding. Op een avond, -verleden maand, kwam ik langs het Huygenspark, en ik liep hard, want je -begrijpt, het is niet prettig daar in donker alleen te loopen. Maar op -een van de banken, zag ik een vrouw achterover leunen, half zittend, -half liggend, met ’n kind op haar schoot, dat huilde. Ik zag het -dadelijk, het was Rooie Leen, vreeselijk dronken, met haar kindje, -waarmee ik haar den laatsten tijd dikwijls had zien bedelen. - -Een oogenblik had ik lust om maar gauw door te loopen, maar Suusje -huilde zoo, en kindergehuil maakt me nou eenmaal altijd naar. En toen -.... ik weet zelf eigenlijk niet hoe het idee bij me opkwam .... maar -in eens .... pakte ik het kind in mijn armen, en sloeg er m’n mantel -overheen en ging er mee weg. Niemand heeft me gezien en de moeder was -te dronken om iets te merken, en zoo gauw als ik loopen kon bracht ik -het hier in huis. Het is ’n gek gevoel, Hilda, om als een dief weg te -loopen en ik weet best dat het heel onvoorzichtig van me is, heel -overdreven, zooals de menschen het noemen, maar ik kon het niet laten! - -Het was net alsof er een andere wil dan de mijne in eens macht over -mijn armen had gekregen en me dwong om het kind op te nemen; ’t was in -eens ’n hartstocht om te redden, die zoo geweldig in me opbruischte dat -alle verstandige bedenkingen, die gewoonlijk onze edelmoedige impulsies -in bedwang hoûen, in eens verlamd waren: „wat ’n last haal je je zelf -op den hals! je zult er nog es door in groote moeielijkheden komen! je -kunt toch niet alle slachtoffers helpen! wat moet je later met al die -kinderen aanvangen?” Al die wijze raadgevingen waren doodstil in eens, -alsof ze zich neerbogen voor een hoogere wijsheid, die me dwong om mijn -armen naar Suusje uit te strekken! - -O! zie je, en er zijn genoeg van die heel deftige, verstandige -menschen, die natuurlijk zelf voor hun kinderen nooit honger of -mishandeling te vreezen hebben, die het verkeerd van me zullen vinden -en vol gewichtigheid zullen vertellen: dat, als je de kinderen -wegneemt, je de ouders lichtzinnig maakt en hun hun -verantwoordelijkheids- en plichtgevoel laat verliezen. Maar ouders, als -die van Jaapje en Suus en Liesbeth en van hun duizende lotgenootjes, -hebben immers getoond dat ze geen plichtgevoel meer kunnen verliezen, -omdat zij nooit zoo iets bezeten hebben! Het is roerend die zorgen voor -het verantwoordelijkheidsbesef van slechte ouders en daarbij het -absoluut vergeten van de belangen van het kind! Alsof het er voor de -maatschappij niet juist voornamelijk op aankomt om het kind te -behouden, het jonge geslacht dat de toekomst is, en dat over enkele -jaren, als de ouders lang dood zijn, zelf weer kleine kinderen zal te -verzorgen hebben!” - -„Maar doen zulke menschen als Rooie Leen en Jaapje’s ouders geen moeite -om hun kinderen terug te vinden?” - -„Ja zeker, maar gewoonlijk zijn ze huiverig om met de politie in -aanraking te komen en zoeken dus maar zoo’n beetje op hun eigen manier, -zonder de politie te waarschuwen. Dat maakt het voor mij erg makkelijk -om de kinderen verborgen te hoûen. Alleen Rooie Leen heeft nog al veel -drukte gemaakt, want Suusje hielp haar zoo goed bij ’t bedelen.” - -En het kleine meisje, dat nu naakt op haar schoot lag, naar Hilda heen -houdend: - -„Zie je die litteekens op haar beentjes, en hier, op haar ruggetje die -vlekken? Toen we haar hier uitkleedden begrepen we waarom ze bij haar -moeder op de bank zoo erbarmelijk gehuild had en al maar door gehuild, -toen ik haar zoo voorzichtig wegdroeg, den heelen weg over, en altijd -maar huilde toen we haar te drinken wilden geven. Want haar beentjes -waren open met diepe wonden, en op haar bloote rugje was ’n halve -notendop gebonden, waarin een levende spin, die haar voortdurend stak.” -[7] - -„O! mijn God! Corona!” - -„Och ja, freule, natuurlijk!” zeide tante Ida, „hoe meer het kindje -schreeuwde, hoe meer de moeder kon ophalen. Ziet u, dat is alweer die -.... gevloekte wreedheid van goedige menschen, die aan vrouwen met -huilende kinderen op straat geven en niet ééne seconde bedenken wat ’n -misdaad ze daardoor aanmoedigen!” - -„Ja, tante Ida,” riep Corona heftig, „maar het is ook de gevloekte -wreedheid van onze wetgevers, die jaren lang vergaderen en praten, -praten, praten, maar nog niets gedaan hebben om het hulpelooze kindje -te onttrekken aan de macht van de laagste ellendigste menschen, als die -toevallig hun ouders zijn. O! ik weet wel dat je die wetten op de -ouderlijke macht historisch kunt verklaren, maar wat geeft het -mishandelde kinderen, of die wetten uit het Romeinsche recht voortkomen -of niet! Het is in alle gevallen ’n even groote schande dat ze nu nog -bestaan, en je zoudt es zien, als de kamers uit vrouwen waren -samengesteld geweest en zij hadden zulke toestanden niet weten te -verbeteren, hoe er als uit één mond zou geroepen worden: „Zie je wel, -de vrouw kan niets dan babbelen; voor de groote volksbelangen, die de -toekomst raken, heeft ze geen oogen!” En men zou gelijk hebben, maar -waarom roept niemand het dan nu tot de mannen van de wet? - -Met Liesbeth is het immers ook dezelfde kwestie! Haar moeder was ’n -heel zedeloos meisje, ook al weer uit ’n dronkaardsgezin, en ’n vader -had ze niet, dat wil zeggen, die vond het makkelijker om haar maar aan -haar lot over te laten. Maar toen ze drie jaar was, vonden goeie -menschen haar ’n lief kindje en met toestemming van de moeder werd ze -weggezonden in ’n braaf flink gezin, waar ze uitstekend opgroeide. En -al die jaren zag de moeder niet naar haar om, niets was ze voor haar -kind, maar toch hield ze er volkomen het recht op. Ze leefde later met -een man, ’n kroeghouder, die haar mishandelde en samen dronken ze en -leidden ’n afgrijselijk leven. Toen hoorden zij op een dag dat Liesbeth -’n mooi meisje was geworden en ze begrepen dat ze veel geld van haar -konden maken en ze wilden haar weghalen van haar pleegouders. Maar deze -verzetten er zich tegen en weigerden het kind af te staan. Toen haalden -de ouders de politie en .... begrijp je? .... de politie zelf nam het -kind, het hulpelooze onschuldige weg van de veilige liefde van haar -vrienden en leverde haar over aan haar ouders!” - -„En toen?” - -„Natuurlijk, de ouders namen haar mee en vergden van haar wat ik niet -noemen kan!” - -„En hoe heb je haar gered?” - -„Het is ’n dapper kind. Ze weigerde hardnekkig. Maar den vierden avond -na haar thuiskomst, toen ze haar dwingen wilden, gelukte het haar, na -’n worsteling met haar moeder, het huis uit te loopen en kwam ze naar -me toegehold, want ik kende haar pleegouders in Haarlem wel. Toen heb -ik haar ’s nachts bij tante Ida gebracht, maar die vier dagen -opgesloten zijn in het achterkamertje van den kroeghouder in de -ontzettendste spanning en angst, toen die worsteling met haar moeder, -waarbij ze ’n paar leelijke stompen op de borst kreeg, en toen door ’n -guren wind het rennen naar mij toe met weinig, en aan flarden -gescheurde kleeren aan, dat alles heeft haar zoo vreeselijk -aangegrepen, dat ik lang bang ben geweest dat het tering zou worden.” - -„Gaat het nou beter?” - -„Ik hoop het!” Corona stond op. „Ziezoo, Hildy, nou ken je m’n -vreeselijk geheim! Maar ik weet dat ik op je rekenen kan! Zie je, -kinderen verlaten, ze mishandelen, ze ’s nachts in bittere kou laten -bedelen, ze dwingen tot rampzalige zonde, ze opvoeden tot een groot -gevaar voor de gemeenschap, zie je, dat mag bij de wet, maar wat wij -hier doen, tante Ida en ik, trachten ze te redden met opoffering van -eigen geld en gemak, dat is strafbaar! Is het niet curieus? En ofschoon -we door humane rechters nou misschien niet zoo heel zwaar gestraft -zoûen worden bij ontdekking, men zou ons het ergste doen wat we vreezen -kunnen, ons de kinderen afnemen en ze terugbrengen naar hun gruwelijke -omgeving. Wat ’n logica in zulke toestanden, nietwaar? De grootste -helft der gevangenissen is vol menschen die tegronde zijn gegaan omdat -men ze in hun jeugd in de macht liet van ellendigen, en degenen die dit -tegronde gaan trachten te voorkomen worden door de wet verlamd!” - - - - - - - - - -Corona had Jaapje en Liesbeth nog onderzocht en met tante Ida over de -behandeling gesproken, toen, na veel afscheidshandjes en kusjes, waren -ze weggereden en het koetsje hield nu stil in de Zorgvlietstraat voor -één van die slopjes, die doodloopen en „Hofjes” genoemd worden in den -Haag. - -Het was een van de allerkleinsten, aan elken kant maar vijf huizen, -lage smerige huisjes, waarvan een paar zoo diep lagen, met hun vloeren -beneden de oppervlakte van de straat, dat zij altijd vochtig waren en -bij harde regenbuien zelfs onderliepen. - -In een dier huisjes zat ’n vrouw aan de tafel; haar ééne arm hing slap -in den schoot, de andere, afgrijselijk mager, ondersteunde het hoofd -dat voorover op de tafel lag. - -Bij ’t opengaan van de deur zag ze even op met haar fletse, -bloedarmoedige oogen, een heel wit smal gezichtje, zoo mager dat, zoo -als het licht nu viel, er zich scherpe lijnen teekenden van af de -uitstekende jukbeenderen tot aan de kin, als was er ’n spookachtige -langwerpige driehoek overheen getrokken. Het haar was witblond en -krulde even om het smalle voorhoofd waarover dwars een bloedroode -striem liep. - -Maar toen zij Corona herkend had, zonk het hoofd weer neer op den arm -met een slappe, nameloos geknakte beweging. - -„Wel, vrouw Zwalve, wat scheelt er aan vandaag? Zie je niet dat ik es -naar je kom kijken?” zeide Corona. - -Door de deur, die achter hen was blijven aanstaan kwam nu een klein -meisje van omstreeks vier jaren zachtjes binnen gewaggeld. Een -oogenblik zag ze onderzoekend verlegen naar de twee vreemde dames, -peuterde met ’n vuil vingertje in haar neusje en trok toen de vrouw aan -haar schort: - -„Moeder .... m’n boterham, geef me nou toch m’n boterham!” - -De vrouw sprong op met zenuwachtige kwaadaardigheid en Hilda zag nu dat -ze in een vergevorderde periode van zwangerschap was. Zij greep het -kind bij een armpje en schudde het zoo heftig dat het het uitschreeuwde -van schrik. - -„Wat mot je nou weer hier? Alla der uit! Hê ’k je nie gezegd, dat je -pas om twaalf uur om je boterham mocht komen? Pas op as je der weer -inkomt!” - -Met ’n smak sloot ze de deur achter het kind, dat men in de straat -hoorde voorthuilen, en zakte weer slap op haar stoel. - -„Maar vrouw Zwalve, de kleine dee niks. Ze vroeg maar om ’n boterham. -Je moet niet zoo ruw tegen ze doen!” - -„Maar ik heb immers geen boterham voor der, en daarom stuur ik ze de -straat op; als ze dan erg van den honger schreeuwt krijgt ze misschien -wel ’n korst bij de buren; juffrouw de Berg van hiernaast is nogal gek -op kinderen.” - -Hilda huiverde, het leek haar ontzettend tragisch dat het moederliefde -was, die deze krampachtige hardheid had ingegeven. Dat was het beste -dus, wat deze vrouw voor haar kindje van vier jaren doen kon: het -schreiend „de straat op zenden.” - -„Maar hoe komt het dan nou, dat je geen brood in huis hebt? Ben je van -de week niet uit werken kunnen gaan? Waarom heb je me dan geen -boodschap gestuurd?” - -Iets in Corona’s hartelijke manieren scheen de moedelooze stugheid der -vrouw te breken. - -„Ja, ik heb wèl de heele week uit werken geweest, en al de vorige weken -ook, ofschoon ’t me erg zwaar begon te worden, vooral de dagen dat ik -bij mevrouw Veren was, op dat bovenhuis, met al dat trappenklimmen! -Maar ik heb net zoo gedaan als u gezegd heeft: elke week van de zes éen -gulden in ’n doosje in de lâ weggelegd, voor de dagen dat ik moest gaan -liggen, en ik had er nou elf bij elkaar en dacht dat het nou wel net -gaan zou, maar jawel, hoor! ....” - -„Is ie terug gekomen?” zeide Corona ontroerd. - -De vrouw knikte. - -„’t Is net of ie ’t ruiken kan! Hij stond me al op te wachten aan de -Veenka. Eerst nam ie me de gulden af, die ’k net gekregen had, en ’t -hielp niks of ik al zee, dat ik die gulden aan den bakker beloofd had, -omdat ik hem de heele week niet had kunnen afdoen. Natuurlijk, je heb -eerst de huur, en Stiene der schoenen moesten noodig gelapt worden, en -toen had ik den bakker maar tot Zaterdag laten oploopen. Hij zee niks, -maar as ’n hond liep ie me na, tot aan huis. Toen meende ’k nog de deur -voor z’n neus dicht te gooien en ’t slot om te draaien, maar ie had het -zeker begrepen, want ie had dadelijk z’n voet tusschen de deur. En toen -is ie me alles gaan nazoeken, want ie zee, nou ’k al zoo ver was, zou -’k zeker wel wat van de menschen gekregen hebben en ie moest geld -hebben.” - -„En heeft ie ’t gevonden?” - -„Natuurlijk. Hij was heelemaal nuchter, zeker in lang geen centen -gehad, en ie zocht heel bedaard alles stukje voor stukje na. Maar ziet -u, toen ie ’t doosje gevonden had en ik zag ’t in eens in z’n smerige -handen, kon ik m’n eigen niet meer hoûen! Ik ben op hem aangevlogen en -we hebben er als katten om gevochten. Maar, och God, als ik anders was -geweest, zou ’k wel hebben geworsteld tot ie ’t los liet, maar nou, -kijk es an, zoo als ik nou ben, met zoo’n lichaam, wat kun je doen? Hij -heeft me tegen de kast gesmeten, kijk, u kunt het zien, ik ging net met -m’n voorhoofd langs de punt en daar ben ik wel ’n kwartier blijven -liggen. En daar zit ik nou, op alle dag, en geen cent in huis!” - -„Nou maar, vrouw Zwalve, je begrijpt toch wel, dat ik je niet zoo zal -laten zitten; ik zal zien wat voor je bij elkaar te krijgen ...” - -„Och ja, dokter, u zult er me wel weer doorhelpen, dat geloof ik ook -wel, en ik ben u ook wel dankbaar!” zeide ze met een poging om in haar -slappe moedeloosheid niet onbeleefd te schijnen. „Maar zoo zal ’t nou -immers telkens gaan? Dit is nou de derde keer, dat ie me laat zitten -met die vijf schapen en dan kan ik er maanden lang voor opdraaien, en -net begin je bij te komen en weer ’n beetje in de kleeren, of ie komt -terug en neemt alles weg en mishandeld je of .... levert je zoo’n -koopje ....”—Met een rampzalig gebaar wees zij op haar schoot.—„Kijk -hij heeft gisteren ook weer alles meegenomen.” - -Zij stond op en haalde de lade van de kast open, die leeg was. - -„Kijk, de nieuwe luiers, die ’k net gekregen had, en de ponnetjes van -mevrouw Veren, zulke beste ponnetjes nog, en .... m’n Zondagsche goed, -dat ik uit de lommerd gehaald had, omdat ik dacht tegen het doopen -....” - -In eens barstte ze uit in een kort tranenloos gesnik, en Hilda huiverde -bij het tragisch ironische van dit oogenblik, van die vrouw die in -matte kalmte haar smartelijk drama had verteld en het uitsnikte bij de -gedachte aan haar weggehaalde japon. Maar juist die verdwenen -Zondagsche kleeren hadden de maat doen overloopen; zij waren het -symbool geweest van weer knap voor den dag te kunnen komen, van de -stand en eer van haar gezin te kunnen ophouden (want het gevoel van -stand bestaat op alle sporten van den maatschappelijken ladder), van -zich weer eens te kunnen verheffen boven het absolute proletariaat, dat -er nooit meer eens netjes uitziet. - -En heel deze illusie, die in haar donker eng werkleven een lichtpuntje -was geweest, was nu weg voor goed. Want zij wist dat hij altijd terug -zou komen, zoodra zij er weer even „boven op” zou zijn, en hoe zij ook -werkte en zwoegde, hij zou haar altijd weer alles komen weghalen!” - -Corona nam een gulden uit haar beurs en legde dien op de tafel voor -haar neer: - -„Ik zal zien wat ik voor je doen kan, vrouw Zwalve, maar laat Mijntje -nou eerst maar wat brood halen.” - -De vrouw knikte en nam zwijgend den gulden met een gretige beweging van -goed vasthouden. Toen waggelde ze naar de deur en schreeuwde om het -kind dat dadelijk hongerig kwam aangehold. - -„Daar, ga nou maar gauw naar den bakker en vraag of ie zoo’n lang brood -wil meegeven, en zeg dan meteen aan Dirkie en Klaas en Stine en Coosje, -dat ze binnen kunnen komen, gauw loopen Mijntje!” - -Het kind rende weg, na een blik op Corona van vroegwijs begrijpen, die -duidelijk zeide dat ze het verband had gezien tusschen Corona’s komst -en den gulden. Toen keerde de vrouw naar haar stoel terug en log, met -’n pijnlijke beweging zakte ze neer en veegde zich het zwaktezweet van -het voorhoofd. - -„Dank u wel dokter, als ik u toch niet had, zou ’k niet weten wat te -doen!” zeide ze met een lange moeë zucht, te afgetobd om zelfs bij de -onverwachte gave blijdschap te voelen, en toen ging ze voort op haar -toon van doffe lijdelijkheid: - -„Maar dat daar nou toch niks aan te doen is, dokter! Ik heb er ook al -es met de menschen van hiernaast over gesproken, die man is agent en -die vrouw der broer is ook bij de politie. Maar ze zeggen allemaal: -voor de wet is m’n man heelemaal in z’n recht. Een man mag best zijn -vrouw en zijn kinderen laten zitten, als ie maar van tijd tot tijd es -terugkomt en hij mag al der geld, dat ze met sloven voor der kinderen -heeft verdiend, opmaken in de kroeg en der kleeren van der lijf -verkoopen, alles ziet u, want alles is zijn eigendom en de vrouw heeft -nergens recht op. En ik heb nog es goed gevraagd, maar die agent van -hier naast heeft me zelf gezegd dat als Zwalve morgen aan den dag wil -komen, en m’n bed onder me weg halen, dan zou ie er niks aan kunnen -doen, al stond ie er bij, want de wet vindt het goed. Kunt u dat nou -begrijpen, juffrouw? Waarom ze zulke wetten hebben gemaakt? Ik zal -volstrekt niet zeggen altijd, maar meestal zijn de vrouwen toch -oppassender en ze drinken niet zoo dikwijls en zorgen beter voor der -kinderen en waarom hebben ze dan niet eens recht op der eigen -verdienste? Als ’t net omgekeerd was en de vrouw had ’t volle recht op -het loon van den man, zou je het je nog kunnen begrijpen, in de meeste -gezinnen zou dat nog gelukkig zijn! Maar noemt u ’t nou stelen of niet, -als m’n man alles weg mag halen wat ik heb verdiend, om het te gaan -verdrinken met dat sl... uit de Bloemstraat ...” - -Mat klagend had ze het uitgesproken. Van opstand of verontwaardiging -was geen sprake bij deze moede vrouw. Met ’n soort geduldige -verwondering, die gauw in moedeloosheid verging zag ze de wreedheid van -het leven over zich komen. - -Corona nam afscheid met een belofte van hulp. Het klotsende -klompengeluid van aanstormende voetjes onder het ingangspoortje van het -slop, klonk hen al tegen bij de deur en vijf opgetogen gezichtjes -omringden de vrouw op den drempel. Nog even zag Hilda om, maar de -kinderen waren al naar binnen met het brood; alleen de vrouw stond nog -groetknikkend aan de deur met haar misvormde figuur en het bleeke -gezicht en de bloedroode schram op het voorhoofd. - -„En zoo zijn er zoo veel!” zeide Corona zacht. „Een leger van -uitgeputte, mishandelde vrouwen, die door haar mannen verlaten zijn of -erger nog, wier slovend verdiende geld door hen wordt verdronken en -verdaan. Maar de wet, die zoogenaamd ieders eigendom beschermt, laat -het rustig toe dat de getrouwde vrouw van het hare schandevol beroofd -wordt! Hoe langer hoe meer komt het tegenwoordig voor dat de vrouw de -kostwinster van het gezin is, maar de wet geeft haar geen recht op een -enkele penning! En de stemmen van zulke vrouwen zijn dof en mat, Hildy, -haar geklaag is te zwak om te worden gehoord! Maar daarom moeten wij -het overnemen, lieveling, en het uitroepen met onze jonge krachtige -stemmen: wat een onrecht en een wreedheid dit is, en welk een gevaar -voor de maatschappij en een schande voor een volk dat zulke wetten -duldt!” - - - - - - - - - -„Nu nog ons laatste bezoek, heb je er moed toe?” - -Hilda knikte zwijgend, bang om te spreken, want ze wist dat ze in -tranen zou uitbarsten als ze op dit oogenblik geluid moest geven. - -Te voet gingen zij nu de straat af tot aan een huisje, waarvan de -keurig gestreken, sterk geblauwselde gordijntjes al in de verte -zichtbaar waren. - -„Hier wonen de Roerades,” zeide Corona, „’t zijn zulke echt -fatsoenlijke menschen; gelukkig maar dat mevrouw van Maeren, bij wie de -man als koetsier dient, uit de stad is, want door ’t ongeluk van -Marietje is ie heelemaal in de war, hoor ik.” - -De deur stond aan en zij gingen binnen in de voorkamer met de witte -gordijntjes, waar Corona wist dat haar patiëntje lag. - -Het was een kleine kamer met dat deftige in de glanzend geboende -meubelen, in het laag neergelaten valgordijn, in de symetrisch -pronkende vaasjes op het kastje, dat terstond deed herkennen, dat -niettegenstaande het talrijke gezin zich bekrompen genoeg in het huisje -moest voelen, dit vertrekje gewoonlijk als mooie kamer werd beschouwd -en gespaard. Op den grond voor den schoorsteen was in der haast een -matras neergelegd, van boven uit de bedstee, en de vier jongens, die -gewend waren daar samen op te slapen, hadden sinds het ongeluk op de -planken gelegen, want Marietje was al sedert twee jaren het huis uit en -haar bedje van vroeger diende nu voor de drie kleinste kinderen. - -„Hoe gaat het Marietje?” zeide Corona zich buigend tot het tengere -kinderfiguurtje op den matras, dat zich bij haar binnenkomen langzaam -had opgericht. - -Een kleine bleeke vrouw kwam haastig uit de andere kamer aangeloopen. -Het was Marietje’s moeder. - -„Wilt u ’n beetje zacht spreken dokter? Joseph ligt hiernaast te -slapen,” fluisterde zij en wendde angstig de rood ontstoken oogen naar -de deur achter haar. - -„Dat zal ’m goed doen; hoe is het met hem?” vroeg Corona. - -„Och, dokter ....” Een oogenblik stond het vrouwtje met een -zenuwbeweging, alsof ze haar handen moest afdroogen aan haar schort, en -haar blikken gingen hulpsmeekend even van Corona naar Hilda, alsof ze -steun wilde zoeken om kalm te blijven. Toen, plotseling, heel wit, -wendde ze zich af en barstte uit, in een zacht, troosteloos snikken. - -„Wie is dat?” zeide Marietje, haar koortsige oogen op Hilda gevestigd -vol achterdocht. - -„O! dat is maar iemand om me te helpen bij ’n paar zieken.” - -Corona antwoordde achteloos, maar Hilda was het alsof ze weg moest -vluchten, alsof het leed hier te groot was om het als vreemde -toeschouwster te mogen bijwonen. - -Intusschen was Corona neergeknield bij de zieke op den grond en had op -haar eigen rustige manier haar doktersplichten vervuld, maar ze vond -het meisje koortsig en maakte zich ongerust. - -„Je moet stil blijven liggen, Marietje, beloof je het me? Anders kan ik -je niet gauw beter maken.” - -„Ik wou dat ik nooit beter werd!” zeide het kind, met gloeiende oogen -onder de lange zwarte haren, die ongekamd in haar gezichtje neervielen. - -Corona boog zich tot haar over en de blik van hare klaar grijze oogen -straalde neer in de ziel van het kind vol suggesties van teederheid en -bescherming: - -„En wat zou er dan van je dochtertje worden? Het heeft immers niemand -als jou om voor haar te zorgen?” - -„Waarom zorgt hij er niet voor? Hij is immers rijk genoeg! Het is -afschuwelijk gemeen, hij heeft me zoo dikwijls, zoo stellig beloofd om -te trouwen. Alleen veertien dagen geleden heeft ie eindelijk gezegd dat -het nooit kon. Ik begrijp nog niet dat ik me toen niet verdronken heb! -O! ziet u, als je denkt dat iemand vreeselijk veel van je houdt en je -merkt in eens dat ie je doodbedaard in de grootste schande laat zitten, -en ’t eigenlijk z’n koûe kleeren niet raakt of je voor goed naar den -kelder gaat! dan zou je .... op alle menschen kunnen .... spugen!” Ze -staarde norsch voor zich uit, in wilden opstand van haat en wanhoop. - -Corona nam het kleine menschelijke popje uit het mandje naast de -matras, en schijnbaar zonder acht op Marietje’s woorden te slaan ging -ze voort: - -„Kijk es, wat ’n snoezige handjes, heb je wel gezien hoe mooi die rose -nageltjes zijn? Is het geen engeltje uit den hemel? En zou je niet -alles willen doen, Marietje, om dit kindje ’n beetje gelukkig te maken! -Ze zal toch al zooveel missen, en zooveel harder door de wereld -behandeld worden dan anderen, maar jij kunt er ’n boel aan doen, en we -zullen er samen voor zorgen, nietwaar?” - -En kennend de eigenaardige uitwerking op haast alle vrouwen van het -contact van zoo’n week klein kinderlichaam, legde ze het wichtje -zachtjes in Marietje’s armen. - -Een oogenblik bleef de jonge moeder onbewegelijk, Corona strak -aanziende, uitdagend, het bleeke gezichtje vol passie, toen met een -schor gekreun, opeens gebroken, wendde ze zich om naar den muur, haar -kindje hartstochtelijk tegen zich aangeklemd, en Corona wist dat dit -smartelijk afwenden een redding was. - -„Dokter is veel te goed voor haar!” fluisterde vrouw Roerade tegen -Hilda. „Ze heeft nog heelemaal niet op haar gescholden, heelemaal nog -niets dan vriendelijkheid en toch is ze zelf lang niet aan den lichten -kant.” - -Corona had het gehoord en glimlachte droevig om de ruwe moraliteit -dezer moeder, die zich blijkbaar moeielijk kon voorstellen dat -zedelijkheid en zachtmoedigheid samen kunnen gaan: - -„Waarom zou ik op haar brommen, vrouw Roerade? Waarom zoûen we blijven -stilstaan bij hetgeen voorbij is? Een heel leven ligt nu vóór haar om -te toonen dat de zwakheid van haar zeventiende jaar veranderd is in -sterkte en goedzijn. Nietwaar, Marietje? Nou ga je pas beginnen te -leven en ga je de achting van je kindje terug verdienen, dat, als ze -groot is, ze trotsch op je kan zijn. Je zult es zien, moeder, wat ’n -flinke brave vrouw je Marietje worden zal! Maar hoe zal het kindje -heeten? Heb je de geboorte al aangegeven?” - -Marietje kreunde en boog het hoofd, het verbergend in de kleertjes van -het kind. De vrouw begon heftig te snikken. - -„Och dokter, u kunt toch niet gelooven, toch niet, wat ’n schande we -daarmee beleefd hebben. Gisteren zeg ik tegen Joseph: je moet naar ’t -stadhuis gaan, morgen is ’t Zondag, dan kun je er misschien niet -terecht, en als je ’t zoo lang uitstelt, worden we nog beboet.—Ik kan -niet, zegt ie, en ’t was waar, dokter, hij zat nog net als u hem -Vrijdagavond hebt zien zitten, altijd maar op dien stoel bij de tafel, -net alsof ie versuft was.—Dan zal ik het doen, zeg ik—want u begrijpt, -dokter, in onze omstandigheden wil je de buren niet graag lastig -vallen.—Dat zal niet gaan, vrouw, zegt ie, ze zullen je niet gelooven, -omdat je ’n vrouw bent. Je mag niet getuigen.—Waarom niet? zeg ik. Ik -was er immers zelf bij toen ’t kind geboren werd, en jij zat maar in de -andere kamer. Ik kan het dus best getuigen, zeg ik.—Nee, zegt ie, voor -de wet heeft het getuigenis van ’n vrouw geen waarde!—Maar ik wou hem -niet gelooven, dokter, ik dacht dat z’n hoofd in de war was, en toen -ben ik gauw met de tram weggegaan, want ik wou ze hier niet lang alleen -laten, dat begrijpt u. Vlak bij ’t stadhuis dienen m’n twee zusters, en -ik wist wel dat je twee getuigen mee moet brengen, dus zeg ik tegen ze, -loop effe mee, ’t is ’t werk van ’n oogenblik! - -Maar toen we op het stadhuis kwamen,—O! dokter, je kunt niet gelooven -hoe ’k beefde!—zag ik daar zoo’n mijnheer staan, zoo’n kleine dikke, -met ’n bril, kent u hem niet? „Wat is er moedertje?” zegt ie. -„Mijnheer,” zeg ik, „we komen aangeven, dat m’n dochter bevallen -is.”—„Waarom is haar man niet meegekomen?” zegt ie.—„Die heeft ze -niet,” zeg ik, maar ik dacht, dat ik door den grond zonk. Toen begon ie -te lachen, en riep er zoo’n andere mijnheer bij, zoo’n donkere, en ze -praatten even in ’n vreemde taal en lachten weer. „Dan moet je maar -zeggen dat haar vrijer meekomt, maar die twee meisjes kunnen niet -getuigen, vrouwtje.” „Waarom niet mijnheer,” zeg ik. „Dit bennen mijn -eigen zusters, knappe meisjes, die bij mevrouw Driessens dienen, hier -vlak bij, op ’t hoekje van de Nieuwstraat.” Maar wat denkt u dokter dat -die vlegel toen zegt? die....” een paar scheldwoorden volgden, die -Hilda nooit gehoord had en die vrouw Roerade misschien ook voor ’t -eerst in haar leven gebruikte, want zij was één van die deftige -burgervrouwtjes, die, vooral als zij met haar meerderen spreken, eerder -geaffecteerde woorden zeggen, dan ruwe.—„Vrouwen kunnen niet getuigen!” -zegt ie, „en je ziet maar weer aan je dochter, vrouwtje, dat het best -is dat het niet kan, want dametjes, die tot zulke grapjes in staat -zijn, kun je nooit gelooven!” Wezenlijk, dokter, dat zeid’ ie, en je -had dat brutale gezicht moeten zien. „En dan de sm....p,” zeg ik tegen -hem, „die m’n dochter heeft voorgelogen en in dien toestand heeft -gebracht en haar nou met z’n eigen kind in de ellende laat zitten, kun -je die dan wèl gelooven? Want die mag wel getuigen, omdat ie ’n man is, -een mooie boel!” En toen ben ik hard weggeloopen, maar ’t maakt je toch -van streek niet waar? En zou dat nou toch heusch waar zijn? dokter, dat -de getuigenis van ’n vrouw minder geldig is, dan van den eersten den -besten ellendeling van ’n man? Waarom zou dat nou toch zijn?” - -„Ja waarom?” zeide Corona. „Wie zal het zeggen? In onze wetboeken -worden we immers telkens en telkens gelijk genoemd met kleine kinderen, -krankzinnigen en misdadigers! Alleen in strafzaken mogen we getuigen. -Daar kunnen ze ons natuurlijk niet bij missen, ofschoon daàr juist het -getuigen dikwijls heel pijnlijk voor de vrouw kan zijn, en juist daàr -soms een heele menschentoekomst kan afhangen van ons waarheidspreken. -Het is ’n onzinnige tegenstrijdigheid, maar zoo zijn nou eenmaal onze -wetten. En is toen Joseph gegaan?” - -De vrouw zag angstig naar de andere kamer. - -„Ja, maar onderweg naar huis is ie kennissen tegengekomen, en toen zijn -ze naar de kroeg gegaan en ... hij is dronken thuis gekomen. O! dokter, -’t is de eerste keer sinds we getrouwd zijn ...” Zachtjes snikkend -wendde ze zich af, het gezicht in haar schort. „En toen gisterenavond, -is ie weer uitgegaan nog maar half nuchter, want ie werd woedend toen -ik ’m vroeg wat ie ging doen, en vannacht is ie thuis gekomen .... O! -God.... heelemaal .... stomdronken!” En zij snikte het uit. - -„En hoe zal het kindje heeten?” vroeg Corona zich tot de jonge moeder -buigend, die altijd nog lag afgewend. - -Marietje draaide zich ineens om en met heftige beslistheid perste het -zich tusschen haar lippen uit: „Christine!” - -„Dat is ’n mooie naam! Heet ze naar je moeder?” - -In de oogen van het kind kwam een blik van vroegrijpe intelligentie en -met een vreemd naïef pathos, dat Hilda tot in de ziel ontroerde, zeide -ze: - -„Naar Christus! Nou haar vader haar heeft verlaten, heb ik haar genoemd -naar hem, die gezegd heeft: Laat de kinderkens tot mij komen! en die -tegen de mannen zei, dat ze maar es eerst aan hun eigen zonden moesten -denken vóór ze de vrouw gingen steenigen!” - -Corona bukte zich diep en kuste haar: - -„Dat was goed van je bedacht! Marietje! Heb je dat zoo heelemaal alleen -verzonnen?” - -Het kind knikte met een snik, die haar heele lichaam doorschokte. - -En Hilda, bij het raam, tuurde in de stoffige straat en vroeg zich af, -door de woorden van het meisje in groote ontroering, waarom gevoelens -van recht en liefde toch zoo langzaam zouden zijn in het doordringen. -Negentien eeuwen geleden heeft Christus zijn liefde voor de kinderkens -gepredikt, daarbij niet sprekend van wettige of onwettige, allen waren -hem welkom en lief! en negentien eeuwen geleden leerde hij dat de vrouw -niet gestraft zal worden voor dezelfde zonden, die men den man -vergeeft, en nog altijd is de wereld wreed voor ’t kind dat door zijn -vader verlaten werd, en nog altijd wordt de vrouw gesteenigd terwijl -haar medeplichtige, de man, geëerd, met opgeheven hoofde rondgaat! Haar -geheele leven zouden Marietje en haar kleine boeten voor deze zwakheid, -dit te goed vertrouwen van haar zeventiende jaar! en de man die van -deze zwakheid misbruik maakte, en haar toen aan de schande overleverde -zou misschien eens de hoogste staatsambten bekleeden en het mooiste -reinste meisje zou misschien eens trotsch zijn om zijn vrouw te worden! -Wat was dat toch dat men in bloed en tranen twistte over dogma’s en -geloofsartikelen en dat geen van de gemeenten, die zich naar Christus -noemen, zijn eenvoudige liefdevoorschriften opvolgt? - -Maar op dit oogenblik hoorde men schorre, vuile geluiden in de -achterkamer. - -„O! God! Hij is wakker!” zeide vrouw Roerade. - -Marietje had het hoofd weer afgewend en verborgen in de kleertjes van -haar kind. - -De oude Joseph, ongeschoren, de grijzende haren in slordige plukjes -overeind, verscheen in de deur. De deftige koetsier met het goedige -gladde gezicht en de quasi voorname manieren was niet meer in hem te -herkennen. Ineens was het alsof hij gezonken was tot een lagere trap in -de maatschappij. Lispelend, met zijn nog dikke tong, terwijl hij steun -zocht tegen de post van de deur, zeide hij langzaam: - -„Dokter, nou weet ik het precies! Vroeger zeien ze dikwijls tegen me, -Roerade, zeien ze, waarom ben je niet socialist. Loop heen met je -geleuter, zei ik, ik heb goed m’n brood, en daarmee uit, wat maal ik om -de socialen. Maar nou weet ik het. Ik was ’n ezel! dokter, ja zeker ’n -ezel! Ik heb er over zitten denken sinds het oogenblik, dat zij daar, -de schande hier heeft binnengebracht, en nou heb ik het in eens -begrepen. Ziet u, dáarom willen de rijke lui niks van het socialisme -weten, omdat er dan geen standen meer zoûen zijn en waar moesten dan de -rijke heertjes de meisjes vandaan halen om voor den gek te hoûen? Van -de meisjes van hun eigen stand zorgen ze wel af te blijven! Maar de -volkskinderen, wel ja, die zijn er immers voor? En als dat volk nou es -niet meer zoo laag bleef, dat ze er gerust op trappen konden, waar -zoûen ze dan hun pleizier vandaan halen? Ze hoûen ons dom en arm,—wat -doet de regeering voor de opvoeding van onze meisjes! Ze geeft er niet -zooveel centen voor uit als tientjes voor de zoontjes uit de deftige -stand—en dan maken ze ons wijs, dat God het zoo wil, en dan, -natuurlijk, je doet voor je kinderen wat je kunt, maar je bent arm, je -hebt geen dikke spiegelruiten en kanten gordijnen om je dochtertjes -achter te bewaren, ze groeien half op straat op, en zien daar ook niet -altijd het beste, en dan gaan ze de wereld in, onder vreemden, en dan -kunnen de rijke heertjes ze voor hun pleizier gebruiken en hun pa’s en -ma’s lachen er om en zeggen dat de zoontjes toch ’n beetje van hun -jeugd moeten genieten. Nou, daar heb ik alles van gezien bij Jonker -Frederik toen ik bij baron Herkelens diende, maar ziet u, daar komt de -klassenhaat vandaan, waar de socialen van praten.” - -„Joseph, ik kan nou niet met je spreken, je moest nou liever eerst wat -gaan uitslapen, maar ....” - -Maar, hij gewoonlijk zoo stil en onderdanig, scheen op eenmaal -ongevoelig voor eenigen invloed. Corona had het streng gezegd, maar -niets drong tot hem door en nog opgewondener viel hij haar in de rede: - -„En zulke kinderen zijn immers zoo makkelijk te verleîen. Ze hebben zoo -weinig in haar leven en ze hoûen toch ook van wat mooi en fijn is, dat -kan immers de beste aangeboren zijn? en dan komt zoo’n Mijnheer met -presentjes en mooie woorden en is veel aardiger dan een van ons soort -menschen, die ’s avonds moe en bezweet van ’t werk komen, en dan .... -als je zoo jong bent, geloof je ook zoo gauw niet, dat al dat moois -maar bedrog is. Ziet u dokter, zoo gaat het, en dan zitten de heertjes -bij elkaar, ik heb het dikwijls gehoord, en zeggen dat de vrouw zwak -is! en ze lachen haar nog op den koop toe uit. Wat raakt het hun of er -een meer of minder van die schapen uit het volk te gronde gaat. Maar -intusschen ligt zoo’n kind hier, en huilt der oogen blind!” - -Hij stond nu hoog opgericht, alleen nog met een hand zich steunend aan -de deurpost. In zijn ongeschoren gezicht, met de lichte wijdgeopende -oogen lag iets woest verbijsterds, en schor fluisterend hijgde hij de -woorden uit. - -Tevergeefs had Corona een paar malen gepoogd hem tot zwijgen te -brengen; de gedachten die zijn arme, tot denken ongeoefende hersenen -dien langen nacht, na Marietjes bevalling hadden doorwoeld en die hij -nu, verward door halve dronkenschap en door de gesprekken in de kroeg, -voor het eerst trachtte weer te geven, konden niet worden -teruggedrongen. Hij moest ze uiten. - -„Verdomme dokter!” zeide hij op eens met een topzware beweging, half -vertrouwelijk, half dreigend: „Ben ik niet altijd ’n oppassend man -geweest? Dat kunt u niet ontkennen! het is niet waar, u kunt het niet -ontkennen! u zou ’t niet durven ontkennen! Maar dat verzeker ik u, dat -als er ooit revolutie komt, zooals die lui van gisteren in de kroeg -voorspellen, dan zal hij, je weet wel wien ik meen, de eerste zijn, die -z’n huis ziet branden. Ik zal hem in stukken scheuren! zie je, dat -noemen ze klassenhaat!” - -Hij zeide het met een onnoozele grijns van dommen machteloozen, haat, -die vreeselijk was om te zien. - -Corona stond huiverend op uit haar knielende houding aan het bed. Deze -stem van den vader van het volkskind, wraak roepend tegen het cynisch -egoïsme waarmede men het misbruiken van het volksmeisje in de hoogere -standen als een natuurlijk, zelfs noodzakelijk kwaad beschouwt, had -voor haar een diepe algemeene beteekenis. In zijn opvattingen lag -verwarring en onkunde, maar in zijn instinctmatig voelen was groote -waarheid, dat het onrecht dat zijn kind geschied was, niet was, een op -zich zelf staand feit, maar voortvloeide uit de heele maatschappelijke -levensbeschouwing, die het kind van den arme straffeloos prijsgeeft aan -het genot van den rijke. Alleen, in zijn verbittering stelde Joseph het -te uitsluitend voor alsof het ongeluk, dat hem getroffen had, alleen te -wijten was aan het onrecht van de bezittende klasse tegenover de niet -bezittende. Lag de schuld niet veel meer aan het onrecht van den man -tegenover de vrouw? Van den man, die de wetten, heeft gemaakt zoó, dat -hij ongestoord, zonder vrees voor lasten en straf de vrouw kan -exploiteeren en haar alleen de ellende kan laten dragen voor hun samen -begane zonden? Het was het eeuwenoude beginsel van alle economische -misstanden: het recht van den sterkste, dat den zwakke verplettert. O! -wanneer zou toch een hoogere gerechtigheid een einde maken aan dat -recht uit den oertijd?” - -„Vrouw Roerade, ik kan nou niet met je man praten, dat zie je wel; hij -moet eerst weer heelemaal bedaard zijn. Maar zendt ’m vanavond bij me. -Ik moet ernstig met hem spreken!” - -De vrouw zag haar aan met angstig vragende oogen: - -„Dokter is toch niet boos op hem? U moet maar denken, het is de eerste -keer sinds ons huwelijk, en hij weet nou niet wat ie zegt.” - -In haar kleine bekrompen ziel, voortdurend neergebogen door het harde -leven was geen plaats meer overgebleven voor toorn of opstand. Zij -kende alleen het moeë berusten; zelfs nu in hun groot gemeenschappelijk -leed begreep zij niets van de verbittering van haar man. Zij was nu -alleen maar bang dat Corona zijn uitval kwalijk zou nemen en haar hulp -misschien onttrekken zou. - -Maar Corona schudde het hoofd in een weeke ontroering van droefheid en -ontferming. - -„Er is immers niets, om boos over te zijn tegen hem, vrouw Roerade. Het -is verkeerd van Joseph dat ie gedronken heeft, heel verkeerd, maar z’n -verontwaardiging is recht.” - - - - - - - - - -Worstelend om haar tranen te bedwingen waarvoor ze zich, als voor een -zwakheid, tegenover Corona’s sombere kalmte, schaamde, reed Hilda een -poos zwijgend naast haar voort. - -Toen vatte de jonge doktores haar hand en met een scherpen blik van -onderzoek op haar bleek gezichtje, zeide ze zacht: - -„Is het niet te veel voor je geweest, lieveling? Ik wou dat je ’n -sterken indruk zoudt ontvangen vanmorgen van wat er geleden wordt, maar -het toeval is haast al te gedienstig geweest, die ontmoeting met dien -armen, half dronken vader had ik je nou wel willen sparen.” - -Hilda durfde niet antwoorden, haar keel was heet en gezwollen van -tranen, die ze met geweld neerhield, en weer reden zij een oogenblik -zwijgend voort. Toen hervatte Corona meer tot zich zelf dan tot Hilda: - -„En dan te denken, dat er schatten besteed worden om Mahomedanen te -bekeeren! Is het niet om te lachen, bitter te lachen, dat men zich hier -ongerust maakt over de bigamie der Oosterlingen, terwijl bij duizenden -hier, in ons z.g. Christelijk Europa, door in Christus’ naam gedoopten, -zulke slachtoffers worden gemaakt! De Mahomedaan onderhoudt tenminste -de vrouw die hij liefheeft, en zijn kind brengt hij groot! Maar hier -noemen ze haar gevallenen, de arme schepseltjes als Marietje, in plaats -van neergeworpenen! Neergeworpenen door de zinnelijke zelfzucht van den -man, of liever door het gehuichel van onze maatschappij, die met twee -maten meet! en voor den man met ’n glimlachje spreekt van vergefelijke -jeugdzonden, en voor de vrouw met een wreedheidsgrijns van verloren -gaan en onteerd zijn! - -O! Hildy, dit is vrouwenemancipatie, dat al de Marietjes van de heele -wereld, met haar arme Christientjes niet langer meer liefdeloos zullen -worden uitgestooten, terwijl de vader van het kind trotsch en geëerd -door de wereld gaat!” - -Hilda antwoordde niet. De gedachten dwarrelden haar door het hoofd, zij -trachtte te begrijpen, maar ze kon aan niets anders denken dan aan -Marietje’s vermagerd kindergezichtje, zoo droevig jong met den -vroegwijzen blik van veel doorstane wanhoop. Eindelijk vroeg ze -aarzelend: - -„Maar is er dan geen wet die de verleiding van minderjarige kinderen -straft? Ik dacht dat ik Edward verleden zoo iets had hooren zeggen!” - -„Ja zeker,” zeide Corona, „meisjes beneden de zestien jaar worden door -de wet beschermd, maar Marietje is net zeventien geworden, en dan zijn -zij vogelvrij verklaard. En als je bedenkt wat een kinderen het nog -zijn! En toch vindt de wet, dat zij op dien leeftijd maar voor zich -zelf verantwoordelijk zijn moeten! Is het niet het toppunt van -inconsequentie? Ons wetboek stelt de getrouwde vrouw onder de curateele -van haar man en overal waar het maar kan, verklaart het de vrouw -onmondig ongeschikt om haar burgerrechten te bezitten, maar van het -meisje van zestien jaar veronderstelt het, niettegenstaande al de -gevaren van verleiding, armoede, verlatenheid en onkunde, dat het sterk -genoeg, ik zou in vele gevallen willen zeggen: heldhaftig genoeg zij, -om weerstand te bieden aan alle verzoeking! - -O! ik weet wel, dat al die treurige dingen in onze wetten, min of meer -historisch kunnen verklaard worden en dat Napoleon er veel van op zijn -geweten heeft, maar soms vraagt men zich toch af of de mannen die het -wetboek hebben samengesteld en vooral die het kalm onveranderd hebben -gelaten, geen van allen vaders zijn geweest om niet te beseffen wat het -voor ’n meisje is, om op zestien jaren te worden prijsgegeven aan wie -maar misbruik van haar maken wil. Zij mag verleid, bedrogen, onteerd, -moreel vermoord worden, door elken ellendeling; eerst als ze in razende -angst voor de schande die alleen op haar neerkomt een wanhoopsmisdaad -heeft bedreven bemoeit zich de gerechtigheid (?!) met haar! Maar .... -alleen om haar te straffen! Zou men soms niet denken, dat onze -wetgevers vrouwenhaters zijn geweest? Maar als men dan rondkijkt in de -wereld en ziet hoe onze lieve zachte deugdzame dames al even wreed zijn -in haar verachting voor de zondares, en eindeloos geduldig in haar -vergeven van den zondaar, dan merkt men opeens hoe wanhopig diep het -vooroordeel en het onrecht nog zijn ingeworteld! - -Zoolang de vrouw zelf niet beseft, dat het aan haar is om de -rechtvaardigheid in zedelijke kwesties, die zoolang verkracht is, te -herstellen, zoolang zij niet, waar zij toornt tegen haar onreine -zuster, precies denzelfden toorn tegen haar onreinen broeder -uitspreekt, en waar ze haar broeder uit het slijk opheft, dezelfde, -precies dezelfde hand aan haar zuster toesteekt, zoolang zal ons -wetboek vol van zedelijk onrecht blijven en zullen Marietje Roerade’s -lotgenooten hopeloos gesteenigd worden. Maar wij moeten meehelpen, -Hilda, om die toestanden te veranderen, niet waar? En we zullen er voor -vechten op leven en dood!” - - - - - - - - - -Zwijgend waren Hilda en Corona toen naar huis gereden, niet in staat -meer verder iets te zeggen. Corona was gewend aan al dit lijden en haar -activiteit om te helpen, om zich in de details te verdiepen, waardoor -zij leniging kon brengen, bespaarde haar meestal veel van den -smartelijken totaalindruk, dien een machteloos toeschouwer bij zulke -tooneelen ontvangt. - -Maar dien morgen, gepreoccupeerd om na te gaan welken indruk het op -Hilda moest maken, en bij intuïtie meelevend hetgeen Hilda doorleefde, -had ze onwillekeurig, als met nieuwe oogen, de ellende, die zij -vertoonde aanschouwd. Eén dier bange stemmingen van groote deernis, die -haar in de eerste jaren van haar praktijk zoo dikwijls met wee hadden -vervuld, was ook nu weer over haar. - -Wat Hilda betreft, nog altijd worstelde ze tegen de brandende tranen, -die verschroeiend tegen haar oogleden opstegen. Haar hoofd brandde, -rustig denken was haar niet mogelijk, éen voelen alleen beheerschte -haar: Helpen, redden, zich zelf geven voor al dit leed, goed maken de -zelfzucht, waarin ze al dien tijd geleefd had. - -Corona was thuis neergevallen in den grooten armstoel bij het raam, en -staarde naar buiten, een oogenblik Hilda vergetend. Toen, opeens voelde -ze een zachten kus op haar hand die in haar schoot lag. - -Hilda was naast haar neergeknield, en sidderend, als bij een gelofte, -zeide ze dringend, met haar stem warm van tranen: - -„Corona! wat moet ik doen? Zeg maar wat je wilt .... ik zal alles doen! -.... Corona, alles!” - -De jonge doktores zag neer op het opgeheven gezichtje. Zij kende deze -oogenblikken, waarin de jonge ziel in vurig enthousiasme tot elk offer -bereid is, om redding te brengen. Zoo hadden schoone Romeinsche -patriciennes gevoeld, toen zij haar weeldeleven verlieten, om den -godsdienst van liefde en ootmoed te aanvaarden, die dikwijls van haar -eischte den vreeselijksten dood in het arena; zoo hadden jonge -edelvrouwen in de middeneeuwen gevoeld, die eer en macht aflegden om -strenge kloosterorden te stichten, waar ze wilden bidden voor de zonden -der wereld; zoo hadden zoo ontelbaar vele vrouwen gevoeld, die de -verschrikking van het slagveld en de droeve vermoeienis van het -hospitaal trotseerden om lijden te verzachten; zoo ook hadden gevoeld -de dappere vrouwen, die niettegenstaande bedreiging, verdachtmaking en -spot in het eerste gelid hebben gestreden bij elken geestelijken -vrijheidsstrijd, of die heette godsdiensthervorming, slavenemancipatie, -vrouwenontvoogding, of strijd tegen vivisectie en dierenmishandeling, -tegen prostitutie of tegen alcohol. - -Helaas, in vele van onze kleinvoelende burgerlijke kringen is men maar -al te dikwijls geneigd dit mooie jonge voelen voor „overdreven” uit te -maken, voor overspanning, het daarmee ter dood veroordeelend. En toch, -wee over de jonge ziel, die in een worsteltijdperk als het onze, nimmer -dit liefdeënthousiasme in zich voelde. - -„Wat moet ik doen, Corona!” herhaalde Hilda. „Zal ik, zoo als jij, gaan -studeeren? voor dokter? Zal ik pleegzuster worden? Zal ik ..... Zeg -maar wat ik doen kan, ik wil alles! .... Maar zeg het dan toch!” - -Corona zag haar een oogenblik ernstig aan, toen zeide ze langzaam: „De -ellende die wij vanmorgen hebben gezien kan de liefdezuster en de -dokter wel lenigen, maar niet genezen, omdat zij grootendeels uit -wettelijke en sociale misstanden voortkomt. Binnen eenige jaren zal ons -wetboek herzien worden, en waarschijnlijk zal er dan niet eén vrouw -zijn, die haar stem als rechtsgeleerde daarbij kan laten hooren, en dat -zou jij kunnen voorkomen, Hildy! Waarom zou je niet in de rechten -studeeren? Natuurlijk zijn er vrouwen genoeg die het wetboek vrij -aardig kennen, maar nooit kunnen die officieel den invloed hebben van -haar die dezelfde examens hebben afgelegd en denzelfden graad hebben -behaald als de mannelijke rechtsgeleerden. En het zal toch zoo noodig -zijn dat de vrouw bij die behandeling zich zelf vertegenwoordigt! -Zeker, er zullen knappe en edelmoedige mannen zijn om onze zaak te -bepleiten, maar iedere soort wordt nu toch eenmaal het best door een -van zijn eigen leden gerepresenteerd en een hoogstaande vrouw kan toch -altijd beter, intenser weten dan een man, wat de vrouw verlangt, wat -haar toekomt en nuttig is! - -En dan, wat zou een vrouwelijke rechtsgeleerde voor veel vrouwen een -redding zijn! Voor een massa, die in ellendige omstandigheden zijn, wat -’n uitkomst om tot een knappe beschaafde vrouw te kunnen gaan om advies -en raad. Een vrouw kan een andere vrouw soms met ’n enkel woord -begrijpen, waar voor ’n man een lange, pijnlijke uitleg noodig zou -zijn. Begrijp je me? Natuurlijk zou ik niet willen dat je de eindeloos -lange rij leegloopende, onbeduidende advocaatjes nog ging vermeerderen -met één: Ik zou van je vragen dat je je rechtskennis gebruikte om met -al je kracht te werken om het onrecht uit ons wetboek te verwijderen, -en om diegenen te helpen die er nu onder lijden!” - -Hilda zat stil neergehurkt en scheurde met zenuwachtige vingers haar -zakdoek in kleine stukjes. In haar groote opwinding, de verbeelding tot -het uiterste gespannen, kwamen en gingen haar gedachten in duizelende -snelheid. Zij dacht aan een hoop droge boeken, die ze zou moeten -doorworstelen, en aan examens waar ze erg tegen op zou zien, aan de -vijandige ironie van thuis, aan Cranz, die nu misschien boos op haar -was, en hoe hij met zijn voornaam, vernietigend spotlachje spreken zou -over haar, maar toen ook tegelijk, als in een apotheose stelde ze zich -zelve voor te midden van een groote vergadering. Zij voelde de angst, -koud, met warme prikkels langs haar ruggestreng, van daar te midden van -die allen te moeten spreken en toen toch ook ineens de weelde van te -kunnen spreken. Met gloeiende woorden zou ze het zeggen het onrecht, -het domme, wreede, dat de wetgevers generatie na generatie hebben laten -voortbestaan. - -„Dagen, maanden, jaren lang hebt gij vergaderd, geredetwist over -allerlei kleinigheden, maar om rechtvaardigheid te schenken aan het -grootste deel der bevolking, de vrouwen, zeker niet het minst -belangrijke, omdat het de moeders, de opvoedsters bevat, dáárvoor hebt -ge geen uur tijd gevonden!” Dat zou ze zeggen, en de vergadering zou -onder haar woorden trillen. Maar zooals het dikwijls gaat in -oogenblikken van opgezweepte emotie, kwamen er nietige details met -tergende duidelijkheid om aandacht vragen. Zij dacht er aan of ze dien -dag zwart fluweel of donkerblauw laken zou dragen, en of er een sleep -niet mooi bij zou staan en dat ze niet verkouden moest zijn, en aan wie -ze invitatiekaarten zou zenden. Maar ze werd woedend op zich zelf om al -die nonsensgedachten. Onze grootmoeders schreven zulke grillige -invallen in zeer ernstige oogenblikken toe aan inblazingen van kleine -duivels, maar voor haar was het misschien een kleine engel, die -waarschuwde in dit geboorteuur van haar carrière dat ze waken moest -tegen ijdelheid en eerzucht. Eerzucht? was ze werkelijk verlangend naar -eer? Een oogenblik trachtte ze diep in zich zelf door te dringen, -onderzoekend of ze zich vatbaar voelde voor de onreine drijfveer van -succesjacht. In het gewone leven der vrouw is er geen plaats voor -eerzucht, daar heerscht alleen haar tengere tweelingzuster, de -ijdelheid. Maar als zij haar leven breeder ging opvatten, werkend in de -groote maatschappij, zou ze moeten waken tegen het onzuiver zoeken van -eigen glorie. Maar toen zag ze weer voor zich de roodschrijnende striem -op het voorhoofd der zwangere vrouw, het bleeke jongetje met het -afgezette beentje, Marietjes oogen vol schaamtewanhoop en de dreigende -verbittering van den ouden koetsier en ze wist dat ze zich zelve zou -kunnen vergeten, als ze ging werken om zulke dingen te verbeteren. „O! -een klein beetje te kunnen meehelpen!” - -Zij zag weer op tot Corona, kalmer nu, met bijna een glimlach: „Ik zal -het doen, Cora, je hebt groot gelijk, dat zal het beste zijn.” - -„Nee, nee,” zeide Corona haastig, „je moet niet dadelijk je besluit -nemen. Nou ben je nog te sterk onder al die treurige indrukken, je moet -heel kalm en ernstig met je zelf overleggen. Ik zou je niet tot iets -willen overhalen, waar je later spijt van hadt. Als je zoo iets begint, -moet je het ook volbrengen, en het zal niet makkelijk zijn! Maar toen -je het me zoo vroeg, kon ik toch niet nalaten om je den weg te wijzen, -dien ik je zoo graag zou zien ingaan.” - -Een poosje zaten zij samen stil in het weldadig uitrustend, -vredebrengend zwijgen van twee, die groote vriendschap bindt. Toen -begon Corona weer te spreken. - -„Er is in den laatsten tijd heel veel geschreven en geroepen over het -onrecht dat de man aan de vrouw heeft aangedaan, alsof het twee -vijandelijke abstracte machten waren, die elkaar voortdurend trachtten -te doen lijden, in plaats van levende individuen, wier levens, dan in -liefde, dan in haat, in elkander grijpen. Natuurlijk, daar aan de eene -kant de macht, aan de andere de afhankelijkheid was, is er veel -misbruik van macht geweest bij den man, daar was hij mensch voor, maar -hem ’n verwijt van die macht te maken is dom en erg onwijsgeerig. Dat -hij de macht had is ’n bewijs dat het zoo zijn moest, dat het een -noodwendigheid der tijden was! Soms wordt het tegenwoordig bijna -voorgesteld alsof in den oertijd de man tegen zich zelf had gezegd: -„ziezoo, nu zal ik voortaan de baas zijn en de vrouw, zooveel ik kan -onderdrukken!” Natuurlijk zijn bij den primitieven onbewusten mensch de -verhoudingen ontstaan, zooals die ontstaan moesten, geboren en gevormd -door de omstandigheden, de oogenblikkelijke belangen van het ras. En -zoo is het ook met de latere tijden. Elke eeuw leeft alleen bij het -schijnsel van haar eigen licht. Men kan evengoed aan de vroegere eeuwen -verwijten dat zij de stoom en de electriciteit niet hebben gekend, als -dat ze slavernij hebben gebillijkt, oublietten, foltertuigen en -brandstapels hebben gehad en de vrouw hebben vernederd. Elke tijd heeft -zijn eigen ideaal, zijn eigen doel, zijn eigen sociale opvatting, en -wie de maatstaf van negentiendeeeuwsche rechtvaardigheidstheorieën en -humanisme wil aanleggen aan vervlogen tijden, doet eenvoudig iets -ontzettend doms. Maar nu men in deze eeuw, voor wie blijkbaar de taak -van sociale rechtvaardigheid is weggelegd, het duidelijk heeft ingezien -dat de vrouw ontvoogt behoort te worden, hoor je aan alle kanten -klachten en verdenkingen tegen den man. Telkens ontmoet je dames die -over de zelfzucht en tyrannie van den man met verontwaardiging zitten -te praten, zoodra er van misstanden in de maatschappij sprake is, maar -weet je wat ik dan denk? Dat de tijd is gekomen, dat wij niet langer -anderen mogen aanklagen, maar ons zelf behooren af te vragen, wat deden -wij, vrouwen, voor onze zusters? Ken je de droomen van Olive -Schreiner?” [8] - -Hilda schudde het hoofd. - -Toen zachtjes, bijna fluisterend, alsof ze een geheimzinnige opdracht -had, begon Corona het sprookje te vertellen, en Hilda luisterde met -gesloten oogen, neergehurkt op den grond. - -„Een ziel stond voor den troon van God en God vraagde haar waarom ze -gekomen was. En zij zeide, zij was gekomen om haar broeder, den man, -aan te klagen. - -„Wat heeft hij gedaan?” zeide God. - -En zij zeide: „Hij heeft mijn zuster genomen en haar vernederd, haar -verwond en bezoedeld en nu ligt ze neer, uitgeworpen in de straat. Zijn -handen zijn rood van haar bloed en ik ben gekomen om met hem in het -gericht te gaan. Ontneemt hem zijn koningschap, want hij is het -onwaardig, en bekleedt er mij mede, mijn handen zijn rein van zonden.” - -En zij, trotsch, liet ze zien. - -Maar God zeide: „ja uwe handen zijn wit, maar uwe voeten?” - -Zij lichtte den zoom van haar kleed op en ziet, hare voeten waren -bloedrood. - -God sprak: „Wat is hiervan de beteekenis.” - -„O Heer!” zeide zij, „de straten beneden in de menschenwereld zijn vol -onreinheid en vuil. Als ik er gewoon middendoor liep, zou het mijn -kleed bevlekken, en gij ziet, hoe mooi wit het is. Daarom zette ik -voorzichtig mijn voeten alleen dáár waar ik wist, dat de modder mij -niet raken kon.” - -„Maar waarop zettet gij dan uw voet? Wat lag er tusschen u en de -modder, waarop uw voet kon treden?” zeide God. - -Toen was zij stil en liet haar kleed diep vallen en ging zachtjes heen, -het hoofd omsluierd, bang dat de engelen haar zien zouden. - -Maar een poos later stond zij weer voor Gods troon, nu niet alleen, een -andere vrouwenziel stond naast haar. - -„Hoe is het dat ik u heden te zamen zie?” zeide God. - -En zij antwoordde, wijzende op de andere: „Zij lag op den grond buiten -op de straat. De man had haar neergeworpen en de vrouwen gingen -gedachteloos, in witte kleeren over haar heen. Toen strekte ik mij -naast haar uit op den grond, en zij sloeg haar armen om mijn hals en -zoo lichtte ik haar op en wij stonden naast elkaar.” - -„En wien zijt gij nu gekomen om aan te klagen voor mijn troon?” zeide -God. - -Maar zij zeide: „Niemand Heer. Alleen wij smeeken u, spreek tot het -hart van den man, en geef ons een opdracht voor hem mee, opdat hij -leere verstaan.” - -„Ga heen,” zeide God, „en breng hem de boodschap.” - -„Welke boodschap,” zeide zij. - -„Die thans in uw harten geschreven is, ga en breng haar. Als de wereld -uwe liefde ziet, zal zij uw boodschap verstaan.” - -„Dat is het,” zeide Hilda, „en ook ik heb de boodschap verstaan!” - -„Natuurlijk is dit sprookje meer speciaal bedoeld voor de zondig -gevallen vrouw,” zeide Corona, „maar je kunt het toch ook algemeener -opvatten en dan lijkt het mij altijd typisch voor de verhoudingen.” - -„Wat kun je prachtig vertellen, Cora!” en in meisjesachtige verrukking -wierp Hilda zich op haar schoot, sloeg de armen om haar hals en kuste -Corona met die jonge onstuimige innigheid waarmede zij niemand meer, -sinds den dood van haar vader, gekust had. - -„Hildy, wil je me een ding beloven? spreek er dan vandaag en morgen nog -met niemand over. Heusch je moet heelemaal rustig en alleen je nieuwe -leven overdenken. Het zal soms ’n moeielijke weg zijn, lieveling, en je -moet hem alleen inslaan, als een krachtige overtuiging, niet ’n -genereuse impulsie je er heen drijft.” - -Hilda knikte. „Ik beloof het je! Ik ben heel zeker van m’n besluit, -maar daarom juist kan ik best wachten.” - - - - - - - - - -In de wijde stilte van den nacht stond Hilda om half twaalf voor haar -open raam en luisterde naar de verre geluiden, die de lang nog niet -slapende stad geheimzinnig naar haar opzond. Een ver, dof geruisch was -het, als het onderaardsch dreigend gerommel van een vuurberg en zij -strekte de handjes uit in een onbewuste beweging van omarmen en zag -toen starend neer in de stil deinende bladerzee beneden zich van de -boomen van het Nassauplein. - -Het was al Vrijdagavond, en met niemand had ze nog een woord over haar -plannen gesproken, maar morgen zou ze het nu toch aan haar oom gaan -zeggen. Het was zoo heerlijk geweest in stilte het geheim te -liefkoozen. Wat had het haar op eenmaal een rust en klaarheid gegeven! -Dat verre doel, waarvoor zij nu voortaan al haar latente energie, zou -kunnen aanwenden, verkwikkend als een licht had het in de nevelige -vaagheid van haar toekomst gestraald. Een vast en bezielend doel was -immers het eenige wat evenwicht aan het leven kon geven van hen die het -ernstig met het leven nemen! - -Gisteren was Adèle Brandon getrouwd, éen van Eugénie’s oudste -vriendinnen. Was het wonder, dat er zooveel leelijke treurige menschen -in de wereld waren, als er voortdurend zooveel treurige leelijke -huwelijken werden gesloten? Naam en fortuin was met naam en fortuin -getrouwd. Dat was alles, van liefde was er bij dat paar geen sprake. En -Moisette, die het wist, had hen in de Fransche kerk gezegend, hij die -bang was, dat het ideale zou verloren gaan, als de vrouw in de -maatschappij haar deel van ’t algemeene werk nam! Hij had welsprekend -kunnen zijn bij zulk een huwelijk, wat een onlogica! - -Hij had van dienende liefde gesproken. De man, had hij gezegd, was de -gevende liefde, de beschermende, maar de dienende liefde was de vrouw. -Ootmoedig, lijdend, nederig, gehoorzaam, dienend in éen woord, moest ze -zijn en als zij ooit ophield zoo te wezen zou het einde dáar zijn van -de maatschappij. - -„Dienende liefde!” zeide Hilda bijna hardop. „Ja, dat is het! Wat is -het een prachtig woord! Alles sluit het in zich van zelfvergeten, en -offeren en geduldig zijn en onvermoeid! Ja zeker, Moisette! het wezen -der hoogstaande vrouw is waarlijk dienende liefde! Maar niet in de -laffe, domme, belachelijke beteekenis, waarin jij het ons gisteren liet -zien! Nee, niet den man, haar medeschepsel, haar gelijke, haar broeder -zal ze dienen, de toekomstvrouw! maar met hem, naast hem dienen, in -mooie liefde vereenigd, de eeuwige idealen van barmhartigheid en -waarheid, schoonheid en gerechtigheid! Dienende liefde het wezen der -vrouw! ja, maar geen menschendienst mag daaronder verstaan worden. -Gods-dienst, in de hoogste beteekenis van het woord, moest het zijn, -het dienen van ’t hoog ideale, het Goddelijke!” - -Met ’n ruk trok zij haar lijfje open en wierp het achter zich op een -stoel; de koele nachtlucht gleed streelend langs haar heete schouders. -En weer strekte ze de armen uit, alsof ze de wereld aan haar hart wilde -drukken. - -„Ja, ik zal dienen!” zeide ze hartstochtelijk. „Het dienen uit vrijen -wil, dat verheft en vrij maakt, niet het dienen uit gehoorzaamheid, dat -vernedert! Zondagmorgen heb ik de wijding ontvangen, die voert tot den -hoogen dienst en ik zal trachten trouw te zijn! O! dienende liefde, het -zich wijden aan, het opbouwen van anderen en daardoor het komen tot -klaarheid voor zich zelf, het in volheid ontwikkelen van eigen -krachten. „Zoo wie zijn leven verliezen zal, die zal ’t zelve vinden!” -stond in het versleten testamentje van haar moeder, en nu verstond zij -de waarheid daarvan. Het groote leven ingaan, troostend, helpend, -reinigend en daardoor komen tot zelfvolmaking, d.i. zelfverwezenlijking -en zoo naderen tot God!” - -Toen vouwde zij de handen op de borst in een behoefte om iets plechtigs -te doen. Bidden, in de beteekenis, die de traditie aan dit woord -gehecht heeft, deed ze niet, maar een diep religieuze aandoening klom -op in haar borst en vulde heel haar voelen. Juist het nog betrekkelijk -vage van haar toekomstplan gaf er een mysterieuze bekoring aan, die -voor haar zieleverbeelding visioenen van een heerlijk leven liet -opstijgen, en toch ook het weten dat zij al morgen kon beginnen met te -werken voor dat verre doel, gaf haar een rust, een -veerkrachtstinteling, die haar met dankbaren jubel vervulde. - -Zij was gelukkig op dit oogenblik, en toen zij opzag in den stillen -zomernacht, de saamgevouwen handen stijf tegen elkaar gedrukt, in een -spanning van heel haar wezen en zij zag de sterren hun -ondoorgrondelijken glimlach van uit de eindeloosheid op haar -neerlichten, vulden zich langzaam haar oogen met tranen, tranen van een -mooi en vroom geluk. - - - - - - - - - -Isabelle Pankaert, met gloeiende wangen, de handjes koud van emotie, -stond naast de piano en zong, terwijl mevrouw Noorman, de bekende -concertzangeres, aan wie Corona lessen voor haar gevraagd had, haar -accompagneerde. Toen bleven beiden een oogenblik verloren in de -jubelende extase van Bach’s Pfingstcantate. - -„Heel goed, kindje! Dat heb je goed gezongen!” zeide Marion Noorman. -„Het gaat buitengewoon goed!” - -Isabelle antwoordde niet, te gelukkig om iets te kunnen zeggen. - -Toen Corona haar in het voorjaar was komen vragen of zij gratis les -wilde geven aan een arm meisje met ’n mooie stem, had mevrouw Noorman -het niet willen weigeren. Aan Corona kon men zoo moeielijk iets -weigeren, maar eigenlijk had ze het toch indiscreet en vervelend -gevonden. Zij had al zooveel lessen en haar huishouden met de -tweelingen nam toch ook tijd! Maar toen zij Isabelle’s stem gehoord -had, had zij geen spijt gehad van haar hulpvaardigheid; tegenwoordig -gaf zij haar zelfs tweemaal in de week les en het was een groote -vriendschap tusschen haar geworden. - -„Belle!” zeide ze opeens. „Ik heb je nog wat te vertellen, of eigenlijk -een voorstel te doen .... Kun je nog even blijven?” - -„Een voorstel?” - -„Ja, ik zal je zeggen, de laatste week, heb ik verscheiden invitaties -gekregen om op concerten te komen zingen. In Zwolle en in Deventer en -in Middelburg, maar die zijn alle drie voor December en Januari en dan -kan ik niet ....” en zij glimlachte. - -„Waarom niet?” - -„Omdat .... zich tegen dien tijd een kleine baby heeft aangekondigd -....” - -„O! Marion ....!” Verlegen zag Belle naar haar op, niet wetend of zij -moest gelukwenschen. - -„Ja, het is wel ’n beetje lastig! en we zullen het Benjamin noemen in -de hoop dat dit het laatste zal zijn, maar eigenlijk vind ik het toch -verrukkelijk! De tweelingen zijn nou al vier jaar en zoo’n schootkindje -is zoo snoezig!” - -Isabelle aarzelde even: - -„Marion, je moet het niet gek van me vinden, maar ik heb het je al zoo -lang willen vragen .... mama zegt .... dat een getrouwde vrouw zich -alleen aan haar huishouden moet wijden en geen tijd voor iets anders -kan hebben, als zij het goed wil doen. Maar .... hoe doe jij dan toch?” - -De naïeve gewichtigheid in de vraag amuseerde Marion: - -„Wel, ik zou wel es willen weten of geldverdienen voor het huishouden -niet is: er zich aan wijden! Mij dunkt, het is een van de -allernoodzakelijkste dingen die men er voor doen kan!” - -„Nee, mama bedoelt voortdurend met het huishouden bezig zijn!” - -Marion knikte lachend: - -„Ja, kindje, ik begreep je wel! O! er zijn nog een massa die zoo -redeneeren en mij erg beklagen of me verdenken van een slechte moeder -te zijn of het mijn man kwalijk nemen dat hij mij mijn gang laat gaan! -Maar ik lach ze tegenwoordig gewoon uit, du haut de ma grandeur de -femme heureuse! En ik zal je es gauw even zeggen hoe het eigenlijk er -mee zit. Zie je, als jonge dames trouwen hebben zij het gewoonlijk het -eerste jaar zoo druk met haar huishouden dat ze nergens meer tijd voor -vinden kunnen; dan komt er een kindje met al zijn zorgen, en dan wordt -de drukte, die al zoo vreeselijk was, nog grooter en daarna komt een -tweede en een derde, tot soms een negende en tiende en het vrouwtje, -dat het het eerste jaar zoo overstelpend druk had, heeft dan toch nog -tijd genoeg, ofschoon haar bediening en haar middelen dikwijls naar -verhouding maar weinig zijn toegenomen, om met de tiende baby te -spelen. Dat is het heele raadsel, zie je, het komt er maar op aan hoe -je je inricht, met wat oefening en orde kan de éen in een uur afdoen, -waar de ander den heelen dag mee zoek brengt, en ik ken vrouwen met -groote gezinnen die overal belangstelling voor hebben en allerlei doen -en toch de ziel zijn van haar familie en vrouwen met een of twee -kinderen, die nergens tijd voor hebben en door haar drukte niet eens -gezelligheid aan de haren geven. Zoo is het met geld verdienen ook. Ken -je Jeanne Goedbrandt?” - -„Die fotograaf?” - -„Ja, juist. Toen ze trouwde hadden zij en haar man, die zeeofficier -was, geen van beiden een cent, en hij ging maar op en neer naar de Oost -om toch maar te verdienen, en Jeanne bleef achter met telkens een -kindje meer en zij wisten nauwelijks hoe rond te komen. Toen zei ik -dikwijls tegen haar: Zet een fotografisch atelier op, want voor haar -huwelijk fotografeerde ze prachtig. En ik zei tegen haar: maak je -specialiteit van kinderfoto’s, je bent moeder en artiste, je weet hoe -en wanneer kinderen er het aardigst uitzien, en je kunt er goed mee -omgaan! Je zult zien dat je het druk krijgt! Maar dan keek ze -verontwaardigd. Een goeie moeder, vond ze, moest zich uitsluitend met -haar huishouden bezig hoûen. - -Maar toen stierf haar man ineens in Indië, en natuurlijk, een klein -pensioen en vier jongens .... ze wist geen raad. Toen zette ze een -atelier op en het ging best. Je weet, het is een rage tegenwoordig, -alle babies komen bij haar en verleden, in het schemeruur, toen ik even -aankwam, vond ik haar met de vier jongens bijna op schoot, aan wie ze -sprookjes zat te vertellen. Toen kon ik toch niet nalaten om haar even -te vragen of ze nu geen goeie moeder meer was, nou ze geld voor haar -troepje verdiende.” - -„En wat zei ze?” - -„Ze zei met tranen in de oogen: Ik wou dat ik het gedaan had toen Henri -nog leefde, dan had ie niet zoo akelig zuinig aan boord hoeven te -zijn!” - -Een oogenblik zwegen beiden. - -Mevrouw Noorman zat nog op het pianokrukje, en een van haar kleine -gespierde handen voer telkens met een beweging van gewoonte door het -blonde kort afgeknipte voorhaar, dat als een wazig gouden krans om haar -slapen opstond en aardig deed bij het ronde rose gezichtje en de groote -blauwe kinderoogen. Zij zag er nog zoo jong uit, bijna als een -schoolmeisje en toch had ze heel wat te tobben gehad. Maar iets van een -vogel was in haar, en veel desillusie en zorg en pijnlijke momenten had -ze weggezongen tot er vrede kwam. En nu de laatste jaren was ze zoo -gelukkig: overal gevierd, haar huwelijk zoo mooi, en haar kinderen zoo -lief! - -„O!” zei ze in eens met het meisjesachtige enthousiasme, dat zoo -bekoorlijk in haar was. „Je weet niet hoe heerlijk het is om voor de -kinderen te werken. Als ik geen kinderen had, zou ik toch het zingen -niet kunnen laten, maar nou is het nog zooveel prettiger! Eigenlijk -verdient mijn man wel genoeg om net van rond te komen, maar ik verdien -de levensverzekering van de schatjes hiernaast. Wil je ze es zien?” - -En in een oogwenk, met een van haar lichte bewegingen stond ze bij de -tusschendeur, die de suites scheidde en lag geknield in een hoek van de -andere kamer waar de tweelingen speelden. - -„Kijk dit is Daisy!”—En vóór Isabelle haar had kunnen volgen, kwam ze -aandragen met het kindje.—„Is ze niet doddig? Kijk, net de fluweelen -oogen van mijn man, en dit is Nelly, die heeft van papa de gezellige -leelijke stoppelhaartjes. Zijn ze niet schattig met haar beidjes? Maar -Nel! Wat heb je met je schortje gedaan? Heb je je weer als een -schoorsteenvegertje gedragen?” - -En zij bukte zich en kuste het stralend zwarte gezichtje dat zich tot -haar ophief, de roode vochtige lipjes vooruit, glimmend als versch -geplukte kersjes, die in de modder gevallen zijn. - -„Zie je, Belle, bij haar geboorte hebben we dadelijk een -levensverzekering voor haar gesloten. Als zij twintig jaar zijn krijgen -zij beide vijfhonderd gulden jaarlijks, dat zal haar strijd om het -bestaan een beetje makkelijker maken, dan hij voor mij geweest is! Maar -daarvoor moet mama nou ook hard werken, nietwaar? Het is een heel ding -om elk kwartaal zoo’n som bijeen te hebben!” - -Zij zette het kindje neer, in eens met een moeë beweging, en een diepe -rimpel groefde zich tusschen de oogen, die haar ouder maakte. - -„O! soms kan ik er van rillen, dat die beide kleine kleuters ook eens -het groote gewoel zullen inmoeten! Maar wat zul je er aan doen? De -dochters van Marion Noorman zullen geen uitgaanpopjes worden, die op -een man zitten te wachten; ze moeten haar brood zelf verdienen. Maar -natuurlijk, ik weet heel goed, dat, als de enorme achterhoede van -nietsdoende vrouwen zich nu ook in ’t strijdperk gaat storten, de druk -en de angst van de tijden hoe langer hoe ontzettender zullen worden. -Maar het kan niet anders, wij zijn nu eenmaal op dit oogenblik allen in -een nauwe bergpas vol dik doornig kreupelhout en we moeten er door, -vóór we aan het strand komen, waar ruimte is voor ons allemaal. En hoe -meer er zich nu maar in den bergpas dringen, hoe benauwder het er wel -worden zal, maar ook hoe eerder het kreupelhout zal zijn platgetreden. -En we zullen onze meisjes flinke stokken en messen meegeven en haar er -voorzichtig en knap mee leeren omgaan om de lianen door te snijden en -de in elkaar vergroeide takken te breken en toch zoo min mogelijk haar -buren te verwonden! Dat is het eenige wat ons ouders van de twintigste -eeuw te doen staat.”—Toen lachte zij weer, haar jongen lach, die een -Fransch violist den vorigen winter op een concert had laten zeggen: -„Quelle adorable gamine.”—„We zullen in elk geval ons best doen en er -maar niet over gaan zitten treuren, nietwaar, kleine Nel? En nou eerst -es gauw even je vuile koppetje gaan wasschen, want dat weet je, de -eenige manier om flinke dappere vrouwen te worden is om reine -gezichtjes te hebben!” - -„Maar Marion, als je op reis bent?” .... drong Isabelle aan. Zij had -Marion’s huishoudentje, dat zij altijd keurig en gezellig vond, zoo -dikwijls moeten verdedigen tegen haar moeder en andere dames, die -plechtig en onvoorwaardelijk verzekerden dat een getrouwde vrouw niets -doen kan of mag dan haar huishouden, en ze wilde vandaag nu toch -probeeren om er eindelijk eens precies achter te komen hoe Marion het -had ingericht. „Als je weg bent om te zingen, wat doe je dan met de -kinderen? Wie zorgt er dan voor?” - -„Heb je nooit van mevrouw Ermering gehoord?” - -„Nee, wie is dat?” - -„Dat is ’n weduwe zonder kinderen, maar ’n geboren moeder! Ze woont in -de Hugo de Grootstraat, in ’n aardig huisje met ’n flinken tuin, en ’t -is daar de ideale crèche, zooals de toekomstmoeders, die werken moeten, -ze zullen wenschen. Met ons zevenen zijn wij bij haar geabonneerd, en -als ik nou uit de stad moet gaan zingen of Jeanne Goedbrandt heeft het -’n paar dagen erg druk op haar atelier, of Mevrouw Verzen heeft haar -migraine, of mevrouw Schallen, die voor Arbeid Adelt werkt, heeft ’n -groote bestelling, of mevrouw Bromer, wier man zoo ziek is, kan geen -leven in huis velen, of mevrouw van Asberk, die inspectrice is bij ’n -levensverzekeringmaatschappij, moet voor zaken op reis, dan zenden we -allemaal onze kinderen zoolang bij mevrouw Ermering. En je weet niet -hoe heerlijk ze het daar hebben. Het spaart ons allen een onbetrouwbare -kindermeid uit, die onmogelijk iets van opvoedkunde kan weten, en ze -worden er uitstekend, o! weet je, uitstekend verzorgd! Sommige kinderen -hebben het er moreel en physiek zelfs heel wat beter dan thuis, zooals -bijvoorbeeld die van mevrouw Verzen, met haar eeuwige zenuwgetob of van -mevrouw Prinsen, die veel meer van pret en uitgaan dan van kinderen -houdt. Bij zulke moeders komt er gewoonlijk niet veel terecht van de -arme schaapjes en het is dus ’n redding als ernstige lieve vrouwen als -mevrouw Ermering zich over hun lot ontfermen. - -Zie je, dat is ook iets wat de meeste menschen totaal vergeten, als ze -zoo door dik en door dun beweren dat de getrouwde vrouw zich maar -uitsluitend met haar gezin mag bezighouden, dat er heel wat moeders -zijn, die geen sprankje aanleg of lust voor waarachtig opvoeden hebben -en dat het daarom dikwijls voor de jonge generatie zelf een zegen zal -wezen als zij onder de zorgen komt van vreemden die wèl de gave van -opvoeding kennen. Ieder die gelooft aan de toekomst van de menschheid, -moet vinden dat de vorming van het jonge, wordende geslacht de -allerhoogste taak is, maar wat ’n absurditeit, om te meenen dat elke -vrouw, die kinderen heeft gebaard, hoe zij ook verder moge zijn, in -staat is tot dat allerhoogste werk. Opvoeden sluit alles in zich! geen -arbeid die zooveel liefde, intelligentie, zelfverloochening, geduld, -zelfbeheersching, rechtvaardigheidsgevoel en teeder intuïtief raden van -het diepe geheim der klein menschenziel vordert! En je begrijpt wel, -dit alles in een vrouw te veronderstellen, eenvoudig omdat zij een kind -heeft ter wereld gebracht, is onzin, terwijl massa’s ongetrouwde of -kinderlooze vrouwen geboren opvoedsters kunnen zijn.” - -„Maar Marion, geloof je nou heusch, dat ’t een ideaal toestand zou -worden als alle getrouwde vrouwen geld gingen verdienen?” - -Marion dacht een oogenblik ingespannen na, toen lachte ze: - -„Dat is ’n heel moeielijke vraag, hoor! Maar we zijn er heusch nog lang -niet aan toe om nu es dood op ons gemak te kunnen gaan vragen wat nou -eigenlijk wel ’n ideaal toestand zou zijn. Zoover is onze maatschappij -helaas nog niet! Maar dit is zeker, dat, ideaal of niet, waar geen geld -en wèl liefde is, de getrouwde vrouw hoe langer hoe meer tot loonarbeid -zal moeten en willen komen! Wie zal kunnen profeteeren in deze -overgangstijden, waarin alles duidt op groote economische verandering, -wat nu wel het ideaal zal zijn in de verre toekomst? De geslachten, die -na ons zullen komen, zullen op hun beurt ook aan de oplossing van dat -raadsel moeten werken! Maar, zooals op dit oogenblik de toestanden zijn -ben ik overtuigd dat het mee in het huishouden verdienen der getrouwde -vrouw ons nader zal brengen tot drie betrekkelijke ideaaltjes die zeker -niet gering zijn te tellen. - -Ten eerste: De mogelijkheid van een huwelijk tusschen twee jongelui, -die elkaar echt liefhebben, maar geen van beiden iets bezitten en -waarvan de man niet genoeg kan verdienen, om welke reden ook, om een -gezin te onderhouden. Ik ken er verscheiden zoo, die heel hun mooie -jonge leven in hopeloos wachten verliezen, hunkerend naar ’n -aanstellinkje of ’n promotietje dat maar niet komt, terwijl de vrouw, -als zij een deel van het geldverdienen voor het gezin op zich kon en -wilde nemen, een einde zou maken aan dien ellendigen toestand. In de -boerenstand wordt nu de werkkracht en kundigheid van de vrouw wel -degelijk als kapitaal beschouwd, dat zelfde zou dan ook geschieden in -de burgerstanden en het onbemiddelde, knappe, energieke meisje zou haar -kansen op een liefde-huwelijk daardoor sterk zien vermeerderen, haar -betaalde arbeid zou in de plaats komen van een bruidschat. - -Ten tweede, als de man komt te sterven, die het gezin onderhoudt en de -vrouw blijft met een troepje kinderen achter—en dat zijn van die -gevallen die je dagelijks ziet gebeuren—wat ’n zegen dan, als zij -geschikt en al gewend is om in de noodige behoeften te voorzien! - -Ten derde, de algemeene positie der vrouw zou er beter door worden, en -ik zal je zeggen waarom. De ongetrouwde vrouw zou haar werk beter, met -meer bezieling doen, wanneer zij niet dacht dat het maar een tijdelijke -bezigheid was, die moest worden opgegeven zoodra er zich ’n huwelijk -voordeed, en door beter werk te leveren zou zij krachtig meewerken tot -snellere vervulling van den dringenden eisch van gelijk loon voor man -en vrouw. Begrijp je dat logische verband? En dan, nu bestaat nog de -schandelijke wet dat de man recht heeft op het door de vrouw verdiende -geld. Maar het spreekt van zelf dat die al heel gauw zou worden -veranderd als de verdienende vrouw niet langer meer zeggen wou voor het -begrip van de regeeringsmannen: ’n troepje havelooze -fabrieksarbeidsters en wat afgesloofde schoonmaaksters en naaistertjes, -maar hun eigen zusters en dochters en pleegkinderen! Ten slotte is er -nog dit: Nu wordt in veel huishoudens de vrouw nog beschouwd en -behandeld als de onderhoudene, die dankbaar moet zijn voor elken -gulden, die zij voor eigen genoegen mag uitgeven, en die zich voor een -tientje soms zelfs vernederen moet tot vleierij en onware -liefkoozingen. Weet je niet die ontelbare grappen in de spotbladen? -Over vrouwen die bij haar man intrigeeren om een nieuwen hoed? O zie -je, menschen die daarom kunnen lachen, moeten wel akelig weinig hebben -nagedacht! Ik vind tenminste niets komieks in zulke verhoudingen, -alleen heb ik minachtend medelijden met mannen, die hun vrouw in zoo’n -afhankelijkheid willen houden en met vrouwen, die zoo’n afhankelijkheid -dulden! Want in zulke gezinnen is de vrouw een wezen dat nergens recht -op heeft, dat kost en inwoning en kleeding ontvangt, maar daarvoor zich -dan ook te schikken heeft naar den wil van den meester en buiten zijn -goedvinden niets mag besteden voor dingen waar zij zelf verlangen naar -of sympathie voor heeft. - -Weet je, Belle, ik heb zes zusters, die allemaal in conditie zijn, en -mij allen haar confidenties doen, en ik verzeker je dat ik zelfs in de -rijkste families vrouwen weet, die nog over geen twintig gulden -jaarlijks naar hartelust kunnen beschikken! O! het klinkt heel aardig: -de man verdient het geld, en de vrouw verzorgt het gezin, ieder blijve -in zijn werkkring. Maar feitelijk—en ook de wet gaat uit van dat -beginsel—is de toestand in heel veel gevallen zoo: de vrouw die een -gezin wil stichten, moet zich op genade of ongenade overgeven aan den -man, die haar en haar kinderen zal onderhouden, maar dan ook alle -rechten op hen heeft, en van wiens meerdere of mindere edelmoedigheid, -in een woord van wiens bloote goeddunken het zal afhangen of zij over -middelen zal mogen beschikken of om elk kwartje zal moeten vragen! - -En dat is nou juist wat allemaal anders zal worden als de vrouw -productieven, betaalden arbeid gaat verrichten! De vrouw, die met -cijfers kan aantoonen dat haar arbeid tot de welvaart van het gezin -bijdraagt, zal een heel andere positie innemen dan zij, die nu alleen -maar met woorden kan verklaren,—die, och arme, dikwijls niet geloofd -worden,—dat zij zoo zuinig mogelijk is, en zooveel mogelijk uitspaart. -De vrouw, die haar eigen geld verdient, zal zich onafhankelijker -voelen, en fierder, en dus niet meer berusten in een afhankelijkheid -die nu heel dikwijls een gevaar is voor het geluk en de waardigheid van -het huwelijk. Betaalde arbeid van de vrouw zal meewerken om de -verhouding der echtgenooten zuiverder en mooier te maken en daardoor de -geheele menschheid ten goede komen, en daarom, zooals je ziet, vind ik -het op dit oogenblik dus economisch wèl degelijk een ideaal dat de -getrouwde vrouw loonarbeid doet. En wat de materieele kant van het -vraagstuk betreft, deze is natuurlijk hoe langer hoe makkelijker op te -lossen. Zij die schermen met: „de vrouw moet zich uitsluitend bij het -huishouden hoûen,” vergeten dat onze grootmoeders, die zij tot -voorbeeld nemen, met diepe minachting op het huishouden van -tegenwoordig zouden neerzien. Je moet zoo’n aardig oud receptenboek -maar es zien met de grappige spelfouten en wijze practische -raadgevingen om te begrijpen wat het „huishouden” vroeger beteekende. -Onze voormoeders sponnen zelf haar linnen, naaiden zelf al haar -kleeren, nog wel zonder machine, breiden al de kousen voor de familie -zelf, maakten zelf vruchten en groenten in, bereidden zelf haar -huismiddeltjes, maakten zelf haar slacht, deden zelf haar wasch, bakten -zelf haar brood en taartjes en lekkernijen, hadden voor haar zieken -geen hulp van uitstekende ziekenhuizen en gediplomeerde verpleegsters, -kenden geen fröbelbewaarscholen en geen gas en geen waterleiding! Wat -is betrekkelijk weinig overgebleven van al dat enorm veel omvattende -huishoudwerk! Zelfs de conservatiefste vrouwen en de weinig -gefortuneerden laten haast alles buitenshuis doen, en de tijdstroom -gaat op dit oogenblik heelemaal dien kant uit. Door nieuwe -machinerieën, die nog dagelijks worden uitgevonden, door coöperatie en -betere arbeidsverdeeling zal er hoe langer hoe minder van dat werk -overblijven, en als men ziet hoeveel tijd nu al de getrouwde vrouwen -kunnen missen, zoodra het op amusement aankomt, voor menschen zien, -visites maken, noodelooze handwerken, en de eeuwige boodschappen, dan -kun je logisch aannemen dat zij in de toekomst ook wel tijd voor -productieven arbeid zullen kunnen vinden, wanneer dat noodig blijkt te -zijn!” - -„Maar de gezelligheid, Marion, de gezelligheid van ’t gezin zal er zoo -onder lijden!” - -„Dat geloof ik niet!” zeide Marion overtuigd. „Natuurlijk in deze -overgangstijden, zoolang de korte werkdag nog niet is ingevoerd, zal de -vrouw die loonarbeid doet, in sommige betrekkingen wel es te kort -moeten schieten in haar plichten van volmaakte huisvrouw, maar ik -verzeker je, het is niet mogelijk dat zij ooit verder van het -waarachtige huismoederideaal zal afstaan dan het grootste gedeelte der -tegenwoordige vrouwtjes, die niets doen dan zoogenaamd voor haar -huishouden leven! O! ik spreek nog niet eens van de wufte vrouwen, die -opgaan in visites en partijen, maar van degenen die ’t heusch nog goed -meenen. Wil je wel gelooven, dat ik er een massa ken, met toch -betrekkelijk maar kleine gezinnen, die zoo opgaan in materieele zorgen, -dat zij op ’t laatst in ontwikkeling geen haar beter zijn dan de eerste -de beste dienstbode? Ik ken er die uren lang over ’t vermaken van -kleeren enz. enz. met haar kennissen zitten te .... kletsen, en zich -zelf erg goed en degelijk vinden, maar van gezondheidsleer en -voedingswaarde en pedagogie en kinderzielkunde en al zulke dingen meer, -zelfs geen flauw besef hebben. Ja, heusch, ik ken er zelfs, die er ’n -eer in stellen dat ze nooit lezen en geen belang stellen in wat ook -buiten haar kringetje en zelfs geen vermoeden hebben hoe bekrompen duf -daardoor de atmosfeer van haar huiskamer wordt! En dan later, als de -kinderen groot zijn, zie je overal het wreede verschijnsel, dat zulke -moeders, die toch dikwijls ter goeder trouw zich hebben afgesloofd, als -vreemden staan buiten den gedachtenkring der kinderen, niet in staat om -nieuwe vraagstukken, die de jonge harten in ontroering brengen, de -Sturm und Drang, die in hen bruischt, te begrijpen en te deelen. „Och -ma? ma is zoo ouderwetsch, met ma kun je nooit es over zoo iets praten, -ma is een goed mensch maar ze is zoo heelemaal niet met haar tijd -meegegaan!” Dat hoor je tegenwoordig aan alle kanten schouderophalend -zeggen, en ’t is wreed voor zulke moeders, na een leven van goed -bedoelde toewijding, als de materieele zorgen zijn afgeloopen, -eigenlijk niets meer in het leven van haar kinderen te beteekenen. Maar -waarom hebben zij er dan toch ook nooit eens aan gedacht, dat het -honderd maal gelukkiger is voor een kind, een ontwikkelde moeder te -hebben, die ernstig belang heeft gesteld in de levensvraagstukken van -haar tijd, zoodat zij later een vriendin voor haar kinderen kan zijn en -ze leiden kan met haar meerdere ervaring door het labyrinth der -nieuwere gedachten, dan een moeder die dag op dag kasten heeft -opgeruimd of verstelwerk heeft gedaan. - -O! niet dat ik verstellen minacht, hoor!”—lachend wees zij op tafel -naar haar keurige naaidoosje en een stapeltje kinderkleertjes -daarnaast—„maar ik zou, als het moest, de kleintjes nog liever met -kapotte kousen laten loopen, en nog liever geef ik ze grove eenvoudige -kleertjes, die weinig onderhoud eischen en laat ik er nou ’n arm -vrouwtje wat aan verdienen—nu ik zelf verdien, kan ik ook eerder wat -gehuurde hulp betalen, nietwaar?—dan zoo’n moeder te worden wier -kinderen geestelijke weezen zijn! Met mijn zangstudies en lessen heb ik -natuurlijk zoo heel veel tijd niet over, maar ik stel tenminste overal -belang in! en een paar noodige bezoeken en -avondjes-waar-je-heusch-niet-af-kan, laat ik tenminste meestal in den -steek om es iets moois te lezen, geen nieuw romannetje, bedoel ik, maar -iets goeds, dat mijn gedachtenkring een beetje kan verruimen.” - -Ademloos had Bella toegehoord. Ze vond er een prikkelend genot in, om -dit alles, dat ze zoo dikwijls vaag had beseft, zoo duidelijk, als iets -heel gewoons te hooren zeggen. En zij voelde dat het waar was! Bij -zichzelf en verscheiden vriendinnetjes had ze het immers gezien, hoe -moeders, die het toch o! zoo goed meenen, een belemmering kunnen zijn -door haar bekrompen denkbeelden en hoe weinig waarachtige gezelligheid -er soms in de nabijheid van zulke vrouwen is. - -„Maar Marion. Ik wou je toch nog even iets vragen.” - -„En dat is?” - -„Geloof je toch niet dat de kleine kinderen er onder zullen lijden, als -de moeders ze vroeg aan vreemden moeten overgeven om weer te gaan -verdienen?” - -Marion schudde het hoofd: - -„Als de vreemde hulp goed is, kan het geen kwaad dat het kindje er al -vroeg een gedeelte van den dag aan wordt toevertrouwd, en je begrijpt, -ontwikkelde vrouwen, die ’t leven ernstig hebben leeren inzien, zullen -op dat punt van hulp, heel wat strenger, consciëntieuzer zijn, dan de -meeste tegenwoordige vrouwtjes, die toch z.g. uitsluitend leven voor -haar hooggeprezen huishouden, maar minnen, kindermeiden en bonnes -nemen, waar ik mijn kleine prulletjes voor geen millioen aan zou -toevertrouwen! Overigens, wij gaan in de economische toestanden zulke -groote veranderingen tegemoet, dat er volstrekt nog niet te voorspellen -valt hoe precies de toekomstvrouw haar loonarbeid met haar -moederplichten zal combineeren. Sommige staathuishoudkundigen zeggen -dat men eenmaal tot de erkenning zal komen, dat nieuwe levens aan de -wereld schenken en die opvoeden zulk een bij uitnemendheid gewichtig en -nuttig werk voor de gemeenschap is, dat het niet langer aangaat de -vrouw die die prachtige taak volbrengt, materieel absoluut afhankelijk -te laten van den een of anderen man, die heel onvoldoende, slecht zelfs -voor haar onderhoud zorgen kan. Men zal dan inzien, dat het onbillijk -zou zijn om in die uiterst belangrijke periode van haar leven ook nog -anderen arbeid van de vrouw te eischen, en zoo doende zou men er -volgens hen, van zelf toe komen om op kosten van den staat, als je -liever wilt van de gemeenschap, de vrouw te onderhouden, gedurende die -jaren dat zij jonge kinderen heeft te verzorgen. Bij een niet al te -groot gezin zou dat betrekkelijk maar een kort tijdperk hoeven te zijn, -en op die wijze zou zij zich onafhankelijk en onbezorgd aan haar -grooten arbeid kunnen wijden. Anderen daarentegen gelooven niet dat het -zoo zal gaan, maar dat bij een algemeen korten arbeidsdag, geholpen -door uitstekend ingerichte Fröbeltuinen en volmaakte crèches de vrouw -zal kunnen voortgaan in haar betrekking, ook in den tijd dat zij kleine -kinderen heeft, alleen nu en dan een groot verlof nemend, dat aan -mannen nu toch ook dikwijls om gezondheidsredenen wordt toegestaan. -Enfin, hoe zich dat alles schikken zal, moeten we afwachten, men kan er -nu nog onmogelijk met eenige zekerheid profetieën over verkondigen, en -ieder moet nog maar voor zich zelf individueel trachten een oplossing -te vinden voor dit moeielijk probleem. Alleen dit is zeker, we gaan -onherroepelijk die richting uit, dat de vrouw zich niet langer door den -man zal laten onderhouden maar haar eigen brood zal willen en moeten -verdienen! Gelukkig echter worden zulke nieuwe toestanden niet -theoretisch door den een of ander uitgedacht, en op een goeden dag -ingevoerd. Langzaam groeien zij op uit het verlangen en de behoeften -van velen, zoodat de vrouwen zelf, voorgelicht door haar moederlijk -instinct, veel zullen kunnen doen, zoodra zij in de regeeringszaken -mede stem hebben gekregen, om de omstandigheden zoo gunstig mogelijk te -maken om, zoo als ik, èn moeder èn arbeidster tegelijk te kunnen zijn.” - -Isabelle zag peinzend, nog niet volkomen voldaan: - -„Ja .... maar .... ken je de ouwe mevrouw Planting, die zoo tegen de -emancipatie ijvert? Zij zegt altijd: de kinderen zullen te kort komen -als de getrouwde vrouw gaat verdienen, omdat zij dan die eigenaardig -weldadige koestering zullen missen, die de moeder alleen kan geven. Of -geloof je daar niet aan?” - -„Ja zeker wel!” zeide Marion warm. „Tenminste bij veel moeders, ook -volstrekt weer niet bij allen. Generaliseeren is altijd zoo verkeerd! -Maar ik ben overtuigd dat de weldadige inwerking van dien liefdegloed -die van de moeder uitgaat, niet zoozeer afhangt van de quantiteit als -van de qualiteit der uren, die de vrouw aan haar kinderen wijdt. Ik -weet bijvoorbeeld, verscheiden dames die zich zelf houden voor -toonbeelden van moederlijkheid, maar die, òf door haar mondaine -plichtjes, òf door haar gesloof en gedraaf—en goeie Hemel, wat -vergrooten ze haar drukte dikwijls nog door allerlei vooroordeelen en -onpractische omslachtigheden—zoo moe zijn ’s avonds, dat, als de -kinderen uit school komen, ze niets hooren dan: „Wees toch stil jongen, -kinderen wat maak je ’n leven! Wat ben je toch lastig, zus!” En zoo -gaat het voort! De kinderen worden afgesnauwd of stilgehoûen en in hun -scherp kritische oogjes verliest het moederbeeld veel van zijn -stralenkrans. Terwijl ik bijvoorbeeld, die ze toch het grootste -gedeelte van den dag niet zie, altijd weer even verrukt en verkwikt ben -als ik de kleine vrouwtjes weer bij me heb. Het is voor ons altijd -opnieuw een feest, als we samen zijn, niet waar, Daisy? en ik durf -gerust voorspellen dat mijn invloed op de kinderen, het gevoel van mijn -liefde, sterker bij hun zal zijn dan dat heel dikwijls het geval is in -gezinnen waar de vrouw den heelen dag in haar huishouden bezig is. En -waarom ook niet? Vaders, die maar enkele uren aan hun kinderen kunnen -wijden, hebben toch immers ook wel eens méer invloed op hen, dan de -moeders die voortdurend bij hen zijn! - -Ziezoo, ben je nou voldaan, nieuwsgierig meisje? Je ziet wel, dat al -verdien ik voor ze mee, de roosjes niet minder mooi bloeien op de -koontjes van mijn kleine deugnieten!” - -En ineens, met een beweging van hartstochtelijke innigheid nam Marion -Noorman het kindje op en hield het op haar schoot, het knuffelend en -kneuterend en kussend in jubelende weelde, tot het het uitkraaide van -pret. - -„Maar Marion, wat vindt je man er van, vindt die ’t eigenlijk wel -goed?” - -Marion kleurde, en langs haar voorhoofd steeg op eens een warme gloed -van geluk, die haar oogen liet stralen: - -„Mijn man? O! die is erg trotsch op me, veel te trotsch, zie je, want -het beteekent immers niks! Alleen zou hij wel graag zelf iets meer -verdienen, dat ik niet zóóveel les behoefde te geven. Want het zingen -zou ik nooit laten; dat is nou eenmaal een talent, dat me is -toevertrouwd om er mee te woekeren, en dat ik dus niet begraven mag. De -schatjes zouden het mij later eerder verwijten, dan er mij dankbaar -voor zijn. Maar al die lessen, begrijp je, zijn wel wat vermoeiend soms -en die doe ik alleen voor de Levensverzekering. Maar ik zeg altijd -tegen René: Tob er nou toch niet over, man! Iedereen moet zich wel es -vermoeien! En ons leven, zooals het nu is, is immers zoo heerlijk, dat -je heusch niets meer verlangen kunt! Het volmaakte bestaat eenmaal -niet, en o! je weet niet hoe innig, innig gelukkig we zijn!” - -Zij haalde diep adem, alsof ze haar borst wilde uitzetten om zooveel -geluk te omvatten, en liet haar hoofd even rusten op Daisy blonde -bolletje. Toen liet het kind, dat al dien tijd Belle met nieuwsgierig -bestudeerende oogjes had opgenomen, zich op den grond glijden, en -dribbelde weg naar het hoekje in de andere kamer waar Nelly weer zat te -spelen. Marion zag haar na, met haar verrukten moederglimlach, maar -toen, de weelde-emotie, die in haar opzwol terugdringend, dwong ze zich -haar volle belangstelling weer naar Belle te voeren: - -„Foei, wat laat je me vandaag ’n boel over ons zelf praten. En ik heb -je nog niet eens m’n gewichtige voorstel gedaan.” - -„O ja, dat voorstel, is het zoo gewichtig?” - -„Ja zeker! Dus, je begrijpt, in December en Januari kan ik niet gaan -zingen, nietwaar? Maar nou ken ik nog al goed de directeuren van die -zangvereenigingen en sommige leden van het bestuur, en als ik hen nou -schreef dat ik niet kan komen, maar dat ik jou aanbeveel in mijn -plaats, geloof ik wel dat ze je zouden vragen ....” - -Isabelle werd heel bleek, haar gezicht éen passie van luisteren. - -„Mij?” zeide ze heesch. - -„Ja, ik denk dat het best zal gaan. Natuurlijk, je moet nog hard -studeeren deze maanden, en we zullen samen de partijen doornemen, maar -dan kun je het gerust doen. Ze zullen je ook wel niet de som geven, dat -spreekt van zelf, die ik zou hebben gekregen, maar dat is minder. Als -ze je maar laten komen en je ’n klein honorarium geven, is het al heel -veel!” - -„Ik weet niet of mama dat wel goed zal vinden! ....” - -„Wat? Dat je gaat zingen, of dat je geld aanneemt? Het laatste zou ik -haar maar niet eens vertellen. Als ouders heel lief zijn, maar in hun -opvattingen bekrompen ouderwetsch, verdienen ze dat men hun niet alles -zegt. Maar hoe vindt jij het voorstel?” - -„O! ik? ....” In eens gleed ze neer voor Marion, het hoofd verbergend -in haar schoot, en zachtjes snikkend nam ze haar hand en bedekte ze met -kussen. „Ik vind het zalig!” - -„Dan is het goed!” zeide de jonge vrouw, blij met den uitslag van haar -voorstel. „Maar nog hard studeeren hoor! Je bent wel ’n zangvogeltje -bij de gratie Gods, maar er moet toch nog hard gewerkt worden.” - -„Je weet wel dat ik niks liever doe!” zeide Bella hartstochtelijk, -opstaand met een beetje valsche schaamte om haar onstuimigheid. „O! -Marion, wat ben je toch vreeselijk goed voor me! ....” - -Maar Marion onttrok zich lachend aan een tweede scène van dankbaarheid, -die ze zag aankomen: - -„Dag, meisjelief! Ik ga gauw m’n vuilpoesje wasschen. Dag! Denk aan -dien triller, hoor!” - -En met de hand even wuivend, liep ze snel de kamer uit met Nelly in -haar armen. - - - - - - - - - -Isabelle kwam hollend de trappen van Marion’s bovenhuisje af. Zij -merkte vandaag niet eens dat zij nauw en steil waren, ze vloog naar -beneden en toen de straat over, in gespannen verlangen om thuis te zijn -en van de Columbusstraat naar huis, naar de van Speykstraat was een -heel eind loopen. De zon brandde warm in de straten, maar de eerste -oogenblikken vond ze het weldadig; ze rilde koud van opwinding. - -„O! Maatje, ik moet u even omhelzen! Ik heb u toch zoo iets -verrukkelijks te vertellen! Nee, legt u nou even die pen neer. Ik moet -het u dadelijk zeggen!” - -Mevrouw Pankaert glimlachte flauw, meer verbaasd dan meegesleept door -de ongewone vroolijkheid: - -„Wat ben je toch nog ’n kind, Belle, om zoo te komen binnenvliegen! -Kijk, je hebt m’n lijstje laten vallen. Wat is er nou toch eigenlijk?” - -Zij had juist haar kleine trommeltje met effecten nagezien en de -coupons geknipt, en nu zat ze met een stapeltje rekeningen vóór zich, -waarvan er verscheiden dringend moesten worden afgedaan. Maar de vraag, -welke nog wat konden wachten, en welke nu het eerst absoluut moesten -worden betaald, eischte een subtiliteit van overwegen, een toepassing -van menschenkennis, waarvan niemand begrip heeft, die geen fatsoenlijke -armoede heeft gekend. Het maakte haar altijd zenuwachtig en Belle’s -hijgend binnenstormen werkte prikkelend op haar humeur. - -„O! ik wist niet, dat u bezig was! Nee, dan zal ik het straks wel -vertellen!” - -Belle voelde dat het ’t verkeerde oogenblik was geweest en ging stil de -kamer uit. Maar de bitterheid van het zich eenzaam voelen door -ongedeelde vreugde zwol op in haar keel onder het trapopgaan. - -En boven, in haar kamertje ook was het in eens of de geluksstemming van -straks was weggezonken. Dat kleine momentje van gekrenkte teederheid -had in eens de vreugdevuren gedoofd. Ze was ook zoo akelig -fijngevoelig! Corona had gezegd: dat was een gave, en zooals alle gaven -kon men haar goed of slecht gebruiken. Precies door haar te raden wat -anderen kon kwetsen of troosten, was haar goed gebruiken, door haar -zich te verdiepen in elken kleinen pijnlijken indruk die men ontvangen -heeft, was misbruik van haar maken. Maar het was moeielijk om zich -juist aan die grenzen te houden! En o! straks was het zoo heerlijk -geweest! Toen ze naar huis ging was het alsof ze door wolken van geluk -werd gedragen. Te zullen zingen in een groote zaal met achter zich -violen en cellos, die haar stem in hun zwevende klankenvlucht zouden -opnemen en hoog wegdragen, ver over de hoofden van honderden menschen, -wat een droom! Ze had straks het sprookjesachtige gevoel gehad van het -onbereikbare te hebben gegrepen! - -Maar nu, na mama’s stroeven glimlach was alles in eens heel anders. Zij -moest denken aan haar toilet, ’n heel nieuw en kostbaar misschien, waar -al het geld, dat ze verdienen zou, wel aan weg kon gaan. En wat zou ze -aantrekken? Niets stond haar toch eigenlijk goed! En met akeligen angst -dacht ze er aan hoe honderden oogen haar zouden aanzien en zich -teleurgesteld zouden afwenden, omdat zij zoo leelijk was. Maar -misschien, als ze nu eens goed gekleed en gekapt was? .... Marion vond -toch ook dat ze den laatsten tijd, nou ze zooveel gezonder werd, er -beter begon uit te zien. En als ze dan maar zóó mooi zong dat de -menschen vergaten naar haar te kijken en alleen luisterden .... - -En toen, ineens, dacht ze weer aan dien triller op de hooge b, op het -eind van dien langen zin, waar nergens adem mocht worden gehaald. -Straks bij Marion ging ie goed, maar zou ze hem nou ook nog kennen? Ze -vloog de trap af, naar de eerste verdieping, waar de piano stond, -gejaagd door het idée fixe van dien triller. ’t Was haast als een -bijgeloof dat alles er van af zou hangen of hij nou goed ging of niet. -En ja, het ging, alleen de naslag kwam er nog ’n beetje benauwd uit, -maar den tweeden keer ging het beter en toen begon ze de heele aria van -begin afaan met intense aandacht te studeeren. - -„Belle, Belle, hoor je niet?” - -„Ja, ma, wat is er nou weer?” Ongeduldig, buiten zichzelf om de -storing, die al haar zenuwen liet trillen, gilde ze terug. - -„Belle!” riep mevrouw Pankaert weer, heel hoog nu, schel slepend op de -eerste lettergreep, want ze had het antwoord niet gehoord. - -„Ja, ma, wat blieft u toch?” - -„Daar is net ’n briefkaart van Charly dat ie vanmiddag thuis komt. Toe, -kun jij nou nog niet es gauw dat poddinkje à la Reine maken, waar ie -zooveel van houdt?” - -„Och, ma, dat is zoo’n werk, kunnen we dat morgen niet doen? ’t is al -zoo laat en ik studeer juist zoo heerlijk. Laten we vandaag maar wat -flensjes geven, daar houdt ie toch ook van.” - -„Och, altijd met die bezwaren! Morgen is ie misschien weer uit eten, -met z’n vrienden. Kom doe het nou maar gauw!” - -Met een zwaren zucht sloot Isabelle de piano. Zoo was het nou altijd! -Altijd werd ze gestoord, en van haar werk geroepen, dan voor het een en -dan voor het ander! Als Charles naar zijn kamer ging, al was het maar -met ’n romannetje, en tegen mama zei dat ie ging werken, was zelfs de -wasch wel es blijven staan om hem door het stommelen op zolder niet te -storen, maar zij moest altijd maar klaar staan voor alles. Charles -sprak dikwijls met minachting over dameszenuwen, maar hij mocht wel es -bedenken, wat er voortdurend van die zoogenaamd zwakkere vrouwenzenuwen -gevergd werd, dat aan den man gespaard blijft. Waarom kon men haar -studies ook niet wat respekteeren? Zij had toch ook een ernstig doel. -Maar dat was het juist, men geloofde maar half aan haar doel. - -In opgewonden ergernis, met driftige bewegingen begon ze het eiwit te -kloppen. O! vroeger toen ze niets bepaalds uitvoerde, was het immers -heel goed geweest dat men haar voor alles gebruikte. Soms was het zelfs -’n welkome afleiding geweest en licht dat zij tenminste al die -kleinigheden deed in haar werkeloos bestaan! Maar tegenwoordig, nu ze -toch ook haar studie had! .... Enfin, Corona had het verleden immers -ook nog zoo goed gezegd: In de meeste families wordt het meisje nog -beschouwd door de broers, als een min of meer gewillig of amusant -slavinnetje, door de mamas als ’n hartelijk soort van juffrouw van -gezelschap en door de heele verdere familie als ’n factotum, over wie -men bij ziekte en schoonmaak en bruiloft gewoon beschikken kan. En -vroeger was dat ook natuurlijk, toen ongetrouwd blijven een -uitzondering was, en het meisje dus in de korte jaren vóór haar -huwelijk door al die dienstjes heel wat ervaring en handigheid leerde. -Maar tegenwoordig, nu de ongetrouwde vrouwen bij duizenden worden -geteld, is het akelig om te zien in hoe weinig gezinnen men zelfs nog -maar vermoedt dat een meisje evengoed als een jongen behoefte heeft aan -een eigen werkkring, en een eigen individualiteit heeft, met eischen en -rechten, welke gerespekteerd behooren te worden en met gewoonlijk nog -wel andere verlangens in haar hart dan om voor alle mogelijke -familiebelangetjes en familietroubles te worden gebruikt. - -Maar Isabelle, onder het bedenken van al die dingen, terwijl -zachtjesaan haar kloppen een rythme had gekregen, waaruit melodietjes -opwelden, die geneuried wilden worden, begon haar gewoon geduldige -stemming terug te vinden. - -Ze legde nu even de klopvork neer; haar rechterarm begon zoo’n pijn te -doen en ze wou het links toch es probeeren. Maar links was ze veel -minder handig. In eens, met een onwillekeurige krampbeweging, vloog de -vork over het bord en een lange witschuimende slier lag over de -keukentafel. - -„Guns, freule, wat zonde! Wil ik nou es kloppen? U ziet heelemaal -rood!” - -„Nee, dank je wel, Mijntje, ga jij nou maar gauw de slagroom halen, -anders kan ik straks niet voort. Die moet ook nog heelemaal geklopt -worden.” - -„Zal u dan effe op de bel letten? Maar gaat u toch bij ’t raam in den -tocht staan, anders krijgt u ’t nooit nie stijf. ’t Is toch al zoo heet -vandaag, en dan in dit benauwde keukentje! ....” - -Isabelle, vlak bij ’t raam, klopte voort: Ze was toch nog niet sterk na -de diphteritis van den winter, want vroeger werd ze er nooit zóo moe -van. Het zweet gudste neer langs heel haar lichaam, en zij zette de -tanden vast op elkaar om de pijnlijke spieren van haar schouderblad -beter tot hun werk te dwingen. - -Toen, zachtjes roepend, klonk het van beneden uit het tuintje: - -„Pst, Pst, Belle ....” - -Ze leunde het raam uit en lachte met veel knikjes op -schoolmeisjesmanier: - -„Dag Jettie! Wat is er?” - -„Wat doe je daar?” - -„Ik klop eiwit.” - -„’n Lekker werkje voor zoo’n heeten dag.” - -„Ja, dat geloof ik.” - -„Zal ik je es wat zeggen? Ze komt vandaag.” - -„Wie?” - -„Je vriendin, je afgod.” - -„Corona van Oven?” - -„Ja, ik ben gisteren bij haar geweest en heb haar m’n hart uitgestort, -en vanmiddag zou ze er met mama over komen spreken.” - -„Zal het helpen, denk je?” - -„Weet ik het? Maar als ze niet naar haar luisteren, is het hun eigen -schuld als ik gek word.” - -„Hê, Jettie, zeg toch zulke dingen niet.” - -„Nou, is ’t niet beleefd van me dat ik tenminste van te voren -waarschuw?” - -„Hoe kun je daar nou mee spotten, Jet?” - -„Ik spot niet, ik lach maar ’n beetje, omdat ik geen raad weet met -mezelf van angst. Moet je nog lang kloppen?” - -„Ja, natuurlijk, tot het stijf is.” - -„Wil ik je komen helpen? Toe ja, ik verveel me zoo vreeselijk!” - -„Moet je je lessen niet leeren?” - -„Hê Belle, wat zeur je toch. Ik krijg al hoofdpijn, als ik aan die -akelige boeken denk. Geloof je dat het me iets kan schelen hoe al die -bergen in Azië heeten? Toe, mag ik komen?” - -„Nou, heel graag dan, want m’n arm is nou al lam.” - -Het waren Indische menschen, die het benedenhuisje onder mevrouw -Pankaert bewoonden, dat wil zeggen, mijnheer de Snoek was lang in Indië -geweest en mevrouw had sterk het type van het gemengde bloed en had dat -weer aan haar vier meisjes gegeven. Jettie was de jongste en de mooiste -van de vier; ze had de groote bruine oogen van het land waar de zon -gloeit, maar ze was blanker dan de anderen en forscher gebouwd. - -Fluisterend en gichelend stonden de twee meisjes samen in het keukentje -en Jettie met haar lenige, bruine handjes klopte prachtig, terwijl -Belle de melk aan den kook bracht. - -„Vond Corona dat je gelijk had?” - -„Natuurlijk! Ik ben gisteren naar haar toe gegaan, en ik heb gezegd: -juffrouw .... wat zeg jij, juffrouw of dokter?” - -„Dokter natuurlijk.” - -„O! .... nou, ik heb juffrouw gezegd en ze scheen het toch niet kwalijk -te nemen, want ze was dadelijk heel vriendelijk, vooral toen ik zei, -dat ik op jouw raad kwam.” - -„Hoe aardig van haar, en wat heb je toen gezegd?” - -„Juffrouw,” heb ik gezegd, „het is bij ons een heele arme boel! En daar -heeft me nou onze goeie lieve beste papa zoo’n administratief baantje -opgescharreld, waar ie elken morgen door weer en wind heen moet gaan om -er voor ons nog maar wat bij te verdienen, ofschoon ie door z’n -leverkwaal, ziet u, dikwijls erg naar is? En later als ie dood is en we -verliezen z’n pensioen, zullen we ons verschrikkelijk moeten bekrimpen! -En weet u wat wij nou doen met ons vieren zusters, jonge gezonde -stevige meisjes? Niks! O! ik kan het niet langer aanzien. Is het niet -hemeltergend, dat die goeie ouwe man zich uitslooft en dat wij langs de -straat slenteren! O! we zitten niet met de handen over elkaar den -heelen dag, dat begrijpt u. Vooral Nonnie en Kate zijn heel handig en -maken haar japonnetjes zelf, maar ik vraag het u, wat is dat nou voor -werk voor volwassen meisjes, om zoowat toiletjes in elkaar te -flodderen. Ik ben de jongste, juffrouw, net zeventien en met kerstmis -zou ik van school afgaan, maar ik bedank er voor, om dan net als de -drie anderen te gaan doen, zoo’n beetje je tijd te verleuteren en kizze -bizzen, altijd maar op den zoek van ’n man, die zoo goed wil zijn om -ons te onderhoûen! Want dat doen ze, juffrouw, al worden ze woedend, -als je het tegen ze zegt, en wil ik u es wat zeggen? Als je dat ééns -hebt ingezien, dan lijkt de heele wereld je in eens ’n reusachtige -slavinnenmarkt, waar al de meisjes zonder geld zich te koop komen -aanbieden.” - -„En wat zei Corona?” - -„Ze schoot ineens in den lach en zei: „Gebruikt u altijd zulke sterke -uitdrukkingen?”” - -„Lachte ze je dan uit?” - -„Nee zeker niet! Want dadelijk daarop vroeg ze heel lief: „En wat wilt -u nu gaan doen?” En toen heb ik het haar alles heel eerlijk verteld: -dat natuurlijk het eenige wat voor meisjes van onzen stand openstaat -het onderwijs is of ziekenverpleging of juffrouw van gezelschap, maar -dat ik dat alle drie even afschuwelijk zou vinden. Voor de twee laatste -baantjes ben ik nou eenmaal volstrekt niet geschikt en als je bij het -onderwijs ’n beetje vooruit wilt komen, moet je ’n boel aktes hebben en -om daar jaren te gaan zitten blokken, lijkt me ’n gruwel! Ik heb niks -geen leerhoofd.” - -„En natuurlijk vond Corona dat je gelijk hadt, want ik weet dat ze ’t -heel verkeerd vindt als menschen, die er geen lust voor hebben, bij de -verpleging of het onderwijs gaan, en toen?” - -„O! toen vroeg ze of ik dan nergens anders lust in had, en toen heb ik -tegen haar gezegd: Juffrouw, zeg ik, ik ben dol, dol, dol op kleine -kinderen. Het verveelt en vermoeit me nooit om met ze te spelen. Ik ben -’n geboren kinderjuffrouw en dat zou ik ook willen worden! Maar mama -vindt het natuurlijk ver beneden m’n stand en ze worden thuis allemaal -boos als ik er over spreek. En weet je wat ze toen zei? O zie je, je -hebt gelijk, ’t is ’n schat van ’n mensch, en ze pakte zóo m’n hand -...” - -„O! Jettie, het ei, pas op dan toch!” gilde Isabelle in eens, want in -de opwinding van haar verhaal was de klopper stil gebleven en Jettie -hield de schotel met eiwit heel schuin. - -„Hê, wat ’n schrik! Als ik het had laten vallen, zou je me zeker het -raam hebben uitgegooid?” - -Belle lachte: - -„Nee, maar ik had geen raad geweten, we hebben geen éen ei meer in -huis, en ’t is toch al zoo’n dure pudding.” - -„Ja, ’t zit er aan bij jullie! Zulke lekkere schoteltjes!” - -„O! ’t is voor Charles. Mama vindt het zoo heerlijk om hem te -trakteeren. Dat is ook onze eenige luxe.” - -Zij bukte zich even, heel diep, over het pannetje met smeltende -gelatine, bang dat Jettie haar kleur had gezien en de bitterheid in -haar woorden had begrepen. - -„Nou hoor, als ik zoo’n broer had, die heel alleen voor z’n eigen -plezier leefde, zou ik hem niet zulke dure lekkere dingetjes -klaarmaken! Maar goddank dat ik er geen bezit, en ik heb er dus -misschien ook geen verstand van, hoe je zulke monsters moet -behandelen.” - -„Hê, Jettie, wat ben je weer aan den gang, kom vertel nou gauw verder.” - -„Wel, toen heeft ze zoo lief tegen me gesproken, engelachtig, zie je! -Kinderjuffrouw, zei ze, dat is ’n heel gewichtige, interessante -betrekking, als men er roeping voor heeft, en waar niemand op neer mag -zien! De indrukken van de eerste jeugd kunnen dikwijls ’n beslissenden -invloed op het heele leven hebben en hoe meer men nu in gaat zien, hoe -gewichtig daarom de vraag is, aan wie die eerste jaren zullen worden -toevertrouwd, hoe hooger men de werkkring van de kinderjuffrouw zal -gaan stellen. Ik ken hier een paar rijke vrouwtjes, die geen tijd en -lust hebben om zich veel met haar kinderen bezig te houden, maar wie ik -toch genoeg aan haar verstand heb gebracht, wat haar kleintjes toekomt, -dat zij met genoegen vijf, zes honderd gulden zouden geven, als ze een -echt superieure kinderjuffrouw konden vinden!—Stel je voor, Belle, -vijf, zes honderd gulden, zou het niet verrukkelijk zijn?—maar dan moet -je ook uitmunten in je werk! zei ze. Als dames zoogenaamd minder werk -gaan doen, moeten ze het baantje naar zich optrekken, er iets moois van -maken, en niet afdalen naar het lage peil waarop het nu staat! In -Engeland zijn tegenwoordig zelfs dames, die gewoon meid worden in -gezinnen, waar men er wat voor over heeft om werkelijk beschaafde, in -haar vak knappe vrouwen tot hulp der huismoeder te nemen. En dat vind -ik ’n groote stap vooruit. Want men beweert wel es, dat de dames geen -concurrentie moeten aandoen aan de volksmeisjes, maar dat is maar een -drogreden. Als de beschaafde vrouw, door haar werk, toont wat een goeie -dienstbode kan en moet zijn, verheft ze daardoor de betrekking, waar -zich nu elk onervaren slonzig volkskind goed genoeg voor vindt, en -daardoor worden de eischen hooger gesteld, hetgeen weer tengevolge -heeft dat men duidelijker de behoefte zal gaan beseffen aan -huishoudscholen en vakonderwijs voor dienstmeisjes en dat ook de loonen -zullen stijgen. Ik ken nu Engelsche meisjes van heel goeie familie die -in groote adelijke huizen keukenmeid en kamenier zijn en daar vrij wat -meer verdienen en meer vrijheid genieten dan onze arme juffrouwen van -gezelschap of verpleegsters tegen wil en dank! En zoo zou het met u ook -moeten zijn. Als het u ernst is, moet u bijvoorbeeld naar Dresden naar -een model Fröbelinrichting gaan of iets dergelijks, en grondig, niet -zoo’n beetje Fröbelspelletje leeren, maar diep u in de geniale -opvoedingsleer van Fröbel inwerken. En die studies zoûen u niet zwaar -vallen; dingen waar het hart in is, leert men gemakkelijk! En als u dan -’n model kinderjuffrouw bent geworden, kunt u op mij rekenen. Dan zal -ik wel zorgen dat u ’n betrekking krijgt, waar men u moreel en -finantieel te apprecieeren weet!” - -„En heeft ze toen beloofd om er met je mama over te komen spreken?” - -„Ja, en ze heeft me ook nog iets gegeven ....” Met ’n beweging van -dwepend bakvischje haalde Jettie een papiertje uit haar zak en kuste -het, kleurend en lachend. „Ik heb het wel honderd maal gelezen, sinds -gisteren, want het zegt precies wat ik altijd heb gevoeld, maar ik kon -het nooit goed uitdrukken.” - -Belle leunde verlangend over het geknuffelde stukje papier, terwijl zij -beiden bijna de podding vergaten: - -„Laat es zien!” - -„Kijk, het is iets uit ’n brief van mevrouw Carlyle, [9] je weet wel, -de vrouw van dien beroemden Engelschen schrijver. Ze was ’n vreeselijk -knap meisje, zegt Corona, vreeselijk geleerd, en ze had ’n prachtige -opvoeding gehad om ’n schitterende wereldvrouw te worden. Maar toen ze -met dien schrijver getrouwd was, ging ie met haar ergens buiten, heel -eenzaam wonen, omdat ie daar rustig werken kon. Maar ze konden er niks -krijgen, en ’n goeie meid wou er heelemaal niet komen, en toen moest -die arme vrouw zelf al haar werk doen, en zelf haar brood bakken, en -kijk, dit schreef ze toen, op een nacht dat ze heel bedroefd was: - -„Ik had hoegenaamd geen verstand van deeg te laten gisten, of een oven -te stoken, en zoo gebeurde het dat mijn brood in den oven ging op het -oogenblik dat ik naar bed had moeten gaan, en ik bleef alleen wakker in -een huis in het midden van een woesternij. Het sloeg één uur, toen -twee, toen drie, en ik zat daar nog altijd, omringd door de eindelooze -eenzaamheid, mijn lichaam uitgeput van vermoeienis en mijn ziel beangst -door een gevoel van verlatenheid en vernedering. Ik, die thuis zoo -verwend was geweest, wier geluk al die huisgenooten had bezig gehouden, -van wie men nooit iets anders gevergd had dan dat ik mijn geest zou -ontwikkelen, ik was nu gedwongen den nacht door te brengen, wakend bij -een stuk brood .... dat misschien niet eens een stuk brood zou worden! -Die gedachte maakte me krankzinnig, zóo dat ik mijn hoofd op de tafel -legde en het begon uit te snikken. Maar toen, ik weet zelf niet hoe, -kwam ineens de gedachte in mij op, aan Benvenuto Cellini, [10] die een -ganschen nacht bij den oven waakte, waaruit zijn Perseus [11] komen -moest. En ineens vroeg ik me af: Maar zou er in de oogen der hoogere -machten, hier boven, eigenlijk wel zulk een groot onderscheid bestaan -tusschen een stuk brood en een beeld van Perseus, als beiden -beteekenen: Plicht? De vaste wil van Cellini, zijn energie, zijn -geduld, zijn vindingrijkheid, dat zijn de wezenlijk bewonderenswaardige -dingen, waarvan het Perseusbeeld het toevallige resultaat is. Als hij -een vrouw was geweest, die in Craigenputtock leefde, met een man, -lijdend aan ingewandziekte, op zestien mijlen afstands van een bakker, -en dat nog een slechten bakker, dan zou hij al diezelfde goede -hoedanigheden hebben gebruikt om een stuk brood te vervaardigen. - -Het is onuitsprekelijk welk een troost die gedachte mij heeft -geschonken bij al mijn verdrietelijkheden, gedurende de jaren dat wij -in die wildernis hebben geleefd, waar twee mijner onmiddellijke -voorgangsters waren gek geworden, en de derde aan den drank was -geraakt!” - -„Heeft ze dat voor je over geschreven?” - -„Nee, ze had verscheiden van die velletjes, ook nog met andere dingen -er op, in een laadje liggen, en toen ze ’t me gaf zei ze lachend, dat -ze die dikwijls in plaats van recepten uitdeelde, en dat ze soms beter -hielpen dan drankjes. „Dat moet u nu maar es aan uw mama laten lezen,” -zei ze, „en het zelf dikwijls inkijken, tot u er heelemaal van -doordrongen bent, en bij alle gesprekken moet u u op dát standpunt -plaatsen, want het is het standpunt van waaruit men in de toekomst alle -werk zal beoordeelen: Een kinderjuffrouw, die knap studie van haar vak -heeft gemaakt, en er de echte roeping voor heeft, staat honderdmaal -hooger dan een prulschilderes of een onderwijzeres zonder liefde voor -kinderen, of een juffrouw van gezelschap, die maar in conditie is -gegaan omdat zij nergens voor bekwaam is. Elk werk, wat het ook is, als -het knap, consciëntieus en met toewijding wordt gedaan, is mooi! En dat -geldt voor mannen-, net zoo goed als voor vrouwenwerk, en in de -toekomst zal niemand meer laag neer zien op de eene of andere -betrekking, alleen op de menschen die hun betrekking niet goed -vervullen!” - -„En zou ze dat nou vandaag ook bij je mama komen vertellen?” - -„Ja, zie je, en ik ben wel bang dat ma er niet veel van zal begrijpen, -maar als ze daar zoo bij je zit, Corona, met die groote oogen, en ze -praat zoo aardig, moet ze toch op iedereen wel indruk maken, dunkt me, -en wie weet of ze het er niet voor me doorkrijgt. Maar .... daar zul je -ze hebben ....” - -De korte hoefslagen van een paard, dat wordt ingehouden, klonken even, -toen een bel in het benedenhuis, en Jettie holde weg, terwijl Isabelle -achter bleef in het benauwde keukentje en glimlachend voortklopte. Ook -voor haar was de brief van Lady Carlyle een kleine steun geweest, en -toen ze de podding in den vorm in ’n schotel had gezet met ruw ijs en -zout, om haar bijtijds te laten afkoelen, ging ze in haar gewone -geduldige stemming naar binnen, aan de koffie. - -Maar toen ineens, voelde ze eigenlijk pas hoe erg het haar had -aangepakt, de hitte en het vermoeiende geklop. Lusteloos hing ze op -haar stoel, niet in staat om te eten, en nadat ze de kopjes, met loome -handbewegingen had afgewasschen, viel ze neer in een hoekje van de -canapé, zonder moed om iets meer te doen. - -Mevrouw Pankaert was dadelijk naar boven gegaan. Zij ook was wat -zenuwachtig van de warmte, en het onverwachte bezoek van Charles, -ofschoon ze zich wijs maakte dat ze ’t verrukkelijk vond, agiteerde -haar ’n beetje, heimelijk vermoedde ze dat ie weer om geld kwam vragen. -Zwijgend hadden zij aan tafel tegenover elkaar gezeten; mevrouw had -niets gevraagd en Belle had niets van Marion’s voorstel durven zeggen. - -Maar toen ze ineen gedoken een poosje op de canapé gezeten had, slap, -alsof ze nooit haar veerkracht meer terug zou vinden, kwam -langzamerhand een plannetje weer spanning in haar willen brengen. Ze -was te moe om te zingen of accompagnementen te studeeren, maar daar was -de goeie japon van mama die ’n nieuwe stootskant moest hebben. Als zij -dat nou vanmiddag deed, zou ze morgenochtend misschien es heusch een -rustigen morgen kunnen hebben om heerlijk te studeeren! - -Zij stond op, een klein beetje energieker van beweging, als ’n kind, -dat onder belofte van ’n chocolaadje weer met meer moed een vervelende -thema gaat afmaken. Maar bij de deur hoorde ze het geroep weer, dat -haar tegenwoordig zoo agiteerde: - -„Belle!” - -Zij hijgde de trap op: - -„Ja ma, wat is er?” - -„Kom je je aankleeden, kind? Ik wou ’n paar visites gaan maken.” - -„Hê, ma, met die hitte? Ik wou juist uw japon onder handen nemen.” - -„Dat kun je net zoo goed morgenochtend doen. Ik wou maar even bij de -freules van IJsselen en bij mevrouw de Mureaux gaan.” - -„Toe, laat mij dan thuis blijven! Dat kleine eindje naar de Laan van -Meerdervoort kunt u best alleen loopen, en ik heb toch niks aan die -ouwe dames en zullie niet aan mij. Laat ik nou uw japon vanmiddag maar -doen, dan kan ik morgenochtend es goed studeeren.” - -„Ik begrijp niet wat je tegenwoordig mankeert! In mijn tijd zou ik het -niet in m’n hoofd hebben gekregen om tegen mijn moeder te zeggen, dat -ik het vervelend vond om visites te maken. Ik deed wat ze goed vond en -daarmee uit. Maar goed dan, blijf dan maar thuis, dan zal ik wel alleen -gaan!” - -Isabelle barstte in tranen uit. De reactie der vermoeienis van dien -morgen kwam in eens over haar, en de tweestrijd, die zulke -meisjeslevens martelt, tusschen het besef dat het mooi en goed is zich -zelf te vergeten, en dat het toch ook recht is en hoog noodig om voor -zich zelf tijd en vrijheid te veroveren, verscheurde in eens alle -zelfbeheersching, tot ze het radeloos uitsnikte. - -Mevrouw Pankaert bleef haar een oogenblik onthutst staan aankijken: - -„Kom Belle, stel je nou niet zoo aan! Wat kinderachtig om daar zoo te -staan huilen.” - -Maar Isabelle snikte voort, zich voelend wegzinken in een onmetelijke -diepte van alleenzijn en treurigheid. „Ik zal immers wel met u mee -gaan, als u ’t graag hebt, maar ’t was maar omdat ik morgenochtend es -rustig wou studeeren!” - -En toen, ineens, kon ze het niet langer stilzwijgen, al vreesde ze ook -dat misschien dit niet het juiste oogenblik was. Het verhaal van -Marion’s voorstel drong zich met geweld door haar lippen, en stortte -zich uit opeens, tusschen haar snikken door, met woorden van bitterheid -over haar kleurlooze leven, over haar angst om afhankelijk te blijven -en ook met woorden van trillend enthousiasme over haar zingen en -muziek. - -Mevrouw Pankaert luisterde, eerst met haar gewone achterdocht tegen -alles wat nieuw was in haar enge levenskringetje; maar langzamerhand, -meegesleept door Belle’s stijgende opwinding kwam er iets warmers van -belangstelling in haar gezicht. - -„Is het niet innig lief van Marion? En u vindt het toch zeker goed, dat -ik het doe?” eindigde Belle. - -Mevrouw Pankaert dacht even na. - -„Het treft heerlijk, dat Charly vanmiddag komt, dan kunnen we hem -dadelijk vragen wat hij er van denkt.” - -„Hê, waarom hij nou weer! Wat heeft hij daar nou over te zeggen! Als u -en mevrouw Noorman en ik zelf het nou goed vinden ....” - -„Ja maar hij is toch altijd ’n man, en die weten beter wat er in de -wereld te koop is en of het kan dat jij in ’t publiek optreedt.” - -„Gut, ma, maar juist omdat ie zoo precies weet wat er in de wereld te -koop is, zit ie ook vol valsche schaamte en praatjesvrees. Hij zal het -wel vervelend vinden tegenover z’n chique vrienden dat z’n zuster voor -geld op concerten zingt, maar dat mag toch voor mij geen reden zijn om -het te laten! Als hij het oneervol voor ’n vrouw vindt om te werken, en -ik vind het oneervol om te luieren met allerlei prulbezigheidjes, hoef -ik me toch niet naar hem te schikken ....” - -Maar toen zweeg ze. Mevrouw Pankaert had weer die kille strak stroeve -uitdrukking, die als een masker over haar gezicht trok, wanneer er iets -gezegd werd van haar lieveling dat haar niet beviel. - -En stil, met een langen, moeden zucht ging Isabelle de kamer uit naar -haar eigen kabinetje, en begon zich aan te kleeden. Als mama bij die -ouwe freules van IJsselen ging, bleef ze er altijd tot in ’t oneindige -zitten praten. Het zou weer ’n echt vervelende middag worden! -Verschrikkelijk vervelend! Charles zou zeggen: „’t is niet om te doen!” -Daarmee maakte hij zich eenvoudig overal van af, waar ie geen zin in -had! Maar van haar werd het niet meer dan natuurlijk gevonden, als ze -zich voor al die dingen leende. - -Maar dat was ook heel best, men moest immers met liefde wat voor elkaar -over hebben, en ze wou immers alles doen voor mama! O! als mama dan -toch ook maar ’n klein beetje begrijpen wou dat zij, behalve dochter- -en zusterliefde ook nog wel persoonlijk wat behoeften en verlangens in -haar jonge hart had. Als mama maar ’n klein beetje eerbied wou hebben -voor haar werk .... - - - - - - - - - -Charly was gekomen, vlak voor het eten en Isabelle had haar best gedaan -om hem hartelijk, als altijd te begroeten, maar nu zij wist dat ie -straks misschien het vonnis zou uitspreken over haar mooie plan, was er -’n klein beetje bitterheid achter haar glimlachjes. - -Wat zag ie er toch knap uit, met zijn fijne trekken, haast al te tenger -en te klein voor ’n man, maar toch zoo chic en voornaam. Geen wonder -dat mama trotsch op hem was. Wat rook zijn haar weer heerlijk naar dat -fijne dure haarwatertje, dat ie verleden ook bij zich had, en wat had -ie ’n mooie das aan, en verlakte schoenen! O! ze gunde hem heel graag -wat luxe en mooie kleeren. Maar ’t was toch allemaal van geld dat zij -en mama zich uitsloofden om voor hem te besparen, en ’t was heel best -dat hij genoot en misschien wel aan fooitjes en cigaren en dassen en -borreltjes meer geld uitgaf dan waarvan zij een heel jaar lang gekleed -en gevoed werd! Maar er was op den duur toch iets hards in, dat het zoo -heelemaal van zelf sprak dat alles voor hem was en voor haar bijna -niets, heel alleen omdat hij een jongen was en zij een meisje. - -En dadelijk, aan tafel, had mama het teere onderwerp aangeroerd en ’t -was alles heel pijnlijk en heftig gegaan. - -Charles vond wel dat ze zingen mocht, dat kon men tegenwoordig heusch -wel doen, maar dan moest er op het programma staan: met welwillende -medewerking van jonkvrouwe P. v. H., dat beteekende dat zij geen geld -aannam. Want dàt mocht niet! Hij verkoos het niet! Ze moest al heel -blij zijn dat ie ’t zingen goed vond, maar voor geld zoud’ ie nooit -toestaan! - -En Isabelle had zich verdedigd, hakkelend, naar woorden zoekend in haar -ongeoefendheid van meisje om duidelijk haar gedachten uit te spreken, -te geagiteerd om tegen Charly’s debatingclubmaniertjes op te kunnen. -Zij wilde juist voor geld zingen, want later wou ze haar brood er mee -verdienen, en het zou dus bespottelijk zijn om zich eerst te gaan -aanstellen alsof ze zich te voornaam vond om iets aan te nemen. ’t Was -ook volstrekt geen schande om geld te verdienen! en niemand had het -recht haar daarvan af te houên! - -Maar Charly had zijn schouders opgehaald, met sarrende lachplooitjes om -de mondhoeken. - -Dat waren allemaal theorieën van die Corona van Oven en haar soort, die -zij maar napraatte, en hij raadde haar aan zich liever niet van die -kost-verdien-idees in ’t hoofd te halen! Het was veel mooier en -prettiger voor een vrouw om stil rustig thuis te blijven. Hij zou later -immers wel voor haar zorgen, en zoo lang mama leefde kon ze immers -kalmpjes bij haar blijven. - -Toen was Isabelle driftig geworden. Zoolang ie zoo meesterachtig sprak, -kon ze het nog verdragen, daar was ze aan gewend, maar toen ie op zoo’n -toontje van bescherming zei, dat ie later wel voor haar zou zorgen, -werd ze razend van bitterheid. - -Ze bedankte er voor om van zijn vriendelijkheid af te hangen. Tot -dusver had ie niets gedaan, dan zooveel mogelijk profiteeren, zonder er -zich ooit om te bekommeren hoe zij en mama voor hem krom lagen! Zij -bedankte voor het heerlijke genot om later af te hangen van iemand, die -met de grootste onverschilligheid het als zijn recht beschouwde, dat -alles voor hem werd opgeofferd. Zij bedankte er voor! Dat moest ie maar -goed weten! O! ze had het verleden wel alles verstaan, boven in haar -kabinetje, toen ie daarnaast op zijn kamer met z’n vrienden van die -flauwe, grappen had zitten zeggen: „Dat meisjes niks in haar hoofd -hebben dan trouwen, en dat je maar hoefde te fluiten, dan kwamen ze bij -troepen aangehold.” Als dat waar was, zou ’t waarachtig geen wonder -zijn, zoolang ze overal zoo werden tegengewerkt om op haar eigen beenen -te staan. Maar zij wou niet op een man wachten! en wèl geldverdienen! -Verstond ie dat? En ze wou nooit, nooit, nooit, trouwen, tenzij met -iemand waar ze van hield en geen genadebrood eten! - -Zij had het uitgegild, de anderen overschreeuwend die haar probeerden -in de rede te vallen. Zachte, geduldige naturen als de hare kunnen niet -rustig strijden. Om zich te verdedigen moeten ze zich opwinden tot ze -buiten zich zelve zijn. - -Charles had eerst driftig gepoogd haar te onderbreken, toen was hij, -met een diepe plooi van minachting om den mond, begonnen te spelen met -den grooten zegelring van zijn vader, die veel te wijd was voor zijn -tengere vingers. Eindelijk, toen ze uitgeput even ophield, zeide hij in -tergende bedaardheid: - -„Zóó heb ik je nog nooit hooren spreken, Belle, ik moet zeggen, die -muziek schijnt je humeur niet te verbeteren.” - -„Nee, dat is waar! sinds al dat zingen is ze lang niet in haar voordeel -veranderd,” zeide mevrouw. - -Isabelle sprong op, haar servet met eene beweging van exasperatie -neersmijtend: - -„Natuurlijk, zoolang als ik poddingjes maak en kousen maas voor jullie, -ben ik goed, maar zoodra ik voor me zelf iets vraag, heb ik ’n slecht -humeur.” - -Snikkend vloog ze de kamer uit, de trap op, om alleen te zijn, weg van -hun vijandig verbaasde blikken. - -Marion had het verleden wel gezegd: „Alles wat goed is, wordt in tranen -geboren en in deze overgangstijden kunnen de meesten van ons haar -eigenlijke volle leven pas ingaan na een periode vol strijd en wee.” - -Met trillende handen nam ze haar pen en een velletje papier en het -inktfleschje uit haar kast, en toen op den rand van haar bed, een dik -boek op den schoot—haar gewone correspondentiehouding, want voor ’n -stoel was geen plaats in het kabinetje, en voor een tafel nog -minder—schreef ze haastig, terwijl het bloed kokend heet opgutste in -haar halsaderen en heel warme tranen neerdrupten, die vlekjes knoeiden -op haar schrift: - -„Lieve, lieve, engelachtige Marion! - -Ik ben diep ongelukkig, maar het kan me niet schelen. Ik zal probeeren -sterk te zijn. Mama vond natuurlijk dat Charles zeggen moest of ik kon -zingen of niet! Natuurlijk, zoo’n jongen, die niets als dwaasheden -doet, en ons handen met geld kost, is en blijft een orakel van wijsheid -in familieaangelegenheden omdat ... hij een jongen is. Zoo worden ze -stelselmatig tot huistirannen opgevoed, weet je! En natuurlijk, -tegenover zijn vriendjes enz. enz., vindt hij het niet goed, dat ik -geld zal aannemen; dat wist ik wel vooruit! Maar ik zal het toch doen! -en ik bid je innig, lieve beste Marion, om voor mij aan die -zangvereenigingen te schrijven. Het moet maar uit zijn, dat het -eervoller is, om te zitten armoe lijden op een bovenhuisje, in een -leelijke nieuwe straat, dan het kapitaal, dat je van den hemel gekregen -hebt te laten rendeeren! Je weet hoe zalig ik ben in de hoop van -misschien een goede zangeres te zullen worden, maar al vond ik die -carrière maar half zoo verrukkelijk, en al vielen me de schaduwkanten, -die je me voorspeld hebt, heel verschrikkelijk tegen, dan nog zou ik -het heerlijk vinden juist om te verdienen! O! Marion, wat zal het innig -prettig zijn, om zooveel muziek te kunnen koopen als je wilt, en mooie -boeken en je handschoenen te laten wasschen (ik vind die benzine zoo’n -naar gevoel aan mijn handen) en om voor jou bloemen en speelgoed voor -je kleintjes te kunnen koopen, en om mama’s zorgen te verlichten! Wie -weet, als ik haar ’n boel attenties kon geven, desnoods rekeningen voor -Charles kon betalen, of zij niet een klein beetje meer van mij houden -zou ....” - -Maar toen braken de tranen, die bij het zich uiten in schrift, een -oogenblik kalmer gevloeid hadden, weer met wanhoopsheftigheid uit. Heel -het onderdrukte smachten van haar jeugd stond plotseling voor haar op -in klaarheid. Jarenlang had zij het stil geduld, omdat zij meende dat -het zoo zijn moest, dat de eerste plaats in huis, beter onderwijs, meer -vrijheid, meer genot, aan den jongen toekwamen en dat voor het meisje -de zorgen waren, om ze met mama te deelen, in geduldig -zelfverloochenen. Maar nu ze wist, dat het anders zijn moest, en dat -het anders worden zou, als de menschen de gerechtigheid een beetje -gingen liefhebben, nu begreep ze ineens hoe ontzettend ze eigenlijk -geleden had onder mama’s voorliefde voor Charles en zijn naïeve -tirannie over haar van bedorven jongen. - -„Hij is wel veel mooier,” fluisterde ze snikkend, „maar hij heeft nooit -zoo z’n best gedaan om goed en lief te zijn als ik, en mama plezier te -doen, en toch werd hij altijd voorgetrokken! Maar ik zal het -doorzetten, en als ik dan veel geld heb verdiend en veel prachtige -dingen aan mama heb gegeven, en beroemd ben geworden, zal ze misschien -eindelijk ook wel trotsch op mij worden.” - -Toen schreef ze verder, de linkerhand, die ’t inktfleschje vasthield, -krampachtig toegeknepen van opgewonden energie: - -„Lieve Marion, al mijn wilskracht, die ik tot dusver gebruikt heb om -stil en geduldig te zijn, mijn eigen persoonlijkheid te onderdrukken, -niets te zijn dan wat zij goedvonden, zal ik nu aanwenden om mijzelf te -worden en ons prachtige plan door te zetten. Ik ben strakjes -schandelijk driftig geweest, maar ik zal voortaan wel zorgen dat ik me -beter beheersch, want ik weet nu dat de tijd van een heel hardnekkigen -strijd gekomen is, waarin ik niet wil ondergaan. En o! als je me maar -een beetje helpt, dan zal het ook best gaan. Mama zal mij, om Charles, -nu wel vreeselijk tegenwerken, maar later, als ik succes mag hebben, -zal ze me toch gelijk geven, en dan zal al deze ellende vergeten zijn. -Je onuitsprekelijk liefhebbende - -Isabelle. - - - - - - - - - -Gladys van Praege lichtte even den kristallen deksel op om zich te -overtuigen of de bowl wel heel geurig was, en toen liep ze de veranda -uit, den tuin in tot aan de kastanje, waar een kring gemakkelijke -stoelen klaar stond voor de gasten die vanavond zouden komen. - -Maud Arlington, haar zuster uit Amerika, die was overgekomen om, in de -moeielijke uren, die naderden, bij haar te zijn, lag achterover in een -der fauteuils en zag glimlachend op, toen ze haar op het grind hoorde -aankomen. - -„Well Glady, dear, waar ben je zoo lang gebleven?” - -„Ik wou Hajo nog even in z’n bedje goeie nacht zoenen, maar toen ik -binnen kwam, had ie weer een van z’n ouwe driftbuien, en moest ik wel -bij hem blijven tot het heelemaal over was. Het is toch zoo aardig om -te zien hoe zoo’n kind langzamerhand het besef krijgt van wat -zelfbeheersching is, en hoe ie nou z’n best doet, als ik z’n handjes -vast hou, en zachtjes tegen hem spreek, om z’n drift te bedwingen. -Zelfs de juffrouw, die ’t vroeger, geloof ik, heel overdreven van me -vond dat ik niet wou hebben dat ze hem in zoo’n bui es flink door -elkaar schudde, was er vanavond door gefrappeerd. - -Maud glimlachte, haar moederlijke glimlach, waarmee ze al Gladys’ -eindelooze kinderverhalen aanhoorde. - -Het was een statige, groote vrouw, heel knap nog, niettegenstaande het -drukke leven van eerste geneesheer aan een groot ziekenhuis, haar zware -zwarte haren met veel zilver had doorstreept. Zij had intelligente -oogen, donkerbruin, met den fluweelen gloed der zuidelijken en sterk -gewelfde roode lippen, en vormde een groot contrast met Gladys, die -veel kleiner en vijftien jaren jonger was en van haar Canadeesche -moeder het blonde Engelsche type had geërfd, terwijl Maud de volle -erfgename was harer Floridasche voorvaders. - -Langzamerhand kwamen nu de gasten den tuin in. Eerst een troepje heeren -dat nog even in Frederik’s rookkamer was geweest om de portretten van -een Engelsch paard te zien, dat dien zomer den grand prix te Parijs had -gewonnen. Maarten van Hervoren kwam voorop, den hartelijken groet van -jeugdvriendschap wisselend met Gladys en Maud, en daarna kwamen van -Smaarth en Stephan van Brehnen met von Görtzen en een paar jonge -cavalerieofficieren, mijnheer en mevrouw de Mureaux met Betty en twee -Fransche logeetjes, Isabelle en Charles Pankaert, Edward van Starren na -eenige oogenblikken gevolgd door zijn zusters met Hilda, en eindelijk -Valérie Vermaezen met haar moeder en van Gaefden, haar aanstaande, en -nog ten laatste Frederik’s oudere broer, ritmeester bij de cavalerie, -de zoogenaamde „Dolle Henk van Praege.” - -Hilda had Maarten van Hervoren, na hun eerste wandeling, met Gladys, -langs den Bezuidenhout, nog verscheiden malen ontmoet, maar altijd heel -vluchtig, in volle salons, op het Kurhaus of op straat. - -Mevrouw van Starren, nu zij wist, dat Hervoren als vriend bij de van -Praeges aan huis kwam en bij de Vermaezens dineerde, had aan het -verlangen van Edward toegegeven en Maarten’s kaartje met een invitatie -beantwoord. Maar den dag dat hij was komen eten, was Hilda toevallig -voor een paar dagen uit logeeren geweest, zoodat zij hem niet gezien -had, en het feit dat zij hem nooit rustig had gesproken, na hun eerste -ontmoeting, maakte misschien juist dat zij dikwijls aan hem had gedacht -met een soort nieuwsgierige sympathie. - -Bij ’t binnen komen in den tuin, toen ze hem naast Maud zag staan, was -er een kleine aandoening van iets prettigs in haar. Onwillekeurig kwam -ze vlak in zijn nabijheid, om gauw door hem begroet te worden, zooals -de vorige keeren, met de eigenaardige liefkoozing van zijn oogen. Maar -hinderlijk kalm, alsof hij haar niet had opgemerkt, bleef hij -voortpraten met Maud: - -„Ja zeker, de Middellandsche zee is wel heel bekoorlijk, maar ik vind -toch ook de Noordzee veel boeiender ....” - -„Freule van Suylenburg, houdt u evenveel van koekjes als uw nichtje -Corry?” - -Stephan van Brehnen stond voor haar met een schotel gebakjes. - -„Zeker, dat is een van onze grootste punten van sympathie.” - -Hilda zeide het luid, haar woorden éen voor éen uitzendend naar -Maarten’s kant, om door haar stem zijn aandacht te trekken. - -Maar hij bleef rustig voortpraten: - -„O! Ja, prachtig, zoo’n zonsondergang in Scheveningen ...” - -Hilda maakte een beweging van ongeduld en een van haar lange -handschoenen gleed neer op den grond. Toen ineens, ofschoon hij van -haar afgewend had gestaan, en zij meende dat hij haar niet zien kon, -bukte hij zich haastig en raapte hem op. Maar toen hij dien groetend -aan haar overreikte, was er ijzige strakheid in zijn gezicht. - -Hilda schrok even, als iemand, die meent een warmen dronk te ontvangen -en plotseling ijswater tegen de tanden voelt. Een pijnlijke sensatie -van iets vijandigs, dat zij niet kende, waarvan zij niet wist waar het -vandaan kwam, maar dat haar beloerde ergens, met nijdige oogen, -doorhuiverde haar. Maar toen dadelijk richtte zich haar meisjestrots -weer op, die zich even onder haar verlangen had neergebogen, en ze ging -weg, naar de oude mevrouw Vermaezen, met wie ze levendig ging zitten -praten. - -Het was ook zoo’n nonsens van haar om uit die vluchtige ontmoetinkjes -zich een illusie van sympathie te hebben gevormd. Waarom zou hij niet -deftig en koel zijn? ’t was immers heel natuurlijk, dat ie vanavond -liever met z’n ouwe vriendin Maud bleef praten. Eigenlijk had ze toch -ook maar nauwelijks drie woorden met hem gewisseld, die iets meer dan -klanken beteekenden en ze had het zich zeker maar verbeeld, dat er soms -iets als een geheime verstandhouding, die zij zelf niet goed begrepen, -in hun blikken was geweest. Maar ze zou het zich niet aantrekken als ie -koel wou zijn. Het kon haar geen greintje schelen, alleen ... ’t was -net alsof ze straks iets beleedigends in die koude oogen en stroeve -buiging had gevoeld, en ze zou toch wel es, voor de curiositeit, hebben -willen weten of hij iets bepaalds tegen haar had? .... - -„O, kijk, daar is Mary. Laat je haar nog zoo lang op, Gladys?” zeide -mevrouw Vermaezen. - -„Nee, anders ligt ze altijd om acht uur in bed. Maar vandaag is ze gaan -eten bij Corona van Oven om ’n beetje te spelen met dat meisje van -Soeterwolde, u weet wel, dat kindje van haar Parijsche vrienden, dat ze -bij zich in huis heeft genomen. Voor zoo’n enkele keer mag het wel es -wat later worden. Veel plezier gehad, Mary?” - -Het kind kwam den tuin in, feeënmooi in haar witte kleedje en ging in -welopgevoede gedweeheid den kring der gasten rond, aan iedereen handjes -gevend en zich latend kussen door de dames. - -„Krijg ik ook een zoentje?” vroeg Henk van Praege. - -Zij schudde het hoofd, haar groote donker fluweelen oogen vol -onvriendelijkheid. Van klein kind afaan had ze een antipathie tegen hem -gehad. - -„Gauw Mary, geef oom een zoentje,” commandeerde Frederik. - -Het meisje ging, angstig naar haar vader ziende, en gaf schuw haar -wangetje. Toen vluchtte ze bij Gladys terug, zich dicht tegen haar -aandrukkend. - -De ritmeester lachte zijn harden luidruchtigen lach: - -„Nou, Frederik, als ze zoo voort gaat, zul je niet lang voor -gedienstige papaatje hoeven te spelen. Als er iemand weinig kans heeft -om ouwe jonge juffrouw te worden, dan is zij het wel. Wat een -prachtkind!” - -Hij keek naar haar met zijn taxeerende vrouwenkennersblik vol platte -bewondering. - -Maar Gladys, met een hartstochtelijk gebaar van bescherming, legde haar -armen vast om kleine Mary. - -Toen zag zij op naar haar man en mevrouw de Mureaux en mevrouw -Vermaezen, die naast haar zaten. Zij allen glimlachten, instemmend als -een compliment met Henk’s woorden, en een bittere opstand rees in haar -hart van jonge moeder. - -O! zij wist het wel, de meeste vrouwen waren gevleid, als men zulke -dingen van haar dochters zeide, maar ze voelde het als een -heiligschennis dat men haar kindje hulde meende te brengen, door te -zeggen, dat haar schoonheid wel gauw door een man zou worden begeerd! -Henk meende het misschien zoo kwaad niet; hij stond alleen nog op het -ouderwetsche hatelijke standpunt, vanwaar uit men vroeger het meisje -beschouwde, als zou een man vinden voor haar het hoogste geluk zijn! -Maar was het niet afschuwelijk, dat de eerste gedachte, die dit -aangrijpend mooie kopje bij de wereld opwekte deze was: zij zal wel -makkelijk een huwelijk kunnen doen? Had dan ook het mooiste rijkst -begaafde vrouwenleven geen andere bestemming dan om aan een man toe te -behooren? En deze opvatting was toch die van velen en voortaan zou men -telkens de reine ziel van haar kind bespatten met die woorden van -bezoedelende hulde: „Wat ben je mooi! Je zult makkelijk kunnen bekoren, -veroveren?” En later zou Mary in den spiegel de echos dier -complimentjes terug vinden, en bij God, daarvoor had zij haar kind te -lief, om behagen en trouwen als hoogste illusie te zien wonen, onder -dat blanke voorhoofd! - -„Kom Mary, ga nou maar gauw naar bed, ’t is al veel te laat voor zoo’n -heel klein meisje!” - -Onwillekeurig drukte zij op „heel klein”, in een sterk verlangen om het -kind nog lang onder haar bescherming te kunnen houden, en toen Mary was -heengegaan, bleef ze even zitten, droomerig haar gastvrouwopgewektheid -vergetend. - -O! zeker, ze had er dikwijls aan gedacht, dat er misschien een dag zou -komen, dat er naast haar kinderen vreemden zouden staan, die meer voor -hen zouden zijn, dan zij met al haar groote moederliefde en dan had zij -vurig gehoopt, dat, als eens de liefde tot hen komen zou, het zou zijn -om hun leven rijker en mooier te maken, want liefde bracht ook dikwijls -pijn .... - -En zij had zich verdiept in die toekomst! Moeders, als zij, denken veel -aan de toekomst, en misschien is daarom juist moederliefde wel de -hoogste, omdat zij niet alleen van het oogenblik geniet, maar vooruit -denkt en waakt en zorgt, en daardoor, ook na de geboorte van het kind, -opnieuw elken dag scheppingswerk verricht. - -Maar in haar toekomstdroomen had Gladys nooit het huwelijk voor haar -kinderen gewenscht! Natuurlijk, het leven samen door gaan, hand in -hand, met éen, die ons volkomen lief is, wie zou dat geen groot geluk -noemen? maar een gewoon huwelijk, zooals er millioenen zijn, het zich -vereenigen van den eenen of anderen man met de eene of andere vrouw, -onder min of meer gunstige omstandigheden, zij had het altijd van -moeders een onzedelijke illusie gevonden. - -Toen, opeens waakte zij op uit haar nagedroom. - -„Mary will be a new woman.” [12] - -Zij hoorde het Maud zeggen, en aan alle kanten om haar heen, vlamden -ineens gesprekjes op, waarin telkens het woord „vrouwenkiesrecht” -klonk. Zij luisterde. - -„Maar u bent er toch niet voor?” zeide van Gaefden tegen Hilda, op dien -toon vol ongeloovige afkeuring, die het soms heel verleidelijk maakt, -om maar met een uitvluchtje zijn opinie te verbergen. - -Maar Hilda dwong zich om eerlijk te zijn: - -„O! ja, ik ben er erg voor!” - -„Gnädiges Fräulein, is dàt waar? Bent u voor vrouwenkiesrecht?” -schaterde von Görtzen van den overkant. - -Iedereen lachte en sprak tegelijk in kleine groepjes, en Gladys zat -zwijgend middenin, aan haar bowltafeltje, glimlachend, blij om het -animo dat dit woord nu gewekt had. Er was een tijd dat het alleen -onverschilligheid en een beetje spottende verwondering ontmoette in -haar kringen, en beter vijandige tegenstand, die bewijst dat men er -rekening mede begint te houden, dan doodzwijgen. - -Toen vroeg Edward haar ineens: - -„Is het waar, mevrouw van Praege, bent u nog wel presidente van de -Vrouwenkiesrecht-Vereeniging?” - -„Ja,” zeide ze zacht. „Ik vind de toestanden in dit land zoo akelig! Ik -geloof dat het erg goed zou zijn, als men ook es wat verstandige flinke -vrouwen, die er plezier en tijd voor hebben, aan het regeeringswerk kon -zetten!” - -Henk van Praege lachte hardop, heel even, en bedwong zich toen, -beleefd: - -„Geloof je heusch, Gladys, dat de boel goed zou gaan, als er vrouwen -mee regeerden? Wat ’n gebabbel zou dat geven.” - -„Het is onmogelijk dat dames meer praten dan heeren!” zeide zij snel. -„Ben je wel es in de Tweede Kamer gaan kijken? In Parijs ben ik in de -Chambre des députés geweest en in Londen in ’t Lager Huis, en ik ben -overtuigd dat het physiek onmogelijk is om nog meer te praten dan daar -gedaan wordt. En mijn vader zei ook altijd: „op dameskransjes wordt -veel gebabbeld, maar op heerensociëteiten zeker niet minder!”” - -„Ik ben het erg met mevrouw van Praege eens!” riep Maarten van den -anderen kant van den kring, midden uit zijn gesprek met Maud. „En het -zou uitstekend zijn, als de heeren zich ’n beetje lieten helpen en -raden door hun moeders en zusters en vrouwen. Bijna geen man die niet -ondervonden heeft, wat vrouwenraad en vrouwentoewijding zijn kan! En -toch gaan we maar stelselmatig voort, met haar hulp voor het algemeene -belang te versmaden! En heusch, we hebben geen reden om zoo naïef -zelfvoldaan te zijn op onze eigen regeeringskunst, alsof wij alleen -daartoe waren uitverkoren! De heele wereldgeschiedenis is vol van de -onhandigheden, domheden, oneerlijkheden, en gruwelen van keizers, -koningen, volksleiders, ministers, commissies en besturen. We konden -gerust es probeeren of het niet iets beter zou gaan door de -samenwerking met zooveel vrouwen wier krachten en gaven nu voor ’n -groot gedeelte ongebruikt, en voor de maatschappij waardeloos blijven -rusten!” - -Hilda klapte in de handen, verrukt dat hij aan haar kant stond. - -Maar weer zag hij haar aan met dien ijzigen blik van straks, die elk -toenaderen afsneed, en wendde zich langzaam tot Gladys en glimlachte -tegen haar. - -Hilda richtte zich strak op onder den duidelijken indruk eener -beleediging. Wat was er tusschen hen gebeurd? Enfin; ’t kon haar immers -niets schelen? alleen was het vervelend, woedend vervelend, dat zij de -vorige keeren zoo vriendelijk tegen hem geweest was. - -Maar Gladys ging weer voort: - -„Ja, natuurlijk! En tot dus ver hebben er wel vrouwen geregeerd doordat -ze den eenen of anderen man geheel onder haar invloed hadden, maar -indirecten invloed uitoefenen op iets, door het bewerken van personen, -door suggereeren en intrigeeren, is altijd een groot gevaar! De vrouwen -moeten eerlijk, met volle verantwoordelijkheid, niet achter de schermen -door kunstjes en slimmigheden, de belangen van haar volk mee kunnen -behartigen! En vooral haar eigen belangen, want Gladstone, de groote -Engelsche minister heeft het zelf gezegd: de belangen van hen, die geen -eigen vertegenwoordigers in de regeering hebben, worden rustig -verwaarloosd! De afgevaardigden trachten natuurlijk hun kiezers -tevreden te stellen; waarom zouden ze zich vermoeien voor degenen die -toch nooit een stem op hen kunnen uitbrengen? En zoo komt het dan ook -dat er voor de vakopleiding van de volksmeisjes geen geld te vinden is, -dat de moeder geen lid mag zijn van een familieraad, (of haar kind -krankzinnig verklaard of onder curateelen geplaatst zal worden en wie -voortaan de belangen van dat kind zullen behartigen, wordt buiten haar -om beslist!) en dat de huwelijkswetten voor de vrouw allerellendigst -zijn ....” - -Maar toen viel mevrouw de Mureaux haar in eens in de rede: - -„Nee hoor es, Gladys, dat wordt nou tegenwoordig telkens beweerd! maar -ik begrijp het volstrekt niet, hoor! Ik kan je dan zeggen dat ik -heelemaal niet ontevreden over de huwelijkswetten ben! En ik kan er -over meepraten, de andere maand ben ik vier en twintig jaar getrouwd.” - -Allen lachten, de meesten goedkeurend, maar Hilda, terwijl zij haar -aanzag, had plotseling een visioen, dat haar liet huiveren. - -Daar zat die goedige dikke mevrouw, gemakkelijk achterover in haar -grooten stoel, prettig, zelfvoldaan als een poes in het zonnetje, de -vette blanke handjes met den zwaren trouwring gevouwen op haar maag, -haar vriendelijk gezicht, met het nog frissche teint en het glanzend -bruine haar, dat haar als een mahoniehouten lijstje om het lage -voorhoofd sloot. Maar achter haar stond vrouw Zwalve, doodsbleek met de -bloedroode striem over haar voorhoofd en de hol ingevallen slapen! En -Hilda voelde ineens dat ze al die vriendelijke dikke dames zou kunnen -haten! - -O! God, het was tien uur! .... en al deze dames lachten! Lachten .... -omdat er gezegd was dat er verbetering moest komen in de toestanden! En -wat gebeurde er misschien op dit oogenblik in het huisje in de -Zorgvlietstraat? Wat waren al die goedige menschen toch wreed, in hun -zelfzuchtige kalmte en luiheid van: Ik heb het goed in de wereld, wat -kan mij de rest dan schelen? O! deze dames lachten? Voor haar waren de -woorden: vrouwenemancipatie, en één der middelen daartoe: kiesrecht, -verkiesbaarheid, niets dan bespottelijke klanken! Door haar pantser van -genoeglijke zelfvoldaanheid had zelfs de vraaggedachte niet kunnen -doordringen of er ook een ideaal streven mee bedoeld werd om de -maatschappij wat beter en mooier te maken! - -Maar Frederik van Praege was opgesprongen, zenuwachtig, ongeduldig. - -„Nou, ga jullie je gang hoor, als je plezier hebt in zulke diepe -bespiegelingen, maar mij wordt het ’n beetje te hoog! Wie gaat er mee -om m’n jachthond te zien, dien ik gisteren uit Engeland gekregen heb? -Een prachtexemplaar.” En toen, onder het heengaan, minachtend over zijn -schouder: - -„Er kan toch nooit iets van vrouwenkiesrecht komen! De man verdedigt -het land en geeft er zijn leven voor als ’t noodig is, en dus mag en -moet hij altijd meer rechten hebben dan de vrouw! Dat is billijk!” - -Gladys zag hem zwijgend een oogenblik na. De meeste heeren en een paar -jonge meisjes waren met hem mee gegaan. Toen zeide ze zacht voor zich -heen: - -„De man geeft zijn leven tot instandhouding van de grenzen, maar de -vrouw geeft het hare tot instandhouding van het ras! en heel wat meer -vrouwen zijn in de grootste smarten gestorven om een nieuw leven aan de -maatschappij te geven, dan mannen om het land te verdedigen. Als de -oorlogen, als een overblijfsel uit de barbaarsche tijden, lang zullen -zijn afgeschaft, zal de vrouw haar levensbelasting aan de gemeenschap -blijven betalen! Mij dunkt het zou dus billijk zijn, juist de vrouwen -in de eerste plaats haar belangen te laten voordragen, want ten slotte -zijn haar belangen die van het heele volk, juist omdat zij de -voortbrengster is!” - -En toen, zich plotseling opwindend, zonder meer notitie te nemen van de -onthutste gezichten om haar heen: - -„O! weet je, er zit voor mij een ontzettende domheid in, als ik moeders -hoor zeggen, dat ze hartstochtelijk belang in haar kinderen stellen, -als ik ze met tranen in de oogen over haar kleintjes hoor spreken, en -haar op ’t zelfde oogenblik volkomen onverschillig zie voor de -maatschappelijke toestanden, waaronder haar kinderen zullen opgroeien! -De vrouw, die waarachtig belangstelt, niet in de rokjes en broekjes van -haar kinderen, maar in hun toekomst, moet zich ook warm maken voor de -groote vragen van den dag en voor die, welke een beslissenden invloed -op het lot van haar kinderen kunnen hebben! Duizende menschen zijn op -dit moment de slachtoffers van slechte scheidings- en huwelijkswetten, -van ongezonde woningen, van drankmisbruik, van onvoldoende of slecht -opgevat onderwijs, van misbruik van ouderlijke macht, van werkeloosheid -en uitbuiting en onvoldoende bescherming van den arbeid, van -belastingen, die het volk neerdrukken, om legers en vloten staande te -hoûen voor een toekomstoorlog, die, als hij ooit komt, de zonen dier -onverschillige vrouwen, bij millioenen zal slachten! Waarachtig, de -lange onderdrukking moet ons wel suf hebben gemaakt om ons niet met -meer kracht te laten verlangen om ook stem in de lands- en -gemeente-regeeringen te mogen hebben, om te kunnen waken over de -belangen van onze kinderen!” - -Een pijnlijk verlegen zwijgen volgde even. Hilda jubelde inwendig, maar -ze wist niet goed, in die drukkende stilte, hoe het te uiten. De meeste -dames keken strak, bijna persoonlijk gekrenkt, en Gladys schaamde zich -een beetje, als gastvrouw, over haar heftigheid, die ze in dat -kringetje toch hoogst waarschijnlijk verspild had. Maar soms kon ze het -ook niet laten! De woorden stroomden dan ineens te gloeiend naar haar -lippen om ze te kunnen inhouden. Maar zij dwong zich nu om weer kalm te -zijn, en heel zacht, de stem weer vleiend lief door haar -zelfbeheersching van wereldvrouw, vroeg ze opstaand: - -„Maar wilt u ook de honden niet es even gaan bekijken? ’t Is heusch ’n -prachtig beest, en Frederik zou ’t erg leelijk van me vinden, als ik u -hier aan den praat hield, in plaats van z’n nieuwen aankoop te laten -zien.” - -Iedereen stond op, blijkbaar verlicht, om achter in den tuin naar de -hondenhokken te gaan. - -„Wat gek toch van Gladys, om altijd zoo woedend bij zulke gesprekken te -worden! ’t Is toch heusch de moeite niet waard!” zeide Betty de Mureaux -tegen van Brehnen. - -Maud liep vlak achter hen met Corry en antwoordde luid: - -„Vindt u ook niet, freule van Starren? Dat is juist in de wereld één -van de dingen om het woedendst over te zijn, dat maar zoo weinigen het -de moeite waard vinden om woedend te worden over verkeerde dingen?” - -Corry had Betty’s woorden niet verstaan en begreep dus niets van Maud’s -uitval. Op goed geluk af antwoordde zij met het kirrend schaterlachje, -dat haar overal voor diende. Henk van Praege, die den geheelen avond in -Hilda’s nabijheid was gebleven, kwam naast haar loopen: - -„Freule van Suylenburg, ik wist heusch niet dat u zoo vreeselijk -vooruitstrevend was. Maar u gaat toch niet aan politiek doen? Politiek -maakt de vrouwen leelijk?” - -Lachend, luchtigjes zag ze naar hem op, haar oogen vol uitdagenden -spot: - -„Misschien, als de vrouwen er aan gaan doen, wordt de politiek nog es -mooi!” - -Achteraan kwamen Hervoren en Gladys. - -„Maarten, zeg es, ik heb me toch niet te veel opgewonden?” - -„Je hebt prachtig en braaf gesproken, Glad! Het is heel goed, dat ze ’t -es hooren! En er waren twee dames tenminste, die ’t in stilte erg met -je eens waren, geloof ik.” - -„Wie dan? Belle Pankaert zeker?” - -„Ja, en freule van Suylenburg.” - -„O! Hilda! .... ja, die is het heelemaal met ons eens ....” - -„Zoo? .... En ik dacht dat ze zoo wat geëngageerd was met Bernard -Cranz.” - -„Met Cranz van Rosenhagen? Maar Maarten, hoe kom je er bij?” - -„Ik dacht het.” - -„Wel nee, zijn moeder heeft me juist gezegd dat ie verleden week, -Zaterdag geloof ik, naar Parijs is gegaan, omdat ie zich hier zoo -vreeselijk begon te vervelen.” - -Maarten stond ineens stil. - -„Dan heeft ze hem bedankt!” - -„Geloof je? Ja, dat kan best zijn, want hij heeft haar nog al het hof -gemaakt en ....” - -„God, Gladys, wat kan iemand toch ’n vervloekte ezel zijn. Natuurlijk -heeft ze hem bedankt en ik, die dacht .... en daar als ’n idioot ....” - -Gladys zag vragend naar hem op, maar haastig liep hij voort en zij -glimlachte, toen ze hem dadelijk door den kring van menschen zag heen -dringen, naar de plaats, waar Hilda den nieuwen jachthond stond te -streelen. - -„Houdt u van honden, freule!” - -Heel zacht, met den vroegeren warmen klank in zijn stem had hij het -gezegd, en boog zich tot haar over. - -Maar Hilda zag niet op en ging voort den gladden kop van het dier te -liefkoozen. Wat beteekende dit vreemde gedrag? Wou ie met haar spelen? -Ze zocht naar een scherp woord, iets heel uit de hoogte, om hem te -toonen, dat ze dat niet met zich doen liet. Maar zij vond niets dat -trotsch genoeg was, en ineens, heel zacht, met een nuance weemoed, die -hem pijnlijker trof, dan haar bitterste woord, kwam het vanzelf over -haar lippen: - -„O! ja, heel veel! Men kan meer op ze aan dan op menschen.” - -Toen draaide ze zich om, weg van het hok, en ging naar Isabelle, die ze -naar haar zingen vroeg. - - - - - - - - - -Gladys’ gasten waren weggegaan, de avond was goed geëindigd, en bij het -afscheidnemen was het haar geweest alsof mijnheer de Mureaux, en Edward -van Starren, zij meende zelfs van Smaarth, bijzonder eerbiedig voor -haar gebogen hadden. - -En terwijl zij binnen haar mooie glaswerk nog even nazag, of het goed -in de keuken gewasschen was, dacht de jonge vrouw met een klein beetje -ironie aan die tegenstrijdigheid, die zij meermalen ontmoet had bij -heeren, die beweerden dat vrouwen geen eigen opinies moesten hebben, -maar die toch altijd bijzonder veel bewondering toonden, juist voor -haar, die flink voor haar gedachten durfden uitkomen. - -Maud was naar haar kamer gegaan, om nog een brief af te maken en -Frederik was niet meer binnen geweest sinds hij de laatste gasten had -uitgelaten. Maar nu hoorde ze z’n stap, en toen de deur openging, -wendde ze zich vroolijk om, in de opwekking van haar goed afgeloopen -avond. - -„Free, luister es! Zal ik je es ’n nieuwtje vertellen? Ik geloof heusch -dat Maarten en Hilda ....” - -Maar toen zweeg ze, met een mat gevoel van teleurstelling; van Praege -stond midden in de kamer, de handen in de zakken, de diep ingezonken -oogen norsch, de wenkbrauwen saamgetrokken tot zij elkander raakten: - -„Wat scheelde je nou toch vanavond om zulke theorieën te zitten -verkondigen over vrouwenkiesrecht? Je weet, dat ik het al vervelend -vind dat je je met dien boel inlaat, maar in mijn huis, wil ik er -tenminste niet van hooren.” - -Zij leed even onder zijn krenkend mijn huis, waarmede hij haar ook al -vroeger dikwijls had laten voelen, dat hij de meester was, en zij de -ondergeschikte, aan wie geen greintje meer macht toekwam dan hij goed -vond haar te verleenen. - -„Je weet ook wel, Freddy, dat ik nooit over die kwesties uit me zelf -begin, als jij er bij bent, maar als er in mijn tegenwoordigheid over -gelachen wordt, mag ik toch wel m’n opinie zeggen. Waarom zoûen al die -menschen, die er nooit een minuut ernstig over hebben nagedacht, er wel -over mogen spreken en zou ik moeten zwijgen?” - -„Maar voel je dan niet, dat je je eigen ridikuul maakt? en .... mij er -bij!” - -Hij liep een paar keer de kamer door met korte gejaagde passen, -tusschen zijn tanden een straatorgeldeuntje sissend, en ging toen -ineens de deur uit. - -Gladys belde om te sluiten en klom stil naar haar slaapkamer. - -„O! wat een wanbegrippen toch aan alle kanten over de verhouding -tusschen man en vrouw! Hoeveel honderden jaren zouden er nog moeten -verloopen eer de onderlinge relatie der geslachten zuiver zou worden -opgevat? Nu ook hier weer: Frederik was bang om ridikuul te zijn door -’t geen zij had gezegd! Alsof hij verantwoordelijk was tegenover de -wereld voor haar woorden. Dus altijd nog dat oude principe, dat de -vrouw een onmondig wezen is, voor wier daden en woorden de man, de -meester, heeft in te staan! In sommige kringen ging dat idee immers zoo -ver dat de man op zijn eigen ontrouw luchtigjes mocht bluffen en er -door zijn vrienden volstrekt niet om veracht werd, terwijl de ontrouw -van zijn vrouw hem onteerde, tenzij hij die wreekte op barbaarsch -bloedige wijze. Waren zulke begrippen, die uit een tijd stammen, toen -de verhoudingen zoo heel anders waren, niet belachelijk nu? Als Pollux, -de nieuwe jachthond, straks uit zijn hok losbrak, en bij de buren -kattekwaad deed, was het heel best dat Frederik, zijn baas, voor hem -werd aangesproken als de verantwoordelijke persoon, maar waar twee -vrije gelijken zich verbinden om samen het leven door te gaan—en dat -zou toch voortaan het huwelijk zijn—is het ergerlijk en ridikuul dat -daar de man voor de mogelijke dwaasheden of zonden van zijn vrouw -aansprakelijk wordt gesteld! - -Maar dat alles daargelaten, had ze zich heusch vanavond bespottelijk -gemaakt? Ze geloofde het niet, alleen, in zulke gezelschappen wordt het -altijd dwaas gevonden als men zich warm maakt voor een idee. Maar dan -moesten ze haar maar dwaas vinden. Het is laf om bang te zijn voor een -beetje spot en zij mocht niet laf zijn, zij, die twee kinderen had op -te voeden, misschien wel gauw drie! - -Maar er klonken stappen over het portaal en zij luisterde. Het was -Frederik, die naar zijn kleedkamer ging; zou ie weer uitgaan? Ze -luisterde gespannen, na een oogenblik kraakte de trap en toen sloeg de -voordeur toe. „Dus weer uit!” - -Ze stond onbewegelijk en luisterde nog, ofschoon ze wist dat ze niets -meer hooren kon. Waar was ie heen gegaan? Waar ging ie toch altijd naar -toe? Ze had het hem niet durven vragen, hij was tegenwoordig zoo -vreeselijk prikkelbaar, en hij zou het haar immers toch ook niet gezegd -hebben? En toen weer begonnen de folteringen van al de laatste tijden. -Ze verweet zich zoo, dat ze jaloersch en kwaaddenkend was en dat ze hem -onrecht deed en toch altijd weer kwamen de ergste vermoedens haar -beangstigen. - -Ze liep even de kamer op en neer, als om haar gedachten te ontvluchten -en kuste voorzichtig de slapende kinderen. Maar toen ze haar japon had -uitgetrokken en de nachtlucht verkoelend voelde neerglijden langs haar -koortsig brandende huid, ging ze stil zitten, de bloote armen gekruist -op de tafel en het hoofd voorover op de armen gesteund. - -Ze kon het altijd nog maar niet gelooven, dat haar mooie geluk, waar ze -zoo vast op gerekend had, hopeloos was verloren! Toen ze met haar -ouders in Europa had gereisd en in Zwitserland Frederik had leeren -kennen, wat een geluksdroom, wat een overmoedig vertrouwen op de -toekomst, wat een jubel! Zou wel één meisje, bij ’t ontwaken van haar -liefde zich zóó zalig gevoeld hebben? Zou het waar zijn, dat die droom -niets was geweest dan een .... vergissing .... een leugen? En een -leugen ook het beeld, dat ze zich van haar man had gemaakt? Haar acht -droevige huwelijksjaren hadden niets gebracht dan desillusie na -desillusie, en toch wilde ze niet aan het bankroet van haar leven -gelooven. O! God, zij wilde het niet! Maar langzaam begon toch de -troostelooze waarheid tot haar door te dringen. - -Zou hij heelemaal niet meer van haar hoûen? Maar had ie ’t eigenlijk -wel ooit gedaan? Waarom had ie haar dan getrouwd? Kon het mogelijk zijn -dat die man, in wien zij zóo sterk geloofd had, alleen haar geld had -verlangd? En wat deed ie met haar geld? Den laatsten tijd had ze heel -goed gemerkt dat ie dikwijls slecht bij kas was. Kon ze zich werkelijk -zoo onvergeeflijk dom in hem vergist hebben, dat hij, wien ze haar -jonge leven in zoo vol vertrouwen had gegeven, niets was dan een ...? -ze durfde het woord niet denken, en toch zeurde het door haar hoofd, en -telkens weer. - -Maar in eens voelde ze langs haar blooten hals een tocht, die de losse -haren opblies. De deur was open gegaan en van Praege stond op den -drempel. - -„Wat is dat nou voor nonsens, Gladys? Waarom ben je nog niet in bed?” - -Ze stond op, ineens recht overeind, een beetje verschrikt alsof ze uit -een droom kwam. - -„Ik weet het niet; ik heb hier maar zoo’n beetje zitten denken.” - -„Ik zou je anders niet gestoord hebben, Gladys, maar ik wou je even -vragen .... Ik wou die ƒ 500 even hebben, die Maud gisteren voor -broertje’s verjaardag gegeven heeft.” - -„Waarom? .... die zijn immers voor z’n spaarpot? Je hebt verleden maand -pas het geld van de pachten gehad.” - -„Dat vraag ik je niet, nietwaar? Geef me nou gauw even dat geld. Ik heb -heusch geen tijd, en ik moet het noodig hebben.” - -„Waarom?” zeide ze met bevende knieën, voelend dat het bange moment van -explicatie plotseling gekomen was. - -Hij zag haar even aan, verbaasd en onrustig: - -„Waarom? Sinds wanneer moet ik je rekenschap geven van elk dubbeltje, -dat ik uitgeef?” - -„Je weet heel goed, dat ik je nooit rekenschap heb gevraagd!” zeide ze -zacht. „Maar je hebt pas het geld van de pachten gehad, en als je nou -al niets meer over hebt, waar heb je het dan gelaten?” - -Hij was onthutst over hare schijnbare kalmte en haar vragen, die hij -niet verwacht had. Zenuwachtig probeerde hij luchtigjes te spreken. - -„Ik heb gespeeld, en vanavond had ik geen veine, zoodat ik niet genoeg -bij me had. Geef me het geld nou maar gauw, Gladys, ze zullen ginds -niet weten waar ik zoo lang blijf.” - -„Heb je al dat geld verspeeld?” - -„Nou ja, wat zou dat? begin nou in hemelsnaam niet te zeuren, Glad. -Geef me het geld nou als je blieft.” - -„Ik zal het je geven, natuurlijk, als je het noodig hebt, maar op éen -conditie.” - -„En die is?” - -„Dat je me belooft om niet meer te spelen.” - -„Hoe verzin je het! Ik heb niks te beloven en jij hebt geen condities -te maken, dunkt me. Wie is hier de baas? Van wie is het geld, van jou -of van mij?” - -„Van broertje,” zeide ze zacht. - -„Nonsens, een minderjarig kind. Alles, versta je, alles is hier van -mij! alles, en ik zal er mee doen wat ik wil. Ik zal me niet door jou -op den kop laten zitten!” - -Hij begon zich op te winden, trachtend indruk op haar te maken. Maar -uiterlijk bleef ze kalm, al trilde ze van ’t hoofd tot de voeten. - -„Frederik, je weet best, dat er bij mij geen sprake is van op den kop -zitten, maar ik wil de kinderen niet door je laten ruïneeren.” - -„Wat ’n overdrijving altijd met die vrouwen. Die vijfhonderd meer of -minder zal de kinderen niks doen. Wil je ze me nou geven? Anders neem -ik ze .... Ik zou je raden m’n geduld niet langer op de proef te -stellen ....” - -Gladys ging zwijgend naar haar kast om het geld te krijgen. Ze zocht -naar iets om hem te zeggen, iets liefs, of iets ernstigs, of iets -strengs dat hem kon laten voelen dat zijn spelen slecht was, maar ze -vond zoo gauw niets in haar bonzende hoofd. - -Ze gaf hem het bankpapier en toen heel zacht, bijna smeekend zeide ze: - -„Freddy, geloof je toch niet dat het zondig is voor een vader van drie -kinderen, om te spelen?” - -De allusie op het ongeboren kindje leek haar het teerste, dringendste -wat ze zeggen kon, maar het scheen hem niet te treffen. Met ’n zekere -haast stak hij de banknoten in zijn zak en ging de kamer uit. - -En weer luisterde ze hem na, maar ze hoorde de deur niet toeslaan. Nu -ie het geld had, scheen z’n haast om terug te gaan niet zoo groot meer. - -Toen, langzaam daalde in haar neer de kille doodsangst van het -onherstelbare. Haar huwelijk een failure, haar liefde, haar geloof in -geluk verwoest! Ja, dat was het woord: Verwoesting! Alles verwoest! En -machteloos was ze! machteloos, als een klein kind in gevaar. En in de -verte stond het grijnzende schrikbeeld van armoede. O! als het nog maar -voor haar zelf was geweest! Wat kwam het er voor haar nog op aan, nou -toch alles uit was! Maar voor de kinderen! Ze mocht het niet lijdelijk -afwachten dat ze geruïneerd werden. Maar wat kon ze doen? - -Zij snikte onder de duldelooze wreedheid van machteloos te zijn en toch -zich verantwoordelijk te voelen! Maar de wetten in dit land -veronderstelden niet eens dat een moeder zich verantwoordelijk kan -voelen! Die eischten van de vrouw alleen gehoorzaamheid, en aan den man -gaven ze de macht, alsof niet in negentig van de honderd gevallen van -ruïne en ondergang de man de schuldige was! - -Zij pakte haar hoofd met beide handen en snoerde het vast in haar -krampachtige vingers alsof ze het dwingen wilde tot klaarder denken. Ze -had wel eens gehoord dat men een man wegens verkwisting onder curateele -kon laten zetten, maar tot wien moest men zich dan wenden? En ze kon -toch niet zoo maar een aanklacht indienen, zonder zeker te weten of -zijn spelen wel verkwisten was. O! voor zich zelf was ze er vanavond -zeker van! Allerlei kleine dingen hadden het haar al lang laten -vermoeden dat ie speelde en dat hun fortuin sterk was achteruit gegaan. -Maar hoe kon ze ooit zekerheid krijgen? Hij zou haar niet antwoorden -als ze er naar vroeg, en ze kon toch niet stilletjes de brandkast -openbreken om te zien wat er nog over was? Maar waren er dan geen -wetten die de vrouw beschermden tegen den man als hij haar eigen -aangebrachte fortuin wilde doorbrengen? Nee, straks had ie ’t immers al -gezegd: alles, alles behoorde hem; de getrouwde vrouw bezit niets! - -Maar ze was toch met huwelijksvoorwaarden getrouwd. Haar vader had het -absoluut gewild! O! Frederik was er wel woedend tegen geweest, en zij -had er zich toen ook tegen verzet omdat hij arm was en zij rijk. En ze -had gelachen om den wensch van haar vader en ze was er boos om -geworden, omdat ze in die voorwaarden iets ondelicaats, als van -wantrouwen tegenover Freddy vond! Ze was immers zoo trotsch en gelukkig -geweest om hem alles te kunnen geven wat ze had. Hoe kan een jonge -vrouw, die haar eigen reine leven, haar toekomst vol visioenen van -geluk aan een man toevertrouwt, voorzorgen tegen hem kennen voor haar -geld? - -O! wel moest men ter kwader trouw zijn of verregaand onnoozel in -menschenkennis om in ernst te beweren dat het billijk is om het min of -meer voordeelige van de finantieele positie der getrouwde vrouw, te -laten afhangen van haar meerder of minder practisch doorzicht in dit -moment van hoogste illusie en hoogst vertrouwen! Maar haar vader had -doorgezet. Een groot gedeelte van haar bruidschat had hij haar in land -gegeven en bij huwelijksvoorwaarde bedongen dat dit niet zonder hare -medewerking zou kunnen worden vervreemd of bezwaard. - -Meer had hij niet kunnen doen, want ofschoon de wet toestaat dat de -vrouw ook kan bedingen: het beheer over haar roerende en onroerende -goederen, mitsgaders het vrije genot harer inkomsten, Frederik had -hiertegen zoo heftig geprotesteerd, er zich zoo diep beleedigd door -getoond, en Gladys zelf, bedroefd dat men zulke maatregelen van -wantrouwen tegen haar man wilde doordrijven, had zoo gesmeekt en -gehuild, dat haar vader het bij die eene voorwaarde had moeten laten. - -Gladys dacht aan dit alles. Veel wist ze niet van geld en wetten, maar -door haar practische Amerikaansche opvoeding had ze toch meer begrip -van zaken dan de meeste Hollandsche vrouwen. En uit dien akeligen tijd, -toen ze zoo ellendig had gestaan tusschen haar vader en Frederik, kwam -haar vanavond alles weer duidelijk voor den geest. Ze herinnerde zich -nu dat men haar gezegd had, dat zonder die voorwaarde van Praege -onherroepelijk alles met haar vermogen kon doen wat hij wilde, het -verspelen, of .... nog erger, alles, alles! Maar nu kon hij tenminste -dat land niet weg maken zonder haar wil. Op de effecten had ze geen oog -kunnen houden, sinds hun huwelijk had hij die al zoo dikwijls verkocht -en weer andere ingekocht, dat het niet meer uit te maken was, welke van -haar geld waren, maar het land was veilig, goddank! Die goeie, wijze -papa! Misschien zou het nou nog blijken dat juist zijn voorzichtigheid, -waar ze toen zoo boos om geweest was, haar kinderen voor armoede zou -behoeden. - -En de tranen, die ze straks, in haar angst niet had kunnen vinden, -kwamen nu zachtjes op, onder de verteedering van dat denken aan de -zorgende liefde van haar vader. Het was of de gedachte aan dat land -haar ineens van haar grootste angst had bevrijd. - -Maar ze hoorde de trap weer kraken, langzaam, geheimzinnig, alsof -iemand voorzichtig naar boven sloop. Ze luisterde, bang, het moest -Frederik zijn, want de huisdeur was nog niet toegeslagen. Kwam hij weer -bij haar? - -Toen van Praege straks naar beneden was gegaan met het geld in zijn zak -en een zeer voldaan gevoel over zijn handigheid, dat hij het met zoo -weinig scènes en gezeur van Gladys had weten te krijgen, was het hem -ineens ingevallen dat de heeren daarginds wel een oogenblikje konden -wachten: ze bleven toch nog uren bij elkaar, en misschien was het nou -wel het goeie moment om den knoop maar door te hakken met Gladys, over -die kwestie, die hij toch al lang had willen afdoen. Hij had er wat -tegenop gezien, maar vanavond voelde hij zich juist heel flink, na zijn -gemakkelijk zegenvieren over haar. - -„Gladys,” zeide hij binnenkomend, met een soort verlegen deftigheid, -die haar dadelijk met argwaan vervulde. „Nou we toch over die -vervelende geldzaken gesproken hebben, wou ik je nog even vragen .... -ik wou je maar even zeggen .... dat, niet door mijn spelen .... -volstrekt niet, maar enfin, door Amerikaansche fondsen en daling van -effecten, enfin .... daar hebben vrouwen zoo geen verstand van, maar -door allerlei omstandigheden is ons fortuin wel erg ingekrompen en nou -zou het ’t beste zijn, dat we ons land bij Gouda maar verkochten, omdat -de pachten zoo laag zijn tegenwoordig, en dan kunnen we daarvoor in de -plaats effecten koopen, die hooge rente geven. Begrijp je me? Ik zou je -er niet mee lastig vallen, maar het land is van jou en pro forma moet -je dus je handteekening geven. Dat vind je toch zeker goed? Ik heb er -al met den notaris over gesproken.” - -Gladys slikte met kracht de worgende angst neer, die haar keel -samenkneep. Ze wist dat hij loog, dat hij het land wou verkoopen om het -geld in zijn macht te krijgen, om het vrij, naar zijn eigen wil te -kunnen gebruiken en dat zijn naïeve poging om de zaak luchtig voor te -stellen, bedrog was. - -„Nee!” zeide ze zacht. „Ik hecht erg aan dat land, dat ik van papa -gekregen heb ik wil het liever niet verkoopen. En Maud zegt dat soliede -effecten nou toch ook niet veel rente geven, dus dan kunnen we het best -zoo laten.” - -„Maud weet er niks van!” zeide hij ineens driftig. „Vrouwen hebben geen -verstand van geldzaken. En als ik zeg, dat het beter is om het land te -verkoopen, dan is het zoo! Ik vraag je niet om raad, nietwaar? Alleen -maar om je handteekening.” - -Gladys kneep de handen samen tot de nagels diep in haar vleesch -drongen. Voor haar beteekende strijd: pijn en vermoeienis, die ze -haatte, maar ze moest wel, nietwaar? voor haar kinderen? - -„Maar ik wil juist m’n handteekening niet geven, Frederik, heusch niet, -ik kan dat land niet verkoopen. Laten we er maar niet meer over -spreken.” - -„Ja, waarachtig wel! Als ik het verkoopen wil, dan gebeurt het, versta -je? Ik weet niet wat je tegenwoordig bezielt om me het leven zoo lastig -te maken. Maar als ik je nou zeg dat het bepaald noodig is, zul je wel -teekenen, nietwaar?” - -Zij schudde het hoofd en keek hem aan met groote, droevige oogen. - -Toen lachte hij, en ineens was hij bij haar en had haar in zijn armen -genomen en bedekte met kussen haar bloote schouders: - -„Kom Glady dear, wil je me dat pleizier niet doen?” - -Maar zij weerde hem af, heftig, krimpend als van physieke pijn. Dat was -het ergste wat zij nog geleden had, van den man, in wiens liefdekussen -ze geloofd had, deze valsche liefkoozing. Een oogenblik werd ze woedend -onder de beleediging. - -„Nee, ik wil niet teekenen. En ik verbied je het me ooit weer te -vragen.” - -„En waarom?” vroeg hij dreigend. - -„Omdat je speelt, je hebt het me straks zelf gezegd, en je wilt het -land verkoopen en het geld opmaken.” - -„En wat zou dat? als ik het doen wil, zal ik het doen, zonder jou -permissie te vragen. Ik heb geld noodig en ik zal het hebben.” - -„Zonder mijn handteekening kun je het niet krijgen!” - -Hij lachte even, boosaardig, en ze werd bang, ofschoon ze trotsch voor -hem bleef staan. - -„Ja zeker, je vader dacht heel slim te zijn en je met die voorwaarden -en dat land een zekere macht over je fortuin te geven, maar de wetten -hier geven mij een heel andere macht! Ik kan je dwingen ....” - -„Je kunt me nooit dwingen te teekenen!” - -„Dat zullen we es zien! Als je me niet oogenblikkelijk belooft om te -teekenen gaat Mary morgen naar ’n kostschool.” - -„Mary?” Ze zag hulpeloos om zich heen. De verwoesting in haar ziel en -overal rondom, werd hoe langer hoe grooter. Ze was een oogenblik half -bedwelmd door de onverwachte wending van zijn aanval. - -„Ja, en als je dan nog weigert, gaat Hajo ook de deur uit. We zullen es -zien of je dan niet buigen zult.” - -Versuft boog ze het hoofd, en ’t was haar, duizelend, alsof ie straks -ook nog dreigen zou om het kindje dat ze in zich droeg, van haar weg te -nemen. Toen echter stroomde het bloed in brandende stroomen naar haar -hoofd. - -„Je zoudt het hart niet hebben, Frederik, om mij van de kinderen te -scheiden! Je hebt er het recht niet toe!” - -„Ik heb het recht en de macht om alles te doen wat ik wil met mijn -kinderen!” - -„Jouw kinderen?” riep ze hartstochtelijk. „Maar het zijn niet jouw -kinderen! Het zijn de mijne! We hebben ze samen het leven gegeven, maar -ik heb ze gedragen en gekoesterd en lief gehad vóór de wereld nog iets -van hun bestaan vermoedde, ik heb ze gebaard in smarten waar jij geen -begrip van hebt, ik heb ze gevoed, versta je, met het bloed uit mijn -aderen, ik heb koûe nachten bij ze gewaakt en ze opgepast als ze ziek -waren! Welk recht heb je om ze van mij af te nemen?” - -„Alle rechten volgens de wet!” zeide hij koud, wetend dat hij -overwinnaar was. - -Zij duizelde en streek met haar hand langs het voorhoofd, dat leeg -voelde als of ze krankzinnig zou worden. Wat voor mannen waren dat dan -toch geweest, die zulke wetten hadden gemaakt, die de moeder met -machteloosheid vloekten? Wisten die mannen dan geen van allen, dat er -ook verstandige moeders en lichtzinnige vaders kunnen zijn? Ze voelde -zich als in een net, dat hoe langer hoe meer wordt dicht gehaald. Als -ze beloofde te teekenen gaf ze haar kinderen aan armoe over, en als ze -weigerde .... Zonder haar liefde konden die jonge teere schepseltjes -immers niet leven? - -Een oogenblik dacht ze er aan om zich voor Frederik op de knieën te -gooien om hem desnoods met liefkoozingen te verbidden, maar ze wist dat -het toch niets geven zou. Het moest al een lang, vast plan bij hem zijn -geweest: hij wou het geld hebben. Waarom zou ze zich dan die -ontzettende vernedering nog opleggen? - -„Gladys beloof je dat je teekenen zult?” - -Ze wrong haar handen, radeloos zwijgend. - -„Beloof je het? .... anders .... gaat morgen Mary! Dat verzeker ik je!” - -Hij stond vlak bij haar nu, en zijn dreigend fluisteren klonk sissend -in haar hoofd. - -„Ja ....” - -Hij lachte, en wond zijn knevel omhoog en stond nog even naast haar, -dralend. - -Maar zij zag niet op. Het was haar alsof ze krankzinnig zou zijn -geworden als ze hem nu had moeten aanzien. - -Toen begreep hij dat ze elkander niets meer te zeggen hadden en ging -vlug naar beneden, en een oogenblik later sloeg de voordeur toe. - - - - - - - - - -Hilda slenterde langzaam de trappen af, een beetje zenuwachtig, want ze -was op weg naar haar oom om hem haar groote besluit mee te deelen en, -nu het oogenblik gekomen was, zag ze er ineens vreeselijk tegen op. - -Daarenboven was ze vanmorgen toch al uit haar evenwicht. Die ontmoeting -gisteravond met Hervoren hinderde haar en ze was boos op zich zelf, -juist omdat ze het zich zoo aantrok. Onder al de sterke emoties die den -laatsten tijd haar rustige levensdeining tot hooge golving hadden -opgezweept, had ze den indruk van Maarten’s vluchtige ontmoetingen -nooit in volle klaarheid bij zich zelf kunnen nagaan. Zijn beeld had -dikwijls, sinds hun eerste samenzijn, voor haar geest gestaan, maar -vaag, zooals men dingen ziet in de bedding van een woeligen stroom, -waar het bruischende water den bodem telkens onzichtbaar maakt. De -herinnering aan zijn elegant energieke bewegingen en de geheimzinnige -teerheid waarmee hij haar plotseling kon aanzien, wekte tevens een -klein gevoel van blijdschap in haar op, maar dat heel vaag toch nog -was; alleen soms, tusschen al haar onstuimige impressies door, had ze -aan hem gedacht zooals ze vroeger, toen ze kind was, dacht aan een mooi -nieuw boek, dat ze straks mocht gaan lezen, als ze haar moeielijke -sommen afhad. - -Maar zijn zonderling gedrag van gisteravond had haar in eens wakker -geschrokken. Eerst zijn krenkende koelheid, toen bij ’t hondenhok zijn -vraag, weer met dien eigenaardige klank in zijn stem, die van den -beginne afaan, voor haar aan zijn gewoonste woorden beteekenis had -gegeven, en toen, bij ’t afscheid nemen zijn gewild eerbiedigen groet -en zijn blik waarin iets zeer smeekends was geweest. Het had haar erg -getroffen en ze was boos op zich zelf, dat het haar zoo vervulde. Maar -straks had ze immers haar Latijnsche boeken uitgepakt, en als ze nu met -oom gesproken had, ging ze dadelijk aan ’t werk. Dan, meende ze, zouden -al die dwaze fantasiën wel gauw weer op de vlucht zijn gejaagd. - -„Wel Eddy, wat heb je voor bijzonders op die tegels ontdekt?” - -Edward stond voor de groote tegelschilderij, beneden in de gang, met de -handen diep in de zakken en gebogen rug. - -„Och niks, ik sta maar zoo’n beetje.” - -Zij kwam naar hem toe en legde haar hand op zijn schouder; kleine -zenuwrillinkjes kropen langs haar ruggestreng en gaven een slap -wankelig gevoel in haar beenen. Zij bleef bij hem staan, eigenlijk om -zich zelf nog een oogenblik uitstel te geven. Maar toen merkte ze -plotseling dat Edward ook geagiteerd was. - -„Wat is er Eddy?” - -„Och, al dat gezeur over m’n studeeren! Morgen wil papa naar Utrecht om -kamers te gaan zoeken. En nou moet ik wel met het reisplan van Lord -Hampden voor den dag komen en ....” - -„Waarom zie je daar toch zoo tegen op? Je papa is zoo goedig, ik geloof -dat ie je niks weigeren kan.” - -„O! als het geld was of zoo iets, zou ik ’t ook gerust durven vragen, -maar hij is er nou eenmaal zoo bespottelijk op gesteld dat ik ’n mooie -carrière zal maken en, je zult zien, als ik hem vraag of ik een jaar -later aan de academie mag komen, dan krijg je de poppen aan ’t dansen.” - -„Willen we samen gaan? Ik heb hem ook wat te vragen wat ik ’n beetje -.... vervelend vind.” - -„Dat is ’n idee, Hildy.” - -Vertrouwelijk stak hij zijn arm door den hare; hij voelde in den grond -wel, dat zij dapperder was dan hij zelf, en ’t was ook veel gezelliger -om al die onvermijdelijke wijze lessen niet zoo alleen te moeten -aanhooren. - -„Zul je me helpen? Je kunt zoo goed soms in eens iets zeggen.” - -Hilda lachte even. Gewoonlijk was hij zoo zelfbewust, vol kleinachting -voor „de meisjes.” Zijn nederig vragen om haar hulp, en het -complimentje, dat er zoo benauwd uitkwam, gaven haar een kleine -ondeugende voldoening, die haar eigen onrust verminderde. - -„Ja maar dan moet je mij ook helpen.” - -Hij knikte met een lachje van verstandhouding. - -Hilda had tot nu toe, over haar weigering aan Cranz, alleen met Eugénie -gesproken en deze had er zich tegen niemand over uitgelaten. Eigenlijk -waren dus allen nog in het onzekere daarover en Edward bracht -onmiddellijk dit gesprek, waar Hilda zoo tegen opzag in verband met den -gezegelden brief, dien zijn moeder een poosje geleden gezien had. - -„Laten we maar niet gearmd binnen gaan, anders denkt je papa nog dat we -samen om zijn zegen komen vragen!” zeide ze lachend om haar -zenuwachtigheid te verbergen. - -Mijnheer van Starren zat midden in zijn kamer aan het groote bureau -ministre dat altijd bedekt was met heraldische boeken, aanteekeningen, -oude perkamenten en handschriften. Van zijn jeugd afaan waren deze -genealogische studies zijn liefhebberij geweest: dat geduldig en -scherpzinnig wroeten in oude familiezaken om met kleine gegevens groote -geslachtsboomen te reconstrueeren. En hoe ouder hij was geworden, hoe -hartstochtelijker het hem was gaan interesseeren. Van zijn eigen -familie wist hij nu bijna alles, van af den eersten van Starren, die -met Lodewijk den Heilige in 1248 naar ’t Heilige Land was gegaan, tot -aan zijn vader, die in ’t jaar dertig was uitgetrokken. Alle geslachten -volgden elkaar regelmatig op en het archief met de schenkbrieven, -oorkonden en doopceelen, was prachtig in orde. Alleen één schakel -ontbrak: ergens in ’t begin van 1600 was een Godefriedus van Starren -van wien men maar niet bewijzen kon, dat hij getrouwd was geweest en -kinderen had gehad, en dan volgde een Diederik van Starren van wien men -maar niet kon zeggen of hij wezenlijk een kind of een kleinkind van -dien Godefriedus was, ofschoon men het logisch moest aannemen. Al de -laatste jaren had mijnheer van Starren hier naar gezocht en gevorscht, -en ook op dit oogenblik zat hij diep voorovergebogen over een moeilijk -te ontcijferen handschrift, dat misschien eenig licht over die zaak zou -kunnen geven. - -„Oom, mogen we u even storen? We wouen u zoo graag wat vragen.” - -„Ja, wat is er?” - -Voorzichtig legde hij de loep neer, waarmee hij het oude document had -zitten bekijken, en zag haar onrustig aan. Maar toen hij merkte dat -Edward achter haar was, ontrimpelde zich zijn voorhoofd. Edward mocht -hier altijd binnenkomen. Hij was de voortzetting van die rij machtige -voorouders, die in hem weer in nieuwen luister moesten opbloeien! Zijn -bijzijn was dus nooit storend hier in dit kapelletje van eeredienst, -aan het luisterrijk verleden gewijd. - -Op rijperen leeftijd eerst was bij mijnheer van Starren de grenzelooze -familieeerzucht ontwaakt, welke nu zijn eenige passie was. Heftig had -hij toen betreurd, een moment zelfs tot tobbens toe, zijn in pretmaken -verloren jeugd en zijn maatschappelijke onbeduidendheid, die daarvan -het gevolg was geweest. Men had hem even candidaat voor den -gemeenteraad gesteld, maar toen, bij de verkiezingen na zooveel moeite -en kosten, de overwinning, niet behaald was, had hij zich ontmoedigd -voor goed teruggetrokken, al zijn ambitie overdragend op zijn eenigen -zoon, voor wien hij de stoutste toekomstplannen maakte. - -„Papa,” begon Edward, een beetje haperend, onbeholpen, „ik wou u vragen -laten we maar liever niet naar Utrecht gaan .... Ik heb een invitatie -gekregen van lord Hampden om van den winter, op zijn jacht naar Japan -te gaan, en u begrijpt .... dat zou ik erg leuk vinden .... ’t is toch -ook eigenlijk precies hetzelfde of ik nou een jaar later naar de -Academie ga ....” - -Een lang moment zwegen ze allen, toen zeide mijnheer van Starren -langzaam: - -„Dat ben ik niet met je eens, Edward. Het is nou al éen jaar om je -gezondheid uitgesteld, en zoo komt het van het een op het ander. Je -moest die invitatie maar afschrijven.” - -„Maar ’t is ’n eenige gelegenheid! En wat komt het er nou op aan of ik -eén jaar vroeger of later klaar ben?” - -„Maar ’t overvolgende jaar is er misschien weer wat anders, en ik heb -je gezegd dat ik er op gesteld ben dat je flink afstudeert.” - -„Dat zal ik ook wel, als u me nou maar laat gaan.” - -„Het andere jaar is er de maskerade, dan komt er weer niet van -studeeren, en zoo raak je in ’n sleur van pretmaken en luieren, en als -je dan eindelijk aan den gang wilt gaan, ben je er heelemaal uit en -komt er niks meer van werken.” - -„Nee, heusch papa ....” - -„Och, jongen, ik heb het immers zoo dikwijls gezien!”—en toen, met een -plotselinge expansie van gemoedelijkheid, die vreemd afstak tegen zijn -gewonen ironischen toon:—„Natuurlijk, ik begrijp wel dat je ’t nou goed -meent, maar ik heb het zelf immers ondervonden hoe het gaat. Ik ben ook -begonnen, toen ik pas aan de Academie was, met niets uit te voeren, en -later kon ik er niet meer toe komen; maar ’t heeft me, toen ik ouder -werd, altijd razend gespeten! De richting van onzen tijd is nou -eenmaal, dat het ouderwetsche voorname nietsdoen een schande begint te -zijn in de publieke opinie. De man die iets beteekenen wil, niet in de -oogen van z’n leveranciers of van ’n troepje pretmakers, maar in die -van de menschen in ’t algemeen, moet nog iets meer zijn dan de bezitter -van een ouden naam of een volle brandkast! Zoo is het eenmaal, Edward! -En je weet, dat ik allesbehalve met de tegenwoordige democratische -richting dweep, maar in dit opzicht is ze toch logisch. Onze -voorvaderen, die ons geslacht machtig en groot hebben gemaakt, waren -ook onder hun tijdgenooten haantjes de voorsten. Het is onzin om te -zeggen dat God de standen heeft ingesteld. De eerste van een groot -geslacht, was altijd iemand, die slimmer, of sterker, of wreeder, of -wijzer, of brutaler, of rechtvaardiger was dan zijn buren en daardoor -macht over hen kreeg. Het is dus volkomen logisch, dat, als we die -macht willen handhaven, we ook op de eene of andere manier moeten -uitmunten. En daarom moet jij werken Edward, versta je, hard werken! -Van die invitatie wil ik niets meer hooren. Ik verkies niet dat jij -zoo’n nul in de maatschappij gaat worden als ik zelf ben.” - -Hij zeide het met een verlegen lachje, als om het pijnlijke uit zijn -woorden weg te lachen, maar zij wisten dat hij het meende in bitteren -ernst. - -Edward stond zwijgend, spijtig, aan zijn snor plukkend, zonder iets tot -verdediging van zijn plan te vinden. - -Toen vroeg Hilda zacht: - -„Oom, de van Starrens waren vroeger zeker ’n heel flink en eervol -geslacht?” - -„Ja, waarachtig!” - -„En niemand zou het in zijn hoofd hebben gekregen om aan hun eerewoord -te twijfelen?” - -„Nee, stellig niet! Wat denk je wel? Maar waarom ....” - -„Maar als Eddy, die zijn familie zeker geen schande zal aandoen, u nu -zijn eerewoord geeft, dat hij het volgend jaar hard zal werken en zijn -examens zal doen, kunt u hem dan niet laten gaan?” - -Zij probeerde het deftig voor te stellen, maar ineens vond ze het toch -te grappig, dat ze hem zoo midden in zijn teerste plekje had weten te -treffen, en met groote oogen vol lachtinteling zag ze tot hem op en -haar lachen stak hem aan. - -„Je bent ’n verduiveld bij-de-handje ....” - -„Nee, heusch papa, ik geef u m’n eerewoord! Vóór ik een jaar terug ben, -heb ik m’n examen gedaan! Geeft u me dan permissie?” - -De oude heer knikte, in den grond blij dat hij zijn lieveling zijn zin -kon geven, zonder de toekomst in gevaar te brengen. - -„Nou, goed dan! Maar denk er aan, ik heb je eerewoord, van Starren!” -zeide hij met komische plechtigheid. „En wat hadt jij te vragen, Hilda, -of kwam je alleen mee als advocate van mijnheer m’n zoon?” - -„Oom, ik wou u juist het omgekeerde van Edward vragen. Ik wou juist zoo -graag gaan werken, als u het goed vindt?” - -„Werken?” - -„Ja, het fladderleven begint me ’n beetje te vervelen. Ik wou, als u ’t -goed vindt, in de rechten gaan studeeren.” - -„Maar kind, hoe heb ik het nou met je?” - -Edward liet zich achterover vallen, in een fauteuil met overdreven -gebaren van schrik. - -„Ja, u zult het idee misschien nog wel wat vreemd vinden, maar dat went -wel?”—En zij lachte. - -Mijnheer van Starren zag haar aan, onrustig, streng, bang dat zij hem -voor den gek hield. - -„Ik begrijp je niet goed .... Wat meen je eigenlijk? ....” - -„Wat ik u gezegd heb. Het fladderleven verveelt me, en ik wou graag -advocaat worden!” - -„Dat is geen vrouwenbaantje! Dat is nog nooit door een vrouw vertoond.” - -„O! ja wel, oom, in Amerika zijn een massa vrouwelijke rechtsgeleerden -tegenwoordig! en vroeger zijn er ook altijd geweest: in de middeneeuwen -waren er veel burchtvrouwen [13] en abdissen van kloosters, die -privilege van rechtspraak hadden en als magistraten op haar eigen -grondgebied mochten optreden! [14] U ziet er is niets nieuws onder de -zon.” - -„Maar kind, ik begrijp niet hoe je aan zulke onzinnige idees komt! De -menschen zullen er je om uitlachen, en je zult er niks dan verdriet van -hebben.” - -„Oom mag ik u iets zeggen?”—En zijn woorden van straks, tegen Edward -overnemend met de kleine veranderingen, die noodig waren zeide ze -ernstig: „De richting van onzen tijd is nu eenmaal dat het ouderwetsch -voorname nietsdoen als zich amuseeren, een schande begint te zijn in de -publieke opinie. De vrouw, die iets beteekenen wil, niet in de oogen -van haar modiste of een troepje salondametjes, maar in die van de -menschen in ’t algemeen, moet nog iets meer zijn, dan de bezitster van -een mooi gezichtje en juweelen en een volle brandkast!” - -„Dat heb ik straks tegen Edward gezegd van den man ...” - -„Vindt u niet dat het eigenlijk even goed op de vrouw moet en kan -worden toegepast? Eigenlijk op ieder mensch?” - -Hij haalde de schouders op en bleef haar verwonderd zitten aankijken: - -„Je weet niet wat je gaat beginnen, Hilda! Heb je wel es gedacht aan de -mogelijkheid dat de studenten en zelfs de professoren je onbeleefd -zouden behandelen!” - -„Dat zullen ze niet doen! Gelooft u dat ze hier nog zoo achterlijk zijn -....?” - -„Wel natuurlijk! Je kent de wereld niet. Geloof maar dat de verhouding -tusschen man en vrouw heel anders wordt of zij tegenover elkaar staan -in een salon of in een collegekamer ....” - -„Wel!” zeide Hilda uitdagend, „dan wordt het hoog tijd dat de meisjes -uit de balzalen naar de collegekamers gaan om daar ook een beetje -goeden toon te brengen. ’t Zou toch al heel erg zijn als onze -aanstaande rechters en ministers niet eens wisten hoe een meisje te -bejegenen, dat nog iets anders verlangt te doen, dan zich te amuseeren. -Maar dat geloof ik ook niet!” - -„Natuurlijk,” zeide mijnheer van Starren. „Je begrijpt toch wel dat de -jonge lui je gewoon bespottelijk zullen vinden?” - -„Nee oom, dat zie ik niet in! Een vrouw, die werken wil, waarin ook, is -evenmin bespottelijk als een man. Het komt er maar op aan hoe of ze -zich gedraagt, en ik zal wel zorgen, dat ik mij niet bespottelijk -aanstel, dat verzeker ik u!” - -Een oogenblik zwegen zij. Mijnheer van Starren vond het ontzettend -lastig. Sinds jaren was hij gewend alles wat zijn dochters betrof, met -een ironischen lach van zich af te schuiven: „Daar moet mama maar voor -zorgen, aan dameszaken waag ik me liever niet!” Maar wat nu te doen met -zijn zonderlinge pupil? - -„Dus u vindt het goed?” vroeg ze overredend. - -„Goed? Nee, ik vindt het volstrekt niet goed! ik vind het onzinnig! -Maar natuurlijk, ik zal je niet tegenwerken, als je ’t bepaald wilt -doorzetten. Het volgende jaar ben je meerderjarig, dus dan zou je het -toch kunnen doen, en je moet het dan ook zelf maar weten.” - -Hilda stond op. Zij had immers voorzien, dat ze geen sympathie zou -ontmoeten! dus dit was voldoende: geen tegenwerking. - -„Dank u wel, oom.” - -„En wanneer ga je naar de academie?” vroeg hij spotlachend. - -„Omdat ik al grieksch en latijn ken, denk ik wel dat ik ’t volgend jaar -m’n staatsexamen zal kunnen doen. U vindt zeker goed, dat ik -privaatlessen neem?” - -„Doe zooals je wilt, als je mij later maar niet de schuld geeft van dat -dolle plan.” - -„Dat beloof ik u! Maar laat ik u nu niet langer ophouden.” - -Zij stond bij de deur met den knop in de hand. - -„Hilda, hoor nog es even.” - -„Wat belieft u?” - -„Weet je wel, dat, als je deze meisjesgril doorzet, je je -huwelijkskansen vreeselijk vermindert?” - -„Mijn kansen op een gelukkig huwelijk niet,” zeide ze zacht, „want -alleen zou ik gelukkig kunnen zijn met iemand die ’t in mij liefhad, -dat ik verlang een werkende vrouw te zijn, in plaats van ’n -salonvlinder.” - -Mijnheer van Starren glimlachte geheimzinnig, overtuigd, door de -kibbelpartijtjes, die hij tusschen Hilda en Eugénie had opgemerkt, dat -hij een gevoelige snaar ging treffen: - -„Ik geloof niet, dat bijvoorbeeld, de jonge Cranz erg gesteld zou zijn, -op ’n advocate als verloofde!” - -Hilda rekte zich lang uit, genietend in den triomf van haar antwoord: - -„De opinie van mijnheer Cranz is me volkomen onverschillig, oom! Ik heb -hem juist dezer dagen geschreven, dat ik ook veel liever had dat ie me -niet als verloofde verlangde.” - -„Heb je ’m bedankt?”—riep Edward in onbesuisde eerlijkheid.—„Dat is -kranig van je!” - -„Heb je ’m bedankt? Maar kind .... Hoe kwam je daartoe? Waarom niet es -eerst raad gevraagd? ....” - -„Daar kon immers niemand me in raden. Ik kon toch alleen zelf oordeelen -of ik hem liefhad!” - -„Nou ja, .... liefhebben .... Maar weet je wel dat er zich nooit meer -zoo’n partij zal voordoen ....” - -„Ik verlang geen goeie partij! Ik verlang liefde, en als ik de echte -niet vind, wil ik er de prullige namaak ook niet van!” - -„Kind, kind, wat ’n theorieën allemaal! En wat stel je je dan toch -voor? Dat die rechtstudie nou zoo iets verrukkelijks is, dat je daar -het grootste geluk in zult vinden?” - -Hij wierp haar zijn woorden toe, driftig, maar zij bleef onbewogen: - -„Ik stel me voor dat die rechtstudies heel droog en vervelend zullen -zijn! Dacht u heusch, dat ik nog zoo onnoozel was, om me een -meestertitel, op zich zelf, als een geluk voor te stellen? Natuurlijk -is hij voor mij ook maar een middel, geen doel! ’t zal ’n soort sleutel -zijn van een poort, die toegang geeft tot een prachtig arbeidsveld.” - -Mijnheer van Starren zuchtte. Ontzettend onaangenaam vond hij ’t, dat -zijn pupil, die hij lief en mooi had gevonden, in de weinige uren, dat -hij haar zijn aandacht had gewijd, nu zoo onverwachts zulk een heel -anderen kant van haar karakter liet zien. - -„Allemaal utopieën! idiote utopieën! kind! Geloof me! Als je met die -soort van dingen gaat dwepen zul je niks dan teleurstelling en getob -hebben!” - -Maar toen, geprikkeld door het eeuwige refrein van „Utopie” antwoordde -Hilda ongeduldig: - -„Oom, ik vind het heerlijk dat u het utopieën noemt! Want wat zijn -utopieën? Nieuwe gedachten waar men nog niet aan gewend is; en wat is -een nieuwe ontwikkelingsperiode anders dan een reeks daad geworden -utopieën! Is het niet waar? door alle eeuwen heen is het zoo gegaan. -Geen genie op moreel of practisch gebied is er ooit geweest, dien men -niet voor utopist heeft uitgemaakt, en zijn nieuwe ideeën voor -onmogelijke droomen uit het schimmenrijk! Mijn vader zei altijd: dat -bewijst alleen dat diegenen die de wereld droomers noemt, dikwijls -klaar wakker zijn, en dat de zoogenaamd wakkere en nuchtere menschen -slapen! Maar laat ik u nu niet langer storen. Dank u wel dat u mij m’n -gang wilt laten gaan.” - - - - - - - - - -Hilda had onmiddellijk na het gesprek met haar oom haar Latijnsche -boeken van boven gehaald, in een passie om dadelijk met werken te -beginnen en nieuwsgierig om te zien of ze dezen winter niet te veel -vergeten had. Ze zat in de tuinkamer, in haar geliefkoosd -schommelstoeltje en wiegde zachtjes op en neer. Het was toch wel -prettig zijn gedachten weer zoo eens rustig heelemaal op éen punt te -vereenigen! - -Eugénie kwam binnen. Wat zag ze er weer ellendig uit vanmorgen! Al die -staal en die rauwe biefstuk hielpen toch niets. Zwijgend ging ze naar -de piano—blijkbaar wist ze nog niets van Hilda’s plan—en begon een -Nocturne van Chopin, die zij instudeerde voor éen van de soirées van -Valérie Vermaezen’s bruiloft. Zij speelde goed, correct, met de -oppervlakkige bravoure, die lange uren van studie en dure lessen kunnen -geven. Zij liet zich nooit bidden; zoodra hare mama, die niets van -muziek begreep, maar heel trotsch was op haar dochter’s spel, vroeg om, -„dat beeldige dingetje, och, je weet wel,” stond ze altijd dadelijk op, -gedwee, wetend dat het zoo hoorde, en begon te spelen na het -gebruikelijke zinnetje: „dat ze in geen eeuw gestudeerd had.” Van wat -er echter verteld werd in die tallooze nootjes van teerheid en weemoed, -van hartstocht, en onrust daarvan had ze nooit iets verstaan. - -Voor de twaalfde maal begon ze nu weer die negen lastige maten, triolen -tegen zestienden, en weer ging het niet volkomen goed. - -Plan! .... - -Met haar beide handen sloeg ze wild op de toetsen, die het -uitschreeuwden met een valsch gekerm. Toen bleef ze bleek en moedeloos -een oogenblik stil zitten. Hilda zag naar haar op, een beetje -verschrikt, maar toen kwam Corry ineens binnengehold, heel zenuwachtig! - -„Gut meisjes, luister es! Hij is tòch gekomen! Hij is binnen bij papa! -Boven aan het raam zag ik hem juist uit het rijtuig stappen! O! ik ben -zoo blij! Voel mijn handen es, Eus, ijskoud hê? O! als papa nou maar -niet raar doet ....” - -„Wie bedoel je?” riep Hilda gespannen. - -„Von Görtzen natuurlijk!” - -„Natuurlijk!” zeide Eugénie, langzaam, heel droog zoodat niemand recht -kon begrijpen of het ernst was of ironie! „Natuurlijk is het von -Görtzen, en niet Rooselaar. Welk meisje van dezen tijd gelooft nou nog -aan liefde? Een kroontje en vooral een geldzakje! Dat zijn de idealen -voor de teedere meisjesharten uit onze wereld.” - -„Eus, zeur nou niet!” zeide Corry driftig. - -Hilda keek weer in haar boek: En eergisteren was ze nog zoo lief tegen -Rooselaar geweest! - -„Had hij je gezegd dat ie komen zou?” vroeg Eugénie. - -„Ja, gisteravond bij Gladys zei hij wel zoo iets, maar hij had al zoo -dikwijls allerlei dingetjes gezegd, dat ik er toch maar half op -rekende.” - -Toen zwegen zij, gespannen. Corry liep rond, bijtend op haar kanten -zakdoekje, geen minuut stil, radeloos nerveus en Eugénie vanaf haar -pianokrukje, zat haar somber aan te staren. - -„Freule Corry, mijnheer laat vragen of u even bij hem wilt komen,” -zeide de knecht. - -„Heel goed, Johan.” - -Toen, kalm ineens, met die plotselinge zelfbeheersching die men soms -bij de meest zenuwachtige vrouwen vindt, stond Corry op uit de chaise -longue, waarin ze zich de laatste minuten gewenteld had. De bewegingen -van haar elegant figuurtje hadden plotseling iets verstijfds, er was -iets deftigs over haar gekomen in dit éene oogenblik. Even ging zij -voor den spiegel en streek de donkerblonde kroesjes een beetje terug -van het voorhoofd, en toen, hoog opgericht met vaste langzame stappen, -ging ze de kamer uit, haar vroolijke kinderoogen heel koel nu, met den -strakken blik van eerzucht, waarmee ze voortaan, het leven door zou -gaan. - -Hilda zuchtte een zwaren zucht en Eugénie begon haar stuk weer van -voren af aan. - -Maar de moeielijke passage mislukte nu volkomen. Hardnekkig begon ze op -nieuw, altijd maar weer op nieuw. Eindelijk ging het een paar maal -goed, maar toen was het weer totaal mis. - -Woedend smeet ze het boek dicht, sloot de piano en kwam vlak voor Hilda -staan. - -„Geloof jij nou dat kunst veredelt?” - -„Ja zeker.” - -Hilda zag op, glimlachend om de naïeve gewetensvraag die zoo -onverwachts op haar werd neergeslingerd. Maar sinds haar explicatie -samen over Cranz, deed Eugénie telkens zulke vragen. Zij was -voortdurend heel lief tegen haar, maar behandelde haar nu ook ineens -als een soort orakel waarvan zij op alles, wijze antwoorden wilde -ontvangen. - -„Nou ja, het wordt altijd wel gezegd, maar zou het waar zijn?” drong -zij aan. - -Hilda verliet haar makkelijke houding van lezen. - -„Ja zeker!” zeide ze warm. „Kunst, tenminste voor ons dilettanten, -beteekent eigenlijk: heel groote liefde voor alles wat mooi is! En het -mooie en het goede, het edele, zijn immers au fond hetzelfde? Kunst -ontwikkelt, wekt in ons op het gevoel voor het mooie, onze behoefte er -aan, ons verlangen er naar, en juist dat verlangen werkt veredelend. -Want mooiheid in lijnen en vormen, en klanken en kleuren en woorden -noemen wij Kunst, en mooiheid in gedachten en gevoelens en daden noemen -wij Deugd! en daarom zijn deugd en kunst ten slotte eigenlijk voor wie -het leven rijk en breed willen opvatten, twee woorden met éénzelfde -beteekenis, d.i. Liefde tot Volmaaktheid. Daar waar goedheid en -schoonheid dan ook als heel aparte dingen worden beschouwd, krijg je -altijd onsympathiek eenzijdige wezens; daar krijg je òf een type van -dorheid en koû, en bekrompen braafheid, bij wie kunst als iets -vijandigs, zondigs wordt beschouwd, in wiens nabijheid men zich schaamt -te lachen of een bloem en een zonnigen hemel te bewonderen, òf wel een -even akelig type van menschen, vol holle phrasetjes over kunst, die hun -huizen met artistieke lapjes en prulletjes mooi maken en zuchten van -aesthetisch gevoel, maar hun innerlijke leven arm en leelijk laten! En -beiden zijn even ver van een waarachtig edel menschtype verwijderd. -Want levensharmonie wordt alleen daàr geboren, waar mooiheid in alle -dingen, zoowel in die van het inwendige als in die van het uitwendige -leven wordt gezocht, m.a.w. dáár, waar men schoonheid en goedheid -liefheeft, als één begrip.” - -Eugénie had met nieuwsgierige aandacht naar deze, voor haar nieuwe -gedachte geluisterd. Maar toen werd ze ongeduldig ineens: - -„Nou ja, je vat alles ook altijd zoo zwaar op. Natuurlijk veredelt -liefde voor echte prachtige kunst. Ik heb ook wel es bij mooie muziek -en mooie schilderijen ’n gevoel gekregen, dat er nog wat hoogers in de -wereld was om over te denken, dan onze gewone -koetjes-en-kalfjespraatjes en dat doet je altijd wel goed, maar ik -bedoelde straks meer, het pianospelen en schilderen dat wij zoo doen, -wij meisjes ....” - -Hilda lachte even: - -„Nou zie je, of jij nou nog zoo vlug loopjes kunt maken en al schildert -Corry een millioen vierkante lapjes met landschappen en stillevens, ik -geloof heusch niet, dat jullie daar een kriezel edeler of gelukkiger -door zult worden! Maar dat kun je ook eigenlijk geen kunst noemen.” - -„Vind je het dan eigenlijk nonsens?” - -Hilda was op het punt om uit den grond van haar hart ja te zeggen, -denkend aan al die ontelbare uren, die aan zooveel interessanter -vruchtbaarder werk hadden kunnen worden besteed en geen ander resultaat -hadden gehad, dan wat slecht schilderwerk van Corry en van Eugénie dit -brillante, onbeduidende spel. Maar zij bedacht zich en antwoordde -voorzichtig, zoekend naar woorden die duidelijk zouden zeggen wat zij -al zoo lang in stilte had gevoeld: - -„Ja eerlijk gezegd, geloof ik wel dat al dat dilettantische kunstgedoe -meestal erge nonsens is! Maar het hangt er heelemaal van af hoe je het -opvat: als de dilettanten hun kunstbeoefening wilden gebruiken als -middel om zich zelf te ontwikkelen en hun rusturen mooi te maken zou -het uitstekend zijn. Muziekmaken, vooral zingen, oefent het gehoor, -versterkt de muzikale intelligentie, en het vermogen om de -meesterstukken te begrijpen, en daarbij is ensemble spelen een lief -mooi gezelschapspel, onder jonge lui en in ’t huisgezin. En teekenen -oefent het oog en de hand, leert nauwkeuriger opmerken, de natuur beter -kennen, met schilderen kan men allerlei dingen in huis aardig -versieren, en het gevoel van afstanden, lijnen en kleuren, dat er door -ontwikkeld wordt, komt in het leven bij alles te pas. Maar zooals nu de -meisjes haar „aan kunst doen,” dikwijls opvatten, niet als middel maar -als een doel, een levensvulling, och arme! bij gebrek aan beter, is het -heusch erbarmelijk! Daar zitten ze, uren en uren zich uit te sloven, -met een krachtsinspanning, een volharding, een betere zaak waardig, en -ze weten allemaal dat er toch nooit iets waarachtig goeds, iets boven -het middelmatige uit haar worden zal. Maar toch gaan ze voort met -verwoeden ijver! Het is met dat penseelen en vingeroefenen zoo ongeveer -net als met het tennissen en wielrijden. Als je die dingen gebruikt om -beweging in de frissche lucht te nemen en je te ontspannen na ander -werk, zijn dat ook verrukkelijke uitvindingen, maar als je bij wijze -van levensdoel dag in dag uit gaat staan tennissen of op een fiets zit, -wordt het bepaald degoutant! Dat vind ik tenminste ....” - -Eugénie draaide zich om en ging voor het raam staan, zenuwachtig een -deuntje neuriënd dat zij accompagneerde met trommelen op het glas. - -Toen, na een poosje zeide Hilda peinzend: - -„Zie je, vroeger heeft papa mij ook veel muziek laten maken en -teekenen, en op reis heb ik zelfs nog lessen gehad van allerlei -beroemde meesters. Want papa vond, dat iedereen in de gelegenheid moest -worden gesteld om te zien welke aanleg in hem zit. En toen het bleek -dat ik niet zonder gave was—want anders was ik er dadelijk mee -uitgescheden—maar dat ik gewoon, wat de menschen noemen: „een beetje -talent had”, liet hij mij doorwerken met goeie lessen, tot ik hem ’s -avonds onze lievelingsmuziek kon voorzingen en spelen en dat ik -krabbelingen kon maken van dingen, die wij op reis aardig vonden. Maar -later, toen ik eens de moeielijkheden van het begin overwonnen had, wou -hij volstrekt niet meer dat ik uren lang zou zitten blokken, om een of -ander salonstuk machtig te worden of een niet al te onverdienstelijk -stilleven voort te brengen. Integendeel, later had hij veel liever dat -ik mijn meesten tijd besteedde aan ’t lezen van dingen, waar we samen -heerlijk over konden praten en die mij een klein beetje meer begrip van -het leven konden geven....” - -Eugénie kwam ineens, met driftige stapjes, terug van het venster, pakte -Hilda bij de schouders en schudde haar heftig heen en weer, terwijl ze -tusschen de vastgeklemde tanden siste: - -„Waarom .... heb je .... me .... dat .... nooit .... eerder gezegd?” - -Hilda zag op, glimlachend, meenend dat Eugénie scherts met haar aanval -bedoelde, maar toen ontroerde ze, en staarde angstig in het -zenuwtrekkend verwrongen gezicht vlak boven haar hoofd. Een oogenblik -had zij den duidelijken indruk dat ’n ander wezen, ’n wild wreed wezen, -door Eugénie’s oogen op haar neerkeek en met een huivering trachtte ze -zich los te maken. - -Het was een korte worsteling, toen, met een smak wierp Eugénie haar -achterover in den stoel en holde snikkend den tuin in. - -Roerloos bleef Hilda even zitten, heftig ontsteld door de onverwachte -scène. Zij begreep het eerst niet, ze was verschrikt, boos, en haar -schouders wrijvend, waar de stijf geknepen vingers pijnlijke plekken -hadden gekneusd, stond ze op om Eugénie te volgen en haar rekenschap te -vragen. Maar toen, op eenmaal, had ze als een visie van heel Eugénie’s -leven en ze zag dat ze onbewust wreed was geweest. In dat -meisjesbestaan zonder éen enthousiasme, zonder éen plicht, en zonder -bestemming, was het vlugge pianospel nog de eenige trots geweest, het -eenige, dat haar de illusie had gegeven toch iets te kennen, iets te -zijn, en nu was ook dat haar ontnomen. Hilda had spijt. Was ze te hard -geweest? Maar dat Eugénie met die vraag over het veredelende van kunst -zoo ineens voor den dag was gekomen en zich haar antwoord dadelijk zoo -verschrikkelijk had aangetrokken, was immers het beste bewijs hoe ze -zich in stilte al lang onvoldaan moest hebben gevoeld. Als Hilda het -haar vandaag niet gezegd had, zou zij morgen toch uit zich zelf zich -bewust zijn geworden van het leeg doellooze van al haar gespeel. Maar -wat moest ze nu doen om haar te troosten? Ze zou naar haar toe gaan, en -haar zeggen .... wat? Wat kon er gezegd worden? Niemand kon op dit -oogenblik iets doen voor Eugénie; zij moest haar eigen strijd -uitstrijden. - -Toen draaide Hilda zich langzaam om en raapte het boek op dat straks -gevallen was. Ze moest nu maar eerst hard werken, dat ze gauw met haar -studies klaar was, heel gauw! O! ze zou vreeselijk hard werken! En als -ze dan haar meestertitel had, die in de oogen der wereld een voetstuk -is,—de wereld is zoo dol op titels en graden—dan zou ze van af dat -verhevenheidje het uitroepen .... uitschreeuwen als het moest—: -„Ontwaakt dan toch! jullie meisjes van bij de dertig! Voel je dan niet -dat je vrouwen bent in de kracht van je leven! en dat je dat leven niet -gegeven is om min of meer aardig zoowat te liefhebberen in kunst! Voel -dan toch je verantwoordelijkheid als arbeidster in de maatschappij, die -in deze overgangsperiode alles gebruiken kan, wat je maar aan verstand -en hart hebt gekregen! - -En de meeste meisjes zouden glimlachen en schouderophalend voorbij -loopen, maar enkelen zouden naar haar luisteren, en van die enkelen zou -groote kracht uitgaan. - - - - - - - - - -Corry’s engagement met von Görtzen was tot September geheim gebleven, -dat wil zeggen een publiek geheim, want de eerste dagen had zij niets -gedaan dan vertrouwelijke briefjes schrijven. Zij hadden het saai -gevonden om het met Augustus publiek te maken, toen haast al de -kennissen uit de stad waren, maar nu, begin September, nu iedereen weer -zoo wat thuis was, vooral dit jaar, om de bruiloft van Valérie -Vermaezen, hadden zij het op een groot feest bekend gemaakt en spoedig -zouden zij nu aanteekenen en trouwen. Het had ineens een verbazende -drukte gegeven, beraadslagingen, besprekingen in het oneindige, en -Hilda had daarvan in stilte genoten, omdat het de aandacht zoo volkomen -afleidde van haar eigen schrikwekkend besluit. Alleen één morgen had ze -een heftige scène met haar tante gehad, met al de bedreigingen en -klachten die bij de omstandigheden pasten: „Zij gooide zich weg, geen -goed huwelijk zou zich meer voordoen, ze zou een schande zijn voor de -familie!....” - -Maar toen Hilda, onbewogen, den storm over zich had laten heengaan, was -het er bij gebleven. Corry’s druktes hadden alle gedachten gevergd en -Hilda had, met Corona’s hulp, privaat lessen gevonden en ’s morgens -rustig op haar kamer zitten werken. - -„Hilda stoor ik je erg?” - -Eugénie stond aarzelend aan de deur. - -„Nee zeker niet.” - -Zij kwam dicht bij haar zitten: - -„Hildy, waarom ben je toch zoo kil tegen Cor?” - -Hilda kleurde: - -„Daar kan ik niks aan doen, Eus. Ik vind dat ze infaam gehandeld heeft -en nou kan ik niet lief tegen haar zijn!” - -Eugénie dacht even na. Vooral sinds Mathilde van de Bransen, Corry’s -intiemste kostschoolvriendin, uit Utrecht, was komen logeeren, was -Hilda’s strakheid in ’t oog vallend. Al de vriendinnen waren vol -plagerijen en complimentjes, iedereen had lieve woordjes voor het jonge -paar, al sprak men er ook nog zooveel kwaad van achter zijn rug, -iedereen bracht hulde aan de aanstaande gastvrouw van het Majoratsgut -in Silezië, alleen Hilda was stil en stug. - -„Nou ja, wat gaat het je eigenlijk aan. Laat ze doen wat ze wil! Als je -je al de zaken van andere menschen wilt aantrekken, heb je geen leven -meer.” - -„Weet je ’t van Rooselaar?” - -„Nee?” - -„Zoodra ie ’t heeft gehoord, heeft ie in ’n vlaag van wanhoop z’n -familie, z’n mooie vooruitzichten, alles in den steek gelaten en is -naar de Transvaal gegaan.” - -„Wezenlijk? .... hoe naar!” - -„Ja, heel naar!” - -Eugénie zat even stil, getroffen, toen op haar ouden cynischen toon: - -„Nou ja, maar waarom is ie dan ook zoo stom geweest om er in te -loopen?” - -„Hê Eus, hoe kun je nou toch zoo iets zeggen! Hij moest er immers -inloopen, omdat Corry heusch van hem hield tenminste .... voor zoover -zoo’n poppenzieltje tot liefde in staat is! En dat vind ik juist zoo -afschuwelijk in haar dat ze eerzucht boven liefde heeft gesteld. Zie -je, er wordt tegen mij nu heel wat gezeurd over „onvrouwelijkheid,” -maar dàt vind ik nou onvrouwelijk, in de ergste beteekenis! Edward was -er in de eerste dagen ook woedend over, en dan kwam ie hier bij me -zitten razen, maar ik geloof dat je mama hem es flink de les heeft -gelezen en von Görtzen heeft nou zijn hart gestolen met de vrije -beschikking over z’n paardenstal, en nou is ie heelemaal tam! Och ja, -’n beetje heilige verontwaardiging minder en ’n beetje wereldwijsheid -meer, zoo moet je er komen!” - -Hilda had het bitter gezegd. Haar gemoed was gemaakt om sympathie met -stroomen uit te deelen, om vroolijk te zijn, en lief te hebben, en zij -leed er onder zich zoo alleen, in opstand, ver van al de anderen te -voelen. - -„Och, misschien dat men het op den duur met jouw heftige, eerlijke -verontwaardiging nog verder brengt dan met mama’s practisch cynisme, -maar menschen als wij hebben nou eenmaal de kracht niet om je op dat -pad te volgen. Eddy vindt je au fond wel erg kranig, geloof ik, maar ’t -is zoo veel makkelijker, zie je, om verstandig te zijn en je den boel -niet aan te trekken. En jij bent toch ook soms wel erg overdreven, neem -me niet kwalijk! Maar weet je waarom ik nou eigenlijk bij je kwam? Om -je ernstig aan te raden om weer aardig tegen Corry te zijn.” - -„Waarom? Tegen von Görtzen ben ik natuurlijk beleefd, maar ’t is me -niet mogelijk om hartelijk tegen haar te zijn. Haar heele leven gaat -nou eén leugen worden, want ze houdt heelemaal niet van Ferdinand, en -ik vind het een walgelijke geschiedenis.” - -„Nou maar, ik waarschuw je! Denk je niet, dat het Corry vreeselijk -begint te hinderen? Het herinnert haar onophoudelijk datgene, wat ze -juist met alle kracht wil vergeten, en alles wat tegenwoordig pijnlijk -op haar zenuwen werkt, zet zich om in woede tegen jou. En ze zal zich -wreken! - -„Geloof je?” - -„Ja zeker! je wou immers dat voorloopig je plan voor de wereld geheim -bleef, tot je ’t volgend jaar je examen gedaan hebt? Nou maar, ik kan -je dan zeggen, dat Corry overal rond gaat en het uitfluistert met -venijnige lachjes vol suggesties van iets heel belachelijks. En -Ferdinand doet mee. Hij heeft natuurlijk èn als Duitscher èn als -conservatief aristocraat een vreeselijken hekel aan emancipatie. Zulke -mannetjes vinden alles wat op vrijheid lijkt horrible, behalve voor -zich zelf. En hoe vinniger Cor er nou over praat, hoe aardiger hij haar -vindt, en ik zie nog aankomen, dat ze je al bij de kennissen onmogelijk -maken.” - -Hilda zat zwijgend, driftig op haar pennehouder bijtend. Deze eerste -aanraking met de wereldwreedheid maakte haar innerlijk wild van -opwinding. Ze had het wel vooruit geweten dat men haar uitlachen zou! -Maar het deed toch meer pijn, dan ze gemeend had, nu ’t oogenblik -gekomen was. - -„Natuurlijk, meisjes als Corry worden gevierd en ik word uitgelachen!” - -Ze stond op en rekte zich lang uit in een spannen van al haar spieren, -alsof ze haar krachten tegen den strijd wilde meten. En toen ineens, om -de beklemmende emotie te uiten die haar keel toekneep, danste ze de -kamer door, wilde Tarantellapassen, die ze in Italië geleerd had, tot -ze eindelijk hijgend voor Eugénie staan bleef en haar omhelsde. - -„Dank je wel Eus, dat je ’t me gezegd hebt! Maar ik kan er niets aan -doen, laat ze dan in godsnaam maar lachen!” - - - - - - - - - -Valérie Vermaezen’s bruiloftsfeesten waren schitterend. Het groote -buiten bij Wassenaar, Vreugdhof, leende er zich zoo goed toe, en het -weer was nog zoo mooi, dat den avond van het vuurwerk de dames zelfs in -haar lichte kleedjes en bloote hoofden hadden kunnen buiten loopen. - -Eugénie en Edward, in hun qualiteit van bruidsmeisje en bruidsjonker, -waren al vroeg ’s middags naar Vreugdhof gereden. Er zou dien avond een -groot bal bij de Vermaezens zijn, ter eere der beide jonge paren en er -moest nog allerlei voor den Cotillon worden klaar gemaakt. De overige -familie werd eerst met al de andere gasten ’s avonds tegen half tien -verwacht, en von Görtzen, met zijn vriend van Smaarth en Betty de -Mureaux dineerden dien middag bij de van Starrens om na het eten allen -te zamen naar buiten te rijden. - -Het was een vroolijk dinertje. Van Smaarth, die den laatsten tijd, -sinds ze uit Zwitserland terug was, telkens met Ottilie van Heemeren -gekibbeld had, was uitgelaten door reactie en maakte uit depit Mathilde -van de Bransen het hof. - -Zij was een lang mager meisje, met een spits gezichtje, bleek, met -fletsbruin getinte kringen van zomersproeten om de oogen. Zij behoorde -tot de rijkste partijen van Utrecht en voelde zich ontzettend. Haar -levensillusie was om in Engeland te trouwen op een groot landgoed en in -afwachting daarvan legde ze er zich op toe om zooveel mogelijk in alles -Engelsch te zijn, van af haar kleeding tot haar High Church-sympathiën -toe. In Utrecht werd ze onder de jongelui erg stijf en vervelend -gevonden, maar in deze Haagsche bruiloftomgeving was ze hoe langer hoe -losser geworden, en vanavond was ze zelfs wat opgewonden tegen van -Smaarth, dien zij voor ’n Hollander erg aardig vond: „bijna jammer dat -ie geen Engelschman was.” - -Aan het dessert had de champagne gesprankeld en de stemming onder een -hoogere atmosfeer gebracht. Er kwam iets luidruchtigs, iets baldadigs -in den toon, men zocht naar iets prikkelends om te kunnen blijven -lachen. - -„Heb je die japon van Belle Pankaert gezien gisterenavond?” zeide -Corry. „Ik begrijp niet dat je niet bedankt als je niet beter voor den -dag kunt komen. ’t Leek wel roggenbrood met bessensap.” - -„Zeker symboliek freule,” riep van Smaarth. „Roggenbrood beteekent -armoe en bessensap haar voorland: ’t besjeshuis.” - -„Dan waren die onmogelijke gitjes aan haar hals zeker krentjes, die de -krenterigheid van mama verbeelden.” - -„Nou, ik geloof niet dat haar moeder gierig is, maar zoontjelief kost -nog al wat.” - -„Ja, die houdt, geloof ik, meer van andere vruchten dan van besjes,” -schaterde von Görtzen met zijn harden lach. - -„Mijnheer van Starren vondt u Valérie’s toilet niet prachtig?” riep -Mathilde over de tafel. - -„Nou, ik hou niet veel van zulke drukke opschiksels. Zoo iets glads, -zooals bijvoorbeeld Hilda daar aan heeft, vind ik veel mooier voor -jonge meisjes.” - -Hilda zag glimlachend naar hem op. Zij was dankbaar tegenwoordig bij de -spanning in huis, voor elk vriendelijk woord. - -Het was een heel wit kleedje, van doorzichtige Chineesche zijde, -waarvan de wazig volle plooien strak om het middel waren saamgehouden -door het stijve moiré van een breed lichtmauve lint. - -„O! ja, dat is ook ravissant, alleen begrijp ik niet hoe Hildchen nog -zoo iets liefs wil dragen!” spotte von Görtzen. - -„Waarom niet?” - -„Zoo iets elegants voor een meisje dat studeeren gaat!” - -Hij zag haar aan, uitdagend ironisch, en ze voelde ineens met onrust -dat iedereen haar aankeek. - -„Wel ik vind juist dat een meisje dat studeeren gaat zich bijzonder -goed moet kleeden. Het zou al heel ridikuul zijn om je te gaan -verwaarloozen zoodra je ’n paar deftige boeken hebt gelezen.” - -„Maar zul je dan later heusch zulke toiletjes blijven dragen?” - -„Natuurlijk! De tijd is toch al lang voorbij, vindt je niet? dat -meisjes die ’t leven ’n beetje ernstig opnemen er als -vogelverschrikkers trachten uit te zien.” - -„Nou, maar de meeste geëmancipeerde vrouwen zien er toch nog onmogelijk -uit, hoor!” riep Corry. - -Hilda glimlachte, uiterlijk onverstoorbaar: - -„Alsof niet ook een massa ongeëmancipeerde er onmogelijk uit zagen! -.... Je moet ook niet vergeten, dat de meeste geëmancipeerde vrouwen nu -ook nog tot een stand behooren, waarin ze heel, heel weinig geld voor -haar toilet kunnen besteden, en dat is, voor wie niet den slag van de -française bezit, om uit bijna niets, iets aardigs te maken, een groote -hinderpaal! Maar ’t is waar, er heeft wel zoo’n opvatting bestaan, -vooral hier in Holland, dat het wuft was, om er zoo goed mogelijk te -willen uitzien en dat, als je ernstig wou zijn, je je saai en smakeloos -moest kleeden. Maar dat zijn we nou toch heusch wel te boven, geloof -ik! Onze leus zal juist wezen: geen éen talent verwaarloozen—en het -uiterlijk is even goed een talent als iets anders—alles, op welk gebied -ook, zoo goed en zoo mooi mogelijk! dus ook onze kleeding!” - -Er was iets lachbedwingends in Hilda’s kalme antwoord en von Görtzen -werd bang dat het gesprek deftig ging worden. Men moest haar niet -rustig laten verhandelen. Ze moest worden uitgelachen! Dat was -misschien nog het eenige middel om haar tot rede te brengen. Hij had -ook een zuster gehad, die nu met von Glansau getrouwd was, die absoluut -Roomsch wou worden en in ’n klooster gaan. Ook zoo’n geëxalteerd -meisje, en toen hadden ze haar allen zóó voor den gek gehoûen tot ze er -geen woord meer van had durven zeggen. - -„Maar Meester Hilda, doctor juris, je laat toch zeker je haar -millimeteren?” - -Hij schaterde het uit en allen lachten mee, zenuwachtig, uitbundig. Er -was ineens een prikkeling van boosaardigheid in hen, die de temperatuur -verhoogde, als in de oogenblikken dat er schandaaltjes befluisterd -werden. - -„Ik heb u al gezegd, dat ik probeeren wou om alles zoo goed en mooi -mogelijk te doen, en dus zal ik zeker niet gaan nadoen, wat ik zoo -leelijk vind bij de heeren!” - -Hilda riep het hard, om boven het gelach gehoord te worden, maar ze -werd niet verstaan. Allen spraken door elkaar, aanvallend, bespottend, -de tongen los, elkaar aanstekend en opwindend en minachtende dingen, -laffe grapjes, een oogenblik zelfs in overmoed, een paar grove -dubbelzinnigheden kruisten over de tafel. - -En Hilda zat te midden van dit alles, pijnlijk gewond, maar zich -dwingend om kalm te blijven. Wat ging haar dit leven eigenlijk aan? Die -menschen hier spraken niet van haar en haar mooie plan, zooals zij het -zich voorstelde; zij hadden het over dat afgezaagde Fliegende -Blätter-type van de geëmancipeerde vrouw, dat ouderwetsche -basbleu-type, dat haast tot de legenden gaat behooren. - -Maar in dit zelfde oogenblik, onder de pijniging van het spotgesuis om -haar heen, leerde Hilda ook plotseling begrijpen, hoe de pioniersters -der vrouwenbeweging, zij die het eerst, de door traditie en vooroordeel -afgebakende banen hebben verlaten, soms zooveel aanleiding hebben -kunnen geven, om zonderling en antipathiek te worden gevonden. Want er -behoort een beetje het gemoed van een heilige toe om niet bitter, maar -beminnelijk en waardig te blijven als men onophoudelijk omringd is, in -het huisgezin en in het publiek, van tegenwerking en afkeuring, als men -uitgelachen wordt door de vrouwen, met wie men is opgegroeid en door de -mannen als een abnormaal wezen wordt behandeld, als men voortdurend -ontmoedigd wordt bij dezelfde studies, waarbij men den man aanmoedigt, -als men met de grootste moeite zich toegang moet verschaffen tot -onderwijsinrichtingen en werkplaatsen, die voor elken man, zelfs den -minst begaafden openstaan. En dit alles hadden die vroegere vrouwen -moeten doorworstelen, strijdend tegen een vooroordeel, een onwil waar -wij ons nu zelfs geen voorstelling meer van kunnen maken. Geen wonder -dat velen van haar treurige typen werden, vol tegenstrijdigheden. -Dikwijls werden zij mannenhaatsters—helaas, haar ondervinding leerde -haar den man toen nog maar al te dikwijls als vijandig kennen—en toch -was haar hoogste streven om hem in alles na te doen. Men had haar -immers zoo tot in ’t oneindige voorgehouden dat hij de meerdere was, -dat hem de eerste plaats toekwam en de rechten en de vrijheid, dat -daardoor als vanzelf bij haar de overtuiging ontstaan moest, dat alles -gewonnen zou zijn, als zij maar zoo veel mogelijk, in alle opzichten, -op dien benijdbare kon gaan gelijken! - -Toen kreeg men een oogenblik dat soort van ruwe vrouwen in -mannenkleeren, die het verschil der geslachten trachtten te ontkennen -en laag neerzagen op netheid en orde en zachtheid, omdat dat vroeger -speciaal vrouwelijke deugden werden genoemd. Het waren arme, -onevenwichtige individuen, zooals elke overgangsperiode ze voortbrengt, -vol goede bedoelingen en enthousiasme, maar zonder kracht nog om haar -eigen leven, in harmonie met haar nieuwe denkbeelden, tot iets moois te -maken. En de wereld, die dom is in het begrijpen der oorzaken, als zij -die vrouwen zag gaan, zeide dat het de wetenschap en de vrijheid waren, -die zoo het bekoorlijke in haar verwoest hadden, zonder te bedenken, -dat het veeleer de miskenning, de tegenkanting, de wreedheid der -menschen waren en de daardoor, uit reactie geboren zelfoverschatting, -die dit kwaad hadden uitgericht. - -Maar die tijden waren nu immers voorbij! De moderne vrouw weet nu dat -haar kracht niet ligt in nadoen, maar in volkomen zich zelf durven -zijn! Zij eischt niet meer de rechten van den man, in een kinderachtig -„ook willen hebben wat een ander heeft!” Zij eischt haar eigen rechten, -omdat zij zich mondig en verantwoordelijk begint te voelen. Zij weet -dat er moreel en physiek een groot onderscheid tusschen den man en de -vrouw bestaat, en dat dit juist het leven rijk maakt en vol kleur, en -juist daarom eischt zij meer vrijheid voor zich zelf om naar eigen -aandrang haar weg te mogen kiezen, overtuigd dat het verschil der -geslachten te wezenlijk is, om nog, tot kunstmatige instandhouding -daarvan, verouderde scheidsmuren noodig te hebben. Zij zal haar -dochters opvoeden tot waarachtige vrouwen en haar zonen tot waarachtige -mannen, niet door hen voortdurend in te prenten: dit gaat niet voor een -meisje, dat hoort zoo voor een jongen, maar door beiden hun -eigenaardige gaven in volheid te laten ontwikkelen, en dan zal ze hen -samen de wereld in zenden om naast elkaar te arbeiden. - -Met strakke klaarheid was dit alles plotseling voor Hilda’s geest -opgegaan, pijlsnel had ze het op eenmaal overzien en begrepen. - -„Freule, mag ik u het eerste kistje sigaren aanbieden, zoodra u aan het -rooken begint?” riep van Smaarth. „Maar ik zou u aanraden niet vóór den -herfst te beginnen, vóór er zure appels zijn.” - -Betty de Mureaux viel in met een eindeloos gegiegel. - -„Zie je nou wel dat iedereen het gek van je vindt!” zeide mevrouw van -Starren zegevierend. - -Zij stonden nu allen op van tafel en slenterden den tuin in, waar de -koffie gediend werd. Mijnheer van Starren bleef even achter met von -Görtzen om een sigaar op te steken: - -„’t Geeft je niks, Ferdinand, of je haar nog zoo plaagt. Ze hoort tot -de dwepers, die loopen liever hun hoofd te pletter dan hun idees op te -geven.” - -Von Görtzen lachte met een klein schouderophalen: - -„Wie weet?” - -Toen ging hij weer bij de dames en sarrend begon hij op nieuw: - -„Liebes Hildchen, zul je me waarschuwen als je mannenhaatster gaat -worden? Dan zorg ik ’n beetje uit de buurt te blijven.” - -Corry steunde hem dadelijk met haar hoog kirrend lachje. - -Van Smaarth kwam vlak bij haar staan en met impertinente ironie: - -„Zult u mij ook waarschuwen, freule? Dan verlaat ik onmiddellijk het -land! In dezen dynamiettijd zou ik erg bang zijn .... toe, zult u mij -sparen?” - -Hilda kon niet antwoorden door dit lachgedruisch heen, en haar onmacht -beklemde haar een oogenblik. Maar wat zou ze ook antwoorden? Deze -menschen zouden haar toch niet verstaan, als zij hen zeide hoe absurd -het was, mannenhaat te verwachten bij haar, die zulk een vader had -gehad! En evenmin zouden zij haar begrijpen, als zij er hen op wijzen -wilde hoe onbillijk het toch van de wereld was om altijd de vrouw te -bespotten, die, verbitterd door treurige ervaringen mannenhaatster is -geworden, terwijl men aandachtig luistert naar den man die, verbitterd -door even treurige ondervindingen, vrouwenhater werd. Van af sommige -oude klassieke schrijvers en kerkvaders tot Schopenhauer [15] en -Strindberg toe, zijn er altijd mannen geweest, die de vrouw hebben -gegeeseld, omdat zij enkelen harer hadden leeren verachten, en -natuurlijk staan daar tegenover even zooveel vrouwen, die, om het leed, -haar door enkelen aangedaan, den man hebben leeren vloeken. O! Haten -was altijd, bij wie het ook deed, een bewijs van eenzijdigheid en -bekrompenheid, een bewijs dat er niet diep genoeg was doorgedacht om te -hebben begrepen, maar niemand mocht vergeten, dat er, voor wie veel -geleden heeft, ook veel verontschuldiging is! - -„Zie je wel, Hilda, dat de heele wereld je zal uitlachen,” proestte -Corry. - -Misschien vindt de freule dat wel aardig; zoo’n martelaarskroontje -flatteert wel ....” - -Het was een echte fou-rire geworden, een aanstekelijke zenuwlach, die -hen allen liet schudden om hun eigen geestigheid. Maar het pijnlijkst -sarrend klonk het hooge gelach van de drie meisjes. - -Hilda zag rond, trillend onder de terging, en een oogenblik steeg er -woede in haar op. Maar toen, plotseling kwam er een vreemd teeder -gevoel van namelooze weemoed over haar, een intens besef hoe -erbarmelijk dom zulk lachen was. - -Toen richtte ze zich op, met bevende lippen, tragisch, en ineens met -een groote stem, warm van emotie, overheerschte ze al deze geluiden van -spot: - -„O! ga je gang maar! arme meisjes! Denk je dat ik de desolatie van -jullie leeg, zenuwachtig leven niet ken? Voel jullie dan niet dat heel -je bestaan kan worden samengevat in deze twee huiverige woorden: -Wachten en betreuren! Eerst wachten op een huwelijk, dat in deze tijden -voor velen van ons nooit komen zal en wachtend je zoowat amuseeren tot -de vermindering van succes je zegt om je terug te trekken, en dan -betreuren en verlangend terugzien op die verloren fladderjaren, die de -rijkste van je leven hadden kunnen zijn. Daar, dat is jullie heele -bestaan! En lach me maar gerust uit, dat ik het mijne anders wil -gebruiken. Jullie gelag zal de nieuwe gedachten niet overschreeuwen! -zij zitten in het bloed van dezen tijd! Het jonge geslacht zal ze -kennen zonder ze geleerd te hebben! Het nadert, het ontwaken! Wat doet -het er toe of jullie spottend en verwonderd wilt achterblijven? Wij -zullen voortgaan waar de Tijdgeest ons roept. O! lach jullie maar, ik -heb medelijden met jullie! en daarom kan je gelach me niet boos maken -....” - -Maar met een schok hield ze op, heel bleek met strakke oogen. In de -veranda, op den drempel stond Maarten van Hervoren, en hun blikken -ontmoetten elkaar in groote ontroering. Hilda was altijd een lieve, -elegante verschijning, maar als zij zich opwond in haar eigen -gedachten, en de groote klare oogen verdonkerden zich, opfonkelend in -bezieling, was er een pathos in haar, ging er een bekoring van haar -uit, die de mooiste vrouw met een arm zieleleven nooit kan bezitten. - -Maarten stond getroffen en bij het elkaar onverwacht ontmoeten van hun -blikken was er een duizeling van weelde in hen beiden. - -Een oogenblik was het maar, toen raakte ze verward, niet begrijpend -ineens hoe ze daar zoo heftig had durven staan spreken, tusschen al die -vijandige gezichten, en wat Maarten daar zoo in eens kwam doen, en met -een schuwheid, waar ze later woedend over was, vluchtte ze hem voorbij, -de kamer in en naar boven. - -Het stuipachtig dolle gelach der anderen had langzaam opgehouden, -verkild in de plechtigheid van Hilda’s woorden, en zwijgend, onhandig -stonden ze nu bij elkaar. - -„Mevrouw, ik hoop niet dat ik u stoor? De knecht zei me, dat ik u in -den tuin zou vinden. Ik kom direkt van Vreugdhof met ’n lijstje -benoodigdheden, die de freule Eugénie me dringend heeft gevraagd om -dadelijk mee terug te brengen. Ze zijn aan het repeteeren van den -cotillon voor vanavond, maar er kwam nog allerlei te kort.” - -„O! geeft u mij ’t lijstje maar!” zeide Corry. „Laat es zien? Tien -meter rood tarlatan, spelden, twee vel goudpapier ....” mompelend las -ze even voort en holde toen weg, om alles klaar te maken. - -„U kwam juist in op de speech van de freule van Suylenburg, niet waar?” -lachte Betty. - -„Was de freule aan ’t speechen?” - -Er was bij sommigen een oogenblik van aarzelen. Maarten’s reputatie van -politiek verschrikkelijk rood zijn, maakte von Görtzen en van Smaarth -wantrouwend om het gesprek in zijn bijzijn voort te zetten. - -Maar Mathilde van de Bransen was vol opgewonden bereidwilligheid om -inlichtingen te geven: - -„Ja, hebt u ’t niet gehoord? We hadden haar ’n beetje geplaagd .... o! -we hebben ons ziek gelachen, omdat ze advocaat wil worden, en toen -hield ze ’n woedende speech.” - -„Advocaat?” - -„Ja, wat ’n idee, he?” - -„Miserabel!” zeide von Görtzen. „Waar moet het heen als meisjes uit -onze kringen zoo’n voorbeeld gaan geven? Ze zullen al haar -bekoorlijkheid gaan verliezen, en wat dan? ’t is horrible.” - -Maarten lachte ironisch: - -„Nou, bekoorlijk zullen ze wel altijd blijven, ’t zou alleen kunnen -zijn, dat ze zich ’n beetje minder moeite gingen geven om ons te willen -bekoren! Maar tot dusver heb ik juist dikwijls gevonden, dat vrouwen, -die zich hadden aangepakt, bijzonder aantrekkelijk waren. En kom, von -Görtzen, laten we het ook maar niet zoo veel beter willen weten dan de -natuur, die de vrouw net zoo goed hersenen als handen heeft gegeven, -toch om ze te gebruiken, veronderstel ik. Waarom zou de provisiekamer, -de keuken en het salon nou eigenlijk zooveel betere kweekplaats van -bekoorlijkheid zijn dan de studeerkamer? Het is ’n beetje onlogisch om -te denken dat intelligentiewerk den man zou veredelen en de vrouw zou -doen ontaarden.” - -„Nou, ik vind het dan toch maar allesbehalve aantrekkelijk zoo’n -basbleu met inkt aan haar vingers ....” - -„Daar zijn we ’t over eens, handen moeten gewasschen worden, maar hoe -denk je over rooie gesprongen handjes door ’t opdoen van de wasch?” - -Op dit oogenblik kwam Corry terug. - -„Alles is in uw rijtuig, mijnheer van Hervoren, alles wat op ’t lijstje -stond, is er.” - -„Freule, ik dank u zeer.” - -Maarten ging heen, maar mevrouw van Starren zag hem na met een lach van -boosaardigheid: - -„Ik wensch hem van harte toe, dat ie nog es ’n vrouw krijgt, die haar -kindertjes ba ba leert zeggen in ’t Grieksch.” - -Allen proestten het uit, maar in hun schateren was iets gedwongens, het -wilde niet vol meer klinken, er was een barstje in de stemming gekomen, -en zij bleven in den tuin doelloos om elkaar heen drentelen, tot het -ook voor hen tijd was om naar Vreugdhof te rijden. - - - - - - - - - -Maarten stond beneden aan het hooge terras, waar de rijtuigen vóór -reden en hielp de dames uitstijgen. Eerst kwam de groote landauer met -mevrouw van Starren en Corry en von Görtzen en van Smaarth en vlak -daarachter de coupé met Betty en Mathilde en Hilda. - -„Hebt u nog dansen, freule?” - -Hilda glimlachte en gaf Maarten haar balkaartje. Het souper en de twee -dansen daarvóór waren nog open. - -„Mag ik die alle drie hebben?” - -Zij knikte, blij dat hij zoo onbehoorlijk veel durfde vragen, en ging -toen de trappen op van het terras, naar de balzaal, aan den arm van -Charles Pankaert, die den eersten dans van haar had en al op haar had -staan wachten. - -Het was alles mooi als een sprookje in huis: de vestibule en de lange -gangen met donker dennengroen en lichte art-muslins versierd, vroolijk -als een reusachtig meisjesboudoir, en de balzaal, zuiver empire, alles -wit en goud, vol bloemen en palmen en honderden waskaarslichten. -Chrysanthen en rozen, Valérie’s lievelingsbloemen, waren overal -aangebracht; zij klommen langs de wanden en hingen af van de luchters, -omlijstten de deuren, stonden hoog op tegen het palmengroen achter de -sofas, en weerkaatsten zich in groote Japansche vazen in de spiegels -der hoeken. - -Hilda was opgetogen. Alles wat er artistieks in haar was, ontroerde bij -deze geurende feeërie. De oude betoovering van den vorigen winter was -weer over haar, maar een beetje anders nu toch; ze genoot er van, maar -met open oogen, niet meer bedwelmd. - -„Hoe mooi!” zeide ze zacht. - -„Ja, prachtig.” - -Zij wandelden verder, Charles druk pratend, maar zij luisterde niet. Ze -vond hem vervelend, hij had een ironische hoffelijkheid, die haar niet -op haar gemak maakte, een manier om neerbuigend over „de dames”, -„dames-smaken” en „dames-gewoonten” te praten, die haar ergerde, vooral -als ze aan die twee stille vrouwen dacht, op het bovenhuisje in de van -Speykstraat. - -De avondlucht, zoel vochtig, zware geuren meedragend van late -zomerbloemen en gevallen blâren stroomde binnen door de vijf wijd -opengeslagen deuren, die op een balkon uitkwamen, dat met breede -trappen, naar beneden, naar het park voerde. - -En heerlijk lui onderging Hilda al deze weelde-indrukken van licht en -vroolijkheid. Ze voelde zich bijkomen van de schokkende emotie van die -scène straks, na het eten. De opstand, die nog lang in haar had -nagebruist, begon zachtjes weg te zakken, ze voelde zich onbezorgd -worden, ontheven van dat drukkende verantwoordelijkheidsbesef van -ergens voor te moeten strijden, en met een verstrooiden glimlach liep -ze mee, prettig voortsoesend, in de glanzende rijen. - -En toen begon de muziek, en het rythmisch bewegen. Ze danste gaarne en -ze deed het goed en vanavond was zij er juist in een stemming voor. - -In de quadrille d’honneur der beide bruidsparen zouden Hilda met van -Smaarth en Corry met von Görtzen vis à vis zijn. Het was al lang -afgesproken, en er was niets aan te veranderen, maar, na het geterg der -anderen en haar eigen heftigheid van straks, vond Hilda het wel heel -vervelend, toen het oogenblik gekomen was om de carrés te vormen. - -„Nun Hildchen? Dit is toch ’n betere plaats voor jonge dames dan de -collegekamer? Vindt je zelf niet dat dansen ’n vrouwelijker werkje is -dan wetten inpompen?” - -Sarrend fluisterde von Görtzen het haar toe, terwijl zij diep voor -elkaâr bogen. Zij antwoordde niet, naar haar plaats terug gevoerd vóór -ze iets kon zeggen, maar ze zag hoe hij aan den overkant even Corry -iets toefluisterde en hoe zij toen beiden giegelend haar van het hoofd -tot de voeten opnamen. - -Toen was het zorgeloos genieten ineens weer voorbij. De blije stemming -van al het mooie om haar heen was weg, ze voelde weer het vermoeiende -van zich te moeten verdedigen, en in een pijnlijk ontwaken zag ze rond -op al die bewegende figuren. - -Was het niet een parodie op den ernst der tijden, zoo vol leed en -getwijfel en met geweldige stormen aanbruisende van beneden uit de -diepten van het volk, om de feestzaal de eigenlijke plaats voor het -jonge meisje te noemen? Afleiding en pretzoeken de voornaamste -bezigheid van de aanstaande moeders van een nieuw geslacht? Allons -donc! O! het meerendeel van de menschen hier, beschouwde het nog zoo, -maar wat was dan daarvan ook het resultaat? Dat de meesten dezer -schepseltjes zich verbeeldden echt vrouwelijk te zijn, omdat zij zich -goed kleedden, en lief glimlachten en koketteerden met zachte -stemmetjes in vreemde talen, en zelfs geen begrip hadden van wat een -echte vrouw zijn kan en moet! - -Sommigen harer waren heel bekoorlijk, zeker, en vrouwenbekoorlijkheid -kan zijn als ’n zonnestraal, koesterend, levenwekkend, maar wanneer zij -niet gelouterd is door ernstige levensopvatting is ze als ’n -dwaallichtje, dat danst boven vergiftuitdampende moerassen en domme -menschen verwarren die beiden soms, en noemen zonnestraal en -dwaallichtje bij denzelfden naam! - -En wat zouden al deze meisjes eens voor hare omgeving beteekenen? Er -waren er hier bijeen uit alle steden van het land! Bijna allen -behoorden tot de invloedrijkste families, bijna allen hadden fortuin en -sommigen waren door de natuur mild genoeg begaafd. Zij zouden een -geweldige macht ten goede hebben kunnen zijn. Elke beweging om de -wereld een beetje beter en mooier te maken zou in haar een enthousiaste -voorspraak hebben moeten vinden, maar hoe weinigen van deze allen -voelden hare verantwoordelijkheid! Haar krachten gingen immers onder in -versnippering en zelfzuchtige amusementenjacht! O! zonder twijfel, -mooiheid, en vreugde en feestelijkheid in verfijnd artistieken vorm, -zijn noodig in elk harmonisch leven, even noodig als voeding en arbeid. -Maar waarom wisten de menschen nog altijd niet, dat het op evenwicht -aan komt! Daar buiten, duizenden, in wier leven nog bijna nooit een -vreugdezonnestraal valt, en hier binnen, zoo velen in wie het beste -gedood was door uitsluitend feestvieren! Was feestgenot niet als -suikergoed in een kinderleven: blijdschap als het van tijd tot tijd -wordt gegeven, bederf en ziekte als het in overvloed wordt gebruikt! - -De quadrille was uit en Hilda zat alleen op de sofa in een der hoeken. -Ze had er op aangedrongen dat van Smaarth, Eugénie, met wie hij dezen -dans had, niet zou laten wachten: „ze kon best even alleen blijven, -mijnheer van Hervoren zou wel zoo dadelijk komen.” - -Maar Maarten bleef lang weg en ze begon zich te verwonderen. Toen zag -ze hem ineens naderen, vlug, voorzichtig, tusschen de dansende paren. - -„O! freule, hoe naar, dat ik u heb laten wachten ....” - -Zij keek naar hem op, glimlachend, maar toen merkte ze dat hij sterk -ontroerd was. - -„Wat is er?” - -„Ik heb juist ’n telegram gekregen. In Chemnitz, in één van de -fabrieken, waar de onze veel zaken mee doet, is vóór ’n paar dagen een -ontzettende werkstaking uitgebroken. De meeste arbeiders zijn -socialisten en gedragen zich heel rustig en goed, maar ’n opgewonden -jongen van achttien jaar heeft gisteravond den fabrikant ergens -opgewacht en dood geslagen, en nou is er geweldige gisting.” - -„O! mijn God!” - -Huiverend stond zij naast hem. Het was haar plotseling duizelig, alsof -al het feestelijk mooie om haar heen maar een vertooning was, een stuk -dat men opvoerde, en dat het reëele leven dát was, van daarginds, vol -ellende, verbittering, misdaad. - -„Laten we naar buiten gaan!” - -Hij knikte en gaf haar zijn arm, en zij drongen door de rythmisch -slingerende golving der dansers en stonden op het balkon. In een -onbewuste beweging van gewoonte stak Maarten zijn sigaar op. - -„Kijk, hoe ze dansen!” zeide Hilda zacht. „Zulke menschen hebben alles -vóór om zich te ontwikkelen en waarachtig superieur te worden en een -zegen te zijn, maar ze dansen liever .... altijd maar door .... op een -vulkaan ....” - -Maarten hoorde eerst alleen haar stem, die hij mooi vond, maar haar -laatste woorden verstond hij, en toen keerde ook onmiddellijk zijn -aandacht weer volkomen tot haar terug. Hij wierp zijn sigaar weg: - -„Is het waar, dat u advocaat wilt worden?” - -„Ja.” - -„Waarom? .... Den meesten advocaten is het niet te doen om te zien wat -recht is, maar om hun client recht te bezorgen! Ik zou het jammer -vinden als vrouwen zich ook met zulke dingen gingen bezoedelen.” - -„Mij is het te doen,” zeide ze eenvoudig, „om onze wetten goed te -leeren kennen, en dan met kennis van zaken te protesteeren tegen het -verouderde, het onrecht er in, en al de zwakken te helpen. Er zijn nu -in den blinddoek van Themis veel verraderlijke gaatjes, en ik weet wel, -dat ik maar ’n heel gewoon meisje ben, zonder veel gave of macht, maar -ik zal er mijn leven aan wijden, om die gaatjes, al waren ’t er maar -een paar, toe te maken!” - -Hij zag haar aan met een langen peinzenden blik, die haar verlegen -maakte. Hij dacht na hoe dit mooie blonde kind in haar sierlijk witte -kleedje in deze omgeving tot zoo’n besluit had kunnen komen. Toen zeide -hij ineens met die weeke emotie, die een krachtigen man zoo boeiend kan -maken in de oogen eener vrouw: - -„De eerste opera die ik ooit gehoord heb, was de Tannhäuser, met mijn -moeder, te Bayreuth, in den tijd, toen we nog rijk waren. En als -Tannhäuser dan zijn ontzettende zonde bekend heeft, bedekken al de -edelvrouwen haar gelaat met handen en sluiers en vluchten weg, -verschrikt en verontwaardigd. Slechts Elisabeth blijft, alleen tusschen -de toornige mannen, en beschermt den vreeselijken zondaar, en vraagt -boetedoening in plaats van vergelding! En toen zei m’n moeder, ik zal -het nooit vergeten: „Die vrouwen, die daar zoo hoogst fatsoenlijk zijn -weggevlucht zullen Elisabeth wel erg onordentelijk, misschien wel -onvrouwelijk hebben gevonden, want zij was de eenige geëmancipeerde -onder haar, die in plaats van de traditioneele braafheid vrij haar -geweten en hart durfde volgen, maar zij was dan ook de eenige van wie -redding en loutering uitging!” - -Hilda zag naar hem op met haar jong stralenden glimlach, maar toen -ineens waren haar oogen vol tranen. Het greep haar aan, met een -trilling van geluk dat hij haar had begrepen en haar plan goed vond. - -Zij stonden nu naast elkaar en zagen op het park neer en iets van den -mystieken vrede van het avondlandschap drong door in hunne ziel. - -„Had hij kinderen?” vroeg ze zacht. - -„Wie?” - -„Die fabrikant die vermoord is?” - -„Ja, een vrouw en twee kleine kinderen, maar de jonge moordenaar heeft -een gebrekkige ouwe grootmoeder, en twee ziekelijke zusjes van vijf en -zes, die hij onderhield!” - -Hilda huiverde weer. - -„Was ie goed voor z’n volk?” - -Hij schudde het hoofd. - -„En z’n vrouw?” - -„Och ja, ze waren niet kwaad. Ze gaven wel de kleeren die ze afgedragen -hadden, en soms wat geld, maar zij had ’t te druk met h’r huishouden en -hij met z’n zaken, ze hadden geen tijd om aan de ellende om zich heen -te denken!” - -Hij zeide het heel eenvoudig, maar Hilda verstond de bitterheid. - -„Zal hij zwaar gestraft worden, die jongen?” - -„Ik denk het wel! Al de magistraten van Europa leeren geschiedenis, -d.w.z. ’n hoop data en koningsnamen, maar van de lessen der -wereldgeschiedenis hebben de meesten van hen niets verstaan. Zulke -gevallen worden allemaal als op zich zelf staande misdaden beschouwd en -gestraft; van de ellende en verbittering waarin zoo’n jongen van kind -afaan is opgegroeid, hebben ze geen besef, en ze begrijpen ook maar -niet, dat zoolang ze de schreeuwende misstanden, waaruit deze gruwelen -voortkomen, niet verbeteren, het niets geeft, om van tijd tot tijd, als -het tot een uitbarsting is gekomen, een stuk of wat menschen te -guillotineeren of levenslang op te sluiten! Wat helpt het om de giftige -champignons van tijd tot tijd weg te schoffelen, als je den mesthoop, -waarop ze groeien, niet wegruimt!” - -Zachtjes, bijna schuw, legde ze haar hand op zijn arm, en toen snel -sprekend, half verlegen, half plechtig, zeide ze: - -„Mijnheer van Hervoren, Edward heeft me verteld dat u u veel bezig -houdt met de sociale vraagstukken. Maar ik heb dikwijls gedacht dat de -sociale kwestie voor het grootste deel in de vrouwenkwestie lag -besloten. Zoolang de vrouwen, het talrijkste deel der bevolking, en -door de kinderopvoeding het invloedrijkste, dom en onverschillig voor -’t algemeen welzijn blijven, kunnen geen bonden, geen vereenigingen, -geen werkstakingen, geen vergaderingen, geen wetten de maatschappij in -evenwicht brengen. De vrouw, die achterlijk gehouden wordt, wreekt zich -onbewust, op ontzaglijke wijze. Elke poging tot vooruitgang en -verbetering, vindt in haar, in de kern van het gezin, een onzichtbaren -maar onverzettelijken tegenstand, en daarom geloof ik dat het groote -woord van sociale hervorming zijn moest: de vrouw te emancipeeren, dat -is: te vormen tot een ernstige arbeidster in het groote gezin der -menschheid. De prachtigste staathuishoudkundige theorieën zullen altijd -schipbreuk lijden, zoolang de menschen die ze toepassen niet beter -zijn, en hoe krijg je betere menschen? Alleen door goede moeders. In de -moeders ligt voor mij de oplossing der sociale kwestie en wat werd er -tot dusver voor haar opvoeding gedaan?” - -Maarten nam haar hand voorzichtig in zijn beide handen, en hield die -een oogenblik vast. - -Maar nu was de muziek binnen plotseling stil. - -„De dans is uit, iedereen zal hier zeker dadelijk ’n luchtje komen -scheppen. Vindt u ’t niet naar om even het park door te loopen?” - -„Heel graag.” - -Zij wond haar wit kanten mantilla, die ze uit Italië had meegebracht om -het hoofd, op de wijze der Milaneesche meisjes, en hand in hand holden -zij de trappen af, tot in een van de donkere laantjes. Toen liepen zij -heel langzaam voort over de zwarte guipure die het maanlicht door de -boomblaadjes op den grond borduurde, en spraken heel lang nog over de -ernstige tijden die komen zouden, en hoe zij hard wilden werken om een -beetje meer recht en meer vreugde in de wereld te brengen, tot zij op -het laatst vergaten dat er leed en onrecht was, en heel hun ziel -vervuld werd met een jong en groot geluk. - - - - - - - - - -Hilda was den volgenden morgen vroeg uitgegaan en had een lange les -gehad over Romeinsche antiquiteiten. Het schoot heerlijk op met de -studie, alle leeraars zeiden, dat ze het volgende jaar makkelijk het -staatsexamen zou kunnen doen. - -Maar toen zij thuis kwam, was er als een zonderlinge benauwing, die op -haar neerviel. Het oude gezicht van Johan, die haar open deed, stond -geheimzinnig strak; op het groote portaal van den bel etage, waren de -keukenmeid en de werkmeid aan ’t fluisteren, die, toen zij haar zagen, -schuw ieder een kant opgingen; op de trap naar de eerste verdieping, -kwam ze haar tante tegen, die snel voorbij ging, met verschrikte oogen, -en Hilda had niet gedacht, dat die koele vrouw, met haar slappen gang, -zich nog ooit zoo vlug zou bewegen. Boven op den overloop stonden -Edward en Corry, zacht sprekend met onthutste gezichten; Corry vertelde -iets en Hilda ging naar hen toe met het plotselinge gevoel, dat er een -groot ongeluk was gekomen. - -„Wat is er toch?” - -„Eus doet zoo akelig. Ze wil haar bed niet uit, en ze doet niks als -huilen.” - -„Is de dokter al geroepen?” - -„Mama heeft h’m net ’n briefje geschreven. Ga zelf maar es kijken. -Misschien kun jij iets uit haar krijgen.” - -Hilda ging de kamer in, waar Eugénie in bed lag, doodelijk wit, met -zwarte kringen om de bloedelooze oogen. - -Zij zette zich bij haar neer en zei zachtjes een paar vriendelijke -woorden, maar Eugénie antwoordde niet en bleef haar aankijken met -loerende blikken. Toen ineens sloeg ze het dek weg en sprong uit het -bed en liep de kamer door, met wilde handen haar nachtkleed van boven -open rukkend, tot de knoopjes er afvlogen en het diep inscheurde. - -„Wat is ’t hier toch benauwd!” - -Ze ging naar de deur, maar Hilda greep haar vast: - -„Gut, Eus, je kunt zoo de kamer niet af, klee je dan eerst wat aan.” - -„Laat me toch los ....” - -Zij worstelden even, Hilda zich verbazend over de kracht van dat teere -lichaam, en weer had ze intens denzelfden indruk van eenige weken -geleden, dat er een vreemd, wreed, wild wezen door Eugénie’s oogen haar -aanzag, maar zij wist nu wat het was: het was de blik van de waanzin. - -Maar na een kort moment waren Eugénie’s krachten toch uitgeput, en slap -liet ze zich weer in bed brengen. - -„Kom Eus, het is niks, je bent maar ’n beetje overspannen! Ga wat -uitrusten, dan zul je wel weer zóó beter zijn. Je hebt je gisteravond -ook zoo vreeselijk opgewonden!” - -Ze zeide het sussend als tot een klein kind. - -Eugénie huilde nu stil, van tijd tot tijd opziende met haar loerenden -blik van onder uit de oogleden. Toen zeide ze op eens: - -„Hildy, is het waar, dat je gisteravond tegen al die menschen hebt -durven zeggen: Lach jullie maar! Denk je dat ik de desolatie niet ken -van je leeg, zenuwachtig bestaan!” - -„Ja, dat is waar.” - -„O! ja, dat is het: Desolatie! De-solatie! de-so-la-tie!” - -Langzaam, klagend snikte ze het uit, en Hilda zat naast haar en ook zij -huilde nu van weemoed om dit gebroken meisjesleven. - -De huisdokter kwam, ’n oude onbeduidende man, die haast dadelijk weer -heen ging. En Hilda nam weer haar plaats bij het bed in; zij durfde -haar niet alleen laten. - -„Hilda, ga nou toch weg! Laat me nou maar stil. Ik wil toch nooit meer -uit m’n bed komen, al bleef je hier honderd jaar zitten.” - -„Je hoeft er ook niet uit te komen! Blijf maar eerst heerlijk wat -uitrusten!” - -„Weet je wat het is Hil? Ze hebben altijd tegen me gezegd van klein -kind afaan: Eus, je zult wel gauw trouwen! je bent mooi, je zult -makkelijk trouwen! En ik werd altijd geplaagd met iedereen, o! dat -vervloekte plagen, dat je verbeelding al maar door opwindt, en zie je -daarom moet ik nou zoo vreeselijk huilen! Ik heb in geen tien nachten -geslapen, en gisteren, onder het dansen, dacht ik bij elken pas: -„trouwen”, en dat heeft me, geloof ik, zoo vermoeid ....” - -Hilda streelde zacht haar hand. - -„Arm kindje! arm, arm kindje!” - -Maar na een poos werd Eugénie weer onrustig. Met wilde handen begon ze -opnieuw haar nachtkleed van boven open te trekken, en weer wou ze het -bed uit. - -Hilda hield haar tegen, angstig gespannen. Toen ging de deur open en -mevrouw van Starren kwam binnen met Corona en achter haar de oude -huisdokter en een lange blonde man, de dokter van het -krankzinnigengesticht. - -Hilda ging stil heen; de deur vlak tegenover stond aan, het was -Edward’s kamer en ze ging binnen. Edward zat schuin op de tafel, -vreeselijk zenuwachtig. - -„Zou ze heusch gek worden? Hoe zou dat nou toch ineens zoo zijn -gekomen?” - -„Het is niet ineens gekomen! Het is heel langzaam, al deze jaren door, -zachtjes aangeslopen ....” - -Maar nu zweeg ze, luisterend. In de kamer daar tegenover klonk akelig -snikken, en het doffe, lage geluid van een mannenstem. Toen was alles -stil, en de doodsche stilte in huis viel plotseling beangstigend op hen -neer. De achterdeur beneden sloeg toe met een zwaren slag, Hilda -huiverde. Toen zag zij Corona en de beide doktoren de kamer uitkomen, -ernstig, zwijgend. Zij liepen achter elkaar het portaal over naar -mevrouw van Starren’s boudoir. Daar zouden zij consult houden. - -„En zij is al de zesde! in dat éene jaar dat ik hier ben! Het zesde -jonge meisje van onze kennissen dat deze soort ziekte krijgt!” - -„’t Is waar! Hoe zou dat nou toch komen?” - -„Het moet komen! Als je er ’n beetje aanleg voor hebt, moet zoo’n -opvoeding en leven er toe lijden!” - -„Hoe had ze dan anders moeten leven?” - -„Ze had meubels moeten boenen, of den grond moeten omspitten, en -bloemen kweeken, of sterrekunde leeren, of in een Kindergarten gaan, -weet ik het, als ze maar iets gewerkt had en goed!” - -„Waarom naaide ze dan ook niet wat meer? Ik heb het mama verleden nog -hooren zeggen, dat ze h’r eigen onderlijfjes moest maken, met eigen -gehaakte kantjes, net als Betty, maar ze wou niet.” - -„Natuurlijk niet! Zoo iets is ook goed voor zoo’n gansje als Betty, -maar geloof je dat een meisje met een vluggen geest, en sterke -verbeelding, zooals Eugénie, er bevrediging in kan vinden, om daar -dagen voor zich zelf te zitten pikken, aldoor met het gevoel, dat ze in -een kwartier, precies dezelfde dingen, die ze maakt, heelemaal klaar -kan koopen, nog mooier gewerkt en bijna voor ’t zelfde geld? Och kom!” - -Maar opeens klonken fluisterstemmen, en voetstappen gingen voorbij. Het -waren de dokters, die samen vertrokken. Corona stond voor Eugénie’s -deur en Hilda greep haar beide handen met een beweging van angstig -vragen. - -„Wat denk je er van?” - -„Misschien loopt het dezen keer nog al af. Maar ik voor mij zie het -heel ernstig in. Ze moet absolute rust hebben, afzondering, liggen, en -dokter van Meeuwen meende wel dat het dan na ’n paar maanden over zou -zijn. Maar dan? Als ze dan hier weer terugkomt, wordt ze hopeloos wèer -zoo! O! dat ellendige gemis aan evenwicht! De helft van m’n patiënten -zijn slachtoffers van het overwerken en de andere helft van het -overnietsdoen! Voor een poosje, toen ik je tante met Eugénie es bij -Gladys ontmoette, zei ik al tegen mevrouw: „uw dochter ziet er slecht -uit; ik geloof dat haar zenuwen veel geleden hebben. Kunt u haar niet -hier of daar heenzenden? Ik bedoel geen pretbadplaats, maar ergens, -waar ze wat te doen heeft, waar ze haar hart aan kan geven, waar ze -zich voor iets in moet spannen!” „Och! wat zou ze kunnen doen?” zei je -tante, „’k zou niet weten waar ze geschikt voor zou zijn! En ’t zal ook -met haar zenuwen wel zoo’n vaart niet loopen.” - -„Typisch!” zeide Hilda. „Zulke dames als tante zijn overtuigd dat ze ’n -schitterende opvoeding aan haar meisjes hebben gegeven, maar als ’t er -op aan komt, erkennen ze dood leuk dat ze nergens geschikt voor zijn.” - -„Nergens!” zeide Corona peinzend. „En toch is het de drang van elke -vrouw, waar iets in zit, om zich aan iets te geven. Al is het maar dat -ze kousjes breien voor de negerkindertjes in de Congo: ze moeten iets -doen! En natuurlijk, als ze geen voedsel krijgen voor dien drang, die -op zich zelf toch zoo mooi is, gaan ze allerlei verkeerde dingen doen, -kwaaltjes aankweeken, en emotietjes en gedachten opzoeken, die haar -zenuwleven vermoorden!” - -„En wat zal er nu gebeuren?” - -„Dokter van Meeuwen zal dadelijk twee pleegzusters zenden. Ze moet zoo -gauw mogelijk naar de Boschjes getransporteerd worden, en ik heb op me -genomen om het alles even met je tante te regelen. Is ze hier?” - -Corona ging binnen en Hilda keerde terug in Edward’s kamer, de deur -open, om te luisteren. - -Edward zat nog altijd op een punt van de tafel en slingerde zenuwachtig -met zijn éene been op en neer. Mijnheer van Starren kwam even boven, -erg onthutst, maar ging dadelijk weer weg, in een wrevelig verdenken, -dat het maar kuurtjes waren. Corry was een poos geleden al naar mevrouw -van Gaefden gereden, waar ze moest gaan lunchen. Zij geloofde ook au -fond, dat al die drukte maar wat aanstellerij was van Eus. - -Toen ritselden de zwarte mantels van twee pleegzusters door de stilte -van het portaal, de deur van de ziekenkamer ging open, even met een -naar klein gepiep, en toen, na een kort geruisch van sprekende stemmen -was er een gil, die Hilda sidderend naar binnen joeg. - -Eugénie lag worstelend op den grond, zich krampachtig aan het bed -klemmend, terwijl de verpleegsters tevergeefs probeerden haar aan te -kleeden. - -„Wat is er lieveling? wees maar rustig. Huil maar, dat zal je goed -doen! ....” - -Hilda nam haar sussend in de armen en drukte haar warm tegen zich aan, -in een passie van ontferming. En ’t was alsof de zieke zich plotseling -veilig voelde in de omarming dier sterke jonge vrouw. Zachtjes snikkend -liet ze nu toe dat men haar kousen en schoenen aantrok, en in een -grooten mantel wikkelde, en Hilda steunde haar half dragend de trap af -tot in het rijtuig, dat haar wegbracht met Corona en de beide zusters. - -Daarop stonden zij zwijgend tegenover elkaar, in den gang, mevrouw van -Starren en Hilda, en bittere woorden zwollen in haar op, tegen de -deftige, door de wereld geëerde matrone, die haar kind had opgevoed tot -deze ruïne. - -Maar het was maar één oogenblik, toen vloog Hilda haar voorbij de trap -op naar haar kamer: „het hoogste was immers om niet bitter te zijn maar -rechtvaardig!” - -En daar, neergevallen op den rand van haar bed, nog trillend van -ontroering, gebroken door den aangrijpenden weemoed van dit verloren -leven, zeide ze zacht voor zich heen: - -„Vergeef het haar! Zij wist niet wat ze deed, toen zij haar dochters -opvoedde! Maar de nieuwe vrouw zal anders over hare kinderen weten te -waken!” - - - - - - - - - -Hilda dwaalde lusteloos door het leege huis. Er was vanavond op het -Kurhaus een Schumann-Concert; zij hadden er vroeger om gegeten en -dadelijk na tafel waren mijnheer en mevrouw van Starren weggereden met -Corry en von Görtzen, die „een culte” voor Schumann zei te hebben. - -Hilda was alleen achtergebleven en liep rond door de stille kamers met -een gevoel, dat haar ongewoon was, van niet te weten wat ze wilde doen. -Ze had den geheelen dag hard gewerkt, wiskunde, en ze voelde zich wat -moe om nog te gaan lezen. Ze verlangde naar buitenlucht, ze had wel -naar ’t strand willen gaan, als het niet al te gek was geweest, op dit -uur voor een meisje alleen. En rondslenterend van de eene kamer in de -andere, dacht ze er aan hoe de gewone sleur van gedachtenloos -voortleven, die een oogenblik door Eugénie’s onverwachte ziekte -verstoord was geworden, nu alweer was teruggekeerd na zes en een halven -dag! - -De berichten uit de inrichting in de Boschjes waren goed: de freule -mocht nog niemand zien, maar ze was rustig en at en sliep wat beter. En -iedereen was nu gekalmeerd. Mevrouw van Starren vooral deed haar best -om de zaak luchtigjes voor te stellen. Nu, met Corry’s bruiloft op -handen, moesten de menschen niet denken dat er een ernstig ziektegeval -in de familie was. „’t Was alleen maar wat oververmoeidheid,” zeide ze, -„na al de drukten van Valéries huwelijk. Eus was ook altijd zoo -consciëntieus in alles wat ze deed, en als bruidsmeisje had ze zich -zeker wat veel ingespannen. Maar ernstig was ’t volstrekt niet.” - -Hilda liep den tuin in, maar ze vond vanavond de perkjes vervelend -klein en de schutting erg hoog; driemaal liep ze al de nette -kiezelpaadjes door, maar toen kon ze het niet meer uithouden. Het was -vreeselijk onbehoorlijk wat ze doen ging, maar in hemelsnaam, ze -verlangde zoo naar lucht! - -Ze vloog naar boven om hoed en handschoenen te halen en toen met groote -vaste stappen, liep ze het Nassauplein af, de Laan Copes door, toen in -het pontje het kanaal over, en den Waalsdorpschen weg op. - -Alles was hier eenzaam op dit oogenblik, en hoe verder ze kwam, hoe -rustiger ze ging, gelukkig als een oproerig kind, dat ontsnapt is aan -zijn strafkamer. - -Door een paadje dwars door het kreupelhout ging ze de duinen in. Wat -was het mooi hier! Een zoete, sterke geur steeg op uit het eikenhout, -en hier en daar waren kleine blanke duinpannen, omzoomd door helm, die -zachtjes wuifde boven warm gekleurd mos, als blonde kinderharen, die -golven over donker fluweelen kleedjes. - -Hilda voelde zich blij. Het heidekind was in haar wakker, het was -heerlijk haar jonge lichaam te strekken in die wijde eenzaamheid, en -dan een poosje achterover te liggen, opziend naar de wolkjes boven, die -de avondzon in gloed had gezet. - -Hoe grappig toch, dat, wat ze nou deed, eigenlijk zoo iets heel -verschrikkelijks was. O! als haar tante of mevrouw de Mureaux het eens -wisten! Maar waarom begreep men dan toch ook niet dat een jonge vrouw, -even goed als een jonge man, soms behoefte kan voelen aan beweging en -lucht en vergezichten, en dat die behoefte niet altijd juist alleen -komt, als men iemand ter begeleiding bij de hand heeft. Die goeie -natuur had toch het meisje geen longen en beenen gegeven om ze alleen -te gebruiken op een deftig gechaperonneerd wandelingetje of bij wat -boodschappen in volle straten! - -Wat was het dan anders in Amerika, waar toch zooveel van de ruwste, -bedorvenste elementen uit het oude Europa zijn heen gestroomd, maar -waar elke vrouw, zonder het minste gevaar voor haar reputatie, vrij en -veilig kan gaan waarheen en wanneer zij wil. Wat was het hier toch -eigenlijk vermoeiend met al die belemmeringen! en wat waren die -belemmeringen ten slotte alleen maar een kwestie van vooroordeel en -gewoonte! - -Hilda liep voort in stille jubeling. Het blondgroene landschap was zoo -vol mysterieuze bekoring bij deze avondverlichting. Maar toen stond ze -ineens stil, luisterend met snelleren hartklop. Er werd ergens gepraat -.... een mannenstem, die lachte! Wat voor menschen zouden hier zijn op -dit oogenblik? Soldaten, die iets vergeten hadden, ’s morgens bij de -exercitie .... of stroopers .... of ....? Ze luisterde scherp, meer -ontroerd dan ze zich zelf wilde bekennen. De wind woei de klanken -zachtjes naar haar toe .... het was dáár, achter dat boschje! Maar nu -was er ook een vrouwenstem, een uitdagende, hooge lach. Waar had ze -dien meer gehoord? En plotseling had ze vóór zich een paar lichte, -brutale oogen en zwarte haren .... Ottilie van Heemeren? .... was het -mogelijk dat het haar lachen was geweest? - -Voorzichtig sloop Hilda tegen het duin op; daarachter moest een pan -zijn, waaruit de stemmen kwamen, en zonder zich af te vragen of het ook -gevaarlijk kon zijn, ging ze door het kreupelhout tot aan den rand van -het duin, waar het met sterke glooiing een kleine diepte vormde. - -En ja, het was Ottilie. Daar lag ze in het mollige zand, nog lauw warm -van de zon, en naast haar zat Edward, over haar heen gebogen, haar -rechterarm, waarvan hij de mouw had opgestroopt, kussend met wild -gretige lippen. En zij lachte .... - -Hilda zag toe, één seconde, toen rende ze het duintje af, wegvluchtend -in razenden opstand. - -„Eddy dus ook al, die goeie lobbes van ’n Eddy! Zoo’n jongentje nog! -Wat heeft ze er aan, Til, om hèm ook al naar de diepte te halen! Maar -ze kan het niet meer laten! Is het niet om bij te huilen, ’n vrouw met -zoo’n rijken aanleg au fond? O! Corona had het in ’t voorjaar wel -gezegd: als Ottilie nu de kracht niet heeft zich flink aan te grijpen -en ’n omwenteling in haar leven te brengen, gaat ze onherroepelijk hoe -langer hoe lager zinken! En zoo zou ze nou voortgaan, anderen -bezoedelend, en op haar beurt bezoedeld wordend, anderen martelend en -op haar beurt gemarteld wordend ....” - -„Hoe vreeselijk! hoe vreeselijk!” herhaalde Hilda in een walging, die -een oogenblik alles donker in haar maakte. „En zoo zijn er duizenden, -millioenen, wel met allerlei nuancen en uiterlijke verschillen, maar in -den grond van hetzelfde type. Overal zijn ze, in alle landstreken! in -alle standen, waar men zich maar even de luxe kan permitteeren om de -meisjes de traditioneele opvoeding van nietsdoen te geven! Want uit -hartstocht wordt op deze wijze betrekkelijk zelden gezondigd, uit -lediggang, en het daaruit geboren verlangen naar prikkeling, veel!” - -Hilda liep driftig voort, in sterke physieke beweging rust zoekend na -dezen schok. Eindelijk op een hoogen duintop, waar de zeewind koelte -aanwoei, zette ze zich neer. Het beeld van Ottilie vervolgde haar, ’t -was alsof er ergens een groote zwarte vlek was gevallen op het blank -vredige van dit avonduur. - -En terwijl zij daar neerzat, hoorde ze ineens als in een hallucinatie -weer het hatelijke: „onvrouwelijk”, dat men haar den laatsten tijd in -alle schakeeringen van toon had toegeroepen. „Wat een dwaasheid toch -dat iedereen zich dadelijk zoo angstig maakte over onvrouwelijkheid, -terwijl men onverschillig bleef bij zooveel vrouwen-onwaardigheid, als -daar was in de wereld!” - -En met groote duidelijkheid rees toen weer plotseling het moment voor -haar op, nu acht dagen geleden, op het bal bij de Vermaezens, toen ze, -wachtend op Maarten, alles om zich heen rustig had zitten opnemen. Daar -stond weer Valérie, in bestudeerde achteloosheid tegen den muur -geleund, het gouden haar, onder den lichtarm vlak boven haar hoofd, -waasde om het kopje als zondoorgloeide wolkjes, de volle roode lippen -waren geopend van opwinding, die haar adem sneller deed gaan. Zij was -heel mooi zoo, en van Gaefden zag haar aan, trotsch glimlachend, want -het is streelend voor ijdelheid zich de toekomstige bezitter van -zooveel moois te voelen. Maar Valérie stond half van hem afgewend, haar -oogen lachten tegen een jongen zeeofficier, die zich door de -rondwandelende paren heen, naar haar toedrong. - -De muziek begon weer: een wals. Daar was hij, een buiging heel diep en -eerbiedig, toen een beweging nonchalant familjaar, de arm om haar -middel, ’n paar fluisterwoorden, die haar erg deden lachen, met ’n -onwillekeurig even omzien naar van Gaefden, en daar zweefden ze heen, -jong, slank, sierlijk in hun omstrengeling .... en toch .... Daar -kwamen ze aan, vlak langs Hilda, Valérie’s arm lag blank en week op de -donkere uniform, en haar oogen waren wijd open van opwinding. Wat ’n -prachtige bacchante zou men van haar hebben kunnen maken! En wilder -sleepten de tonen hen voort en vager werd haar blik en de jonge -officier greep haar sterker vast, en boog zich over haar heen, daar -waren ze weer, vlak bij Hilda, en zij verstond wat er gezegd werd en -.... walgde. Maar Valérie danste lachend en blozend voort, haar -goudvlokkige haren fladderden op tegen het gezicht van haar danseur en -zijn gloeiende adem was op haar voorhoofd. - -Bah! Dit waren dan de toekomstvrouwen, die staan zouden te midden der -woelingen die naderden? Het volgend jaar zou Valérie misschien al een -kindje in haar armen houden en dit was haar voorbereiding geweest! - -En daar ginds was Betty de Mureaux met haar eeuwig kinderachtig -giegelen en Annie van Gaefden met haar diadeem van reigerveeren! Zij -wist hoe bloedig wreed dat tooisel was verkregen, [16] maar wat kon -haar dat schelen, als het maar goed stond? En daar verder was Corry met -haar onschuldig gezichtje, en valsch eerzuchtig hart, en Agathe van -Brehnen, die straks vol ophef verteld had van haar tir aux pigeons in -Berlijn bij Gräfin von Prinsau. Zoo’n duifje dat losgelaten wordt en -dan schieten! De kunst is om het diertje niet doodelijk te treffen, -maar de pootjes er af! O! dol amusant! en dan de vossenjacht bij Lord -Kingsline, waar ’n arm klein vosje door de honden bijna dood gejaagd en -dan verscheurd wordt, o! allergezelligst! En daar was ook nog Mathilde -van de Bransen, wier hoogste illusie het was om met een Engelschen -groot-grondbezitter te trouwen, en bij wie geen enkele kamenier het kon -uithouden, en mevrouw Jalingama, die zich zoo onbevredigd en onbegrepen -voelde, en haar drie snoezige babies altijd op de kinderkamer liet met -heel bedenkelijke bonnes, en freule Verakker, die haar leven tusschen -het tennisveld en het rijwiel verdeelde en Eugénie, met haar -overprikkelde zenuwen,—wat had ze er dien avond toch vreeselijk slecht -uitgezien—en mevrouw de Mureaux, de goedige, brave, wier ontwikkeling -niet verder ging dan het feuilleton uit de courant, en meiden en -naaisterspraatjes! en nu eindelijk Ottilie .... En met al deze typen -van vrouwen voor oogen, aan wier schoot het niet mogelijk is, dat een -zedelijk mooi en krachtig geslacht opgroeit, durfde men nog de vrees -uitspreken, dat echte vrouwelijkheid zou verloren gaan, als de meisjes -anders werden opgevoed, met meer besef van rechten, maar ook vooral van -plichten! Het was om te lachen, maar heel bitter! En wat bedoelde men -toch met dat vrouwelijke dat zou verloren gaan? In China was het -vrouwelijk om verminkte voeten, hier, in sommige kringen, om ziekelijk -dunne middeltjes te hebben, en onwetend en zenuwachtig te zijn. En -zeker, al zulke kunstmatig aangekweekte, door de traditie geijkte -eigenaardigheidjes zouden door de emancipatie verjaagd worden, maar -nooit dat aangeborene, dat onuitsprekelijke, dat de vrouw maakt tot een -ander wezen dan de man. De stempels van de natuur laten zich niet -uitwisschen, en zeker niet door wat folianten en professoren en -collegebanken! Wat is in den loop der tijden niet gebeurd met de vrouw? -En door alle omstandigheden heen, heeft zij toch haar eigen karakter -bewaard! In de middeneeuwen heeft zij gevochten en haar burchten -verdedigd, terwijl de man aan de kruistochten deelnam, ze heeft -geloofsvervolging, gevangenissen, vluchtend rondzwerven gekend, in -Amerika is ze haar man gevolgd in de wildernis, waar ze ontzettend hard -werken en haar kinderen en woning dikwijls bloedig tegen de Indianen -verdedigen moest, ze is mishandeld, vernederd, verlaten, bedorven, -verkocht, bespot, aangebeden, onteerd geworden, op alle wijzen, ze -heeft zich dood gezwoegd, door idiote modes heeft men haar lichaam -verminkt en haar geest, door kunstmatig domhouden, hier heeft men, door -haar slaafs-afhankelijk te maken, de ondeugden der slaven in haar -aangekweekt: sluwheid, onwaarheid, gebrek aan fierheid, daar heeft men, -door haar te vergoden, haar ijdel en wreed gemaakt, en niettegenstaande -dat alles is de vrouw vrouw gebleven, en zal zij dat eeuwig blijven! -ten spijt van alle pessimisten die haar bij emancipatie ontaarding -voorspellen!” - -Hilda zat met de kin rustend op de handen, de ellebogen op de knieën -gesteund. Langzaam, onder het voortpeinzen over deze dingen, voelde ze -de onrust van haar schrik wegglijden. - -Toen zag ze ineens, naast zich op den grond, een lange zwarte schaduw -zich bewegen; ze keek op met ’n kleinen schok van vrees, die overging -in blijheid. - -„Goeien avond, freule. Gut, bent u hier heel alleen?” - -„Goeien avond, mijnheer van Hervoren. Ja ik had zoo’n behoefte aan wat -lucht en beweging, vindt u het heel erg ... ongepast?” - -„Ik vind het heel erg .... begrijpelijk! Als u nou toch maar zoo alleen -niet al te ver de duinen ingaat!” - -„Ik ben op m’n terugweg.” - -„Mag ik ’n eindje met u meegaan?” - -Zij knikte met een stralenden glimlach. - -„Wat ’n heerlijk toeval, dat ik u vanavond nog even kan spreken, want -morgen vroeg moet ik naar Chemnitz.” - -„Naar Chemnitz? .... Denkt u voor lang?” - -„Dat zal er van afhangen. Nou de fabrikant dood is, hebben de -werkstakers alleen met de weduwe en den toezienden voogd van de -kinderen te doen, en die toeziende voogd is toevallig juist iemand, -waar ik vroeger in Amerika, mee aan hetzelfde werk ben geweest en goed -mee opschieten kon. En nou wou ik zien of ik met hem den boel niet gauw -weer op orde kon krijgen, en zóo dat de positie van de arbeiders -wezenlijk ’n flink stuk verbetert, want hun grieven waren billijk.” - -„Zal het lang duren?” herhaalde Hilda. - -„Ik weet niet, ik hoop het niet! Maar ik heb onbepaald verlof hier van -de fabriek, omdat er hun hier ook veel aan gelegen is, dat het werk -daarginds weer gauw doorgaat.” - -Hilda liep zwijgend voort. Iets kilgrijs was ineens over de naaste -toekomst gegleden. Eugénie weg, Corry’s huwelijk op handen: dagen van -leugenachtige feestelijkheid, nou dit ook weer met Eddy .... en dan nog -Maarten weg .... ze huiverde terug voor die eenzaamheid. - -„Als u terugkomt, zult u mij hier niet meer ontmoeten!” - -Ze zeide het onder een plotselingen drang, vóór ze nog goed had -nagedacht. - -„Gaat u dan weg .... freule?” - -„Ja.” - -„Waarheen?” - -„Naar Amsterdam. Ik kan het hier niet meer uithouên. Ik zal Corona -vragen of ze geschikte kamers voor me weet. ’t Volgende jaar, zou ik -toch gegaan zijn voor de Academie, en nou ga ’k maar liever wat -vroeger.” - -„Vindt uw oom het goed?” - -„Hij weet het nog niet. Ik heb het vanavond pas bedacht, maar ik denk -dat ze ’t thuis heel prettig zullen vinden, nou ik toch zulke -overdreven denkbeelden heb!” - -Ze glimlachte, met een nuance bitterheid om den mond. - -Hervoren zag haar aan. Ze was zoo mooi, vanavond en zoo jong, zoo -aristocratisch in de hooge beteekenis van verfijnde beschaving, zoo -fier en zoo teer! - -En Maarten, die de laatste maanden overal met vuur had verkondigd dat -vrouwen de wereld in moeten even goed als mannen, dat de maatschappij -nooit in haar evenwicht kon komen vóór het vrouwelijk element er -volkomen een gelijke plaats naast het mannelijke heeft ingenomen, -Maarten voelde zich zwak worden in dit moment, vol angst om haar, die -zoo onervaren en broos ineens zou staan midden in de branding. Een -oogenblik kende hij die vrees, die velen van de edelste, genereuste -mannen het onrecht laat begaan van de vrouw terug te dringen, ver van -het groote leven. Maar toen viel hem een woord van zijn moeder in: „Het -is zoo natuurlijk, dat een man, die de worsteling, de wreedheid, het -gevaar van den levensstrijd kent, als hij een meisje ziet mooi en rein, -haar ver uit het gedrang zou willen wegvoeren, ergens, in een veilige -burcht met hooge muren. Maar laat hij niet vergeten, dat binnen die -muren wel eens doodelijk vergiftige bloemen konden staan van verveling, -en onvoldaanheid, en bekrompenheid en heimwee naar meer ruimte! Elke -man, die uit angst dat haar engelenvleugels zullen worden bezoedeld, -een vrouw zou willen opsluiten in een kooitje, al was het van goud en -fluweel, zou na een poosje merken, dat haar vleugels verdord en -verslapt zijn en dat hier of daar duivelenhorentjes zijn gegroeid.” - -Hij nam zachtjes haar hand, zonderling ontroerd. In godsnaam, dit -kindje moest het volle leven dan ook maar ingaan, zooals toch eigenlijk -alle grooten onder de menschen gedaan hebben, en waar zij komen zou, -zou ’n beetje meer liefde en vreugde zijn! - -„Maar wanneer zie ik u dan weer? Zal ik u dan vooreerst nergens meer -kunnen ontmoeten?” - -Zij zag hem vol aan met haar groote oogen, en met een glimlach vol -wonderbare belofte, zeide ze heel eenvoudig: - -„O! ja zeker, alle Zondagen zal ik thuis zijn voor mijn vrienden. U -moet me gauw komen opzoeken! Gladys zal u mijn adres wel geven .... -vaarwel ....” - - - - - - - - - -Alles was nog donker en stil in huis, toen Hilda thuis kwam, alleen in -de keuken werd gelachen, de luide lach van dienstboden, die visite -hebben en hun meesters uit weten. - -In de kamers kroop de schemering geheimzinnig uit de hoeken en wischte -de omtrekken der meubels uit, in de serre slechts viel nog wat licht -van den wolkenloozen avondhemel, waaraan de zon haar glans nog maar -kort van te voren had onttrokken. - -Hilda zette zich neer in haar gewone schommelstoeltje; de eenzaamheid -en donkerte van het huis lieten haar onverschillig, alles was licht in -haar, alles vol stralende levensblijheid. - -De gedachte dat Maarten wegging, misschien voor een langen tijd, was -haar op dit oogenblik zelfs niet eens meer pijnlijk. Hij ging om daar -ginds goed te doen, onrecht te herstellen! En in haar enthousiaste -meisjesverbeelding zag ze hem staan met zijn klare magnetische oogen en -blonde haren, midden tusschen de zwart dreigende figuren der -fabriekwerkers te Chemnitz, en als hij sprak zouden de harde trekken -zich verzachten, hij zou hun weten te geven, dat, wat voor velen, in -deze bange tijden van worsteling en argwaan, een hooge weldaad is: het -volle vertrouwen in éen dien zij geestelijk boven zich voelen. En dan -zou hij hun toestand verbeteren, alles regelen. Ze had het den laatsten -tijd van alle kanten gehoord, hij was zoo vreeselijk knap, en zoo goed! -O! ze was trotsch op hem! En in liefde is het hoogste weelde, trotsch -te kunnen zijn! En in dien tijd zou zij in Amsterdam haar kamers -inrichten: één heel eenvoudig slaapkamertje met veel zon en veel lucht -en een zitkamer .... O! heel anders dan hier al die meisjesboudoirs met -hun overlading van prullen, stijl twee-guldens-bazaar! Het zou een -mooie kamer zijn, met die voorname, zeldzame mooiheid die elke beurs -kan bekostigen, n. l. afwezigheid van alles wat leelijk is. Het zou -eenvoudig, bijna streng zijn, maar alles wat er was moest goed van -kleur, van vorm, van lijn wezen! Het moest alles getuigen van een -intens verlangen naar harmonie; de dagelijksche omgeving oefent immers -onbewust een grooten invloed op ons uit, en wie de mooiheid -verwaarloost in de kleine werktuigen van het bestaan—meubels, kleeding, -versierselen—kan nooit volkomen naderen tot die hartstochtelijke liefde -tot mooiheid in alles, mooiheid in het zichtbare om ons heen, mooiheid -in het onzichtbare van denken en voelen, die ten slotte voert tot een -hoog menschenleven! - -Hilda stond op, in een ontroering van vreugde: „En als dan haar kamer -heel mooi was geworden, zou Maarten komen .... op ’n Zondag ....” - -Zij stak een kandelaar aan op den schoorsteen om mee naar boven te -gaan. Maar bij het opvlammen van het licht zag ze ineens in den spiegel -het schilderij daar tegenover, het portret van een overgrootmoeder van -Suylenburg, geheimzinnig stralend in de donkere kamer in haar hofkleed -van het eerste keizerrijk, wit satijn met den manteau de cour van goud -brocaat. - -Het was een prachtige vrouw, ze was een Française geweest, een gravin -de Grandonne, die een schitterende rol had gespeeld aan het hof van -Joséphine. De familie-legende zeide, dat alle beroemdheden van dien -tijd aan haar voeten hadden gelegen, zelfs Napoleon zou een tijd lang -haar gunst hebben gezocht, maar na zijn tweede huwelijk was ze in -ongenade gevallen, en getrouwd kort daarop met den generaal van -Suylenburg, die haar naar Holland had gevoerd. - -Hilda draaide zich om en stond voor het portret, den kandelaar hoog -houdend om het mooie kopje te zien, maar nu ineens voelde ze de stilte -van het huis doodsch om zich heen, en kreeg ze ’n zonderling dringende -behoefte iets te uiten van haar trillende emoties. - -„Het zijn heel andere tijden, grootmama!” zeide ze lachend, „heel -anders, nietwaar? Andere politiek, andere zeden, andere illusies, -andere vrouwen! Wat hebt u uw haar kunstig gefriseerd. In m’n volgend -leven zal ik geen tijd hebben om zooveel zorg aan mijn kapsels te -geven, dat moet u me maar niet kwalijk nemen, ik neem u immers ook niet -kwalijk dat u er zoo veel tijd aan hebt besteed? Wij moeten elkaar met -rechtvaardige toegefelijkheid zien te beschouwen, ieder in de lijst van -onzen eigen tijd, eigen omgeving, eigen opvoeding. En heusch, ik zal u -geen schande aandoen, al zouden in uw oogen mijn opvattingen, als u ze -had kunnen voorzien, al heel erg zonderling zijn geweest! Waarom kijkt -u zoo strak in den spiegel met dien vagen trotschen lach? Omdat de held -van Austerlitz u heeft liefgehad? Maar ook ik heb de liefde van een -held, verstaat u dat? en de beroemdsten zijn niet altijd de grootsten! -Er zijn zooveel soorten van helden, nietwaar? dat zult u nu ook wel -weten, nu u van uit de hoogte neerziet op al het kleinmenschelijk -gezwoeg om ’n beetje meer eer en macht. En ik ben blij mevrouw, dat -mijn held geen zwarte oogen en bloedige handen heeft, en lauwerkransen, -maar een vredepalm en de haren en den glimlach van een jongen -zonnegod.” En in de opwinding van haar ontwakende liefde, genoot Hilda -bijna kinderachtig van deze gevonden vergelijking, toen ging ze weer -voort:—„Alles, alles verandert, nietwaar? Alleen jeugd en liefde en -verlangen naar geluk blijven hetzelfde, en ik beloof het u, ik zal er -mijn deel van nemen, al zal ik soms de toga en den baret dragen, zooals -u vroeger uw manteau de cour! Bonsoir, grootmama. Blijft u maar gerust -zoo trotsch staan lachen. Ik heb zoo’n idée, dat ik meer zal genieten, -van wat het leven waarachtig heerlijks en moois te geven heeft, dan u -het ooit hebt gedaan!” - -Toen ging Hilda naar boven en onder het opgaan van de trap zong ze -neuriënd een van die naïef teere Italiaansche liefdesliedjes, die men -in zuidelijke nachten, in de verte hoort zingen, en ze glimlachte tegen -de duisternis. - - - - - - - - - -Gladys lag stil achterover op haar rustbed. Kleine trekjes van pijn -gleden soms even over het vermagerde gezichtje, maar de oogleden, met -de lange wimpers lagen mat gesloten, alsof ze sliep. - -Ze lag te peinzen, zooals ze tegenwoordig zoo dikwijls deed, in haar -lange gedwongen rusturen; ze dacht aan haar huwelijk en hoe het -zachtjes aan een ruïne was geworden, in plaats van de tempel, dien ze -gewild had. Eerst was ze toch gelukkig geweest, wel al heel gauw met -oogenblikken van pijnlijke verwondering, maar ze had altijd honderd -soorten excuses voor Frederik kunnen vinden: z’n opvoeding was ook zoo -oppervlakkig geweest, en z’n vrienden zoo ruw! Hij had ook geen zusters -gehad, hoe kon ie dan weten, hoe licht een fijnvoelende vrouw gewond -is, hoe kon hij haar dan begrijpen, als ze zich soms ineens gekrenkt -terugtrok, of smachtend bij hem kwam, zwijgend bedelend om woorden, die -hij nooit zei. - -Maar toen, langzamerhand, was ie hoe langer hoe ruwer geworden, en ze -was bang beginnen te zijn, en vreemd, ze had een korten tijd er een -akelig genot in gevonden om voor hem te vreezen. - -Maar op een avond, had ze hem in de naaste kamer tegen vrienden hooren -bluffen over de beste manier om een vrouw te regeeren. „De Rus, die z’n -vrouw met den knout geeft,” had ie gezegd, „was veel beter -menschenkenner dan de Amerikaan, die haar als z’n gelijke behandelt, -want de vrouw is nou eenmaal de geboren onderdane, ze geeft alleen -liefde aan wie haar angst inboezemt, als ze verliefd is, heeft ze -behoefte om op haar knieën te dienen.” - -O! wat had ze dien avond gehuild, uren en uren lang! Maar toen had ze -ook begrepen waarom Frederik’s theorie in sommige huisgezinnen -schijnbaar opging en hoe ze er hem zelf mogelijk wel in had versterkt. -Oorspronkelijk toch is er in elk jong, onbedorven mensch, zoowel man -als vrouw, een instinct gelegd om zich slechts aan den besten den -edelsten te geven. Dit is het ingeschapen principe van zelfbehoud van -het ras, dat zich doet gelden overal, waar de huwelijkskeus niet -bepaald wordt door wat iemand bezit aan fortuin of rang, overal waar -niet door sociale wanverhoudingen van eeuwen dit instinct te zeer is -verbasterd. Bij elk paar, dat elkaar lief heeft, vindt men er de uiting -van in een eigenaardige behoefte om elkaar te verheerlijken: de man -ziet in zijn verloofde een feetje of een heilige, waarvoor hij zou -willen knielen, de vrouw ziet in haar man een held, waartegen ze zou -willen opzien in een gelukkig gevoel van ontzag.—En misschien is dit -wel de groote les van het leven over de verhouding tusschen man en -vrouw, dat in de oogenblikken van hoogste intimiteit, waarin het twee -individuen gegeven is, elkaar te naderen, zij zich beiden aanbiddend -voor elkaar voelen neerbuigen, in een onbewust raden van het goddelijke -dat in hen is.—Maar in een maatschappij als de onze, met zooveel -onwaarheid en verwrongenheid, valt dikwijls van dien oorspronkelijk -mooien drang niets meer te bespeuren dan de karikatuurachtige echo er -van, in de zinnetjes van den banalen hofmaker, of in de laffe -onderdanigheidsphrases van energielooze vrouwen, en menigmaal geeft -zelfbedrog den leugennaam van eerbied en hoog opzien aan wat slechts -is: misdadig zwak toegeven en vreezen. Ja, dat was het! Het vreezen van -de vrouw, en er een soort voldoening in vinden was de karikatuur, de -ontaarding van haar ingeboren verlangen om hoog te houden den vader van -haar kinderen! In veel huisgezinnen, waar de man door flinkheid meent -te regeeren, dankt hij zijn prestige alleen aan dat onbewuste verlangen -van de vrouw, en veel van de macht, die de man tot dusver bekleed -heeft, was daaraan alleen te wijten! Want zoo menige vrouw, in een -uiterst pogen om in de platheid van het dagelijksch leven, in haar man, -dien zij scherpzinnig genoeg is om in al zijn kleinheid te hebben -doorzien, toch den held harer jeugdidealen te redden, zoekt een -leugenachtige bevrediging in vreezen, als hoog opzien niet meer -mogelijk is. - -Gladys bleef stil liggen peinzen. Ja, zoo was het ook met haar gegaan, -maar na die korte periode van angst waren de lange jaren gekomen van -geduldig, droevig worstelen, tot ze overwonnen was verleden .... op -dien nacht. - -Met een zacht gekreun verlegde ze het moeë hoofd. - -Maud kwam binnen, voorzichtig, met haar onhoorbaren hospitaalstap, en -zette zich aan het raam neer, met een pas begonnen babysokje. Maar ze -haakte niet, met strak turende oogen en onrustplooien dwars over het -voorhoofd, keek ze de straat in. - -„Er was ’n boodschap gekomen .... ontzettend! .... Frederik was van z’n -paard gevallen, ’n wild jong dier, dat ie verleden week gekocht had, en -men had hem bewusteloos, met gebroken sleutelbeen naar ’t ziekenhuis -gebracht. Er was groot gevaar, maar hoe kon ze het aan Gladys -vertellen? Nou juist op dit moment ....” - -„Maudy, ben je daar?” - -„Ja lieveling, wat is er? Ik dacht dat je sliep.” - -„Kom es hier! Ik heb zoo’n afschuwelijke hoofdpijn, en ik voel me zoo -angstig!” - -Maud stond op en knielde naast de rustbank. „Ze kon het nu toch niet -vertellen? Gladys moest eerst kalmer zijn.” - -„O! Maud, ik ben zoo bang.” - -„Wat is er dat mijn kleine vrouwtje beangstigt? Herinner je je nog wel -onze Fransche gouvernante, die ons altijd bang maakte voor spoken? ik -geloof heusch om nog ’n beetje „poëzie” in ons te redden, omdat ze -beweerde dat onze Amerikaansche opvoeding, „le charme poétique de la -femme”, in ons zou verderven. Ik geloofde nooit ’n woord van haar -griezelige geschiedenissen, maar jij was dikwijls erg onder den indruk, -en dan moest ik je zóó in m’n armen nemen, zóo, niet waar? om je te -bedaren. Zullen we es probeeren of het ouwe middel nog helpt?” - -Maud sprak gewild vroolijk, om haar af te leiden, maar de jonge vrouw -drukte angstig steunzoekend het hoofdje vast tegen haar schouder. - -„Maud, ik heb gedroomd, dat ik en het kindje stierven, en ik was blij -dat het kindje ook dood ging, want wat is een klein menschje zonder -moeder! Maar de twee anderen bleven achter, zoo teer, met zulke fijne -zieltjes, en zoo jong en zoo heel alleen .... Begrijp je niet, dat het -me met doodsangst vervult!” - -„Zie je wel, dat het maar spoken waren? Wie gelooft nou aan droomen?” - -Maud dwong zich om luchtig te schijnen, maar een kille angst was in -haar borst. - -Gladys zag haar aan met de grijze kinderoogen groot van ontzetting. - -„Ik kan het niet verdragen, dat je er om probeert te lachen. Er sterven -immers zoo veel vrouwen aan! .... Het helpt niks of je er over heen -praat! O! als ik ze alleen moest laten ....” - -Maud voelde het teere lichaam in haar armen sidderen van angst. - -„O! als ik ze jou maar kon toe vertrouwen, Maudy, .... dan zou ik wel -rustig kunnen afwachten .... maar .... O! mijn God, mijn God! ....” - -„Lieveling wind je toch niet zoo op!” - -Gladys haalde diep adem, als om kracht in te nemen voor het -smartelijke, dat ze zeggen moest. - -„Misschien heb je wel gemerkt, Maud .... ons huwelijk is .... niet -geworden .... wat ik gehoopt had! O, Frederik heeft heel veel goeds -.... hij is bijvoorbeeld honderdmaal beter dan z’n broer Henk, die ruwe -cavalerist, maar ....” - -Zij kleurde, bang om iets kwaads te zeggen, en toch zoo bitter -verlangend om de angst van haar ziel uit te spreken. Smeekend zag ze -op, maar toen ze Maud’s oogen ontmoette vol treurig begrijpen, brak -ineens haar zelfbeheersching. Ze sloeg de armen om haar hals en snikte -wild, als vroeger, in de dagen van groot kinderverdriet. - -„O! Maud! als ik ze jou toch maar kon laten! Frederik heeft zulke heel -andere denkbeelden over opvoeding .... Vooral over broertje .... Het is -zoo’n goed kind, maar niet makkelijk te regeeren, zooals de menschen -dat noemen!—alsof het ons bij het opvoeden te doen moest zijn, om ze te -regeeren!—Als Frederik in z’n jeugd niet zoo geregeerd, gedrild was -geweest, zou ie nou misschien heel anders zijn. Maar ze hebben hem in -z’n kindsheid, al zijn wil—men noemde het koppigheid—er uit geslagen, -tot ie ’n onderdanig, willoos jongetje was geworden, met alleen angst -voor straf tot moreel richtsnoer, en natuurlijk, is ie nou later, toen -ie z’n eigen meester werd, een willooze, zwakke man geworden. Maar dat -ziet ie niet in. Zijn slap heen en weer slingeren door allerlei -hartstochten, houdt ie voor mannelijkheid en originaliteit, en als ik -er niet was, zou ie Hajo ook weer met den stok willen opvoeden, hem -klein krijgen, zooals ie ’t uitdrukt, en ik weet zeker, dat dan alle -energie en zelfvertrouwen in ’t kind verloren zouên gaan, en die zal ie -juist met z’n onstuimig karaktertje zoo vreeselijk noodig hebben. O! -Maud, als jij maar bij ze kondt blijven! en hen leeren zich zelf te -beheerschen, en zich rekenschap te geven van wat ze willen en of dat -goed is, en dan ook te volbrengen, wat ze zich voorgenomen hebben ....” - -Gladys zweeg even, uitgeput, met een hijgenden snik. - -„Lieveling, dearest, er is niets geen grond voor je angst,” zeide Maud. -„Waarom zou je ’r niet even goed doorkomen, als de twee andere keeren? -Maar als het je rust geeft, maak dan een testament waarbij je mij -wettelijk benoemt tot hulp en raadsvrouw van je man. De groote jeugd -van de kinderen en daardoor de behoefte aan vrouwelijk toezicht zullen -die beschikking in ieders oogen volkomen motiveeren.” - -„Dat kan niet Maud.” - -„Ja zeker, het kan wèl! Ik heb het nog pas, bij den dood van mijnheer -Banckhorst gehoord, die had ook aan z’n vrouw, omdat ze zoo ziekelijk -is, een raadsman toegewezen, om haar te helpen, haar zes jongens groot -te brengen.” - -„Ja, dat kan een vader voor zijn kinderen doen, [17] als hij meent dat -de vrouw niet geheel berekend is voor haar taak, maar een moeder kan -het niet!” - -„Waarom niet?” - -„Omdat ze maar ’n vrouw is!” - -„Hoe bedoel je? kan een moeder ....? Maar dat is belachelijk!” - -„Nee, het is niet belachelijk, ’t is afgrijselijk!” zeide Gladys, en -ineens zich opwindend, terwijl twee brandend roode plekken zich op de -magere wangen teekenden: „Versta je, Maud? Frederik heeft ’t recht mij -bij zijn dood den eersten den besten man, die hem in z’n hoofd komt toe -te voegen als raadsman, zonder wiens toestemming ik niets met mijn -eigen kinderen doen kan! Maar ik .... de moeder, die hem onmachtig, en -....”—de emotie sleepte haar mee het lang gezwegen smartelijke uit te -spreken—„en onwaardig weet om hen op te voeden, ik ben machteloos!” - -Met een kermenden kreet kwam ze plotseling overeind: - -„O! Maud, laat ik maar naar boven gaan .... Het oogenblik .... zal -gekomen zijn. Is Frederik niet thuis?” - -Maud legde haar arm steunend om de jonge vrouw, en schudde het hoofd. -Voorzichtig bracht ze haar in bed, met teere woorden uit haar -kindsheid. - -Maar het oogenblik was nog niet gekomen. Gladys viel in slaap en na een -paar uur werd ze veel kalmer wakker, met iets zelfs van den ouden moed. - -Toen had Maud het haar gezegd, het ongeluk van Frederik, want het was -avond geworden, en Gladys had telkens gevraagd, met angstigen argwaan -„of Free niet thuis was komen eten, en of Maud niet wist waar ie was.” - -„O! het beteekent niks!” zeide Maud geruststellend, „de menschen, die -hem hebben gevonden, wisten natuurlijk niet waar ie woonde, en hebben -hem naar ’t ziekenhuis gebracht, en daar moet ie vannacht nou wel -blijven, maar ’t zal wel gauw over zijn.” - -Gladys zeide niets. Met krampachtig vast gevouwen handen lag ze -achterover, heel bleek. - -Toen, tegen elf uur werd er gebeld. Het was een particulier briefje van -den dokter van ’t Ziekenhuis, een vroegere clubgenoot van van Praege, -die als vriend bij hen aan huis kwam, om Gladys te waarschuwen dat er -onmiddellijk gevaar was en te vragen of er geen mogelijkheid bestond -dat ze nog kwam. - -Maud was naar beneden gegaan, en las het briefje in groote -verslagenheid: „men mocht het immers niet wagen, ieder oogenblik kon -voor Gladys het moment dáár zijn.” - -Met loome voeten ging ze de trap weer op. Door het stille huis, waar -iedereen waakte in angstig wachten, zweefde als een ongeluksbedreiging. - -Gladys zat overeind toen ze binnen kwam, met starende oogen vol vreemde -ontzetting. Met een ongeduldig gebaar wees ze de baker om naar de -andere kamer te gaan: - -„Wat was die bel?” - -„Niks kindje, een vergissing, geloof ik.” - -„Nee, nee, Maud, het kwam van Frederik. Hij is zeker gevaarlijk! O! -nee, bedrieg me maar niet! En ie gaat sterven en ik ook! En weet je wat -er gebeurt met mijn kinderen? De aangewezen persoon om hun voogd te -worden is natuurlijk Henk! .... Natuurlijk, de eigen broer van den -vader! ’n voorname Meneer, een geacht ingezetene! Groote God! en z’n -eigen natuurlijke kinderen laat ie in de ellende, en z’n gedrag is -altijd horrible geweest! maar heel deftig, in stilte! En dat wordt de -voogd van mijn kleintjes!” Ze snikte, met wringende handen. - -„Nee, Glad, m’n lieveling, wees toch niet zoo bang! Ik zal immers voor -ze zorgen, als jullie heen moest gaan. Ik beloof het je immers, ik zal -voogdes worden!” - -„Dat kan juist niet! Als dat kon was het alles goed! Maar het gaat -niet. O! mijn God!” - -„Waarom niet, dearest? Omdat ik misschien Amerikaansche ben? Maar als -het moet, zou ik me immers dadelijk laten naturaliseeren. Ik wil alles -voor je doen ....” - -„Nee, Maud, het kan niet omdat je vrouw bent!” - -„Vrouw ben?” herhaalde Maud. - -„Ja, de wetten hier, vinden een wilden, ongetrouwden cavalerieofficier -veel beter om zoo’n paar teere plantjes aan toe te vertrouwen, dan de -eigen zuster der moeder. Is het niet om krankzinnig te worden? O! -Maudy, maar je zult ze toch niet verlaten?” - -„Dus, bij gebrek aan bloedverwanten, zou je staljongen nog eerder de -voogdij over je kinderen kunnen krijgen dan ik, de gestudeerde vrouw, -de eigen tante, die haar leven voor zulke kleintjes geven zou? Maar in -hemelsnaam, zijn die Hollandsche vrouwen dan zoo slaperig, dat ze zoo -iets dulden?” - -Gladys kreunde, haar gezichtje van heftige pijnen vertrokken. Maar na -een poosje werd ze weer kalmer en met beide handen Maud’s hoofd dicht -naar zich toe trekkend, zeide ze in ’n haastig gefluister: „Ja, de -wetten zijn hier zóo, dat zelfs de grootmoeder, al heeft ze bewezen, -door haar eigen kinderen uitstekend op te voeden, dat ze volkomen voor -haar taak berekend is, geen voogdes mag worden over de weezen van haar -zoon of dochter! Zelfs onze eigen, lieve moeder, Maud, als ze nog -leefde, zou geen voogdes van mijn kleintjes mogen zijn! O! weet je, het -komt alles voort uit dat ouwe principe, waar we in onze vroolijke -meisjesjaren zoo dol om hebben gelachen: dat de vrouw een inferieur, -onmondig wezen zijn zou! Maar toen wisten we niet dat het eenmaal zoo’n -ramp over ons brengen zou!” - -„Lieveling, wind je toch niet zoo op! Denk toch aan je kindje! Willen -we samen nog es bidden, zooals vroeger, toen we klein waren?” - -Gladys schudde heftig het hoofd. - -„Ik kan niet, Maud, ik ben te wanhopend! O, jij bent veel beter dan ik! -Jij kon altijd je verdriet uitstorten aan God en dan getroost zijn, -maar ik kan niet ....” - -„Toe probeer het es, lieveling. Het zou je zoo’n rust geven, als je je -kleintjes in Zijn liefde kon aanbevelen ....” - -„Och Maud, er zijn immers zooveel kinderen verloren gegaan, die door -hun stervende moeders aan God waren opgedragen!.... En God heeft jou -immers gegeven, ’n verstandige, heilige vrouw, om voor ze te zorgen! -Wat kon Hij meer doen? Hij kan het niet helpen, dat de domme menschen, -met hun schandewetten, je krachteloos hebben gemaakt! Maar -niettegenstaande alles, Maudy, beloof je me dat je over ze waken zult?” - -Rillend kwam ze overeind en bedekte Maud’s handen met kussen. - -„Ik beloof het!” snikte Maud en een oogenblik hielden zij elkaar vast -en weenden samen in nameloos leed. - -„Bedaar toch, liefste! Maar je zult immers niet sterven, en voor -Frederik is toch ook nog hoop!” „Ja, we zullen wèl sterven!” zeide -Gladys sidderend. „Ik voel het! Maar ik zal je wat zeggen, -Maud!....”—Haar oogen waren heel donker en fonkelden diep in de holle -zwarte kringen, en een huiveringwekkend pathos was in haar op dit -oogenblik.—„Als de vloek van een stervende moeder iets beteekent, Maud, -zeg het haar dan, dat ik ze vloek, hier, op mijn weeënbed, de jonge -vrouwen, die langer onverschillig blijven voor deze schandelijke -toestanden. Zeg het haar, dat ik geen rust heb gevonden op mijn -doodsbed, omdat ik mijn kinderen niet aan jou kon geven, omdat .... jij -van het geslacht der moeders bent. Zeg het haar, dat ik ze vloek! -vloek! vloek! als ze niet als eén vrouw opstaan, om verandering in die -wetten te brengen!” - -„In Godsnaam Glad, wees toch bedaard!” - -Maar met een smartgekreun, zonk de jonge vrouw ineens neer. De weeën -waren begonnen en er werd niet meer gesproken. - -Het was een afgrijselijke nacht, en Gladys’ lijden was ontzettend, en -Maud stond er bij, en later Corona, die er bij geroepen was, en zij, -die zoovele vrouwen gered hadden, ze waren onmachtig hier. - -Gladys kwam bijna niet meer tot bewustzijn, alleen riep ze ijlend, dat -men de kinderen weg moest brengen, dat hij, Henk, ze niet vinden kon. - -Het was een dood kindje, en tegen den morgen stierf Gladys, en een paar -uur daarna kwam het bericht uit het ziekenhuis, dat Frederik van Praege -was overleden. - -En een oogenblik hield de wereld op met haar lichtzinnig gesnater, een -enkel oogenblik was men gefrappeerd door den plotselingen dood van die -twee jonge menschen, maar niemand dacht er aan in welke wanhoopsangsten -Gladys was heengegaan. - - - - - - - - - -In de Oude Molstraat, in zijn armoedige kamer op de tweede verdieping, -waar alles het onderkomene, verlepte had, van achteruitgegane menschen, -die sinds jaren, om zich nog even staande te houden, kamers verhuren, -zat Moisette voor zijn schrijftafel. Een stapel papieren lag vóór hem, -die hij aandachtig doorlas, met nu en dan een kleine zucht van -ongeduld. Hij vond het verschrikkelijk vervelend deze soort lektuur, -waar hij zich heelemaal niet in thuis voelde, maar een kinderlooze, -zeer gefortuneerde nicht in Poitiers, had hem tot haar erfgenaam -gemaakt, en hij was nu wel genoodzaakt kennis te nemen van de stukken, -die men hem daarover had toegezonden. Telkens dwaalden zijn gedachten -echter af; het idee, dat hij nu rijk was, kon hem soms ineens -fascineerend overweldigen. En hij dacht aan Hilda. O! hij wist wel, dat -zij tot de vrouwen behoorde, wier liefde niet afhankelijk is van een -beetje meer of minder geld, maar ’t was toch net of dit fortuin hem -dichter bij haar had gebracht. Zij had hem altijd getoond, dat ze niet -van hem hield, hij wist het wel, en met razende onrust kwam die -zekerheid altijd weer z’n hoopvolle oogenblikken bederven. „Maar tot -dusver was ie ook zoo angstvallig geweest. De vrees, dat iemand uit -haar omgeving, of zij zelf misschien, hem verdenken zou van onzuivere -bedoelingen, van berekening, had hem onhandig en teruggetrokken -gemaakt. Maar nu, nu hij haar gelijke was geworden,—want was in deze -eeuw geld eigenlijk niet evenveel als geboorte?—nu zou hij heel anders -zijn.” - -Hij had haar in lang niet gezien! heel zonderling! sinds September -niet, en ’t was nu al December. Hij had niet den moed gehad naar haar -te vragen, uit vrees dat men zijn geheim zou raden. Een paar oude dames -hadden er hem al mee geplaagd, en hij kon het niet hebben, dat -onkiesche handen dat teere plekje aanraakten. Zorgvuldig had hij dus -altijd vermeden om over haar te spreken, ofschoon hij innerlijk van -verlangen getrild had om iets van haar te hooren, en hij overal -getracht had haar te ontmoeten. Maar nu zou hij er openlijk voor -uitkomen, dat hij haar het hof wou maken. Iemand van zijn fortuin -hoefde zich niet meer zoo schuw weg te houden! en hij zou vandaag nog -naar mevrouw Cranz gaan en haar vragen waar Hilda toch was. - -Sinds Bernard’s declaratie en haar weigeren, wist hij wel, dat zij -zelden meer bij de oude mevrouw kwam. Een pijnlijk onderhoud had er -tusschen haar plaats gehad. Mevrouw Cranz had dringend gesmeekt dat -Hilda op haar besluit zou terugkomen, en zich over Bernard zou -ontfermen, Hilda had droevig geweigerd, en ofschoon zij met veel kussen -en tranen gescheiden waren, in haar omgang was sinds dien tijd een -kleine smartelijke bijsmaak overgebleven, die het Hilda onmogelijk -maakte om nog dikwijls te komen. - -Maar in elk geval zou mevrouw Cranz toch weten waar Hilda was. Hij had -haar het laatst gezien twintig September, op een tentoonstelling in den -Kunstkring, en er was toen iets vreemds over haar geweest, alsof ze -rondliep in een droom, sterk vervuld van de eene of andere gedachte. -Hij had haar zien staan, onbewegelijk, voor een teekening van Thys -Maris, een kwartier lang, met een zonderlingen glimlach, en toen -heengaan met een diepen zucht en een optrekken van de wenkbrauwen alsof -ze worstelde met vragen waarvan ze de oplossing niet vinden kon. - -Moisette strekte zijn beenen lang uit onder de schrijftafel, achterover -hangend in zijn stoel, de hand onder het hoofd, een beweging van genot -om zich aan zijn gedachten over te geven. - -„Wat kon bij een jong meisje zulk vragenvol gedroom anders beteekenen -dan verlangen naar ...? Natuurlijk, ze had Cranz wel geweigerd, omdat -.... enfin .... z’n reputatie .... misschien ook ’n wezenlijke -antipathie? Maar nu ze zich blijkbaar onbevredigd, zoekend begon te -voelen, nu was de tijd gekomen, dat hij, Moisette, te midden van de -leegheid van haar meisjesleven zou verschijnen en het zou weten te -vullen met nieuwe emoties ....!” - -„Dominee, daar is juffrouw Wendelings.” - -Hij kwam overeind met een kleinen schok van tegenzin. - -„Laat de juffrouw maar even hier naast, in de spreekkamer.” - -Haastig begon hij de papieren bijeen te schuiven, en borg ze weg. Toen -ging hij naar een hoek van de kamer, waar een kleine deur achter ’n -armoedige portière van dunne, vuilbruine stof wegschool, en opende die. - -„Komt u binnen, juffrouw Wendelings, kan ik iets voor u doen?” - -Hij zei het heel zacht en vriendelijk, juist neerbuigend genoeg om even -te herinneren dat hij op een hoogtetje stond. - -Bertha zag er slecht uit, en het verlies van haar frischheid maakte -haar leelijkheid nog grover. Ze droeg een armelijk rouwtje, uit de half -versleten kleeren van haar moeder gemaakt, want in ’t voorjaar, kort -nadat zij haar ontslag had genomen van het kantoor, was de oude mevrouw -gestorven. - -Zwijgend zat Bertha aan de tafel, midden in de kamer, Moisette was -tegenover haar gaan zitten en wachtte. Maar verlegen, zenuwachtig de -handen in elkaar geperst, bleef ze zwijgen. - -„U hebt mij misschien iets te vragen?” - -„Ik kwam ... u zeggen ... dominee ... Dominee ik kwam u vertellen dat -ik geëngageerd ben.” - -Iets warm vriendelijks kwam in zijn gezicht. Niettegenstaande al zijn -overtuiging, dat hij goed had gedaan met haar weg te nemen van haar -kantoor, was er toch soms in zijn geweten een angstig klein kneepje -geweest over haar toekomst. - -„Wel, wel, dat vind ik aardig! Dat doet me plezier, juffrouw -Wendelings! Ik feliciteer u van harte, en .... wie is de uitverkorene!” - -„Mijnheer B. R. Jastens.” - -Hij zag haar vragend aan; de naam zeide hem niets. - -Toen ging ze voort, heel mat, met verlegen, toonlooze stem: - -„Hij woont in de Batjanstraat. Hij is gepensioneerd Indisch Ambtenaar, -en hij is negen en zestig jaar.” - -Bij ’t zeggen van zijn leeftijd zag ze even schuw op, om te zien welken -indruk het op Moisette zou maken. - -„Dan is er wèl een zeer groot verschil tusschen u beiden! maar men ziet -dikwijls dat dat de beste huwelijken geeft ....” - -„O! ja, hij zou m’n vader kunnen zijn.” - -Moisette werd onrustig bij de slappe moedeloosheid in haar manieren. -Hij zocht om iets hartelijks te zeggen. - -„En hebt u elkaar al lang gekend? ....” - -„Ja, al twee jaar. Vroeger liep ie me altijd na, maar ’k was bang van -hem. En verleden jaar heeft ie me ook gevraagd, maar ’k wou niet. Hij -heeft zoo iets engs en dan is er ook nog zoo’n Indisch kind van hem in -huis, ’n meisje van veertien, ’n ondeugende kat, en daar was ik ook -bang van.” - -„En heeft nou toch Amor over dat alles gezegevierd? Kom aan, dat is -goed.” - -Hij glimlachte, vreeselijk banaal in zijn gewild doen, alsof hij nog in -liefde bij haar geloofde. Maar zij antwoordde niet, te gebroken om te -reageeren, en slap ineengezakt bleef ze tegenover hem zitten. - -Er was een poosje benauwende stilte, toen begon ze, haperend, schuw -vlak langs hem heenziende, naar een vlek op het behang: - -„Ik kwam u vragen, of u ons zoudt willen trouwen?” - -„Zeker m’n kind, zeker wil ik dat doen.” - -„’t Is al over veertien dagen, ziet u. U begrijpt .... ik moet nou toch -al van hem leenen, want ik heb geen cent meer in huis, en dus vindt ie, -hoe eer hoe beter. ’t Pensioen van mama is natuurlijk dadelijk -opgehoûen en ik heb haast niks kunnen verdienen; in Tesselschade en -Arbeid-Adelt hebben ze me es wat werk gegeven, maar ze vonden dat ’k -niet mooi genoeg naaide. Ik kan het ook niet zoo erg goed en ’t is ook -zoo moeilijk! En ’t geeft toch nauwelijks droog brood, al kon ik het! -En ’k heb zeventig brieven op advertenties geschreven voor juffrouw van -gezelschap en kinderjuffrouw en op eén huwelijksadvertentie zelfs, maar -d’r is niks op gekomen, en .... nou is dit wel het eenige!” - -„Ja, dat is het! En laat het u tot een troost zijn, dat het huwelijk -toch ook uw eigenlijke bestemming is. Het is wel jammer, als men het -niet met dat zekere enthousiasme aangaat, wat alles gemakkelijk maakt, -maar ik verzeker u, wanneer u al uw best doet om een getrouwe, -christelijke gade voor mijnheer Jastens te worden, dan zult u daarin -een groote satisfactie vinden, zooals elke deugdzame plichtsbetrachting -die geeft!” - -Bertha stond op, ineens. Een razende verbittering tegen den man, dien -zij liefhad, en die nooit iets van haar liefde had willen begrijpen, en -nu in dit wanhoopsoogenblik een paar holle zinnetjes over plicht tegen -haar durfde .... leuteren, schudde haar even wakker uit haar dofheid -van overwonneling. Ze had lust om hem ook pijn te doen, en iets van -haar eigen rampzaligheid in hem te zien echoën. - -„Weet u dat freule van Suylenburg naar Amsterdam is gegaan om voor -advocaat te studeeren?” - -De stoot was te onverwacht, Moisette kon hem niet met zijn gewone -kalmte van zelfbeheersching pareeren. - -„Sinds wanneer? Weet u het heel zeker?” - -„Heel zeker! En er wordt verteld, dat ze ’n gelofte heeft gedaan om -nooit te trouwen!” - -Het laatste verzon ze er bij, terwijl ze het uitsprak. Van nature was -ze goedhartig, maar de pijn van dit oogenblik gaf haar een -onweerstaanbare prikkeling van boosaardigheid. - -„Dus u wilt ons trouwen? Morgen over veertien dagen?” - -„Ja, ja, ik kom nog wel es bij u aan, om er over te spreken.” - -Hij stond op, zenuwachtig, en liet haar uit op het portaal, en hoorde -niet eens den krijtenden snik, die opklonk uit de nauwe, donkere trap -toen ze afdaalde. Hij vloog terug in zijn kamer en greep zijn hoed, -maar toen zag hij Corona van Oven op den drempel van het spreekkamertje -staan. - -„O! dokter .... Ik wou juist naar u toe gaan ....” - -„U moet me vergeven, mijnheer Moisette, maar de meid liet me daar -binnen, en de deur stond aan en .... ik kon niet helpen .... dat ’k -hoorde wat hier gezegd werd ....” - -Uitdagend stonden zij tegenover elkaar. Een kleine prikkeling van -antipathisch aangelegde naturen was er altijd tusschen hen geweest, -maar tot dusver, als hun wegen elkaar kruisten, meestal in arme -woningen, hadden ze dat verborgen achter gewilde hoogachting. - -„U mocht het gerust hooren, het waren geen geheimen; juffrouw -Wendelings kwam me vragen om haar huwelijk in te zegenen.” - -„Ja, maar hoe kunt u nou toch zoo iets goed vinden? Ziet u dan niet dat -het huwelijk, dat dit arme kind gaat doen, prostitutie is?” - -„Nee, zulke verbintenissen komen soms heel goed terecht.” - -„In negen van de tien gevallen is het ’n zedelijke zelfmoord! Dat „goed -terecht komen” beteekent zoo dikwijls in versuffing of verbittering -zwijgen! En in elk geval zijn het uit zulke huwelijken, dat de laffen, -de cynischen, de gloedloozen, de zwakken d.i. de misdadigers geboren -worden! En dat moest u weten, dominee.” - -Hij zag haar even strak aan, zonder eigenlijk te verstaan, te veel -vervuld van het nieuws over Hilda om te kunnen ingaan op beschouwingen -over Bertha’s besluit. - -„Is het waar, wat ze straks gezegd heeft over de freule van -Suylenburg?” - -„Dat ze in Amsterdam studeert? ja! maar ....” - -„En u hebt haar dien weg ingedreven?” - -„Nee, ik heb haar de richting van den weg alleen aangeduid, maar ze is -hem zelf, uit vrijen wil, ingegaan.” - -„Ja, dat kennen we, die vrije wil! Denkt u dat ik niet weet, hoe u ’n -massa jonge meisjes met stil geweld aan het werk hebt gezet om ze maar -van ’t huwelijk af te hoûen? ’k Ben blij dat ik ’t u nu es zeggen kan. -Ik vind het onverantwoordelijk!” - -„Ik zet ze aan ’t werk, omdat haar leven leeg is: vol van beuzelarij en -leeg van geluk. En als ik ze daardoor kan redden van zoo’n huwelijk, -waarbij de drijfveer van de bruid meer is verliefdheid op verandering, -dan liefde tot haar man, wel des te beter! Maar ik wil ze volstrekt -niet van het huwelijk zelf afhoûen. Als ze op haar pad iemand -tegenkomen, dien ze liefhebben, dan gaan ze immers van zelf met hem -mee! Daar hoeven we heusch geen theorieën over te verkondigen!” - -En Corona glimlachte. - -Moisette scheen niet te luisteren, opgewonden ging hij voort: - -„Maar het wordt tegenwoordig immers ’n rage, dat alle jonge meisjes het -huis uit willen, om maar een of ander te beginnen, ook al zijn ze thuis -nog zoo noodig! Het is misérable met die emancipatie.” - -„U vergist u,” zeide Corona koel. „Dat „thuis zoo heel noodig zijn”, is -in de meeste gevallen maar ’n fictie, getuige het feit dat, zoodra er -zich ’n huwelijk voordoet, al die bezwaren, die het meisje weerhielden -om zich naar hartelust aan ’t een of ’t ander te wijden, dadelijk -vervallen! Gewoonlijk beteekent het „thuis niet gemist kunnen worden”, -het egoïste verlangen van de ouders om wat gezelligheid om zich heen te -hoûen, of wat sleur, of wat angst dat de wereld het gek zal vinden, of -er wat achter zal zoeken, als meisjes het huis uitgaan, die ’t niet -bepaald voor het brood moeten doen.—Zeker, er zijn gevallen dat er -heusch thuis groote plichten te vervullen zijn: bij ziekelijke ouders, -of moederlooze broertjes en zusjes en zoo meer, maar gelooft u dan -niet, dat, als ik zoo’n geval ontmoet, ik juist de eerste zal zijn, -juist in naam van de emancipatie, die ernst en verantwoordelijksgevoel -wil, om haar te wijzen op de taak, vlak in haar nabijheid, in plaats -van op eene aan den blauwen horizont! Maar u begrijpt toch wel, dat -elke vrouw, die toewijding in zich voelt, in zulke omstandigheden van -zelf zal thuis blijven! En .... doet zij ’t niet, wel, dan is ’t -eenvoudig dat zij nog niet rijp is voor dat zware liefdewerk! Laat haar -dan maar gaan, waarheen haar heur lust trekt, om zich zelf te -ontdekken; dat zal beter zijn èn voor haar eigen, èn voor haar -huisgenooten, dan haar tegen wil en dank thuis te hoûen, zooals dat -tegenwoordig nog dikwijls gebeurt! Want plichten, die alleen door vrije -toewijding goed zijn te volbrengen, en alleen veredelen, als zij met -bewuste zelfverloochening worden gedaan, zijn ’n vloek, en voor ’t -karakter ’n groot gevaar, als zij in dwang worden volvoerd!” - -Zij zag hem aan, sprekend met groote kracht, om zijn aandacht te -trekken, die ze zag dat afwezig was. Ze had zoo dikwijls over deze -idées moeten strijd voeren! en zoo dikwijls meisjes zien ten onder -gaan, voor wier jonge schouders de taak te zwaar was, of voor haar aard -ongeschikt, en die door haar omgeving, zonder het minste -gewetensbezwaar, kalm, alsof het van zelf sprak, werden opgeofferd. - -Maar Moisette dacht aan Hilda’s belofte om niet te trouwen en Corona’s -woorden gingen over hem heen, zonder dat hij ze overwoog. - -„Nou goed, het kan ook wel zijn, dat, als ’t er op aan komt, de meeste -meisjes thuis gemist kunnen worden, maar het beginsel van de -emancipatie: dat de vrouw overal nuttig kan zijn, en niet geboren is -uitsluitend voor ’t gezin, blijft afschuwelijk! Of kunt u ontkennen, -dat men den laatsten tijd, juist onder de geëmancipeerde vrouwen -zoovelen vindt, die niks van het huwelijk willen weten?” - -„Vindt u ’t niet heel natuurlijk, Dominee, dat, nu ’t meer algemeen -bekend begint te worden, wat ’n schandelijk afhankelijke positie onze -wetten aan de getrouwde vrouw toekennen, sommigen zich voornemen er -zich nooit aan te onderwerpen? Zulke meisjes trouwen niet of worden -vrije-liefdeapostels. Maar vergeet u ook vooral niet, dat er altijd -mannen en vrouwen zijn geweest, die geen roeping voor het huwelijk -voelden! De millioenen die elkaar in de Bouddhistische en Christelijke -kloosters eeuwen lang hebben opgevolgd, kunnen het getuigen, waarom -zouên er dus ook onder de „nieuwe vrouwen” niet enkelen zijn die, om de -eene of andere reden niet verlangen ’n gezin te stichten.” - -„Maar de emancipatie zal het in de vrouw aanmoedigen, dat ze zich aan -’t huwelijk onttrekt! Door de meisjes voor allerlei betrekkingen op te -voeden, zal men ze leeren neerzien op het stille werk van de -huismoeder.” - -„Juist het tegendeel!” riep Corona warm. „Als het meisje er voor -opgevoed wordt om haar eigen brood te verdienen, zal ze het huwelijk -niet meer beschouwen als ’n eenige uitkomst van onderhouden worden, en -zullen dus de huwelijken uit zuiverder motieven gesloten, dit is, -mooier worden! Het huwelijk zal dan beteekenen: een roeping, geen -beroep meer, en dan pas zal de echtgenoote-moeder geëerd worden, zoo -als het moet! Juist vroeger werd er op de getrouwde vrouw neer gezien! -De Grieken dachten hun heiligste godinnen maagdelijk, de middeleeuwen -voerden de aanbidding der moedermaagd tot het hoogste op, en noemden -rein alleen de ongetrouwde vrouw! Natuurlijk, in ’n periode, toen het -huwelijk zoo ontzettend laag stond, [18] moest wel het vrouwelijk -ideaal zich in de jonkvrouw incarneeren! Maar ik zeg u, het zal de -triomf der twintigste eeuw zijn, dat de vrouwmoeder, die zich in mooie, -vrijwillige liefde gegeven heeft, ook rein en onbevlekt zal worden -genoemd, en dan zullen onze hoogst staande meisjes alle dweepen met -gewilde, onnatuurlijke eenzaamheid laten varen en blij-trotsch, wanneer -het lot er haar toe roept, haar liefdestaak aanvaarden.” - -Moisette zag haar aan, een beetje bedremmeld om haar zoo eenvoudig -zeggen van al deze dingen, die door de dames van zijn gemeente -gewoonlijk onder geheimzinnig lachen en kleuren werden verstopt. Maar -het gaf hem toch ook een gevoel van vertrouwen, en ineens barstte zijn -geheim hem door de lippen. - -„En Hilda dan .... Waarom heeft zij dan die gelofte gedaan? Zonder die -ellendige emancipatie zou ze nu rustig thuis zijn, vol verlangen en -heimwee naar iets anders, en de man die haar liefhad zou dan veel meer -kans hebben dan nu .... met al die studies en nieuwe belangen in h’r -hoofd ....” - -Corona stond op, en boog zich over de tafel naar hem toe, haar groote -grijze oogen klaar en strak als in de oogenblikken, dat ze haar -patiënten suggereerde. - -„Het is niet waar, dat Hilda ’n gelofte heeft afgelegd; dat was maar ’n -verzinsel van juffrouw Wendelings. Maar wees voorzichtig, Dominee! Dus -u zoudt liever willen dat de freule van Suylenburg nu smachtend zat te -hunkeren, om ’n makkelijke buit te zijn voor den eersten den besten, -die haar van liefde kwam spreken? Juist zooals op ’n bal de -muurbloempjes dadelijk dankbaar bereid zijn, och arme, voor ieder die -zich voor een dans over haar ontfermt? Maar ik zal u vertellen wat zij -mij gezegd heeft bij het afscheid nemen! „Cora,” zei ze, „er zijn nog -velen, die gelooven dat de vrouw geen andere reden van bestaan heeft, -dan voor het voordeel of het genot van den man. Deze ontkennen, dat ook -wij ’n eigen leven hebben gekregen om het te gebruiken, hetzij in, -hetzij buiten het huwelijk, zoo als wij dat, volgens ons eigen geweten -en aanleg het beste vinden! Maar het is niet een van dezulken, dien ik -mij tot levensgeleider zal kiezen! Eén is er, die zich nu verbeeldt mij -lief te hebben, maar hij begeert mij alleen voor eigen genot! Hij zal -razend zijn als ie hoort dat ik ga studeeren. Maar ik wil geen man, die -’t hoog in mij zou achten, dat ik werkeloos voortsoezelde tot ’n -huwelijk me kwam bevrijden! Ik wil er geen, die me zou wenschen te -bezitten, niet door vrijwillige liefde, maar door de afmatting van ’n -ouderwetsch meisjesbestaan!” - -Moisette zakte in zijn stoel, de handen voor het gezicht. Er was een -waarheid in Hilda’s overgebrachte woorden die hem even verbijsterde. -Hij worstelde om het neergeknakte zelfvertrouwen te herwinnen, maar er -was plotseling over zijn bedoelingen, waarvan hij zich nooit goed -rekenschap had gegeven, een licht opgegaan, dat hem deed duizelen. - -Dus ze had z’n liefde, die hij meende dat ze nooit begrepen had, wel -degelijk geweten! Maar ze had zich van hem afgewend, omdat ze de -drijfveeren van zijn strijd tegen de emancipatie onzuiver en onedel had -gevonden! - -Hij stond op, en rakelde in de kachel, tot de kamer even met akelig -krijschend ijzergeluid gevuld was. Zijn voorhoofd was klam van het -angstzweet. Hij wilde het zelf nog niet bekennen, en toch drong hem -reeds het stoer eerlijke in zijn karakter, om het te belijden, dat -Hilda bij intuïtie juist had gezien. - -Onder al zijn theoretische bezwaren, was de hoofdfactor van zijn -bestrijding altijd geweest een angst van egoïsme dat Hilda zou -aangestoken worden en hem dan zou ontglippen. Om haar liefde te -veroveren, had hij zich krachteloos gevoeld, hij wist niet waarom, maar -hij voelde het altijd weer duidelijk als hij bij haar was, dat hij de -tooverspreuk niet kende, die toegang zou geven tot haar ziel. Toen was -hij gaan hopen, als bondgenooten, op verveling en onvoldaanheid, die -hij wist dat zooveel meisjes tot capituleeren dwingen. Hij had berekend -dat die periode zoowat zou intreden in dit tweede uitgaansjaar en dan -zou hij komen en haar bemachtigen. Maar nooit waren deze berekeningen -in haar grove naaktheid voor zijn geest getreden; in naïef zelfbedrog -had hij ze omkleed met mooi klinkende argumenten van allerlei aard, en -nu was ze heengegaan! Ze had klaarder in zijn ziel gezien dan hij zelf, -en voor goed was ze nu van hem vervreemd! - -Corona stond op, iets mompelend dat ze wel es gauw terug zou keeren om -de informaties over ’n arm gezin te halen, waarvoor ze eigenlijk -gekomen was. - -Maar hij hoorde haar niet. Bij de deur stond ze nog even stil en zag om -naar de ineengezakte gestalte voor het vuur. - -„Arme man! O! al dat lijden! ... lijden! ... Maar hier was ’t wel heel -noodig dat hij, die het laatste jaar met ’n fanatisme, onverschillig -voor zooveel ellende, elke verbetering in den toestand der vrouw had -bestreden, het in tranen leerde begrijpen dat de tijd voorbij moet -zijn, dat meisjes anders dan door eigen, vrijen liefdedrang tot een -huwelijk komen.” - - - - - - - - - -Marguérite van Arkel en kleine Rosa van Soeterwolde, Frank’s -dochtertje, zaten samen ijverig te werken. Sinds het kind gekomen was, -dien zomer, had Marguérite haar intrek bij Corona genomen, om samen met -haar de zorgen voor de kleine nieuweling te deelen, en het huisje was -gebleken elastiek te zijn, het ging best zoo met haar drieën. - -„Tante Maggy, ik heb de postbode zien langs gaan, mag ik even gaan -kijken?” - -„Zou je niet liever eerst je opstel afmaken?” - -„’t Is bijna af, en tante Cora heeft gezegd dat er vandaag weer ’n -mailbrief kon zijn. Mag ik even gaan zien? Toe, ik heb zoo’n idee dat -er iets van paatje is.” - -„Nou ga dan maar even.” - -Marguérite zag haar glimlachend na. Het was een mooi, elegant kind, met -trotsche bewegingen. Alles in haar beloofde dat ze eenmaal de hoop van -haar vader zou vervullen en een tooneelspeelster van groote gave zou -worden. - -„Tante, twee brieven, twee brieven!” juichte het kind. - -Marguérite nam ze aan: - -„Twee uit Amerika, maar één maar van paatje. Hier, breng die maar boven -op tante Corona’s kamer.” - -„En is die andere voor u?” - -„Ja, voor mij.” - -En toen het kind gegaan was, scheurde Marguérite den brief open, -verwonderd over het onbekende handschrift. Het was van mevrouw -Tachilde, zeide de onderteekening, de vriendin van Frank, de begaafde -actrice, wier zeldzaam talent, met het zijne, de reputatie van hun -klein Théâtre had gemaakt. - -„Ik ken u niet!” schreef zij, „maar Monsieur de Soeterwolde vertelde -mij veel van u en uw vriendschap voor Corona, en daarom kom ik tot u -heden, u smeekend om al uw invloed te gebruiken om haar te overtuigen, -dat zij Frank niet langer mag laten vergaan van eenzaamheid! Het is -prachtig van haar geweest dat zij jaren lang haar innigste verlangen -heeft geofferd, om in de kracht van vlekkeloosheid het goede zaad te -zaaien, en ik heb haar daarom zeer bewonderd en lief gehad. Maar zeg -haar nu, dat alles grenzen heeft! Frank kan zijn hopelooze droefheid -niet langer dragen. Wij vrouwen zijn zoo veel sterker in lijden, niet -waar? Maar ik zie hem wegkwijnen van verlangen, van gemis aan vreugde -en sympathie, die zijn kunstenaarsziel zoo noodig heeft. Er zijn weer -hevige scènes geweest tusschen hem en zijn vrouw, zij maakt hem het -leven ondragelijk, en toch blijft zij weigeren te deforceeren. -Natuurlijk, de positie als echtgenoote van een beroemd kunstenaar is -veel aangenamer dan die van gescheiden vrouw. Maar ik ben overtuigd dat -zij hem ontrouw is, alleen heeft niemand haar nog ooit daarop kunnen -betrappen. - -In New York, een drie weken geleden, heeft Frank een zware kou gevat, -die hij uit mistroostigheid negligeert. Ik ben zeer bezorgd over hem! -O! laat Corona hem tot zich roepen en hem het leven teruggeven met haar -liefde! U moet niet gelooven dat ik over het algemeen apostelin ben van -de theorie der vrije liefde, welke bij ons in Frankrijk, in de -vooruitstrevende kringen zoo veel veld wint. Maar in dit geval, van -Frank en Corona, zie ik maar éen weg! Laten zij hun liefde stellen -boven al het andere! Het mag niet, dat een zoo kostbaar leven als dat -van Frank te gronde gaat door wetten van menschen, die nog barbaarsch -genoeg zijn om onverbreekbaar te verklaren den band tusschen twee, die -elkaar niet liefhebben! O! laat Corona hem nu tot zich roepen! Zeg haar -dat de tijd voorbij is, dat zij haar roeping van zieledoktores onder de -vrouwen hooger mocht stellen dan haar liefde. Laat zij zich nu wijden -aan Frank! Het is het eenige wat hem redden kan, en laat zij het gauw -doen, opdat het niet te laat zij! - -Uwe Eloise Tachilde.” - -Marguérite stond voor het raam en herlas den brief. IJskoud kropen er -rillinkjes langs haar rug en haar hart bonsde. - -„Altijd weer die zelfde strijd, die nu al jaren lang verzengend -Corona’s leven folterde! Maar nu scheen de crisis gekomen.” - -Kleine Rosa was stil aan de tafel teruggekeerd, en knoeide aan haar -opstel, maar de intelligente kinderoogjes gingen verlangend telkens -naar Marguérite aan het raam. Eindelijk kon ze het niet meer uithouden: - -„Tante, van wie is die brief?” - -„Van mevrouw Tachilde.” - -„O ...? van mammy Eloise? kent u die dan!” - -Ze sprong op en vleide zich heimweeachtig tegen haar aan. - -„Toe, vertel es wat er in staat? Heeft ze geen groeten aan mij -verzocht?” - -„Hieldt je zooveel van mevrouw Tachilde?” - -„O! ja, vóór ik u en tante Corona kende, hield ik natuurlijk het meest -van haar en van paatje.” - -Marguérite bukte zich en kuste het kind zachtjes een paar maal op het -voorhoofd. Het was een onbewuste beweging van teederheid, waar ze niet -bij dacht, want in haar zorgenden angst om Corona was ze uitsluitend -vervuld met de vraag hoe ze haar toch dien brief zou vertellen. Maar ze -luisterde: de sleutel werd omgedraaid in het voordeurslot en lichte, -vlugge stappen gingen de trap op. Het was Corona. Eerst ging ze naar -haar slaapkamer om zich te verkleeden en te wasschen, uit voorzorg voor -besmetting. En dan zou ze naar de studeerkamer gaan en den brief vinden -van Frank! Wat zou daarin staan? - -„O! mijn God! Wat zal er nou gebeuren?” - -„Waarom zegt u dat, tante?” vleide kleine Rosa. „Toe, laat me dien -brief even zien. Zegt ze er niks in van mij? En hoe gaat ’t met haar -man? Daar hield ik ook zooveel van. Die kon zulke prachtige versjes. -Toe tante ....” - -Maar Marguérite duwde haar ongeduldig weg. Ze had den telegraafbode de -stoep zien opkomen, en de klank van de bel liet al haar zenuwen samen -trekken. - -„Freule, een telegram voor u.” - -De oude Marijken kwam binnen, het kleine vuile potlood en het stukje -papier, dat geteekend moest worden, voor zich uitgestrekt. - -„Toe tante, geef mij dien brief nou!” zeurde het kind. - -Maar Marguérite hoorde haar niet. Ze had haastig geteekend en het -couvert gescheurd en de ontzettende tijding gelezen: - -„Frank zoo juist overleden. Verkoudheid vliegende tering geworden; in -bloedspuwing gebleven. Prepareer Corona. - -Tachilde.” - -Een oogenblik stond Maggy roerloos, vernietigd door het machteloos -gevoel, dat allen hebben gekend, die onafwijsbaar lijden zagen komen -over hen, die zij liefhebben. - -Maar toen ineens kwam de reactie, een wild verlangen om zich over dit -rampzalige op iemand te wreken, en met een schok van razernij draaide -ze zich naar het venster, en nog eenmaal was daar weer de oude -Marguérite vol hartstochtelijken opstand, de Marguérite van vroeger, -vóór Corona haar geleerd had dat streng beheerschte verontwaardiging -grooter kracht is dan woeste verbittering. - -Ze strekte de armen uit en schudde haar kleine kramptrekkend -saamgeknepen vuisten tegen het Binnenhof, dat ze kon zien liggen, dwars -over het Voorhout en den Vijver heen, onverschillig voornaam in den -zonnig neveligen winterglans. - -„O! mijn God! mijn God! en daar praten ze jaren lang over allerlei -nietigheden en voor deze groote zedelijke kwesties hebben ze geen -tijd!” - -Wild en dreigend, met hoekige gebaren, die vreemd waren in deze vrouw, -gewoonlijk vol rustige distinctie, stond ze een oogenblik, maar toen -zag ze neer in twee groote kinderoogen, die haar aanstaarden, angstig -verbaasd, en snikkend sloeg ze haar armen om kleine Rosa en trok haar -op haar schoot, al haar heftigheid wegsmeltend in maar eéne impressie -van naamlooze deernis. - - - - - - - - - -Maar Corona zat stil voor haar bureau op dit moment, in zulk een -duizeling van vreugde dat ze zich angstig voelde worden. - -De ziel kan zich wennen aan de houding van leed, en als een zieke, die -na maanden lang liggen weer hersteld is, en weet dat hij loopen mag, en -het kan, maar het nog niet durft, zoo is ook soms onze geest aarzelend -om bij de eerste aanraking van geluk zich hoog op te richten, na lang -te zijn neergebogen in smart. - -Zachtjes drupten de tranen op het papier, waarin Frank haar schreef de -wonderspreuken van zijn liefde en zijn hoop. Ze probeerde ze goed te -begrijpen, maar langzaam eerst drong de volheid van vreugde in haar -bewustzijn door. - -De brief was drie dagen geschreven na dien van Madame Tachilde aan -Marguérite, maar dezelfde mail had ze aangebracht. In die drie dagen -was ontzettend veel gebeurd: de ontrouw van Frank’s vrouw, waarop ook -Eloise in haar schrijven gezinspeeld had, en die zij al lang reeds had -vermoed, was ineens helder aan het licht gekomen. De bewijzen en -getuigen waren er, en Frank kon zich nu dus vrij maken. - -„O! Corona, mijn liefste, mijn bruid, mijn vrouwtje! Is het mogelijk, -dat eindelijk, eindelijk het oogenblik gekomen is, waarop je in mijn -leven de gezegende plaats zult innemen, die ik zoo lang voor je bestemd -had! Een jubelende, alles overheerschende vreugde doortrilt me. Ik ben -den laatsten tijd heel ziek geweest, en zelfs heb ik niet kunnen -optreden, omdat mijn borst me te veel zeer deed. O! lieveling, wees -niet boos op me! Misschien ben ik onvoorzichtig geweest, maar de -hopeloosheid van onzen toestand maakte me onverschillig voor alles. -Maar nu zal ik beter worden! Over eenige weken ben ik bij je! En ik -weet zeker, dat, als ik je maar eens in mijn armen heb gehouden, als -mijn bruidje, ik weer gezond zal zijn. - -O! is het niet als een droom? die plotselinge verlossing van den ouden -verschrikkelijken band, en de zaligheid die ons nu wacht? Maar in de -stille denkuren, liefste, is toch soms bij al de overstelping van mijn -vreugde, groote opstand in me tegen de toestanden, waaronder we leven! -O! als we zedelijke wetten hadden gehad, zou dit alles niet gebeurd -zijn? Wij zouden lang gescheiden zijn geweest, deze vrouw en ik, en zij -zou niet bij het vele kwaad, dat ze aan mij misdaan heeft, ook nog dit -bedrog, deze valschheid hebben gevoegd! Maar toen zij mij het leven -ondragelijk maakte, toen ze een gevaar was voor mijn kind, toen niets -ons meer verbonden hield dan haar koppige wil, toen .... was voor de -wet die gevloekte band heilig! Eerst moest er een scandaleus proces -komen, en nu eerst, ten koste van de openbare schande van de vrouw, die -haar het leven gaf, kan ik mijn kindje een ware moeder geven! Curieus -die opvattingen! Om van te walgen! En dat men niet eeuwig herhale dat -zulke wetten een bescherming zijn van huwelijkstrouw! Bij God, trouw -die door een wet moet worden beschermd, is al gebroken! De zedeloosheid -onzer groote steden bewijst trouwens genoeg wat die wetten vermogen om -het huwelijk rein te houden! niets! niets! niets! Het onherroepelijk -aan elkaar verbonden zijn, met geen andere hoop op verlossing dan een -proces vol schande, o! ik heb het doorleefd Corona, voor den zwakken -kan het niets brengen dan bedrog, nog dieperen val, en voor den sterken -.... lijden! - -Maar wat spreek ik nog van lijden, mijn liefste! Alleen van geluk wil -ik vervuld zijn! Het uur nadert waarop we trotsch onze liefde aan de -wereld zullen bekennen, en voor goed samen zullen zijn, om te leven -voor alles wat hoog en heerlijk is. O! mijn vrouwtje................. -.........................” - -Corona kuste den brief, in een siddering van vreugde. Hoe was het -mogelijk dat nu zoo ineens gekomen was, dat, wat jaren lang een -onbereikbare zaligheid had geschenen! Ze stond op en liep even de kamer -door. - -„Hoe mooi en goed was toch het leven soms!” Frank’s bitterheid over de -wetten kon ze niet eens meer deelen in dit oogenblik. Niets was in haar -dan vreugde. Toen wierp ze zich weer neer voor de schrijftafel, en -schreef trillend van blijde opwinding: - -„O! Frank, mijn geliefde, ik wacht je. Kom toch! Ik zal met je gaan -waarheen je wilt! Nu kan niets ons meer scheiden! Ik heb zoo -onuitsprekelijk naar je verlangd. Nu begrijp ik pas hoeveel! O! kom! ik -heb je zoo lief! Nu mag ik het je zeggen! En de weelde van het te mogen -neerschrijven, overstelpt me!.....” - -Maar toen schrikte ze, en keek om. Ze had de deur geheimzinnig zachtjes -hooren sluiten, en iemand kwam snel, met stille stappen naar haar toe. - -„O! Maggy, ben jij het, hoe heerlijk....” - -Maar ze zweeg. Marguérite stond voor haar, zoo doodelijk bleek, met -groote angstige oogen in donkere kringen, zoo tragisch en -onheilbrengend, dat ze haar sprakeloos aanstaarde. - -„Cora, mijn lieveling!” - -En ineens sloeg ze de armen om haar hals en barstte uit in heftig -snikken. Ze had op de schrijftafel Frank’s brief zien liggen, en daar -naast Corona’s woorden: „O! Frank, mijn geliefde, ik wacht je!” Dus -het grootste leed moest juist komen in dit oogenblik van eerste -vreugde! - -„O! Cora, mijn leven zou ik hebben gegeven om dit niet te laten zijn! -O! mijn lieve, lieve, arme Corona!” - -Corona, met een driftige beweging, trachtte zich los te maken. - -„Wat is er toch. Maar zeg het dan toch, Maggy!” - -Maar Marguérite hield haar vast omsloten en schreide voort, zoo -hartstochtelijk droevig, tot Corona in het smartelijk contact dezer -omhelzing begon te voelen het ongeluk dat gekomen was. - -„Is het Frank?” zeide ze met bleeke, machtelooze lippen. En ze dacht -aan de ziekte waarover hij geschreven had. - -Marguérite drukte zich nog vaster tegen haar aan. - -„O! lieveling!” - -„Is ie dood?” - -„O! lieveling, mijn lieveling!” - -„Is ie dood?” En met een stijve beweging van wanhoop rukte ze zich los. -„Is ie dood?” Bijna dreigend herhaalde ze: „is ie dood?” - -Marguérite boog snikkend het hoofd. - -„Corona, lieveling, waar ga je heen? Mag ik bij je blijven?” - -Maar Corona had zich afgewend. Ze ging heen, gebroken, het hoofd slap -voorover gebogen, de handen ineengeklemd in stuipachtig wringen. Ze -ging haar slaapkamer binnen en sloot de deur, en Marguérite durfde haar -niet volgen. De teerste vriendschap is machteloos, helaas, in de groote -ure, waarin de drinkbeker tot op den bodem toe moet geledigd worden. - -Dien ganschen avond en den ganschen nacht bleef Corona alleen, en de -deur gesloten, en wie zal het ooit beschrijven wat het arme -menschenhart doorworstelt gedurende zulk een nachtwake. - - - - - - - - - -In de ijvervolle eentonigheid van hard werken, was voor Hilda de winter -gauw omgegaan. - -Bijna elken Zondag was Maarten gekomen en had haar mooie boeken -gebracht over kunst of godsdienst, of economie, of wijsbegeerte, of -verzen, waar ze veel over spraken. Dit jaar was voor haar zoo mooi -geweest, vol vredige schoonheid van zich voelen sterker worden en -rijker aan weten en liefhebben en begrijpen der groote dingen. - -En nu was de vakantie gekomen, na het goedafgelegde staatsexamen. De -volgende week zou ze naar Zwitserland gaan met Marguérite van Arkel, en -Corona en de kleine Rosa, die zonder veel moeite voor goed door haar -moeder aan dokter van Oven was afgestaan. En Maarten zou hen spoedig -volgen! „O! het leven was goed voor haar!” dacht ze, en ze glimlachte. - -Toen zag ze om zich heen naar de bekende gezichten, die ze in zoo lang -niet gezien had, niet meer sinds ze in September naar Amsterdam was -gegaan. - -Daar waren ze allen weer; juist als verleden jaar: oom van Starren, die -het Dagblad doorlas van a tot z, net als vroeger, en zijn thee dronk -met een hinderlijk slurpen, dat de meisjes altijd zenuwachtig maakte; -tante, koel, onberispelijk achter het theeblad; Eugénie, die sinds -Maart uit Godesberg was teruggekeerd, zoo goed als hersteld, hadden de -doktoren aarzelend gezegd, maar heel teer en prikkelbaar nog; Betty de -Mureaux met haar bolbleek lachgezichtje ..... Alles, alles was hier -onveranderd gebleven, alsof ze allen hadden geslapen dit jaar, alsof ze -niet hadden meegeleefd in dezen tijd zoo vol raadsels en strijd op alle -gebied, en vol hartstochten, aanloeiend van uit donkere verten. ’t Was -net alsof deze allen rustig in een kinderkamer-atmosfeer hadden -geleefd, waar pretjes en koekjes de hoogste emoties zijn. Er was iets -slaperigs hier, in die elegante veranda, in den keurig opgeharkten -tuin, zelfs in het mooie antieke zilver, waarin zich het fijne -Japansche blauw weerspiegelde, en waar Hilda anders zoo graag naar -keek, was iets vervelend zielloos vanavond. O! ze voelde het, na dit -jaar van jong, krachtig leven, zou ze het hier nooit meer hebben kunnen -uithouden. - -„Freule, daar is Miss Arlington, om u even te spreken.” - -Hilda sprong op en wierp haar handwerkje haastig neer. Tante van -Starren vond niet dat het goed stond, als meisjes met leege handen aan -de thee zaten. Jaar in jaar uit hadden ze daarom allen werkjes gemaakt, -werkjes zonder nut en zonder kunst, die bijna niet vorderden en wier -eenige reden van bestaan was, dat het onvrouwelijk stond om ze niet te -maken. - -Hilda ging naar het salon, waar Maud Arlington op haar wachtte. - -„O! Maud hoe lief dat je bij me komt! Wist je dat ik hier was?” - -„Ik zag in de courant dat je gisteren door je examen bent gekomen, en -toen dacht ik wel dat je hier zoudt zijn. Ik wou je even feliciteeren, -lieve, en dan afscheid nemen ....” - -„Ga je terug naar Amerika? Toe, vertel me gauw, hoe staat het met de -zaken?” - -„Goed, ik heb overwonnen!” - -Iets van triomf klonk in Maud’s diepe altstem, maar de zorgrimpels op -haar voorhoofd stonden strak. - -„Vertel er me alles van, dear! Hebben ze het je nog erg lastig gemaakt, -die heeren van den familieraad? Ze zijn schandelijk tegen je geweest, -is het niet?” - -„O, ja! ze wilden eerst maar niet gelooven, dat de boel bij Frederik -heusch op was! Bij zijn huwelijk met Gladys waren er zulke onzinnige -rijkdomsprookjes verteld, dat noch Henk van Praege, noch iemand anders -van den familieraad gelooven wou, dat het zoo ver al was gekomen. En -als ik er dan op aandrong dat ze de zorg voor de kinderen aan mij -zouden toevertrouwen, zochten ze er, ik weet niet wat, achter en -weigerden grof. O! Hildy, ik heb hier geleerd, dit jaar, wat -trotsverloochening en geduld is. Maar ik heb het uitgehoûen, omdat ik -wist dat ik overwinnen moest. Zoolang ze dachten dat het schatrijke -kinderen waren, over wier fortuin ze den baas konden spelen, hebben ze -me bejegend alsof ik ’n landloopster was, die me wou indringen om -andermans goed weg te halen. Ze vertrouwden me nou eenmaal niet, en ik -was zoo totaal afhankelijk van hun beslissing. Het is tusschen ons een -harde strijd geweest! Maar langzamerhand begonnen ze toch te begrijpen, -dat dat fortuin, waar ze eerst zoo zeker van waren, dan toch voor den -dag moest komen. Er waren geen boeken, bijna geen effecten, en het -land, dat er geweest was, bleek verkocht of zwaar met hypotheek belast -te zijn. Zij onderzochten, schreven en verbaasden zich, maar toen ze -eindelijk begrepen dat de kinderen zoo goed als geruïneerd waren, gaven -ze toe. De vrouw is niet waardig gekeurd om lid van een familieraad te -zijn, [19] maar als de nood aan den man komt, is ze goed genoeg om te -helpen! En goddank in dit geval, dat de schaapjes nu maar arm zijn, -anders was ik machteloos geweest om iets voor ze te doen. Maar nou neem -ik ze mee naar Amerika!” - -„En vindt Henk dat nou goed?” - -„Och ja, hij is nu dol blij, dat ie zoo van de kinderen afkomt. Voogd -zijn over arme pupillen, is lastig! Maar de kleintjes zelf hebben veel -geleden door deze geschiedenis, vooral Mary, op die akelige kostschool, -waar ze haar heen hebben gestuurd. Ze ziet er fataal uit. Ik ben heel -bezorgd; als het iets langer had geduurd, was het voor haar te laat -geweest. Maar misschien dat de zeereis haar nog redt.” - -„En wanneer ga je?” - -„Morgen. Over Harwich naar Engeland en dan met de Cunard naar huis. O! -het is heerlijk om ze mee naar m’n land te nemen!” - -Hilda sloeg haar beide armen om Maud’s hals en kuste haar. Ze wist hoe -haar eenvoudig verhaal een tragedie van leed en worsteling beduidde, -zooals er zoo vele in stilte worden afgespeeld. - -„Lieve, lieve Maud, hoe heerlijk dat je hebt volgehouên. Nou kun je er -heelemaal voor zorgen en er ’n paar prachtexemplaren van Amerikaantjes -van maken!” - -„Ja,” zeide Maud heel zacht, „ik zal probeeren er menschen van te -maken, zooals Gladys ze gehoopt had, en ik ben blij, dat ik ze weg kan -nemen hier, uit dit land, waar men altijd praat over „de vrouw in het -gezin”, maar waar men haar in familiezaken totaal machteloos heeft -gemaakt!” - - - - - - - - - -Hilda keerde in de veranda terug, een klein beetje aangedaan door het -afscheid. Morgen zou ze nog even aan den trein komen om de kinderen te -zien. Ze had Maud eigenlijk niet zooveel gekend, in dat eéne jaar dat -zij in Holland was geweest, maar door haar vriendschap voor Gladys, -hadden ze zich beiden sterk tot elkaar aangetrokken gevoeld. - -Hilda nam haar handwerkje weer op en deed een paar lustelooze steken, -maar toen bemerkte ze ineens dat er iets gebeurd moest zijn in haar -afwezigheid. Een soort verlegen zwijgen heerschte. Oom van Starren zat -haar met ironische nieuwsgierigheid aan te kijken, maar verschool zich -onmiddellijk achter de courant, toen zij opzag. Eugénie staarde strak -melancholiek naar buiten, en haar tante kuchte en schoof zenuwachtig -een open brief heen en weer, die juist moest gekomen zijn. - -„Hilda ....” - -„Tante?” - -„Wij hebben daar juist ’n tijding gekregen, die ons .... heel pijnlijk -heeft aangedaan! Je weet dat je zonderlinge idees ons veel verdriet -doen .... maar ik dacht .... enfin, ik dacht, dat we ons toch nooit -over je zouden hoeven te schamen... En nou schrijft daar mevrouw van -Amstelwede, dat ze ons waarschuwt, dat ze je heel dikwijls met heeren -ziet wandelen, en dat ze je verleden zelfs met iemand in Laren is -tegengekomen...” - -Hilda lachte. De gedachte aan die wandelingen met Maarten, vervulde -haar op eens met een tinteling van vroolijkheid. - -„Heel lief van mevrouw, om zich zoo bezorgd te maken, maar haar -„Heeren” in ’t meervoud is niet heelemaal juist, dat zou me „des guten -zu viel” zijn.” - -„Dus je erkent, dat je wel es met ’n heer hebt gewandeld?” - -„O! ja, heel dikwijls.” - -„En met wie?” - -Hilda aarzelde, even overwegend, toen zeide ze eenvoudig: - -„Met Maarten van Hervoren, en als het u gerust kan stellen, wil ik u -wel zeggen, dat ik in stilte met hem geëngageerd ben.” - -„En zeg je ons dat zoo maar?” - -„Nee, ik vertel het u heel in ’t geheim. Later zal hij u wel officieel -m’n hand komen vragen, maar zoover zijn we nog lang niet. We zijn nou -nog maar met ’t hart bezig, dat vinden we ’t interessantste op dit -oogenblik, maar ik beloof u, dat we later keurig in de vormen met u -over m’n hand zullen komen beraadslagen.” - -Zij lachte, en haar stralend geluk ontwapende mijnheer van Starren, -ofschoon hij het ontzettend ongepast vond. - -„En mag ik ook weten wanneer de freule den tijd zal gekomen achten om -er haar voogd officieel in te kennen?” - -„O! nog lang niet! We hebben het nou nog zoo druk. We moeten allebei -nog zoo hard werken en we hebben alleen maar den Zondag om samen te -zijn. U begrijpt, maar éen van de zeven dagen, dat is veel te weinig om -er iets voor visites en presentaties af te nemen.” - -„Dus je bent van plan om je voorloopig zoo te blijven compromitteeren?” -vroeg mevrouw van Starren vinnig. - -„Ik compromitteer me niet!” zeide Hilda trotsch. „Als de wereld het -compromitteeren noemt, als een man en een vrouw samen wandelen, vóór -dat er ’n receptie met veel bloemenmandjes is geweest, dan wordt het -hoog tijd, dat ze die dingen anders leert inzien.” - -„Maar wanneer denk je het dan wel publiek te maken?” - -„Oom, over ’n jaar of drie, zoodra ’k m’n doctoraal heb gedaan. Dan -komen we plechtig om uw zegen vragen, en vervullen alle formaliteiten, -u zult es zien, onberispelijk, en dan schrijf ik m’n dissertatie en -dan, onmiddellijk na m’n promotie, trouwen we. Hebben we ons program -niet netjes klaar gemaakt?” - -Mijnheer van Starren lachte, niettegenstaande al zijn cynisch ongeloof -in vrouwen, te overtuigd inwendig van Hilda’s kracht en ernst, om zich -ongerust te maken, en het overmoedig geluk, dat in elk van haar woorden -doorblonk, amuseerde hem. - -Maar voor mevrouw van Starren was dit gesprek een teleurstelling, die -haar woedend maakte. - -„Dus je blijft tóch studeeren, niettegenstaande je nou geëngageerd -bent? Ik had altijd gehoopt, dat, als je maar es ’n man hadt gevonden, -je al die kunsten wel zoudt laten varen. En hoe vindt die mijnheer van -Hervoren het? Zal hij de kindertjes wasschen terwijl jij pleidooien -maakt?” - -Een donkere gloedgolf sloeg over Hilda’s gezichtje, bij de grof -sarrende woorden, en haar oogen, rein en intelligent, heel groot van -emotie zagen strak haar tante aan. Een moment dacht ze er aan haar te -vragen, hoe dikwijls zij en haar vriendinnen wel haar kindertjes -gewasschen hadden, al hadden ze ook geen pleidooien te maken gehad, -maar ze wilde niet hatelijk zijn en antwoordde zacht, ofschoon heel uit -de hoogte: - -„Maarten vindt het goed dat ik studeer; we denken in al die dingen -hetzelfde, en als we later het geluk hebben kinderen te krijgen, zal ik -mijn best doen, er een betere moeder voor te zijn dan veel van de -dames, die zich nu voor die taak hebben voorbereid in de balzaal of op -het tennisveld of met romannetjes en prulhandwerkjes en wat -geliefhebber in kunst en filantropie. We zullen heel eenvoudig leven en -ik zal m’n huishoûen practisch en heel nieuw inrichten, zoodat het ’n -minimum tijd neemt, en dan zal ik arme vrouwen bij me ontvangen, die in -moeielijkheden zijn en om raad komen vragen, in den tijd dat andere -dames boodschapjes doen en visites maken, voilà tout. Maar zeker zal ik -mijn studies niet opgeven, juist nu ik geëngageerd ben, want meer dan -ooit heb ik nu recht van spreken, over alles wat de vrouw aangaat.” - -„Wat bedoel je?” - -Hilda glimlachte, plotseling opgewonden, en ze antwoordde in -hartstochtelijk enthousiasme: - -„Wel, wie zal het vrouwenvraagstuk eerlijker, rechtvaardiger, -onpartijdiger kunnen opvatten, dan de vrouw die gelukkig getrouwd is? -Welke stem protesteerend tegen het onrecht, zal eerder tot de menigte -doordringen, die van de eenzame, die bitter geleden heeft door -onrechtvaardige wetten en zeden en zich uit in sombere aanklachten, of -die, van de gelukkige vrouw, die ’t luid uitjuichen kan, dat zij het -bij ondervinding weet, dat de man en de vrouw samen het leven kunnen -doorgaan, naast elkaar, als twee vrije gelijken, zonder maritale macht, -en vrouwen-onderdanigheid, en dat het zoo worden moet overal, overal! - -Zeker, de onderdrukten en mishandelden mogen klagen! Het is zelfs heel -jammer, dat ze niet al veel eerder en veel luider geklaagd hebben, maar -de wereld zal haar licht verdenken van eigen belang te zoeken of van -persoonlijke grieven te willen wreken. Het is de vrouw van het -gelukkige huwelijk, in wier hart geen druppel bitterheid is, en die het -groote en goede van den man, in dengene die zij liefheeft, van nabij -heeft leeren kennen, die zich nu met kracht mee in den strijd moet -storten! Ze moet het welbehaaglijk egoïsme opgeven van: „Ik heb het -goed, wat deert mij de rest?” en zich solidair voelen met elke vrouw -die onrechtslijden wordt aangedaan. En ziet u, daarom juist moet ik nu -ook blijven studeeren, omdat ik weet dat mijn huwelijk heel mooi zal -zijn!” - -Ze had in een jong, blij geloof gesproken, maar toen zweeg ze ineens en -liet zich mat in haar stoel achterover vallen: „Wat begrepen deze -menschen van solidariteit?” Mijnheer en mevrouw en Betty zaten met -onaangenaam kille glimlachjes voor zich uit te kijken, alleen Eugénie -had tranen in de oogen, maar ze schaamde zich er voor en ging haastig -naar de piano om met Betty een paar nieuwe liedjes van Massenet door te -zingen. - - - - - - - - - -Hilda stond midden in haar gezellige, met eikenhout gemeubelde -studeerkamer en drukte hartelijk tot afscheid de hand van een armoedig -bleek jong meisje. - -„Dank u wel, mevrouw, dank u!” snikte het schepseltje. - -Hilda klopte haar vriendelijk op den schouder, en toen ineens, na een -kleine aarzeling, bukte ze zich en kuste haar op het voorhoofd. - -„Niemand weet er iets van, daar in huis, als alleen mevrouw, en die is -zoo hartelijk en lief. Je zult zien, Joukje, dat je nou ’n heel goed -gelukkig leven zult beginnen, als je maar erg je best doet.” - -„Dank u wel mevrouw!” herhaalde het meisje, en ze wilde nog iets -zeggen, maar ze kon het blijkbaar niet vinden. Het gebruikelijke woord: -„dat de Heer haar beloonen zou,” was haar op de lippen, maar ze durfde -het niet meer uit te spreken, sinds Hilda haar er straks zoo streng op -geantwoord had, dat een liefdedaad alleen eenige waarde heeft, als ze -belangeloos wordt volbracht, en dat onbaatzuchtigheid geen belooning, -zelfs geen hemelsche, vraagt! - -Heel goed had Joukje die redeneering niet begrepen, maar ze had wel -gezien dat die toespeling op vergelding Hilda hinderde en verlegen -bleef ze voor haar staan, tot ze ineens, zelf verrukt over den mooien -gevonden zin, heftig uitstootte: - -„Ik zal u eeuwig dankbaar zijn!” - -Hilda knikte hartelijk: - -„Dag Joukje.” - -Toen liet ze haar uit en met langzame passen van nadenken keerde ze -terug en liep de kamer een paar maal op en neer. - -Joukje was haar eerste client geweest, nu zoo wat anderhalf jaar -geleden. In ontzettende schrik en schaamte had het meisje haar kindje -bij de geboorte gedood, en Hilda was haar raadsvrouw en advocate -geweest en had bijzonder veel belang in haar gesteld. - -Haar geschiedenis was zoo eenvoudig en treurig, zooals trouwens de -meeste van die geschiedenissen. Heel jong was ze in Friesland aan een -zuivelfabriek gekomen, en ze had er hard gewerkt, maar ook vroolijk, -want ze was vlug en sterk. Maar toen was die wet aangenomen, die de -vrouw in den arbeid heet te beschermen en haar verbiedt zondags te -werken,—dat noemden de heeren beschermen!—Toen waren langzamerhand al -de vrouwen in de fabriek afgeschaft; de zuivelbereiding eischt -zondagswerk, als vrouwen die niet mochten verrichten, dan moest men wel -mannen nemen! [20] Zij had haar ontslag gekregen met al de andere -meisjes, en daar stonden zij in grooten nood; zij kenden niets dan dat -ééne vak, en daar waren ze uit verdreven. De meesten zochten dienstjes, -en ook Joukje was op een advertentie naar den Haag gekomen, maar -mevrouw had haar boos dadelijk weggezonden. Ze kende niets en mevrouw -had gesproken van bedriegen om je in een net gezin aan te bieden als je -niets kent. O! er werd tegenwoordig zoo dikwijls schande geroepen over -de dienstmeisjes, die zoo slecht voor haar werk zijn opgeleid. En -terecht, maar waar moeten deze kinderen het ook leeren, als ze niet bij -toeval een knappe moeder hebben of een lieve juffrouw in haar eerste -dienstje ontmoeten! Wat doet de maatschappij voor de opvoeding van het -volksmeisje? [21] En Joukje had geen moeder en vond geen lieve -juffrouw. - -Toen was ze, na een paar angstige weken, juist toen ze het laatste -kwartje uit haar beurs had zien verdwijnen, en niet wist waarheen, bij -een gezin gekomen, waar de meid was weggeloopen. Het was een druk, -slordig huishouden, met ziekelijke kinderen, een verbitterde vrouw, een -man, die soms dronken thuis kwam en een volwassen zoon, uit een vorig -huwelijk. Het was haar heldentijd geweest van inspanning en goeden wil. -Ze was zoo bang om weer op straat te staan. Als je dat eens ondervonden -hebt, ben je er bang voor, nietwaar? Maar toen was die voorzoon haar -beginnen te vervolgen. Ze had het niet gewild, en toch was het -eindelijk gebeurd. En hij beloofde haar ook zoo plechtig om te trouwen! -Maar zoodra de gevolgen zichtbaar werden, was ze weggejaagd door de -moeder, en hij had haar laten gaan. Natuurlijk, hij was volkomen in -zijn recht: de wet, met touchante zorg voor den sterke, den man, -beschermt hem tegen elken overlast, die hem zou kunnen worden aangedaan -door de zwakke, de vrouw, die hij verstoot. - -Joukje was nu juist uit de gevangenis teruggekeerd, en Hilda had haar -bij zich laten komen en had een goeden dienst voor haar gezocht. - -Peinzend liep de jonge vrouw haar kamer op en neer, het lange huiskleed -van goudbruin laken golfde haar na in mooie plooien, bij elke beweging -van haar sierlijk lichaam. - -Toen zette ze zich ineens in onstuimige haast voor haar bureau en las -de laatste pagina’s over, van de brochure die zij bezig was te -schrijven. Het was een soort vervolg op haar dissertatie, een heftig -pleidooi voor de noodzakelijkheid van vrouwenvakvereenigingen. - -„Zeker, het is heerlijk”—had zij geschreven—„dat velen zich groote -moeite hebben getroost om vakvereenigingen van arbeiders tot stand te -brengen maar hoe weinig werd er in die richting, hier in ons land, nog -voor de arbeidsters gedaan! O! als alle dames, die zich nu tot in het -oneindige bezighouden met het geven van aalmoezen in alle vormen, op -alle manieren, dat Danaïdenwerk: het inwerpen in een bodemloos vat, -wilden nalaten, en haar denkkracht en tijd wilden gebruiken om zich -zelve en de werksters van het nut, de noodzakelijkheid van vereenigen -te overtuigen, hoeveel meer goed zouden zij voor de toekomst doen! - -Want sterke vakvereenigingen zullen op den duur er ontzaglijk veel toe -kunnen bijdragen om den toestand der arbeidsters te verbeteren, vooral -ook door een einde te maken aan die groote onbillijkheid, dat voor -gelijken arbeid de vrouw veel minder loon ontvangt dan de man. Ach, dat -mindere loon! Is dit niet juist eén van de kankerplekken in het -arbeidersleven! Door het mindere loon toch, wordt de vrouw niet de -kameraad, maar de onderkruipster van den man, niet een eerlijke -mededingster, die op een gegeven oogenblik medestrijdster zijn zal, -maar een gevreesde, gehate concurrente, die hij weren wil, waar hij -kan. Lage vrouwenloonen verdrijven de mannen uit het werk, en drijven -de vrouwen de fabrieken in: een volkomen ontredderde toestand. Men -heeft het op sommige plaatsen reeds gezien, dat de mannen bij groote -menigten werkeloos rondliepen, terwijl de vrouwen, op wier schouders -toch al het zware huishoudjuk drukt, de kostwinsters werden, eenvoudig -omdat de patroons de goedkoopste arbeidskrachten hadden gezocht! En ook -is het lagere vrouwenloon immers de bestendiging van den rampzaligen -waan, dat het mindere wel goed genoeg is voor de vrouw, dat zij met -minder tevreden moet zijn, dat haar arbeid, al spant zij zich ook nog -zoo in, toch altijd minder waarde bezit! - -En dat lagere loon, hoe dikwijls beteekent het niet hongerloon! En wat -zijn de gevolgen van hongerloonen? De arbeidster wordt er door -gedwongen, om na de werkuren bijverdiensten te zoeken, die haar -gewoonlijk òf zedelijk te gronde richten, òf lichamelijk zoo uitputten, -dat zij daardoor ongeschikt voor krachtigen arbeid op het werk komt. En -daaruit ontstaat dan die droeve cirkelgang, waarin nu zoo menig arm -vrouwenbestaan wordt rondgesleurd: eerst het lage loon, daardoor de -nachtelijke bijverdienste die haar de dagtaak afgemat laat hervatten, -door die afmatting slecht werk, wat den patroon aanleiding kan geven de -loonen nog lager te stellen, en door het nog lagere loon, nog grooter -nood om uitputtend nachtwerk te doen! - -O! gelijk loon voor mannen en voor vrouwen! Dat is het wat een redding -zou zijn, en, in die kringen, waar de strijd om het bestaan het felste -woedt, verbroedering zou geven tusschen mannelijke en vrouwelijke -arbeiders, waar nu een vijandschap dreigt, die ten slotte verzwakkend -op beiden moet werken. - -Krachtig bloeiende vakvereenigingen zullen veel kunnen doen voor dit -alles en nog voor zoo veel meer! Zij zullen, door de macht van alles -wat aaneengesloten is, ook tegen de onbillijkheid kunnen strijden der -arbeidswet, die nu alleen de vrouw en het kind beschermt. Bescherming -van den arbeid is zoo hoog noodig. De enquête van 1890 heeft het maar -al te zeer bewezen! Maar niet voor de vrouw alleen! Zeker, het is heel -erg als de vrouw, de moeder, wordt afgebeuld door te lang dagwerk in -ongezonde lokalen, maar is het niet even erg als de man, uitgeput door -overmoeienis naar de jeneverflesch grijpt en zijn gezin te gronde -richt, of vroeg sterft of verstompt door overmatig lang werken! Wie uit -menschelijke beginselen handelt, wenscht voor beide geslachten -wettelijke bepaling van minimum loon en maximum arbeidsdag en strenge -bescherming tegen uitbuiting, alleen op verschillende wijzen toegepast, -naarmate van de verschillende bedrijven. [22] Want zoolang alleen de -vrouw beschermd wordt, moet, wat tot haar heil bedoeld was, menigmaal -haar den strijd om het bestaan nog verzwaren! Waar twee individuen zich -op den arbeidsmarkt komen aanbieden, de een—de vrouw—aan vaste uren -gebonden, de ander—de man—vrij om te werken, hoe en wanneer hij wil, -zal maar al te dikwijls de laatste in de oogen van den patroon meer -waarde hebben dan de eerste. Het moge reeds dikwijls absoluut met -cijfers bewezen zijn, dat bij den korteren arbeidsdag evenveel en beter -werk wordt geleverd, dit feit is lang nog niet genoeg doorgedrongen en -dus zal meestal nog de beschermde achter staan bij den onbeschermden, -waar de werkgever de vrije keuze heeft tusschen beiden. - -Maar de tijden zijn gekomen, dat dit alles veranderen moet! Ieder die -het waarachtig goed met volksgezondheid meent, d.i. het welzijn van -heel het land, zal ijveren voor krachtige gelijke bescherming, en -gelijk loon voor arbeider en arbeidster beiden...................... -.........................” - -Hilda had het halfluid nagelezen, zich opwindend bij den klank harer -eigen woorden. Hier en daar had ze iets onderstreept of een letter -verduidelijkt, toen sloeg ze het cahier dicht met dat gevoel van -beklemming, dat allen hebben gekend, die werkten voor anderen. O! het -angstige gevoel van zoo klein en machteloos te staan tegenover de -groote taak, van met alle inspanning en gloed zich te hebben gegeven, -en waarschijnlijk nog zoo weinig te hebben bereikt! - -Maar ze stond op en met langzame, moede schreden ging ze de open deur -in van de kamer daarnaast. - -Daar stond het wiegje van kleine Jeanne, haar kindje, en ineens met -stillen jubel voelde ze zich omstraald door de vrede-atmosfeer van haar -eigen mooi interieur. - -Zooals iemand, van buiten, uit het schreeuwend marktgewoel, waar -dronken mannen vechten, en vrouwen glimlachen met geverfde wangen, waar -kleine kinderen schreien en dieren worden mishandeld, binnen tredend, -ineens, in een Gothische Cathedraal, zich in het zachte licht der -hoogrijzende zuilengangen, plotseling gelukkig en beschermd voelt, zoo -was het Hilda telkens hier, als ze inging in haar woonkamer. Maar -vandaag trof het haar sterker nog dan anders; als licht viel het in -haar ziel, alle moreele moeheid van haar wegnemend, haar vervullend met -jonge verrukking. - -Ze zag om zich heen in de rustige kamer vol harmonische kleuren en -gezelligheid, en lang bleef ze staan bij het wiegje, waar het kindje -sliep. Wat was het mooi zoo, het onschuldkopje op het witte kussen. Wat -was het wreed, afgrijselijk daarbuiten, wat was het zalig hier binnen! -Als het kindje groot werd, zou het ook eens daarginds, in het bange -gewoel staan! Een angstige gedachte voor een moeder! Maar welk een -troost lag er dan in de overtuiging, dat zij met inspanning van alle -krachten haar deel bijdroeg, om die arme wereld daarbuiten een beetje -minder ellendig te maken! O! als alle moeders mee wilden helpen...! Hoe -was het mogelijk dat er nog waren, die de toekomst van haar kinderen -liefhadden, en toch blind en lam bleven tegenover het kwaad, dat te -bestrijden valt in die maatschappij, die later het worstelstrijdperk -voor haar lievelingen zijn zal! - -Als het dan niet uit rechtvaardigheid en barmhartigheid was, moesten de -vrouwen tenminste uit moederliefde zich rekenschap geven van de -strijdvragen harer eeuw, en ontfermend de handen uitsteken daarheen, -waar lijden en zonde heerschten! - -Maar nu ging de deur open en Maarten kwam binnen. Met een klein geluid -van vreugde zag ze op, en liep naar hem toe. Hij had zijn armen wijd -uitgestrekt en sloeg ze vast om haar heen, toen ze zich tegen hem -aannestelde. - -„Dag lieveling!” - -„Mijn klein vrouwtje!” - -Zwijgend, in een blij genieten van zich weer samen voelen, liepen ze de -kamer door, dicht naast elkaar gaande en glimlachend stonden ze bij de -wieg waar het kindje sliep. - -Het was vijf uur, het gezellige theeuurtje, dat Maarten van de fabriek -thuis kwam en zij samen praatten. ’s Avonds hadden ze zoo dikwijls te -werken, of er waren vergaderingen, of ze gingen wat mooie muziek -hooren, of enkele uitverkoren vrienden kwamen hen bezoeken. Maar om -vijf uur waren ze altijd samen alleen, en spraken. Het was hun -vreugdeuurtje: zij vertelden elkaar van hun werken, ze dachten hardop -over alles, en maakten plannen over de opvoeding van het kleine popje -in de wieg, en zeiden elkaar hun emoties, en ondervindingen, en hun -liefde. - -„Waar dacht je aan, toen ik binnen kwam? Je stond zoo diepzinnig te -peinzen?” - -Maarten zeide het lachend en nam haar hand, die hem het kopje thee had -gereikt, en kuste zachtjes, spelend elk der slanke vingertjes. - -„O! ik dacht aan allerlei, ik geloof aan allerlei tegelijk! Aan Joukje -Helma, die nou uit de gevangenis terug is, en aan een rijk jong -vrouwtje, dat vanmiddag om advies kwam vragen, ook alweer een van die -schepseltjes, die zoo maar getrouwd zijn, en dan teleurgesteld willen -scheiden, en aan Eugénie, die weer heelemaal in de war schijnt te zijn -en aan Corry’s oudste jongetje, in Kreuznach, dat zoo klierachtig zijn -moet, dat je eigenlijk niet hopen mag dat het leven blijft, en aan al -die ouders, die je zoo om je heen ziet, die ’t al heel mooi vinden als -ze hun jongens opvoeden om materieel flink in de wereld vooruit te -komen, en de meisjes om in een of ander huwelijk geborgen te worden, -zonder zelfs ’n vermoeden te hebben, wat het is om een kleine -menschenziel te helpen groot en goed worden!” - -Zij zagen elkaar aan en glimlachten, den glimlach van hun eigen mooi -geluk. - -Toen werd kleine Jeanne met grappige pruilgeluidjes wakker. Hilda zag -op de klok: het was tijd om haar drinken te geven, en terwijl zij het -kleed losmaakte om het zoete mysterie der moeder te vervullen, van het -tot voedsel geworden bloed, zeide ze zachtjes voor zich heen: - -„Wat is het toch mooi, ons kindje! Kijk es wat schattig die dunne -zijden vlokjes zich boven die miniatuur oortjes krullen! en daarboven -die blauwe aartjes aan de slapen! Wat ’n grappig gulzig rose mondje! O! -Maarten, het is geen wonder, dat vrouwen doodelijk zijn van zulke -cherubijnenvormpjes, dat het zien van zooveel snoezige hulpeloosheid -haar teeder ontroert! Maar waarom denken toch zoo weinig moeders aan -het geheim van die kleine ziel die daar nog slaapt in zoo’n teer wit -lichaampje! De meesten zijn wel dol op haar babies, vooral als ze nog -zoo heel jong zijn, maar zoo weinigen hebben er nog eerbied voor! En -toch is in elk kindje ’n geheimzinnige godsvlam, die aangebeden moest -worden en ons, moeders, moest vervullen met het grootste ontzag. - -Wat zal zoo’n klein schepsel beteekenen voor haar omgeving en haar -tijd? Groot zijn onder de menschen maar heel weinigen, maar ieder kan -in eigen kleine ruimte een licht zijn, ieder, als het hooge in hem -wakker is geworden, kan mee werken aan het eeuwige doel van volmaking, -waaraan gearbeid hebben al de edelsten onder ons! Welk gedeelte van de -reuzentaak zal deze kleine ziel te vervullen hebben? Groot of klein, -wat komt het er op aan? Als ze het maar getrouw vervult. O! zie je, -vanmorgen, heb ik tegen Corona gezegd, toen ze hier even was, die -formule, waar Maggy je altijd zoo plagend mee vervolgde, is misschien -wel deze: vrouwenemancipatie is het ontwaken der vrouw tot waarachtig -geestelijk moederschap! Want alle groote moeders waren de -geëmancipeerden van haar tijd!” - -„En vond ze die definitie goed?” - -„Nee, ze lachte, en zei dat het te subjectief was, want dat het toch -maar een deel van het heel groote streven uitdrukte.” - -„Er is ook geen formule voor te vinden,” zeide Maarten, „omdat de -emancipatie-gedachte te veel omvat, te veel overal ingrijpt, om in haar -geheel in een paar woorden te worden omschreven. Maar toch heb ik er op -m’n eigen houtje wél ’n formuletje voor gevonden.” - -„En die is?” vroeg zij gespannen. - -„Emancipatie, in de echte, mooie beteekenis, is een zegen, want zij -heeft mijn Hilda gemaakt tot wat ze is.” - -Hilda lachte, zacht ontroerd door de warmte waarmee hij het gezegd had. - -Toen zaten zij stil naast elkaar, en in een half onbewuste beweging -vouwden zich hare handen om het blanke lichaampje aan haar borst. - -En een groote verrukking kwam over haar. Een machtig gebed, zonder naam -en zonder woorden, maar waarin haar sidderende ziel, vrij gemaakt van -de klein menschelijke banden van willen begrijpen en vragen, zich hoog -ophief in jubelende vreugde, vervulde plotseling heel haar wezen. Twee -groote, heldere tranen stegen op in haar oogen, maar ze merkte het -niet; er was maar één bewustzijn in haar: dat ze in dit extatisch -geluksmoment van dankjuichend gebed haar kindje wilde wijden tot het -hoogste, opdat ook dit eenmaal een tipje zou mogen dragen van de -eeuwige Banier, die al de grootsten en edelsten onder ons hebben -gevoerd, de Banier van hooge Gerechtigheid en Liefde. - - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Michelet. La Sorcière. - -[2] Het gebod zegt: gij zult niet echtbreken, maar ik (Jezus Christus) -zeg u: gij zult niet samen leven zonder liefde! Een huwelijk zonder -liefde is verbroken op het oogenblik dat het wordt voltrokken, en -trouwen zonder liefde is echtbreuk. Als gij mijn gebod aanneemt, hoe -zoudt gij het ooit kunnen overtreden? Daar het u alleen datgene gebiedt -te doen, waarnaar uw hart en uwe ziel verlangen. Maar wanneer gij -trouwt zonder liefde, verbindt gij u tegen Gods gebod en wanneer gij -dat huwelijk voltrekt zondigt gij tegen God. - -[3] Een menschenpaar dat zich vereenigt zonder eenige dwang, kan dit -alleen uit reine liefde doen; en deze liefde, als er geen storingen -ingrijpen, moet volgens de natuurwet, zonder ophouden voortduren, want -zij is het wederzijdsch elkaar aanvullen, dat voor den man en de vrouw -de bron is van volkomen bevrediging en in hare vruchtbaarheid en in de -liefde aan de kinderen gewijd, vindt zij hare voortdurende beweging en -vernieuwing. - -[4] Louis Frank. Catechismus der vrouw. - -[5] Die Waffen Nieder. Bertha von Suttner. - -[6] La Sorcière. Michelet. - -[7] Het is een geconstateerd feit dat dergelijke praktijken voorkomen -bij vrouwen die bedelend met kinderen langs de straten gaan. Zie de -Bode der Heldring-Gestichten. - -[8] Olive Schreiner: Dreams. - -[9] Arvède Barine. Portraits de femmes. - -[10] De beroemde Italiaansche beeldhouwer en goudsmid der 16e eeuw. - -[11] Het prachtige beeld dat in Florence in de Loggia dei Lanzi staat. - -[12] Mary zal een nieuwe vrouw worden. - -[13] Om maar enkelen te noemen, wordt hier herinnerd aan Mahaut, -gravinne van Vlaanderen, die onder de regeering van Louis le hutin mede -uitspraak deed in het proces tegen Robert d’Artois; Yves de Chartres -zegt, in een van zijn brieven, dat hij pleiters naar de gravin van -Champagne heeft gezonden; Paus Innocentius III verklaart dat in -Frankrijk de vrouwelijke Suzereinen allen rechtspraak kunnen -uitoefenen. (Laboulaye.) - -[14] De Abdisse van Fontevrault (1100) had de rechtspraak over de -naburige vrouwen- en mannenkloosters. Zij was met de geestelijke, -zoowel als met de wereldlijke macht bekleed, strafte of sprak vrij. -(Chervin. Étude historique sur les professions accessibles aux -femmes.—Leroux de Lincy. Femmes célèbres de l’ancienne France.) - -[15] Schopenhauer gaat zelfs zoo ver in zijn vrouwenhaat, dat hij het -vrouwelijk schoon ontkent, dat toch, door alle eeuwen heen, de grootste -kunstenaars heeft geïnspireerd. Zijn beschouwingen over de vrouw -(Parerga und paralipomena) zijn met zulk een verbittering geschreven, -dat hij zich ieder oogenblik tegenspreekt. Het is zeer curieus om na te -gaan hoe zulk een fijn en diep denker, zoodra het de vrouw geldt, -volkomen subjectief wordt en pagina’s vol zonderlinge stellingen -neerschrijft, waarop nog zonderlinger conclusies volgen. Latere -geslachten, wanneer zij deze bladzijden nog eens inkijken, zullen er -veel om glimlachen. - -[16] De witte reiger, draagt zijn kostbare pluimveertjes alleen in den -broedtijd. Het is haar bruilofstooi en moederkroon. Als nu de jongen -zijn uitgebroed, zijn de anders zeer schuwe vogels gemakkelijk te -bereiken, omdat zij, in hun wanhopend verlangen om de jongen te -beschermen, het nest bij dreigend gevaar niet verlaten. Zij worden -hierdoor een makkelijke prooi der jagers, die haar, na ze beroofd te -hebben van den prachtigen hoofdtooi, stervend laten liggen, terwijl het -broed omkomt van den honger. - -[17] Art. 401. B. W. De vader kan aan de langstlevende moeder een -bijzonderen raadsman toevoegen, zonder wiens toestemming zij geene daad -de voogdij betreffende zal kunnen verrichten enz. - -[18] Daar onder het feodale stelsel het landbezit, het leengoed, alles -was, werden als ’t ware de huwelijken niet tusschen personen, maar -tusschen landgoederen gesloten. Nooit is het misbruik van het z.g. -huwelijk uit berekening grooter geweest dan toen. Henri Martin. -Histoire de France. - -Abélard en Héloïse, de idéale geliefden der 12de eeuw, ofschoon gehuwd, -loochenden hun echt, omdat zij daarin een vernedering zagen, een keten, -die de vrije vlucht hunner ziel zou beletten. Lettres d’Héloïse. -Legouvé. Histoire morale des Femmes. - -[19] Burgerlijk wetboek art. 388. 3de alinea. Die bloedverwanten of -aangehuwden moeten zijn manspersonen, meerderjarig en binnen het -koninkrijk woonachtig. - -[20] Deze wet werd gewijzigd bij de wet van 31 Dec. 1896 Staatsbl. no. -259. (Zie verder koninklijk besluit van 27 Maart 1897.) Men zag de -dwaling in en Zondagarbeid in het zuivelbedrijf is thans weer aan -vrouwen toegestaan. - -[21] Dankbaar moeten wij hier even aanstippen, dat de huishoudscholen -een zeer grooten stap in de goede richting hebben gedaan, maar wat zijn -nog enkele huishoudscholen in verhouding tot de duizende meisjes, die -geen voldoende opleiding kunnen ontvangen? - -[22] Alleen voor de vrouw, die moeder moet worden, is natuurlijk -afzonderlijke bescherming noodig. - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HILDA VAN SUYLENBURG *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
