summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/65536-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/65536-0.txt')
-rw-r--r--old/65536-0.txt17370
1 files changed, 0 insertions, 17370 deletions
diff --git a/old/65536-0.txt b/old/65536-0.txt
deleted file mode 100644
index cdc2faf..0000000
--- a/old/65536-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,17370 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Hilda van Suylenburg, by Cécile De Jong van
-Beek en Donk
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Hilda van Suylenburg
-
-Author: Cécile De Jong van Beek en Donk
-
-Release Date: June 5, 2021 [eBook #65536]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file
- was produced from images generously made available by The
- Internet Archive/Canadian Libraries)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HILDA VAN SUYLENBURG ***
-
-
-
- HILDA
- VAN
- SUYLENBURG
-
-
- DOOR
- C. GOEKOOP-DE JONG VAN BEEK EN DONK.
-
-
- 3e DRUK.
-
- AMSTERDAM,
- SCHELTEMA & HOLKEMA’S BOEKHANDEL.
- 1898.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Hilda was juist aangekomen. Het laatste gedeelte van haar reis,
-tusschen Utrecht en den Haag, had ze alleen in den coupé gezeten,
-alleen met het steeds sterker wordend besef van een nieuw huis, een
-nieuwe vreemde omgeving die haar wachtte. Droomend en mat, in doffen
-weemoed had zij achterover geleund en gestaard naar buiten tot het haar
-was geweest als of zij stilstond en het landschap haar voorbij vloog in
-een rondende beweging van kromme lijnen. Een wee gevoel van iets
-onbekends, iets onbehagelijks had haar doorstokt bij het stilstaan van
-den trein en toen er niemand aan het station was geweest om haar af te
-halen dan de livreiknecht die haar naar het rijtuig had gebracht, was
-er een duizeling over haar gekomen van eenzaamheid, en bang
-terug-verlangen naar huis.
-
-Moe, met het veerkrachtlooze dat komt na lang hartstochtelijk geween,
-zette ze zich neer in het zachte satijn der kussens, waarvan de
-glanzing haar gladde rouwkleedje nog doffer en zwarter maakte. Zij zag
-uit het raampje. Prachtig lag het groote Bosch in rijk najaars getint
-van goud en rood en bruinend groen vóór haar. Het was vier uur, de
-Octoberzon straalde met warm geel licht op het landschap neer en lange
-rijen wandelaars, vooral veel dames in nieuwe, elegante
-najaarstoiletten, brachten drukte en vroolijkheid langs den zoom van
-het Bosch en den Bezuidenhout. Maar Hilda zag het nauwelijks, lusteloos
-voelde ze zich voortdragen, en het feestelijk mooie dat den Haag op dat
-oogenblik voor elken vreemdeling bekoorlijk moest maken, vermeerderde
-door zijn contrast met haar stemming nog de onrust die in haar was.
-Eindelijk, op het Nassauplein voor een van de grootste huizen, hield de
-equipage stil en zwijgend volgde Hilda den huisknecht langs de gang en
-de trap op met de mollige tapijten, die geheimzinnig elken voetstap
-onhoorbaar maakten, naar boven naar den salon. Hier, met een schel
-gevoel van pijn ontwaakte zij weer tot volkomen bewustzijn. De scherpe
-helderheid, waarmede in haar hoofd gewoonlijk elke indruk werd
-weerkaatst, keerde terug, nadat het doezelen in den trein, voorafgegaan
-van een langen nacht vol tranen haar de betrekkelijke weldaad had
-geschonken van eenige oogenblikken in dofheid niet voelen, niet denken.
-Zij zag om zich heen. Het was de schrijnende indruk van dat salon met
-grooten rijkdom maar zonder eenig kunstgevoel gemeubeld, die haar had
-geprikkeld tot wakker worden. Haar oog gleed langs de geel damasten
-behangsels en de gouden meubeltjes met rood peluche en een warreling
-van goud en rood kwam in haar oogen tot zij ze een oogenblik sluiten
-moest.
-
-Toen echter voelde zij de warme zonnestralen, die nauwelijks door de
-kanten gordijnen getemperd, naar binnen stroomden en het geheele
-vertrek besprenkelden met een cascade van licht, met felle flikkeringen
-als van gouden tientjes. Onwillekeurig volgde haar blik een dier
-spelende zonnestraaltjes, dat door een trillenden nevel van goudstofjes
-recht neerschoot op de pendule, een groote bronzen negerknaap in rijk
-verguld gewaad, en dat zich vasthechtte aan zijn mutsje. Hilda zag het
-glinsteren, en het warm bruin gezicht van het beeld scheen onder den
-glans te gaan leven; brutaal staarden de oogen haar aan. Onrustig
-wendde zij toen het hoofd om, en nog jaren later als zij op dit zelfde
-uur, in deze kamer binnen ging en zij zag dit zelfde licht op het
-gouden mutsje vallen, beving haar dit zelfde gevoel van onrust. Kleuren
-evengoed als klanken spreken soms hun eigen taal en in dit vertrek vol
-goudglans en purper en kostbare smakeloosheid, en in de hol cynische
-oogen van het pendulebeeld lag een onbeschrijfelijke indruk van
-trotsche domheid en leegen, banalen rijkdom.
-
-Hilda stond nog onbewegelijk in het midden der kamer en met angst drong
-de gedachte in haar door: „En dit is nu voortaan mijn tehuis!” Toen
-gleed haar blik achter het beeld naar den grooten spiegel en zij zag
-zich zelve staan, heel vreemd in al dat goud. De oogen leken zoo groot
-en donker met de diepe, blauwige kringen er onder. Zij verslonden het
-heele gezichtje en ’t was als of het bleekrose van wangen en voorhoofd
-en daarboven het rouwkrip van het hoedje niets waren dan een lijst om
-die vragende, strakke oogen.
-
-Maar op dit oogenblik werd de deur geopend en een elegante vrouw van
-rijperen leeftijd kwam snel op Hilda toe, de beide handen uitgestrekt
-en op de lippen dat vleiend banale welkomstwoord, dat aangenaam kan
-aandoen als men een huis als gewone gast is ingekomen, maar dat als een
-kille tochtwind beroert wanneer het komt in de plaats van het
-hartewoord.
-
-Maar Hilda overwon de huivering van haar impressie en vriendelijk kuste
-ze de toegestoken wang van haar tante, de eenige zuster van haar vader,
-die haar zoo lief had aangeboden om haar bij zich in huis te nemen nu
-ze door haar vaders dood alleen was achter gebleven.
-
-„Ga zitten, lieve kind en vertel me eens hoe was je reis?” zeide
-Mevrouw van Starren in haar vriendelijken ijstoon. „Je hebt het toch
-niet kwalijk genomen niet waar? dat niemand je kon komen afhalen? Mijn
-man had een vergadering. Edward is in ’t zuiden, zooals je weet, ik
-zelf durf met dien kouden wind niet naar zoo’n tochtig station en de
-beide meisjes moesten verkoopen vandaag op den Zendingsbazaar.”
-
-Hilda glimlachte beleefd. „O! nee, zeker niet. Ik zou het heel naar
-hebben gevonden als iemand zich voor mij gederangeerd had. Hoe is het
-met uw gezondheid tegenwoordig?”
-
-„Dat gaat nog al. Mijn kuur van den zomer in Ems heeft me veel goed
-gedaan, maar ik moet toch nog altijd wel oppassen.”
-
-Zij zwegen even en observeerden elkaar met glimlachende lippen en
-scherp kritische oogen.
-
-„Je ziet er een beetje moe en bleek uit, was het erg benauwd in den
-coupé?”
-
-„Ja heel benauwd”, zeide Hilda, zonder te begrijpen wat zij eigenlijk
-zei. Het trof haar onaangenaam dat hare tante zoo volstrekt niet op
-hare vader leek en zulke fletse, rustelooze oogen had en zulke slappe
-handen, die voortdurend zenuwachtig met den zakdoek speelden.
-
-„Heb je veel bagage meegebracht, behalve de twee koffers, die gisteren
-gekomen zijn?”
-
-„Niet veel”, zij glimlachte even. „Toilet had ik natuurlijk in
-Suylenburg haast niet noodig. Maar u zult mij wel een beetje raad
-willen geven wat ik hier aanschaffen moet.”
-
-„Zeker, beste kind. De meisjes zijn nu ook juist bezig om haar
-wintergarderobe te bedenken, je gaat toch zeker uit den rouw?”
-
-Hilda kleurde even. „Ik heb eigenlijk nog niets geen lust in uitgaan en
-lichte kleeren, maar als u ’t bepaald liever hebt....”
-
-„Natuurlijk! Het zal ’n drukke winter zijn, en hier in huis kun je je
-moeilijk aan alles onttrekken. Ik zou nou maar gewoon met Eugénie en
-Corry mee doen, je zult zien dat het je erg mee zal vallen. Je bent
-eigenlijk nog nooit uitgeweest, is het niet? of heb je op reis met papa
-wel es een season meegemaakt?”
-
-Hilda schudde het hoofd. „Nee, wij hebben wel met allerlei menschen
-kennis gemaakt, maar dat waren er die papa aardig vond om mee te
-praten, kunstenaars of geleerden of zoo, en naar opera’s en comedies
-ben ik ook veel geweest, maar ’n echt bal of ’n groote partij heb ik
-eigenlijk nog nooit bijgewoond.”
-
-„Nee, dat dacht ik wel. Dat was niks voor je papa, maar dan wordt het
-toch ook wel hoog tijd dat je eindelijk eens wordt gepresenteerd. Hoe
-oud ben je nou?”
-
-Koel, neerbuigend klonk de vraag, verwijtend bijna.
-
-„Een en twintig”, zeide Hilda zacht, een beetje verlegen, want zij
-voelde in eens dat ze al heel oud en erg achterlijk zou worden
-gevonden.
-
-Mevrouw van Starren nam haar op een oogenblik met koude doordringende
-oogen.
-
-Zij had haar broer nooit kunnen begrijpen, en voor kleine bekrompen
-zielen als de hare is niet begrijpen hetzelfde als dwaas en belachelijk
-vinden. Zij had hem in haar jeugd geminacht om zijn zwaarmoedig, terug
-getrokken karakter, waarvan haar elegante wereldzieltje zelfs de
-diepten niet vermoedde; zijn huwelijk en zijn ontroostbaar treuren na
-den dood van zijn jonge vrouw had zij overdreven genoemd—voor menschen
-als zij is elk sterk voelen overdreven—maar vooral in de opvoeding van
-Hilda had zij hem hoogst zonderling en verkeerd gevonden. Bijna nooit
-hadden zij elkaar meer ontmoet, maar wat zij nu en dan van hem en zijn
-dochtertje hoorde was genoeg om haar met ergernis, en in haar goedige
-oogenblikken met medelijden voor Hilda te vervullen.
-
-Zoo’n meisje dat grieksch en latijn kende, maar nooit had leeren
-dansen, dat met Italianen en Spanjaarden over kunst had gesproken, maar
-nooit een bal had bijgewoond of in goede kringen was verschenen, dat
-over allerlei dingen had gelezen en gehoord waar een vrouw best buiten
-kan, maar dat misschien nooit in haar leven een handwerkje had gemaakt,
-moest volgens haar idee zoo’n zonderling wezen zijn geworden, dat zij
-niet zonder stille verbazing de bekoorlijk jonge verschijning tegenover
-haar kon aanzien.
-
-Maar Hilda’s half jongensachtige opvoeding buiten, van paardrijden en
-stoeien met groote honden, en rondloopen in wijde, grove kleeren, en al
-de geleerdheid uit de boeken, schenen niets te hebben weggenomen van de
-bijzondere gratie in elke beweging van haar lang slank lichaam, niets
-te hebben uitgewischt van den glans van haar wazig krullend, zwaar
-goudbruin haar of van het teer rose satijn van haar huid.
-
-„Ze valt me erg mee!” dacht Mevrouw van Starren. „Wel een nichtje om
-mee voor den dag te kunnen komen. Misschien zijn haar oogen zelfs wel
-wat al te mooi. Maar tenminste een rust dat ze er niet geëmancipeerd
-uitziet.”
-
-Op dit oogenblik rolde het rijtuig vóór.
-
-„Daar zul je de meisjes hebben.”
-
-En Hilda stond op om aan het raam haar nichtjes te zien uitstappen. Zij
-was blij dat het alleen zijn met haar tante voorbij was. Er lag zoo
-iets beklemmends in die koude onderzoekende oogen, in die slappe
-handen, in het kraken van het nauwsluitende zwart satijnen kleed. Het
-vervulde haar met heimwee naar ’t eenzame buitenleven.
-
-De deur vloog open en de beide meisjes snelden binnen, Hilda begroetend
-met een zenuwachtige vroolijkheid die haar pijn deed. Zij verlangde zoo
-naar een enkel woord van ware sympathie. Maar giegelend, druk pratend,
-met een klein beetje verlegenheid onder de opgewonden lachjes, stonden
-zij voor haar en Hilda kreeg een angstig besef van stijfheid en
-onhandigheid toen zij zich zoo stil voelde staan tusschen die twee
-bewegelijke figuurtjes.
-
-„Heb je een prettige reis gehad, en niet al te warm? Op den Bazaar was
-de hitte vreeselijk, maar toch was het er amusant. O ja, mama, weet u
-nog wel dat zijden vuurscherm met zilver geborduurd? Dat heeft Tilie
-van Heemeren nog gekocht voor vijftig gulden. We hebben er vreeselijk
-om moeten lachen, o! we hebben het uitgeproest!” En Corry praatte maar
-door, heel snel sprekend, blijkbaar om maar iets te zeggen, want waarom
-zij zoo gelachen had, bleek nergens uit, en misschien wist zij het
-zelve niet. Maar onder het vertellen van al dat lachen stonden haar
-oogen koel en namen Hilda van ’t hoofd tot de voeten op. Bijna iets
-vijandigs lag in dien onderzoekenden blik. Zoo zien sommige vrouwen
-elke nieuwelinge aan, die zich in haar kring komt bewegen. In één blik
-trachten zij te ontdekken wat in den grooten wedkamp der ijdelheid van
-haar te vreezen is.
-
-„Vondt je ’t niet naar om afscheid van buiten te nemen en van die ouwe
-huishoudster, hoe heet ze ook weer? juffrouw Betje? Dat is immers zoo’n
-trouw familiestuk?”
-
-Eugénie zei het lachend, zonder eenig vermoeden hoe teer het onderwerp
-voor Hilda zijn moest. En Hilda dwong zich om rustig te glimlachen. Ze
-voelde hoe de tranen, die in eens opzwollen, belachelijk zouden zijn in
-zoo’n omgeving.
-
-Eugénie was de oudste, een elegante verschijning, heel aristocratisch
-met haar fijn besneden kopje, het cameeachtige teint, de bleek blauwe
-oogen en het wazige blond der krulletjes. Zij liet denken aan een lief
-miniatuurtje uit het einde der vorige eeuw, maar over het geheel lag
-zoo iets afgemats en looms, zoodra ze zich niet tot febriele
-bewegelijkheid opwond, dat zij meestal veel ouder scheen dan haar acht
-en twintig jaren.
-
-Corry daarentegen met het zachte donkerblonde haar, de witte tandjes
-heel klein, tusschen de dikke roode lipjes parelend, de blozende volle
-wangen, de heldere diepblauwe oogen met hun kinderlijken opslag, heel
-haar type van vleiend schalksch tooneelpagetje, ofschoon zij vijf
-uitgaansjaren achter den rug had, zag er jong uit als een
-kostschoolmeisje. Op haar sterk gestel hadden de drukke winters geen
-sporen nagelaten.
-
-„Kinderen, ’t is al bij zessen, en ’t zal hoog tijd worden dat je je
-gaat verkleeden voor ’t eten,” zeide Mevrouw van Starren. „Hilda zal
-haar kamer ook wel eens graag willen zien, nietwaar? Wil jij haar den
-weg wijzen Eugénie?”
-
-En terwijl zij samen de trap opklommen, heel hoog, want haar kamer lag
-op de bovenste verdieping, begon Corry nieuwsgierig te vragen:
-
-„Maar Hilda, wat heb je toch voor zwaars in dien eenen koffer
-meegebracht? Gisteren zijn ze allebeide bezorgd en ze staan nou op je
-kamer, maar we dachten heusch dat die eene nooit boven zou komen. Je
-hebt daar te Suylenburg toch geen goudvelden ontdekt, dat je koffers
-vol erts hebt meegebracht?”
-
-„Ja, het was wel erg zwaar geworden, en ’t spijt me als het veel last
-heeft gegeven, maar het zijn mijn boeken, waar ik geen afscheid van kon
-nemen, en ik hoop, omdat het nog al bescheiden gasten zijn, dat ze hier
-dezelfde gastvrijheid zullen vinden als ik.”
-
-„Prachtig gezegd,” zeide Eugénie, klankloos de woorden uithijgende,
-want zij was doodop van ’t klimmen.
-
-„Och wezenlijk? zijn het boeken? Die groote zware koffers vol boeken?
-Wat ’n massa!” En Corry zag tot haar op in vermakelijke verbazing. Toen
-zei ze goedig: „Nou, als je zooveel van lezen houdt, dan hebben wij ook
-nog genoeg boeken voor je hier. Eugénie heeft een groote kast op haar
-kamer vol romans, want ze houdt ook nog wel es van lezen, maar heel
-veel tijd hebben we er eigenlijk niet voor, niet waar Eus?”
-
-Maar Eugénie kon niet antwoorden. Zij stonden nu alle drie boven aan de
-trap, en het klimmen had haar zoo aangegrepen dat zij naar adem
-hijgend, het duizelend kloppende hoofd geleund tegen den muur, even
-moest rusten, vóór zij kon spreken. Hilda zag bezorgd naar het bleeke
-gezichtje, maar Corry stelde haar gerust op den luchtigen toon van hen,
-die geen zwakte kennen:
-
-„O! ’t is niks, alleen maar ’n beetje bleekzucht! Ze heeft zich de
-laatste weken maar wat veel vermoeid met tennissen.”
-
-„Kijk hier is je kamer,” zeide Eugénie, toen ze was bijgekomen, „Corry
-en ik hebben onze kamers hier vlak onder, als je dus straks klaar bent
-en je wilt even bij ons komen overwippen houden we ons erg aanbevolen.”
-
-„O, maar ze moet eerst es even zien wat dat voor een attentietje is dat
-de ouwe mevrouw Cranz van Rozenhagen vanmorgen heeft laten brengen,”
-zeide Corry levendig, wijzend op een bruin pakje dat op de tafel lag en
-zij leunde over Hilda’s schouder, nieuwsgierig om te zien wat er wel
-voor den dag zou komen. Het was een zwart klein boekje dat Hilda
-loswikkelde uit het bruine papier, een versleten, veel gebruikt Nieuw
-Testamentje en voorin lag een briefje waarop de oude dame met haar
-energiek ouderwetsch schrift had geschreven:
-
-
-Mijne lieve Hilda!
-
-Als groet in uwe nieuwe omgeving, kon ik niets beters vinden dan deze
-heilige bladzijden, die eenmaal aan uwe lieve moeder hebben toebehoord,
-en die mij na haren dood door uw’ vader werden geschonken. Mogen zij
-ook u bijstaan in vele moeielijke, gevaarlijke uren die uw jonge leven
-nog zal moeten doorworstelen. Kom mij spoedig eens opzoeken. Ik verlang
-zeer u te zien.
-
-Uwe oude vriendin,
-U. Cranz van Rozenhagen.
-
-
-„Gut, ik wist niet dat mevrouw Cranz zoo fijn was, ik dacht dat er heel
-wat anders in zat,” zeide Corry teleurgesteld.
-
-Hilda zeide niets. Het hartstochtelijk verdriet der vorige dagen bij
-het afscheid nemen van al het lieve oude, daar buiten, had haar zenuwen
-zoo sterk gespannen, dat het haar was als hingen zij slap neer, niet in
-staat onder een nieuwen gevoelsdruk te trillen. Het is soms een milde
-compensatie voor de intensiteit van jeugdemoties, dat zij door de
-onstuimigheid zelve der gevoelens, een soort moreele bewusteloosheid
-nalaten die rust geeft aan het gemartelde voelen. Toch gleed het
-vriendelijke woord der oude dame warm balsemend in haar ziel, en kalme,
-langzame tranen, heel helder, als van ijskristallen die zachtjes
-smelten, vielen neer op het briefje. Zij keek er naar, droomerig,
-zonder goed te begrijpen, en zag hoe ze zich uitspreidden als
-sterretjes waar de inkt grijzige randjes om heen trok.
-
-Corry ook had de tranen gezien, maar zij hield niet van huilende
-menschen, ze was niet op haar gemak als er verdriet in de buurt was, en
-stil was zij weg geslopen, en had Eugénie mee genomen, zachtjes de deur
-achter zich sluitend.
-
-Toen stond Hilda alleen in haar kamertje en keek naar het oude boekje
-en de groote koffers in den hoek, zoo vol gezellige oud bekenden, en in
-eens was het als of zij minder eenzaam was dan straks met haar
-vroolijke nichtjes.
-
-Reeds als klein kindje had Hilda haar moeder verloren, een jonge, mooie
-vrouw, maar wier lichaam te teer was geweest om weerstand te bieden aan
-hetgeen het leven van haar geëischt had. Als de dood haar niet in de
-eerste jeugd had weggenomen, zou zij een dier begaafde, uitnemend
-sympathieke vrouwen hebben kunnen worden, wier leven een verkwikking is
-voor allen die haar naderen; nu, op haar negentiende jaar, een paar
-maanden na Hilda’s geboorte was zij heengegaan, als had zij aan haar
-kindje alles weggegeven wat zij aan levenskrachten bezat. En zoo was
-Hilda opgegroeid alleen met haar vader, den ouden baron van Suylenburg,
-in het stille groote kasteel in Noord-Brabant, tusschen de geurige
-dennebosschen en paarsroode heide, en in die groote vlakten vol
-geheimzinnige klanken en kleuren had Hilda veel geleerd, veel wat de
-meeste menschen niet kennen.
-
-Behalve enkele privaatlessen die zij ging halen in het naburige stadje,
-had zij haar geheele opvoeding van haar vader ontvangen. In zijn jeugd
-was hij bij de diplomatie geweest, maar na zijn huwelijk—hij was toen
-al in de veertig—had hij zich op het kasteel van Suylenburg terug
-getrokken en zich sinds den dood van zijn jonge vrouw uitsluitend aan
-zijn arm klein moederloos meisje gewijd, behalve natuurlijk ook aan
-zijn plichten van landedelman, waarvan hij een heel hooge opvatting had
-en aan zijn lievelingstudiën: historie en staathuishoudkunde.
-
-Het waren gelukkige jaren geweest, de jeugdjaren van Hilda en tot haar
-zestiende jaar hadden zij zoo samen eenzaam voortgeleefd. Maar in
-Hilda’s hoofdje en hart was onder die omstandigheden een zonderlinge
-mengeling gekomen van groote kennis en volkomen onwetendheid, van
-naïeve droombeelden en helder zelfstandig nadenken, van gloeiend
-enthousiasme voor alles wat mooi en groot was en een totale
-onbekendheid met het werkelijke leven, die op den duur gevaarlijk
-worden kon. Toen had haar vader gevoeld dat een meisje in den aanvang
-van haar jonge leven nog iets anders noodig had dan dit bestaan waarin
-hij zelf zich tevreden voelde, hij de geleerde, die nog altijd onder
-zijn onherstelbaar verlies gebogen ging. Maar wat moest hij doen? Haar
-uit laten gaan in het wuft, bekrompen wereldje der naastbijgelegen
-provincie-stad scheen hem een volkomen onmogelijkheid, en nog minder
-wenschelijk kwam het hem voor haar bij mevrouw van Starren, zijn zuster
-in den Haag te zenden, in dat milieu van onbeduidendheid en genotzucht.
-Toen had hij het zware besluit genomen. Hij had het dierbaar rustige
-landleven opgegeven en gedurende vier jaren hadden zij overal
-rondgereisd. In Parijs en Londen, Rome en al de Italiaansche
-lustoorden, in Berlijn en Constantinopel, Athene en Stockholm, in Caïro
-en in het grootste gedeelte der Vereenigde Staten, overal hadden zij
-rond gezworven, overal schatten verzamelend, schatten van kunde en
-genot, van liefde, en bewondering voor het heerlijke dat de natuur
-heeft voortgebracht en menschen hebben gemaakt.
-
-Eerst een dringend verlangen naar een rustigen zomer op het eigen
-landgoed, had de beide reizigers teruggevoerd naar Suylenburg en daar
-plotseling, zonder ziekbed, was Hilda’s vader gestorven.
-
-Alleen, heel alleen was zij achter gebleven, huiverend in de kou van
-die gedachte: alleen!
-
-Haar oom en tante in den Haag en hunne drie kinderen kende zij
-nauwelijks en toch waren dit nu de eenigen die haar nabestonden.
-
-En als zij nu maar haar eigen verlangen had kunnen volgen en stil op
-het kasteel had kunnen blijven, omringd van de naïeve vriendschap van
-het landvolk, met juffrouw Betje, haar oude huishoudster, die haar
-moeder nog gekend had, met haar grooten hond en haar rijpaard en haar
-boeken, bloemen brengend op de stille graven achter in het park en
-droomend van een wereld veel mooier dan de werkelijkheid, zij zou er
-beter in hebben kunnen berusten, maar mijnheer van Starren, die nu haar
-voogd was, kon dezen wensch volstrekt niet begrijpen en drong er met
-kracht op aan dat zij, althans voorloopig, bij hem in den Haag zou
-komen inwonen. Alles wat zij had kunnen verkrijgen was het eerste jaar
-van diepen rouw nog buiten te mogen doorbrengen en hierin was te
-gemakkelijker toegestemd omdat zoo als mevrouw van Starren fluisterend
-had bekend: „Het wel heel lastig is, zoo’n treurend schepseltje in huis
-te hebben als je veel menschen ziet en van vroolijkheid houdt.”
-
-Nu echter was de tijd verstreken en Hilda was gekomen. Den laatsten
-tijd, als zij aan hare nieuwe omgeving had gedacht en het jonge leven,
-dat zoo krachtig in haar aderen joeg haar prikkelde tot die
-nieuwsgierigheid die elk jong schepsel onweerstaanbaar verlangend
-voortdrijft naar de toekomst, had zij met een schuldig gevoel die
-gedachten verbannen. Het was haar of ze ontrouw werd aan haar
-droefheid, als ze zich overgaf aan toekomstbeschouwingen en in een
-ziekelijk zich vastklampen aan haar verdriet, dat noch met haar
-frissche jeugd, noch met haar veerkrachtige opvoeding strookte, had zij
-de laatste maanden doorgebracht.
-
-Toen was de reactie gekomen, heerlijk triomfeerend over het groote leed
-dat haar zoo geweldig geschokt had.
-
-„Niet gelukkig zijn is de bestemming van het leven. Arbeiden, nuttig
-wezen, zich geven, mooier en rijker maken het gemeenschapsleven, is de
-eeuwige wet die elk menschenbestaan beheerscht. Wee over hen die het
-niet hebben verstaan, want ten slotte, alleen aan het einde van dien
-weg wordt onthuld de geluksmysterie.”
-
-Daar stond het op een klein stukje papier dat fladderend uit Homeros
-viel, toen Hilda op een morgen het versleten lievelingsboekje van haar
-vader opnam om nog eens enkele dier verzen te lezen, die zij samen zoo
-menigmaal hadden genoten. Het waren zulke eenvoudige woorden en zulk
-een eenvoudige gedachte. Iedereen weet die waarheid immers. Maar in dat
-vaste klare handschrift van den geliefden doode, schenen haar die
-woorden een nieuwe bron van wijsheid. Was het een citaat of een
-eenvoudige formule waarin hij had samengevat een rij van diepere
-gedachten? Was het een in distractie half spelend daarheen geschreven
-woord, dat hem uit vroegere tijden in den zin was gekomen? Wat doet het
-er toe? Het stukje papier was dwarrelend neergevallen op den sleep van
-haar rouwkleed en duidelijk, in hun zwarte lijst, spraken die woorden
-haar aan, toen zij zich bukte om het op te rapen. Een oogenblik bleef
-zij er op den grond gehurkt aandachtig naar zitten turen, toen zag ze
-naar het boekje in haar hand en ’t kwam in eens weer voor haar geest
-met ontroerende duidelijkheid hoe haar vader op reis eens,—in
-Griekenland was het—haar hoofdje in zijn handen had genomen en op zijn
-eigen teedere manier had gezegd: „Mijn kindje, mijn kleine Brünnhilde,
-zul je nooit vergeten dat alles wat je nu geniet en voelt van mooie
-emotie, en geestdrift, en alles wat je nu opgaart van ontwikkeling en
-breeder denken, je later om moet zetten in vruchtdragenden arbeid. Nu
-is je tijd van groeien en rijpen, geniet er van mijn kleine meisje,
-want later komt de tijd, mooier en heerlijker nog, maar veel zwaarder,
-dat je schaduw moet geven aan de vermoeiden en lafenis brengende
-vruchten aan de angstigen en uitgeputten.”
-
-Misschien had zij die woorden toen nauwelijks verstaan, maar nu begreep
-zij ze en zij doortrilden haar met een sterk verlangen naar arbeid.
-
-Wat had zij toch gedaan al die maanden van treurend heenleven? ’t Was
-of ze dat jaar geslapen had, gewiegd in zelfzuchtige droefheid; niet
-eens had ze in ’t eentonig, gelijkvormig komen en gaan der dagen
-gemerkt dat sinds haar ontzettend verlies al zooveel tijd was
-verloopen. Maar zeker, nu was ze ontwaakt. Zij zou zich aanpakken en
-haar werk beginnen. In die groote menschenwereld, daar buiten, heel ver
-van haar rustige bosschen, was daar niet oneindig veel te doen?
-
-„Ja zeker, ik wil werken,” herhaalde zij halfluid, „werken, ik zal naar
-den Haag gaan en werk zoeken.” En met dit besluit was de oude
-veerkracht gekomen.
-
-De pijn van het afscheid van Suylenburg en het bange opzien tegen een
-nieuwe omgeving waren zeker nog heel smartelijk geweest, maar meer toch
-dan ze zelf vermoedde, waren levenskracht en levenslust ontwaakt.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-De eerste avond was goed afgeloopen. Hilda had haar uiterste best
-gedaan om lief tegen allen te zijn, en belang te stellen in de dingen
-harer nieuwe omgeving. In haar wangspieren had ze op ’t laatst een
-klein pijntje gevoeld van het glimlachen en haar hoofd was doodmoe van
-’t ongewone praten maar ze had een volkomen innemenden indruk gemaakt.
-
-„Nou, met haar verdriet zal het wel schikken, dat is ze, geloof ik, een
-heel eindje te boven,” zeide Eugénie, toen Hilda en Corry naar boven
-waren gegaan en zij met haar ouders nog even bleef na praten. „Ik was
-’n beetje bang dat ze stil en sentimenteel zou zijn omdat haar brieven
-altijd nog zoo bedroefd waren.”
-
-„Het ergste is dat we nog een heele toer zullen hebben met die vreemde
-opvattingen van vroeger, die mijn arme broer haar heeft ingeprent,”
-zeide Mevrouw van Starren. „Enfin, ze is slim genoeg, geloof ik, om wel
-gauw in te zien dat een heele boel van die theorieën van de
-broederschap van alle menschen en van vrijheid voor de vrouwen en dat
-meisjes uit onze kringen zich nuttig moeten maken en zoo meer, hier
-volstrekt niet gegoûteerd worden, en dan zullen ze van zelf wel
-verdwijnen. Het voornaamste is dat het een vriendelijk dankbaar
-schepseltje schijnt te zijn, en een lief gezichtje is het ook, vindt je
-niet Henk?”
-
-Mijnheer van Starren antwoordde niet, maar floot sissend tusschen zijn
-tanden een oud operadeuntje. Hij vond Hilda bijzonder mooi, bijzonder
-bekoorlijk vooral, maar hij vond het beter om het niet te zeggen.
-
-Na een lange wilde jeugd, waaruit nog enkele anecdoten de ronde deden
-bij heerendiners, was hij eerst laat getrouwd, en zijn relatie tot zijn
-kinderen was hierdoor eenigszins als van een grootvader tot zijn
-kleinkinderen geworden. Meestal was hij goedig, zwak zelfs in het
-toegeven aan hun verlangens, maar zonder eigenlijke belangstelling in
-hun intiemer leven. Alleen voor Edward, zijn zoon, voelde hij warmer en
-toen de jongen, na vlug het gymnasium te hebben afgeloopen, gezond en
-flink, in eens was gaan hoesten en een zware bloedspuwing had gekregen
-en weg gezonden was naar het Zuiden, had hij er, meer dan iemand kon
-vermoeden, onder geleden.
-
-Misschien was het wel minder het kind dan de stamhouder, dien hij toen
-gevreesd had te verliezen, misschien gold zijn angst meer den wapen- en
-naamdrager dan den zoon, hoe het zij, Edward was de eenige in wiens
-ontwikkeling hij werkelijk had belang gesteld, wiens gezondheid hem
-interesseerde en voor wiens toekomst hij zich illusies maakte.
-
-Voor de meisjes echter scheen hij volkomen onverschillig en later was
-voor Hilda de onderlinge verhouding van dezen vader met zijn dochters
-een bron van onuitputtelijke verwondering. Beleefd, als welopgevoede
-menschen, leefden zij naast elkander voort, zonder iets in elkaars
-leven te beteekenen, de meisjes meestal met een nuance ongeduld in haar
-toon, en de vader met een iets sterkere nuance ironie. Want uit zijn
-vroegere ervaringen had hij over al wat vrouw was een zeer cynische
-beschouwing gehouden: „Toutes les mêmes, mon cher, au fond allemaal
-dezelfde, geen een kun je er vertrouwen, een noodzakelijk, en op zijn
-tijd heel bekoorlijk kwaad, j’en conviens, mais un mal tout de même.”
-
-Dit was zijn credo over „de vrouw”, dat hij gaarne bij alle
-gelegenheden te pas bracht, en het spreekt van zelf dat zijn
-belangstelling in zijn meisjes niet groot kon zijn bij deze
-overtuiging.
-
-De man, die het geloof in de vrouw verloren heeft kan immers nooit meer
-een waarachtig vader voor zijn dochters zijn!
-
-„Wat is het een curieus wijsneusje, voor zoo’n jong ding,” zeide hij
-lachend. „Hoe noemde ze het ook weer? meisjes die niets deden dan zich
-amuseeren en toilet maken waren economische nonvaleurs! Ik ben
-nieuwsgierig hoe of ze het aan wil leggen om een valeur te worden.”
-
-„Onzin,” zeide mevrouw ongeduldig, „dat zijn nog van die idees van m’n
-broer. We zullen haar die deftige woorden wel uit het hoofd praten.”
-
-Mijnheer van Starren knikte, ondeugende lachtrekjes van ironie en
-minachting om zijn grijzen knevel.
-
-„Welzeker, ’n paar baltoiletjes en complimentjes, en de ernstigste
-principes zijn uit ’n meisjeshoofd verdwenen. Een bout de cour,
-enfuut!”—met een geluid dat Eugénie woedend zenuwachtig maakte, knipte
-hij een paar maal met den langen nagel van zijn duim tegen dien van
-zijn ringvinger,—„de verhevenste theorieën gaan bij jonge dames op den
-loop.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-De eerste weken van Hilda’s zijn in den Haag gingen snel en geanimeerd
-voorbij. Iedereen was lief tegen haar, er werd paard gereden en
-gemusiceerd, zij leerde tennissen en wielrijden, en zij gingen naar het
-strand en deden boodschappen, en bij het uitzoeken van aardige
-toiletjes voelde Hilda dat echt vrouwelijke, kinderlijk-artistieke
-genot, dat het aanraken van kostbare stoffen geeft met rijke glanzingen
-en teere kleuren, als zij glijden tusschen fijne handjes en verbeelding
-kleine staallapjes omtoovert in heerlijk diepplooiende gewaden.
-
-Bezoeken in mooie salons werden afgelegd bij oude wereldsche dames, die
-veel over haar „petite santé” praatten, en over engagementen die af of
-aan zouden raken, bij elegante jonge vrouwtjes, met wie Corry en
-Eugénie eindelooze gesprekken hielden over de deugden en ondeugden van
-haar kennissen in ’t algemeen en van haar naaisters in ’t bijzonder,
-vrome dames, bij wie op elk bedenkbaar voorwerp een kroon of een wapen
-was aangebracht, en die veel Bijbelspreuken schenen te kennen maar er
-nooit citeerden die op ootmoed sloegen, bij jonge meisjes, meestal
-bleek en tenger als Eugénie, over wier bloedelooze lipjes akelige
-verhalen van heeren en dames uit haar omgeving kwamen, die nog naarder
-klonken nu jonge cynische mondjes ze uitspraken, bij andere jonge
-meisjes wier zacht doezelige oogen niets schenen te zien in de wereld
-dan taartjes en complimentjes en de bonte prisma’s van zeepbellen, bij
-vroolijke menschen, die door het leven schenen heen te lachen en bij
-zenuwachtigen die zich zelf en anderen het leven moeilijk maakten, bij
-artistieke menschen, die veel spraken over kunst en er liefst in
-dilettantiseerden, maar meestal geen acht sloegen op de prachtige kunst
-om van hun bestaan iets waarlijk moois te maken, bij ambitieuze
-menschen met erbarmelijke illusies van een beetje meer aanzien bij het
-groote publiek, bij menschen met goeden aanleg maar wier leven,
-verbrokkeld en versnipperd door duizenderlei onvruchtbare nietigheden,
-in oppervlakkigheid ten onder scheen te gaan, bij deftige koele
-menschen, van wie men niet zeggen kon, of zij nog een ziel en een
-gedachteleven hadden, wier wezen zich geheel in vormelijke voornaamheid
-scheen te hebben opgelost, bij enkele beminnelijke menschen ook, aan
-wie het van geslacht op geslacht streng voorgehouden: noblesse oblige,
-werkelijke beschaving en adel van gemoed scheen gegeven te hebben, maar
-ook bij menschen zoo plat en vulgair en in alle opzichten zoo grof van
-maaksel dat men zich afvroeg hoe afstammelingen van oude geslachten,
-die zich sinds eeuwen in weelde en uitgezochten omgang hadden kunnen
-verfijnen, zulke grove typen konden aanbieden.
-
-Dit alles was Hilda voorzeker niet sympathiek, maar het amuseerde, het
-boeide haar, en de glans die over deze geheele wereld lag, ook over het
-leelijkste, laagste, de glans van zelfbewustheid en rijkdom verblindde
-haar een beetje.
-
-Ook hadden haar ernstige jeugd en het eenzaam stille rouwjaar buiten
-haar misschien nog ontvankelijker gemaakt voor de bekoring van dit
-bonte leven. Het was voor haar een nieuw genot om met jonge meisjes te
-lachen, om weer eens kinderachtig uitgelaten te zijn, om in eens midden
-in die wereld te zijn, die zij tot dusver alleen maar in romans
-genaderd was. Zoet enerveerend ook begon de wierook der complimentjes
-te werken en ’t feestelijk mooie van lichte zalen vol bloemen en groote
-toiletten begon haar te betooveren.
-
-Toch trachtte zij soms nog eerlijk te reageeren.
-
-„Maar ik ben hier niet gekomen om te dansen en te lachen,” zeide zij op
-een morgen in eens onder het aankleeden. „Hoe lang ben ik al hier? Al
-twee maanden! Ik moet gauw zien dat ik iets nuttigs vind om te doen.”
-
-En zij dacht aan haar werk-illusies van den laatsten tijd in Suylenburg
-en zuchtte, want zij voelde in eens dat het enthousiasme er voor
-heelemaal was verdwenen en dat het een groote verleiding was om maar
-rustig zoo voort te leven als een vlinder in zonneschijn.
-
-Zij was naar den Haag gekomen met groote minachting voor al de wuftheid
-die ze wist er te zullen vinden en ze was vast overtuigd geweest dat ze
-veel te ernstig en te oud was om er aan mee te doen. Ze had zich zoo
-heel heel treurig en oud gevoeld, als alleen heel jonge menschen zich
-voelen kunnen. Alleen naar werken en nuttig zijn had ze verlangd, om te
-doen wat haar vader gewenscht had, en wat was er nu toch van al die
-verlangens geworden?
-
-Ze had het zoo druk gehad met al haar nieuwe mondaine plichtjes, met al
-de tallooze bezigheidjes die haar omgeving van haar eischte en alles
-rondom haar was zoo vol suggesties, dat het van zelf spreekt, dat jonge
-meisjes niets doen dan zich amuseeren. En wat was dat toch ook
-eigenlijk voor werk dat zij had willen doen? Niemand had haar noodig en
-zij voelde geen enkele roeping in zich. Waarom zou zij zich maar niet
-amuseeren net als al de andere meisjes. Later kon zij altijd nog zien
-wat ze zou aanvangen, er zou zich wel eens iets voordoen, waarin ze
-zich nuttig kon maken! Later zou ze wel werk vinden.... Later....!
-
-Het was het „Later” dat zooveel energie heeft in slaap gesust en
-zooveel werkkracht verlamd.
-
-Toch had zij er een paar maal ernstig met haar tante en de nichtjes
-over gesproken. Er was trouw in haar karakter en de voornemens te
-Suylenburg waren te eerlijk geweest om ze dadelijk in de bekoring van
-haar nieuw leven te willen opgeven. Maar ze was overal uitgelachen.
-Eugénie’s vlijmende spot was als een ijswind snerpend over haar heen
-gegaan, telkens als zij van „nuttig zijn” heel aarzelend had gesproken,
-en Corry had fou rires gekregen en had haar burgerlijk gevonden. „Zoo’n
-idée van iets te willen doen, dat was goed voor meisjes zonder geld.”
-En mevrouw van Starren had eindelijk ernstig gezegd: „Er werd
-tegenwoordig al zooveel voor ’t volk gedaan, eigenlijk veel te veel;
-het werd maar ontevreden als men er zooveel notitie van nam! Zij vond
-dat iedereen in zijn eigen kring moest blijven. Waar moest het heen als
-alle meisjes van naam en fortuin diacones of wijkverpleegster wilden
-worden! Er was zoo’n ziekelijke overdrijving tegenwoordig onder de
-menschen, en daardoor kwam juist alles in de war. In haar jeugd dweepte
-niemand uit haar kring met volksbelangen en nuttig zijn en toen was het
-een boel rustiger in de wereld. En waarom zou Hilda nu ook heel anders
-willen doen dan al de meisjes die ze kende? Dat was allemaal
-excentriciteit, aanstellerij. Ze moest liever dankbaar zijn dat ze nu
-in de gelegenheid was om zoo prettig in de beste kringen uit te gaan,
-en ze moest zich niet verbeelden dat zij beter was dan al die andere
-meisjes die zich gewoon amuseerden. Dat was gevaarlijke pedanterie!”
-
-En na dit onderhoud, had Hilda niet meer over werken gesproken, er
-nauwelijks meer aan gedacht. De stroom van winteramusementen had haar
-meegesleurd in zijn glanzende vaart. Dagen, weken volgden elkaar op,
-niets achterlatend in haar geest dan een warreling van muziek en
-gelach, witdamastgeschitter tusschen bonte bloemen, flitsjes van
-diamanten en goudborduursels en witte dassen en ruischende kleurige
-vrouwenkleeren en zoet streelende woorden en alleen heel diep
-daarachter, haast onzichtbaar van vaagheid, een achtergrond van
-onbevrediging.
-
-In het begin had zij niet veel succes gehad. De echte conversatietoon
-was haar wat vreemd en moeilijk geweest en telkens was ze in uitersten
-vervallen, nu eens onbeduidend door banaliteit, dan weer door veel te
-zware onderwerpen wat al te diepzinnig schijnend. Maar ze had zich haar
-eerste nederlaagjes al heel weinig aangetrokken. Gewend sinds jaren, op
-haar reizen, om veel om zich heen objectief te beschouwen, en zooveel
-moois of leelijks, treurigs of vermakelijks in de menschenwereld gade
-te slaan, met de rustige belangstelling van den toeschouwer, die zelf
-in het drama geen rol heeft te vervullen, had zij ook nu haar nieuwe
-omgeving in kalme passiviteit bestudeerd. Alles had voor haar de volle
-bekoring van het nieuwe, maar in haar denken was zij geen bakvischje
-meer, voor wie een dans, een bouquet, een souper levenskwesties zijn.
-De aanvankelijke koelheid van haar cavaliers had haar weinig
-geïmpressioneerd; in vroolijke nieuwsgierigheid had ze haar nieuwe
-wereld bekeken.
-
-En toen was het langzaam gekomen, het succes, en ze was jong en ijdel
-genoeg om er zich vol aan over te geven. Sommigen vonden haar nog wat
-gereserveerd en koud in het luchtig abandon der groote wereld, sommigen
-„een beetje docte”, wat al te geleerd, maar langzamerhand toch hadden
-de meesten de charme gevoeld harer jonge mooie verschijning. En ze
-genoot er van, hoe langer hoe meer, toen ze zich omstreeld voelde door
-bewondering, en een groot verlangen, een passie om te schitteren kwam
-bedwelmend soms over haar.
-
-Eerst was zij zachtjes voortgegleden op de goud glanzende zee, lachend
-meedeinend op de dansende golfjes, toen had ze, zonder bijna te
-beseffen hoe sterk het haar verblindde, fascineerde, naar het roer
-gegrepen, en gestuurd dáar naar de open zee waar het fonkelde van
-diamanten. En toch soms waren er oogenblikken dat zij haar vaart reeds
-vertraagde, vermoedend dat de schitterglans slechts spel der
-zonnestralen was waaronder gevaarlijk en koud donkere diepten scholen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-„Kom meisjes,” riep mevrouw van Starren, „het is hoog tijd dat jullie
-je gaat kleeden. Hilda, ik zou m’n groene zijdje maar aandoen, dunkt
-me, Corry en Eus kunnen dan haar rosetjes aantrekken.”
-
-Zij verwachtten dien middag verscheidene gasten, en op die eigenaardig
-langzame manier van menschen die veel tijd hebben, hadden de drie
-meisjes den ganschen middag doorgebracht met het schikken van bonbons
-op schaaltjes en het klaarmaken van bloemen voor de tafel.
-
-Hilda knikte toestemmend. Zij gehoorzaamde altijd volkomen gedwee als
-haar dergelijke dingen gezegd werden. Wat kon het haar schelen of zij
-rose of groen aan had? Maar in den naklank van haar tantes woorden
-trilde op eens iets dat haar onaangenaam aandeed, alsof er een diepere
-bedoeling in lag. Vrouwen zijn sterk in het opmerken van zulke nuancen
-in stem en toon. In de samenleving is het misschien wel hare grootste
-macht, dit zeer subtiele opmerken, dat aangevuld door intuïtie,
-dikwijls de geheimste drijfveeren voor haar bloot legt.
-
-Bij het opgaan van de trap trachtte Hilda den bijna onmerkbaren
-wanklank te ontleden en zich iets te herinneren wat betrekking kon
-hebben op groen of rose of japonnetjes, en toen zij boven was lichtte
-het even in haar op dat een paar dagen geleden de jonge von Görtzen,
-het rijke Duitsche diplomaatje haar had gezegd dat rose de mooiste
-kleur van de wereld was en een vrouw er nooit „aanbiddelijker” uitzag
-dan in rose zijde.
-
-Hilda had toen even geglimlacht, want zij droeg rose zijde en ’t
-compliment was te duidelijk en te flauw om er op in te gaan. Maar toen,
-ja zeker, toen zij opkeek, vlak bij hen stond hare tante met een
-kleinen rimpel tusschen de oogen. Zij glimlachte wel, maar toch.....
-ja, zeker, zoo was het, en von Görtzen was geïnviteerd vandaag en
-dus.... en zat niet Corry naast hem?
-
-Toen Hilda haar kamerdeur opende, wist zij wat niemand in haar omgeving
-nog vermoedde, dat mevrouw van Starren von Görtzen voor Corry bestemd
-had en dat zij zelve wijs zou doen met zich zeer op den achtergrond te
-houden.
-
-Een oogenblik amuseerde haar de ontdekking en midden in de kamer bleef
-ze even staan om zich beter rekenschap er van te geven; maar toen kwam
-weer dat gevoel van verwondering en ergernis dat haar, in haar
-onnoozelheid, de laatste maanden telkens had bekropen. Werd niet Corry
-sinds een half jaar het hof gemaakt door Rooselaar? en was het niet
-duidelijk te zien hoe haar behaagzuchtige oogjes bijzonder straalden en
-lachten, als de knappe jonge advocaat zich tot haar over boog. Waarom
-dan von Görtzen? Von Görtzen was Freiherr en .... rijk, en Rooselaar
-had niet veel meer dan zijn hooge voorhoofd met de schrandere gedachten
-daarachter om zijn toekomst te maken. Maar wat beteekende dat alles?
-Was hare tante dan niets meer dan zoo’n armzalig type uit de Fliegende
-Blätter, dat droomt van rijke adelijke schoonzoons? En waarom dan
-hadden zij Rooselaar aangemoedigd al dien tijd? Was het dan ook van
-Corry maar een spel geweest?
-
-Hilda hield veel van Rooselaar. Door zijn duidelijk werk maken van
-Corry was zijn omgang met haar zoo prettig sans conséquence geweest,
-hij was één van de weinigen waarmee zij gezellig kon praten, ook over
-ernstige dingen.
-
-Hij was niet gevraagd vanmiddag, ofschoon het een intiem dinertje was
-en hij daar haast nooit bij ontbrak. Arme jongen! Zou zijn vonnis
-geveld zijn? En eergisteren was Corry toch nog zoo lief tegen hem
-geweest? Bah, het was om wee van te worden! maar vanavond zou ze alles
-nauwkeurig gade slaan om er achter te komen wat Corry in haar schild
-voerde. Maar waarom moesten dan toch ook altijd zulke ernstige, flinke
-mannen als Rooselaar verliefd worden op hartelooze speelpopjes als
-Corry? Wat was dat toch voor een wreed mysterie dat telkens en telkens
-weer een paar krulletjes of een aardig figuurtje, zelfs de zeer
-intelligenten onder betoovering konden brengen? Waarom waren de mannen
-dan toch ook zoo naïef om maar dadelijk te gelooven, en altijd weer op
-nieuw, dat een lief omhulseltje ook een mooie ziel moet bevatten.
-
-Loom en lusteloos begon zij de spelden uit heur haar te trekken, dat
-met een zware golf neerviel en diep neerrolde over haar kleed. Zij
-voelde zich in eens vreeselijk ontstemd, en mat trok ze de kam door het
-zijden blond, tot ze zich eindelijk schuin neerzette op den arm van een
-leuningstoel bij het vuur en daar roerloos zitten bleef.
-
-„Och Hilda, kijk es even, jij kunt zoo goed naaien, en Lisette is bezig
-mama te kappen, wat moet ik doen? die heele kant is losgegaan en ik
-weet niet hoe het weer zoo netjes te krijgen als het was.”
-
-Eugénie stond in de deur, half smeekend het getornde lijfje omhoog
-houdend. Wat was zij toch mager en hoe oud al voor haar acht en twintig
-jaren, nu de ongebrande ponnyharen haar sluik in de oogen vielen en
-onder het opzijde gebogen hoofdje de halsspieren zoo scherp naar voren
-streepten. En die magere armpjes met de knoestige rood gevlekte
-ellebogen! Als zij straks haar lijfje aan zou hebben met de volle
-kanten zou ze er wel beter uitzien, maar toch, waarom of Eugénie niet
-liever hooge japonnen droeg?
-
-Hilda zette zich neer om vlug de ramp te herstellen, maar iets van haar
-laatste gedachte zeggen, durfde zij niet. Zij was al zoo dikwijls door
-de nichtjes om haar afkeer van decolleteeren uitgelachen.
-
-Een poosje stil voortnaaien volgde. Eugénie zat op den grooten koffer
-met boeken in den hoek bij het vuur, met nu en dan een lichte huivering
-in kleine schokjes over haar bloote schouders kruipend.
-
-„Zeg Hilda, die boeken had je ook niet hoeven mee te brengen, ik geloof
-dat je den koffer niet eenmaal hebt open gehad,” zeide zij met den hak
-van haar verlakte schoentje even tegen de kist schoppend.
-
-„Nee,” zeide Hilda, even opziende, strak in de lamp, met een vreemd
-verlangen in haar blik. „Nee, er is nooit tijd voor geweest, maar soms
-zou ik toch wel graag weer wat werken en lezen. Zooals ik nou leef, is
-er nooit tijd om tot je zelf te komen, nooit om je eigen weer te vinden
-tusschen al die indrukken van buiten, die al maar door op je
-aanstormen. Ik heb soms een gevoel alsof m’n ziel in duizend stukjes
-verbrokkeld is, waar tusschenin zich allerlei vreemde brokjes voegen,
-die er niet in hooren en me pijn doen.”
-
-„Hé, wat is dat nou weer voor ’n malle vergelijking, je ziel in
-brokjes, wil ik je op je verjaardag soms een lijmpotje geven?”
-
-„Nee, heusch, ik meen het, zoo’n soort gevoel heb ik dikwijls
-tegenwoordig. In het begin natuurlijk niet, toen vond ik alles zoo
-amusant, zoo nieuw, maar o het lijkt me nou eigenlijk zoo.... leeg, al
-die afwisseling, die op ’t eind toch eentonig is, en al die drukte, die
-geen inspanning en geen uitspanning is....”
-
-„Ik begrijp niet dat je zoo spreekt, nou dat je eigenlijk pas goed
-bekend bent met de menschen en de toestanden en.... dat je meer succès
-krijgt....”, verlegen hield Eugénie op, zij wist niet of Hilda die
-toespeling op haar weinig succès in het begin ook hatelijk zou vinden.
-
-Maar Hilda naaide rustig voort en Eugénie begon weer betoogend:
-„Eergisteren heb je nog den heelen avond gedanst en je had het mooiste
-bouquet van ons drieën. Ik begrijp je niet, in het begin hadt je overal
-plezier in, en toen had ik toch dikwijls medelijden met je, en nu je
-gefêteerd wordt, ben je.... of komen je ouwe nuttigheidstheorieën weer
-boven?”
-
-„Eugénie geloof je dan heusch dat succès tevreden en.... gelukkig kan
-maken?”
-
-Eugénie lachte haar bleek lachje van desillusie. „Wat vat je ’t altijd
-zwaar op! wie spreekt nou van geluk? Maar we gaan nou eenmaal uit om
-ons te amuseeren, niet waar? Zonder succès amuseeren we ons niet, en
-dus is succès ons grootste streven. En als wij dat bereikt hebben
-kunnen we tevreden zijn, dat is logisch dunkt me.”
-
-„Ja,” zeide Hilda zacht, „wij gaan uit om ons te amuseeren, maar zou
-amuseeren wel de bedoeling van ons leven zijn?” en toen met
-onweerstaanbare behoefte aan expansie: „zeg es eerlijk, Eus, van je
-achttiende tot je achtentwintigste ben je uitgegaan, heb je je heusch
-al dien tijd geamuseerd?”
-
-Maar Eugénie was niet in een confidentieele stemming.
-
-„Wel natuurlijk!” zeide zij met onrustige bewegingen aan haar
-rokborduursels plukkend. „Maar wat bezielt je toch vanavond? Heb je bij
-mevrouw Cranz een preek gehad over waereldsche wuftheid, of voel je
-weer je hoogdravende roeping in je opkomen om non of pleegzuster of zoo
-iets te worden en mij ook te bekeeren?”
-
-Als Eugénie in haar kouden spottoon verviel, was het Hilda alsof er
-zich een ijsmuur tusschen haar optrok. Ver en vreemd voelde ze zich in
-eens tegenover haar staan.
-
-„Ziezoo het is klaar,” zeide zij, de kant nog even luchtigjes schikkend
-met de streelende, vlugge vingertoppen, „trek het nou maar gauw aan,
-want het is al laat geworden; Corry is geloof ik al naar beneden.”
-
-En in groote haast voltooiden zij haar toilet.
-
-Maar Hilda, toen zij voor den spiegel stond om een paar natuurlijke
-rozen aan het uitgesneden corsage vast te hechten, en ze zag hoe mooi
-de fluweelig zijden rozenknopjes langs haar blooten hals schenen op te
-klimmen, hoe goed haar het groene kleedje stond met niets dan die mat
-rose bloemen, glimlachte onder de bekoring van haar eigen beeld. De
-ontstemming van zooeven, trok zachtjes weer weg naar de geheimzinnige
-diepten waaruit zij was opgestegen en legde zich weer te sluimeren.
-
-Half neuriënd holde zij de trappen af, en toen de eerste gast werd
-aangediend stond ze tusschen haar nichtjes in, alle drie lief
-poseerend, en onwillekeurig glimlachte zij tegen haar eigen kopje, toen
-zij het toevallig in den spiegel ontmoette. De glansnevel was weer over
-haar gekomen en zij voelde zich zelf en haar nichtjes, zooals zij er op
-dit oogenblik, in de teere schakeeringen van haar bloemkleurige
-kleedjes ook uitzagen, als een groepje van kostbare bloemen, voor
-salongefonkel geschapen.
-
-Het was een gezellig dinertje. Het winterseizoen begon op zijn einde te
-loopen en in de kleine afgesloten kringen der groote wereld kende men
-elkaar betrekkelijk goed na zoo’n „wintercampagne”, en heerschten de
-conversaties met groot abandon, nog geaccentueerd door gewilde ruwheid
-van enkelen. Corry zat druk met haar diplomaatje te spreken en zag er
-met het verhoogde kleurtje meer dan ooit snoezig uit; ook Hilda was
-vroolijk, bijna uitgelaten. De reactie van haar ontstemming deed zich
-gelden. In het oppervlakkige wereldleven dat van de vrouw onophoudelijk
-een glimlach vergt, terwijl zij over alle onderwerpen licht schertsend
-heenglijdt, begon haar gezond zenuwgestel te lijden en zachtjes aan
-kreeg zij die afwisselende stemmingen van opwinding en
-neerslachtigheid, waaraan maar zoo weinigen in haar omgeving wisten te
-ontkomen.
-
-„Van Gaefden ga je morgen ochtend mee paardrijden,” zeide Eugénie over
-de tafel heen tot Hilda’s buurman, een lange jongen met blonde
-bakkebaardjes en een mooi, onbeduidend gezicht. Hij was juist
-geëngageerd met Eugénie’s beste vriendin, freule Valérie Vermaezen, het
-prachtige roodblonde meisje naast hem, en als zoodanig werd hij nu
-getutoyeerd.
-
-„Het spijt mij zeer, freule,” riep hij terug, „maar morgen moet ik naar
-de Hoek van Holland om Cranz af te halen, die uit Engeland komt. Het
-was vroeger een van mijn beste vrienden en wij hebben elkaar nu in geen
-jaren gezien. Telkens als hij met verlof kwam was ik hier of daar op
-reis, en nou ik toevallig bij zijn moeder hoorde, dat zij hem morgen
-terug verwacht, wil ik hem graag tegemoet gaan.”
-
-„Is dat een zoon van de ouwe mevrouw Cranz van Rozenhagen?” vroeg
-Hilda.
-
-„Ja, juist, freule, Bernard Cranz van Rozenhagen, ’n beste kerel. Hij
-is nou secretaris bij de legatie te Londen.”
-
-„Wat zal de ouwe mevrouw in den zevenden hemel zijn dat haar afgod,
-haar lieve Bernardje thuis komt,” zeide Eugénie, met haar sarcastischen
-lach.
-
-„Hoe gaat het met je broer en wanneer komt ie terug uit het Zuiden?”
-vroeg Valérie.
-
-„Edward! O, die komt in het begin van Mei, de volgende maand. De dokter
-wil niet dat ie vroeger thuis komt,” zeide Eugénie onverschillig, maar
-toen in eens levendig, met schuwen blik naar het andere einde van de
-tafel, waar een fijn blond vrouwtje rustig met haar vader zat te
-praten: „Zeg Valérie,” zeide zij gedempt, „ga je de volgende week ook
-naar Gladys van Praege?”
-
-Freule Vermaezen knikte en glimlachte heel neerbuigend, en ook zij zag
-even naar het fijne blonde profiel aan het andere einde. „Och ja, we
-hebben maar aangenomen, laatst zijn we er ook geweest, ik vind er niets
-in, en iedereen gaat er nou toch ook weer heen. En jullie?”
-
-„Wij gaan ook!”
-
-„Vindt je haar geen lief vrouwtje?” zeide Hilda zich voorbij van
-Gaefden buigend tot Valérie. „Ik vind het zoo’n innig sympathiek
-gezichtje.”
-
-„Welzeker,” zeide van Gaefden goedig, toen zijn mooie verloofde alleen
-antwoordde met eene kleine schouderbeweging van onverschilligheid. „Een
-heel aardig vrouwtje, en lang niet leelijk, en dat moet ik zeggen goeie
-wijn hebben ze er, uitstekende wijnen.” En toen vertrouwelijk ging hij
-zachtjes voort: „En wezenlijk het zijn aardige menschen, maar zij is
-een Amerikaansche, en zoo’n vreemd vrouwtje, natuurlijk van geen
-familie, is eerst nog al koeltjes ontvangen en toen hebben ze een paar
-onmogelijke flaters gemaakt met hun invitaties, zoodat een heele boel
-lui, hun toen een tijdlang niet hebben willen zien. Maar dat is nou al
-weer een poos geleden, ze zijn nou heelemaal gelanceerd en iedereen
-komt er nu ook aan huis. Kent u haar?”
-
-„Heel weinig, ik heb haar maar een paar maal op haar ontvangdag
-gesproken, want bijna den geheelen winter is zij niet wel geweest en
-kwam ze nergens.”
-
-„Ik houd het er voor,” zei Valérie, „dat het maar een pretext was, haar
-gezondheid, want elken dag ’s morgens zag ik haar langs komen met haar
-oudste kindje, dat mooie meisje. Maar ik heb van verscheiden kanten
-gehoord dat ze niets houdt van uitgaan, en in haar hart, door en door
-burgerlijk, maar stil ’s avonds thuis zou willen zitten bij de wieg.”
-
-„Nou, dan heeft ze het getroffen met haar man!” lachte Van Gaefden, „ik
-geloof dat hij onmogelijk een avond thuis zou kunnen blijven. Een echte
-doordraaier die Praeg! ze vertellen dat-ie zijn boeltje er mooi aan ’t
-doorbrengen is.”
-
-„Nou, ik mag hem toch wel”, zeide Valérie fluisterend, „hij kan
-verbazend geestig zijn, je amuseert je altijd dol met hem.”
-
-„Hè nee, dat vind ik volstrekt niet,” protesteerde Hilda.
-
-„Het eenige is,” ging Valérie door, „dat al doen ze nou ook zulke
-flaters niet meer als in het begin, ze toch altijd nog allerlei
-menschen samen vragen, die elkaar anders nooit ontmoeten. Nergens zie
-je zoo’n gemêleerd gezelschap als bij hen.”
-
-„Dat kan geen kwaad voor ’n keer, ik mag dat zoo wel es, en die je niet
-aanstaan ignoreer je eenvoudig,” zei Van Gaefden, vol zelfbehagen om
-zijn liberale opvattingen.
-
-„Ja, dat kan wel eens aardig zijn,” zeide Hilda peinzend, de lange
-tafel overziende waar al die welbekende gezichten haar in eens met
-onuitstaanbare verveling vervulden. Even bleef haar blik aandachtig op
-het Amerikaansche vrouwtje rusten; wat een charme van distinctie lag er
-in dat fijne, wat al te magere kopje, zoo als het zich zwakjes wiegde
-boven den hoogen boord van het zwarte fluweelen kleed. Toen zag zij
-daar schuin tegenover naar van Praege, zij had het al zoo dikwijls
-gezien het vale teint, de donkere, ingezonken oogen, dat sluike, diep
-op het lage voorhoofd geplakte haar, het dunne kneveltje, dat maar even
-schaduwde boven de dikke, sensueele lippen, maar vandaag leek hij haar
-nog antipathieker dan vroeger. En toch vonden verscheiden dames hem
-knap! Hij was druk in gesprek met Ottilie van Heemeren „het mooiste
-vrouwtje van den Haag,” waarvan den laatsten tijd veel vreemde dingen
-werden gefluisterd. Het scheen wel grappig te zijn, wat hij haar nu
-juist vertelde, want beiden lachten, lachten lang en zenuwachtig en
-zagen elkaar dan weer aan, en lachten weer, tot eindelijk mevrouw van
-Heemeren zich achterover in haar stoel wierp en van Praege zich diep
-tot haar overboog, en zij in eens weer bedaard werden toen zij
-bemerkten dat men naar hen keek. Het is vreemd, maar als heeren als van
-Praege en vrouwtjes als Ottilie naast elkaar zitten, wordt er altijd
-zoo gelachen. Daar is een kleine demon van onrein lachen, die gewekt
-wordt door hun contact.
-
-Het diner liep vlug ten einde. Corry en haar jonge Freiherr zaten nu
-vertrouwelijk te praten, zij met dien diepen kinderblik tot hem
-opgeheven, die Rooselaar zoo dikwijls naast haar had doen sidderen van
-ontroering.
-
-Eugénie, tusschen twee uniformen, koketteerde en lachte, het tengere
-lichaam één zenuwtrilling, en Hilda zich opwindend tot haar vroolijkste
-stemming trachtte zich erg te amuseeren, maar vanavond lukte het toch
-eigenlijk maar half.
-
-Na het eten, toen de dames alleen in den salon gelaten waren en zich
-vertrouwelijke groepjes vormden, ging Hilda naar Gladys van Praege, het
-banale salonwoord op de lippen, maar in haar gezichtje een warmere
-uitdrukking van sympathie.
-
-„Wat ben ik blij, dat ik de volgende week gebruik kan maken van uw
-allerliefste invitatie.”
-
-„O, ja, het doet ons ook zoo’n genoegen dat u zoo vriendelijk wilt zijn
-om te komen”......
-
-Toen zwegen beiden, in eens niet wetend hoe verder te gaan.
-
-Het hinderde Hilda, nu zij zich aangetrokken voelde tot dit jonge
-vrouwtje, die ijsmuur van banaliteiten tusschen haar te voelen, en zij
-ging voort, aarzelend omdat ze in eens bang was dat Gladys haar woorden
-zou opvatten als een van die gedachteloos uitgesproken complimentjes,
-die men tegen alle jonge moeders zegt: „Ik ben verleden uw dochtertje
-tegengekomen, wat is het een prachtig mooi kindje! Laat u haar elken
-dag uitgaan?”
-
-„O, ja,” zeide Gladys, in eens kwam er leven in het bleeke gezichtje,
-want zij had verstaan dat Hilda iets anders dan banale
-beleefdheidszinnetjes meende. „Het doet haar zoo’n goed om veel in de
-lucht te komen. Houdt u van kinderen?”
-
-„Heel veel! Mag ik misschien uw zoontje ook es komen zien?”
-
-„O! ja, doet u dat! dat vind ik lief van u!” zeide Gladys snel, en zij
-zagen elkaar aan en glimlachten en praatten nu verder, beiden met een
-blij gevoel van sympathie dat warmte gaf aan ’t koude woord van nieuwe
-kennismaking.
-
-De meeste dames waren langzamerhand gaan zitten, de groote kamer
-vullend met kleine groepjes van mollige fluweelplooiing, satijngeglans
-van blanke schouders, en weerschijntjes van zijde onder kantgewaas.
-Zachtjes, bekoorlijk als van intimiteit, gonsden de gesprekken, van
-tijd tot tijd door een jonge stemmeklank, of een hoog lachje verbroken.
-Het waren deze tafereeltjes van licht, van elegante voorname
-gezelligheid, die Hilda in het begin zoo sterk hadden gefascineerd;
-maar den laatsten tijd begon zij ze met andere oogen te bekijken. Nu
-haar blik aan de schittering gewend raakte en door begon te dringen
-door de glanzende oppervlakte, ging er veel van de eerste bekoring
-verloren.
-
-Bij den haard, het vlammenlicht geel optintend langs haar zeegroen
-fluweelen kleed, stond Ottilie van Heemeren, trotsch het prachtige,
-half naakte bovenlijf oplichtend uit het boordsel van zwanendons dat
-als eenig garneersel haar lijfje omgaf. Zij had het teint der
-blondines, zoodat het dons met zachtgroen fluweel, haar volmaakt goed
-stond, maar heur haar was zwart kroezig, en de donkere wimpers,
-omsluierend de lichtblauwe oogen gaven haar iets vreemds, iets
-sfinxachtigs dat nog sterker boeide dan hare schoonheid. Er werd
-verteld dat zij zich verfde, en men haar als kind vuurrood had gekend,
-maar zij was zoo lang te Parijs op kostschool geweest en toen zij
-terugkwam was zij zoo als nu, de wereld in het onzekere latend of men
-met een artistieke gril van de natuur, of met groote kapperskunst te
-doen had.
-
-Corry stond naast haar, al haar snoezigheid in ’t niet verzinkend naast
-Ottilie’s exotische schoonheid.
-
-„Corry, stout kind,” zei ze plagend „waarom kom je nooit meer es rustig
-bij me praten? Je komt alleen maar op m’n jour, en dan hebben we zoo
-niets aan elkaar! ’s Middags van twee tot vier ben ik altijd thuis,
-want de dokter heeft mij voorgeschreven om elken middag te rusten, en
-dus lig ik zoet een paar uur lang op mijn rustbank. Kom me dan eens
-zien, en breng je nichtje mee. Ze trekt me erg aan, al heeft ze me ook
-straks, toen de heeren nog binnen waren, in het bijzijn van van Brehnen
-zoo vreeselijk uit de hoogte terecht gezet, dat ik het niet gauw aan
-een ander zou vergeven.”
-
-„Wezenlijk? Wat heeft ze dan wel gezegd?” vroeg Corry nieuwsgierig, met
-een tikje leedvermaak.
-
-Corry en Ottilie waren van denzelfden leeftijd, en zoogenaamd groote
-vriendinnen, maar in den grond konden zij elkander niet uitstaan. Corry
-was jaloersch op Ottilie’s veel grootere intelligentie en gaven en
-schoonheid, en op haar positie als getrouwde vrouw, en Ottilie zag neer
-op „het onbeduidende kind.”
-
-„Ja, dat zou je nou wel es willen weten, liefje, maar het waren een
-paar hatelijkheden zoo netjes ingewikkeld dat ik er niets op antwoorden
-kon, en ze toch best moest snappen. Het is een bijdehandje, dat nichtje
-van je, maar als ik het je nu over ging vertellen, zou je het fijne
-misschien niet eens begrijpen.”
-
-„Als je denkt dat ik zoo dom ben, zal ik maar aan Hilda zeggen dat ze
-alleen naar je toe moet gaan, dan zul je mij liever niet zien,” zei
-Corry geraakt.
-
-Maar Ottilie, wie het juist om Hilda te doen was, lachte haar
-ondoordringbaar raadsellachje. „Nee zeker, jij moet ook mee komen!
-anders zou ik ’t me erg aantrekken! Dus een van de volgende dagen, niet
-waar?”
-
-Toen wendde zij zich om, Corry alleen latend; de heeren waren weer
-binnen gekomen voor de thee, en als er heeren waren om mee te praten,
-sprak Ottilie nooit met dames.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Den volgenden morgen, toen Hilda ontwaakte, stroomde een weelde van
-zonnestralen haar kamer binnen, met al de vroolijkheid van
-lentezonneschijn. Er zat levensmoed en lachlust in dat morgenlicht en
-het stukje blauwe hemel met dunne waterige wolkdonsjes, dat zij van uit
-haar bed kon zien. Een oogenblik lag zij dommelig genietend van al dat
-instroomende licht, toen kwam weer het bewustzijn van iets onaangenaams
-in haar op. Wat was het ook weer? O, ja die arme Rooselaar! Er was geen
-twijfel aan, Corry had hem verraden voor den Duitschen baron met zijn
-geld en „Rittergut.” „Arme jongen! Ik geloof dat hij zoo zielsveel van
-haar houdt! Quelle pitié!”
-
-Maar toen zij weer opzag naar het kleine stukje lucht, dat in de
-vierkante lijst van het raam, in zijn stralende blauwheid onverschillig
-voortlachte, lachte zij zelve mee.
-
-„Eugénie heeft gelijk, ik neem ook alles veel te zwaar op. Wel, Corry
-met haar snoezigheid en gratie en lieve lachjes beantwoordt heelemaal
-aan ’t vrouwenideaal van de meeste heeren. Laten zij dan ook maar eens
-ondervinden wat zulke ideaaltjes hun te dragen geven! Het ergste is
-alleen dat als zij tot de ontdekking van hun vergissing komen, zij de
-heele vrouwenwereld de schuld geven van hun eigen domheid en de
-valschheid van zoo’n mooi klein nest.”
-
-„Freule”, zei een stem achter de deur, „daar is een briefje van mevrouw
-Cranz, de knecht heeft het net gebracht, wil ik het u hier geven of
-.....
-
-„Kom maar binnen, Lisette, ik wil het graag dadelijk lezen,” riep
-Hilda, en blij, ze was altijd blij als er iets van de oude dame kwam,
-opende ze het couvert.
-
-
-Lieve!
-
-Kunt gij vanmiddag even aankomen tegen drie uur? Ik heb weer een paar
-arme vrouwtjes die ik naaiwerk zal geven. Wilt gij het komen
-klaarmaken? Gij ziet uwe goedheid en hulpvaardigheid maken mij
-veeleischend! Maar het is zulk een vreugde u bij mij te zien, mijn
-kind, dat ik niet kan nalaten uw geduld telkens op de proef te stellen,
-om te zien hoe lang gij het zult volhouden om toe te geven aan het
-egoïsme eener oude vrouw.
-
-Uwe u liefhebbende U. Cranz van Rozenhagen.
-
-
-Het waren feestbodes, deze korte briefjes, met hun ouderwetsch deftigen
-stijl en vriendelijke zinnetjes uit een vroeger tijdperk, toen
-beleefdheid nog voor een deugd gold, en met het prettige vooruitzicht
-dien middag weer eens gezellig te kunnen praten, zoo als zij het met
-niemand anders doen kon, begon Hilda opgewekt haar toilet.
-
-En tegenwoordig kwamen er telkens van die episteltjes, want schertsend
-had de oude mevrouw haar tot haar armenverzorgster aangesteld, en hoe
-langer hoe meer begon zij haar van die kleine plichtjes op te dragen,
-die zij vroeger zoo gaarne zelf volbracht, maar nu overgaf,
-gedeeltelijk omdat zij zich inderdaad te zwak en te oud begon te voelen
-en gedeeltelijk omdat zij het jonge meisje in deze kleine liefdewerkjes
-een tegenwicht wilde geven tegen haar wufte omgeving.
-
-Toen Hilda klaar was, en ze was altijd vlug klaar, omdat hare werkzame
-jeugd haar nooit het treuzelen geleerd had van vrouwen, wie een lange
-leege dag wacht, klopte zij zachtjes aan de slaapkamerdeur van haar
-nichtjes.
-
-Eugénie lag nog te bed. Het bleeke gezichtje met de paarsige, vermoeide
-oogleden half gesloten, lag diep in de kussens gezonken, één mager
-handje hing slap en bleek neer als van een doode, nog witter schijnend
-in de borduursels van haar nachtkleed. Een leeg champagneglas stond
-voor haar bed. Zij deed dat tegenwoordig heel dikwijls: zoo’n slokje
-champagne ’s morgens wekte haar zoo op. Corry lag half gekleed op de
-sofa te lezen, het laatste boek van Albert Coppet, een fransche
-romancier die den laatsten tijd veel opgang had gemaakt en vooral dat
-jaar druk in de Haagsche dameswereld werd gelezen. Hilda kende het boek
-en eerlijk gezegd, zij had het leelijk gevonden.
-
-„Waarom lees je niet liever het boek van die Amerikaansche schrijfster,
-dat Rooselaar ons geleend heeft?” zeide zij. „Het is heusch heel
-aardig. Er is een heel merkwaardige karakterstudie in van een jong
-meisje dat in Californië eerst in een farm dient en later in Boston
-komt en redactrice van een politiek blad wordt. Een curieus verhaal en
-heel goed geschreven.”
-
-„Zoo, is het aardig,” zei Corry. „Eus had het ingekeken en dacht dat
-het nog al erg braaf en zoet was, vreeselijk braaf, zie je, met niets
-pikants er in, en daar hou ik juist zoo van.”
-
-„Nee, het is heel aardig, maar van die prikkelingen, zooals Coppet ze
-geeft, komen er niet in,” zeide Hilda ongeduldig. „Maar klee je nou
-gauw aan, dan kunnen we samen ontbijten.”
-
-„O! Foei, moet ik nou al weer uitscheiden! ik was pas begonnen!”
-zuchtte Corry, het sierlijke lichaampje lang achterover op de sofa
-uitrekkend. „Hoe laat is het eigenlijk? Half tien? ja, dan moet ik wel
-voortmaken, want ik wou nog even een kantje zetten om de antimacassar
-van tante Charlotte, en om elf uur komt Betty de Mureaux quatremains
-spelen. O! O! wat een drukte toch altijd en eeuwig! Maar zeg, Hilda, ga
-je mee vanmiddag om drie uur naar Ottilie van Heemeren?”
-
-„Nee, liever een anderen dag, ik wou vanmiddag even bij mevrouw Cranz
-gaan.”
-
-Eugénie, die nog niet gesproken had dan een mat: „goeie morgen”, liet
-in eens de nasale klankjes van haar spotlachje hooren. „Ga je ’t lieve
-zoontje begroeten?”
-
-„Hé, Eus, hoe kun je nou zoo flauw zijn? Wie denkt daar nou aan?”
-
-Maar Corry met een leelijk verwringen van spijtigheid in haar mooie
-gezichtje, draaide zich om en zeide heftig: „Natuurlijk denk je daar
-aan! Dacht je dat we zoo dom waren om je slimmigheid niet te begrijpen?
-Tous mes compliments, mademoiselle! Wel zeker, ga gerust je gang.
-Schijnheilig freuletje! Dat komt met een preutsch gezichtje over Coppet
-spreken en dat loopt zoo gauw als zij maar kan, naar mevrouw Cranz om
-haar lieven zoon in te palmen! Je wou ons allemaal vóór zijn, nietwaar,
-om indruk op hem te maken. Nou begrijp ik ook waarom je mevrouw zoo het
-hof hebt gemaakt!”
-
-„Corry, hoe kun je toch zoo iets verzinnen? Hoe kom je er bij? Ik heb
-heelemaal niet aan dien zoon gedacht, ik wou maar even ....”
-
-Weer lachte Eugénie van uit haar bed, en Corry lachte nu ook met de
-sarrende rouladetjes, waar vrouwen zoo wreed mee kunnen kwetsen.
-
-„O, natuurlijk niet! je was het heelemaal vergeten dat hij thuis kwam
-vandaag! en je wist ook niet dat Bernard Cranz een prachtige partij zou
-zijn.”
-
-„Nee,” zei Hilda. Corry met haar groote reine oogen strak aanziende,
-„daar heb ik nooit, nooit over gedacht. Maar mevrouw Cranz heeft me een
-briefje geschreven of ik komen wou vanmiddag, en ik zal gaan.”
-
-„Waar is dat briefje? Wanneer is dat gekomen?” riepen de beide meisjes
-door elkaar.
-
-Hilda had het in den zak, en een oogenblik maakte zij de beweging om
-het voor den dag te halen, maar toen voelde zij in eens de vijandigheid
-die uit het spotgelach naklonk en langzaam, zonder iets te zeggen, ging
-zij de kamer uit.
-
-„Zeker is het vannacht om twaalf uur door een kaboutertje gebracht!”
-riep Corry haar nog na, en weer lachten zij het scherp snijdend gelach
-van booze, jaloersche meisjes, waar bovenuit Eugénies hatelijk schril
-stemmetje gilde: „Schijnheilig freuletje.”
-
-Hilda antwoordde niets. Het was de eerste keer dat haar nichtjes zoo
-waren geweest. Tot dusver hadden zij alle drie succes genoeg gehad,
-ieder in haar eigen kringetje, om vreedzaam naast elkaar te gaan, en
-Hilda’s vroolijk hulpvaardig karakter had heel wat botsinkjes vermeden.
-Maar wat was nu dit? Waar zag men haar wel voor aan?
-
-„Maar ik wil er mij niet aan storen!” dacht zij flink, „zulke
-verdenkingen spatten zwart terug op diegenen die ze verzinnen, en het
-is geen reden dat ik de ouwe mevrouw afschrijf.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Het rijtuig kon Hilda niet krijgen dien middag; mevrouw van Starren was
-al vroeg uitgereden om visites te maken; en met een paar stevige
-laarzen aan, want de dooiende sneeuw, in vuilgrijze natheid, lag nog
-dik hier en daar in de straten, stapte Hilda vlug voort naar haar oude
-vriendin. Zij voelde zich blij, toen zij het huis had verlaten, waar
-sinds dien morgen zulk een gespannen stemming heerschte; de buitenlucht
-maakte haar in eens weer vroolijk en licht en in haar nauwsluitend
-blauw laken pakje, het blauw vilten matrozenhoedje, mooi kleurend tegen
-het blondbruine haar, ging ze haar gewonen gang van veerkracht naar de
-woning van mevrouw Cranz.
-
-De lucht was zacht, maar de wind, als hij vol aanblies, deed nog
-huiveren en snerpte roode frischheid op Hilda’s wangen.
-
-„Wat kunnen me eigenlijk al die speldenprikken en laffe verdenkingen
-schelen?” zeide zij opgewekt onder het voortgaan.
-
-En toch, toen zij in de gang van mevrouw Cranz die pelsjas en den
-hoogen hoed zag hangen, die getuigden van een nieuw element in de
-stille ouderwetsche omgeving, kreeg ze het op eenmaal verschrikkelijk
-benauwd en had wel weer terug willen gaan. Maar de knecht wierp de deur
-open en Hilda’s blauwe figuurtje, zacht omstraald door het lentelicht
-dat door de hooge ramen haar tegemoet stroomde, stond op den drempel en
-moest binnen gaan.
-
-De oude mevrouw zat in haar stoel, met de hooge rechte leuning, dicht
-bij het vuur, zij glimlachte toen zij het jonge meisje zag en met een
-vreugdeglans in de oude oogen zich toen weer wendend tot den forschen
-jongen man, vlak voor den haard, stelde zij hen aan elkander voor met
-een wijzende beweging der hand:
-
-„Mijn zoon; freule van Suylenburg.”
-
-Beiden bogen, hun vluchtigen blik van nieuwsgierigheid zich kruisend,
-en hij bleef nog even kijken en zei toen een paar beleefde woorden.
-Maar, op eenmaal hoorde Hilda Corry’s gelach weer: „schijnheilig
-freuletje, prachtige partij” en een groote verwarring kwam over haar,
-die haar wel jong en bekoorlijk stond in de oogen van den man, die ze
-bij haar opwekte, zonder het waarom te vermoeden, maar die zoo sterk
-afstak tegen haar gewone voorname gemakkelijkheid dat de oude mevrouw
-haar goedig te hulp trachtte te komen.
-
-„Hoe lief dat je door dat morsige weer toch nog gekomen bent. Ga
-zitten, lieve! Och Bernard geef mij die briefjes even aan, die daar
-liggen. Ik heb met de freule van Suylenburg altijd gewichtige zaken te
-bespreken, niet waar? en je moet ons even onze conferentie laten
-houden. Misschien wil jij wel in dien tijd even een sigaar opsteken
-hier naast?”
-
-„Wilt u me nou alweer weghebben mama?” zei de jonge man lachend. „Ik
-ben nauwelijks hier en laat mij zoo maar niet afschepen. Ik zal hier
-heel zoet in een hoek gaan zitten en lezen tot u klaar bent.”
-
-En hij ging naar de vensterbank met een boek en keek beurtelings naar
-buiten in de straat en naar ’t blauwe figuurtje binnen tot hij
-heelemaal op ’t einde vergat weer naar buiten in de straat te kijken.
-
-Hilda zat half met haar rug naar hem toe, schijnbaar verdiept in de
-brieven die zij lezen moest, maar inwendig trillend van ergernis. „Hoe
-kon me nou toch zoo iets doms overkomen, te staan stotteren en kleuren
-tegenover zoo’n vreemden man! Wat is het toch leelijk van de nichtjes
-om mij van zulke intenties te verdenken! En als de oude mevrouw nou
-mijn verwarring maar niet heeft gemerkt en ook zoo iets van mij gaat
-denken! Dat zou ik niet kunnen verdragen.”
-
-„Mevrouw,” zeide de knecht, na zachten klop, „daar is Dominee Moisette
-die vraagt of ie u een oogenblikje belet doet.”
-
-„Laat Dominee maar binnen komen,” zeide de oude dame, en toen de knecht
-teruggegaan was naar de spreekkamer, „dat tref je Bernard, nou zie je
-vandaag in eens de twee vrienden die je ouwe moedertje het best
-troosten en helpen als je weg bent. Moisette is een nieuw licht aan
-onzen pastoralen hemel, een jong mannetje nog, maar met veel ijver, en
-die mij dikwijls groote diensten bewijst in mijn armenzorg. Maar jij,
-Hildy, jij mag wel een beetje voor hem oppassen. Het komt mij verdacht
-voor dat hij toevallig juist altijd bij mij komt als jij er ook bent.”
-
-„O! lieve mevrouw, dat kunt u niet meenen, daar is geen kwestie van,”
-zeide Hilda sterk afwerend, want zij wist dat het wèl waar was, dat
-Moisette haar tegenwoordig overal tegen kwam, haar overal trachtte te
-ontmoeten. Maar de ernst die over haar jeugdjaren had geheerscht, had
-haar verheven boven het spottend zich gevleid voelen, waarmede zoovele
-jonge meisjes dergelijke stille vereeringen beschouwen. Bij intuïtie
-begreep zij het leed dat de jonge predikant, met zijn harde
-zelfbedwongen natuur moest lijden en ze was te ernstig om er zich een
-ijdelheidsspeelgoed van te maken. Medelijden en eerbied lagen in haar
-heftig ontkennen.
-
-Moisette kwam binnen. Een lange, magere, jonge man. Zijn donkere,
-kleine oogen, het dikke, sluikzwarte haar, en het boven de oogen sterk
-gewelfde voorhoofd der fanatieken gaven hem iets terugstootends, alleen
-de mond was week en treurig en om de glad geschoren kin rondden zich
-lijnen van goedheid.
-
-„Wat een contrast tusschen die twee,” dacht Hilda toen de beide jonge
-mannen aan elkaar werden voorgesteld. „De eene lijkt wel een monnik uit
-de middeleeuwen, die weken lang gevast en met den duivel geworsteld
-heeft en de andere ....? ja waar lijkt die op?” Voor ’t eerst zag ze
-even aandachtig naar hem heen. Zijn forsche, gevulde gestalte van
-sportlievenden edelman, het hooge, kale voorhoofd, de zorgelooze blik
-der ronde lichte oogen, de volle lippen tusschen de zware, blonde
-knevel en baard, met hun zelfbewust glimlachje van mooie man, zeiden
-haar eigenlijk niets. „Wel, al is hij ook de zoon van mijn lieve
-mevrouw, ik kan het niet helpen, hij lijkt het meest op een Duitsche
-officier in politiek, stilletjes gezegd het vreeselijkste wezen dat ik
-ken,” en met zekere voorkeur keerde zij zich weer tot het monnikstype.
-
-„Wat dunkt je Moisette,” hoorde zij mevrouw nu zeggen, „als dat arme
-Sophietje met haar rugpijnen dat eeuwige naaien, vooral op de machine,
-niet kan volhouden, zouden wij haar dan geen boekhouden kunnen laten
-leeren en haar plaatsen kunnen aan die Levensverzekering van je vriend
-Wilte, waar je verleden van sprak?”
-
-„O, maar mevrouw, daar had ik Jacob Spruiten voor bestemd.”
-
-„Ja dat weet ik,” hernam de oude vrouw haastig, „maar nu die zulk een
-mooie betrekking aan die fabriek gekregen heeft, vervalt hij
-natuurlijk. Waarom zou je er Sophietje Vanen nou niet voor nemen?
-Freule van Suylenburg vindt ook dat zij bepaald bijzonder vlug is.”
-
-„En zou de freule dan willen dat het meisje bij zoo’n maatschappij ging
-werken?” vroeg hij weifelend, direkt tot Hilda gewend.
-
-„O, ik zou het uitstekend vinden,” zeide Hilda. „Het naaien kan zij op
-den duur toch niet uithouden, en Sophie is zoo’n bedaard, accuraat en
-intelligent meisje dat zij juist voor zoo iets geschikt zou zijn. Als
-mevrouw Cranz haar les wou laten geven en u zorgde later voor de
-plaatsing, zou het kind gered zijn.”
-
-Moisette schudde het hoofd. „Klerkenwerk en boekhouden in een
-Levensverzekering zijn nu eenmaal geen vrouwenwerk. Neem mij niet
-kwalijk, mevrouw, maar in mijn ambt zie ik mij gedrongen om op alle
-wijzen die nieuwe emancipatieideeën der vrouwen tegen te gaan en ik mag
-ze dus in dit geval ook niet aanmoedigen. Ieder moet in zijn eigen
-werkkring blijven, anders neemt de vrouw den man het brood uit den
-mond.”
-
-„En waar zie je de scheiding dan tusschen ieders werkkring?” vroeg
-mevrouw Cranz even ironisch. „Vindt je dan naaien zoo’n speciaal
-vrouwenwerk? Maar dan moest je ook preken tegen die duizenden
-kleermakers voor heeren en voor dames en de goudborduurders en
-stoffeerders, die de vrouwen het brood uit den mond nemen, ofschoon, ik
-moet zeggen, daar heb ik nog nooit een vrouw over hooren klagen, hoe
-hard de strijd om het bestaan ook voor haar is.”
-
-„Maar waarde mevrouw Cranz, als vrouwen de goed gesalarieerde baantjes
-aan de mannen gaan betwisten waar moeten wij dan van leven?” zei de
-jonge dominee zonder haar vraag te beantwoorden.
-
-Hilda hief levendig het hoofd op. Zij zag in haar verbeelding weer het
-geduldig bleeke gezichtje van het naaistertje voor zich en ergernis
-trilde in haar stem: „En als de man de goed gesalarieerde baantjes aan
-de vrouw blijft betwisten, waar moeten wij dan van leven? Met pijnlijke
-ruggen het droge brood van ons naaiwerk eten om de mannen rustig en
-aangenaam hun betere betrekkingen te laten genieten? Hebt u dan meer
-medelijden met den honger van den man, dan met dien van de vrouw, dat u
-voor alles zijn brood beschermt?”
-
-Moisette zag haar een oogenblik onthutst aan. „Maar de man moet het
-brood verdienen, ook voor de vrouw. Als hij goed verdient kan hij een
-gezin onderhouden.”
-
-„En de vrouw dan?” riep Hilda bijna heftig, „moet die in dezen tijd
-niet ook heel dikwijls een gezin onderhouden? Sophietje heeft haar
-zieke moeder en ’t kleine, gebulte Fritsje, dat nooit veel zal kunnen
-verdienen. Vrouw van Toorn, die mevrouw verleden heeft voortgeholpen,
-heeft een man die al drie jaar aan tering lijdt, en zes kleine
-kinderen, juffrouw Spanjaard heeft acht weezen van haar broer en zoo
-zijn er immers massa’s! De toestanden zijn niet meer, dat de vrouw
-rustig het verdienen aan den man kan overlaten, u weet zelf ook best
-hoe dikwijls het onderhoud op de vrouw aankomt en dan staat zij
-eenvoudig tusschen zedelijken ondergang en hard werken voor droog
-brood. Waarom, als zij even intelligent is en even veel haar best doet,
-mag zij geen even goede betrekkingen hebben als de man? Trouwens het is
-tegenover de Sophietjes in de heele wereld wel wat al te hard om haar
-iets te weigeren, dat aan den vader van een huisgezin toekomt, want zij
-weten heel goed, die bleeke, leelijke stumpertjes, dat niemand haar tot
-moeder van een gezin zal maken, en zij dus nooit zullen profiteeren van
-die voordeelen, die men haar onthoudt onder voorwendsel dat men ze aan
-haar echtgenoot wil geven.”
-
-„Maar de vrouw hoort niet op een kantoor, zij hoort thuis in het
-huishouden!” zeide Moisette met een smeekenden blik op mevrouw Cranz,
-die zwijgend naar Hilda geluisterd had.
-
-„Wat meent u met huishouden?” vroeg Hilda ironisch, meegesleept door
-het onderwerp. „Lekkere schoteltjes klaarmaken voor moeder en Fritsje?
-Hoe lief! Maar als er niet eens brood op tafel is? Wat is het
-huishouden der armoede? Geld moet er toch in de eerste plaats zijn,
-niet waar? Eerst moet Sophietje verdienen, en dan kan zij heel
-„vrouwelijk” en lief gaan huishouden!”
-
-„Kom Moisette,” kwam mevrouw Cranz goedig tusschen beiden. „Wees nou
-maar goed voor mij en Sophietje en ook voor de freule van Suylenburg;
-je ziet hoe veel belang zij in de zaak stelt, en zorg jij nu voor die
-betrekking op het kantoor van je vriend, dan zorg ik voor de lessen.”
-
-„Ik zal zien mevrouw,” zei de jonge man heesch. „Maar het is tegen mijn
-beginsel.”
-
-Ineens stond hij op om heen te gaan met gejaagde bewegingen en een
-stijve buiging voor Hilda, maar toen zij hem vriendelijk de hand
-reikte, als tot verzoening na hare heftigheid, ontroerde zij van zijn
-donkeren blik.
-
-„Wel moeder, ik wist niet dat u zoo voor vrouwenemancipatie ijverde,”
-zeide de jonge Cranz lachend, op dien lichten speeltoon, half ironisch,
-half verwonderd, waarmede ernstige zaken gewoonlijk in de elegante
-wereld worden behandeld. „Sinds wanneer bent u zoo revolutionair
-geworden?”
-
-„Niet revolutionair, mijn jongen, evolutionair! Geen revolutie hoor!
-Maar krachtige evolutie! en daarvoor is vrouwenemancipatie een van de
-noodigste factoren. Hoe wil je de menschheid vooruit laten gaan als de
-eene helft, de vrouwen, kunstmatig achter wordt gehouden?”
-
-„Ach, moeder, menschenvooruitgang en vrouwenemancipatie, waar vermoeit
-u u mee? Wie tobt nou over zulke dingen? Ik zou die naaistertjes maar
-stilletjes aan haar machines laten en zich maar laten redden zooals ze
-kunnen. Alles komt in de wereld immers terecht.”
-
-Hij lachte weer en zag Hilda aan. Maar het gesprek met Moisette had
-prikkelend op haar gewerkt. Zij was niet gestemd tot het licht lachend
-heenglijden over vragen die haar zoo’n belang begonnen in te boezemen.
-
-„Wel zeker,” zeide zij scherp. „Wij voelen immers toch niet de rugpijn
-van die stumpertjes of haar vermoeienis als zij den geheelen dag
-getrapt hebben voor hoogstens twaalf stuivers.”
-
-„Nou ja freule, maar men kan het nou eenmaal in dezen wereld niet
-iedereen naar den zin maken, niet waar? Als men toevallig iets voor
-zoo’n meisje kan doen, doe je het natuurlijk, maar ik zou er dien armen
-dominee die er gewetensbezwaren over heeft, heusch niet zoo hard over
-vallen.”
-
-„Waarom niet,” zeide mevrouw Cranz, „dan moet-ie zijn geweten maar een
-beetje meer in overeenstemming met de eischen van den tegenwoordigen
-tijd brengen. Een herder mag den drang van zijn tijd niet ignoreeren.
-Ik kibbel er altijd met hem over en ik was blij dat de freule van
-Suylenburg er hem vandaag ook eens iets van gezegd heeft.”
-
-„Maar zoudt u het heusch goed vinden freule, in ’t algemeen gesproken,
-dat vrouwen alle mannenbaantjes konden bekleeden?” vroeg hij
-ongeloovig. „Och kom, zoudt u bijvoorbeeld in de diplomatie willen
-studeeren? Wat een gevaarlijke storingen in de gemoedsrust van al uw
-collega’s zou dat geven.”
-
-Hilda glimlachte even en pijlsnel kwam het in haar op welk antwoord zij
-als „lief jong meisje” nu eigenlijk behoorde te geven. Ze moest even de
-oogen neer slaan en dan bewonderend tot hem opzien en zachtjes zeggen:
-„O! nee, zulke hooge, moeilijke betrekkingen meen ik natuurlijk niet.
-Zulke studies zijn veel te zwaar voor een vrouw!” Sinds honderde jaren
-zijn zulke antwoorden gegeven door vrouwen die op hetzelfde oogenblik
-volkomen overtuigd waren driemaal intelligenter dan haar toehoorder te
-zijn, maar ook wisten, dat zij nooit beminnelijker en verstandiger
-werden gevonden, dan wanneer zij vleiend partij trokken van zijn naïeve
-mannenijdelheid. Vleien is een groote macht en veel vrouwen zijn
-machtig geweest omdat zij den man wisten wijs te maken dat zij
-geloofden in zijne superioriteit.
-
-Maar Hilda’s eerlijke fierheid liet het laffe comediespel niet toe dat
-de relatien tusschen de sexen in den wereldomgang zoo dikwijls bederft,
-en Corry’s woorden: „prachtige partij, schijnheilig freuletje,” klonken
-in eens luid in haar op en gaven haar lust om zelfs scherp te zijn.
-
-„Over de gemoedsrust der heeren van de legatie zou ik mij al heel
-weinig bekommeren, en waarom, als er flinke, knappe meisjes waren, die
-er lust in hadden, zouden zij geen diplomaat worden? Door alle eeuwen
-heen zijn vrouwen groote staatslieden en politieke intriganten
-geweest.”
-
-„Freule, als u diplomaat werd zou ik uw tegenstanders vreeselijk
-beklagen, u hebt het straks ook weer aan dien dominee gezien, hoe heet
-hij eigenlijk, Moisette? die vond het ook, geloof ik, moeielijker om u
-te weerstaan dan om zijn principes op te geven.”
-
-Cranz zei het lachend zijn voornaam geblaseerd lachje om vooral te
-toonen dat hij het gesprek niet in ernst wou nemen, dat het voor hem
-niets was dan een kleine, pikante woordenstrijd.
-
-„Zeker is het ook moeielijk voor dominee Moisette om mij te weerstaan,
-niet omdat ik het ben, maar omdat ik alleen verlang wat een geweldig
-dringende eisch van elk rechtvaardigheidsgevoel is.”
-
-Zij zeide het hoog, heel koud, uitdagend, bijna beleedigend na zijn
-complimentjes, en stond op in zenuwachtige ergernis. Het begon haar zoo
-vreeselijk te vervelen altijd om haar heen dat flauwe, gezochte
-schertsen, dat zorgvuldig onder ironische lachjes wegstoppen van den
-ernst van het leven en zijn vraagstukken. Waarom konden die menschen
-nooit eens ernstige zaken gewoon ernstig behandelen? En dan, er lag in
-Bernards toon ook nog dat hoffelijk nederbuigende, dat ze dien winter
-dikwijls opgemerkt had van heeren tegenover dames, alsof hij haar
-aardig genoeg vond om zich met haar te amuseeren, maar niet de moeite
-waard om verstandig mee te praten.
-
-„Ga je al heen Hilda?” zeide de oude mevrouw. „Je moet nog maar eens
-dikwijls met mijn zoon komen kibbelen, dat is heel goed voor hem.”
-
-Hilda glimlachte haar gewonen lieven glimlach toen zij afscheid van de
-oude dame nam, maar toen vlug langs Bernard glijdend, zonder hem de
-hand te geven, ging zij heen met een buiging van stijve hoogheid, die
-hem een beetje onthutst midden in de kamer liet staan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-„Ziezoo, dàt is tenminste een rust, de nichtjes kunnen tevreden zijn,
-mijn eerste ontmoeting met Cranz leek alles behalve op flirt,” zeide
-Hilda onder het naar huis gaan. En toch ...... er was iets in zijn
-oogen geweest toen hij bij ’t weggaan voor haar boog .... Nonsens, dat
-was immers onmogelijk. Zij vond hem vervelend en aanstellerig, met zijn
-aardigheden en complimentjes, nadat hij in ’t gesprek met Moisette heel
-goed had kunnen zien dat zij in vollen ernst belang in die dingen
-stelde, en hij moest haar belachelijk en vinnig hebben gevonden om zich
-zoo op te winden. En zij probeerde het prettig te vinden dat zij zeker
-een slechten indruk op hem gemaakt had, maar in den grond toch hinderde
-het haar.
-
-Ontevreden op Cranz, ontevreden op haar nichtjes, ontevreden op zich
-zelve en haar heele leven kwam zij thuis, en in den leunstoel op haar
-kamer viel ze neer, lusteloos en verdrietig.
-
-Waarover had ze zich straks toch eigenlijk zoo geërgerd? Omdat Cranz
-spotte met vrouwenemancipatie? en Moisette er tegen was? Maar wat
-bedoelden zij daar eigenlijk mee? Als men zulke onderwerpen bespreekt,
-mocht men wel eerst beginnen met een definitie te geven van ’t geen men
-onder zoo’n woord verstaat.
-
-Wat waren er nog een massa menschen die onder „vrouwenemancipatie” een
-soort streven verstonden om allerlei dingen te mogen doen en vrijheden
-te nemen waar geen enkele beschaafde vrouw naar verlangen kan. Het was
-vervelend al het misverstand, dat over dit woord heerschte, maar dat
-hadden immers alle woorden gemeen die een streven, een idee uitdrukten!
-
-Wat een gruwelen zijn er niet bedreven in naam van het christendom dat
-liefde en vrede bedoeld! In naam van het geloof in een God van liefde
-zijn brandstapels en pijnbanken gebruikt, in den naam van vrijheid,
-gelijkheid en broederschap, is felle tyrannie, bloedvergieting,
-schending van vrijheid gepleegd; in naam van de wetenschap gebeuren de
-schandelijkste wreedheden, in naam van vaderlandsliefde wordt
-broedermoord op grooten schaal gepredikt, in naam van orde en recht
-wordt telkens het recht van de zwakke vertreden, in naam van de
-liefdadigheid wordt groote ijdelheid bedreven. Hoe kan het dan anders
-dat ook in naam van vrouwenemancipatie treurige, belachelijke dingen
-zijn gedaan, die misverstand in de wereld hebben gebracht?
-
-Maar voor allen die het goed begrijpen is vrouwenemancipatie een woord
-van aangrijpenden ernst. Voor hen beduidt dit het mooie streven naar
-een vrijheid die elk mensch toekomt, hetzij man of vrouw, een vrijheid
-om te mogen werken, zich nuttig maken, geld verdienen zooals eigen
-aanleg, behoeften en geweten het eischen, niet langer zooals traditie
-het voorschrijft.
-
-„Vrouwenemancipatie is het recht voor ons om te leven niet net als een
-man, maar even goed als een man, niet meer aan alle zijden belemmerd!”
-dacht Hilda voort. Hoe is het mogelijk dat Moisette dat niet ook zoo
-inziet? Waarom tracht hij toch bij alle gelegenheden de vrouw terug te
-houden binnen haar treurig klein arbeidsveldje waar alleen droog brood
-te verdienen is? En wat beduidt toch al dat gepraat over de „vrouw?” en
-wat zij doen mag of niet? Als men de menschen er over hoort spreken,
-zou men soms denken dat zij het over een plantsoort hebben, die in
-kleigrond en niet in zandgrond behoort te groeien of andersom, in
-plaats van over levende menschen, wier passies, karakters, verlangens,
-aanleg, behoeften en roeping hemelsbreed van elkaar kunnen verschillen.
-Als of er niet evenveel geweldige contrasten onder de vrouwen gevonden
-worden als onder de mannen!
-
-Zij amuseerde zich een oogenblik met het bedenken van tegenstellingen:
-Een Sarah Bernard, de verfijnde kunstenares, en een Utrechtsche
-orthodoxe burgerjuffrouw, een Florence Nightingale, die bij de
-menschenslachting van den Krim-oorlog als een voorzienigheid op het
-slagveld rondging en onder kogelregens de stervenden bijstond, en een
-Betty de Mureaux die bang was voor een muis, een Maria Theresia die een
-eerste plaats inneemt onder de koningen en staatslieden van haar tijd,
-en een dier stille liefdezusters die men in groote steden in
-achterbuurten soms tegenkomt, wier naam en onvermoeid troosten en
-helpen niet door de geschiedschrijvers worden gemeld; een heilige
-Theresia die den Augiasstal van het Spaansche kloosterleven der
-zestiende eeuw wist te reinigen, en niettegenstaande zeer vijandige
-tegenwerking van machtige geestelijken, met ongeëvenaarde energie en
-tact, tucht, materieele en moreele reinheid in de kloosters wist in te
-voeren, en een markiezin de Pompadour, misschien de gedepraveerdste van
-alle courtisanes; een Harriet Beecher Stowe, de onvermoeide arbeidster
-aan de vrijheid der Amerikaansche slaven, die behalve voor haar groot
-sociaal werk nog den tijd vond om voor hare zes kinderen een uitnemende
-moeder te zijn, en de Madame Bovary’s, de Eline Vere’s van de geheele
-wereld, die in haar zinnelijk romantisch egoïsme te gronde gaan; een
-krijgszuchtige als de comtesse de Montfort, waarvan de Croniqueur zegt:
-„Quelle avait un coeur d’homme et de lion”, en eene Blanche de
-Castille, de teedere moeder van den heiligen Lodewijk, die zeker niet
-minder wijs en deugdzaam was als haar heilig verklaarde zoon; een
-Monica, de moeder van den heiligen Augustinus die haar zoon redde uit
-de zondemacht door tranen en gebed en de Parijsche elegante, die haar
-zuigelingen buiten „en nourrice” zendt, en haar kinderen in
-kloosterpensionaten laat opgroeien om zich zelf luchtig te amuseeren;
-een Catharina de Groote van Rusland, de infame wellustelinge en in ’t
-begin van deze eeuw een zuster Catherine Emmerich, die het zalig vond
-de afgrijselijkste smarten te dragen als verzoenende boete—zoo zeide
-haar heur geloof—voor de booze zonden der wereld; een freule Tinne, de
-stoute Afrika-reizigster, een miss Kingsley die haar gevaarvolle tocht
-in Kamerun volbracht en juffrouw Betje die ’t „eng” vond om over den
-Moerdijk te gaan; een Amalia Edwards, die haar heele vermogen
-beschikbaar stelde om aan University college te Londen een professoraat
-in de Egyptologie te stichten, een mevrouw Lewis die naar den berg
-Sinaï reisde om daar van belangrijke manuscripten photographische
-afbeeldingen te nemen en die later te ontcijferen, en mevrouw Vermaezen
-die hoofdpijn kreeg van een Ouida-roman, een door ziekelijke eerzucht
-verteerde Marie Baskirtcheff, een dweepster als Charlotte Corday, een
-staatkundige als madame de Stael en madame Roland, een Kate Marsden,
-die de afschuwelijke verblijven der leprozen opzocht om hun leven
-dragelijk te maken, een dichteres als Elisabeth Browning een Cosima
-Wagner, een Jeanne d’Arc, een Bettina von Arnim, een Octavia Hill
-.................
-
-Dagen lang zou men immers zoo voort kunnen gaan en hoe meer namen men
-zou vinden, hoe sterker de contrasten zouden uitkomen. Het zou een
-aardige studie kunnen worden om eens ernstig na te gaan hoe weinig
-gelijkvormigheid er heerscht onder die millioenen individuen waarover
-philosophen en staathuishoudkundigen in belachelijke eenzijdigheid
-hebben geschreven als of het één wezen was: „de vrouw”!
-
-O! natuurlijk er is dikwijls beweerd dat al die groote figuren
-excepties waren en dus niet mee konden worden gerekend als er sprake
-was van „de vrouw”. Maar voor wie oogen heeft om te zien rondom zich in
-de wereld en eerlijkheid om te erkennen, voor dien moet het duidelijk
-zijn dat die vrouwen die op een of andere wijze hebben uitgeblonken,
-geen abnormale wezens waren, maar alleen volkomen volwassene, sterke
-exemplaren van soorten die men in de vrouwenwereld overal ontmoet, in
-alle graden en schakeeringen. Duizende zielverwanten in miniatuur
-moeten er op dit oogenblik zijn van Kate Marsden en Ristori, en George
-Eliot, en mevrouw Butler, en Maria Theresia, en Ninon de Lenclos, en
-Vittoria Colonna en Cleopatra en Harriet Beecher Stowe! Duizenden en
-duizenden, bewust of onbewust moeten iets in zich voelen van hetgeen
-deze historische vrouwen in volmaaktheid hebben bezeten! En deze alle
-wilde men, de wreede, domme men, onder één etiquette „de vrouw” tot één
-zelfde leven veroordeelen! Was het niet onzinnig?
-
-Waarom liet men het toch niet over aan elk individu om voor zich zelf
-te bepalen waar zij zich geschikt voor voelde? Wat beteekende toch dat
-verontwaardigde angstgeschrei zoodra een vrouw lust toonde iets anders
-te doen dan wat haar moeders of grootmoeders hadden gedaan of haar
-buurvrouwen nog deden? Alleen die enkelen, die aan groote gaven een
-zeldzame dosis moreelen moed, energie en volharding paarden of in
-buitengewone omstandigheden waren, konden nu haar eigen roeping volgen.
-Al de anderen moesten zich nog buigen voor de uitspraken van de
-gedachtelooze „men.” Wat een kapitaal van liefde en gaven moest
-daardoor voor de maatschappij verloren gaan! Hoeveel vrouwen suften nu
-nog in werkeloosheid weg, die zoo nuttig zouden zijn geweest als men
-haar haar eigen richting had laten gaan!
-
-Sinds honderde jaren is er nu al met gewetensvrijheid gedweept, maar
-hoe weinigen kennen eigenlijk nog het eerbiedigen in anderen, en vooral
-als het een vrouw geldt, van vrijheid in willen en werken!
-
-Hilda bleef stil zitten, lang doorsoezend een rij van gedachten, maar
-in eens klonk in den gang vlak bij haar deur Corry’s hoog-kirrend
-lachje. De kruk werd zachtjes omgedraaid en Eugénie gluurde naar
-binnen.
-
-„Zoo, ben je terug van den verkenningstocht en goed succes gehad?”
-
-Met een leelijken lach, de bovenlip hoog opgetrokken, de oogen schril
-wijd geopend, de stem trillend onder den lust van te verwonden had
-Eugénie het gezegd, toen met een knakkenden slag sloot ze de deur en
-Hilda stond alleen, wild getergd, midden in de kamer, die als vervuld
-was plotseling met een damp van hatelijken smaad.
-
-„Ik moet het me niet aantrekken,” zeide zij hardop met strakke blikken
-naar de deur. „Ik wil het me niet aantrekken. Ik wil me te hoog voelen
-om door zulke gemeene, laffe hatelijkheden beleedigd te zijn!” Maar wat
-ze ook tegen zich zelf mocht zeggen, het hinderde haar toch
-verschrikkelijk.
-
-Zenuwachtig zag zij op naar het groote portret van haar vader aan den
-muur tegenover haar. Maar vandaag gaf het haar geen vrede. Wat zou hij
-wel gezegd hebben, als hij geweten had dat zijn „klein meisje” door
-zulke nietigheden zich het leven liet verbitteren, dat zij daar stond
-te trillen van opgewonden ergernis om een paar booze woorden! „De
-groote levenskunst,” had hij eens gezegd, „is om het kleine klein, en
-het groote groot te zien. Veel menschen die onverschillig blijven bij
-de groote strijdvragen van het leven en luchtigjes omspringen met hun
-gezondheid, de opvoeding van hun kinderen, huwelijkskeuze en andere
-algemeene belangen, leven soms dagen lang in de grootste woede door een
-woord dat zij kwalijk nemen en worden uit hun humeur gebracht door
-kleinigheden, die zij zich over een paar maanden zelfs niet meer kunnen
-herinneren.” En zoo was immers dit hatelijke kibbelpartijtje van de
-nichtjes ook maar een onbelangrijk ietsje, dat zij moest trachten klein
-te zien! Maar het was moeilijk, verschrikkelijk moeilijk, want alles
-was immers relatief: Als men zijn leven vult met mooie, belangrijke
-gedachten en een streven naar een doel waarvoor men zich heerlijk kan
-inspannen, worden al zulke kwelpartijtjes een onbeduidend kruisje dat
-men trotsch glimlachend dragen kan. Maar als het leven één beuzelarij
-is geworden, zooals het hare tegenwoordig, zonder werk, zonder doel,
-vol nietige belangetjes, een schakel van miniatuurgewichtigheidjes,
-wordt elke kleinigheid een zaak van groote afmeting. Was zij den
-laatsten tijd niet telkens uit haar humeur gebracht door een naaister,
-die een japon niet op tijd had bezorgd, door avondschoentjes, waarop
-men verkeerde strikken gezet had, door een kleur van lint die zij niet
-had kunnen krijgen en nu vanmorgen weer door het jaloersche gesar van
-de nichtjes? O! zij voelde zich wegzinken in een stroom van nietige
-kleinheid.
-
-Vlak bij haar op een stoel lag het blauwzijden kleedje klaar, dat zij
-vanavond in de opera zou dragen. In het glanzende blauw der plooien lag
-een vage herinnering aan dien lachenden toon, dien zij vanmorgen in de
-lucht had gezien, en de lange peau de suède handschoenen streepten dof
-tegen het blauw als mollige voorjaarswolkjes. Maar het voorjaarsgevoel
-van dien morgen was weg; zij voelde zich bitter ontstemd.
-
-Wat werd er ook weer gegeven vanavond? O, ja, de Favorite en ’t was
-haar als hoorde zij de banaal zinnelijke klanken reeds dier oude
-theatrale aria’s met hun onware liefdesuitingen. Wat was het vroeger
-heerlijk geweest met haar vader in de groote schouwburgen van het
-buitenland. Een kleine huivering van enthousiasme doortrilde haar bij
-het herinneren van zooveel avonden van intens genieten. Maar in het
-begin was het toch ook hier wel aardig geweest! Het kleine gezellige
-theater, al die bekende gezichten, het zoet enerveerend gevoel van
-bewonderd te worden, gebinocleerd, aangewezen door die menigte daar
-beneden in het parket, in de stalles.... zich zoo hoog en voornaam en
-mooi te voelen.... Een weeldedrank was het geweest die zelfs haar
-sterke gezonde hoofd had doen duizelen. Maar het strenge, weemoedige
-gezicht aan den muur durfde zij niet aanzien onder het zich bekennen
-dier prikkeling. Had hij dan voor niets haar het mooiste, het beste
-leeren kennen, dat zij zich nu nog had laten bekoren door al dat
-schijnmooi, en die glanzende wuftheid? O! wat was ze vandaag moe en wee
-van dat alles! Wat had zij in al die maanden van uitgaan gehad dat
-opwoog tegen een week van haar vroeger leven op reis met haar vader?
-Niet één onder al die vreemden tegen wie zij nu maanden lang had
-geglimlacht, was haar volkomen sympathiek, er was niemand onder al die
-menschen aan wie zij zich had kunnen hechten! En het jonge hart heeft
-zulk een smachtende behoefte aan liefde geven, misschien nog meer dan
-aan ontvangen. Daar was niemand dan de oude mevrouw Cranz en die arme
-Moisette, maar die twee konden haar eenzaamheid niet vullen; eenzaam
-was zij, en ontevreden, hongerend naar een vol en rijk leven. Maar hoe
-kon zij dat bereiken?
-
-Zuchtend stond zij op, met de bewegingen van een poes, die uit een
-diepen slaap komt en lui het lenige lijfje rekt, als om zijn veerkracht
-weer te vinden.
-
-Langzaam begon zij haar toilet voor het eten, maar haar moreele
-veerkracht wilde niet terugkeeren. „Waarom moet ik me nou weer
-aankleeên? Wat beteekent het allemaal? Wat een comedie is het leven!
-Daar is toch niemand, die iets om mij geeft, niemand waartegen ik
-zeggen kan wat ik denk, of wat ik voel! Als ik vanavond aan iemand iets
-liet zien van het beste dat in me is, zouên ze me vervelend of ridikuul
-vinden. Bewonderd en gefêteerd te worden, zooals Corry het noemt, is
-wel een zoet gevoeletje, maar het laat je toch eenzaam au fond, als de
-eerste bedwelming over is. Geen van hun allen bewonderen in mij wat het
-heiligste in me is! Het is mijn oppervlakkigste lachje en mijn luchtig
-comediewoord dat ze van me vergen, om er zich mee te amuseeren!”
-
-En toen in eens half luid, bekende zij het zich zelf:
-
-„Ik kan het hier nooit uithouên!”
-
-Het was de eerste maal, dat zij onder den druk van zenuwachtige
-ontstemming haar onbevredigd voelen duidelijk had uitgesproken. Zij
-schrok er zelf even van. Maar wat dan? Waar kon zij heen gaan? Wat zou
-ze doen?
-
-Het sloeg half zeven, zij moest voortmaken, maar terwijl ze in groote
-haast het blauwzijden kleedje aantrok, klonk in het ruischen van elke
-beweging: „Wat moet ik doen? Ik kan het hier toch niet uithouên!” Maar
-een antwoord vond ze niet.
-
-Alleen onder het naar beneden gaan, kwam het met bitterheid in haar op:
-„van jonge dames werd immers alleen geëischt dat zij zich amuseerden en
-er lief uitzagen! Wat wilde zij dan nog meer?”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Bernard Cranz was in de opera de familie van Starren komen aanspreken,
-den halven avond was hij bij hen gebleven en had zich bijna uitsluitend
-met Hilda bezig gehouden. In het begin had zij zich stroef
-teruggetrokken, verlegen tegenover Eugénie, die Cranz daarenboven al
-van haar jeugd af kende en duidelijk alle moeite deed om zijn aandacht
-tot zich te trekken. Maar toen hij zich telkens weer tot Hilda had
-gewend en haar voortdurend in het gesprek had betrokken, had zij zich
-op het einde maar gewoon laten gaan. Eus moest dan maar denken wat zij
-wilde. Zij kon zich toch niet ridikuul stijf aanstellen tegen dien man
-die haar niets had gedaan, alleen omdat de nichtjes haar vanmorgen
-leelijke bedoelingen hadden toegeschreven. Als zij nu niet natuurlijk
-en beleefd tegen hem was, zou hij nog denken dat zij met hem wilde
-koketteeren of zich aanstellen over zijn spotten vanmiddag met haar
-emancipatieidees.
-
-Onder het naar huis rijden was er geen woord gesproken. Mevrouw van
-Starren en Corry waren verdiept in die geschiedenis met von Görtzen,
-die weer druk zijn hof had gemaakt, en Eugénie had haar ergernis in
-stilzwijgen gehuld.
-
-Maar den volgenden dag scheen, aan de oppervlakte althans, het
-hatelijke stormpje geheel te zijn voorbij gedreven. Er zouden tableaux
-vivants bij Valérie Vermaezen gegeven worden en de vraag welk toilet
-Eugénie en Corry daarbij zouden dragen had hen allen dien ganschen
-morgen weer schijnbaar gemoedelijk in een levendig gesprek vereenigd.
-
-„Hilda, ga je mee vanmiddag om drie uur naar Ottilie van Heemeren?”
-vroeg Corry aan de koffietafel.
-
-„Tenminste als je vandaag geen belangrijker bezoeken te maken hebt,”
-voegde Eugénie er bij. Haar stem klonk zacht en haar gezichtje was
-glad, naïef vriendelijk, en toch welk een wereld van booze, giftige
-verdenking lag uitgesproken in dit nauwelijks geaccentueerde:
-„belangrijker bezoeken.”
-
-Wee, wanneer het fijne denkweefsel van de vrouw en haar scherpe
-instinct van wat wondend en wat balsemend zijn kan, gebruikt worden om
-te kwetsen, niet om te sparen.
-
-„Zeker, vandaag wil ik heel graag met je mee gaan,” zeide Hilda
-bedaard, maar het bloed steeg toch warm naar haar voorhoofd. De slag
-had getroffen, maar zij was machteloos zich te verdedigen, de vijand
-was onzichtbaar. In hoevele huisgezinnen zijn niet op deze wijze geluk
-en vrede verwoest geworden, hoevele zenuwgestellen niet bedorven door
-de onedelmoedige schermutselingen in bedekte termen, waarin vooral de
-vrouw zulk een treurig meesterschap heeft verworven.
-
-Intusschen, toen om drie uur de beide meisjes in haar glanzende
-equipage op den Bezuidenhout voor het huis van mevrouw van Heemeren
-stil hielden, zou niemand iets van een ontstemming geraden hebben.
-Beiden, Corry en Hilda hadden het gezicht dat de wereld van haar
-eischte, lachend en onbezorgd.
-
-Ottilie van Heemeren was op dat oogenblik een beroemde beauté in haar
-kringen. In het begin had Hilda zich volstrekt niet tot haar
-aangetrokken gevoeld. Haar ongedistingeerde schoonheid, haar
-zonderlinge reputatie, het ruwe in haar optreden soms, vooral als er
-heeren bij waren, waren weinig geschikt geweest om Hilda naar een
-intiemere kennismaking te doen verlangen, maar onlangs, door een
-toeval, hadden zij elkaar op een tentoonstelling in Pulchri ontmoet en
-daar in een lang gesprek over kunst, hadden beiden in verwondering
-ontdekt dat zij in vele opzichten hetzelfde voelden en dachten, en dit
-had haar veel nader tot elkaar gebracht.
-
-Zooals de jonge vrouw verteld had, was haar voorgeschreven een paar
-uren in den middag te rusten en in haar overspannen verlangen om vooral
-esthetisch te zijn, om alles „mooi te laten doen” om zich heen en alles
-weelderig te hebben, had zij in haar boudoir een rustbed opgericht als
-voor een oostersche vorstin. De lange smalle divan was geheel bedekt
-met een perzisch kleed, kostbaar, met zeldzaam rijke kleuren, een
-hoofdkussen van goudgeel fluweel ondersteunde het mooie hoofd met de
-vreemde zwarte haren en daarachter donker glanzend vormden
-breedbladerige palmen een achtergrond. Een groote, witte berenhuid op
-den grond, overal bloemen in kostbare, bonte vazen, spiegels met teer
-matte prismas van Venetiaansch glas, zilverige draperieën van
-oostersche, dunzijden vrouwensluiers, tallooze kleine bibelots,
-meubeltjes Louis XV, een empire schrijftafeltje, waarop groepjes van
-Saksisch porcelein, alles wat elegante rijkdom zich aan kan schaffen in
-deze eeuw van namaak en stijlloosheid, was er bijeen gebracht.
-
-Op den banalen bezoeker moest het een indruk van groote weelde en
-pracht maken, maar voor wie zoeken naar harmonische schoonheid, was al
-dit opeengehoopte moois, waarvan de typen elkaar onderling zelfs hier
-en daar vijandig waren, bijna een marteling voor de oogen.
-
-Hilda voelde zich bij het binnenkomen even beklemd, als bij ’t inademen
-van oververhitte broeikaslucht.
-
-Ottilie stond langzaam op, elk van hare bewegingen bestudeerd, op
-effect berekend. Eerst kwijnend loom richtte zij zich overeind op de
-rustbank, haar japon met de eene hand optrekkend zoodat men het voetje
-met de zwartzijden kous en ’t geelfluweelen muiltje zich licht en
-voorzichtig op den berenhuid kon zien neerzetten en toen met een
-veerkrachtig opheffen stond ze in eens in haar volle lengte en ging de
-meisjes levendig een paar schreden te gemoet.
-
-„Wel dat is braaf en lief van jullie, dat je me komt opzoeken!”
-
-Zij sprak met dat weeke, half uitlandsche accent dat met slappe lippen,
-zonder eenige articulatie, gesproken wordt en op dat oogenblik in haar
-wereld bon ton was.
-
-„Als je eens wist hoe gruwelijk ik me verveel, als ik hier zoo alleen
-lig. Het is haast niet dragelijk.”
-
-„En toch heeft de dokter je zeker voorgeschreven om die paar uren
-absoluut rust te nemen, niet waar? zonder iemand te zien, en doen wij
-eigenlijk groote contrabande?” vroeg Hilda.
-
-„Eigenlijk wel,” zeide Ottilie lachend, „mais que veux-tu? Het is niet
-om uit te houên, en toch moet ik het wel doen, anders ben ik ’s avonds
-te doodop om iets weer uit te voeren. Maar zoo’n paar visites mag wel,
-mijn doktertje weet ook wel dat ik er anders onder bezwijken zou,
-alleen heb ik haar moeten beloven dat ik geen heeren op die uren
-ontvangen zou, dat is te druk, begrijp je wel: met heeren is het altijd
-lachen en flirten, enfin .... te vermoeiend, en onder dames kun je nog
-es rustig over koetjes en kalfjes praten.”
-
-„Geloof je niet dat men met heeren ook rustig en prettig kan praten?”
-zeide Hilda.
-
-„Prettig zeker,” zij lachte even een korten schaterlach vol
-dubbelzinnigheid—„maar rustig? .... O ja, natuurlijk het kan wel, er
-zijn zelfs wel vrouwen, die sociale kwestie en theologie met heeren
-bespreken, maar je weet even goed als ik dat haast alle heeren veel
-liever zoo’n beetje pikante nonsens met ons praten en hoogstens wat
-over kunst fantaseeren en verder wat complimentjes en gekheid. Zoo es
-gemoedelijk praten kun je toch niet met ze, of ze zijn weer vervelend.”
-
-Hilda zweeg; zij dacht aan de heerlijke gesprekken met haar vader en
-met zoo menigen vreemdeling op reis, en toen weer aan van Gaefden’s
-jachtgeschiedenissen eergisteren en aan Bernard Cranz’s voornamen
-spotlach en zij begreep dat Ottilie gelijk had, wat betreft het
-meerendeel der heeren uit haar kring.
-
-„Maar zeggen jullie me nou eerst es eerlijk en vooral jij Hilda, met je
-uitstekenden smaak, hoe vinden jullie mijn kamer? Is het geen gezellig
-hokje? Vindt je ’t niet goed van toon? Vindt je niet dat die geele
-lapjes brocaat goed doen achter dat ouwe blauw?”
-
-„Ik vind het prachtig, bepaald uniek mooi, voor zoover ik het, met mijn
-niet uitstekenden smaak, kan beoordeelen,” zeide Corry half geraakt,
-maar toch lachend. Hilda keek rond.
-
-„Wie heeft die mooie bloemen daar geschilderd?” zeide zij ontwijkend,
-naar een groot doek wijzend met knap gedane rozen en irissen.
-
-„O, dat heb ik vroeger eens gemaakt, je weet ik schilder zoo’n beetje,
-als ik tijd heb en vroeger ben ik hier zelfs op de academie geweest.
-Maar dezen winter was het al te druk.”
-
-„Hoe jammer dat je er niet wat meer aan doet,” zeide Hilda in eerlijke
-bewondering.
-
-„Ja mijn dokter zegt altijd dat zij wou dat ik mijn fortuin en mijn
-.... zooals zij het noemt, mijn schoonheid verloor, dan zou er nog een
-flink artist uit mij terecht komen, zegt ze. O! zie je, ze vindt het
-afschuwelijk van me dat ik al mijn .... enfin, gaven en al mijn
-vermogen gebruik om mij zelf een prettig leventje te bezorgen, zij zou
-willen dat ik voor de kunst ging leven en hard werken. Maar och je
-begrijpt, daar komt toch niets van, en al die mooie woorden van voor de
-kunst of de wetenschap, of de waarheid of de menschheid te leven zijn
-veel te hoog voor mijn gewone vrouwenverstand.”
-
-Zij lachte in eens met een vreemde bitterheid.
-
-„Ja, dat begrijp ik,” zei Corry gichelend, „voor de kunst leven! Ik zie
-je al Tilie, met ’n oud japonnetje ’s morgens om negen uur door weer en
-wind naar ’n atelier trekken.”
-
-„Wie is je dokter, die zulke dingen tegen je zegt?” vroeg Hilda,
-peinzend naar de bloemen ziende.
-
-„Natuurlijk Corona van Oven. Ken je haar niet? Ik heb juist hooren
-zeggen dat ze lijfarts van de jonge Koningin zou worden. Dat zou wel
-aardig voor haar zijn, en voor de Koningin ook, want ze is vreeselijk
-knap.”
-
-„Ik heb haar nooit ontmoet, maar ik geloof toch wel dat iemand me haar
-es gewezen heeft, ze heeft zoo’n lief gezicht, niet waar?”
-
-„Lief?” zeide Ottilie opgetogen, „nee prachtig! Een mooi, edel gezicht.
-Kijk daar op het tafeltje staat haar portret.”
-
-Hilda nam het op en keek er aandachtig naar. Mooi, in de banale
-beteekenis van het woord als het samen gebruikt wordt met vrouw: „een
-mooie vrouw” was het niet, daarvoor was het gezicht te mager en de mond
-een beetje te groot, maar het lange, fijne profiel, het hooge voorhoofd
-van zeer edelen vorm en de groote, donkere oogen met hun strengen,
-kalmen blik onder de prachtige wenkbrauwen moesten een bijzonder diepen
-indruk maken. Hilda zag even op, zoekend naar een woord dat haar
-impressie kon weergeven.
-
-„Een .... boeiend gezicht,” zeide zij langzaam. „Ja juist dat is het”
-....
-
-Maar op dit oogenblik werd Gladys van Praege aangediend en Ottilie
-hield stil om haar theatraal mooie opstaan te herhalen.
-
-„Dag Gladys.”
-
-„Dag Tilie. Dag freule, hoe aardig u hier te vinden. Dag Corry.”
-
-„Ga zitten Glad, en vertel ons iets nieuws.”
-
-Gladys glimlachte. „Dat moet je mij niet vragen, ik kom met
-stadsnieuwtjes altijd met de trekschuit, en het eenige nieuws dat ik
-zou kunnen vertellen zal jullie niet veel interesseeren.”
-
-„Wat is het dan? Het interesseert me erg!”
-
-„Nou alleen maar dat ze mij gevraagd hebben om presidente van de
-vereeniging voor vrouwenkiesrecht te worden en dat ik heb aangenomen.”
-
-„Maar Gladys hoe kom je daar nou bij? Wat ’n idee, en wat zegt je man
-er van. Me dunkt dat is niks voor hem.”
-
-„Ja die vindt het ook heel dwaas van me, maar daarom kon ik toch niet
-bedanken, niet waar? Ik doe altijd erg graag wat hij prettig vindt en
-iets voor m’n eigen plezier zou ik nooit doen als hij het niet
-goedkeurde, maar als hij dingen gek en verkeerd noemt, die ik volgens
-mijn geweten nuttig en noodig vind, dan kan ik mij toch niet heelemaal
-naar hem schikken.”
-
-Zij had het aarzelend verlegen en zoo ootmoedig gezegd dat al de
-anderen even lachten.
-
-„O! wat dat betreft, ik schik me al lang niet meer naar wat mijn heer
-gemaal goed of verkeerd of gek vindt!” zeide Ottilie met een uitdagend
-oplichten in haar zonderlinge oogen. „En ik geloof niet eens dat ik
-daarbij juist altijd mijn geweten raadpleeg. Verleden klaagde mevrouw
-de Mureaux er ook nog over dat met de tegenwoordige nieuwe idees van
-emancipatie de gehoorzaamheid aan den man heelemaal verdwijnen zou.
-Maar ik heb haar gezegd: die is er nooit geweest mevrouw! Vroeger
-zetten de bijdehandte vrouwen, die zich de weelde veroorloofden om er
-een eigen overtuiging en geweten op na te houên ook gewoonlijk haar wil
-door. Maar dan moesten ze het dikwijls door allerlei listen en
-slimmigheden en pijnlijke compromietjes zien te bereiken, terwijl nou,
-dat zij er eindelijk achter zijn gekomen dat haar opinie precies even
-veel waarde heeft als die van haar mannen, nou gaan ze meer eenvoudig
-en eerlijk haar eigen gang, en dat is voor iedereen wél zoo goed en
-prettig, dunkt me!”
-
-Gladys klapte zenuwachtig in haar witgehandschoende handjes en het viel
-Hilda ineens op hoe aardig Ottilie kon zijn als ze maar even vergat aan
-haar eigen mooiheid te denken.
-
-„Ik vind gehoorzaamheid tusschen twee vrije menschen die zich in liefde
-hebben vereenigd een onzedelijkheid,” zeide Gladys in plotselinge
-heftigheid. „Men zegt dat het in den Bijbel staat, omdat Paulus heeft
-gesproken van den man als het hoofd der echtvereeniging, maar Paulus
-was feilbaar, evengoed als ieder ander en natuurlijk had ie nog
-allerlei Joodsche inzichten, maar Jezus heeft nooit van die dingen een
-woord gezegd! Hij heeft alleen gezegd: Hebt elkander lief, en
-natuurlijk als je liefhebt doe je graag en van zelf wat de andere
-verlangt, niet waar? Maar als de man b.v. iets eischt wat de vrouw
-verkeerd vindt volgens haar eigen geweten en zij gehoorzaamt hem toch,
-dan is zij laf en onzedelijk vind ik! of als de vader iets met zijne
-kinderen doen wil wat de moeder, volgens haar eigen overtuiging afkeurt
-en zij laat hem lijdelijk en gehoorzaam begaan dan is ze een slechte
-moeder, en dat is het ergste wat men van een vrouw kan zeggen.”
-
-Er was iets pijnlijks in Gladys’ heftigheid, dat de anderen even stil
-maakte. Men kon het aan den klank van haar stem hooren dat dit voor
-haar geen koel objectief te behandelen vraagstuk was, maar een dat zij
-zelf misschien in tranen doorworsteld had.
-
-„Maar één moet toch de baas zijn,” wijsneusde Corry in een klein,
-ongemotiveerd gegichel.
-
-„Waarom? In een gelukkig, in een mooi huwelijk zal niemand verlangen
-„de Baas” te zijn, in de gewone huwelijken zal de baas zijn, diegene
-die op een of andere manier de krachtigste is, door geldelijke positie,
-door knapheid, door willen, door liefde, door koppigheid, door ruwheid,
-of enfin door wat dan ook, en het man of vrouw zijn heeft daar niks mee
-te maken.”
-
-„Dat is waar!” zeide Ottilie. „Dat wijst zich van zelf uit! Daar kan de
-wet toch niks van bepalen! En weet je waarom of ik dat domme artikel in
-ons wetboek ook zoo’n dwaze tegenstrijdigheid vind? De wet beveelt de
-vrouw te gehoorzamen maar daar is geen een rechter die een vrouw zou
-vrijspreken bij diefstal of moord als zij zich beriep op de bevelen van
-haar man.”
-
-„En dan,” zeide Gladys zacht met een warme kleur, „hoe plat zou het
-huwelijk worden en hoe zou al het mooie en ideale er afgaan als de
-vrouw uit gehoorzaamheid datgene geven moest wat alleen waarde heeft
-als het komt uit volle, vrije liefde-overgave! Als ik man was zou ik
-niets door gehoorzaamheid willen ontvangen wat alleen uit liefde moet
-gegeven worden! O! het is een schande voor elk land dat zulke artikels
-in zijn wetboek heeft! Toen ik trouwde heb ik ook tegen Frederik
-gezegd: gehoorzamen kan ik je nooit! en ’t hinderde me vreeselijk dat
-ik niet hardop kon protesteeren toen ze het me op het stadhuis
-voorlazen. Ik had net een gevoel alsof ik met een leugen mijn huwelijk
-inging.”
-
-„Ik ook,” zeide Ottilie.
-
-„Hemeltje, wat zit jullie vandaag wijs te praten! Kom Hilda, ga je mee?
-wij hebben er toch geen begrip van of we willen gehoorzamen of niet,”
-zeide Corry.
-
-„Dan wordt het hoog tijd dat je er begrip van krijgt! Maar Hilda moet
-eerst nog even m’n atelier zien, wil je? Ik laat je niet zoo dadelijk
-weer weg gaan. Toe Corry blijf jij ook nog maar even!”
-
-Ottilie nam vleiend Hilda’s hand, en Corry ging weer zitten, een beetje
-ontstemd, want het gesprek had haar verveeld. In haar jong fin de
-siècle cynisme vond ze het belachelijk om zoo te zitten zaniken over
-gehoorzamen. Het sprak immers van zelf dat men zijn eigen zin deed, als
-men de vormen maar in acht nam en een beetje handig was om den man van
-tijd tot tijd in het zoete geloof te laten, dat hij toch de baas was.
-
-„En dus Glad, jij bent voortaan: Mevrouw de presidente der vereeniging
-van vrouwenkiesrecht! Hemel, wat een lange titel, ik mag wel groote
-couverten koopen om je mijn kattebelletjes te zenden.”
-
-„Je moet er mij niet mee plagen Til. Het is voor mij groote ernst,”
-zeide Gladys zacht, verlegen.
-
-„Ik plaag je heusch niet. Als je er plezier in hebt waarom zou je niet
-presideeren? Vive la liberté, de vrijheid leve! Maar wat moet je nou
-doen? Speechen houên?”
-
-„Natuurlijk van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.”
-
-Gladys lachte, maar verlegen. Zij behoorde tot de heel dapperen als zij
-eens in ’t volle vuur was, maar bij kleine schermutselingen was altijd
-haar eerste neiging om weg te loopen en zich te verbergen.
-
-„Wat heb je daar een prachtige fotographie van dokter van Oven!” zeide
-zij haastig om ’t gesprek op een ander onderwerp af te leiden.
-
-„Ja, nie waar? Wat lijkt ze goed!”
-
-„Is zij uw dokter ook?” vroeg Hilda.
-
-„Ja zeker! Kent u haar freule?”
-
-„Nee, eigenlijk nog niet, maar ik zou het wel aardig vinden.”
-
-„Wel,” riep Ottilie, „ga op haar spreekuur en consulteer haar over een
-of ander kwaaltje.”
-
-„Ik zou niet weten wat ik tegen haar zeggen moest, ik ben zoo gezond
-als een visch.”
-
-„Och kom! Ik wed dat je toch hier of daar wel es een zenuwpijntje
-hebt!”
-
-„Nee, heusch niet! Ik mankeer nooit iets!”
-
-„Wat een wonder ben je dan! Ik dacht dat alle vrouwen altijd min of
-meer sukkelden.”
-
-„Zoo als ’t fransche spreekwoord zegt: la femme est un animal toujours
-malade?” spotte Hilda.
-
-„Ja zeker, in ernst, in onzen stand wèl. Ken jij onder onze kennissen
-iemand die geen staal of geen middeltjes tegen overspanning noodig
-heeft? Bij de volksvrouwen is het natuurlijk iets anders, die zijn te
-grof en te plat om onze zenuwen te kennen, maar een dame die niet een
-beetje lijdend is, is nou eenmaal niet denkbaar.”
-
-„Dat bewijst alleen dat de hygiëne van onzen stand niet schitterend is,
-en ik ben blij dat ik volgens jou dan geene „dame” ben! Maar hoe zal ik
-nou kennis maken met dokter van Oven.”
-
-Hilda lachte en nam de Morastaander weer op om het zeldzaam
-aantrekkelijke gezicht der jonge doktores nog eens weer te bekijken.
-
-„U zult haar de volgende week op mijn dinertje wel zien,” antwoordde
-Gladys, „of liever nà het diner, want ze heeft haast nooit tijd om te
-komen eten, maar, als ze dan ’s avonds niet te moe is en haar bezoeken
-zijn afgelegd, verschijnt ze nog wel es ’n uurtje.”
-
-„En als ze komt, Hilda, moet je es opletten wat een vorstelijke
-verschijning. Niemand zie je ooit zoo mooi binnen komen!” zeide Ottilie
-met die kinderlijke opgetogenheid die sommige vrouwen leggen in haar
-vriendschap voor andere vrouwen. „Wat een malle vereering toch voor
-zoo’n modedokter! Wat zijn jullie toch nog kinderachtig. O! Hilda, als
-je Til haar gang liet gaan zou ze ’n uur lang kunnen gaan zitten
-dweepen met die engel van ’n Corona. Als het nou nog zoo’n aardige
-jonge man was met mooie, zwarte, melancholieke oogen zoo als die dokter
-Swartz, die zoo vroeg gestorven is, dan kun je het je nog begrijpen,
-daar waren alle dames op gecharmeerd, maar zoo’n juffrouw! .... Het is
-toch eigenlijk een heel onvrouwelijk beroep voor een meisje ....”
-
-Ottilie verliet in eens de mooie houding waarin zij tot nu toe
-geposeerd had en antwoordde vinnig:
-
-„Corry, je bent een lief, snoezig meisje, maar je moest niet zulke
-idiote dingen zeggen! passe-moi le mot! O! dat eeuwige gezeur over
-onvrouwelijkheid! Wie heeft er ooit aan gedacht sinds eeuwen en eeuwen
-om pleegzusterwerk onvrouwelijk te noemen! Iedereen is het er over eens
-dat dat nu eens een vrouwenwerkje bij uitnemendheid is. En als of niet
-doktoressen en pleegzusters precies dezelfde dingen zien en weten en
-behandelen! Geloof je dat men door dokterstudies dingen leert, die een
-geheim blijven voor de zuster van barmhartigheid die haar heele leven
-de vreeselijkste ziekten verpleegt en in de afschuwelijkste
-achterbuurten hulp brengt? Trouwens ten eeuwigen dage zijn er immers
-vrouwelijke dokters geweest. De moeder van Socrates was een soort
-doktores, en in de middeleeuwen waren het eigenlijk alleen de
-zoogenaamde heksen, die de macht der kruiden bestudeerden. [1] Maar
-toen was het een ondankbaar, zelfs een gevaarlijk werkje om zich in die
-dingen te verdiepen en liet men het graag aan de vrouw over.
-
-Het is net als nu nog met het werk van pleegzusters en vroedvrouwen;
-zoo lang een arbeid nederig en slecht betaald is, vindt niemand het
-onvrouwelijk. Eerst toen het dokterzijn een eervolle, voordeelige
-betrekking was geworden met een kostbare, moeilijke studie vooraf, kwam
-men ineens tot de ontdekking dat er iets onvrouwelijks in was! Allons
-donc. Wat ’n onzin.”
-
-„Ik geloof,” zeide Gladys zacht met haar haperend engelsch accent, „dat
-als een vrouw er roeping en gaven voor heeft—dat stel ik natuurlijk
-voorop—dit het werk bij uitnemendheid voor haar is. Zoo als
-bijvoorbeeld Corona van Oven onder alle standen werkt en goed doet, zou
-een man het nooit kunnen. Ze is zoo dol op kinderen en je kunt niet
-begrijpen wat ze niet verzonnen heeft toen mijn kleine Mary ziek was om
-haar zoet en bezig te hoûen. Altijd bedacht ze wat nieuws, wezenlijk
-geniaal. En verleden hoorde ik zelfs dat ze modelletjes had om
-kinderkleertjes lief en zuinig en hygiënisch te maken en bij jonge
-meisjes doet ze wonderen, schijnt het. Natuurlijk aan zoo’n zachte,
-beschaafde vrouw willen zij zooveel eerder alles zeggen, niet waar? Ik
-geloof stellig dat er honderde vrouwen en meisjes stilletjes zijn
-weggekwijnd, omdat ze den moed niet hadden om zich aan mannelijke
-artsen toe te vertrouwen. Misschien vindt je dat gek en overdreven, ik
-vind het niet, maar in elk geval is het zoo. En moreel ook, is het
-zooveel makkelijker en teerder om alles aan een vrouw te zeggen, die je
-met een enkel woord verstaat en die met je spreekt net als een oudere
-zuster! En dan... hoe kunnen de menschen toch van onfatsoenlijkheid
-spreken! Ieder die ooit iets gelezen of gehoord heelt van het samenstel
-van het menschelijk lichaam, wat een goddelijk mooi wonderwerk dat is,
-moest zich toch schamen om het bestudeeren van dat prachtige
-mechanisme, nog wel met het heiligend doel om te genezen, onvrouwelijk,
-onrein te noemen. Onrein is alleen preutschheid, die gichelt en bloost,
-in plaats van bewonderend neer te knielen! Durch Mitleid wissend!
-Kennen jullie een enkel werk waar het mooie woord van Wagner zoo goed
-op past als op dat van de doctores? De mooie bedoel ik natuurlijk, die
-’t niet als een baantje, maar zoo als Corona, als een prachtige taak
-opvat.”
-
-Gladys had zich onder het spreken opgewonden en als zij maar eens over
-haar eerste verlegenheid heen was, kon zij veel beter haar Hollandsche
-woorden vinden en sprak ze zelfs makkelijk.
-
-Corry stond op, haar kindermondje in een zenuwachtig lachje wringend.
-
-„Nou, jullie zult wel gelijk hebben, hoor! Ik heb eigenlijk nooit zoo
-verschrikkelijk veel over die dingen nagedacht en jullie bent ook zoo
-vreeselijk knap. Maar nou moet ik heusch gaan. Dag Tilie. Hilda, jij
-blijft zeker nog? Al die diepzinnigheid is net iets voor jou!”
-
-Zij ging heen, een beetje kriebelig. Zij wilde maar dadelijk naar Betty
-de Mureaux gaan. Die vond toch ook dat het geen vrouwenwerk was om
-dokter te zijn en die zou het ook wel bespottelijk vinden van Tilie en
-Glad om zich over zoo iets zoo warm te maken.
-
-„Kom ga nou gauw mee hier naast naar m’n atelier!” zeide Ottilie, en
-Gladys en Hilda volgden.
-
-Het atelier was een groote vierkante kamer; middenin stonden drie
-schilderezels waarop drie groote, onvoltooide bloemstukken, en juist
-als in het boudoir, was ook hier weer diezelfde fantastische weelde,
-die stijllooze opeenstapeling van kostbare en ook mooie dingen, die
-bonte warreling van bloemen en glanskleurige weefsels en vazen en
-spiegels van draperieën.
-
-Hilda stond een oogenblik zwijgend, probeerend te begrijpen waarom zij
-al dat saamgebrachte moois toch eigenlijk zoo leelijk vond.
-
-Toen zag zij naar Ottilie die met Gladys bij een tafeltje in de hoek
-stond om haar een nieuw soort orchideën te laten zien en op eens
-begreep zij hoe het was. Elk voorwerp kon mooi zijn op zich zelf
-beschouwd, en kostbaar was het materiaal, maar de hand die van dit
-alles een geheel had gebouwd had de koortstrilling der
-fin-de-siècle-overspanning, de oogen die deze kleuren en lijnen hadden
-gekozen hadden den vaag zoekenden blik van onvoldaan rusteloos
-verlangen, en de geest die heerschte over dit alles, die zich in dit
-alles had uitgesproken, had het onzegbaar evenwichtlooze van hoogen
-aanleg en leeg, gemankeerd bestaan. Dat was het wat de atmosfeer in
-deze vertrekken zoo beklemmend maakte.
-
-Ottilie’s schetsen en aquarellen waren aardig. Hilda beschouwde ze lang
-en aandachtig terwijl zij samen gezellig over kunst spraken. Iets
-frisch en breeds lag er in, verradend een bijzonderen aanleg, maar men
-zag het, er was niet gewerkt, niet hard en geduldig gearbeid, om van
-geboren talentje te stijgen tot kunstenares.
-
-„Hoe jammer, kijk, die rozen daar es malsch en prachtig liggen, wat
-jammer Tilie dat je niet wat meer werkt. Ik begrijp niet dat je er niet
-alle diners en partijen voor geeft om het met jouw gaven wat verder te
-brengen.”
-
-„Och het leven is niet de moeite waard om het zoo ernstig op te nemen.”
-
-Ottilie zeide het distrait, bezig de plooien van een zilverzijden
-Oosterschen sluier te verschikken, en vóór zij er zich rekenschap van
-had gegeven. Het waren hare gewone woorden waarmee zij elke lastige
-opwelling van ernst uit haar leven verbande.
-
-„Dat meen je niet Til,” zeide Gladys zacht.
-
-Ottilie zag lachend om met hoog opgetrokken wenkbrauwen. Toen zeide zij
-langzaam:
-
-„Nee, heel au fond misschien niet, maar ’t is zoo’n makkelijke spreuk!
-En werken? Ja soms heb ik het me wel es voorgenomen, maar er komt toch
-nooit van. Het leven van een huisvrouw en een vrouw van de wereld is
-zoo druk! Vandaag heb ik nou bijvoorbeeld den heelen morgen
-doorgebracht met het versieren van mijn tafel voor het diner van
-vanmiddag. Ik heb een nieuwe kleurcombinatie uitgevonden, o, je zult
-zien, het komt in de mode. Paarse, heel donkere orchideën met goudgeel
-satijnen linten en kleine strikjes van paars fluweel met
-goudpailletten. Het is heel goed geworden, goed van toon, heel rijk,
-maar ’t heeft natuurlijk een langen tijd genomen. En zoo is er altijd
-wat! Ga maar na bij je zelf. Wanneer zou ik moeten werken?”
-
-„Ja maar dat is het juist wat mij voor me zelf ook zoo begint te
-hinderen. Is het niet zonde om een heel leven te gebruiken voor al zulk
-beuzelwerk?”
-
-Ottilie lachte en trok even de schouders op.
-
-„Je bent een grappig meisje, Hilda, dat heb ik wel dadelijk gesnapt!
-Zonde? Wie denkt daar nou over? Het leven van de vrouwen uit onze
-wereld is nou eenmaal zoo! Toilet en duizende mondaine plichtjes, een
-beetje charité, een beetje lektuur, wat boodschappen doen, teaen,
-passen, briefjes schrijven, tennissen, fietsen, bezoeken maken,
-musiceeren, ontvangen, menus samenstellen, dàt is ons werk nou
-eenmaal!”
-
-„Maar de maatschappij heeft al heel weinig aan al dien arbeid. Me dunkt
-al dat luxewerk, om het zoo maar es te noemen, waar we ons mee
-aftobben, en toch eigenlijk op den duur ons onvoldaanheidsgevoel niet
-mee verdrijven, heeft toch voor niemand eenige waarde?”
-
-Hilda zag vragend naar hare beide toehoorsters. Zij had het meer als
-een probleem dan als een meening uitgesproken, want dit alles raakte
-van zoo nabij haar eigen levensvraagstuk.
-
-„Wat ’n positief droge opvatting, wie denkt er nou over of zijn arbeid
-voor de maatschappij waarde heeft of niet? En als ik dan vanmiddag mijn
-tafel in mooie kleuren zie schitteren en mijn gasten zijn verrukt en ik
-heb het bewustzijn dat niemand dit heele seizoen een mooiere
-tafelversiering heeft gehad, noem je dat allemaal niets?”
-
-„Neen, niets! Voor een vrouw in de kracht van haar leven met jouw
-gaven!”
-
-Hilda had het heftig gezegd en Gladys met haar zachte stem, voegde er
-bij:
-
-„Ik geloof toch ook, Tilie, dat natuurlijk je tafel en je huis en je
-zelf mooi maken heel goeie dingen zijn, die je lang niet moet
-wegcijferen en die vooral hier de Hollandsche dames, wel es wat al te
-veel vergeten, maar het kan toch geen vulling zijn voor een heel
-volwassen-menschen-leven! ’t is allemaal wat je daar straks voor
-werkjes opnoemde: tijdpasseering maar geen tijdgebruiking! of is dat
-geen hollandsch woord?”
-
-Ottilie staarde zonder antwoorden met vreemde, peinzende oogen naar
-haar doek. Toen ging Gladys weer voort, zacht, suggestief:
-
-„En als je nou, om es ’n voorbeeld te noemen, in plaats van de vorige
-weken eindelooze visites te maken, die je toch niets kunnen schelen en
-zoo al meer, hard had gewerkt aan dit doek en er iets goeds van gemaakt
-had en je had het gezonden naar het kinder-ziekenhuis om hier of daar
-een kalen wand vroolijk te maken, geloof je niet dat je dan iets beters
-had gedaan? geloof je niet dat een goed schilderij en blije
-kindergezichtjes een mooier resultaat zijn van gebruikten tijd dan
-complimentjes van voorname gasten?”
-
-Ottilie bleef een oogenblik nog zwijgen; haar lichten raadseloogen half
-gesluierd door de zwarte wimpers staarden strak voor zich uit en een
-moment, als een regenwolk die door de winden snel voort wordt gejaagd
-boven een zonnelandschap, kwam er over haar gezicht een uitdrukking van
-namelooze pijn. Toen schudde zij het hoofd en lachte weer:
-
-„Met jullie valt niet te redeneeren! Ik geloof dat jullie nog
-vrouwenhervorming wilt gaan preêken. Maar ik ben veel te oud om nog
-bekeerd te worden! Mijn heele leven heb ik geleerd dat het de roeping
-van de vrouw is om te trouwen en dan haar huishoudentje te doen en een
-sieraad voor haar huis te zijn. Nou dacht ik al dat ik dat ideaal vrij
-nabij was gekomen en nu komen jullie mij vertellen dat ik eigenlijk
-mijn leven... verdoe! ’t is erg hard vindt je zelf niet?”
-
-Hilda kon niet antwoorden. De huisbel had geklonken en Ottilie met een
-blik op de pendule riep in eens gejaagd:
-
-„Hoe is ’t mogelijk, al half vijf! Dan is mijn rustuur voorbij en
-kunnen er weer bezoekers worden toegelaten. ’t Zal zeker visite zijn,
-en Jacob heeft misschien nog niet eens de thee binnen gebracht.”
-
-In een oogwenk was zij voor den grooten Venetiaanschen spiegel met de
-vingers de donkere kroesvlokjes op haar voorhoofd friseerend, de strik
-verplooiend van haar ceintuur van mort doré satijn die van voren lang
-neerglansde over haar reebruin fluweel kleed.
-
-„’t Is hier ook alweer, net als overal, de kwestie van het evenwicht!
-Een heele boel van die kleine luxewerkjes zijn heel lief en goed als je
-ze maar geen te groote plaats in je leven laat innemen. Visites en
-diners en paars fluweelen strikjes met goudpailletten zijn allerliefst
-als ze maar niet een levensdoel moeten voorstellen!”
-
-Gladys had het haastig gefluisterd, want men hoorde voetstappen
-naderen. Hilda knikte, maar Ottilie had blijkbaar niet meer geluisterd.
-Toen de deur openging, en Jacob aandiende: „Mijnheer van Brehnen,”
-stond zij midden in de kamer, half geleund tegen een hoog marmer
-zuiltje, poseerend het hoofd even op zijde gebogen om de weeke ronding
-van hals en schouders mooi te doen uitkomen.
-
-„Mijnheer van Brehnen, mevrouw van Praege en freule van Suylenburg
-hebben mij heelemaal den tijd laten vergeten, zoodat u ons komt
-overvallen in het atelier, maar als u ’t goed vindt, gaan we weer naar
-mijn boudoir, daar kunnen we prettiger praten.”
-
-Zij reikte hem de hand en zag hem met haar zonderling bekorenden
-glimlach aan. Toen ging zij vóór naar het boudoir, het nauw gesnoerde
-bovenlijf licht wiegend op de zware heupen, een gang van
-ongedistingeerde gratie. Hilda volgde het laatst, huiverend in een
-vreemde ontstemming.
-
-Was deze vrouw met haar sleepend uitheemsch accent, haar uitdagenden
-glimlach en die zonderlingen gloed in de oogen, dezelfde die straks in
-’t atelier zoo eenvoudig en rustig had zitten praten? De klank van de
-huisbel die haar had herinnerd de buitenwereld en haar eigen rol
-daarin, was voor haar geweest als Klingsor’s stem als hij Kundry tot
-haar rampzalig werk roept. Alles was op den achtergrond getreden, alles
-vergeten, behalve de groote leus der mondaine: „Behagen!” En was ’t
-niet wezenlijk alsof een toovermacht haar daar juist had opgeroepen?
-Hoe kon anders deze intelligente, begaafde vrouw zich vernederen tot
-het willen bekoren van dien kleinen, dikken Stephaan van Brehnen, zoo’n
-onbeduidend jongetje met zijn wit blonde ooghaartjes en zijn fletse
-kleine oogen en rozig kinderteint en roodblond snorretje, waar hij
-verlegen telkens op probeerde te bijten.
-
-Hilda had zelf den dorst naar succès gekend, maar op dit oogenblik had
-zij een klaar inzicht tot welk een vernedering hij voert als het een
-passie wordt. Haastig nam zij afscheid, het was haar als kon zij op
-eens niet meer adem halen in het geurende, bonte geglans dier kamer, en
-Gladys ging met haar mee.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-„U komt nog al veel bij Ottilie?” vroeg Hilda toen zij op straat naast
-Gladys voortging.
-
-„O ja, we wonen zoo vlak bij elkaar en ze trekt mij toch altijd weer
-aan. Ik heb zoo’n vreeselijk medelijden met haar. Zij verbeeldt zich
-dat ze zich amuseert en eigenlijk doet ze niets dan onophoudelijk bonte
-sluiers trekken over afgronden van verveling. Als ze maar es in iets
-waarachtig belang kon stellen, maar ik weet niet .... Haar opvoeding,
-haar man, haar kennissen, haar mooiheid, alles spant samen om haar in
-dat onbeduidende, gedachtelooze leven te houên, waar ze veel te goed
-voor is, en dus geen vrede in kan vinden, en daardoor komt ze tot
-allerlei verkeerde dingen. Ik geloof.......”
-
-Ineens hield zij stil. De tram was voorbij gekomen en een lange, jonge
-man, toen hij Gladys had gezien, was er afgesprongen en stond voor hen.
-
-„Dag Gladys.”
-
-„Dag Maarten.”
-
-„Wat een goed voorteeken, dat ik jou het eerste van alle menschen
-ontmoet!”
-
-„Foei, wat bijgeloovig, wie gelooft nou aan voorteekens. Ben je al lang
-terug?”
-
-„Ik ben nog geen uur in de stad.”
-
-„Wat zie je er goed uit.”
-
-„Niet waar? om honderd jaar te worden! Maken de kinderen het goed?”
-
-Zij stonden voor elkaar en zagen elkaar aan met blije
-weerziengezichten. Toen dacht Gladys aan Hilda:
-
-„Mijnheer van Hervoren; freule van Suylenburg.”
-
-„Laat ik de dames niet staande houên, mag ik even mee oploopen? Hoe
-gaat het met de kinderen, Glad?”
-
-En terwijl zij samen voortgingen werd aan Hilda even het verhaal gedaan
-van hun oude vriendschap. Als ingenieur was Maarten van Hervoren een
-tijd lang in Amerika werkzaam geweest en toen de intieme vriend
-geworden van Harry Arlington, Gladys’ jong gestorven lievelingsbroer.
-Dagelijks was hij toen bij hen aan huis gekomen, eigenlijk evenveel
-omgaande met de meisjes als met de broers op de vrije Amerikaansche
-manier. Maar later, toen Harry gestorven was en Hervoren naar Australië
-was gegaan, hadden zij elkaar bijna geheel uit het oog verloren totdat
-verleden voorjaar Maarten in ’t land was teruggekeerd om zijn moeder,
-die zeer ziek was, te bezoeken.
-
-Toen hadden zij elkaar weer ontmoet, in blijde verwondering dat het lot
-hen weer had samengevoerd aan deze zijde van de groote zee en de oude
-jeugdvriendschap was opgebloeid. Voor Gladys vooral, in haar nieuwe
-vaderland, was het zoo’n vreugde geweest met iemand te kunnen spreken
-die haar als jong meisje, bijna nog als kind gekend had en haar ouders
-en vrienden en familie en ’t ouderlijke huis, en honderd herinneringen
-aan Maud en Harry en de andere broers had bewaard. Maar in ’t najaar
-was mevrouw van Hervoren gestorven en Maarten, wiens gezondheid
-daardoor al zeer was geschokt, had kort daarop longontsteking gekregen
-en, bang voor tering, had de dokter hem naar het Zuiden gezonden.
-
-„En ben je nou heusch weer even goed als vóór je ziekte? Hoe heerlijk
-toch van het Zuiden!” zeide Gladys hartelijk.
-
-„Als het kan, ben ik nog beter. Ik voel me heerlijk, zie je, en dat zal
-me goed te pas komen! Want ik ga nou aan ’t werk zooals ik nog nooit
-gewerkt heb.”
-
-„Hoe dan? is je betrekking zoo druk?”
-
-„O nee, ik heb helaas nog niet eens een betrekking. Maar ik ga me met
-hartstocht op de sociale studie toeleggen. Je zult eens zien! Mijn
-hoofd is vol plannen, als nou mijn beurs ook maar vol goud was om die
-plannen uit te voeren!”
-
-Hij lachte met een jongen hoopvollen lach en zijn lenig, tenger lichaam
-rekte zich uit met een beweging van groote energie.
-
-Hilda zag glimlachend tot hem op, maar toen ze zijn oogen ontmoette,
-klare, lichtblauwe oogen met scherp geteekende, zwarte randjes om het
-blauw, had zij een zonderling gevoel alsof hun blikken elkaar
-aanraakten, alsof zij iets uit het diepst van hun zelf, ze begreep niet
-wat, in dien blik tot elkaar voelde naderen. En het zonderlingste was
-dat zij die heel subtiele, intieme aanraking volstrekt niet onaangenaam
-vond, integendeel een week gevoel van rust was in eens over haar
-gekomen, alsof zij altijd zoo zou willen voortloopen in het paarsrose
-licht van den vroeg-voorjaars zonneondergang en van tijd tot tijd de
-immaterieele liefkoozing ontvangen van de oogen van dien vreemden
-jongen man.
-
-„Heb je die plannen in ’t Zuiden opgedaan?” vroeg Gladys.
-
-„Den heelen winter heb ik veel gewerkt en nagedacht, maar je weet wel,
-mama stelde zoo’n belang in al die sociale dingen en verleden zomer
-toen ik altijd bij haar was, zijn mijn oogen er eigenlijk eerst voor
-open gegaan en nou passioneert het me wezenlijk.”
-
-Toen Maarten den naam van zijn moeder had uitgesproken, had hij even
-gewacht, en zijn stem had even getrild; het was maar een nuance
-geweest, maar Hilda’s oor, misschien nog meer haar instinkt om
-droefheid te verstaan, waar zij ze ook ontmoette, had het opgevangen,
-en verlangend om sympathie te geven zag ze weer tot hem op.
-
-En weer gebeurde het zonderling ontroerende, weer boog hij zich tot
-haar over voorbij Gladys, aan wier anderen kant hij ging, en weer was
-het als of er onzichtbare draden uit hun oogen gingen, die elkaar
-aanraakten en wier contact haar stil gelukkig maakte.
-
-Maar zij waren op de Heerengracht gekomen en Gladys stond stil voor het
-huis van de familie van Herkelen.
-
-„Kom je vanavond thee drinken Maarten? Je moet me niet kwalijk nemen,
-maar ik heb beloofd hier een zieke op te zoeken.”
-
-„Natuurlijk, derangeer je niet voor mij. Heel graag, dus tot vanavond.”
-
-Hartelijk zeiden zij elkaar vaarwel. Toen boog hij voor Hilda, en wat
-zij anders nooit deed aan vreemde heeren, zij reikte hem haar hand. Het
-was alles zoo zonderling vandaag, alsof ze hem al jaren lang kende en
-als of zij heel lang geleden nog eens zoo, precies zoo, de Bezuidenhout
-met hem gewandeld had en hetzelfde, precies hetzelfde had gezegd en
-gehoord en gevoeld.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Hilda had stil naar haar kamertje willen gaan, en zelfs gehoopt dat zij
-niemand in de gang zou tegen komen, maar een vreemde vroolijkheid op
-het anders zoo deftige gezicht van den knecht, die haar open deed, en
-het zien van een paar groote handkoffers en reisdekens in de vestibule,
-gaven op eens een andere richting aan haar gedachten. Vroolijke, drukke
-stemmen klonken uit de kamer, en de knecht zeide haar met geheimzinnige
-plechtigheid:
-
-„Freule, de jonker is onverwachts uit het Zuiden thuis gekomen. De
-heele familie is in het salon.”
-
-Hilda begreep dat zij onmiddellijk naar binnen moest gaan; zij mocht
-niet onhartelijk schijnen, en de komst van haar neef maakte haar toch
-ook wel wat nieuwsgierig. Uit zijn brieven, die meestal kort en
-onbeduidend waren geweest, had zij zich nauwelijks een idee van hem
-kunnen maken, alleen zoo nu en dan was er een woord van ironie in
-voorgekomen dat haar aan Eugénie’s scherpe uitvallen had doen denken.
-De meisjes spraken bijna nooit over hem. Eugénie scheen vroeger veel
-met hem te hebben gekibbeld, Hilda had haar tenminste dikwijls met
-nadruk hooren zeggen dat zulke aankomende jongens vreeselijk lastig
-zijn in huis, en aan Corry was hij blijkbaar volkomen onverschillig
-geweest. „Aan zoo’n gymnasiumjongen heb je heelemaal niets!” die
-behoorde tot een categorie van wezens waarvoor zij nog geen
-belangstelling kon voelen. Wat hare tante betreft, deze had zij een
-paar malen aan kennissen een uitvoerig verhaal hooren doen van Edward’s
-bloedspuwing en het gevaar waarin hij verkeerd had; in dergelijke
-ziekteverhalen, die zij tot in de kleinste bijzonderheden mededeelde,
-was mevrouw van Starren onvermoeid, vooral wanneer zij vertrouwelijk
-met dames van haar eigen leeftijd zat te praten. Van het karakter van
-haar zoon had zij echter nooit gesproken, alleen scheen zij er trotsch
-op te zijn dat hij vlug, zonder blokken het gymnasium had afgeloopen.
-
-Toen Hilda binnen kwam ging er juist een groot gelach op, een lachen
-zoo vroolijk en eerlijk als er maar zelden in den goud-purperen salon
-weerklonk. Edward stond midden in de kamer, gedrapeerd in een grijs
-geruiten plaid, een samenspraak voorstellende, die hij op reis had
-bijgewoond tusschen een Engelschman die bijna geen Fransch verstond en
-een garçon van het Grand Hôtel in Parijs. Er was een onweerstaanbare
-humor in de wijze waarop hij het misverstand weergaf, nu eens het
-snelzuivere Engelsch van den Brit met de daartusschen radeloos
-uitgestooten pogingen om een Fransch woord samen te stellen, en dan
-weer het vloeiende Fransch van den garçon, alles te zamen nog komieker
-klinkend door het overslaan van zijn jongensstem.
-
-Of hij het werkelijk alles zoo had bijgewoond, of wel het meeste er op
-dit oogenblik bij verzon, onder den prikkel van het vleiend gevoel zoo
-het middelpunt te zijn, was moeielijk te zeggen, maar hij speelde
-aardig en Hilda bij de deur lachte mee met al de anderen tot hij zijn
-plaid wegwierp en haar deftig kwam begroeten.
-
-„Ik hoef niet te vragen of je een goeie reis hebt gehad,” zei ze
-lachend.
-
-„Nee, dank je, een perfecte reis. Ik ben wel een beetje eerder gekomen
-dan ik geschreven had, maar een paar van mijn beste kennissen daarginds
-gingen nu weg en toen ben ik er ook maar van door gegaan, want nou zou
-het er al te vervelend zijn geworden.”
-
-„Waren die kennissen heeren of dames?” gichelde Corry.
-
-„Heeren, natuurlijk; dames zijn nooit de moeite waard om er vroeger of
-later om weg te gaan.”
-
-„C’est ça! Nice heeft je niet veel beleefder gemaakt, maar misschien
-ben je nog wat jong om over zulke dingen te oordeelen.”
-
-Eugénie zeide het vinnig met een tergend lachje van bescherming.
-
-Edward zag haar uitdagend over zijn schouder aan.
-
-„Ja, jong in jaren ben ik zeker, genadige freule, ik zal zelfs niet
-ontkennen dat u mij negen jaren vóór bent, maar misschien dat mijn
-woorden van straks eerder van ervaring getuigen dan van al te groote
-jeugd!”
-
-Eugénie kleurde even onder de toespeling op haar acht en twintig jaren.
-
-„Kom ons nou maar niks wijsmaken, van je ervaringen te Malaga en te
-Nice hoor! Ervaringen van negentien jaar zijn en blijven kinderspel.”
-
-Edward antwoordde niet en streek zijn zware, donker roodblonde snor
-omhoog met een lachje van geblaseerde ironie, dat volkomen beantwoordde
-aan zijn doel om Eugénie woedend te maken.
-
-„Maar jongen!” zeide mijnheer van Starren, zonder aandacht te geven aan
-het gekibbel waaraan trouwens sinds jaren iedereen gewend was, „wat zie
-je er toch goed uit! Ik ben verbaasd over je! Wat is ie flink geworden,
-vindt je niet mama? En voel je je nou heusch weer heelemaal goed?”
-
-Hij stond op en legde zijn hand op den schouder van zijn zoon, zijn
-oogen waren vochtig.
-
-„Och ja, papa, natuurlijk ben ik weer goed. U hebt u in ’t najaar mijn
-toestand natuurlijk erg overdreven voorgesteld en....”
-
-„Jongen ja, het is een vreeselijke angst geweest!” En op eenmaal was
-het den ouden man als zag hij weer zijn zoon daar voor zich liggen, het
-bleeke ingevallen gezicht, de roode vlekken overal, en in de blauwe
-Japansche kom, die het eerst bij de hand was geweest, het lichtroode,
-schuimende longenbloed. Den geheelen winter had hem dit visioen
-vervolgd en nu hij hem daar weer voor zich zag, zijn trots, zijn
-lieveling, zoo gezond en vroolijk, voelde hij zich op eenmaal heel week
-worden. Zenuwachtig, met een korten snik trok hij Edward in zijn armen.
-
-„Maar mijn hemel, papa, laten we nou in godsnaam niet sentimenteel
-worden! Ik zeg u immers dat het niets te beteekenen heeft gehad. Maar
-Cor, kun je ons niet wat thee en koekjes bezorgen of anders maar een
-glas port. Dat zal mij na de reis beter smaken dan al die
-belangstelling in mijn gezondheid.”
-
-Mijnheer van Starren wendde zich stil af, zich schamende over zijn
-zwakheid, maar Hilda, die hem tot dusver alleen met zijn dochters en
-vrouw gezien had, en sterk gefrappeerd was door die onverwachte
-teederheid, zat stil in een hoekje van de canapé, schijnbaar verdiept
-in het opvouwen van haar voiletje, maar haar handen beefden daarbij.
-Een nameloos heimwee doorsidderde haar. O! als haar vader op dat
-oogenblik gekomen was en haar zoo in zijn armen genomen had! Wat was
-die Edward voor een jongen? Was het eenvoudig jongensbluf, die het
-onmannelijk vindt toe te geven aan eenige gemoedsaandoening, of was het
-gemis aan hart?
-
-Een oogenblik, met intense nieuwsgierigheid, zat ze hem op te nemen.
-Hij had zich nu languit in een grooten fauteuil neergeworpen, een
-houding van nonchalante distinctie. De ellebogen gesteund op de
-stoelarmen, de bleeke tengere handen slap in elkaar gevouwen—het waren
-de handen zijner moeder, aristocratisch, met week-rose toppen en
-glanzend gepolijste nagels—de beenen over elkaar geslagen, de
-onberispelijk verlakte schoenen naar voren glimmend, een beeld van
-achtelooze zelfvoldaanheid.
-
-En het amuseerde Hilda, want ze zag dat hij poseerde, en zijn voorname
-onverschilligheid, die waarschijnlijk een zorgvuldig nadoen was van een
-of ander hoog eleganten, levensmoeden vreemdeling, stond grappig bij
-zijn frisch, jong gezicht.
-
-„Maar Eddy, nou moet je ons nog vertellen van dien mijnheer....
-jonkheer .... hoe heet ie ook weer? Die Hollander dien je daar ontmoet
-hebt? Eerst schreef je dat je ’m te logeeren mee woudt brengen, en
-later dacht je toch dat het beter was van niet?”
-
-Corry riep het nieuwsgierig van achter het theetafeltje waar zij in
-kleine, drukke beweginkjes de kopjes rangschikte.
-
-„Je meent zeker Maarten van Hervoren,” antwoordde Edward, „wat wou je
-van hem weten Cor, of ie een goeie partij voor je zou zijn? Nee dat is
-ie heelemaal niet, hoor!”
-
-„Maar Eddy, heb je nou nog al niet afgeleerd altijd zulke onhebbelijke
-dingen te zeggen!”
-
-„Wel mama, waarom mag ik dat niet zeggen? Aan de Riviera heb ik den
-laatsten tijd weer allerlei zulke verbazende dingen gezien van „la
-chasse au mari!” Badplaatsen zijn niet bepaald geschikt om andere
-opvattingen over zulke dingen te krijgen, wat zeg jij er van, nichtje
-Hilda?”
-
-Hilda voelde zich een oogenblik verward, hier in eens tot getuige te
-worden geroepen. Zij zag zijn driest doordringende oogen op haar
-gericht en de ironische glimlach die haar zoo geamuseerd had, straks
-bij het binnenkomen, toen hij voor garçon speelde, begon haar in eens
-erg te vervelen.
-
-„Ik ben nooit lang op badplaatsen geweest, maar ik wil heel best
-gelooven dat je daar allerlei treurige, rare dingen ziet; maar daarom
-kan Corry toch wel zonder bijbedoelingen naar dien mijnheer van
-Hervoren vragen?”
-
-Corry klapte in haar dikke, blanke poezelhandjes, half verbaasd dat
-Hilda haar partij koos. „Bravo! Hildy, bravo!”
-
-Edward streelde zijn knevel en zag het raam uit, zijn ironisch lachje
-kon evengoed Hilda’s antwoord gelden als de vreemde dingen die hij
-gezien had. Toen zich tot zijn moeder wendend:
-
-„Ja, een oogenblik heb ik er heusch over gedacht, mama, om hem hier mee
-te brengen. Het is de merkwaardigste kerel die je ooit gezien hebt.
-Soms kan ie geweldig mooie dingen zeggen, dan zou je denken een groot
-philosoof en alles heeft ie gelezen, bepaald ongeloofelijk, en soms is
-ie ook vroolijk, uitgelaten als een klein kind, en goed voor arme
-menschen en beesten! En als ie wil allemachtig amusant! Maar juist op
-dien avond dat ik hem dan wou vragen om bij ons te komen logeeren,
-kreeg ik Corry’s brief over het bal van de Mureaux en dat bracht mij
-weer zoo duidelijk al die uitgaanmenschen voor den geest en toevallig
-vertelde Hervoren mij juist ook dien avond voor het eerst van zijn
-omstandigheden en toen begreep ik in eens dat het een stommiteit van me
-zou zijn geweest om hem hier mee te brengen.”
-
-„Waarom jongen? Waren die omstandigheden dan van dien aard ..... Enfin
-..... hij is toch jonkheer van Hervoren niet waar?”
-
-„Zeker maatje, maar hij kan daarom toch wel in benauwde omstandigheden
-zijn? Dat gaat best samen hoor! En toen ie er een beetje
-vertrouwelijker over sprak, begreep ik dan ook dat hij eigenlijk geen
-cent op de wereld heeft. Zijn ouders moeten vroeger schatrijk zijn
-geweest, maar bij den dood van zijn vader was de boel op en toen is
-hij, zoodra ie te Delft met zijn ingenieursstudies klaar was naar
-Amerika gegaan, en later nog een poos naar Australië, en daar heeft ie
-tenminste zooveel verdiend dat ie zich zelf en zijn moeder, die erg
-zwak was, kon onderhouden. Maar de groote zwaai om het fortuinrad naar
-zich toe te halen schijnt ie niet te hebben kunnen vinden. Verleden
-voorjaar is ie hier thuis gekomen omdat zijn werk in Australië toch
-juist was afgeloopen en zijn moeder, waar ie dol op was, zoo erg
-achteruit ging, en toen zij in September, geloof ik, gestorven was, had
-ie eigenlijk wel weer dadelijk de wijde wereld willen ingaan, maar hij
-kreeg longontsteking en half dood hebben ze hem naar ’t Zuiden
-gezonden.”
-
-„En wat gaat ie nou doen?”
-
-„Dat weet ik nog niet, maar hij zal er zich wel weer doorslaan, daar
-kunt u van op aan. U hebt nooit zoo’n kranigen kerel gezien. Als ie
-hier niks vindt, gaat ie maar weer de wereld in.”
-
-„En waarom heb je hem niet gevraagd om hier te komen logeeren?” vroeg
-Eugénie goedig.
-
-Edward haalde de schouders op en zag zijn moeder aan:
-
-„Ik dacht dat jullie het gek zoudt vinden als ik zoo’n arme drommel
-hier meebracht. Hij mocht es verliefd op een van jullie worden, dan
-waren de poppen aan het dansen en dan kreeg ik er nog de schuld van.”
-
-„Edward heeft groot gelijk gehad. Zulke individuen zijn licht geneigd
-van je te profiteeren als je te goed voor ze bent.”
-
-Edward dronk kalm zijn kopje thee leeg en antwoordde niet, en ’t was
-Hilda op dit oogenblik alsof ze hem haten moest omdat hij de partij
-niet nam van den man waarover hij zoo juist met bewondering gesproken
-had. Wat een onrecht lag er in die laatdunkende achterdocht van haar
-tante, en waarom bleven al die anderen daar zoo kalmgenoegelijk
-onverschillig bij, in hun zelfzucht van rijken, die weten dat niemand
-hen ooit op die manier verdenken kan!
-
-Stil zat zij nog een oogenblik in haar hoekje, luisterend naar de
-conversatie die zich weer levendig kruiste over kennissen en Haagsche
-nieuwtjes; toen stond zij op en ging naar boven in haar eigen kamertje
-en wierp zich op haar bed, groote tranen neerdruppend op haar kussen.
-Waarom zij weende wist zij niet. Een nameloos verlangen opwellend uit
-diepten in haar eigen hart die zij niet kende, niet begreep, een groot
-verlangen naar een onbestemd iets dat hoog en mooi zou zijn, dat haar
-leven zou kunnen vullen, overstelpte haar plotseling. „Vader,” snikte
-ze zachtjes een paar maal, maar bij het aanroepen van hem, die het
-middelpunt harer kinderjaren was geweest, voelde zij dat ook al had hij
-op dit oogenblik naast haar gestaan, hij niet vermocht zou hebben dien
-weemoed van haar weg te nemen. Walging van haar eigen leven, van haar
-omgeving, van de maanden die achter haar lagen en die nu komen zouden,
-was als een doffe achtergrond van dit opbruisend verlangen naar een
-ander, rijker leven en terwijl zij zachtjes voortweende, blij de
-spanning van haar onbegrepen droefheid te zien wegvloeien in die warme
-kristaldruppels, dacht zij aan Ottilie en Moisette en Edward en aan
-dien vreemde met zijn magnetische oogen en het leven scheen haar vol
-donkere raadsels, die, als zij oplosbaar waren, toch niets dan
-teleurstelling konden brengen.
-
-Eerst het luiden van de etensbel herinnerde haar er weer aan dat het
-„jonge meisje” niet treuren mag in smartelijke onvoldaanheid.
-
-„Lachen, amuseeren, schitteren, lachen,” gilden de hooge tonen van de
-bel, maar Hilda, onder het betten van hare roode oogen, in een
-plotselingen, woedenden opstand antwoordde er hardop tegen in: „Ik wil
-niet! Het mag niet! Dat kan niet de bestemming van het jonge
-vrouwenleven zijn!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Na Hilda en Gladys’ vertrek had Ottilie van Heemeren nog verscheiden
-bezoeken ontvangen, meest heeren die hun digestievisites kwamen maken.
-Vroolijk en schitterend, met den hoogen uitdagenden klanklach, de
-raadselblikken der troublante oogen, de geestige boutades had zij zich
-bewogen in dien kleinen kring bewonderaars. Maar nu waren zij allen
-vertrokken; zij zag op de klok: half zes. Eerst om half acht wachtte
-zij hare gasten. Wat zou zij doen voor dien tijd? Doelloos stond zij
-voor het raam. Zij had nog geen zin zich nu al te gaan kleeden.
-
-Maar ineens klonk het aanrollen van een rijtuig, pijlsnel, wild rennend
-kwam het aan en in een oogwenk was het voorbij. Alleen een visioen had
-het achter gelaten van koolzwarte paarden, kleine koper en kristal
-fonkelingen van lantaarns en daar boven, op den hoogen bok een glimlach
-teeder familiaar, een groet met de zweep in ’t voorbij vliegen.
-
-Ottilie groette lachend terug en liet zich toen zinken op een van haar
-kleine fauteuils.
-
-„Wat ’n dolleman is ie toch om zoo te hollen en nog wel op de
-Bezuidenhout die zoo smal is! Maar wat heeft ie ze flink in de hand,
-die wilde zwarten en keurig netjes groeten kan ie ook in zoo ééne
-seconde. Een echte ridder!”
-
-Zij glimlachte, maar met een nuance van medelijden.
-
-„Arme jongen, ik zal hem toch maar een invitatie voor Zondag zenden,
-anders zal ie al te ongelukkig zijn. Het schijnt een groote vlam te
-worden. Als ie nou maar niet lastig wordt, kan het nog wel amusant
-zijn, goed om den tijd door te komen tot we naar Zwitserland gaan.”
-
-Loom stond ze op en ging naar haar schrijftafeltje met een kleine
-gaapbeweging vol lusteloosheid. Toen schreef ze met groote letters, zoo
-als de mode was van dat oogenblik, het adres: Jhr. Mr. van Smaarth. En
-terwijl ze de invitatie deed, glimlachte ze weer haar wreede
-sphinxenlachje en herhaalde met een zucht: „Poor fool! en dat noemen de
-dichters liefde! Boeken en boeken vol, allemaal over liefde! die ....
-niet bestaat! Niets dan wat zinnelijkheid en ijdelheidsstreeling en
-convenance, dat is de heele verhouding tusschen man en vrouw!”
-
-Ze stond op en trad langzaam voor den grooten spiegel, de handen achter
-het hoofd gevouwen, en beschouwde zich lang met nieuwsgierige aandacht.
-Ze stond dikwijls zoo en zij vond zich mooi, ze genoot in de bekoring
-van haar eigen beeld.
-
-„Als liefde bestond, had ik haar moeten ontmoeten! Beantwoord ik niet
-heelemaal aan het ideaal, waarvan mannen droomen als zij van
-vrouwelijke bekoring spreken? En toch heb ik nooit iemand ontmoet die
-mij waarachtig om me zelf liefhad! ’t Is niets dan een dichterleugen,
-liefde. Alsof niet van Smaarth alleen zich zelve, zijn eigen genot in
-mij liefhad, als of niet mijn man alleen een sierlijk ornament in zijn
-huis, een goeie huishoudster voor zijn tafel, een jong, vroolijk
-gezelschap in zijn leege uren in mij liefhad. Wat kan het ze allemaal
-schelen wat of ik voel en lijd en of ik verga van verveling, verveling,
-verveling!”
-
-Zij had het woord hardop gezegd en het verlichtte haar het met
-hartstocht te herhalen in een gril van machtelooze wanhoop.
-
-„En al die menschen die gelooven dat ik gelukkig ben, omdat ik jong en
-mooi en rijk en artistiek en bewonderd ben! Als of ik niet verging van
-kou en leegte en onbevrediging en verveling!”
-
-Toen ging de deur open en mijnheer van Heemeren trad binnen. Hij was
-veel ouder dan Ottilie en zijn hooge magere gestalte begon zich aan de
-schouders wat te buigen, maar in zijn zorgvuldig geconserveerden
-ouderdom zag hij er zeer voornaam uit, vooral zooals nu als hij in rok
-en witte das was.
-
-„Ottilie, is het geen tijd dat je je gaat kleeden? anders ben ik bang
-dat je je weer zoo zult moeten haasten.”
-
-„Ja zeker ik zal dadelijk gaan,” zeide zij vriendelijk beleefd, zooals
-zij gewoonlijk tot hem sprak en zij ging heen nog zachtjes neuriënd
-„verveling.”
-
-Maar onder het opgaan van de trap was zij reeds verdiept in de vraag
-wat beter zou staan bij haar nieuwe japon, haar paarlen collier of de
-antieke parure van amathysten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Op het diner bij de van Praegen had Hilda Corona van Oven ontmoet.
-Tegen half tien was zij gekomen, een mooie verschijning, met iets zeer
-edels, de hooge slanke gestalte in ’t lange zwart fluweelen kleed, dat
-tegen het bonte lichtglanzen der andere damestoiletten streng afstak,
-maar mooi deed bij den zuidelijken ivoorteint en de groote grijze
-oogen. Zij hadden een oogenblik prettig samen gepraat en Corona had
-Hilda geïnviteerd om den volgenden dag bij haar te komen afternoon tea
-drinken. „Dat mag je wel apprecieeren!” had Gladys schertsend gezegd,
-„want dokter van Oven is niet gul met haar invitaties!”
-
-Maar Corona had levendig geantwoord dat zij meende met de freule van
-Suylenburg bijzonder prettig te zullen kunnen praten.
-
-Het kleine huis op het Lange Voorhout dat dokter van Oven bewoonde, was
-niet moeilijk te vinden. In duidelijke eenvoudige letters stond het
-zwart tegen het grijze huisfond: Dr. Corona van Oven, arts.
-
-Het zag er heel gewoon uit, en toch leken zij Hilda iets heel
-bijzonders, die woorden die daar stonden.
-
-Een kindermeisje, aan elke hand een klein bleek kindje, kwam juist
-voorbij de stoep. Het eene kleintje bukte zich om een steentje op te
-rapen, dat glinsterde in de zon. „Wil je wel es niet zoo ondeugend
-zijn, akelig nest! en die vuiligheid laten liggen,” snauwde het meisje,
-ruw schuddend het teere armpje. Het kind huilde niet en liep voort,
-misschien alleen nog iets bleeker en doffer. Een paar werklieden kwamen
-aan, in ’t voorbijgaan de zoele voorjaarsatmosfeer besmettend met een
-stroom van vuile lucht, en hun lach was nog vuiler toen zij het
-kindermeisje een paar gemeene woorden toeriepen. Daar ratelde een
-equipage voorbij, een verlept blonde vrouw, een hoed met veel rozen,
-witte handschoenen, van achteren gezien niets dan een kostbaar kanten
-parasol en het was voorbij. Hilda groette even en zag toen weer naar de
-letters en als een revelatie voelde zij opeens hoe de wereld schijnbaar
-veranderingloos in de sleur van elken dag voortleeft, terwijl er groote
-dingen geschieden. Kinderleed, ruwheid, smerige ellende, zonde en wufte
-onverschilligheid schijnen overal hun gang te gaan, maar hier als een
-blij zegeteeken van overwonnen veroordeel stonden een paar
-beteekenisvolle woorden als een belofte voor de toekomst.
-
-De voordeur ging open en Marijken, Corona’s oude meid kwam voor.
-
-„Is u de freule van Suylenburg?”
-
-„Ja, de dokter wacht mij.”
-
-„De dokter is net uitgeroepen. Dat gaat altijd zoo. Je weet nooit of ze
-thuis zal zijn of niet. Maar lang geloofde ze niet dat het duren zou en
-ze heeft me gezegd of u maar op d’r wachten woudt. Freule van Arkel is
-er ook al, die zou ook komen thee drinken.”
-
-Hilda ging binnen, teleurgesteld. Zij vond het idee van daar met een
-vreemde dame te moeten zitten erg vervelend, en vroeg zich af wie het
-wel zijn kon. Zij kende aan het hof een ouden mijnheer en mevrouw van
-Arkel, maar die hadden geen kinderen. Waar kwam nou deze freule
-vandaan?
-
-Corona’s kamer was een ruim en stil vertrek aan den achterkant van het
-huis, hoogst eenvoudig met iets van den grooten ernst van haar beroep.
-Het ameublement van mooi donker eikenhout met rood leer, de groote
-bureau-ministre, de kasten en tafels vol boeken, het zag er alles
-streng uit, maar toch ook rustgevend voor diegenen die met gefolterde
-zenuwen van buiten uit het gewoel tot haar kwamen. Geen enkele dier
-weeldeprullen waarmede de modesalons van tegenwoordig overvuld zijn,
-stoorde de harmonie van dit werkheiligdom. De eenige versiering, en die
-was vorstelijk, bestond uit een photographie van Braun naar Rafael’s
-Sixtijnsche madonna, origineele grootte. Overweldigend was de indruk
-der zwevende figuur. Zij vulde, zij verslond het heele vertrek, het
-verlichtend met haar reinheidsglans.
-
-Hilda had de schilderij dikwijls en nooit zonder groote ontroering te
-Dresden gezien, maar vandaag frappeerde het haar bijzonder.
-
-Dit was niet de teedere moeder die haar kindje koestert, niet de
-weemoedsvolle jonkvrouw, vóórvoelend de Mater Dolorosa, niet de
-hemelkoningin in extatisch opzien tot haar zoon, niet de heilige maagd
-in beate onnoozelheid. Dit was niet de incarnatie van gebed en
-vroomheid en jubelende Godsliefde of stille aanbiddende contemplatie
-zooals de primitieven hun Madonna’s hebben gemaakt, noch ook de gezocht
-mooie vrouw, het ideaal van vrouwelijk schoon, dat de renaissance heeft
-geschapen. Deze Sixtijnsche Maagd heeft haar eigen plaats. Het is de
-hoogreine vrouw, de glansoogen wijd geopend starend in de verre
-toekomst, in één blik overziende het al, de smarten der realiteit en de
-vreugden van het ideale streven. Zij ziet ze vóór zich, de lijdende,
-zondigende menschheid, smachtend naar het verlossende liefdewoord en ’t
-machtige voorbeeld, zij ziet de hoog heilige taak en ’t vreeselijke
-wee, wachtend haar kind, en toch fier, zonder aarzelen schenkt zij het
-der wereld. De teederdragende handen houden nauwelijks het lichaampje
-vast, zij bieden het aan, heel de houding is een voorspel van ’t
-sterke, vrijwillige offer te Golgotha volbracht; geen week weenende
-moeder om haar zoons physieke lijden, alleen de hooge vrouw die in den
-smartelijken ernst van helderziendheid, een stille vreugdeglorie om den
-mond, haar kind tot het hoogste wijdt. Vrouwen die iets van dezen blik
-hebben verstaan, zullen groote zonen opvoeden.
-
-Een oogenblik stond Hilda midden in de kamer, getroffen, toen dacht ze
-aan freule van Arkel en groette. Het was een tenger meisje, niet jong
-meer, met kleine, bruine oogen vol intelligentie, in een kleedje van
-kleurloos bruin, het type der geëffaceerde distinctie, waarin Haagsche
-dames met weinig fortuin uitmunten.
-
-Gedurende haar vroegere reisjaren was Hilda zorgeloos gemakkelijk in
-haar omgang met vreemden geweest, maar in de leerschool harer tante had
-zij den laatsten tijd tegenover onbekenden iets van de voorzichtige
-stijfheid aangeleerd, die een onaangename eigenaardigheid van veel
-Hollanders is.
-
-Na een kleine banaliteitenwisseling, zette zij zich zwijgend in
-Corona’s stoel, terwijl Marguérite van Arkel, blijkbaar volkomen thuis,
-begon thee te zetten. Een poosje zaten zij bij elkaar, in een vervelend
-zwijgen, toen zeide Marguérite lachend, een klein beetje verlegen:
-
-„Ik geloof, freule, dat Corona ons samen gevraagd had omdat zij dacht
-dat wij beiden iets aan elkaar zouden hebben. Zij heeft mij van u
-verteld en ik geloof dat wij prettig zouden kunnen praten. Willen we
-dus maar dadelijk beginnen en niet onzen tijd verliezen om onder een
-paar onnoozele opmerkingen te zitten wachten tot wij deftig aan elkaar
-zijn gepresenteerd?”
-
-Hilda lachte, haar onweerstaanbaar jong lachen dat heel haar gezichtje
-verlichtte. Toen was alle reserve voorbij.
-
-Een half uur hadden zij druk zitten praten, bijna vergetend te wachten
-op Corona’s komst, in de blije verwondering harer ontwakende sympathie.
-
-„Hoe zou toch de dokter aan deze prachtige reproductie komen?” vroeg
-Hilda naar de Madonna wijzend.
-
-„Dat kan ik u makkelijk vertellen, want ik heb ze haar zelf gegeven.”
-
-„Zeker na ’n gevaarlijke ziekte? een dankoffer?”
-
-Marguérite glimlachte met een warme kleur die aan haar stil, bleek
-gezichtje een gloed van jeugd teruggaf. Toen met het abandon, het
-spontaan vertrouwen dat zoo wonderbaar ontstaat soms tusschen vrouwen
-die elkaar nog vreemd zijn, maar voelen dat zij elkaar begrijpen,
-antwoordde zij zacht:
-
-„Ja, voor de redding van een gevaarlijke ziekte. Een heel gevaarlijke,
-omdat zij moreel was. Ik heb u al gezegd dat ik het eigen nichtje ben
-van den adjudant der Koningin, en dat ik Fransche les geef hier aan een
-kostschool. Dat was mijn ziekte! Begrijpt u dat?”
-
-Hilda’s spanningsblik liet haar dadelijk voortgaan:
-
-„Mijn oom aan het hof, veel schatrijke familie hier, allemaal uitgaande
-in de hofkringen, en ik een arme schooljuffrouw! Kunt u u indenken wat
-dat een pijn van valsche schaamte, vernedering, afgunst was. Tot mijn
-twaalfde jaar was ik ook rijk geweest. Het is de oude, eeuwig zich
-herhalende geschiedenis der groote families, die te gronde gaan. Mijn
-moeder was jong gestorven, en in zorgelooze verkwisting leefde mijn
-vader voort in een luxe, die hij vond dat noodzakelijk bij zijn stand
-paste maar die zijn beurs hoe langer hoe minder toestond. Gelukkig
-heeft hij zijn ruïne niet lang overleefd; hij had niet in armoe kunnen
-leven, mijn arme papa! .... Maar ik bleef alleen achter en leerde voor
-mijn examens in een vochtig, kil kamertje bij vuile menschen in den
-kost en had niets om me te wapenen tegen de hardheid van dat nieuwe
-leven dan de herinnering aan prachtig speelgoed en kleeren en een eigen
-ponny en aan de illusie om later in wit satijn met parelen naar het hof
-te gaan. Toch, behalve natuurlijk de enkele oogenblikken dat ik mij
-zelve erg miskend en diep te beklagen vond, waren mijn meisjesjaren
-niet ongelukkig. Ik leerde makkelijk en er waren op de kweekschool en
-later op de Fransche kostschool verscheiden juffrouwen en meisjes waar
-ik veel van hield. Heel wat uurtjes van echt dol meisjeslachen en jong
-dweepen kan ik mij herinneren uit dien tijd. Eerst toen ik klaar was en
-toevallig hier in den Haag een betrekking kreeg, begon de verbittering
-en de ellende. In een echte kostschoolmeisjesonnoozelheid had ik mij
-zoo half voorgesteld dat ik heel goed tegelijk secondante kon zijn en
-aan het hof kon komen en bij al mijn familie, als ik maar geld genoeg
-opspaarde om een mooie japon te koopen. Ik was drie-en-twintig, en had
-al mijn lagere aktes en die van hoofdonderwijzeres en middelbaar
-fransch a. De laatste jaren waren dus niets dan hard leeren geweest.
-Van de wereldverhoudingen kende ik niets. O! ik ben wel een echt
-specimen geweest van die akelige halfontwikkeling die de tegenwoordige
-opvoedingsmethode kweekt: aan den eenen kant een bergenhooge
-opeenstapeling van schoolboekengeleerdheid en aan den anderen kant
-volkomen onkunde van het leven, volkomen gebrek aan inzicht en
-begrijpen, waar het in de wereld toch juist op aan komt. Natuurlijk was
-ik trotsch op mijn akten en ik stelde mij voor dat mijn familie in den
-Haag ook trotsch op mij zou zijn, en ik daar allemaal hartelijke
-menschen zou vinden die hun eenzaam nichtje dat zoo hard gewerkt had en
-zoo knap was, met liefde zouden overladen.”
-
-Zij lachte even, het rustige lachje van overwonnen leed.
-
-„Toen kwam natuurlijk de ontgoocheling. De meesten kenden mij niet
-meer, namen geen notitie van mijn bestaan. Mijn bezoeken werden
-onbeantwoord gelaten. Enkelen groetten mij hoog beschermend, de meeste
-wendden het hoofd om, alleen een oude nicht zond mij vijftig gulden en
-den raad om nu goed mijn positie te leeren inzien en te begrijpen dat
-ik, een van Arkel die haar brood moest verdienen, in zekeren zin een
-schande voor de familie was, hoe verdienstelijk het ook zijn mocht dat
-ik mij onafhankelijk had gemaakt, en zij raadde mij aan voortaan het
-„freule” er maar af te laten en als juffrouw van Arkel mijn carrière te
-volgen.”
-
-„En wat hebt u gedaan?” vroeg Hilda gespannen. Met haar sterke
-vrouwenintuïtie had zij onmiddellijk het beeld van Marguérite’s
-toestand in zich opgenomen. Zij had ze in haar eigen hart gevoeld, de
-brandende teleurstelling in de menschheid, de opstand, de bitterheid
-die het secondantetje deze eerste jaren moest hebben geleden.
-
-„Ik heb haar het bankje teruggezonden met de woorden: Met dank aan
-jonkvrouwe Brigitte van Arkel, van jonkvrouwe Marguérite van Arkel.”
-
-De beide meisjes lachten, maar Marguérite ging ernstig voort, het was
-een stuk uit haar leven zoo vol pijn, dat zij het ernstig behandelen
-moest:
-
-„Natuurlijk, het trotsche bloed van mijn vader zat in mij en ik
-betaalde hun hoogmoed met gelijke munt, en wreekte mij waar ik kon op
-dezelfde kleingeestige, hatelijke manier als zullie mij vernederden,
-maar dat maakte mij nog ellendiger, al dacht ik ook dat het mij
-voldoening gaf, en soms als ik zoo’n equipage zag aankomen met mijn
-wapen op het portier, kwam er een woede in mij op die me slecht maakte,
-bepaald slecht, freule, een passie van haat en afgunst. Er waren
-oogenblikken dat ik met vreugde een ongeluk zou hebben gebracht in die
-trotsche, rijke huizen waar men weelde en geluk had en de arme
-schooljuffrouw verachtte, en dan schold ik op de hoogere standen en
-verlustigde me bepaald in de praatjes van hun schandalen die ik hier of
-daar opving. En soms ook weer had ik er een laf, heimelijk genot in om
-me toch niettegenstaande alles zoo nauw verwant te gevoelen aan die
-machtige menschen die toch zoo onbereikbaar hoog waren, dat ze mij, hoe
-ik me ook schrap zette, onder hun neerzien konden verpletteren. O! het
-waren zulke ontzettende jaren.
-
-Alles verbitterde me, overal zag ik een vernedering in. Achterdocht en
-jaloezie maakten alles zwart. Voortdurend was ik in opstand over het
-domme onrecht van de wereld die mij, die ’t zelfde bloed in de aderen
-had en veel knapper en energieker was, zoo ver beneden mijn trotsche
-familie stelde, omdat ze meer geld bezat. Mijn werk zou ik wel prettig
-hebben gevonden, want de kinderen hielden van mij en ik doceer graag,
-maar dat was juist de ellende, een werkkring, waarom ik door mijn
-familie veracht werd, kon ik niet hoog stellen. Ik schaamde er mij over
-en de rampzalige strijd begon tusschen voort te moeten om te leven en
-zich diep vernederd te voelen door dat werken. Mijn zelfachting, de
-achting voor mijn werk begon heelemaal te zinken, en ik geloof, dat ik
-toen in staat zou zijn geweest een laagheid te doen, een huwelijk uit
-raison of zoo iets, om mij op te heffen uit wat ik toen mijn
-vernedering noemde.
-
-Toen kwam Corona en zij lachte mij uit tot ik mij schaamde over mijn
-valsche schaamte! Haar voorbeeld deed eigenlijk nog meer; ik zag hoe
-zij rustig en hard voortwerkte, haar werk heilig houdend, hoe zij kalm
-glimlachte bij de kleingeestig beschermende hoogheid waarmee sommige
-dames haar trachtten te behandelen, ik zag hoe zij van dag tot dag meer
-achting en vereering won door de suggestieve overtuiging waarmede zij
-haar roeping volbracht en op eens als een zonnestraal in een kamer,
-waarvan de luiken lang toe zijn geweest, kwam het besef tot mij dat er
-nog een ander soort aristocratie is, dan die van rijkdom en luxe, een
-aristocratie van geest en hooge beschaving, die voor mij open stond als
-ik mijn best deed, en waar ik mij gelukkiger in zou gevoelen, dan in
-die van equipages en niets-doen.”
-
-Beide meisjes zwegen, even voortsoezend over de beelden, die
-Marguérite’s lange verhaal had opgewekt.
-
-„Hoe heerlijk dat u juist toen dokter Corona heeft ontmoet,” zeide
-Hilda.
-
-„Ja, heerlijk! En ik wou dat ik u kon herhalen wat zij in zulke dagen
-tegen mij zeide. Ik wou dat ik haar woorden had opgeschreven en ze nu
-kon uitgeven, want al dragen ook niet veel meisjes zoo’n lastigen naam
-als de mijne, mijn strijd in alle nuancen en graden wordt nog iederen
-dag gestreden door honderden vrouwen, die door den nood gedrongen zijn
-om geld te verdienen, terwijl fatsoen en deftigheid werken voor geld
-verbieden. Dat geeft het schandevol hunkeren naar een huwelijk, het
-eerste het beste, en het tot den laatsten dag uitstellen om te gaan
-verdienen van meisjes die het hoog noodig hebben, maar die liever in
-den uitersten nood, de goede jaren en gelegenheden laten voorbijgaan
-dan tot dat gevreesde te besluiten! Het is de groote factor van
-zedeloosheid en energieverslapping onder de onbemiddelde vrouwen! En o!
-als zij het toch maar wilden begrijpen, dat nu de tijd voorbij moet
-zijn, dat het eervoller voor het jonge meisje is, haar leven in
-onhandige philantropie of in de enerveerend drukke leegheid van uitgaan
-te verbeuzelen of hoogstens in onbemiddelde huishoudens meidenwerk te
-doen, dan flink te arbeiden en zich zelve een vrij bestaan te verdienen
-ten nutte van het algemeen. Want dit moet het principe van werken
-worden, zoowel voor mannen als voor vrouwen: Nuttig zijn, iets
-beteekenen voor de gemeenschap! Omdat leven zonder werken niet
-fatsoenlijk, maar eerloos is en ook omdat er toch geen heerlijker,
-glorieuser, moreeler geld is dan het zelf verdiende!”
-
-In groote opwinding had Marguérite voortgesproken, het stille gezichtje
-één leven. Hilda voelde zich meegesleept; het was haar op eenmaal als
-viel er een nieuw licht op haar vaag onbevredigd voelen van den
-laatsten tijd. Zij was verlegen wat te antwoorden. Marguérite had zoo
-vreeselijk groot gelijk, maar wat kon zij antwoorden, zij met haar
-beuzelleven?
-
-Maar ze behoefde niets te zeggen. Marguérite had haar een nieuw kopje
-thee gebracht en bleef voor haar staan. Aarzelend, kinderlijk lief,
-vatte zij haar hand:
-
-„Vindt u het niet gek van me, freule van Suylenburg, dat ik u dat
-allemaal zoo bij onze eerste kennismaking heb verteld? Maar! u kunt
-niet gelooven hoe deze kwestie mij passioneert, en uw vraag over de
-Madonna bracht er mij zoo van zelf op. Ik zou soms willen uitgaan en er
-hardop over preeken! Ik zou het onze jonge meisjes met hartstocht
-willen toeroepen tot ze ’t eindelijk verstonden: Ga uit en werk en
-grijp je aan! Gebruik dan toch je gaven en krachten, die God je er voor
-gegeven heeft! Stel je niet tevreden met dien toestand van te veel geld
-om te verhongeren en te weinig om echt van te leven, waarin zoovelen nu
-nog treurig voortsoezelen, werk uit al je macht in alle richtingen, je
-hebt evengoed als je broers recht op een onafhankelijk, werkzaam
-leven!”
-
-Hilda zag tot haar op met haar sympathiek jonge glimlach van
-opgetogenheid.
-
-„O! Waarom doet u het niet! Waarom gaat u niet uit preeken? Ik geloof
-dat u ons allemaal zou kunnen meeslepen!”
-
-Maar Marguérite, met iets mats in eens na de opwinding van haar
-spreken, schudde het hoofd.
-
-„Later misschien. Eerst moet ik zelf nog een boel leeren en lezen en
-denken en dan..... Waarschijnlijk kom ik later aan het hoofd van de
-kostschool en als ik er dan een opvoedingsinrichting van gemaakt heb,
-zooals ik mij die voorstel, waar wij denkende, voelende vrouwen zullen
-klaarmaken, inplaats van zooals nu, welgemanierde volleerde jonge
-dames—wat een grappig veelbeteekenend woord nietwaar: volleerd?—dan ga
-ik misschien uit om te preeken.”
-
-Op dit oogenblik kwam Corona binnen. Zij had blijkbaar hard geloopen en
-zag er onder het strooien voorjaarshoedje met de animatie van het
-snelle gaan, jonger en vroolijker uit dan den vorigen avond.
-
-„Preeken, Maggy? Wou je gaan preeken? Maar je doet je heele leven niets
-anders, kind! Is ze niet al te zwaar op de hand geweest, freule?”
-
-Marguérite antwoordde met gezochte deftigheid, maar om haar oogen
-wemelde het van lachtrekjes.
-
-„Je moest je schamen, Corona van Oven. Eerst laat je je gasten alleen
-zitten en dan luister je aan de deur wat zij zeggen. Maar hier in deze
-zelfde kamer heb ik zooveel preekjes van jou gehad, dat ik hier gerust
-durf zeggen dat ik op mijn beurt ook eens zou willen gaan preeken.”
-
-Hilda stond op; het was laat geworden en zij moest uit eten.
-
-„Ik hou erg veel van die soort van preeken!” zeide zij lachend. „Mag ik
-er nog eens meer een komen hooren?”
-
-„Ik hoop, dat u heel dikwijls komen zult!” zeide Corona hartelijk.
-
-En terwijl Hilda naar huis ging, vreemd ontroerd door dien blik op een
-leven vol werk en strijd, dat haar nieuw was en boeiend scheen, zeide
-Marguérite van Arkel:
-
-„Ik geloof dat je gelijk hebt, Cora mia, er zit iets heel aardigs in
-dat meisje. Het zou zonde van haar zijn, als zij verloren ging in het
-fladder-leven van niets-doen.”
-
-„Ik geloof het ook! Heb je nog iets dieper met haar kunnen gaan dan de
-gewone praatjes?”
-
-„Ja, het kwam zoo van zelf. Zij vroeg hoe je aan de Madonna kwam, en
-toen heb ik haar het heele verhaal van mijn ziekte gedaan.”
-
-„En geloof je dat het haar pakte; dat zij het begreep?”
-
-„Ik geloof het zeker. Maar hoe heb je haar gisterenavond in dat korte
-oogenblik eigenlijk zoo ineens ontdekt onder al die menschen?”
-
-„Ik had al van haar gehoord door mevrouw Cranz en door Gladys van
-Praege, en gisteravond viel het mij op, hoe koel zij was tegen den
-jongen Cranz, die haar blijkbaar erg het hof maakte, en toen begreep ik
-dat zij bepaald anders moest zijn, dan de meeste, om zoo’n prachtige
-partij niet vriendelijker te behandelen.”
-
-„Misschien was het koketterie?” zeide Marguérite aarzelend.
-
-„Neen, Maggy, dat kun je toch wel dadelijk zien, ze ziet er niet uit
-als een kokette, vindt je niet?”
-
-„Neen, maar met die echte uitgaan-meisjes kun je ’t nooit weten, ze
-zien er soms zoo lief en onschuldig uit en ondertusschen ....”
-
-„Nee!” zeide Corona warm, „van die comediantjes heeft Hilda heelemaal
-niets. En dan toch Maggy, al kunnen die listige onnoozelheidjes ook nog
-zoo makkelijk haar dupes onder de heeren maken, geloof je dat wij er
-ooit een van beiden zouden inloopen? Vrouwen zien onder elkaar zoo
-oneindig scherp.”
-
-„Ja, dat is waar, en je zult wel gelijk hebben dat Suylenburgje beter
-dan de meesten is, eigenlijk geloof ik het zelf ook wel, en wij kunnen
-ons best voor haar doen, maar geloof je heusch, Cora dat het ooit
-gelukken zal om een meisje uit die wereld tot werken te krijgen?”
-
-„Wij moeten het in elk geval probeeren. Het kan niet lang duren of zij
-zal zich onbevredigd gaan voelen. Misschien doet ze ’t nu al, en dan
-zullen we zien! Het moet er toch eenmaal toe komen dat de rijke en
-voorname vrouwen aan het werk trekken. De vrouwenzaak zou er zoo
-oneindig hooger door worden wanneer principes en niet alleen meer
-geldnood de meisjes aan den arbeid deed gaan!”
-
-„Amen!” zeide Marguérite. En in een elan van dartele teederheid hare
-beide armen om Corona heenslaande:
-
-„O! Corretje, ik wou dat ik rijk was! Niet meer om naar ’t hof te gaan
-in wit satijn met parelen, maar om een groote school op te richten waar
-ik meisjes tot geëmancipeerde vrouwen zou willen opvoeden! Zie je, niet
-zoo als de domme wereld van ons denkt als we van emancipatie spreken,
-dat we vrouwen tot mannen willen maken, maar vrouwen tot waarachtige
-vrouwen, niet meer, zooals nu de meesten zijn opgevoed tot vrouwelijke
-kinderen, die alleen maar lichamelijk volwassen zijn. En dan zou ik aan
-de heele wereld willen zeggen: zie jullie het wel? Ik ben schatrijk en
-toch blijf ik „schoolmamzel”. Het is heerlijk om elken dag een vaste
-taak te volbrengen, waar je in geloofd en waar je je geschikt voor
-voelt. Heerlijk om trotsch te zijn, op ernstig plichtgetrouw werken!”
-
-Corona bukte zich, zachtjes glimlachend, en kuste haar op het
-voorhoofd. Toen, met een vreemd vertrekken van pijn in haar bleeke
-gezichtje fluisterde zij:
-
-„Blijf je bij mij eten, lieveling? Ik wou je spreken .... Ik wou je
-laten lezen ..... Ik heb een brief van Frank .....”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Sedert Edwards thuiskomst was er in huis een vroolijke gezelligheid
-gekomen die Hilda er tot nog toe niet gekend had. Niet dat hij zooveel
-thuis was: Scheveningen en zijn nieuwe rijpaard namen hem een groot
-gedeelte van den dag in beslag, maar aan tafel, nu de stilte van het
-zomerseizoen begon en men dikwijls alleen onder elkaar was, vulden zijn
-komieke verhalen en grapwoorden heel wat stille oogenblikjes aan.
-
-Mijnheer van Starren vertoonde zich meer in den huiskring, mevrouw
-scheen minder koelvormelijk als Eddy haar liet lachen en met Corry kon
-hij stoeien langs de trappen en door de kamers als een paar jonge
-honden. Alleen Eugénie was in zijn bijzijn nog scherper in haar
-replieken dan vroeger. Woorden van boosaardige geestesscherpte, van
-wreed koud spotten en hatelijkheden in bedekte termen werden er
-voortdurend tusschen hen gewisseld. Het was een antipathie die zich
-reeds als kinderen bij hen had doen gevoelen, en die zich bij het
-groeien van hun vernuft en het zich weinig ontwikkelen van hun
-gemoedsleven noodwendig moest accentueeren. Maar Eugénie bleef den
-laatsten tijd veel alleen op haar kamer en haar afwezigheid, misschien
-nog meer dan Edwards bijzijn, gaf iets van rust en gezelligheid in de
-huiskamer.
-
-Veel zat zij alleen, maar niemand bekommerde er zich over wat zij daar
-eigenlijk al die uren uitvoerde. Niemand nam er eenige notitie van als
-zij zoo lang wegbleef en niemand wist dat zij dan soms stil
-ineengezonken, uren lang in haar stoel zat, hopeloos dof voor zich
-uitstarend met een slap slaperig gevoel in haar hoofd, alsof het leeg
-was, tot haar oogen toevielen en onder de neergeslagen wimpers tranen
-weggleden en de bovenlip zich met kleine kramptrekjes optrok als van
-lachen, akelig lachen. Soms ook zat zij te lezen met brandend roode
-vlekken van inspanning op de wangen, voorover gebogen, ademloos het gif
-inzuigend van romans uit een leesbibliotheek, die zij zorgvuldig, zelfs
-voor Corry, verborgen hield. En als zij dan beneden kwam in gezelschap,
-soms mat en klagend over hoofdpijn, soms koortsig opgewonden, was er
-niemand die acht gaf op die vreemd afwisselende stemmingen.
-
-De huisgenooten vonden haar lastig en prikkelbaar, maar niemand
-verdiepte zich in de oorzaak daarvan. In hoeveel gezinnen leven niet de
-familieleden geestelijk verder van elkander verwijderd, dan wanneer zij
-vele dagreizen van elkaar gescheiden waren? Wat zij aan zouden doen,
-waar zij heen zouden gaan, om zich te amuseeren, en wat zij af te
-keuren vonden in hun wederzijdsche kennissen, dat waren de eenige
-punten van belangstelling in elkaars voelen en denken, die de van
-Starren’s kenden.
-
-Juni was heet en droog dat jaar. Brandend scheen de zon op de
-kiezelpaadjes van den tuin en honderde rozen kaatsten de stralen terug
-in verblindenden kleurengloed. Hilda en Corry zaten in de veranda,
-warme geurende lucht stroomde bedwelmend binnen, maar de groote
-marquise hield den zonnegloed buiten en met de donker gehouden
-tuinkamer tot achtergrond, de afhangende varens, de beide meisjes in
-haar lichte zomerkleedjes, lag er iets feestelijk rustigs in de geheele
-omgeving.
-
-„Hê, wat heb jullie ’t hier lekker! Zeg meisjes, twee nieuwtjes, is dat
-niet veel voor zoo’n snikheeten morgen, dat je al je verstand voelt
-wegsmelten?”
-
-Edward wierp zich languit op de rieten sofa. Keurig, bijna fatterig zag
-hij er uit in zijn nieuw fluweelen rijpak, met de lichtgele, leeren
-slopkousen, toegegespt tot aan de knie en de kokette jockeypet, waarop
-hij ijdel was als een kostschoolmeisje.
-
-„Twee nieuwtjes, Eddy?”
-
-„Ja, eigenlijk zelfs drie, maar dat derde beteekent minder voor jullie,
-dat is alleen maar, dat Maarten van Hervoren weer een goeie betrekking
-gekregen heeft, en nog wel hier in de stad, aan de fabriek van Lagrange
-en Co.”
-
-Een zacht gichelen liet zich in de donkere achterkamer hooren, waar
-Eugénie en Betty de Mureaux bij de piano muziek aan het doorbladeren
-waren. Edward sprong op:
-
-„Neem me niet kwalijk, freule! Ik had u in de schemering niet zoo gauw
-gezien.”
-
-„Toch geen godenschemering?” vroeg Betty, op den klank afgaande, want
-zij had geen flauw besef wat het woord beteekende.
-
-„Een godinnenschemering!” zeide Edward met de mooiste buiging uit zijn
-flirtrepertoire, maar zijn koel ironische glimlach zeide het
-dubbelzinnige van zijn antwoord.
-
-Betty echter nam het als een compliment op en lachte een behaagziek
-lachje.
-
-Het was een klein dik meisje met zwaar plompe bewegingen. Het dunne
-gladde haar, licht blond, was van achteren in een armoedig knoopje
-gewonden, het geheele gezichtje, wasachtig rose, onbeduidend, had Hilda
-dikwijls herinnerd aan een boerennaaistertje te Suylenburg. Het waren
-de zware vormen van den landbouwstand, de matte teint en de stijve
-bewegingen van een zittend leven en zij had zich verwonderd hoe deze
-erfgename van het oude refugié-geslacht, dat zich sinds eeuwen in
-weelde had kunnen verfijnen, dit grove type kon aanbieden. Toch hield
-zij wel van Betty, iedereen hield van haar. Zij was zoo goedig en
-zacht, vooral onder meisjes alleen, want als er heeren bij waren, had
-zij soms iets nerveus dat haar onnatuurlijk maakte.
-
-„Maar vertelt u nou gauw uw nieuwtjes, of zijn het geheimen voor mij?”
-zeide Betty, met een poging in haar fletse oogen om schalks te kijken.
-
-„Nee, zeker niet freule, ze zullen u ook interesseeren, denk ik. Wel,
-het eerste is, dat Valérie Vermaezen begin September trouwt op hun
-buiten te Wassenaar, en dat er groote feesten komen, waar iedereen op
-gevraagd wordt.”
-
-„Hoe aardig!” riep Corry bijna juichend. „Zij was eerst van plan om in
-November te trouwen en dan hier in de stad, maar buiten zal het veel
-aardiger zijn!”
-
-„Nou, dat groote nieuws had ik jullie ook wel kunnen vertellen! Als of
-ik, die haar bruidsmeisje zal zijn, dat niet al lang wist!” Eugénie
-zeide het met tergende minachting.
-
-„En waarom vertel je het dan ook niet? Je bent altijd zoo gewichtig en
-geheimzinnig, als je zoo iets hoort!” zeide Edward, boos dat zijn
-nieuwtje bekend was.
-
-„Och, ik vind dat nou zoo belangrijk niet. Ik maak niet zoo’n drukte
-over zoo’n bruiloft.” Koud sarrend, uit de hoogte klonk Eugénie’s
-antwoord.
-
-Edward stoof op.
-
-„En wat vindt de freule dan wél belangrijk? Wat is er ooit belangrijk
-voor vrouwenhersens, dan de partijen die er zullen zijn en de
-toiletten, die zij zelve en haar vriendinnen zullen aanhebben en de
-heeren die ze daar zullen ontmoeten? Dat is jullie heele leven! En dat
-geeft zich dan nog airs van zoo’n trouwfeest niet hare aandacht waardig
-te keuren.”
-
-Betty zag vleiend teeder tot hem op, maar hij lette niet op haar.
-
-„Maar mijnheer van Starren, waarom spreekt u nou zoo in ’t algemeen?
-Corry en ik vonden uw nieuwtje heel belangrijk. En dan .... wij stellen
-toch ook nog in een heele boel andere dingen, dan die u daar opnoemde,
-belang!”
-
-Eugénie en Edward stonden tegenover elkander, elkaar strak uitdagend
-aanziende; hij vuurrood in die machtelooze drift, waarin Eugénie hem
-telkens wist te prikkelen, zij zeer bleek, het hoofd achterover, de
-koude oogen, de opgetrokken bovenlip éen tergende minachting. Buiten
-zich zelve barstte hij uit:
-
-„Nou, die heele boel andere dingen zullen allemaal wel even interessant
-zijn als de japonnen kwesties. Alsof dames zich ooit interesseerden
-voor ernstiger dingen! Daar hebben ze immers geen hoofd en geen tijd
-voor! Zooals Schopenhauer zegt: de vrouw is maar een tusschenwezen,
-tusschen man en kind!”
-
-Driftig, persoonlijk beleedigend, slingerde hij zijn woorden naar
-Eugénie.
-
-„Maar, dat moet u ons niet verwijten, dat kunnen wij toch niet helpen!”
-riep Betty koket pruilend. Het scheen niet in haar op te komen, dat
-Schopenhauer’s uitspraak minder juist kon zijn.
-
-„Eddy, Eddy, wat hol je door!” Zacht legde Hilda haar hand op zijn arm.
-
-„Edward, lieve jongen, je bent een echte parvenu!” zeide Eugénie ijzig
-kalm.
-
-Het kwam striemend op hem neer, hem treffend in zijn teerste gevoel.
-Sinds maanden was al wat chic en elegant was, zijn hoogste streven
-geweest, met jonge naïviteit had hij genoten van het bewustzijn een van
-Starren te zijn, en rijk en voornaam.
-
-„Hoe meen je dat?” vroeg hij onthutst, heftig kleurend.
-
-„Parvenus, beste jongen, zijn menschen die een weelde hebben verworven,
-die zij nog niet sterk genoeg zijn, om in volkomen evenwicht te dragen.
-En nu schijnen het dons op hun bovenlip en een hoopje boeken in hun
-hoofd voor sommige jonge heeren zulke verbazende schatten te zijn, dat
-zij die niet zonder bluf kunnen bezitten en op iedereen neerzien, die
-het niet zoo ver kan brengen. Later als je er wat aan gewend bent, zul
-je dat parvenuachtige superieurvoelen wel afleeren.”
-
-Betty de Mureaux stond op, pijnlijk verlegen onder dat gekibbel en haar
-afscheidnemen voorkwam een nieuwen uitval van Edward.
-
-Hilda liet haar uit en toen zij weer binnen kwam, waren de beide
-meisjes verdwenen en Edward stond in de veranda te bladeren in het
-boek, waarin zij had zitten lezen. Hij was nog woedend.
-
-„En Eddy, nou het tweede nieuwtje!”
-
-Hij keek op, wantrouwend. Haar oogen waren groot open, vol
-vriendelijkheid, zonder leedvermaak over Eugénie’s vernederende
-terechtwijzing.
-
-Dat scheen hem op eens tot rust te brengen, weer in zijn goed humeur.
-
-„Kan het je heusch iets schelen?”
-
-Hilda stelde op dit oogenblik er meer belang in, om zijn gekwetst
-gevoel te verzachten, dan in hetgeen hij te vertellen had, maar lachend
-knikte zij ja.
-
-„Wel, ik heb vanmorgen een invitatie gekregen van Lord Hampden, je weet
-wel, dien ik aan de Riviera heb ontmoet, om van den winter op zijn
-jacht mee naar Japan te gaan.”
-
-„O Eddy, hoe heerlijk!” riep zij hartelijk.
-
-„Ja, maar nou de meisjes het toevallig niet gehoord hebben, moet je er
-maar liever met niemand over spreken, want ik denk dat papa het niet
-makkelijk goed zal vinden. Hij rekent er zoo stellig op, dat ik nou ga
-studeeren, en daarom zal ik m’n nieuwtje maar liever tot Augustus voor
-me houên, tot we kamers gaan zoeken in Utrecht. Dan is het nog tijd
-genoeg om met het gezanik te beginnen. Maar Hildy, waar haal je dat
-boek vandaan?”
-
-„Ik heb het van Corona geleend. Het is prachtig, ik zou willen dat
-iedereen het las.”
-
-Edward glimlachte, zijn aangeleerd quasi voornaam cynisch glimlachje,
-dat hij had afgezien op reis van oudere mannen, die het leven waarlijk
-cynisch had gemaakt.
-
-„L’Histoire morale des femmes, Legouvé. Zoo, lees je over
-vrouwenemancipatie! gut Hildy, ga je daar toch maar niet mee
-vermoeien.”
-
-„Waarom niet?”
-
-Edward schudde het hoofd.
-
-„Je krijgt het toch niet gedaan, dat de meisjes zich wezenlijk gaan
-interesseeren voor de groote vraagstukken van onzen tijd, en dan is het
-maar beter dat ze niet te veel over vrijheid en rechten hooren.”
-
-Hilda zag in de verte naar den zonglanzenden tuin. Daar fonkelden de
-donker roode rozen en de geelwitte met mat zijden reflets, alle hadden
-groote scherpe doornen, en daar was het koele schaduwplekje onder de
-kastanje, en verder was alles gehuld in het levenbrengende licht. Dat
-was de wereld met licht en schaduw, met pijn en vreugde en hier binnen
-heerschte voorname schemer. De marquise scheidde die beide werelden.
-Als de marquise werd opgetrokken op dit oogenblik, zou de veranda juist
-zijn als de tuinen daarbuiten, vol scherp licht en zwarte schaduw. Kon
-ook die andere marquise, geweven uit onverschilligheid, onkunde,
-wuftheid en fatsoen, in wier droomerig schemerlicht de meeste dier
-vrouwen nu voortsuften, die niet door nood het leven in waren
-gedrongen, niet ook eens opgetrokken worden? Dan zouden vanzelf de
-sluimerende verandabewoonsters wakker worden en zich midden in het
-leven voelen, niet meer als daar buiten staande toeschouwsters.
-
-„Waarom zouden meisjes geen belang kunnen leeren stellen in de
-vraagstukken van haar tijd? Ik doe het toch ook wel.”
-
-„Ja, maar jij bent ook een uitzondering, die den regel bewijst.”
-
-„Dat geloof ik niet, ik heb alleen maar een beetje ruimer en ernstiger
-opvoeding gehad. Ik geloof zeker dat, als er nu bij de meeste vrouwen
-nog zoo weinig belangstelling is, dat komt omdat men haar geleerd heeft
-dat het lief en braaf en vrouwelijk is, om zich niet te bemoeien met
-dingen van algemeen belang. Want aan alle groote bewegingen die haar
-tijd in beroering brachten, het Christendom, de Fransche revolutie, de
-Amerikaansche slavenemancipatie, enz., enz. hebben de vrouwen altijd
-met hartstocht deelgenomen, en tegenwoordig is er toch ook eigenlijk
-geen eene ernstige beweging op welk gebied ook, die niet haar
-vrouwelijke kampioenen heeft.”
-
-„Nou, ik geloof toch nooit dat je er zulke meisjes”—met een hoofdknik
-wees Edward naar de plaats waar zooeven Betty de Mureaux en zijn
-zusters gestaan hadden—„toe krijgt om zich voor iets anders dan haar
-prulbelangetjes te interesseeren. En dat is immers maar goed ook, de
-wereld kan het best zonder ze stellen.”
-
-„Nee, ’t is volstrekt niet goed! al die millioenen onverschilligen
-werken zoo belemmerend voor ieder die een beetje vooruit wil! ’t Zijn
-net wollen dekens waar elke kreet van enthousiasme of verontwaardiging
-in gesmoord wordt. Elk mensch behoorde zich tenminste voor één van de
-problemen, die dezen tijd in ontroering brengen, warm te maken! en voor
-de vrouwen zelf zou het ook zoo’n boel beter zijn als ze aan alles
-deelnamen.”
-
-„Geloof je? Nou ik weet het niet hoor! voor haar zelf zou het ze maar
-pedant maken als ze overal in wouen mee praten en geloof je nou heusch,
-dat er zoo veel reden tot verontwaardiging is? Ik vind het toch nog zoo
-kwaad niet, in de wereld.”
-
-Hilda lachte.
-
-„Nee, in zoo’n mooi pakje, met zulke prachtige rijlaarzen en een
-heerlijk egyptisch cigaretje, is het voor jou ook heusch „nog zoo kwaad
-niet.” Maar als je vindt, dat de toestanden wezenlijk goed zijn, dan
-zou ik haast zeggen, dat jij je ook nog niet hard voor de vraagstukken
-van je tijd hebt geïnteresseerd!”
-
-„Je bent veel te bijdehand, Hilda.”
-
-Zij lachte weer haar zachten zonnigen lach, die altijd ontwapende, maar
-toen heel ernstig:
-
-„Nee maar, heusch, Eddy, geloof je nou ook niet, dat Eugénie
-bijvoorbeeld heel anders zou zijn als zij iets had, dat haar leven
-vulde, waarvoor zij haar intelligentie nuttig kon gebruiken, dat haar
-afleidde van haar eigen kleine bittere gedachtetjes? Ik geloof, dat zij
-dikwijls zoo onaangenaam is, alleen omdat ze niet weet, wat ze met zich
-zelf moet aanvangen.”
-
-Edward zag haar even strak verwonderd aan. Hij had er zich nooit
-rekenschap van probeeren te geven, waarom Eugénie zoo hatelijk in haar
-eigen kring, zoo lief en geestig bij vreemden kon zijn.
-
-„Laat ze dan trouwen, dat is toch het natuurlijkste voor een meisje.
-Dan heeft ze bezigheid en afleiding.”
-
-Hilda trok de schouders op, ongeduldig over het eeuwige argument.
-
-„Zij kan toch zoo maar niet eens trouwen, bij wijze van een bezigheid
-te zoeken! Er dient zich toch ook eerst een partner voor te doen.”
-
-Edward lachte zijn ruwen lach:
-
-„Ja, dat is waar! Het arme kind! Na al die jaren nog geen man kunnen
-vinden, en toch zoo veel kleedgeld, en zooveel lieve lachjes! De jacht
-schijnt moeielijk tegenwoordig! Zeker weinig wild.”
-
-Hilda kleurde onder zijn grove woorden, en even had zij lust om weg te
-loopen. Toen zeide ze warm:
-
-„Eddy, hoe kun je nou toch zoo iets zeggen? Dat is juist de ellende van
-den heelen toestand. Als wij dringend wijzen op de wenschelijkheid van
-te werken, van deel te nemen aan alles wat in de wereld omgaat, dan
-zegt men ons: Trouw! het huwelijk is de plicht en de plaats van de
-vrouw! Maar o wee, als we dan toonen dat we graag trouwen willen, dat
-we ons best doen om die plaats te veroveren, die ons geleerd is onze
-uitsluitende bestemming te zijn! Het is een contradictie, die als een
-vloek over het bestaan van het jongemeisjesleven ligt. Trouwen is de
-bestemming! Ja maar om die bestemming te bereiken mag men geen hand
-uitsteken zonder ridikuul, bijna verachtelijk te zijn, terwijl het toch
-in de natuur ligt van elk jong mensch om te streven naar wat zijn
-bestemming heet te zijn! Waarom leert men ons niet liever: „Werk en
-wees nuttig, hetzij in, hetzij buiten het huwelijk, ontwikkel je gaven!
-Overal kun je nuttig zijn als je een goed en verstandig mensch bent.
-Overal in de wereld is er behoefte aan consciëntieuze arbeidsters!” Dat
-is iets waar iedereen naar streven kan, begrijp je? dat ligt in ieders
-macht. Als ze dat aan de meisjes leerden zouden zij vroolijk en dapper
-aan het werk kunnen gaan in plaats van nou onbevredigd te zitten
-hunkeren.”
-
-Edward zag haar even aan, heel ernstig nu, blijkbaar gefrappeerd. Toen
-keek hij weer in het boek en bleef bladeren terwijl Hilda zachtjes op
-en neer wippend in haar schommelstoel hem heimelijk bestudeerde.
-
-Van den beginne af aan had zij geloofd dat er onder zijn jongensbluf,
-veel goedhartigheid en intelligentie scholen. Maar hoe langer hoe meer
-had zij sterk het gevoel dat het heel jammer van hem was als hij zoo
-voortging op dien weg!
-
-Op eenmaal stond hij weer voor haar.
-
-„Hildy geloof je dat het uit is tusschen Rooselaar en Corry?”
-
-Hilda zag zeer ernstig.
-
-„Ik weet het niet, maar ik vrees dat ze verschrikkelijk met hem
-gespeeld heeft en nog speelt. Eergisteren aan het strand kwam hij ons
-aanspreken en was ze weer erg lief tegen hem. Ik had kunnen huilen toen
-ik zag hoe gelukkig ie daardoor was, en gisterenavond, je hebt zelf
-gezien hoe ze toen weer met von Görtzen deed!”
-
-Edward draaide zich in eens om: „Verdomd!” zeide hij tusschen zijn
-tanden en liep fluitend den tuin in.
-
-Hilda zag hem na, en voor het eerst voelde zij iets als vriendschap in
-zich opwellen voor een van haar huisgenooten.
-
-Eugénie had gelijk: Hij was nog parvenu, parvenu van geest en van
-leeftijd, pedant en overmoedig, maar hij kon tenminste nog ernstig zijn
-en onder zijn geaffecteerd cynisme lag waarschijnlijk meer gemoed dan
-onder de snoezigste glimlachjes van zijn zusters.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Dokter van Oven’s coupétje had lang staan wachten voor het
-Diaconessenhuis van Bronovo. Corona had er een paar zware patiënten en
-het was al bij half elf toen zij vlug de trappen afkwam en onder het
-instappen den koetsier toeriep:
-
-„Pankaert van Hozen.”
-
-Het rijtuig rolde weg, de caoutchouc banden verdoofden het geluid,
-alleen de hoefslagen van het paard klonken snelvolgend en licht over de
-Laan van Meerdervoort. In de van Speykstraat voor een der kleine
-bovenhuizen met smal gele deur hield het coupétje stil. Corona was al
-op de stoep en belde, even in haar notitieboekje naziende waar zij
-vervolgens naar toe moest gaan.
-
-De deur werd open getrokken en boven aan de trap stond een oude vrouw,
-gebukt, met zwakke oogen naar beneden turend en vrij onvriendelijk
-roepend:
-
-„Wie is daar?”
-
-„Ik ben het, mevrouwtje! Ik kwam nog es even zien hoe het gaat,”
-antwoordde Corona onder het klimmen.
-
-„O dokter, hoe lief van u. Ik zag u zoo gauw niet. Neemt u me niet
-kwalijk! Het is veel beter en Belle zal erg blij zijn.”
-
-Het was een lange magere vrouw. In het ingezonken verlepte gezicht
-waren nog sporen van vroegere schoonheid, in de houding, de beweging
-waarmede zij Corona binnen leidde lag nog een spoor van vroegere
-hoogheid, maar de ruwe handen met korte dikhoornige nagels, het
-vuilzwarte kleed met het ros geworden tresband spraken van
-tegenwoordige ellende. Van ellende, van pijnlijke, fatsoenlijke ellende
-sprak ook de kleine suite waar Corona nu inging. Een paar groote
-mahoniehouten meubels, die blijkbaar hun diensttijd in veel ruimere
-omgeving begonnen waren, vulden het grootste gedeelte der kleine ruimte
-met aanmatigende leelijkheid. In een hoek stond een tafel, glad
-blinkend geboend, met allerlei fotografieën en kleine kunst- en
-waardelooze ornamentjes, een jammerlijke imitatie der kostbare etalages
-in rijke salons. Een paar groote gravures van academischen wansmaak,
-voorstellende: geloof, hoop en liefde en een schildersgroep uit de
-zeventiende eeuw, trokken de aandacht naar het burgerlijke behangsel;
-aan den anderen wand hingen een paar teekeningen naar de gewone
-ouderwetsche voorbeelden: een bouwvallig huisje bij een waterval en een
-paar smachtende jonge dames met rozen in de hand, die een kapel
-nastaren. Zij waren voluit onderteekend met groot kinderlijk schrift:
-Charles Pankaert van Hozen.
-
-Aan de tafel, midden in de kamer, met het roode tafelkleed, waarop zich
-akelig zwarte bloemen kransten, zat een bleek schepseltje, een groote
-mand met maaswerk vóór zich. Bij Corona’s binnenkomen sprong zij op,
-kinderlijk onstuimig haar omhelzend, en toen, half verlegen, half
-dwepend opgetogen zich tegen haar aan vleiend:
-
-„Hoe lief van u, ik was al bang, dat u niet meer komen zoudt, toen het
-zoo laat begon te worden.”
-
-„Dwaas kindje! Ik had het immers beloofd! En het is maar goed ook, dat
-ik kom zien, of je zoet bent. Is dat nou werk voor een herstellende?
-Mevrouwtje, u moest uw dochter wat beter onder den duim hoûen, en haar
-niet toestaan, om zulk fijn werk te doen.”
-
-Isabelle kleurde, het bleekrose anemische kleurtje, dat telkens ging en
-kwam. Onrustig glimlachend zag zij naar haar moeder op. Het was een
-klein tenger gebouwd meisje, wier teere vormen en sluik vaallicht haar,
-haar veel jonger deden schijnen dan haar een en twintig jaar. Vóór op
-het voorhoofd waren een paar dunne armoedige vlokjes, kunstmatig tot
-kroezen gedwongen, de mond was groot, niet mooi met de bleeke
-bloedelooze lippen en leelijke tanden, de neus klein en dik gezwollen,
-en de oogen, haar eenige schoonheid, vriendelijke zachtgrijze oogen,
-waren met roode randen. Zij was het type van het bloedarme scrofuleuze
-aristocratenkind, de laatste uit een geslacht, waarvan sinds vele
-generaties de vrouwen door ongezonde kleeding en verweekelijking, de
-mannen door elegante zonden hun levenskrachten hebben uitgeput. Corona
-had er velen zoo onder haar praktijk, maar hier was de toestand nog
-dubbel treurig, omdat de middelen ontbraken, om een beetje nieuw leven
-aan het kwijnende plantje te geven.
-
-„Gelooft u wezenlijk, dat het haar vermoeien zal?” vroeg mevrouw
-Pankaert. „Het zijn sokken van Charles, hij heeft er al tweemaal om
-geschreven. Door Belle’s ziekte is alles blijven liggen en ik kan het
-niet meer zien met m’n ouwe oogen.”
-
-„Wat is het fijn!” zeide Corona, de sok waaraan Belle bezig was,
-opnemend.
-
-„O! ik stop het ook maar, als de gaten een beetje groot zijn. Mazen zou
-niet te doen zijn, en Charles kan geen grove velen.”
-
-Corona schudde het hoofd.
-
-„En heb je trouw melk gedronken en elken dag naar Scheveningen
-geweest?”
-
-Het meisje kleurde weer, met een hulpeloozen blik op haar moeder.
-
-„Ik zal u zeggen dokter, elken dag is wat veel. Het wandelen vermoeit
-haar nog zoo en trammen loopt zoo op.”
-
-„Ik wou dat ze zeebaden ging nemen, dat zou erg goed voor haar zijn en
-misschien is ze dan tegen den winter weer heelemaal flink.”
-
-„O! ik zou het heerlijk vinden dokter, ik heb er altijd naar verlangd
-om es in zee te gaan. Maar het zal moeielijk zijn, nietwaar moeder?
-Charles heeft van den winter een nieuwen rok gehad en gisteren vroeg
-hij weer erg dringend om geld. En zeebaden zijn zoo duur!”
-
-Mevrouw Pankaert zuchtte zwaar.
-
-„Als het moet, zal het natuurlijk gebeuren, kind. Maar het zal
-misschien ook wel zonder kunnen. Later als Charles klaar is en zelf
-verdient, dan kunnen we voor je gezondheid gaan leven.”
-
-Corona glimlachte treurig. Zij, die aan zoovele sterfbedden gestaan
-had, kende de ijdelheid van het woord: „later.”
-
-„Hoe gaat het met Charles? Hoe ver is ie nu al?”
-
-„Hij maakt het best. Het volgend jaar hoopt ie zijn doktoraal te doen.”
-Iets warm gelukkigs kwam in haar oude oogen, als mevrouw Pankaert over
-haar zoon sprak.
-
-„Het volgend jaar pas? Ik dacht ....”
-
-„Ja, misschien had ie het wel iets vlugger kunnen doen, maar u
-begrijpt, zoo’n jong mensch moet toch ook wat genieten van zijn jonge
-leven ....”
-
-Corona zag op eenmaal met de groote glansoogen tot haar op:
-
-„Dat ben ik met u eens mevrouw, dat jonge menschen zooveel mogelijk,
-vóór de zorgentijd komt, van hun jonge leven moeten genieten. Maar als
-u het zoo natuurlijk vindt, dat Charles zich daar in Utrecht amuseert,
-waarom vindt u het dan ook natuurlijk dat Isabelle hier dag aan dag
-flanelletjes zit te naaien en kousen zit te mazen en stil vreugdeloos
-in saaiheid voort leeft?”
-
-„Dokter!” riep de oude mevrouw bitter gegriefd. „Hoe kunt u nou toch
-zoo hard zijn. Als of ik niet mijn leven zou geven om Belle ook wat
-gelukkiger te maken! Maar u weet dat ik het geld niet heb!”
-
-„Uw leven is niet noodig, een beetje rechtvaardigheid tusschen uw zoon
-en dochter zou voldoende zijn!” zeide Corona met haar rustigen
-glimlach, waarmede zij gewend was de moeilijkste dingen te zeggen.
-
-„Dat kan men immers niet zoo uitmeten. Charlie is een man, die moet
-zijn stand ophoûen; wat wij vrouwen hier binnenshuis uitvoeren en hoe
-wij ’t hebben, gaat niemand aan. Hij is een man, hij moet het leven
-leeren kennen....”
-
-„Het leven leeren kennen!” herhaalde Corona haar strak aanziende. „Het
-leven dat u hem nu, ten koste van alle opofferingen in staat stelt te
-leeren kennen, kan misschien zijn gezondheid, misschien zijn teerste
-edelste voelen vernietigen, maar het leert hem niets van het
-waarachtige leven. Het is niet precies in café chantants, op
-rijpartijen en jolige avondjes dat men het Leven leert kennen! Het is
-komiek, die uitdrukking zoo opgevat. Misschien dat Isabelle, hier over
-haar maaswerk en met een boek naast zich, er nog meer van heeft
-verstaan dan hij.”
-
-„Maar wat wilt u dan toch dokter? Dat ik hem minder geld geef? Hij moet
-toch al zoo dikwijls tevergeefs vragen, de arme jongen.”
-
-„Vindt u het billijk, lieve mevrouw, dat terwijl Charlie misschien op
-dit oogenblik in Utrecht rond rijdt, Isabelle het te duur vindt om te
-trammen? of terwijl hij misschien nog slaperig is van den wijn van
-gisteravond, zij tegen de onkosten opziet om een beetje levenskracht in
-de zee te gaan halen?”
-
-Mevrouw Pankaert zat zwijgend voor zich uit te staren, met den strak
-harden blik van hen die niet overtuigd willen worden. Er werd gebeld.
-Zij stond op, verlegen:
-
-„Vergeef me, dokter, de meid is niet thuis.”
-
-En zij ging, de hooge hoekige gestalte stijf opgericht, inwendig
-woedend om Corona’s opmerking.
-
-Toen zij vertrokken was, legde Isabelle schuchter streelend haar handje
-op Corona’s arm.
-
-„Toe dokter, spreekt u nou maar nooit meer over die dingen tegen mama.
-Het doet haar zoo’n verdriet. Ze houdt heusch misschien wel evenveel
-van mij als van Charles, maar het is eenmaal zoo, overal immers, de
-zoon is numero één. Bij de van Stratens, bij de Horenraads, bij de
-Heyelaars en bij iedereen immers.”
-
-„Ja, dat weet ik wel, maar daar vecht ik er ook altijd tegen. Ik kan
-het niet verdragen! Hoe wil je het onrecht in de maatschappij
-tegengaan, als het in het huisgezin stelselmatig wordt aangekweekt?”
-
-„Weet u hoe het komt? Ik geloof dat zelfopoffering een van de hoogste
-deugden is en misschien is het daarom heel gelukkig voor de vrouwen,
-dat zij van kind af aan er in geoefend worden.”
-
-Corona nam het bleeke magere handje en kuste het even; toen zeide zij
-plagend:
-
-„Foei Belle, als je die deugd de hoogste vindt, mag je niet zoo egoïst
-zijn om ze alleen voor de vrouwen te houden, dan moet je er ook vóór
-zijn dat de jonge mannen er zich bijtijds in oefenen. Het hoogste mag
-je niet voor je zelf hoûen!”
-
-Isabelle glimlachte even, maar ging voort:
-
-„En dan .... misschien is er toch wel iets rechtvaardigs in, dat alles
-aan de opvoeding en de pret van de jongens wordt opgeofferd, want al
-verteren zij eerst wat meer, later moeten zij ook soms hun zuster
-onderhouden .....”
-
-Corona zag zeer ernstig.
-
-„Vind je dat rechtvaardig Belle? Dat, waar geen fortuin is, de man
-alleen in staat wordt gesteld om later behoorlijk in zijn onderhoud te
-voorzien, en het meisje in de vernederende pijnlijke positie wordt
-gelaten om later van de meer of minder delicate edelmoedigheid van haar
-broer af te hangen! Ken je de freules van Ysselen niet, hier, op haar
-bovenhuisje in de Da Costastraat? Groote hemel, wat een bestaan! En
-toch kan men het haar broer, met zijn eigen gezin niet kwalijk nemen
-dat hij niet méér voor haar doet. Voor hem zijn die zusters even
-bezwarend als het voor haar ellendig is om van hem af te hangen. En
-vind je dat rechtvaardig, Belle? en natuurlijk?”
-
-Isabelle wendde het hoofd om. Groote tranen zwollen op tusschen de
-neergeslagen oogleden en drupten langzaam op haar verschoten
-blauwkatoenen kleedje. Corona zag ze vallen, groote heete diamanten,
-geluidloos neerglijdend, als Belle’s leven zelf, rein, vol warme
-toewijding, zonder een enkele klacht wegvlietend. Zij hield nog altijd
-haar handje vast, en zij drukte en koesterde het in beide haar handen,
-zwijgend in grooten weemoed. Want dat was juist het smartelijke van
-haar taak, dat zij berusting, onderwerping prediken moest, bij de
-groote beproevingen van dood en lijden, die elk menschenleven moet
-doorworstelen, en zoo dikwijls vond zij daar bitterheid, wilde
-vertwijfeling. En daarentegen bij het leed dat geleden wordt, niet door
-de onvermijdelijke levenswetten, maar door bekrompen kleinmenschelijke
-opvattingen van conventie en fatsoen, en ouderwetsche ongerechtigheid
-tusschen geslachten en standen, dáár moest zij opstand en verzet
-prediken en ontmoette maar al te dikwijls energielooze dofheid.
-
-„Och dokter, het zou allemaal niks zijn, ik wil me immers wel voor
-Charlie opofferen, omdat mama het nou eenmaal zoo inziet, maar weet u
-wat ik nooit heb kunnen begrijpen en altijd vreeselijk hard zal
-vinden?”—zij hield even op, snakkend naar lucht om de opbruischende
-emotie te bedwingen—„dat is dat Charles wel vioolles heeft gekregen en
-dat mama mij geen zangles wil geven. Hij speelt nou zoo mooi, ik wou
-dat u hem eens kondt hooren! En mama is er zoo trotsch op! En verleden
-zei ze weer: Als een jongen muzikaal is hoort muziek bij zijn
-opvoeding! Maar voor mij vindt ze het te duur. En toch zou ik het zoo
-heerlijk vinden. Het is het eenige waar ik naar verlang. U moet het
-niet kinderachtig van me vinden, maar soms ’s avonds zing ik alleen op
-m’n eigen hokje boven van die lange tonen, die opzwellen en zachtjes
-wegvloeien, en dan is het net of al het donker vervelende uit mijn
-leven weggaat.”
-
-„Wil ik er straks nog eens met je mama over spreken? Maar ik heb het al
-es meer gedaan en het geeft niets.”
-
-„O! nee dokter, doet u het toch niet meer. Er is niets aan te doen, en
-u ziet immers dat ik zóó ook heel gelukkig en tevreden ben.”
-
-Maar de tranen, die op nieuw begonnen te stroomen, zeiden heel andere
-dingen. Toen gleed ze op eens voor Corona op den grond, het hoofd op
-haar schoot verborgen en zachtjes snikkend ging ze voort:
-
-„U moet het niet pedant van me vinden, maar ik geloof heusch dat ik een
-mooie stem heb gekregen, en als ik les had, zou ik later mijn geld
-daarmee kunnen verdienen, en dan zou ik niet afhankelijk van Charles
-hoeven te blijven, en later geen last voor hem zijn, en ik zou rijk
-worden en mama allerlei dingen kunnen geven, die ze nou niet hebben kan
-.... en ze zou niet meer zoo angstig naar een rijk huwelijk voor me
-hoeven uit te zien, want ik wil niet trouwen om maar geborgen te zijn
-.... en ik ben ook veel te leelijk om te trouwen .... Maar mama
-verlangt er zoo naar, en dat is zoo akelig .... en ik zou zoo graag
-willen leeren zingen, omdat het zoo verrukkelijk is ....”
-
-Op dit oogenblik kwam mevrouw Pankaert terug. Stroef, achterdochtig zag
-zij naar de omstrengeling der beide jonge vrouwen. Zij hield veel van
-Corona, in Belle’s ziekte was deze als een kleine voorzienigheid voor
-haar geweest, maar op het punt van Charlie, haar lieveling, werden zij
-het nooit eens, en de meerdere gelijkstelling die Corona eischte
-tusschen hem en Isabelle ergerde haar nog des te meer, omdat zij in
-stilte de rechtvaardigheid er van voelde. Zij bleef vlak voor de tafel
-staan en heel haar houding scheen te vragen: „Ben je, toen ik weg was,
-mijn dochter tegen mij aan het opstoken geweest?” Isabelle, ofschoon
-met den rug naar de deur gekeerd, scheen het als bij intuïtie te raden.
-Corona voelde een schrikschokje haar doortrillen toen haar moeder
-binnen kwam. Zij sprong op, haastig haar tranen drogend. Ook Corona
-stond op, de oude mevrouw met haar gewonen rustigen glimlach aanziende:
-
-„Ik zou mijn tijd nog verpraten en de andere zieken, die op me wachten,
-haast vergeten bij deze kleine meid. Maar laat ons nog eens even
-afspreken! Dus niet vermoeien, nietwaar? U ziet wel aan de
-waterlanders, mevrouwtje, dat de zenuwen nog lang niet sterk zijn. Niet
-langer dan vijftien minuten mazen, hoor, als Charles dan absoluut z’n
-fijne sokjes moet hebben, en dan stuur ik je morgen een
-abonnementskaart van twintig zeebaden om te beginnen, en een paar
-tramboekjes. Is dat goed? Zul je dan trouw baden?”
-
-Isabelle, verward, opgetogen, kleurend haar heftig opjagend en
-wegzinkend kleurtje van anemie, zeide niets, haar hoofd op Corona’s
-schouder. Weer zwollen er tranen op. Mevrouw Pankaert keek nog stroef.
-Het plotseling genereuze aanbod van Corona zag er uit als een verwijt
-voor haar zelve. Maar Charlie’s brief, daàr in haar sleutelmandje,
-stelde haar gerust. Hij, met zijn naam en uiterlijk en dolguitig
-karakter, kon niet zuiniger leven dan hij deed, en hij vroeg al weer om
-geld .... Belle’s ziekte had haar toch al meer gekost, dan waar zij op
-gerekend had in dit voorjaar, nee, ze was heusch niet in staat Belle te
-laten baden en dus kon ze het voor haar geweten gerust aannemen.
-
-Zij zag op. Corona keek haar aan, open en vriendelijk zooals
-gewoonlijk. Bij haar kon goedheid geen hatelijkheid beduiden, en in
-eens, ontwapend, met groote hartelijkheid, drukte zij haar bij het
-heengaan de hand.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Druk was het dien morgen geweest voor Corona, verscheidene zware zieken
-hadden haar grootste zorgen vereischt en toch was het beeld der kleine
-bleeke Isabelle haar bijgebleven. „Als ik dien Charles es ergens
-tegenkom, moet ik toch eens zien, of het jonge onnadenkendheid of
-bepaald grove zelfzucht is, dat hij die twee vrouwen zoo laat krom
-liggen voor zijn eigen amusementjes. Het zal wel, zooals bij de
-meesten, beide tegelijk zijn. Maar ondertusschen zal ik toch probeeren,
-om het meisje zangles te bezorgen.”
-
-Peinzend in de kussens geleund, zag zij het raampje uit. Daar liep
-Marguérite van Arkel, de kleine veerkrachtige gestalte in het
-kleurlooze kleedje. Zij zag op, met een blijden lach van herkennen, en
-riep den koetsier om even op te houden. Dit gebeurde heel dikwijls.
-Wanneer de beide vriendinnen elkaar zoo ontmoetten, stapte Marguérite
-meestal in, om even een grappig woord of een ernstige gedachte mee te
-deelen; soms reed zij een paar straten ver mee, soms ook stapte Corona
-uit en liepen zij samen een oogenblik voort, zich wederzijds
-verfrisschend in de altijd nieuwe bekoring harer vriendschap.
-
-„Cora mia,” zeide Marguérite onder het instijgen, „hoe gezellig, dat ik
-je juist heb getroffen. Ik liep net te lachen in me zelve, om een
-amusant tafreeltje, dat ik straks heb bijgewoond. Vandaag had ik maar
-tot elf uur les en na de school was ik bij mevrouw de Mureaux, om over
-litteratuur-lessen te spreken, die ik aan Betty geven zou.”
-
-„Wezenlijk? Dat kleine domme ding, litteratuur-les? Hoe komen zij
-daarbij?”
-
-„Ja, er moet een scenetje geweest zijn tusschen Betty en Hilda van
-Suylenburg. O! je moet hooren, het is heel grappig. Betty was begonnen
-te lachen, schijnt het, over een dame, die in Amsterdam in de
-philosophie moet zijn gepromoveerd en toen schijnt Hilda zich te hebben
-opgewonden en zich heftig te hebben uitgelaten over de onontwikkeling
-van de meeste meisjes, die zoogenaamd een „brillante educatie” hebben
-gehad, maar eigenlijk niets hebben gekregen dan ’n schijnvernisje van
-kennis om er de ontzettende leegheid van haar hersenen onder te
-verbergen. „Jullie weet niets dan wat talen, om in vier verschillende
-spraken dezelfde nonsens te spreken,” moet zij hebben gezegd, „maar wat
-in die talen voor groots en heerlijks is gesproken en geschreven, daar
-heb je zelfs geen vermoeden van”, en in ééne drift schijnt zij zoo te
-zijn voortgegaan. Natuurlijk is zij toen even heftig door Betty en de
-nichtjes van Starren en mama de Mureaux, die er allen bij waren,
-aangevallen, maar de jonge van Starren, die nog al invloed bij moeder
-en dochter de Mureaux schijnt te hebben, is in eens Hilda te hulp
-gekomen, door uit te schateren: „Diezelfde nonsens praatjes in vier
-verschillende talen en geen notie van de geweldige dingen die in die
-talen gezegd zijn. O! Hildy, die is goed! Dat is juist het type der
-volleerde jonge dame! Wat kun je toch grappig zijn!”—En daarmee schijnt
-het besluit te zijn genomen, om Betty met een extra litteratuursausje
-te overgieten.”
-
-Corona lachte, genietend in Marguérite’s levendig verhaal:
-
-„O! Maggy, wat een komieke, treurig komieke wereld toch!”
-
-„Ja, Corretje, maar nou komt nog het aardigste, nou moet je hooren! Ik
-was dan straks bij mevrouw de Mureaux, die me op het hart drukte, om
-haar dochter alles van de Fransche litteratuur te leeren, dat zij er
-flink over mee zou kunnen praten, maar vooral niets onordentelijks te
-laten lezen, omdat zij niet van emancipatie hield. Toen zegt Betty in
-eens met haar gemaakt onnoozel stemmetje: „Wat is toch eigenlijk
-vrouwenemancipatie, waar tegenwoordig zoo dikwijls over gesproken
-wordt, ma?”—„Wat dat is, kind?” zegt mevrouw, „ja, dat is nou zoo’n
-idee, om de vrouw mannelijk te maken en met ’n sigaar in den mond naar
-de stembus te laten gaan, terwijl de man thuis de kinderen verschoont.”
-En toen proestte ze het uit.”
-
-„Zei ze dat wezenlijk?” riep Corona, ongeloovig. Voor haar, wie de
-vrouwenkwestie hoogheilige ernst was, scheen Marguérite’s verhaal een
-grapje uit de Fliegende Blätter.
-
-„Ik verzeker het je, Cora? Ik kan het je plechtig verzekeren.”
-
-„En wat heb jij toen gezegd?”
-
-„Niets natuurlijk. Hoe kon ik nog iets toevoegen aan zoo’n meesterlijk
-geteekend beeld? Maar weet je wat, Cora? Nou moet jij ook een formule
-bedenken. Iets korts en duidelijks, om, als het weer es voorkomt, zoo’n
-vraag te beantwoorden.”
-
-Corona staarde peinzend voor zich uit. Weer zag ze Isabelle vóór zich,
-en daarnaast Charles Pankaert, zoo als zij hem een poos geleden, ’s
-avonds, toen zij laat terugkeerde van een consult te Amsterdam, had
-gezien met een troepje vrienden. Toen zeide zij, beheerscht door die
-twee beelden:
-
-„Vrouwenemancipatie beteekent vrijheid voor de beide geslachten, om in
-hun jeugdjaren te genieten van het leven. Niet de man alleen, terwijl
-het meisje in benauwde omstandigheden versuft.”
-
-„Maar Corretje, waar denk je aan? Al ons streven is juist om de vrouw
-wat beters te leeren dan pretzoeken in haar jeugd, dan die
-amusementenjacht waarin ze dikwijls haar beste jaren verliest, en wil
-jij nou ....”
-
-„Ik dacht niet aan de gefortuneerde vrouwen, ik dacht aan die massa
-families met bekrompen middelen, waar alles van de meisjes, opvoeding
-en genot, wordt opgeofferd aan de zoons. Ik ben vanmorgen bij Pankaert
-geweest, Maggy, en het ergert me telkens op nieuw.”
-
-„O, natuurlijk, die toestand is ook ergerlijk, maar de formule die ik
-van je hebben wou, Cora mia, moet op de geheele emancipatie slaan, niet
-op een gedeelte daarvan. Maar wat zijn we al ver doorgereden! Adieu,
-denk aan mijn opdracht hoor, de formule, goed zoeken!”
-
-Zij drukte op de knop, die den koetsier waarschuwde en vloog het
-coupétje uit, nog voor het heelemaal stilstond. Nog een vriendelijke
-blik der trouwe intelligente oogjes, nog een glimlach uit het rijtuig
-en beide jonge vrouwen gingen weer ieder haar weg, om de zware dagtaak
-met alle energie te volbrengen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Corona stond voor het open venster van haar stille werkkamer, en heel
-langzaam en diep ademde zij de zoet aanwaaiende avondlucht in. Er was
-een zwaar onweer gevallen, en aromatische geuren van uitwasemende
-planten en aarde stroomden frischheid en verkwikking in de kamer waar
-de zware hitte van den dag nog hing.
-
-Een gevoel van verlangen naar buiten, naar het wijde, lichte van den
-zomeravondhemel vervulde haar. Haar kamer leek haar zoo klein op eens,
-en zoo stil, en de stilte, die zij er anders zoo lief had, maakte haar
-nu benauwd.
-
-Het gaf haar een vreemde bangheid van eenzaam zijn, toen ze daar zoo
-stond. Waarom kwam Marguérite niet es even aan? Als zij maar met iemand
-had kunnen praten, zou het wel over zijn gegaan. Zoo heel alleen is
-toch treurig! dacht zij, ik moest toch maar met Maggy gaan samen wonen!
-Maar in de groote gewoontemacht van haar streng, zelfbeheerscht leven,
-ging ze zooals altijd aan het werk en weldra zat ze met alle aandacht
-zich verdiepend in een Duitsch medisch geschrift, dat ze zich
-voorgenomen had dien avond uit te lezen.
-
-Eindelijk na een doodstil uur van werken, kwam de meid haar storen:
-
-„Dokter, hier is een brief voor u, en de koetsier vraagt, hoe laat ie
-vanavond vóór moet zijn?”
-
-Corona nam den brief, en een gevoel van jubelende vreugde doorhuiverde
-haar, toen zij de hand herkende. Het waren maar een paar regels:
-„Liefste, zooeven ben ik hier aangekomen, kun je me om half negen
-wachten?”
-
-Frank.
-
-
-
-„Zeg aan Jacob, dat ie onmiddellijk vóór komt, ik ga dadelijk uit
-Marijken, en als er soms bezoek voor mij komt in dien tijd, laat dan
-wachten, ik ben vroeg terug.”
-
-Toen stond ze weer voor het raam. Warm doortrilde haar de heftig
-opgewekte ontroering. Zij zag op haar horloge. Het was bij achten. Als
-Jacob wat hard aanreed, en zij ging alleen bij de ernstigste zieken,
-kon ze wel ongeveer half negen thuis zijn. „De anderen zal ik vanavond
-dan maar laten. Daar is niets geen bezwaar bij,” zeide ze bij zich
-zelve, en zij dwong zich, niettegenstaande de opwinding, die telkens
-met bedwelmenden gloed in haar opsteeg, nauwkeurig haar notitieboekje
-in te zien.
-
-Nooit in het sterke gevoel van haar roeping had zelfs de grootste
-emotie haar een oogenblik hare zieken doen vergeten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Niet minder bewogen dan Corona een half uur geleden het huis verlaten
-had, stond thans op haar stoep een jonge man. De slap vilten hoed, de
-groote kraagjas, die zijn forsche gestalte in reusachtige plooien
-hulde, het gladgeschoren gezicht met de levendige zwarte oogen en het
-donker krullende haar, lieten hem bij den eersten aanblik als een
-vreemdeling herkennen. Toch werd hij door de oude Marijken, die hem
-open deed, als een bekende begroet.
-
-„Dokter is nog niet thuis, mijnheer van Soeterwolde, maar ze dacht wel
-vroeg terug te zijn vanavond. Wil u maar naar boven op de studeerkamer
-gaan, en even wachten! Wil meneer ook thee hebben?”
-
-In het intense geluksgevoel, dat hem bij het binnenkomen in dit huis
-doorstroomde, glimlachte hij haar vroolijk toe, en antwoordde,
-nauwelijks wetend wat zij gevraagd had:
-
-„Heel graag Marijken.”
-
-In Corona’s kamer was niets veranderd sinds zijn laatste bezoek, nu
-zoowat een jaar geleden. Dezelfde weldadige rust, dezelfde machtige
-madonna-verschijning, dezelfde strenge eenvoud, zonder koû of leegheid.
-Een groot boeket rozenknopjes stond op haar schrijftafel, een cadeau
-dien morgen van een harer patiëntjes, het geopende boek, waar zij
-straks in had zitten lezen, lag nog op de tafel en daarnaast een paar
-vergeten handschoenen.
-
-De jonge man stond een oogenblik midden in de kamer, in groote
-ontroering dit alles beschouwende. Toen ging hij zitten in den armstoel
-bij het raam, waar Marguérite van Arkel ook altijd in kwam praten, en
-strijdend met het koortsig verlangen, dat hem het wachten bijna
-ondragelijk maakte, dwong hij zich stil te blijven, gespannen
-luisterend naar elk geluid dat Corona’s komst kon aankondigen.
-
-Frank van Soeterwolde was de eenige zoon van een vrij gefortuneerde en
-deftige familie, die van vader op zoon de rechterlijke toga had
-gedragen. Ook hij was in zijn jeugd bestemd geweest om in de rechten te
-studeeren, maar van zijne moeder, een geestig, artistiek zeer begaafd
-Fransch vrouwtje, had hij een hartstocht voor litteratuur en vooral
-voor het tooneel geërfd, die hem al vroeg in stilte het besluit had
-doen nemen, om zich aan de dramatische kunst te wijden. Groote
-moeilijkheden had hij echter te doorworstelen gehad. Zijn vader was het
-type dier plichtmatige onkreukbare magistraten, waarop Nederland
-terecht trotsch is, maar naast de groote zedelijke deugden van dien
-stand, bezat hij er ook al de bekrompen zelfgenoegzaamheid van die zich
-uit in antipathie en achterdocht tegen alles wat afwijkt van den
-gewonen Hollandsch burgerlijken gang. Het woord kunstenaar was voor hem
-niet, zooals het sinds eeuwen aan vele Duitsche en Italiaansche hoven
-geklonken heeft, een adelbrief, die zelfs den laagst geborene vrijheid
-verleent, om met de grooten des lands als gelijken om te gaan en hem
-aanspraak geeft op hunne hulp, voor hem en zijn kring van bekrompen
-braafheid en angstvallige fatsoenlijkheids-theorieën stond het gelijk
-met een brevet van losse zeden en half wijze daden, en dat zijn zoon
-tot deze lage kaste wilde afdalen, was voor hem een ontzettende
-ergernis. Jaren lang bleef hij volhouden, Frank zou en moest studeeren.
-Droevige jaren waren het, van wederzijdsche verbittering. Frank werkte
-niet en droop voor alle examens, hij werd driftig en somber, de
-huiselijke omgang werd onmogelijk. Van alle voorkomende gelegenheden,
-maakte zijn vader gebruik, om hatelijkheden tegen artisten en tegen het
-tooneel te zeggen, hetgeen natuurlijk alleen tengevolge had, dat Frank
-ijveriger dan ooit argumenten zocht om hem te weerleggen, en steeds
-meer overtuigd werd, dat hij zijn roeping volgen moest. Het eenige wat
-hem in die tijden voor de eene of andere booze daad van vertwijfeling
-behoedde, was de begrijpende liefde zijner moeder en de uurtjes met
-haar na het eten, wanneer zijn vader uit was, en hij verzen voor haar
-reciteerde of drama’s met haar las. Dit waren uren van onzegbaar genot
-voor hem. Oppervlakkig schenen zij niets dan een uitspanning, maar
-inderdaad waren zij de eenige, waarin hij met bezielde inspanning
-werkte. Dan namen zij dikwijls ieder een exemplaar van het een of ander
-drama vóór zich en lazen hardop de groote dialogen, beiden geheel in
-hun rol verdiept, tot zij eindelijk de woorden van buiten kennend, de
-boeken wegwierpen en de scène werkelijk acteerend afspeelden.
-
-Zoo had op een avond mijnheer van Soeterwolde hen gevonden. Zij
-speelden toen de laatste acte van de Hernani en bij het binnenkomen
-klonken hem reeds de liefdesklachten der stervende jonggehuwden tegen:
-
-
-
- O! béni soit le ciel qui m’a fait une vie
- D’abîmes entourée et de spectres suivie,
- Mais qui permet que, las d’un si rude chemin
- Je puisse m’endormir ma bouche sur ta main!
-
-
-
-„God-sta-me-bij!” zeide hij donderend met een ruwen vloek. „Nou weet ik
-waar die jongen zijn ellendige nonsens vandaan haalt. Maar ga je gang
-maar mevrouw, we zullen zien wie de sterkste is.”
-
-Het stervende paartje sprong op, schokschrikkend, en Frank heel bleek,
-de oogen brutaal vlammend, stond vlak voor zijn vader:
-
-„Papa, u hoeft niet boos op mama te zijn. Als ik nog niet lang uit dit
-huis ben weggeloopen, is het alleen om haar. Waarom mag zij me niet dit
-ééne uurtje na het eten gelukkig maken, als u dan absoluut wilt dat ik
-mijn heele verdere leven ongelukkig zal zijn!”
-
-Maar met opgeheven arm stond zijn vader en wees hem de deur, en Frank,
-sidderend van woede, in machteloos verlangen om zijn moeder te
-beschermen, had de kamer moeten verlaten. Toen, met het hoofd tegen de
-deur gedrongen, had hij staan luisteren in zulk een razernij van
-opstand, dat hij tot alles in staat zou zijn geweest wanneer een enkel
-geluid in de kamer hem had gewaarschuwd, dat zijn moeder in drift
-mishandeld werd.
-
-Maar geen klacht werd gehoord, en in pijnigende angst, de hand aan de
-kruk om binnen te vliegen, de slapen bonzend, de gehoorzenuwen tot het
-uiterste geprikkeld, om elken klank op te vangen, trachtte hij zich
-voor te stellen, wat daar achter die deur voorviel. Zou zijn moeder,
-het tengere vrouwtje, nu bleek en sidderend bij de tafel staan? Of zou
-ze stil op de canape liggen, het hoofd in het oude grijze kussen, om
-haar snikken te smooren?
-
-Het was vreeselijk wat zijn vader zeide. Al de ruwe woorden, al de
-onrechtvaardigheden, die drift ingeeft, krijschten door de kamer,
-uitingen van onbeheerschte woede. Hij meende immers ook verraad in zijn
-vrouw ontdekt te hebben, als had zij heimelijk zijn zoon gesterkt in
-zijn opstand. Hij kon immers ook niet weten, hoe zij den jongen
-voortdurend had gesmeekt den wil van zijn vader te doen, hoe deze
-uurtjes van samen lezen en spelen alleen als belooning of aanmoediging
-voor ander werk werden toegestaan.
-
-Eindelijk zweeg de toornende stem; toen klonk heel zacht zijn moeders
-stem met het lief zangerig uitlandsch accent:
-
-„Louis, ik zal me niet verdedigen, je moest me beter kennen dan om me
-te verdenken van tusschen jou en hem zoo’n dubbelzinnige rol te hebben
-gespeeld. Maar al heb ik bij hem altijd trouw jouw wenschen
-geëerbiedigd, nou zal ik het je eerlijk zeggen, Louis, ik geloof dat je
-groote zonde doet met jouw eigenmachtigen wil, tegenover den zieledrang
-van het kind te stellen. Het is slecht, Louis, de ingeboren roeping van
-een kind aan familietradities of zulke dingen op te offeren.”
-
-„Praatjes, we zullen eens zien of we die ingeboren roeping er niet uit
-zullen krijgen.” Het klonk dreigend, schor, als van nieuw opstijgende
-drift.
-
-„O! Louis,” zeide de zachte stem weer. „Waarom wil je niet toegeven? Je
-hebt het nou lang genoeg geprobeerd, en je ziet immers dat je niets
-vordert. En wat is er toch tegen het tooneel dan wat vooroordeel?
-Artiesten zijn slecht van zeden, zegt men, maar ik moet altijd lachen,
-als ik de menschen over zedeloosheid aan het tooneel hoor spreken. Kijk
-es naar de academies, geloof je, dat studentjes en advocaatjes, en
-ingenieurs, en officieren in deugd zooveel hooger staan dan acteurs?
-Wie uit braafheid neerziet op tooneelspelers is een huichelaar, of
-heeft al een heel naïef optimisme over de zedelijkheid van de menschen
-van zijn eigen kring.”
-
-Frank luisterde angstig. Hoe kon zij de moed hebben om zoo tot dien
-driftigen man te spreken? Maar het bleef even doodstil, toen ging ze
-weer voort met vaster stemklank:
-
-„En wat betreft aanzien en fortuin, als Frank een groot tooneelspeler
-wordt, zal hij gauw vrij wat rijker en aanzienlijker zijn, dan de
-meeste van die advocaatjes, die hier rondloopen, maar naar een baantje
-hunkerend, en op hun dertigste jaar nog niet eens in staat zijn om zich
-te bedruipen. Of het leven van een kunstenaar glorieus of armzalig zal
-zijn, hangt er ten slotte heelemaal van af, of hij waarachtig talent
-heeft, en Louis, heb je straks niet gehoord, hoe hij zei:
-
-
-
- Mais qui permet que, las d’un si rude chemin,
- Je puisse m’endormir ma bouche sur ta main.
-
-
-
-Als een kind van zijn jaren dat zóó zeggen kan, is er in hem een groot
-kunstenaar.”
-
-Verder had Frank niet gehoord. Naar boven was hij gegaan, naar zijn
-kamertje, in een hartstochtelijk jubelen van heel zijn ziel. „Een groot
-kunstenaar,” had zijn moeder gezegd, en haar woorden hadden hem tot
-kunstenaar gewijd. Een blij zelfvertrouwen in eigen gave hadden zij
-plotseling in hem gewekt, dat heerlijk gelooven in eigen kracht, dat
-zoo ver staat van pedanterie, en waaruit alleen elk groot willen en
-kunnen geboren wordt.
-
-Twee maanden later was Frank aan de tooneelschool te Amsterdam. Hoe
-zijn moeder het er eindelijk had doorgekregen, had hij nooit kunnen te
-weten komen en in de zelfzucht van zijn jong opgaan in het nieuwe
-leven, had hij er misschien ook weinig over nagedacht. Eerst veel later
-had hij begrepen aan welk een rijkdom van overredingskracht, aan welk
-een stillen heldenmoed hij de inwilliging van zijn wenschen te danken
-had. Zij was kort na zijn vertrek onverwacht gestorven, en haar
-heengaan had een plekje van ongeneeselijk verlangen in hem
-achtergelaten. Twee jaren had hij hard gewerkt en daarna besloten,
-verder te Parijs zijn studie te voltooien. Toen had zijn grootmoeder
-van vaderszijde, die nog sterker dan zijn vader al de vooroordeelen
-tegen het tooneel bezat, hem in de vakantie bij zich gevraagd, en vol
-van schrikbeelden over Parijsche losbandigheid, had zij hem voortdurend
-samengebracht met een jong buurmeisje en niet gerust voor er een
-huwelijk was tot stand gebracht tusschen deze beide onervaren kinderen.
-
-Zij was een vroolijk schepseltje, Eva Lofner, en Frank kon zich later
-niet meer herinneren wat hem eigenlijk verliefd had gemaakt, de blonde
-krulletjes, of het lachkuiltje in de kin, of het fluweeltje, dat haar
-hals omsloot boven het uitgesneden lijfje. Een domme
-jongensverliefdheid was het geweest, maar zijn grootmoeder had er
-bitteren ernst van gemaakt.
-
-Getrouwd was hij naar Parijs vertrokken, maar nog geen maand na zijn
-huwelijk, had hij het reeds begrepen hoe dit meisje, dat hem als
-schutsengel was opgedrongen, in het woelige glansleven der wereldstad
-veel grootere gevaren liep dan hij. O! de wreede onnoozelheid van zijn
-grootmoeder, te meenen dat een huwelijk op zich zelf ooit een waarborg
-kon zijn voor deugd! Het was de treurige herhaling geworden van zoo
-ontelbaar vele huwelijken, waarin op korte verliefdheid lange bittere
-teleurstelling volgt. In zijn studie, en nu en dan bij het kleine
-meisje, dat hun in ’t tweede huwelijksjaar geboren was, had Frank zijn
-troost gezocht, terwijl zijn vrouw, oppervlakkig en egoïst, opging in
-futiliteit en zelfaanbidding.
-
-Hij had willen scheiden, Frank; het samenzijn met deze vrouw was hem
-een marteling geworden die hij dikwijls de kracht niet voelde te
-doorstaan. Maar Eva, met het scherpe instinkt van eigenbelang, had in
-hem erkend den kunstenaar, die binnen enkele jaren grooten naam en
-groot fortuin gaat maken, en ze weigerde te scheiden.
-
-Noch beloften, noch bedreigingen, noch smeekingen hadden iets vermocht;
-zij bleef weigeren. Zoo had Frank verscheiden jaren doorleefd, terwijl
-zijn teere kunstenaarsziel in smachtend verlangen naar mededeelen en
-begrepen worden, in peillooze eenzaamheid verkwijnde.
-
-Toen op een plekje in Zwitserland, waar beiden wat rust en nieuwe
-kracht kwamen zoeken, had hij Corona van Oven ontmoet. Het kon niet
-anders, een groote liefde was ontstaan uit hun samenzijn. Enkele weken,
-mooi als een droom, met al het eterisch ideale, al het vluchtig
-toekomstlooze van een visioen, hadden zij samen doorgebracht, toen was
-elk in ’t harde werkleven teruggekeerd, veel rijker aan voelen en
-denken, veel rijker vooral ook aan smart. Zij kenden nu het geluk, dat
-zij onbewust jaren gezocht hadden, en wisten dat zij elkaar niet
-toebehooren mochten, zoolang zijn vrouw tusschen hen in stond.
-
-Alleen vriendschap mocht het zijn, en de brieven, die zij elkaar
-zonden, vele, lange brieven, hun eenige troost, stonden vol van dat
-woord; maar beiden wisten er de onwaarheid van.
-
-Frank zat stil in den ouden armstoel bij het raam. Hij dacht over dit
-alles en voelde in de verteedering van dit uur al het heerlijke, dat er
-lag in zijn verlangensleed, en dat hij het niet meer zou hebben willen
-ruilen voor zijn vroegere ontzettende eenzaamheid.
-
-Daar klonk de doffe slag van de voordeur, lichte stappen naderden, hij
-sprong op, bevend over al zijn leden, en zij stonden tegenover
-elkander, Corona’s beide handen vastgesloten in de zijne en zij zeiden
-niets, daar waren geen woorden, zij zagen elkaar slechts aan.
-
-Eindelijk zich bewust wordend van het gevaar dat er lag in dien langen,
-duizelend vollen blik, in de ontroering der weerziensvreugd, trok zij
-voorzichtig, als was zij bang hem pijn te doen, haar handje terug.
-
-„Frank, ga je mee naar buiten? ’t Is hier zoo warm,” zeide zij
-geagiteerd.
-
-„Waarom, lieveling? buiten is het vol menschen, en hier zijn we zoo
-rustig.”
-
-„Nee, hier hangt de onweerszoelte nog in de kamer, kom ga mee Frank,
-het rijtuig wacht beneden, dan rijên we naar Scheveningen, aan ’t
-strand is nou haast niemand. De groote avondhemel is beter voor ons
-samenzijn.”
-
-En zij liep de trap af, snel, verward, worstelend om haar
-zelfbeheersching te hervinden. Hij volgde, teleurgesteld om die storing
-in hun weerzien en toch gelukkig door haar zichtbare ontroering. De
-vorige malen, toen hij haar bezocht had, had hij geleden onder haar
-ijzig zelfbedwang.
-
-Zij zaten naast elkander in het rijtuig, Corona stil, achterovergeleund
-in een weekheid vol pijn en zaligheid die haar bang maakte, omdat ze
-haar zoo nieuw was. Frank praatte druk, verlangend om veel, om alles te
-zeggen en boos op zich zelf omdat hij niets vond dan dingen van de
-oppervlakte van zijn leven, van zijn troep, en hoe die overmorgen te
-Brussel spelen zou, en hoe hij toen een paar dagen vooruit was gereisd
-om haar te zien. Eerst, toen zij samen het strand langs liepen in den
-plechtigen weemoed van den zonneondergang vonden zij elkaar wéer in de
-oude harmonie.
-
-Het was laat toen zij terugkeerden, te voet langs den Scheveningschen
-weg, hun woorden en gedachten gewiegd op de rythmische beweging van hun
-voortgaan naast elkaar. Soms ook liepen zij zwijgend, hand in hand in
-het flauwe licht dat de lantaarns van den straatweg door de bladeren en
-takken heen op den hoogen weg wierpen. Voor Corona’s huis stonden zij
-stil.
-
-„Mag ik morgen weer komen?” vroeg Frank.
-
-Zij dacht even na.
-
-„Er zijn juist zoo vreeselijk veel zieken op het oogenblik. Maar kom
-morgen koffie drinken, dan hebben we een rustig uur samen, en morgen
-avond zal ik zien vrij te zijn.”
-
-„Maar dan blijven we hier thuis, ja? Ik zal je mooie dingen komen
-voorlezen, en dan vraag je er niemand bij, nietwaar?”
-
-„Waarom niet?” zeide ze verlegen. „Waarom mag Marguérite niet komen? je
-kent haar, en zij zal zoo genieten van je lectuur.”
-
-„Waarom Cora?” vroeg hij dringend. „Waarom altijd iemand er bij? Waarom
-mogen we dezen eenen avond niet genieten in samen alleen zijn? Of is
-het dat je bang bent voor je reputatie?”
-
-Zij zag hem even aan met haar trotschen glimlach.
-
-„O! Frank, het zou al heel onnoozel van me zijn geweest, als ik me niet
-sinds lang mondig had verklaard van de voogdijschap die de wereld zoo
-graag over ons uitoefent. In mijn eigen huis ontvang ik wien en wanneer
-ik wil. En als men zich werkelijk niets te verwijten heeft, heb ik ook
-altijd opgemerkt, dat de menschen gauw genoeg geneigd zijn te ontzien,
-wie toonen zich niet veel om hun oordeel te bekommeren.”
-
-„Maar waarom dan?” vroeg Frank, haar handje grijpend in
-hartstochtelijken druk.
-
-„Omdat het beter is zóó!” zeide zij heel zacht opeens en week. „Omdat
-het ons zwak maakt, Frank, lang samen alleen te zijn. Als er anderen
-bij zijn blijft het gesprek meer algemeen, ik bedoel over de dingen
-waar we allebei veel belang in stellen, maar die ons persoonlijk niet
-aangaan, en als we samen alleen zijn, praten we te veel over ons zelve,
-voelen we te duidelijk wat we missen, wat we zouden willen en niet
-kunnen hebben, en dat maakt ons zwak, Frank, en we moeten sterk zijn.”
-
-Het was de eerste maal dat zij erkende, hoe hun omgang, ook voor haar
-niet meer als in het begin, enkel groot intellectueel genot was, hoe
-hij ook voor haar strijd en smart was geworden. Zij voelde zijn handen
-zich krampachtig om de hare sluiten, zij zag zijn groote gestalte
-sidderen. Toen nam hij zijn hoed af met iets plechtigs, een koninklijke
-beweging, en zich bukkend, kuste hij haar hand heel even, heel licht,
-heel eerbiedig, en ging toen heen. Maar in de stilte klonk een dof
-geluid, als van pijngekreun en Corona wist dat het het snikken was van
-een man die zwaar leed.
-
-O! waarom hadden zij elkaar leeren kennen? Moesten die enkele uren vol
-sympathiegeluk zoo duur worden gekocht?
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-„Het rijtuig is vóór, mevrouw.”
-
-„Goed Johan,” zeide mevrouw van Starren, zich nog even een kopje thee
-inschenkend, en toen met een onrustigen blik op de pendule, terwijl ze
-haar nieuwe witte handschoenen voorzichtig vinger voor vinger begon aan
-te schuiven: „Waar blijft nou toch Eugénie weer. Ze is tegenwoordig
-verschrikkelijk langzaam. Wat ze al die uren uitvoert op haar kamer,
-mag de hemel weten. Maar luister es even Henri, vind jij ook niet dat
-ze er den laatsten tijd erg slecht uit ziet?”
-
-Mijnheer van Starren zag even op van zijn courant.
-
-„Nee, eigenlijk is ’t me niet opgevallen. Ja toch, misschien is ze wat
-magerder geworden, maar je moet niet vergeten, ze wordt ook al een
-jaartje ouwer.”
-
-In groote ergernis trok mevrouw een knoopje van haar handschoen af. Hoe
-was het nou toch mogelijk om dat zoo onverschillig te zeggen. Had hij
-dan geen hart voor zijn dochters? Alsof niet een „jaartje ouder
-worden”, voor Eugénie hetzelfde was, als verlies van charmes en
-daardoor van kans om te trouwen.
-
-Gelukkig de jonge vrouw, voor wie „ouder worden” beteekent: rijpen in
-denken en voelen, maar voor de Eugénie van Starrens beteekent het: het
-verlies van succes, dat is namelooze leegte in een bestaan waarin alles
-op dat succes is gericht.
-
-Maar op dit oogenblik kwam Eugénie binnen. In haar zilvergrijs nieuw
-voorjaarspakje, met de breede revers van licht lila moiré zag zij er
-toch nog snoezig uit, en zoo gedistingeerd. Onwillekeurig zagen
-mijnheer en mevrouw beiden haar aan met dien onderzoekenden blik, dien
-zij zich van kind af herinnerde. Vroeger was hij haar een streeling
-geweest, die blik die haar duidelijk zeide: „Wat is onze dochter toch
-mooi,” nu vervulde hij haar met onrust en wrevel. Zij was bang er
-teleurstelling of medelijden in te vinden.
-
-„Wat heb je me lang laten wachten, Eus,” zeide mevrouw, maar niet
-onvriendelijk. Zij was verteederd omdat zij haar vanavond toch weer
-„zoo beelderig” vond.
-
-Zij zouden mevrouw de Mureaux en Betty gaan afhalen om wat door de
-boschjes te toeren.
-
-„Och mama,” zeide Eugénie, voor den spiegel, verdiept in het
-vastspelden van haar voiletje, „Mevrouw de Mureaux is toch nooit klaar,
-als we komen. We kunnen best wat later zijn dan de afspraak.”
-
-„Maar ik verkies niet dat je de paarden zoo’n eeuw laat wachten!” riep
-mijnheer van Starren op eens heftig, met de opstuivende knorrigheid van
-goedige naturen, als zij in hun zwak gegrepen zijn; en voor hem waren
-zijn paarden een groot zwak.
-
-Hilda kwam juist binnen. De onvriendelijke toon harer huisgenooten
-onderling was altijd nog een pijniging voor haar; weifelend bleef zij
-even aan de deur staan.
-
-„Zoo, Hilda, waar ga jij naar toe? met hoed en handschoenen? We kunnen
-je niet meenemen kind, we hebben met mevrouw de Mureaux en Betty
-afspraak gemaakt, en dus zijn we al vier in ’t rijtuig.”
-
-„Als u ’t goed vindt, tante, wou ik vanavond gaan thee drinken bij
-Corona van Oven.”
-
-„Alweer!” zeide Eugénie, en een wereld van vijandige aanmerking en
-tegenstand lag in dat ééne woord.
-
-„Ja, mij dunkt ook, je gaat er wel wat heel druk naar toe,” zeide
-mevrouw. „Ik houd niet van die drukke vriendschappen met menschen zoo
-buiten onze côterie. Ik wil niks tegen het meisje zeggen, en als onze
-ouwe dokter zijn praktijk neerlegt, zou ik er zelf sterk over denken om
-haar te nemen, maar het is geen omgang voor freule van Suylenburg.”
-
-Hilda stond verlegen. Het bruischte even in haar op, ze had heftige
-woorden op de lippen. Maar wat kon haar tante, die gewend was de waarde
-harer kennissen te berekenen naar geboorte, relatie, en fortuin,
-verstaan van het heerlijke wat er lag in een intiemeren omgang met
-Corona?
-
-Maar mijnheer van Starren kwam goedig tusschen beiden:
-
-„Wel Hermine, laat Hilda toch gaan waar ze het prettig vindt! Corona
-van Oven is een heel achtenswaardig meisje. En ze is van goeie familie.
-Haar moeder was een van Plooze, en die haar moeder een freule van
-Brosselen, je weet wel, van de ouwe, de Overijselsche tak.”
-
-Hilda lachte even; zij kon het niet helpen. In haar gedachte zag zij
-weer Corona’s vorstelijke gestalte, en het fijne edele hoofd. Zij dacht
-aan dit hooge rijke vrouwenleven van studie en barmhartigheid, en zij
-lachte, even hard op, dat er een adelijke grootmoeder bij te pas moest
-komen, om te weten, of zij met haar intiemer om mocht gaan of niet. Hoe
-komiek waren toch die maatschappelijke appreciaties! En toen zij hare
-tante en Eugénie in het rijtuig had zien stappen en zelf vlug den weg
-naar ’t Voorhout in sloeg, lachte ze nog voort. En deze wereld, waarin
-eerst gevraagd wordt naar de familierelaties en geboorte dergenen aan
-wie men zijn vriendschap wil geven, durfde zich nog christelijk noemen
-en ontwikkeld? Christelijk naar Hem die tollenaren en zondaren, niet de
-grooten van zijn volk opzocht, en ontwikkeld, terwijl het beginsel van
-elke ontwikkeling is, naar de innerlijke waarde van menschen en dingen
-te vragen, niet naar de uiterlijke omstandigheden.
-
-Op de stoep bij Corona ontmoette zij Marguérite van Arkel.
-
-„Kom je ook vanavond? Dat is heerlijk. Het zal mooi zijn. Frank van
-Soeterwolde zal voorlezen.”
-
-Hilda schrok een beetje van den beroemden naam.
-
-„Wat bedoel je? zal die vanavond bij Corona lezen? die acteur? Maar dan
-ga ik niet binnen. Ik ben niet gevraagd, ik kwam zoo maar, en het zou
-indiscreet zijn .....”
-
-„Ik weet zeker dat Cora blij zal zijn je te zien, kom, ga maar gerust
-mee. Soeterwolde is een groot vriend van Corona, en ze zal het heel
-prettig vinden dat je hem ook hoort. Heb je hem ooit zien spelen?”
-
-„Ja,” zeide Hilda, en haar enthousiasme overwon het aarzelen van
-bescheidenheid. „Het is de grootste speler van onzen tijd. In Parijs
-heb ik hem gezien, het is heerlijk!” En opgewonden volgde ze Marguérite
-naar de studeerkamer.
-
-In plaats van een paar stille uurtjes met Corona, vol van dat
-psychologisch bespiegelen, wat denkende vrouwen zoo lief is, wanneer
-zij vertrouwelijk te zamen zijn, zou ze dus nu in eens dien grooten
-kunstenaar terug zien! Als Corona haar nu maar niet indiscreet vond!
-Maar dokter Van Oven’s welkom getuigde genoeg van het tegendeel. Er was
-den laatsten tijd een groote vriendschap tusschen haar ontbloeid.
-
-„Waarom heb je toch zoo gelachen, Cora?” vroeg Marguérite, toen zij
-allen gezeten waren. „Straks op de gang, toen we onze hoeden afzetten,
-hoorden we je schaterlachen, is het niet Hilda?”
-
-Corona lachte weer en het verwonderde Hilda, hoe jong zij er uitzag
-dien avond.
-
-„Mijnheer van Soeterwolde vertelde me van ’n bezoek, dat hij vanmorgen
-gemaakt heeft bij zijn tante, mevrouw van Remstra, je weet wel, die
-vrome douairière in de Nassaulaan, en hoe ze hem eerst uit de hoogte
-heeft ontvangen en hem toen zalvend over de zonden van zijn carrière
-heeft onderhouden.”
-
-„En natuurlijk,” voegde Frank er bij, „was ze nooit in haar leven in de
-comedie geweest en had zelfs geen flauw besef dat er ook op het tooneel
-verschillende geestesrichtingen zijn, die elkander beoorlogen. Van
-symbolisme en naturalisme had zij natuurlijk nooit gehoord, of van het
-Theatre Libre, of L’Oeuvre, of van ons troepje, Le Petit Theatre Vrai;
-misschien gelooft ze niet eens dat er verschil bestaat tusschen een
-vaudeville en een drama van Shakespeare. Maar voor sommige vromen
-schijnt het ’n geloofsartikel te zijn, om het tooneel voor zondig te
-houden.”
-
-„En toch zijn juist op het tooneel altijd de nobelste gedachten
-uitgesproken,” zeide Hilda levendig. „Als men denkt aan Sophocles, en
-de andere klassieken, of aan Corneille, Racine, Shakespeare, Lessing,
-Molière, Vondel, Ibsen, Maeterlinck, Goethe, Wagner, zou dat allemaal
-zonde zijn?”
-
-Allen lachten. Het klonk grappig naïef, die combinatie van „allemaal
-zonde” en de opsomming, enthousiast in éen adem, dier groote
-dichternamen.
-
-„Het is de eeuwig oude geschiedenis,” zeide Marguérite peinzend, „van
-de holle phrases, die men elkaar maar na zegt. Menschen die nooit over
-sociale toestanden hebben nagedacht, er nooit één fatsoenlijk werk over
-gelezen hebben, hoort men aan alle kanten zeggen: het volk is nog niet
-rijp voor meer rechten, armoe is eenmaal noodzakelijk, socialisten zijn
-allemaal boeven enz.; menschen die nooit één seconde waarachtig hebben
-geworsteld om een eerlijke geloofsovertuiging hoor je zeggen:
-godsdienst is allemaal larie, daar is geen God en geen mysterie;
-menschen voor wie de vrouwenzaak nooit een ernstige vraag is geweest,
-niets dan een bespottelijke grap, kun je deftig hooren vertellen wat
-precies vrouwelijk, en wat het niet is, en juist, die soort zijn het
-knapste om te weten wat „de vrouw” eigenlijk voor een wezen is. En zoo
-is het zeker ook met het tooneel. Die nooit in een schouwburg zijn
-geweest, weten natuurlijk het best hoe zondig het daar is.”
-
-„Het is een oude paradox, die mijn vader en ik eens in een grieksch
-boekje hebben gevonden,” lachte Hilda: „Alleen absolute onwetendheid
-kan met zekerheid een oordeel vellen.”
-
-Frank had zwijgend geluisterd met een lach, maar op eens kwam er
-hartstochtelijke ernst over zijn gezicht.
-
-„Het tooneel is dikwijls geweest, en moest het altijd zijn, de plaats
-waar men in artistieken en levenden vorm de groote levensvragen kon
-zien behandelen, waar men ze objectief kon komen beoordeelen, omdat,
-wanneer de dichter en de acteur beiden iets beteekenen, men tegenover
-hun spel staat, als tegenover een realiteit die men meeleeft, waarin
-men mee voelt, maar zonder dien persoonlijken, verblindenden
-hartstocht, die ons gewoonlijk verhindert om koel na te denken, wanneer
-wij de drama’s om ons heen in onze eigen omgeving zich zien afspelen.
-Het tooneel moest zijn een hoogeschool van wijsbegeerte, waar de groote
-problemen worden behandeld in schertsenden of in ernstigen vorm, al
-naar het genie van den schrijver. Het moest zijn een hoogeschool van
-zeden, van schoonheid, van nieuwe gedachten en van de altijd zich
-vernieuwenden vormen, die de oude waarheden in den evolutiegang der
-tijden aannemen.”
-
-En toen ineens direct tot Corona gewend, ging hij voort:
-
-„O! Cora, zie je, ik wou dat je madame Tachilde leerde kennen. Mijn
-troepje is nog jong en heeft dus allerlei jeugdgebreken, maar we
-streven ernstig naar dat ideaal, en je weet niet wat ze daarbij een
-steun voor me is. Met haar prachtig talent en strenge eischen en haar
-voorbeeldig gedrag, zal ze eenmaal een macht zijn in de artistieke
-wereld van Frankrijk. Als wij het nou nog maar een paar jaar kunnen
-volhoûen finantieel, dan hoû ik het er voor, dat we ons een vast
-kringetje van artistiek, fijn, waar denkend publiek hebben veroverd van
-waaruit zich ook een betere smaak bij de groote massa zal ontwikkelen!
-Het is misselijk tegenwoordig, die idiote stukken die men geeft, of nog
-erger, die successtukken, waarin de acteurs en vooral de actrices zich
-eigenlijk verlagen tot, ja, wel wat rijker gekleede en deftiger
-sprekende, maar daarom toch niet minder café chantantmenschen. Maar dat
-die prulstukken zoo’n opgang maken, is juist voor ’n deel de schuld van
-de ernstigen en beschaafden onder het publiek. Als die in grooten
-getale opkwamen zoodra er een goed stuk gegeven werd en wegbleven bij
-de slechte dingen, zouden de theater-directies, voor wie het alleen een
-geldkwestie is, wel voor betere stukken gaan zorgen.”
-
-„Heeft u dat allemaal tegen mevrouw van Remstra gezegd?” vroeg Hilda
-vroolijk.
-
-„Nee, ik geloof niet dat ze me met veel belangstelling zou hebben
-aangehoord. Ze is nou eenmaal overtuigd dat alle artiesten goddelooze
-onzedelijke menschen zijn.”
-
-„En de heeren en dames uit de groote wereld dan, die zij aan haar tafel
-ontvangt? Zeker allemaal incarnaties van deugd?” lachte Marguérite.
-
-Frank van Soeterwolde had geen nieuwe lectuur meegebracht. Alles wat er
-merkwaardigs uitkwam en hem passioneerde, stuurde hij aan Corona en zij
-bespraken het in hun brieven. Wat hij nu bij zich had, was, behalve
-enkele verzen van een jong onbekend dichter die hem interesseerde,
-Richard Wagner’s: Jesus von Nasareth, de onafgewerkte schets van een
-drama, dat nooit voltooid werd, omdat de schrijver zich ten slotte niet
-machtig genoeg voelde, om de hoogheid van zulk een onderwerp te
-beheerschen.
-
-Niettegenstaande Frank zich de laatste jaren, eerst aan het Parijsche
-conservatoire, later als acteur aan het Odéon, en nu aan het hoofd van
-zijn eigen troepje, uitsluitend verdiept had in Fransche taal en
-Fransche werken, las hij uitstekend Duitsch. Zwijgend zaten de drie
-jonge vrouwen om hem heen, in spanning hem volgend door dit labyrinth
-van hooge gedachten.
-
-Eerst kwam de schets der handeling, zooals die zich zou hebben moeten
-ontwikkelen, toen meer uitgewerkte fragmenten, teksten en verklaringen.
-
-Corona, in machteloos week voelen, leunde achter in haar stoel. De
-opgewonden vroolijkheid, die Hilda straks had verbaasd, was
-weggegleden; in de drukke conversatie was het zoo veel makkelijker de
-emotie tot zwijgen te brengen, dan nu onder het stille luisteren. Zij
-dwong zich te verstaan, maar soms hoorde ze minuten lang niets dan de
-klank van zijn stem en voelde alleen het weëe bewustzijn, dat hij
-morgen weer weg zou zijn, dat zij beiden weer de ontzettende
-eenzaamheid in moesten.
-
-Op eens echter werd ze gewaarschuwd om scherper op te letten; er was
-een verandering in Frank’s rustig voorlezen gekomen, in zijn stem klonk
-ontroering. Hij las nu de woorden over huwelijkswet en liefde, en
-zichtbaar greep het hem aan.
-
-„Das Gebot sagt: du sollst nicht ehebrechen! Ich (Jesus Christus) aber
-sage euch: Ihr sollt nicht freien ohne Liebe. Eine Ehe ohne Liebe ist
-gebrochen, als sie geschlossen ward, und wer freite ohne Liebe, der
-brach die Ehe. So ihr mein Gebot befolgt, wie könnet ihr es je brechen?
-da es euch das gebietet zu thun, wonach sich euer Herz und Seele
-sehnen? Wo ihr aber freiet ohne Liebe, so bindet ihr euch wider Gottes
-Gebot, und indem ihr die Ehe schliesset, sündigt ihr wider Gott.” [2]
-
-Frank legde het boek neer, en bleef er even in bladeren, toen tot
-Marguérite gewend—naar Corona’s kant durfde hij zelfs niet kijken op
-dit oogenblik:
-
-„Goed, vindt u niet? Een huwelijk zonder liefde echtbreuk te noemen! En
-wat een ellendige idees hebben de meeste menschen toch nog over die
-dingen! Aan alle kanten zie je dagelijksch huwelijken sluiten om geld
-en positie en relaties en protectie en uit angst om ongetrouwd te
-blijven en uit gemakzucht, en onwetendheid, en verveling van het
-kamerleven, en dépit, en door pressie van familieleden enz. enz. en
-zulke paren, wier verbintenis „tegen Gods gebod” is, omdat zij tegen de
-liefde zondigt, worden door de wet voor onscheidbaar verklaard! Is het
-geen schande?”
-
-„Weet je hoe men dat makkelijk zou kunnen verklaren?” zeide Marguérite
-glimlachend. „Ik geloof dat er onder de zoogenaamde Christenen heel wat
-meer afgodendienaars zijn dan men denkt, en zij, die geld, aanzien,
-gemak, en al die dingen meer, tot hun godheid hebben gemaakt, kunnen
-dan logisch, zich houdend aan het ouwe Bijbelwoord: „Wat God vereenigd
-heeft zal de mensch niet scheiden,” verklaren dat zulke huwelijken niet
-gescheiden mogen worden, want .... hun (af)god heeft ze verbonden!”
-
-Frank glimlachte even met een verren peinzenden blik, toen zeide hij
-zacht:
-
-„Het is een mooi woord: Wat God vereenigd heeft, mag de mensch niet
-scheiden! Maar gewoonlijk wordt het zoo heel verdraaid opgevat.
-Allerlei verbintenissen, ook die door de laagste drijfveeren zijn
-gesloten, zoodra zij maar in den burgerlijken stand zijn ingeschreven,
-worden als heilig en daardoor als onverbreekbaar beschouwd en
-daarentegen zie je dagelijksch dat gemis aan fortuin, ongelijkheid van
-stand, verschil van godsdienst en nationaliteit velen scheiden, die
-werkelijk goddelijk verbonden zijn, d.i. door de Liefde, want wat
-anders is God dan hoogste liefde macht?” En toen op eens met al den
-hartstocht van persoonlijk lijden ging hij voort—: „Voor mij bestaan er
-maar twee soorten van huwelijken: die uit God en die uit den Satan, om
-het oude kernachtige beeld te gebruiken. Voor het goddelijke huwelijk,
-dat uit liefde, hoeft men geen bindende wetten te maken. Wat zich in
-waarachtige liefde heeft vereenigd, wil één blijven, de mensch mag het
-niet scheiden en kan het niet scheiden, omdat die band door het samen
-deelen en strijden, het elkaar aanvullen, het samen dragen van de
-verantwoordelijkheid der toekomst, dat is: de kinderen, hoe langer hoe
-vaster worden moet. Het andere is het satanische huwelijk van
-niet-liefde, en elke wet die deze immoreele verhouding sanctionneert en
-verhindert dat er een einde aan komt, is slecht, is onzedelijk!”
-
-„Dus u bent een apostel van de Vrije Liefde?” vroeg Hilda, in een naïef
-zich nieuwsgierig voelen naar iemand die in vollen ernst idees durfde
-verkondigen, welke men in haar kring voor zoo hoogst gevaarlijk
-verklaarde. Wèl gingen er in het salongefluister heel wat verhalen rond
-van vreemde vrijheden die men zich permitteerde, maar deze werden
-blijkbaar officieel niet gevaarlijk gevonden, omdat zij heimelijk
-werden gepleegd en onder leugen en bedrog.
-
-Frank haalde even de schouders op:
-
-„Vrije liefde? Och nee, waarom? Waarom zou een jong paar, dat in ernst
-besloten is het leven samen door te gaan, samen de verantwoordelijkheid
-op zich te nemen voor het gezin dat uit hun liefde kan voortkomen—en
-over menschen die met andere plannen trouwen spreken wij nu niet,
-nietwaar? dat is maar ’n vermomd soort van prostitutie—waarom zou zoo’n
-paar niet op den dag van zijn vereeniging naar een aangewezen gebouw
-gaan, en zijn handteekening zetten? Er is iets aardigs in, dat het
-daardoor aan de geheele wereld bekent, voortaan samen te willen zijn,
-één, en ofschoon ik niet inzie waarom het juist altijd de vrouw zou
-moeten zijn die haar naam opgeeft, als symbool is het wel lief dat één
-der partijen zijn naam verliest en men voortaan samen slechts onder één
-vlag tegenover de buitenwereld optreedt. Het teekenen op het stadhuis
-is een maatregel van orde, die goed is en noodig, in een maatschappij
-als de onze, getuige de ellendige verwarringen in die landen, waar de
-burgerlijke stand nog niet is ingevoerd. Maar dit teekenen te maken tot
-een keten, die onder alle levenswisselingen en omstandigheden
-onverbreekbaar is, dat is het, waartegen wij met alle kracht moeten
-protesteeren!”
-
-„Ik ben het heelemaal met je eens!” zeide Marguérite warm.
-
-„Administratief kan de inschrijving in den burgerlijken stand zeker een
-nuttige maatregel zijn! Alles wordt immers in de natuur, naar vaste
-wetten en in groote orde geregeerd, en het is een van de sterkste
-neigingen, ook van ons menschen, om onze handelingen, onze verhouding
-tot anderen aan vaste regelen te willen binden. Overal hebben we ons
-zelf rythen en verordeningen geschapen, en zoo zal het altijd blijven.
-Als de oude wetten zullen zijn te niet gedaan, zullen er nieuwe komen,
-altijd en altijd weer. Trouwens zoo als nu ook de toestanden nog zijn
-in onze maatschappij, vind ik het vrije huwelijk heel verkeerd om de
-kinderen die er uit kunnen geboren worden. De wereld is nog wreed voor
-het onwettige kind! We kunnen het betreuren, ontkennen kunnen wij het
-niet. En nu is het heel goed voor twee menschen om in enthousiasme,
-sterk door het gevoel van wederzijdsche liefde, zich voor een idee ten
-offer te brengen, en vrijwillig de wereldschande te trotseeren, maar
-wie zal zeggen of het kind, dat uit die liefde voortkomt, willig en
-krachtig genoeg zal zijn om blijmoedig den zwaren last te aanvaarden,
-die men bij de geboorte heeft neergelegd op zijn teere schoudertjes?
-Iets heel anders is het echter om van zoo’n huwelijksakte een
-levenslang drukkenden band te maken! Dat is ontegenzeggelijk ellendig!”
-
-Somber peinzend staarde ze een oogenblik voor zich heen. Het beeld van
-een jeugdvriendin rees voor haar op, die kort geleden getrouwd was,
-onder den dubbelen drang van armoede en van het drijven eener
-gebrekkige moeder, die haar onophoudelijk het huwelijk als eenige
-uitkomst had voorgehouden. In wanhoop teerde zij nu weg. Geen berouw,
-geen heilige voornemens konden haar meer redden. Levenslang was zij
-gebonden aan een man dien zij verachtte. En zoo’n huwelijk, aangegaan
-in zwakheid, voortgezet in misdaad, werd door de wet in naam der
-zedelijkheid onverbreekbaar verklaard!
-
-„Maar, er zijn toch scheidingswetten!” riep Hilda, toen een vreemd,
-drukkend zwijgen was ingetreden.
-
-„Ja zeker,” zeide Frank. „Als het zoo erg is dat het een publiek
-schandaal is geworden, bij bewezen echtbreuk, en bij levensgevaarlijke
-mishandelingen, kan men scheiden, of als een van de partijen heel lang
-weggaat, met het klaarblijkelijke doel om de andere te verlaten, of als
-men het samen eens is, om voor goed uit elkaar te gaan, en men speelt
-’n schandaalcomedietje. En daar moeten we heusch al heel dankbaar voor
-zijn! Maar zoo’n geval, als ik gisteren bijvoorbeeld weer hoorde van
-een advocaat, die ’s avonds uit de sociëteit gewoonlijk half dronken
-thuis komt en dan zijn vrouw op alle manieren zulke mishandelingen laat
-ondergaan, dat het arme schepsel door angst en verdriet, tweemaal
-achtereen een idioot kindje heeft ter wereld gebracht, zulke bagatellen
-rekent de wet niet als scheidingsredenen. Leve het onverbreekbare
-huwelijk!”
-
-Huiverend van afschuw zat Hilda een oogenblik stil, toen zeide ze, in
-peinzend aarzelen:
-
-„Maar bent u niet bang, mijnheer van Soeterwolde, dat, als de
-scheidingswetten makkelijker werden, het in de maatschappij een chaos
-zou zijn van scheidende en hertrouwende paren?”
-
-Frank zag haar doordringend aan:
-
-„Gelooft u aan liefde, freule, en aan een gelukkig huwelijk?”
-
-Hilda kleurde even en zacht zeide zij:
-
-„Ja.”
-
-„En wat gelooft u dan dat de goeie huwelijken nou bij elkaar houdt, de
-wet of de onderlinge liefde?”
-
-„De liefde natuurlijk!”
-
-„Natuurlijk!” herhaalde Frank. „Menschen die van elkaar hoûen, met of
-zonder wet, blijven bijeen!” Hij bladerde even in het boek en las toen
-verder: Ein Paar welches sich ohne allen Zwang sich zuwendet, kann dies
-nur aus reiner Liebe thun, und diese Liebe kann naturgemäss und sobald
-sie nirgends gestört wird, kein Aufhören ihrer Dauer in sich
-schliessen, denn sie ist die gegenseitige Ergänzung welche in Mann und
-Weib den Quell vollkommener Befriedigung sich erhält, und in der
-Fruchtbarkeit, sowie in der den Kindern zufallenden Liebe ihre stete
-Bewegung und Erneuerung gewinnt. [3] „En wat betreft degenen, die door
-geen andere band meer te zamen worden gehouden dan door een papier van
-den burgerlijken stand, deze zedelijk reeds ontbondenen, behoorden het
-wettelijk ook te zijn. Bent u dat met mij eens? De chaos die nu
-heerscht in de maatschappij van buiten het huwelijk geboren kinderen,
-en mannen en vrouwen die elkaar bedriegen, zou dan ophouden. Waarom
-bedriegen, nietwaar? als scheiden gemakkelijk is! En trouwens heel wat
-huwelijken, voor welke men nu scheiding zou wenschen zouden dan niet
-ongelukkig meer worden. Al die kleine dagelijksche zonden, die het
-leven vergiftigen: heerschzucht, drift, egoïsme, kwaad humeur,
-kibbelzucht, vitzucht, slordigheid, en zoogenaamde zenuwen zouden
-bijtijds worden beheerscht, als men wist dat de andere levensgenoot
-vrij was om niet langer te verdragen dan hij of zij zelve verkoos! Als
-de menschen vrij waren om den huwelijksband af te schudden zoodra het
-een knellende keten begon te worden, zouden zij er ook veel eerder
-achter komen dat huwelijksgeluk een plantje is dat heel teer en
-verstandig moet worden gekweekt.”
-
-„Ja ..... dat is waar!” ..... zeide Hilda langzaam, en toch kwam nog
-weer twijfel in haar op: „maar gelooft u toch niet dat er dan veel
-vrouwen schandelijk verlaten zullen worden die jaren lang trouw voor
-haar huisgezin hebben geleefd en later als zij oud en niet meer
-bekoorlijk zijn, voor het eerste beste aardige gezichtje zullen worden
-vergeten?”
-
-„O! freule, wat ’n zwarte verdenking tegen den man!” zeide Frank
-lachend. „Nee, daar ben ik heusch niet bang voor, want wie zoo laag
-staat, dat hij na jaren van gelukkig getrouwd zijn, de moeder van zijn
-kinderen voor een aardig gezichtje vergeet, zal dan ook zonder
-makkelijke scheidingswetten zijn vrijheid wel weten te nemen, daar zijn
-voorbeelden bij duizenden van! En wat dunkt u ontzettender voor een
-vrouw, de man, die haar zoo onwaardig is eerlijk van zich te zien
-scheiden, of wettelijk aan hem verbonden te blijven, terwijl hij haar
-telkens bedriegt?”
-
-„Trouwens,” hernam Marguérite, „hiervan geldt ook wat je straks hebt
-gezegd. Als de scheidingswetten makkelijker waren, zou menigeen zich
-wel langer bedenken om toe te geven aan een „caprice,” zooals de
-elegante wereld het luchtigjes noemt. Er zou heel wat minder met vuur
-gespeeld worden als het niet meer was zoo als nu, dat, met ’n beetje
-voorzichtigheid in de vormen, de ontrouw rustig zijn gang kan gaan,
-zonder dat de beleedigde partij zich los kan maken.”
-
-„Maar de kinderen,” zeide Hilda, „wat moet er met al de kinderen
-gebeuren van al die gescheiden paren?”
-
-Frank lachte. „Al die gescheiden paren! Freule? U denkt, geloof ik, dat
-ik ze bij millioenen wil laten scheiden. Wat worden er naar verhouding
-niet weinig engagementen verbroken, waar men toch volkomen vrij is, en
-omdat de ouwe gildewetten niet meer den schoenmaker dwingen bij zijn
-schoenen en den smid bij zijn smeedwerk te blijven, ziet men toch niet
-dagelijks alle werklui van hun vak veranderen, en alle menschen, die
-wonen kunnen waar zij willen, verhuizen toch niet elken maand! Maar
-voor de kinderen van waarlijk rampzalige gezinnen, geloof mij, freule,
-zal het oneindig beter zijn bij eén van de beide ouders alleen of
-desnoods onder vreemden te worden opgevoed, dan hun sterke
-jeugdimpressies te ontvangen in zoo’n hel van wederzijdsch elkaar niet
-begrijpen, niet verdragen!”
-
-Hilda zweeg, in intense spanning van denken. Zij voelde de waarheid
-dier voor haar nieuwe gedachten, en toch zocht ze onrustig naar
-tegen-argumenten. Het was het behoudende dat in elke menschennatuur
-ligt, dat aarzelend ons vast doet klampen aan den ouden gewonen vorm
-der dingen, ook al trekken ons de nieuwe aan, het was het knipoogend
-zich omwenden naar de duisternis, ook al is het nieuwe licht ons
-welkom.
-
-Toen met een lach, blij omdat zij een oplossing meende gevonden te
-hebben, zeide ze:
-
-„Maar zou het niet beter zijn, in plaats van voor betere
-scheidingswetten alle krachten in te spannen, om door opvoeding en
-lectuur, de menschen zooveel wijzer en hooger te maken, dat zij geen
-slechte huwelijken meer aangingen?”
-
-Frank sprong op, driftig:
-
-„Het eeuwige argument der optimistische moralisten! Wel zeker, als de
-wereld volmaakt was, hadden we geen divorcewetten noodig! Maar dan ook
-evenmin huwelijkswetten, nietwaar? Dan konden we immers het heele
-wetboek wel missen? Maar in afwachting van die gouden eeuw, wier komst
-juist zoo vertraagd wordt door de millioenen arme schepsels, geboren
-uit onzedelijke samenleving, hetzij in, hetzij buiten het huwelijk, wat
-te doen?”
-
-Met groote stappen ging hij de kamer op en neer, in een plotselinge
-gejaagdheid, die Hilda verlegen maakte, omdat haar woorden die hadden
-opgewekt, zonder dat ze begreep waarom.
-
-„Welzeker!” herhaalde hij heftig. „Er moest niet zoo lichtvaardig
-getrouwd worden! Maar dat is toch al een heel goedkoop oppervlakkig
-antwoord op die duizende angstkreten, die overal opgaan uit ellendige
-gezinnen. Wel zeker, genoegelijke idealisten, jullie hebt groot gelijk!
-O! het is erbarmelijk te denken hoe groot gelijk jullie hebt! Maar om
-niet eens te spreken van de huwelijken uit ambitie of armoede, en al
-zulke drijfveeren meer, zoolang er verstandige ouders zijn, of
-....”—plotseling stond hij stil voor Corona en zag op haar neer met
-oogen donker van hartstocht en pijn—„of zooals in mijn geval,
-onverstandige grootouders, en zoolang heel jonge mannen zoo wanhopend
-gauw en dom verliefd worden en jonge meisjes zoo erg gauw klaar zijn
-met haar „ja,” allemaal categorieën van menschen, dat stem ik volkomen
-toe, die in een wijzere wereld niet moesten voorkomen, maar die nog wel
-de eerste eeuwen zullen bestaan, zoolang moest de huwelijksband niet
-voor het leven bindend zijn! Niet omdat breken goed is,” vervolgde hij
-hoe langer hoe heftiger, „maar omdat samenblijven slecht is, als liefde
-is heengegaan. Een wet die twee menschen aan elkaar bindt, uit wier
-samenzijn het hooge heilige is weggevallen, is immoreel, afgrijselijk
-immoreel!”
-
-Hilda huiverde; zij voelde het duizelen van iemand, die lang langs een
-afgrond gegaan is, zonder het te weten en plotseling vlak bij zich de
-zwarte diepten ontdekt.
-
-Corona’s doodsbleek zwijgen en Soeterwolde’s hartstochtelijke
-uitval,.... was daar niet vóór haar een drama van zwaar menschenlijden
-gespeeld, terwijl zij kalm wat meende te philosopheeren? Een groot warm
-medevoelen steeg in haar op.
-
-„Frank!” zeide Corona, maar met een stem zoo zwak als van een zieke.
-„Wil je ons het boek niet uitlezen?”
-
-„Ja zeker!” zeide hij bedaard. Bij den zachten klaagklank van haar stem
-was alle opwinding in hem verdwenen. In machtig zelfbeheerschen ging
-hij naar zijn plaats terug en las.
-
-Maar geen van allen kon toch meer de vroolijkheid van het begin
-terughuichelen en het was Hilda een verlichting toen de knecht werd
-aangekondigd om haar te halen.
-
-„Adieu, lieve, ik vond het erg gezellig dat je vanavond gekomen bent,”
-zeide Corona, en Hilda was dankbaar voor dat woord, dat haar zeide,
-dat, mocht zij iets geraden hebben, men haar niet als een indringster
-beschouwde.
-
-„Dank je wel, Cora, dank je wel!” fluisterde ze gejaagd in een
-plotseling verlangen om de armen om haar heen te slaan en met haar te
-weenen.
-
-Wat waren haar handjes ijskoud! en op het hooge voorhoofd, waar het
-bleek ivoor licht beschaduwd werd door het donker haargegolf, parelden
-kleine angstdropjes. Corona was angstig voor het eerst in haar leven.
-Zij voelde dat de ure van bange beslissing dáár was.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Hilda en Marguérite waren weg gegaan, en zwijgend stonden Soeterwolde
-en de jonge doktores tegenover elkaar. Zij durfde hem niet aan zien,
-geloovende met vreemde intuïtie dat als hun blikken elkaar nu
-ontmoetten er iets vreeselijks gebeuren zou.
-
-„Cora!” zeide hij eindelijk heel zacht.
-
-Zij ging een stap van hem af en viel neer op een stoel. Zij kon niet
-meer staan door het beven, en over haar kwam die radelooze
-krachtsinzinking, die ook de sterksten, misschien juist de sterksten,
-een moment lang kan vernietigen. Als Frank haar op dit oogenblik in
-zijn armen had genomen en tot haar had gesproken de overstelpende
-woorden, die als een tooverdrank werken op de vrouw die liefheeft, in
-slaap wiegend alle denken, alle willen, misschien zou zij niet bijtijds
-tot zelfbeheersching zijn teruggekeerd. En het is vreemd te denken dat
-in de momenten van strijd tusschen het sterke en het zwakke geslacht,
-het juist aan de vrouw is, om sterk te zijn, wil niet de uitkomst
-rampzalig wezen. En hoevele vrouwen werden opgevoed tot kracht? Was
-niet tot dusver de leidende hoofdgedachte der meisjesopvoeding:
-toegeven, volgen, dienen, gehoorzamen, onderworpen zijn? En als dan, in
-het oogenblik van hoogste worsteling het meisje niet heeft weten te
-heerschen over zich zelf en den sterke, tot wien men haar geleerd heeft
-op te zien, dan werpt in huichelachtige wreedheid de wereld haar den
-steen toe.
-
-Maar Frank stond voor haar en zag neer op het smartvolle gezichtje in
-grooten teederen eerbied, en zachtjes dringend herhaalde hij:
-
-„Cora, wij kunnen immers ons leven zoo niet langer voortslepen, het kan
-niet! Die paar keer op een jaar dat ik zoo es even kan overkomen en
-onze arme brieven zijn maar broodkruimels, we sterven daarbij van den
-honger. Laten we niet meer scheiden! Cora, liefste ga met me mee!”
-
-Zij sloot de oogen en schudde zachtjes het hoofd.
-
-„Waarom niet? Corona? Waarom zoûen we niet gelukkig samen zijn? Is dan
-niet wat ons samen heeft gebonden van den eersten dag af aan dat we
-elkaar gezien hebben, juist die goddelijke band, die niet verbroken mag
-worden! Zijn onze zielen niet tot elkaar getrokken door dien onzegbaar
-mysterieuzen drang, dien de dieren niet kennen en de lage naturen
-kunnen loochenen, maar dien wij erkennen, niet waar? die drang die door
-het beste wat in ons is, ons tot elkaar voert, niettegenstaande we ver
-van elkaar hebben geleefd, en we beiden geworsteld hebben om ons los te
-maken van een liefde die we vooruit wisten dat ons zooveel ellende
-geven zou?”
-
-„Ja, we hebben wèl geworsteld!” zeide ze in een mat fluistergeklaag.
-„We hebben getracht op te gaan in ons werk met alle kracht, maar het
-geeft allemaal niets!”
-
-„Nee, Cora, ’t geeft niets! We behooren bij elkaar voor altijd! Waarom
-geloof je me niet? en wat is er dan toch dat ons scheidt? ’n stuk
-papier daar ginds op het Stadhuis te Rotterdam, dat mij bindt aan een
-vrouw, die ik niet lief heb, en die mij niet lief heeft, die alleen in
-mij den kunstenaar wil exploiteeren!”
-
-Hij sprong op en liep de kamer op en neer met zware heftige stappen.
-Een oogenblik, zonder dat hij het merkte, volgden hem Corona’s oogen en
-langzaam keerde in haar blik het geestkrachtsklare terug:
-
-„Nee, Frank, niet dat papier scheidt ons! geloof je dat zoo’n akte,
-waarvan wij allebeide het onzedelijke hebben erkend, mij zou kunnen
-beletten je te volgen, als ik dacht dat het goed was?”
-
-Met een ruk draaide hij zich om.
-
-„En waarom denk je dat het niet goed zou zijn? Hebben we elkaar niet
-lief? Zijn onze levens niet vernietigd als we zoo gescheiden voort
-moeten gaan? Vullen we elkaar niet aan, zoo als man en vrouw dat
-behooren te doen?”
-
-Zij boog het hoofd en staarde op de samengeperste handen. De
-angstsmeeking in zijn oogen kon ze niet zien en ze zocht naar woorden.
-In zijn nabijheid vol hartstocht en teederheid, hoe koud en vaag
-schenen op eens al de argumenten die ze zoo dikwijls bij zich zelf
-herhaald had in volle overtuiging.
-
-„Frank je gelooft in je roeping als kunstenaar niet waar? Je gelooft
-dat elk mensch den roep moet volgen die in hem is, waardoor alleen hij
-aan de gemeenschap kan geven wat hij het beste in zich heeft?”
-
-Hij knikte even en bleef haar strak onrustig aanzien.
-
-„Zoo is er voor mij ook een roeping hier, die ik vervullen moet, en als
-ik je nou volgde Frank, zou ik daar ontrouw aan worden, en dat kan
-niet?”
-
-„Wat voor roeping? Overal zijn immers zieken, genezen en helpen kun je
-immers overal?”
-
-Ze schudde het hoofd.
-
-„Dat bedoel ik niet! Frank! Ik meen niet dat ik als dokter hier moet
-blijven. Maar voor velen ben ik hier iets heel anders geworden, een
-steun een raad-, een leidsvrouw, en ik weet dat als ik nou met je weg
-ging, ik die allen een onherstelbaar kwaad zou doen. Want wat zal de
-wereld zeggen van ons? Niet dat we vijf jaar lang in groote kracht
-geworsteld hebben, en toen eindelijk erkennende dat de band die ons
-verbonden houdt, heilig en onverbreekbaar is, ons vereenigd hebben in
-naam van een hoogere moraal dan die van het wetboek. Zij zal van ons
-zeggen ....”—een donkere gloed golfde heen over het koud witte
-gezichtje—„dat doktoresje is er van door met ’n acteur! en ik hoor het
-gelach en gefluister al, en al de geestigheden op de heerensociëteiten
-en de commentaren die bij zulke gevallen niet uitblijven: „Dat heb je
-nou van die geëmancipeerde vrouwen. Ik heb het altijd wel gezegd! Hoe
-geleerder en onafhankelijker hoe lichtzinniger!” Begrijp je niet Frank,
-dat waar ik hier jaren lang gewerkt heb om al die onzinnige
-vooroordeelen te overwinnen, ik dat alles niet in éen slag mag
-vernietigen door in de wereldoogen een grooten val te doen?”
-
-„Maar men zou ook kunnen zeggen, dat, als jij met je grooten invloed en
-vlekkelooze reputatie aan de wereld toonde, dat er voor jou een heel
-andere, hoogere zedelijkheid bestaat dan die van verouderde wetten, je
-voorbeeld in die richting een weldaad voor de menschheid zou zijn! Wat
-kan de wereld beter overtuigen, dan dat een vrouw als jij haar den weg
-wijst? Toon door je daad dat je neerziet op degenen die hun zelfgemaakt
-wetboekje hooger stellen dan de eeuwige wet van de Liefde! en kom bij
-me, Corona!”
-
-Vol verwachting zag hij haar aan. Maar zij schudde droevig het hoofd.
-
-„George Eliot en George Sand en zooveel anderen hebben dat voorbeeld al
-gegeven, en wat hebben zij bereikt? Hoogstens zou men van mij zeggen:
-„Dat had ik nooit van haar gedacht!” De wereld zou nooit gelooven dat
-ik uit een hoog beginsel zou hebben gehandeld, zij zou alleen gelooven
-aan zwakheid, en dat mag niet, Frank! Vlekkeloos moet ik blijven om met
-alle kracht invloed te kunnen uitoefenen. Als mijn stem van protest
-tegen het onzedelijke onzer wetten, en tegen zooveel onrecht en domheid
-luide weerklinken zal, moet ik op een voetstuk blijven en niet eerst me
-zelf in de wereldopinie verlagen.”
-
-Zonder te spreken, hervatte Frank zijn heen en weer loopen. De handen
-in de zakken, het hoofd diep op de borst gebogen, ging hij telkens
-langs haar heen.
-
-Eindelijk hoorde ze hem zeggen, schor fluisterend tusschen de tanden:
-
-„Wereldopinie! dus toch angst voor de wereldpraatjes!”
-
-„Niet voor mij zelf, Frank!” riep ze smeekend tot hem opziend, bang
-voor misverstand. „Begrijp me toch, voor mij zelf ben ik onverschillig
-voor de wereld! Heb ik niet mijn heele moeielijke leven door alleen dat
-gedaan, wat ik zelf voor plicht en goed hield, zonder mij om allerlei
-opinies te bekommeren? Maar voor de anderen hier, mag ik niet, Frank,
-toe geloof me, ik mag niet!”
-
-Hij antwoordde niet, en zij, zacht pleitend ging voort:
-
-„O! als je ’t wist, hoe er onder de armen hier meisjes zijn, die alleen
-het geloof in reinheid en goed zijn terug hebben gekregen, doordat ze
-in mij geloofden, en uit de hoogere standen, hoeveel ik er gered heb
-van het akelig luie leven van wachten op een man, doordat ze in mijn
-werk leerden gelooven. O! Frank, dan zou je zelf inzien dat ik dat
-geloof niet mag breken door een zondeschijn op me te nemen.”
-
-„Maar, mijn God, Corona, wat kunnen me al die anderen schelen! Zoo’n
-handjevol Haagsche meisjes, wier deugd zoo zwak is dat ze valt of staat
-met jouw voorbeeld, is dat de moeite waard, om ons heerlijke geluk aan
-op te offeren?”
-
-„Ja Frank,” zeide ze met iets warm plechtigs. „Tenminste, als je
-gelooft, zoo als ik, dat het doel van het leven niet is geluk, maar
-volmaking, dan is het de moeite waard dat wij ons geluk van dit
-oogenblik opgeven voor diegenen, al waren het er maar tien, maar vijf,
-maar drie, voor wie een teleurstelling in mij een verlies van
-vertrouwen in al het goede zou zijn!”
-
-„Dwaasheid,” zeide hij bijna grof. „Niemand is onontbeerlijk, dus jij
-ook niet. Het is hoogmoed van je, Cora, om zoo te spreken.”
-
-Zij sloeg de oogen neer, peilend in haar eigen hart, zich onderzoekend
-in grooten angst, en het frappeerde hem op eens toen hij op haar neer
-zag, hoe sterk zij geleek, zoo, in het licht van de lamp, de donkere
-wimpers blauwzwart kringend op de bleeke wang, op een Madonnakopje, dat
-hem eens in een oude kerk in Italië getroffen had.
-
-Maar toen begon ze weer te spreken, de groote glansoogen tot hem
-opgeslagen:
-
-„Ik geloof niet dat het hoogmoed is, want als in de physische wereld
-het een bekend feit is, dat het kleinste stofje dat zich verplaatst
-duizende en duizende bewegingen en tegenbewegingen in de wereld van het
-onzichtbaar kleine wekt, dan moet dat in de moreele wereld ook zoo
-zijn, en ik weet zeker, dat, als ik nu met je wegging, ik over heel
-Nederland duizende cynische lachjes en hoonwoorden zou oproepen, die
-aan ontelbare vrouwen den strijd zouden verzwaren voor een
-onafhankelijker waardiger leven! Ik hoor het al: „Daar heb je nou weer
-die doktores, in den Haag, die er van door is met ’n getrouwd man! Nou
-zie je weer es, waar die emancipatie toe leidt!” En nu mag het waar
-zijn, dat er dagelijks alles behalve geëmancipeerde vrouwen geschaakt
-worden en bedriegen en zondigen, met logica houdt zich de wereldopinie
-niet op, en het feit dat ik gestudeerd heb en .... „er van door was”
-.... zou weer als wapen dienen tegen heel wat vrouwen die worstelen om
-haar eigen weg te mogen volgen.”
-
-Zwijgend, in wrevelopstand tegen alles wat ze zeide bleef hij de kamer
-rondloopen, woedend op zich zelf en haar, dat hij geen afdoende
-weerlegging kon vinden. Toen begon ze weer, dringend, vol pijn om zijn
-niet overtuigd zijn:
-
-„Luister Frank, toen ik pas aan de academie kwam, studeerde daar ook
-een Oostersch meisje, dat wil zeggen van een Hollandschen vader en een
-Javaansche huishoudster. Het was een vreemd kind, vol wilde
-hartstochten, ook wel met iets goeds en aardigs in haar impulsies, maar
-opgevoed zonder beginsel, zonder eenige zelfbeheersching, of liever
-niet opgevoed, alleen opgegroeid. Als zij niet gestudeerd had en tot ’n
-gewoon suf meisjesbestaan was veroordeeld geweest, zou ze al lang den
-verkeerden weg zijn opgegaan, daar ben ik zeker van. Alleen haar
-hartstochtelijke belangstelling in de studie, en haar kinderachtig
-plezier om boven al de studenten uit te blinken heeft haar een tijd
-lang tegen zich zelf beschermt. Zoolang ze intens opging in haar werk,
-sliep het zinnelijke in haar, dat heeft ze me dikwijls gezegd. Zij was
-bijzonder knap, de professoren, zelfs de conservatiefsten hadden
-plezier in haar en de jonge lui waren bepaald onder den indruk van de
-vlugheid en ’t gemak waarmee ze haar twee eerste examens had gedaan.
-Toen kwam op een dag een Spaansche violist op een concert spelen, een
-jonge man nog, met het gewone zuidelijke virtuosentype, donkere oogen
-en lange genieharen en toen .... enfin, ’n paar dagen daarna hoorde men
-dat het meisje verdwenen was en dat ze te Brussel en later te Londen in
-zijn gezelschap gezien was, en jaren daarna heb ik eens gehoord dat
-zij, natuurlijk door dien man verlaten, in de grootste ellende moreel
-en physiek, in Parijs in een hospitaal is gestorven. En nou zul je wel
-zeggen dat het een ouwe geschiedenis is en dat te allen tijde meisjes
-van allerlei stand en aanleg zich hebben weggeworpen, maar als je het
-schandaal aan de academie had bijgewoond zou je gezien hebben dat
-daaraan op dat oogenblik niemand scheen te denken, en dat ook niemand
-zich scheen af te vragen of ook de immoraliteit van haar geboorte, dus
-haar vader de causa remota van haar lichtzinnigheid kon zijn. Het was
-de studeerende vrouw, die in haar werd gegeeseld, het was de
-emancipatie die de schuld van alles kreeg! Wil je wel gelooven Frank,
-dat in die dagen, een professor, die altijd heel voorkomend was
-geweest, mij zoo onbeschaamd behandelde alsof ik zelf het weggeloopen
-meisje was? En onder de studenten, die tot dus ver volkomen correct
-waren geweest, waren er toen, die in mijn tegenwoordigheid aardigheden
-begonnen te vertellen, waar ik nog van walg, als ik er aan denk! De
-aureool van de vrouw-student was vernietigd door dat ééne wilde kind en
-het heeft wel een half jaar geduurd vóór ik m’n prestige geheel terug
-had. Kun je niet begrijpen dat ik me zelf toen heilig beloofd heb om
-anderen door mijn schuld nooit aan te doen wat ik toen heb doorstaan!
-Een paar nichtjes van me, waarvan de eene in de theologie, de andere in
-de pharmacie zouen studeeren, kregen na dat geval geen permissie van
-haar vader meer, met dat gevolg dat eene van haar aan ’n treurige
-zenuwziekte is weggekwijnd na een jaar of drie voortgesleept te zijn in
-het gewone leven van haakwerkjesknutselen, suikerpotjesvullen,
-visitetjesloopen, romannetjeslezen, stofjesafnemen van een hoogst
-fatsoenlijke jonge dame. O! Frank, er zijn oogenblikken waarin ik alle
-vrouwen zou willen toeroepen met een stem zoo geweldig dat het tot in
-haar binnenste doordrong: In deze overgangstijden, waarin de vrouw nog
-haar goed recht te bewijzen en te veroveren heeft om niet meer volgens
-een conventioneel plan, maar in vrijheid haar eigen leven te leven,
-laat toch allen, die de kracht in zich voelen baanbreeksters te zijn,
-haar naam smetteloos bewaren en zelfs den schijn van het kwade
-vermijden! Laat haar licht zijn als een baak, waarop andere zwakkeren
-zich in vertrouwen kunnen richten! Haar verantwoordelijkheid is
-vertienvoudigd sinds de groote massa naar elk harer daden niet haar
-alleen, maar haar principes en haar streven zal veroordeelen! Begrijp
-je nou waarom ik niet met je mee mag gaan?”
-
-Maar Frank antwoordde niet en bleef gejaagd op en neer loopen. Een
-oogenblik was het doodstil, en het zware getik van de pendule drong in
-haar hoofd, pijnlijk enerveerend, als het geklop van een groot
-menschenhart.
-
-Suf zat Corona er even naar te luisteren, zonder ander bewustzijn dan
-een vagen wensch, om de pendule te laten stilhouden, maar ze verroerde
-zich niet en volgde met starende oogen, de altijd heen en weer gaande
-gestalte. Eindelijk in wild aangroeiend verlangen om toch iets van hem
-te hooren, begon ze weer zachtjes te spreken:
-
-„Toe, Frank, waarom zeg je niets! Zie je niet dat ik gelijk heb! ....
-O! als ik met je mee ging, zou het geluk wel heel groot zijn! Heel
-groot!”—en alsof haar lippen het heerlijk vonden even van dat geluk te
-mogen spreken, herhaalden ze nog een paar maal: „Heel groot!”—„Maar hoe
-lang zou het duren? Een half, misschien ’n heel jaar, misschien twee,
-zoûen we ons hier of daar kunnen begraven en dan? .... dan zouên we
-beiden, in de volle kracht van ons leven, gewend om te werken, terug
-verlangen naar een breederen levenskring. Genieten alleen kan ’n
-menschenleven niet lang vullen! We zouden terug verlangen naar strijd
-en werk en dan .... O! Frank het is afschuwelijk zoo verstandig te
-zitten praten als je zoo heel anders voelt, maar ik heb mij deze dingen
-zoo dikwijls met alle kracht voorgehouden, omdat ik wist dat dit uur
-van beslissing eens komen moest! En zie je, als we dan in de
-maatschappij terug keerden, wat zou dan onze positie zijn? ....
-Iedereen zou op ons neerzien .... en je kindje, Frank .... ik zou het
-niet kunnen verdragen, dat je kindje de vrouw verachtte, die jouw
-liefde bezat.”
-
-„Dat zou ze niet!” riep hij heftig. „We zouden haar samen opvoeden,
-Cora, we zouden haar leeren naar ’n hooger moraal te oordeelen, dan
-naar die van ’n verouderd menschenwetboekje? Mijn God! Gebonden te zijn
-aan die men niet, en gescheiden te zijn van die men wèl liefheeft! en
-dat zedelijkheid te noemen! Weet je waar die wettelijke huwelijksdwang
-op lijkt? Op die rotte huizen in de achterbuurten, die door stutten
-zoowat bijeen worden gehouden! Alsof dat nog ooit gezonde vroolijke
-woningen konden worden!”
-
-Maar toen op eens voor haar staan blijvend, greep hij haar handje, dat
-op tafel zenuwachtig met ’n vouwbeen lag te spelen, en zeide, schor met
-een vreemde stem: „Dus ik heb het goed van je verstaan, Corona, je
-weigert bij me te komen, tenzij dat gevloekte contract is verbroken en
-ik je mijn wettige vrouw kan maken? Goed, het zal gebeuren, zooals je
-wilt! Heel best, maar dan moet ik haar dwingen, de ellendige, die
-tusschen ons staat, en ik zal haar mishandelen, slaan zal ik haar, als
-het moet, tot ze op haàr beurt, me om scheiding komt smeeken. Dan
-kunnen we met wederzijdsch goedvinden ’n comedietje van overspel of zoo
-iets opvoeren,—in de rechtzaal nemen ze ’t zoo nauw niet met de
-waarheid—en dan .... mooi zoo, eerst ’n correcte divorce en daarna ’n
-correct huwelijk! Dan is de wereld tevreden, ben jij het dan ook,
-liefste?”
-
-Corona zag angstig tot hem op. Zijn gezicht was vlak boven het hare,
-vol wreede passies van nameloos wee, dat met zich zelve spot. Zij
-trachtte haar hand los te maken, maar hij greep ook de andere, vlak om
-de polsen en drukte ze alsof hij ze verbrijzelen wilde.
-
-„Frank, zeg toch zulke dingen niet! Was dat niet juist het heerlijke in
-onze liefde, dat als we thuis kwamen, moe en ziek van al het wreede,
-lage, booze dat in de wereld is, we toch zeker wisten, dat er ergens op
-die wereld een mensch leefde, die in groote liefde aan ons dacht en in
-wien we gelooven konden met een vroom hoog opzien! Je weet niet hoe
-dikwijls me de gedachte getroost heeft, dat je groot en sterk waart!
-Als ik wist dat je die vrouw mishandelde zou ik rampzaliger zijn dan ik
-nog ooit geweest ben! Maar je meent het niet, je bent er niet toe in
-staat.”
-
-„Misschien niet! Maar wat wil je dan toch in Godsnaam! Moeten we er ons
-maar kalmpjes bij neerleggen en ons prachtige geluk zoo lamlendig
-opgeven?”
-
-„O! Frank!” riep ze in een korten, tranenloozen snik. „Je maakt het me
-zoo zwaar! Ja, we moeten geduld hebben. Die vrouw zal toch wel ééns
-toegeven. Daar kunnen allerlei omstandigheden komen,.... ik weet
-niet,.... je moet blijven aandringen, ze kan toch onmogelijk haar
-weigeren volhoûen....”
-
-„Waarom niet? Ze kan ons geduld immers nog jarenlang tergen. En ik wil
-geen geduld meer hebben! Zie je dan niet dat het me krankzinnig maakt
-als ik zoo voort moet leven? O! je hebt misschien groot gelijk dat je
-weggaan valsch zou worden uitgelegd en dat het daardoor aan een boel
-vrouwen kwaad zou doen! Maar als je mij liefhadt zou je niet om al die
-vreemden geven. Wat kan haar ellende in vergelijking met de onze zijn?
-Cora, zoolang je je liefde niet boven dat alles stelt, geloof ik dat ze
-een leugen is.”
-
-Zij kromp ineen, met een stijve beweging harer armen hem afwerend, toen
-hij hartstochtelijk zich over haar heen boog. Het was het groote
-gevaarlijke woord, dat sinds eeuwen vrouwen zwak heeft gemaakt. Want de
-vrouw die liefheeft kan beter alles verdragen, dan dat er getwijfeld
-wordt aan wat zij op dat oogenblik het sterkst, het heiligst in zich
-voelt. Op eens ging er brandende koortstgloed door haar lichaam, een
-krankzinnig verlangen om hem te toonen, dat zij hem wèl lief had:
-
-„Frank!....”
-
-Maar toen in eens, in een krampachtig samentrekken van haar wil, in het
-besef dat het uiterste moment dààr was en zwakheid niet zijn mocht,
-zeide ze met een vreemde stem, snijdend van ironie:
-
-„Dat is een theaterphrase, Frank, waar de premier amoureux gewoon is de
-jeune première mee te vangen. Als je werkelijk aan mijn liefde
-twijfelt, ga dan maar weg.”
-
-In een oogwenk lag hij geknield voor haar neer, haar handen bedekkend
-met kussen:
-
-„Vergeef me, Cora! Maar het is zoo vreeselijk geen uitweg te vinden!”
-
-„Vaarwel!” zeide zij zacht, nog bleeker wordend, terwijl zij langzaam
-opstond.
-
-Verder spraken zij niet meer. Hij had haar in zijn armen genomen, en
-zij met een reine beweging van overgave had haar hoofdje tegen zijn
-borst gelegd, en een oogenblik schreiden zij zoo samen. Nog nooit als
-bij deze eerste omarming hadden zij zoo fel het peillooze wee van hun
-verlangen en eenzaam-zijn gevoeld en toch was er weelde in dit zwaar
-lijden samen. Toen nam hij haar hoofd voorzichtig tusschen zijn beide
-handen en kuste even het koude voorhoofd en was weggegaan vóór zij het
-vermoedde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Den volgenden morgen al vroeg stond Marguérite van Arkel voor Corona’s
-bed.
-
-„Wat is er Maggy? O! wee, heb ik me verslapen? Hoe laat is het al?” Zij
-schrok wakker, nog half bedwelmd door den zwaren morgenslaap, die volgt
-op een nacht van groote uitputting.
-
-„Nee, rustig maar kindje, ’t is pas zes uur, en Marijken wou je juist
-gaan roepen. Maar ik kwam even naar je kijken. Ik heb vannacht zoo
-ontzettend met je mee geleden! Hoe is het gegaan Cora mia?”
-
-Corona richtte zich half overeind, steunend op haar elleboog, en zag op
-tot Marguérite, de dof vermoeide oogen vol leedschaduwen. Toen zeide ze
-met vaag klanklooze stem als of ze met haar gedachten ver weg was: „Hoe
-het gegaan is, Maggy? Slecht, heel slecht, Maggy, heel slecht!”
-
-„Hoe bedoel je dat?” zeide Marguérite angstig.
-
-„Het kon niet anders, het beslissende oogenblik was gekomen en we
-hebben een rampzalige explicatie gehad. Hij wou me mee nemen, en
-niettegenstaande alle conventies gelukkig zijn, en hij had gelijk! en
-ik wou niet met hem mee gaan en iedereen teleurstellen, en ik had ook
-gelijk! En van de twee heb ik helaas getriomfeerd?”
-
-„Goddank!” zeide Marguérite.
-
-Corona liet zich weer achterover vallen in bed in een beweging van
-moedeloosheid en bitter vroeg zij:
-
-„Och, waarom? Niemand is onmisbaar!”
-
-„Cora! Schaam je je niet! Jij hebt me zelf de les vol raadsels
-ingeprent, dat niemand onmisbaar is en dat toch ieder een zware
-verantwoordelijkheid is opgelegd. Heb je me niet dikwijls gezegd hoe je
-geloofde dat ieder van ons bewust of onbewust een partij in ’t groote
-wereldconcert heeft te vervullen, al was het ook maar eén enkele
-vioolstreek of paukenslag en dat ieder, die iets begrepen heeft van die
-taak van medespeler in het wonderbare geheel, en eerlijk zijn
-gewetensdrang volgt, die partij ook op zich zal nemen al zou het hem
-alles kosten!”
-
-Een moe glimlachje schemerde even over Corona’s gezicht. Het was haar
-een vreemde satisfactie, Frank’s argument van gisterenavond nu zelf te
-gebruiken en weerlegd te worden met bijna haar eigen woorden. Toen
-zuchtte zij lang:
-
-„Ik wou dat ik vandaag maar in bed kon blijven! Zoo den heelen dag,
-zonder denken, zonder bewust zijn, als of ik dood was. Het is alles zoo
-afgrijselijk! Toe laat me maar liggen, Maggy!”
-
-Marguérite kende die oogenblikken, waarin het leven zoo zwaar is, dat
-het ons toeschijnt als of het boven onze krachten gaat om voor een
-nieuwen dag den smartelijken last weer op te nemen. Zij zette zich neer
-op den rand van het bed en streelde Corona’s hand.
-
-„Liefste, hoe onverstandig van je! in bed te willen blijven, jij nog
-wel, die honderden door werken getroost en genezen hebt! Je hebt me
-verleden immers nog à propos van Mientje van Herkelens gezegd hoe het
-ongeluk voor zooveel vrouwen juist daarin ligt, dat zij al den tijd
-hebben om zich in haar leed te koesteren als ’t ware, en te verdiepen,
-te verdiepen, tot ze er in weg zinken en nooit meer naar de oppervlakte
-kunnen stijgen! Ik ben heel blij dat je vanmorgen plichten heb, die je
-wachten, en zieken die je genezen moet en een massa menschen waar je
-voor denken en handelen en leven moet!” Corona antwoordde niet, maar
-begon langzaam op te staan en zich te kleeden.
-
-Een poosje zwegen zij. Marguérite was bij het raam gaan zitten op den
-eenigen stoel die er was, want het kamertje was klein en blijkbaar werd
-het alleen gebruikt om in den kortst mogelijken tijd door slaap en koud
-water de verbruikte krachten te herwinnen.
-
-„Cora!” zeide Marguérite aarzelend. „Ik begrijp heel goed dat jullie
-erg ongelukkig bent, maar, misschien is het toch eigenlijk maar een
-wachttijd. Als Frank veel geld heeft verdiend, kan ie die vrouw
-misschien wel afkoopen, ik bedoel haar een groote som beloven als zij
-scheiden wil. En als zij maar ééns wil, zijn er wel middelen te vinden
-om een scheiding gedaan te krijgen!”
-
-„Misschien wel,” zeide Corona mat, nog te veel geslagen om er in te
-gelooven. Toen legde ze op eens de kam neer en stond voor Maggy, de
-zwartzijden haren neerstroomend aan beide kanten van haar hoofd als
-nonnensluiers die het bleeke gezichtje nog witter maakten:
-
-„Maggy, weet je wat ik daar denk?”
-
-„Nee, wat dan?”
-
-„Dit is de formule die we gezocht hebben voor vrouwenemancipatie: De
-vrouw hebbe het recht om mee te werken aan de wetten die eenmaal op
-haar leven en dat van haar zusters en dochters een beslissenden invloed
-kunnen uitoefenen!”
-
-„De formule is niet goed,” zeide Marguérite. „Want ze geeft alleen maar
-’n klein gedeelte van ons streven terug.”
-
-„Dat is ook zoo, maar mij dunkt dat dit toch wel, voor de menschheid,
-één van de groote weldaden er van zal zijn! Als je wist in hoeveel
-huishoudens ik kom, onder alle standen, waar betere
-echtscheidingswetten, een redding van zedelijkheid en waardigheid
-zouden zijn geweest, als je al het leed kondt zien, al de zonde, zooals
-ik ze van nabij heb gezien, voortkomende uit dat onverbreekbaar
-saamverbonden zijn van twee levende elementen, die niet meer door den
-tooverband van affectie zijn vereenigd, dan zou je ook zeggen .....
-enfin, en dan nog al de andere verouderde wetten, die betrekking hebben
-op onzen rechtstoestand ..... Geloof je niet, dat, als er
-vrouwen-kiezers, vrouwen-afgevaardigden waren, die hadden zien lijden
-of zelf hadden geleden, zooals ik het heb gezien en gedaan, er heel wat
-flinker zou worden aangepakt om de toestanden te verbeteren?”
-
-„Natuurlijk,” zeide Marguérite, glimlachend, „ik geloof zelfs dat als
-de wetgevers bijvoorbeeld alleen uit vrouwen bestonden, er veel te gauw
-aangepakt zou worden. In de meesten van ons zit iets van de Hollandsche
-huisvrouw, die, als ze wat stof op een meubel ziet, en zoo gauw geen
-stofdoek bij de hand heeft, haar zakdoek of schort zal gebruiken,
-gehoorzaam aan het instinkt om elke onreinheid onmiddellijk te
-verwijderen. Moreel zouden wij dat ook doen en onder onze absolute
-heerschappij zou dus de wereld zelfs misschien veel te hard
-vooruitloopen, bijna op hol gaan.”
-
-„Maar daarom ook is immers een bestuur bestaande alleen uit vrouwen of
-alleen uit mannen, altijd nadeelig voor de gemeenschap!” zeide Corona.
-„Physiek zijn man en vrouw twee equivalente deelen van het menschtype,
-nietwaar? Zij zijn precies gelijk, de een kan zonder de andere niet
-voortbrengen, alleen door hun vereeniging blijft het ras in stand en is
-er een toekomst mogelijk. En die zelfde wet geldt ook, moet gelden in
-de moreele en maatschappelijke verhoudingen. Alles wat tot stand komt
-door samenwerking van mannen en vrouwen moet noodwendig vruchtbaarder,
-rechtvaardiger, evenwichtiger zijn, dan wat een van de beide geslachten
-alleen heeft gedaan.”
-
-„Getuige ons wetboek!” riep Marguérite. „Maar er is immers ’n commissie
-bezig geweest het te herzien, nietwaar?”
-
-„Ja, een commissie! ....” antwoordde Corona met voor het eerst iets als
-een lach. „In 1880 is die aangesteld, maar ik hoor dat die herziening
-niet veel verbetering behelst en wanneer zal dat ontwerp eindelijk es
-in behandeling komen?”
-
-Beiden zwegen een lange poos, terwijl Marguérite zich in stilte
-verheugde dat zij gekomen was, en Corona had kunnen opwekken uit haar
-eerste diepe neerslachtigheid. Zoodra zij zich maar weer kon verdiepen
-in die vragen, waaraan zij haar leven gewijd had, zou ze weer meester
-zijn over haar eigen leed. Niets is zoo machtig om eigen smart op den
-achtergrond te dringen als het zich hartstochtelijk absorbeeren in een
-groot algemeen belang. Het werkt als een hefboom, ons oprichtend uit de
-diepten van zelfmedelijden en zelfzuchtig neerzitten. Dankbaar zag
-Marguérite hoe langzamerhand onder het voortdenken, Corona’s loome
-lusteloosheid verdween en de oude rustige veerkracht in hare bewegingen
-terugkeerde.
-
-„Weet je wel Maggy,” zeide Corona eindelijk, „dat over vijftig jaar de
-heele wereld zal lachen om al dit geschrijf en gepraat voor en tegen de
-vrouwenemancipatie. Het jongere geslacht zal er niets meer van
-begrijpen, en het zal er om lachen, zooals wij nou zoûen lachen als er
-brochures en boeken vol werden geschreven om te bewijzen dat ’n
-huisgezin waar een lieve intelligente moeder de zorgen voor haar
-kinderen met den vader deelt, oneindig completer, gelukkiger moet zijn
-dan eén waar zoo’n moeder ontbreekt. En dan te denken dat het nog
-zooveel moeite kost om de menschen te laten begrijpen, dat het in het
-groote huishouden van den staat of van de gemeente precies hetzelfde
-is!”
-
-Corona was klaar en samen, de armen om elkaar heengestrengeld, terwijl
-Marguérite, die zooveel kleiner was, haar hoofd op Corona’s schouder
-liet rusten, daalden zij de trappen af naar de smalle ontbijtkamer
-beneden.
-
-Het was de houding die kostschoolmeisjes zoo gaarne aannemen, een
-houding van teederheid en vertrouwen, waarbij gewichtige kleine
-geheimen zoo makkelijk worden uitgesproken; en Cora en Maggy, van af
-die eerste tijden van haar vriendschap, toen zij zooveel jonger waren
-en deze omstrengeling voor haar weinig expansieve naturen een groote
-liefkoozing beteekende, hadden zich aangewend om dikwijls zoo te
-loopen. Iets van veiligheid en troost lag er in, om steunend op elkaar,
-zoo samen voort te gaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Ottilie van Heemeren lag uitgestrekt op de rustbank in haar boudoir en
-telde de geschilderde bladeren van den rand van het plafond. Het
-regende dien morgen, zoodat zij haar plan had moeten opgeven om naar
-het strand te gaan, waar zij wist dat zij van Smaarth zou ontmoeten.
-Een oogenblik richtte zij zich op: Zou ze toch maar gaan? Met den
-dikken wollen regenmantel? Zij zag naar de lucht, een vale hemel vol
-grijze waterdampen, waaruit het eindeloos scheen te zullen
-neerstroomen; zelfs de bontvroolijke kamer, met al haar
-weeldegeschitter, zag er kil uit op dit oogenblik, en zuchtend liet zij
-zich weer neervallen. Zij trachtte zich nu het strand voor te stellen,
-zooals het er uit moest zien, de effen geelgrijze lucht en daaronder
-het woelende water, koud, grijs met zwarte strepen, en hier en daar een
-witte schuimkop, die schuim, die in de zon zoo lachend kon schitteren
-en dansen, maar bij zulk weer angstig opfladderde als voortgejaagde
-schimmen. De natkoude wind en de druipende stoelen op hoopen bijeen
-gezet en hier en daar ’n badgast, die door de uiterste verveling
-gedreven of door aandoenlijke gehoorzaamheid aan het woord van den
-dokter, om toch zooveel mogelijk van de zeelucht te profiteeren, zich
-onder oude verschoten mantels en sjaals heeft bedolven, en verkleumd en
-verwonderd den voorbijganger aanstaart. Huiverend rekte ze zich uit op
-de sofa: „’n mooie plaats om te flirten, zoo’n druipnat strand!
-Misschien is van Smaarth ook wel zoo wijs geweest om niet te gaan! Maar
-hij zal het niet hebben durven laten om de mogelijkheid dat het weer
-opklaarde, en ik toch nog kwam. Poor fool! pauvre petiot: onder zulk
-weer samen alleen op het strand zou toch wel wat heel compromettant
-zijn geweest! Als ie dat niet begrepen heeft moet ie voor z’n straf ook
-maar ’n paar natte uurtjes op de uitkijk staan!”
-
-Zij glimlachte, het wreede sfinxenlachje. De dwaze figuur van dien
-wachtenden minnaar onder een parapluie verdreef een oogenblik de
-drukkende verveling. Toen begon ze weer onwillekeurig de bladeren op
-het plafond te tellen: dertien, veertien, vijftien! Maar waar moest dat
-romannetje met Johnie nou toch eigenlijk op uit loopen? „Soms geloof
-ik, dat het hem ernst begint te worden. Wat heeft ie zacht krulhaar en
-vreemde oogen! Dat is zijn charme, geloof ik, die donkere, vreemde
-oogen.”
-
-Zij stond op en liep doelloos door de kamer, de handen op den rug. „Zou
-het dan eeuwig blijven regenen? O! dat gevoel van namelooze verveling!
-Zij nam haar boek op, dat half opengesneden was: „Mensonges” van
-Bourget. Maar dadelijk legde ze het weer neer. Er was iets in de
-volkomen, en toch bijna onbewuste demoralisatie dier Susanne Moraine,
-dat haar dien morgen ondragelijk was. De beschrijving der verfijnde
-dierlijkheid, van het als ’t ware spelend neerzinken dezer vrouw, tot
-de uiterste depravatie, maakte haar zenuwachtig. Er spatten vonken uit,
-verlichtend dingen in haar eigen leven, die zij liever in donker liet.
-En weer liet ze zich achterover vallen op de rustbank. Het was de
-gewone geschiedenis: door lusteloosheid kwam ze tot nietsdoen en door
-nietsdoen werd de lusteloosheid hoe langer hoe drukkender. En wat zou
-ze ook doen? Een oogenblik nog kwamen er een paar grappige gedachten,
-zooals door regenwolken een valsch waterzonnetje breekt; maar voor wie
-gewend zijn met haar geest te schitteren in een kring van vleiende
-bewondering, is er weinig aantrekkelijks in om geestige dingen te
-bedenken in eenzaamheid. Weer daalde verveling op haar neer, grijze,
-oneindige, en juist haar intellectueele gaven en de bloeiende
-gezondheid van haar jong lichaam, maakten die nog gevaarlijker, omdat
-zij de doffe uren opvulden met hartstochtelijke verlangens naar leven
-en genieten, zooals zij nog nooit geleefd en genoten had. Dat genieten,
-zooals zij het zich nu voorstelde, alleen korte oogenblikken kan geven
-van koortsigen gelukswaan, zonder bevrediging, zonder verzadiging
-zelfs, waarna het ontwaken komt vol desillusie-bitterheid, en dat
-levensvoldaanheid alleen wordt geboren uit ernstig arbeiden voor iets
-dat ons lief is, dat ons met bezieling vervult, waren waarheden, die
-niet in het bereik lagen dier jonge vrouw, nog in den bacchantenroes
-harer ijdelheid. Als madame Bovary, en al hare zusters over de geheele
-aarde, een druk vroolijk huishouden van tien kinderen hadden gehad, of
-zich aan de zieken van haar man hadden gewijd, of uit armoede hadden
-moeten les geven aan de dorpsschool, zouden zij hoogst waarschijnlijk
-niet gezondigd hebben. Eerst een gewone meisjesopvoeding, waarbij, door
-het stelselmatig eenzijdig ontwikkelen van het gevoelsleven alleen, het
-natuurlijk evenwicht wordt verbroken tusschen verbeelding en logisch
-beschouwen, daarna een bestaan zonder doel, zonder werk, waarop de
-volwassen levenskrachten kunnen worden geconcentreerd, is het wonder
-dat zoovele vrouwen de holheid van haar bestaan trachten op te vullen
-met de prikkelende emoties van ongeoorloofde verhoudingen?
-
-Een half uur lag Ottilie stil achterover, terwijl de gedachten kwamen
-en gingen, vluchtig en toch duidelijk zooals in droomen, over briefjes
-die zij schrijven moest, over een gebroken armband, over vleiwoorden,
-die men haar gezegd had, over van Smaarth, over het nieuw zijden kleed,
-blauw met Brusselsche kanten, voor Valérie Vermaezen’s bruiloft, over
-een zelfmoord in de courant, over Rooselaar’s hardnekkige blindheid om
-niet te zien dat Corry met hem speelde, allemaal onderwerpen geschikt
-om met kennissen uren lang te bepraten, maar armzalig gezelschap op een
-regenmorgen, alleen. Soms met een loomen armbeweging nam zij een bonbon
-van het tafeltje naast haar, fondants met liqueur er in. Het was
-verbazend hoeveel zij den laatsten tijd daarvan gebruikt had. Maar dit
-voorjaar, nu de maalstroom van amusementen wat bedaard was, waren er
-zooveel van die leege uren, en telkens als ze zich verveelde kreeg ze
-zoo’n flauw hongergevoel, waartegen de liqueur-bonbons moesten helpen.
-
-Eindelijk werd er gebeld. Zij luisterde met kinderachtig verlangen. Zou
-het maar een leverancier zijn? of ’n afleiding, ’n briefje, ’n visite?
-Met een gevoel van bevrijding sprong ze op, toen Gladys van Praege en
-haar beide kinderen even daarna binnen kwamen.
-
-„Hoe gezellig, dat je de kinderen hebt meegebracht! kom je ’n beetje
-rustig praten? Dag broertje! Hé, wat ’n frissche wangen!”
-
-De kleine Hajo liet zich gewillig kussen en ging naast haar op de sofa
-zitten, vertrouwelijk spelend met de ringen van haar linker hand.
-Kleine Mary stond schuw naast haar moeder en keek scherp onderzoekend
-naar Ottilies zware zwarte haar.
-
-„Hoe vreeselijk toevallig, dat je vanmorgen juist aankomt?
-
-Ik had je net ’n briefje willen schrijven of je vanavond met je man
-kwam theedrinken?”
-
-„Mogen we liever een andere avond? Vanmiddag krijg ik juist m’n zuster
-uit Amerika te logeeren, je weet wel Maud, de oudste, en zoo’n eerste
-avond zoûen we liever stil samen thuis blijven, dat begrijp je wel,
-nietwaar?”
-
-„Natuurlijk. Maar hoe heerlijk voor je. Je hebt haar zeker in lang niet
-gezien?”
-
-„Nee, niet sinds m’n huwelijk. Ze kon nooit overkomen omdat haar
-betrekking zoo druk is. Je weet ze is eerste geneesheer aan ’t groote
-hospitaal van Washington. Maar nou heeft ze ’n jaar verlof gevraagd om
-een beetje op rust te komen en wat van Europa te zien en ze zal nou bij
-me blijven tot .... de kinderen ’n nieuw broertje of zusje hebben
-gekregen ....”
-
-„O! .... zoo, zoo .... wel .... dat is heerlijk voor je! Is je zuster
-al in Engeland?” Een nuance van ironie lag in Ottilie’s stem.
-
-„Ja gisteren heb ik ’n telegram uit Liverpool gekregen, en vanmiddag
-wacht ik haar hier.”
-
-„En wat zegt je man er van dat je nog zoo’n derde lastpostje gaat
-krijgen?”
-
-Gladys kleurde even, met een flauwen glimlach; zonder te antwoorden zag
-zij het raam uit.
-
-„We zijn geen laspossen van mama!” zeide kleine Hajo, haar strak
-aanziende, ernstig, met ronde verwonderde kinderoogen. „We zijn mama’s
-Arlis en papa’s laspossen.”
-
-„Mama’s Darlings, meent ie zeker,” legde Gladys uit en weer steeg langs
-het doorzichtige teint een roode gloedgolf. „En papa noemt ze misschien
-wel es lastpostjes voor de grap.”
-
-Ottilie lachte. Zij begreep er alles van. Den vorigen avond was van
-Praege op het Kurhaus bij hen komen zitten; zij hadden zich uitstekend
-samen geamuseerd, en zij kon het niet helpen, zij lachte, zij vond er
-iets belachelijks in, dat dat naïeve schepseltje daar nog zat te
-probeeren om de hoe langer hoe duidelijker wordende scheuren te
-bedekken van de bouwvallen van haar huisgeluk.
-
-En terwijl Gladys, in de blijheid van haar zusterweerzien voortsprak,
-levendiger dan gewoonlijk, zat Ottilie met haar raadselglimlach en
-koude oogen, en nam het blonde kopje in koele analyse op, zich
-afvragend, waarom zulk een bekoorlijk vrouwtje, dat zooveel
-bewonderaars kon krijgen als ze wilde, haar man bleef voorspreken en
-treurend bij de kinderen thuis zat, in plaats van zich van haar kant
-ook te amuseeren.
-
-Hoe dat amuseer-leven haar zelf juist nog een oogenblik te voren tot
-vervelingswanhoop had gebracht scheen ze zich niet meer te herinneren,
-en zoo als allen, die gewend zijn weinig na te denken en naar een enkel
-individu een tallooze massa te beoordeelen, trok ze in stilte haar
-conclusie: „Wat zijn die Amerikaansche vrouwen toch onnoozel!”
-
-Gladys stond op. „Nou kinderen, nog gauw ’n boodschap in de Pooten en
-dan naar huis.”
-
-„Mag ik dit boek nog even uitzien?” zeide Mary. Zij was verdiept in
-Flora’s Feast van Crane en haar kleine feeënziel scheen geboeid door
-den feeëndans der bloemen. Een vreemd teer kind was Mary met intuïtief
-begrijpen van dingen, veel te zwaar voor haar klein-kinderziel van
-zeven jaren, die zich schuw droef soms kromde onder het gewicht van
-haar voelen. Gladys was dikwijls angstig over haar; er was een
-uitdrukking in de donkere grootdroomende kinderoogen, die haar ’s
-nachts kon doen opstaan om te zien of alles wèl was in het witte
-ledikantje en nooit zonder een gevoel van dankbaarheid zag ze haar
-lachen en spelen als een gewoon kind.
-
-„Het regent zoo, laat ze maar hier tot je terugkomt, en haal ze dan
-even aan, je moet toch hier voorbij,” zeide Ottilie.
-
-„Maar zullen ze ’t je niet lastig maken, die kleine kleuters? Wou je
-erg graag blijven, Mary?”
-
-„O ja, mama, kijk es hoe prachtig! die man schenkt vlammen van de eene
-tulp in de andere; zeker bloemenvuur dat niet verbrandt, en ziet u es
-hier, dat engeltje met vleugels van crocusbloemen, dat een zonnestraal
-opvangt in een crocuskelkje!”
-
-„Prachtig!” zeide Gladys, zich tot haar bukkend met die teere volle
-belangstelling, waarmede zij alles van haar kinderen tegemoet kwam.
-„Nou maar tot straks dan; zul je heel zoet zijn broertje?”
-
-„Broer, kom ook es kijken,” riep Mary opgetogen bij een nieuwe bloem.
-
-Maar de kleine jongen, door al het bonte speelgoed, dat hem
-tegenflonkerde in de tallooze luxevoorwerpjes, opgewonden, stapte rond
-op zijn kleine stevige beenen, de handjes voorzichtig opgeborgen in
-zijn zakken, de oogen vol schroomvallige begeerlijkheid.
-
-„Kom es hier!” riep Ottilie, „kijk es wat ik hier heb!” En terwijl zij
-zich lachend in een laag satijnen fauteuiltje liet zakken, hield zij
-hem een van die karikatuurachtige Japansch-porceleinen poppen tegen,
-die met hun hoofd kunnen knikken en de tong uitsteken.
-
-Hajo schaterde en kwam met uitgestrekte handjes op haar toe geloopen,
-maar met opgeheven arm hield zij het dingetje omhoog. Lachend de mond
-en ernstig de oogen, stond hij even stil, opziende tot het lokkende
-speelgoed, overleggend in zijn kleinen bol hoe het te bereiken. Toen op
-eens, met een grappig aanloopje van waggelende bedrijvigheid klom hij
-op haar schoot, met zijn handjes haar arm omklemmend om dien naar
-beneden te trekken. Maar plagend hield zij de pop stijf omhoog en een
-kleine worsteling volgde, voor haar een spel, voor hem een
-hartstochtelijk inspannen van al zijn krachten. Maar toen in eens, bij
-het voelen trappelen der kleine voeten in haar schoot, bij den druk der
-warme grijpende handjes op haar arm, bij het voelen wringen en bonzen
-tegen haar borst van het week buigzame en toch zoo stevige lichaampje,
-werd een troublant weeldegevoel in haar wakker. En in eens in een
-passie kwam het over haar.
-
-Al de overspanning en verveling der laatste tijden, al haar drang naar
-een ongekend nieuw geluk, al haar onbevredigd voelen, loste zich in dit
-oogenblik op in een wild verlangen naar zoo’n klein lichaam dat haar
-zou toebehooren.
-
-De opgeheven hand zonk neer, en Hajo jubelend zijn heerlijk
-kinderlachen greep het Japansche monster, maar zij, de armen om hem
-heen, hem vast tegen zich aandrukkend, bedekte zijn gezichtje, zijn
-handjes, zijn kleertjes met heete gulzige kussen.
-
-Angstig, om het plotselinge, heftige der liefkozing, spartelde het kind
-om los te komen en in een oogwenk stond Mary naast hen, Ottilie’s arm
-in haar kleine nerveuze handen knijpend, totdat zij met een kreet van
-pijn de krampachtige vingertjes afschudde, maar tegelijk ook gleed Hajo
-van haar schoot.
-
-„U mag broertje geen pijn doen! Ik zal het aan mama zeggen!” zeide het
-meisje, de vroegwijze kinderoogen vol verwijt.
-
-„Jou kleine feeks, wat heb je me verschrikkelijk geknepen! Pas maar op,
-dat ik dàt niet aan mama vertel! Ik heb broertje geen pijn gedaan, is
-’t wel, Hajo? Nee, zie je wel, hij schudt zelf van nee. Maar kom dan
-nog es even hier, kleine vent!”
-
-Zij strekte de armen uit, in een groot verlangen nog eenmaal de
-weeldeprikkeling te voelen van straks. De drukking van het warme ronde
-lijfje tegen haar borst, had er op eens een koud gevoel achter gelaten:
-bijna physiek leed zij onder het plotseling leeg voelen van haar armen.
-
-„Kom maar gerust, kleine kleuter, kom maar! Als je hier komt mag je het
-popje hoûen!”
-
-En toen het kind schuw gehoorzaam naderde, trok zij hem wild op haar
-knieën, het gezichtje met heete hartstochtkussen bedekkend, in
-koortsige haast, want het was haar alsof ze een diefstal beging, een
-verboden geluk roofde, alsof zij zonde bedreef door het frischrose
-kinderhuidje onder haar brandende lippen te doen gloeien.
-
-Maar het kereltje begon bang te huilen, en weer kwam Mary tusschen
-beiden:
-
-„Mama wil volstrekt niet, dat we door vreemde menschen gezoend worden.
-Waarom neemt u zelf niet een eigen kindje om mee te sollen?”
-
-Ottilie stond op, plotseling duizelig, met een brandend moe gevoel in
-haar hoofd. Zij zag het meisje aan, en een wreede woede, een
-krankzinnig verlangen welde even in haar op, om die mooie kinderoogen
-vol tranen te zien, haar te mishandelen. Toen lachte zij, het hoofd
-achterover en belde en tot de knecht die dadelijk verscheen:
-
-„Och, Hendrik, neem die kinderen toch mee naar beneden; ze zijn me veel
-te druk en te lastig. Laat Mina maar op ze passen tot mevrouw van
-Praege ze komt halen.”
-
-En zonder hen zelfs vaarwel te zeggen, duwde ze ongeduldig de kleinen
-de kamer uit en wierp zich voorover op de rustbank, uitbrekend in
-tranen.
-
-Lang lag zij zoo, het hoofd voorover, haar kreunen van wanhoop smorend
-in het zachte witzijden kussen, weenend in al de wilde onstuimigheid
-harer ziel, zich overgevend aan haar leed, toomeloos zooals zij het aan
-haar amusementen deed.
-
-Eindelijk werd ze gewekt door een zachte hand, die haar streelend over
-het hoofd gleed. Zij schrikte op, boos dat zij gestoord was, angstig
-dat iemand haar zoo had gezien, maar toen zij Corona van Oven had
-herkend, legde ze zich weer neer, gerustgesteld en schreide voort, maar
-nu toch kalmer.
-
-„Wat is er Tilie, wat is er gebeurd?”
-
-Zij schudde het hoofd zonder op te zien.
-
-„Gelukkig, ik dacht dat er iets vreeselijks was, toen je me niet hoorde
-binnenkomen en ik je zoo zag liggen. Kom bedaar nou maar, en laat er
-ons samen over spreken, wat is er voor verdriet? Als het niet erg is,
-moet je je ook niet zoo opwinden! Kom, vertel het me nou maar!”
-
-Maar Ottilie lag onbewegelijk, mokkend het gezicht verborgen, alsof zij
-nooit meer zou willen opzien.
-
-Corona glimlachte en zette zich rustig naast haar neer. Zij kende haar
-patiënten en gewild vroolijk hernam zij:
-
-„Kom Tilie, wees niet zoo kinderachtig; ik weet het immers al lang!
-Gisteravond wat veel champagne en hofmakerij en vandaag hoofdpijn en
-tranen. Het is de eeuwige afwisseling van opwinding zonder geluk en
-depressie zonder verdriet, waar jullie wereldvrouwtjes je leven mee
-verknoeit.”
-
-Ottilie kwam dadelijk overeind, gekwetst door Corona’s spottoon, waar
-zij medelijdend beklag verwacht had:
-
-„Hoe leelijk van je, Cora, om te zitten lachen als je me ongelukkig
-ziet. Ik heb gisterenavond geen druppel champagne geproefd.”
-
-„Wel, wat is er dan?” zeide Corona, voldaan over de uitwerking van haar
-toon.
-
-„Wat er is? Gladys van Praege is net hier geweest met haar kinderen en
-toen ik zoo met hen speelde, kwam het ineens over me, hoe rampzalig
-leeg en doelloos m’n leven eigenlijk is? Waar besta ik voor? Waarom ben
-ik op de wereld? Je denkt dat ik me amuseer, maar dat is een leugen, ik
-ben rampzalig, Corona, versta je? Ik verga van verveling en van heimwee
-naar iets anders! O! ik wou dat ik maar dood was! Ik kan me best
-begrijpen dat zooveel menschen tot zelfmoord komen!”
-
-Corona zat stil en zag aandachtig naar de gebogen gestalte, welke nu en
-dan een hijgende snik nog doortrilde. Nu ruim een jaar geleden had zij
-juist zoo’n scène met haar doorgemaakt, met dezelfde wanhoop en
-dezelfde klachten. Zij had haar toen volkomen au sérieux genomen,
-geloovende in de waarheid van haar verlangen naar iets beters en zij
-had met haar gestreden, haar gesteund met raad en liefde: deze jonge
-vrouw was te intelligent, van nature in alle opzichten te rijk
-aangelegd, meende ze toen, om in oppervlakkige genotzucht onder te
-gaan. Maar kort daarna was Ottilie naar Zwitserland vertrokken met
-koffers vol nieuwe toiletten, en bij haar terugkomst had ze zich met
-hartstocht weer in het oude ijdele leven teruggeworpen, toen had Corona
-zich stil terug getrokken, tegen Marguérite van Arkel haar
-teleurstelling aldus uitdrukkend: „Zij behoort tot de velen die door de
-natuur goed maar door hun opvoeding slecht zijn gemaakt. Als men van
-haar geëischt had een mensch, een ernstige vrouw te worden, zou ze het
-geworden zijn, nu heeft men van haar geëischt een pop, een bekoorlijk
-luxevoorwerp, een ornament van een rijk huis te zijn, en ze is het
-geworden, te zwak om zich een ander ideaal te kiezen dan ’t welk men
-haar altijd heeft voorgehouden!”
-
-En nu, na al die maanden was dezelfde wanhoop weer daar! Zou ze haar
-nogmaals au sérieux nemen? of was het niets dan verveling met een
-beetje voorjaarssentimentaliteit, die haar zoo liet spreken? of een
-uiting van naïef zelfbedrog om in haar eigen achting en die van Corona
-te stijgen, door zich als martelares van haar fladderleven voor te
-stellen?
-
-Een oogenblik doorkruisten deze beschouwingen de gedachten der jonge
-doktores. Zij kende de vrouwen. Zij wist dat er wanhoopswoorden zijn
-die uit ijdelheid voortkomen, en dat er ijdelheidswoorden zijn die
-wanhoop beteekenen, en ze besloot voorzichtig te zijn maar toch in
-ernst en vertrouwen te antwoorden.
-
-„Wat spreek je toch van zelfmoord, Tilie, natuurlijk kun je je die
-voorstellen, want zoo’n leven als jij nou leidt, van overprikkeling en
-zoeken van genietingen waarvan op den bodem walging ligt, brengt daar
-heel makkelijk toe! Maar je bent nog jong genoeg, om liever je leven te
-veranderen dan zulke groote woorden te kermen.”
-
-„Ik kerm geen groote woorden!” zeide Ottilie wrevelig, „maar je wilt me
-niet verstaan. Ik zeg niet dat ik me vermoorden wil, maar dat ik wou
-dat ik al dood was! Zoó kan ik niet langer voortleven.”
-
-„Ik wou dat je dat waarachtig meende, dat je zoo niet langer leven
-wilt! Maar ik heb dat al door zoo veel vrouwen en meisjes hooren
-zuchten, maar iets doen om anders te gaan leven willen ze niet.”
-
-„Wat moet ik doen?” zeide Ottilie aarzelend, want ze voorzag het
-antwoord.
-
-„Werken! Tilie! Weet je niet meer dat ik het je verleden jaar ook
-gezegd heb? Werken voor iets dat je bezielt of voor iemand! Het is het
-eenige remedie voor al de kwaaltjes van wuftheid en zonde en wanhoop en
-verveling en zenuwachtigheid, die de vrouwenwereld verwoesten.”
-
-„Maar wat zal ik werken? Ik heb me verleden jaar in drie besturen van
-liefdadige vereenigingen laten kiezen, en ik heb in twee commissies
-voor Bazaars gezeten, maar wat geeft dat?”
-
-Corona glimlachte. „Ik spreek niet van bestuurtjes en vergaderingetjes,
-maar van werken. O! die naïefheid van dames om zulke administratieve
-bezigheidjes werk te noemen! Werk voor een volwassen mensch in de
-kracht van zijn leven, is heel wat anders.”
-
-„Maar wat voor werk zou er voor mij zijn? Eens ben ik es armenbezoek
-gaan doen, verleden Januari, was het, geloof ik, omdat ik gelezen had
-dat het in dezen tijd zoo noodig is dat de hoogere en lagere standen
-elkaar leeren kennen. In de Lage Nieuwstraat woonde een arme vrouw, die
-wel es bij me bedelde en ik had gehoord dat ze erg vuil was, maar
-verder heel fatsoenlijk, zoodat ik er wel naar toe kon gaan, maar.....”
-
-„Natuurlijk!” zeide Corona, in bijna onbewuste bitterheid, „als ze niet
-fatsoenlijk was geweest zou je er niet heen zijn gegaan. Dat was al
-dadelijk iets dat je kondt leeren uit dat bezoek, dat de zedelijkheid
-in de lagere standen altijd angstvallig wordt nagegaan vóór we zoo goed
-zijn tot hen neer te dalen, terwijl we al bitter weinig streng zijn
-voor de heeren en dames, die we aan onze tafel ontvangen, als ze
-tenminste de vormen maar zoowat observeeren.”
-
-Maar Ottilie scheen niet geluisterd te hebben, en ging voort, vervuld
-met haar eigen verhaal:
-
-„Ik had een speech klaar gemaakt over zindelijkheid, en bonbons voor de
-kinderen meegenomen. Heusch, Cora, ’t was heilig m’n bedoeling daar
-goed te gaan doen. Maar je kunt niet gelooven wat ik ondervond. Eerst
-al, toen ik nog rondzwierf in het labyrinth van de Lage Nieuwstraat om
-het huis te vinden, kwamen overal vrouwen aan de deuren om naar me te
-kijken; ’t was ’n soort van opschudding in dat vunzige wereldje.
-Sommige keken vol wantrouwen naar m’n toilet, een riep me hatelijke
-geestigheden na, en toen kwamen er ’n paar met benauwende familjariteit
-vragen waar ik zijn moest, en toen ik den naam genoemd had, waren ze ’t
-oneens over het nummer, en begonnen ruzie met elkaar te maken in
-woorden die ik nooit gehoord had. En eindelijk toen ik m’n menschje
-gevonden had, en wou binnengaan, dankbaar om even aan al die
-nieuwsgierigheid te ontsnappen, o! foei, je kunt niet begrijpen wat ’k
-daar voor ’n toestand vond. Op de kachel stond ’n pot met aardappelen
-en uien, en ik die geen uienlucht kan verdragen! In de bedstee lagen
-twee vieze kinderen, éen met een vuurrood gezicht vol pukkels en de
-bedstee was zoó, dat ik er me nooit in zou hebben durven neerleggen, al
-had ik moeten omkomen van den slaap. In den anderen hoek bij de tafel
-stond de vrouw wasch te stampen, en uit haar tobbe steeg een dikke
-walgdamp, een weeë verpestende damp van vuil goed en zeepsop. Ik wou de
-deur achter me openlaten voor ’n beetje versche lucht, maar dat mocht
-niet: geen graadje warmte mocht verloren gaan, en ’n lange magere
-jongen, zoowat van een jaar of zestien met nare glinsteroogen, die
-zeker op het uiendiner stond te wachten, gooide met ’n bons de deur
-achter me toe. Ik begrijp nog niet dat ik toen niet dadelijk ben
-weggeloopen, maar ik had toch het gevoel dat ik iets zeggen moest en ’k
-begon een paar woorden uit m’n aanspraak over zindelijkheid maar daar
-valt me die lange bengel in de rede—later heb ik gehoord dat ie een van
-de belhamels is onder zoo’n troepje opgeschoten socialistische
-jongens—en die zegt: „Wel mevrouw, als u onze wasch voor uw rekening
-bij uw bleeker wilt laten wasschen, ik beloof u dat moeder het dan hier
-veel zindelijker zal hoûen en ’t hier niet meer zoo stinken zal!” Het
-was verschrikkelijk brutaal, natuurlijk, maar op dat oogenblik had ik
-het gevoel dat hij groot gelijk had, en dat, als men zulk voedsel moet
-eten, en moet wasschen en slapen en zieke kinderen oppassen, alles in
-éen kamertje, het ridikuul is om over zindelijkheid te preeken. Zoo
-gauw mogelijk ben ik weggegaan, maar toen was ik ook meteen overtuigd
-dat ik totaal ongeschikt ben voor armenbezoek!”
-
-Corona lachte even.
-
-„Dat wil ik wel gelooven! Geen moeielijker werk dan armenbezoek en
-zeker niet geschikt om door rijke dames in een verloren oogenblikje als
-tijdverdrijf gedaan te worden. En toch is het jammer, dat je het nog
-niet eens een paar maal geprobeerd hebt, want de lagere standen hebben
-het zoo vreeselijk noodig om van de hoogere standen te leeren, maar de
-hoogere standen hebben het nog veel meer noodig om van de lagere te
-leeren. Als de rijken maar eenmaal in konden zien dat de zonden der
-armen voortkomen voor een groot deel uit hun ellendige woningen,
-voedsel, opvoeding en de afschuwelijke voorbeelden, die hen van jongs
-afaan omringen, dan zoûen ze, als het dan niet was uit barmhartigheid,
-tenminste uit zelfbehoud de hand slaan aan die broeiplaatsen van
-misdaden en ziekten!”
-
-Ottilie begon onrustig met haar spitse blanke vingers te spelen, ze
-vond het vervelend als Corona zoo heftig over die dingen sprak.
-
-Een poosje zaten ze zwijgend. Toen hervatte Corona:
-
-„Kom Tilie, kun je nou geen enkel werk bedenken, waar je lust in zoudt
-hebben? Is er nou niks, waar je es bijzonder belang in stelt?
-Armenbezoek is toch niet het eenige wat je doen kunt? Waarom zet je
-niet es flink door met schilderen.”
-
-Maar Ottilie schudde het hoofd, en bij het weer terugkeeren tot haar
-eigen leed begonnen op nieuw tranen te komen:
-
-„Ik schilder niet meer! Ik wil nooit meer schilderen! Ik heb het me
-vast voorgenomen verleden week. Ik doe toch niks dan prullewerk, en
-daar is al genoeg geknoei in de wereld.”
-
-„Nou ja, dat je genoeg hebt van dat kunstgeliefhebber, begrijp ik best,
-maar als je ’t es heel ernstig aanpakte, heelemaal als werk?”
-
-„Daar kom ik toch niet meer toe, ik ken me zelf, en wat zou ik nog
-anders kunnen doen?”
-
-„Ja, dat is zoo makkelijk niet te zeggen! Werk is er in overvloed, maar
-’t kost ’n beetje inspanning om het te vinden. En je huishoûen....”
-
-„Och, m’n huishoûen, daar zeuren m’n man en m’n schoonmoeder ook altijd
-over. Maar als ik het eten besteld, m’n japonnen gepast, ’n paar
-boodschappen gedaan heb en van tijd tot tijd nog es ’n uurtje ben bezig
-geweest, heb ik zoo vreeselijk veel tijd om me te vervelen als ’t
-uitgaan niet druk is. O! als ik maar kinderen had!”—en zich plotseling
-voorover werpend, met de handen voor het gezicht, begon ze het uit te
-snikken.—„O! Cora, waarom heb ik toch geen kinderen! Het is zoo
-afschuwelijk wreed! Als ik kleine snoezige kinderen had zou alles heel
-anders zijn! Dan zou ik zelf ook wel beter wezen!”
-
-Corona zag treurig neer op de ineengezonken gestalte, schokkend onder
-het wilde snikken. Een groote weemoed om dit verloren leven, dat zoo
-veel had kunnen zijn, kwam over haar, maar toen ze zocht om iets te
-zeggen, vond ze niets dan bittere woorden:
-
-„Dat zou je niet, Tilie, het is zoo makkelijk om te zeggen, ik zou goed
-zijn, als ik had wat ik verlang, maar je zoudt net doen als zooveel
-anderen: eindelooze praatjes over kinderkleertjes, discussietjes over
-gortwater of havermeel, min of meer vertrouwde bonnes en gouvernantes
-en scholen zoeken, en spelen met de kleinen als eigen lust het ingeeft,
-dat is alles wat zooveel vrouwen onder hun moederplichten begrijpen, en
-dat zou jij ook, en op die manier zou je leven er ten slotte, al had je
-kinderen, niets rijker en mooier en gelukkiger om zijn!”
-
-„Dat is niet waar!” snikte ze heftig.
-
-„Ja, dat is het wel,” zeide Corona hard. „Je hebt het daar juist goed
-gezegd: snoezige kindertjes wou je hebben, om er mee te pronken en te
-spelen, maar als ze leelijk waren of gebrekkig of ziek, zou je ze gauw
-naar de kinderkamer zenden.”
-
-„Het is niet waar, Corona! het is gemeen van je, om zoo tegen me te
-spreken. Als ik kinderen had zou ik heel anders zijn! Ik zou ’n goeie
-moeder zijn!”
-
-„Een goeie moeder!” herhaalde Corona met een vreemd warme trilling in
-haar stem, die men alleen bij diepe ontroering van haar hoorde. Want
-het was plotseling in haar duidelijk geworden, hoe zoo ontelbaar vele
-kinderlooze en ongehuwde vrouwen, bewust of onbewust, dezen zelfden
-strijd hebben moeten doorstrijden, maar daarna hebben leeren inzien dat
-er voor haar in deze treurige maatschappij nog wel een andere mooie
-roeping dan kinderenkrijgen te vinden is, dat er nog wel ander werk is,
-waard om alle krachten en liefde aan te wijden. Hoe durfde dan deze
-wufte vrouw al de schuld van haar ijdel verloren leven aan haar
-kinderloosheid te wijten? En toch was er misschien iets waars in haar
-beweren; de wereld had van haar geëischt het verstandshuwelijk van
-gelijke geboorte met een veel ouderen man en daarna het leven van
-behagen en amuseeren—helaas, het vrouwen-ideaal in zulke kringen—en
-misschien was het waar dat zij alleen bij het licht van een paar
-kinderoogen een ander ideaal zou hebben ontdekt.
-
-Toen steeg het oude mededoogen weer warm in haar op, de onvermoeibare
-liefde waarmede Corona alle lijden altijd weer opnieuw te gemoet kwam.
-Een gevoel dat dit wellicht een moment van invloed in Ottilie’s leven
-kon zijn liet gloeiende woorden haar op de lippen stijgen:
-
-„Een goeie moeder, Tilie? Weet je wel iets van wat dat woord beteekent?
-Hoe heb je je al deze jaren voorbereid, wetend dat wellicht een kleine
-menschenziel aan je liefde zou worden toevertrouwd? Wat heb je met je
-lichaam gedaan, waarin een klein nieuw leven wellicht gewekt zou
-worden? Je hebt er wuft mee gepronkt en, wie weet, het misschien nog
-erger bezoedeld, in plaats, o God, van het heilig en rein te houden als
-een tempel, waarin geopenbaard zal worden het geweldige levensmysterie!
-Wat heb je met je ziel gedaan, wier leven één zal zijn met het
-ongeborene, wier invloed nog vóór de geboorte wellicht een beslissing
-zal zijn over heel een nieuw menschenbestaan! Heb je haar blank en
-heilig gehouden, als voor de wijding tot eene hoogepriesterschap? Want
-wat anders is het moeder zijn? Het kleine menschenkind wordt niet
-geboren om een elegant moedertje bezig te houden en haar van
-vervelingszonden te redden! Niet het kind is er voor de moeder, de
-moeder is er voor het kind, versta je, en wat heb jij gedaan om je voor
-te bereiden op de groote taak? Waarlijk, als je alleen kinderen
-verlangt om ze op te voeden tot wat je zelf bent, zou het
-barmhartigheid zijn ze niet in het leven te wenschen.”
-
-Ottilie had bewegingloos toegehoord. Het snikken was in eens opgehouden
-als onder den zenuwdruk van intens luisteren. Corona kon het gezicht
-niet zien, het lag afgewend in de kussens, maar toen na een oogenblik
-geluidlooze stilte er geen beweging kwam, stond ze voorzichtig op en
-verliet de kamer. Als haar woorden indruk hadden gemaakt, was het beter
-de jonge vrouw alleen te laten, alleen met haar geweten en haar
-toekomst.
-
-„Wacht, dokter, ik zal es effen kijken of uw rijtuig wel vóór is,”
-zeide Hendrik naar de voordeur snellend, zoodra hij haar de trap zag
-afkomen; maar toen ze vlak bij de deur waren, schrikte ze pijnlijk
-onder het krijschend geluid van de huisbel.
-
-Paardengetrappel werd gehoord, de afrijwagen van van Smaarth stond
-buiten voor het huis en op de stoep de palfrenier, die een brief afgaf
-met de boodschap hem dadelijk aan mevrouw te brengen.
-
-Angstig ontroerd zonk Corona neer in haar coupétje, en als in een
-onbewusten drang naar gebed vouwden zich haar handen. Hadden haar
-woorden ingang gevonden en kwam nu deze brief dit alles vernietigen?
-Waren die tranen alleen wat zenuwachtigheid geweest of lag de jonge
-vrouw op dit oogenblik te worstelen tusschen betere voornemens en de
-lokstem uit dien brief? Was dit wellicht het beslissende oogenblik van
-haar leven, een van die korte zeldzame oogenblikken, waarop de
-levensweg zich in tweeën splitst en de keuze soms over een heel
-menschenbestaan beslist? De twijfel, het gevoel van onmacht om te
-helpen, overstelpten haar even. O! al die strijd, al dat lijden, die
-zij altijd maar door om zich heen zag, en in zich zelf voelde branden!
-O! het moeielijke leven!
-
-Maar het was maar een kort moment. Haar kinderlijk eenvoudige
-levensphilosophie, die haar door zoo heel veel leed had heengedragen:
-dat alle ellende tot hoogere volmaking dient, al wordt zij er dikwijls
-niet voor gebruikt, liet haar weldra weer het gewone energieke
-evenwicht hervinden.
-
-Op de Heerengracht voor een der bovenvensters van een groot huis stond
-een bleek blond meisje, dat haar in het voorbij rijden hartelijk
-toewuifde. Het was de oudste dochter van Baron van Herkelens wier
-engagement met van Smaarth men den vorigen winter algemeen voorspeld
-had. Hij had haar in ’t oogvallend het hof gemaakt en sommigen zeiden
-dat hij haar in stilte gevraagd had en maar op de terugkomst zijner
-moeder uit het zuiden had gewacht om officieel zijn aanzoek bij haar
-vader te doen. Toen op een avond bij de Mureaux, waar het meisje niet
-bij was, had hij met Ottilie van Heemeren gesoupeerd en van af dat
-oogenblik was alles geheel anders geworden. Men fluisterde nu dat
-Mientje van Herkelens wegkwijnde van verdriet, sommigen hadden
-medelijden met haar en anderen spraken ironisch van treurende maagden
-en gebroken harten. Er zijn er wier geestigheid altijd bijzonder door
-’t hooren van liefdesverdriet schijnt opgewekt te worden. Maar Corona
-wist meer dan de wereld, die het geval befluisterde. Haar had het kind
-het arme hart geopend vol schrijnende scherven van gebroken illusies,
-en zij wist dat zij zachtjes wegstierf.
-
-„En wat kan ik voor haar doen?”—dacht Corona—„zoolang ze zoo hardnekkig
-weigert om weg te gaan in een heel andere omgeving, en daar maar blijft
-zitten voor dat raam, het matte leven slepend tusschen de canape en het
-bed om te droomen, te treuren, wie weet, misschien nog te hopen?”
-
-Zij zuchtte en rustte zwaar tegen de kussens van den coupé, starend in
-de druipende straten, waar de voorbijschietende parapluies, als groote
-rouwvlekken tegen de glimmende natgrijze straatsteenen afstaken.
-
-Toen op eenmaal vlamde de gedachte in haar op, als een lichtstraal over
-de emotie van dien morgen: Dit is vrouwenemancipatie, dat niet langer
-de meisjes onzer invloedrijkste standen tot vrouwen als Ottilie worden
-opgevoed, ongelukkig voor zich zelf, leed brengend over anderen en voor
-de maatschappij een element van rotting en bederf, maar ook dat haar
-niet langer geleerd wordt dat trouwen en kinderenkrijgen de eenige
-roeping der vrouw is, zoodat zij volkomen hulpeloos gedesoeuvreerd
-zijn, als de omstandigheden haar dezen werkkring weigeren. Veel, veel
-is er te doen op allerlei gebied? Maar aan haar voor wie wèl het
-moederschap is weggelegd, zal dan ook worden ingeprent dat moeder zijn
-niet is alleen het voortbrengen, voeden en kleeden van kinderen, maar
-het opvoeden van een nieuw geslacht, waarvan de wereld-toekomst
-afhangt. En luide zal er dan om hoogstaande vrouwen geroepen worden,
-die begrepen hebben het heilige van haar taak, het onmetelijke van hare
-verantwoordelijkheid!
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-„Wel, waar gaat dat al zoo vroeg naar toe?” vroeg mijnheer van Starren,
-toen hij Hilda ’s morgens dadelijk na het ontbijt de trap zag afkomen,
-het lichte stroohoedje en de lange zeemleeren handschoenen in de hand.
-
-„Oom, mevrouw Cranz heeft gevraagd of ik vanmorgen wat vroeg wou komen.
-Om dezen tijd maakt ze altijd allerlei bezendingen klaar voor
-gestichten, en nou moeten er allemaal boekjes, prenten, teksten,
-speelgoed en kleeren worden uitgezocht, naarmate van de behoeften. ’t
-Is ’n heel werk, ziet u, en ze wou graag dat ik het voor haar deed.”
-
-„Natuurlijk, papa, ze gaat weer naar haar lieve mevrouwtje!” riep
-Eugénie van boven aan de trap, met een lang hatelijk sleepen op de l en
-i van lieve.
-
-Mijnheer van Starren lachte goedig met de onverschillige
-toegefelijkheid van oude menschen, voor wie het gekibbel en de
-ergernissen die de jeugd in ontroering brengen geen beteekenis meer
-hebben. Hij had de bedoeling van Eugénie’s uitval best begrepen en het
-amuseerde hem.
-
-Hilda zag hem onder het aantrekken van haar handschoenen peinzend na,
-zooals hij de lange gang afging, de kleine gebogen gestalte met de
-korte onzekere stapjes, tot aan de deur van zijn studeerkamer, zijn
-stoffig paradijs vol wapenboeken en geslachtsboomen. Met de knop in de
-hand draaide hij zich nog even om en knikte haar toe met een knipoogje.
-
-Hilda kleurde, ’n brandende gloed overstroomde haar gezichtje, terwijl
-ze zich driftig omdraaide en de voordeur opende.
-
-„Hij denkt het dus ook al! Waar zien die menschen me dan toch voor aan?
-Dat ik mij vernederen zou om dien man na te loopen? Wat kan me die
-modepop met al z’n schatten schelen? Hoe durven ze me zoo te
-beleedigen. Maar misschien vindt oom het niet eens ’n beleediging,
-misschien vindt ie ’t heel natuurlijk, dat ik m’n netten zou gaan
-zetten bij de oude mevrouw, om haar zoontje te vangen. In onze wereld,
-waar het de eenige roeping van het meisje is om een goeie partij te
-veroveren, neemt men het immers niet zoo nauw met fierheid en
-zelfachting. Waarom zoûen ze mij dan ook niet verdenken van zoo’n
-heerlijk doel! ’t Is kinderachtig om het me nog zoo aan te trekken!” Ze
-kneep de kleine vuisten samen en liep nog harder voort.
-
-„O ik wou dat .... ik hem hier had, die mooie mijnheer, ik zou .... hem
-toonen ....”
-
-„Goeie morgen, freule, hê, wat hebt u hard geloopen, ik kon u haast
-niet inhalen; mag ik u even vragen, gaat u misschien ook naar mevrouw
-Cranz?”
-
-Hilda zag om, bij ’t hooren hijgen vlak achter zich dier woorden, en ze
-herkende een van de protegéetjes van mevrouw Cranz, een forsch gebouwd
-jong meisje, in een ouden zwarten regenmantel, die haar te nauw was
-geworden en uit welks te korte mouwen een paar groote handen staken in
-grijs garen handschoenen.
-
-„O, dag, juffrouw Wendelings, ik wist niet dat u achter me liep, ja, ik
-ga naar mevrouw Cranz, maar waarom? moet u er ook heen?”
-
-„Ja, ik ben op weg naar mevrouw, maar ik zie er zoo vreeselijk tegen
-op, en toen ik u zag loopen, dacht ik, dat het mogelijk een uitkomst
-zou zijn ....”
-
-Bertha Wendelings was de eenige dochter van een zeeofficiers-weduwe,
-die in groote armoede van haar klein pensioentje leefde, en jaren lang
-reeds bijna blind was. Mevrouw Cranz had haar dikwijls ondersteund, en
-toen het gebleken was dat Bertha makkelijk leerde, had zij haar lessen
-laten geven en laten klaarmaken voor de examens van candidaat-notaris.
-Sinds twee jaar was zij nu werkzaam op een van de eerste Haagsche
-notariskantoren.
-
-„Waarom ziet u er zoo tegen op om bij mevrouw te komen? Mevrouw is
-altijd zoo lief, niemand hoeft toch bang te zijn om haar iets te
-vragen!” Hilda zeide het aanmoedigend, in de veronderstelling dat het
-een kwestie van voorschot of zoo iets zou zijn.
-
-„Ja, ze is altijd erg lief voor ons geweest, maar dat is het juist ....
-dat maakt me zoo vervelend, omdat .... ze zal het erg ondankbaar van
-ons vinden .... want ik vond .... ik heb voor m’n betrekking bedankt!”
-
-Heel zenuwachtig, gauw, binnensmonds had ze het gefluisterd, maar toen
-op eens luider, heel heftig:
-
-„Ik wil niet langer dat mannenbaantje waarnemen, ik bedank er voor!
-....”
-
-„Bedankt?” herhaalde Hilda, alsof ze niet kon begrijpen. Zij herinnerde
-zich hoe mevrouw Cranz nog onlangs gezegd had:—„als dat meisje nou
-flink haar best doet, kan ze de laatste levensjaren van haar moeder nog
-’n boel aangenamer maken, en voor haar zelf ook is de toekomst nu
-verzekerd en hoeft ze niet, als zooveel andere stumpertjes in haar
-omstandigheden, te zitten hunkeren of er ook een man komt, die zoo goed
-wil zijn haar te onderhoûen.”—En Edward van Starren, die er bij zat,
-had er zijn ruwe jongensgrap bijgevoegd:—„En als ze nou ooit trouwt,
-kan ze de inspraak van haar hart volgen, in plaats van die van haar
-maag!”—En wat beteekende nu deze stap?
-
-„Wat bedoelt u met mannenbaantje?” zeide Hilda koel.
-
-„Wel .... zoo’n betrekking, die tot dusver alleen door heeren is
-vervuld geworden, zoo’n kantoorleven alleen tusschen al die mannen
-....”
-
-„Hebben ze het u lastig gemaakt?”
-
-„Nee, ze waren allemaal heel beleefd, behalve één die probeerde wel es
-om flauwe grapjes te zeggen.”
-
-„En hebt u daàrom bedankt? Natuurlijk, overal, in elke positie kan men
-onaangename menschen treffen, maar ’n massa vrouwen in Amerika, en ook
-hier verscheidene dames, die betrekkingen bekleeden, hebben me altijd
-gezegd, dat iedere waarachtig ernstige vrouw, die het wil, zich kan
-laten respecteeren.”
-
-„Dat is ook zoo!” zeide Bertha kleurend, omdat ze in Hilda’s woorden
-een verdenking voelde. „En dat is ook heelemaal niet de reden van mijn
-bedanken. Maar de vrouw moet vrouw blijven en niet mannenwerk doen.”
-
-„Waarom noemt u zulk kantoorwerk speciaal mannelijk? Waar is toch die
-grens tusschen mannen- en vrouwenwerk waar altijd zoo over gesproken
-wordt? En wat denkt u nu te doen?”
-
-„Ik zal zien naaiwerk te krijgen, maar ik ben helaas niet erg handig
-met de naald ....”
-
-„Naaiwerk? O! maar juffrouw, hoe onvrouwelijk! De naald is geen
-vrouweninstrument, want duizende kleermakers en goudborduurders en
-stoffeerders hanteeren haar!”
-
-„En ik zal leeren kantwasschen,” ging Bertha voort, alsof zij Hilda’s
-ironie niet had verstaan, „daar kan ik misschien ook nog wat mee
-verdienen.”
-
-„Wasschen? O, maar dat is mannenwerk! In heel de Vereenigde Staten
-wordt de wasch haast uitsluitend door mannen gedaan, mannelijke
-Chineezen! En wilt u u misschien ook toeleggen op het koken? dat is ook
-al zoo verschrikkelijk mannelijk! want in alle kazernes, oorlogschepen,
-hotels, restaurants, paleizen, wordt door duizende mannen gekookt. U
-ziet wel, als de vrouwen zich wilden onthouden van alle werk, dat op
-grooten schaal door mannen gedaan wordt, zouên ze niet alleen de
-kantoren moeten vaarwel zeggen, maar dan bleef er zelfs niet veel
-anders over dan kinderjuffrouw. Dat is nog een van de weinige baantjes,
-voor zoover ik weet, waar ze niet in concurrentie met de mannen treden,
-of het moest zijn met een haakwerkje voor het raam gaan zitten; zoover
-hebben de mannen het ook nog niet gebracht.”
-
-Hilda lachte bitter. De ergernis over dit jonge meisje, dat heel een
-toekomst weggooide onder suggestie van een paar holle phrases over
-vrouwelijkheid, maakte haar woorden bijtend.
-
-„Ik had gehoopt steun bij u te vinden, maar als u zoo spreekt zal ik
-maar liever niets meer zeggen!” zeide juffrouw Wendelings geraakt.
-
-Hilda zag haar aan, strak, uitdagend, en toen uit de hoogte, half omdat
-zij boos was, half om Bertha uit te lokken tot verder spreken:
-
-„Natuurlijk, tegen mijn argumenten valt ook verder niets te zeggen!”
-
-„Dat wel!” riep Bertha geprikkeld, „want u kunt misschien gelijk hebben
-dat er eigenlijk geen speciaal vrouwenwerk bestaat dan
-klein-kinderverpleging, maar wij kunnen toch niet allemaal bonnes
-worden, en we moeten toch leven en dus....”
-
-„En dus,” viel Hilda warm in, „is het logisch, aangezien er bijna geen
-vrouwenarbeid is, die niet evengoed door mannen kan gedaan worden en is
-gedaan, dat men ophoude te schermen met die vage woorden van mannen- en
-vrouwenwerk! Waarom laat men niet aan ieder individu de vrijheid om
-zijn of haar levensonderhoud te zoeken op die manier die lust en
-geschiktheid aanwijzen!”
-
-„Maar gelooft u dan niet dat de natuur toch zekere grenzen heeft
-gesteld?”
-
-„Ja zeker,” zeide Hilda, „werk, waar groote spierkracht voor gevorderd
-wordt, in mijnen, steengroeven, dokken, smidsen en natuurlijk
-slachters- en oorlogswerk, enz. zal wel nooit bij voorkeur en als regel
-door vrouwen gezocht worden, evenmin als mannen zich ooit als
-opzichters in fröbeltuinen zullen aanmelden. Maar tusschen deze
-uitersten, waarbij de natuur zelf hare grenslijnen getrokken heeft,
-ligt het groote algemeene menschen-werk, waarvoor alle verschillende
-gaven en hoedanigheden kunnen worden gebruikt, en waaruit het
-belachelijk is, de eene helft der menschheid willekeurig buiten te
-sluiten. Als u meent, dat ’n vrouw die op ’n registratie- of hypotheek-
-of notaris- of post-kantoor of secretarie, of bureau werkt, de
-natuurgrenzen overtreedt, waarom vindt u het dan hoogst natuurlijk dat
-er mannen zijn, duizende, die bakken en braden, en anderen die keurige
-zoompjes maken? De natuur heeft immers bij zulke werkverdeelingen niets
-te maken. Alleen vooroordeel en sleur trekken als ’t ware ’n
-toovercirkel om de vrouw, die haar aan alle kanten insluit, dien zij
-nooit mag overschrijden, op straffe van voor onvrouwelijk te worden
-uitgekreten, maar dien de man volkomen vrij is om overal binnen te
-dringen zonder onmannelijk te worden genoemd. Maar ziet u dan niet dat
-’t maar ’n kwestie van jaren is om dien cirkel tot het uiterste te
-verwijden? De laatste vijf en twintig jaren hebben reuzenschreden
-gedaan, nu nog vijf en twintig jaren en men zal de vraag vergeten
-hebben: „is dit wel werk voor een vrouw?” er zal alleen nog gevraagd
-worden: „is deze persoonlijkheid geschikt voor dezen arbeid?”
-
-„Maar er zal toch sommig werk zijn dat door het eene geslacht veel
-beter dan door het andere kan gedaan worden?”
-
-„Waarom beter?” zeide Hilda, „dat geloof ik niet! maar anders zeker! In
-het onderwijs, in de geneeskunde, in politiek en armenzorg, in
-handelszaken, in godsdienstquaesties, overal in zal de vrouw een ander
-standpunt innemen, een ander oordeel over, een anderen blik op den
-toestand hebben dan de man, en daarom is het juist zoo noodig dat zij
-beiden te samen dezelfde functies vervullen. Want alleen daardoor kan
-de volle som der gaven van de tweevoudige menschelijke natuur aan de
-gemeenschap ten goede komen.”
-
-„Maar moet dan de vrouw aan alle betrekkingen deelnemen?” zeide Bertha
-ongeloovig.
-
-Hilda knikte. „Evengoed als de vrouwen altijd aan de hoogste
-betrekking, die van den troon hebben deelgenomen, kunnen ze ook de
-minder hooge met den man deelen.”
-
-„Maar wat een vreeselijke concurrentie voor den man!”
-
-Hilda dacht aan haar gesprek een poos geleden met Dominee Moisette over
-het arme naaistertje en, bijna zonder het te weten, herhaalde ze de
-woorden die zij toen ook gezegd had: „Hebt u dan meer medelijden met
-den honger van den man, dan met dien van de vrouw? vindt u dat om hem
-concurrentie te besparen zij maar gebrek moet lijden? Heeft de vrouw
-dan niet evenveel recht op levensonderhoud? Hebt u er wel es aan
-gedacht, voor wie van de twee de levensstrijd het zwaarst is? Voor den
-man beteekent armoede: gebrek en honger, dat is zeker heel erg; maar
-voor de vrouw beteekent ze: gebrek, honger en .... schande. Voor de man
-is ze lijden, voor de vrouw lijden en gevaar! Trouwens als men
-kunstmatig de bittere concurrentie dezer overgangstijden wil
-verzachten, zou men veeleer beginnen moeten, om alle rijke jonge mannen
-uit te sluiten van alle goed gesalarieerde betrekkingen. Deze, veel
-beter dan onbemiddelde vrouwen, zouden den druk der tijden kunnen
-weerstaan. Maar dat zou immers nonsens zijn! en u zoudt es zien wat ’n
-kreet van verontwaardiging er door ’t land zou gaan van alle
-gefortuneerde ouders als zoo iets serieus werd voorgesteld. En waarom
-dan, als iedereen het hoogst natuurlijk, zelfs flink vindt, dat de
-rijke jonge man studeert en een betrekking krijgt, die een
-ongefortuneerde ook zoo graag gehad had, waarom dan de vrouw in naam
-der concurrentie het recht ontzegd om in eerlijken strijd mee te dingen
-naar een levensonderhoud? Is dit argument van concurrentie niet een van
-de aller-onrechtvaardigste, laagste, zelfzuchtigste die de man tegen de
-vrouw heeft aangevoerd? Maar hier zijn we er!” en Hilda strekte de hand
-uit om te bellen.
-
-Bertha hield haar tegen met een beweging van angst:
-
-„O! ik durf nooit binnen te gaan! Wacht u nog even, freule, ik durf nou
-nog minder dan zoo straks. Het is nog zoo vroeg, zoudt u nog niet ’n
-eindje met me door willen loopen?”
-
-Hilda knikte, en langzaam liepen zij voort, de Javastraat uit, toen de
-Scheveningsche weg tot in de Boschjes, beiden zoo geheel verdiept in
-haar vraagstuk, dat zij niet eens Valérie Vermaezen in haar dogcarretje
-zagen voorbijrijden met naast zich Eugénie.
-
-„Dear me, Eus, kijk es, wat doet Hilda daar, met dat onmogelijke kind?”
-
-„Ik heb er geen ahnung van,” zeide Eugénie, zich wringend op het nauwe
-bankje om ver achteruit te zien. „Wat ’n log gevaarte! Je moest die
-dikke handen uit die korte mouwen zien bengelen! Hilda heeft bepaald ’n
-passie om zich te encanailleeren.”
-
-En voort vloog het aardige carretje, licht en elegant, met den
-correcten groom en de vroolijke meisjes, achterlatend waar Hilda liep
-een kleine warreling van stof en spotgelach. Maar Hilda merkte het
-niet; zij dacht niet aan den nauw geworden regenmantel; voor haar was
-Bertha en haar jammerlijk besluit op dit oogenblik alleen een
-abstractie, een vraagstuk dat zij met alle macht trachtte op te lossen.
-
-„Maar freule .... gelooft u toch ook niet dat .... ons eigenlijke werk
-in het huishouden ligt,” zeide Bertha eindelijk. „Daàr is ons
-koninkrijk en daàr moeten we ons aan houden.”
-
-„Het huishouden ....? En waar moeten de ongetrouwde vrouwen dat
-hooggeprezen huishouden vandaan halen? Alleen op een kamertje ’n potje
-koken, of voor zichzelf eten bestellen? Dat is toch geen menschwaardige
-levensvulling! En hier in den Haag zijn 15000 vrouwen meer dan mannen!
-In heel Europa zijn er honderd duizenden meer! Wat ’n leuterzinnetje
-voor die allen als men ze naar ’t huishouden verwijst! En wat de
-getrouwde vrouw betreft, o! juffrouw Wendelings, het is grappig u te
-hooren zeggen dat het huishouden haar koninkrijk is! Weet u wel, dat
-noch over haar zelve, noch over de plaats waar ze haar huisgezin wil
-vestigen, noch over het land onder welks wetten ze leven wil, noch over
-het geld waarmee ze haar huishouden moet bekostigen, ook al heeft ze
-het aangebracht, of al verdient ze het zelf noch over haar goed, noch
-over hare kinderen, heeft de getrouwde vrouw bij de wet iets te zeggen!
-Alles, verstaat u, alles hangt van den wil van den man af. De man, ook
-de dronkaard, ook de laagst gezonkene, heeft wettelijk, dus feitelijk,
-als hij wil, alles over het huishouden te zeggen! En natuurlijk weet ik
-wel dat er ’n massa goeie mannen zijn, en het er in de praktijk niet
-zoo zwart uitziet als in het wetboek, maar er zijn toch ook voorbeelden
-in overvloed van mannen, die ten koste van het gezin hun macht daarop
-laten gelden! En daarom is het harde ironie, vindt u niet? om het
-huishouden ons koninkrijk te noemen! Een mooi rijk, waar we alleen door
-gunst, dus als favorite in kunnen heerschen, maar nooit als wettig
-regeerende vorstin!”
-
-„Maar ’t is toch onze roeping ....”
-
-„Dat geloof ik niet!” zeide Hilda beslist. Aangeboren lust en aanleg
-voor de dingen van het huishouden zijn geheel individueele gaven, die
-even goed bij den man als bij de vrouw worden gevonden, getuige de heel
-oude benaming van keuken-Piet, maar getuige vooral het feit dat er
-minstens evenveel beroemde koks als beroemde keukenmeiden zijn geweest
-en dat op sommige oorlogschepen het heel gekompliceerde huishouden,
-uitsluitend door mannen bestuurd, zoo goed wordt gedaan, dat heel wat
-huisvrouwen er een voorbeeld aan zouden kunnen nemen! Van de twintig
-vrouwen zijn er immers ook maar hoogstens vier of vijf voor wie koken,
-inmaken, wasch opdoen, verstellen, poetsen een genot, een behoefte
-zijn. U ziet het immers dagelijks: zoodra de middelen het toelaten
-draagt iedere vrouw zooveel mogelijk de huishoudzorgen aan gehuurde
-hulp over. Waar vindt je een dame, die zich de luxe van ’n paar meiden
-kan veroorloven, en die bij voorkeur het werk zelf doet? ’t Zijn hooge
-uitzonderingen. Zelfs bij vrouwen die nooit anders dan met afschuw het
-woord „emancipatie” hebben gezegd, bestaat hoe langer hoe meer de drang
-en de gewoonte om alles buitenshuis te laten maken. Bewijst dat niet
-duidelijk dat het huishouden even goed als elk ander werk, heel goed
-door ons gedaan kan worden uit plichtbesef, wanneer de omstandigheden
-het eischen, maar volstrekt niet een aangeboren roeping voor ons is?
-
-Weet u wat me verleden is ingevallen? Er bestaat ’n mooie gelijkenis
-van de getrouwe en de ongetrouwe dienstknechten die talenten hadden
-ontvangen, en de eene woekerde er mee en de andere begroef ze. En ziet
-u, ik geloof dat wij vrouwen maar al te veel en te lang behoord hebben
-tot de ontrouwe dienstknechten, die hun talenten begroeven, en het
-treurigste hiervan is nog, dat men ons wijs heeft gemaakt, tot we het
-zelf geloofden, dat wij juist onze vrouwelijke roeping vervullen door
-een groot gedeelte onzer talenten te begraven, om maar in een heel
-klein kringetje een paar er van te gebruiken! Niet in het kleine
-huishoudentje, besloten tusschen de vier muren van een modern huisje,
-ligt de roeping van de vrouw, juffrouw Wendelings, maar overal in de
-groote maatschappij, waar goed te doen valt.”
-
-Bertha zuchtte. „Ik weet het niet,” zeide ze fluisterend met tranen in
-haar stem. „Ik kan me niet tegen u verdedigen, want als u zoo spreekt,
-heb ik ’n gevoel, dat u gelijk hebt, en toch, als dominee Moisette zoo
-met ons zat te praten zag ik het duidelijk in dat ’t niet goed was om
-op het kantoor te blijven! Ik wou dat u es met hem spreken woudt?
-
-„O! was het dominee Moisette, die u er toe overhaalde?” zeide Hilda in
-hartstochtelijke ergernis.
-
-„Ja .... kent u hem?”
-
-„’n Beetje .... en wat zei hij dan wel?”
-
-Bertha aarzelde. „Hij sprak van de verleiding, die meisjes wacht
-buitenshuis op groote kantoren ....”
-
-„Verleiding! ....” riep Hilda heftig met een glimlach van vernietigend
-minachten. „Voor elk mensch, waar hij ook leeft, wat hij ook doet, is
-er strijd en verzoeking! Maar ik zou wel es willen weten, voor wie de
-verleiding grooter is, voor ’n arm meisje dat nauwelijks weet hoe rond
-te komen en ’n armzalig suf bestaan heeft, of voor iemand die eervol
-een goed inkomen verdient! Vergeef me dat ik ’t zoo ruw zeg, als
-dominee Moisette in de wereld had rondgekeken, zou ie gezien hebben,
-dat gebrek, of zelfs maar de angst er voor, het grootste gevaar voor
-jonge meisjes is. Er zouden heel wat minder te gronde gaan als er meer
-goede betrekkingen voor haar open stonden! En wat zei hij nog meer?”
-
-„Dat als de vrouw dezelfde rechten en hetzelfde werk wil hebben als de
-man, hij haar als zijn concurrent en kameraad zal gaan beschouwen en
-dat dat zal zijn ten koste van den eerbied en de bescherming waarvan
-zij nu het voorwerp is.”
-
-„Eerbied en bescherming,” zeide Hilda lachend, „vindt u heusch dat die
-nu zoo groot zijn? Als het maar ’n beetje donker wordt mogen we niet op
-straat, uit vrees dat iemand ons de beleediging zal aandoen van zijn
-weinig eerbiedig geleide! O! zeker, de rijke jonge dame in haar
-equipage of onder geleide van papa’s en broers, wordt allerliefst
-eerbiedig behandeld, maar ik zou wel es willen vragen of het
-naaistertje, dat ’s avonds moe naar huis gaat en nog een ver eind te
-loopen heeft, ook zoo tevreden kan zijn over den eerbied voor haar als
-vrouw! O! zeker in fatsoenlijk gezelschap wil men aan de „dames” wel
-zekere eerbiedige beleefdheid bewijzen, haar ’t eerst een deur laten
-ingaan of het eerst van een schotel presenteeren, en zelfs, als het
-niet al te hard regent, zijn er soms heeren, die hun plaats binnen in
-de tram aan dames afstaan. Maar als ik in ons wetboek de getrouwde
-vrouw telkens gelijk zie genoemd met misdadigers, krankzinnigen en
-kleine kinderen, als ik overal reine, onwetende meisjes zie
-uithuwelijken aan mannen, van wier verleden zij zouden gruwen wanneer
-zij het kenden, als ik het hoogst natuurlijk hoor noemen in de wereld,
-noodzakelijk zelfs, dat er dagelijks duizende meisjes uit het volk
-worden geofferd aan de genotzucht van den man, als ik het meisje voor
-éen enkele zondestap zie uitwerpen, en de man na jarenlange débauche
-overal zie ontvangen, als ik de echtgenoote en moeder voor de wet in
-alle opzichten in de macht van den man, ook den dronkaard zie gesteld,
-als ik de vrouw overal voor gelijk werk minder loon zie ontvangen, dan
-vraag ik u toch, waar is nu die hoog geroemde eerbied? Waarlijk ik
-geloof dat als de vrouw wat meer deel kon nemen aan mannenwerk en
-mannenrechten het er beter uit zou zien in het wetboek en de
-maatschappij met vrouweneerbiediging en vrouwenbescherming! Trouwens in
-Amerika is het al bewezen: geen land waar de vrouw meer rechten en
-vrijheid heeft, en geen waar zij hooger geëerd wordt!”
-
-„Misschien wel,” zeide juffrouw Wendelings weifelend, „maar dominee
-Moisette zegt ook nog, en dat zult u toch niet ontkennen dat de vrouw
-voor ’t meeste mannenwerk ongeschikt is. Haar hersenen zijn zooveel
-lichter en kleiner ....”
-
-„O! dat eeuwige hersenargument!” Hilda glimlachte. „Zoudt u het logisch
-vinden als men zei dat de olifant beter denken kon dan de mensch omdat
-hij grooter hersenvolume heeft? Is de bij niet veel intelligenter dan
-het schaap? Trouwens bij de mannen onderling verschilt het
-hersengewicht immers nog veel meer dan gemiddeld tusschen mannen en
-vrouwen. De hersenen van Byron wogen 1.807 gr. die van Dante 1.320 en
-niemand zal toch wel durven beweren dat Byron superieur aan Dante is
-geweest of dat Gambetta een onnoozele was, omdat zijn hersenen maar
-1.241 gr. wogen, dus minder dan 1.250 gr., het gemiddelde cijfer van
-hersengewicht bij de vrouw. [4] Daarbij is het gebleken dat in
-verhouding tot haar lichaamsgrootte en zwaarte het hersenvolume der
-vrouw gemiddeld grooter is dan dat van den man in verhouding tot zijn
-veel zwaarderen bouw. Men zou hier dus uit kunnen besluiten dat de
-vrouw per slot van rekening nog de superieure is, maar dat geloof ik
-niet. Het zal bij de hersenen wel hetzelfde zijn als bij de meeste
-dingen, dat het meer op de qualiteit aankomt, dan op de quantiteit, en
-’t lijkt me ook ’n beetje erg kruideniersachtig om de menschelijke
-denkkracht naar ’t gewicht te willen berekenen!”
-
-Vroeger in haar rustige jeugd, onder de wijze leiding van een vader,
-dien zij voor den knapsten en edelsten van alle stervelingen hield, was
-het nooit in Hilda opgekomen om zich af te vragen of de vrouw ook
-superieur of inferieur aan den man kon zijn. Waar man en vrouw te zamen
-in volle vrijheid naar hun beste krachten arbeiden aan hetgeen hen
-interesseert, is de vraag wie van beiden wel het uitnemendste is, zoo
-hoogst onbelangrijk. In de toekomst, waarvan wij nu de overgangstijden
-beleven, zal zij vergeten zijn. Wie zou er nu in ernst willen twisten
-over wat mooier is, de vrouwen- of de mannenstem? De sopraan stijgt
-hooger dan de tenor, de bas vindt dieper toonen dan de alt, een
-vrouwen-koor klinkt als gewiek van witte duiven, zilverblank in de
-lucht, een mannenkoor als ’t vallen van een diepen bergstroom; als zij
-beiden hetzelfde lied zingen klinkt het volkomen anders, maar wie kan
-beslissen wat het mooiste is? een knap componist smelt ze samen tot een
-groot geheel. Samen met haar vader had Hilda de hoofdfiguren van alle
-eeuwen en volken bestudeerd en bij beide geslachten hadden zij
-hoogedele verschijningen gevonden en ook afzichtelijk lage en wijze en
-dwaze. Alles wat haar vader goed vond dat zij leerde, had ze geleerd
-met het grootste gemak, en zonder zelfs te vermoeden dat er veel
-geschreven en gesproken is over vrouwelijke inferioriteit, had Hilda
-onbewust een ontwikkeling gekregen ver boven die der meeste jongelieden
-van beiderlei geslacht.
-
-Eerst nu, onder de opwekking van sommige woorden van Corona, maar
-vooral onder den prikkel harer tegenwoordige omgeving, waar ze telkens
-onvrouwelijk hoorde noemen, wat zij heel natuurlijk vond, en waar men
-de geestelijke minderheid der vrouw voor een onbetwistbaar feit scheen
-te houden, was zij belang gaan stellen in deze vragen en had getracht
-daarover voor zich zelf een overtuiging te vormen. Eerst als één der
-partijen achter gezet wordt in naam eener inferioriteit van welke zij
-zich niet bewust is, begint het vergelijken een noodzaak te worden.
-
-„Maar freule,” zeide Bertha weer, „als de hersenen gelijk zijn, hoe
-komt het dan dat er nooit vrouwelijke genieën zijn geweest?”
-
-Hilda dacht aan het bedanken op het kantoor, en lachte—zij kon het niet
-helpen—een klein geluid van spot. „Daàrom hebt u toch uw betrekking
-niet opgegeven? Ik dacht niet dat er genialiteit voor notarieele actes
-vereischt werd.”
-
-„O! nee!” zeide Bertha, kleurend onder Hilda’s ironie. „Toen dominee
-Moisette ons voorrekende dat er nooit een vrouwelijke Goethe of
-Shakespeare of Michel Angelo is geweest, zei moeder ook dat dat toch
-geen reden was om aan vrouwen betrekkingen te ontzeggen, waarvoor zij
-de vereischte examens makkelijk en goed kunnen afleggen.”
-
-„Natuurlijk, daar komt het maar op aan, en als men nagaat in Engeland
-en Amerika hoeveel knappe vrouwelijke rechtsgeleerden, doktoren,
-ingenieurs, chimisten, architecten, professoren, godgeleerden daar zijn
-en ook hoe in andere landen, overal waar het maar toegestaan is, de
-vrouwen hoe langer hoe meer met uitstekend succes aan alle mogelijke
-examens deelnemen, dan begint het toch langzamerhand belachelijk te
-worden om nog aan haar capaciteit te twijfelen. Ik kan best begrijpen
-dat het pijnlijk voor sommige heeren is, om zoo het monopolie van
-geleerdheid te moeten opgeven, het stralenkransje van kundigheden, die
-veel te hoog voor de vrouw heeten, maar ze zullen er zich wel in leeren
-schikken. Maar wat betreft de genieënquaestie zelf, de
-vrouwenemancipatie is nog veel te jong, om ons een ernstig overzicht te
-laten hebben van wat de vrouw presteren kan. Als Shakespeare den heelen
-dag aan de waschtobbe had moeten staan zou hij ook niet Hamlet
-geschreven hebben, en wie weet hoeveel vrouwen gedwongen zijn geweest
-om stil te zitten spinnen en verstellen, die voor iets groots geboren
-waren. Vroeger was het voor de meeste vrouwen immers onmogelijk om een
-goede opleiding te krijgen en zelden hadden ze ooit gelegenheid om haar
-gaven buiten een heel beperkten kring te toonen. Niet dat er zich zoo
-weinigen bijzonder hebben onderscheiden moet ons verwonderen, maar
-integendeel dat in verhouding tot haar uiterst ongunstige
-omstandigheden, er nog zoo velen iets hebben beteekend. Maar zelfs al
-was het nu eens waar, dat alleen het mannelijk geslacht genieën voort
-kan brengen, wat nog bewezen moet worden, nietwaar? en dat de vrouw
-alleen intelligent, begaafd, talentvol, maar nooit geniaal kan zijn,
-dan nog zou het immers dwaasheid wezen om te meenen dat de domste man
-hooger staat dan de knapste vrouw, even als het krankzinnig zou zijn om
-van twee bergen, waarvan de eene iets hooger dan de andere is, te
-beweren dat al de aardkorrels van den hoogsten verhevener liggen dan
-die van den laagsten. De groote zandmassas van beiden liggen immers op
-hetzelfde niveau, alleen de enkele aardklompen op den hoogsten top
-steken boven alles uit. En trouwens ....”—Hilda zag op, en een zacht
-rood van emotie trok even over haar gezicht—„ik heb wel es gedacht, nu
-het tegenwoordig hoe langer hoe meer blijkt uit de biographieën van
-alle groote mannen, dat hun moeders buitengewone vrouwen zijn geweest,
-dat het aandeel in de menschelijke genialiteit misschien heel mooi
-tusschen de twee geslachten verdeeld is: de man brengt het geniale werk
-voort, maar de vrouw den genialen mensch! Mij dunkt met dat deel zouden
-wij best tevreden kunnen zijn!”
-
-„Ja maar,” zeide Bertha ongeloovig, „dominee Moisette zegt juist dat de
-bijzonder ontwikkelde vrouwen geen kinderen meer voort brengen ....
-groote herseninspanning ....”
-
-Hilda zag haar een oogenblik ernstig aan.
-
-„Gelooft u dat de natuur, die alles zoo prachtig doet, ons hersenen en
-intelligentie zou gegeven hebben, op conditie dat we ze niet mochten
-gebruiken? Het is heiligschennis, zulke praatjes! Natuurlijk het is
-best aan te nemen dat groote herseninspanning een overmatig werkzaam
-zijn van andere lichaamsfuncties zal tegenhouden, maar de emancipatie,
-vooral onder de getrouwde vrouwen, is nog veel te jong om op dit punt
-eenige betrouwbare gegevens te hebben. Het eenige wat zeker is, is, dat
-onder de vrouwen die bijzonder hebben uitgeblonken, er een massa zijn,
-die moeder zijn geweest: George Sand, mevrouw de Sevigné, Sarah
-Bernard, Henriette Beecher Stowe, .... ik noem maar enkelen, die mij
-het eerst invallen, en mevrouw F. Fischer Wood heeft statistische
-gegevens verzameld, waaruit blijkt dat negen tienden der kinderen van
-vrouwen, die een academischen loopbaan hadden gevolgd, het eerste
-levensjaar, waarin de sterfte zoo groot is, goed doorkomen en op de
-tentoonstelling van Chicago herinner ik me ook de portretjes gezien te
-hebben van de snoezigste babies van de wereld, die door hun moeders,
-jonge Engelsche gepromoveerde vrouwen, waren ingezonden, om te bewijzen
-dat het menschenras niet hoeft te ontaarden of uit te sterven al hebben
-de vrouwen iets anders in haar hoofd dan meidenpraatjes.”
-
-„Maar gelooft u toch niet op den duur,” zeide Bertha dringend, „dat als
-de vrouw den grooten wedstrijd om het bestaan met den man gaat
-aanvaarden, zij met haar zwakker physiek moet ondergaan?”
-
-„Dat zal zich van zelf wel uitwijzen. Dàar, waar zij den strijd niet
-kan volhouden, zal ze zich van zelf terugtrekken. Maar vergeet u niet
-dat overal waar verbeelding, intuïtie, delicate analyse, fijnheid van
-voelen en raden bij te pas komt, de vrouw gauwer en met minder
-inspanning haar doel zal bereiken dan de man. Edison bijvoorbeeld
-schijnt op zijn werkplaats liever vrouwen-machinisten dan
-mannen-machinisten te gebruiken, en moet es gezegd hebben dat over het
-algemeen de vrouw veel gauwer begrip van machinerie kan vergaren dan de
-man. En op het tooneel hebben immers ook alle groote actrices, veel
-jonger dan de groote acteurs, de volle hoogte van haar talent bereikt.
-Door sommige eigenaardige vrouwelijke gaven, van zich makkelijker in
-andere omstandigheden in te denken, zich makkelijker andere
-persoonlijkheden te assimileeren, bereiken de Sarah Bernards en de
-Rachels veel gauwer en met minder zware studie haar gloriepunt dan de
-Talma’s en de Monnet Sullys. En zoo heeft me ook eens een beroemde
-vrouwelijke tandarts te Londen gezegd dat het kiezentrekken misschien
-te zwaar voor veel vrouwen zou zijn als het alleen op kracht aankwam,
-maar doordat de vrouwenhand dikwijls subtieler, fijnervoelend is dan de
-mannenhand, merkt de vrouw gauwer naar welken kant getrokken moet
-worden, en hierdoor kan zij dus met minder krachtsinspanning volstaan.
-U begrijpt wat ik hiermee bedoel, nietwaar? Dat het wellicht blijken
-zal, in sommige gevallen, dat de vrouw, door enkele harer eigenaardige
-gaven, langs een anderen weg, met andere middelen, hetzelfde doel zal
-bereiken, en voor hetzelfde werk zich op een andere manier en misschien
-minder, zal moeten inspannen. Maar al was het waar dat wij ons voor den
-zelfden werkkring evenveel of meer dan de man moesten aangrijpen, dan
-hou ik het er toch nog voor dat we over het algemeen best tegen hem
-zullen kunnen opwerken! Dit is trouwens al glorierijk bewezen bij alle
-examens, op alle scholen, conservatoires, academies, waar men vrouwen
-heeft toegelaten, en als ik naga hoeveel, op z’n zachtst uitgedrukt,
-hoogst middelmatige heeren ik dezen winter heb ontmoet, die hooge
-betrekkingen bekleeden, dan geloof ik zelfs dat we op den duur
-makkelijk zullen kunnen mee doen.”—Zij lachte even, de oogen vol
-ondeugend licht.—„En als dan de tijd zal zijn gekomen van den korten
-arbeidsdag in alle kringen en als men de krankzinnige overdrijving in
-het onderwijs zal hebben laten varen, die nu zooveel slachtoffers kost,
-evengoed onder de jongens als onder de meisjes, en er in de opvoeding
-meer op gezondheid en karakter en intelligentievorming, dan op
-ingepompte schoolboekengeleerdheid gelet zal worden, dan zal op den
-duur de zuster zonder het minste bezwaar naast den broer kunnen
-opwerken en heel wat levenskrachtiger kinderen voortbrengen, dan het
-slappe zenuwachtige vrouwengeslacht van nu!”
-
-„Maar als u dan gelooft dat de man en de vrouw precies hetzelfde zijn,
-waarom ....”
-
-„O! pardon!” zeide Hilda snel. „Dat geloof ik heelemaal niet! Ik geloof
-dat zij equivalent zijn, maar heel anders, munten van gelijke waarde
-maar met andere stempels!”
-
-„Nou ja,” zeide Bertha ongeduldig, „als u dan meent dat de man en de
-vrouw equivalent zijn, hoe komt het dan dat de emancipatie nou pas
-begonnen is? Het is onzinnig, zegt dominee Moisette dat, wat altijd
-bestaan heeft en duizende jaren geduurd, nou ineens door een troepje
-dames zou worden omvergeworpen!”
-
-Hilda stond in eens stil. Zij waren de boschjes reeds diep ingegaan.
-Een bank stond vlak bij haar en zij liet er zich moe op neervallen.
-
-„Hoe is het mogelijk!” zeide ze bitter. „Hij neemt de
-verantwoordelijkheid op zich om uwe carrière te breken en weet zoo
-weinig van die zaken, dat hij zoo iets zeggen kan!”
-
-„Is het dan niet zoo? U hebt daar juist zelf gezegd, dat de emancipatie
-nog zoo jong was.”
-
-„Ja, wel het woord, en het bewuste streven er naar door min of meer
-aaneengesloten partijen en het consequent doorvoeren van haar
-principes. Maar de behoefte naar meer vrijheid en recht is er altijd
-geweest. Of dacht u dat wij daar minder gevoel voor hadden dan de man?
-In geen enkele onafhankelijkheidsoorlog heeft het toch ooit ontbroken
-aan vrouwen, die de grootste offers met enthousiasme wisten te brengen.
-Nee! de behoefte om de slavenketen af te schudden zit oorspronkelijk in
-elk mensch, men kan haar onderdrukken en bedwelmen, maar zij blijft
-bestaan, en door alle eeuwen heen, soms duidelijk, soms onmerkbaar
-heeft de menschheid gearbeid aan de emancipatie der vrouw! Stapje voor
-stapje is het opwaarts gegaan, soms met pijnlijk terugvallen maar
-altijd vooruit. Elke nieuwe generatie worstelende tegen de
-vooroordeelen der oudere generatie: dat is de geschiedenis van alle
-evolutie! En als dominee Moisette zich uit den Bijbel herinnerd had,
-hoe de vrouw in den tijd van de koningen Saul en David behandeld werd,
-of geweten wat de vrouw in de Grieksche wereld was: niets dan een wezen
-om wettige kinderen voort te brengen, dat de man bij zijn dood, alsof
-zij goed of vee was, aan een vriend kon legateeren, of bij de oude
-germanen, waar zij kon worden verdobbeld als huisraad en wapens, dan
-had hij toch kunnen inzien dat, hoeveel verkeerds er nu ook nog moge
-zijn in de positie der vrouw, er sinds dien tijd toch heel wat stapjes
-voorwaarts zijn gedaan! Vrouwenemancipatie is niet een grilgedachte die
-in eens uit de lucht is komen vallen in het opgewonden brein van een
-troepje negentiende eeuwsche dames! Zij sluit zich logisch aan bij al
-wat is voorafgegaan! Als een zaadje is zij geweest, dat langzaam,
-langzaam ontkiemd is, telkens schuchter één klein worteltje schietend,
-één klein blaadje ontplooiend, tot het nu een flinke jonge plant is
-geworden, die zich niet meer laat ontwortelen door spotgelach en holle
-phrases.
-
-Trouwens het is onwaar wat dominee Moisette u verteld heeft, dat de
-vrouw overal en van den beginne af aan onderdane is geweest. Bij veel
-volken,—al is het dan ook niet bij alle, zooals men vroeger wel eens
-meende—is er een tijd geweest, dat de vrouw heerschte en volkomen macht
-had over zich zelf en haar kinderen. Dat noemen ze het matriarchaat,
-het moederrecht—bij enkele wilde volken schijnt het nog te heerschen.
-En het is ook heel natuurlijk, niet waar? dat in het primitieve
-huisgezin de moeder soms hooger stond dan de vader, zij die het leven
-aan de kinderen gaf, en ze verzorgde en macht en welvaart aan haar stam
-schonk door die vermeerdering van strijd- en werkkrachten. Maar ieder
-die iets van de geschiedenis weet, kan zich niet verwonderen dat die
-toestand niet blijvend is geweest. Toen het leven gekompliceerder werd,
-het bezit kwam en de rijkdom en daardoor strijd, en door toeneming van
-bevolking, volksverhuizingen ontstonden, en daardoor veroveringszucht
-en slavernij en soms vrouwenroof, kan ieder licht begrijpen dat in de
-ruwheid dier tijden het sterke geslacht moest zegevieren. Denkt u eens
-even aan de tijden die toen gekomen zijn! Aan de Romeinsche oorlogen,
-aan Attila met zijn woeste Hunnen, aan de prediking van het christendom
-met het zwaard, waarbij duizenden werden gedood, die niet onmiddellijk
-overtuigd waren van zijn voortreffelijkheid, aan de Noormannen en hun
-invallen, aan de middeleeuwen toen het oorlogvoeren onderling der
-kleinere en grootere kasteelen zoo onhoudbaar was geworden, en de roof-
-en plunderzucht der edelen zoo groot, dat de geestelijkheid, die zich
-machteloos voelde tegenover het kwaad zelf, eenige verbetering in den
-toestand trachtte te brengen door de Trêve Dieu in te voeren, een
-bepaling waarbij het op straffe van excommunicatie verboden was, om te
-dooden of met gewapende hand te stelen, van Woensdag avond tot Maandag
-morgen. Niet waar? zulke bepalingen, geldende de grooten en machtigen,
-zeggen meer dan alle beschouwingen over de woestheid dier tijden! En
-denkt u verder nog eens even aan de gruwelen der burgeroorlogen, der
-kettervervolgingen, aan den honderdjarigen oorlog in Frankrijk, aan den
-dertigjarigen in Duitschland, aan den tachtigjarigen in ons eigen land!
-Aan al die benden slecht bezoldigde huurtroepen die het land door
-trokken of muitend heele streken onveilig maakten, en later, nog geen
-eeuw geleden, aan Napoleon’s bloedheerschappij! Dan kan het u toch
-waarlijk niet verwonderen dat de vrouw in die tijden een ondergeschikte
-plaats moest innemen! Zonder zich zelf aan het grootste gevaar bloot te
-stellen, kon ze zich toen immers nauwelijks buiten de poorten van haar
-stad of burcht wagen tenzij onder vertrouwd geleide, en alleen achter
-de kloostermuren, of in het huwelijk, vond zij zekere veiligheid, die
-zij met haar onafhankelijkheid moest koopen. Wèl vinden wij in de
-geschiedenis telkens en telkens weer vrouwenfiguren in kracht en moed,
-zelfs in strijdlust, de gelijken van den man en als de omstandigheden
-het eischten ontbrak het nooit aan heldinnen. Maar onze aard is het nu
-eenmaal niet om op het slagveld te schitteren. Zoolang de wereld
-voortdurend vervuld was van het kletteren van wapenen en kanongebulder
-kon de vrouw zich nooit laten hooren, zoolang physieke kracht en
-vaardigheid in wapenhandel onder de hoogste deugden werden gerekend,
-oorlogvoeren de hoogste carrière was, tournooien houden het eenigste
-voorname vermaak, dapperheid de eenige heldendeugd, was er in de groote
-maatschappij voor de vrouw officieel geen plaats. Eerst in deze eeuw
-waarin Bertha von Suttners kreet: Leg neer de wapens [5] luid heeft
-geklonken en echos heeft gewekt aan alle kanten, kan er sprake zijn van
-vrouwenemancipatie; d.i.: de vrouw vrij en onbeperkt werkzaam op alle
-gebied midden in de maatschappij, en ook eerst in deze eeuw, met zijn
-trillend verlangen naar sociale rechtvaardigheid, kan de vrouw de
-plaats opeischen die haar toekomt.”
-
-Hilda had lang en heftig doorgesproken, zich zelf soms verbazend over
-de klaarheid waarmede al deze dingen haar in de gedachten kwamen, nu
-zij ze onder woorden brengen moest.
-
-Bertha zat zwijgend met neergeslagen oogen en teekende met de punt van
-haar parasol onvaste dwarrelende strepen in het zand, onvast en
-dwarrelend als haar eigen gedachte.
-
-„Dominee Moisette zegt juist, dat de vrouw in de middeleeuwen zoo hoog
-vereerd werd,” zeide zij aarzelend, „en daaruit leidt hij juist af dat
-hoe afhankelijker de vrouw blijft, hoe meer zij beschermd en geëerd
-wordt.”
-
-„Ja,” zeide Hilda bitter, „de troubadours en minnestreels
-verheerlijkten haar in hun liedjes en de ridders trokken met de kleuren
-van hun dames op hun banieren gestikt ten strijde. Maar ik zou wel eens
-willen vragen aan de arme koninginnen en burchtvrouwen, die naast zich,
-en met meer eerbewijzen omringd dan zij zelven, de minnaressen van haar
-mannen moesten dulden, aan de vrouwelijke slachtoffers der geplunderde
-steden, aan de duizende vrouwen, die liever een wijkplaats achter de
-kloostermuren zochten, dan het voorwerp dier hooggeroemde bescherming
-te zijn, aan de knappe kruidkensters, eigenlijk de doktoressen van de
-middeleeuwen [6], die wegens hekserij op de vreeselijkste manier werden
-doodgemarteld, aan de jonge vrouwen, die zoo juist in het huwelijk
-waren verbonden met den man dien zij liefhadden, en daarop den gruwel
-moesten doorstaan van Droit du seigneur! of die allen wel erg over de
-vrouwenvereering dier tijden tevreden waren? Ik denk dat zij gaarne
-zouden hebben willen ruilen met de vrije Amerikaansche!”
-
-Het meisje keek verward op. Voor haar, die weinig van geschiedenis
-wist, waren Hilda’s toespelingen op de middeleeuwsche toestanden
-nauwelijks verstaanbaar, maar aan den toon van afgrijzen begreep zij
-dat het vreeselijke dingen waren, die der vrouw toen werden aangedaan.
-Roerloos bleef ze zitten, bijna niet in staat om te denken van
-zenuwachtigheid.
-
-„Kom,” zeide Hilda, „’t is hoog tijd, we moeten gaan. Ik heb het al
-half elf hooren slaan, en ik had nog wel aan mevrouw Cranz beloofd
-vroeg te zullen komen.”
-
-Maar Bertha bleef zitten .... „Wat zal ik toch aan mevrouw zeggen?”
-zeide ze met ’n hijgenden snik.
-
-Hilda zag op haar neer en in haar gezicht kwam iets zachters van
-medelijden. „Kom juffrouw Wendelings, grijp uw moed bij elkaar, wil ik
-eerst met mevrouw spreken? Mevrouw is zoo innig goed en houdt zooveel
-van uw mama. Ga naar haar toe en zeg haar dat u onder verkeerden
-invloed een .... enfin, een domheid hebt begaan maar dat u trachten
-zult ....”
-
-„Nee, nee,” zeide juffrouw Wendelings, „dat is het juist, ik geloof
-tòch dat dominee Moisette gelijk heeft en ik wil niet meer ....”
-
-Hilda stond verslagen. Een uur lang had zij met alle inspanning haar
-zaak bepleit, éen voor éen alle bezwaren weerleggend en niets was ze
-gevorderd. „U bent toch geen kind meer, dat u iets alleen op gezag van
-een ander aanneemt!” zeide ze zacht met het plotseling moeie gevoel,
-dat alles wat ze zeggen kon toch tevergeefs zou zijn. „Dominee Moisette
-is toch geen paus voor u, aan wiens onfeilbaarheid u zelfs tegen logica
-en geweten in moet gelooven?”
-
-Maar toen in eens met de intuïtie dat er wellicht nog een laatste
-argument bestond dat Bertha niet gezegd had, maar dat zwaar bij haar
-woog: „Waarom hebt u toch eigenlijk bedankt?” zeide ze alsof het vorige
-vergeten was.
-
-Bertha boog het hoofd en zat zenuwachtig plukkend aan de toppen der
-grijsgaren handschoenen, die haar groote handen nog grooter maakten.
-
-„Zulk werk,” zeide ze eindelijk, „zal de vrouw het bekoorlijke
-ontnemen, haar leelijk maken.”
-
-Een oogenblik kwam er verlangen in Hilda op, om weg te loopen en de
-onvruchtbare discussie te eindigen, toen zag ze neer op de gebogen
-gestalte, plomp in elkaar gezakt, waarvan elke lijn tot in de kleinste
-bijzonderheden ongracieus was. Van het dikke roode gezicht met de
-vooruitstekende lippen, den stompen neus, en de kleine diepliggende
-zwarte oogen, kon zij niets zien omdat het hoofd te veel naar voren
-hing, maar zij zag onder het vaal verkleurde stroohoedje het armoedige
-knoopje van rosachtig haar, en onder uit het nauwe kleedje zag ze de
-groote, leelijk gevormde voet uitkomen in een oude laars, de hak, naar
-buiten gekeerd en de punt naar binnen. Toen steeg er langzaam een groot
-medelijden in haar op.
-
-Zou dit meisje werkelijk denken, dat, door stil thuis te zitten bij
-moeder in het bovenkamertje in het benauwde Juffrouw Ida straatje, zij
-in eens een bekoorlijke jonkvrouw zou worden, zooals ze voorkomen in
-ouderwetsche romans? Hilda dacht aan een paar Amerikaansche meisjes,
-die zij in Philadelphia had ontmoet, de eene boekhoudster, de andere
-stenografe, twee slanke feetjes vol frischheid en gratie, zij dacht aan
-een vrouwelijke advocate in Washington, de elegantste vrouw die ze ooit
-gezien had, en ze verbaasde zich over de macht van holle phrases.
-
-„Ik zou juist denken,” zeide ze zacht, „dat uw betrekking u mooier zou
-hebben gemaakt. Met wat ruimer inkomen zou u wat meer werk van uw
-toilet kunnen maken, wat niet zonder beteekenis is in het uiterlijk van
-een vrouw, nietwaar? en als u dan in uw vrije avonden wat koekjes aan
-de thee voor uw moeder kondt meebrengen en haar wat moois kondt
-voorlezen, in plaats van nu uw oogen moe en rood te gaan werken op
-slecht betaald naaiwerk, geloof ik, dat u er veel vroolijker en liever
-zoudt hebben uitgezien. Overwerken is voor ieders gezondheid slecht en
-dus ook voor de schoonheid, maar een rustig volbrachte dagtaak en een
-voldoend salaris zijn uitstekende schoonheidsmiddelen!”
-
-Bertha vouwde de handen en Hilda zag een paar tranen neerglijden, die
-als donkere vlekjes neerspatten op de grijsgaren handschoenen.
-
-„Kom juffrouw Wendelings, zeg het me maar. Al uw argumenten waren maar
-uitvluchten, nietwaar? U ziet wel, dat het maar klanken en zinnen zijn,
-die niet bestand zijn tegen ’n beetje doordenken. Zeg me nou maar
-waarom u bedankt hebt, het zal u goed doen om het te zeggen!”
-
-„O! omdat .... nee, het waren geen uitvluchten, het waren wel degelijk
-argumenten van dominee Moisette, maar ik kan ze niet verdedigen tegen
-u, maar hij heeft ook nog gezegd .... hij heeft ons gewaarschuwd ....
-dat misschien .... es iemand komen kon .... die, .... onze eigenlijke
-bestemming is toch het huwelijk, niet waar? .... en .... heeren hoûen
-niet van meisjes die zulke betrekkingen bekleeden .... en zoo iemand,
-die mij gelukkig had kunnen maken zou dan niet naar me om zien....”
-Hakkelend met een roode vlam in het gezicht had ze het uitgesproken.
-
-Hilda stond een oogenblik strak voor zich ziende, toen draaide ze zich
-om en begon den terugweg. Bertha volgde zwijgend.
-
-Dus voor een vaag iemand, die misschien nimmer komen zou, en die, als
-hij kwam, heel misschien haar werkkring zou afkeuren, had dit meisje
-haar toekomst vernield? Marguérite van Arkel had het haar onlangs wel
-gezegd hoe verslappend het vage denkbeeld op vele vrouwen werkt: dat
-„de heeren” sommige betrekkingen onvrouwelijk vinden. Zij had het niet
-willen gelooven en nu zag zij het vóór zich. Al hare fierheid kwam in
-opstand tegen deze laffe angst voor een denkbeeldige afkeuring van een
-denkbeeldig minnaar.
-
-„Weet u dan niet,” zeide ze hard, „dat er honderd duizenden meer
-vrouwen zijn dan mannen? Wie zegt u dat die „iemand,” voor wie u uw
-carrière gebroken hebt, ooit komen zal? En dan, waarom zou het niet
-even goed kunnen dat die „iemand,” in plaats van bekrompen te zijn, vol
-verouderde dwaze begrippen over vrouwenarbeid juist in u apprecieerde,
-uw energieke werken, uw geld verdienen voor uw moeder; waarom zou het
-niet kunnen dat hij u juist liefhad om uw moedig alle bezwaren en
-vooroordeelen overwinnen, dat hij juist trotsch was op een vrouwtje dat
-haar uitzet had betaald met haar eigen mooie zelfverdiende geld? Zulke
-mannen bestaan er toch ook! en mij dunkt, zij die zoo denken zijn onze
-liefde meer waard dan de anderen. O! het is ergerlijk, ergerlijk, dat
-dominee Moisette u de dingen zoo verkeerd heeft voorgesteld. Ik vind
-het ellendig van hem!”
-
-Bertha zag op, snel met een hooge kleur.
-
-„Hoe kunt u zoo iets zeggen, freule, dominee Moisette heeft nooit iets
-ellendigs gedaan. Hij is de wijsheid en goedheid zelf en al zoudt u me
-ook honderdmaal bewijzen dat ie ongelijk heeft, ik geloof het toch
-niet. Hij is zoo vreeselijk verstandig en edel, hij moet het beter
-weten ....”
-
-Toen zuchtte Hilda even met een erg vernederd gevoel dat ze al heel
-weinig scherpzinnig was geweest dien morgen. Dàt was het dus, ze had
-den jongen dominee lief en ze had haar toekomst vernietigd om niet in
-zijn oogen onvrouwelijk te schijnen.
-
-En Hilda zuchtte weer met groote moeheid, omdat de wereld zoo vol
-treurigheid was. Want zij kende immers het geheim van Moisette en wist
-dat hij dit offer niet vergelden kon en ze voelde zich nameloos droevig
-om Bertha en om Moisette en ook om zich zelve, die uren lang vol
-enthousiasme over werken had gepraat en niet eens wist wat met haar
-leven aan te vangen.
-
-Tot aan het huis van mevrouw Cranz liepen ze zwijgend voort, toen
-spraken zij weer voor het eerst.
-
-„Adieu freule.”
-
-„Gaat u niet mee naar binnen?”
-
-„Nee, als mevrouw zoo tegen me spreekt als u gedaan heeft, weet ik geen
-raad. Ik zal moeder gaan halen. Als zij er bij is, durf ik het beter
-zeggen.”
-
-„Adieu, juffrouw Wendelings.” En Hilda drukte haar de hand met een
-hartelijkheid, die het meisje na haar gesprek verbaasde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-„Mevrouw is boven op de bibliotheek,” zeide de knecht en Hilda ging
-naar boven, naar de mooie ouderwetsche kamer, die vroeger aan mijnheer
-Cranz van Rozenhagen tot studeerkamer had gediend. De oude mevrouw zat
-hier veel. Tusschen die vier wanden, rondom betimmerd met planken vol
-boeken, waarvan velen met oude kostbare banden, bracht ze gaarne haar
-lange eenzame uren van weemoedig herdenken door. Haar meisjesjaren
-waren kort en gelukkig geweest, maar door de gierigheid van haar man en
-zijn absolute zelfzucht was haar huwelijk een lange tijd geweest vol
-schrijnende pijn. Na zijn dood was er een krachtig nieuw opbloeien in
-haar gekomen, een terugvinden van jeugd, van illusies bijna, en met
-hartstocht had ze er zich toen aan gewijd, om tot geluk van anderen
-haar groot vermogen te besteden dat zij in haar huwelijk had
-aangebracht, maar dat al die bange jaren in misdadigen schijndood in de
-macht van haar man was gebleven.
-
-Onder voorwendsel dat zoo’n eenigst zoontje licht door mama vertroeteld
-zou worden, was Bernard al heel jong door zijn vader het huis
-uitgestuurd en had zijn opvoeding gekregen op een kostschool, waarvan
-zijn moeder den geest volstrekt niet goedkeurde. Dit was wel een van de
-zwaarste verwondingen geweest die het huwelijksleven haar gebracht had,
-en eene die nooit meer kon genezen. Maar Bernard’s opgroeien had naar
-het oppervlakkige wereldoordeel den vader gelijk gegeven. Hij was een
-flinke knappe jongen geworden, die een prachtige carrière maakte, en er
-zijn ouders, die niets meer voor hun kinderen verlangen! Voor een reine
-hoogvoelende moeder echter als mevrouw Cranz waren er veel dingen in
-Bernard die haar met onrust en leed vervulden. Telkens als hij thuis
-zou komen was zij vol van blij hoopvol verlangen, maar telkens als zij
-een poosje samen waren, voelde zij, dikwijls zonder het zich zelf te
-willen bekennen, hoe teleurgesteld ze was. O! hij was heel hartelijk en
-vol attenties voor haar! Maar zij wist dat zij buiten het intiemste van
-zijn leven stond, en ongeduldig weerde hij haar af, als zij probeerde
-er in door te dringen. „Vrouwen hebben zulke eigenaardige
-opvattingen!”—had zij hem eens tegen een kennis hooren zeggen.—„Je moet
-ze erg vereeren, maar ze zoo veel mogelijk buiten alles hoûen!” En dat
-drukte karakteristiek hun verhouding uit. Voor veel moeders is het
-genoeg als haar zonen maar een beetje hartelijk de alledaagsche
-praatjes houden, en zich wat laten bederven, maar mevrouw Cranz had
-gedroomd van een zooveel mooier samenzijn, en soms was er een kille
-onrust in haar, die haar ineens liet huiveren, als zij vermoedde dat er
-ook veel in dat leven was, waarvoor hij zich geschaamd zou hebben als
-zij het had geweten.
-
-Op dit oogenblik zat zij stil te breien, éen harer tallooze grof
-katoenen borstrokjes voor arme kinderen, luisterend naar Bernard, die
-haar de courant voor las.
-
-„Dag Hildy!” zeide ze hartelijk, en toen in schertsend verwijt: „Wat
-ben je laat! en je had me nog zóo beloofd om vroeg te komen!”
-
-„Ja, dat is waar, maar onderweg ben ik opgehoûen, .... ik zal u dat
-later wel es vertellen.”
-
-„Foei, mama, u mag niet zoo tyranniek zijn!” riep Bernard lachend. „Men
-kan wel zien dat de freule u verwend heeft, dat u haar met verwijten in
-plaats van met dankbetuigingen ontvangt.”
-
-„Mevrouw heeft groot gelijk!” antwoordde Hilda, in een eerlijke poging
-om zoo stroef mogelijk te zijn. „Ik bén ook veel te laat!”
-
-„De kisten met al het goed staan beneden in de eetkamer,” hernam de
-oude mevrouw. „Moisette is er al een uur aan bezig geweest, en zal wel
-erg naar je hulp verlangen!”
-
-„Is dominee Moisette beneden?”
-
-Mevrouw Cranz glimlachte, hare zichtbare ontroering misvattend:
-
-„Ja zeker, ik heb hem gevraagd om je te komen helpen. Er is veel te
-veel voor éen persoon om uit te zoeken.”
-
-Hilda ging zwijgend heen. Na de opwinding en het vermoeiend gesprek met
-Bertha was het haar ondragelijk Moisette te moeten zien.
-
-„Mama!” zeide Bernard, toen Hilda was gegaan. „Wat moet nou toch
-eigenlijk die dominee er bij doen?”
-
-„Haar helpen, beste jongen, en .... z’n hof maken, als ie lust heeft!”
-
-„Dat meent u toch niet? die .... die predikant met z’n dwepend
-monniksgezicht en .... Hilda?”
-
-Heel zacht, met een kleine trilling had hij het laatste woord gezegd,
-maar de oude mevrouw merkte het niet op. Een oogenblik breide ze rustig
-voort, telde hare steken, en toen, ernstig tot hem opziende:
-
-„En waarom niet? Het zou niet de eerste keer zijn dat ’n mooi, rijk,
-voornaam meisje met ’n dominee trouwde. Ik dacht dat je boven zulke
-ouwe aristocratische opvattingen verheven was.”
-
-Maar Bernard antwoordde niet en liep de kamer op en neer met gefronsd
-voorhoofd en groote gejaagde passen.
-
-Toen, op eens, begreep ze.
-
-„O! Ber! ... is het mogelijk! Zou jij ...?” en in wondere ontroering,
-half van schrik, half van vreugde, vouwde ze de handen boven haar
-breiwerk, en zag strak naar hem op, haar oude zwakke oogen wijd open.
-
-Hij knikte en kwam naar haar toe, juist als vroeger, heel lang geleden,
-vóór ze hem van haar weg, naar de kostschool hadden gezonden, vroeger
-toen hij kind was, als hij verdriet had, en knielde juist als toen voor
-haar neer.
-
-„O! mijn jongen! is het mogelijk!” En met onbewuste bewegingen streelde
-ze zijn haar, juist als vroeger, zoo heel lang geleden. Een oogenblik
-zaten zij stil, een oogenblik voor haar van groote weemoedsvolle
-weelde, waarin ze vergat haar levensteleurstelling, dat hij zoo heel
-anders geworden was dan ze gewild had.
-
-„Had u er heusch niks van gemerkt moedertje? En nou is het misschien te
-laat! zeide hij week.
-
-„Dat geloof ik niet. Ze hebben elkaar eigenlijk nog zoo weinig gezien.
-Moisette is wel erg doodelijk van haar, maar ik weet volstrekt niet of
-ze het beantwoordt, en juist omdat ik zoo’n medelijden met hem kreeg,
-had ik ze vandaag samen .... Hoe kon ik toch zoo blind zijn! ....”
-
-Bernard glimlachte gerustgesteld. In den grond van zijn hart, had hij
-eigenlijk ook nooit geloofd dat, waar een vrouw de keuze had tusschen
-hem en dien bleeken theoloog, haar beslissing ongunstig voor hem kon
-zijn. En toch was er iets in Hilda, dat hem telkens ongerust maakte.
-Zij was zoo heel anders dan de vrouwen waarmee hij omgang had gehad, en
-de vele jonge meisjes, die hem duidelijk toonden hoe bereid zij waren
-om Baronesse Cranz van Rozenhagen te worden.
-
-Een klop op de deur liet hem overeind springen.
-
-„Mevrouw, daar is mevrouw Wendelings en de juffrouw die u graag even
-woûen spreken.”
-
-„Laat de dames naar boven komen!” antwoordde ze met een zucht van
-ongeduld en toen zij weer alleen waren ging zij naar hem toe en sloeg
-haar armen om hem heen, maar de weeke emotie van straks was tusschen
-hen weg.
-
-„Waarom heb je het me niet eerder gezegd?” zeide ze zenuwachtig,
-bedroefd dat zij het niet geraden had.
-
-Maar Bernard rolde zwijgend zijn cigarette en ging de kamer uit.
-
-Hilda was intusschen naar beneden gegaan.
-
-Met strakke lippen, het hoofd nauwelijks buigend en zonder hem de hand
-te reiken, had zij Moisette’s vroolijken groet beantwoord.
-
-Voor hem was dezen morgen een stralend lichtpunt geweest, waarnaar hij
-verlangend had uitgezien sinds het oogenblik dat mevrouw Cranz hem
-gevraagd had te komen. Het vooruitzicht alleen met Hilda een paar uur
-samen te werken had hem dagen van koortsige blijheid gegeven; honderd
-malen had hij die oogenblikken voor zijn verbeelding gesteld, ze gevuld
-met al de woorden vol diepe, teere beteekenis, die hij haar zeggen zou,
-maar haar laat komen en koele begroeting ontroerden hem plotseling met
-onrust. Het was, alsof er bij haar binnenkomen, op eens iets in hem was
-gebroken.
-
-„Wat ’n prachtig weer, freule, vindt u niet? Maar haast al te warm!”
-
-„Ja veel te warm!” en Hilda bukte zich over een groote mand met
-speelgoed en ging ijverig aan het uitzoeken.
-
-„Dit is ’n hoopje prenten en boekjes voor de doofstommen,” zeide
-Moisette na een poosje. „Als u er speelgoed voor bij elkaar hebt
-gezocht, wilt u het dan hierbij zetten? En hier in de hoek is voor de
-verwaarloosde meisjes van de Annastichting ....”
-
-„Dank u, ik weet het. Mevrouw heeft het me gisteren allemaal verteld.”
-
-Weer volgde een lange pauze; beiden werkten schijnbaar ijverig voort,
-elkaar onbemerkt bespiedend.
-
-„Wat is er toch in vredesnaam met haar gebeurd?” dacht Moisette, en
-wanhopend zag hij den tijd voorbijgaan van de kostbare uren, waarvan
-hij zich zooveel had voorgesteld.
-
-„Zoudt u denken dat we vanmorgen klaar komen? Ik had gedacht .... ik
-had .... gehoopt dat .... u vroeger zoudt zijn gekomen!”
-
-Het was zacht gezegd en Hilda wist hoe hij het bedoelde, maar het
-prikkelde haar plotseling tot verzet. Misschien was het ook de reactie
-van het opwindend gesprek dien morgen, misschien ook het gevoel dat het
-onhoudbaar was langer haar stugge zwijgen te bewaren, terwijl zij hem
-naast zich voelde smachten naar een vriendelijk woord.
-
-„Ja!” zeide ze uitdagend, bijna vijandig: „Ik zou ook eerder gekomen
-zijn, maar onderweg kwam ik juffrouw Wendelings tegen en ik ben ’n eind
-met haar omgeloopen om haar van haar dwaze besluit af te brengen.”
-
-Er was, terwijl zij sprak, in eens een harde uitdrukking in zijn
-gezicht gekomen. Dát was het dus waarom zij vanmorgen zoo koel was!
-Overal dus moesten hem die ellendige emancipatieidées als booze geesten
-vervolgen! In zijn gemeente moest hij ze overal bestrijden en nu wilden
-zij hem ook de vrouw, die hij liefhad ontnemen.
-
-„Ik vind het besluit van juffrouw Wendelings volstrekt niet dwaas,”
-zeide hij streng met iets van ouderwetsch priesterlijke hoogheid. „Ik
-vind het zeer in het meisje te waardeeren, dat ze terug is gekeerd tot
-haar plaats als vrouw in de binnenkamer.”
-
-Maar toen Hilda hem een oogenblik zwijgend had aangezien met haar
-groote oogen vol uitdagende spot, verloor hij zijn zelfbeheersching:
-
-„De vrouw is veel te mooi, te teer, te hoog, te zwak voor zulk
-kantoorwerk!” zeide hij heftig, verward.
-
-„Te teer, te mooi, te hoog voor kantoorwerk?” herhaalde Hilda. „Maar
-niet te mooi, te hoog, te teer om armoe te lijden niet waar? En te
-zwak? De vrouw niet sterk? Alsof de voorzienigheid, éen deel van de
-menschheid, het mannelijke, gezond en flink zou hebben gemaakt, en het
-andere, het vrouwelijke, te zwak en te ziekelijk om de gaven, die het
-gekregen heeft te gebruiken. Ik zou durven wedden dat op haar kantoor
-geen harer heeren collega’s zoo frisch en stralend van gezondheid was
-als juffrouw Wendelings! En alsof niet in een massa gevallen het
-huishoudwerk oneindig meer kracht vereischt en vermoeiender is dan
-geregeld kantoorwerk! Kijkt u maar es naar de huisvrouwen op het platte
-land, die nog veel zelf moeten doen, dat de stadsdame kant en klaar in
-de winkels koopt; kijkt u maar es even naar de boerenvrouw, zooals ze
-b.v. in Suylenburg, en overal in Noord-Brabant is, of ze niet nog veel
-harder dan haar man werkt! en niemand merkt daar iets van die
-veelbesproken zwakheid! En dan de fabrieksarbeidster, die dikwijls
-hetzelfde werk als de man doet en nog het huiswerk bovendien. O! al die
-fabels over vrouwenzwakte! Gelooft u niet dat de meesten van al de
-kwaaltjes van ons vrouwen uit de hoogere standen alleen ontstaan door
-het tegelijk leege en overspannen leven, dat we leiden: vol drukte en
-zonder arbeid! met veel tijd om over onze petite santé te denken en
-weinig ernst om hygiënisch te leven?”
-
-Zij lachte, een beetje brooddronken door haar eigen woordenvloed, die
-ze met kracht uit haar lippen voelde wegstroomen. En zooals ze daar
-vóór hem stond met haar glanzende groote oogen, de volle roode lippen
-even geopend in een trotschen lach, hoog opgericht het slanke,
-veerkrachtige lijf, scheen ze elk argument van vrouwenzwakheid te
-tarten. Maar toen ging ze weer voort, zonder te bemerken hoe
-hartstochtelijk hij zijn blikken op haar gevestigd hield, hoe hij
-nauwelijks scheen te hooren wat zij zeide, verloren in het strakke
-kijken naar haar mooi bezielde verschijning:
-
-„Heusch Dominee, de tijden zijn voorbij, dat we om gedistingueerd en
-echt vrouwelijk te zijn, er bleek moesten uitzien en flauwvallen en
-niet eten mochten en zwakjes moesten doen. In de twintigste eeuw zal de
-vrouw onder haar lievelingsstudies de hygiëne rekenen en sterk zijn! En
-dan, vergeet u ook niet, als er nu soms over mindere werkkracht bij de
-vrouw geklaagd wordt, dat we in ’n overgangsperiode leven, waarin dus
-de gegevens hoogst onzuiver zijn. Hoeveel vrouwen moeten niet, vóór zij
-haar werk kunnen aanvangen, een groot gedeelte van haar krachten geven
-in het worstelen tegen familie en wereld-vooroordeelen, dáar waar de
-man onbelemmerd, zelfs aangemoedigd zijn gang kan gaan? En het is geen
-kleinigheid, en zeer afmattend, om tegen onwil en tegenwerking in, het
-eigen pad te volgen! En voor de meeste mannen is er na volbrachten
-arbeid rust en ontspanning, terwijl op ontelbare vrouwen, na haar
-dagtaak, nog eindelooze huishoudzorgen wachten. De
-dochter-onderwijzeres heeft na haar schooluren menigmaal nog al het
-verstelwerk der geheele familie, de zoon-onderwijzer kan zich rust
-gunnen. Het onrecht tusschen de sexen in het familieleven, zooals dat
-nu nog is, drukt als een ontzettende belasting op de zenuwen en
-werkkracht der vrouwen uit dezen tijd ....”
-
-Maar plotseling hield ze stil. Mevrouw Cranz was binnen gekomen en nog
-nooit had Hilda het lieve oude gezicht met die uitdrukking gezien.
-
-„Moisette,” zeide de oude dame, de stem bevend, heel achter in de keel.
-„Mevrouw Wendelings is daar juist bij me geweest met haar dochter, maar
-ik moet zeggen, dat ik je dit hoogst kwalijk neem!”
-
-Hilda bukte zich diep over de mand met speelgoed, erg onthutst. Mevrouw
-Cranz moest wel heel boos zijn, om haar lieveling op die manier toe te
-spreken. Voorzichtig ging ze achter haar om, onhoorbaar naar de deur en
-sloop de kamer uit.
-
-Moisette was heel bleek geworden, zenuwachtig, met ’n beweging van
-gewoonte wierp hij een van de sluike, zwarte haarlokken terug, die
-telkens op zijn voorhoofd vielen. Dus ook zijn oude vriendin was nu
-tegen hem om die ongelukkige geschiedenis!
-
-„O! die rampzalige emancipatie,” zeide hij half luid in een zucht.
-
-„Zeg liever dat rampzalige conservatisme,” zeide mevrouw Cranz ernstig.
-„Die rampzalige onmacht om mee te voelen, te begrijpen, den drang van
-je tijd!”
-
-Hij zag haar even aan, en toen driftig:
-
-„Wel mogelijk, maar ik kan het niet helpen! De vrouw staat voor mij te
-hoog, en het is mij een gruwel, dat vrouwen mannenwerk gaan doen!”
-
-„Mij ook!” zeide mevrouw Cranz warm. „Een gruwel! Maar het komt er maar
-op aan wat wij mannenwerk noemen!” Zij ging zitten en haalde uit haar
-sleutelmandje eenige velletjes papier, waarop ze onlangs uit boeken en
-tijdschriften, die zij gelezen had, notities had gemaakt. „Wil je dit
-es even inzien? Dit is wat ik mannenwerk noem, niet omdat door allerlei
-toevallige omstandigheden de man er voornamelijk in gearbeid heeft,
-maar omdat dit soort werk de vrouw in haar meest vrouwelijke functie,
-het moederzijn beleedigt. Maar omdat het lage verachte arbeid is,
-worden er nauwelijks enkele stemmen gehoord, die protesteeren tegen
-deze hoogst „onvrouwelijke” bezigheden! Wie bekommert er zich over dat
-duizende arme schepselen en haar kinderen te gronde gaan. Eerst als het
-geldt goedbetaalde, fatsoenlijke baantjes, waar de vrouw volkomen
-veilig bij is, gaan er huichelkreten van „onvrouwelijkheid” op.”
-
-Moisette had het papier genomen en werktuigelijk las hij het door. Maar
-langzamerhand toch kregen de woorden beteekenis voor hem en begon hij
-nauwkeurig opnieuw te lezen:
-
-De kinderen der loodwitwerksters komen slechts ter wereld om bijna
-zonder uitzondering aan stuipen en loodwitvergiftiging te sterven. Zij
-worden òf te vroeg geboren, òf sterven binnen het eerste jaar. Mr.
-Vaughan Nash. Fortnightly review Febr. 1893.
-
-De aandacht wordt in de fransche bladen gevestigd op de enorme sterfte
-onder de poudreuses, de bestuifsters, in de fabrieken van gekleurd
-porselein en aardewerk. Te Limoges sterven de jonge fabriekwerksters in
-grooten getale aan loodzoutvergiftiging; het werk is het volgende:
-zoodra de bladen met een patroon in kleefstof bedrukt uit de machine
-komen, moet de werkster een prop droge watten, die zij in metaalpoeder
-gedompeld heeft, er over laten gaan, vóórdat de kleefstof droog is. Het
-poeder verspreidt zich als een wolk om de werkster en hoe meer zij zich
-haast, des te dichter is de atmosfeer er mee vergiftigd. De poudreuse
-moet 250 bladen per dag bewerken, het loon is 15 à 20 centimes per uur!
-Welke kinderen zullen zulke vrouwen voortbrengen?
-
-Onder de beroepen voor vrouwen zijn er velen die het grootste gevaar
-opleveren. Zoo is het gevaar voor inwerking van zwavelzure en
-alkalische gassen in hooge mate voorhanden bij het stroohoeden maken en
-wasschen, het gevaar voor vergiftiging, bij het vervaardigen van
-gekleurd papier en bloemen, en van metachromotypie, bij het behandelen
-van vergiften en chemicalieën, het beschilderen van looden soldaten en
-looden speelgoed. Het bedekken van spiegels met kwikzilver is voor de
-vrucht der zwangere arbeidster meestal doodelijk. Als men gemiddeld
-rekent dat van levend geboren kinderen 22 percent gedurende het eerste
-levensjaar sterven, dan kan men rekenen dat van levend geboren kinderen
-van spiegelbedeksters 65 percent, van glasslijpsters 55 percent, van
-loodwerksters 40 percent in het eerste jaar sterven. Volgens Dr. Hirt
-zijn in de tweede helft der zwangerschap bijzonder gevaarlijk voor de
-werksters zelven en hare kinderen het fabriceeren van gekleurd papier,
-van kunstbloemen, het zoogenaamde bestuiven van Brusselsche kant met
-loodwit, het vervaardigen van decalqueerplaatjes, de
-caoutschoucindustrie en alle verdere fabrieksarbeid waarbij de
-werksters blootgesteld zijn aan het inademen van schadelijke gassen:
-kooloxyde, koolzuur en zwavelwaterstofgas. Hoogst gevaarlijk is ook het
-maken van phosphorlucifers en het zijde spinnen. Bebel. „Die Frau und
-der Socialismus.”
-
-De toenemende gewoonte om in publieke plaatsen van vermaak en
-consumptie vrouwelijke bedienden in plaats van mannelijke te nemen,
-dreigt een groot gevaar te worden voor de physieke en moreele
-gezondheid van het volksmeisje, de toekomstige volksmoeder. Brochure,
-Mevrouw van Bergen: „Sluit men voor de vrouw de goede broodwinningen
-dan moet zij de kwade wel opzoeken.”
-
-Het lijstje met aanteekeningen van mevrouw Cranz was lang. Feiten en
-cijfers en aanhalingen uit statistieken volgden elkaar op tot Moisette
-er langzamerhand ’n visioen uit voelde opstijgen van nameloos, stil
-gedragen lijden, van ontzettend zwaar sloven waar niemand zich om
-bekommerde en van folteringen, geluidloos ondergaan.
-
-„Zie je, als je nou van mannenwerk praat, dan noem ik dát mannenwerk,”
-zeide mevrouw Cranz. „Als men aanneemt dat dit werk gedaan moet worden,
-dan beter door den sterke, den man, dan door haar die ’t nieuwe
-geslacht moet voortbrengen en voeden. Maar juist voor zulk werk wordt
-de vrouw bij voorkeur gebruikt omdat zij een goedkoope arbeidskracht is
-en niemand hoor je daarbij roepen over onvrouwelijkheid!”
-
-„Het is ontzettend, ontzettend!” herhaalde Moisette en driftig gooide
-hij de zwarte sluike lok weer naar achteren, die op zijn voorhoofd was
-terug gevallen. „Daar moeten wetten voor gemaakt, dat is duidelijk!
-Heel eenvoudig moet de wet dit werk aan vrouwen verbieden.”
-
-„Flink zoo! en wat moet er dan van al die duizende vrouwen worden die
-in eens broodeloos zijn gemaakt? Geloof je dat die arme schepsels, die
-zulk werk verrichten”—met een hoofdknik wees zij naar het papier, dat
-hij nog in de hand hield,—„het voor haar amusement doen? Zij doen het
-natuurlijk uit nooddwang, ontneem of beknibbel je haar nu dat bloedig
-gekochte stukje brood, zonder haar iets anders er voor in de plaats te
-geven, dan drijf je haar eenvoudig den weg op van de gevangenis of
-erger nog .... Je ziet, zulke verbodsbepalingen, alleen, zonder verdere
-ingrijpende maatregelen, zonder andere hulp, zijn een meedoogenlooze
-oppervlakkigheid! O! die vrouwenkwestie is zoo maar niet ’n eenvoudig
-knoopje, dat men es even met ’n wetje en ’n paar rollende phrases kan
-doorhakken! Zij raakt tot in het hart van de sociale vragen! Maar daar
-spreken we op dit oogenblik niet over. Wat ik je even wou laten zien
-was maar hoe al die ridders, die in naam van teerheid en mooiheid onze
-vrouwen terug dringen uit de goede betrekkingen,—vooral in Duitschland
-is dat type nog sterk vertegenwoordigd,—zich al bitter weinig
-bekommeren om wat er van haar terecht komt, als zij maar tevreden zijn
-met het ellendige slecht betaalde werk, dat in de vreeselijkste
-beteekenis van het woord onvrouwelijk is! O! al die huichelachtige
-ridderlijke phrases!”
-
-„U bedoelt toch niet dat u mij ook voor huichelachtig aanziet?”
-
-„Nee, dat geloof ik niet,” zeide ze zachter, „ik sprak meer in ’t
-algemeen. Jou zou ik alleen willen beschuldigen van .....
-oppervlakkigheid .... stil, laat me even uitspreken, ik bedoel dat je
-niet, lang niet genoeg hebt nagedacht en onderzocht om deze groote
-kwestie te mogen bestrijden! Ik ben ’n ouwe vrouw, Moisette, ik heb zoo
-veel beleefd en geleden, en natuurlijk, ’t kost me soms groote moeite
-om me te verplaatsen in den gedachtengang van de jongeren, maar dit is
-een zaak van humaniteit en rechtvaardigheid, waar ik mijn volle
-sympathie dadelijk aan heb kunnen geven, en dat zou jij ook doen als je
-de vraag ernstig had bestudeerd.”
-
-„O! maar ik ontken ook niet dat er in die vrouwenbeweging wel iets
-goeds is,” antwoordde hij langzaam. „Maar .... denkt u nou, om es ’n
-voorbeeld te nemen, dat voor de hand ligt ... de freule van Suylenburg,
-zoo gracieus, zoo teer en fijn in al haar voelen en denken, op ’n
-kantoor of aan ’n ministerie. Zoudt u dat niet afschuwelijk vinden?”
-
-„O, maar zóo moet je de zaak niet voorstellen!” riep de oude mevrouw
-levendig. „De vraag is niet of het voor rijke meisjes een geluk zou
-zijn om droge kantoorbaantjes te gaan bekleeden, ofschoon, ik voor mij
-geloof, dat het voor de zenuwen van onze jonge dames heel best zou
-zijn, als zij eenige uren van den dag vast werk hadden, op ’n kantoor,
-in de keuken, op school, op ’n atelier, in ’n ziekenhuis of waar dan
-ook. Maar wij hadden het nu over die ontelbare massa vrouwen, die
-ongefortuneerd zijn, zooals juffrouw Wendelings, wier aantal door den
-druk der tijden voorloopig nog enorm zal toenemen, en die aan meer en
-aan betere betrekkingen moeten geholpen worden. Stel nu bijvoorbeeld de
-freule Hilda verloor haar fortuin, wat makkelijk zou kunnen
-tegenwoordig met al die geldcrisissen niet waar? zou je haar dan niet
-veel liever klerk of ambtenaar zien worden met ’n fatsoenlijk
-tractement en vrije avonden dan juffrouw van gezelschap of bonne, het
-eenige wat nu voor haar open zou staan, en wat zeker in acht van de
-tien gevallen een heel onderdrukt droevig leven beteekent? Maar weet je
-wat Moisette?” En ineens ontrimpelde zich de stroeve trek in haar
-gezicht, ze lachte, weer in een goed humeur gebracht door het grapje,
-dat haar zoo juist inviel.—„Al degenen die nu tegen ons streven zijn,
-om de vrouw aan betere werkkringen te helpen, moesten eigenlijk
-gedwongen worden om ’n fonds bijeen te brengen, waaruit alle
-onvermogende vrouwen konden putten om werkeloos als de leliën des velds
-voort te leven! Zou je dat geen prachtig idee vinden, zoo’n fonds?
-Moreel zijn jullie er toe verplicht, hoor, als je het verdienen van de
-vrouw zoo af keurt! Want of jullie ’t nou goed vindt of niet, om te
-leven, al is ze ook nog zoo’n ideaal wezen, moet elke vrouw heel gewoon
-eten, om te kunnen eten moet er geld zijn, en om geld te krijgen moet
-er verdiend worden, mijn waarde, dat is onverbiddelijke logica! nou,
-wat denk je van zoo’n fonds?”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Toen Hilda de kamer was uitgeslopen, bleef ze een oogenblik
-besluiteloos in den gang staan. Wat moest ze doen? Het was nog te vroeg
-om naar huis te gaan; ze was pas aan het uitzoeken begonnen! Maar als
-ze naar de bibliotheek ging zou ze er misschien Bernard vinden en hij
-zou denken dat ze voor hem kwam .... Toen werd er een deur geopend,
-achter in de gang en met een plotselinge angst, dat men haar daar
-betrappen zou, alsof ze stond te luisteren, vloog ze de trap op, naar
-boven, naar de bibliotheek, die ze tot hare groote geruststelling leeg
-vond.
-
-„O! wat een trouble en gezeur allemaal!”
-
-Met een langen zucht wierp ze zich in een der armstoelen, maar ze was
-te opgewonden om te kunnen blijven zitten, en een paar keer ging ze de
-kamer op en neer, langs de boekenrijen, werktuigelijk de titels der
-banden lezend, zonder iets van den zin te begrijpen. Het boek waarin
-mevrouw Cranz had zitten lezen,—een engelsche brochure die veel opgang
-had gemaakt over den arbeid van fabrieksinspectrices,—lag geopend op de
-tafel. Hilda nam het op, en bleef er een poosje in kijken, maar toen ze
-op het einde der pagina was gekomen, merkte ze dat ze geen woord had
-begrepen.
-
-Heele fragmenten van haar gesprek met Bertha kwamen haar telkens voor
-den geest, woordelijk en met een helderheid die haar buiten staat
-maakte iets anders in zich op te nemen. En telkens vond ze nieuwe
-argumenten tegen Bertha’s bezwaren en het maakte haar wanhopend dat zij
-daar straks niet aan gedacht had. „Arm schepseltje, wat zal ze nou gaan
-doen? Hoe kan Moisette toch zoo bekrompen zijn! Ik hoop dat mevrouw het
-hem es flink zegt ....” Maar toen kreeg ze toch weer medelijden met
-hem: misschien kon hij niet anders dan zoo denken. Er zijn planten die
-van zon en andere die van schaduw houden, misschien zijn er ook
-menschen die zich van zelf getrokken voelen tot het nieuwe licht, en
-anderen die liever leven in den schemer van verouderde gedachten.
-
-Weer liep ze doelloos rond, heel zenuwachtig en stond voor het raam, in
-zich zelf brieven opstellend, die ze aan Bertha schrijven wou. Toen, in
-eens, hoorde ze in de stilte van de kamer het tergend rustige tikken
-van de pendule. Ze keek om, het moest wel ’n half uur zijn sinds ze
-hier wachtte! Maar de klok tikte onverschillig haar antwoord dat pas
-tien minuten waren voorbij gegaan.
-
-Daar viel haar blik op de schrijftafel, waar postpapier gereed lag;
-bijna zonder te beseffen wat ze deed, ging ze er heen en schreef:
-
-
-Lieve Corona!
-
-Ken je de geschiedenis van Bertha Wendelings? Ik ben er dezen morgen
-zoozeer van vervuld, dat ik bij wijze van veiligheidsklep mijn emotie
-even praat, maar weet je wat me in dit gesprek telkens heeft
-gefrappeerd? Dat wij eigenlijk tegen twee stroomingen tegelijkertijd
-hebben te worstelen! Aan den eenen kant staan zij die ons inferieur
-rekenen aan den man, en bij elken stap ons toeroepen: „onvrouwelijk!
-want dit werk is te hoog voor u!” Aan den anderen kant staan onze
-vereerders, bij elk onzer bewegingen klagend: „onvrouwelijk! Gij staat
-te hoog voor dezen arbeid!” En het groote publiek schermt met de
-argumenten der beide partijen tegelijk! Maar beide deze stroomingen
-zullen we overwinnen, Cora, en dan zal de tijd dáár zijn dat we vrij en
-onbeperkt werkzaam zullen kunnen wezen op alle gebied, al naar onze
-individueele gaven en krachten! niet boven of onder den man, maar naast
-hem!
-
-Adieu lieve, vergeef mijn slordig schrift.
-
-Je Hilda.
-
-
-Langzaam vouwde ze het briefje samen, toen de deur zachtjes geopend
-werd. Ze zag niet op, maar boog zich kleurend dieper over de enveloppe;
-ze voelde dat het Bernard zijn moest.
-
-„O! Pardon, freule, ik wist niet .... ik stoor u toch niet?”
-
-„Volstrekt niet, mijnheer Cranz, ik heb hier maar even gewacht, omdat
-uw mama iets met dominee Moisette te bespreken had.”
-
-„Ja, zijn WelEerwaarde schijnt het vandaag erg verbruid te hebben!”
-zeide hij met een leelijken lach.
-
-Hilda voelde het onedelmoedige, het leedvermaak dat in zijn woorden
-lag, en het ontstemde haar.
-
-„Het is geen wonder,” zeide ze koel, „in dezen tijd, dat op alle gebied
-de nieuwe idees tegen de ouwe indruischen, dat men het niet altijd eens
-is, al is verder de sympathie ook nog zoo groot! Trouwens hun onderwerp
-is belangrijk genoeg om er ’n beetje over te discussieeren!”
-
-„O ja, de emancipatie, nietwaar?”—Hij zeide het met zijn glimlach van
-voorname ironie, die haar zoo dikwijls had geërgerd.—„Ik was straks
-even in de kamer daarnaast en ik hoorde ze redeneeren, alsof hun leven
-er van afhing, over vrouwenarbeid en hongerloonen en ik weet al niet
-wat! Mijn God, freule, ik moet u bekennen, de vrouw zelf vind ik ’n
-heel belangrijk onderwerp van gesprek, dat blijft altijd hoogst
-interessant, al praat je er ook nog zooveel over! maar haar arbeid en
-rechten .... ik moet u zeggen .... dat lijkt me al heel weinig
-aantrekkelijk! Maar nou vindt u me zeker afschuwelijk ouderwetsch?”
-
-„U spreekt zeker liever over de toiletten en de chronique scandaleuse
-der dames? Dat kan ik me best begrijpen, dat is ook veel pikanter!” Ze
-zeide het scherp, even kleurend onder den prikkel van haar vinnigheid,
-waar ze zich half over schaamde, en half in genoot. Toen opstaande:
-„Maar wie weet hoe lang uw mama nog over die „weinig aantrekkelijke”
-kwesties zal blijven praten! Wilt u haar zeggen dat ik morgen terug zal
-komen, maar nu maar naar huis ben gegaan, omdat ik nog wat te doen
-had?”
-
-„O! maar blijft u toch nog een oogenblikje!” zeide hij in eens heel
-zacht, met dien warmen vleiklank in zijn stem, die hij wist dat
-bekorend op vrouwenzenuwen werkte. „Mama zal wel zóó klaar zijn en ze
-zou ’t zeker naar vinden als ze u niet meer gezien had.”
-
-Hij stond vlak voor haar nu, en zijn oogen zochten de hare. Al haar
-koelheid en scherpe woorden hadden nooit indruk op hem gemaakt; hij had
-ze eenvoudig voor één van die ondoorgrondelijke vrouwengrillen
-gehouden, waarmee je je hoofd maar niet te veel breken moet. Misschien
-ook was ze ’n beetje koket en wilde ze hem vóór de overgave nog even
-laten voelen, dat haar conquête zoo makkelijk niet was. „Jonge meisjes
-hebben dikwijls van die prikkelbaarheden en kunstjes! maar dat ze
-werkelijk iets tegen hem had, had ze hem geen minuut kunnen wijsmaken
-.... en toch ....”
-
-Een wild verlangen kwam plotseling in hem op om het trotsche mondje met
-kussen te bedekken, om de hoog opgerichte houding van haar lichaam te
-breken in den druk van zijn armen, om haar week en schuchter te maken
-door de aanraking van zijn hartstocht. Hij wilde een einde maken aan de
-stil knagende onrust die hem niettegenstaande al zijn zelfvertrouwen
-toch onverwachts altijd weer bekroop. Waarom zou hij het haar nu ook
-niet zeggen? Ze waren alleen en ongestoord. Maar Hilda, als bij
-intuïtie, voelde hoe plotseling het begeeren in hem wakker werd. Een
-oogenblik vervulde het haar met verlammenden schrik, toen, met een
-lichte, schuwvogeltjes beweging gleed ze langs hem heen tot aan de
-deur.
-
-„Nee, heusch, mijnheer Cranz, ’t is beter dat ik nou maar naar huis ga.
-Wilt u veel groeten aan mevrouw doen?”
-
-Zonder hem aan te zien, gejaagd, en vóór hij iets kon antwoorden, holde
-ze de trap af, tot aan de voordeur. Maar buiten bleef ze een oogenblik
-staan, huiverend niettegenstaande de zomermiddaghitte, die in de straat
-was, haar verzengend tegemoet kwam. Het was even, of de opwinding haar
-de kracht tot gaan ontnomen had, maar de angst dat Bernard haar
-misschien zou nazien dreef haar toch dadelijk voort.
-
-En thuiskomend wierp ze zich moe achterover op haar bed, inzinkend een
-oogenblik onder de reactie van dien langen morgen vol zenuwspanning,
-maar zonderling, toch was er iets als vroolijkheid in haar voelen. Voor
-het eerst sinds lang had ze met hartstocht ergens in belang gesteld,
-met warmte iets bestreden, iets verdedigd en de ongewone
-geestesinspanning had een trilling van levenslust in haar gewekt.
-Misschien was ze wat al te heftig geweest, maar evenwicht bewaren was
-ook zoo moeielijk .... De emoties met Cranz en Moisette waren ook wel
-pijnlijk geweest, maar nu ze Bernard’s declaratie had weten te
-voorkomen, zou ze hem immers verder ook wel op een afstand kunnen
-houden? En terwijl ze neerlag, heerlijk rustend, en de herinneringen
-van dien morgen aan haar voorbijtrokken, onder de ’n klein beetje
-romantische verlichting harer verbeelding, voelde ze op eenmaal hoe
-jong en krachtig ze was en dat ze veel met haar leven wilde doen. Een
-kleine prettige tinteling van energie werkte na uit de opwinding van
-haar gesprekken en ze glimlachte met gesloten oogen, blij in dit
-ontwakensgevoel na al die maanden van doelloos alledaagsch bestaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Maar de jong moedige stemming van dit rustuur was niet bestand tegen de
-zenuwprikkelingen van den middag.
-
-Eugénie verscheen aan de koffietafel, bleek, klagend over hoofdpijn,
-gewapend met een arsenaal dier wondende toespelingen, dier hatelijke
-allusies, die zij ook in de meest gewone gezegden wist te leggen, en
-die als giftige dolken sluipmoordend in het huisgezin den vrede en de
-vreugde verwoesten zonder zelfs hun slachtoffers gelegenheid te geven
-om zich in eerlijken kamp te verdedigen.
-
-Na den lunch waren Hilda en Corry naar het strand gereden, waar zij
-mevrouw Vermaezen zouden vinden. Iedereen was er, en Rooselaar was hen
-komen aanspreken en Corry had zacht en teeder met hem gepraat, de
-naïeve blauwe oogen onschuldig tot hem opgeheven, het kindermondje
-glimlachend om elk zijner woorden. En Hilda had er bij gezeten in
-machtelooze drift om het verraad van dit blonde engelenkopje en de
-blindheid van dien man, en toen hij eindelijk was weggegaan had kort
-daarop von Görtzen zijn plaats ingenomen en was hetzelfde spel
-vertoond.
-
-„Geloof je dat von Görtzen je vragen zal?” zeide Hilda onder het naar
-huis rijden.
-
-„Nous verrons, nous verrons.” Corry lachte even, verwonderd over
-Hilda’s toon van ter verantwoording roepen. „Ik geloof het wel, maar
-men weet het eigenlijk nooit .... Ik had gedacht dat ie ’t al lang
-gedaan zou hebben.”
-
-„Waarom ben je dan nog zoo lief tegen Rooselaar?”
-
-„Wel, ten eerste, omdat ik hem heusch heel aardig vind, ten tweede
-omdat flirten altijd amusant is en ten derde .... In October word ik al
-vier en twintig. Als Görtzen me niet vraagt, dan neem ik Rooselaar. Ik
-bedank er voor om zooals Eus oud te worden en te zitten grienen, omdat
-ze zoo zachtjes aan het succes ziet verminderen, of in philantropie te
-gaan scharrelen, zooals Willy en Betsy en al die anderen.”
-
-Corry lag makkelijk achterover in het rijtuig, en mooi kleurde het
-donkere goud van haar hoofd tegen het teer mauve van den parasol, dien
-ze achter zich hield. Heel stellig en eenvoudig had ze het gezegd,
-zooals iemand die vertelt langs welke route zij haar pleizierreisje zal
-nemen en met ’n zonderlingen, strak energieken blik, die vreemd stond
-in het kindergezicht, zag ze voor zich uit. Hilda bleef sprakeloos bij
-het kille cynisme uit die rose lipjes.
-
-Zwijgend reden zij naar huis, en toen langzamerhand kwam de oplossing
-klaar voor Hilda’s oogen van het raadsel, waarover zij zoo dikwijls had
-nagedacht, waarom toch aan de vrouw zoo bitter in vroegere en latere
-tijden is verweten, dat haar wezen valsch en bedriegelijk is. Zij had
-er telkens van gelezen: kerkvaders en oude schrijvers, philosofen en
-philosoofjes hebben het elkander steeds nagezegd, tot in
-couranten-feuilletons vindt men er de echo van. Zij had er zich
-dikwijls over verwonderd, geërgerd; maar vanmiddag had ze het begrepen.
-Duizende kooplieden, bankiers, diplomaten, notarissen, makelaars,
-advocaten, politieke leiders en journalisten mogen dagelijks hun
-beroepsonwaarheden zeggen, alle Don Juans en avonturiers mogen de
-schandelijkste leugens gebruiken, hun bedrog heeft nooit heel het
-mannelijk geslacht als valsch verdacht gemaakt. Maar is het een mooi
-vrouwenmondje, vol zoete weeldewoordjes, en kinderlijke lachjes dat in
-bedrog en leugen heeft gesproken, dan ligt daarin iets zoo stuitends,
-zoo alle geloof in waarheid schokkends dat als van zelf de gedachte
-schijnt op te rijzen: zoo zullen zij wel allen zijn, alle vrouwen
-moeten valsch zijn, nu deze heeft kunnen bedriegen! Vele anders toch
-zoo scherpzinnige mannen hebben zich tot het onrecht van die uitspraak
-laten verleiden, ook al behoorden zij beter te hebben geweten, dat
-waarheid een groote en moeielijke deugd is, die alleen bij de edelsten
-van beiderlei geslacht kan gevonden worden! Maar zoo was het nu eenmaal
-en als straks von Görtzen zich gedeclareerd zou hebben en Rooselaar zou
-hebben begrepen hoe Corry met hem gespeeld had, dan zou ook hij weer
-alle vrouwen gaan aanklagen en haar allen verdenken en bitter over haar
-spreken om dit eéne mooie kind.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Met ’n bons trok Bernard Cranz de voordeur achter zich toe, peuterde
-aan zijn das, die van achteren wat tegen het boordje was opgeschoven en
-begon langzaam een van zijn lichtgele handschoenen aan te schuiven,
-terwijl hij opliep met zijn geforceerd lange stappen, te lang voor zijn
-beenen, waardoor bij elken pas zijn lichaam even naar voren knikte. Een
-paar huizen verder stond hij stil en keek om, naar den knecht, dien hij
-nog juist den anderen kant van de Javastraat op, en de hoek naar het
-Nassauplein zag om gaan. Hij glimlachte, wond even met de dikke blanke
-vingers zijn snor omhoog, en zag op zijn horloge, berekenend hoe lang
-het duren kon vóór hij antwoord zou hebben op dien brief, dien hij aan
-den knecht had meegegeven. Op zijn minst een uur, dacht hij, en ’t was
-nou half negen, en langzaam slenterde hij naar den Scheveningschen weg.
-
-Toen, in eens, voelde hij een hand op zijn schouder:
-
-„Wel Narretje, dat is ook niet van gisteren dat wij elkaar gezien
-hebben! Hoe staat het leven?”
-
-„Gut Maarten! Ik wist waarachtig niet wie me daar bij dien ouwen
-schooljongensnaam riep! Hoe heb je dien nog onthoûen?”
-
-Zij stonden voor elkaar, Maarten van Hervoren en Bernard en schudden
-elkaar hartelijk de hand.
-
-„Natuurlijk, die ouwe namen en dingen vergeet je nooit. Op weg naar
-Scheveningen?”
-
-„Nee, ik maak maar zoo’n loopje, ga mee naar de Promenade ’n pousse
-drinken, en vertel me waar je uithangt tegenwoordig.”
-
-En onder het oploopen vertelden zij elkaar hun leven sinds den tijd dat
-zij elkaar gekend hadden op de schoolbanken en later in de vakanties
-thuis.
-
-„En dus, je hebt voor goed je anker hier neergelegd?” zeide Bernard.
-
-„O! dat weet ik nog niet. Misschien neem ik m’n wandelstaf nog wel weer
-es op. Maar op ’t oogenblik bevalt het me hier best. Weet je wat het
-is? Geld kun je hier niet maken, en de opvattingen zijn hier in ’t land
-dikwijls erg klein en bekrompen, maar je leeft hier in Europa toch
-intenser dan in de nieuwe landen. Ik ben den laatsten tijd vreeselijk
-veel belang gaan stellen in de groote puzzles van onze
-maatschappij.—Mijn moeder was er zoo mee vervuld en die laatste maanden
-met haar hebben er me eigenlijk de oogen voor geopend.—Natuurlijk in
-jonge landen heb je ook dezelfde vraagstukken min of meer; overal heb
-je partijgekibbel en is er eén gedeelte van de menschen dat vooruit
-wil, en den boel beter maken en een ander dat alles precies wil hoûen
-zooals ’t is. Maar hier in het ouwe Europa is alles zoo veel
-gecompliceerder en dus moeielijker interessanter, diepzinniger,
-schilderachtiger, als men ’t zoo mag uitdrukken. O! het passionneert me
-hier wezenlijk!”
-
-„Zoo, ben jij ook al beet gepakt? ’t Is net ’n aanstekelijke ziekte
-tegenwoordig, dat geleuter over sociale vragen! En nou zit je
-natuurlijk tot over de ooren in enquêtes, werkstakingen,
-vrouwenemancipatie, kiesrecht, arbeiderswoningen, anarchisme,
-socialisme, gemeenschapskunst, vredebonden, godsdienstcongressen, vrije
-liefde, vegetarisme en god-weet-wat!”
-
-Bernard had het heel uit de hoogte gezegd, op elk woord drukkend, met
-een kleinen ironischen klemtoon, die tergend werd bij de lange
-opsomming, en sterker uitdrukte dan eenig betoog, dat hij, als
-ontwikkeld man, op de hoogte van zijn tijd, de namen der kwesties
-kende, maar tegenover al de vragen zelf, volkomen onverschillig stond.
-
-Maar Hervoren scheen het niet te merken.
-
-„Waarachtig zit ik er tot over de ooren in! Ik ben er als een razende
-Roland op afgestormd en nou sleept het me van zelf mee! Het zijn
-allemaal zulke ontzettend lastige problemen, en de strijd zal hoe
-langer hoe heftiger worden. We gaan geweldige tijden tegemoet ....”
-
-„Geloof je?”
-
-„Ik ben er zeker van! Maar waar zit jij tegenwoordig?”
-
-„In Londen, secretaris bij de legatie, en ik kan het er best uithoûen!
-Verleden nog die gloeiende feesten van ’t huwelijk van prinses Mary mee
-gemaakt, prachtig en ....” Maar ineens hield hij op, onder een
-zonderling sterken aandrang plotseling om te spreken over dien brief
-waar hij den knecht juist mee had weggestuurd en waarop hij straks het
-antwoord zou ontvangen. Het was als een dringende behoefte op eens, die
-moest worden bevredigd; hij kon er niet meer van zwijgen. „En waarom
-eigenlijk ook? Wat kwam het er op aan of Maarten, zoo’n ouwe kennis,
-het ’n beetje eerder dan de anderen wist?”
-
-„En je mag me bijna feliciteeren ook, want ik ben op het punt om le
-saut périlleux te doen, de groote stap in ’t gevreesde bootje!”
-
-„Jij? .... wel, wel!”
-
-„Ja, vindt je ’t niet verdienstelijk van me dat ik een meisje ga
-gelukkig maken?”
-
-„Ik vind het .... enorm verbazend. ’k Moet zeggen, ik dacht niet dat je
-’t ooit zoover zoudt brengen!”
-
-„Wel, waarom niet? Je moet er toch éens toe komen. Maar waarom vindt je
-dat zoo verbazend?”
-
-Er was iets in Hervoren’s koel ironische verwondering dat hem hinderde.
-
-„Ik ben pas voor zaken van de fabriek in Parijs geweest en daar hebben
-ze me juist nog stukjes van je verteld die .... nou, niet precies
-lieten denken dat je trouwplannen had!”
-
-„Van wie heb je dat gehoord?”
-
-„Wel van van Praege, daar was je immers mee? en in Parijs van d’Aréchal
-en du Plessiz en al de anderen ....”
-
-Cranz lachte met een paar leelijke grimassen, half spottend, half
-verlegen.
-
-„Nou ja, iedereen heeft wel es iets op z’n kerfstok, en toen kende ik
-haar ook nog niet; ik ben over Parijs hierheen gekomen.”
-
-„Heeft ze ouders?”
-
-„Om naar me te informeeren?” spotte Cranz, inwendig kwaad, omdat hij
-achter Maarten’s woorden afkeuring voelde. „Nee, ze heeft geen ouders
-meer en haar oom zal blij zijn dat ie ze met goed fatsoen kwijt raakt
-....”
-
-Maar toen geprikkeld door Maarten’s kille zwijgen, dat hem ergerde
-omdat het in de plaats kwam van de gewone nieuwsgierige sympathie
-waarmee men onder oude kennissen elkaars avonturen behoort aan te
-hooren, begon hij opeens wat door te slaan:
-
-„Nee, ik hoef niet bang te zijn dat iemand zich zal vermoeien om achter
-mijn geheimpjes te komen, en als zij zelf ooit iets van die
-geschiedenissen te weten kwam—maar vrouwen komen nooit achter zulke
-dingen—dan is het nog niks! Je weet niet wat wij zondaars ’n boel vóór
-hebben bij de dames boven de brave jongetjes. Als je ze maar kunt
-wijsmaken dat je eerst in de macht van de zonde verstrikt was, maar
-door haar invloed den weg naar den hemel hebt gevonden—en dat gelooven
-ze allemaal dadelijk—dan vergeven ze je alles. Dat is de eenvoudige
-reden dat je zoo dikwijls de grootste losbollen met de ernstigste
-meisjes ziet trouwen en dat je de strengste matrones haar mannen, die
-’t zoo nauw niet nemen met de huwelijkstrouw, altijd weer in genade
-ziet aannemen. Als je ze maar telkens handig genoeg kunt inprenten dat
-je verloren gaat als ze je laten loopen, kun je bij de vrouwtjes
-vergiffenis krijgen voor alles en au fond hebben ze nog ’n speciaal
-zwakje voor le pauvre pécheur! Dat is het duiveltje van de
-reddende-engeltje-spelen-ijdelheid, voor ons ’n patente bondgenoot.”
-
-Maarten liep zwijgend voort, zenuwachtig op zijn snor bijtend, en met
-zijn gewone tic, als hij nadacht, zijn rechter oog uitwrijvend. Toen
-vroeg hij onverschillig beleefd:
-
-„En wie is het meisje, dat je op die manier gelukkig wilt gaan maken?”
-
-„Freule van Suylenburg, die bij de van Starren’s in huis is.”
-
-Maarten zag in eens op zijn horloge, haastig, en bleef staan aan ’t hek
-van de Promenade:
-
-„Sinds wanneer ben je dan eigenlijk geëngageerd?”
-
-„Ik ben nog niet geëngageerd, kerel. Ik wacht vanavond pas haar
-antwoord.”
-
-„En ben je daar zoo zeker van?”
-
-„Ik heb straks, toen ik den brief wegzond geprobeerd om heel angstig te
-voelen, en ik weet wel dat ik nou bleek en van onrust bevend moest
-rondloopen, maar ik kan het niet helpen, ik voel me erg akelig en
-onpoëtisch bedaard. Ik begrijp niet waarom ze me niet zou aannemen?”
-
-„Baron Cranz van Rozenhagen is geen partij die men zoo maar afslaat,
-nietwaar?”
-
-„Nou ja, entre nous, er zijn er wel slechtere, en of ze nou erg dol op
-me is, weet ik niet, daar kun je met die lieve welopgevoede
-huichelaarstertjes nooit achter komen: die ze het liefst behandelen,
-hoûen ze soms voor de gek en soms zijn ze stug tegen dengeen waar ze ’t
-mee meenen, maar de liefde zal later wel komen, dat komt wel terecht,
-en wat voor reden zou ze eigenlijk hebben, om me te bedanken? Maar hoe
-staat het met jou? Heb jij nog geen brave plannen?”
-
-„O!—Nee!” Maarten zei het heftig, met een verren strakken blik, die
-zijn lichte oogen bijna zwart maakte, doordat alleen de pupil tusschen
-de toegeknepen oogleden zichtbaar was—„maar als ik ooit trouw, verzeker
-ik je dat ik geen vrouw ga zoeken onder de freuletjes, die op ’n goeie
-partij zitten te wachten! Ik denk dat ik nog es zoo’n arm naaistertje
-zal nemen, dat jaar in jaar uit heldhaftig liever voor bloedgeld zit te
-pikken dan zich makkelijk te laten onderhoûen door den een of den
-ander.”
-
-„Allemachtig, wat ’n rooie illusies! Nou ieder zijn smaak! Maar ga toch
-zitten. Wat wil je hebben? ....”
-
-„Dank je, ’t spijt me, maar ik moet je in de steek laten; ik had bijna
-vergeten dat ik straks iemand moest gaan spreken. Bonjour, tot plezier.
-Daar is net de tram.”
-
-En Hervoren holde de trapjes van de Promenade af en sprong met een
-behendige beweging van zijn lang lenig lichaam op de voorbijkomende
-tram en Cranz, vóór hij het goed besefte, zag hem op de platform achter
-het traliehek wegglijden en verdwijnen in de groene, donkere massa van
-den weg.
-
-„Wat ’n rare kerel is ie geworden,” zeide Bernard in zich zelve, maar
-lang verdiepte hij zich niet in dat zonderling plotseling weggaan.
-Langzaam, onder het glaasje triple sec kwam Hilda’s beeld hoe langer
-hoe duidelijker vóór hem, en wat hij zich vanavond vooral bijzonder
-goed van haar kon voorstellen, waren hare schouders, zooals hij die op
-’t laatste bal bij de Binckhorsten had gezien. Mooie blanke schouders
-waren het, rond en toch meisjesachtig, niet te gevuld en ’t was
-vanavond alsof die schouders het eenige was waar hij aan denken kon.
-Haar oogen kon hij zich niet volkomen duidelijk voorstellen, en ook
-eigenlijk niet het voorhoofd, alleen ’n paar kleine donzige krulletjes
-op zij van den nek, vlak bij het rozige oorlapje en daar onder de
-blanke trotsche hals en dan weer de schouders.
-
-En terwijl zijn sigaar in de stille avondlucht lange blauwige
-dampkronkels om hem heen slingerde, bleef hij behagelijk zitten soezen,
-maar Hervoren tramde recht door, naar zijn kamers op de Plaats, en
-werkte hartstochtelijk tot laat in den nacht een nieuwe brochure over
-socialisme en individualisme door.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Hilda was dien dag dadelijk na het eten naar haar kamer gegaan en een
-boek begonnen dat Valérie Vermaezen haar dringend had aanbevolen. Het
-was een dier fransche romans, die als verschietende sterren even langs
-den literairen hemel glijden, maar in hun kort bestaan de wereld met
-dertig herdrukken vergiftigen. Vlugge dialoog, beschrijving van
-toiletten en zinneprikkelende tooneeltjes zijn er de levenskrachten
-van, en knap genoeg geschreven om ’t gewone publiek te bekoren en niet
-knap genoeg om serieuse kritiek op te wekken, zijn zij oneindig
-gevaarlijker dan Zola’s ruwst realisme, omdat zij minder waar, minder
-ernstig zijn, en ongemerkt in de meisjes-boudoirs doordringen om er de
-verbeelding te verontreinigen, de zenuwen te verslappen. Natuurlijk
-handelde het over het eeuwig geliefde onderwerp der middelmatige
-Fransche auteurs: een getrouwde vrouw, die een liefdesbetrekking heeft
-aangeknoopt met den vriend van haar man. En ofschoon zeer zeker deze
-strijd van het arme menschenhart tusschen verlangen en eens beloofde
-trouw, tusschen meesleependen hartstocht en afkeer van bedrog plegen
-tusschen het opgeven van den geliefde en het breken met den man die den
-eersten kus ontving, door alle eeuwen heen een van de meest tragische
-zal blijven, het bestudeeren van zulke problemen onder leiding van
-jonge auteurtjes, die hun studies over „de vrouw” en „de liefde”
-voornamelijk op de Parijsche boulevards en achter de coulissen hebben
-gemaakt, moet alles behalve opbouwend voor jonge meisjes werken.
-
-Een poosje las Hilda voort, half verontwaardigd, half nieuwsgierig,
-verwonderd dat Valérie zoo iets kon aanbevelen. Maar Hilda behoorde tot
-die zeldzame, volkomen geëquilibreerde reine gemoederen, waarlangs het
-kwade heenglijdt als modderspatten langs zwaneveeren. Eén slag met de
-vleugels, en de vuile druppels zijn afgeschud, het blanke dons is weer
-smetteloos. Zoo ook Hilda: haar gedachten bleven rustig, haar zenuwen
-onbewogen bij het zinneprikkelend Fransch vergif. En toch ging zij
-voort met lezen, ook toen zij merkte welke lectuur het was. De
-vloeiende vorm, die onwillekeurig boeit, een soort van indolente
-nieuwsgierigheid, en behoefte aan een lichte afleiding na al de
-ontstemmingen van dien dag, lieten haar lusteloos voortlezen.
-
-Maar toen op eens kwam er een groote stoornis. Men bracht haar een
-brief, een groot couvert met het adres door een mannenhand geschreven
-en gezegeld met het wapen van Cranz. Bevend hield ze het geheimzinnige
-papier in de hand, wachtend tot de knecht de kamer weer verlaten had.
-Het was een gewichtig oogenblik, dat deze brief in haar leven kwam
-brengen, zij voelde het en het verwarde haar.
-
-Maar uit den chaos van plotseling heftig opgeschokte aandoeningen was
-het eerste wat klaar tot haar bewustzijn doordrong een razend gevoel
-van teleurstelling, wreede bittere teleurstelling, omdat bij het
-openscheuren van den brief zij het op eenmaal duidelijk in zich voelde
-hoe heel haar wezen verlangde naar liefde geven en liefde ontvangen, en
-hier nu, zij wist het, kwam liefde vragend tot haar en zij had niets te
-geven.
-
-Langzaam ontvouwde ze den brief en las de hartstochtelijke woorden
-waarin Bernard haar vroeg om zijn vrouw te worden. Het was doodstil in
-de kamer en ze bleef zitten, lezend en herlezend die liefdewoorden, als
-om hun zin geheel in zich op te nemen, en langzaam stegen toen uit de
-warreling van haar emoties, naast het eerste eerlijke deceptiegevoel,
-veel andere meer gecompliceerde gedachten op, die haar meevoerden in
-een lang gedroom. Er was wrevel in haar impressies, omdat Bernard het
-toch gewaagd had haar te vragen, na al haar koelheid, en ook een beetje
-minachting omdat hij zonder eenige zekerheid van haar liefde, haar toch
-tot zijn vrouw had gewenscht, maar ook was er in bedwelmende streeling
-van ijdelheid! Het was bijna duizelend dat machtsgevoel om op dit
-oogenblik te kunnen beslissen over het levensgeluk van een ander
-mensch. Een wereld van compensaties voor veel vernedering ligt er voor
-de vrouw in dit moment van zich geven of weigeren, van daar wellicht,
-dat de meest onderdrukte vrouwen altijd het wreedst zijn geweest in dit
-éene machtuur van haar leven.
-
-Maar toen begonnen onrustige gedachten en vragen op te stormen in haar
-hoofd; hoe zou hij het opnemen als ze weigerde? Zou de oude mevrouw
-Cranz bitter bedroefd zijn, zou hij veel lijden en jaren lang er onder
-gebukt gaan? en ze kreeg medelijden en een weeker gevoel voor hem bij
-de voorstelling dat hij misschien diep rampzalig zijn zou. En toen ....
-als van zelf kwam de vraag in haar op waarom ze eigenlijk weigeren zou
-en zooveel leed zou geven? zij had hem niet lief, straks bij ’t
-ontvangen van den brief had zij het immers volkomen duidelijk gevoeld?
-Maar misschien zou ze hem eenmaal lief krijgen, als ze hem beter kende
-.... Zij had hem nu oppervlakkig en cynisch gevonden, maar misschien
-gaf hij zich niet in de wereldconversatie zoo als hij wezenlijk was.
-Zijn brief was zoo teeder en ootmoedig een zoete streeling was het om
-dien laatdunkenden man, die gevierde partij, zoo smeekend aan haar
-voeten te zien. Het verteederde haar op eenmaal, zij had toch niets
-gedaan om hem tot zich te trekken, en als hij haar nu toch, na al haar
-reserve zoo lief had gekregen, welk een invloed moest ze dan op hem
-verkrijgen kunnen! Misschien zou ze hem kunnen leiden, vervormen naar
-haar eigen ideaal? Het was de oude illusie waarvan de wreede
-teleurstelling duizende vrouwenlevens heeft vernietigd maar op dit
-oogenblik met de passiewoorden van Bernard vóór zich, scheen haar heur
-macht zoo onmetelijk groot, en zij wist zoo weinig hoe diep de stempels
-van wereld-cynisme en demoralisatie zich in de ziel drukken.
-
-En terwijl ze zoo voort bleef peinzen en de kamer zich met schemering
-vulde, steeg er voor haar verbeelding een teeder tafreeltje op, vaag en
-toch gedetailleerd zooals in droomen. Zij zat in een kleine kamer, die
-veel op haar boudoirtje op Suylenburg leek en een groote lamp met
-geelzijden kap wierp een zacht licht over de kamer en de theetafel waar
-het fijne blauw porcelein zich in het zilver spiegelde; en vlak bij
-haar stond een rose zijden mandje met kant bekleed, waarin een klein
-teer kindje sliep. Zij zag de rose handjes en de hulpelooze beweginkjes
-en een vermoeden van onuitsprekelijke weelde doortrilde haar. Toen werd
-de deur geopend, zij hoorde iemand binnen komen, die naderde en zich
-tot haar over boog .... Maar toen was het visioen verdwenen, ze
-huiverde. Zich zelve met het kindje voor te stellen scheen zoo
-natuurlijk, maar dat Bernard Cranz zoo zou kunnen binnen komen en haar
-zou kunnen kussen als zijn vrouw, ze durfde er zelfs niet meer aan
-denken. Het vervulde haar met schrik en schaamte als van een zondige
-gedachte.
-
-„Ik moet hem afschrijven!” zeide ze op eens heel zenuwachtig. „Ik zal
-probeeren voorzichtige zachte woorden te vinden.” Maar ze bleef zitten
-en op nieuw slopen vreemde, tegenstrijdige gedachten af en aan, die
-haar wil verlamden en haar het pad onduidelijk maakten.
-
-„Wie weet of dit niet het geluk voor mij kan zijn; als ik het van mij
-werp, zal ik er later misschien om treuren?” Maar tegelijk met deze
-gedachte werd ook het bewustzijn in haar duidelijk dat dit het geluk
-niet kon zijn. Toen stelde ze zich vóór dat het morgen was, en dat zij
-haar weigering den vorigen avond had geschreven en met een klaarheid
-als nooit te voren, voelde ze op eens al het doelloos leege van haar
-leven, al het nameloos drukkende van een toekomst zonder bestemming.
-Was dit niet misschien de aangewezen weg om een levensdoel te vinden?
-O! het troostelooze onbevredigende leven, ze was het zoo moe! Zij had
-dien morgen tegen Bertha Wendelings met verachting over het huwelijk
-zonder liefde gesproken en langzaam, onbewust naderde ze de gevaarlijke
-helling. Bernard’s hartstochtswoorden hadden plotseling het heimwee
-naar liefde in haar wakker geroepen, zij smachtte er naar heel haar
-jonge rijke leven te geven, en niets zag ze voor zich, als zij dit
-huwelijk afwees, dan lange grijze jaren, voortgesleept in
-onbevredigdheid! Zij vouwde de handen boven op den brief en staarde in
-de donkere kamer, en ’t was haar of alles beter zou zijn dan dit leege
-meisjesbestaan voort te zetten. In haar jong bloeiend lichaam voelde ze
-reuzenkrachten van werken, in haar ziel schatten van teederheid en
-devouement, en niets, niets om zich aan te wijden. Zou zij deze
-gelegenheid om zich een nieuw leven te scheppen voorbij laten gaan? „Ik
-hoop dat mijn klein meisje in haar later leven altijd bedenken zal dat
-het niet de vraag is, hoe de tijd te dooden of door te komen, maar hoe
-hem te gebruiken!” had haar vader eens gezegd en in pijnlijke ironie
-bedacht zij hoe nu haar tijd werd doorgebracht in wat toiletmaken en
-wereldparade en tennissen en paardrijden en wat liefhebberen in musiek
-en philantropie. Maar de gedachte aan haar vader’s woorden maakte haar
-twijfel nog angstiger. Zeker, hij zou haar tegenwoordig leven niet
-goedkeuren, maar zou hij een huwelijk dan wèl goed vinden, waarvan niet
-liefde, maar ontevredenheid de drijfveer was? Haastig onderdrukte ze
-die onwelkome vraag. Er was immers geen anderen weg denkbaar, zij moest
-wel kiezen tusschen deze twee: zoo voort leven, of Bernard aannemen. En
-het denkbeeld van een nieuw leven begon haar nu sterker aan te trekken,
-het fascineerde haar. Voor alle jonge ontevreden zielen ligt een groote
-bekoring, een wondere belofte in het „opnieuw beginnen.” Alsof niet het
-leven altijd doorging en nieuwe toestanden nooit uit zich zelf
-beginnen, maar altijd als gevolg voortkomen uit het vroeger zijnde.
-
-De zoele avondlucht stroomde warm en verweekend naar binnen. Het was
-éen dier uren waarin het jonge hart zoo dringend naar sympathie
-verlangt en de eenzaamheid zoo vreemd en ondragelijk lijkt en zachtjes
-sloopt de verleiding nader zich aan dien man over te geven, die haar
-zoo liefhad en haar een mooi eigen home aanbood! Als men haar dien
-morgen, op haar wandeling, gezegd had, dat de kansen van den jongen
-Cranz gunstig bij haar stonden, uit de hoogte zou ze geantwoord hebben:
-„ik heb hem niet lief.” En nu reeds had het zich indenken in de
-onvoldaanheid van haar leven en de angst voor een toekomst zonder
-bestemming haar zoozeer ontzenuwd dat ze bereid was de hand aan te
-nemen, welke dan ook, die haar een nieuw pad zou inleiden. Zelfs de
-gedachte dat het treurige bestaan van een Ottilie van Heemeren haar
-wachten kon, kinderloos, gebonden in een huwelijk zonder liefde, had nu
-geen macht meer over haar. Zij wierp haar van zich, met een bang gevoel
-dat ze niet anders meer kon, dat het nog beter was zich te wagen in een
-huwelijk dat verdriet en teleurstelling kon brengen dan dit gloedlooze
-grijze meisjesbestaan voort te slepen.
-
-Bleek, met koortsgloed in al haar ledematen stond ze eindelijk op. „Ik
-zal hem schrijven dat ik z’n vrouw zal worden,” zeide ze zachtjes. „Als
-het zonde is, de hemel moge ons genadig zijn, maar ik kan niet anders.”
-
-Het was nu volkomen donker geworden en het duurde lang vóór ze de
-lucifers kon vinden. Zij wilde dadelijk schrijven, als ’t ware om zich
-zelf voor een voldongen feit te stellen. Het angstige getwijfel van
-dien avond hield ze op dit oogenblik wezenlijk voor rijp nadenken en ze
-was bang, zonder het bijna zelf te weten dat de strijd bij de minste
-aanleiding terug zou keeren. Maar op haar schrijftafeltje ontbrak de
-inktkoker. Gisteren had ze hem beneden, in de serre gebruikt om menus
-te schrijven en hij moest daar nog zijn. Met een vreemd plechtig gevoel
-dat er iets vreeselijks in haar leven gebeurd was, dat zij zelve nog
-niet kon overzien, daalde ze de trappen af.
-
-In de achterkamer, waardoor men gewoonlijk in de serre kwam, hoorde ze
-stemmen opklinken en besloot dus door het spreekkamertje te gaan,
-achter in de gang, dat ook tot de serre toegang gaf. Het zou haar op
-dit oogenblik onmogelijk zijn geweest iemand te ontmoeten. Alles was
-donker en rustig in de serre, alleen uit de huiskamer viel een
-fantastisch licht door de kanten gordijnen, waarvan de bloemranken
-spookachtige figuren op den grond teekenden. Hilda bleef even staan,
-huiverend in de hitte van haar opgewonden verbeelding, maar toen haar
-oogen aan de schemering gewend waren, kon ze de voorwerpen alle
-makkelijk onderscheiden en had dadelijk haar inktkoker gevonden.
-Voorzichtig gleed ze naar het tafeltje waar hij stond, maar juist toen
-ze hem in de hand hield en zachtjes wilde terugsluipen hoorde ze binnen
-Edward lachen en haar tante’s stem die zeide:
-
-„Nee, Hilda is wél ’n zonderling kind, maar dáarvoor is ze toch te
-verstandig.”
-
-„Weet u zeker dat de brief van Bernard was?” zeide Edward.
-
-Hilda stond roerloos en luisterde, niet in staat na die woorden om heen
-te gaan.
-
-„Ja zeker, ik ging juist door de gang toen ie gebracht werd, en ik zag
-duidelijk het wapen van Cranz, toen Johan hem in de hand hield.”
-
-„Ik heb toch nooit gemerkt dat Hilda iets om hem gaf?” zeide Edward
-vragend.
-
-„Nee, ik geloof ook niet precies dat ze dol op hem is, maar daarom kan
-ze hem toch wel aannemen. Het is in alle opzichten ’n prachtige partij:
-naam, fortuin, carrière, goed uiterlijk, en... nou ja, men zegt wel dat
-er op zijn leven nog al wat aan te merken valt, maar daar heeft ’n
-meisje niets mee te maken, en als je bent zooals Hilda, zonder
-bijzondere schoonheid en volstrekt niet schatrijk dan kun je er niet te
-veel pretensies op na hoûen. Aan alle mannen mankeert iets, maar ik heb
-altijd gezegd: Cranz is het lot uit de loterij en Hilda zal zich geen
-tweemaal bedenken vóór ze zich aan hem g....”
-
-„Verkoopt,” vulde Edward aan met zijn scherp overslaande jongensstem en
-Hilda rilde onder den striemenden slag van het woord.
-
-„Maar Eddy, wat ’n akelige dingen kun je toch altijd zeggen!” riep
-mevrouw van Starren ongeduldig.
-
-„Waarom is dat nou weer akelig, mama? Als Hilda geen liefde voor hem
-heeft en ze neemt hem tòch, doet ze eenvoudig ’n ruil en verkoopt zich
-zelf tegen ’n zekere kwantiteit, „goeie partijdigheid,” is dat
-nietwaar?”
-
-Meer hoorde Hilda niet, zoo snel als ze zich in de duisternis bewegen
-kon, zonder zich te verraden, sloop ze de serre uit, naar boven, en
-stond daar, midden in haar kamertje, in ’n opwinding zooals ze nog
-nooit gekend had.
-
-„Verkoopen”, herhaalde ze tusschen de dicht geklemde tanden, „ik mij
-verkoopen tegen zooveel aan geld en naam? Hoe durven ze het van mij te
-denken! Het huwelijk is ’n heilige instelling zeggen de menschen, mooi
-zoo, maar zoodra zich ’n goeie partij aan ’n meisje voordoet, vindt
-iedereen het heel natuurlijk om haar te verdenken van het laagste
-waartoe ’n vrouw in staat is: zich te verkoopen! En pretensies, zei
-tante, ik mocht geen pretensies hebben omdat ik niet schatrijk en geen
-bijzondere schoonheid ben! m.a.w. moet ik daarom maar klaar staan voor
-den eersten den besten! Maar ik heb wèl pretensies, en ik zal het ze
-toonen! Hoogere pretensies dan ’n mooi huis, en ’n equipage beschilderd
-met dubbele wapens! Ik wil liefde en geluk en geen mooie partij!”
-
-Trillend stond ze midden in de kamer, de handjes hartstochtelijk te
-zamen geklemd om de inktkoker. Met een schok was de oude fierheid
-ontwaakt.
-
-Maar op de schrijftafel vóór haar lag Bernards open brief en daarnaast
-het blanke velletje waarop ze zooeven nog haar jawoord had willen
-neerschrijven. Toen, plotseling, begreep ze den afgrond dien ze straks
-genaderd was, en gebroken, het gloeiende voorhoofd verborgen in de
-handen, zonk ze neer, knielend op den grond.
-
-„O! mijn God! mijn God! mijn God! wat ’n vernedering in mij zelve!
-gevallen, o! God ik ben gevallen, ik die zoo trotsch was, zoo hoog
-hield mijn geloof aan liefde, zoo laag neerzag op al die meisjes
-hunkerend naar ’n huwelijk, ik ben gevallen, toen de eerste verzoeking
-kwam!”
-
-Zij snikte, de handen stijf tegen de oogen gedrukt, die droog en
-brandend waren.... „Vader, vergeef me! Maar ik voelde me zoo eenzaam
-en.... zoo nutteloos, als ’n drijvend stroohalmpje op ’n stroom. Als ik
-maar iets had gehad, wat ook, waar ik me met hart en ziel op had kunnen
-toeleggen, zou het niet gebeurd zijn, vader! In elk mensch toch is ’n
-ingeboren drang om voor iets te willen leven, zich aan iets te willen
-wijden, en ik had niets! Vader, niets!”
-
-Lang, met dorstend verlangen lag ze zoo, van tijd tot tijd opziende
-naar het groote portret aan den wand, en de oude mooie kop scheen bij
-het kaarslicht, dat hem van uit de verte flauw verlichtte, mysterieuze
-blikken naar haar heen te werpen.
-
-En toen met een verplettering van schaamte dacht ze er op eenmaal aan
-hoe haar jonge doode moeder haar Brünnhilde had genoemd „omdat,” had ze
-gezegd met een van haar laatste glimlachjes, toespeling makende op de
-oude Germaansche Walkürelegende, „ik hoop dat het hart van ons
-dochtertje omgeven zal zijn van een kring van reine en trotsche
-vlammen, waardoor alleen een held, dit is een edele, een hooggestemde
-zal vermogen door te dringen, om haar tot liefde te wekken!”
-
-„O! mijn God! moeder! vergeef me!” zeide Hilda en bij ’t aanroepen van
-dien naam, dien ze nooit gezegd had, kwamen eindelijk haar tranen. „En
-ik die me bijna aan dien.... Cranz zou hebben.... verkocht! Maar niet
-verkocht, tenminste, in de infame beteekenis die Edward er aan gaf.
-Niet voor rijkdom en eer zou uwe Hilda zich ooit gegeven hebben! Dat
-nooit, moeder, dat nooit! Het was alleen maar om te ontkomen aan dat
-nameloos leege onbevredigde leven! Maar er moet immers ’n andere weg
-zijn? Straks wanhoopte ik er aan, maar ik voel het nou duidelijk. Het
-is dom en laf om het huwelijk als eenige uitkomst te beschouwen....”
-
-Lang bleef ze geknield, half biddend, half peinzend om klaarheid te
-vinden in haar ziel, toen stond ze op en schreef haar moeielijken
-brief, in zachte woorden de pijnlijke weigering hullend.
-
-Maar toen zij den knecht had weggezonden om dadelijk den brief aan zijn
-adres te bezorgen bleef ze nog lang in groote ontroering achter. Het
-was éen dier lange levensdagen voor haar geweest waarin het
-menschenhart veel jongen overmoed en trots verliest, maar daarvoor ook
-in de plaats ontvangt een beetje meer wijsheid en kracht.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Corona zat voor haar eenvoudigen lunch en deed haar best om wat te
-eten, maar het kostte haar moeite vandaag, ze voelde zich zoo erg moe.
-Den ganschen nacht had ze bij Marietje Roerade gewaakt, en al was ze
-ook gewend aan het bijwonen van veel leed, gevallen als die van dezen
-nacht, grepen haar toch altijd weer aan.
-
-Gisterenavond tegen elf uur was vrouw Roerade het haar komen zeggen:
-Marietje, het oudste van haar negen kinderen, een meisje van zeventien,
-dat in een winkel in de Spuistraat diende, was plotseling thuis gekomen
-en .... het was de oude geschiedenis, zoo oud dat zij banaal klinkt
-voor wie haar hooren, en toch voor wie haar doorleven moeten, nog
-altijd even verbrijzelend. Het meisje was verleid, zij was mooi en nog
-zoo jong en had geloofd in liefdewoorden en beloften en toen was,
-zooals altijd, de ontzettende teleurstelling gekomen met haar grijnzend
-spookgeleide van wanhoop en schaamte en ze was thuis gekomen ’s avonds
-bij de ouders, die niets vermoedden, en had een arm klein meisje het
-leven gegeven.
-
-Corona steunde het moede hoofd op de hand en staarde lang voor zich
-uit. Zij dacht aan zooveel jonge schepselen, die zij in de vreeselijke
-ure had bijgestaan, want wetend van hoeveel waarde het voor de meesten
-is om in het supreme oogenblik zich physiek en moreel gesteund te
-voelen, had ze de arme jonge zondaressen eerder opgezocht dan zich van
-haar teruggetrokken. Zij had er van allerlei soort ontmoet, zij kende
-er die gevallen waren door grenzenlooze onwetendheid, door beneveling
-van alcohol, door overgeërfde lichtzinnigheid, en door armoede, door
-heilig gelooven in beloften van trouw, door pressie van infame ouders,
-door éen oogenblik van zwakheid na een braaf eerlijk leven, en sommigen
-hadden haar doen walgen door groote verdorvenheid, voor anderen had zij
-vriendschap en achting leeren voelen. En terwijl ze zoo neerzat en de
-lange lijdensrij herdacht, kwam groote bitterheid in haar op om de
-wreedheid waarmede de geëerde gelukkige vrouwen deze toestanden
-trachten te ignoreeren. Zelfs boeken, waarin over deze dingen met ernst
-wordt gesproken, heeten ongeschikt voor dameslektuur. Het klinkt zoo
-lief, zoo vrouwelijk rein te zeggen dat men van al die zonde en ellende
-niets afweet, alsof het niet waarachtiger reinheid is de modderpoelen
-naast uw voordeur weg te ruimen dan er met afgewende gezichtjes langs
-te wandelen en te doen alsof gij ze niet ziet. O! de schandevolle
-onverschilligheid der zoogenaamd fatsoenlijke vrouwen, die neerzien op
-die armen, die wellicht de slachtoffers zijn van haar eigen zonen en
-broers en echtgenooten! en dan achten zij zich nog heel vrouwelijk
-deugdzaam, als zij de gedachte ver van zich werpen dat het haar plicht
-is mee te werken in, mee te waken over een maatschappij waar zulke
-toestanden zijn.
-
-Corona stond op en nam van haar rekje een klein boekje met
-statistieken: „jaarlijks in Nederland ongeveer 5000 onwettige
-kindergeboorten,” peinzend sloeg ze het weer toe. En al deze arme
-kleine schepsels hebben toch vaders gehad waarvan de meesten de moeder
-en het kind aan hun lot van gevaar en schande hebben overgelaten! Hoe
-kan men nu toch denken dat mannen, die tot dit in staat waren, als zij
-direct of indirect invloed hebben op de wetgeving, goed de belangen van
-de vrouw en het kind zullen behartigen? De vrouw zelf moet mee haar
-stem kunnen doen hooren voor zich en de kleinen die zij het leven
-geeft! Als de vrouw de laatste twintig jaren mede het volk had mogen
-vertegenwoordigen, zou het afgrijselijk laffe spel met Marietje Roerade
-niet straffeloos meer gespeeld kunnen zijn en haar kleintje niet
-hulpeloos alleen in de wereld staan met niemand tot steun dan een
-zeventienjarig kind, dat in de wereldoogen nog wel verachtelijk
-gevallen is!”
-
-Toen kwam de oude Marijken binnen om af te nemen.
-
-„Maar dokter, heb je nou je eitje niet opgegeten? Denk je dat men zich
-kan voeden met nachtwaken en goeie werken?”
-
-„Kom Marijken, brom nou maar niet, ik heb heusch m’n best gedaan en met
-’n stukje brood en vruchten kan men het ’n heel eind ver brengen.”
-
-„Ik weet wel wat ’t is, die geschiedenis van Marietje Roerade zit je in
-de maag. Ja, wie had nou ook ooit zoo iets kunnen denken?”
-
-„Waarom niet?” zeide Corona treurig. „Je moet je nog verbazen dat die
-dingen niet meer voorkomen, als je denkt hoe zulke meisjes opgroeien in
-die slopjes tusschen de ellendigste voorbeelden, hoe jong ze de wereld
-ingaan en, als ze er aardig uit zien, hoeveel vijanden er aan alle
-kanten loeren. Een mooi arm meisje is immers vogelvrij verklaard! Elke
-gemeene kerel, die haar tegenkomt fluistert haar vuile, de verbeelding
-verhittende complimentjes toe, elke dandy vindt het hoogst natuurlijk
-om brutaal tegen haar te lachen en wie beschermt haar tegen de
-genotzucht van den eersten den besten? Iedereen vindt dat het ’n jong
-mensch toekomt om zich te „amuseeren”, en wie denkt aan de meisjes die
-daarbij te gronde gaan? Wie wreekt ze als ze bedrogen zijn? Ze moeten
-maar voor zich zelf zorgen en het zijn nog kinderen!”
-
-„Ja, ze moeten maar voor zich zelf zorgen, dat spreekt van zelf.
-Juffrouw Roerade kan al der negen kinders niet aan ’n touwtje hoûen en
-haar meidenwaschjes er nog bij doen. Maar van Marietje had ik het nooit
-gedacht, zoo’n stil net meisje altijd?”
-
-Marijken slofte weg, haar hoofd in een onafgebroken schuddende
-beweging; dat was zoo hare wijze om ontroering en medelijden te
-betuigen.
-
-Mat zette Corona zich toen neer in de oude armstoel. Het was kwart over
-éenen, dus vóór zij moest uitrijden, nog bijna een uur om wat te
-rusten, misschien wel ’n oogenblik te slapen.
-
-Maar nauwelijks had ze de oogen gesloten of Marijken kwam weer binnen,
-zorg en meewarigheid in elken rimpel van haar oude gezicht; zij legde
-een brief op haar schoot met buitenlandsche zegels. Och, die brieven
-uit den vreemde, ze kende ze al en wist heel goed hoeveel ontroering en
-verdriet ze gewoonlijk brachten. Zoo graag had ze dokter nou dit éene
-rustuurtje gelaten, maar een van deze brieven achterhouden zou ze toch
-nooit hebben gedurfd.
-
-Maar ’t was alsof bij ’t zien van die hand Corona’s vermoeidheid in
-eens was verdwenen. In een oogwenk zat ze recht en veerkrachtig
-overeind, de oogen klaar wakker en opende haastig het couvert.
-
-Het was een brief van Frank uit Parijs, haar meldende dat hij
-onverwachts uit Amerika de prachtigste aanbiedingen had ontvangen om
-daar met zijn gezelschap een aantal voorstellingen te komen geven.
-„Financieel,” schreef hij, „zijn de condities zoo schitterend dat wij
-er niet over kunnen denken om te weigeren, en daarbij kan ik niet
-ontkennen dat het mij machtig aantrekt om op deze wijze het reusachtige
-jonge land te leeren kennen met zijn nieuwe organisaties en nieuwe
-typen. Wat wij hier van de Amerikanen zien zijn dikwijls blufferige,
-ongemanierde parvenus, of armzalige reisgezelschappen, die als
-voortgejaagde troepen onze musea, paleizen en kerken doorrennen, maar
-in het land van Emerson moet veel aantrekkelijks en belangrijks zijn,
-dat ik graag zou willen leeren kennen.
-
-Maar Corona, mijn liefste, éen groote zorg vervult mij bij al deze
-plannen en zooals in al mijn oogenblikken van leed en onrust kom ik tot
-je om raad en dezen keer zelfs om hulp, Corona, om groote krachtige
-hulp. Zul je mij die kunnen geven? en is het niet al te zelfzuchtig van
-mij je dezen dienst te vragen? Luister, mijn lieveling, en oordeel.
-Zooals ik je dikwijls gezegd heb, staat mijn troepje in alle opzichten
-moreel zeer hoog en uit den aard der zaak, dat wij trachten niet het
-publiek te dienen of ons eigen succes, maar alleen onze strenge en
-naijverige godin: de kunst, heb ik vrijwel mijn ideaal bereikt om een
-klein troepje te vereenigen van werkelijk beschaafde hooggestemde
-menschen. Toch zijn er nog altijd een paar bij, en zij ook zullen den
-Amerikaanschen tocht meemaken, die ik voor mijn kleine Rosa op dezen,
-voor indrukken zoo uiterst gevoeligen leeftijd, een ongewenscht
-gezelschap vind. Daarbij zijn de vermoeienissen van zulk een reis ook
-niet gering voor ’n klein meisje, zoodat ik besloten heb, hoeveel het
-mij ook kosten zal, mijn kindje niet mee te nemen. Of Eva mee zal gaan,
-weet ik nog niet. Zij schijnt er erg op gesteld te zijn om den tocht
-mee te maken, maar dit is zeker, dat ik, als zij achter blijft, Rosa
-toch in geen geval bij haar zou kunnen laten. Het kind is nu tien jaar,
-en bijzonder voor haar leeftijd ontwikkeld en het wordt hoog tijd dat
-ik haar aan den moederlijken invloed onttrek. O! Corona, wij hebben
-zelden over deze dingen gesproken. Om sterk te kunnen zijn is het soms
-beter ons leed niet te veel uit te spreken, maar bitterheid overstroomt
-mijn hart, als ik deze vrouw samen zie met mijn kind.
-
-Liefste, van den beginne af aan is de opvoeding allertreurigst geweest.
-Ik zelf had geen tijd om er mij veel mee bezig te houden en Eva? ....
-Om er mee te pronken, om het op te smukken, als zij er visites en
-boodschappen mee gaat doen, is haar geen moeite of kosten te veel.
-Heele dagen zit zij er voor te naaien, hardnekkig, koortsig, tot haar
-zenuwen zoo kapot zijn, dat zij er iedereen onder laat lijden! Maar
-terwijl loopt het kind verwaarloosd en eenzaam rond! Om er op haar jour
-mee te poseeren als mooi jong moedertje is het kind haar lief, maar als
-er zich amusantere occupaties voordoen, wordt het dadelijk naar de
-bonne gestuurd. Enfin, je kent het type, je moet er velen zoo kennen,
-die haar moederschap opvatten als middel om haar tijd aan te vullen en
-haar ijdelheid te streelen en niet als een doel, waarvoor zij al haar
-krachten willen inspannen.
-
-Meermalen heb ik getracht Eva’s belangstelling voor de eigenlijke
-opvoeding te wekken, maar „zieleontwikkeling”, „karaktervorming”, zijn
-woorden zonder eenige beteekenis voor haar. Ik heb haar een paar maal
-een mooi stuk van Fröbel voorgelezen, haar boeken gegeven, hopende haar
-een beetje tot nadenken, althans tot belangstelling te brengen, maar
-zij begon te huilen en zeide dat ik onvrouwelijke dingen van haar
-eischte. Zat zij niet uren lang te naaien omdat het mij niet
-conveniëerde het goed buitenshuis te laten maken en zij toch uit liefde
-wou zorgen dat haar kind er netjes uitzag? Maar dikke vervelende boeken
-lezen kon niemand van haar vergen, dat was goed voor mannen en geleerde
-professors, de vrouw moest voor de kleeren en het huishoûen zorgen en
-dat deed ze immers, wat kon ik dan toch meer van haar vergen?
-
-Toen begreep ik, Corona, dat wij elkander nooit konden begrijpen. Het
-eenige wat zulke „lieve vrouwtjes” voor haar kinderen kunnen doen is
-voor kleeren en voedsel zorgen, en dat natuurlijk heel onhygiënisch, en
-dan een beetje brommen als zij lastig zijn. Het was immers ook onzinnig
-van mij nog te hopen dat mijn kindvrouw mijn kindje zou kunnen opvoeden
-tot een vrouw?
-
-En dikwijls kwam de gedachte bij mij op dat ik Rosa weg moest zenden
-uit mijn treurig wuft interieur, maar ik had er de kracht niet toe, zij
-was mijn eenige lichtstraal, maar ik weet nu dat het onvergefelijke
-zwakheid was. Zondag was ik met haar gaan wandelen, het
-kinderfiguurtje, och arme, uitgedoscht als een miniatuur modedame. Zij
-zag er aardig uit, maar toen ik haar omhelsde, voelde ik hoe het teere
-lichaam was ingeprangd in een baleinen harnas en ongeduldig weerde zij
-mij af, zij die zoo dol van me houdt, uit angst dat ik haar kantjes zou
-kreukelen. Arm martelaresje, physiek en moreel van de moederlijke
-ijdelheid. Maar wij gingen uit, Corona liefste, en op eens, met wanhoop
-vervulde het mij, toen ik zag hoe het kleine ding de hulde der
-voorbijgangers gretig opving. Wij kwamen een troepje studenten tegen in
-den tuin van het Luxembourg, die erg naar ’t kleine mooie dametje
-keken, en ik zag hoe Rosa glimlachte zonder reden, en hoe er in haar
-oogen een uitdrukking kwam van huichelachtige onschuld toen ze naar me
-opkeek en onverschillige dingen vroeg en terwijl onophoudelijk den
-indruk gadesloeg, dien ze op de voorbijgangers maakte. O! mijn liefste,
-het was een uur van namelooze bitterheid. Ik kan er niet aan denken dat
-mijn dochter het evenbeeld van haar moeder zou kunnen worden. En daarom
-kom ik tot je, Corona, je smeekend om je over mijn kind te ontfermen.
-Neem ze tot je en red haar! O! lieveling, jij kunt het, onder jouw
-leiding kan alles nog goed met haar worden.
-
-Soms als ik aan Rosa’s toekomst denk, droom ik er van dat zij misschien
-eenmaal mijn voetsporen drukken zal, dat zij, als mevrouw Tachilde, zal
-worden een groote kunstenares en dat zij mijn werk zal vervolgen om het
-tooneel te verheffen. Onze kunst heeft het zoo heel noodig dat zich
-waarachtig edele, hoog ontwikkelde menschen aan haar wijden, om een
-einde te maken aan het rijk van zooveel onzer tegenwoordige actrices,
-wier kleermaker en verfkwast soms meer tot haar succes bijdragen dan
-hare talenten. En ik geloof zeker dat er ’n tragedienne in het meisje
-zit, maar liefste, vóór alles wil ik dat mijn kind een goed mensch
-wordt! en ik weet nu, dat zij dat hier nooit worden zou.
-
-O! de bitterheid, Corona, om hopeloos aan een vrouw verbonden te zijn,
-die de ziel van mijn kind vergiftigt, en haar, de heerlijke vrouw te
-moeten missen, die ons beiden gelukkig zou kunnen maken. Maar
-tenminste, erbarm je over het jonge leven, Corona, voor mij zelve smeek
-ik je niet meer, ik heb leeren eerbiedigen je inzichten, al kan ik ze
-niet deelen, maar voor Rosa wil ik bidden! geef haar de weldaad van je
-nabijheid en je liefde! Niemand dan jij kunt haar maken tot de sterke
-hooge vrouw die eenmaal mijn werk moet voortzetten! Mag ik op je
-toestemming hopen, Corona? ik kan er niet aan twijfelen, al weet ik ook
-hoeveel storing het in je drukke leven geven zal!......................
-.......................................”
-
-Corona zat lang bewegingloos, stil turend op den brief, dien zij niet
-meer las.
-
-Zijn woorden van teederheid voor het kindje, waarvan hij maar zelden
-gesproken had, zijn toekomstdroomen, zijn angsten en zorgen voor de
-kleine dierbare ziel, waren heel nieuw voor haar. Niet de kunstenaar
-die werkt en zoekt, niet de denker die haar iets van zijn
-gedachtenleven komt zeggen, niet de geliefde, die haar zijn arme
-woorden van wanhoop en hartstocht zendt, geen van die allen, die zij
-zoo goed kende, sprak uit het blad dat zij vasthield, alleen de vader!
-En die nieuwe persoonlijkheid vervulde haar met vreemde ontroering.
-
-O! zijn kindje, zijn eigen geliefd kind bij zich te zullen ontvangen,
-het te zullen koesteren en opvoeden zoo als hij het begeerde! Een
-zachte vreugde ging op in haar borst, een stille jubel, alsof zij op
-dit oogenblik tot iets heerlijks was uitverkoren.
-
-Zou nu niet tusschen haar en Frank een nog inniger band, met nog
-dieper, heiliger beteekenis ontstaan? Maar toch .... dit kind was niet
-van hem alleen .... en het beeld rees voor haar op dier onbekende
-vrouw, die hem jaren lang het leven had verbitterd, die tusschen hen
-stond met haar hardnekkig weigeren om hem zijn vrijheid weer te geven,
-wier wuftheid nu zelfs een gevaar voor haar dochter was, maar die toch,
-niettegenstaande dit alles, de moeder was van zijn kind!
-
-Corona bukte zich en legde het hoofd voorover op de tafel. In lang niet
-was de wanhoop, het verlangen over haar gekomen met die intense macht,
-en zij huilde hartstochtelijk, het uitschreeuwend van tijd tot tijd met
-een wild gekreun, dat opsteeg uit de geheimzinnige diepten van haar
-liefdeleed, klanken als van een gewond dier.
-
-Marijken, achter in de keuken hoorde het, en weifelend sloop ze naar
-voren, angstig luisterend aan de deur. Eindelijk, toen het binnen
-stiller werd stak ze voorzichtig het hoofd door een kiertje.
-
-„Dokter, wat is er gebeurd? Heb je kwade tijding gehad?”
-
-Corona zag op. „Nee Marijken, dank je wel. Ik heb heele goeie tijding
-zelfs. We krijgen ’n klein huisgenootje, je zult es zien hoe ons oudjes
-dat zal opfleuren. Het is niets, ik ben maar ’n beetje zenuwachtig,” en
-zij glimlachte onder het zachte snikken dat telkens nog haar borst
-doorschokte, zooals op het water na hevige deining nog lang driftige
-golfjes komen breken aan den kant.
-
-Marijken trok zich terug, het rimpelige hoofd heftig schuddend. „Zij
-begreep er wel alles van!” maar Corona stond op en ging in de
-slaapkamer om haar brandend gezicht te wasschen. Zij voelde zich zoo
-doodelijk vermoeid door haar nachtwaak en de wilde ontroering van
-straks, maar over een paar minuten zou het rijtuig komen, en als altijd
-moest ze dan weer klaar zijn, volkomen zich zelf meester om haar zieken
-te helpen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Hilda stond lusteloos droomend voor het raam, ze voelde zich nameloos
-gedesoeuvreerd; juist na de opeengestapelde emoties van eergisteren en
-de gedruktheid die daar gisteren op gevolgd was, scheen het leven haar
-vandaag zoo leeg en troosteloos. Zij had geweigerd om met haar tante en
-Corry naar de wedrennen bij Clingendaal te gaan. Een afleidinkje meer
-of minder kon haar onvoldaanheid immers toch niet genezen? en het zien
-halfdoodjagen van arme mooie paarden leek haar ook zoo’n barbaarsch
-amusement en de menschen die ze er ontmoet zou hebben, verveelden haar
-al, als ze er maar aan dacht.
-
-„Hilda, mag ik even binnenkomen?” zeide Eugénie om het hoekje van de
-deur, maar Hilda hoorde niet en bleef roerloos aan het raam geleund.
-
-Toen kwam Eugénie zachtjes binnen. Zij was nog in haar nachtjapon en
-het verkreukelde slappe linnen hing in slordige plooien om de magere
-leden. Zij zag oud en doodelijk bleek, de oogen droevig dof in de
-gezwollen roode randen, een beeld van te vroeg gestorven jeugd.
-
-Bij de gespannen verhouding, die nu sinds Bernard’s komst tusschen haar
-en Hilda geheerscht had, was zij in lang niet in deze kamer geweest;
-met een verlegen zenuwlachje bleef zij midden in staan, even kuchend om
-Hilda’s aandacht te trekken, en toen deze zich plotseling omkeerde,
-wantrouwend met vragende oogen, lachte ze weer, de bovenlip optrekkend,
-de mondhoeken omlaag een akelig nerveuzen lach.
-
-„Hilda, ik wou je even komen vragen .... je hoeft me niets voor te
-jokken, want ik moet het nou toch gauw hooren, maar is het waar dat
-Cranz je gevraagd heeft?”
-
-Hilda kwam een stap nader; een stille blijdschap zwol op in haar hart.
-Dit was het oogenblik van weerwraak, dat voelde ze, voor al de
-hatelijkheden der laatste weken. En ze was blij, in eens, want ze wist
-dat ze edelmoedig zou zijn en er ligt verteedering en weelde in het
-edelmoedig zich voelen. Kleine zielen zijn scherp en genieten zich in
-leedvermaak in de ure van genoegdoening, maar Hilda zeide zacht:
-
-„Waarom zou ik jokken, Eus? Ja zeker, Cranz heeft me gevraagd, maar ik
-heb hem bedankt.”
-
-„Waarom?”
-
-„Dat weet je wel, omdat ik hem niet liefheb.”
-
-„Dat is geen reden.”
-
-„Voor mij wel!” Hilda zeide het in een ootmoedig gefluister, het
-schandegevoel van de vorige dagen schrijnde nog in haar ziel.
-
-Maar Eugénie, in een plotseling ineenzinken van al haar trots, wierp
-zich hartstochtelijk in haar armen.
-
-„O! Hildy vergeef me! ik had altijd gedacht .... kun je me vergeven?
-.... Ik ben ook zoo slecht! O! Je weet het niet! En ik ben zoo blij
-nou, O! God, Hilda, O! vergeef me maar! Ik zal nooit meer zoo akelig
-tegen je zijn! Maar ik ben zoo .... blij, misschien komt alles nou nog
-terecht ....”
-
-Hilda voelde het uitgeteerde lichaam in haar armen zenuwschokken, en ze
-zag neer op de gebogen snikkende gestalte en voelde zich akelig koud
-omdat ze niets wist te zeggen, omdat zij niet kon sympathiseeren met
-die droefheid en zij leed onder haar kou.
-
-Eindelijk onbeholpen, zich vreeselijk prozaisch vindend, omdat ze in
-dit oogenblik van verzoening niets beters vond, zeide ze zacht: „Toe
-Eus, ga je aankleeden, je zult kou vatten, alles is nou immers weer
-goed?”
-
-Maar Eugénie schudde het hoofd. „Nee, ga daar even zitten, ik moet met
-je praten.” En zij knielde neer naast Hilda en zachtjes in een eentonig
-gefluister begon ze te vertellen van haar wanhoop en hoe ze altijd op
-dit huwelijk met Cranz gerekend had, hoe het eigenlijk al door de
-families was afgesproken toen zij nog kinderen waren, hoe men haar
-altijd met hem geplaagd had, tot haar verbeelding geheel met hem
-vervuld was geworden, hoe ze altijd was blijven hopen, ook toen zij
-ouder werden, en Bernard zich maar steeds niet declareerde, hoe ze
-geleden had onder de vernedering van dit wachten, hoe ze toen Hilda had
-gehaat, meenend dat zij hem tot zich wilde trekken, en eindelijk hoe
-haar leven was geworden één foltering van jalouzie en van tobben,
-tobben, tobben over de toekomst die ze voor zich zag, hopeloos dor en
-eenzaam.
-
-„En als ik dan den heelen nacht gehuild had met allerlei akelige
-droomen er tusschen in, en den volgenden morgen dol van de hoofdpijn
-was, kwam de dokter en zei: „Niets dan zenuwen freule, mevrouw u moet
-de freule maar veel afleiding geven.” Veel afleiding! Alsof afleiding
-nog mogelijk is in een leven waarvan de eenige bezigheid juist is
-afleiding zoeken! Weet je Hilda, ik heb er den laatsten tijd dikwijls
-aan gedacht hoe onrechtvaardig het is, dat wij meisjes, als we verdriet
-hebben, zoo weinig kunnen doen om ons zelf te vergeten als we geen
-afleiding meer kunnen vinden in toilet en handwerkjes en uitgaan.”
-
-„Ja!” zeide Hilda bitter, „het lijkt zoo veel poëtischer en
-„vrouwelijker” om te zitten treuren op ’n chaise longue in ’n elegant
-boudoir dan om werk te zoeken in de groote maatschappij, maar dat zou
-wèl zoo goed voor ons zijn!”
-
-„Werk?” vroeg Eugénie met haar cynischen zenuwlach, „wat zouden wij
-kunnen doen? We zijn immers nergens toe in staat of het moest zijn
-zoo’n beetje philantropie, maar ik hou niet van vieze menschen! O! het
-heerlijkste zou maar wezen om zoo als Corry en Valérie en Betty te
-zijn, die nemen het leven zoo als het komt, die kennen geen getob en
-onvoldaanheid ....”
-
-„Maar dat is juist het ergste! die kennen geen onvoldaanheid, maar
-daarom zullen zij ook nooit zoeken naar iets hoogers!”—een plotseling
-enthousiasme klonk in Hilda’s stem—„naar een doel, naar iets enfin, dat
-het leven waard maakt om geleefd te worden ....”
-
-Eugénie lachte weer haar bitter, ongeloovig, lachje. „Wat voor doel
-meen je eigenlijk?”
-
-En toen Hilda, diep in gedachten, niet antwoordde, vroeg ze na een
-lange poos: „Hildy, zeg es eerlijk, geloof je dat er nog hoop voor me
-is dat Bernard nog ....”
-
-Hilda stond op, gejaagd. Nog onder den indruk van haar zwakheid, „haar
-val”, van den vorigen avond had ze geduldig met veel belangstelling
-naar Eugénie’s lange confessie geluisterd. Het had haar telkens
-getroffen, hoe zij beiden, op verschillende wijzen waren
-gedemoraliseerd geworden door haar doellooze leven, met niets dan een
-huwelijk tot uitkomst. Vol medelijden had zij toen plotseling begrepen
-hoe Eugénie’s bestaan er geheel door verwoest was; daardoor alleen!
-Want dat zij waarlijk Bernard liefhad, Hilda had het nooit geloofd en
-ze wist nu zeker van neen. Niet een ongelukkige liefde had het arme
-schepseltje gebroken, ofschoon zij het zich zelf nu wel inbeeldde. Wat
-zij zoo bitter betreurde was het huwelijk, de goede positie, de
-negatieve satisfactie om niet ongetrouwd te blijven, vooral het lang
-verbeidde, beloofde land, waarop heel haar opvoeding was gericht
-geweest. De man, hoewel hij haar sympathiek kon zijn, kwam daarbij toch
-in de tweede plaats.
-
-Hilda had groot medelijden gevoeld, maar nu, dit hardnekkig, onzinnig
-blijven hopen niettegenstaande zij wist dat hij eene andere liefhad,
-plotseling prikkelde het haar tot drift.
-
-Een paar maal ging ze de kamer op en neer, zoekend naar zachte woorden,
-maar in eens bleef ze voor haar staan en eigenlijk vóór ze het zelf
-wist, had ze het gezegd, koud, verpletterend: „neen!”
-
-Eugénie kromp in een, heel even, maar ze huilde niet, zooals Hilda
-verwacht had, en ze bleef zitten op den grond waar ze straks bij Hilda
-geknield had en staarde lang voor zich uit, heel bleek, met moeë oogen
-en ging toen eindelijk zachtjes en zwijgend de kamer uit.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Hilda was te kort geleden haar eigen worstelperiode ingetreden om zich
-lang te verdiepen in Eugénie’s klagelijken toestand, maar toch voelde
-ze er de terugwerking van en het maakte haar lusteloosheid nog grooter.
-
-Vreeselijk terneer gedrukt zette ze zich op den rand van haar bed en
-een lange rij van vage mistroostige gedachten begon zich te ontspinnen,
-van onduidelijke plannen om naar vrienden in Amerika te gaan, of om
-diacones te worden, ofschoon ze voelde dat ze er de ware roeping voor
-miste, allerlei phantastische plannen, die ze eén voor eén zuchtend
-verwierp, tot ze eindelijk ziek was van verveling en weltschmertz.
-
-Toen kwam Corona; met haar lichten vrouwenstap was ze onhoorbaar de
-trap opgekomen en op eens stond ze voor haar, de kamer vullend met een
-atmosfeer van moreele kracht en goedheid, die vreemd verkwikkend op
-Hilda inwerkte na haar week gepeins.
-
-„Wel klein meisje, wat zit je daar? Verzen aan ’t maken of aan ’t
-treuren over de zonden der menschheid? Schaam je je niet ’n klein
-beetje, op een dag dat de zon zoo mooi schijnt en dat er zooveel goeds
-in de wereld te doen is?”
-
-Hilda stond op en trachtte vroolijk te zien, maar op eens, juist toen
-ze zich voelde lachen, kwam er een droefheid over haar, die ze niet
-meester was. Zij sloeg beide armen om Corona’s hals en bleef even tegen
-haar aanliggen, terwijl een paar groote tranen langzaam opwelden en
-toen zwaar neervielen als eerste groote druppels van een onweersbui.
-
-„Wat is er kindje, verdriet?”
-
-„Nee Corona, eigenlijk niet; ik geloof dat ik maar ’n beetje uit m’n
-humeur ben.”
-
-„Dat bestaat niet, Hildy. Dat is ’n woord zonder zin. Als je je naar
-voelt is er òf een physieke reden, en dan zal ik als doktores met je
-spreken, òf een moreele reden en die moeten we dan zien weg te ruimen.
-Wat is het, denk je?”
-
-Hilda zuchtte. „Het is moreel, denk ik,” zeide ze aarzelend. „Het is
-omdat ik wee ben van me zelf en m’n tegenwoordig leven. Ik word er
-slecht en zwak door; ik weet zeker dat mijn vader, als ie zien kon hoe
-ik nou leef, meer als ’n kapel eigenlijk dan als een mensch, diep
-bedroefd zou zijn. Hij heeft me zoo heel anders opgevoed, en ik heb het
-altijd in me gevoeld het verlangen, om mijn leven te gebruiken, om er
-iets moois van te maken, en ik weet niet hoe ik dat hier bereiken kan.”
-
-„Is dat alles?” zeide Corona.
-
-Hilda knikte, en ging voort, blij in woorden te kunnen brengen wat ze
-al zoo lang gevoeld had en sinds eergisterenavond in bange klaarheid
-had begrepen.
-
-„Ik walg van me zelf en van al de anderen. Kun je me niet helpen, om
-hier weg te komen? Al de meisjes haast, die ik ken, zijn òf zenuwziek
-van verveling en teleurstelling en onbevredigde verlangens, òf ze
-hebben geen vermoeden zelfs hoe leeg en armzalig, eigenlijk onwaardig
-haar leven is. Het maakt me wanhopend, Corona, dat alles bij te wonen
-en mee te maken. Ik ben nu twee en twintig, mij dunkt dat het
-kinderleven nou uit moet zijn. Ik wil nu een vrouw zijn, Corona, een
-mensch, een willend, levend, werkend mensch. Kun je me niet helpen?”
-
-Hijgend, in volle jonge opwinding, terwijl het bloed in donkeren gloed
-langs haar slapen opbruischte, stond ze voor Corona, die met een blijen
-lach geluisterd had. Elk van Hilda’s woorden had een vreugdetrilling in
-haar hart gewekt.
-
-„Ja zeker wil ik je helpen. Ik wachtte al lang dat je het me vragen
-zou.”
-
-„Hoe meen je dat?”
-
-Corona nam haar handje en streelde het. „Dacht je dat ik niet dadelijk
-begrepen had dat jij je tenminste niet rustig zoudt neerleggen en vrede
-vinden bij het gewone meisjesbestaan? Ik heb het dadelijk gevoeld, toen
-ik je zag, maar ik moest wachten tot je uit je eigen ontwaakte. O! de
-maatschappij is zoo arm, zoo slecht, zoo leelijk! Ze heeft zoo hoog
-noodig menschen die zich met volle liefde aan haar wijden, op welke
-manier dan ook, en ik heb altijd gehoopt en geloofd dat jij tot het
-kleine leger zoudt willen behooren van hen die hun hartebloed geven om
-de wereld ’n klein beetje mooier en beter te maken. Is het niet zoo?”
-
-Hilda beefde van opwinding, Corona’s blijde emotie ging in eens in haar
-over en opgezweept door jong genereus enthousiasme, was het haar of er
-plotseling een stroom van kracht door haar heen ging.
-
-„Wat moet ik doen?” zeide ze fluisterend.
-
-Corona dacht even na. „Morgen is het Zondag. Dan maak ik altijd zoo min
-mogelijk rijke visites en ga alleen enkele armen bezoeken, die me
-speciaal interesseeren. Als het je ernst is om het eigenlijke leven te
-beginnen ga dan met me mee. Je zult veel groote ellende zien, het lijkt
-haast wreed om je zoo in direkte aanraking met het wezenlijke leed te
-brengen, maar de waarheid leeren zien is toch het eerste wat we doen
-moeten als we willen helpen. Wat geeft het of we in vage theorieën en
-melancholieke droomerijen medelijden voelen en zuchten om verbetering,
-als we de menschen en de toestanden niet eerst zelf hebben gezien?”—Zij
-stond op—„Wil je komen, morgen om tien uur?”
-
-„Ik zal komen,” zeide Hilda bijna plechtig, maar toen, in eens, in
-kinderlijke onstuimigheid, pakte ze Corona beet en omhelsde haar.
-„Zeker zal ik komen!” en zij glimlachte, maar in haar oogen was reeds
-iets van den mysterieuzen ernst van een nieuwe toekomst.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Corona stapte haastig in haar coupétje, bang zich door het gesprek met
-Hilda wat verlaat te hebben; ze wist dat verscheiden patiënten thuis
-nog op haar wachtten.
-
-Edward stond voor het salonraam met zijn vriend Stephaan van Brehnen en
-zij zagen haar gaan.
-
-„’n Mooie vrouw toch, die juf-doctores,” zeide Stephaan, tevergeefs
-trachtend zijn bewondering weg te huichelen onder den spottenden vorm.
-
-Edward knikte en wond langzaam, met onbeschrijfelijk fatuiteit zijn
-mooien rossen knevel omhoog. „Ja, gek, dat ze nog geen man heeft kunnen
-vinden, maar niemand schijnt er aan te durven. ’t Is tegenwoordig niet
-makkelijk voor meisjes om beet te krijgen!”
-
-Beiden lachten den naïef hoovaardigen lach van heel jonge ijdelheid.
-Het is zoo streelend zich het doel van alle meisjesdroomen te voelen en
-toch vast van plan te zijn om „er niet in te loopen.”
-
-„Zeg jij maar niks, kereltje,” plaagde van Brehnen, „jij zult gauw
-genoeg ingepalmd zijn door Betty de Mureaux’s lieve blikjes.”
-
-Maar Edward schudde heftig het hoofd en fluisterde zijn vriend iets in
-het oor, waarop zij beiden schaterlachend de kamer inliepen.
-
-En terwijl reed Corona naar huis, het hoofd duizelend vol gedachten. De
-komst van het onbekende kindje, het kindje van Frank, Hilda’s ontwaken
-en de geheime hoop die zij daarop bouwde, Marietje Roerade en haar arme
-kleine baby, en haar eigen groote levensproblemen, pijnlijk dwarrelde
-het dooreen in haar moeë hoofd. Een oogenblik hield zij de handen voor
-de oogen, worstelend om kracht. O! God hoe zwaar was het leven! Maar
-thuis, onder de lange rij patiënten, die zij dien middag ontving, was
-er geen die den storm achter het reine voorhoofd bemerkte. Zoo gaan
-vele vrouwen daarhenen met kalmen glimlach en rustige trekken en de
-wereld, die spottend vraagt waarom zij niet getrouwd zijn, heeft zelfs
-geen vermoeden van den geweldigen strijd die daar plaats heeft gehad in
-de harten dier stil voorbijgaande figuren.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-„Ben je klaar om de reis te aanvaarden, Hildy?”
-
-Hilda knikte, een beetje zenuwachtig, en zwijgend reden zij weg van
-Corona’s huis naar de Prinsegracht, waar zij haar visites zouden
-beginnen.
-
-Het was een rij bitter treurige bezoeken.
-
-Eerst in de Lage Nieuwstraat, bij kleine scrofuleuze kindertjes met
-akelig schitterende oogen en blauwbleeke gezichtjes en opgezwollen
-neusjes en opgezette lichaampjes, gedragen door heel magere beentjes.
-Toen bij een vader, die wegstierf aan de tering en wist dat hij zijn
-vrouw en zes kinderen onverzorgd zou achter laten! Onverzorgd! hij wist
-dat het zeggen wilde voor hen: overgeleverd aan honger, kou, misschien
-wel aan schande! en hij had niet voor hen kunnen sparen. Hij had immers
-maar acht gulden in de week verdiend, daar kon niet van gespaard
-worden! En hij was radeloos, in bitteren opstand en wanhoop, en hij
-vertelde van een deftige dame die bij hem gekomen was en hem aangemaand
-had tot berusting en hem scherp had verweten dat het volk tegenwoordig
-zoo ontevreden was en ondankbaar voor het vele dat voor hem gedaan
-werd, maar hij had haar uitgelachen, zeide hij, in haar gezicht:
-„Millioenen menschen gingen door armoe te gronde, en wie kon hem op
-zijn stervensbed, in de worgende angsten van zijn ziekte, de
-verzekering geven dat zijn vrouw, die hij lief had en zijn zes kinderen
-niet onder die millioenen zouden zijn? ’t was afgrijselijke ironie om
-berusting van hem te vergen!”
-
-Toen bij een oud vrouwtje, dat haar been had gebroken en bang was om te
-sterven, zij aan wie het leven niets meer te geven had, dan wat pijn en
-gebrek en die toch onwillig was om heen te gaan, en daarop bij een
-vrouw wier kindje juist dien nacht gestorven was, maar zij had er
-achttien gehad en tien waren er al dood, en dit elfde verlies scheen
-haar niet meer te treffen. Zij was te uitgeput om nog sterk te kunnen
-voelen voor wat het ook was, en haar moede, emotielooze wijze om over
-het doode kindje te spreken, was treuriger dan tranen.
-
-Het was een smartelijke rij bezoeken.
-
-„En waar gaan we nou naar toe?” vroeg Hilda even huiverend onder de
-tweevoudige aandoening van vrees om nog meer ellende te moeten bijwonen
-en koortsig verlangen om toch dieper door te dringen in ’t ontzaglijke
-drama van het volksleven.
-
-Corona zag heel ernstig. „Nou gaan we naar ’n geheime plaats, en je
-moet me beloven dat je er nooit tegen iemand een woord van zeggen zult.
-Wil je?”
-
-„Wat bedoel je?” vroeg Hilda bijna angstig. Het geen zij gezien had was
-al zoo overstelpend geweest, dat zij achter Corona’s geheimzinnige
-woorden onwillekeurig vreemde, ontzettende dingen zocht.
-
-„Het is ’n groot geheim, en vóór ik je binnen laat, moet je me heusch
-volkomen stilzwijgen beloven, want als iemand het hoorde, die er
-misbruik van wou maken tegen mij, zou ik met gevangenisstraf kunnen
-worden bedreigd.”
-
-„Ik beloof het je, ik zal er met niemand over spreken.”
-
-Corona glimlachte. „Als men iets tegen de wet doet, moet men zelfs met
-z’n vrienden voorzichtig zijn, niet waar?”
-
-Zij waren nu in de Willemstraat en het koetsje hield stil voor een
-eenvoudig gesloten huis. Op het naambordje op de deur stond: Wedwe
-Steunenberg. Hilda zag er naar en het gaf haar een soort rust: er
-woonde tenminste niemand die zijn naam verbergen moest. Corona was met
-den huissleutel binnen gegaan; zij scheen volkomen thuis en liep
-rechtdoor naar achteren.
-
-Maar als Hilda, in een bewust spel der verbeelding zich deze
-achterkamer had voorgesteld als een tooneel van gruwelen, des te
-vreedzamer moest haar toeschijnen hetgeen ze er zag.
-
-Het was een groote lichte tuinkamer, de zon scheen met witte
-schittering vlak door de wijdgeopende deuren, en gleed met dartele
-lichtlonkjes over de artistiek mooie prenten aan den muur, over de
-bloemen op tafel, en over twee groote witte kussens op den grond
-waartusschen een kleine baby speelde.
-
-In een hoek stonden naast elkaar twee rustbedjes, op het eene lag een
-meisje van ongeveer zeventien jaren, op het andere een klein bleek
-ventje van zes.
-
-Corona ging naar het kleine kind op den grond, en nam het op haar arm.
-
-„Wel Suusje, m’n poppetje, ben je heusch blij dat ik kom?”
-
-Het kind lachte even, alleen het mondje vertrekkend, de oogen schuw
-vragend op Hilda gericht. Het was bijna vier jaar, maar zoo klein en
-teer dat men het nauwelijks twee zou gegeven hebben. Met groote bange
-oogen had het omgekeken bij ’t opengaan van de deur, een blik van
-angst, heel treurig in oogjes nog pas zoo kort geleden geopend, maar
-bij het herkennen van Corona had het lachend de handjes uitgestrekt.
-
-„En hoe gaat het met Jaap en met Liesbeth? Ik denk dat ze wel gauw
-beter zullen zijn, als ze zoo zoet en geduldig blijven liggen.”
-
-Corona ging naar hen toe en kuste hen beiden, het kleine Suusje op den
-arm, en Hilda, die nog aarzelend bij de deur stond, zag het groepje aan
-en vond het heel mooi om Corona zoo te zien; er was iets roerends in
-die trotsche slanke vrouw met haar streng profiel en donker type van
-Spaansche madonna in teeder erbarmen met een kindje.
-
-„Maar, als ik beter ben, hoef ik dan heusch de straat niet meer op?”
-zeide kleine Jaap. Het was een vraag die hij dikwijls deed, soms zeurde
-hij haar drie, vier maal achter elkaar, soms maakte hij er een
-spelletje van en vroeg het telkens op een andere manier, altijd weer
-verlangend het heerlijke antwoord te hooren.
-
-„Nee, zeker niet, ventje, heusch niet! Als ie beter is gaat ie heel ver
-hier vandaan, buiten, bij ’n lieve boerin, waar allemaal koeien en
-schapen zijn.”
-
-„Maar denkt u, dat m’n beentje weer zal aangroeien?”
-
-„Dat geloof ik niet, mijn jongen, maar dat is niets, we zullen je ’n
-mooi houten beentje geven en je zult es zien hoe flink je daar weer mee
-loopen zult! Maar waar is tante Ida?”
-
-„Hiernaast,” zeide Liesbeth, „in de badkamer.”
-
-En Corona, met Suusje nog altijd in de armen, ging naar het vertrek
-daarnaast en Hilda hoorde haar zeggen:
-
-„Goeie morgen, tante Ida, hoe gaat het?”
-
-„Guns, dokter, ik had u niet hooren komen .... hoe hebt u de kinderen
-gevonden?”
-
-„We zullen ze es goed bekijken, maar me dunkt dat alles goed gaat.
-Suusje begint me bepaald te kennen. Ze schrok nog wel even bij ’t
-opengaan van de deur, maar toen lachte ze toch dadelijk, niet waar
-kleine dot? Maar tante, laat me je eerst even ’n vriendin van me
-voorstellen, hier naast ....”
-
-„Hebt u iemand meegebracht? Durfde u dat te wagen? Eén onvoorzichtig
-woord kan ons alles kosten ....”
-
-„Nee, je kunt haar gerust vertrouwen.”
-
-En daarop zag Hilda een tenger vrouwtje naar zich toe komen in een glad
-zwart kleedje, een lief bleek gezicht, niet jong meer, met veel
-vermoeide trekjes en grijzend haar, maar iets jong dwepends in de
-lichte oogen en veel zachtheid om den mond.
-
-„Dit is tante Ida,” zeide Corona, na het officieel noemen der namen:
-„freule van Suylenburg, juffrouw Steunenberg, mijn medeplichtige bij
-onze groote misdaad.”
-
-„Wat voor ’n misdaad dan toch! Het ziet er hier toch niet uit als ’n
-roovershol,” lachte Hilda, nu volkomen gerust.
-
-„En toch is het dat, in de volle beteekenis van het woord! Maar kom
-mee, hier in de badkamer, daar kunnen we rustiger spreken.”—En toen de
-deur gesloten was:—„Het is niet goed dat de grootere kinderen dat
-allemaal hooren, maar tante Ida en ik zijn heusche roovers, niet waar
-tante? Want al deze drie kinderen zijn gestolen en men zou ons kunnen
-vervolgen, en het ergste van alles, ons de kinderen afnemen, als iemand
-iets wist en ons verraadde.”
-
-„Ja zeker!” zeide juffrouw Steunenberg. „Ik durf zelfs geen meid hoûen.
-Niemand mag iets van deze kinderen weten.”
-
-„Waarom dan toch? Ik begrijp het niet, toe Corona, vertel het me nou
-gauw.”
-
-En terwijl zij handig het kindje begon uit te kleeden, om straks het
-kleine ziekelijke lichaam te kunnen onderzoeken, vertelde Corona het
-verhaal van haar kinderroof.
-
-„Op een nacht in ’t laatst van Februari, toen het zoo lang achtereen
-gesneeuwd had en het zoo glad was, was zij teruggekeerd van een zieke
-op den Denneweg, bij wie zij in groote haast was geroepen. Zij had niet
-eens den tijd gehad om om haar koetsje te telefoneeren. Maar op het
-Voorhout, vlak bij huis, had ze in eens zachtjes hooren kreunen, alsof
-er een ziek dier lag te klagen, en bij een van de boomen, had zij,
-donker, tegen de witte sneeuw, een klein hoopje zien liggen. Ze was er
-heen gegaan, meenend dat het misschien een mishandelde hond was, want
-ze had niet, als zoovelen, haar medelijden in twee aparte vakjes
-verdeeld, één voor menschen, en een ander voor dieren. Voor haar had al
-wat lijdend was aanspraak op erbarmen. Maar toen ze bij het hoopje was
-gekomen, had ze er geen hond, maar Jaapje gevonden, het kleine
-jongetje, dat nu binnen lag, met zijn afgezet beentje.
-
-Slaperig, bevangen door de koû, had ie half bewusteloos liggen kreunen,
-maar toen ze geprobeerd had om hem op te richten, had ie het van pijn
-uitgeschreeuwd.
-
-„Wat doe je hier, ventje?” had ze gezegd.
-
-„Ik heb m’n been gebroken, juffrouw, ik kan niet opstaan.”
-
-„Hoe komt dat?”
-
-„Ik wou hard over ’t Voorhout loopen, naar ’n paar heeren toe, die ik
-daar ginds uit dat huis zag komen, om hun ’n doosje lucifers te
-verkoopen, maar het was zoo glad en toen ben ik gevallen.”
-
-„En hoe lang lig je hier?”
-
-„Ik weet het niet, juffrouw, maar toen ik gevallen ben, juffrouw, had
-’t net tien uur geslagen.”
-
-Een uur had het kind daar gelegen, met zijn gebroken beentje, en het
-ergste was dat ’n stuk glas, dat half onder de sneeuw had bedolven
-gelegen, door den val diep in zijn vleesch was gedrongen.
-
-Voorzichtig had Corona hem opgenomen en in haar huis gedragen, en toen,
-rillend van de koorts had hij haar zijn smartelijk kinderverhaal
-gedaan. Zijn ouders dronken allebeiden en ’s avonds, als hij en de drie
-andere kinderen thuis kwamen en niet de opgegeven som bedelcenten mee
-brachten, kregen zij geen eten en harde slagen. Op zijn arm lichaampje
-zag Corona er nog de sporen van. De andere kinderen hoefden maar
-vijftig centen thuis te brengen, maar hij had zulke mooie blonde
-krulletjes en zag zoo heel bleek en tenger en daarom kon ie altijd meer
-ophalen en mocht niet thuis komen vóór ie vijftien stuivers bijeen had.
-
-O! de wreedheid dier zoogenaamd goedige menschen, die geven aan arme
-bedelkinderen op straat! Alsof niet de ouders hun schandelijke
-kinderexploitatie zouden staken, als zij zagen dat niemand ooit iets
-meer gaf! Alsof niet die z.g. goedhartigen, in onvergefelijke
-onnadenkendheid, door hun giften, de luie of dronken ouders telkens op
-nieuw aanmoedigden tot het uitzenden van hun kinderen om geld op te
-halen, dat zij zelve niet willen verdienen? En zulke goedigen, in domme
-zelfvoldaanheid, meenen dan nog kindervrienden te zijn!
-
-Maar Corona, terwijl ze de wond uitwiesch en het beentje voorloopig
-verbond, had zich angstig afgevraagd wat ze met Jaapje doen moest.
-Morgen zou ze hem naar het gasthuis kunnen laten brengen, en daar zou
-hij goed verpleegd worden, maar als hij dan genezen was, zou hij terug
-gaan naar zijn ouders en hetzelfde leven zou weer voor hem beginnen,
-tot hij zou ondergaan van ellende of opgroeien tot een deugniet als
-zijn vader.
-
-Maar dat mocht immers niet?
-
-Toen had ze hem voorzichtig in een deken gewikkeld, haar rijtuig
-besteld en midden in den nacht hem naar tante Ida gebracht, waar ze al
-meer zulke patiëntjes gehad had.
-
-„Niemand weet nou natuurlijk waar ie is!” zeide Corona, „niemand heeft
-het flauwste vermoeden dat ik hem heb, en als ie nou genoeg hersteld
-is, zend ik hem heimelijk naar buiten, bij goeie menschen, die ik ken,
-en daar kan ie dan de eerste jaren ’n beetje bijkomen, want ’t arme
-kereltje heeft in z’n zes levensjaren haast niets dan ellende gekend.”
-
-„Hoe heerlijk, Cora, dat je hem zoo kunt redden! Verrukkelijk! Maar
-waarom mag dat nou niemand weten?”
-
-Corona zag haar aan, de grijze oogen vol ingehouden passie:
-
-„Moreel is het natuurlijk goed wat ik doe! maar wettelijk ben ik
-strafbaar. Wet en zedelijkheid staan dikwijls bitter tegenover elkaar!
-Niemand mag een kind aan de macht van zijn ouders onttrekken! ook al
-zijn die ouders gezakt tot het laagste peil! Niemand kan ’n hulpeloos
-kindje redden, dan zooals ik, door geheime list. En weet je hoe dat
-komt? De mannen die aangesteld zijn om over de wetten van ons land te
-waken zitten ’s avonds warm in hun vroolijke kamers en spelen misschien
-met hun eigen lachende kinderen, zonder zich te bekommeren of daar ook
-kleinen langs de straat dolen, die niet naar huis durven gaan. En de
-vrouwen dier achtbare heeren, als zij haar eigen gelukkige kinderen in
-hun witte bedjes hebben goedennacht gekust, vinden het onvrouwelijk om
-over wetten te denken! Wat deert het haar of daarbuiten duizende
-kinderen zijn overgeleverd aan al de wreedheid van slechte ouders? O!
-zeker, als het toeval haar met zoo’n mishandeld kleintje in aanraking
-brengt, zullen ze er misschien heel goedig voor zijn, maar echt
-belangstellen in die wetten, die zulke toestanden gedoogen, er met alle
-kracht tegen ijveren, daarvan kan geen sprake bij haar zijn!”
-
-„Hoe jammer,” zeide Hilda, „dat ie z’n beentje heeft moeten verliezen!”
-
-„Ja! Het glas was zoo diep doorgedrongen, en de wond was zoo lang aan
-de lucht blootgesteld geweest met niets er over, dan ’n vuil lapje van
-z’n broek, dat ik haast dadelijk het beentje heb moeten afzetten. Het
-ventje is lang in groot gevaar geweest.”
-
-„En Suusje?”
-
-„En Suusje?” zeide Corona, „haar verhaaltje lijkt wel iets op dat van
-Jaap. Ze is het dochtertje van Rooie Leen, heb je nooit gehoord van dat
-beruchte mooie meisje? Ze is het kind van een heel akelige vrouw en van
-een onzer bekende kamerleden, z’n naam zal ik je maar niet zeggen. Ze
-had een slechten aanleg en ’n nog slechtere opvoeding. Op een avond,
-verleden maand, kwam ik langs het Huygenspark, en ik liep hard, want je
-begrijpt, het is niet prettig daar in donker alleen te loopen. Maar op
-een van de banken, zag ik een vrouw achterover leunen, half zittend,
-half liggend, met ’n kind op haar schoot, dat huilde. Ik zag het
-dadelijk, het was Rooie Leen, vreeselijk dronken, met haar kindje,
-waarmee ik haar den laatsten tijd dikwijls had zien bedelen.
-
-Een oogenblik had ik lust om maar gauw door te loopen, maar Suusje
-huilde zoo, en kindergehuil maakt me nou eenmaal altijd naar. En toen
-.... ik weet zelf eigenlijk niet hoe het idee bij me opkwam .... maar
-in eens .... pakte ik het kind in mijn armen, en sloeg er m’n mantel
-overheen en ging er mee weg. Niemand heeft me gezien en de moeder was
-te dronken om iets te merken, en zoo gauw als ik loopen kon bracht ik
-het hier in huis. Het is ’n gek gevoel, Hilda, om als een dief weg te
-loopen en ik weet best dat het heel onvoorzichtig van me is, heel
-overdreven, zooals de menschen het noemen, maar ik kon het niet laten!
-
-Het was net alsof er een andere wil dan de mijne in eens macht over
-mijn armen had gekregen en me dwong om het kind op te nemen; ’t was in
-eens ’n hartstocht om te redden, die zoo geweldig in me opbruischte dat
-alle verstandige bedenkingen, die gewoonlijk onze edelmoedige impulsies
-in bedwang hoûen, in eens verlamd waren: „wat ’n last haal je je zelf
-op den hals! je zult er nog es door in groote moeielijkheden komen! je
-kunt toch niet alle slachtoffers helpen! wat moet je later met al die
-kinderen aanvangen?” Al die wijze raadgevingen waren doodstil in eens,
-alsof ze zich neerbogen voor een hoogere wijsheid, die me dwong om mijn
-armen naar Suusje uit te strekken!
-
-O! zie je, en er zijn genoeg van die heel deftige, verstandige
-menschen, die natuurlijk zelf voor hun kinderen nooit honger of
-mishandeling te vreezen hebben, die het verkeerd van me zullen vinden
-en vol gewichtigheid zullen vertellen: dat, als je de kinderen
-wegneemt, je de ouders lichtzinnig maakt en hun hun
-verantwoordelijkheids- en plichtgevoel laat verliezen. Maar ouders, als
-die van Jaapje en Suus en Liesbeth en van hun duizende lotgenootjes,
-hebben immers getoond dat ze geen plichtgevoel meer kunnen verliezen,
-omdat zij nooit zoo iets bezeten hebben! Het is roerend die zorgen voor
-het verantwoordelijkheidsbesef van slechte ouders en daarbij het
-absoluut vergeten van de belangen van het kind! Alsof het er voor de
-maatschappij niet juist voornamelijk op aankomt om het kind te
-behouden, het jonge geslacht dat de toekomst is, en dat over enkele
-jaren, als de ouders lang dood zijn, zelf weer kleine kinderen zal te
-verzorgen hebben!”
-
-„Maar doen zulke menschen als Rooie Leen en Jaapje’s ouders geen moeite
-om hun kinderen terug te vinden?”
-
-„Ja zeker, maar gewoonlijk zijn ze huiverig om met de politie in
-aanraking te komen en zoeken dus maar zoo’n beetje op hun eigen manier,
-zonder de politie te waarschuwen. Dat maakt het voor mij erg makkelijk
-om de kinderen verborgen te hoûen. Alleen Rooie Leen heeft nog al veel
-drukte gemaakt, want Suusje hielp haar zoo goed bij ’t bedelen.”
-
-En het kleine meisje, dat nu naakt op haar schoot lag, naar Hilda heen
-houdend:
-
-„Zie je die litteekens op haar beentjes, en hier, op haar ruggetje die
-vlekken? Toen we haar hier uitkleedden begrepen we waarom ze bij haar
-moeder op de bank zoo erbarmelijk gehuild had en al maar door gehuild,
-toen ik haar zoo voorzichtig wegdroeg, den heelen weg over, en altijd
-maar huilde toen we haar te drinken wilden geven. Want haar beentjes
-waren open met diepe wonden, en op haar bloote rugje was ’n halve
-notendop gebonden, waarin een levende spin, die haar voortdurend stak.”
-[7]
-
-„O! mijn God! Corona!”
-
-„Och ja, freule, natuurlijk!” zeide tante Ida, „hoe meer het kindje
-schreeuwde, hoe meer de moeder kon ophalen. Ziet u, dat is alweer die
-.... gevloekte wreedheid van goedige menschen, die aan vrouwen met
-huilende kinderen op straat geven en niet ééne seconde bedenken wat ’n
-misdaad ze daardoor aanmoedigen!”
-
-„Ja, tante Ida,” riep Corona heftig, „maar het is ook de gevloekte
-wreedheid van onze wetgevers, die jaren lang vergaderen en praten,
-praten, praten, maar nog niets gedaan hebben om het hulpelooze kindje
-te onttrekken aan de macht van de laagste ellendigste menschen, als die
-toevallig hun ouders zijn. O! ik weet wel dat je die wetten op de
-ouderlijke macht historisch kunt verklaren, maar wat geeft het
-mishandelde kinderen, of die wetten uit het Romeinsche recht voortkomen
-of niet! Het is in alle gevallen ’n even groote schande dat ze nu nog
-bestaan, en je zoudt es zien, als de kamers uit vrouwen waren
-samengesteld geweest en zij hadden zulke toestanden niet weten te
-verbeteren, hoe er als uit één mond zou geroepen worden: „Zie je wel,
-de vrouw kan niets dan babbelen; voor de groote volksbelangen, die de
-toekomst raken, heeft ze geen oogen!” En men zou gelijk hebben, maar
-waarom roept niemand het dan nu tot de mannen van de wet?
-
-Met Liesbeth is het immers ook dezelfde kwestie! Haar moeder was ’n
-heel zedeloos meisje, ook al weer uit ’n dronkaardsgezin, en ’n vader
-had ze niet, dat wil zeggen, die vond het makkelijker om haar maar aan
-haar lot over te laten. Maar toen ze drie jaar was, vonden goeie
-menschen haar ’n lief kindje en met toestemming van de moeder werd ze
-weggezonden in ’n braaf flink gezin, waar ze uitstekend opgroeide. En
-al die jaren zag de moeder niet naar haar om, niets was ze voor haar
-kind, maar toch hield ze er volkomen het recht op. Ze leefde later met
-een man, ’n kroeghouder, die haar mishandelde en samen dronken ze en
-leidden ’n afgrijselijk leven. Toen hoorden zij op een dag dat Liesbeth
-’n mooi meisje was geworden en ze begrepen dat ze veel geld van haar
-konden maken en ze wilden haar weghalen van haar pleegouders. Maar deze
-verzetten er zich tegen en weigerden het kind af te staan. Toen haalden
-de ouders de politie en .... begrijp je? .... de politie zelf nam het
-kind, het hulpelooze onschuldige weg van de veilige liefde van haar
-vrienden en leverde haar over aan haar ouders!”
-
-„En toen?”
-
-„Natuurlijk, de ouders namen haar mee en vergden van haar wat ik niet
-noemen kan!”
-
-„En hoe heb je haar gered?”
-
-„Het is ’n dapper kind. Ze weigerde hardnekkig. Maar den vierden avond
-na haar thuiskomst, toen ze haar dwingen wilden, gelukte het haar, na
-’n worsteling met haar moeder, het huis uit te loopen en kwam ze naar
-me toegehold, want ik kende haar pleegouders in Haarlem wel. Toen heb
-ik haar ’s nachts bij tante Ida gebracht, maar die vier dagen
-opgesloten zijn in het achterkamertje van den kroeghouder in de
-ontzettendste spanning en angst, toen die worsteling met haar moeder,
-waarbij ze ’n paar leelijke stompen op de borst kreeg, en toen door ’n
-guren wind het rennen naar mij toe met weinig, en aan flarden
-gescheurde kleeren aan, dat alles heeft haar zoo vreeselijk
-aangegrepen, dat ik lang bang ben geweest dat het tering zou worden.”
-
-„Gaat het nou beter?”
-
-„Ik hoop het!” Corona stond op. „Ziezoo, Hildy, nou ken je m’n
-vreeselijk geheim! Maar ik weet dat ik op je rekenen kan! Zie je,
-kinderen verlaten, ze mishandelen, ze ’s nachts in bittere kou laten
-bedelen, ze dwingen tot rampzalige zonde, ze opvoeden tot een groot
-gevaar voor de gemeenschap, zie je, dat mag bij de wet, maar wat wij
-hier doen, tante Ida en ik, trachten ze te redden met opoffering van
-eigen geld en gemak, dat is strafbaar! Is het niet curieus? En ofschoon
-we door humane rechters nou misschien niet zoo heel zwaar gestraft
-zoûen worden bij ontdekking, men zou ons het ergste doen wat we vreezen
-kunnen, ons de kinderen afnemen en ze terugbrengen naar hun gruwelijke
-omgeving. Wat ’n logica in zulke toestanden, nietwaar? De grootste
-helft der gevangenissen is vol menschen die tegronde zijn gegaan omdat
-men ze in hun jeugd in de macht liet van ellendigen, en degenen die dit
-tegronde gaan trachten te voorkomen worden door de wet verlamd!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Corona had Jaapje en Liesbeth nog onderzocht en met tante Ida over de
-behandeling gesproken, toen, na veel afscheidshandjes en kusjes, waren
-ze weggereden en het koetsje hield nu stil in de Zorgvlietstraat voor
-één van die slopjes, die doodloopen en „Hofjes” genoemd worden in den
-Haag.
-
-Het was een van de allerkleinsten, aan elken kant maar vijf huizen,
-lage smerige huisjes, waarvan een paar zoo diep lagen, met hun vloeren
-beneden de oppervlakte van de straat, dat zij altijd vochtig waren en
-bij harde regenbuien zelfs onderliepen.
-
-In een dier huisjes zat ’n vrouw aan de tafel; haar ééne arm hing slap
-in den schoot, de andere, afgrijselijk mager, ondersteunde het hoofd
-dat voorover op de tafel lag.
-
-Bij ’t opengaan van de deur zag ze even op met haar fletse,
-bloedarmoedige oogen, een heel wit smal gezichtje, zoo mager dat, zoo
-als het licht nu viel, er zich scherpe lijnen teekenden van af de
-uitstekende jukbeenderen tot aan de kin, als was er ’n spookachtige
-langwerpige driehoek overheen getrokken. Het haar was witblond en
-krulde even om het smalle voorhoofd waarover dwars een bloedroode
-striem liep.
-
-Maar toen zij Corona herkend had, zonk het hoofd weer neer op den arm
-met een slappe, nameloos geknakte beweging.
-
-„Wel, vrouw Zwalve, wat scheelt er aan vandaag? Zie je niet dat ik es
-naar je kom kijken?” zeide Corona.
-
-Door de deur, die achter hen was blijven aanstaan kwam nu een klein
-meisje van omstreeks vier jaren zachtjes binnen gewaggeld. Een
-oogenblik zag ze onderzoekend verlegen naar de twee vreemde dames,
-peuterde met ’n vuil vingertje in haar neusje en trok toen de vrouw aan
-haar schort:
-
-„Moeder .... m’n boterham, geef me nou toch m’n boterham!”
-
-De vrouw sprong op met zenuwachtige kwaadaardigheid en Hilda zag nu dat
-ze in een vergevorderde periode van zwangerschap was. Zij greep het
-kind bij een armpje en schudde het zoo heftig dat het het uitschreeuwde
-van schrik.
-
-„Wat mot je nou weer hier? Alla der uit! Hê ’k je nie gezegd, dat je
-pas om twaalf uur om je boterham mocht komen? Pas op as je der weer
-inkomt!”
-
-Met ’n smak sloot ze de deur achter het kind, dat men in de straat
-hoorde voorthuilen, en zakte weer slap op haar stoel.
-
-„Maar vrouw Zwalve, de kleine dee niks. Ze vroeg maar om ’n boterham.
-Je moet niet zoo ruw tegen ze doen!”
-
-„Maar ik heb immers geen boterham voor der, en daarom stuur ik ze de
-straat op; als ze dan erg van den honger schreeuwt krijgt ze misschien
-wel ’n korst bij de buren; juffrouw de Berg van hiernaast is nogal gek
-op kinderen.”
-
-Hilda huiverde, het leek haar ontzettend tragisch dat het moederliefde
-was, die deze krampachtige hardheid had ingegeven. Dat was het beste
-dus, wat deze vrouw voor haar kindje van vier jaren doen kon: het
-schreiend „de straat op zenden.”
-
-„Maar hoe komt het dan nou, dat je geen brood in huis hebt? Ben je van
-de week niet uit werken kunnen gaan? Waarom heb je me dan geen
-boodschap gestuurd?”
-
-Iets in Corona’s hartelijke manieren scheen de moedelooze stugheid der
-vrouw te breken.
-
-„Ja, ik heb wèl de heele week uit werken geweest, en al de vorige weken
-ook, ofschoon ’t me erg zwaar begon te worden, vooral de dagen dat ik
-bij mevrouw Veren was, op dat bovenhuis, met al dat trappenklimmen!
-Maar ik heb net zoo gedaan als u gezegd heeft: elke week van de zes éen
-gulden in ’n doosje in de lâ weggelegd, voor de dagen dat ik moest gaan
-liggen, en ik had er nou elf bij elkaar en dacht dat het nou wel net
-gaan zou, maar jawel, hoor! ....”
-
-„Is ie terug gekomen?” zeide Corona ontroerd.
-
-De vrouw knikte.
-
-„’t Is net of ie ’t ruiken kan! Hij stond me al op te wachten aan de
-Veenka. Eerst nam ie me de gulden af, die ’k net gekregen had, en ’t
-hielp niks of ik al zee, dat ik die gulden aan den bakker beloofd had,
-omdat ik hem de heele week niet had kunnen afdoen. Natuurlijk, je heb
-eerst de huur, en Stiene der schoenen moesten noodig gelapt worden, en
-toen had ik den bakker maar tot Zaterdag laten oploopen. Hij zee niks,
-maar as ’n hond liep ie me na, tot aan huis. Toen meende ’k nog de deur
-voor z’n neus dicht te gooien en ’t slot om te draaien, maar ie had het
-zeker begrepen, want ie had dadelijk z’n voet tusschen de deur. En toen
-is ie me alles gaan nazoeken, want ie zee, nou ’k al zoo ver was, zou
-’k zeker wel wat van de menschen gekregen hebben en ie moest geld
-hebben.”
-
-„En heeft ie ’t gevonden?”
-
-„Natuurlijk. Hij was heelemaal nuchter, zeker in lang geen centen
-gehad, en ie zocht heel bedaard alles stukje voor stukje na. Maar ziet
-u, toen ie ’t doosje gevonden had en ik zag ’t in eens in z’n smerige
-handen, kon ik m’n eigen niet meer hoûen! Ik ben op hem aangevlogen en
-we hebben er als katten om gevochten. Maar, och God, als ik anders was
-geweest, zou ’k wel hebben geworsteld tot ie ’t los liet, maar nou,
-kijk es an, zoo als ik nou ben, met zoo’n lichaam, wat kun je doen? Hij
-heeft me tegen de kast gesmeten, kijk, u kunt het zien, ik ging net met
-m’n voorhoofd langs de punt en daar ben ik wel ’n kwartier blijven
-liggen. En daar zit ik nou, op alle dag, en geen cent in huis!”
-
-„Nou maar, vrouw Zwalve, je begrijpt toch wel, dat ik je niet zoo zal
-laten zitten; ik zal zien wat voor je bij elkaar te krijgen ...”
-
-„Och ja, dokter, u zult er me wel weer doorhelpen, dat geloof ik ook
-wel, en ik ben u ook wel dankbaar!” zeide ze met een poging om in haar
-slappe moedeloosheid niet onbeleefd te schijnen. „Maar zoo zal ’t nou
-immers telkens gaan? Dit is nou de derde keer, dat ie me laat zitten
-met die vijf schapen en dan kan ik er maanden lang voor opdraaien, en
-net begin je bij te komen en weer ’n beetje in de kleeren, of ie komt
-terug en neemt alles weg en mishandeld je of .... levert je zoo’n
-koopje ....”—Met een rampzalig gebaar wees zij op haar schoot.—„Kijk
-hij heeft gisteren ook weer alles meegenomen.”
-
-Zij stond op en haalde de lade van de kast open, die leeg was.
-
-„Kijk, de nieuwe luiers, die ’k net gekregen had, en de ponnetjes van
-mevrouw Veren, zulke beste ponnetjes nog, en .... m’n Zondagsche goed,
-dat ik uit de lommerd gehaald had, omdat ik dacht tegen het doopen
-....”
-
-In eens barstte ze uit in een kort tranenloos gesnik, en Hilda huiverde
-bij het tragisch ironische van dit oogenblik, van die vrouw die in
-matte kalmte haar smartelijk drama had verteld en het uitsnikte bij de
-gedachte aan haar weggehaalde japon. Maar juist die verdwenen
-Zondagsche kleeren hadden de maat doen overloopen; zij waren het
-symbool geweest van weer knap voor den dag te kunnen komen, van de
-stand en eer van haar gezin te kunnen ophouden (want het gevoel van
-stand bestaat op alle sporten van den maatschappelijken ladder), van
-zich weer eens te kunnen verheffen boven het absolute proletariaat, dat
-er nooit meer eens netjes uitziet.
-
-En heel deze illusie, die in haar donker eng werkleven een lichtpuntje
-was geweest, was nu weg voor goed. Want zij wist dat hij altijd terug
-zou komen, zoodra zij er weer even „boven op” zou zijn, en hoe zij ook
-werkte en zwoegde, hij zou haar altijd weer alles komen weghalen!”
-
-Corona nam een gulden uit haar beurs en legde dien op de tafel voor
-haar neer:
-
-„Ik zal zien wat ik voor je doen kan, vrouw Zwalve, maar laat Mijntje
-nou eerst maar wat brood halen.”
-
-De vrouw knikte en nam zwijgend den gulden met een gretige beweging van
-goed vasthouden. Toen waggelde ze naar de deur en schreeuwde om het
-kind dat dadelijk hongerig kwam aangehold.
-
-„Daar, ga nou maar gauw naar den bakker en vraag of ie zoo’n lang brood
-wil meegeven, en zeg dan meteen aan Dirkie en Klaas en Stine en Coosje,
-dat ze binnen kunnen komen, gauw loopen Mijntje!”
-
-Het kind rende weg, na een blik op Corona van vroegwijs begrijpen, die
-duidelijk zeide dat ze het verband had gezien tusschen Corona’s komst
-en den gulden. Toen keerde de vrouw naar haar stoel terug en log, met
-’n pijnlijke beweging zakte ze neer en veegde zich het zwaktezweet van
-het voorhoofd.
-
-„Dank u wel dokter, als ik u toch niet had, zou ’k niet weten wat te
-doen!” zeide ze met een lange moeë zucht, te afgetobd om zelfs bij de
-onverwachte gave blijdschap te voelen, en toen ging ze voort op haar
-toon van doffe lijdelijkheid:
-
-„Maar dat daar nou toch niks aan te doen is, dokter! Ik heb er ook al
-es met de menschen van hiernaast over gesproken, die man is agent en
-die vrouw der broer is ook bij de politie. Maar ze zeggen allemaal:
-voor de wet is m’n man heelemaal in z’n recht. Een man mag best zijn
-vrouw en zijn kinderen laten zitten, als ie maar van tijd tot tijd es
-terugkomt en hij mag al der geld, dat ze met sloven voor der kinderen
-heeft verdiend, opmaken in de kroeg en der kleeren van der lijf
-verkoopen, alles ziet u, want alles is zijn eigendom en de vrouw heeft
-nergens recht op. En ik heb nog es goed gevraagd, maar die agent van
-hier naast heeft me zelf gezegd dat als Zwalve morgen aan den dag wil
-komen, en m’n bed onder me weg halen, dan zou ie er niks aan kunnen
-doen, al stond ie er bij, want de wet vindt het goed. Kunt u dat nou
-begrijpen, juffrouw? Waarom ze zulke wetten hebben gemaakt? Ik zal
-volstrekt niet zeggen altijd, maar meestal zijn de vrouwen toch
-oppassender en ze drinken niet zoo dikwijls en zorgen beter voor der
-kinderen en waarom hebben ze dan niet eens recht op der eigen
-verdienste? Als ’t net omgekeerd was en de vrouw had ’t volle recht op
-het loon van den man, zou je het je nog kunnen begrijpen, in de meeste
-gezinnen zou dat nog gelukkig zijn! Maar noemt u ’t nou stelen of niet,
-als m’n man alles weg mag halen wat ik heb verdiend, om het te gaan
-verdrinken met dat sl... uit de Bloemstraat ...”
-
-Mat klagend had ze het uitgesproken. Van opstand of verontwaardiging
-was geen sprake bij deze moede vrouw. Met ’n soort geduldige
-verwondering, die gauw in moedeloosheid verging zag ze de wreedheid van
-het leven over zich komen.
-
-Corona nam afscheid met een belofte van hulp. Het klotsende
-klompengeluid van aanstormende voetjes onder het ingangspoortje van het
-slop, klonk hen al tegen bij de deur en vijf opgetogen gezichtjes
-omringden de vrouw op den drempel. Nog even zag Hilda om, maar de
-kinderen waren al naar binnen met het brood; alleen de vrouw stond nog
-groetknikkend aan de deur met haar misvormde figuur en het bleeke
-gezicht en de bloedroode schram op het voorhoofd.
-
-„En zoo zijn er zoo veel!” zeide Corona zacht. „Een leger van
-uitgeputte, mishandelde vrouwen, die door haar mannen verlaten zijn of
-erger nog, wier slovend verdiende geld door hen wordt verdronken en
-verdaan. Maar de wet, die zoogenaamd ieders eigendom beschermt, laat
-het rustig toe dat de getrouwde vrouw van het hare schandevol beroofd
-wordt! Hoe langer hoe meer komt het tegenwoordig voor dat de vrouw de
-kostwinster van het gezin is, maar de wet geeft haar geen recht op een
-enkele penning! En de stemmen van zulke vrouwen zijn dof en mat, Hildy,
-haar geklaag is te zwak om te worden gehoord! Maar daarom moeten wij
-het overnemen, lieveling, en het uitroepen met onze jonge krachtige
-stemmen: wat een onrecht en een wreedheid dit is, en welk een gevaar
-voor de maatschappij en een schande voor een volk dat zulke wetten
-duldt!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-„Nu nog ons laatste bezoek, heb je er moed toe?”
-
-Hilda knikte zwijgend, bang om te spreken, want ze wist dat ze in
-tranen zou uitbarsten als ze op dit oogenblik geluid moest geven.
-
-Te voet gingen zij nu de straat af tot aan een huisje, waarvan de
-keurig gestreken, sterk geblauwselde gordijntjes al in de verte
-zichtbaar waren.
-
-„Hier wonen de Roerades,” zeide Corona, „’t zijn zulke echt
-fatsoenlijke menschen; gelukkig maar dat mevrouw van Maeren, bij wie de
-man als koetsier dient, uit de stad is, want door ’t ongeluk van
-Marietje is ie heelemaal in de war, hoor ik.”
-
-De deur stond aan en zij gingen binnen in de voorkamer met de witte
-gordijntjes, waar Corona wist dat haar patiëntje lag.
-
-Het was een kleine kamer met dat deftige in de glanzend geboende
-meubelen, in het laag neergelaten valgordijn, in de symetrisch
-pronkende vaasjes op het kastje, dat terstond deed herkennen, dat
-niettegenstaande het talrijke gezin zich bekrompen genoeg in het huisje
-moest voelen, dit vertrekje gewoonlijk als mooie kamer werd beschouwd
-en gespaard. Op den grond voor den schoorsteen was in der haast een
-matras neergelegd, van boven uit de bedstee, en de vier jongens, die
-gewend waren daar samen op te slapen, hadden sinds het ongeluk op de
-planken gelegen, want Marietje was al sedert twee jaren het huis uit en
-haar bedje van vroeger diende nu voor de drie kleinste kinderen.
-
-„Hoe gaat het Marietje?” zeide Corona zich buigend tot het tengere
-kinderfiguurtje op den matras, dat zich bij haar binnenkomen langzaam
-had opgericht.
-
-Een kleine bleeke vrouw kwam haastig uit de andere kamer aangeloopen.
-Het was Marietje’s moeder.
-
-„Wilt u ’n beetje zacht spreken dokter? Joseph ligt hiernaast te
-slapen,” fluisterde zij en wendde angstig de rood ontstoken oogen naar
-de deur achter haar.
-
-„Dat zal ’m goed doen; hoe is het met hem?” vroeg Corona.
-
-„Och, dokter ....” Een oogenblik stond het vrouwtje met een
-zenuwbeweging, alsof ze haar handen moest afdroogen aan haar schort, en
-haar blikken gingen hulpsmeekend even van Corona naar Hilda, alsof ze
-steun wilde zoeken om kalm te blijven. Toen, plotseling, heel wit,
-wendde ze zich af en barstte uit, in een zacht, troosteloos snikken.
-
-„Wie is dat?” zeide Marietje, haar koortsige oogen op Hilda gevestigd
-vol achterdocht.
-
-„O! dat is maar iemand om me te helpen bij ’n paar zieken.”
-
-Corona antwoordde achteloos, maar Hilda was het alsof ze weg moest
-vluchten, alsof het leed hier te groot was om het als vreemde
-toeschouwster te mogen bijwonen.
-
-Intusschen was Corona neergeknield bij de zieke op den grond en had op
-haar eigen rustige manier haar doktersplichten vervuld, maar ze vond
-het meisje koortsig en maakte zich ongerust.
-
-„Je moet stil blijven liggen, Marietje, beloof je het me? Anders kan ik
-je niet gauw beter maken.”
-
-„Ik wou dat ik nooit beter werd!” zeide het kind, met gloeiende oogen
-onder de lange zwarte haren, die ongekamd in haar gezichtje neervielen.
-
-Corona boog zich tot haar over en de blik van hare klaar grijze oogen
-straalde neer in de ziel van het kind vol suggesties van teederheid en
-bescherming:
-
-„En wat zou er dan van je dochtertje worden? Het heeft immers niemand
-als jou om voor haar te zorgen?”
-
-„Waarom zorgt hij er niet voor? Hij is immers rijk genoeg! Het is
-afschuwelijk gemeen, hij heeft me zoo dikwijls, zoo stellig beloofd om
-te trouwen. Alleen veertien dagen geleden heeft ie eindelijk gezegd dat
-het nooit kon. Ik begrijp nog niet dat ik me toen niet verdronken heb!
-O! ziet u, als je denkt dat iemand vreeselijk veel van je houdt en je
-merkt in eens dat ie je doodbedaard in de grootste schande laat zitten,
-en ’t eigenlijk z’n koûe kleeren niet raakt of je voor goed naar den
-kelder gaat! dan zou je .... op alle menschen kunnen .... spugen!” Ze
-staarde norsch voor zich uit, in wilden opstand van haat en wanhoop.
-
-Corona nam het kleine menschelijke popje uit het mandje naast de
-matras, en schijnbaar zonder acht op Marietje’s woorden te slaan ging
-ze voort:
-
-„Kijk es, wat ’n snoezige handjes, heb je wel gezien hoe mooi die rose
-nageltjes zijn? Is het geen engeltje uit den hemel? En zou je niet
-alles willen doen, Marietje, om dit kindje ’n beetje gelukkig te maken!
-Ze zal toch al zooveel missen, en zooveel harder door de wereld
-behandeld worden dan anderen, maar jij kunt er ’n boel aan doen, en we
-zullen er samen voor zorgen, nietwaar?”
-
-En kennend de eigenaardige uitwerking op haast alle vrouwen van het
-contact van zoo’n week klein kinderlichaam, legde ze het wichtje
-zachtjes in Marietje’s armen.
-
-Een oogenblik bleef de jonge moeder onbewegelijk, Corona strak
-aanziende, uitdagend, het bleeke gezichtje vol passie, toen met een
-schor gekreun, opeens gebroken, wendde ze zich om naar den muur, haar
-kindje hartstochtelijk tegen zich aangeklemd, en Corona wist dat dit
-smartelijk afwenden een redding was.
-
-„Dokter is veel te goed voor haar!” fluisterde vrouw Roerade tegen
-Hilda. „Ze heeft nog heelemaal niet op haar gescholden, heelemaal nog
-niets dan vriendelijkheid en toch is ze zelf lang niet aan den lichten
-kant.”
-
-Corona had het gehoord en glimlachte droevig om de ruwe moraliteit
-dezer moeder, die zich blijkbaar moeielijk kon voorstellen dat
-zedelijkheid en zachtmoedigheid samen kunnen gaan:
-
-„Waarom zou ik op haar brommen, vrouw Roerade? Waarom zoûen we blijven
-stilstaan bij hetgeen voorbij is? Een heel leven ligt nu vóór haar om
-te toonen dat de zwakheid van haar zeventiende jaar veranderd is in
-sterkte en goedzijn. Nietwaar, Marietje? Nou ga je pas beginnen te
-leven en ga je de achting van je kindje terug verdienen, dat, als ze
-groot is, ze trotsch op je kan zijn. Je zult es zien, moeder, wat ’n
-flinke brave vrouw je Marietje worden zal! Maar hoe zal het kindje
-heeten? Heb je de geboorte al aangegeven?”
-
-Marietje kreunde en boog het hoofd, het verbergend in de kleertjes van
-het kind. De vrouw begon heftig te snikken.
-
-„Och dokter, u kunt toch niet gelooven, toch niet, wat ’n schande we
-daarmee beleefd hebben. Gisteren zeg ik tegen Joseph: je moet naar ’t
-stadhuis gaan, morgen is ’t Zondag, dan kun je er misschien niet
-terecht, en als je ’t zoo lang uitstelt, worden we nog beboet.—Ik kan
-niet, zegt ie, en ’t was waar, dokter, hij zat nog net als u hem
-Vrijdagavond hebt zien zitten, altijd maar op dien stoel bij de tafel,
-net alsof ie versuft was.—Dan zal ik het doen, zeg ik—want u begrijpt,
-dokter, in onze omstandigheden wil je de buren niet graag lastig
-vallen.—Dat zal niet gaan, vrouw, zegt ie, ze zullen je niet gelooven,
-omdat je ’n vrouw bent. Je mag niet getuigen.—Waarom niet? zeg ik. Ik
-was er immers zelf bij toen ’t kind geboren werd, en jij zat maar in de
-andere kamer. Ik kan het dus best getuigen, zeg ik.—Nee, zegt ie, voor
-de wet heeft het getuigenis van ’n vrouw geen waarde!—Maar ik wou hem
-niet gelooven, dokter, ik dacht dat z’n hoofd in de war was, en toen
-ben ik gauw met de tram weggegaan, want ik wou ze hier niet lang alleen
-laten, dat begrijpt u. Vlak bij ’t stadhuis dienen m’n twee zusters, en
-ik wist wel dat je twee getuigen mee moet brengen, dus zeg ik tegen ze,
-loop effe mee, ’t is ’t werk van ’n oogenblik!
-
-Maar toen we op het stadhuis kwamen,—O! dokter, je kunt niet gelooven
-hoe ’k beefde!—zag ik daar zoo’n mijnheer staan, zoo’n kleine dikke,
-met ’n bril, kent u hem niet? „Wat is er moedertje?” zegt ie.
-„Mijnheer,” zeg ik, „we komen aangeven, dat m’n dochter bevallen
-is.”—„Waarom is haar man niet meegekomen?” zegt ie.—„Die heeft ze
-niet,” zeg ik, maar ik dacht, dat ik door den grond zonk. Toen begon ie
-te lachen, en riep er zoo’n andere mijnheer bij, zoo’n donkere, en ze
-praatten even in ’n vreemde taal en lachten weer. „Dan moet je maar
-zeggen dat haar vrijer meekomt, maar die twee meisjes kunnen niet
-getuigen, vrouwtje.” „Waarom niet mijnheer,” zeg ik. „Dit bennen mijn
-eigen zusters, knappe meisjes, die bij mevrouw Driessens dienen, hier
-vlak bij, op ’t hoekje van de Nieuwstraat.” Maar wat denkt u dokter dat
-die vlegel toen zegt? die....” een paar scheldwoorden volgden, die
-Hilda nooit gehoord had en die vrouw Roerade misschien ook voor ’t
-eerst in haar leven gebruikte, want zij was één van die deftige
-burgervrouwtjes, die, vooral als zij met haar meerderen spreken, eerder
-geaffecteerde woorden zeggen, dan ruwe.—„Vrouwen kunnen niet getuigen!”
-zegt ie, „en je ziet maar weer aan je dochter, vrouwtje, dat het best
-is dat het niet kan, want dametjes, die tot zulke grapjes in staat
-zijn, kun je nooit gelooven!” Wezenlijk, dokter, dat zeid’ ie, en je
-had dat brutale gezicht moeten zien. „En dan de sm....p,” zeg ik tegen
-hem, „die m’n dochter heeft voorgelogen en in dien toestand heeft
-gebracht en haar nou met z’n eigen kind in de ellende laat zitten, kun
-je die dan wèl gelooven? Want die mag wel getuigen, omdat ie ’n man is,
-een mooie boel!” En toen ben ik hard weggeloopen, maar ’t maakt je toch
-van streek niet waar? En zou dat nou toch heusch waar zijn? dokter, dat
-de getuigenis van ’n vrouw minder geldig is, dan van den eersten den
-besten ellendeling van ’n man? Waarom zou dat nou toch zijn?”
-
-„Ja waarom?” zeide Corona. „Wie zal het zeggen? In onze wetboeken
-worden we immers telkens en telkens gelijk genoemd met kleine kinderen,
-krankzinnigen en misdadigers! Alleen in strafzaken mogen we getuigen.
-Daar kunnen ze ons natuurlijk niet bij missen, ofschoon daàr juist het
-getuigen dikwijls heel pijnlijk voor de vrouw kan zijn, en juist daàr
-soms een heele menschentoekomst kan afhangen van ons waarheidspreken.
-Het is ’n onzinnige tegenstrijdigheid, maar zoo zijn nou eenmaal onze
-wetten. En is toen Joseph gegaan?”
-
-De vrouw zag angstig naar de andere kamer.
-
-„Ja, maar onderweg naar huis is ie kennissen tegengekomen, en toen zijn
-ze naar de kroeg gegaan en ... hij is dronken thuis gekomen. O! dokter,
-’t is de eerste keer sinds we getrouwd zijn ...” Zachtjes snikkend
-wendde ze zich af, het gezicht in haar schort. „En toen gisterenavond,
-is ie weer uitgegaan nog maar half nuchter, want ie werd woedend toen
-ik ’m vroeg wat ie ging doen, en vannacht is ie thuis gekomen .... O!
-God.... heelemaal .... stomdronken!” En zij snikte het uit.
-
-„En hoe zal het kindje heeten?” vroeg Corona zich tot de jonge moeder
-buigend, die altijd nog lag afgewend.
-
-Marietje draaide zich ineens om en met heftige beslistheid perste het
-zich tusschen haar lippen uit: „Christine!”
-
-„Dat is ’n mooie naam! Heet ze naar je moeder?”
-
-In de oogen van het kind kwam een blik van vroegrijpe intelligentie en
-met een vreemd naïef pathos, dat Hilda tot in de ziel ontroerde, zeide
-ze:
-
-„Naar Christus! Nou haar vader haar heeft verlaten, heb ik haar genoemd
-naar hem, die gezegd heeft: Laat de kinderkens tot mij komen! en die
-tegen de mannen zei, dat ze maar es eerst aan hun eigen zonden moesten
-denken vóór ze de vrouw gingen steenigen!”
-
-Corona bukte zich diep en kuste haar:
-
-„Dat was goed van je bedacht! Marietje! Heb je dat zoo heelemaal alleen
-verzonnen?”
-
-Het kind knikte met een snik, die haar heele lichaam doorschokte.
-
-En Hilda, bij het raam, tuurde in de stoffige straat en vroeg zich af,
-door de woorden van het meisje in groote ontroering, waarom gevoelens
-van recht en liefde toch zoo langzaam zouden zijn in het doordringen.
-Negentien eeuwen geleden heeft Christus zijn liefde voor de kinderkens
-gepredikt, daarbij niet sprekend van wettige of onwettige, allen waren
-hem welkom en lief! en negentien eeuwen geleden leerde hij dat de vrouw
-niet gestraft zal worden voor dezelfde zonden, die men den man
-vergeeft, en nog altijd is de wereld wreed voor ’t kind dat door zijn
-vader verlaten werd, en nog altijd wordt de vrouw gesteenigd terwijl
-haar medeplichtige, de man, geëerd, met opgeheven hoofde rondgaat! Haar
-geheele leven zouden Marietje en haar kleine boeten voor deze zwakheid,
-dit te goed vertrouwen van haar zeventiende jaar! en de man die van
-deze zwakheid misbruik maakte, en haar toen aan de schande overleverde
-zou misschien eens de hoogste staatsambten bekleeden en het mooiste
-reinste meisje zou misschien eens trotsch zijn om zijn vrouw te worden!
-Wat was dat toch dat men in bloed en tranen twistte over dogma’s en
-geloofsartikelen en dat geen van de gemeenten, die zich naar Christus
-noemen, zijn eenvoudige liefdevoorschriften opvolgt?
-
-Maar op dit oogenblik hoorde men schorre, vuile geluiden in de
-achterkamer.
-
-„O! God! Hij is wakker!” zeide vrouw Roerade.
-
-Marietje had het hoofd weer afgewend en verborgen in de kleertjes van
-haar kind.
-
-De oude Joseph, ongeschoren, de grijzende haren in slordige plukjes
-overeind, verscheen in de deur. De deftige koetsier met het goedige
-gladde gezicht en de quasi voorname manieren was niet meer in hem te
-herkennen. Ineens was het alsof hij gezonken was tot een lagere trap in
-de maatschappij. Lispelend, met zijn nog dikke tong, terwijl hij steun
-zocht tegen de post van de deur, zeide hij langzaam:
-
-„Dokter, nou weet ik het precies! Vroeger zeien ze dikwijls tegen me,
-Roerade, zeien ze, waarom ben je niet socialist. Loop heen met je
-geleuter, zei ik, ik heb goed m’n brood, en daarmee uit, wat maal ik om
-de socialen. Maar nou weet ik het. Ik was ’n ezel! dokter, ja zeker ’n
-ezel! Ik heb er over zitten denken sinds het oogenblik, dat zij daar,
-de schande hier heeft binnengebracht, en nou heb ik het in eens
-begrepen. Ziet u, dáarom willen de rijke lui niks van het socialisme
-weten, omdat er dan geen standen meer zoûen zijn en waar moesten dan de
-rijke heertjes de meisjes vandaan halen om voor den gek te hoûen? Van
-de meisjes van hun eigen stand zorgen ze wel af te blijven! Maar de
-volkskinderen, wel ja, die zijn er immers voor? En als dat volk nou es
-niet meer zoo laag bleef, dat ze er gerust op trappen konden, waar
-zoûen ze dan hun pleizier vandaan halen? Ze hoûen ons dom en arm,—wat
-doet de regeering voor de opvoeding van onze meisjes! Ze geeft er niet
-zooveel centen voor uit als tientjes voor de zoontjes uit de deftige
-stand—en dan maken ze ons wijs, dat God het zoo wil, en dan,
-natuurlijk, je doet voor je kinderen wat je kunt, maar je bent arm, je
-hebt geen dikke spiegelruiten en kanten gordijnen om je dochtertjes
-achter te bewaren, ze groeien half op straat op, en zien daar ook niet
-altijd het beste, en dan gaan ze de wereld in, onder vreemden, en dan
-kunnen de rijke heertjes ze voor hun pleizier gebruiken en hun pa’s en
-ma’s lachen er om en zeggen dat de zoontjes toch ’n beetje van hun
-jeugd moeten genieten. Nou, daar heb ik alles van gezien bij Jonker
-Frederik toen ik bij baron Herkelens diende, maar ziet u, daar komt de
-klassenhaat vandaan, waar de socialen van praten.”
-
-„Joseph, ik kan nou niet met je spreken, je moest nou liever eerst wat
-gaan uitslapen, maar ....”
-
-Maar, hij gewoonlijk zoo stil en onderdanig, scheen op eenmaal
-ongevoelig voor eenigen invloed. Corona had het streng gezegd, maar
-niets drong tot hem door en nog opgewondener viel hij haar in de rede:
-
-„En zulke kinderen zijn immers zoo makkelijk te verleîen. Ze hebben zoo
-weinig in haar leven en ze hoûen toch ook van wat mooi en fijn is, dat
-kan immers de beste aangeboren zijn? en dan komt zoo’n Mijnheer met
-presentjes en mooie woorden en is veel aardiger dan een van ons soort
-menschen, die ’s avonds moe en bezweet van ’t werk komen, en dan ....
-als je zoo jong bent, geloof je ook zoo gauw niet, dat al dat moois
-maar bedrog is. Ziet u dokter, zoo gaat het, en dan zitten de heertjes
-bij elkaar, ik heb het dikwijls gehoord, en zeggen dat de vrouw zwak
-is! en ze lachen haar nog op den koop toe uit. Wat raakt het hun of er
-een meer of minder van die schapen uit het volk te gronde gaat. Maar
-intusschen ligt zoo’n kind hier, en huilt der oogen blind!”
-
-Hij stond nu hoog opgericht, alleen nog met een hand zich steunend aan
-de deurpost. In zijn ongeschoren gezicht, met de lichte wijdgeopende
-oogen lag iets woest verbijsterds, en schor fluisterend hijgde hij de
-woorden uit.
-
-Tevergeefs had Corona een paar malen gepoogd hem tot zwijgen te
-brengen; de gedachten die zijn arme, tot denken ongeoefende hersenen
-dien langen nacht, na Marietjes bevalling hadden doorwoeld en die hij
-nu, verward door halve dronkenschap en door de gesprekken in de kroeg,
-voor het eerst trachtte weer te geven, konden niet worden
-teruggedrongen. Hij moest ze uiten.
-
-„Verdomme dokter!” zeide hij op eens met een topzware beweging, half
-vertrouwelijk, half dreigend: „Ben ik niet altijd ’n oppassend man
-geweest? Dat kunt u niet ontkennen! het is niet waar, u kunt het niet
-ontkennen! u zou ’t niet durven ontkennen! Maar dat verzeker ik u, dat
-als er ooit revolutie komt, zooals die lui van gisteren in de kroeg
-voorspellen, dan zal hij, je weet wel wien ik meen, de eerste zijn, die
-z’n huis ziet branden. Ik zal hem in stukken scheuren! zie je, dat
-noemen ze klassenhaat!”
-
-Hij zeide het met een onnoozele grijns van dommen machteloozen, haat,
-die vreeselijk was om te zien.
-
-Corona stond huiverend op uit haar knielende houding aan het bed. Deze
-stem van den vader van het volkskind, wraak roepend tegen het cynisch
-egoïsme waarmede men het misbruiken van het volksmeisje in de hoogere
-standen als een natuurlijk, zelfs noodzakelijk kwaad beschouwt, had
-voor haar een diepe algemeene beteekenis. In zijn opvattingen lag
-verwarring en onkunde, maar in zijn instinctmatig voelen was groote
-waarheid, dat het onrecht dat zijn kind geschied was, niet was, een op
-zich zelf staand feit, maar voortvloeide uit de heele maatschappelijke
-levensbeschouwing, die het kind van den arme straffeloos prijsgeeft aan
-het genot van den rijke. Alleen, in zijn verbittering stelde Joseph het
-te uitsluitend voor alsof het ongeluk, dat hem getroffen had, alleen te
-wijten was aan het onrecht van de bezittende klasse tegenover de niet
-bezittende. Lag de schuld niet veel meer aan het onrecht van den man
-tegenover de vrouw? Van den man, die de wetten, heeft gemaakt zoó, dat
-hij ongestoord, zonder vrees voor lasten en straf de vrouw kan
-exploiteeren en haar alleen de ellende kan laten dragen voor hun samen
-begane zonden? Het was het eeuwenoude beginsel van alle economische
-misstanden: het recht van den sterkste, dat den zwakke verplettert. O!
-wanneer zou toch een hoogere gerechtigheid een einde maken aan dat
-recht uit den oertijd?”
-
-„Vrouw Roerade, ik kan nou niet met je man praten, dat zie je wel; hij
-moet eerst weer heelemaal bedaard zijn. Maar zendt ’m vanavond bij me.
-Ik moet ernstig met hem spreken!”
-
-De vrouw zag haar aan met angstig vragende oogen:
-
-„Dokter is toch niet boos op hem? U moet maar denken, het is de eerste
-keer sinds ons huwelijk, en hij weet nou niet wat ie zegt.”
-
-In haar kleine bekrompen ziel, voortdurend neergebogen door het harde
-leven was geen plaats meer overgebleven voor toorn of opstand. Zij
-kende alleen het moeë berusten; zelfs nu in hun groot gemeenschappelijk
-leed begreep zij niets van de verbittering van haar man. Zij was nu
-alleen maar bang dat Corona zijn uitval kwalijk zou nemen en haar hulp
-misschien onttrekken zou.
-
-Maar Corona schudde het hoofd in een weeke ontroering van droefheid en
-ontferming.
-
-„Er is immers niets, om boos over te zijn tegen hem, vrouw Roerade. Het
-is verkeerd van Joseph dat ie gedronken heeft, heel verkeerd, maar z’n
-verontwaardiging is recht.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Worstelend om haar tranen te bedwingen waarvoor ze zich, als voor een
-zwakheid, tegenover Corona’s sombere kalmte, schaamde, reed Hilda een
-poos zwijgend naast haar voort.
-
-Toen vatte de jonge doktores haar hand en met een scherpen blik van
-onderzoek op haar bleek gezichtje, zeide ze zacht:
-
-„Is het niet te veel voor je geweest, lieveling? Ik wou dat je ’n
-sterken indruk zoudt ontvangen vanmorgen van wat er geleden wordt, maar
-het toeval is haast al te gedienstig geweest, die ontmoeting met dien
-armen, half dronken vader had ik je nou wel willen sparen.”
-
-Hilda durfde niet antwoorden, haar keel was heet en gezwollen van
-tranen, die ze met geweld neerhield, en weer reden zij een oogenblik
-zwijgend voort. Toen hervatte Corona meer tot zich zelf dan tot Hilda:
-
-„En dan te denken, dat er schatten besteed worden om Mahomedanen te
-bekeeren! Is het niet om te lachen, bitter te lachen, dat men zich hier
-ongerust maakt over de bigamie der Oosterlingen, terwijl bij duizenden
-hier, in ons z.g. Christelijk Europa, door in Christus’ naam gedoopten,
-zulke slachtoffers worden gemaakt! De Mahomedaan onderhoudt tenminste
-de vrouw die hij liefheeft, en zijn kind brengt hij groot! Maar hier
-noemen ze haar gevallenen, de arme schepseltjes als Marietje, in plaats
-van neergeworpenen! Neergeworpenen door de zinnelijke zelfzucht van den
-man, of liever door het gehuichel van onze maatschappij, die met twee
-maten meet! en voor den man met ’n glimlachje spreekt van vergefelijke
-jeugdzonden, en voor de vrouw met een wreedheidsgrijns van verloren
-gaan en onteerd zijn!
-
-O! Hildy, dit is vrouwenemancipatie, dat al de Marietjes van de heele
-wereld, met haar arme Christientjes niet langer meer liefdeloos zullen
-worden uitgestooten, terwijl de vader van het kind trotsch en geëerd
-door de wereld gaat!”
-
-Hilda antwoordde niet. De gedachten dwarrelden haar door het hoofd, zij
-trachtte te begrijpen, maar ze kon aan niets anders denken dan aan
-Marietje’s vermagerd kindergezichtje, zoo droevig jong met den
-vroegwijzen blik van veel doorstane wanhoop. Eindelijk vroeg ze
-aarzelend:
-
-„Maar is er dan geen wet die de verleiding van minderjarige kinderen
-straft? Ik dacht dat ik Edward verleden zoo iets had hooren zeggen!”
-
-„Ja zeker,” zeide Corona, „meisjes beneden de zestien jaar worden door
-de wet beschermd, maar Marietje is net zeventien geworden, en dan zijn
-zij vogelvrij verklaard. En als je bedenkt wat een kinderen het nog
-zijn! En toch vindt de wet, dat zij op dien leeftijd maar voor zich
-zelf verantwoordelijk zijn moeten! Is het niet het toppunt van
-inconsequentie? Ons wetboek stelt de getrouwde vrouw onder de curateele
-van haar man en overal waar het maar kan, verklaart het de vrouw
-onmondig ongeschikt om haar burgerrechten te bezitten, maar van het
-meisje van zestien jaar veronderstelt het, niettegenstaande al de
-gevaren van verleiding, armoede, verlatenheid en onkunde, dat het sterk
-genoeg, ik zou in vele gevallen willen zeggen: heldhaftig genoeg zij,
-om weerstand te bieden aan alle verzoeking!
-
-O! ik weet wel, dat al die treurige dingen in onze wetten, min of meer
-historisch kunnen verklaard worden en dat Napoleon er veel van op zijn
-geweten heeft, maar soms vraagt men zich toch af of de mannen die het
-wetboek hebben samengesteld en vooral die het kalm onveranderd hebben
-gelaten, geen van allen vaders zijn geweest om niet te beseffen wat het
-voor ’n meisje is, om op zestien jaren te worden prijsgegeven aan wie
-maar misbruik van haar maken wil. Zij mag verleid, bedrogen, onteerd,
-moreel vermoord worden, door elken ellendeling; eerst als ze in razende
-angst voor de schande die alleen op haar neerkomt een wanhoopsmisdaad
-heeft bedreven bemoeit zich de gerechtigheid (?!) met haar! Maar ....
-alleen om haar te straffen! Zou men soms niet denken, dat onze
-wetgevers vrouwenhaters zijn geweest? Maar als men dan rondkijkt in de
-wereld en ziet hoe onze lieve zachte deugdzame dames al even wreed zijn
-in haar verachting voor de zondares, en eindeloos geduldig in haar
-vergeven van den zondaar, dan merkt men opeens hoe wanhopig diep het
-vooroordeel en het onrecht nog zijn ingeworteld!
-
-Zoolang de vrouw zelf niet beseft, dat het aan haar is om de
-rechtvaardigheid in zedelijke kwesties, die zoolang verkracht is, te
-herstellen, zoolang zij niet, waar zij toornt tegen haar onreine
-zuster, precies denzelfden toorn tegen haar onreinen broeder
-uitspreekt, en waar ze haar broeder uit het slijk opheft, dezelfde,
-precies dezelfde hand aan haar zuster toesteekt, zoolang zal ons
-wetboek vol van zedelijk onrecht blijven en zullen Marietje Roerade’s
-lotgenooten hopeloos gesteenigd worden. Maar wij moeten meehelpen,
-Hilda, om die toestanden te veranderen, niet waar? En we zullen er voor
-vechten op leven en dood!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Zwijgend waren Hilda en Corona toen naar huis gereden, niet in staat
-meer verder iets te zeggen. Corona was gewend aan al dit lijden en haar
-activiteit om te helpen, om zich in de details te verdiepen, waardoor
-zij leniging kon brengen, bespaarde haar meestal veel van den
-smartelijken totaalindruk, dien een machteloos toeschouwer bij zulke
-tooneelen ontvangt.
-
-Maar dien morgen, gepreoccupeerd om na te gaan welken indruk het op
-Hilda moest maken, en bij intuïtie meelevend hetgeen Hilda doorleefde,
-had ze onwillekeurig, als met nieuwe oogen, de ellende, die zij
-vertoonde aanschouwd. Eén dier bange stemmingen van groote deernis, die
-haar in de eerste jaren van haar praktijk zoo dikwijls met wee hadden
-vervuld, was ook nu weer over haar.
-
-Wat Hilda betreft, nog altijd worstelde ze tegen de brandende tranen,
-die verschroeiend tegen haar oogleden opstegen. Haar hoofd brandde,
-rustig denken was haar niet mogelijk, éen voelen alleen beheerschte
-haar: Helpen, redden, zich zelf geven voor al dit leed, goed maken de
-zelfzucht, waarin ze al dien tijd geleefd had.
-
-Corona was thuis neergevallen in den grooten armstoel bij het raam, en
-staarde naar buiten, een oogenblik Hilda vergetend. Toen, opeens voelde
-ze een zachten kus op haar hand die in haar schoot lag.
-
-Hilda was naast haar neergeknield, en sidderend, als bij een gelofte,
-zeide ze dringend, met haar stem warm van tranen:
-
-„Corona! wat moet ik doen? Zeg maar wat je wilt .... ik zal alles doen!
-.... Corona, alles!”
-
-De jonge doktores zag neer op het opgeheven gezichtje. Zij kende deze
-oogenblikken, waarin de jonge ziel in vurig enthousiasme tot elk offer
-bereid is, om redding te brengen. Zoo hadden schoone Romeinsche
-patriciennes gevoeld, toen zij haar weeldeleven verlieten, om den
-godsdienst van liefde en ootmoed te aanvaarden, die dikwijls van haar
-eischte den vreeselijksten dood in het arena; zoo hadden jonge
-edelvrouwen in de middeneeuwen gevoeld, die eer en macht aflegden om
-strenge kloosterorden te stichten, waar ze wilden bidden voor de zonden
-der wereld; zoo hadden zoo ontelbaar vele vrouwen gevoeld, die de
-verschrikking van het slagveld en de droeve vermoeienis van het
-hospitaal trotseerden om lijden te verzachten; zoo ook hadden gevoeld
-de dappere vrouwen, die niettegenstaande bedreiging, verdachtmaking en
-spot in het eerste gelid hebben gestreden bij elken geestelijken
-vrijheidsstrijd, of die heette godsdiensthervorming, slavenemancipatie,
-vrouwenontvoogding, of strijd tegen vivisectie en dierenmishandeling,
-tegen prostitutie of tegen alcohol.
-
-Helaas, in vele van onze kleinvoelende burgerlijke kringen is men maar
-al te dikwijls geneigd dit mooie jonge voelen voor „overdreven” uit te
-maken, voor overspanning, het daarmee ter dood veroordeelend. En toch,
-wee over de jonge ziel, die in een worsteltijdperk als het onze, nimmer
-dit liefdeënthousiasme in zich voelde.
-
-„Wat moet ik doen, Corona!” herhaalde Hilda. „Zal ik, zoo als jij, gaan
-studeeren? voor dokter? Zal ik pleegzuster worden? Zal ik ..... Zeg
-maar wat ik doen kan, ik wil alles! .... Maar zeg het dan toch!”
-
-Corona zag haar een oogenblik ernstig aan, toen zeide ze langzaam: „De
-ellende die wij vanmorgen hebben gezien kan de liefdezuster en de
-dokter wel lenigen, maar niet genezen, omdat zij grootendeels uit
-wettelijke en sociale misstanden voortkomt. Binnen eenige jaren zal ons
-wetboek herzien worden, en waarschijnlijk zal er dan niet eén vrouw
-zijn, die haar stem als rechtsgeleerde daarbij kan laten hooren, en dat
-zou jij kunnen voorkomen, Hildy! Waarom zou je niet in de rechten
-studeeren? Natuurlijk zijn er vrouwen genoeg die het wetboek vrij
-aardig kennen, maar nooit kunnen die officieel den invloed hebben van
-haar die dezelfde examens hebben afgelegd en denzelfden graad hebben
-behaald als de mannelijke rechtsgeleerden. En het zal toch zoo noodig
-zijn dat de vrouw bij die behandeling zich zelf vertegenwoordigt!
-Zeker, er zullen knappe en edelmoedige mannen zijn om onze zaak te
-bepleiten, maar iedere soort wordt nu toch eenmaal het best door een
-van zijn eigen leden gerepresenteerd en een hoogstaande vrouw kan toch
-altijd beter, intenser weten dan een man, wat de vrouw verlangt, wat
-haar toekomt en nuttig is!
-
-En dan, wat zou een vrouwelijke rechtsgeleerde voor veel vrouwen een
-redding zijn! Voor een massa, die in ellendige omstandigheden zijn, wat
-’n uitkomst om tot een knappe beschaafde vrouw te kunnen gaan om advies
-en raad. Een vrouw kan een andere vrouw soms met ’n enkel woord
-begrijpen, waar voor ’n man een lange, pijnlijke uitleg noodig zou
-zijn. Begrijp je me? Natuurlijk zou ik niet willen dat je de eindeloos
-lange rij leegloopende, onbeduidende advocaatjes nog ging vermeerderen
-met één: Ik zou van je vragen dat je je rechtskennis gebruikte om met
-al je kracht te werken om het onrecht uit ons wetboek te verwijderen,
-en om diegenen te helpen die er nu onder lijden!”
-
-Hilda zat stil neergehurkt en scheurde met zenuwachtige vingers haar
-zakdoek in kleine stukjes. In haar groote opwinding, de verbeelding tot
-het uiterste gespannen, kwamen en gingen haar gedachten in duizelende
-snelheid. Zij dacht aan een hoop droge boeken, die ze zou moeten
-doorworstelen, en aan examens waar ze erg tegen op zou zien, aan de
-vijandige ironie van thuis, aan Cranz, die nu misschien boos op haar
-was, en hoe hij met zijn voornaam, vernietigend spotlachje spreken zou
-over haar, maar toen ook tegelijk, als in een apotheose stelde ze zich
-zelve voor te midden van een groote vergadering. Zij voelde de angst,
-koud, met warme prikkels langs haar ruggestreng, van daar te midden van
-die allen te moeten spreken en toen toch ook ineens de weelde van te
-kunnen spreken. Met gloeiende woorden zou ze het zeggen het onrecht,
-het domme, wreede, dat de wetgevers generatie na generatie hebben laten
-voortbestaan.
-
-„Dagen, maanden, jaren lang hebt gij vergaderd, geredetwist over
-allerlei kleinigheden, maar om rechtvaardigheid te schenken aan het
-grootste deel der bevolking, de vrouwen, zeker niet het minst
-belangrijke, omdat het de moeders, de opvoedsters bevat, dáárvoor hebt
-ge geen uur tijd gevonden!” Dat zou ze zeggen, en de vergadering zou
-onder haar woorden trillen. Maar zooals het dikwijls gaat in
-oogenblikken van opgezweepte emotie, kwamen er nietige details met
-tergende duidelijkheid om aandacht vragen. Zij dacht er aan of ze dien
-dag zwart fluweel of donkerblauw laken zou dragen, en of er een sleep
-niet mooi bij zou staan en dat ze niet verkouden moest zijn, en aan wie
-ze invitatiekaarten zou zenden. Maar ze werd woedend op zich zelf om al
-die nonsensgedachten. Onze grootmoeders schreven zulke grillige
-invallen in zeer ernstige oogenblikken toe aan inblazingen van kleine
-duivels, maar voor haar was het misschien een kleine engel, die
-waarschuwde in dit geboorteuur van haar carrière dat ze waken moest
-tegen ijdelheid en eerzucht. Eerzucht? was ze werkelijk verlangend naar
-eer? Een oogenblik trachtte ze diep in zich zelf door te dringen,
-onderzoekend of ze zich vatbaar voelde voor de onreine drijfveer van
-succesjacht. In het gewone leven der vrouw is er geen plaats voor
-eerzucht, daar heerscht alleen haar tengere tweelingzuster, de
-ijdelheid. Maar als zij haar leven breeder ging opvatten, werkend in de
-groote maatschappij, zou ze moeten waken tegen het onzuiver zoeken van
-eigen glorie. Maar toen zag ze weer voor zich de roodschrijnende striem
-op het voorhoofd der zwangere vrouw, het bleeke jongetje met het
-afgezette beentje, Marietjes oogen vol schaamtewanhoop en de dreigende
-verbittering van den ouden koetsier en ze wist dat ze zich zelve zou
-kunnen vergeten, als ze ging werken om zulke dingen te verbeteren. „O!
-een klein beetje te kunnen meehelpen!”
-
-Zij zag weer op tot Corona, kalmer nu, met bijna een glimlach: „Ik zal
-het doen, Cora, je hebt groot gelijk, dat zal het beste zijn.”
-
-„Nee, nee,” zeide Corona haastig, „je moet niet dadelijk je besluit
-nemen. Nou ben je nog te sterk onder al die treurige indrukken, je moet
-heel kalm en ernstig met je zelf overleggen. Ik zou je niet tot iets
-willen overhalen, waar je later spijt van hadt. Als je zoo iets begint,
-moet je het ook volbrengen, en het zal niet makkelijk zijn! Maar toen
-je het me zoo vroeg, kon ik toch niet nalaten om je den weg te wijzen,
-dien ik je zoo graag zou zien ingaan.”
-
-Een poosje zaten zij samen stil in het weldadig uitrustend,
-vredebrengend zwijgen van twee, die groote vriendschap bindt. Toen
-begon Corona weer te spreken.
-
-„Er is in den laatsten tijd heel veel geschreven en geroepen over het
-onrecht dat de man aan de vrouw heeft aangedaan, alsof het twee
-vijandelijke abstracte machten waren, die elkaar voortdurend trachtten
-te doen lijden, in plaats van levende individuen, wier levens, dan in
-liefde, dan in haat, in elkander grijpen. Natuurlijk, daar aan de eene
-kant de macht, aan de andere de afhankelijkheid was, is er veel
-misbruik van macht geweest bij den man, daar was hij mensch voor, maar
-hem ’n verwijt van die macht te maken is dom en erg onwijsgeerig. Dat
-hij de macht had is ’n bewijs dat het zoo zijn moest, dat het een
-noodwendigheid der tijden was! Soms wordt het tegenwoordig bijna
-voorgesteld alsof in den oertijd de man tegen zich zelf had gezegd:
-„ziezoo, nu zal ik voortaan de baas zijn en de vrouw, zooveel ik kan
-onderdrukken!” Natuurlijk zijn bij den primitieven onbewusten mensch de
-verhoudingen ontstaan, zooals die ontstaan moesten, geboren en gevormd
-door de omstandigheden, de oogenblikkelijke belangen van het ras. En
-zoo is het ook met de latere tijden. Elke eeuw leeft alleen bij het
-schijnsel van haar eigen licht. Men kan evengoed aan de vroegere eeuwen
-verwijten dat zij de stoom en de electriciteit niet hebben gekend, als
-dat ze slavernij hebben gebillijkt, oublietten, foltertuigen en
-brandstapels hebben gehad en de vrouw hebben vernederd. Elke tijd heeft
-zijn eigen ideaal, zijn eigen doel, zijn eigen sociale opvatting, en
-wie de maatstaf van negentiendeeeuwsche rechtvaardigheidstheorieën en
-humanisme wil aanleggen aan vervlogen tijden, doet eenvoudig iets
-ontzettend doms. Maar nu men in deze eeuw, voor wie blijkbaar de taak
-van sociale rechtvaardigheid is weggelegd, het duidelijk heeft ingezien
-dat de vrouw ontvoogt behoort te worden, hoor je aan alle kanten
-klachten en verdenkingen tegen den man. Telkens ontmoet je dames die
-over de zelfzucht en tyrannie van den man met verontwaardiging zitten
-te praten, zoodra er van misstanden in de maatschappij sprake is, maar
-weet je wat ik dan denk? Dat de tijd is gekomen, dat wij niet langer
-anderen mogen aanklagen, maar ons zelf behooren af te vragen, wat deden
-wij, vrouwen, voor onze zusters? Ken je de droomen van Olive
-Schreiner?” [8]
-
-Hilda schudde het hoofd.
-
-Toen zachtjes, bijna fluisterend, alsof ze een geheimzinnige opdracht
-had, begon Corona het sprookje te vertellen, en Hilda luisterde met
-gesloten oogen, neergehurkt op den grond.
-
-„Een ziel stond voor den troon van God en God vraagde haar waarom ze
-gekomen was. En zij zeide, zij was gekomen om haar broeder, den man,
-aan te klagen.
-
-„Wat heeft hij gedaan?” zeide God.
-
-En zij zeide: „Hij heeft mijn zuster genomen en haar vernederd, haar
-verwond en bezoedeld en nu ligt ze neer, uitgeworpen in de straat. Zijn
-handen zijn rood van haar bloed en ik ben gekomen om met hem in het
-gericht te gaan. Ontneemt hem zijn koningschap, want hij is het
-onwaardig, en bekleedt er mij mede, mijn handen zijn rein van zonden.”
-
-En zij, trotsch, liet ze zien.
-
-Maar God zeide: „ja uwe handen zijn wit, maar uwe voeten?”
-
-Zij lichtte den zoom van haar kleed op en ziet, hare voeten waren
-bloedrood.
-
-God sprak: „Wat is hiervan de beteekenis.”
-
-„O Heer!” zeide zij, „de straten beneden in de menschenwereld zijn vol
-onreinheid en vuil. Als ik er gewoon middendoor liep, zou het mijn
-kleed bevlekken, en gij ziet, hoe mooi wit het is. Daarom zette ik
-voorzichtig mijn voeten alleen dáár waar ik wist, dat de modder mij
-niet raken kon.”
-
-„Maar waarop zettet gij dan uw voet? Wat lag er tusschen u en de
-modder, waarop uw voet kon treden?” zeide God.
-
-Toen was zij stil en liet haar kleed diep vallen en ging zachtjes heen,
-het hoofd omsluierd, bang dat de engelen haar zien zouden.
-
-Maar een poos later stond zij weer voor Gods troon, nu niet alleen, een
-andere vrouwenziel stond naast haar.
-
-„Hoe is het dat ik u heden te zamen zie?” zeide God.
-
-En zij antwoordde, wijzende op de andere: „Zij lag op den grond buiten
-op de straat. De man had haar neergeworpen en de vrouwen gingen
-gedachteloos, in witte kleeren over haar heen. Toen strekte ik mij
-naast haar uit op den grond, en zij sloeg haar armen om mijn hals en
-zoo lichtte ik haar op en wij stonden naast elkaar.”
-
-„En wien zijt gij nu gekomen om aan te klagen voor mijn troon?” zeide
-God.
-
-Maar zij zeide: „Niemand Heer. Alleen wij smeeken u, spreek tot het
-hart van den man, en geef ons een opdracht voor hem mee, opdat hij
-leere verstaan.”
-
-„Ga heen,” zeide God, „en breng hem de boodschap.”
-
-„Welke boodschap,” zeide zij.
-
-„Die thans in uw harten geschreven is, ga en breng haar. Als de wereld
-uwe liefde ziet, zal zij uw boodschap verstaan.”
-
-„Dat is het,” zeide Hilda, „en ook ik heb de boodschap verstaan!”
-
-„Natuurlijk is dit sprookje meer speciaal bedoeld voor de zondig
-gevallen vrouw,” zeide Corona, „maar je kunt het toch ook algemeener
-opvatten en dan lijkt het mij altijd typisch voor de verhoudingen.”
-
-„Wat kun je prachtig vertellen, Cora!” en in meisjesachtige verrukking
-wierp Hilda zich op haar schoot, sloeg de armen om haar hals en kuste
-Corona met die jonge onstuimige innigheid waarmede zij niemand meer,
-sinds den dood van haar vader, gekust had.
-
-„Hildy, wil je me een ding beloven? spreek er dan vandaag en morgen nog
-met niemand over. Heusch je moet heelemaal rustig en alleen je nieuwe
-leven overdenken. Het zal soms ’n moeielijke weg zijn, lieveling, en je
-moet hem alleen inslaan, als een krachtige overtuiging, niet ’n
-genereuse impulsie je er heen drijft.”
-
-Hilda knikte. „Ik beloof het je! Ik ben heel zeker van m’n besluit,
-maar daarom juist kan ik best wachten.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-In de wijde stilte van den nacht stond Hilda om half twaalf voor haar
-open raam en luisterde naar de verre geluiden, die de lang nog niet
-slapende stad geheimzinnig naar haar opzond. Een ver, dof geruisch was
-het, als het onderaardsch dreigend gerommel van een vuurberg en zij
-strekte de handjes uit in een onbewuste beweging van omarmen en zag
-toen starend neer in de stil deinende bladerzee beneden zich van de
-boomen van het Nassauplein.
-
-Het was al Vrijdagavond, en met niemand had ze nog een woord over haar
-plannen gesproken, maar morgen zou ze het nu toch aan haar oom gaan
-zeggen. Het was zoo heerlijk geweest in stilte het geheim te
-liefkoozen. Wat had het haar op eenmaal een rust en klaarheid gegeven!
-Dat verre doel, waarvoor zij nu voortaan al haar latente energie, zou
-kunnen aanwenden, verkwikkend als een licht had het in de nevelige
-vaagheid van haar toekomst gestraald. Een vast en bezielend doel was
-immers het eenige wat evenwicht aan het leven kon geven van hen die het
-ernstig met het leven nemen!
-
-Gisteren was Adèle Brandon getrouwd, éen van Eugénie’s oudste
-vriendinnen. Was het wonder, dat er zooveel leelijke treurige menschen
-in de wereld waren, als er voortdurend zooveel treurige leelijke
-huwelijken werden gesloten? Naam en fortuin was met naam en fortuin
-getrouwd. Dat was alles, van liefde was er bij dat paar geen sprake. En
-Moisette, die het wist, had hen in de Fransche kerk gezegend, hij die
-bang was, dat het ideale zou verloren gaan, als de vrouw in de
-maatschappij haar deel van ’t algemeene werk nam! Hij had welsprekend
-kunnen zijn bij zulk een huwelijk, wat een onlogica!
-
-Hij had van dienende liefde gesproken. De man, had hij gezegd, was de
-gevende liefde, de beschermende, maar de dienende liefde was de vrouw.
-Ootmoedig, lijdend, nederig, gehoorzaam, dienend in éen woord, moest ze
-zijn en als zij ooit ophield zoo te wezen zou het einde dáar zijn van
-de maatschappij.
-
-„Dienende liefde!” zeide Hilda bijna hardop. „Ja, dat is het! Wat is
-het een prachtig woord! Alles sluit het in zich van zelfvergeten, en
-offeren en geduldig zijn en onvermoeid! Ja zeker, Moisette! het wezen
-der hoogstaande vrouw is waarlijk dienende liefde! Maar niet in de
-laffe, domme, belachelijke beteekenis, waarin jij het ons gisteren liet
-zien! Nee, niet den man, haar medeschepsel, haar gelijke, haar broeder
-zal ze dienen, de toekomstvrouw! maar met hem, naast hem dienen, in
-mooie liefde vereenigd, de eeuwige idealen van barmhartigheid en
-waarheid, schoonheid en gerechtigheid! Dienende liefde het wezen der
-vrouw! ja, maar geen menschendienst mag daaronder verstaan worden.
-Gods-dienst, in de hoogste beteekenis van het woord, moest het zijn,
-het dienen van ’t hoog ideale, het Goddelijke!”
-
-Met ’n ruk trok zij haar lijfje open en wierp het achter zich op een
-stoel; de koele nachtlucht gleed streelend langs haar heete schouders.
-En weer strekte ze de armen uit, alsof ze de wereld aan haar hart wilde
-drukken.
-
-„Ja, ik zal dienen!” zeide ze hartstochtelijk. „Het dienen uit vrijen
-wil, dat verheft en vrij maakt, niet het dienen uit gehoorzaamheid, dat
-vernedert! Zondagmorgen heb ik de wijding ontvangen, die voert tot den
-hoogen dienst en ik zal trachten trouw te zijn! O! dienende liefde, het
-zich wijden aan, het opbouwen van anderen en daardoor het komen tot
-klaarheid voor zich zelf, het in volheid ontwikkelen van eigen
-krachten. „Zoo wie zijn leven verliezen zal, die zal ’t zelve vinden!”
-stond in het versleten testamentje van haar moeder, en nu verstond zij
-de waarheid daarvan. Het groote leven ingaan, troostend, helpend,
-reinigend en daardoor komen tot zelfvolmaking, d.i. zelfverwezenlijking
-en zoo naderen tot God!”
-
-Toen vouwde zij de handen op de borst in een behoefte om iets plechtigs
-te doen. Bidden, in de beteekenis, die de traditie aan dit woord
-gehecht heeft, deed ze niet, maar een diep religieuze aandoening klom
-op in haar borst en vulde heel haar voelen. Juist het nog betrekkelijk
-vage van haar toekomstplan gaf er een mysterieuze bekoring aan, die
-voor haar zieleverbeelding visioenen van een heerlijk leven liet
-opstijgen, en toch ook het weten dat zij al morgen kon beginnen met te
-werken voor dat verre doel, gaf haar een rust, een
-veerkrachtstinteling, die haar met dankbaren jubel vervulde.
-
-Zij was gelukkig op dit oogenblik, en toen zij opzag in den stillen
-zomernacht, de saamgevouwen handen stijf tegen elkaar gedrukt, in een
-spanning van heel haar wezen en zij zag de sterren hun
-ondoorgrondelijken glimlach van uit de eindeloosheid op haar
-neerlichten, vulden zich langzaam haar oogen met tranen, tranen van een
-mooi en vroom geluk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Isabelle Pankaert, met gloeiende wangen, de handjes koud van emotie,
-stond naast de piano en zong, terwijl mevrouw Noorman, de bekende
-concertzangeres, aan wie Corona lessen voor haar gevraagd had, haar
-accompagneerde. Toen bleven beiden een oogenblik verloren in de
-jubelende extase van Bach’s Pfingstcantate.
-
-„Heel goed, kindje! Dat heb je goed gezongen!” zeide Marion Noorman.
-„Het gaat buitengewoon goed!”
-
-Isabelle antwoordde niet, te gelukkig om iets te kunnen zeggen.
-
-Toen Corona haar in het voorjaar was komen vragen of zij gratis les
-wilde geven aan een arm meisje met ’n mooie stem, had mevrouw Noorman
-het niet willen weigeren. Aan Corona kon men zoo moeielijk iets
-weigeren, maar eigenlijk had ze het toch indiscreet en vervelend
-gevonden. Zij had al zooveel lessen en haar huishouden met de
-tweelingen nam toch ook tijd! Maar toen zij Isabelle’s stem gehoord
-had, had zij geen spijt gehad van haar hulpvaardigheid; tegenwoordig
-gaf zij haar zelfs tweemaal in de week les en het was een groote
-vriendschap tusschen haar geworden.
-
-„Belle!” zeide ze opeens. „Ik heb je nog wat te vertellen, of eigenlijk
-een voorstel te doen .... Kun je nog even blijven?”
-
-„Een voorstel?”
-
-„Ja, ik zal je zeggen, de laatste week, heb ik verscheiden invitaties
-gekregen om op concerten te komen zingen. In Zwolle en in Deventer en
-in Middelburg, maar die zijn alle drie voor December en Januari en dan
-kan ik niet ....” en zij glimlachte.
-
-„Waarom niet?”
-
-„Omdat .... zich tegen dien tijd een kleine baby heeft aangekondigd
-....”
-
-„O! Marion ....!” Verlegen zag Belle naar haar op, niet wetend of zij
-moest gelukwenschen.
-
-„Ja, het is wel ’n beetje lastig! en we zullen het Benjamin noemen in
-de hoop dat dit het laatste zal zijn, maar eigenlijk vind ik het toch
-verrukkelijk! De tweelingen zijn nou al vier jaar en zoo’n schootkindje
-is zoo snoezig!”
-
-Isabelle aarzelde even:
-
-„Marion, je moet het niet gek van me vinden, maar ik heb het je al zoo
-lang willen vragen .... mama zegt .... dat een getrouwde vrouw zich
-alleen aan haar huishouden moet wijden en geen tijd voor iets anders
-kan hebben, als zij het goed wil doen. Maar .... hoe doe jij dan toch?”
-
-De naïeve gewichtigheid in de vraag amuseerde Marion:
-
-„Wel, ik zou wel es willen weten of geldverdienen voor het huishouden
-niet is: er zich aan wijden! Mij dunkt, het is een van de
-allernoodzakelijkste dingen die men er voor doen kan!”
-
-„Nee, mama bedoelt voortdurend met het huishouden bezig zijn!”
-
-Marion knikte lachend:
-
-„Ja, kindje, ik begreep je wel! O! er zijn nog een massa die zoo
-redeneeren en mij erg beklagen of me verdenken van een slechte moeder
-te zijn of het mijn man kwalijk nemen dat hij mij mijn gang laat gaan!
-Maar ik lach ze tegenwoordig gewoon uit, du haut de ma grandeur de
-femme heureuse! En ik zal je es gauw even zeggen hoe het eigenlijk er
-mee zit. Zie je, als jonge dames trouwen hebben zij het gewoonlijk het
-eerste jaar zoo druk met haar huishouden dat ze nergens meer tijd voor
-vinden kunnen; dan komt er een kindje met al zijn zorgen, en dan wordt
-de drukte, die al zoo vreeselijk was, nog grooter en daarna komt een
-tweede en een derde, tot soms een negende en tiende en het vrouwtje,
-dat het het eerste jaar zoo overstelpend druk had, heeft dan toch nog
-tijd genoeg, ofschoon haar bediening en haar middelen dikwijls naar
-verhouding maar weinig zijn toegenomen, om met de tiende baby te
-spelen. Dat is het heele raadsel, zie je, het komt er maar op aan hoe
-je je inricht, met wat oefening en orde kan de éen in een uur afdoen,
-waar de ander den heelen dag mee zoek brengt, en ik ken vrouwen met
-groote gezinnen die overal belangstelling voor hebben en allerlei doen
-en toch de ziel zijn van haar familie en vrouwen met een of twee
-kinderen, die nergens tijd voor hebben en door haar drukte niet eens
-gezelligheid aan de haren geven. Zoo is het met geld verdienen ook. Ken
-je Jeanne Goedbrandt?”
-
-„Die fotograaf?”
-
-„Ja, juist. Toen ze trouwde hadden zij en haar man, die zeeofficier
-was, geen van beiden een cent, en hij ging maar op en neer naar de Oost
-om toch maar te verdienen, en Jeanne bleef achter met telkens een
-kindje meer en zij wisten nauwelijks hoe rond te komen. Toen zei ik
-dikwijls tegen haar: Zet een fotografisch atelier op, want voor haar
-huwelijk fotografeerde ze prachtig. En ik zei tegen haar: maak je
-specialiteit van kinderfoto’s, je bent moeder en artiste, je weet hoe
-en wanneer kinderen er het aardigst uitzien, en je kunt er goed mee
-omgaan! Je zult zien dat je het druk krijgt! Maar dan keek ze
-verontwaardigd. Een goeie moeder, vond ze, moest zich uitsluitend met
-haar huishouden bezig hoûen.
-
-Maar toen stierf haar man ineens in Indië, en natuurlijk, een klein
-pensioen en vier jongens .... ze wist geen raad. Toen zette ze een
-atelier op en het ging best. Je weet, het is een rage tegenwoordig,
-alle babies komen bij haar en verleden, in het schemeruur, toen ik even
-aankwam, vond ik haar met de vier jongens bijna op schoot, aan wie ze
-sprookjes zat te vertellen. Toen kon ik toch niet nalaten om haar even
-te vragen of ze nu geen goeie moeder meer was, nou ze geld voor haar
-troepje verdiende.”
-
-„En wat zei ze?”
-
-„Ze zei met tranen in de oogen: Ik wou dat ik het gedaan had toen Henri
-nog leefde, dan had ie niet zoo akelig zuinig aan boord hoeven te
-zijn!”
-
-Een oogenblik zwegen beiden.
-
-Mevrouw Noorman zat nog op het pianokrukje, en een van haar kleine
-gespierde handen voer telkens met een beweging van gewoonte door het
-blonde kort afgeknipte voorhaar, dat als een wazig gouden krans om haar
-slapen opstond en aardig deed bij het ronde rose gezichtje en de groote
-blauwe kinderoogen. Zij zag er nog zoo jong uit, bijna als een
-schoolmeisje en toch had ze heel wat te tobben gehad. Maar iets van een
-vogel was in haar, en veel desillusie en zorg en pijnlijke momenten had
-ze weggezongen tot er vrede kwam. En nu de laatste jaren was ze zoo
-gelukkig: overal gevierd, haar huwelijk zoo mooi, en haar kinderen zoo
-lief!
-
-„O!” zei ze in eens met het meisjesachtige enthousiasme, dat zoo
-bekoorlijk in haar was. „Je weet niet hoe heerlijk het is om voor de
-kinderen te werken. Als ik geen kinderen had, zou ik toch het zingen
-niet kunnen laten, maar nou is het nog zooveel prettiger! Eigenlijk
-verdient mijn man wel genoeg om net van rond te komen, maar ik verdien
-de levensverzekering van de schatjes hiernaast. Wil je ze es zien?”
-
-En in een oogwenk, met een van haar lichte bewegingen stond ze bij de
-tusschendeur, die de suites scheidde en lag geknield in een hoek van de
-andere kamer waar de tweelingen speelden.
-
-„Kijk dit is Daisy!”—En vóór Isabelle haar had kunnen volgen, kwam ze
-aandragen met het kindje.—„Is ze niet doddig? Kijk, net de fluweelen
-oogen van mijn man, en dit is Nelly, die heeft van papa de gezellige
-leelijke stoppelhaartjes. Zijn ze niet schattig met haar beidjes? Maar
-Nel! Wat heb je met je schortje gedaan? Heb je je weer als een
-schoorsteenvegertje gedragen?”
-
-En zij bukte zich en kuste het stralend zwarte gezichtje dat zich tot
-haar ophief, de roode vochtige lipjes vooruit, glimmend als versch
-geplukte kersjes, die in de modder gevallen zijn.
-
-„Zie je, Belle, bij haar geboorte hebben we dadelijk een
-levensverzekering voor haar gesloten. Als zij twintig jaar zijn krijgen
-zij beide vijfhonderd gulden jaarlijks, dat zal haar strijd om het
-bestaan een beetje makkelijker maken, dan hij voor mij geweest is! Maar
-daarvoor moet mama nou ook hard werken, nietwaar? Het is een heel ding
-om elk kwartaal zoo’n som bijeen te hebben!”
-
-Zij zette het kindje neer, in eens met een moeë beweging, en een diepe
-rimpel groefde zich tusschen de oogen, die haar ouder maakte.
-
-„O! soms kan ik er van rillen, dat die beide kleine kleuters ook eens
-het groote gewoel zullen inmoeten! Maar wat zul je er aan doen? De
-dochters van Marion Noorman zullen geen uitgaanpopjes worden, die op
-een man zitten te wachten; ze moeten haar brood zelf verdienen. Maar
-natuurlijk, ik weet heel goed, dat, als de enorme achterhoede van
-nietsdoende vrouwen zich nu ook in ’t strijdperk gaat storten, de druk
-en de angst van de tijden hoe langer hoe ontzettender zullen worden.
-Maar het kan niet anders, wij zijn nu eenmaal op dit oogenblik allen in
-een nauwe bergpas vol dik doornig kreupelhout en we moeten er door,
-vóór we aan het strand komen, waar ruimte is voor ons allemaal. En hoe
-meer er zich nu maar in den bergpas dringen, hoe benauwder het er wel
-worden zal, maar ook hoe eerder het kreupelhout zal zijn platgetreden.
-En we zullen onze meisjes flinke stokken en messen meegeven en haar er
-voorzichtig en knap mee leeren omgaan om de lianen door te snijden en
-de in elkaar vergroeide takken te breken en toch zoo min mogelijk haar
-buren te verwonden! Dat is het eenige wat ons ouders van de twintigste
-eeuw te doen staat.”—Toen lachte zij weer, haar jongen lach, die een
-Fransch violist den vorigen winter op een concert had laten zeggen:
-„Quelle adorable gamine.”—„We zullen in elk geval ons best doen en er
-maar niet over gaan zitten treuren, nietwaar, kleine Nel? En nou eerst
-es gauw even je vuile koppetje gaan wasschen, want dat weet je, de
-eenige manier om flinke dappere vrouwen te worden is om reine
-gezichtjes te hebben!”
-
-„Maar Marion, als je op reis bent?” .... drong Isabelle aan. Zij had
-Marion’s huishoudentje, dat zij altijd keurig en gezellig vond, zoo
-dikwijls moeten verdedigen tegen haar moeder en andere dames, die
-plechtig en onvoorwaardelijk verzekerden dat een getrouwde vrouw niets
-doen kan of mag dan haar huishouden, en ze wilde vandaag nu toch
-probeeren om er eindelijk eens precies achter te komen hoe Marion het
-had ingericht. „Als je weg bent om te zingen, wat doe je dan met de
-kinderen? Wie zorgt er dan voor?”
-
-„Heb je nooit van mevrouw Ermering gehoord?”
-
-„Nee, wie is dat?”
-
-„Dat is ’n weduwe zonder kinderen, maar ’n geboren moeder! Ze woont in
-de Hugo de Grootstraat, in ’n aardig huisje met ’n flinken tuin, en ’t
-is daar de ideale crèche, zooals de toekomstmoeders, die werken moeten,
-ze zullen wenschen. Met ons zevenen zijn wij bij haar geabonneerd, en
-als ik nou uit de stad moet gaan zingen of Jeanne Goedbrandt heeft het
-’n paar dagen erg druk op haar atelier, of Mevrouw Verzen heeft haar
-migraine, of mevrouw Schallen, die voor Arbeid Adelt werkt, heeft ’n
-groote bestelling, of mevrouw Bromer, wier man zoo ziek is, kan geen
-leven in huis velen, of mevrouw van Asberk, die inspectrice is bij ’n
-levensverzekeringmaatschappij, moet voor zaken op reis, dan zenden we
-allemaal onze kinderen zoolang bij mevrouw Ermering. En je weet niet
-hoe heerlijk ze het daar hebben. Het spaart ons allen een onbetrouwbare
-kindermeid uit, die onmogelijk iets van opvoedkunde kan weten, en ze
-worden er uitstekend, o! weet je, uitstekend verzorgd! Sommige kinderen
-hebben het er moreel en physiek zelfs heel wat beter dan thuis, zooals
-bijvoorbeeld die van mevrouw Verzen, met haar eeuwige zenuwgetob of van
-mevrouw Prinsen, die veel meer van pret en uitgaan dan van kinderen
-houdt. Bij zulke moeders komt er gewoonlijk niet veel terecht van de
-arme schaapjes en het is dus ’n redding als ernstige lieve vrouwen als
-mevrouw Ermering zich over hun lot ontfermen.
-
-Zie je, dat is ook iets wat de meeste menschen totaal vergeten, als ze
-zoo door dik en door dun beweren dat de getrouwde vrouw zich maar
-uitsluitend met haar gezin mag bezighouden, dat er heel wat moeders
-zijn, die geen sprankje aanleg of lust voor waarachtig opvoeden hebben
-en dat het daarom dikwijls voor de jonge generatie zelf een zegen zal
-wezen als zij onder de zorgen komt van vreemden die wèl de gave van
-opvoeding kennen. Ieder die gelooft aan de toekomst van de menschheid,
-moet vinden dat de vorming van het jonge, wordende geslacht de
-allerhoogste taak is, maar wat ’n absurditeit, om te meenen dat elke
-vrouw, die kinderen heeft gebaard, hoe zij ook verder moge zijn, in
-staat is tot dat allerhoogste werk. Opvoeden sluit alles in zich! geen
-arbeid die zooveel liefde, intelligentie, zelfverloochening, geduld,
-zelfbeheersching, rechtvaardigheidsgevoel en teeder intuïtief raden van
-het diepe geheim der klein menschenziel vordert! En je begrijpt wel,
-dit alles in een vrouw te veronderstellen, eenvoudig omdat zij een kind
-heeft ter wereld gebracht, is onzin, terwijl massa’s ongetrouwde of
-kinderlooze vrouwen geboren opvoedsters kunnen zijn.”
-
-„Maar Marion, geloof je nou heusch, dat ’t een ideaal toestand zou
-worden als alle getrouwde vrouwen geld gingen verdienen?”
-
-Marion dacht een oogenblik ingespannen na, toen lachte ze:
-
-„Dat is ’n heel moeielijke vraag, hoor! Maar we zijn er heusch nog lang
-niet aan toe om nu es dood op ons gemak te kunnen gaan vragen wat nou
-eigenlijk wel ’n ideaal toestand zou zijn. Zoover is onze maatschappij
-helaas nog niet! Maar dit is zeker, dat, ideaal of niet, waar geen geld
-en wèl liefde is, de getrouwde vrouw hoe langer hoe meer tot loonarbeid
-zal moeten en willen komen! Wie zal kunnen profeteeren in deze
-overgangstijden, waarin alles duidt op groote economische verandering,
-wat nu wel het ideaal zal zijn in de verre toekomst? De geslachten, die
-na ons zullen komen, zullen op hun beurt ook aan de oplossing van dat
-raadsel moeten werken! Maar, zooals op dit oogenblik de toestanden zijn
-ben ik overtuigd dat het mee in het huishouden verdienen der getrouwde
-vrouw ons nader zal brengen tot drie betrekkelijke ideaaltjes die zeker
-niet gering zijn te tellen.
-
-Ten eerste: De mogelijkheid van een huwelijk tusschen twee jongelui,
-die elkaar echt liefhebben, maar geen van beiden iets bezitten en
-waarvan de man niet genoeg kan verdienen, om welke reden ook, om een
-gezin te onderhouden. Ik ken er verscheiden zoo, die heel hun mooie
-jonge leven in hopeloos wachten verliezen, hunkerend naar ’n
-aanstellinkje of ’n promotietje dat maar niet komt, terwijl de vrouw,
-als zij een deel van het geldverdienen voor het gezin op zich kon en
-wilde nemen, een einde zou maken aan dien ellendigen toestand. In de
-boerenstand wordt nu de werkkracht en kundigheid van de vrouw wel
-degelijk als kapitaal beschouwd, dat zelfde zou dan ook geschieden in
-de burgerstanden en het onbemiddelde, knappe, energieke meisje zou haar
-kansen op een liefde-huwelijk daardoor sterk zien vermeerderen, haar
-betaalde arbeid zou in de plaats komen van een bruidschat.
-
-Ten tweede, als de man komt te sterven, die het gezin onderhoudt en de
-vrouw blijft met een troepje kinderen achter—en dat zijn van die
-gevallen die je dagelijks ziet gebeuren—wat ’n zegen dan, als zij
-geschikt en al gewend is om in de noodige behoeften te voorzien!
-
-Ten derde, de algemeene positie der vrouw zou er beter door worden, en
-ik zal je zeggen waarom. De ongetrouwde vrouw zou haar werk beter, met
-meer bezieling doen, wanneer zij niet dacht dat het maar een tijdelijke
-bezigheid was, die moest worden opgegeven zoodra er zich ’n huwelijk
-voordeed, en door beter werk te leveren zou zij krachtig meewerken tot
-snellere vervulling van den dringenden eisch van gelijk loon voor man
-en vrouw. Begrijp je dat logische verband? En dan, nu bestaat nog de
-schandelijke wet dat de man recht heeft op het door de vrouw verdiende
-geld. Maar het spreekt van zelf dat die al heel gauw zou worden
-veranderd als de verdienende vrouw niet langer meer zeggen wou voor het
-begrip van de regeeringsmannen: ’n troepje havelooze
-fabrieksarbeidsters en wat afgesloofde schoonmaaksters en naaistertjes,
-maar hun eigen zusters en dochters en pleegkinderen! Ten slotte is er
-nog dit: Nu wordt in veel huishoudens de vrouw nog beschouwd en
-behandeld als de onderhoudene, die dankbaar moet zijn voor elken
-gulden, die zij voor eigen genoegen mag uitgeven, en die zich voor een
-tientje soms zelfs vernederen moet tot vleierij en onware
-liefkoozingen. Weet je niet die ontelbare grappen in de spotbladen?
-Over vrouwen die bij haar man intrigeeren om een nieuwen hoed? O zie
-je, menschen die daarom kunnen lachen, moeten wel akelig weinig hebben
-nagedacht! Ik vind tenminste niets komieks in zulke verhoudingen,
-alleen heb ik minachtend medelijden met mannen, die hun vrouw in zoo’n
-afhankelijkheid willen houden en met vrouwen, die zoo’n afhankelijkheid
-dulden! Want in zulke gezinnen is de vrouw een wezen dat nergens recht
-op heeft, dat kost en inwoning en kleeding ontvangt, maar daarvoor zich
-dan ook te schikken heeft naar den wil van den meester en buiten zijn
-goedvinden niets mag besteden voor dingen waar zij zelf verlangen naar
-of sympathie voor heeft.
-
-Weet je, Belle, ik heb zes zusters, die allemaal in conditie zijn, en
-mij allen haar confidenties doen, en ik verzeker je dat ik zelfs in de
-rijkste families vrouwen weet, die nog over geen twintig gulden
-jaarlijks naar hartelust kunnen beschikken! O! het klinkt heel aardig:
-de man verdient het geld, en de vrouw verzorgt het gezin, ieder blijve
-in zijn werkkring. Maar feitelijk—en ook de wet gaat uit van dat
-beginsel—is de toestand in heel veel gevallen zoo: de vrouw die een
-gezin wil stichten, moet zich op genade of ongenade overgeven aan den
-man, die haar en haar kinderen zal onderhouden, maar dan ook alle
-rechten op hen heeft, en van wiens meerdere of mindere edelmoedigheid,
-in een woord van wiens bloote goeddunken het zal afhangen of zij over
-middelen zal mogen beschikken of om elk kwartje zal moeten vragen!
-
-En dat is nou juist wat allemaal anders zal worden als de vrouw
-productieven, betaalden arbeid gaat verrichten! De vrouw, die met
-cijfers kan aantoonen dat haar arbeid tot de welvaart van het gezin
-bijdraagt, zal een heel andere positie innemen dan zij, die nu alleen
-maar met woorden kan verklaren,—die, och arme, dikwijls niet geloofd
-worden,—dat zij zoo zuinig mogelijk is, en zooveel mogelijk uitspaart.
-De vrouw, die haar eigen geld verdient, zal zich onafhankelijker
-voelen, en fierder, en dus niet meer berusten in een afhankelijkheid
-die nu heel dikwijls een gevaar is voor het geluk en de waardigheid van
-het huwelijk. Betaalde arbeid van de vrouw zal meewerken om de
-verhouding der echtgenooten zuiverder en mooier te maken en daardoor de
-geheele menschheid ten goede komen, en daarom, zooals je ziet, vind ik
-het op dit oogenblik dus economisch wèl degelijk een ideaal dat de
-getrouwde vrouw loonarbeid doet. En wat de materieele kant van het
-vraagstuk betreft, deze is natuurlijk hoe langer hoe makkelijker op te
-lossen. Zij die schermen met: „de vrouw moet zich uitsluitend bij het
-huishouden hoûen,” vergeten dat onze grootmoeders, die zij tot
-voorbeeld nemen, met diepe minachting op het huishouden van
-tegenwoordig zouden neerzien. Je moet zoo’n aardig oud receptenboek
-maar es zien met de grappige spelfouten en wijze practische
-raadgevingen om te begrijpen wat het „huishouden” vroeger beteekende.
-Onze voormoeders sponnen zelf haar linnen, naaiden zelf al haar
-kleeren, nog wel zonder machine, breiden al de kousen voor de familie
-zelf, maakten zelf vruchten en groenten in, bereidden zelf haar
-huismiddeltjes, maakten zelf haar slacht, deden zelf haar wasch, bakten
-zelf haar brood en taartjes en lekkernijen, hadden voor haar zieken
-geen hulp van uitstekende ziekenhuizen en gediplomeerde verpleegsters,
-kenden geen fröbelbewaarscholen en geen gas en geen waterleiding! Wat
-is betrekkelijk weinig overgebleven van al dat enorm veel omvattende
-huishoudwerk! Zelfs de conservatiefste vrouwen en de weinig
-gefortuneerden laten haast alles buitenshuis doen, en de tijdstroom
-gaat op dit oogenblik heelemaal dien kant uit. Door nieuwe
-machinerieën, die nog dagelijks worden uitgevonden, door coöperatie en
-betere arbeidsverdeeling zal er hoe langer hoe minder van dat werk
-overblijven, en als men ziet hoeveel tijd nu al de getrouwde vrouwen
-kunnen missen, zoodra het op amusement aankomt, voor menschen zien,
-visites maken, noodelooze handwerken, en de eeuwige boodschappen, dan
-kun je logisch aannemen dat zij in de toekomst ook wel tijd voor
-productieven arbeid zullen kunnen vinden, wanneer dat noodig blijkt te
-zijn!”
-
-„Maar de gezelligheid, Marion, de gezelligheid van ’t gezin zal er zoo
-onder lijden!”
-
-„Dat geloof ik niet!” zeide Marion overtuigd. „Natuurlijk in deze
-overgangstijden, zoolang de korte werkdag nog niet is ingevoerd, zal de
-vrouw die loonarbeid doet, in sommige betrekkingen wel es te kort
-moeten schieten in haar plichten van volmaakte huisvrouw, maar ik
-verzeker je, het is niet mogelijk dat zij ooit verder van het
-waarachtige huismoederideaal zal afstaan dan het grootste gedeelte der
-tegenwoordige vrouwtjes, die niets doen dan zoogenaamd voor haar
-huishouden leven! O! ik spreek nog niet eens van de wufte vrouwen, die
-opgaan in visites en partijen, maar van degenen die ’t heusch nog goed
-meenen. Wil je wel gelooven, dat ik er een massa ken, met toch
-betrekkelijk maar kleine gezinnen, die zoo opgaan in materieele zorgen,
-dat zij op ’t laatst in ontwikkeling geen haar beter zijn dan de eerste
-de beste dienstbode? Ik ken er die uren lang over ’t vermaken van
-kleeren enz. enz. met haar kennissen zitten te .... kletsen, en zich
-zelf erg goed en degelijk vinden, maar van gezondheidsleer en
-voedingswaarde en pedagogie en kinderzielkunde en al zulke dingen meer,
-zelfs geen flauw besef hebben. Ja, heusch, ik ken er zelfs, die er ’n
-eer in stellen dat ze nooit lezen en geen belang stellen in wat ook
-buiten haar kringetje en zelfs geen vermoeden hebben hoe bekrompen duf
-daardoor de atmosfeer van haar huiskamer wordt! En dan later, als de
-kinderen groot zijn, zie je overal het wreede verschijnsel, dat zulke
-moeders, die toch dikwijls ter goeder trouw zich hebben afgesloofd, als
-vreemden staan buiten den gedachtenkring der kinderen, niet in staat om
-nieuwe vraagstukken, die de jonge harten in ontroering brengen, de
-Sturm und Drang, die in hen bruischt, te begrijpen en te deelen. „Och
-ma? ma is zoo ouderwetsch, met ma kun je nooit es over zoo iets praten,
-ma is een goed mensch maar ze is zoo heelemaal niet met haar tijd
-meegegaan!” Dat hoor je tegenwoordig aan alle kanten schouderophalend
-zeggen, en ’t is wreed voor zulke moeders, na een leven van goed
-bedoelde toewijding, als de materieele zorgen zijn afgeloopen,
-eigenlijk niets meer in het leven van haar kinderen te beteekenen. Maar
-waarom hebben zij er dan toch ook nooit eens aan gedacht, dat het
-honderd maal gelukkiger is voor een kind, een ontwikkelde moeder te
-hebben, die ernstig belang heeft gesteld in de levensvraagstukken van
-haar tijd, zoodat zij later een vriendin voor haar kinderen kan zijn en
-ze leiden kan met haar meerdere ervaring door het labyrinth der
-nieuwere gedachten, dan een moeder die dag op dag kasten heeft
-opgeruimd of verstelwerk heeft gedaan.
-
-O! niet dat ik verstellen minacht, hoor!”—lachend wees zij op tafel
-naar haar keurige naaidoosje en een stapeltje kinderkleertjes
-daarnaast—„maar ik zou, als het moest, de kleintjes nog liever met
-kapotte kousen laten loopen, en nog liever geef ik ze grove eenvoudige
-kleertjes, die weinig onderhoud eischen en laat ik er nou ’n arm
-vrouwtje wat aan verdienen—nu ik zelf verdien, kan ik ook eerder wat
-gehuurde hulp betalen, nietwaar?—dan zoo’n moeder te worden wier
-kinderen geestelijke weezen zijn! Met mijn zangstudies en lessen heb ik
-natuurlijk zoo heel veel tijd niet over, maar ik stel tenminste overal
-belang in! en een paar noodige bezoeken en
-avondjes-waar-je-heusch-niet-af-kan, laat ik tenminste meestal in den
-steek om es iets moois te lezen, geen nieuw romannetje, bedoel ik, maar
-iets goeds, dat mijn gedachtenkring een beetje kan verruimen.”
-
-Ademloos had Bella toegehoord. Ze vond er een prikkelend genot in, om
-dit alles, dat ze zoo dikwijls vaag had beseft, zoo duidelijk, als iets
-heel gewoons te hooren zeggen. En zij voelde dat het waar was! Bij
-zichzelf en verscheiden vriendinnetjes had ze het immers gezien, hoe
-moeders, die het toch o! zoo goed meenen, een belemmering kunnen zijn
-door haar bekrompen denkbeelden en hoe weinig waarachtige gezelligheid
-er soms in de nabijheid van zulke vrouwen is.
-
-„Maar Marion. Ik wou je toch nog even iets vragen.”
-
-„En dat is?”
-
-„Geloof je toch niet dat de kleine kinderen er onder zullen lijden, als
-de moeders ze vroeg aan vreemden moeten overgeven om weer te gaan
-verdienen?”
-
-Marion schudde het hoofd:
-
-„Als de vreemde hulp goed is, kan het geen kwaad dat het kindje er al
-vroeg een gedeelte van den dag aan wordt toevertrouwd, en je begrijpt,
-ontwikkelde vrouwen, die ’t leven ernstig hebben leeren inzien, zullen
-op dat punt van hulp, heel wat strenger, consciëntieuzer zijn, dan de
-meeste tegenwoordige vrouwtjes, die toch z.g. uitsluitend leven voor
-haar hooggeprezen huishouden, maar minnen, kindermeiden en bonnes
-nemen, waar ik mijn kleine prulletjes voor geen millioen aan zou
-toevertrouwen! Overigens, wij gaan in de economische toestanden zulke
-groote veranderingen tegemoet, dat er volstrekt nog niet te voorspellen
-valt hoe precies de toekomstvrouw haar loonarbeid met haar
-moederplichten zal combineeren. Sommige staathuishoudkundigen zeggen
-dat men eenmaal tot de erkenning zal komen, dat nieuwe levens aan de
-wereld schenken en die opvoeden zulk een bij uitnemendheid gewichtig en
-nuttig werk voor de gemeenschap is, dat het niet langer aangaat de
-vrouw die die prachtige taak volbrengt, materieel absoluut afhankelijk
-te laten van den een of anderen man, die heel onvoldoende, slecht zelfs
-voor haar onderhoud zorgen kan. Men zal dan inzien, dat het onbillijk
-zou zijn om in die uiterst belangrijke periode van haar leven ook nog
-anderen arbeid van de vrouw te eischen, en zoo doende zou men er
-volgens hen, van zelf toe komen om op kosten van den staat, als je
-liever wilt van de gemeenschap, de vrouw te onderhouden, gedurende die
-jaren dat zij jonge kinderen heeft te verzorgen. Bij een niet al te
-groot gezin zou dat betrekkelijk maar een kort tijdperk hoeven te zijn,
-en op die wijze zou zij zich onafhankelijk en onbezorgd aan haar
-grooten arbeid kunnen wijden. Anderen daarentegen gelooven niet dat het
-zoo zal gaan, maar dat bij een algemeen korten arbeidsdag, geholpen
-door uitstekend ingerichte Fröbeltuinen en volmaakte crèches de vrouw
-zal kunnen voortgaan in haar betrekking, ook in den tijd dat zij kleine
-kinderen heeft, alleen nu en dan een groot verlof nemend, dat aan
-mannen nu toch ook dikwijls om gezondheidsredenen wordt toegestaan.
-Enfin, hoe zich dat alles schikken zal, moeten we afwachten, men kan er
-nu nog onmogelijk met eenige zekerheid profetieën over verkondigen, en
-ieder moet nog maar voor zich zelf individueel trachten een oplossing
-te vinden voor dit moeielijk probleem. Alleen dit is zeker, we gaan
-onherroepelijk die richting uit, dat de vrouw zich niet langer door den
-man zal laten onderhouden maar haar eigen brood zal willen en moeten
-verdienen! Gelukkig echter worden zulke nieuwe toestanden niet
-theoretisch door den een of ander uitgedacht, en op een goeden dag
-ingevoerd. Langzaam groeien zij op uit het verlangen en de behoeften
-van velen, zoodat de vrouwen zelf, voorgelicht door haar moederlijk
-instinct, veel zullen kunnen doen, zoodra zij in de regeeringszaken
-mede stem hebben gekregen, om de omstandigheden zoo gunstig mogelijk te
-maken om, zoo als ik, èn moeder èn arbeidster tegelijk te kunnen zijn.”
-
-Isabelle zag peinzend, nog niet volkomen voldaan:
-
-„Ja .... maar .... ken je de ouwe mevrouw Planting, die zoo tegen de
-emancipatie ijvert? Zij zegt altijd: de kinderen zullen te kort komen
-als de getrouwde vrouw gaat verdienen, omdat zij dan die eigenaardig
-weldadige koestering zullen missen, die de moeder alleen kan geven. Of
-geloof je daar niet aan?”
-
-„Ja zeker wel!” zeide Marion warm. „Tenminste bij veel moeders, ook
-volstrekt weer niet bij allen. Generaliseeren is altijd zoo verkeerd!
-Maar ik ben overtuigd dat de weldadige inwerking van dien liefdegloed
-die van de moeder uitgaat, niet zoozeer afhangt van de quantiteit als
-van de qualiteit der uren, die de vrouw aan haar kinderen wijdt. Ik
-weet bijvoorbeeld, verscheiden dames die zich zelf houden voor
-toonbeelden van moederlijkheid, maar die, òf door haar mondaine
-plichtjes, òf door haar gesloof en gedraaf—en goeie Hemel, wat
-vergrooten ze haar drukte dikwijls nog door allerlei vooroordeelen en
-onpractische omslachtigheden—zoo moe zijn ’s avonds, dat, als de
-kinderen uit school komen, ze niets hooren dan: „Wees toch stil jongen,
-kinderen wat maak je ’n leven! Wat ben je toch lastig, zus!” En zoo
-gaat het voort! De kinderen worden afgesnauwd of stilgehoûen en in hun
-scherp kritische oogjes verliest het moederbeeld veel van zijn
-stralenkrans. Terwijl ik bijvoorbeeld, die ze toch het grootste
-gedeelte van den dag niet zie, altijd weer even verrukt en verkwikt ben
-als ik de kleine vrouwtjes weer bij me heb. Het is voor ons altijd
-opnieuw een feest, als we samen zijn, niet waar, Daisy? en ik durf
-gerust voorspellen dat mijn invloed op de kinderen, het gevoel van mijn
-liefde, sterker bij hun zal zijn dan dat heel dikwijls het geval is in
-gezinnen waar de vrouw den heelen dag in haar huishouden bezig is. En
-waarom ook niet? Vaders, die maar enkele uren aan hun kinderen kunnen
-wijden, hebben toch immers ook wel eens méer invloed op hen, dan de
-moeders die voortdurend bij hen zijn!
-
-Ziezoo, ben je nou voldaan, nieuwsgierig meisje? Je ziet wel, dat al
-verdien ik voor ze mee, de roosjes niet minder mooi bloeien op de
-koontjes van mijn kleine deugnieten!”
-
-En ineens, met een beweging van hartstochtelijke innigheid nam Marion
-Noorman het kindje op en hield het op haar schoot, het knuffelend en
-kneuterend en kussend in jubelende weelde, tot het het uitkraaide van
-pret.
-
-„Maar Marion, wat vindt je man er van, vindt die ’t eigenlijk wel
-goed?”
-
-Marion kleurde, en langs haar voorhoofd steeg op eens een warme gloed
-van geluk, die haar oogen liet stralen:
-
-„Mijn man? O! die is erg trotsch op me, veel te trotsch, zie je, want
-het beteekent immers niks! Alleen zou hij wel graag zelf iets meer
-verdienen, dat ik niet zóóveel les behoefde te geven. Want het zingen
-zou ik nooit laten; dat is nou eenmaal een talent, dat me is
-toevertrouwd om er mee te woekeren, en dat ik dus niet begraven mag. De
-schatjes zouden het mij later eerder verwijten, dan er mij dankbaar
-voor zijn. Maar al die lessen, begrijp je, zijn wel wat vermoeiend soms
-en die doe ik alleen voor de Levensverzekering. Maar ik zeg altijd
-tegen René: Tob er nou toch niet over, man! Iedereen moet zich wel es
-vermoeien! En ons leven, zooals het nu is, is immers zoo heerlijk, dat
-je heusch niets meer verlangen kunt! Het volmaakte bestaat eenmaal
-niet, en o! je weet niet hoe innig, innig gelukkig we zijn!”
-
-Zij haalde diep adem, alsof ze haar borst wilde uitzetten om zooveel
-geluk te omvatten, en liet haar hoofd even rusten op Daisy blonde
-bolletje. Toen liet het kind, dat al dien tijd Belle met nieuwsgierig
-bestudeerende oogjes had opgenomen, zich op den grond glijden, en
-dribbelde weg naar het hoekje in de andere kamer waar Nelly weer zat te
-spelen. Marion zag haar na, met haar verrukten moederglimlach, maar
-toen, de weelde-emotie, die in haar opzwol terugdringend, dwong ze zich
-haar volle belangstelling weer naar Belle te voeren:
-
-„Foei, wat laat je me vandaag ’n boel over ons zelf praten. En ik heb
-je nog niet eens m’n gewichtige voorstel gedaan.”
-
-„O ja, dat voorstel, is het zoo gewichtig?”
-
-„Ja zeker! Dus, je begrijpt, in December en Januari kan ik niet gaan
-zingen, nietwaar? Maar nou ken ik nog al goed de directeuren van die
-zangvereenigingen en sommige leden van het bestuur, en als ik hen nou
-schreef dat ik niet kan komen, maar dat ik jou aanbeveel in mijn
-plaats, geloof ik wel dat ze je zouden vragen ....”
-
-Isabelle werd heel bleek, haar gezicht éen passie van luisteren.
-
-„Mij?” zeide ze heesch.
-
-„Ja, ik denk dat het best zal gaan. Natuurlijk, je moet nog hard
-studeeren deze maanden, en we zullen samen de partijen doornemen, maar
-dan kun je het gerust doen. Ze zullen je ook wel niet de som geven, dat
-spreekt van zelf, die ik zou hebben gekregen, maar dat is minder. Als
-ze je maar laten komen en je ’n klein honorarium geven, is het al heel
-veel!”
-
-„Ik weet niet of mama dat wel goed zal vinden! ....”
-
-„Wat? Dat je gaat zingen, of dat je geld aanneemt? Het laatste zou ik
-haar maar niet eens vertellen. Als ouders heel lief zijn, maar in hun
-opvattingen bekrompen ouderwetsch, verdienen ze dat men hun niet alles
-zegt. Maar hoe vindt jij het voorstel?”
-
-„O! ik? ....” In eens gleed ze neer voor Marion, het hoofd verbergend
-in haar schoot, en zachtjes snikkend nam ze haar hand en bedekte ze met
-kussen. „Ik vind het zalig!”
-
-„Dan is het goed!” zeide de jonge vrouw, blij met den uitslag van haar
-voorstel. „Maar nog hard studeeren hoor! Je bent wel ’n zangvogeltje
-bij de gratie Gods, maar er moet toch nog hard gewerkt worden.”
-
-„Je weet wel dat ik niks liever doe!” zeide Bella hartstochtelijk,
-opstaand met een beetje valsche schaamte om haar onstuimigheid. „O!
-Marion, wat ben je toch vreeselijk goed voor me! ....”
-
-Maar Marion onttrok zich lachend aan een tweede scène van dankbaarheid,
-die ze zag aankomen:
-
-„Dag, meisjelief! Ik ga gauw m’n vuilpoesje wasschen. Dag! Denk aan
-dien triller, hoor!”
-
-En met de hand even wuivend, liep ze snel de kamer uit met Nelly in
-haar armen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Isabelle kwam hollend de trappen van Marion’s bovenhuisje af. Zij
-merkte vandaag niet eens dat zij nauw en steil waren, ze vloog naar
-beneden en toen de straat over, in gespannen verlangen om thuis te zijn
-en van de Columbusstraat naar huis, naar de van Speykstraat was een
-heel eind loopen. De zon brandde warm in de straten, maar de eerste
-oogenblikken vond ze het weldadig; ze rilde koud van opwinding.
-
-„O! Maatje, ik moet u even omhelzen! Ik heb u toch zoo iets
-verrukkelijks te vertellen! Nee, legt u nou even die pen neer. Ik moet
-het u dadelijk zeggen!”
-
-Mevrouw Pankaert glimlachte flauw, meer verbaasd dan meegesleept door
-de ongewone vroolijkheid:
-
-„Wat ben je toch nog ’n kind, Belle, om zoo te komen binnenvliegen!
-Kijk, je hebt m’n lijstje laten vallen. Wat is er nou toch eigenlijk?”
-
-Zij had juist haar kleine trommeltje met effecten nagezien en de
-coupons geknipt, en nu zat ze met een stapeltje rekeningen vóór zich,
-waarvan er verscheiden dringend moesten worden afgedaan. Maar de vraag,
-welke nog wat konden wachten, en welke nu het eerst absoluut moesten
-worden betaald, eischte een subtiliteit van overwegen, een toepassing
-van menschenkennis, waarvan niemand begrip heeft, die geen fatsoenlijke
-armoede heeft gekend. Het maakte haar altijd zenuwachtig en Belle’s
-hijgend binnenstormen werkte prikkelend op haar humeur.
-
-„O! ik wist niet, dat u bezig was! Nee, dan zal ik het straks wel
-vertellen!”
-
-Belle voelde dat het ’t verkeerde oogenblik was geweest en ging stil de
-kamer uit. Maar de bitterheid van het zich eenzaam voelen door
-ongedeelde vreugde zwol op in haar keel onder het trapopgaan.
-
-En boven, in haar kamertje ook was het in eens of de geluksstemming van
-straks was weggezonken. Dat kleine momentje van gekrenkte teederheid
-had in eens de vreugdevuren gedoofd. Ze was ook zoo akelig
-fijngevoelig! Corona had gezegd: dat was een gave, en zooals alle gaven
-kon men haar goed of slecht gebruiken. Precies door haar te raden wat
-anderen kon kwetsen of troosten, was haar goed gebruiken, door haar
-zich te verdiepen in elken kleinen pijnlijken indruk die men ontvangen
-heeft, was misbruik van haar maken. Maar het was moeielijk om zich
-juist aan die grenzen te houden! En o! straks was het zoo heerlijk
-geweest! Toen ze naar huis ging was het alsof ze door wolken van geluk
-werd gedragen. Te zullen zingen in een groote zaal met achter zich
-violen en cellos, die haar stem in hun zwevende klankenvlucht zouden
-opnemen en hoog wegdragen, ver over de hoofden van honderden menschen,
-wat een droom! Ze had straks het sprookjesachtige gevoel gehad van het
-onbereikbare te hebben gegrepen!
-
-Maar nu, na mama’s stroeven glimlach was alles in eens heel anders. Zij
-moest denken aan haar toilet, ’n heel nieuw en kostbaar misschien, waar
-al het geld, dat ze verdienen zou, wel aan weg kon gaan. En wat zou ze
-aantrekken? Niets stond haar toch eigenlijk goed! En met akeligen angst
-dacht ze er aan hoe honderden oogen haar zouden aanzien en zich
-teleurgesteld zouden afwenden, omdat zij zoo leelijk was. Maar
-misschien, als ze nu eens goed gekleed en gekapt was? .... Marion vond
-toch ook dat ze den laatsten tijd, nou ze zooveel gezonder werd, er
-beter begon uit te zien. En als ze dan maar zóó mooi zong dat de
-menschen vergaten naar haar te kijken en alleen luisterden ....
-
-En toen, ineens, dacht ze weer aan dien triller op de hooge b, op het
-eind van dien langen zin, waar nergens adem mocht worden gehaald.
-Straks bij Marion ging ie goed, maar zou ze hem nou ook nog kennen? Ze
-vloog de trap af, naar de eerste verdieping, waar de piano stond,
-gejaagd door het idée fixe van dien triller. ’t Was haast als een
-bijgeloof dat alles er van af zou hangen of hij nou goed ging of niet.
-En ja, het ging, alleen de naslag kwam er nog ’n beetje benauwd uit,
-maar den tweeden keer ging het beter en toen begon ze de heele aria van
-begin afaan met intense aandacht te studeeren.
-
-„Belle, Belle, hoor je niet?”
-
-„Ja, ma, wat is er nou weer?” Ongeduldig, buiten zichzelf om de
-storing, die al haar zenuwen liet trillen, gilde ze terug.
-
-„Belle!” riep mevrouw Pankaert weer, heel hoog nu, schel slepend op de
-eerste lettergreep, want ze had het antwoord niet gehoord.
-
-„Ja, ma, wat blieft u toch?”
-
-„Daar is net ’n briefkaart van Charly dat ie vanmiddag thuis komt. Toe,
-kun jij nou nog niet es gauw dat poddinkje à la Reine maken, waar ie
-zooveel van houdt?”
-
-„Och, ma, dat is zoo’n werk, kunnen we dat morgen niet doen? ’t is al
-zoo laat en ik studeer juist zoo heerlijk. Laten we vandaag maar wat
-flensjes geven, daar houdt ie toch ook van.”
-
-„Och, altijd met die bezwaren! Morgen is ie misschien weer uit eten,
-met z’n vrienden. Kom doe het nou maar gauw!”
-
-Met een zwaren zucht sloot Isabelle de piano. Zoo was het nou altijd!
-Altijd werd ze gestoord, en van haar werk geroepen, dan voor het een en
-dan voor het ander! Als Charles naar zijn kamer ging, al was het maar
-met ’n romannetje, en tegen mama zei dat ie ging werken, was zelfs de
-wasch wel es blijven staan om hem door het stommelen op zolder niet te
-storen, maar zij moest altijd maar klaar staan voor alles. Charles
-sprak dikwijls met minachting over dameszenuwen, maar hij mocht wel es
-bedenken, wat er voortdurend van die zoogenaamd zwakkere vrouwenzenuwen
-gevergd werd, dat aan den man gespaard blijft. Waarom kon men haar
-studies ook niet wat respekteeren? Zij had toch ook een ernstig doel.
-Maar dat was het juist, men geloofde maar half aan haar doel.
-
-In opgewonden ergernis, met driftige bewegingen begon ze het eiwit te
-kloppen. O! vroeger toen ze niets bepaalds uitvoerde, was het immers
-heel goed geweest dat men haar voor alles gebruikte. Soms was het zelfs
-’n welkome afleiding geweest en licht dat zij tenminste al die
-kleinigheden deed in haar werkeloos bestaan! Maar tegenwoordig, nu ze
-toch ook haar studie had! .... Enfin, Corona had het verleden immers
-ook nog zoo goed gezegd: In de meeste families wordt het meisje nog
-beschouwd door de broers, als een min of meer gewillig of amusant
-slavinnetje, door de mamas als ’n hartelijk soort van juffrouw van
-gezelschap en door de heele verdere familie als ’n factotum, over wie
-men bij ziekte en schoonmaak en bruiloft gewoon beschikken kan. En
-vroeger was dat ook natuurlijk, toen ongetrouwd blijven een
-uitzondering was, en het meisje dus in de korte jaren vóór haar
-huwelijk door al die dienstjes heel wat ervaring en handigheid leerde.
-Maar tegenwoordig, nu de ongetrouwde vrouwen bij duizenden worden
-geteld, is het akelig om te zien in hoe weinig gezinnen men zelfs nog
-maar vermoedt dat een meisje evengoed als een jongen behoefte heeft aan
-een eigen werkkring, en een eigen individualiteit heeft, met eischen en
-rechten, welke gerespekteerd behooren te worden en met gewoonlijk nog
-wel andere verlangens in haar hart dan om voor alle mogelijke
-familiebelangetjes en familietroubles te worden gebruikt.
-
-Maar Isabelle, onder het bedenken van al die dingen, terwijl
-zachtjesaan haar kloppen een rythme had gekregen, waaruit melodietjes
-opwelden, die geneuried wilden worden, begon haar gewoon geduldige
-stemming terug te vinden.
-
-Ze legde nu even de klopvork neer; haar rechterarm begon zoo’n pijn te
-doen en ze wou het links toch es probeeren. Maar links was ze veel
-minder handig. In eens, met een onwillekeurige krampbeweging, vloog de
-vork over het bord en een lange witschuimende slier lag over de
-keukentafel.
-
-„Guns, freule, wat zonde! Wil ik nou es kloppen? U ziet heelemaal
-rood!”
-
-„Nee, dank je wel, Mijntje, ga jij nou maar gauw de slagroom halen,
-anders kan ik straks niet voort. Die moet ook nog heelemaal geklopt
-worden.”
-
-„Zal u dan effe op de bel letten? Maar gaat u toch bij ’t raam in den
-tocht staan, anders krijgt u ’t nooit nie stijf. ’t Is toch al zoo heet
-vandaag, en dan in dit benauwde keukentje! ....”
-
-Isabelle, vlak bij ’t raam, klopte voort: Ze was toch nog niet sterk na
-de diphteritis van den winter, want vroeger werd ze er nooit zóo moe
-van. Het zweet gudste neer langs heel haar lichaam, en zij zette de
-tanden vast op elkaar om de pijnlijke spieren van haar schouderblad
-beter tot hun werk te dwingen.
-
-Toen, zachtjes roepend, klonk het van beneden uit het tuintje:
-
-„Pst, Pst, Belle ....”
-
-Ze leunde het raam uit en lachte met veel knikjes op
-schoolmeisjesmanier:
-
-„Dag Jettie! Wat is er?”
-
-„Wat doe je daar?”
-
-„Ik klop eiwit.”
-
-„’n Lekker werkje voor zoo’n heeten dag.”
-
-„Ja, dat geloof ik.”
-
-„Zal ik je es wat zeggen? Ze komt vandaag.”
-
-„Wie?”
-
-„Je vriendin, je afgod.”
-
-„Corona van Oven?”
-
-„Ja, ik ben gisteren bij haar geweest en heb haar m’n hart uitgestort,
-en vanmiddag zou ze er met mama over komen spreken.”
-
-„Zal het helpen, denk je?”
-
-„Weet ik het? Maar als ze niet naar haar luisteren, is het hun eigen
-schuld als ik gek word.”
-
-„Hê, Jettie, zeg toch zulke dingen niet.”
-
-„Nou, is ’t niet beleefd van me dat ik tenminste van te voren
-waarschuw?”
-
-„Hoe kun je daar nou mee spotten, Jet?”
-
-„Ik spot niet, ik lach maar ’n beetje, omdat ik geen raad weet met
-mezelf van angst. Moet je nog lang kloppen?”
-
-„Ja, natuurlijk, tot het stijf is.”
-
-„Wil ik je komen helpen? Toe ja, ik verveel me zoo vreeselijk!”
-
-„Moet je je lessen niet leeren?”
-
-„Hê Belle, wat zeur je toch. Ik krijg al hoofdpijn, als ik aan die
-akelige boeken denk. Geloof je dat het me iets kan schelen hoe al die
-bergen in Azië heeten? Toe, mag ik komen?”
-
-„Nou, heel graag dan, want m’n arm is nou al lam.”
-
-Het waren Indische menschen, die het benedenhuisje onder mevrouw
-Pankaert bewoonden, dat wil zeggen, mijnheer de Snoek was lang in Indië
-geweest en mevrouw had sterk het type van het gemengde bloed en had dat
-weer aan haar vier meisjes gegeven. Jettie was de jongste en de mooiste
-van de vier; ze had de groote bruine oogen van het land waar de zon
-gloeit, maar ze was blanker dan de anderen en forscher gebouwd.
-
-Fluisterend en gichelend stonden de twee meisjes samen in het keukentje
-en Jettie met haar lenige, bruine handjes klopte prachtig, terwijl
-Belle de melk aan den kook bracht.
-
-„Vond Corona dat je gelijk had?”
-
-„Natuurlijk! Ik ben gisteren naar haar toe gegaan, en ik heb gezegd:
-juffrouw .... wat zeg jij, juffrouw of dokter?”
-
-„Dokter natuurlijk.”
-
-„O! .... nou, ik heb juffrouw gezegd en ze scheen het toch niet kwalijk
-te nemen, want ze was dadelijk heel vriendelijk, vooral toen ik zei,
-dat ik op jouw raad kwam.”
-
-„Hoe aardig van haar, en wat heb je toen gezegd?”
-
-„Juffrouw,” heb ik gezegd, „het is bij ons een heele arme boel! En daar
-heeft me nou onze goeie lieve beste papa zoo’n administratief baantje
-opgescharreld, waar ie elken morgen door weer en wind heen moet gaan om
-er voor ons nog maar wat bij te verdienen, ofschoon ie door z’n
-leverkwaal, ziet u, dikwijls erg naar is? En later als ie dood is en we
-verliezen z’n pensioen, zullen we ons verschrikkelijk moeten bekrimpen!
-En weet u wat wij nou doen met ons vieren zusters, jonge gezonde
-stevige meisjes? Niks! O! ik kan het niet langer aanzien. Is het niet
-hemeltergend, dat die goeie ouwe man zich uitslooft en dat wij langs de
-straat slenteren! O! we zitten niet met de handen over elkaar den
-heelen dag, dat begrijpt u. Vooral Nonnie en Kate zijn heel handig en
-maken haar japonnetjes zelf, maar ik vraag het u, wat is dat nou voor
-werk voor volwassen meisjes, om zoowat toiletjes in elkaar te
-flodderen. Ik ben de jongste, juffrouw, net zeventien en met kerstmis
-zou ik van school afgaan, maar ik bedank er voor, om dan net als de
-drie anderen te gaan doen, zoo’n beetje je tijd te verleuteren en kizze
-bizzen, altijd maar op den zoek van ’n man, die zoo goed wil zijn om
-ons te onderhoûen! Want dat doen ze, juffrouw, al worden ze woedend,
-als je het tegen ze zegt, en wil ik u es wat zeggen? Als je dat ééns
-hebt ingezien, dan lijkt de heele wereld je in eens ’n reusachtige
-slavinnenmarkt, waar al de meisjes zonder geld zich te koop komen
-aanbieden.”
-
-„En wat zei Corona?”
-
-„Ze schoot ineens in den lach en zei: „Gebruikt u altijd zulke sterke
-uitdrukkingen?””
-
-„Lachte ze je dan uit?”
-
-„Nee zeker niet! Want dadelijk daarop vroeg ze heel lief: „En wat wilt
-u nu gaan doen?” En toen heb ik het haar alles heel eerlijk verteld:
-dat natuurlijk het eenige wat voor meisjes van onzen stand openstaat
-het onderwijs is of ziekenverpleging of juffrouw van gezelschap, maar
-dat ik dat alle drie even afschuwelijk zou vinden. Voor de twee laatste
-baantjes ben ik nou eenmaal volstrekt niet geschikt en als je bij het
-onderwijs ’n beetje vooruit wilt komen, moet je ’n boel aktes hebben en
-om daar jaren te gaan zitten blokken, lijkt me ’n gruwel! Ik heb niks
-geen leerhoofd.”
-
-„En natuurlijk vond Corona dat je gelijk hadt, want ik weet dat ze ’t
-heel verkeerd vindt als menschen, die er geen lust voor hebben, bij de
-verpleging of het onderwijs gaan, en toen?”
-
-„O! toen vroeg ze of ik dan nergens anders lust in had, en toen heb ik
-tegen haar gezegd: Juffrouw, zeg ik, ik ben dol, dol, dol op kleine
-kinderen. Het verveelt en vermoeit me nooit om met ze te spelen. Ik ben
-’n geboren kinderjuffrouw en dat zou ik ook willen worden! Maar mama
-vindt het natuurlijk ver beneden m’n stand en ze worden thuis allemaal
-boos als ik er over spreek. En weet je wat ze toen zei? O zie je, je
-hebt gelijk, ’t is ’n schat van ’n mensch, en ze pakte zóo m’n hand
-...”
-
-„O! Jettie, het ei, pas op dan toch!” gilde Isabelle in eens, want in
-de opwinding van haar verhaal was de klopper stil gebleven en Jettie
-hield de schotel met eiwit heel schuin.
-
-„Hê, wat ’n schrik! Als ik het had laten vallen, zou je me zeker het
-raam hebben uitgegooid?”
-
-Belle lachte:
-
-„Nee, maar ik had geen raad geweten, we hebben geen éen ei meer in
-huis, en ’t is toch al zoo’n dure pudding.”
-
-„Ja, ’t zit er aan bij jullie! Zulke lekkere schoteltjes!”
-
-„O! ’t is voor Charles. Mama vindt het zoo heerlijk om hem te
-trakteeren. Dat is ook onze eenige luxe.”
-
-Zij bukte zich even, heel diep, over het pannetje met smeltende
-gelatine, bang dat Jettie haar kleur had gezien en de bitterheid in
-haar woorden had begrepen.
-
-„Nou hoor, als ik zoo’n broer had, die heel alleen voor z’n eigen
-plezier leefde, zou ik hem niet zulke dure lekkere dingetjes
-klaarmaken! Maar goddank dat ik er geen bezit, en ik heb er dus
-misschien ook geen verstand van, hoe je zulke monsters moet
-behandelen.”
-
-„Hê, Jettie, wat ben je weer aan den gang, kom vertel nou gauw verder.”
-
-„Wel, toen heeft ze zoo lief tegen me gesproken, engelachtig, zie je!
-Kinderjuffrouw, zei ze, dat is ’n heel gewichtige, interessante
-betrekking, als men er roeping voor heeft, en waar niemand op neer mag
-zien! De indrukken van de eerste jeugd kunnen dikwijls ’n beslissenden
-invloed op het heele leven hebben en hoe meer men nu in gaat zien, hoe
-gewichtig daarom de vraag is, aan wie die eerste jaren zullen worden
-toevertrouwd, hoe hooger men de werkkring van de kinderjuffrouw zal
-gaan stellen. Ik ken hier een paar rijke vrouwtjes, die geen tijd en
-lust hebben om zich veel met haar kinderen bezig te houden, maar wie ik
-toch genoeg aan haar verstand heb gebracht, wat haar kleintjes toekomt,
-dat zij met genoegen vijf, zes honderd gulden zouden geven, als ze een
-echt superieure kinderjuffrouw konden vinden!—Stel je voor, Belle,
-vijf, zes honderd gulden, zou het niet verrukkelijk zijn?—maar dan moet
-je ook uitmunten in je werk! zei ze. Als dames zoogenaamd minder werk
-gaan doen, moeten ze het baantje naar zich optrekken, er iets moois van
-maken, en niet afdalen naar het lage peil waarop het nu staat! In
-Engeland zijn tegenwoordig zelfs dames, die gewoon meid worden in
-gezinnen, waar men er wat voor over heeft om werkelijk beschaafde, in
-haar vak knappe vrouwen tot hulp der huismoeder te nemen. En dat vind
-ik ’n groote stap vooruit. Want men beweert wel es, dat de dames geen
-concurrentie moeten aandoen aan de volksmeisjes, maar dat is maar een
-drogreden. Als de beschaafde vrouw, door haar werk, toont wat een goeie
-dienstbode kan en moet zijn, verheft ze daardoor de betrekking, waar
-zich nu elk onervaren slonzig volkskind goed genoeg voor vindt, en
-daardoor worden de eischen hooger gesteld, hetgeen weer tengevolge
-heeft dat men duidelijker de behoefte zal gaan beseffen aan
-huishoudscholen en vakonderwijs voor dienstmeisjes en dat ook de loonen
-zullen stijgen. Ik ken nu Engelsche meisjes van heel goeie familie die
-in groote adelijke huizen keukenmeid en kamenier zijn en daar vrij wat
-meer verdienen en meer vrijheid genieten dan onze arme juffrouwen van
-gezelschap of verpleegsters tegen wil en dank! En zoo zou het met u ook
-moeten zijn. Als het u ernst is, moet u bijvoorbeeld naar Dresden naar
-een model Fröbelinrichting gaan of iets dergelijks, en grondig, niet
-zoo’n beetje Fröbelspelletje leeren, maar diep u in de geniale
-opvoedingsleer van Fröbel inwerken. En die studies zoûen u niet zwaar
-vallen; dingen waar het hart in is, leert men gemakkelijk! En als u dan
-’n model kinderjuffrouw bent geworden, kunt u op mij rekenen. Dan zal
-ik wel zorgen dat u ’n betrekking krijgt, waar men u moreel en
-finantieel te apprecieeren weet!”
-
-„En heeft ze toen beloofd om er met je mama over te komen spreken?”
-
-„Ja, en ze heeft me ook nog iets gegeven ....” Met ’n beweging van
-dwepend bakvischje haalde Jettie een papiertje uit haar zak en kuste
-het, kleurend en lachend. „Ik heb het wel honderd maal gelezen, sinds
-gisteren, want het zegt precies wat ik altijd heb gevoeld, maar ik kon
-het nooit goed uitdrukken.”
-
-Belle leunde verlangend over het geknuffelde stukje papier, terwijl zij
-beiden bijna de podding vergaten:
-
-„Laat es zien!”
-
-„Kijk, het is iets uit ’n brief van mevrouw Carlyle, [9] je weet wel,
-de vrouw van dien beroemden Engelschen schrijver. Ze was ’n vreeselijk
-knap meisje, zegt Corona, vreeselijk geleerd, en ze had ’n prachtige
-opvoeding gehad om ’n schitterende wereldvrouw te worden. Maar toen ze
-met dien schrijver getrouwd was, ging ie met haar ergens buiten, heel
-eenzaam wonen, omdat ie daar rustig werken kon. Maar ze konden er niks
-krijgen, en ’n goeie meid wou er heelemaal niet komen, en toen moest
-die arme vrouw zelf al haar werk doen, en zelf haar brood bakken, en
-kijk, dit schreef ze toen, op een nacht dat ze heel bedroefd was:
-
-„Ik had hoegenaamd geen verstand van deeg te laten gisten, of een oven
-te stoken, en zoo gebeurde het dat mijn brood in den oven ging op het
-oogenblik dat ik naar bed had moeten gaan, en ik bleef alleen wakker in
-een huis in het midden van een woesternij. Het sloeg één uur, toen
-twee, toen drie, en ik zat daar nog altijd, omringd door de eindelooze
-eenzaamheid, mijn lichaam uitgeput van vermoeienis en mijn ziel beangst
-door een gevoel van verlatenheid en vernedering. Ik, die thuis zoo
-verwend was geweest, wier geluk al die huisgenooten had bezig gehouden,
-van wie men nooit iets anders gevergd had dan dat ik mijn geest zou
-ontwikkelen, ik was nu gedwongen den nacht door te brengen, wakend bij
-een stuk brood .... dat misschien niet eens een stuk brood zou worden!
-Die gedachte maakte me krankzinnig, zóo dat ik mijn hoofd op de tafel
-legde en het begon uit te snikken. Maar toen, ik weet zelf niet hoe,
-kwam ineens de gedachte in mij op, aan Benvenuto Cellini, [10] die een
-ganschen nacht bij den oven waakte, waaruit zijn Perseus [11] komen
-moest. En ineens vroeg ik me af: Maar zou er in de oogen der hoogere
-machten, hier boven, eigenlijk wel zulk een groot onderscheid bestaan
-tusschen een stuk brood en een beeld van Perseus, als beiden
-beteekenen: Plicht? De vaste wil van Cellini, zijn energie, zijn
-geduld, zijn vindingrijkheid, dat zijn de wezenlijk bewonderenswaardige
-dingen, waarvan het Perseusbeeld het toevallige resultaat is. Als hij
-een vrouw was geweest, die in Craigenputtock leefde, met een man,
-lijdend aan ingewandziekte, op zestien mijlen afstands van een bakker,
-en dat nog een slechten bakker, dan zou hij al diezelfde goede
-hoedanigheden hebben gebruikt om een stuk brood te vervaardigen.
-
-Het is onuitsprekelijk welk een troost die gedachte mij heeft
-geschonken bij al mijn verdrietelijkheden, gedurende de jaren dat wij
-in die wildernis hebben geleefd, waar twee mijner onmiddellijke
-voorgangsters waren gek geworden, en de derde aan den drank was
-geraakt!”
-
-„Heeft ze dat voor je over geschreven?”
-
-„Nee, ze had verscheiden van die velletjes, ook nog met andere dingen
-er op, in een laadje liggen, en toen ze ’t me gaf zei ze lachend, dat
-ze die dikwijls in plaats van recepten uitdeelde, en dat ze soms beter
-hielpen dan drankjes. „Dat moet u nu maar es aan uw mama laten lezen,”
-zei ze, „en het zelf dikwijls inkijken, tot u er heelemaal van
-doordrongen bent, en bij alle gesprekken moet u u op dát standpunt
-plaatsen, want het is het standpunt van waaruit men in de toekomst alle
-werk zal beoordeelen: Een kinderjuffrouw, die knap studie van haar vak
-heeft gemaakt, en er de echte roeping voor heeft, staat honderdmaal
-hooger dan een prulschilderes of een onderwijzeres zonder liefde voor
-kinderen, of een juffrouw van gezelschap, die maar in conditie is
-gegaan omdat zij nergens voor bekwaam is. Elk werk, wat het ook is, als
-het knap, consciëntieus en met toewijding wordt gedaan, is mooi! En dat
-geldt voor mannen-, net zoo goed als voor vrouwenwerk, en in de
-toekomst zal niemand meer laag neer zien op de eene of andere
-betrekking, alleen op de menschen die hun betrekking niet goed
-vervullen!”
-
-„En zou ze dat nou vandaag ook bij je mama komen vertellen?”
-
-„Ja, zie je, en ik ben wel bang dat ma er niet veel van zal begrijpen,
-maar als ze daar zoo bij je zit, Corona, met die groote oogen, en ze
-praat zoo aardig, moet ze toch op iedereen wel indruk maken, dunkt me,
-en wie weet of ze het er niet voor me doorkrijgt. Maar .... daar zul je
-ze hebben ....”
-
-De korte hoefslagen van een paard, dat wordt ingehouden, klonken even,
-toen een bel in het benedenhuis, en Jettie holde weg, terwijl Isabelle
-achter bleef in het benauwde keukentje en glimlachend voortklopte. Ook
-voor haar was de brief van Lady Carlyle een kleine steun geweest, en
-toen ze de podding in den vorm in ’n schotel had gezet met ruw ijs en
-zout, om haar bijtijds te laten afkoelen, ging ze in haar gewone
-geduldige stemming naar binnen, aan de koffie.
-
-Maar toen ineens, voelde ze eigenlijk pas hoe erg het haar had
-aangepakt, de hitte en het vermoeiende geklop. Lusteloos hing ze op
-haar stoel, niet in staat om te eten, en nadat ze de kopjes, met loome
-handbewegingen had afgewasschen, viel ze neer in een hoekje van de
-canapé, zonder moed om iets meer te doen.
-
-Mevrouw Pankaert was dadelijk naar boven gegaan. Zij ook was wat
-zenuwachtig van de warmte, en het onverwachte bezoek van Charles,
-ofschoon ze zich wijs maakte dat ze ’t verrukkelijk vond, agiteerde
-haar ’n beetje, heimelijk vermoedde ze dat ie weer om geld kwam vragen.
-Zwijgend hadden zij aan tafel tegenover elkaar gezeten; mevrouw had
-niets gevraagd en Belle had niets van Marion’s voorstel durven zeggen.
-
-Maar toen ze ineen gedoken een poosje op de canapé gezeten had, slap,
-alsof ze nooit haar veerkracht meer terug zou vinden, kwam
-langzamerhand een plannetje weer spanning in haar willen brengen. Ze
-was te moe om te zingen of accompagnementen te studeeren, maar daar was
-de goeie japon van mama die ’n nieuwe stootskant moest hebben. Als zij
-dat nou vanmiddag deed, zou ze morgenochtend misschien es heusch een
-rustigen morgen kunnen hebben om heerlijk te studeeren!
-
-Zij stond op, een klein beetje energieker van beweging, als ’n kind,
-dat onder belofte van ’n chocolaadje weer met meer moed een vervelende
-thema gaat afmaken. Maar bij de deur hoorde ze het geroep weer, dat
-haar tegenwoordig zoo agiteerde:
-
-„Belle!”
-
-Zij hijgde de trap op:
-
-„Ja ma, wat is er?”
-
-„Kom je je aankleeden, kind? Ik wou ’n paar visites gaan maken.”
-
-„Hê, ma, met die hitte? Ik wou juist uw japon onder handen nemen.”
-
-„Dat kun je net zoo goed morgenochtend doen. Ik wou maar even bij de
-freules van IJsselen en bij mevrouw de Mureaux gaan.”
-
-„Toe, laat mij dan thuis blijven! Dat kleine eindje naar de Laan van
-Meerdervoort kunt u best alleen loopen, en ik heb toch niks aan die
-ouwe dames en zullie niet aan mij. Laat ik nou uw japon vanmiddag maar
-doen, dan kan ik morgenochtend es goed studeeren.”
-
-„Ik begrijp niet wat je tegenwoordig mankeert! In mijn tijd zou ik het
-niet in m’n hoofd hebben gekregen om tegen mijn moeder te zeggen, dat
-ik het vervelend vond om visites te maken. Ik deed wat ze goed vond en
-daarmee uit. Maar goed dan, blijf dan maar thuis, dan zal ik wel alleen
-gaan!”
-
-Isabelle barstte in tranen uit. De reactie der vermoeienis van dien
-morgen kwam in eens over haar, en de tweestrijd, die zulke
-meisjeslevens martelt, tusschen het besef dat het mooi en goed is zich
-zelf te vergeten, en dat het toch ook recht is en hoog noodig om voor
-zich zelf tijd en vrijheid te veroveren, verscheurde in eens alle
-zelfbeheersching, tot ze het radeloos uitsnikte.
-
-Mevrouw Pankaert bleef haar een oogenblik onthutst staan aankijken:
-
-„Kom Belle, stel je nou niet zoo aan! Wat kinderachtig om daar zoo te
-staan huilen.”
-
-Maar Isabelle snikte voort, zich voelend wegzinken in een onmetelijke
-diepte van alleenzijn en treurigheid. „Ik zal immers wel met u mee
-gaan, als u ’t graag hebt, maar ’t was maar omdat ik morgenochtend es
-rustig wou studeeren!”
-
-En toen, ineens, kon ze het niet langer stilzwijgen, al vreesde ze ook
-dat misschien dit niet het juiste oogenblik was. Het verhaal van
-Marion’s voorstel drong zich met geweld door haar lippen, en stortte
-zich uit opeens, tusschen haar snikken door, met woorden van bitterheid
-over haar kleurlooze leven, over haar angst om afhankelijk te blijven
-en ook met woorden van trillend enthousiasme over haar zingen en
-muziek.
-
-Mevrouw Pankaert luisterde, eerst met haar gewone achterdocht tegen
-alles wat nieuw was in haar enge levenskringetje; maar langzamerhand,
-meegesleept door Belle’s stijgende opwinding kwam er iets warmers van
-belangstelling in haar gezicht.
-
-„Is het niet innig lief van Marion? En u vindt het toch zeker goed, dat
-ik het doe?” eindigde Belle.
-
-Mevrouw Pankaert dacht even na.
-
-„Het treft heerlijk, dat Charly vanmiddag komt, dan kunnen we hem
-dadelijk vragen wat hij er van denkt.”
-
-„Hê, waarom hij nou weer! Wat heeft hij daar nou over te zeggen! Als u
-en mevrouw Noorman en ik zelf het nou goed vinden ....”
-
-„Ja maar hij is toch altijd ’n man, en die weten beter wat er in de
-wereld te koop is en of het kan dat jij in ’t publiek optreedt.”
-
-„Gut, ma, maar juist omdat ie zoo precies weet wat er in de wereld te
-koop is, zit ie ook vol valsche schaamte en praatjesvrees. Hij zal het
-wel vervelend vinden tegenover z’n chique vrienden dat z’n zuster voor
-geld op concerten zingt, maar dat mag toch voor mij geen reden zijn om
-het te laten! Als hij het oneervol voor ’n vrouw vindt om te werken, en
-ik vind het oneervol om te luieren met allerlei prulbezigheidjes, hoef
-ik me toch niet naar hem te schikken ....”
-
-Maar toen zweeg ze. Mevrouw Pankaert had weer die kille strak stroeve
-uitdrukking, die als een masker over haar gezicht trok, wanneer er iets
-gezegd werd van haar lieveling dat haar niet beviel.
-
-En stil, met een langen, moeden zucht ging Isabelle de kamer uit naar
-haar eigen kabinetje, en begon zich aan te kleeden. Als mama bij die
-ouwe freules van IJsselen ging, bleef ze er altijd tot in ’t oneindige
-zitten praten. Het zou weer ’n echt vervelende middag worden!
-Verschrikkelijk vervelend! Charles zou zeggen: „’t is niet om te doen!”
-Daarmee maakte hij zich eenvoudig overal van af, waar ie geen zin in
-had! Maar van haar werd het niet meer dan natuurlijk gevonden, als ze
-zich voor al die dingen leende.
-
-Maar dat was ook heel best, men moest immers met liefde wat voor elkaar
-over hebben, en ze wou immers alles doen voor mama! O! als mama dan
-toch ook maar ’n klein beetje begrijpen wou dat zij, behalve dochter-
-en zusterliefde ook nog wel persoonlijk wat behoeften en verlangens in
-haar jonge hart had. Als mama maar ’n klein beetje eerbied wou hebben
-voor haar werk ....
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Charly was gekomen, vlak voor het eten en Isabelle had haar best gedaan
-om hem hartelijk, als altijd te begroeten, maar nu zij wist dat ie
-straks misschien het vonnis zou uitspreken over haar mooie plan, was er
-’n klein beetje bitterheid achter haar glimlachjes.
-
-Wat zag ie er toch knap uit, met zijn fijne trekken, haast al te tenger
-en te klein voor ’n man, maar toch zoo chic en voornaam. Geen wonder
-dat mama trotsch op hem was. Wat rook zijn haar weer heerlijk naar dat
-fijne dure haarwatertje, dat ie verleden ook bij zich had, en wat had
-ie ’n mooie das aan, en verlakte schoenen! O! ze gunde hem heel graag
-wat luxe en mooie kleeren. Maar ’t was toch allemaal van geld dat zij
-en mama zich uitsloofden om voor hem te besparen, en ’t was heel best
-dat hij genoot en misschien wel aan fooitjes en cigaren en dassen en
-borreltjes meer geld uitgaf dan waarvan zij een heel jaar lang gekleed
-en gevoed werd! Maar er was op den duur toch iets hards in, dat het zoo
-heelemaal van zelf sprak dat alles voor hem was en voor haar bijna
-niets, heel alleen omdat hij een jongen was en zij een meisje.
-
-En dadelijk, aan tafel, had mama het teere onderwerp aangeroerd en ’t
-was alles heel pijnlijk en heftig gegaan.
-
-Charles vond wel dat ze zingen mocht, dat kon men tegenwoordig heusch
-wel doen, maar dan moest er op het programma staan: met welwillende
-medewerking van jonkvrouwe P. v. H., dat beteekende dat zij geen geld
-aannam. Want dàt mocht niet! Hij verkoos het niet! Ze moest al heel
-blij zijn dat ie ’t zingen goed vond, maar voor geld zoud’ ie nooit
-toestaan!
-
-En Isabelle had zich verdedigd, hakkelend, naar woorden zoekend in haar
-ongeoefendheid van meisje om duidelijk haar gedachten uit te spreken,
-te geagiteerd om tegen Charly’s debatingclubmaniertjes op te kunnen.
-Zij wilde juist voor geld zingen, want later wou ze haar brood er mee
-verdienen, en het zou dus bespottelijk zijn om zich eerst te gaan
-aanstellen alsof ze zich te voornaam vond om iets aan te nemen. ’t Was
-ook volstrekt geen schande om geld te verdienen! en niemand had het
-recht haar daarvan af te houên!
-
-Maar Charly had zijn schouders opgehaald, met sarrende lachplooitjes om
-de mondhoeken.
-
-Dat waren allemaal theorieën van die Corona van Oven en haar soort, die
-zij maar napraatte, en hij raadde haar aan zich liever niet van die
-kost-verdien-idees in ’t hoofd te halen! Het was veel mooier en
-prettiger voor een vrouw om stil rustig thuis te blijven. Hij zou later
-immers wel voor haar zorgen, en zoo lang mama leefde kon ze immers
-kalmpjes bij haar blijven.
-
-Toen was Isabelle driftig geworden. Zoolang ie zoo meesterachtig sprak,
-kon ze het nog verdragen, daar was ze aan gewend, maar toen ie op zoo’n
-toontje van bescherming zei, dat ie later wel voor haar zou zorgen,
-werd ze razend van bitterheid.
-
-Ze bedankte er voor om van zijn vriendelijkheid af te hangen. Tot
-dusver had ie niets gedaan, dan zooveel mogelijk profiteeren, zonder er
-zich ooit om te bekommeren hoe zij en mama voor hem krom lagen! Zij
-bedankte voor het heerlijke genot om later af te hangen van iemand, die
-met de grootste onverschilligheid het als zijn recht beschouwde, dat
-alles voor hem werd opgeofferd. Zij bedankte er voor! Dat moest ie maar
-goed weten! O! ze had het verleden wel alles verstaan, boven in haar
-kabinetje, toen ie daarnaast op zijn kamer met z’n vrienden van die
-flauwe, grappen had zitten zeggen: „Dat meisjes niks in haar hoofd
-hebben dan trouwen, en dat je maar hoefde te fluiten, dan kwamen ze bij
-troepen aangehold.” Als dat waar was, zou ’t waarachtig geen wonder
-zijn, zoolang ze overal zoo werden tegengewerkt om op haar eigen beenen
-te staan. Maar zij wou niet op een man wachten! en wèl geldverdienen!
-Verstond ie dat? En ze wou nooit, nooit, nooit, trouwen, tenzij met
-iemand waar ze van hield en geen genadebrood eten!
-
-Zij had het uitgegild, de anderen overschreeuwend die haar probeerden
-in de rede te vallen. Zachte, geduldige naturen als de hare kunnen niet
-rustig strijden. Om zich te verdedigen moeten ze zich opwinden tot ze
-buiten zich zelve zijn.
-
-Charles had eerst driftig gepoogd haar te onderbreken, toen was hij,
-met een diepe plooi van minachting om den mond, begonnen te spelen met
-den grooten zegelring van zijn vader, die veel te wijd was voor zijn
-tengere vingers. Eindelijk, toen ze uitgeput even ophield, zeide hij in
-tergende bedaardheid:
-
-„Zóó heb ik je nog nooit hooren spreken, Belle, ik moet zeggen, die
-muziek schijnt je humeur niet te verbeteren.”
-
-„Nee, dat is waar! sinds al dat zingen is ze lang niet in haar voordeel
-veranderd,” zeide mevrouw.
-
-Isabelle sprong op, haar servet met eene beweging van exasperatie
-neersmijtend:
-
-„Natuurlijk, zoolang als ik poddingjes maak en kousen maas voor jullie,
-ben ik goed, maar zoodra ik voor me zelf iets vraag, heb ik ’n slecht
-humeur.”
-
-Snikkend vloog ze de kamer uit, de trap op, om alleen te zijn, weg van
-hun vijandig verbaasde blikken.
-
-Marion had het verleden wel gezegd: „Alles wat goed is, wordt in tranen
-geboren en in deze overgangstijden kunnen de meesten van ons haar
-eigenlijke volle leven pas ingaan na een periode vol strijd en wee.”
-
-Met trillende handen nam ze haar pen en een velletje papier en het
-inktfleschje uit haar kast, en toen op den rand van haar bed, een dik
-boek op den schoot—haar gewone correspondentiehouding, want voor ’n
-stoel was geen plaats in het kabinetje, en voor een tafel nog
-minder—schreef ze haastig, terwijl het bloed kokend heet opgutste in
-haar halsaderen en heel warme tranen neerdrupten, die vlekjes knoeiden
-op haar schrift:
-
-„Lieve, lieve, engelachtige Marion!
-
-Ik ben diep ongelukkig, maar het kan me niet schelen. Ik zal probeeren
-sterk te zijn. Mama vond natuurlijk dat Charles zeggen moest of ik kon
-zingen of niet! Natuurlijk, zoo’n jongen, die niets als dwaasheden
-doet, en ons handen met geld kost, is en blijft een orakel van wijsheid
-in familieaangelegenheden omdat ... hij een jongen is. Zoo worden ze
-stelselmatig tot huistirannen opgevoed, weet je! En natuurlijk,
-tegenover zijn vriendjes enz. enz., vindt hij het niet goed, dat ik
-geld zal aannemen; dat wist ik wel vooruit! Maar ik zal het toch doen!
-en ik bid je innig, lieve beste Marion, om voor mij aan die
-zangvereenigingen te schrijven. Het moet maar uit zijn, dat het
-eervoller is, om te zitten armoe lijden op een bovenhuisje, in een
-leelijke nieuwe straat, dan het kapitaal, dat je van den hemel gekregen
-hebt te laten rendeeren! Je weet hoe zalig ik ben in de hoop van
-misschien een goede zangeres te zullen worden, maar al vond ik die
-carrière maar half zoo verrukkelijk, en al vielen me de schaduwkanten,
-die je me voorspeld hebt, heel verschrikkelijk tegen, dan nog zou ik
-het heerlijk vinden juist om te verdienen! O! Marion, wat zal het innig
-prettig zijn, om zooveel muziek te kunnen koopen als je wilt, en mooie
-boeken en je handschoenen te laten wasschen (ik vind die benzine zoo’n
-naar gevoel aan mijn handen) en om voor jou bloemen en speelgoed voor
-je kleintjes te kunnen koopen, en om mama’s zorgen te verlichten! Wie
-weet, als ik haar ’n boel attenties kon geven, desnoods rekeningen voor
-Charles kon betalen, of zij niet een klein beetje meer van mij houden
-zou ....”
-
-Maar toen braken de tranen, die bij het zich uiten in schrift, een
-oogenblik kalmer gevloeid hadden, weer met wanhoopsheftigheid uit. Heel
-het onderdrukte smachten van haar jeugd stond plotseling voor haar op
-in klaarheid. Jarenlang had zij het stil geduld, omdat zij meende dat
-het zoo zijn moest, dat de eerste plaats in huis, beter onderwijs, meer
-vrijheid, meer genot, aan den jongen toekwamen en dat voor het meisje
-de zorgen waren, om ze met mama te deelen, in geduldig
-zelfverloochenen. Maar nu ze wist, dat het anders zijn moest, en dat
-het anders worden zou, als de menschen de gerechtigheid een beetje
-gingen liefhebben, nu begreep ze ineens hoe ontzettend ze eigenlijk
-geleden had onder mama’s voorliefde voor Charles en zijn naïeve
-tirannie over haar van bedorven jongen.
-
-„Hij is wel veel mooier,” fluisterde ze snikkend, „maar hij heeft nooit
-zoo z’n best gedaan om goed en lief te zijn als ik, en mama plezier te
-doen, en toch werd hij altijd voorgetrokken! Maar ik zal het
-doorzetten, en als ik dan veel geld heb verdiend en veel prachtige
-dingen aan mama heb gegeven, en beroemd ben geworden, zal ze misschien
-eindelijk ook wel trotsch op mij worden.”
-
-Toen schreef ze verder, de linkerhand, die ’t inktfleschje vasthield,
-krampachtig toegeknepen van opgewonden energie:
-
-„Lieve Marion, al mijn wilskracht, die ik tot dusver gebruikt heb om
-stil en geduldig te zijn, mijn eigen persoonlijkheid te onderdrukken,
-niets te zijn dan wat zij goedvonden, zal ik nu aanwenden om mijzelf te
-worden en ons prachtige plan door te zetten. Ik ben strakjes
-schandelijk driftig geweest, maar ik zal voortaan wel zorgen dat ik me
-beter beheersch, want ik weet nu dat de tijd van een heel hardnekkigen
-strijd gekomen is, waarin ik niet wil ondergaan. En o! als je me maar
-een beetje helpt, dan zal het ook best gaan. Mama zal mij, om Charles,
-nu wel vreeselijk tegenwerken, maar later, als ik succes mag hebben,
-zal ze me toch gelijk geven, en dan zal al deze ellende vergeten zijn.
-Je onuitsprekelijk liefhebbende
-
-Isabelle.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Gladys van Praege lichtte even den kristallen deksel op om zich te
-overtuigen of de bowl wel heel geurig was, en toen liep ze de veranda
-uit, den tuin in tot aan de kastanje, waar een kring gemakkelijke
-stoelen klaar stond voor de gasten die vanavond zouden komen.
-
-Maud Arlington, haar zuster uit Amerika, die was overgekomen om, in de
-moeielijke uren, die naderden, bij haar te zijn, lag achterover in een
-der fauteuils en zag glimlachend op, toen ze haar op het grind hoorde
-aankomen.
-
-„Well Glady, dear, waar ben je zoo lang gebleven?”
-
-„Ik wou Hajo nog even in z’n bedje goeie nacht zoenen, maar toen ik
-binnen kwam, had ie weer een van z’n ouwe driftbuien, en moest ik wel
-bij hem blijven tot het heelemaal over was. Het is toch zoo aardig om
-te zien hoe zoo’n kind langzamerhand het besef krijgt van wat
-zelfbeheersching is, en hoe ie nou z’n best doet, als ik z’n handjes
-vast hou, en zachtjes tegen hem spreek, om z’n drift te bedwingen.
-Zelfs de juffrouw, die ’t vroeger, geloof ik, heel overdreven van me
-vond dat ik niet wou hebben dat ze hem in zoo’n bui es flink door
-elkaar schudde, was er vanavond door gefrappeerd.
-
-Maud glimlachte, haar moederlijke glimlach, waarmee ze al Gladys’
-eindelooze kinderverhalen aanhoorde.
-
-Het was een statige, groote vrouw, heel knap nog, niettegenstaande het
-drukke leven van eerste geneesheer aan een groot ziekenhuis, haar zware
-zwarte haren met veel zilver had doorstreept. Zij had intelligente
-oogen, donkerbruin, met den fluweelen gloed der zuidelijken en sterk
-gewelfde roode lippen, en vormde een groot contrast met Gladys, die
-veel kleiner en vijftien jaren jonger was en van haar Canadeesche
-moeder het blonde Engelsche type had geërfd, terwijl Maud de volle
-erfgename was harer Floridasche voorvaders.
-
-Langzamerhand kwamen nu de gasten den tuin in. Eerst een troepje heeren
-dat nog even in Frederik’s rookkamer was geweest om de portretten van
-een Engelsch paard te zien, dat dien zomer den grand prix te Parijs had
-gewonnen. Maarten van Hervoren kwam voorop, den hartelijken groet van
-jeugdvriendschap wisselend met Gladys en Maud, en daarna kwamen van
-Smaarth en Stephan van Brehnen met von Görtzen en een paar jonge
-cavalerieofficieren, mijnheer en mevrouw de Mureaux met Betty en twee
-Fransche logeetjes, Isabelle en Charles Pankaert, Edward van Starren na
-eenige oogenblikken gevolgd door zijn zusters met Hilda, en eindelijk
-Valérie Vermaezen met haar moeder en van Gaefden, haar aanstaande, en
-nog ten laatste Frederik’s oudere broer, ritmeester bij de cavalerie,
-de zoogenaamde „Dolle Henk van Praege.”
-
-Hilda had Maarten van Hervoren, na hun eerste wandeling, met Gladys,
-langs den Bezuidenhout, nog verscheiden malen ontmoet, maar altijd heel
-vluchtig, in volle salons, op het Kurhaus of op straat.
-
-Mevrouw van Starren, nu zij wist, dat Hervoren als vriend bij de van
-Praeges aan huis kwam en bij de Vermaezens dineerde, had aan het
-verlangen van Edward toegegeven en Maarten’s kaartje met een invitatie
-beantwoord. Maar den dag dat hij was komen eten, was Hilda toevallig
-voor een paar dagen uit logeeren geweest, zoodat zij hem niet gezien
-had, en het feit dat zij hem nooit rustig had gesproken, na hun eerste
-ontmoeting, maakte misschien juist dat zij dikwijls aan hem had gedacht
-met een soort nieuwsgierige sympathie.
-
-Bij ’t binnen komen in den tuin, toen ze hem naast Maud zag staan, was
-er een kleine aandoening van iets prettigs in haar. Onwillekeurig kwam
-ze vlak in zijn nabijheid, om gauw door hem begroet te worden, zooals
-de vorige keeren, met de eigenaardige liefkoozing van zijn oogen. Maar
-hinderlijk kalm, alsof hij haar niet had opgemerkt, bleef hij
-voortpraten met Maud:
-
-„Ja zeker, de Middellandsche zee is wel heel bekoorlijk, maar ik vind
-toch ook de Noordzee veel boeiender ....”
-
-„Freule van Suylenburg, houdt u evenveel van koekjes als uw nichtje
-Corry?”
-
-Stephan van Brehnen stond voor haar met een schotel gebakjes.
-
-„Zeker, dat is een van onze grootste punten van sympathie.”
-
-Hilda zeide het luid, haar woorden éen voor éen uitzendend naar
-Maarten’s kant, om door haar stem zijn aandacht te trekken.
-
-Maar hij bleef rustig voortpraten:
-
-„O! Ja, prachtig, zoo’n zonsondergang in Scheveningen ...”
-
-Hilda maakte een beweging van ongeduld en een van haar lange
-handschoenen gleed neer op den grond. Toen ineens, ofschoon hij van
-haar afgewend had gestaan, en zij meende dat hij haar niet zien kon,
-bukte hij zich haastig en raapte hem op. Maar toen hij dien groetend
-aan haar overreikte, was er ijzige strakheid in zijn gezicht.
-
-Hilda schrok even, als iemand, die meent een warmen dronk te ontvangen
-en plotseling ijswater tegen de tanden voelt. Een pijnlijke sensatie
-van iets vijandigs, dat zij niet kende, waarvan zij niet wist waar het
-vandaan kwam, maar dat haar beloerde ergens, met nijdige oogen,
-doorhuiverde haar. Maar toen dadelijk richtte zich haar meisjestrots
-weer op, die zich even onder haar verlangen had neergebogen, en ze ging
-weg, naar de oude mevrouw Vermaezen, met wie ze levendig ging zitten
-praten.
-
-Het was ook zoo’n nonsens van haar om uit die vluchtige ontmoetinkjes
-zich een illusie van sympathie te hebben gevormd. Waarom zou hij niet
-deftig en koel zijn? ’t was immers heel natuurlijk, dat ie vanavond
-liever met z’n ouwe vriendin Maud bleef praten. Eigenlijk had ze toch
-ook maar nauwelijks drie woorden met hem gewisseld, die iets meer dan
-klanken beteekenden en ze had het zich zeker maar verbeeld, dat er soms
-iets als een geheime verstandhouding, die zij zelf niet goed begrepen,
-in hun blikken was geweest. Maar ze zou het zich niet aantrekken als ie
-koel wou zijn. Het kon haar geen greintje schelen, alleen ... ’t was
-net alsof ze straks iets beleedigends in die koude oogen en stroeve
-buiging had gevoeld, en ze zou toch wel es, voor de curiositeit, hebben
-willen weten of hij iets bepaalds tegen haar had? ....
-
-„O, kijk, daar is Mary. Laat je haar nog zoo lang op, Gladys?” zeide
-mevrouw Vermaezen.
-
-„Nee, anders ligt ze altijd om acht uur in bed. Maar vandaag is ze gaan
-eten bij Corona van Oven om ’n beetje te spelen met dat meisje van
-Soeterwolde, u weet wel, dat kindje van haar Parijsche vrienden, dat ze
-bij zich in huis heeft genomen. Voor zoo’n enkele keer mag het wel es
-wat later worden. Veel plezier gehad, Mary?”
-
-Het kind kwam den tuin in, feeënmooi in haar witte kleedje en ging in
-welopgevoede gedweeheid den kring der gasten rond, aan iedereen handjes
-gevend en zich latend kussen door de dames.
-
-„Krijg ik ook een zoentje?” vroeg Henk van Praege.
-
-Zij schudde het hoofd, haar groote donker fluweelen oogen vol
-onvriendelijkheid. Van klein kind afaan had ze een antipathie tegen hem
-gehad.
-
-„Gauw Mary, geef oom een zoentje,” commandeerde Frederik.
-
-Het meisje ging, angstig naar haar vader ziende, en gaf schuw haar
-wangetje. Toen vluchtte ze bij Gladys terug, zich dicht tegen haar
-aandrukkend.
-
-De ritmeester lachte zijn harden luidruchtigen lach:
-
-„Nou, Frederik, als ze zoo voort gaat, zul je niet lang voor
-gedienstige papaatje hoeven te spelen. Als er iemand weinig kans heeft
-om ouwe jonge juffrouw te worden, dan is zij het wel. Wat een
-prachtkind!”
-
-Hij keek naar haar met zijn taxeerende vrouwenkennersblik vol platte
-bewondering.
-
-Maar Gladys, met een hartstochtelijk gebaar van bescherming, legde haar
-armen vast om kleine Mary.
-
-Toen zag zij op naar haar man en mevrouw de Mureaux en mevrouw
-Vermaezen, die naast haar zaten. Zij allen glimlachten, instemmend als
-een compliment met Henk’s woorden, en een bittere opstand rees in haar
-hart van jonge moeder.
-
-O! zij wist het wel, de meeste vrouwen waren gevleid, als men zulke
-dingen van haar dochters zeide, maar ze voelde het als een
-heiligschennis dat men haar kindje hulde meende te brengen, door te
-zeggen, dat haar schoonheid wel gauw door een man zou worden begeerd!
-Henk meende het misschien zoo kwaad niet; hij stond alleen nog op het
-ouderwetsche hatelijke standpunt, vanwaar uit men vroeger het meisje
-beschouwde, als zou een man vinden voor haar het hoogste geluk zijn!
-Maar was het niet afschuwelijk, dat de eerste gedachte, die dit
-aangrijpend mooie kopje bij de wereld opwekte deze was: zij zal wel
-makkelijk een huwelijk kunnen doen? Had dan ook het mooiste rijkst
-begaafde vrouwenleven geen andere bestemming dan om aan een man toe te
-behooren? En deze opvatting was toch die van velen en voortaan zou men
-telkens de reine ziel van haar kind bespatten met die woorden van
-bezoedelende hulde: „Wat ben je mooi! Je zult makkelijk kunnen bekoren,
-veroveren?” En later zou Mary in den spiegel de echos dier
-complimentjes terug vinden, en bij God, daarvoor had zij haar kind te
-lief, om behagen en trouwen als hoogste illusie te zien wonen, onder
-dat blanke voorhoofd!
-
-„Kom Mary, ga nou maar gauw naar bed, ’t is al veel te laat voor zoo’n
-heel klein meisje!”
-
-Onwillekeurig drukte zij op „heel klein”, in een sterk verlangen om het
-kind nog lang onder haar bescherming te kunnen houden, en toen Mary was
-heengegaan, bleef ze even zitten, droomerig haar gastvrouwopgewektheid
-vergetend.
-
-O! zeker, ze had er dikwijls aan gedacht, dat er misschien een dag zou
-komen, dat er naast haar kinderen vreemden zouden staan, die meer voor
-hen zouden zijn, dan zij met al haar groote moederliefde en dan had zij
-vurig gehoopt, dat, als eens de liefde tot hen komen zou, het zou zijn
-om hun leven rijker en mooier te maken, want liefde bracht ook dikwijls
-pijn ....
-
-En zij had zich verdiept in die toekomst! Moeders, als zij, denken veel
-aan de toekomst, en misschien is daarom juist moederliefde wel de
-hoogste, omdat zij niet alleen van het oogenblik geniet, maar vooruit
-denkt en waakt en zorgt, en daardoor, ook na de geboorte van het kind,
-opnieuw elken dag scheppingswerk verricht.
-
-Maar in haar toekomstdroomen had Gladys nooit het huwelijk voor haar
-kinderen gewenscht! Natuurlijk, het leven samen door gaan, hand in
-hand, met éen, die ons volkomen lief is, wie zou dat geen groot geluk
-noemen? maar een gewoon huwelijk, zooals er millioenen zijn, het zich
-vereenigen van den eenen of anderen man met de eene of andere vrouw,
-onder min of meer gunstige omstandigheden, zij had het altijd van
-moeders een onzedelijke illusie gevonden.
-
-Toen, opeens waakte zij op uit haar nagedroom.
-
-„Mary will be a new woman.” [12]
-
-Zij hoorde het Maud zeggen, en aan alle kanten om haar heen, vlamden
-ineens gesprekjes op, waarin telkens het woord „vrouwenkiesrecht”
-klonk. Zij luisterde.
-
-„Maar u bent er toch niet voor?” zeide van Gaefden tegen Hilda, op dien
-toon vol ongeloovige afkeuring, die het soms heel verleidelijk maakt,
-om maar met een uitvluchtje zijn opinie te verbergen.
-
-Maar Hilda dwong zich om eerlijk te zijn:
-
-„O! ja, ik ben er erg voor!”
-
-„Gnädiges Fräulein, is dàt waar? Bent u voor vrouwenkiesrecht?”
-schaterde von Görtzen van den overkant.
-
-Iedereen lachte en sprak tegelijk in kleine groepjes, en Gladys zat
-zwijgend middenin, aan haar bowltafeltje, glimlachend, blij om het
-animo dat dit woord nu gewekt had. Er was een tijd dat het alleen
-onverschilligheid en een beetje spottende verwondering ontmoette in
-haar kringen, en beter vijandige tegenstand, die bewijst dat men er
-rekening mede begint te houden, dan doodzwijgen.
-
-Toen vroeg Edward haar ineens:
-
-„Is het waar, mevrouw van Praege, bent u nog wel presidente van de
-Vrouwenkiesrecht-Vereeniging?”
-
-„Ja,” zeide ze zacht. „Ik vind de toestanden in dit land zoo akelig! Ik
-geloof dat het erg goed zou zijn, als men ook es wat verstandige flinke
-vrouwen, die er plezier en tijd voor hebben, aan het regeeringswerk kon
-zetten!”
-
-Henk van Praege lachte hardop, heel even, en bedwong zich toen,
-beleefd:
-
-„Geloof je heusch, Gladys, dat de boel goed zou gaan, als er vrouwen
-mee regeerden? Wat ’n gebabbel zou dat geven.”
-
-„Het is onmogelijk dat dames meer praten dan heeren!” zeide zij snel.
-„Ben je wel es in de Tweede Kamer gaan kijken? In Parijs ben ik in de
-Chambre des députés geweest en in Londen in ’t Lager Huis, en ik ben
-overtuigd dat het physiek onmogelijk is om nog meer te praten dan daar
-gedaan wordt. En mijn vader zei ook altijd: „op dameskransjes wordt
-veel gebabbeld, maar op heerensociëteiten zeker niet minder!””
-
-„Ik ben het erg met mevrouw van Praege eens!” riep Maarten van den
-anderen kant van den kring, midden uit zijn gesprek met Maud. „En het
-zou uitstekend zijn, als de heeren zich ’n beetje lieten helpen en
-raden door hun moeders en zusters en vrouwen. Bijna geen man die niet
-ondervonden heeft, wat vrouwenraad en vrouwentoewijding zijn kan! En
-toch gaan we maar stelselmatig voort, met haar hulp voor het algemeene
-belang te versmaden! En heusch, we hebben geen reden om zoo naïef
-zelfvoldaan te zijn op onze eigen regeeringskunst, alsof wij alleen
-daartoe waren uitverkoren! De heele wereldgeschiedenis is vol van de
-onhandigheden, domheden, oneerlijkheden, en gruwelen van keizers,
-koningen, volksleiders, ministers, commissies en besturen. We konden
-gerust es probeeren of het niet iets beter zou gaan door de
-samenwerking met zooveel vrouwen wier krachten en gaven nu voor ’n
-groot gedeelte ongebruikt, en voor de maatschappij waardeloos blijven
-rusten!”
-
-Hilda klapte in de handen, verrukt dat hij aan haar kant stond.
-
-Maar weer zag hij haar aan met dien ijzigen blik van straks, die elk
-toenaderen afsneed, en wendde zich langzaam tot Gladys en glimlachte
-tegen haar.
-
-Hilda richtte zich strak op onder den duidelijken indruk eener
-beleediging. Wat was er tusschen hen gebeurd? Enfin; ’t kon haar immers
-niets schelen? alleen was het vervelend, woedend vervelend, dat zij de
-vorige keeren zoo vriendelijk tegen hem geweest was.
-
-Maar Gladys ging weer voort:
-
-„Ja, natuurlijk! En tot dus ver hebben er wel vrouwen geregeerd doordat
-ze den eenen of anderen man geheel onder haar invloed hadden, maar
-indirecten invloed uitoefenen op iets, door het bewerken van personen,
-door suggereeren en intrigeeren, is altijd een groot gevaar! De vrouwen
-moeten eerlijk, met volle verantwoordelijkheid, niet achter de schermen
-door kunstjes en slimmigheden, de belangen van haar volk mee kunnen
-behartigen! En vooral haar eigen belangen, want Gladstone, de groote
-Engelsche minister heeft het zelf gezegd: de belangen van hen, die geen
-eigen vertegenwoordigers in de regeering hebben, worden rustig
-verwaarloosd! De afgevaardigden trachten natuurlijk hun kiezers
-tevreden te stellen; waarom zouden ze zich vermoeien voor degenen die
-toch nooit een stem op hen kunnen uitbrengen? En zoo komt het dan ook
-dat er voor de vakopleiding van de volksmeisjes geen geld te vinden is,
-dat de moeder geen lid mag zijn van een familieraad, (of haar kind
-krankzinnig verklaard of onder curateelen geplaatst zal worden en wie
-voortaan de belangen van dat kind zullen behartigen, wordt buiten haar
-om beslist!) en dat de huwelijkswetten voor de vrouw allerellendigst
-zijn ....”
-
-Maar toen viel mevrouw de Mureaux haar in eens in de rede:
-
-„Nee hoor es, Gladys, dat wordt nou tegenwoordig telkens beweerd! maar
-ik begrijp het volstrekt niet, hoor! Ik kan je dan zeggen dat ik
-heelemaal niet ontevreden over de huwelijkswetten ben! En ik kan er
-over meepraten, de andere maand ben ik vier en twintig jaar getrouwd.”
-
-Allen lachten, de meesten goedkeurend, maar Hilda, terwijl zij haar
-aanzag, had plotseling een visioen, dat haar liet huiveren.
-
-Daar zat die goedige dikke mevrouw, gemakkelijk achterover in haar
-grooten stoel, prettig, zelfvoldaan als een poes in het zonnetje, de
-vette blanke handjes met den zwaren trouwring gevouwen op haar maag,
-haar vriendelijk gezicht, met het nog frissche teint en het glanzend
-bruine haar, dat haar als een mahoniehouten lijstje om het lage
-voorhoofd sloot. Maar achter haar stond vrouw Zwalve, doodsbleek met de
-bloedroode striem over haar voorhoofd en de hol ingevallen slapen! En
-Hilda voelde ineens dat ze al die vriendelijke dikke dames zou kunnen
-haten!
-
-O! God, het was tien uur! .... en al deze dames lachten! Lachten ....
-omdat er gezegd was dat er verbetering moest komen in de toestanden! En
-wat gebeurde er misschien op dit oogenblik in het huisje in de
-Zorgvlietstraat? Wat waren al die goedige menschen toch wreed, in hun
-zelfzuchtige kalmte en luiheid van: Ik heb het goed in de wereld, wat
-kan mij de rest dan schelen? O! deze dames lachten? Voor haar waren de
-woorden: vrouwenemancipatie, en één der middelen daartoe: kiesrecht,
-verkiesbaarheid, niets dan bespottelijke klanken! Door haar pantser van
-genoeglijke zelfvoldaanheid had zelfs de vraaggedachte niet kunnen
-doordringen of er ook een ideaal streven mee bedoeld werd om de
-maatschappij wat beter en mooier te maken!
-
-Maar Frederik van Praege was opgesprongen, zenuwachtig, ongeduldig.
-
-„Nou, ga jullie je gang hoor, als je plezier hebt in zulke diepe
-bespiegelingen, maar mij wordt het ’n beetje te hoog! Wie gaat er mee
-om m’n jachthond te zien, dien ik gisteren uit Engeland gekregen heb?
-Een prachtexemplaar.” En toen, onder het heengaan, minachtend over zijn
-schouder:
-
-„Er kan toch nooit iets van vrouwenkiesrecht komen! De man verdedigt
-het land en geeft er zijn leven voor als ’t noodig is, en dus mag en
-moet hij altijd meer rechten hebben dan de vrouw! Dat is billijk!”
-
-Gladys zag hem zwijgend een oogenblik na. De meeste heeren en een paar
-jonge meisjes waren met hem mee gegaan. Toen zeide ze zacht voor zich
-heen:
-
-„De man geeft zijn leven tot instandhouding van de grenzen, maar de
-vrouw geeft het hare tot instandhouding van het ras! en heel wat meer
-vrouwen zijn in de grootste smarten gestorven om een nieuw leven aan de
-maatschappij te geven, dan mannen om het land te verdedigen. Als de
-oorlogen, als een overblijfsel uit de barbaarsche tijden, lang zullen
-zijn afgeschaft, zal de vrouw haar levensbelasting aan de gemeenschap
-blijven betalen! Mij dunkt het zou dus billijk zijn, juist de vrouwen
-in de eerste plaats haar belangen te laten voordragen, want ten slotte
-zijn haar belangen die van het heele volk, juist omdat zij de
-voortbrengster is!”
-
-En toen, zich plotseling opwindend, zonder meer notitie te nemen van de
-onthutste gezichten om haar heen:
-
-„O! weet je, er zit voor mij een ontzettende domheid in, als ik moeders
-hoor zeggen, dat ze hartstochtelijk belang in haar kinderen stellen,
-als ik ze met tranen in de oogen over haar kleintjes hoor spreken, en
-haar op ’t zelfde oogenblik volkomen onverschillig zie voor de
-maatschappelijke toestanden, waaronder haar kinderen zullen opgroeien!
-De vrouw, die waarachtig belangstelt, niet in de rokjes en broekjes van
-haar kinderen, maar in hun toekomst, moet zich ook warm maken voor de
-groote vragen van den dag en voor die, welke een beslissenden invloed
-op het lot van haar kinderen kunnen hebben! Duizende menschen zijn op
-dit moment de slachtoffers van slechte scheidings- en huwelijkswetten,
-van ongezonde woningen, van drankmisbruik, van onvoldoende of slecht
-opgevat onderwijs, van misbruik van ouderlijke macht, van werkeloosheid
-en uitbuiting en onvoldoende bescherming van den arbeid, van
-belastingen, die het volk neerdrukken, om legers en vloten staande te
-hoûen voor een toekomstoorlog, die, als hij ooit komt, de zonen dier
-onverschillige vrouwen, bij millioenen zal slachten! Waarachtig, de
-lange onderdrukking moet ons wel suf hebben gemaakt om ons niet met
-meer kracht te laten verlangen om ook stem in de lands- en
-gemeente-regeeringen te mogen hebben, om te kunnen waken over de
-belangen van onze kinderen!”
-
-Een pijnlijk verlegen zwijgen volgde even. Hilda jubelde inwendig, maar
-ze wist niet goed, in die drukkende stilte, hoe het te uiten. De meeste
-dames keken strak, bijna persoonlijk gekrenkt, en Gladys schaamde zich
-een beetje, als gastvrouw, over haar heftigheid, die ze in dat
-kringetje toch hoogst waarschijnlijk verspild had. Maar soms kon ze het
-ook niet laten! De woorden stroomden dan ineens te gloeiend naar haar
-lippen om ze te kunnen inhouden. Maar zij dwong zich nu om weer kalm te
-zijn, en heel zacht, de stem weer vleiend lief door haar
-zelfbeheersching van wereldvrouw, vroeg ze opstaand:
-
-„Maar wilt u ook de honden niet es even gaan bekijken? ’t Is heusch ’n
-prachtig beest, en Frederik zou ’t erg leelijk van me vinden, als ik u
-hier aan den praat hield, in plaats van z’n nieuwen aankoop te laten
-zien.”
-
-Iedereen stond op, blijkbaar verlicht, om achter in den tuin naar de
-hondenhokken te gaan.
-
-„Wat gek toch van Gladys, om altijd zoo woedend bij zulke gesprekken te
-worden! ’t Is toch heusch de moeite niet waard!” zeide Betty de Mureaux
-tegen van Brehnen.
-
-Maud liep vlak achter hen met Corry en antwoordde luid:
-
-„Vindt u ook niet, freule van Starren? Dat is juist in de wereld één
-van de dingen om het woedendst over te zijn, dat maar zoo weinigen het
-de moeite waard vinden om woedend te worden over verkeerde dingen?”
-
-Corry had Betty’s woorden niet verstaan en begreep dus niets van Maud’s
-uitval. Op goed geluk af antwoordde zij met het kirrend schaterlachje,
-dat haar overal voor diende. Henk van Praege, die den geheelen avond in
-Hilda’s nabijheid was gebleven, kwam naast haar loopen:
-
-„Freule van Suylenburg, ik wist heusch niet dat u zoo vreeselijk
-vooruitstrevend was. Maar u gaat toch niet aan politiek doen? Politiek
-maakt de vrouwen leelijk?”
-
-Lachend, luchtigjes zag ze naar hem op, haar oogen vol uitdagenden
-spot:
-
-„Misschien, als de vrouwen er aan gaan doen, wordt de politiek nog es
-mooi!”
-
-Achteraan kwamen Hervoren en Gladys.
-
-„Maarten, zeg es, ik heb me toch niet te veel opgewonden?”
-
-„Je hebt prachtig en braaf gesproken, Glad! Het is heel goed, dat ze ’t
-es hooren! En er waren twee dames tenminste, die ’t in stilte erg met
-je eens waren, geloof ik.”
-
-„Wie dan? Belle Pankaert zeker?”
-
-„Ja, en freule van Suylenburg.”
-
-„O! Hilda! .... ja, die is het heelemaal met ons eens ....”
-
-„Zoo? .... En ik dacht dat ze zoo wat geëngageerd was met Bernard
-Cranz.”
-
-„Met Cranz van Rosenhagen? Maar Maarten, hoe kom je er bij?”
-
-„Ik dacht het.”
-
-„Wel nee, zijn moeder heeft me juist gezegd dat ie verleden week,
-Zaterdag geloof ik, naar Parijs is gegaan, omdat ie zich hier zoo
-vreeselijk begon te vervelen.”
-
-Maarten stond ineens stil.
-
-„Dan heeft ze hem bedankt!”
-
-„Geloof je? Ja, dat kan best zijn, want hij heeft haar nog al het hof
-gemaakt en ....”
-
-„God, Gladys, wat kan iemand toch ’n vervloekte ezel zijn. Natuurlijk
-heeft ze hem bedankt en ik, die dacht .... en daar als ’n idioot ....”
-
-Gladys zag vragend naar hem op, maar haastig liep hij voort en zij
-glimlachte, toen ze hem dadelijk door den kring van menschen zag heen
-dringen, naar de plaats, waar Hilda den nieuwen jachthond stond te
-streelen.
-
-„Houdt u van honden, freule!”
-
-Heel zacht, met den vroegeren warmen klank in zijn stem had hij het
-gezegd, en boog zich tot haar over.
-
-Maar Hilda zag niet op en ging voort den gladden kop van het dier te
-liefkoozen. Wat beteekende dit vreemde gedrag? Wou ie met haar spelen?
-Ze zocht naar een scherp woord, iets heel uit de hoogte, om hem te
-toonen, dat ze dat niet met zich doen liet. Maar zij vond niets dat
-trotsch genoeg was, en ineens, heel zacht, met een nuance weemoed, die
-hem pijnlijker trof, dan haar bitterste woord, kwam het vanzelf over
-haar lippen:
-
-„O! ja, heel veel! Men kan meer op ze aan dan op menschen.”
-
-Toen draaide ze zich om, weg van het hok, en ging naar Isabelle, die ze
-naar haar zingen vroeg.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Gladys’ gasten waren weggegaan, de avond was goed geëindigd, en bij het
-afscheidnemen was het haar geweest alsof mijnheer de Mureaux, en Edward
-van Starren, zij meende zelfs van Smaarth, bijzonder eerbiedig voor
-haar gebogen hadden.
-
-En terwijl zij binnen haar mooie glaswerk nog even nazag, of het goed
-in de keuken gewasschen was, dacht de jonge vrouw met een klein beetje
-ironie aan die tegenstrijdigheid, die zij meermalen ontmoet had bij
-heeren, die beweerden dat vrouwen geen eigen opinies moesten hebben,
-maar die toch altijd bijzonder veel bewondering toonden, juist voor
-haar, die flink voor haar gedachten durfden uitkomen.
-
-Maud was naar haar kamer gegaan, om nog een brief af te maken en
-Frederik was niet meer binnen geweest sinds hij de laatste gasten had
-uitgelaten. Maar nu hoorde ze z’n stap, en toen de deur openging,
-wendde ze zich vroolijk om, in de opwekking van haar goed afgeloopen
-avond.
-
-„Free, luister es! Zal ik je es ’n nieuwtje vertellen? Ik geloof heusch
-dat Maarten en Hilda ....”
-
-Maar toen zweeg ze, met een mat gevoel van teleurstelling; van Praege
-stond midden in de kamer, de handen in de zakken, de diep ingezonken
-oogen norsch, de wenkbrauwen saamgetrokken tot zij elkander raakten:
-
-„Wat scheelde je nou toch vanavond om zulke theorieën te zitten
-verkondigen over vrouwenkiesrecht? Je weet, dat ik het al vervelend
-vind dat je je met dien boel inlaat, maar in mijn huis, wil ik er
-tenminste niet van hooren.”
-
-Zij leed even onder zijn krenkend mijn huis, waarmede hij haar ook al
-vroeger dikwijls had laten voelen, dat hij de meester was, en zij de
-ondergeschikte, aan wie geen greintje meer macht toekwam dan hij goed
-vond haar te verleenen.
-
-„Je weet ook wel, Freddy, dat ik nooit over die kwesties uit me zelf
-begin, als jij er bij bent, maar als er in mijn tegenwoordigheid over
-gelachen wordt, mag ik toch wel m’n opinie zeggen. Waarom zoûen al die
-menschen, die er nooit een minuut ernstig over hebben nagedacht, er wel
-over mogen spreken en zou ik moeten zwijgen?”
-
-„Maar voel je dan niet, dat je je eigen ridikuul maakt? en .... mij er
-bij!”
-
-Hij liep een paar keer de kamer door met korte gejaagde passen,
-tusschen zijn tanden een straatorgeldeuntje sissend, en ging toen
-ineens de deur uit.
-
-Gladys belde om te sluiten en klom stil naar haar slaapkamer.
-
-„O! wat een wanbegrippen toch aan alle kanten over de verhouding
-tusschen man en vrouw! Hoeveel honderden jaren zouden er nog moeten
-verloopen eer de onderlinge relatie der geslachten zuiver zou worden
-opgevat? Nu ook hier weer: Frederik was bang om ridikuul te zijn door
-’t geen zij had gezegd! Alsof hij verantwoordelijk was tegenover de
-wereld voor haar woorden. Dus altijd nog dat oude principe, dat de
-vrouw een onmondig wezen is, voor wier daden en woorden de man, de
-meester, heeft in te staan! In sommige kringen ging dat idee immers zoo
-ver dat de man op zijn eigen ontrouw luchtigjes mocht bluffen en er
-door zijn vrienden volstrekt niet om veracht werd, terwijl de ontrouw
-van zijn vrouw hem onteerde, tenzij hij die wreekte op barbaarsch
-bloedige wijze. Waren zulke begrippen, die uit een tijd stammen, toen
-de verhoudingen zoo heel anders waren, niet belachelijk nu? Als Pollux,
-de nieuwe jachthond, straks uit zijn hok losbrak, en bij de buren
-kattekwaad deed, was het heel best dat Frederik, zijn baas, voor hem
-werd aangesproken als de verantwoordelijke persoon, maar waar twee
-vrije gelijken zich verbinden om samen het leven door te gaan—en dat
-zou toch voortaan het huwelijk zijn—is het ergerlijk en ridikuul dat
-daar de man voor de mogelijke dwaasheden of zonden van zijn vrouw
-aansprakelijk wordt gesteld!
-
-Maar dat alles daargelaten, had ze zich heusch vanavond bespottelijk
-gemaakt? Ze geloofde het niet, alleen, in zulke gezelschappen wordt het
-altijd dwaas gevonden als men zich warm maakt voor een idee. Maar dan
-moesten ze haar maar dwaas vinden. Het is laf om bang te zijn voor een
-beetje spot en zij mocht niet laf zijn, zij, die twee kinderen had op
-te voeden, misschien wel gauw drie!
-
-Maar er klonken stappen over het portaal en zij luisterde. Het was
-Frederik, die naar zijn kleedkamer ging; zou ie weer uitgaan? Ze
-luisterde gespannen, na een oogenblik kraakte de trap en toen sloeg de
-voordeur toe. „Dus weer uit!”
-
-Ze stond onbewegelijk en luisterde nog, ofschoon ze wist dat ze niets
-meer hooren kon. Waar was ie heen gegaan? Waar ging ie toch altijd naar
-toe? Ze had het hem niet durven vragen, hij was tegenwoordig zoo
-vreeselijk prikkelbaar, en hij zou het haar immers toch ook niet gezegd
-hebben? En toen weer begonnen de folteringen van al de laatste tijden.
-Ze verweet zich zoo, dat ze jaloersch en kwaaddenkend was en dat ze hem
-onrecht deed en toch altijd weer kwamen de ergste vermoedens haar
-beangstigen.
-
-Ze liep even de kamer op en neer, als om haar gedachten te ontvluchten
-en kuste voorzichtig de slapende kinderen. Maar toen ze haar japon had
-uitgetrokken en de nachtlucht verkoelend voelde neerglijden langs haar
-koortsig brandende huid, ging ze stil zitten, de bloote armen gekruist
-op de tafel en het hoofd voorover op de armen gesteund.
-
-Ze kon het altijd nog maar niet gelooven, dat haar mooie geluk, waar ze
-zoo vast op gerekend had, hopeloos was verloren! Toen ze met haar
-ouders in Europa had gereisd en in Zwitserland Frederik had leeren
-kennen, wat een geluksdroom, wat een overmoedig vertrouwen op de
-toekomst, wat een jubel! Zou wel één meisje, bij ’t ontwaken van haar
-liefde zich zóó zalig gevoeld hebben? Zou het waar zijn, dat die droom
-niets was geweest dan een .... vergissing .... een leugen? En een
-leugen ook het beeld, dat ze zich van haar man had gemaakt? Haar acht
-droevige huwelijksjaren hadden niets gebracht dan desillusie na
-desillusie, en toch wilde ze niet aan het bankroet van haar leven
-gelooven. O! God, zij wilde het niet! Maar langzaam begon toch de
-troostelooze waarheid tot haar door te dringen.
-
-Zou hij heelemaal niet meer van haar hoûen? Maar had ie ’t eigenlijk
-wel ooit gedaan? Waarom had ie haar dan getrouwd? Kon het mogelijk zijn
-dat die man, in wien zij zóo sterk geloofd had, alleen haar geld had
-verlangd? En wat deed ie met haar geld? Den laatsten tijd had ze heel
-goed gemerkt dat ie dikwijls slecht bij kas was. Kon ze zich werkelijk
-zoo onvergeeflijk dom in hem vergist hebben, dat hij, wien ze haar
-jonge leven in zoo vol vertrouwen had gegeven, niets was dan een ...?
-ze durfde het woord niet denken, en toch zeurde het door haar hoofd, en
-telkens weer.
-
-Maar in eens voelde ze langs haar blooten hals een tocht, die de losse
-haren opblies. De deur was open gegaan en van Praege stond op den
-drempel.
-
-„Wat is dat nou voor nonsens, Gladys? Waarom ben je nog niet in bed?”
-
-Ze stond op, ineens recht overeind, een beetje verschrikt alsof ze uit
-een droom kwam.
-
-„Ik weet het niet; ik heb hier maar zoo’n beetje zitten denken.”
-
-„Ik zou je anders niet gestoord hebben, Gladys, maar ik wou je even
-vragen .... Ik wou die ƒ 500 even hebben, die Maud gisteren voor
-broertje’s verjaardag gegeven heeft.”
-
-„Waarom? .... die zijn immers voor z’n spaarpot? Je hebt verleden maand
-pas het geld van de pachten gehad.”
-
-„Dat vraag ik je niet, nietwaar? Geef me nou gauw even dat geld. Ik heb
-heusch geen tijd, en ik moet het noodig hebben.”
-
-„Waarom?” zeide ze met bevende knieën, voelend dat het bange moment van
-explicatie plotseling gekomen was.
-
-Hij zag haar even aan, verbaasd en onrustig:
-
-„Waarom? Sinds wanneer moet ik je rekenschap geven van elk dubbeltje,
-dat ik uitgeef?”
-
-„Je weet heel goed, dat ik je nooit rekenschap heb gevraagd!” zeide ze
-zacht. „Maar je hebt pas het geld van de pachten gehad, en als je nou
-al niets meer over hebt, waar heb je het dan gelaten?”
-
-Hij was onthutst over hare schijnbare kalmte en haar vragen, die hij
-niet verwacht had. Zenuwachtig probeerde hij luchtigjes te spreken.
-
-„Ik heb gespeeld, en vanavond had ik geen veine, zoodat ik niet genoeg
-bij me had. Geef me het geld nou maar gauw, Gladys, ze zullen ginds
-niet weten waar ik zoo lang blijf.”
-
-„Heb je al dat geld verspeeld?”
-
-„Nou ja, wat zou dat? begin nou in hemelsnaam niet te zeuren, Glad.
-Geef me het geld nou als je blieft.”
-
-„Ik zal het je geven, natuurlijk, als je het noodig hebt, maar op éen
-conditie.”
-
-„En die is?”
-
-„Dat je me belooft om niet meer te spelen.”
-
-„Hoe verzin je het! Ik heb niks te beloven en jij hebt geen condities
-te maken, dunkt me. Wie is hier de baas? Van wie is het geld, van jou
-of van mij?”
-
-„Van broertje,” zeide ze zacht.
-
-„Nonsens, een minderjarig kind. Alles, versta je, alles is hier van
-mij! alles, en ik zal er mee doen wat ik wil. Ik zal me niet door jou
-op den kop laten zitten!”
-
-Hij begon zich op te winden, trachtend indruk op haar te maken. Maar
-uiterlijk bleef ze kalm, al trilde ze van ’t hoofd tot de voeten.
-
-„Frederik, je weet best, dat er bij mij geen sprake is van op den kop
-zitten, maar ik wil de kinderen niet door je laten ruïneeren.”
-
-„Wat ’n overdrijving altijd met die vrouwen. Die vijfhonderd meer of
-minder zal de kinderen niks doen. Wil je ze me nou geven? Anders neem
-ik ze .... Ik zou je raden m’n geduld niet langer op de proef te
-stellen ....”
-
-Gladys ging zwijgend naar haar kast om het geld te krijgen. Ze zocht
-naar iets om hem te zeggen, iets liefs, of iets ernstigs, of iets
-strengs dat hem kon laten voelen dat zijn spelen slecht was, maar ze
-vond zoo gauw niets in haar bonzende hoofd.
-
-Ze gaf hem het bankpapier en toen heel zacht, bijna smeekend zeide ze:
-
-„Freddy, geloof je toch niet dat het zondig is voor een vader van drie
-kinderen, om te spelen?”
-
-De allusie op het ongeboren kindje leek haar het teerste, dringendste
-wat ze zeggen kon, maar het scheen hem niet te treffen. Met ’n zekere
-haast stak hij de banknoten in zijn zak en ging de kamer uit.
-
-En weer luisterde ze hem na, maar ze hoorde de deur niet toeslaan. Nu
-ie het geld had, scheen z’n haast om terug te gaan niet zoo groot meer.
-
-Toen, langzaam daalde in haar neer de kille doodsangst van het
-onherstelbare. Haar huwelijk een failure, haar liefde, haar geloof in
-geluk verwoest! Ja, dat was het woord: Verwoesting! Alles verwoest! En
-machteloos was ze! machteloos, als een klein kind in gevaar. En in de
-verte stond het grijnzende schrikbeeld van armoede. O! als het nog maar
-voor haar zelf was geweest! Wat kwam het er voor haar nog op aan, nou
-toch alles uit was! Maar voor de kinderen! Ze mocht het niet lijdelijk
-afwachten dat ze geruïneerd werden. Maar wat kon ze doen?
-
-Zij snikte onder de duldelooze wreedheid van machteloos te zijn en toch
-zich verantwoordelijk te voelen! Maar de wetten in dit land
-veronderstelden niet eens dat een moeder zich verantwoordelijk kan
-voelen! Die eischten van de vrouw alleen gehoorzaamheid, en aan den man
-gaven ze de macht, alsof niet in negentig van de honderd gevallen van
-ruïne en ondergang de man de schuldige was!
-
-Zij pakte haar hoofd met beide handen en snoerde het vast in haar
-krampachtige vingers alsof ze het dwingen wilde tot klaarder denken. Ze
-had wel eens gehoord dat men een man wegens verkwisting onder curateele
-kon laten zetten, maar tot wien moest men zich dan wenden? En ze kon
-toch niet zoo maar een aanklacht indienen, zonder zeker te weten of
-zijn spelen wel verkwisten was. O! voor zich zelf was ze er vanavond
-zeker van! Allerlei kleine dingen hadden het haar al lang laten
-vermoeden dat ie speelde en dat hun fortuin sterk was achteruit gegaan.
-Maar hoe kon ze ooit zekerheid krijgen? Hij zou haar niet antwoorden
-als ze er naar vroeg, en ze kon toch niet stilletjes de brandkast
-openbreken om te zien wat er nog over was? Maar waren er dan geen
-wetten die de vrouw beschermden tegen den man als hij haar eigen
-aangebrachte fortuin wilde doorbrengen? Nee, straks had ie ’t immers al
-gezegd: alles, alles behoorde hem; de getrouwde vrouw bezit niets!
-
-Maar ze was toch met huwelijksvoorwaarden getrouwd. Haar vader had het
-absoluut gewild! O! Frederik was er wel woedend tegen geweest, en zij
-had er zich toen ook tegen verzet omdat hij arm was en zij rijk. En ze
-had gelachen om den wensch van haar vader en ze was er boos om
-geworden, omdat ze in die voorwaarden iets ondelicaats, als van
-wantrouwen tegenover Freddy vond! Ze was immers zoo trotsch en gelukkig
-geweest om hem alles te kunnen geven wat ze had. Hoe kan een jonge
-vrouw, die haar eigen reine leven, haar toekomst vol visioenen van
-geluk aan een man toevertrouwt, voorzorgen tegen hem kennen voor haar
-geld?
-
-O! wel moest men ter kwader trouw zijn of verregaand onnoozel in
-menschenkennis om in ernst te beweren dat het billijk is om het min of
-meer voordeelige van de finantieele positie der getrouwde vrouw, te
-laten afhangen van haar meerder of minder practisch doorzicht in dit
-moment van hoogste illusie en hoogst vertrouwen! Maar haar vader had
-doorgezet. Een groot gedeelte van haar bruidschat had hij haar in land
-gegeven en bij huwelijksvoorwaarde bedongen dat dit niet zonder hare
-medewerking zou kunnen worden vervreemd of bezwaard.
-
-Meer had hij niet kunnen doen, want ofschoon de wet toestaat dat de
-vrouw ook kan bedingen: het beheer over haar roerende en onroerende
-goederen, mitsgaders het vrije genot harer inkomsten, Frederik had
-hiertegen zoo heftig geprotesteerd, er zich zoo diep beleedigd door
-getoond, en Gladys zelf, bedroefd dat men zulke maatregelen van
-wantrouwen tegen haar man wilde doordrijven, had zoo gesmeekt en
-gehuild, dat haar vader het bij die eene voorwaarde had moeten laten.
-
-Gladys dacht aan dit alles. Veel wist ze niet van geld en wetten, maar
-door haar practische Amerikaansche opvoeding had ze toch meer begrip
-van zaken dan de meeste Hollandsche vrouwen. En uit dien akeligen tijd,
-toen ze zoo ellendig had gestaan tusschen haar vader en Frederik, kwam
-haar vanavond alles weer duidelijk voor den geest. Ze herinnerde zich
-nu dat men haar gezegd had, dat zonder die voorwaarde van Praege
-onherroepelijk alles met haar vermogen kon doen wat hij wilde, het
-verspelen, of .... nog erger, alles, alles! Maar nu kon hij tenminste
-dat land niet weg maken zonder haar wil. Op de effecten had ze geen oog
-kunnen houden, sinds hun huwelijk had hij die al zoo dikwijls verkocht
-en weer andere ingekocht, dat het niet meer uit te maken was, welke van
-haar geld waren, maar het land was veilig, goddank! Die goeie, wijze
-papa! Misschien zou het nou nog blijken dat juist zijn voorzichtigheid,
-waar ze toen zoo boos om geweest was, haar kinderen voor armoede zou
-behoeden.
-
-En de tranen, die ze straks, in haar angst niet had kunnen vinden,
-kwamen nu zachtjes op, onder de verteedering van dat denken aan de
-zorgende liefde van haar vader. Het was of de gedachte aan dat land
-haar ineens van haar grootste angst had bevrijd.
-
-Maar ze hoorde de trap weer kraken, langzaam, geheimzinnig, alsof
-iemand voorzichtig naar boven sloop. Ze luisterde, bang, het moest
-Frederik zijn, want de huisdeur was nog niet toegeslagen. Kwam hij weer
-bij haar?
-
-Toen van Praege straks naar beneden was gegaan met het geld in zijn zak
-en een zeer voldaan gevoel over zijn handigheid, dat hij het met zoo
-weinig scènes en gezeur van Gladys had weten te krijgen, was het hem
-ineens ingevallen dat de heeren daarginds wel een oogenblikje konden
-wachten: ze bleven toch nog uren bij elkaar, en misschien was het nou
-wel het goeie moment om den knoop maar door te hakken met Gladys, over
-die kwestie, die hij toch al lang had willen afdoen. Hij had er wat
-tegenop gezien, maar vanavond voelde hij zich juist heel flink, na zijn
-gemakkelijk zegenvieren over haar.
-
-„Gladys,” zeide hij binnenkomend, met een soort verlegen deftigheid,
-die haar dadelijk met argwaan vervulde. „Nou we toch over die
-vervelende geldzaken gesproken hebben, wou ik je nog even vragen ....
-ik wou je maar even zeggen .... dat, niet door mijn spelen ....
-volstrekt niet, maar enfin, door Amerikaansche fondsen en daling van
-effecten, enfin .... daar hebben vrouwen zoo geen verstand van, maar
-door allerlei omstandigheden is ons fortuin wel erg ingekrompen en nou
-zou het ’t beste zijn, dat we ons land bij Gouda maar verkochten, omdat
-de pachten zoo laag zijn tegenwoordig, en dan kunnen we daarvoor in de
-plaats effecten koopen, die hooge rente geven. Begrijp je me? Ik zou je
-er niet mee lastig vallen, maar het land is van jou en pro forma moet
-je dus je handteekening geven. Dat vind je toch zeker goed? Ik heb er
-al met den notaris over gesproken.”
-
-Gladys slikte met kracht de worgende angst neer, die haar keel
-samenkneep. Ze wist dat hij loog, dat hij het land wou verkoopen om het
-geld in zijn macht te krijgen, om het vrij, naar zijn eigen wil te
-kunnen gebruiken en dat zijn naïeve poging om de zaak luchtig voor te
-stellen, bedrog was.
-
-„Nee!” zeide ze zacht. „Ik hecht erg aan dat land, dat ik van papa
-gekregen heb ik wil het liever niet verkoopen. En Maud zegt dat soliede
-effecten nou toch ook niet veel rente geven, dus dan kunnen we het best
-zoo laten.”
-
-„Maud weet er niks van!” zeide hij ineens driftig. „Vrouwen hebben geen
-verstand van geldzaken. En als ik zeg, dat het beter is om het land te
-verkoopen, dan is het zoo! Ik vraag je niet om raad, nietwaar? Alleen
-maar om je handteekening.”
-
-Gladys kneep de handen samen tot de nagels diep in haar vleesch
-drongen. Voor haar beteekende strijd: pijn en vermoeienis, die ze
-haatte, maar ze moest wel, nietwaar? voor haar kinderen?
-
-„Maar ik wil juist m’n handteekening niet geven, Frederik, heusch niet,
-ik kan dat land niet verkoopen. Laten we er maar niet meer over
-spreken.”
-
-„Ja, waarachtig wel! Als ik het verkoopen wil, dan gebeurt het, versta
-je? Ik weet niet wat je tegenwoordig bezielt om me het leven zoo lastig
-te maken. Maar als ik je nou zeg dat het bepaald noodig is, zul je wel
-teekenen, nietwaar?”
-
-Zij schudde het hoofd en keek hem aan met groote, droevige oogen.
-
-Toen lachte hij, en ineens was hij bij haar en had haar in zijn armen
-genomen en bedekte met kussen haar bloote schouders:
-
-„Kom Glady dear, wil je me dat pleizier niet doen?”
-
-Maar zij weerde hem af, heftig, krimpend als van physieke pijn. Dat was
-het ergste wat zij nog geleden had, van den man, in wiens liefdekussen
-ze geloofd had, deze valsche liefkoozing. Een oogenblik werd ze woedend
-onder de beleediging.
-
-„Nee, ik wil niet teekenen. En ik verbied je het me ooit weer te
-vragen.”
-
-„En waarom?” vroeg hij dreigend.
-
-„Omdat je speelt, je hebt het me straks zelf gezegd, en je wilt het
-land verkoopen en het geld opmaken.”
-
-„En wat zou dat? als ik het doen wil, zal ik het doen, zonder jou
-permissie te vragen. Ik heb geld noodig en ik zal het hebben.”
-
-„Zonder mijn handteekening kun je het niet krijgen!”
-
-Hij lachte even, boosaardig, en ze werd bang, ofschoon ze trotsch voor
-hem bleef staan.
-
-„Ja zeker, je vader dacht heel slim te zijn en je met die voorwaarden
-en dat land een zekere macht over je fortuin te geven, maar de wetten
-hier geven mij een heel andere macht! Ik kan je dwingen ....”
-
-„Je kunt me nooit dwingen te teekenen!”
-
-„Dat zullen we es zien! Als je me niet oogenblikkelijk belooft om te
-teekenen gaat Mary morgen naar ’n kostschool.”
-
-„Mary?” Ze zag hulpeloos om zich heen. De verwoesting in haar ziel en
-overal rondom, werd hoe langer hoe grooter. Ze was een oogenblik half
-bedwelmd door de onverwachte wending van zijn aanval.
-
-„Ja, en als je dan nog weigert, gaat Hajo ook de deur uit. We zullen es
-zien of je dan niet buigen zult.”
-
-Versuft boog ze het hoofd, en ’t was haar, duizelend, alsof ie straks
-ook nog dreigen zou om het kindje dat ze in zich droeg, van haar weg te
-nemen. Toen echter stroomde het bloed in brandende stroomen naar haar
-hoofd.
-
-„Je zoudt het hart niet hebben, Frederik, om mij van de kinderen te
-scheiden! Je hebt er het recht niet toe!”
-
-„Ik heb het recht en de macht om alles te doen wat ik wil met mijn
-kinderen!”
-
-„Jouw kinderen?” riep ze hartstochtelijk. „Maar het zijn niet jouw
-kinderen! Het zijn de mijne! We hebben ze samen het leven gegeven, maar
-ik heb ze gedragen en gekoesterd en lief gehad vóór de wereld nog iets
-van hun bestaan vermoedde, ik heb ze gebaard in smarten waar jij geen
-begrip van hebt, ik heb ze gevoed, versta je, met het bloed uit mijn
-aderen, ik heb koûe nachten bij ze gewaakt en ze opgepast als ze ziek
-waren! Welk recht heb je om ze van mij af te nemen?”
-
-„Alle rechten volgens de wet!” zeide hij koud, wetend dat hij
-overwinnaar was.
-
-Zij duizelde en streek met haar hand langs het voorhoofd, dat leeg
-voelde als of ze krankzinnig zou worden. Wat voor mannen waren dat dan
-toch geweest, die zulke wetten hadden gemaakt, die de moeder met
-machteloosheid vloekten? Wisten die mannen dan geen van allen, dat er
-ook verstandige moeders en lichtzinnige vaders kunnen zijn? Ze voelde
-zich als in een net, dat hoe langer hoe meer wordt dicht gehaald. Als
-ze beloofde te teekenen gaf ze haar kinderen aan armoe over, en als ze
-weigerde .... Zonder haar liefde konden die jonge teere schepseltjes
-immers niet leven?
-
-Een oogenblik dacht ze er aan om zich voor Frederik op de knieën te
-gooien om hem desnoods met liefkoozingen te verbidden, maar ze wist dat
-het toch niets geven zou. Het moest al een lang, vast plan bij hem zijn
-geweest: hij wou het geld hebben. Waarom zou ze zich dan die
-ontzettende vernedering nog opleggen?
-
-„Gladys beloof je dat je teekenen zult?”
-
-Ze wrong haar handen, radeloos zwijgend.
-
-„Beloof je het? .... anders .... gaat morgen Mary! Dat verzeker ik je!”
-
-Hij stond vlak bij haar nu, en zijn dreigend fluisteren klonk sissend
-in haar hoofd.
-
-„Ja ....”
-
-Hij lachte, en wond zijn knevel omhoog en stond nog even naast haar,
-dralend.
-
-Maar zij zag niet op. Het was haar alsof ze krankzinnig zou zijn
-geworden als ze hem nu had moeten aanzien.
-
-Toen begreep hij dat ze elkander niets meer te zeggen hadden en ging
-vlug naar beneden, en een oogenblik later sloeg de voordeur toe.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Hilda slenterde langzaam de trappen af, een beetje zenuwachtig, want ze
-was op weg naar haar oom om hem haar groote besluit mee te deelen en,
-nu het oogenblik gekomen was, zag ze er ineens vreeselijk tegen op.
-
-Daarenboven was ze vanmorgen toch al uit haar evenwicht. Die ontmoeting
-gisteravond met Hervoren hinderde haar en ze was boos op zich zelf,
-juist omdat ze het zich zoo aantrok. Onder al de sterke emoties die den
-laatsten tijd haar rustige levensdeining tot hooge golving hadden
-opgezweept, had ze den indruk van Maarten’s vluchtige ontmoetingen
-nooit in volle klaarheid bij zich zelf kunnen nagaan. Zijn beeld had
-dikwijls, sinds hun eerste samenzijn, voor haar geest gestaan, maar
-vaag, zooals men dingen ziet in de bedding van een woeligen stroom,
-waar het bruischende water den bodem telkens onzichtbaar maakt. De
-herinnering aan zijn elegant energieke bewegingen en de geheimzinnige
-teerheid waarmee hij haar plotseling kon aanzien, wekte tevens een
-klein gevoel van blijdschap in haar op, maar dat heel vaag toch nog
-was; alleen soms, tusschen al haar onstuimige impressies door, had ze
-aan hem gedacht zooals ze vroeger, toen ze kind was, dacht aan een mooi
-nieuw boek, dat ze straks mocht gaan lezen, als ze haar moeielijke
-sommen afhad.
-
-Maar zijn zonderling gedrag van gisteravond had haar in eens wakker
-geschrokken. Eerst zijn krenkende koelheid, toen bij ’t hondenhok zijn
-vraag, weer met dien eigenaardige klank in zijn stem, die van den
-beginne afaan, voor haar aan zijn gewoonste woorden beteekenis had
-gegeven, en toen, bij ’t afscheid nemen zijn gewild eerbiedigen groet
-en zijn blik waarin iets zeer smeekends was geweest. Het had haar erg
-getroffen en ze was boos op zich zelf, dat het haar zoo vervulde. Maar
-straks had ze immers haar Latijnsche boeken uitgepakt, en als ze nu met
-oom gesproken had, ging ze dadelijk aan ’t werk. Dan, meende ze, zouden
-al die dwaze fantasiën wel gauw weer op de vlucht zijn gejaagd.
-
-„Wel Eddy, wat heb je voor bijzonders op die tegels ontdekt?”
-
-Edward stond voor de groote tegelschilderij, beneden in de gang, met de
-handen diep in de zakken en gebogen rug.
-
-„Och niks, ik sta maar zoo’n beetje.”
-
-Zij kwam naar hem toe en legde haar hand op zijn schouder; kleine
-zenuwrillinkjes kropen langs haar ruggestreng en gaven een slap
-wankelig gevoel in haar beenen. Zij bleef bij hem staan, eigenlijk om
-zich zelf nog een oogenblik uitstel te geven. Maar toen merkte ze
-plotseling dat Edward ook geagiteerd was.
-
-„Wat is er Eddy?”
-
-„Och, al dat gezeur over m’n studeeren! Morgen wil papa naar Utrecht om
-kamers te gaan zoeken. En nou moet ik wel met het reisplan van Lord
-Hampden voor den dag komen en ....”
-
-„Waarom zie je daar toch zoo tegen op? Je papa is zoo goedig, ik geloof
-dat ie je niks weigeren kan.”
-
-„O! als het geld was of zoo iets, zou ik ’t ook gerust durven vragen,
-maar hij is er nou eenmaal zoo bespottelijk op gesteld dat ik ’n mooie
-carrière zal maken en, je zult zien, als ik hem vraag of ik een jaar
-later aan de academie mag komen, dan krijg je de poppen aan ’t dansen.”
-
-„Willen we samen gaan? Ik heb hem ook wat te vragen wat ik ’n beetje
-.... vervelend vind.”
-
-„Dat is ’n idee, Hildy.”
-
-Vertrouwelijk stak hij zijn arm door den hare; hij voelde in den grond
-wel, dat zij dapperder was dan hij zelf, en ’t was ook veel gezelliger
-om al die onvermijdelijke wijze lessen niet zoo alleen te moeten
-aanhooren.
-
-„Zul je me helpen? Je kunt zoo goed soms in eens iets zeggen.”
-
-Hilda lachte even. Gewoonlijk was hij zoo zelfbewust, vol kleinachting
-voor „de meisjes.” Zijn nederig vragen om haar hulp, en het
-complimentje, dat er zoo benauwd uitkwam, gaven haar een kleine
-ondeugende voldoening, die haar eigen onrust verminderde.
-
-„Ja maar dan moet je mij ook helpen.”
-
-Hij knikte met een lachje van verstandhouding.
-
-Hilda had tot nu toe, over haar weigering aan Cranz, alleen met Eugénie
-gesproken en deze had er zich tegen niemand over uitgelaten. Eigenlijk
-waren dus allen nog in het onzekere daarover en Edward bracht
-onmiddellijk dit gesprek, waar Hilda zoo tegen opzag in verband met den
-gezegelden brief, dien zijn moeder een poosje geleden gezien had.
-
-„Laten we maar niet gearmd binnen gaan, anders denkt je papa nog dat we
-samen om zijn zegen komen vragen!” zeide ze lachend om haar
-zenuwachtigheid te verbergen.
-
-Mijnheer van Starren zat midden in zijn kamer aan het groote bureau
-ministre dat altijd bedekt was met heraldische boeken, aanteekeningen,
-oude perkamenten en handschriften. Van zijn jeugd afaan waren deze
-genealogische studies zijn liefhebberij geweest: dat geduldig en
-scherpzinnig wroeten in oude familiezaken om met kleine gegevens groote
-geslachtsboomen te reconstrueeren. En hoe ouder hij was geworden, hoe
-hartstochtelijker het hem was gaan interesseeren. Van zijn eigen
-familie wist hij nu bijna alles, van af den eersten van Starren, die
-met Lodewijk den Heilige in 1248 naar ’t Heilige Land was gegaan, tot
-aan zijn vader, die in ’t jaar dertig was uitgetrokken. Alle geslachten
-volgden elkaar regelmatig op en het archief met de schenkbrieven,
-oorkonden en doopceelen, was prachtig in orde. Alleen één schakel
-ontbrak: ergens in ’t begin van 1600 was een Godefriedus van Starren
-van wien men maar niet bewijzen kon, dat hij getrouwd was geweest en
-kinderen had gehad, en dan volgde een Diederik van Starren van wien men
-maar niet kon zeggen of hij wezenlijk een kind of een kleinkind van
-dien Godefriedus was, ofschoon men het logisch moest aannemen. Al de
-laatste jaren had mijnheer van Starren hier naar gezocht en gevorscht,
-en ook op dit oogenblik zat hij diep voorovergebogen over een moeilijk
-te ontcijferen handschrift, dat misschien eenig licht over die zaak zou
-kunnen geven.
-
-„Oom, mogen we u even storen? We wouen u zoo graag wat vragen.”
-
-„Ja, wat is er?”
-
-Voorzichtig legde hij de loep neer, waarmee hij het oude document had
-zitten bekijken, en zag haar onrustig aan. Maar toen hij merkte dat
-Edward achter haar was, ontrimpelde zich zijn voorhoofd. Edward mocht
-hier altijd binnenkomen. Hij was de voortzetting van die rij machtige
-voorouders, die in hem weer in nieuwen luister moesten opbloeien! Zijn
-bijzijn was dus nooit storend hier in dit kapelletje van eeredienst,
-aan het luisterrijk verleden gewijd.
-
-Op rijperen leeftijd eerst was bij mijnheer van Starren de grenzelooze
-familieeerzucht ontwaakt, welke nu zijn eenige passie was. Heftig had
-hij toen betreurd, een moment zelfs tot tobbens toe, zijn in pretmaken
-verloren jeugd en zijn maatschappelijke onbeduidendheid, die daarvan
-het gevolg was geweest. Men had hem even candidaat voor den
-gemeenteraad gesteld, maar toen, bij de verkiezingen na zooveel moeite
-en kosten, de overwinning, niet behaald was, had hij zich ontmoedigd
-voor goed teruggetrokken, al zijn ambitie overdragend op zijn eenigen
-zoon, voor wien hij de stoutste toekomstplannen maakte.
-
-„Papa,” begon Edward, een beetje haperend, onbeholpen, „ik wou u vragen
-laten we maar liever niet naar Utrecht gaan .... Ik heb een invitatie
-gekregen van lord Hampden om van den winter, op zijn jacht naar Japan
-te gaan, en u begrijpt .... dat zou ik erg leuk vinden .... ’t is toch
-ook eigenlijk precies hetzelfde of ik nou een jaar later naar de
-Academie ga ....”
-
-Een lang moment zwegen ze allen, toen zeide mijnheer van Starren
-langzaam:
-
-„Dat ben ik niet met je eens, Edward. Het is nou al éen jaar om je
-gezondheid uitgesteld, en zoo komt het van het een op het ander. Je
-moest die invitatie maar afschrijven.”
-
-„Maar ’t is ’n eenige gelegenheid! En wat komt het er nou op aan of ik
-eén jaar vroeger of later klaar ben?”
-
-„Maar ’t overvolgende jaar is er misschien weer wat anders, en ik heb
-je gezegd dat ik er op gesteld ben dat je flink afstudeert.”
-
-„Dat zal ik ook wel, als u me nou maar laat gaan.”
-
-„Het andere jaar is er de maskerade, dan komt er weer niet van
-studeeren, en zoo raak je in ’n sleur van pretmaken en luieren, en als
-je dan eindelijk aan den gang wilt gaan, ben je er heelemaal uit en
-komt er niks meer van werken.”
-
-„Nee, heusch papa ....”
-
-„Och, jongen, ik heb het immers zoo dikwijls gezien!”—en toen, met een
-plotselinge expansie van gemoedelijkheid, die vreemd afstak tegen zijn
-gewonen ironischen toon:—„Natuurlijk, ik begrijp wel dat je ’t nou goed
-meent, maar ik heb het zelf immers ondervonden hoe het gaat. Ik ben ook
-begonnen, toen ik pas aan de Academie was, met niets uit te voeren, en
-later kon ik er niet meer toe komen; maar ’t heeft me, toen ik ouder
-werd, altijd razend gespeten! De richting van onzen tijd is nou
-eenmaal, dat het ouderwetsche voorname nietsdoen een schande begint te
-zijn in de publieke opinie. De man die iets beteekenen wil, niet in de
-oogen van z’n leveranciers of van ’n troepje pretmakers, maar in die
-van de menschen in ’t algemeen, moet nog iets meer zijn dan de bezitter
-van een ouden naam of een volle brandkast! Zoo is het eenmaal, Edward!
-En je weet, dat ik allesbehalve met de tegenwoordige democratische
-richting dweep, maar in dit opzicht is ze toch logisch. Onze
-voorvaderen, die ons geslacht machtig en groot hebben gemaakt, waren
-ook onder hun tijdgenooten haantjes de voorsten. Het is onzin om te
-zeggen dat God de standen heeft ingesteld. De eerste van een groot
-geslacht, was altijd iemand, die slimmer, of sterker, of wreeder, of
-wijzer, of brutaler, of rechtvaardiger was dan zijn buren en daardoor
-macht over hen kreeg. Het is dus volkomen logisch, dat, als we die
-macht willen handhaven, we ook op de eene of andere manier moeten
-uitmunten. En daarom moet jij werken Edward, versta je, hard werken!
-Van die invitatie wil ik niets meer hooren. Ik verkies niet dat jij
-zoo’n nul in de maatschappij gaat worden als ik zelf ben.”
-
-Hij zeide het met een verlegen lachje, als om het pijnlijke uit zijn
-woorden weg te lachen, maar zij wisten dat hij het meende in bitteren
-ernst.
-
-Edward stond zwijgend, spijtig, aan zijn snor plukkend, zonder iets tot
-verdediging van zijn plan te vinden.
-
-Toen vroeg Hilda zacht:
-
-„Oom, de van Starrens waren vroeger zeker ’n heel flink en eervol
-geslacht?”
-
-„Ja, waarachtig!”
-
-„En niemand zou het in zijn hoofd hebben gekregen om aan hun eerewoord
-te twijfelen?”
-
-„Nee, stellig niet! Wat denk je wel? Maar waarom ....”
-
-„Maar als Eddy, die zijn familie zeker geen schande zal aandoen, u nu
-zijn eerewoord geeft, dat hij het volgend jaar hard zal werken en zijn
-examens zal doen, kunt u hem dan niet laten gaan?”
-
-Zij probeerde het deftig voor te stellen, maar ineens vond ze het toch
-te grappig, dat ze hem zoo midden in zijn teerste plekje had weten te
-treffen, en met groote oogen vol lachtinteling zag ze tot hem op en
-haar lachen stak hem aan.
-
-„Je bent ’n verduiveld bij-de-handje ....”
-
-„Nee, heusch papa, ik geef u m’n eerewoord! Vóór ik een jaar terug ben,
-heb ik m’n examen gedaan! Geeft u me dan permissie?”
-
-De oude heer knikte, in den grond blij dat hij zijn lieveling zijn zin
-kon geven, zonder de toekomst in gevaar te brengen.
-
-„Nou, goed dan! Maar denk er aan, ik heb je eerewoord, van Starren!”
-zeide hij met komische plechtigheid. „En wat hadt jij te vragen, Hilda,
-of kwam je alleen mee als advocate van mijnheer m’n zoon?”
-
-„Oom, ik wou u juist het omgekeerde van Edward vragen. Ik wou juist zoo
-graag gaan werken, als u het goed vindt?”
-
-„Werken?”
-
-„Ja, het fladderleven begint me ’n beetje te vervelen. Ik wou, als u ’t
-goed vindt, in de rechten gaan studeeren.”
-
-„Maar kind, hoe heb ik het nou met je?”
-
-Edward liet zich achterover vallen, in een fauteuil met overdreven
-gebaren van schrik.
-
-„Ja, u zult het idee misschien nog wel wat vreemd vinden, maar dat went
-wel?”—En zij lachte.
-
-Mijnheer van Starren zag haar aan, onrustig, streng, bang dat zij hem
-voor den gek hield.
-
-„Ik begrijp je niet goed .... Wat meen je eigenlijk? ....”
-
-„Wat ik u gezegd heb. Het fladderleven verveelt me, en ik wou graag
-advocaat worden!”
-
-„Dat is geen vrouwenbaantje! Dat is nog nooit door een vrouw vertoond.”
-
-„O! ja wel, oom, in Amerika zijn een massa vrouwelijke rechtsgeleerden
-tegenwoordig! en vroeger zijn er ook altijd geweest: in de middeneeuwen
-waren er veel burchtvrouwen [13] en abdissen van kloosters, die
-privilege van rechtspraak hadden en als magistraten op haar eigen
-grondgebied mochten optreden! [14] U ziet er is niets nieuws onder de
-zon.”
-
-„Maar kind, ik begrijp niet hoe je aan zulke onzinnige idees komt! De
-menschen zullen er je om uitlachen, en je zult er niks dan verdriet van
-hebben.”
-
-„Oom mag ik u iets zeggen?”—En zijn woorden van straks, tegen Edward
-overnemend met de kleine veranderingen, die noodig waren zeide ze
-ernstig: „De richting van onzen tijd is nu eenmaal dat het ouderwetsch
-voorname nietsdoen als zich amuseeren, een schande begint te zijn in de
-publieke opinie. De vrouw, die iets beteekenen wil, niet in de oogen
-van haar modiste of een troepje salondametjes, maar in die van de
-menschen in ’t algemeen, moet nog iets meer zijn, dan de bezitster van
-een mooi gezichtje en juweelen en een volle brandkast!”
-
-„Dat heb ik straks tegen Edward gezegd van den man ...”
-
-„Vindt u niet dat het eigenlijk even goed op de vrouw moet en kan
-worden toegepast? Eigenlijk op ieder mensch?”
-
-Hij haalde de schouders op en bleef haar verwonderd zitten aankijken:
-
-„Je weet niet wat je gaat beginnen, Hilda! Heb je wel es gedacht aan de
-mogelijkheid dat de studenten en zelfs de professoren je onbeleefd
-zouden behandelen!”
-
-„Dat zullen ze niet doen! Gelooft u dat ze hier nog zoo achterlijk zijn
-....?”
-
-„Wel natuurlijk! Je kent de wereld niet. Geloof maar dat de verhouding
-tusschen man en vrouw heel anders wordt of zij tegenover elkaar staan
-in een salon of in een collegekamer ....”
-
-„Wel!” zeide Hilda uitdagend, „dan wordt het hoog tijd dat de meisjes
-uit de balzalen naar de collegekamers gaan om daar ook een beetje
-goeden toon te brengen. ’t Zou toch al heel erg zijn als onze
-aanstaande rechters en ministers niet eens wisten hoe een meisje te
-bejegenen, dat nog iets anders verlangt te doen, dan zich te amuseeren.
-Maar dat geloof ik ook niet!”
-
-„Natuurlijk,” zeide mijnheer van Starren. „Je begrijpt toch wel dat de
-jonge lui je gewoon bespottelijk zullen vinden?”
-
-„Nee oom, dat zie ik niet in! Een vrouw, die werken wil, waarin ook, is
-evenmin bespottelijk als een man. Het komt er maar op aan hoe of ze
-zich gedraagt, en ik zal wel zorgen, dat ik mij niet bespottelijk
-aanstel, dat verzeker ik u!”
-
-Een oogenblik zwegen zij. Mijnheer van Starren vond het ontzettend
-lastig. Sinds jaren was hij gewend alles wat zijn dochters betrof, met
-een ironischen lach van zich af te schuiven: „Daar moet mama maar voor
-zorgen, aan dameszaken waag ik me liever niet!” Maar wat nu te doen met
-zijn zonderlinge pupil?
-
-„Dus u vindt het goed?” vroeg ze overredend.
-
-„Goed? Nee, ik vindt het volstrekt niet goed! ik vind het onzinnig!
-Maar natuurlijk, ik zal je niet tegenwerken, als je ’t bepaald wilt
-doorzetten. Het volgende jaar ben je meerderjarig, dus dan zou je het
-toch kunnen doen, en je moet het dan ook zelf maar weten.”
-
-Hilda stond op. Zij had immers voorzien, dat ze geen sympathie zou
-ontmoeten! dus dit was voldoende: geen tegenwerking.
-
-„Dank u wel, oom.”
-
-„En wanneer ga je naar de academie?” vroeg hij spotlachend.
-
-„Omdat ik al grieksch en latijn ken, denk ik wel dat ik ’t volgend jaar
-m’n staatsexamen zal kunnen doen. U vindt zeker goed, dat ik
-privaatlessen neem?”
-
-„Doe zooals je wilt, als je mij later maar niet de schuld geeft van dat
-dolle plan.”
-
-„Dat beloof ik u! Maar laat ik u nu niet langer ophouden.”
-
-Zij stond bij de deur met den knop in de hand.
-
-„Hilda, hoor nog es even.”
-
-„Wat belieft u?”
-
-„Weet je wel, dat, als je deze meisjesgril doorzet, je je
-huwelijkskansen vreeselijk vermindert?”
-
-„Mijn kansen op een gelukkig huwelijk niet,” zeide ze zacht, „want
-alleen zou ik gelukkig kunnen zijn met iemand die ’t in mij liefhad,
-dat ik verlang een werkende vrouw te zijn, in plaats van ’n
-salonvlinder.”
-
-Mijnheer van Starren glimlachte geheimzinnig, overtuigd, door de
-kibbelpartijtjes, die hij tusschen Hilda en Eugénie had opgemerkt, dat
-hij een gevoelige snaar ging treffen:
-
-„Ik geloof niet, dat bijvoorbeeld, de jonge Cranz erg gesteld zou zijn,
-op ’n advocate als verloofde!”
-
-Hilda rekte zich lang uit, genietend in den triomf van haar antwoord:
-
-„De opinie van mijnheer Cranz is me volkomen onverschillig, oom! Ik heb
-hem juist dezer dagen geschreven, dat ik ook veel liever had dat ie me
-niet als verloofde verlangde.”
-
-„Heb je ’m bedankt?”—riep Edward in onbesuisde eerlijkheid.—„Dat is
-kranig van je!”
-
-„Heb je ’m bedankt? Maar kind .... Hoe kwam je daartoe? Waarom niet es
-eerst raad gevraagd? ....”
-
-„Daar kon immers niemand me in raden. Ik kon toch alleen zelf oordeelen
-of ik hem liefhad!”
-
-„Nou ja, .... liefhebben .... Maar weet je wel dat er zich nooit meer
-zoo’n partij zal voordoen ....”
-
-„Ik verlang geen goeie partij! Ik verlang liefde, en als ik de echte
-niet vind, wil ik er de prullige namaak ook niet van!”
-
-„Kind, kind, wat ’n theorieën allemaal! En wat stel je je dan toch
-voor? Dat die rechtstudie nou zoo iets verrukkelijks is, dat je daar
-het grootste geluk in zult vinden?”
-
-Hij wierp haar zijn woorden toe, driftig, maar zij bleef onbewogen:
-
-„Ik stel me voor dat die rechtstudies heel droog en vervelend zullen
-zijn! Dacht u heusch, dat ik nog zoo onnoozel was, om me een
-meestertitel, op zich zelf, als een geluk voor te stellen? Natuurlijk
-is hij voor mij ook maar een middel, geen doel! ’t zal ’n soort sleutel
-zijn van een poort, die toegang geeft tot een prachtig arbeidsveld.”
-
-Mijnheer van Starren zuchtte. Ontzettend onaangenaam vond hij ’t, dat
-zijn pupil, die hij lief en mooi had gevonden, in de weinige uren, dat
-hij haar zijn aandacht had gewijd, nu zoo onverwachts zulk een heel
-anderen kant van haar karakter liet zien.
-
-„Allemaal utopieën! idiote utopieën! kind! Geloof me! Als je met die
-soort van dingen gaat dwepen zul je niks dan teleurstelling en getob
-hebben!”
-
-Maar toen, geprikkeld door het eeuwige refrein van „Utopie” antwoordde
-Hilda ongeduldig:
-
-„Oom, ik vind het heerlijk dat u het utopieën noemt! Want wat zijn
-utopieën? Nieuwe gedachten waar men nog niet aan gewend is; en wat is
-een nieuwe ontwikkelingsperiode anders dan een reeks daad geworden
-utopieën! Is het niet waar? door alle eeuwen heen is het zoo gegaan.
-Geen genie op moreel of practisch gebied is er ooit geweest, dien men
-niet voor utopist heeft uitgemaakt, en zijn nieuwe ideeën voor
-onmogelijke droomen uit het schimmenrijk! Mijn vader zei altijd: dat
-bewijst alleen dat diegenen die de wereld droomers noemt, dikwijls
-klaar wakker zijn, en dat de zoogenaamd wakkere en nuchtere menschen
-slapen! Maar laat ik u nu niet langer storen. Dank u wel dat u mij m’n
-gang wilt laten gaan.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Hilda had onmiddellijk na het gesprek met haar oom haar Latijnsche
-boeken van boven gehaald, in een passie om dadelijk met werken te
-beginnen en nieuwsgierig om te zien of ze dezen winter niet te veel
-vergeten had. Ze zat in de tuinkamer, in haar geliefkoosd
-schommelstoeltje en wiegde zachtjes op en neer. Het was toch wel
-prettig zijn gedachten weer zoo eens rustig heelemaal op éen punt te
-vereenigen!
-
-Eugénie kwam binnen. Wat zag ze er weer ellendig uit vanmorgen! Al die
-staal en die rauwe biefstuk hielpen toch niets. Zwijgend ging ze naar
-de piano—blijkbaar wist ze nog niets van Hilda’s plan—en begon een
-Nocturne van Chopin, die zij instudeerde voor éen van de soirées van
-Valérie Vermaezen’s bruiloft. Zij speelde goed, correct, met de
-oppervlakkige bravoure, die lange uren van studie en dure lessen kunnen
-geven. Zij liet zich nooit bidden; zoodra hare mama, die niets van
-muziek begreep, maar heel trotsch was op haar dochter’s spel, vroeg om,
-„dat beeldige dingetje, och, je weet wel,” stond ze altijd dadelijk op,
-gedwee, wetend dat het zoo hoorde, en begon te spelen na het
-gebruikelijke zinnetje: „dat ze in geen eeuw gestudeerd had.” Van wat
-er echter verteld werd in die tallooze nootjes van teerheid en weemoed,
-van hartstocht, en onrust daarvan had ze nooit iets verstaan.
-
-Voor de twaalfde maal begon ze nu weer die negen lastige maten, triolen
-tegen zestienden, en weer ging het niet volkomen goed.
-
-Plan! ....
-
-Met haar beide handen sloeg ze wild op de toetsen, die het
-uitschreeuwden met een valsch gekerm. Toen bleef ze bleek en moedeloos
-een oogenblik stil zitten. Hilda zag naar haar op, een beetje
-verschrikt, maar toen kwam Corry ineens binnengehold, heel zenuwachtig!
-
-„Gut meisjes, luister es! Hij is tòch gekomen! Hij is binnen bij papa!
-Boven aan het raam zag ik hem juist uit het rijtuig stappen! O! ik ben
-zoo blij! Voel mijn handen es, Eus, ijskoud hê? O! als papa nou maar
-niet raar doet ....”
-
-„Wie bedoel je?” riep Hilda gespannen.
-
-„Von Görtzen natuurlijk!”
-
-„Natuurlijk!” zeide Eugénie, langzaam, heel droog zoodat niemand recht
-kon begrijpen of het ernst was of ironie! „Natuurlijk is het von
-Görtzen, en niet Rooselaar. Welk meisje van dezen tijd gelooft nou nog
-aan liefde? Een kroontje en vooral een geldzakje! Dat zijn de idealen
-voor de teedere meisjesharten uit onze wereld.”
-
-„Eus, zeur nou niet!” zeide Corry driftig.
-
-Hilda keek weer in haar boek: En eergisteren was ze nog zoo lief tegen
-Rooselaar geweest!
-
-„Had hij je gezegd dat ie komen zou?” vroeg Eugénie.
-
-„Ja, gisteravond bij Gladys zei hij wel zoo iets, maar hij had al zoo
-dikwijls allerlei dingetjes gezegd, dat ik er toch maar half op
-rekende.”
-
-Toen zwegen zij, gespannen. Corry liep rond, bijtend op haar kanten
-zakdoekje, geen minuut stil, radeloos nerveus en Eugénie vanaf haar
-pianokrukje, zat haar somber aan te staren.
-
-„Freule Corry, mijnheer laat vragen of u even bij hem wilt komen,”
-zeide de knecht.
-
-„Heel goed, Johan.”
-
-Toen, kalm ineens, met die plotselinge zelfbeheersching die men soms
-bij de meest zenuwachtige vrouwen vindt, stond Corry op uit de chaise
-longue, waarin ze zich de laatste minuten gewenteld had. De bewegingen
-van haar elegant figuurtje hadden plotseling iets verstijfds, er was
-iets deftigs over haar gekomen in dit éene oogenblik. Even ging zij
-voor den spiegel en streek de donkerblonde kroesjes een beetje terug
-van het voorhoofd, en toen, hoog opgericht met vaste langzame stappen,
-ging ze de kamer uit, haar vroolijke kinderoogen heel koel nu, met den
-strakken blik van eerzucht, waarmee ze voortaan, het leven door zou
-gaan.
-
-Hilda zuchtte een zwaren zucht en Eugénie begon haar stuk weer van
-voren af aan.
-
-Maar de moeielijke passage mislukte nu volkomen. Hardnekkig begon ze op
-nieuw, altijd maar weer op nieuw. Eindelijk ging het een paar maal
-goed, maar toen was het weer totaal mis.
-
-Woedend smeet ze het boek dicht, sloot de piano en kwam vlak voor Hilda
-staan.
-
-„Geloof jij nou dat kunst veredelt?”
-
-„Ja zeker.”
-
-Hilda zag op, glimlachend om de naïeve gewetensvraag die zoo
-onverwachts op haar werd neergeslingerd. Maar sinds haar explicatie
-samen over Cranz, deed Eugénie telkens zulke vragen. Zij was
-voortdurend heel lief tegen haar, maar behandelde haar nu ook ineens
-als een soort orakel waarvan zij op alles, wijze antwoorden wilde
-ontvangen.
-
-„Nou ja, het wordt altijd wel gezegd, maar zou het waar zijn?” drong
-zij aan.
-
-Hilda verliet haar makkelijke houding van lezen.
-
-„Ja zeker!” zeide ze warm. „Kunst, tenminste voor ons dilettanten,
-beteekent eigenlijk: heel groote liefde voor alles wat mooi is! En het
-mooie en het goede, het edele, zijn immers au fond hetzelfde? Kunst
-ontwikkelt, wekt in ons op het gevoel voor het mooie, onze behoefte er
-aan, ons verlangen er naar, en juist dat verlangen werkt veredelend.
-Want mooiheid in lijnen en vormen, en klanken en kleuren en woorden
-noemen wij Kunst, en mooiheid in gedachten en gevoelens en daden noemen
-wij Deugd! en daarom zijn deugd en kunst ten slotte eigenlijk voor wie
-het leven rijk en breed willen opvatten, twee woorden met éénzelfde
-beteekenis, d.i. Liefde tot Volmaaktheid. Daar waar goedheid en
-schoonheid dan ook als heel aparte dingen worden beschouwd, krijg je
-altijd onsympathiek eenzijdige wezens; daar krijg je òf een type van
-dorheid en koû, en bekrompen braafheid, bij wie kunst als iets
-vijandigs, zondigs wordt beschouwd, in wiens nabijheid men zich schaamt
-te lachen of een bloem en een zonnigen hemel te bewonderen, òf wel een
-even akelig type van menschen, vol holle phrasetjes over kunst, die hun
-huizen met artistieke lapjes en prulletjes mooi maken en zuchten van
-aesthetisch gevoel, maar hun innerlijke leven arm en leelijk laten! En
-beiden zijn even ver van een waarachtig edel menschtype verwijderd.
-Want levensharmonie wordt alleen daàr geboren, waar mooiheid in alle
-dingen, zoowel in die van het inwendige als in die van het uitwendige
-leven wordt gezocht, m.a.w. dáár, waar men schoonheid en goedheid
-liefheeft, als één begrip.”
-
-Eugénie had met nieuwsgierige aandacht naar deze, voor haar nieuwe
-gedachte geluisterd. Maar toen werd ze ongeduldig ineens:
-
-„Nou ja, je vat alles ook altijd zoo zwaar op. Natuurlijk veredelt
-liefde voor echte prachtige kunst. Ik heb ook wel es bij mooie muziek
-en mooie schilderijen ’n gevoel gekregen, dat er nog wat hoogers in de
-wereld was om over te denken, dan onze gewone
-koetjes-en-kalfjespraatjes en dat doet je altijd wel goed, maar ik
-bedoelde straks meer, het pianospelen en schilderen dat wij zoo doen,
-wij meisjes ....”
-
-Hilda lachte even:
-
-„Nou zie je, of jij nou nog zoo vlug loopjes kunt maken en al schildert
-Corry een millioen vierkante lapjes met landschappen en stillevens, ik
-geloof heusch niet, dat jullie daar een kriezel edeler of gelukkiger
-door zult worden! Maar dat kun je ook eigenlijk geen kunst noemen.”
-
-„Vind je het dan eigenlijk nonsens?”
-
-Hilda was op het punt om uit den grond van haar hart ja te zeggen,
-denkend aan al die ontelbare uren, die aan zooveel interessanter
-vruchtbaarder werk hadden kunnen worden besteed en geen ander resultaat
-hadden gehad, dan wat slecht schilderwerk van Corry en van Eugénie dit
-brillante, onbeduidende spel. Maar zij bedacht zich en antwoordde
-voorzichtig, zoekend naar woorden die duidelijk zouden zeggen wat zij
-al zoo lang in stilte had gevoeld:
-
-„Ja eerlijk gezegd, geloof ik wel dat al dat dilettantische kunstgedoe
-meestal erge nonsens is! Maar het hangt er heelemaal van af hoe je het
-opvat: als de dilettanten hun kunstbeoefening wilden gebruiken als
-middel om zich zelf te ontwikkelen en hun rusturen mooi te maken zou
-het uitstekend zijn. Muziekmaken, vooral zingen, oefent het gehoor,
-versterkt de muzikale intelligentie, en het vermogen om de
-meesterstukken te begrijpen, en daarbij is ensemble spelen een lief
-mooi gezelschapspel, onder jonge lui en in ’t huisgezin. En teekenen
-oefent het oog en de hand, leert nauwkeuriger opmerken, de natuur beter
-kennen, met schilderen kan men allerlei dingen in huis aardig
-versieren, en het gevoel van afstanden, lijnen en kleuren, dat er door
-ontwikkeld wordt, komt in het leven bij alles te pas. Maar zooals nu de
-meisjes haar „aan kunst doen,” dikwijls opvatten, niet als middel maar
-als een doel, een levensvulling, och arme! bij gebrek aan beter, is het
-heusch erbarmelijk! Daar zitten ze, uren en uren zich uit te sloven,
-met een krachtsinspanning, een volharding, een betere zaak waardig, en
-ze weten allemaal dat er toch nooit iets waarachtig goeds, iets boven
-het middelmatige uit haar worden zal. Maar toch gaan ze voort met
-verwoeden ijver! Het is met dat penseelen en vingeroefenen zoo ongeveer
-net als met het tennissen en wielrijden. Als je die dingen gebruikt om
-beweging in de frissche lucht te nemen en je te ontspannen na ander
-werk, zijn dat ook verrukkelijke uitvindingen, maar als je bij wijze
-van levensdoel dag in dag uit gaat staan tennissen of op een fiets zit,
-wordt het bepaald degoutant! Dat vind ik tenminste ....”
-
-Eugénie draaide zich om en ging voor het raam staan, zenuwachtig een
-deuntje neuriënd dat zij accompagneerde met trommelen op het glas.
-
-Toen, na een poosje zeide Hilda peinzend:
-
-„Zie je, vroeger heeft papa mij ook veel muziek laten maken en
-teekenen, en op reis heb ik zelfs nog lessen gehad van allerlei
-beroemde meesters. Want papa vond, dat iedereen in de gelegenheid moest
-worden gesteld om te zien welke aanleg in hem zit. En toen het bleek
-dat ik niet zonder gave was—want anders was ik er dadelijk mee
-uitgescheden—maar dat ik gewoon, wat de menschen noemen: „een beetje
-talent had”, liet hij mij doorwerken met goeie lessen, tot ik hem ’s
-avonds onze lievelingsmuziek kon voorzingen en spelen en dat ik
-krabbelingen kon maken van dingen, die wij op reis aardig vonden. Maar
-later, toen ik eens de moeielijkheden van het begin overwonnen had, wou
-hij volstrekt niet meer dat ik uren lang zou zitten blokken, om een of
-ander salonstuk machtig te worden of een niet al te onverdienstelijk
-stilleven voort te brengen. Integendeel, later had hij veel liever dat
-ik mijn meesten tijd besteedde aan ’t lezen van dingen, waar we samen
-heerlijk over konden praten en die mij een klein beetje meer begrip van
-het leven konden geven....”
-
-Eugénie kwam ineens, met driftige stapjes, terug van het venster, pakte
-Hilda bij de schouders en schudde haar heftig heen en weer, terwijl ze
-tusschen de vastgeklemde tanden siste:
-
-„Waarom .... heb je .... me .... dat .... nooit .... eerder gezegd?”
-
-Hilda zag op, glimlachend, meenend dat Eugénie scherts met haar aanval
-bedoelde, maar toen ontroerde ze, en staarde angstig in het
-zenuwtrekkend verwrongen gezicht vlak boven haar hoofd. Een oogenblik
-had zij den duidelijken indruk dat ’n ander wezen, ’n wild wreed wezen,
-door Eugénie’s oogen op haar neerkeek en met een huivering trachtte ze
-zich los te maken.
-
-Het was een korte worsteling, toen, met een smak wierp Eugénie haar
-achterover in den stoel en holde snikkend den tuin in.
-
-Roerloos bleef Hilda even zitten, heftig ontsteld door de onverwachte
-scène. Zij begreep het eerst niet, ze was verschrikt, boos, en haar
-schouders wrijvend, waar de stijf geknepen vingers pijnlijke plekken
-hadden gekneusd, stond ze op om Eugénie te volgen en haar rekenschap te
-vragen. Maar toen, op eenmaal, had ze als een visie van heel Eugénie’s
-leven en ze zag dat ze onbewust wreed was geweest. In dat
-meisjesbestaan zonder éen enthousiasme, zonder éen plicht, en zonder
-bestemming, was het vlugge pianospel nog de eenige trots geweest, het
-eenige, dat haar de illusie had gegeven toch iets te kennen, iets te
-zijn, en nu was ook dat haar ontnomen. Hilda had spijt. Was ze te hard
-geweest? Maar dat Eugénie met die vraag over het veredelende van kunst
-zoo ineens voor den dag was gekomen en zich haar antwoord dadelijk zoo
-verschrikkelijk had aangetrokken, was immers het beste bewijs hoe ze
-zich in stilte al lang onvoldaan moest hebben gevoeld. Als Hilda het
-haar vandaag niet gezegd had, zou zij morgen toch uit zich zelf zich
-bewust zijn geworden van het leeg doellooze van al haar gespeel. Maar
-wat moest ze nu doen om haar te troosten? Ze zou naar haar toe gaan, en
-haar zeggen .... wat? Wat kon er gezegd worden? Niemand kon op dit
-oogenblik iets doen voor Eugénie; zij moest haar eigen strijd
-uitstrijden.
-
-Toen draaide Hilda zich langzaam om en raapte het boek op dat straks
-gevallen was. Ze moest nu maar eerst hard werken, dat ze gauw met haar
-studies klaar was, heel gauw! O! ze zou vreeselijk hard werken! En als
-ze dan haar meestertitel had, die in de oogen der wereld een voetstuk
-is,—de wereld is zoo dol op titels en graden—dan zou ze van af dat
-verhevenheidje het uitroepen .... uitschreeuwen als het moest—:
-„Ontwaakt dan toch! jullie meisjes van bij de dertig! Voel je dan niet
-dat je vrouwen bent in de kracht van je leven! en dat je dat leven niet
-gegeven is om min of meer aardig zoowat te liefhebberen in kunst! Voel
-dan toch je verantwoordelijkheid als arbeidster in de maatschappij, die
-in deze overgangsperiode alles gebruiken kan, wat je maar aan verstand
-en hart hebt gekregen!
-
-En de meeste meisjes zouden glimlachen en schouderophalend voorbij
-loopen, maar enkelen zouden naar haar luisteren, en van die enkelen zou
-groote kracht uitgaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Corry’s engagement met von Görtzen was tot September geheim gebleven,
-dat wil zeggen een publiek geheim, want de eerste dagen had zij niets
-gedaan dan vertrouwelijke briefjes schrijven. Zij hadden het saai
-gevonden om het met Augustus publiek te maken, toen haast al de
-kennissen uit de stad waren, maar nu, begin September, nu iedereen weer
-zoo wat thuis was, vooral dit jaar, om de bruiloft van Valérie
-Vermaezen, hadden zij het op een groot feest bekend gemaakt en spoedig
-zouden zij nu aanteekenen en trouwen. Het had ineens een verbazende
-drukte gegeven, beraadslagingen, besprekingen in het oneindige, en
-Hilda had daarvan in stilte genoten, omdat het de aandacht zoo volkomen
-afleidde van haar eigen schrikwekkend besluit. Alleen één morgen had ze
-een heftige scène met haar tante gehad, met al de bedreigingen en
-klachten die bij de omstandigheden pasten: „Zij gooide zich weg, geen
-goed huwelijk zou zich meer voordoen, ze zou een schande zijn voor de
-familie!....”
-
-Maar toen Hilda, onbewogen, den storm over zich had laten heengaan, was
-het er bij gebleven. Corry’s druktes hadden alle gedachten gevergd en
-Hilda had, met Corona’s hulp, privaat lessen gevonden en ’s morgens
-rustig op haar kamer zitten werken.
-
-„Hilda stoor ik je erg?”
-
-Eugénie stond aarzelend aan de deur.
-
-„Nee zeker niet.”
-
-Zij kwam dicht bij haar zitten:
-
-„Hildy, waarom ben je toch zoo kil tegen Cor?”
-
-Hilda kleurde:
-
-„Daar kan ik niks aan doen, Eus. Ik vind dat ze infaam gehandeld heeft
-en nou kan ik niet lief tegen haar zijn!”
-
-Eugénie dacht even na. Vooral sinds Mathilde van de Bransen, Corry’s
-intiemste kostschoolvriendin, uit Utrecht, was komen logeeren, was
-Hilda’s strakheid in ’t oog vallend. Al de vriendinnen waren vol
-plagerijen en complimentjes, iedereen had lieve woordjes voor het jonge
-paar, al sprak men er ook nog zooveel kwaad van achter zijn rug,
-iedereen bracht hulde aan de aanstaande gastvrouw van het Majoratsgut
-in Silezië, alleen Hilda was stil en stug.
-
-„Nou ja, wat gaat het je eigenlijk aan. Laat ze doen wat ze wil! Als je
-je al de zaken van andere menschen wilt aantrekken, heb je geen leven
-meer.”
-
-„Weet je ’t van Rooselaar?”
-
-„Nee?”
-
-„Zoodra ie ’t heeft gehoord, heeft ie in ’n vlaag van wanhoop z’n
-familie, z’n mooie vooruitzichten, alles in den steek gelaten en is
-naar de Transvaal gegaan.”
-
-„Wezenlijk? .... hoe naar!”
-
-„Ja, heel naar!”
-
-Eugénie zat even stil, getroffen, toen op haar ouden cynischen toon:
-
-„Nou ja, maar waarom is ie dan ook zoo stom geweest om er in te
-loopen?”
-
-„Hê Eus, hoe kun je nou toch zoo iets zeggen! Hij moest er immers
-inloopen, omdat Corry heusch van hem hield tenminste .... voor zoover
-zoo’n poppenzieltje tot liefde in staat is! En dat vind ik juist zoo
-afschuwelijk in haar dat ze eerzucht boven liefde heeft gesteld. Zie
-je, er wordt tegen mij nu heel wat gezeurd over „onvrouwelijkheid,”
-maar dàt vind ik nou onvrouwelijk, in de ergste beteekenis! Edward was
-er in de eerste dagen ook woedend over, en dan kwam ie hier bij me
-zitten razen, maar ik geloof dat je mama hem es flink de les heeft
-gelezen en von Görtzen heeft nou zijn hart gestolen met de vrije
-beschikking over z’n paardenstal, en nou is ie heelemaal tam! Och ja,
-’n beetje heilige verontwaardiging minder en ’n beetje wereldwijsheid
-meer, zoo moet je er komen!”
-
-Hilda had het bitter gezegd. Haar gemoed was gemaakt om sympathie met
-stroomen uit te deelen, om vroolijk te zijn, en lief te hebben, en zij
-leed er onder zich zoo alleen, in opstand, ver van al de anderen te
-voelen.
-
-„Och, misschien dat men het op den duur met jouw heftige, eerlijke
-verontwaardiging nog verder brengt dan met mama’s practisch cynisme,
-maar menschen als wij hebben nou eenmaal de kracht niet om je op dat
-pad te volgen. Eddy vindt je au fond wel erg kranig, geloof ik, maar ’t
-is zoo veel makkelijker, zie je, om verstandig te zijn en je den boel
-niet aan te trekken. En jij bent toch ook soms wel erg overdreven, neem
-me niet kwalijk! Maar weet je waarom ik nou eigenlijk bij je kwam? Om
-je ernstig aan te raden om weer aardig tegen Corry te zijn.”
-
-„Waarom? Tegen von Görtzen ben ik natuurlijk beleefd, maar ’t is me
-niet mogelijk om hartelijk tegen haar te zijn. Haar heele leven gaat
-nou eén leugen worden, want ze houdt heelemaal niet van Ferdinand, en
-ik vind het een walgelijke geschiedenis.”
-
-„Nou maar, ik waarschuw je! Denk je niet, dat het Corry vreeselijk
-begint te hinderen? Het herinnert haar onophoudelijk datgene, wat ze
-juist met alle kracht wil vergeten, en alles wat tegenwoordig pijnlijk
-op haar zenuwen werkt, zet zich om in woede tegen jou. En ze zal zich
-wreken!
-
-„Geloof je?”
-
-„Ja zeker! je wou immers dat voorloopig je plan voor de wereld geheim
-bleef, tot je ’t volgend jaar je examen gedaan hebt? Nou maar, ik kan
-je dan zeggen, dat Corry overal rond gaat en het uitfluistert met
-venijnige lachjes vol suggesties van iets heel belachelijks. En
-Ferdinand doet mee. Hij heeft natuurlijk èn als Duitscher èn als
-conservatief aristocraat een vreeselijken hekel aan emancipatie. Zulke
-mannetjes vinden alles wat op vrijheid lijkt horrible, behalve voor
-zich zelf. En hoe vinniger Cor er nou over praat, hoe aardiger hij haar
-vindt, en ik zie nog aankomen, dat ze je al bij de kennissen onmogelijk
-maken.”
-
-Hilda zat zwijgend, driftig op haar pennehouder bijtend. Deze eerste
-aanraking met de wereldwreedheid maakte haar innerlijk wild van
-opwinding. Ze had het wel vooruit geweten dat men haar uitlachen zou!
-Maar het deed toch meer pijn, dan ze gemeend had, nu ’t oogenblik
-gekomen was.
-
-„Natuurlijk, meisjes als Corry worden gevierd en ik word uitgelachen!”
-
-Ze stond op en rekte zich lang uit in een spannen van al haar spieren,
-alsof ze haar krachten tegen den strijd wilde meten. En toen ineens, om
-de beklemmende emotie te uiten die haar keel toekneep, danste ze de
-kamer door, wilde Tarantellapassen, die ze in Italië geleerd had, tot
-ze eindelijk hijgend voor Eugénie staan bleef en haar omhelsde.
-
-„Dank je wel Eus, dat je ’t me gezegd hebt! Maar ik kan er niets aan
-doen, laat ze dan in godsnaam maar lachen!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Valérie Vermaezen’s bruiloftsfeesten waren schitterend. Het groote
-buiten bij Wassenaar, Vreugdhof, leende er zich zoo goed toe, en het
-weer was nog zoo mooi, dat den avond van het vuurwerk de dames zelfs in
-haar lichte kleedjes en bloote hoofden hadden kunnen buiten loopen.
-
-Eugénie en Edward, in hun qualiteit van bruidsmeisje en bruidsjonker,
-waren al vroeg ’s middags naar Vreugdhof gereden. Er zou dien avond een
-groot bal bij de Vermaezens zijn, ter eere der beide jonge paren en er
-moest nog allerlei voor den Cotillon worden klaar gemaakt. De overige
-familie werd eerst met al de andere gasten ’s avonds tegen half tien
-verwacht, en von Görtzen, met zijn vriend van Smaarth en Betty de
-Mureaux dineerden dien middag bij de van Starrens om na het eten allen
-te zamen naar buiten te rijden.
-
-Het was een vroolijk dinertje. Van Smaarth, die den laatsten tijd,
-sinds ze uit Zwitserland terug was, telkens met Ottilie van Heemeren
-gekibbeld had, was uitgelaten door reactie en maakte uit depit Mathilde
-van de Bransen het hof.
-
-Zij was een lang mager meisje, met een spits gezichtje, bleek, met
-fletsbruin getinte kringen van zomersproeten om de oogen. Zij behoorde
-tot de rijkste partijen van Utrecht en voelde zich ontzettend. Haar
-levensillusie was om in Engeland te trouwen op een groot landgoed en in
-afwachting daarvan legde ze er zich op toe om zooveel mogelijk in alles
-Engelsch te zijn, van af haar kleeding tot haar High Church-sympathiën
-toe. In Utrecht werd ze onder de jongelui erg stijf en vervelend
-gevonden, maar in deze Haagsche bruiloftomgeving was ze hoe langer hoe
-losser geworden, en vanavond was ze zelfs wat opgewonden tegen van
-Smaarth, dien zij voor ’n Hollander erg aardig vond: „bijna jammer dat
-ie geen Engelschman was.”
-
-Aan het dessert had de champagne gesprankeld en de stemming onder een
-hoogere atmosfeer gebracht. Er kwam iets luidruchtigs, iets baldadigs
-in den toon, men zocht naar iets prikkelends om te kunnen blijven
-lachen.
-
-„Heb je die japon van Belle Pankaert gezien gisterenavond?” zeide
-Corry. „Ik begrijp niet dat je niet bedankt als je niet beter voor den
-dag kunt komen. ’t Leek wel roggenbrood met bessensap.”
-
-„Zeker symboliek freule,” riep van Smaarth. „Roggenbrood beteekent
-armoe en bessensap haar voorland: ’t besjeshuis.”
-
-„Dan waren die onmogelijke gitjes aan haar hals zeker krentjes, die de
-krenterigheid van mama verbeelden.”
-
-„Nou, ik geloof niet dat haar moeder gierig is, maar zoontjelief kost
-nog al wat.”
-
-„Ja, die houdt, geloof ik, meer van andere vruchten dan van besjes,”
-schaterde von Görtzen met zijn harden lach.
-
-„Mijnheer van Starren vondt u Valérie’s toilet niet prachtig?” riep
-Mathilde over de tafel.
-
-„Nou, ik hou niet veel van zulke drukke opschiksels. Zoo iets glads,
-zooals bijvoorbeeld Hilda daar aan heeft, vind ik veel mooier voor
-jonge meisjes.”
-
-Hilda zag glimlachend naar hem op. Zij was dankbaar tegenwoordig bij de
-spanning in huis, voor elk vriendelijk woord.
-
-Het was een heel wit kleedje, van doorzichtige Chineesche zijde,
-waarvan de wazig volle plooien strak om het middel waren saamgehouden
-door het stijve moiré van een breed lichtmauve lint.
-
-„O! ja, dat is ook ravissant, alleen begrijp ik niet hoe Hildchen nog
-zoo iets liefs wil dragen!” spotte von Görtzen.
-
-„Waarom niet?”
-
-„Zoo iets elegants voor een meisje dat studeeren gaat!”
-
-Hij zag haar aan, uitdagend ironisch, en ze voelde ineens met onrust
-dat iedereen haar aankeek.
-
-„Wel ik vind juist dat een meisje dat studeeren gaat zich bijzonder
-goed moet kleeden. Het zou al heel ridikuul zijn om je te gaan
-verwaarloozen zoodra je ’n paar deftige boeken hebt gelezen.”
-
-„Maar zul je dan later heusch zulke toiletjes blijven dragen?”
-
-„Natuurlijk! De tijd is toch al lang voorbij, vindt je niet? dat
-meisjes die ’t leven ’n beetje ernstig opnemen er als
-vogelverschrikkers trachten uit te zien.”
-
-„Nou, maar de meeste geëmancipeerde vrouwen zien er toch nog onmogelijk
-uit, hoor!” riep Corry.
-
-Hilda glimlachte, uiterlijk onverstoorbaar:
-
-„Alsof niet ook een massa ongeëmancipeerde er onmogelijk uit zagen!
-.... Je moet ook niet vergeten, dat de meeste geëmancipeerde vrouwen nu
-ook nog tot een stand behooren, waarin ze heel, heel weinig geld voor
-haar toilet kunnen besteden, en dat is, voor wie niet den slag van de
-française bezit, om uit bijna niets, iets aardigs te maken, een groote
-hinderpaal! Maar ’t is waar, er heeft wel zoo’n opvatting bestaan,
-vooral hier in Holland, dat het wuft was, om er zoo goed mogelijk te
-willen uitzien en dat, als je ernstig wou zijn, je je saai en smakeloos
-moest kleeden. Maar dat zijn we nou toch heusch wel te boven, geloof
-ik! Onze leus zal juist wezen: geen éen talent verwaarloozen—en het
-uiterlijk is even goed een talent als iets anders—alles, op welk gebied
-ook, zoo goed en zoo mooi mogelijk! dus ook onze kleeding!”
-
-Er was iets lachbedwingends in Hilda’s kalme antwoord en von Görtzen
-werd bang dat het gesprek deftig ging worden. Men moest haar niet
-rustig laten verhandelen. Ze moest worden uitgelachen! Dat was
-misschien nog het eenige middel om haar tot rede te brengen. Hij had
-ook een zuster gehad, die nu met von Glansau getrouwd was, die absoluut
-Roomsch wou worden en in ’n klooster gaan. Ook zoo’n geëxalteerd
-meisje, en toen hadden ze haar allen zóó voor den gek gehoûen tot ze er
-geen woord meer van had durven zeggen.
-
-„Maar Meester Hilda, doctor juris, je laat toch zeker je haar
-millimeteren?”
-
-Hij schaterde het uit en allen lachten mee, zenuwachtig, uitbundig. Er
-was ineens een prikkeling van boosaardigheid in hen, die de temperatuur
-verhoogde, als in de oogenblikken dat er schandaaltjes befluisterd
-werden.
-
-„Ik heb u al gezegd, dat ik probeeren wou om alles zoo goed en mooi
-mogelijk te doen, en dus zal ik zeker niet gaan nadoen, wat ik zoo
-leelijk vind bij de heeren!”
-
-Hilda riep het hard, om boven het gelach gehoord te worden, maar ze
-werd niet verstaan. Allen spraken door elkaar, aanvallend, bespottend,
-de tongen los, elkaar aanstekend en opwindend en minachtende dingen,
-laffe grapjes, een oogenblik zelfs in overmoed, een paar grove
-dubbelzinnigheden kruisten over de tafel.
-
-En Hilda zat te midden van dit alles, pijnlijk gewond, maar zich
-dwingend om kalm te blijven. Wat ging haar dit leven eigenlijk aan? Die
-menschen hier spraken niet van haar en haar mooie plan, zooals zij het
-zich voorstelde; zij hadden het over dat afgezaagde Fliegende
-Blätter-type van de geëmancipeerde vrouw, dat ouderwetsche
-basbleu-type, dat haast tot de legenden gaat behooren.
-
-Maar in dit zelfde oogenblik, onder de pijniging van het spotgesuis om
-haar heen, leerde Hilda ook plotseling begrijpen, hoe de pioniersters
-der vrouwenbeweging, zij die het eerst, de door traditie en vooroordeel
-afgebakende banen hebben verlaten, soms zooveel aanleiding hebben
-kunnen geven, om zonderling en antipathiek te worden gevonden. Want er
-behoort een beetje het gemoed van een heilige toe om niet bitter, maar
-beminnelijk en waardig te blijven als men onophoudelijk omringd is, in
-het huisgezin en in het publiek, van tegenwerking en afkeuring, als men
-uitgelachen wordt door de vrouwen, met wie men is opgegroeid en door de
-mannen als een abnormaal wezen wordt behandeld, als men voortdurend
-ontmoedigd wordt bij dezelfde studies, waarbij men den man aanmoedigt,
-als men met de grootste moeite zich toegang moet verschaffen tot
-onderwijsinrichtingen en werkplaatsen, die voor elken man, zelfs den
-minst begaafden openstaan. En dit alles hadden die vroegere vrouwen
-moeten doorworstelen, strijdend tegen een vooroordeel, een onwil waar
-wij ons nu zelfs geen voorstelling meer van kunnen maken. Geen wonder
-dat velen van haar treurige typen werden, vol tegenstrijdigheden.
-Dikwijls werden zij mannenhaatsters—helaas, haar ondervinding leerde
-haar den man toen nog maar al te dikwijls als vijandig kennen—en toch
-was haar hoogste streven om hem in alles na te doen. Men had haar
-immers zoo tot in ’t oneindige voorgehouden dat hij de meerdere was,
-dat hem de eerste plaats toekwam en de rechten en de vrijheid, dat
-daardoor als vanzelf bij haar de overtuiging ontstaan moest, dat alles
-gewonnen zou zijn, als zij maar zoo veel mogelijk, in alle opzichten,
-op dien benijdbare kon gaan gelijken!
-
-Toen kreeg men een oogenblik dat soort van ruwe vrouwen in
-mannenkleeren, die het verschil der geslachten trachtten te ontkennen
-en laag neerzagen op netheid en orde en zachtheid, omdat dat vroeger
-speciaal vrouwelijke deugden werden genoemd. Het waren arme,
-onevenwichtige individuen, zooals elke overgangsperiode ze voortbrengt,
-vol goede bedoelingen en enthousiasme, maar zonder kracht nog om haar
-eigen leven, in harmonie met haar nieuwe denkbeelden, tot iets moois te
-maken. En de wereld, die dom is in het begrijpen der oorzaken, als zij
-die vrouwen zag gaan, zeide dat het de wetenschap en de vrijheid waren,
-die zoo het bekoorlijke in haar verwoest hadden, zonder te bedenken,
-dat het veeleer de miskenning, de tegenkanting, de wreedheid der
-menschen waren en de daardoor, uit reactie geboren zelfoverschatting,
-die dit kwaad hadden uitgericht.
-
-Maar die tijden waren nu immers voorbij! De moderne vrouw weet nu dat
-haar kracht niet ligt in nadoen, maar in volkomen zich zelf durven
-zijn! Zij eischt niet meer de rechten van den man, in een kinderachtig
-„ook willen hebben wat een ander heeft!” Zij eischt haar eigen rechten,
-omdat zij zich mondig en verantwoordelijk begint te voelen. Zij weet
-dat er moreel en physiek een groot onderscheid tusschen den man en de
-vrouw bestaat, en dat dit juist het leven rijk maakt en vol kleur, en
-juist daarom eischt zij meer vrijheid voor zich zelf om naar eigen
-aandrang haar weg te mogen kiezen, overtuigd dat het verschil der
-geslachten te wezenlijk is, om nog, tot kunstmatige instandhouding
-daarvan, verouderde scheidsmuren noodig te hebben. Zij zal haar
-dochters opvoeden tot waarachtige vrouwen en haar zonen tot waarachtige
-mannen, niet door hen voortdurend in te prenten: dit gaat niet voor een
-meisje, dat hoort zoo voor een jongen, maar door beiden hun
-eigenaardige gaven in volheid te laten ontwikkelen, en dan zal ze hen
-samen de wereld in zenden om naast elkaar te arbeiden.
-
-Met strakke klaarheid was dit alles plotseling voor Hilda’s geest
-opgegaan, pijlsnel had ze het op eenmaal overzien en begrepen.
-
-„Freule, mag ik u het eerste kistje sigaren aanbieden, zoodra u aan het
-rooken begint?” riep van Smaarth. „Maar ik zou u aanraden niet vóór den
-herfst te beginnen, vóór er zure appels zijn.”
-
-Betty de Mureaux viel in met een eindeloos gegiegel.
-
-„Zie je nou wel dat iedereen het gek van je vindt!” zeide mevrouw van
-Starren zegevierend.
-
-Zij stonden nu allen op van tafel en slenterden den tuin in, waar de
-koffie gediend werd. Mijnheer van Starren bleef even achter met von
-Görtzen om een sigaar op te steken:
-
-„’t Geeft je niks, Ferdinand, of je haar nog zoo plaagt. Ze hoort tot
-de dwepers, die loopen liever hun hoofd te pletter dan hun idees op te
-geven.”
-
-Von Görtzen lachte met een klein schouderophalen:
-
-„Wie weet?”
-
-Toen ging hij weer bij de dames en sarrend begon hij op nieuw:
-
-„Liebes Hildchen, zul je me waarschuwen als je mannenhaatster gaat
-worden? Dan zorg ik ’n beetje uit de buurt te blijven.”
-
-Corry steunde hem dadelijk met haar hoog kirrend lachje.
-
-Van Smaarth kwam vlak bij haar staan en met impertinente ironie:
-
-„Zult u mij ook waarschuwen, freule? Dan verlaat ik onmiddellijk het
-land! In dezen dynamiettijd zou ik erg bang zijn .... toe, zult u mij
-sparen?”
-
-Hilda kon niet antwoorden door dit lachgedruisch heen, en haar onmacht
-beklemde haar een oogenblik. Maar wat zou ze ook antwoorden? Deze
-menschen zouden haar toch niet verstaan, als zij hen zeide hoe absurd
-het was, mannenhaat te verwachten bij haar, die zulk een vader had
-gehad! En evenmin zouden zij haar begrijpen, als zij er hen op wijzen
-wilde hoe onbillijk het toch van de wereld was om altijd de vrouw te
-bespotten, die, verbitterd door treurige ervaringen mannenhaatster is
-geworden, terwijl men aandachtig luistert naar den man die, verbitterd
-door even treurige ondervindingen, vrouwenhater werd. Van af sommige
-oude klassieke schrijvers en kerkvaders tot Schopenhauer [15] en
-Strindberg toe, zijn er altijd mannen geweest, die de vrouw hebben
-gegeeseld, omdat zij enkelen harer hadden leeren verachten, en
-natuurlijk staan daar tegenover even zooveel vrouwen, die, om het leed,
-haar door enkelen aangedaan, den man hebben leeren vloeken. O! Haten
-was altijd, bij wie het ook deed, een bewijs van eenzijdigheid en
-bekrompenheid, een bewijs dat er niet diep genoeg was doorgedacht om te
-hebben begrepen, maar niemand mocht vergeten, dat er, voor wie veel
-geleden heeft, ook veel verontschuldiging is!
-
-„Zie je wel, Hilda, dat de heele wereld je zal uitlachen,” proestte
-Corry.
-
-Misschien vindt de freule dat wel aardig; zoo’n martelaarskroontje
-flatteert wel ....”
-
-Het was een echte fou-rire geworden, een aanstekelijke zenuwlach, die
-hen allen liet schudden om hun eigen geestigheid. Maar het pijnlijkst
-sarrend klonk het hooge gelach van de drie meisjes.
-
-Hilda zag rond, trillend onder de terging, en een oogenblik steeg er
-woede in haar op. Maar toen, plotseling kwam er een vreemd teeder
-gevoel van namelooze weemoed over haar, een intens besef hoe
-erbarmelijk dom zulk lachen was.
-
-Toen richtte ze zich op, met bevende lippen, tragisch, en ineens met
-een groote stem, warm van emotie, overheerschte ze al deze geluiden van
-spot:
-
-„O! ga je gang maar! arme meisjes! Denk je dat ik de desolatie van
-jullie leeg, zenuwachtig leven niet ken? Voel jullie dan niet dat heel
-je bestaan kan worden samengevat in deze twee huiverige woorden:
-Wachten en betreuren! Eerst wachten op een huwelijk, dat in deze tijden
-voor velen van ons nooit komen zal en wachtend je zoowat amuseeren tot
-de vermindering van succes je zegt om je terug te trekken, en dan
-betreuren en verlangend terugzien op die verloren fladderjaren, die de
-rijkste van je leven hadden kunnen zijn. Daar, dat is jullie heele
-bestaan! En lach me maar gerust uit, dat ik het mijne anders wil
-gebruiken. Jullie gelag zal de nieuwe gedachten niet overschreeuwen!
-zij zitten in het bloed van dezen tijd! Het jonge geslacht zal ze
-kennen zonder ze geleerd te hebben! Het nadert, het ontwaken! Wat doet
-het er toe of jullie spottend en verwonderd wilt achterblijven? Wij
-zullen voortgaan waar de Tijdgeest ons roept. O! lach jullie maar, ik
-heb medelijden met jullie! en daarom kan je gelach me niet boos maken
-....”
-
-Maar met een schok hield ze op, heel bleek met strakke oogen. In de
-veranda, op den drempel stond Maarten van Hervoren, en hun blikken
-ontmoetten elkaar in groote ontroering. Hilda was altijd een lieve,
-elegante verschijning, maar als zij zich opwond in haar eigen
-gedachten, en de groote klare oogen verdonkerden zich, opfonkelend in
-bezieling, was er een pathos in haar, ging er een bekoring van haar
-uit, die de mooiste vrouw met een arm zieleleven nooit kan bezitten.
-
-Maarten stond getroffen en bij het elkaar onverwacht ontmoeten van hun
-blikken was er een duizeling van weelde in hen beiden.
-
-Een oogenblik was het maar, toen raakte ze verward, niet begrijpend
-ineens hoe ze daar zoo heftig had durven staan spreken, tusschen al die
-vijandige gezichten, en wat Maarten daar zoo in eens kwam doen, en met
-een schuwheid, waar ze later woedend over was, vluchtte ze hem voorbij,
-de kamer in en naar boven.
-
-Het stuipachtig dolle gelach der anderen had langzaam opgehouden,
-verkild in de plechtigheid van Hilda’s woorden, en zwijgend, onhandig
-stonden ze nu bij elkaar.
-
-„Mevrouw, ik hoop niet dat ik u stoor? De knecht zei me, dat ik u in
-den tuin zou vinden. Ik kom direkt van Vreugdhof met ’n lijstje
-benoodigdheden, die de freule Eugénie me dringend heeft gevraagd om
-dadelijk mee terug te brengen. Ze zijn aan het repeteeren van den
-cotillon voor vanavond, maar er kwam nog allerlei te kort.”
-
-„O! geeft u mij ’t lijstje maar!” zeide Corry. „Laat es zien? Tien
-meter rood tarlatan, spelden, twee vel goudpapier ....” mompelend las
-ze even voort en holde toen weg, om alles klaar te maken.
-
-„U kwam juist in op de speech van de freule van Suylenburg, niet waar?”
-lachte Betty.
-
-„Was de freule aan ’t speechen?”
-
-Er was bij sommigen een oogenblik van aarzelen. Maarten’s reputatie van
-politiek verschrikkelijk rood zijn, maakte von Görtzen en van Smaarth
-wantrouwend om het gesprek in zijn bijzijn voort te zetten.
-
-Maar Mathilde van de Bransen was vol opgewonden bereidwilligheid om
-inlichtingen te geven:
-
-„Ja, hebt u ’t niet gehoord? We hadden haar ’n beetje geplaagd .... o!
-we hebben ons ziek gelachen, omdat ze advocaat wil worden, en toen
-hield ze ’n woedende speech.”
-
-„Advocaat?”
-
-„Ja, wat ’n idee, he?”
-
-„Miserabel!” zeide von Görtzen. „Waar moet het heen als meisjes uit
-onze kringen zoo’n voorbeeld gaan geven? Ze zullen al haar
-bekoorlijkheid gaan verliezen, en wat dan? ’t is horrible.”
-
-Maarten lachte ironisch:
-
-„Nou, bekoorlijk zullen ze wel altijd blijven, ’t zou alleen kunnen
-zijn, dat ze zich ’n beetje minder moeite gingen geven om ons te willen
-bekoren! Maar tot dusver heb ik juist dikwijls gevonden, dat vrouwen,
-die zich hadden aangepakt, bijzonder aantrekkelijk waren. En kom, von
-Görtzen, laten we het ook maar niet zoo veel beter willen weten dan de
-natuur, die de vrouw net zoo goed hersenen als handen heeft gegeven,
-toch om ze te gebruiken, veronderstel ik. Waarom zou de provisiekamer,
-de keuken en het salon nou eigenlijk zooveel betere kweekplaats van
-bekoorlijkheid zijn dan de studeerkamer? Het is ’n beetje onlogisch om
-te denken dat intelligentiewerk den man zou veredelen en de vrouw zou
-doen ontaarden.”
-
-„Nou, ik vind het dan toch maar allesbehalve aantrekkelijk zoo’n
-basbleu met inkt aan haar vingers ....”
-
-„Daar zijn we ’t over eens, handen moeten gewasschen worden, maar hoe
-denk je over rooie gesprongen handjes door ’t opdoen van de wasch?”
-
-Op dit oogenblik kwam Corry terug.
-
-„Alles is in uw rijtuig, mijnheer van Hervoren, alles wat op ’t lijstje
-stond, is er.”
-
-„Freule, ik dank u zeer.”
-
-Maarten ging heen, maar mevrouw van Starren zag hem na met een lach van
-boosaardigheid:
-
-„Ik wensch hem van harte toe, dat ie nog es ’n vrouw krijgt, die haar
-kindertjes ba ba leert zeggen in ’t Grieksch.”
-
-Allen proestten het uit, maar in hun schateren was iets gedwongens, het
-wilde niet vol meer klinken, er was een barstje in de stemming gekomen,
-en zij bleven in den tuin doelloos om elkaar heen drentelen, tot het
-ook voor hen tijd was om naar Vreugdhof te rijden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Maarten stond beneden aan het hooge terras, waar de rijtuigen vóór
-reden en hielp de dames uitstijgen. Eerst kwam de groote landauer met
-mevrouw van Starren en Corry en von Görtzen en van Smaarth en vlak
-daarachter de coupé met Betty en Mathilde en Hilda.
-
-„Hebt u nog dansen, freule?”
-
-Hilda glimlachte en gaf Maarten haar balkaartje. Het souper en de twee
-dansen daarvóór waren nog open.
-
-„Mag ik die alle drie hebben?”
-
-Zij knikte, blij dat hij zoo onbehoorlijk veel durfde vragen, en ging
-toen de trappen op van het terras, naar de balzaal, aan den arm van
-Charles Pankaert, die den eersten dans van haar had en al op haar had
-staan wachten.
-
-Het was alles mooi als een sprookje in huis: de vestibule en de lange
-gangen met donker dennengroen en lichte art-muslins versierd, vroolijk
-als een reusachtig meisjesboudoir, en de balzaal, zuiver empire, alles
-wit en goud, vol bloemen en palmen en honderden waskaarslichten.
-Chrysanthen en rozen, Valérie’s lievelingsbloemen, waren overal
-aangebracht; zij klommen langs de wanden en hingen af van de luchters,
-omlijstten de deuren, stonden hoog op tegen het palmengroen achter de
-sofas, en weerkaatsten zich in groote Japansche vazen in de spiegels
-der hoeken.
-
-Hilda was opgetogen. Alles wat er artistieks in haar was, ontroerde bij
-deze geurende feeërie. De oude betoovering van den vorigen winter was
-weer over haar, maar een beetje anders nu toch; ze genoot er van, maar
-met open oogen, niet meer bedwelmd.
-
-„Hoe mooi!” zeide ze zacht.
-
-„Ja, prachtig.”
-
-Zij wandelden verder, Charles druk pratend, maar zij luisterde niet. Ze
-vond hem vervelend, hij had een ironische hoffelijkheid, die haar niet
-op haar gemak maakte, een manier om neerbuigend over „de dames”,
-„dames-smaken” en „dames-gewoonten” te praten, die haar ergerde, vooral
-als ze aan die twee stille vrouwen dacht, op het bovenhuisje in de van
-Speykstraat.
-
-De avondlucht, zoel vochtig, zware geuren meedragend van late
-zomerbloemen en gevallen blâren stroomde binnen door de vijf wijd
-opengeslagen deuren, die op een balkon uitkwamen, dat met breede
-trappen, naar beneden, naar het park voerde.
-
-En heerlijk lui onderging Hilda al deze weelde-indrukken van licht en
-vroolijkheid. Ze voelde zich bijkomen van de schokkende emotie van die
-scène straks, na het eten. De opstand, die nog lang in haar had
-nagebruist, begon zachtjes weg te zakken, ze voelde zich onbezorgd
-worden, ontheven van dat drukkende verantwoordelijkheidsbesef van
-ergens voor te moeten strijden, en met een verstrooiden glimlach liep
-ze mee, prettig voortsoesend, in de glanzende rijen.
-
-En toen begon de muziek, en het rythmisch bewegen. Ze danste gaarne en
-ze deed het goed en vanavond was zij er juist in een stemming voor.
-
-In de quadrille d’honneur der beide bruidsparen zouden Hilda met van
-Smaarth en Corry met von Görtzen vis à vis zijn. Het was al lang
-afgesproken, en er was niets aan te veranderen, maar, na het geterg der
-anderen en haar eigen heftigheid van straks, vond Hilda het wel heel
-vervelend, toen het oogenblik gekomen was om de carrés te vormen.
-
-„Nun Hildchen? Dit is toch ’n betere plaats voor jonge dames dan de
-collegekamer? Vindt je zelf niet dat dansen ’n vrouwelijker werkje is
-dan wetten inpompen?”
-
-Sarrend fluisterde von Görtzen het haar toe, terwijl zij diep voor
-elkaâr bogen. Zij antwoordde niet, naar haar plaats terug gevoerd vóór
-ze iets kon zeggen, maar ze zag hoe hij aan den overkant even Corry
-iets toefluisterde en hoe zij toen beiden giegelend haar van het hoofd
-tot de voeten opnamen.
-
-Toen was het zorgeloos genieten ineens weer voorbij. De blije stemming
-van al het mooie om haar heen was weg, ze voelde weer het vermoeiende
-van zich te moeten verdedigen, en in een pijnlijk ontwaken zag ze rond
-op al die bewegende figuren.
-
-Was het niet een parodie op den ernst der tijden, zoo vol leed en
-getwijfel en met geweldige stormen aanbruisende van beneden uit de
-diepten van het volk, om de feestzaal de eigenlijke plaats voor het
-jonge meisje te noemen? Afleiding en pretzoeken de voornaamste
-bezigheid van de aanstaande moeders van een nieuw geslacht? Allons
-donc! O! het meerendeel van de menschen hier, beschouwde het nog zoo,
-maar wat was dan daarvan ook het resultaat? Dat de meesten dezer
-schepseltjes zich verbeeldden echt vrouwelijk te zijn, omdat zij zich
-goed kleedden, en lief glimlachten en koketteerden met zachte
-stemmetjes in vreemde talen, en zelfs geen begrip hadden van wat een
-echte vrouw zijn kan en moet!
-
-Sommigen harer waren heel bekoorlijk, zeker, en vrouwenbekoorlijkheid
-kan zijn als ’n zonnestraal, koesterend, levenwekkend, maar wanneer zij
-niet gelouterd is door ernstige levensopvatting is ze als ’n
-dwaallichtje, dat danst boven vergiftuitdampende moerassen en domme
-menschen verwarren die beiden soms, en noemen zonnestraal en
-dwaallichtje bij denzelfden naam!
-
-En wat zouden al deze meisjes eens voor hare omgeving beteekenen? Er
-waren er hier bijeen uit alle steden van het land! Bijna allen
-behoorden tot de invloedrijkste families, bijna allen hadden fortuin en
-sommigen waren door de natuur mild genoeg begaafd. Zij zouden een
-geweldige macht ten goede hebben kunnen zijn. Elke beweging om de
-wereld een beetje beter en mooier te maken zou in haar een enthousiaste
-voorspraak hebben moeten vinden, maar hoe weinigen van deze allen
-voelden hare verantwoordelijkheid! Haar krachten gingen immers onder in
-versnippering en zelfzuchtige amusementenjacht! O! zonder twijfel,
-mooiheid, en vreugde en feestelijkheid in verfijnd artistieken vorm,
-zijn noodig in elk harmonisch leven, even noodig als voeding en arbeid.
-Maar waarom wisten de menschen nog altijd niet, dat het op evenwicht
-aan komt! Daar buiten, duizenden, in wier leven nog bijna nooit een
-vreugdezonnestraal valt, en hier binnen, zoo velen in wie het beste
-gedood was door uitsluitend feestvieren! Was feestgenot niet als
-suikergoed in een kinderleven: blijdschap als het van tijd tot tijd
-wordt gegeven, bederf en ziekte als het in overvloed wordt gebruikt!
-
-De quadrille was uit en Hilda zat alleen op de sofa in een der hoeken.
-Ze had er op aangedrongen dat van Smaarth, Eugénie, met wie hij dezen
-dans had, niet zou laten wachten: „ze kon best even alleen blijven,
-mijnheer van Hervoren zou wel zoo dadelijk komen.”
-
-Maar Maarten bleef lang weg en ze begon zich te verwonderen. Toen zag
-ze hem ineens naderen, vlug, voorzichtig, tusschen de dansende paren.
-
-„O! freule, hoe naar, dat ik u heb laten wachten ....”
-
-Zij keek naar hem op, glimlachend, maar toen merkte ze dat hij sterk
-ontroerd was.
-
-„Wat is er?”
-
-„Ik heb juist ’n telegram gekregen. In Chemnitz, in één van de
-fabrieken, waar de onze veel zaken mee doet, is vóór ’n paar dagen een
-ontzettende werkstaking uitgebroken. De meeste arbeiders zijn
-socialisten en gedragen zich heel rustig en goed, maar ’n opgewonden
-jongen van achttien jaar heeft gisteravond den fabrikant ergens
-opgewacht en dood geslagen, en nou is er geweldige gisting.”
-
-„O! mijn God!”
-
-Huiverend stond zij naast hem. Het was haar plotseling duizelig, alsof
-al het feestelijk mooie om haar heen maar een vertooning was, een stuk
-dat men opvoerde, en dat het reëele leven dát was, van daarginds, vol
-ellende, verbittering, misdaad.
-
-„Laten we naar buiten gaan!”
-
-Hij knikte en gaf haar zijn arm, en zij drongen door de rythmisch
-slingerende golving der dansers en stonden op het balkon. In een
-onbewuste beweging van gewoonte stak Maarten zijn sigaar op.
-
-„Kijk, hoe ze dansen!” zeide Hilda zacht. „Zulke menschen hebben alles
-vóór om zich te ontwikkelen en waarachtig superieur te worden en een
-zegen te zijn, maar ze dansen liever .... altijd maar door .... op een
-vulkaan ....”
-
-Maarten hoorde eerst alleen haar stem, die hij mooi vond, maar haar
-laatste woorden verstond hij, en toen keerde ook onmiddellijk zijn
-aandacht weer volkomen tot haar terug. Hij wierp zijn sigaar weg:
-
-„Is het waar, dat u advocaat wilt worden?”
-
-„Ja.”
-
-„Waarom? .... Den meesten advocaten is het niet te doen om te zien wat
-recht is, maar om hun client recht te bezorgen! Ik zou het jammer
-vinden als vrouwen zich ook met zulke dingen gingen bezoedelen.”
-
-„Mij is het te doen,” zeide ze eenvoudig, „om onze wetten goed te
-leeren kennen, en dan met kennis van zaken te protesteeren tegen het
-verouderde, het onrecht er in, en al de zwakken te helpen. Er zijn nu
-in den blinddoek van Themis veel verraderlijke gaatjes, en ik weet wel,
-dat ik maar ’n heel gewoon meisje ben, zonder veel gave of macht, maar
-ik zal er mijn leven aan wijden, om die gaatjes, al waren ’t er maar
-een paar, toe te maken!”
-
-Hij zag haar aan met een langen peinzenden blik, die haar verlegen
-maakte. Hij dacht na hoe dit mooie blonde kind in haar sierlijk witte
-kleedje in deze omgeving tot zoo’n besluit had kunnen komen. Toen zeide
-hij ineens met die weeke emotie, die een krachtigen man zoo boeiend kan
-maken in de oogen eener vrouw:
-
-„De eerste opera die ik ooit gehoord heb, was de Tannhäuser, met mijn
-moeder, te Bayreuth, in den tijd, toen we nog rijk waren. En als
-Tannhäuser dan zijn ontzettende zonde bekend heeft, bedekken al de
-edelvrouwen haar gelaat met handen en sluiers en vluchten weg,
-verschrikt en verontwaardigd. Slechts Elisabeth blijft, alleen tusschen
-de toornige mannen, en beschermt den vreeselijken zondaar, en vraagt
-boetedoening in plaats van vergelding! En toen zei m’n moeder, ik zal
-het nooit vergeten: „Die vrouwen, die daar zoo hoogst fatsoenlijk zijn
-weggevlucht zullen Elisabeth wel erg onordentelijk, misschien wel
-onvrouwelijk hebben gevonden, want zij was de eenige geëmancipeerde
-onder haar, die in plaats van de traditioneele braafheid vrij haar
-geweten en hart durfde volgen, maar zij was dan ook de eenige van wie
-redding en loutering uitging!”
-
-Hilda zag naar hem op met haar jong stralenden glimlach, maar toen
-ineens waren haar oogen vol tranen. Het greep haar aan, met een
-trilling van geluk dat hij haar had begrepen en haar plan goed vond.
-
-Zij stonden nu naast elkaar en zagen op het park neer en iets van den
-mystieken vrede van het avondlandschap drong door in hunne ziel.
-
-„Had hij kinderen?” vroeg ze zacht.
-
-„Wie?”
-
-„Die fabrikant die vermoord is?”
-
-„Ja, een vrouw en twee kleine kinderen, maar de jonge moordenaar heeft
-een gebrekkige ouwe grootmoeder, en twee ziekelijke zusjes van vijf en
-zes, die hij onderhield!”
-
-Hilda huiverde weer.
-
-„Was ie goed voor z’n volk?”
-
-Hij schudde het hoofd.
-
-„En z’n vrouw?”
-
-„Och ja, ze waren niet kwaad. Ze gaven wel de kleeren die ze afgedragen
-hadden, en soms wat geld, maar zij had ’t te druk met h’r huishouden en
-hij met z’n zaken, ze hadden geen tijd om aan de ellende om zich heen
-te denken!”
-
-Hij zeide het heel eenvoudig, maar Hilda verstond de bitterheid.
-
-„Zal hij zwaar gestraft worden, die jongen?”
-
-„Ik denk het wel! Al de magistraten van Europa leeren geschiedenis,
-d.w.z. ’n hoop data en koningsnamen, maar van de lessen der
-wereldgeschiedenis hebben de meesten van hen niets verstaan. Zulke
-gevallen worden allemaal als op zich zelf staande misdaden beschouwd en
-gestraft; van de ellende en verbittering waarin zoo’n jongen van kind
-afaan is opgegroeid, hebben ze geen besef, en ze begrijpen ook maar
-niet, dat zoolang ze de schreeuwende misstanden, waaruit deze gruwelen
-voortkomen, niet verbeteren, het niets geeft, om van tijd tot tijd, als
-het tot een uitbarsting is gekomen, een stuk of wat menschen te
-guillotineeren of levenslang op te sluiten! Wat helpt het om de giftige
-champignons van tijd tot tijd weg te schoffelen, als je den mesthoop,
-waarop ze groeien, niet wegruimt!”
-
-Zachtjes, bijna schuw, legde ze haar hand op zijn arm, en toen snel
-sprekend, half verlegen, half plechtig, zeide ze:
-
-„Mijnheer van Hervoren, Edward heeft me verteld dat u u veel bezig
-houdt met de sociale vraagstukken. Maar ik heb dikwijls gedacht dat de
-sociale kwestie voor het grootste deel in de vrouwenkwestie lag
-besloten. Zoolang de vrouwen, het talrijkste deel der bevolking, en
-door de kinderopvoeding het invloedrijkste, dom en onverschillig voor
-’t algemeen welzijn blijven, kunnen geen bonden, geen vereenigingen,
-geen werkstakingen, geen vergaderingen, geen wetten de maatschappij in
-evenwicht brengen. De vrouw, die achterlijk gehouden wordt, wreekt zich
-onbewust, op ontzaglijke wijze. Elke poging tot vooruitgang en
-verbetering, vindt in haar, in de kern van het gezin, een onzichtbaren
-maar onverzettelijken tegenstand, en daarom geloof ik dat het groote
-woord van sociale hervorming zijn moest: de vrouw te emancipeeren, dat
-is: te vormen tot een ernstige arbeidster in het groote gezin der
-menschheid. De prachtigste staathuishoudkundige theorieën zullen altijd
-schipbreuk lijden, zoolang de menschen die ze toepassen niet beter
-zijn, en hoe krijg je betere menschen? Alleen door goede moeders. In de
-moeders ligt voor mij de oplossing der sociale kwestie en wat werd er
-tot dusver voor haar opvoeding gedaan?”
-
-Maarten nam haar hand voorzichtig in zijn beide handen, en hield die
-een oogenblik vast.
-
-Maar nu was de muziek binnen plotseling stil.
-
-„De dans is uit, iedereen zal hier zeker dadelijk ’n luchtje komen
-scheppen. Vindt u ’t niet naar om even het park door te loopen?”
-
-„Heel graag.”
-
-Zij wond haar wit kanten mantilla, die ze uit Italië had meegebracht om
-het hoofd, op de wijze der Milaneesche meisjes, en hand in hand holden
-zij de trappen af, tot in een van de donkere laantjes. Toen liepen zij
-heel langzaam voort over de zwarte guipure die het maanlicht door de
-boomblaadjes op den grond borduurde, en spraken heel lang nog over de
-ernstige tijden die komen zouden, en hoe zij hard wilden werken om een
-beetje meer recht en meer vreugde in de wereld te brengen, tot zij op
-het laatst vergaten dat er leed en onrecht was, en heel hun ziel
-vervuld werd met een jong en groot geluk.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Hilda was den volgenden morgen vroeg uitgegaan en had een lange les
-gehad over Romeinsche antiquiteiten. Het schoot heerlijk op met de
-studie, alle leeraars zeiden, dat ze het volgende jaar makkelijk het
-staatsexamen zou kunnen doen.
-
-Maar toen zij thuis kwam, was er als een zonderlinge benauwing, die op
-haar neerviel. Het oude gezicht van Johan, die haar open deed, stond
-geheimzinnig strak; op het groote portaal van den bel etage, waren de
-keukenmeid en de werkmeid aan ’t fluisteren, die, toen zij haar zagen,
-schuw ieder een kant opgingen; op de trap naar de eerste verdieping,
-kwam ze haar tante tegen, die snel voorbij ging, met verschrikte oogen,
-en Hilda had niet gedacht, dat die koele vrouw, met haar slappen gang,
-zich nog ooit zoo vlug zou bewegen. Boven op den overloop stonden
-Edward en Corry, zacht sprekend met onthutste gezichten; Corry vertelde
-iets en Hilda ging naar hen toe met het plotselinge gevoel, dat er een
-groot ongeluk was gekomen.
-
-„Wat is er toch?”
-
-„Eus doet zoo akelig. Ze wil haar bed niet uit, en ze doet niks als
-huilen.”
-
-„Is de dokter al geroepen?”
-
-„Mama heeft h’m net ’n briefje geschreven. Ga zelf maar es kijken.
-Misschien kun jij iets uit haar krijgen.”
-
-Hilda ging de kamer in, waar Eugénie in bed lag, doodelijk wit, met
-zwarte kringen om de bloedelooze oogen.
-
-Zij zette zich bij haar neer en zei zachtjes een paar vriendelijke
-woorden, maar Eugénie antwoordde niet en bleef haar aankijken met
-loerende blikken. Toen ineens sloeg ze het dek weg en sprong uit het
-bed en liep de kamer door, met wilde handen haar nachtkleed van boven
-open rukkend, tot de knoopjes er afvlogen en het diep inscheurde.
-
-„Wat is ’t hier toch benauwd!”
-
-Ze ging naar de deur, maar Hilda greep haar vast:
-
-„Gut, Eus, je kunt zoo de kamer niet af, klee je dan eerst wat aan.”
-
-„Laat me toch los ....”
-
-Zij worstelden even, Hilda zich verbazend over de kracht van dat teere
-lichaam, en weer had ze intens denzelfden indruk van eenige weken
-geleden, dat er een vreemd, wreed, wild wezen door Eugénie’s oogen haar
-aanzag, maar zij wist nu wat het was: het was de blik van de waanzin.
-
-Maar na een kort moment waren Eugénie’s krachten toch uitgeput, en slap
-liet ze zich weer in bed brengen.
-
-„Kom Eus, het is niks, je bent maar ’n beetje overspannen! Ga wat
-uitrusten, dan zul je wel weer zóó beter zijn. Je hebt je gisteravond
-ook zoo vreeselijk opgewonden!”
-
-Ze zeide het sussend als tot een klein kind.
-
-Eugénie huilde nu stil, van tijd tot tijd opziende met haar loerenden
-blik van onder uit de oogleden. Toen zeide ze op eens:
-
-„Hildy, is het waar, dat je gisteravond tegen al die menschen hebt
-durven zeggen: Lach jullie maar! Denk je dat ik de desolatie niet ken
-van je leeg, zenuwachtig bestaan!”
-
-„Ja, dat is waar.”
-
-„O! ja, dat is het: Desolatie! De-solatie! de-so-la-tie!”
-
-Langzaam, klagend snikte ze het uit, en Hilda zat naast haar en ook zij
-huilde nu van weemoed om dit gebroken meisjesleven.
-
-De huisdokter kwam, ’n oude onbeduidende man, die haast dadelijk weer
-heen ging. En Hilda nam weer haar plaats bij het bed in; zij durfde
-haar niet alleen laten.
-
-„Hilda, ga nou toch weg! Laat me nou maar stil. Ik wil toch nooit meer
-uit m’n bed komen, al bleef je hier honderd jaar zitten.”
-
-„Je hoeft er ook niet uit te komen! Blijf maar eerst heerlijk wat
-uitrusten!”
-
-„Weet je wat het is Hil? Ze hebben altijd tegen me gezegd van klein
-kind afaan: Eus, je zult wel gauw trouwen! je bent mooi, je zult
-makkelijk trouwen! En ik werd altijd geplaagd met iedereen, o! dat
-vervloekte plagen, dat je verbeelding al maar door opwindt, en zie je
-daarom moet ik nou zoo vreeselijk huilen! Ik heb in geen tien nachten
-geslapen, en gisteren, onder het dansen, dacht ik bij elken pas:
-„trouwen”, en dat heeft me, geloof ik, zoo vermoeid ....”
-
-Hilda streelde zacht haar hand.
-
-„Arm kindje! arm, arm kindje!”
-
-Maar na een poos werd Eugénie weer onrustig. Met wilde handen begon ze
-opnieuw haar nachtkleed van boven open te trekken, en weer wou ze het
-bed uit.
-
-Hilda hield haar tegen, angstig gespannen. Toen ging de deur open en
-mevrouw van Starren kwam binnen met Corona en achter haar de oude
-huisdokter en een lange blonde man, de dokter van het
-krankzinnigengesticht.
-
-Hilda ging stil heen; de deur vlak tegenover stond aan, het was
-Edward’s kamer en ze ging binnen. Edward zat schuin op de tafel,
-vreeselijk zenuwachtig.
-
-„Zou ze heusch gek worden? Hoe zou dat nou toch ineens zoo zijn
-gekomen?”
-
-„Het is niet ineens gekomen! Het is heel langzaam, al deze jaren door,
-zachtjes aangeslopen ....”
-
-Maar nu zweeg ze, luisterend. In de kamer daar tegenover klonk akelig
-snikken, en het doffe, lage geluid van een mannenstem. Toen was alles
-stil, en de doodsche stilte in huis viel plotseling beangstigend op hen
-neer. De achterdeur beneden sloeg toe met een zwaren slag, Hilda
-huiverde. Toen zag zij Corona en de beide doktoren de kamer uitkomen,
-ernstig, zwijgend. Zij liepen achter elkaar het portaal over naar
-mevrouw van Starren’s boudoir. Daar zouden zij consult houden.
-
-„En zij is al de zesde! in dat éene jaar dat ik hier ben! Het zesde
-jonge meisje van onze kennissen dat deze soort ziekte krijgt!”
-
-„’t Is waar! Hoe zou dat nou toch komen?”
-
-„Het moet komen! Als je er ’n beetje aanleg voor hebt, moet zoo’n
-opvoeding en leven er toe lijden!”
-
-„Hoe had ze dan anders moeten leven?”
-
-„Ze had meubels moeten boenen, of den grond moeten omspitten, en
-bloemen kweeken, of sterrekunde leeren, of in een Kindergarten gaan,
-weet ik het, als ze maar iets gewerkt had en goed!”
-
-„Waarom naaide ze dan ook niet wat meer? Ik heb het mama verleden nog
-hooren zeggen, dat ze h’r eigen onderlijfjes moest maken, met eigen
-gehaakte kantjes, net als Betty, maar ze wou niet.”
-
-„Natuurlijk niet! Zoo iets is ook goed voor zoo’n gansje als Betty,
-maar geloof je dat een meisje met een vluggen geest, en sterke
-verbeelding, zooals Eugénie, er bevrediging in kan vinden, om daar
-dagen voor zich zelf te zitten pikken, aldoor met het gevoel, dat ze in
-een kwartier, precies dezelfde dingen, die ze maakt, heelemaal klaar
-kan koopen, nog mooier gewerkt en bijna voor ’t zelfde geld? Och kom!”
-
-Maar opeens klonken fluisterstemmen, en voetstappen gingen voorbij. Het
-waren de dokters, die samen vertrokken. Corona stond voor Eugénie’s
-deur en Hilda greep haar beide handen met een beweging van angstig
-vragen.
-
-„Wat denk je er van?”
-
-„Misschien loopt het dezen keer nog al af. Maar ik voor mij zie het
-heel ernstig in. Ze moet absolute rust hebben, afzondering, liggen, en
-dokter van Meeuwen meende wel dat het dan na ’n paar maanden over zou
-zijn. Maar dan? Als ze dan hier weer terugkomt, wordt ze hopeloos wèer
-zoo! O! dat ellendige gemis aan evenwicht! De helft van m’n patiënten
-zijn slachtoffers van het overwerken en de andere helft van het
-overnietsdoen! Voor een poosje, toen ik je tante met Eugénie es bij
-Gladys ontmoette, zei ik al tegen mevrouw: „uw dochter ziet er slecht
-uit; ik geloof dat haar zenuwen veel geleden hebben. Kunt u haar niet
-hier of daar heenzenden? Ik bedoel geen pretbadplaats, maar ergens,
-waar ze wat te doen heeft, waar ze haar hart aan kan geven, waar ze
-zich voor iets in moet spannen!” „Och! wat zou ze kunnen doen?” zei je
-tante, „’k zou niet weten waar ze geschikt voor zou zijn! En ’t zal ook
-met haar zenuwen wel zoo’n vaart niet loopen.”
-
-„Typisch!” zeide Hilda. „Zulke dames als tante zijn overtuigd dat ze ’n
-schitterende opvoeding aan haar meisjes hebben gegeven, maar als ’t er
-op aan komt, erkennen ze dood leuk dat ze nergens geschikt voor zijn.”
-
-„Nergens!” zeide Corona peinzend. „En toch is het de drang van elke
-vrouw, waar iets in zit, om zich aan iets te geven. Al is het maar dat
-ze kousjes breien voor de negerkindertjes in de Congo: ze moeten iets
-doen! En natuurlijk, als ze geen voedsel krijgen voor dien drang, die
-op zich zelf toch zoo mooi is, gaan ze allerlei verkeerde dingen doen,
-kwaaltjes aankweeken, en emotietjes en gedachten opzoeken, die haar
-zenuwleven vermoorden!”
-
-„En wat zal er nu gebeuren?”
-
-„Dokter van Meeuwen zal dadelijk twee pleegzusters zenden. Ze moet zoo
-gauw mogelijk naar de Boschjes getransporteerd worden, en ik heb op me
-genomen om het alles even met je tante te regelen. Is ze hier?”
-
-Corona ging binnen en Hilda keerde terug in Edward’s kamer, de deur
-open, om te luisteren.
-
-Edward zat nog altijd op een punt van de tafel en slingerde zenuwachtig
-met zijn éene been op en neer. Mijnheer van Starren kwam even boven,
-erg onthutst, maar ging dadelijk weer weg, in een wrevelig verdenken,
-dat het maar kuurtjes waren. Corry was een poos geleden al naar mevrouw
-van Gaefden gereden, waar ze moest gaan lunchen. Zij geloofde ook au
-fond, dat al die drukte maar wat aanstellerij was van Eus.
-
-Toen ritselden de zwarte mantels van twee pleegzusters door de stilte
-van het portaal, de deur van de ziekenkamer ging open, even met een
-naar klein gepiep, en toen, na een kort geruisch van sprekende stemmen
-was er een gil, die Hilda sidderend naar binnen joeg.
-
-Eugénie lag worstelend op den grond, zich krampachtig aan het bed
-klemmend, terwijl de verpleegsters tevergeefs probeerden haar aan te
-kleeden.
-
-„Wat is er lieveling? wees maar rustig. Huil maar, dat zal je goed
-doen! ....”
-
-Hilda nam haar sussend in de armen en drukte haar warm tegen zich aan,
-in een passie van ontferming. En ’t was alsof de zieke zich plotseling
-veilig voelde in de omarming dier sterke jonge vrouw. Zachtjes snikkend
-liet ze nu toe dat men haar kousen en schoenen aantrok, en in een
-grooten mantel wikkelde, en Hilda steunde haar half dragend de trap af
-tot in het rijtuig, dat haar wegbracht met Corona en de beide zusters.
-
-Daarop stonden zij zwijgend tegenover elkaar, in den gang, mevrouw van
-Starren en Hilda, en bittere woorden zwollen in haar op, tegen de
-deftige, door de wereld geëerde matrone, die haar kind had opgevoed tot
-deze ruïne.
-
-Maar het was maar één oogenblik, toen vloog Hilda haar voorbij de trap
-op naar haar kamer: „het hoogste was immers om niet bitter te zijn maar
-rechtvaardig!”
-
-En daar, neergevallen op den rand van haar bed, nog trillend van
-ontroering, gebroken door den aangrijpenden weemoed van dit verloren
-leven, zeide ze zacht voor zich heen:
-
-„Vergeef het haar! Zij wist niet wat ze deed, toen zij haar dochters
-opvoedde! Maar de nieuwe vrouw zal anders over hare kinderen weten te
-waken!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Hilda dwaalde lusteloos door het leege huis. Er was vanavond op het
-Kurhaus een Schumann-Concert; zij hadden er vroeger om gegeten en
-dadelijk na tafel waren mijnheer en mevrouw van Starren weggereden met
-Corry en von Görtzen, die „een culte” voor Schumann zei te hebben.
-
-Hilda was alleen achtergebleven en liep rond door de stille kamers met
-een gevoel, dat haar ongewoon was, van niet te weten wat ze wilde doen.
-Ze had den geheelen dag hard gewerkt, wiskunde, en ze voelde zich wat
-moe om nog te gaan lezen. Ze verlangde naar buitenlucht, ze had wel
-naar ’t strand willen gaan, als het niet al te gek was geweest, op dit
-uur voor een meisje alleen. En rondslenterend van de eene kamer in de
-andere, dacht ze er aan hoe de gewone sleur van gedachtenloos
-voortleven, die een oogenblik door Eugénie’s onverwachte ziekte
-verstoord was geworden, nu alweer was teruggekeerd na zes en een halven
-dag!
-
-De berichten uit de inrichting in de Boschjes waren goed: de freule
-mocht nog niemand zien, maar ze was rustig en at en sliep wat beter. En
-iedereen was nu gekalmeerd. Mevrouw van Starren vooral deed haar best
-om de zaak luchtigjes voor te stellen. Nu, met Corry’s bruiloft op
-handen, moesten de menschen niet denken dat er een ernstig ziektegeval
-in de familie was. „’t Was alleen maar wat oververmoeidheid,” zeide ze,
-„na al de drukten van Valéries huwelijk. Eus was ook altijd zoo
-consciëntieus in alles wat ze deed, en als bruidsmeisje had ze zich
-zeker wat veel ingespannen. Maar ernstig was ’t volstrekt niet.”
-
-Hilda liep den tuin in, maar ze vond vanavond de perkjes vervelend
-klein en de schutting erg hoog; driemaal liep ze al de nette
-kiezelpaadjes door, maar toen kon ze het niet meer uithouden. Het was
-vreeselijk onbehoorlijk wat ze doen ging, maar in hemelsnaam, ze
-verlangde zoo naar lucht!
-
-Ze vloog naar boven om hoed en handschoenen te halen en toen met groote
-vaste stappen, liep ze het Nassauplein af, de Laan Copes door, toen in
-het pontje het kanaal over, en den Waalsdorpschen weg op.
-
-Alles was hier eenzaam op dit oogenblik, en hoe verder ze kwam, hoe
-rustiger ze ging, gelukkig als een oproerig kind, dat ontsnapt is aan
-zijn strafkamer.
-
-Door een paadje dwars door het kreupelhout ging ze de duinen in. Wat
-was het mooi hier! Een zoete, sterke geur steeg op uit het eikenhout,
-en hier en daar waren kleine blanke duinpannen, omzoomd door helm, die
-zachtjes wuifde boven warm gekleurd mos, als blonde kinderharen, die
-golven over donker fluweelen kleedjes.
-
-Hilda voelde zich blij. Het heidekind was in haar wakker, het was
-heerlijk haar jonge lichaam te strekken in die wijde eenzaamheid, en
-dan een poosje achterover te liggen, opziend naar de wolkjes boven, die
-de avondzon in gloed had gezet.
-
-Hoe grappig toch, dat, wat ze nou deed, eigenlijk zoo iets heel
-verschrikkelijks was. O! als haar tante of mevrouw de Mureaux het eens
-wisten! Maar waarom begreep men dan toch ook niet dat een jonge vrouw,
-even goed als een jonge man, soms behoefte kan voelen aan beweging en
-lucht en vergezichten, en dat die behoefte niet altijd juist alleen
-komt, als men iemand ter begeleiding bij de hand heeft. Die goeie
-natuur had toch het meisje geen longen en beenen gegeven om ze alleen
-te gebruiken op een deftig gechaperonneerd wandelingetje of bij wat
-boodschappen in volle straten!
-
-Wat was het dan anders in Amerika, waar toch zooveel van de ruwste,
-bedorvenste elementen uit het oude Europa zijn heen gestroomd, maar
-waar elke vrouw, zonder het minste gevaar voor haar reputatie, vrij en
-veilig kan gaan waarheen en wanneer zij wil. Wat was het hier toch
-eigenlijk vermoeiend met al die belemmeringen! en wat waren die
-belemmeringen ten slotte alleen maar een kwestie van vooroordeel en
-gewoonte!
-
-Hilda liep voort in stille jubeling. Het blondgroene landschap was zoo
-vol mysterieuze bekoring bij deze avondverlichting. Maar toen stond ze
-ineens stil, luisterend met snelleren hartklop. Er werd ergens gepraat
-.... een mannenstem, die lachte! Wat voor menschen zouden hier zijn op
-dit oogenblik? Soldaten, die iets vergeten hadden, ’s morgens bij de
-exercitie .... of stroopers .... of ....? Ze luisterde scherp, meer
-ontroerd dan ze zich zelf wilde bekennen. De wind woei de klanken
-zachtjes naar haar toe .... het was dáár, achter dat boschje! Maar nu
-was er ook een vrouwenstem, een uitdagende, hooge lach. Waar had ze
-dien meer gehoord? En plotseling had ze vóór zich een paar lichte,
-brutale oogen en zwarte haren .... Ottilie van Heemeren? .... was het
-mogelijk dat het haar lachen was geweest?
-
-Voorzichtig sloop Hilda tegen het duin op; daarachter moest een pan
-zijn, waaruit de stemmen kwamen, en zonder zich af te vragen of het ook
-gevaarlijk kon zijn, ging ze door het kreupelhout tot aan den rand van
-het duin, waar het met sterke glooiing een kleine diepte vormde.
-
-En ja, het was Ottilie. Daar lag ze in het mollige zand, nog lauw warm
-van de zon, en naast haar zat Edward, over haar heen gebogen, haar
-rechterarm, waarvan hij de mouw had opgestroopt, kussend met wild
-gretige lippen. En zij lachte ....
-
-Hilda zag toe, één seconde, toen rende ze het duintje af, wegvluchtend
-in razenden opstand.
-
-„Eddy dus ook al, die goeie lobbes van ’n Eddy! Zoo’n jongentje nog!
-Wat heeft ze er aan, Til, om hèm ook al naar de diepte te halen! Maar
-ze kan het niet meer laten! Is het niet om bij te huilen, ’n vrouw met
-zoo’n rijken aanleg au fond? O! Corona had het in ’t voorjaar wel
-gezegd: als Ottilie nu de kracht niet heeft zich flink aan te grijpen
-en ’n omwenteling in haar leven te brengen, gaat ze onherroepelijk hoe
-langer hoe lager zinken! En zoo zou ze nou voortgaan, anderen
-bezoedelend, en op haar beurt bezoedeld wordend, anderen martelend en
-op haar beurt gemarteld wordend ....”
-
-„Hoe vreeselijk! hoe vreeselijk!” herhaalde Hilda in een walging, die
-een oogenblik alles donker in haar maakte. „En zoo zijn er duizenden,
-millioenen, wel met allerlei nuancen en uiterlijke verschillen, maar in
-den grond van hetzelfde type. Overal zijn ze, in alle landstreken! in
-alle standen, waar men zich maar even de luxe kan permitteeren om de
-meisjes de traditioneele opvoeding van nietsdoen te geven! Want uit
-hartstocht wordt op deze wijze betrekkelijk zelden gezondigd, uit
-lediggang, en het daaruit geboren verlangen naar prikkeling, veel!”
-
-Hilda liep driftig voort, in sterke physieke beweging rust zoekend na
-dezen schok. Eindelijk op een hoogen duintop, waar de zeewind koelte
-aanwoei, zette ze zich neer. Het beeld van Ottilie vervolgde haar, ’t
-was alsof er ergens een groote zwarte vlek was gevallen op het blank
-vredige van dit avonduur.
-
-En terwijl zij daar neerzat, hoorde ze ineens als in een hallucinatie
-weer het hatelijke: „onvrouwelijk”, dat men haar den laatsten tijd in
-alle schakeeringen van toon had toegeroepen. „Wat een dwaasheid toch
-dat iedereen zich dadelijk zoo angstig maakte over onvrouwelijkheid,
-terwijl men onverschillig bleef bij zooveel vrouwen-onwaardigheid, als
-daar was in de wereld!”
-
-En met groote duidelijkheid rees toen weer plotseling het moment voor
-haar op, nu acht dagen geleden, op het bal bij de Vermaezens, toen ze,
-wachtend op Maarten, alles om zich heen rustig had zitten opnemen. Daar
-stond weer Valérie, in bestudeerde achteloosheid tegen den muur
-geleund, het gouden haar, onder den lichtarm vlak boven haar hoofd,
-waasde om het kopje als zondoorgloeide wolkjes, de volle roode lippen
-waren geopend van opwinding, die haar adem sneller deed gaan. Zij was
-heel mooi zoo, en van Gaefden zag haar aan, trotsch glimlachend, want
-het is streelend voor ijdelheid zich de toekomstige bezitter van
-zooveel moois te voelen. Maar Valérie stond half van hem afgewend, haar
-oogen lachten tegen een jongen zeeofficier, die zich door de
-rondwandelende paren heen, naar haar toedrong.
-
-De muziek begon weer: een wals. Daar was hij, een buiging heel diep en
-eerbiedig, toen een beweging nonchalant familjaar, de arm om haar
-middel, ’n paar fluisterwoorden, die haar erg deden lachen, met ’n
-onwillekeurig even omzien naar van Gaefden, en daar zweefden ze heen,
-jong, slank, sierlijk in hun omstrengeling .... en toch .... Daar
-kwamen ze aan, vlak langs Hilda, Valérie’s arm lag blank en week op de
-donkere uniform, en haar oogen waren wijd open van opwinding. Wat ’n
-prachtige bacchante zou men van haar hebben kunnen maken! En wilder
-sleepten de tonen hen voort en vager werd haar blik en de jonge
-officier greep haar sterker vast, en boog zich over haar heen, daar
-waren ze weer, vlak bij Hilda, en zij verstond wat er gezegd werd en
-.... walgde. Maar Valérie danste lachend en blozend voort, haar
-goudvlokkige haren fladderden op tegen het gezicht van haar danseur en
-zijn gloeiende adem was op haar voorhoofd.
-
-Bah! Dit waren dan de toekomstvrouwen, die staan zouden te midden der
-woelingen die naderden? Het volgend jaar zou Valérie misschien al een
-kindje in haar armen houden en dit was haar voorbereiding geweest!
-
-En daar ginds was Betty de Mureaux met haar eeuwig kinderachtig
-giegelen en Annie van Gaefden met haar diadeem van reigerveeren! Zij
-wist hoe bloedig wreed dat tooisel was verkregen, [16] maar wat kon
-haar dat schelen, als het maar goed stond? En daar verder was Corry met
-haar onschuldig gezichtje, en valsch eerzuchtig hart, en Agathe van
-Brehnen, die straks vol ophef verteld had van haar tir aux pigeons in
-Berlijn bij Gräfin von Prinsau. Zoo’n duifje dat losgelaten wordt en
-dan schieten! De kunst is om het diertje niet doodelijk te treffen,
-maar de pootjes er af! O! dol amusant! en dan de vossenjacht bij Lord
-Kingsline, waar ’n arm klein vosje door de honden bijna dood gejaagd en
-dan verscheurd wordt, o! allergezelligst! En daar was ook nog Mathilde
-van de Bransen, wier hoogste illusie het was om met een Engelschen
-groot-grondbezitter te trouwen, en bij wie geen enkele kamenier het kon
-uithouden, en mevrouw Jalingama, die zich zoo onbevredigd en onbegrepen
-voelde, en haar drie snoezige babies altijd op de kinderkamer liet met
-heel bedenkelijke bonnes, en freule Verakker, die haar leven tusschen
-het tennisveld en het rijwiel verdeelde en Eugénie, met haar
-overprikkelde zenuwen,—wat had ze er dien avond toch vreeselijk slecht
-uitgezien—en mevrouw de Mureaux, de goedige, brave, wier ontwikkeling
-niet verder ging dan het feuilleton uit de courant, en meiden en
-naaisterspraatjes! en nu eindelijk Ottilie .... En met al deze typen
-van vrouwen voor oogen, aan wier schoot het niet mogelijk is, dat een
-zedelijk mooi en krachtig geslacht opgroeit, durfde men nog de vrees
-uitspreken, dat echte vrouwelijkheid zou verloren gaan, als de meisjes
-anders werden opgevoed, met meer besef van rechten, maar ook vooral van
-plichten! Het was om te lachen, maar heel bitter! En wat bedoelde men
-toch met dat vrouwelijke dat zou verloren gaan? In China was het
-vrouwelijk om verminkte voeten, hier, in sommige kringen, om ziekelijk
-dunne middeltjes te hebben, en onwetend en zenuwachtig te zijn. En
-zeker, al zulke kunstmatig aangekweekte, door de traditie geijkte
-eigenaardigheidjes zouden door de emancipatie verjaagd worden, maar
-nooit dat aangeborene, dat onuitsprekelijke, dat de vrouw maakt tot een
-ander wezen dan de man. De stempels van de natuur laten zich niet
-uitwisschen, en zeker niet door wat folianten en professoren en
-collegebanken! Wat is in den loop der tijden niet gebeurd met de vrouw?
-En door alle omstandigheden heen, heeft zij toch haar eigen karakter
-bewaard! In de middeneeuwen heeft zij gevochten en haar burchten
-verdedigd, terwijl de man aan de kruistochten deelnam, ze heeft
-geloofsvervolging, gevangenissen, vluchtend rondzwerven gekend, in
-Amerika is ze haar man gevolgd in de wildernis, waar ze ontzettend hard
-werken en haar kinderen en woning dikwijls bloedig tegen de Indianen
-verdedigen moest, ze is mishandeld, vernederd, verlaten, bedorven,
-verkocht, bespot, aangebeden, onteerd geworden, op alle wijzen, ze
-heeft zich dood gezwoegd, door idiote modes heeft men haar lichaam
-verminkt en haar geest, door kunstmatig domhouden, hier heeft men, door
-haar slaafs-afhankelijk te maken, de ondeugden der slaven in haar
-aangekweekt: sluwheid, onwaarheid, gebrek aan fierheid, daar heeft men,
-door haar te vergoden, haar ijdel en wreed gemaakt, en niettegenstaande
-dat alles is de vrouw vrouw gebleven, en zal zij dat eeuwig blijven!
-ten spijt van alle pessimisten die haar bij emancipatie ontaarding
-voorspellen!”
-
-Hilda zat met de kin rustend op de handen, de ellebogen op de knieën
-gesteund. Langzaam, onder het voortpeinzen over deze dingen, voelde ze
-de onrust van haar schrik wegglijden.
-
-Toen zag ze ineens, naast zich op den grond, een lange zwarte schaduw
-zich bewegen; ze keek op met ’n kleinen schok van vrees, die overging
-in blijheid.
-
-„Goeien avond, freule. Gut, bent u hier heel alleen?”
-
-„Goeien avond, mijnheer van Hervoren. Ja ik had zoo’n behoefte aan wat
-lucht en beweging, vindt u het heel erg ... ongepast?”
-
-„Ik vind het heel erg .... begrijpelijk! Als u nou toch maar zoo alleen
-niet al te ver de duinen ingaat!”
-
-„Ik ben op m’n terugweg.”
-
-„Mag ik ’n eindje met u meegaan?”
-
-Zij knikte met een stralenden glimlach.
-
-„Wat ’n heerlijk toeval, dat ik u vanavond nog even kan spreken, want
-morgen vroeg moet ik naar Chemnitz.”
-
-„Naar Chemnitz? .... Denkt u voor lang?”
-
-„Dat zal er van afhangen. Nou de fabrikant dood is, hebben de
-werkstakers alleen met de weduwe en den toezienden voogd van de
-kinderen te doen, en die toeziende voogd is toevallig juist iemand,
-waar ik vroeger in Amerika, mee aan hetzelfde werk ben geweest en goed
-mee opschieten kon. En nou wou ik zien of ik met hem den boel niet gauw
-weer op orde kon krijgen, en zóo dat de positie van de arbeiders
-wezenlijk ’n flink stuk verbetert, want hun grieven waren billijk.”
-
-„Zal het lang duren?” herhaalde Hilda.
-
-„Ik weet niet, ik hoop het niet! Maar ik heb onbepaald verlof hier van
-de fabriek, omdat er hun hier ook veel aan gelegen is, dat het werk
-daarginds weer gauw doorgaat.”
-
-Hilda liep zwijgend voort. Iets kilgrijs was ineens over de naaste
-toekomst gegleden. Eugénie weg, Corry’s huwelijk op handen: dagen van
-leugenachtige feestelijkheid, nou dit ook weer met Eddy .... en dan nog
-Maarten weg .... ze huiverde terug voor die eenzaamheid.
-
-„Als u terugkomt, zult u mij hier niet meer ontmoeten!”
-
-Ze zeide het onder een plotselingen drang, vóór ze nog goed had
-nagedacht.
-
-„Gaat u dan weg .... freule?”
-
-„Ja.”
-
-„Waarheen?”
-
-„Naar Amsterdam. Ik kan het hier niet meer uithouên. Ik zal Corona
-vragen of ze geschikte kamers voor me weet. ’t Volgende jaar, zou ik
-toch gegaan zijn voor de Academie, en nou ga ’k maar liever wat
-vroeger.”
-
-„Vindt uw oom het goed?”
-
-„Hij weet het nog niet. Ik heb het vanavond pas bedacht, maar ik denk
-dat ze ’t thuis heel prettig zullen vinden, nou ik toch zulke
-overdreven denkbeelden heb!”
-
-Ze glimlachte, met een nuance bitterheid om den mond.
-
-Hervoren zag haar aan. Ze was zoo mooi, vanavond en zoo jong, zoo
-aristocratisch in de hooge beteekenis van verfijnde beschaving, zoo
-fier en zoo teer!
-
-En Maarten, die de laatste maanden overal met vuur had verkondigd dat
-vrouwen de wereld in moeten even goed als mannen, dat de maatschappij
-nooit in haar evenwicht kon komen vóór het vrouwelijk element er
-volkomen een gelijke plaats naast het mannelijke heeft ingenomen,
-Maarten voelde zich zwak worden in dit moment, vol angst om haar, die
-zoo onervaren en broos ineens zou staan midden in de branding. Een
-oogenblik kende hij die vrees, die velen van de edelste, genereuste
-mannen het onrecht laat begaan van de vrouw terug te dringen, ver van
-het groote leven. Maar toen viel hem een woord van zijn moeder in: „Het
-is zoo natuurlijk, dat een man, die de worsteling, de wreedheid, het
-gevaar van den levensstrijd kent, als hij een meisje ziet mooi en rein,
-haar ver uit het gedrang zou willen wegvoeren, ergens, in een veilige
-burcht met hooge muren. Maar laat hij niet vergeten, dat binnen die
-muren wel eens doodelijk vergiftige bloemen konden staan van verveling,
-en onvoldaanheid, en bekrompenheid en heimwee naar meer ruimte! Elke
-man, die uit angst dat haar engelenvleugels zullen worden bezoedeld,
-een vrouw zou willen opsluiten in een kooitje, al was het van goud en
-fluweel, zou na een poosje merken, dat haar vleugels verdord en
-verslapt zijn en dat hier of daar duivelenhorentjes zijn gegroeid.”
-
-Hij nam zachtjes haar hand, zonderling ontroerd. In godsnaam, dit
-kindje moest het volle leven dan ook maar ingaan, zooals toch eigenlijk
-alle grooten onder de menschen gedaan hebben, en waar zij komen zou,
-zou ’n beetje meer liefde en vreugde zijn!
-
-„Maar wanneer zie ik u dan weer? Zal ik u dan vooreerst nergens meer
-kunnen ontmoeten?”
-
-Zij zag hem vol aan met haar groote oogen, en met een glimlach vol
-wonderbare belofte, zeide ze heel eenvoudig:
-
-„O! ja zeker, alle Zondagen zal ik thuis zijn voor mijn vrienden. U
-moet me gauw komen opzoeken! Gladys zal u mijn adres wel geven ....
-vaarwel ....”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Alles was nog donker en stil in huis, toen Hilda thuis kwam, alleen in
-de keuken werd gelachen, de luide lach van dienstboden, die visite
-hebben en hun meesters uit weten.
-
-In de kamers kroop de schemering geheimzinnig uit de hoeken en wischte
-de omtrekken der meubels uit, in de serre slechts viel nog wat licht
-van den wolkenloozen avondhemel, waaraan de zon haar glans nog maar
-kort van te voren had onttrokken.
-
-Hilda zette zich neer in haar gewone schommelstoeltje; de eenzaamheid
-en donkerte van het huis lieten haar onverschillig, alles was licht in
-haar, alles vol stralende levensblijheid.
-
-De gedachte dat Maarten wegging, misschien voor een langen tijd, was
-haar op dit oogenblik zelfs niet eens meer pijnlijk. Hij ging om daar
-ginds goed te doen, onrecht te herstellen! En in haar enthousiaste
-meisjesverbeelding zag ze hem staan met zijn klare magnetische oogen en
-blonde haren, midden tusschen de zwart dreigende figuren der
-fabriekwerkers te Chemnitz, en als hij sprak zouden de harde trekken
-zich verzachten, hij zou hun weten te geven, dat, wat voor velen, in
-deze bange tijden van worsteling en argwaan, een hooge weldaad is: het
-volle vertrouwen in éen dien zij geestelijk boven zich voelen. En dan
-zou hij hun toestand verbeteren, alles regelen. Ze had het den laatsten
-tijd van alle kanten gehoord, hij was zoo vreeselijk knap, en zoo goed!
-O! ze was trotsch op hem! En in liefde is het hoogste weelde, trotsch
-te kunnen zijn! En in dien tijd zou zij in Amsterdam haar kamers
-inrichten: één heel eenvoudig slaapkamertje met veel zon en veel lucht
-en een zitkamer .... O! heel anders dan hier al die meisjesboudoirs met
-hun overlading van prullen, stijl twee-guldens-bazaar! Het zou een
-mooie kamer zijn, met die voorname, zeldzame mooiheid die elke beurs
-kan bekostigen, n. l. afwezigheid van alles wat leelijk is. Het zou
-eenvoudig, bijna streng zijn, maar alles wat er was moest goed van
-kleur, van vorm, van lijn wezen! Het moest alles getuigen van een
-intens verlangen naar harmonie; de dagelijksche omgeving oefent immers
-onbewust een grooten invloed op ons uit, en wie de mooiheid
-verwaarloost in de kleine werktuigen van het bestaan—meubels, kleeding,
-versierselen—kan nooit volkomen naderen tot die hartstochtelijke liefde
-tot mooiheid in alles, mooiheid in het zichtbare om ons heen, mooiheid
-in het onzichtbare van denken en voelen, die ten slotte voert tot een
-hoog menschenleven!
-
-Hilda stond op, in een ontroering van vreugde: „En als dan haar kamer
-heel mooi was geworden, zou Maarten komen .... op ’n Zondag ....”
-
-Zij stak een kandelaar aan op den schoorsteen om mee naar boven te
-gaan. Maar bij het opvlammen van het licht zag ze ineens in den spiegel
-het schilderij daar tegenover, het portret van een overgrootmoeder van
-Suylenburg, geheimzinnig stralend in de donkere kamer in haar hofkleed
-van het eerste keizerrijk, wit satijn met den manteau de cour van goud
-brocaat.
-
-Het was een prachtige vrouw, ze was een Française geweest, een gravin
-de Grandonne, die een schitterende rol had gespeeld aan het hof van
-Joséphine. De familie-legende zeide, dat alle beroemdheden van dien
-tijd aan haar voeten hadden gelegen, zelfs Napoleon zou een tijd lang
-haar gunst hebben gezocht, maar na zijn tweede huwelijk was ze in
-ongenade gevallen, en getrouwd kort daarop met den generaal van
-Suylenburg, die haar naar Holland had gevoerd.
-
-Hilda draaide zich om en stond voor het portret, den kandelaar hoog
-houdend om het mooie kopje te zien, maar nu ineens voelde ze de stilte
-van het huis doodsch om zich heen, en kreeg ze ’n zonderling dringende
-behoefte iets te uiten van haar trillende emoties.
-
-„Het zijn heel andere tijden, grootmama!” zeide ze lachend, „heel
-anders, nietwaar? Andere politiek, andere zeden, andere illusies,
-andere vrouwen! Wat hebt u uw haar kunstig gefriseerd. In m’n volgend
-leven zal ik geen tijd hebben om zooveel zorg aan mijn kapsels te
-geven, dat moet u me maar niet kwalijk nemen, ik neem u immers ook niet
-kwalijk dat u er zoo veel tijd aan hebt besteed? Wij moeten elkaar met
-rechtvaardige toegefelijkheid zien te beschouwen, ieder in de lijst van
-onzen eigen tijd, eigen omgeving, eigen opvoeding. En heusch, ik zal u
-geen schande aandoen, al zouden in uw oogen mijn opvattingen, als u ze
-had kunnen voorzien, al heel erg zonderling zijn geweest! Waarom kijkt
-u zoo strak in den spiegel met dien vagen trotschen lach? Omdat de held
-van Austerlitz u heeft liefgehad? Maar ook ik heb de liefde van een
-held, verstaat u dat? en de beroemdsten zijn niet altijd de grootsten!
-Er zijn zooveel soorten van helden, nietwaar? dat zult u nu ook wel
-weten, nu u van uit de hoogte neerziet op al het kleinmenschelijk
-gezwoeg om ’n beetje meer eer en macht. En ik ben blij mevrouw, dat
-mijn held geen zwarte oogen en bloedige handen heeft, en lauwerkransen,
-maar een vredepalm en de haren en den glimlach van een jongen
-zonnegod.” En in de opwinding van haar ontwakende liefde, genoot Hilda
-bijna kinderachtig van deze gevonden vergelijking, toen ging ze weer
-voort:—„Alles, alles verandert, nietwaar? Alleen jeugd en liefde en
-verlangen naar geluk blijven hetzelfde, en ik beloof het u, ik zal er
-mijn deel van nemen, al zal ik soms de toga en den baret dragen, zooals
-u vroeger uw manteau de cour! Bonsoir, grootmama. Blijft u maar gerust
-zoo trotsch staan lachen. Ik heb zoo’n idée, dat ik meer zal genieten,
-van wat het leven waarachtig heerlijks en moois te geven heeft, dan u
-het ooit hebt gedaan!”
-
-Toen ging Hilda naar boven en onder het opgaan van de trap zong ze
-neuriënd een van die naïef teere Italiaansche liefdesliedjes, die men
-in zuidelijke nachten, in de verte hoort zingen, en ze glimlachte tegen
-de duisternis.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Gladys lag stil achterover op haar rustbed. Kleine trekjes van pijn
-gleden soms even over het vermagerde gezichtje, maar de oogleden, met
-de lange wimpers lagen mat gesloten, alsof ze sliep.
-
-Ze lag te peinzen, zooals ze tegenwoordig zoo dikwijls deed, in haar
-lange gedwongen rusturen; ze dacht aan haar huwelijk en hoe het
-zachtjes aan een ruïne was geworden, in plaats van de tempel, dien ze
-gewild had. Eerst was ze toch gelukkig geweest, wel al heel gauw met
-oogenblikken van pijnlijke verwondering, maar ze had altijd honderd
-soorten excuses voor Frederik kunnen vinden: z’n opvoeding was ook zoo
-oppervlakkig geweest, en z’n vrienden zoo ruw! Hij had ook geen zusters
-gehad, hoe kon ie dan weten, hoe licht een fijnvoelende vrouw gewond
-is, hoe kon hij haar dan begrijpen, als ze zich soms ineens gekrenkt
-terugtrok, of smachtend bij hem kwam, zwijgend bedelend om woorden, die
-hij nooit zei.
-
-Maar toen, langzamerhand, was ie hoe langer hoe ruwer geworden, en ze
-was bang beginnen te zijn, en vreemd, ze had een korten tijd er een
-akelig genot in gevonden om voor hem te vreezen.
-
-Maar op een avond, had ze hem in de naaste kamer tegen vrienden hooren
-bluffen over de beste manier om een vrouw te regeeren. „De Rus, die z’n
-vrouw met den knout geeft,” had ie gezegd, „was veel beter
-menschenkenner dan de Amerikaan, die haar als z’n gelijke behandelt,
-want de vrouw is nou eenmaal de geboren onderdane, ze geeft alleen
-liefde aan wie haar angst inboezemt, als ze verliefd is, heeft ze
-behoefte om op haar knieën te dienen.”
-
-O! wat had ze dien avond gehuild, uren en uren lang! Maar toen had ze
-ook begrepen waarom Frederik’s theorie in sommige huisgezinnen
-schijnbaar opging en hoe ze er hem zelf mogelijk wel in had versterkt.
-Oorspronkelijk toch is er in elk jong, onbedorven mensch, zoowel man
-als vrouw, een instinct gelegd om zich slechts aan den besten den
-edelsten te geven. Dit is het ingeschapen principe van zelfbehoud van
-het ras, dat zich doet gelden overal, waar de huwelijkskeus niet
-bepaald wordt door wat iemand bezit aan fortuin of rang, overal waar
-niet door sociale wanverhoudingen van eeuwen dit instinct te zeer is
-verbasterd. Bij elk paar, dat elkaar lief heeft, vindt men er de uiting
-van in een eigenaardige behoefte om elkaar te verheerlijken: de man
-ziet in zijn verloofde een feetje of een heilige, waarvoor hij zou
-willen knielen, de vrouw ziet in haar man een held, waartegen ze zou
-willen opzien in een gelukkig gevoel van ontzag.—En misschien is dit
-wel de groote les van het leven over de verhouding tusschen man en
-vrouw, dat in de oogenblikken van hoogste intimiteit, waarin het twee
-individuen gegeven is, elkaar te naderen, zij zich beiden aanbiddend
-voor elkaar voelen neerbuigen, in een onbewust raden van het goddelijke
-dat in hen is.—Maar in een maatschappij als de onze, met zooveel
-onwaarheid en verwrongenheid, valt dikwijls van dien oorspronkelijk
-mooien drang niets meer te bespeuren dan de karikatuurachtige echo er
-van, in de zinnetjes van den banalen hofmaker, of in de laffe
-onderdanigheidsphrases van energielooze vrouwen, en menigmaal geeft
-zelfbedrog den leugennaam van eerbied en hoog opzien aan wat slechts
-is: misdadig zwak toegeven en vreezen. Ja, dat was het! Het vreezen van
-de vrouw, en er een soort voldoening in vinden was de karikatuur, de
-ontaarding van haar ingeboren verlangen om hoog te houden den vader van
-haar kinderen! In veel huisgezinnen, waar de man door flinkheid meent
-te regeeren, dankt hij zijn prestige alleen aan dat onbewuste verlangen
-van de vrouw, en veel van de macht, die de man tot dusver bekleed
-heeft, was daaraan alleen te wijten! Want zoo menige vrouw, in een
-uiterst pogen om in de platheid van het dagelijksch leven, in haar man,
-dien zij scherpzinnig genoeg is om in al zijn kleinheid te hebben
-doorzien, toch den held harer jeugdidealen te redden, zoekt een
-leugenachtige bevrediging in vreezen, als hoog opzien niet meer
-mogelijk is.
-
-Gladys bleef stil liggen peinzen. Ja, zoo was het ook met haar gegaan,
-maar na die korte periode van angst waren de lange jaren gekomen van
-geduldig, droevig worstelen, tot ze overwonnen was verleden .... op
-dien nacht.
-
-Met een zacht gekreun verlegde ze het moeë hoofd.
-
-Maud kwam binnen, voorzichtig, met haar onhoorbaren hospitaalstap, en
-zette zich aan het raam neer, met een pas begonnen babysokje. Maar ze
-haakte niet, met strak turende oogen en onrustplooien dwars over het
-voorhoofd, keek ze de straat in.
-
-„Er was ’n boodschap gekomen .... ontzettend! .... Frederik was van z’n
-paard gevallen, ’n wild jong dier, dat ie verleden week gekocht had, en
-men had hem bewusteloos, met gebroken sleutelbeen naar ’t ziekenhuis
-gebracht. Er was groot gevaar, maar hoe kon ze het aan Gladys
-vertellen? Nou juist op dit moment ....”
-
-„Maudy, ben je daar?”
-
-„Ja lieveling, wat is er? Ik dacht dat je sliep.”
-
-„Kom es hier! Ik heb zoo’n afschuwelijke hoofdpijn, en ik voel me zoo
-angstig!”
-
-Maud stond op en knielde naast de rustbank. „Ze kon het nu toch niet
-vertellen? Gladys moest eerst kalmer zijn.”
-
-„O! Maud, ik ben zoo bang.”
-
-„Wat is er dat mijn kleine vrouwtje beangstigt? Herinner je je nog wel
-onze Fransche gouvernante, die ons altijd bang maakte voor spoken? ik
-geloof heusch om nog ’n beetje „poëzie” in ons te redden, omdat ze
-beweerde dat onze Amerikaansche opvoeding, „le charme poétique de la
-femme”, in ons zou verderven. Ik geloofde nooit ’n woord van haar
-griezelige geschiedenissen, maar jij was dikwijls erg onder den indruk,
-en dan moest ik je zóó in m’n armen nemen, zóo, niet waar? om je te
-bedaren. Zullen we es probeeren of het ouwe middel nog helpt?”
-
-Maud sprak gewild vroolijk, om haar af te leiden, maar de jonge vrouw
-drukte angstig steunzoekend het hoofdje vast tegen haar schouder.
-
-„Maud, ik heb gedroomd, dat ik en het kindje stierven, en ik was blij
-dat het kindje ook dood ging, want wat is een klein menschje zonder
-moeder! Maar de twee anderen bleven achter, zoo teer, met zulke fijne
-zieltjes, en zoo jong en zoo heel alleen .... Begrijp je niet, dat het
-me met doodsangst vervult!”
-
-„Zie je wel, dat het maar spoken waren? Wie gelooft nou aan droomen?”
-
-Maud dwong zich om luchtig te schijnen, maar een kille angst was in
-haar borst.
-
-Gladys zag haar aan met de grijze kinderoogen groot van ontzetting.
-
-„Ik kan het niet verdragen, dat je er om probeert te lachen. Er sterven
-immers zoo veel vrouwen aan! .... Het helpt niks of je er over heen
-praat! O! als ik ze alleen moest laten ....”
-
-Maud voelde het teere lichaam in haar armen sidderen van angst.
-
-„O! als ik ze jou maar kon toe vertrouwen, Maudy, .... dan zou ik wel
-rustig kunnen afwachten .... maar .... O! mijn God, mijn God! ....”
-
-„Lieveling wind je toch niet zoo op!”
-
-Gladys haalde diep adem, als om kracht in te nemen voor het
-smartelijke, dat ze zeggen moest.
-
-„Misschien heb je wel gemerkt, Maud .... ons huwelijk is .... niet
-geworden .... wat ik gehoopt had! O, Frederik heeft heel veel goeds
-.... hij is bijvoorbeeld honderdmaal beter dan z’n broer Henk, die ruwe
-cavalerist, maar ....”
-
-Zij kleurde, bang om iets kwaads te zeggen, en toch zoo bitter
-verlangend om de angst van haar ziel uit te spreken. Smeekend zag ze
-op, maar toen ze Maud’s oogen ontmoette vol treurig begrijpen, brak
-ineens haar zelfbeheersching. Ze sloeg de armen om haar hals en snikte
-wild, als vroeger, in de dagen van groot kinderverdriet.
-
-„O! Maud! als ik ze jou toch maar kon laten! Frederik heeft zulke heel
-andere denkbeelden over opvoeding .... Vooral over broertje .... Het is
-zoo’n goed kind, maar niet makkelijk te regeeren, zooals de menschen
-dat noemen!—alsof het ons bij het opvoeden te doen moest zijn, om ze te
-regeeren!—Als Frederik in z’n jeugd niet zoo geregeerd, gedrild was
-geweest, zou ie nou misschien heel anders zijn. Maar ze hebben hem in
-z’n kindsheid, al zijn wil—men noemde het koppigheid—er uit geslagen,
-tot ie ’n onderdanig, willoos jongetje was geworden, met alleen angst
-voor straf tot moreel richtsnoer, en natuurlijk, is ie nou later, toen
-ie z’n eigen meester werd, een willooze, zwakke man geworden. Maar dat
-ziet ie niet in. Zijn slap heen en weer slingeren door allerlei
-hartstochten, houdt ie voor mannelijkheid en originaliteit, en als ik
-er niet was, zou ie Hajo ook weer met den stok willen opvoeden, hem
-klein krijgen, zooals ie ’t uitdrukt, en ik weet zeker, dat dan alle
-energie en zelfvertrouwen in ’t kind verloren zouên gaan, en die zal ie
-juist met z’n onstuimig karaktertje zoo vreeselijk noodig hebben. O!
-Maud, als jij maar bij ze kondt blijven! en hen leeren zich zelf te
-beheerschen, en zich rekenschap te geven van wat ze willen en of dat
-goed is, en dan ook te volbrengen, wat ze zich voorgenomen hebben ....”
-
-Gladys zweeg even, uitgeput, met een hijgenden snik.
-
-„Lieveling, dearest, er is niets geen grond voor je angst,” zeide Maud.
-„Waarom zou je ’r niet even goed doorkomen, als de twee andere keeren?
-Maar als het je rust geeft, maak dan een testament waarbij je mij
-wettelijk benoemt tot hulp en raadsvrouw van je man. De groote jeugd
-van de kinderen en daardoor de behoefte aan vrouwelijk toezicht zullen
-die beschikking in ieders oogen volkomen motiveeren.”
-
-„Dat kan niet Maud.”
-
-„Ja zeker, het kan wèl! Ik heb het nog pas, bij den dood van mijnheer
-Banckhorst gehoord, die had ook aan z’n vrouw, omdat ze zoo ziekelijk
-is, een raadsman toegewezen, om haar te helpen, haar zes jongens groot
-te brengen.”
-
-„Ja, dat kan een vader voor zijn kinderen doen, [17] als hij meent dat
-de vrouw niet geheel berekend is voor haar taak, maar een moeder kan
-het niet!”
-
-„Waarom niet?”
-
-„Omdat ze maar ’n vrouw is!”
-
-„Hoe bedoel je? kan een moeder ....? Maar dat is belachelijk!”
-
-„Nee, het is niet belachelijk, ’t is afgrijselijk!” zeide Gladys, en
-ineens zich opwindend, terwijl twee brandend roode plekken zich op de
-magere wangen teekenden: „Versta je, Maud? Frederik heeft ’t recht mij
-bij zijn dood den eersten den besten man, die hem in z’n hoofd komt toe
-te voegen als raadsman, zonder wiens toestemming ik niets met mijn
-eigen kinderen doen kan! Maar ik .... de moeder, die hem onmachtig, en
-....”—de emotie sleepte haar mee het lang gezwegen smartelijke uit te
-spreken—„en onwaardig weet om hen op te voeden, ik ben machteloos!”
-
-Met een kermenden kreet kwam ze plotseling overeind:
-
-„O! Maud, laat ik maar naar boven gaan .... Het oogenblik .... zal
-gekomen zijn. Is Frederik niet thuis?”
-
-Maud legde haar arm steunend om de jonge vrouw, en schudde het hoofd.
-Voorzichtig bracht ze haar in bed, met teere woorden uit haar
-kindsheid.
-
-Maar het oogenblik was nog niet gekomen. Gladys viel in slaap en na een
-paar uur werd ze veel kalmer wakker, met iets zelfs van den ouden moed.
-
-Toen had Maud het haar gezegd, het ongeluk van Frederik, want het was
-avond geworden, en Gladys had telkens gevraagd, met angstigen argwaan
-„of Free niet thuis was komen eten, en of Maud niet wist waar ie was.”
-
-„O! het beteekent niks!” zeide Maud geruststellend, „de menschen, die
-hem hebben gevonden, wisten natuurlijk niet waar ie woonde, en hebben
-hem naar ’t ziekenhuis gebracht, en daar moet ie vannacht nou wel
-blijven, maar ’t zal wel gauw over zijn.”
-
-Gladys zeide niets. Met krampachtig vast gevouwen handen lag ze
-achterover, heel bleek.
-
-Toen, tegen elf uur werd er gebeld. Het was een particulier briefje van
-den dokter van ’t Ziekenhuis, een vroegere clubgenoot van van Praege,
-die als vriend bij hen aan huis kwam, om Gladys te waarschuwen dat er
-onmiddellijk gevaar was en te vragen of er geen mogelijkheid bestond
-dat ze nog kwam.
-
-Maud was naar beneden gegaan, en las het briefje in groote
-verslagenheid: „men mocht het immers niet wagen, ieder oogenblik kon
-voor Gladys het moment dáár zijn.”
-
-Met loome voeten ging ze de trap weer op. Door het stille huis, waar
-iedereen waakte in angstig wachten, zweefde als een ongeluksbedreiging.
-
-Gladys zat overeind toen ze binnen kwam, met starende oogen vol vreemde
-ontzetting. Met een ongeduldig gebaar wees ze de baker om naar de
-andere kamer te gaan:
-
-„Wat was die bel?”
-
-„Niks kindje, een vergissing, geloof ik.”
-
-„Nee, nee, Maud, het kwam van Frederik. Hij is zeker gevaarlijk! O!
-nee, bedrieg me maar niet! En ie gaat sterven en ik ook! En weet je wat
-er gebeurt met mijn kinderen? De aangewezen persoon om hun voogd te
-worden is natuurlijk Henk! .... Natuurlijk, de eigen broer van den
-vader! ’n voorname Meneer, een geacht ingezetene! Groote God! en z’n
-eigen natuurlijke kinderen laat ie in de ellende, en z’n gedrag is
-altijd horrible geweest! maar heel deftig, in stilte! En dat wordt de
-voogd van mijn kleintjes!” Ze snikte, met wringende handen.
-
-„Nee, Glad, m’n lieveling, wees toch niet zoo bang! Ik zal immers voor
-ze zorgen, als jullie heen moest gaan. Ik beloof het je immers, ik zal
-voogdes worden!”
-
-„Dat kan juist niet! Als dat kon was het alles goed! Maar het gaat
-niet. O! mijn God!”
-
-„Waarom niet, dearest? Omdat ik misschien Amerikaansche ben? Maar als
-het moet, zou ik me immers dadelijk laten naturaliseeren. Ik wil alles
-voor je doen ....”
-
-„Nee, Maud, het kan niet omdat je vrouw bent!”
-
-„Vrouw ben?” herhaalde Maud.
-
-„Ja, de wetten hier, vinden een wilden, ongetrouwden cavalerieofficier
-veel beter om zoo’n paar teere plantjes aan toe te vertrouwen, dan de
-eigen zuster der moeder. Is het niet om krankzinnig te worden? O!
-Maudy, maar je zult ze toch niet verlaten?”
-
-„Dus, bij gebrek aan bloedverwanten, zou je staljongen nog eerder de
-voogdij over je kinderen kunnen krijgen dan ik, de gestudeerde vrouw,
-de eigen tante, die haar leven voor zulke kleintjes geven zou? Maar in
-hemelsnaam, zijn die Hollandsche vrouwen dan zoo slaperig, dat ze zoo
-iets dulden?”
-
-Gladys kreunde, haar gezichtje van heftige pijnen vertrokken. Maar na
-een poosje werd ze weer kalmer en met beide handen Maud’s hoofd dicht
-naar zich toe trekkend, zeide ze in ’n haastig gefluister: „Ja, de
-wetten zijn hier zóo, dat zelfs de grootmoeder, al heeft ze bewezen,
-door haar eigen kinderen uitstekend op te voeden, dat ze volkomen voor
-haar taak berekend is, geen voogdes mag worden over de weezen van haar
-zoon of dochter! Zelfs onze eigen, lieve moeder, Maud, als ze nog
-leefde, zou geen voogdes van mijn kleintjes mogen zijn! O! weet je, het
-komt alles voort uit dat ouwe principe, waar we in onze vroolijke
-meisjesjaren zoo dol om hebben gelachen: dat de vrouw een inferieur,
-onmondig wezen zijn zou! Maar toen wisten we niet dat het eenmaal zoo’n
-ramp over ons brengen zou!”
-
-„Lieveling, wind je toch niet zoo op! Denk toch aan je kindje! Willen
-we samen nog es bidden, zooals vroeger, toen we klein waren?”
-
-Gladys schudde heftig het hoofd.
-
-„Ik kan niet, Maud, ik ben te wanhopend! O, jij bent veel beter dan ik!
-Jij kon altijd je verdriet uitstorten aan God en dan getroost zijn,
-maar ik kan niet ....”
-
-„Toe probeer het es, lieveling. Het zou je zoo’n rust geven, als je je
-kleintjes in Zijn liefde kon aanbevelen ....”
-
-„Och Maud, er zijn immers zooveel kinderen verloren gegaan, die door
-hun stervende moeders aan God waren opgedragen!.... En God heeft jou
-immers gegeven, ’n verstandige, heilige vrouw, om voor ze te zorgen!
-Wat kon Hij meer doen? Hij kan het niet helpen, dat de domme menschen,
-met hun schandewetten, je krachteloos hebben gemaakt! Maar
-niettegenstaande alles, Maudy, beloof je me dat je over ze waken zult?”
-
-Rillend kwam ze overeind en bedekte Maud’s handen met kussen.
-
-„Ik beloof het!” snikte Maud en een oogenblik hielden zij elkaar vast
-en weenden samen in nameloos leed.
-
-„Bedaar toch, liefste! Maar je zult immers niet sterven, en voor
-Frederik is toch ook nog hoop!” „Ja, we zullen wèl sterven!” zeide
-Gladys sidderend. „Ik voel het! Maar ik zal je wat zeggen,
-Maud!....”—Haar oogen waren heel donker en fonkelden diep in de holle
-zwarte kringen, en een huiveringwekkend pathos was in haar op dit
-oogenblik.—„Als de vloek van een stervende moeder iets beteekent, Maud,
-zeg het haar dan, dat ik ze vloek, hier, op mijn weeënbed, de jonge
-vrouwen, die langer onverschillig blijven voor deze schandelijke
-toestanden. Zeg het haar, dat ik geen rust heb gevonden op mijn
-doodsbed, omdat ik mijn kinderen niet aan jou kon geven, omdat .... jij
-van het geslacht der moeders bent. Zeg het haar, dat ik ze vloek!
-vloek! vloek! als ze niet als eén vrouw opstaan, om verandering in die
-wetten te brengen!”
-
-„In Godsnaam Glad, wees toch bedaard!”
-
-Maar met een smartgekreun, zonk de jonge vrouw ineens neer. De weeën
-waren begonnen en er werd niet meer gesproken.
-
-Het was een afgrijselijke nacht, en Gladys’ lijden was ontzettend, en
-Maud stond er bij, en later Corona, die er bij geroepen was, en zij,
-die zoovele vrouwen gered hadden, ze waren onmachtig hier.
-
-Gladys kwam bijna niet meer tot bewustzijn, alleen riep ze ijlend, dat
-men de kinderen weg moest brengen, dat hij, Henk, ze niet vinden kon.
-
-Het was een dood kindje, en tegen den morgen stierf Gladys, en een paar
-uur daarna kwam het bericht uit het ziekenhuis, dat Frederik van Praege
-was overleden.
-
-En een oogenblik hield de wereld op met haar lichtzinnig gesnater, een
-enkel oogenblik was men gefrappeerd door den plotselingen dood van die
-twee jonge menschen, maar niemand dacht er aan in welke wanhoopsangsten
-Gladys was heengegaan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-In de Oude Molstraat, in zijn armoedige kamer op de tweede verdieping,
-waar alles het onderkomene, verlepte had, van achteruitgegane menschen,
-die sinds jaren, om zich nog even staande te houden, kamers verhuren,
-zat Moisette voor zijn schrijftafel. Een stapel papieren lag vóór hem,
-die hij aandachtig doorlas, met nu en dan een kleine zucht van
-ongeduld. Hij vond het verschrikkelijk vervelend deze soort lektuur,
-waar hij zich heelemaal niet in thuis voelde, maar een kinderlooze,
-zeer gefortuneerde nicht in Poitiers, had hem tot haar erfgenaam
-gemaakt, en hij was nu wel genoodzaakt kennis te nemen van de stukken,
-die men hem daarover had toegezonden. Telkens dwaalden zijn gedachten
-echter af; het idee, dat hij nu rijk was, kon hem soms ineens
-fascineerend overweldigen. En hij dacht aan Hilda. O! hij wist wel, dat
-zij tot de vrouwen behoorde, wier liefde niet afhankelijk is van een
-beetje meer of minder geld, maar ’t was toch net of dit fortuin hem
-dichter bij haar had gebracht. Zij had hem altijd getoond, dat ze niet
-van hem hield, hij wist het wel, en met razende onrust kwam die
-zekerheid altijd weer z’n hoopvolle oogenblikken bederven. „Maar tot
-dusver was ie ook zoo angstvallig geweest. De vrees, dat iemand uit
-haar omgeving, of zij zelf misschien, hem verdenken zou van onzuivere
-bedoelingen, van berekening, had hem onhandig en teruggetrokken
-gemaakt. Maar nu, nu hij haar gelijke was geworden,—want was in deze
-eeuw geld eigenlijk niet evenveel als geboorte?—nu zou hij heel anders
-zijn.”
-
-Hij had haar in lang niet gezien! heel zonderling! sinds September
-niet, en ’t was nu al December. Hij had niet den moed gehad naar haar
-te vragen, uit vrees dat men zijn geheim zou raden. Een paar oude dames
-hadden er hem al mee geplaagd, en hij kon het niet hebben, dat
-onkiesche handen dat teere plekje aanraakten. Zorgvuldig had hij dus
-altijd vermeden om over haar te spreken, ofschoon hij innerlijk van
-verlangen getrild had om iets van haar te hooren, en hij overal
-getracht had haar te ontmoeten. Maar nu zou hij er openlijk voor
-uitkomen, dat hij haar het hof wou maken. Iemand van zijn fortuin
-hoefde zich niet meer zoo schuw weg te houden! en hij zou vandaag nog
-naar mevrouw Cranz gaan en haar vragen waar Hilda toch was.
-
-Sinds Bernard’s declaratie en haar weigeren, wist hij wel, dat zij
-zelden meer bij de oude mevrouw kwam. Een pijnlijk onderhoud had er
-tusschen haar plaats gehad. Mevrouw Cranz had dringend gesmeekt dat
-Hilda op haar besluit zou terugkomen, en zich over Bernard zou
-ontfermen, Hilda had droevig geweigerd, en ofschoon zij met veel kussen
-en tranen gescheiden waren, in haar omgang was sinds dien tijd een
-kleine smartelijke bijsmaak overgebleven, die het Hilda onmogelijk
-maakte om nog dikwijls te komen.
-
-Maar in elk geval zou mevrouw Cranz toch weten waar Hilda was. Hij had
-haar het laatst gezien twintig September, op een tentoonstelling in den
-Kunstkring, en er was toen iets vreemds over haar geweest, alsof ze
-rondliep in een droom, sterk vervuld van de eene of andere gedachte.
-Hij had haar zien staan, onbewegelijk, voor een teekening van Thys
-Maris, een kwartier lang, met een zonderlingen glimlach, en toen
-heengaan met een diepen zucht en een optrekken van de wenkbrauwen alsof
-ze worstelde met vragen waarvan ze de oplossing niet vinden kon.
-
-Moisette strekte zijn beenen lang uit onder de schrijftafel, achterover
-hangend in zijn stoel, de hand onder het hoofd, een beweging van genot
-om zich aan zijn gedachten over te geven.
-
-„Wat kon bij een jong meisje zulk vragenvol gedroom anders beteekenen
-dan verlangen naar ...? Natuurlijk, ze had Cranz wel geweigerd, omdat
-.... enfin .... z’n reputatie .... misschien ook ’n wezenlijke
-antipathie? Maar nu ze zich blijkbaar onbevredigd, zoekend begon te
-voelen, nu was de tijd gekomen, dat hij, Moisette, te midden van de
-leegheid van haar meisjesleven zou verschijnen en het zou weten te
-vullen met nieuwe emoties ....!”
-
-„Dominee, daar is juffrouw Wendelings.”
-
-Hij kwam overeind met een kleinen schok van tegenzin.
-
-„Laat de juffrouw maar even hier naast, in de spreekkamer.”
-
-Haastig begon hij de papieren bijeen te schuiven, en borg ze weg. Toen
-ging hij naar een hoek van de kamer, waar een kleine deur achter ’n
-armoedige portière van dunne, vuilbruine stof wegschool, en opende die.
-
-„Komt u binnen, juffrouw Wendelings, kan ik iets voor u doen?”
-
-Hij zei het heel zacht en vriendelijk, juist neerbuigend genoeg om even
-te herinneren dat hij op een hoogtetje stond.
-
-Bertha zag er slecht uit, en het verlies van haar frischheid maakte
-haar leelijkheid nog grover. Ze droeg een armelijk rouwtje, uit de half
-versleten kleeren van haar moeder gemaakt, want in ’t voorjaar, kort
-nadat zij haar ontslag had genomen van het kantoor, was de oude mevrouw
-gestorven.
-
-Zwijgend zat Bertha aan de tafel, midden in de kamer, Moisette was
-tegenover haar gaan zitten en wachtte. Maar verlegen, zenuwachtig de
-handen in elkaar geperst, bleef ze zwijgen.
-
-„U hebt mij misschien iets te vragen?”
-
-„Ik kwam ... u zeggen ... dominee ... Dominee ik kwam u vertellen dat
-ik geëngageerd ben.”
-
-Iets warm vriendelijks kwam in zijn gezicht. Niettegenstaande al zijn
-overtuiging, dat hij goed had gedaan met haar weg te nemen van haar
-kantoor, was er toch soms in zijn geweten een angstig klein kneepje
-geweest over haar toekomst.
-
-„Wel, wel, dat vind ik aardig! Dat doet me plezier, juffrouw
-Wendelings! Ik feliciteer u van harte, en .... wie is de uitverkorene!”
-
-„Mijnheer B. R. Jastens.”
-
-Hij zag haar vragend aan; de naam zeide hem niets.
-
-Toen ging ze voort, heel mat, met verlegen, toonlooze stem:
-
-„Hij woont in de Batjanstraat. Hij is gepensioneerd Indisch Ambtenaar,
-en hij is negen en zestig jaar.”
-
-Bij ’t zeggen van zijn leeftijd zag ze even schuw op, om te zien welken
-indruk het op Moisette zou maken.
-
-„Dan is er wèl een zeer groot verschil tusschen u beiden! maar men ziet
-dikwijls dat dat de beste huwelijken geeft ....”
-
-„O! ja, hij zou m’n vader kunnen zijn.”
-
-Moisette werd onrustig bij de slappe moedeloosheid in haar manieren.
-Hij zocht om iets hartelijks te zeggen.
-
-„En hebt u elkaar al lang gekend? ....”
-
-„Ja, al twee jaar. Vroeger liep ie me altijd na, maar ’k was bang van
-hem. En verleden jaar heeft ie me ook gevraagd, maar ’k wou niet. Hij
-heeft zoo iets engs en dan is er ook nog zoo’n Indisch kind van hem in
-huis, ’n meisje van veertien, ’n ondeugende kat, en daar was ik ook
-bang van.”
-
-„En heeft nou toch Amor over dat alles gezegevierd? Kom aan, dat is
-goed.”
-
-Hij glimlachte, vreeselijk banaal in zijn gewild doen, alsof hij nog in
-liefde bij haar geloofde. Maar zij antwoordde niet, te gebroken om te
-reageeren, en slap ineengezakt bleef ze tegenover hem zitten.
-
-Er was een poosje benauwende stilte, toen begon ze, haperend, schuw
-vlak langs hem heenziende, naar een vlek op het behang:
-
-„Ik kwam u vragen, of u ons zoudt willen trouwen?”
-
-„Zeker m’n kind, zeker wil ik dat doen.”
-
-„’t Is al over veertien dagen, ziet u. U begrijpt .... ik moet nou toch
-al van hem leenen, want ik heb geen cent meer in huis, en dus vindt ie,
-hoe eer hoe beter. ’t Pensioen van mama is natuurlijk dadelijk
-opgehoûen en ik heb haast niks kunnen verdienen; in Tesselschade en
-Arbeid-Adelt hebben ze me es wat werk gegeven, maar ze vonden dat ’k
-niet mooi genoeg naaide. Ik kan het ook niet zoo erg goed en ’t is ook
-zoo moeilijk! En ’t geeft toch nauwelijks droog brood, al kon ik het!
-En ’k heb zeventig brieven op advertenties geschreven voor juffrouw van
-gezelschap en kinderjuffrouw en op eén huwelijksadvertentie zelfs, maar
-d’r is niks op gekomen, en .... nou is dit wel het eenige!”
-
-„Ja, dat is het! En laat het u tot een troost zijn, dat het huwelijk
-toch ook uw eigenlijke bestemming is. Het is wel jammer, als men het
-niet met dat zekere enthousiasme aangaat, wat alles gemakkelijk maakt,
-maar ik verzeker u, wanneer u al uw best doet om een getrouwe,
-christelijke gade voor mijnheer Jastens te worden, dan zult u daarin
-een groote satisfactie vinden, zooals elke deugdzame plichtsbetrachting
-die geeft!”
-
-Bertha stond op, ineens. Een razende verbittering tegen den man, dien
-zij liefhad, en die nooit iets van haar liefde had willen begrijpen, en
-nu in dit wanhoopsoogenblik een paar holle zinnetjes over plicht tegen
-haar durfde .... leuteren, schudde haar even wakker uit haar dofheid
-van overwonneling. Ze had lust om hem ook pijn te doen, en iets van
-haar eigen rampzaligheid in hem te zien echoën.
-
-„Weet u dat freule van Suylenburg naar Amsterdam is gegaan om voor
-advocaat te studeeren?”
-
-De stoot was te onverwacht, Moisette kon hem niet met zijn gewone
-kalmte van zelfbeheersching pareeren.
-
-„Sinds wanneer? Weet u het heel zeker?”
-
-„Heel zeker! En er wordt verteld, dat ze ’n gelofte heeft gedaan om
-nooit te trouwen!”
-
-Het laatste verzon ze er bij, terwijl ze het uitsprak. Van nature was
-ze goedhartig, maar de pijn van dit oogenblik gaf haar een
-onweerstaanbare prikkeling van boosaardigheid.
-
-„Dus u wilt ons trouwen? Morgen over veertien dagen?”
-
-„Ja, ja, ik kom nog wel es bij u aan, om er over te spreken.”
-
-Hij stond op, zenuwachtig, en liet haar uit op het portaal, en hoorde
-niet eens den krijtenden snik, die opklonk uit de nauwe, donkere trap
-toen ze afdaalde. Hij vloog terug in zijn kamer en greep zijn hoed,
-maar toen zag hij Corona van Oven op den drempel van het spreekkamertje
-staan.
-
-„O! dokter .... Ik wou juist naar u toe gaan ....”
-
-„U moet me vergeven, mijnheer Moisette, maar de meid liet me daar
-binnen, en de deur stond aan en .... ik kon niet helpen .... dat ’k
-hoorde wat hier gezegd werd ....”
-
-Uitdagend stonden zij tegenover elkaar. Een kleine prikkeling van
-antipathisch aangelegde naturen was er altijd tusschen hen geweest,
-maar tot dusver, als hun wegen elkaar kruisten, meestal in arme
-woningen, hadden ze dat verborgen achter gewilde hoogachting.
-
-„U mocht het gerust hooren, het waren geen geheimen; juffrouw
-Wendelings kwam me vragen om haar huwelijk in te zegenen.”
-
-„Ja, maar hoe kunt u nou toch zoo iets goed vinden? Ziet u dan niet dat
-het huwelijk, dat dit arme kind gaat doen, prostitutie is?”
-
-„Nee, zulke verbintenissen komen soms heel goed terecht.”
-
-„In negen van de tien gevallen is het ’n zedelijke zelfmoord! Dat „goed
-terecht komen” beteekent zoo dikwijls in versuffing of verbittering
-zwijgen! En in elk geval zijn het uit zulke huwelijken, dat de laffen,
-de cynischen, de gloedloozen, de zwakken d.i. de misdadigers geboren
-worden! En dat moest u weten, dominee.”
-
-Hij zag haar even strak aan, zonder eigenlijk te verstaan, te veel
-vervuld van het nieuws over Hilda om te kunnen ingaan op beschouwingen
-over Bertha’s besluit.
-
-„Is het waar, wat ze straks gezegd heeft over de freule van
-Suylenburg?”
-
-„Dat ze in Amsterdam studeert? ja! maar ....”
-
-„En u hebt haar dien weg ingedreven?”
-
-„Nee, ik heb haar de richting van den weg alleen aangeduid, maar ze is
-hem zelf, uit vrijen wil, ingegaan.”
-
-„Ja, dat kennen we, die vrije wil! Denkt u dat ik niet weet, hoe u ’n
-massa jonge meisjes met stil geweld aan het werk hebt gezet om ze maar
-van ’t huwelijk af te hoûen? ’k Ben blij dat ik ’t u nu es zeggen kan.
-Ik vind het onverantwoordelijk!”
-
-„Ik zet ze aan ’t werk, omdat haar leven leeg is: vol van beuzelarij en
-leeg van geluk. En als ik ze daardoor kan redden van zoo’n huwelijk,
-waarbij de drijfveer van de bruid meer is verliefdheid op verandering,
-dan liefde tot haar man, wel des te beter! Maar ik wil ze volstrekt
-niet van het huwelijk zelf afhoûen. Als ze op haar pad iemand
-tegenkomen, dien ze liefhebben, dan gaan ze immers van zelf met hem
-mee! Daar hoeven we heusch geen theorieën over te verkondigen!”
-
-En Corona glimlachte.
-
-Moisette scheen niet te luisteren, opgewonden ging hij voort:
-
-„Maar het wordt tegenwoordig immers ’n rage, dat alle jonge meisjes het
-huis uit willen, om maar een of ander te beginnen, ook al zijn ze thuis
-nog zoo noodig! Het is misérable met die emancipatie.”
-
-„U vergist u,” zeide Corona koel. „Dat „thuis zoo heel noodig zijn”, is
-in de meeste gevallen maar ’n fictie, getuige het feit dat, zoodra er
-zich ’n huwelijk voordoet, al die bezwaren, die het meisje weerhielden
-om zich naar hartelust aan ’t een of ’t ander te wijden, dadelijk
-vervallen! Gewoonlijk beteekent het „thuis niet gemist kunnen worden”,
-het egoïste verlangen van de ouders om wat gezelligheid om zich heen te
-hoûen, of wat sleur, of wat angst dat de wereld het gek zal vinden, of
-er wat achter zal zoeken, als meisjes het huis uitgaan, die ’t niet
-bepaald voor het brood moeten doen.—Zeker, er zijn gevallen dat er
-heusch thuis groote plichten te vervullen zijn: bij ziekelijke ouders,
-of moederlooze broertjes en zusjes en zoo meer, maar gelooft u dan
-niet, dat, als ik zoo’n geval ontmoet, ik juist de eerste zal zijn,
-juist in naam van de emancipatie, die ernst en verantwoordelijksgevoel
-wil, om haar te wijzen op de taak, vlak in haar nabijheid, in plaats
-van op eene aan den blauwen horizont! Maar u begrijpt toch wel, dat
-elke vrouw, die toewijding in zich voelt, in zulke omstandigheden van
-zelf zal thuis blijven! En .... doet zij ’t niet, wel, dan is ’t
-eenvoudig dat zij nog niet rijp is voor dat zware liefdewerk! Laat haar
-dan maar gaan, waarheen haar heur lust trekt, om zich zelf te
-ontdekken; dat zal beter zijn èn voor haar eigen, èn voor haar
-huisgenooten, dan haar tegen wil en dank thuis te hoûen, zooals dat
-tegenwoordig nog dikwijls gebeurt! Want plichten, die alleen door vrije
-toewijding goed zijn te volbrengen, en alleen veredelen, als zij met
-bewuste zelfverloochening worden gedaan, zijn ’n vloek, en voor ’t
-karakter ’n groot gevaar, als zij in dwang worden volvoerd!”
-
-Zij zag hem aan, sprekend met groote kracht, om zijn aandacht te
-trekken, die ze zag dat afwezig was. Ze had zoo dikwijls over deze
-idées moeten strijd voeren! en zoo dikwijls meisjes zien ten onder
-gaan, voor wier jonge schouders de taak te zwaar was, of voor haar aard
-ongeschikt, en die door haar omgeving, zonder het minste
-gewetensbezwaar, kalm, alsof het van zelf sprak, werden opgeofferd.
-
-Maar Moisette dacht aan Hilda’s belofte om niet te trouwen en Corona’s
-woorden gingen over hem heen, zonder dat hij ze overwoog.
-
-„Nou goed, het kan ook wel zijn, dat, als ’t er op aan komt, de meeste
-meisjes thuis gemist kunnen worden, maar het beginsel van de
-emancipatie: dat de vrouw overal nuttig kan zijn, en niet geboren is
-uitsluitend voor ’t gezin, blijft afschuwelijk! Of kunt u ontkennen,
-dat men den laatsten tijd, juist onder de geëmancipeerde vrouwen
-zoovelen vindt, die niks van het huwelijk willen weten?”
-
-„Vindt u ’t niet heel natuurlijk, Dominee, dat, nu ’t meer algemeen
-bekend begint te worden, wat ’n schandelijk afhankelijke positie onze
-wetten aan de getrouwde vrouw toekennen, sommigen zich voornemen er
-zich nooit aan te onderwerpen? Zulke meisjes trouwen niet of worden
-vrije-liefdeapostels. Maar vergeet u ook vooral niet, dat er altijd
-mannen en vrouwen zijn geweest, die geen roeping voor het huwelijk
-voelden! De millioenen die elkaar in de Bouddhistische en Christelijke
-kloosters eeuwen lang hebben opgevolgd, kunnen het getuigen, waarom
-zouên er dus ook onder de „nieuwe vrouwen” niet enkelen zijn die, om de
-eene of andere reden niet verlangen ’n gezin te stichten.”
-
-„Maar de emancipatie zal het in de vrouw aanmoedigen, dat ze zich aan
-’t huwelijk onttrekt! Door de meisjes voor allerlei betrekkingen op te
-voeden, zal men ze leeren neerzien op het stille werk van de
-huismoeder.”
-
-„Juist het tegendeel!” riep Corona warm. „Als het meisje er voor
-opgevoed wordt om haar eigen brood te verdienen, zal ze het huwelijk
-niet meer beschouwen als ’n eenige uitkomst van onderhouden worden, en
-zullen dus de huwelijken uit zuiverder motieven gesloten, dit is,
-mooier worden! Het huwelijk zal dan beteekenen: een roeping, geen
-beroep meer, en dan pas zal de echtgenoote-moeder geëerd worden, zoo
-als het moet! Juist vroeger werd er op de getrouwde vrouw neer gezien!
-De Grieken dachten hun heiligste godinnen maagdelijk, de middeleeuwen
-voerden de aanbidding der moedermaagd tot het hoogste op, en noemden
-rein alleen de ongetrouwde vrouw! Natuurlijk, in ’n periode, toen het
-huwelijk zoo ontzettend laag stond, [18] moest wel het vrouwelijk
-ideaal zich in de jonkvrouw incarneeren! Maar ik zeg u, het zal de
-triomf der twintigste eeuw zijn, dat de vrouwmoeder, die zich in mooie,
-vrijwillige liefde gegeven heeft, ook rein en onbevlekt zal worden
-genoemd, en dan zullen onze hoogst staande meisjes alle dweepen met
-gewilde, onnatuurlijke eenzaamheid laten varen en blij-trotsch, wanneer
-het lot er haar toe roept, haar liefdestaak aanvaarden.”
-
-Moisette zag haar aan, een beetje bedremmeld om haar zoo eenvoudig
-zeggen van al deze dingen, die door de dames van zijn gemeente
-gewoonlijk onder geheimzinnig lachen en kleuren werden verstopt. Maar
-het gaf hem toch ook een gevoel van vertrouwen, en ineens barstte zijn
-geheim hem door de lippen.
-
-„En Hilda dan .... Waarom heeft zij dan die gelofte gedaan? Zonder die
-ellendige emancipatie zou ze nu rustig thuis zijn, vol verlangen en
-heimwee naar iets anders, en de man die haar liefhad zou dan veel meer
-kans hebben dan nu .... met al die studies en nieuwe belangen in h’r
-hoofd ....”
-
-Corona stond op, en boog zich over de tafel naar hem toe, haar groote
-grijze oogen klaar en strak als in de oogenblikken, dat ze haar
-patiënten suggereerde.
-
-„Het is niet waar, dat Hilda ’n gelofte heeft afgelegd; dat was maar ’n
-verzinsel van juffrouw Wendelings. Maar wees voorzichtig, Dominee! Dus
-u zoudt liever willen dat de freule van Suylenburg nu smachtend zat te
-hunkeren, om ’n makkelijke buit te zijn voor den eersten den besten,
-die haar van liefde kwam spreken? Juist zooals op ’n bal de
-muurbloempjes dadelijk dankbaar bereid zijn, och arme, voor ieder die
-zich voor een dans over haar ontfermt? Maar ik zal u vertellen wat zij
-mij gezegd heeft bij het afscheid nemen! „Cora,” zei ze, „er zijn nog
-velen, die gelooven dat de vrouw geen andere reden van bestaan heeft,
-dan voor het voordeel of het genot van den man. Deze ontkennen, dat ook
-wij ’n eigen leven hebben gekregen om het te gebruiken, hetzij in,
-hetzij buiten het huwelijk, zoo als wij dat, volgens ons eigen geweten
-en aanleg het beste vinden! Maar het is niet een van dezulken, dien ik
-mij tot levensgeleider zal kiezen! Eén is er, die zich nu verbeeldt mij
-lief te hebben, maar hij begeert mij alleen voor eigen genot! Hij zal
-razend zijn als ie hoort dat ik ga studeeren. Maar ik wil geen man, die
-’t hoog in mij zou achten, dat ik werkeloos voortsoezelde tot ’n
-huwelijk me kwam bevrijden! Ik wil er geen, die me zou wenschen te
-bezitten, niet door vrijwillige liefde, maar door de afmatting van ’n
-ouderwetsch meisjesbestaan!”
-
-Moisette zakte in zijn stoel, de handen voor het gezicht. Er was een
-waarheid in Hilda’s overgebrachte woorden die hem even verbijsterde.
-Hij worstelde om het neergeknakte zelfvertrouwen te herwinnen, maar er
-was plotseling over zijn bedoelingen, waarvan hij zich nooit goed
-rekenschap had gegeven, een licht opgegaan, dat hem deed duizelen.
-
-Dus ze had z’n liefde, die hij meende dat ze nooit begrepen had, wel
-degelijk geweten! Maar ze had zich van hem afgewend, omdat ze de
-drijfveeren van zijn strijd tegen de emancipatie onzuiver en onedel had
-gevonden!
-
-Hij stond op, en rakelde in de kachel, tot de kamer even met akelig
-krijschend ijzergeluid gevuld was. Zijn voorhoofd was klam van het
-angstzweet. Hij wilde het zelf nog niet bekennen, en toch drong hem
-reeds het stoer eerlijke in zijn karakter, om het te belijden, dat
-Hilda bij intuïtie juist had gezien.
-
-Onder al zijn theoretische bezwaren, was de hoofdfactor van zijn
-bestrijding altijd geweest een angst van egoïsme dat Hilda zou
-aangestoken worden en hem dan zou ontglippen. Om haar liefde te
-veroveren, had hij zich krachteloos gevoeld, hij wist niet waarom, maar
-hij voelde het altijd weer duidelijk als hij bij haar was, dat hij de
-tooverspreuk niet kende, die toegang zou geven tot haar ziel. Toen was
-hij gaan hopen, als bondgenooten, op verveling en onvoldaanheid, die
-hij wist dat zooveel meisjes tot capituleeren dwingen. Hij had berekend
-dat die periode zoowat zou intreden in dit tweede uitgaansjaar en dan
-zou hij komen en haar bemachtigen. Maar nooit waren deze berekeningen
-in haar grove naaktheid voor zijn geest getreden; in naïef zelfbedrog
-had hij ze omkleed met mooi klinkende argumenten van allerlei aard, en
-nu was ze heengegaan! Ze had klaarder in zijn ziel gezien dan hij zelf,
-en voor goed was ze nu van hem vervreemd!
-
-Corona stond op, iets mompelend dat ze wel es gauw terug zou keeren om
-de informaties over ’n arm gezin te halen, waarvoor ze eigenlijk
-gekomen was.
-
-Maar hij hoorde haar niet. Bij de deur stond ze nog even stil en zag om
-naar de ineengezakte gestalte voor het vuur.
-
-„Arme man! O! al dat lijden! ... lijden! ... Maar hier was ’t wel heel
-noodig dat hij, die het laatste jaar met ’n fanatisme, onverschillig
-voor zooveel ellende, elke verbetering in den toestand der vrouw had
-bestreden, het in tranen leerde begrijpen dat de tijd voorbij moet
-zijn, dat meisjes anders dan door eigen, vrijen liefdedrang tot een
-huwelijk komen.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Marguérite van Arkel en kleine Rosa van Soeterwolde, Frank’s
-dochtertje, zaten samen ijverig te werken. Sinds het kind gekomen was,
-dien zomer, had Marguérite haar intrek bij Corona genomen, om samen met
-haar de zorgen voor de kleine nieuweling te deelen, en het huisje was
-gebleken elastiek te zijn, het ging best zoo met haar drieën.
-
-„Tante Maggy, ik heb de postbode zien langs gaan, mag ik even gaan
-kijken?”
-
-„Zou je niet liever eerst je opstel afmaken?”
-
-„’t Is bijna af, en tante Cora heeft gezegd dat er vandaag weer ’n
-mailbrief kon zijn. Mag ik even gaan zien? Toe, ik heb zoo’n idee dat
-er iets van paatje is.”
-
-„Nou ga dan maar even.”
-
-Marguérite zag haar glimlachend na. Het was een mooi, elegant kind, met
-trotsche bewegingen. Alles in haar beloofde dat ze eenmaal de hoop van
-haar vader zou vervullen en een tooneelspeelster van groote gave zou
-worden.
-
-„Tante, twee brieven, twee brieven!” juichte het kind.
-
-Marguérite nam ze aan:
-
-„Twee uit Amerika, maar één maar van paatje. Hier, breng die maar boven
-op tante Corona’s kamer.”
-
-„En is die andere voor u?”
-
-„Ja, voor mij.”
-
-En toen het kind gegaan was, scheurde Marguérite den brief open,
-verwonderd over het onbekende handschrift. Het was van mevrouw
-Tachilde, zeide de onderteekening, de vriendin van Frank, de begaafde
-actrice, wier zeldzaam talent, met het zijne, de reputatie van hun
-klein Théâtre had gemaakt.
-
-„Ik ken u niet!” schreef zij, „maar Monsieur de Soeterwolde vertelde
-mij veel van u en uw vriendschap voor Corona, en daarom kom ik tot u
-heden, u smeekend om al uw invloed te gebruiken om haar te overtuigen,
-dat zij Frank niet langer mag laten vergaan van eenzaamheid! Het is
-prachtig van haar geweest dat zij jaren lang haar innigste verlangen
-heeft geofferd, om in de kracht van vlekkeloosheid het goede zaad te
-zaaien, en ik heb haar daarom zeer bewonderd en lief gehad. Maar zeg
-haar nu, dat alles grenzen heeft! Frank kan zijn hopelooze droefheid
-niet langer dragen. Wij vrouwen zijn zoo veel sterker in lijden, niet
-waar? Maar ik zie hem wegkwijnen van verlangen, van gemis aan vreugde
-en sympathie, die zijn kunstenaarsziel zoo noodig heeft. Er zijn weer
-hevige scènes geweest tusschen hem en zijn vrouw, zij maakt hem het
-leven ondragelijk, en toch blijft zij weigeren te deforceeren.
-Natuurlijk, de positie als echtgenoote van een beroemd kunstenaar is
-veel aangenamer dan die van gescheiden vrouw. Maar ik ben overtuigd dat
-zij hem ontrouw is, alleen heeft niemand haar nog ooit daarop kunnen
-betrappen.
-
-In New York, een drie weken geleden, heeft Frank een zware kou gevat,
-die hij uit mistroostigheid negligeert. Ik ben zeer bezorgd over hem!
-O! laat Corona hem tot zich roepen en hem het leven teruggeven met haar
-liefde! U moet niet gelooven dat ik over het algemeen apostelin ben van
-de theorie der vrije liefde, welke bij ons in Frankrijk, in de
-vooruitstrevende kringen zoo veel veld wint. Maar in dit geval, van
-Frank en Corona, zie ik maar éen weg! Laten zij hun liefde stellen
-boven al het andere! Het mag niet, dat een zoo kostbaar leven als dat
-van Frank te gronde gaat door wetten van menschen, die nog barbaarsch
-genoeg zijn om onverbreekbaar te verklaren den band tusschen twee, die
-elkaar niet liefhebben! O! laat Corona hem nu tot zich roepen! Zeg haar
-dat de tijd voorbij is, dat zij haar roeping van zieledoktores onder de
-vrouwen hooger mocht stellen dan haar liefde. Laat zij zich nu wijden
-aan Frank! Het is het eenige wat hem redden kan, en laat zij het gauw
-doen, opdat het niet te laat zij!
-
-Uwe Eloise Tachilde.”
-
-Marguérite stond voor het raam en herlas den brief. IJskoud kropen er
-rillinkjes langs haar rug en haar hart bonsde.
-
-„Altijd weer die zelfde strijd, die nu al jaren lang verzengend
-Corona’s leven folterde! Maar nu scheen de crisis gekomen.”
-
-Kleine Rosa was stil aan de tafel teruggekeerd, en knoeide aan haar
-opstel, maar de intelligente kinderoogjes gingen verlangend telkens
-naar Marguérite aan het raam. Eindelijk kon ze het niet meer uithouden:
-
-„Tante, van wie is die brief?”
-
-„Van mevrouw Tachilde.”
-
-„O ...? van mammy Eloise? kent u die dan!”
-
-Ze sprong op en vleide zich heimweeachtig tegen haar aan.
-
-„Toe, vertel es wat er in staat? Heeft ze geen groeten aan mij
-verzocht?”
-
-„Hieldt je zooveel van mevrouw Tachilde?”
-
-„O! ja, vóór ik u en tante Corona kende, hield ik natuurlijk het meest
-van haar en van paatje.”
-
-Marguérite bukte zich en kuste het kind zachtjes een paar maal op het
-voorhoofd. Het was een onbewuste beweging van teederheid, waar ze niet
-bij dacht, want in haar zorgenden angst om Corona was ze uitsluitend
-vervuld met de vraag hoe ze haar toch dien brief zou vertellen. Maar ze
-luisterde: de sleutel werd omgedraaid in het voordeurslot en lichte,
-vlugge stappen gingen de trap op. Het was Corona. Eerst ging ze naar
-haar slaapkamer om zich te verkleeden en te wasschen, uit voorzorg voor
-besmetting. En dan zou ze naar de studeerkamer gaan en den brief vinden
-van Frank! Wat zou daarin staan?
-
-„O! mijn God! Wat zal er nou gebeuren?”
-
-„Waarom zegt u dat, tante?” vleide kleine Rosa. „Toe, laat me dien
-brief even zien. Zegt ze er niks in van mij? En hoe gaat ’t met haar
-man? Daar hield ik ook zooveel van. Die kon zulke prachtige versjes.
-Toe tante ....”
-
-Maar Marguérite duwde haar ongeduldig weg. Ze had den telegraafbode de
-stoep zien opkomen, en de klank van de bel liet al haar zenuwen samen
-trekken.
-
-„Freule, een telegram voor u.”
-
-De oude Marijken kwam binnen, het kleine vuile potlood en het stukje
-papier, dat geteekend moest worden, voor zich uitgestrekt.
-
-„Toe tante, geef mij dien brief nou!” zeurde het kind.
-
-Maar Marguérite hoorde haar niet. Ze had haastig geteekend en het
-couvert gescheurd en de ontzettende tijding gelezen:
-
-„Frank zoo juist overleden. Verkoudheid vliegende tering geworden; in
-bloedspuwing gebleven. Prepareer Corona.
-
-Tachilde.”
-
-Een oogenblik stond Maggy roerloos, vernietigd door het machteloos
-gevoel, dat allen hebben gekend, die onafwijsbaar lijden zagen komen
-over hen, die zij liefhebben.
-
-Maar toen ineens kwam de reactie, een wild verlangen om zich over dit
-rampzalige op iemand te wreken, en met een schok van razernij draaide
-ze zich naar het venster, en nog eenmaal was daar weer de oude
-Marguérite vol hartstochtelijken opstand, de Marguérite van vroeger,
-vóór Corona haar geleerd had dat streng beheerschte verontwaardiging
-grooter kracht is dan woeste verbittering.
-
-Ze strekte de armen uit en schudde haar kleine kramptrekkend
-saamgeknepen vuisten tegen het Binnenhof, dat ze kon zien liggen, dwars
-over het Voorhout en den Vijver heen, onverschillig voornaam in den
-zonnig neveligen winterglans.
-
-„O! mijn God! mijn God! en daar praten ze jaren lang over allerlei
-nietigheden en voor deze groote zedelijke kwesties hebben ze geen
-tijd!”
-
-Wild en dreigend, met hoekige gebaren, die vreemd waren in deze vrouw,
-gewoonlijk vol rustige distinctie, stond ze een oogenblik, maar toen
-zag ze neer in twee groote kinderoogen, die haar aanstaarden, angstig
-verbaasd, en snikkend sloeg ze haar armen om kleine Rosa en trok haar
-op haar schoot, al haar heftigheid wegsmeltend in maar eéne impressie
-van naamlooze deernis.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Maar Corona zat stil voor haar bureau op dit moment, in zulk een
-duizeling van vreugde dat ze zich angstig voelde worden.
-
-De ziel kan zich wennen aan de houding van leed, en als een zieke, die
-na maanden lang liggen weer hersteld is, en weet dat hij loopen mag, en
-het kan, maar het nog niet durft, zoo is ook soms onze geest aarzelend
-om bij de eerste aanraking van geluk zich hoog op te richten, na lang
-te zijn neergebogen in smart.
-
-Zachtjes drupten de tranen op het papier, waarin Frank haar schreef de
-wonderspreuken van zijn liefde en zijn hoop. Ze probeerde ze goed te
-begrijpen, maar langzaam eerst drong de volheid van vreugde in haar
-bewustzijn door.
-
-De brief was drie dagen geschreven na dien van Madame Tachilde aan
-Marguérite, maar dezelfde mail had ze aangebracht. In die drie dagen
-was ontzettend veel gebeurd: de ontrouw van Frank’s vrouw, waarop ook
-Eloise in haar schrijven gezinspeeld had, en die zij al lang reeds had
-vermoed, was ineens helder aan het licht gekomen. De bewijzen en
-getuigen waren er, en Frank kon zich nu dus vrij maken.
-
-„O! Corona, mijn liefste, mijn bruid, mijn vrouwtje! Is het mogelijk,
-dat eindelijk, eindelijk het oogenblik gekomen is, waarop je in mijn
-leven de gezegende plaats zult innemen, die ik zoo lang voor je bestemd
-had! Een jubelende, alles overheerschende vreugde doortrilt me. Ik ben
-den laatsten tijd heel ziek geweest, en zelfs heb ik niet kunnen
-optreden, omdat mijn borst me te veel zeer deed. O! lieveling, wees
-niet boos op me! Misschien ben ik onvoorzichtig geweest, maar de
-hopeloosheid van onzen toestand maakte me onverschillig voor alles.
-Maar nu zal ik beter worden! Over eenige weken ben ik bij je! En ik
-weet zeker, dat, als ik je maar eens in mijn armen heb gehouden, als
-mijn bruidje, ik weer gezond zal zijn.
-
-O! is het niet als een droom? die plotselinge verlossing van den ouden
-verschrikkelijken band, en de zaligheid die ons nu wacht? Maar in de
-stille denkuren, liefste, is toch soms bij al de overstelping van mijn
-vreugde, groote opstand in me tegen de toestanden, waaronder we leven!
-O! als we zedelijke wetten hadden gehad, zou dit alles niet gebeurd
-zijn? Wij zouden lang gescheiden zijn geweest, deze vrouw en ik, en zij
-zou niet bij het vele kwaad, dat ze aan mij misdaan heeft, ook nog dit
-bedrog, deze valschheid hebben gevoegd! Maar toen zij mij het leven
-ondragelijk maakte, toen ze een gevaar was voor mijn kind, toen niets
-ons meer verbonden hield dan haar koppige wil, toen .... was voor de
-wet die gevloekte band heilig! Eerst moest er een scandaleus proces
-komen, en nu eerst, ten koste van de openbare schande van de vrouw, die
-haar het leven gaf, kan ik mijn kindje een ware moeder geven! Curieus
-die opvattingen! Om van te walgen! En dat men niet eeuwig herhale dat
-zulke wetten een bescherming zijn van huwelijkstrouw! Bij God, trouw
-die door een wet moet worden beschermd, is al gebroken! De zedeloosheid
-onzer groote steden bewijst trouwens genoeg wat die wetten vermogen om
-het huwelijk rein te houden! niets! niets! niets! Het onherroepelijk
-aan elkaar verbonden zijn, met geen andere hoop op verlossing dan een
-proces vol schande, o! ik heb het doorleefd Corona, voor den zwakken
-kan het niets brengen dan bedrog, nog dieperen val, en voor den sterken
-.... lijden!
-
-Maar wat spreek ik nog van lijden, mijn liefste! Alleen van geluk wil
-ik vervuld zijn! Het uur nadert waarop we trotsch onze liefde aan de
-wereld zullen bekennen, en voor goed samen zullen zijn, om te leven
-voor alles wat hoog en heerlijk is. O! mijn vrouwtje.................
-.........................”
-
-Corona kuste den brief, in een siddering van vreugde. Hoe was het
-mogelijk dat nu zoo ineens gekomen was, dat, wat jaren lang een
-onbereikbare zaligheid had geschenen! Ze stond op en liep even de kamer
-door.
-
-„Hoe mooi en goed was toch het leven soms!” Frank’s bitterheid over de
-wetten kon ze niet eens meer deelen in dit oogenblik. Niets was in haar
-dan vreugde. Toen wierp ze zich weer neer voor de schrijftafel, en
-schreef trillend van blijde opwinding:
-
-„O! Frank, mijn geliefde, ik wacht je. Kom toch! Ik zal met je gaan
-waarheen je wilt! Nu kan niets ons meer scheiden! Ik heb zoo
-onuitsprekelijk naar je verlangd. Nu begrijp ik pas hoeveel! O! kom! ik
-heb je zoo lief! Nu mag ik het je zeggen! En de weelde van het te mogen
-neerschrijven, overstelpt me!.....”
-
-Maar toen schrikte ze, en keek om. Ze had de deur geheimzinnig zachtjes
-hooren sluiten, en iemand kwam snel, met stille stappen naar haar toe.
-
-„O! Maggy, ben jij het, hoe heerlijk....”
-
-Maar ze zweeg. Marguérite stond voor haar, zoo doodelijk bleek, met
-groote angstige oogen in donkere kringen, zoo tragisch en
-onheilbrengend, dat ze haar sprakeloos aanstaarde.
-
-„Cora, mijn lieveling!”
-
-En ineens sloeg ze de armen om haar hals en barstte uit in heftig
-snikken. Ze had op de schrijftafel Frank’s brief zien liggen, en daar
-naast Corona’s woorden: „O! Frank, mijn geliefde, ik wacht je!” Dus
-het grootste leed moest juist komen in dit oogenblik van eerste
-vreugde!
-
-„O! Cora, mijn leven zou ik hebben gegeven om dit niet te laten zijn!
-O! mijn lieve, lieve, arme Corona!”
-
-Corona, met een driftige beweging, trachtte zich los te maken.
-
-„Wat is er toch. Maar zeg het dan toch, Maggy!”
-
-Maar Marguérite hield haar vast omsloten en schreide voort, zoo
-hartstochtelijk droevig, tot Corona in het smartelijk contact dezer
-omhelzing begon te voelen het ongeluk dat gekomen was.
-
-„Is het Frank?” zeide ze met bleeke, machtelooze lippen. En ze dacht
-aan de ziekte waarover hij geschreven had.
-
-Marguérite drukte zich nog vaster tegen haar aan.
-
-„O! lieveling!”
-
-„Is ie dood?”
-
-„O! lieveling, mijn lieveling!”
-
-„Is ie dood?” En met een stijve beweging van wanhoop rukte ze zich los.
-„Is ie dood?” Bijna dreigend herhaalde ze: „is ie dood?”
-
-Marguérite boog snikkend het hoofd.
-
-„Corona, lieveling, waar ga je heen? Mag ik bij je blijven?”
-
-Maar Corona had zich afgewend. Ze ging heen, gebroken, het hoofd slap
-voorover gebogen, de handen ineengeklemd in stuipachtig wringen. Ze
-ging haar slaapkamer binnen en sloot de deur, en Marguérite durfde haar
-niet volgen. De teerste vriendschap is machteloos, helaas, in de groote
-ure, waarin de drinkbeker tot op den bodem toe moet geledigd worden.
-
-Dien ganschen avond en den ganschen nacht bleef Corona alleen, en de
-deur gesloten, en wie zal het ooit beschrijven wat het arme
-menschenhart doorworstelt gedurende zulk een nachtwake.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-In de ijvervolle eentonigheid van hard werken, was voor Hilda de winter
-gauw omgegaan.
-
-Bijna elken Zondag was Maarten gekomen en had haar mooie boeken
-gebracht over kunst of godsdienst, of economie, of wijsbegeerte, of
-verzen, waar ze veel over spraken. Dit jaar was voor haar zoo mooi
-geweest, vol vredige schoonheid van zich voelen sterker worden en
-rijker aan weten en liefhebben en begrijpen der groote dingen.
-
-En nu was de vakantie gekomen, na het goedafgelegde staatsexamen. De
-volgende week zou ze naar Zwitserland gaan met Marguérite van Arkel, en
-Corona en de kleine Rosa, die zonder veel moeite voor goed door haar
-moeder aan dokter van Oven was afgestaan. En Maarten zou hen spoedig
-volgen! „O! het leven was goed voor haar!” dacht ze, en ze glimlachte.
-
-Toen zag ze om zich heen naar de bekende gezichten, die ze in zoo lang
-niet gezien had, niet meer sinds ze in September naar Amsterdam was
-gegaan.
-
-Daar waren ze allen weer; juist als verleden jaar: oom van Starren, die
-het Dagblad doorlas van a tot z, net als vroeger, en zijn thee dronk
-met een hinderlijk slurpen, dat de meisjes altijd zenuwachtig maakte;
-tante, koel, onberispelijk achter het theeblad; Eugénie, die sinds
-Maart uit Godesberg was teruggekeerd, zoo goed als hersteld, hadden de
-doktoren aarzelend gezegd, maar heel teer en prikkelbaar nog; Betty de
-Mureaux met haar bolbleek lachgezichtje ..... Alles, alles was hier
-onveranderd gebleven, alsof ze allen hadden geslapen dit jaar, alsof ze
-niet hadden meegeleefd in dezen tijd zoo vol raadsels en strijd op alle
-gebied, en vol hartstochten, aanloeiend van uit donkere verten. ’t Was
-net alsof deze allen rustig in een kinderkamer-atmosfeer hadden
-geleefd, waar pretjes en koekjes de hoogste emoties zijn. Er was iets
-slaperigs hier, in die elegante veranda, in den keurig opgeharkten
-tuin, zelfs in het mooie antieke zilver, waarin zich het fijne
-Japansche blauw weerspiegelde, en waar Hilda anders zoo graag naar
-keek, was iets vervelend zielloos vanavond. O! ze voelde het, na dit
-jaar van jong, krachtig leven, zou ze het hier nooit meer hebben kunnen
-uithouden.
-
-„Freule, daar is Miss Arlington, om u even te spreken.”
-
-Hilda sprong op en wierp haar handwerkje haastig neer. Tante van
-Starren vond niet dat het goed stond, als meisjes met leege handen aan
-de thee zaten. Jaar in jaar uit hadden ze daarom allen werkjes gemaakt,
-werkjes zonder nut en zonder kunst, die bijna niet vorderden en wier
-eenige reden van bestaan was, dat het onvrouwelijk stond om ze niet te
-maken.
-
-Hilda ging naar het salon, waar Maud Arlington op haar wachtte.
-
-„O! Maud hoe lief dat je bij me komt! Wist je dat ik hier was?”
-
-„Ik zag in de courant dat je gisteren door je examen bent gekomen, en
-toen dacht ik wel dat je hier zoudt zijn. Ik wou je even feliciteeren,
-lieve, en dan afscheid nemen ....”
-
-„Ga je terug naar Amerika? Toe, vertel me gauw, hoe staat het met de
-zaken?”
-
-„Goed, ik heb overwonnen!”
-
-Iets van triomf klonk in Maud’s diepe altstem, maar de zorgrimpels op
-haar voorhoofd stonden strak.
-
-„Vertel er me alles van, dear! Hebben ze het je nog erg lastig gemaakt,
-die heeren van den familieraad? Ze zijn schandelijk tegen je geweest,
-is het niet?”
-
-„O, ja! ze wilden eerst maar niet gelooven, dat de boel bij Frederik
-heusch op was! Bij zijn huwelijk met Gladys waren er zulke onzinnige
-rijkdomsprookjes verteld, dat noch Henk van Praege, noch iemand anders
-van den familieraad gelooven wou, dat het zoo ver al was gekomen. En
-als ik er dan op aandrong dat ze de zorg voor de kinderen aan mij
-zouden toevertrouwen, zochten ze er, ik weet niet wat, achter en
-weigerden grof. O! Hildy, ik heb hier geleerd, dit jaar, wat
-trotsverloochening en geduld is. Maar ik heb het uitgehoûen, omdat ik
-wist dat ik overwinnen moest. Zoolang ze dachten dat het schatrijke
-kinderen waren, over wier fortuin ze den baas konden spelen, hebben ze
-me bejegend alsof ik ’n landloopster was, die me wou indringen om
-andermans goed weg te halen. Ze vertrouwden me nou eenmaal niet, en ik
-was zoo totaal afhankelijk van hun beslissing. Het is tusschen ons een
-harde strijd geweest! Maar langzamerhand begonnen ze toch te begrijpen,
-dat dat fortuin, waar ze eerst zoo zeker van waren, dan toch voor den
-dag moest komen. Er waren geen boeken, bijna geen effecten, en het
-land, dat er geweest was, bleek verkocht of zwaar met hypotheek belast
-te zijn. Zij onderzochten, schreven en verbaasden zich, maar toen ze
-eindelijk begrepen dat de kinderen zoo goed als geruïneerd waren, gaven
-ze toe. De vrouw is niet waardig gekeurd om lid van een familieraad te
-zijn, [19] maar als de nood aan den man komt, is ze goed genoeg om te
-helpen! En goddank in dit geval, dat de schaapjes nu maar arm zijn,
-anders was ik machteloos geweest om iets voor ze te doen. Maar nou neem
-ik ze mee naar Amerika!”
-
-„En vindt Henk dat nou goed?”
-
-„Och ja, hij is nu dol blij, dat ie zoo van de kinderen afkomt. Voogd
-zijn over arme pupillen, is lastig! Maar de kleintjes zelf hebben veel
-geleden door deze geschiedenis, vooral Mary, op die akelige kostschool,
-waar ze haar heen hebben gestuurd. Ze ziet er fataal uit. Ik ben heel
-bezorgd; als het iets langer had geduurd, was het voor haar te laat
-geweest. Maar misschien dat de zeereis haar nog redt.”
-
-„En wanneer ga je?”
-
-„Morgen. Over Harwich naar Engeland en dan met de Cunard naar huis. O!
-het is heerlijk om ze mee naar m’n land te nemen!”
-
-Hilda sloeg haar beide armen om Maud’s hals en kuste haar. Ze wist hoe
-haar eenvoudig verhaal een tragedie van leed en worsteling beduidde,
-zooals er zoo vele in stilte worden afgespeeld.
-
-„Lieve, lieve Maud, hoe heerlijk dat je hebt volgehouên. Nou kun je er
-heelemaal voor zorgen en er ’n paar prachtexemplaren van Amerikaantjes
-van maken!”
-
-„Ja,” zeide Maud heel zacht, „ik zal probeeren er menschen van te
-maken, zooals Gladys ze gehoopt had, en ik ben blij, dat ik ze weg kan
-nemen hier, uit dit land, waar men altijd praat over „de vrouw in het
-gezin”, maar waar men haar in familiezaken totaal machteloos heeft
-gemaakt!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Hilda keerde in de veranda terug, een klein beetje aangedaan door het
-afscheid. Morgen zou ze nog even aan den trein komen om de kinderen te
-zien. Ze had Maud eigenlijk niet zooveel gekend, in dat eéne jaar dat
-zij in Holland was geweest, maar door haar vriendschap voor Gladys,
-hadden ze zich beiden sterk tot elkaar aangetrokken gevoeld.
-
-Hilda nam haar handwerkje weer op en deed een paar lustelooze steken,
-maar toen bemerkte ze ineens dat er iets gebeurd moest zijn in haar
-afwezigheid. Een soort verlegen zwijgen heerschte. Oom van Starren zat
-haar met ironische nieuwsgierigheid aan te kijken, maar verschool zich
-onmiddellijk achter de courant, toen zij opzag. Eugénie staarde strak
-melancholiek naar buiten, en haar tante kuchte en schoof zenuwachtig
-een open brief heen en weer, die juist moest gekomen zijn.
-
-„Hilda ....”
-
-„Tante?”
-
-„Wij hebben daar juist ’n tijding gekregen, die ons .... heel pijnlijk
-heeft aangedaan! Je weet dat je zonderlinge idees ons veel verdriet
-doen .... maar ik dacht .... enfin, ik dacht, dat we ons toch nooit
-over je zouden hoeven te schamen... En nou schrijft daar mevrouw van
-Amstelwede, dat ze ons waarschuwt, dat ze je heel dikwijls met heeren
-ziet wandelen, en dat ze je verleden zelfs met iemand in Laren is
-tegengekomen...”
-
-Hilda lachte. De gedachte aan die wandelingen met Maarten, vervulde
-haar op eens met een tinteling van vroolijkheid.
-
-„Heel lief van mevrouw, om zich zoo bezorgd te maken, maar haar
-„Heeren” in ’t meervoud is niet heelemaal juist, dat zou me „des guten
-zu viel” zijn.”
-
-„Dus je erkent, dat je wel es met ’n heer hebt gewandeld?”
-
-„O! ja, heel dikwijls.”
-
-„En met wie?”
-
-Hilda aarzelde, even overwegend, toen zeide ze eenvoudig:
-
-„Met Maarten van Hervoren, en als het u gerust kan stellen, wil ik u
-wel zeggen, dat ik in stilte met hem geëngageerd ben.”
-
-„En zeg je ons dat zoo maar?”
-
-„Nee, ik vertel het u heel in ’t geheim. Later zal hij u wel officieel
-m’n hand komen vragen, maar zoover zijn we nog lang niet. We zijn nou
-nog maar met ’t hart bezig, dat vinden we ’t interessantste op dit
-oogenblik, maar ik beloof u, dat we later keurig in de vormen met u
-over m’n hand zullen komen beraadslagen.”
-
-Zij lachte, en haar stralend geluk ontwapende mijnheer van Starren,
-ofschoon hij het ontzettend ongepast vond.
-
-„En mag ik ook weten wanneer de freule den tijd zal gekomen achten om
-er haar voogd officieel in te kennen?”
-
-„O! nog lang niet! We hebben het nou nog zoo druk. We moeten allebei
-nog zoo hard werken en we hebben alleen maar den Zondag om samen te
-zijn. U begrijpt, maar éen van de zeven dagen, dat is veel te weinig om
-er iets voor visites en presentaties af te nemen.”
-
-„Dus je bent van plan om je voorloopig zoo te blijven compromitteeren?”
-vroeg mevrouw van Starren vinnig.
-
-„Ik compromitteer me niet!” zeide Hilda trotsch. „Als de wereld het
-compromitteeren noemt, als een man en een vrouw samen wandelen, vóór
-dat er ’n receptie met veel bloemenmandjes is geweest, dan wordt het
-hoog tijd, dat ze die dingen anders leert inzien.”
-
-„Maar wanneer denk je het dan wel publiek te maken?”
-
-„Oom, over ’n jaar of drie, zoodra ’k m’n doctoraal heb gedaan. Dan
-komen we plechtig om uw zegen vragen, en vervullen alle formaliteiten,
-u zult es zien, onberispelijk, en dan schrijf ik m’n dissertatie en
-dan, onmiddellijk na m’n promotie, trouwen we. Hebben we ons program
-niet netjes klaar gemaakt?”
-
-Mijnheer van Starren lachte, niettegenstaande al zijn cynisch ongeloof
-in vrouwen, te overtuigd inwendig van Hilda’s kracht en ernst, om zich
-ongerust te maken, en het overmoedig geluk, dat in elk van haar woorden
-doorblonk, amuseerde hem.
-
-Maar voor mevrouw van Starren was dit gesprek een teleurstelling, die
-haar woedend maakte.
-
-„Dus je blijft tóch studeeren, niettegenstaande je nou geëngageerd
-bent? Ik had altijd gehoopt, dat, als je maar es ’n man hadt gevonden,
-je al die kunsten wel zoudt laten varen. En hoe vindt die mijnheer van
-Hervoren het? Zal hij de kindertjes wasschen terwijl jij pleidooien
-maakt?”
-
-Een donkere gloedgolf sloeg over Hilda’s gezichtje, bij de grof
-sarrende woorden, en haar oogen, rein en intelligent, heel groot van
-emotie zagen strak haar tante aan. Een moment dacht ze er aan haar te
-vragen, hoe dikwijls zij en haar vriendinnen wel haar kindertjes
-gewasschen hadden, al hadden ze ook geen pleidooien te maken gehad,
-maar ze wilde niet hatelijk zijn en antwoordde zacht, ofschoon heel uit
-de hoogte:
-
-„Maarten vindt het goed dat ik studeer; we denken in al die dingen
-hetzelfde, en als we later het geluk hebben kinderen te krijgen, zal ik
-mijn best doen, er een betere moeder voor te zijn dan veel van de
-dames, die zich nu voor die taak hebben voorbereid in de balzaal of op
-het tennisveld of met romannetjes en prulhandwerkjes en wat
-geliefhebber in kunst en filantropie. We zullen heel eenvoudig leven en
-ik zal m’n huishoûen practisch en heel nieuw inrichten, zoodat het ’n
-minimum tijd neemt, en dan zal ik arme vrouwen bij me ontvangen, die in
-moeielijkheden zijn en om raad komen vragen, in den tijd dat andere
-dames boodschapjes doen en visites maken, voilà tout. Maar zeker zal ik
-mijn studies niet opgeven, juist nu ik geëngageerd ben, want meer dan
-ooit heb ik nu recht van spreken, over alles wat de vrouw aangaat.”
-
-„Wat bedoel je?”
-
-Hilda glimlachte, plotseling opgewonden, en ze antwoordde in
-hartstochtelijk enthousiasme:
-
-„Wel, wie zal het vrouwenvraagstuk eerlijker, rechtvaardiger,
-onpartijdiger kunnen opvatten, dan de vrouw die gelukkig getrouwd is?
-Welke stem protesteerend tegen het onrecht, zal eerder tot de menigte
-doordringen, die van de eenzame, die bitter geleden heeft door
-onrechtvaardige wetten en zeden en zich uit in sombere aanklachten, of
-die, van de gelukkige vrouw, die ’t luid uitjuichen kan, dat zij het
-bij ondervinding weet, dat de man en de vrouw samen het leven kunnen
-doorgaan, naast elkaar, als twee vrije gelijken, zonder maritale macht,
-en vrouwen-onderdanigheid, en dat het zoo worden moet overal, overal!
-
-Zeker, de onderdrukten en mishandelden mogen klagen! Het is zelfs heel
-jammer, dat ze niet al veel eerder en veel luider geklaagd hebben, maar
-de wereld zal haar licht verdenken van eigen belang te zoeken of van
-persoonlijke grieven te willen wreken. Het is de vrouw van het
-gelukkige huwelijk, in wier hart geen druppel bitterheid is, en die het
-groote en goede van den man, in dengene die zij liefheeft, van nabij
-heeft leeren kennen, die zich nu met kracht mee in den strijd moet
-storten! Ze moet het welbehaaglijk egoïsme opgeven van: „Ik heb het
-goed, wat deert mij de rest?” en zich solidair voelen met elke vrouw
-die onrechtslijden wordt aangedaan. En ziet u, daarom juist moet ik nu
-ook blijven studeeren, omdat ik weet dat mijn huwelijk heel mooi zal
-zijn!”
-
-Ze had in een jong, blij geloof gesproken, maar toen zweeg ze ineens en
-liet zich mat in haar stoel achterover vallen: „Wat begrepen deze
-menschen van solidariteit?” Mijnheer en mevrouw en Betty zaten met
-onaangenaam kille glimlachjes voor zich uit te kijken, alleen Eugénie
-had tranen in de oogen, maar ze schaamde zich er voor en ging haastig
-naar de piano om met Betty een paar nieuwe liedjes van Massenet door te
-zingen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-Hilda stond midden in haar gezellige, met eikenhout gemeubelde
-studeerkamer en drukte hartelijk tot afscheid de hand van een armoedig
-bleek jong meisje.
-
-„Dank u wel, mevrouw, dank u!” snikte het schepseltje.
-
-Hilda klopte haar vriendelijk op den schouder, en toen ineens, na een
-kleine aarzeling, bukte ze zich en kuste haar op het voorhoofd.
-
-„Niemand weet er iets van, daar in huis, als alleen mevrouw, en die is
-zoo hartelijk en lief. Je zult zien, Joukje, dat je nou ’n heel goed
-gelukkig leven zult beginnen, als je maar erg je best doet.”
-
-„Dank u wel mevrouw!” herhaalde het meisje, en ze wilde nog iets
-zeggen, maar ze kon het blijkbaar niet vinden. Het gebruikelijke woord:
-„dat de Heer haar beloonen zou,” was haar op de lippen, maar ze durfde
-het niet meer uit te spreken, sinds Hilda haar er straks zoo streng op
-geantwoord had, dat een liefdedaad alleen eenige waarde heeft, als ze
-belangeloos wordt volbracht, en dat onbaatzuchtigheid geen belooning,
-zelfs geen hemelsche, vraagt!
-
-Heel goed had Joukje die redeneering niet begrepen, maar ze had wel
-gezien dat die toespeling op vergelding Hilda hinderde en verlegen
-bleef ze voor haar staan, tot ze ineens, zelf verrukt over den mooien
-gevonden zin, heftig uitstootte:
-
-„Ik zal u eeuwig dankbaar zijn!”
-
-Hilda knikte hartelijk:
-
-„Dag Joukje.”
-
-Toen liet ze haar uit en met langzame passen van nadenken keerde ze
-terug en liep de kamer een paar maal op en neer.
-
-Joukje was haar eerste client geweest, nu zoo wat anderhalf jaar
-geleden. In ontzettende schrik en schaamte had het meisje haar kindje
-bij de geboorte gedood, en Hilda was haar raadsvrouw en advocate
-geweest en had bijzonder veel belang in haar gesteld.
-
-Haar geschiedenis was zoo eenvoudig en treurig, zooals trouwens de
-meeste van die geschiedenissen. Heel jong was ze in Friesland aan een
-zuivelfabriek gekomen, en ze had er hard gewerkt, maar ook vroolijk,
-want ze was vlug en sterk. Maar toen was die wet aangenomen, die de
-vrouw in den arbeid heet te beschermen en haar verbiedt zondags te
-werken,—dat noemden de heeren beschermen!—Toen waren langzamerhand al
-de vrouwen in de fabriek afgeschaft; de zuivelbereiding eischt
-zondagswerk, als vrouwen die niet mochten verrichten, dan moest men wel
-mannen nemen! [20] Zij had haar ontslag gekregen met al de andere
-meisjes, en daar stonden zij in grooten nood; zij kenden niets dan dat
-ééne vak, en daar waren ze uit verdreven. De meesten zochten dienstjes,
-en ook Joukje was op een advertentie naar den Haag gekomen, maar
-mevrouw had haar boos dadelijk weggezonden. Ze kende niets en mevrouw
-had gesproken van bedriegen om je in een net gezin aan te bieden als je
-niets kent. O! er werd tegenwoordig zoo dikwijls schande geroepen over
-de dienstmeisjes, die zoo slecht voor haar werk zijn opgeleid. En
-terecht, maar waar moeten deze kinderen het ook leeren, als ze niet bij
-toeval een knappe moeder hebben of een lieve juffrouw in haar eerste
-dienstje ontmoeten! Wat doet de maatschappij voor de opvoeding van het
-volksmeisje? [21] En Joukje had geen moeder en vond geen lieve
-juffrouw.
-
-Toen was ze, na een paar angstige weken, juist toen ze het laatste
-kwartje uit haar beurs had zien verdwijnen, en niet wist waarheen, bij
-een gezin gekomen, waar de meid was weggeloopen. Het was een druk,
-slordig huishouden, met ziekelijke kinderen, een verbitterde vrouw, een
-man, die soms dronken thuis kwam en een volwassen zoon, uit een vorig
-huwelijk. Het was haar heldentijd geweest van inspanning en goeden wil.
-Ze was zoo bang om weer op straat te staan. Als je dat eens ondervonden
-hebt, ben je er bang voor, nietwaar? Maar toen was die voorzoon haar
-beginnen te vervolgen. Ze had het niet gewild, en toch was het
-eindelijk gebeurd. En hij beloofde haar ook zoo plechtig om te trouwen!
-Maar zoodra de gevolgen zichtbaar werden, was ze weggejaagd door de
-moeder, en hij had haar laten gaan. Natuurlijk, hij was volkomen in
-zijn recht: de wet, met touchante zorg voor den sterke, den man,
-beschermt hem tegen elken overlast, die hem zou kunnen worden aangedaan
-door de zwakke, de vrouw, die hij verstoot.
-
-Joukje was nu juist uit de gevangenis teruggekeerd, en Hilda had haar
-bij zich laten komen en had een goeden dienst voor haar gezocht.
-
-Peinzend liep de jonge vrouw haar kamer op en neer, het lange huiskleed
-van goudbruin laken golfde haar na in mooie plooien, bij elke beweging
-van haar sierlijk lichaam.
-
-Toen zette ze zich ineens in onstuimige haast voor haar bureau en las
-de laatste pagina’s over, van de brochure die zij bezig was te
-schrijven. Het was een soort vervolg op haar dissertatie, een heftig
-pleidooi voor de noodzakelijkheid van vrouwenvakvereenigingen.
-
-„Zeker, het is heerlijk”—had zij geschreven—„dat velen zich groote
-moeite hebben getroost om vakvereenigingen van arbeiders tot stand te
-brengen maar hoe weinig werd er in die richting, hier in ons land, nog
-voor de arbeidsters gedaan! O! als alle dames, die zich nu tot in het
-oneindige bezighouden met het geven van aalmoezen in alle vormen, op
-alle manieren, dat Danaïdenwerk: het inwerpen in een bodemloos vat,
-wilden nalaten, en haar denkkracht en tijd wilden gebruiken om zich
-zelve en de werksters van het nut, de noodzakelijkheid van vereenigen
-te overtuigen, hoeveel meer goed zouden zij voor de toekomst doen!
-
-Want sterke vakvereenigingen zullen op den duur er ontzaglijk veel toe
-kunnen bijdragen om den toestand der arbeidsters te verbeteren, vooral
-ook door een einde te maken aan die groote onbillijkheid, dat voor
-gelijken arbeid de vrouw veel minder loon ontvangt dan de man. Ach, dat
-mindere loon! Is dit niet juist eén van de kankerplekken in het
-arbeidersleven! Door het mindere loon toch, wordt de vrouw niet de
-kameraad, maar de onderkruipster van den man, niet een eerlijke
-mededingster, die op een gegeven oogenblik medestrijdster zijn zal,
-maar een gevreesde, gehate concurrente, die hij weren wil, waar hij
-kan. Lage vrouwenloonen verdrijven de mannen uit het werk, en drijven
-de vrouwen de fabrieken in: een volkomen ontredderde toestand. Men
-heeft het op sommige plaatsen reeds gezien, dat de mannen bij groote
-menigten werkeloos rondliepen, terwijl de vrouwen, op wier schouders
-toch al het zware huishoudjuk drukt, de kostwinsters werden, eenvoudig
-omdat de patroons de goedkoopste arbeidskrachten hadden gezocht! En ook
-is het lagere vrouwenloon immers de bestendiging van den rampzaligen
-waan, dat het mindere wel goed genoeg is voor de vrouw, dat zij met
-minder tevreden moet zijn, dat haar arbeid, al spant zij zich ook nog
-zoo in, toch altijd minder waarde bezit!
-
-En dat lagere loon, hoe dikwijls beteekent het niet hongerloon! En wat
-zijn de gevolgen van hongerloonen? De arbeidster wordt er door
-gedwongen, om na de werkuren bijverdiensten te zoeken, die haar
-gewoonlijk òf zedelijk te gronde richten, òf lichamelijk zoo uitputten,
-dat zij daardoor ongeschikt voor krachtigen arbeid op het werk komt. En
-daaruit ontstaat dan die droeve cirkelgang, waarin nu zoo menig arm
-vrouwenbestaan wordt rondgesleurd: eerst het lage loon, daardoor de
-nachtelijke bijverdienste die haar de dagtaak afgemat laat hervatten,
-door die afmatting slecht werk, wat den patroon aanleiding kan geven de
-loonen nog lager te stellen, en door het nog lagere loon, nog grooter
-nood om uitputtend nachtwerk te doen!
-
-O! gelijk loon voor mannen en voor vrouwen! Dat is het wat een redding
-zou zijn, en, in die kringen, waar de strijd om het bestaan het felste
-woedt, verbroedering zou geven tusschen mannelijke en vrouwelijke
-arbeiders, waar nu een vijandschap dreigt, die ten slotte verzwakkend
-op beiden moet werken.
-
-Krachtig bloeiende vakvereenigingen zullen veel kunnen doen voor dit
-alles en nog voor zoo veel meer! Zij zullen, door de macht van alles
-wat aaneengesloten is, ook tegen de onbillijkheid kunnen strijden der
-arbeidswet, die nu alleen de vrouw en het kind beschermt. Bescherming
-van den arbeid is zoo hoog noodig. De enquête van 1890 heeft het maar
-al te zeer bewezen! Maar niet voor de vrouw alleen! Zeker, het is heel
-erg als de vrouw, de moeder, wordt afgebeuld door te lang dagwerk in
-ongezonde lokalen, maar is het niet even erg als de man, uitgeput door
-overmoeienis naar de jeneverflesch grijpt en zijn gezin te gronde
-richt, of vroeg sterft of verstompt door overmatig lang werken! Wie uit
-menschelijke beginselen handelt, wenscht voor beide geslachten
-wettelijke bepaling van minimum loon en maximum arbeidsdag en strenge
-bescherming tegen uitbuiting, alleen op verschillende wijzen toegepast,
-naarmate van de verschillende bedrijven. [22] Want zoolang alleen de
-vrouw beschermd wordt, moet, wat tot haar heil bedoeld was, menigmaal
-haar den strijd om het bestaan nog verzwaren! Waar twee individuen zich
-op den arbeidsmarkt komen aanbieden, de een—de vrouw—aan vaste uren
-gebonden, de ander—de man—vrij om te werken, hoe en wanneer hij wil,
-zal maar al te dikwijls de laatste in de oogen van den patroon meer
-waarde hebben dan de eerste. Het moge reeds dikwijls absoluut met
-cijfers bewezen zijn, dat bij den korteren arbeidsdag evenveel en beter
-werk wordt geleverd, dit feit is lang nog niet genoeg doorgedrongen en
-dus zal meestal nog de beschermde achter staan bij den onbeschermden,
-waar de werkgever de vrije keuze heeft tusschen beiden.
-
-Maar de tijden zijn gekomen, dat dit alles veranderen moet! Ieder die
-het waarachtig goed met volksgezondheid meent, d.i. het welzijn van
-heel het land, zal ijveren voor krachtige gelijke bescherming, en
-gelijk loon voor arbeider en arbeidster beiden......................
-.........................”
-
-Hilda had het halfluid nagelezen, zich opwindend bij den klank harer
-eigen woorden. Hier en daar had ze iets onderstreept of een letter
-verduidelijkt, toen sloeg ze het cahier dicht met dat gevoel van
-beklemming, dat allen hebben gekend, die werkten voor anderen. O! het
-angstige gevoel van zoo klein en machteloos te staan tegenover de
-groote taak, van met alle inspanning en gloed zich te hebben gegeven,
-en waarschijnlijk nog zoo weinig te hebben bereikt!
-
-Maar ze stond op en met langzame, moede schreden ging ze de open deur
-in van de kamer daarnaast.
-
-Daar stond het wiegje van kleine Jeanne, haar kindje, en ineens met
-stillen jubel voelde ze zich omstraald door de vrede-atmosfeer van haar
-eigen mooi interieur.
-
-Zooals iemand, van buiten, uit het schreeuwend marktgewoel, waar
-dronken mannen vechten, en vrouwen glimlachen met geverfde wangen, waar
-kleine kinderen schreien en dieren worden mishandeld, binnen tredend,
-ineens, in een Gothische Cathedraal, zich in het zachte licht der
-hoogrijzende zuilengangen, plotseling gelukkig en beschermd voelt, zoo
-was het Hilda telkens hier, als ze inging in haar woonkamer. Maar
-vandaag trof het haar sterker nog dan anders; als licht viel het in
-haar ziel, alle moreele moeheid van haar wegnemend, haar vervullend met
-jonge verrukking.
-
-Ze zag om zich heen in de rustige kamer vol harmonische kleuren en
-gezelligheid, en lang bleef ze staan bij het wiegje, waar het kindje
-sliep. Wat was het mooi zoo, het onschuldkopje op het witte kussen. Wat
-was het wreed, afgrijselijk daarbuiten, wat was het zalig hier binnen!
-Als het kindje groot werd, zou het ook eens daarginds, in het bange
-gewoel staan! Een angstige gedachte voor een moeder! Maar welk een
-troost lag er dan in de overtuiging, dat zij met inspanning van alle
-krachten haar deel bijdroeg, om die arme wereld daarbuiten een beetje
-minder ellendig te maken! O! als alle moeders mee wilden helpen...! Hoe
-was het mogelijk dat er nog waren, die de toekomst van haar kinderen
-liefhadden, en toch blind en lam bleven tegenover het kwaad, dat te
-bestrijden valt in die maatschappij, die later het worstelstrijdperk
-voor haar lievelingen zijn zal!
-
-Als het dan niet uit rechtvaardigheid en barmhartigheid was, moesten de
-vrouwen tenminste uit moederliefde zich rekenschap geven van de
-strijdvragen harer eeuw, en ontfermend de handen uitsteken daarheen,
-waar lijden en zonde heerschten!
-
-Maar nu ging de deur open en Maarten kwam binnen. Met een klein geluid
-van vreugde zag ze op, en liep naar hem toe. Hij had zijn armen wijd
-uitgestrekt en sloeg ze vast om haar heen, toen ze zich tegen hem
-aannestelde.
-
-„Dag lieveling!”
-
-„Mijn klein vrouwtje!”
-
-Zwijgend, in een blij genieten van zich weer samen voelen, liepen ze de
-kamer door, dicht naast elkaar gaande en glimlachend stonden ze bij de
-wieg waar het kindje sliep.
-
-Het was vijf uur, het gezellige theeuurtje, dat Maarten van de fabriek
-thuis kwam en zij samen praatten. ’s Avonds hadden ze zoo dikwijls te
-werken, of er waren vergaderingen, of ze gingen wat mooie muziek
-hooren, of enkele uitverkoren vrienden kwamen hen bezoeken. Maar om
-vijf uur waren ze altijd samen alleen, en spraken. Het was hun
-vreugdeuurtje: zij vertelden elkaar van hun werken, ze dachten hardop
-over alles, en maakten plannen over de opvoeding van het kleine popje
-in de wieg, en zeiden elkaar hun emoties, en ondervindingen, en hun
-liefde.
-
-„Waar dacht je aan, toen ik binnen kwam? Je stond zoo diepzinnig te
-peinzen?”
-
-Maarten zeide het lachend en nam haar hand, die hem het kopje thee had
-gereikt, en kuste zachtjes, spelend elk der slanke vingertjes.
-
-„O! ik dacht aan allerlei, ik geloof aan allerlei tegelijk! Aan Joukje
-Helma, die nou uit de gevangenis terug is, en aan een rijk jong
-vrouwtje, dat vanmiddag om advies kwam vragen, ook alweer een van die
-schepseltjes, die zoo maar getrouwd zijn, en dan teleurgesteld willen
-scheiden, en aan Eugénie, die weer heelemaal in de war schijnt te zijn
-en aan Corry’s oudste jongetje, in Kreuznach, dat zoo klierachtig zijn
-moet, dat je eigenlijk niet hopen mag dat het leven blijft, en aan al
-die ouders, die je zoo om je heen ziet, die ’t al heel mooi vinden als
-ze hun jongens opvoeden om materieel flink in de wereld vooruit te
-komen, en de meisjes om in een of ander huwelijk geborgen te worden,
-zonder zelfs ’n vermoeden te hebben, wat het is om een kleine
-menschenziel te helpen groot en goed worden!”
-
-Zij zagen elkaar aan en glimlachten, den glimlach van hun eigen mooi
-geluk.
-
-Toen werd kleine Jeanne met grappige pruilgeluidjes wakker. Hilda zag
-op de klok: het was tijd om haar drinken te geven, en terwijl zij het
-kleed losmaakte om het zoete mysterie der moeder te vervullen, van het
-tot voedsel geworden bloed, zeide ze zachtjes voor zich heen:
-
-„Wat is het toch mooi, ons kindje! Kijk es wat schattig die dunne
-zijden vlokjes zich boven die miniatuur oortjes krullen! en daarboven
-die blauwe aartjes aan de slapen! Wat ’n grappig gulzig rose mondje! O!
-Maarten, het is geen wonder, dat vrouwen doodelijk zijn van zulke
-cherubijnenvormpjes, dat het zien van zooveel snoezige hulpeloosheid
-haar teeder ontroert! Maar waarom denken toch zoo weinig moeders aan
-het geheim van die kleine ziel die daar nog slaapt in zoo’n teer wit
-lichaampje! De meesten zijn wel dol op haar babies, vooral als ze nog
-zoo heel jong zijn, maar zoo weinigen hebben er nog eerbied voor! En
-toch is in elk kindje ’n geheimzinnige godsvlam, die aangebeden moest
-worden en ons, moeders, moest vervullen met het grootste ontzag.
-
-Wat zal zoo’n klein schepsel beteekenen voor haar omgeving en haar
-tijd? Groot zijn onder de menschen maar heel weinigen, maar ieder kan
-in eigen kleine ruimte een licht zijn, ieder, als het hooge in hem
-wakker is geworden, kan mee werken aan het eeuwige doel van volmaking,
-waaraan gearbeid hebben al de edelsten onder ons! Welk gedeelte van de
-reuzentaak zal deze kleine ziel te vervullen hebben? Groot of klein,
-wat komt het er op aan? Als ze het maar getrouw vervult. O! zie je,
-vanmorgen, heb ik tegen Corona gezegd, toen ze hier even was, die
-formule, waar Maggy je altijd zoo plagend mee vervolgde, is misschien
-wel deze: vrouwenemancipatie is het ontwaken der vrouw tot waarachtig
-geestelijk moederschap! Want alle groote moeders waren de
-geëmancipeerden van haar tijd!”
-
-„En vond ze die definitie goed?”
-
-„Nee, ze lachte, en zei dat het te subjectief was, want dat het toch
-maar een deel van het heel groote streven uitdrukte.”
-
-„Er is ook geen formule voor te vinden,” zeide Maarten, „omdat de
-emancipatie-gedachte te veel omvat, te veel overal ingrijpt, om in haar
-geheel in een paar woorden te worden omschreven. Maar toch heb ik er op
-m’n eigen houtje wél ’n formuletje voor gevonden.”
-
-„En die is?” vroeg zij gespannen.
-
-„Emancipatie, in de echte, mooie beteekenis, is een zegen, want zij
-heeft mijn Hilda gemaakt tot wat ze is.”
-
-Hilda lachte, zacht ontroerd door de warmte waarmee hij het gezegd had.
-
-Toen zaten zij stil naast elkaar, en in een half onbewuste beweging
-vouwden zich hare handen om het blanke lichaampje aan haar borst.
-
-En een groote verrukking kwam over haar. Een machtig gebed, zonder naam
-en zonder woorden, maar waarin haar sidderende ziel, vrij gemaakt van
-de klein menschelijke banden van willen begrijpen en vragen, zich hoog
-ophief in jubelende vreugde, vervulde plotseling heel haar wezen. Twee
-groote, heldere tranen stegen op in haar oogen, maar ze merkte het
-niet; er was maar één bewustzijn in haar: dat ze in dit extatisch
-geluksmoment van dankjuichend gebed haar kindje wilde wijden tot het
-hoogste, opdat ook dit eenmaal een tipje zou mogen dragen van de
-eeuwige Banier, die al de grootsten en edelsten onder ons hebben
-gevoerd, de Banier van hooge Gerechtigheid en Liefde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Michelet. La Sorcière.
-
-[2] Het gebod zegt: gij zult niet echtbreken, maar ik (Jezus Christus)
-zeg u: gij zult niet samen leven zonder liefde! Een huwelijk zonder
-liefde is verbroken op het oogenblik dat het wordt voltrokken, en
-trouwen zonder liefde is echtbreuk. Als gij mijn gebod aanneemt, hoe
-zoudt gij het ooit kunnen overtreden? Daar het u alleen datgene gebiedt
-te doen, waarnaar uw hart en uwe ziel verlangen. Maar wanneer gij
-trouwt zonder liefde, verbindt gij u tegen Gods gebod en wanneer gij
-dat huwelijk voltrekt zondigt gij tegen God.
-
-[3] Een menschenpaar dat zich vereenigt zonder eenige dwang, kan dit
-alleen uit reine liefde doen; en deze liefde, als er geen storingen
-ingrijpen, moet volgens de natuurwet, zonder ophouden voortduren, want
-zij is het wederzijdsch elkaar aanvullen, dat voor den man en de vrouw
-de bron is van volkomen bevrediging en in hare vruchtbaarheid en in de
-liefde aan de kinderen gewijd, vindt zij hare voortdurende beweging en
-vernieuwing.
-
-[4] Louis Frank. Catechismus der vrouw.
-
-[5] Die Waffen Nieder. Bertha von Suttner.
-
-[6] La Sorcière. Michelet.
-
-[7] Het is een geconstateerd feit dat dergelijke praktijken voorkomen
-bij vrouwen die bedelend met kinderen langs de straten gaan. Zie de
-Bode der Heldring-Gestichten.
-
-[8] Olive Schreiner: Dreams.
-
-[9] Arvède Barine. Portraits de femmes.
-
-[10] De beroemde Italiaansche beeldhouwer en goudsmid der 16e eeuw.
-
-[11] Het prachtige beeld dat in Florence in de Loggia dei Lanzi staat.
-
-[12] Mary zal een nieuwe vrouw worden.
-
-[13] Om maar enkelen te noemen, wordt hier herinnerd aan Mahaut,
-gravinne van Vlaanderen, die onder de regeering van Louis le hutin mede
-uitspraak deed in het proces tegen Robert d’Artois; Yves de Chartres
-zegt, in een van zijn brieven, dat hij pleiters naar de gravin van
-Champagne heeft gezonden; Paus Innocentius III verklaart dat in
-Frankrijk de vrouwelijke Suzereinen allen rechtspraak kunnen
-uitoefenen. (Laboulaye.)
-
-[14] De Abdisse van Fontevrault (1100) had de rechtspraak over de
-naburige vrouwen- en mannenkloosters. Zij was met de geestelijke,
-zoowel als met de wereldlijke macht bekleed, strafte of sprak vrij.
-(Chervin. Étude historique sur les professions accessibles aux
-femmes.—Leroux de Lincy. Femmes célèbres de l’ancienne France.)
-
-[15] Schopenhauer gaat zelfs zoo ver in zijn vrouwenhaat, dat hij het
-vrouwelijk schoon ontkent, dat toch, door alle eeuwen heen, de grootste
-kunstenaars heeft geïnspireerd. Zijn beschouwingen over de vrouw
-(Parerga und paralipomena) zijn met zulk een verbittering geschreven,
-dat hij zich ieder oogenblik tegenspreekt. Het is zeer curieus om na te
-gaan hoe zulk een fijn en diep denker, zoodra het de vrouw geldt,
-volkomen subjectief wordt en pagina’s vol zonderlinge stellingen
-neerschrijft, waarop nog zonderlinger conclusies volgen. Latere
-geslachten, wanneer zij deze bladzijden nog eens inkijken, zullen er
-veel om glimlachen.
-
-[16] De witte reiger, draagt zijn kostbare pluimveertjes alleen in den
-broedtijd. Het is haar bruilofstooi en moederkroon. Als nu de jongen
-zijn uitgebroed, zijn de anders zeer schuwe vogels gemakkelijk te
-bereiken, omdat zij, in hun wanhopend verlangen om de jongen te
-beschermen, het nest bij dreigend gevaar niet verlaten. Zij worden
-hierdoor een makkelijke prooi der jagers, die haar, na ze beroofd te
-hebben van den prachtigen hoofdtooi, stervend laten liggen, terwijl het
-broed omkomt van den honger.
-
-[17] Art. 401. B. W. De vader kan aan de langstlevende moeder een
-bijzonderen raadsman toevoegen, zonder wiens toestemming zij geene daad
-de voogdij betreffende zal kunnen verrichten enz.
-
-[18] Daar onder het feodale stelsel het landbezit, het leengoed, alles
-was, werden als ’t ware de huwelijken niet tusschen personen, maar
-tusschen landgoederen gesloten. Nooit is het misbruik van het z.g.
-huwelijk uit berekening grooter geweest dan toen. Henri Martin.
-Histoire de France.
-
-Abélard en Héloïse, de idéale geliefden der 12de eeuw, ofschoon gehuwd,
-loochenden hun echt, omdat zij daarin een vernedering zagen, een keten,
-die de vrije vlucht hunner ziel zou beletten. Lettres d’Héloïse.
-Legouvé. Histoire morale des Femmes.
-
-[19] Burgerlijk wetboek art. 388. 3de alinea. Die bloedverwanten of
-aangehuwden moeten zijn manspersonen, meerderjarig en binnen het
-koninkrijk woonachtig.
-
-[20] Deze wet werd gewijzigd bij de wet van 31 Dec. 1896 Staatsbl. no.
-259. (Zie verder koninklijk besluit van 27 Maart 1897.) Men zag de
-dwaling in en Zondagarbeid in het zuivelbedrijf is thans weer aan
-vrouwen toegestaan.
-
-[21] Dankbaar moeten wij hier even aanstippen, dat de huishoudscholen
-een zeer grooten stap in de goede richting hebben gedaan, maar wat zijn
-nog enkele huishoudscholen in verhouding tot de duizende meisjes, die
-geen voldoende opleiding kunnen ontvangen?
-
-[22] Alleen voor de vrouw, die moeder moet worden, is natuurlijk
-afzonderlijke bescherming noodig.
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HILDA VAN SUYLENBURG ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.