diff options
Diffstat (limited to 'old/65599-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/65599-0.txt | 23621 |
1 files changed, 0 insertions, 23621 deletions
diff --git a/old/65599-0.txt b/old/65599-0.txt deleted file mode 100644 index a683f84..0000000 --- a/old/65599-0.txt +++ /dev/null @@ -1,23621 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of De Scheepsjongens van Bontekoe, by Johan -Fabricius - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: De Scheepsjongens van Bontekoe - -Author: Johan Fabricius - -Release Date: June 12, 2021 [eBook #65599] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: The Online Distributed Proofreading Team at - https://www.pgdp.net. - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE SCHEEPSJONGENS VAN BONTEKOE *** - - - - - DE SCHEEPSJONGENS - VAN BONTEKOE - - - JOHAN FABRICIUS - TEEKENINGEN VAN DEN SCHRIJVER - - - H. P. LEOPOLD’S UITGEVERS MIJ. - ’S-GRAVENHAGE - MCMXXIV - - - - - - - - - Aan mijn vader - - - - - - - - -AAN DE HOLLANDSCHE JONGENS! - - -„In ’t Jaer ons Heeren 1618, den 28. December, ben ick, Willem -IJsbrantsz. Bontekoe van Hoorn, Tessel uytghevaren voor schipper, met -het schip ghenaemt: Nieu-Hoorn, ghemant met 206 eters, groot omtrent -550 lasten, met een Oosten-Wint.....” - -Zoo, m’n jongens, zet het „Journael” in van een der eerste, kranige -„Schippers naast God”, die met hun wakkere mannen ons gezag in Indië -vestigden. Elke kajuitsjongen uit de zeventiende eeuw had, als hij ook -maar een beetje lezen kon, het verhaal in zijn scheepskist liggen bij -z’n bijbeltje en zijn onderbroeken. En Potgieter dichtte op Bontekoe’s -reis een reeks „liedekes”. - -Bontekoe heeft geen zilvervloot veroverd en ook geen tocht naar Chatham -gemaakt. Hij volbracht zijn simpele opdracht (met een -notedop-zeekasteel de Kaap te omzeilen) in rustig vertrouwen op -God,—als alle schippers uit onze Gouden Eeuw, die op hun avontuurlijke -zwerftochten naar het onbekende land door oud en jong werden nageoogd -en benijd om de heldhaftige taak, die ze gingen vervullen. En Willem -IJsbrantsz. Bontekoe zou waarschijnlijk evenals zijn kameraden geheel -in de vergetelheid zijn geraakt, wanneer hij niet een reis had gemaakt -zóó vol tegenslagen, als de geschiedenis onzer zeevaarders er wellicht -geen andere telt. - -Maar hij was taai. Toen zijn schip op den Indischen Oceaan in brand -vloog, verliet hij het niet, voor hij ermee de lucht insprong. En in -een hulkje wist hij Batavia te bezeilen. - - - -Het leven van een Màn, jongens, gaat nooit zonder stormen voorbij. Hoe -verder het land, dat je bezeilen wilt, hoe moeilijker en gevaarlijker -de reis. Verlaat je schip niet, voor het onder je bezwijkt! Dan zal men -later zeggen: „Hij voer door vele stormen, maar zijn reis werd een reis -van Bontekoe!” - - - JOHAN FABRICIUS - - - - - - - - -INHOUD - - - Deel I Bladz. - - Zeewind 1 - Een Vechtpartij 5 - Schipper Bontekoe 16 - Moeder 21 - Het groote afscheid 26 - Padde doet zijn vriend uitgeleide 41 - Op zoek naar den bottelier 55 - Reisavonturen 65 - Oudejaarsavond 76 - Storm 91 - Padde leert buikspreken 100 - Padde ziet door een mistkijker 115 - Rolf 121 - Maneschijn 129 - Padde heeft beet 131 - Windstilte 138 - Albatrossen 145 - De gevreesde vijand 154 - Een nachtelijke roeitocht 163 - De horen des overvloeds 174 - Vreemde beesten 186 - Ruilhandel 200 - De Neus schiet een musket af 212 - Brand! 227 - In de booten 239 - Haaien 246 - Joppie III 251 - Sumatra 257 - De dessah in 267 - Verlaten 282 - - - Deel II Bladz. - - De Zwervers 295 - Padde’s broek 301 - Een nest met katten 311 - „Tabeh!” 318 - Padde is zoek 326 - Dolimah 331 - De strijd om het hol 342 - De regen 354 - Si-Kampret 364 - Saleiman en zijn fluit 372 - Harmen vindt een geitje 380 - Pa-Samirah, de doekoen 389 - De vlucht 401 - De bijawak 409 - Den dans ontsprongen 415 - Harmen en Padde op de vischvangst 420 - Dolimah’s heimwee 430 - Padde stuit op een menscheneter 434 - Boeng van Bapah-Loleh 443 - Joppie doet een ontdekking 454 - Harmen kaapt een zeiltje 461 - In volle zee 468 - Java.....! 477 - Het eerste weerzien 484 - Bij de Bruinvisch aan boord 493 - Af- en aanmonsteren 499 - Met Gerretje naar Loa Hok Sen 514 - De pasar malem 531 - De thuiskomst 547 - - - - - - - - -EERSTE DEEL - -ZEEWIND - - -„Satansche jongen, hou die bout vast!” - -„’k Hou ’m toch vast, baas?” - -„Noem je dat vasthouden? Jij zult nooit een goeie smid worden!” - -Peter Hajo zweeg even. „Wil ik ook niet”, pruttelde hij toen. - -„W-wat zeg je? Wil jij geen smid worden?!” - -„Nee, baas. ’k Wil naar zee.” - -Meester Wouter, de hoefsmid uit De IJzeren Man, liet den zwaren -voornamer, dien hij juist had opgeheven, van verbazing een seconde lang -in de lucht zweven. Toen dreunde een mokerslag; de vonken stoven -meester en knecht om het gelaat. „Gekkenpraat!” zei de hamer in ijzeren -taal. - -Peter Hajo keek zwijgend naar het roodgloeiende bout-einde. - -Hij verstond de taal van den voorhamer! Als hij in het halfdonker van -den wintermorgen de rossig-schemerende smederij binnenkwam, had hij -buiten al gehoord, hoe zijn baas gemutst was. - -„Zou je niet ereis trekken?” gromde meester Wouter. „Het vuur is zoowat -uit! Op die manier zou ik de hamer platslaan, en de bout zou rond -blijven!” - -„Hoe kan ik trekken, baas, als ik.....” - -„Ben jij ’n joffer, dat je die bout niet met één hand kunt vasthouden?” - -Peter Hajo was geen joffer. Hij klemde zijn rechtervuist om den bout, -trok met de linker den blaasbalg, liet het niet merken, dat de slagen -hem nu tot in de straffe spieren van zijn rug zeer deden. Een breede -lach verscheen op zijn met roet overdekten jongenskop, toen hij vroeg: -„En als ik m’n neus moet krabben, baas?” - -„Leg ’m maar op het aanbeeld, dan zal ik ’m met m’n hamer krabben! Wat -moet je op zee! Haringvisschen? Om te verdrinken, zooals je vader, of -door de Duinkerkers naar de galeien te worden gebracht?” - -„Ik wil met de walvischvaarders mee, baas. Maar.....” Peter Hajo slikte -wat weg. „Jongens van veertien willen ze niet hebben! Je moet zestien -wezen.—Visch jij maar stekelbaars, zeggen ze!” - -Baas Wouter meesmuilde. - -Maar zijn gelaat betrok, toen zijn booze vrouw de smidse binnenstoof en -snauwde: „Ben je doof? D’r is al driemaal volk geroepen in de winkel, -en m’n bieten staan aan te branden!” - -De hoefsmid uit De IJzeren Man keek verbluft naar de deur, die alweer -met een slag dichtgevallen was, zette toen grommend den voornamer neer. -Peter Hajo bleef alleen,—tuurde in de vlammen van den oven. - -„Kom maar eens terug, als je zestien bent.....”—Over twee jaar! Alsof -hij niet het werk van een zestienjarigen jongen zou kunnen doen! Hij -zètte het allen zestienjarigen jongens in Hoorn om dien bout vast te -houden zooals hij dat daareven had gedaan! Was er één bij, die hem -aandurfde? Had hij Peer den Vos geen pak slaag gegeven als hij in z’n -leven niet had gehad,—omdat hij (zonder het te vragen!) in de bijt was -gaan visschen, die Peter Hajo in het ijs had gekapt? Peer den Vos, die -wel een hoofd grooter was dan hij! - -’t Was een gemeene streek om hem als landkikker te laten rondspringen, -hem, die, toen hij nauwelijks loopen kon, de touwen, die de -binnenzeilende visschers zijn ouderen vrienden toewierpen, al met een -echten zeemansknoop om de meerpalen sloeg; hem, die zich op z’n vijfde -jaar stiekum in vaders botter had verscholen en mee ter haringvangst -was gegaan! - -Hoe snakte hij er naar op zee te zwalken zonder een streepje land -mijlen in den omtrek; hoe snakte hij er naar de wijde wereld te zien en -met echte zeebeenen terug te komen en op te snijden net als die -bruingebrande pikbroeken, die met Jan Pieterszoon Coen naar den Oost -waren getogen en nu de waarheid spraken of logen, juist als het hun -inviel, zonder dat een landrot zeggen kon: „Je zuigt uit je duim!”—De -Oost....! daar was voorloopig heelemáál geen kans op. Misschien later, -als hij eerst een paar reizen met een walvischvaarder had gemaakt; als -het vel van zijn handen was gesprongen door het zout; als de traanlucht -in z’n haar en in z’n kleeren hing,—misschien zouden ze hem dan willen -meenemen. Jandosie! Peter Hajo zag een beeld opdoemen van bergen, -fladderende papegaaien, dansende wilden, van apen, tijgers, -krokodillen..... - -Weg was het beeld. - -Daar stond Peter Hajo, leerling in de hoefsmederij De IJzeren Man. Daar -lag de bout, dien hij zoo meteen weer moest vasthouden; daar hing de -balg..... Twee jaren nog zou hij tusschen grauwe wanden en smerige -ruitjes den blaasbalg moeten trekken en bouten vasthouden. Twee jaren -zou hij, in plaats van den zeewind, die hem het bloed deed bonzen, -ijzerlucht en den stank van geschroeide paardehoeven moeten opsnuiven. -Peter Hajo, „wilde” Hajo: een meeuw in een kooi, een haai in een -boerensloot..... - -Stil! Wat hoorde hij daar? Buiten, op straat, kwam zingend een troepje -jongens voorbij. - - - „Hou zee! Hou zee! - De wind blaast van de ree! - De wind blaast in de rokken! - Wie wil er thuis nog hokken? - Hou zee! Hou zee!” - - -Peter Hajo wist, dat ze in de haven zouden gaan botkloppen. En hij? -Hij.....!! - - - -Toen meester Wouter eenige oogenblikken later de smederij weer -binnenkwam, zette hij groote oogen op. - -„Satansche jongen!” mompelde hij. Grimmig pakte hij den bout op; de -hamer viel met het geweld van een donderslag op het gloeiende ijzer. - -Peter Hajo was verdwenen. - - - - - - - - -EEN VECHTPARTIJ - - -Buiten heerschte December. - -Onze jeugdige held trok de muts over de ooren, stak zijn handen en -polsen in den zak, klemde de armen tegen het lijf en draafde zoo’n -beetje, om warm te worden. In de zeventiende eeuw was een winter nog -een winter! - -Spoedig had hij de zingende jongens in het oog. Daar had je „Lange -Leen”, die natuurlijk weer de leider van den troep zou zijn. Peter Hajo -zou hem, zoodra de gelegenheid zich voordeed, eens ongezouten -aframmelen, want Leen keek altijd zoo minachtend op je neer en zou zich -op den duur wat te veel gaan verbeelden. - -En dan was Padde er ook bij, die goeiige dikzak, die altijd met z’n -oogjes knipte en nu natuurlijk weer de netten en den emmer dragen -moest. - -Padde was Hajo’s schaduw; volgde hem bij al zijn schelmenstreken op den -voet. Hij was het, die Hajo’s heldendaden ruchtbaar maakte en hem -tegenover iedereen verdedigde, wanneer Hajo er zelf niet was om dat te -doen. Honderdmaal was het gebeurd, dat Padde, die niet zoo hard kon -loopen als de omstandigheden soms vereischten, in de vingers van een -nijdigen boer of nachtwacht was terechtgekomen en Hajo dan den -volgenden dag met bitter verwijt op zijn builen, schrammen en blauwe -plekken wees. - -Maar als Hajo weer appelen ging „rapen” in den tuin van het Sinte -Clarensklooster, was Padde bij hem en kroop hijgend en blazend over -muurtjes en heggen, tot groot ongenoegen van zijn moeder, die hem -daarna met haar groote, harde handen bont en blauw sloeg,—wanneer ze er -niet te moe voor was. Want Padde had zeven jongere broertjes en -zusjes..... - -„Hajo!” riep Padde verheugd, toen hij zijn held zag aankomen. „Ik -dacht, dat je in De IJzeren Man stond!” - -„’t Werd me er te warm!” zei Hajo. „En Wouter was zoo aan het hameren, -dat ik al maar door aan botkloppen moest denken. Waar gaan jullie het -doen?” - -„In de Karperkuil”, was het antwoord. - -„Zou je ’t niet liever eens in moeders waschtobbe probeeren? Weet je, -wáár bot zit? Tegen de Italiaansche Zeedijk aan!” - -„Juist!” bevestigde Padde. - -„Wel”, zei Lange Leen, „gaan jullie dan naar de Italiaansche Zeedijk. -Geef die bijl hier, Padde. Wij gaan naar de Karperkuil.” - -Peter Hajo bleef rustig. „Van wie is die emmer?” vroeg hij. - -„Van mij”, zei Padde. „En dit eene net is ook van mij.” - -„Top. Leg de rest neer. Een bijl hebben we niet noodig, want ik heb er -nog een bijt.” - -Padde ontdeed zich van twee netten, die hem nog over den schouder -hingen, en gaf den bijl aan Langen Leen. - -„Laat ze maar loopen, jongens!” zei deze. - -„Wedden, dat er in de heele Karperkuil geen onnoozel botje zwemt?” -vroeg Padde, terwijl hij met Hajo heenging. - -„Wacht even!” riepen toen Schouwen Doedes en nog een paar jongens. „Wij -gaan ook mee!” - -„Als je ’t maar laat”, dreigde Hajo. „Nou heb ik jullie niet meer -noodig.” - -Hajo en Padde liepen de Korenmarkt over en daarna de Veermanskade langs -met haar hooge pakhuizen en deftige patricierswoningen. Juist wilden ze -bij den Hoofdtoren rechts afslaan, den Italiaanschen Zeedijk op, toen -een Friesche tjalk de haven kwam binnenzeilen. Haastig snelden ze toe -om haar te helpen vastleggen. Het scheelde maar een haartje, of Padde -werd door het touw in het water getrokken, wat hij nog slechts kon -voorkomen door aan boord te springen, waar hij voor de voeten van een -gezelschap deftige heeren terechtkwam. Verlegen krabbelde hij overeind. - -De heeren lachten en begaven zich aan wal. Hajo groette hen vol ontzag. - -„Wie waren dat?” vroeg hij aan schipper Blok, den eigenaar van de -tjalk. - -„Wel”, zei Blok, „die met die baard, da’s schipper Bontekoe.” - -„Natuurlijk. Maar de anderen?” - -„Die bennen alle vijf van de Oost-Indische Compagnie. Die magere is uit -Enkhuizen, en die dikke met z’n wijde handschoenen komt uit Zeeland. Ik -heb ze met de Hoornsche Zon”, Blok wees op z’n tjalk, „naar Texel -motten brengen en weer halen ook. Daar leit de Nieuw-Hoorn, weet je?” - -„De Nieuw-Hoorn?” - -„De schuit van schipper Bontekoe, die naar Oostinje gaat. Je zou ’m es -moeten zien! Tweehonderd koppen aan boord!” - -Hajo keek peinzend de deftig gekleede heeren na, die juist een -oogenblik stilstonden voor Bontekoe’s woonhuis op de Veermanskade. -„Zeg, Blok”, vroeg hij, „wijs me nou eens, hoe groot de Nieuw-Hoorn -is.” - -Blok trok een ernstig gezicht, spoog zoo er eens voor zich heen en mat -met zijn oogen den grond af. „Zie je dat paaltje?” - -„Dat daar?” - -„Krek d’r naast. Zoo lang is-t-ie vast wel van ’t galjoen tot de -spiegel.” - -„En ligt-ie goed, Blok?” - -„Zoo vast as ’n kanonnier!” En de schipper ging met zijn beide zoons de -zeilen inrollen. - -Padde had er zwijgend bij staan luisteren, pakte nu zijn emmertje weer -op, en de beide jongens vervolgden hun weg. „Die sprong in de tjalk -viel niet mee!” verzekerde Padde. „’t Was wel drie el!” - -Maar Hajo gaf geen antwoord. - -Zoo kwamen de jongens op den Italiaanschen Zeedijk. Er lag een breede -strook ijs. - -Plotseling bleef Hajo stilstaan. Padde schoot gedachteloos nog een -eindje door. Toen hield hij stil en keek verbaasd om. De blik in Hajo’s -oogen duidde op onweer. - -„Kijk eens, Padde”, zei Hajo langzaam en wees voor zich uit. „Wat zie -je daar op het ijs?” - -„Hemeltje!” zei Padde, „daar is er een aan het botkloppen.” - -„Juist!” bevestigde Hajo. „Er is er een in mijn bijt aan het botkloppen. -Ken jij hem? Ik niet.” - -Padde begon opgewonden te blazen. „In onze bijt! Nee, wie het is, kan -ik niet zien. Ik zie niet zoo goed als jij.” En Padde’s oogengeknip -onderstreepte deze verklaring. - -„Kom mee”, beval Hajo. - -Padde stelde voor zichzelf vast, dat het weer een spannende middag kon -worden. - -Samen stevenden ze op den roekeloozen botklopper af. - -Het was een netgekleede jongen, die, een emmertje naast zich, energiek -met een bijl op het ijs klopte, ten einde de door de koude verdoofde -bot te wekken en naar de bijt te lokken, waarin het verraderlijke net -hing. De jongen was zoo in zijn werk verdiept, dat hij niet merkte wat -hem boven het hoofd hing. - -Padde kon zijn verontwaardiging niet langer verkroppen: toen ze den -dijk afgingen, rende hij op den ijverigen klopper toe. Maar vlak bij -hem gekomen, had hij het ongeluk uit te glijden; hij plofte achterover -op het ijs—dat weinig meegaf!—en richtte zich verbouwereerd overeind. - -De jongen keek op. Zijn ernstig gelaat nam een meewarige uitdrukking -aan. „Ja, het ijs is hier glad”, zei hij. - -„Wat doe jij hier!” voer Padde uit, terwijl hij weer op zijn korte -beentjes krabbelde. - -„Botkloppen”, antwoordde de jongen. „Heb je je bezeerd?” - -„Botkloppen?” schreeuwde Padde. „Ik zal je helpen!” - -De jongen keek Padde bevreemd aan. Toen zei hij: „Waar je nu staat is -het niet meer noodig! De bot zal daar al wel erg geschrokken zijn.” - -Padde hapte naar adem. Daar hij de rechte woorden niet vond om zijn -gemoed te luchten, trapte hij het emmertje om, dat bij den vreemden -knaap stond. De bot sprong overal op het ijs rond. - -Toen tintelde er iets in de oogen van den onbekenden jongen. Hij sprong -uit zijn knielende houding overeind met een snelheid, die door Padde -half met jaloezie, half met schrik werd waargenomen, stelde zich -vierkant voor zijn aanrander en zei kalm en vriendelijk: „Doe die bot -weer in de emmer alsjeblieft.” - -„Ik zal jou in de emmer doen en in de bijt gooien!” beloofde Padde. - -„Dat is goed”, antwoordde de jongen. „Maar zoek eerst de bot bij -mekaar. Een—twee.....” - -Toen kwam Hajo. „Halt! Laat m’n vrind met rust!” - -De jongen mat zijn nieuwen tegenstander van het hoofd tot de voeten, -iets wat Hajo nooit goed zetten kon, vooral niet, wanneer hij, die het -deed, er zoo keurig uitzag als deze onbekende jongen. - -„Goeie middag”, zei de vreemdeling vriendelijk. - -„Waar woon je?” klonk het grimmig uit Hajo’s mond. - -„Ik kom uit Alkmaar.” - -„Zoo, dus je wist niet, dat dit mijn bijt is.” - -„Jouw bijt??” vroeg de jongen. En onschuldig liet hij er op volgen: „En -als het ijs nou weer smelt...., blijft de bijt dan van jou?” - -Dat was te veel. „Kom mee naar de dijk”, zei Hajo kortaf. „Ik wil met -je vechten.” - -Padde glom van blijde verwachting. „Nou zul je eens wat beleven, -mannetje!” - -De jongen luisterde er niet naar. „Ik ga met je mee”, zei hij tot Hajo. -„Maar eerst moet die dikzak.....” En langzaam kwam hij op Padde af, die -druk met z’n oogjes knipte. „Een—twee —dr.....!” - -„Zoek ze maar even bij mekaar, Padde”, zei Hajo. - -Toen bukte Padde zich. „Ik doe het, omdat ik gauw wil zien hoe jij ’m -aframmelt, Hajo!” verklaarde hij. - -Peter Hajo en de nette, onbekende jongen begaven zich naar den dijk. En -twintig passen achter hen aan volgde hijgend en blazend Padde, met aan -een arm zijn eigen emmer en aan den anderen den emmer met bot. - -Zoo belandden ze op den verlaten dijk. Padde zette zijn leegen emmer -omgekeerd neer en ging zitten. - -„Begin maar”, zei Padde. - -De twee doodsvijanden hadden zich tegenover elkaar gesteld. Hajo’s -oogen fonkelden; zijn lenig lichaam kromde zich voor den sprong. De -ander wachtte rechtop, met de rust van een beer, den aanval af. - -„Pak hem, Hajo!” riep Padde. „Met één douw leg je ’m.” - -Maar Hajo had Padde’s raad niet afgewacht: was toegesprongen. - -De onbekende jongen bleek even stevig als kalm te zijn: hij ving Hajo -op, en deze had het alleen aan zijn weergalooze vlugheid te danken, dat -hij niet werd neergedrukt. - -Padde was van opwinding van zijn emmertje gesprongen. - -„Je wint het, Hajo! Hij is zoo stijf als een stokvisch!” - -Maar „wilde” Hajo, de schrik van het vredige plaatsje Hoorn, had zijn -man gevonden! Na een bangen, minutenlangen strijd stonden ze nog juist -zoo als ze waren begonnen. Dat wil zeggen: Hajo nu rood als een -gekookte kreeft, de onbekende jongen in het minst niet opgewonden. - -„Zoo schieten we niet op”, hijgde Hajo. „Laten we even rusten en dan -weer beginnen.” - -De ander liet onmiddellijk zijn armen zinken. En terwijl Hajo zich -amechtig op het emmertje zette, dat Padde hem eerbiedig afstond, liet -de vreemde jongen een onderzoekenden blik over zijn kleeren gaan, -klopte zich het zand van de broek. - -„Verduiveld jammer, dat je hem hebt losgelaten, Hajo”, meende Padde. -„Binnen twee tellen had-ie op z’n rug gelegen!” - -„Hou je gezicht!” gromde Hajo. - -De jongen uit Alkmaar keek welwillend naar zijn tegenstander. „Ben je -smid?” vroeg hij. - -Hajo veegde onwillekeurig met de mouw over zijn zwart gezicht. „Jij -bent zeker pennelikker, hè, dat je je zoo opdirkt.” - -„Ik ben scheepsjongen”, was het antwoord. - -Dat werkte. Hajo sprong overeind. „Scheepsjongen?!” - -„Is het zoo gek, als iemand scheepsjongen is?” vroeg de ander verbaasd. - -Hajo maakte een onwillige beweging. „Ik zou het niet willen wezen!” -schimpte hij, met iets weeks in zijn stem. - -„Waarom niet?” - -„Daarom niet!” - -„We hebben het hier best”, verklaarde Padde. „Hij wordt smid, en ik kom -bij m’n oom in de bierbrouwerij, dan weet je wat je hebt. Speel jij -maar voor aap op die smerige schuit van jou.” - -Hajo maakte zijn gezicht erg onverschillig. „Je bent zeker bij de -walvischvaart, hè?” - -„Nee”, was het antwoord. „Ik ga met de Nieuw-Hoorn naar Oostinje.” - -„Dacht ik niet, dat je zoo’n peperdief was?” riep Padde. - -„Hoe..... hoe oud ben je?” vroeg Hajo. - -„Ik ben veertien.” - -„Veertien?! Wie..... wie heeft je aangenomen?” - -„Schipper Bontekoe zelf.” - -„Zoo”, schimpte Hajo. „Dan is je vader zeker zelf naar de schipper -gegaan om voor zoontjelief een plaatsje te vragen?” - -De vreemde jongen keek even voor zich uit, den zeedijk af. „Ik heb mijn -vader nooit gekend”, zei hij toen. - -Hajo werd vuurrood, wilde zich zelf wel een klap om de ooren geven. - -De jongen uit Alkmaar keek Hajo onderzoekend aan. Toen merkte hij op: -„Jij zegt, dat je niet varen wilt. Maar je meent het niet.” - -„Welles”, gromde Hajo. - -„Maar waarom dan toch niet? Je ziet en hoort toch duizend dingen waar -je anders nooit achter zou komen! En moeten we ons daarginds door de -Spanjaarden en Portugeezen alles voor de neus laten wegkapen? Later -word ik reeder en bouw schepen voor de groote vaart; ik wil.....!” - -Hajo sprong met een ruk overeind. Het hoofd afgewend, sloeg hij, zonder -een woord te spreken, de richting van den Westerdijk in..... - -De toekomstige reeder keek hem stomverbaasd na. - -En Padde voer uit: „Hij heeft je toch gezegd, dat hij niet varen wil? -Wat doe jij er dan aan een stuk over door te wauwelen? Of denk je, dat -’t zoo lollig is die kletspraat aan te hooren, als je zelf in de -smederij moet staan?” Hij pakte zijn emmer op en zei dreigend: „Wee je -gebeente, als ik je wéér eens tegenkom!” En grommend en brommend -sukkelde Padde achter Hajo aan. - -De onbekende jongen keek het tweetal even na. Een glimlach speelde om -zijn lippen, toen hij zijn emmer beetpakte en den dijk opging, in de -richting van de Veermanskade..... - -Hajo en Padde liepen den Westerdijk af, de poort door, daarna weer -verder. Hajo voorop, Padde een halve schrede achter hem aan. - -Het was dien dag stil weer geweest, maar nu, tegen den avond stak de -wind op. - -In Hajo’s binnenste stormde het. Padde wilde olie op de golven doen en -begon te schelden op den onbekenden jongen. „Hij met z’n reederij! Met -die schepen bedoelt hij zeker klompen met een mast er in!” - -Hajo antwoordde niet. Zijn grijze oogen tuurden ver voor zich uit, de -zee over. Hij hoorde niet, wat Padde zei; hij zag de blanke, krijschend -opvliegende meeuwen en ook de grijze kraaien niet, die krassend -vluchtten op forschen wiekslag. - -Wat Hajo hoorde,—dat was de taal der zee! De zee sprak met Peter -Hajo....., de zee, die lokte en bedwelmde, de zee, die zijn ziel -verteren deed van onbevredigd verlangen. „Peter .....”, fluisterde de -zee hem in het oor, „Peter....., Peter....., kom, Peter....., kom dan -toch! Ik ben oneindig, Peter....., niemand kent me, Peter....., als je -wist, Peter, wat voor verre, vreemde landen....., als je het geheim van -den storm kende....., als je wist wat er schuilt in mijn peillooze -diepten.....! Peter.....! Peter.....?!” - -Padde hijgde en blies en begon langzamer te loopen. - -Hajo merkte het, keerde zwijgend om. Nu ging het tegen den wind in; -Hajo trok zich de muts van het hoofd, liet den zouten wind door zijn -blonde haren vliegen. - -Padde waagde een nieuwe poging. „Laat die vent maar naar zee gaan! Wij -hebben ’t hier best, hè, Hajo?” Maar toen hij geen antwoord kreeg, gaf -hij het op. - -Zoo kwamen de jongens bij het vallen der duisternis weer de poort -binnen. Hajo stevende in de richting van den Hoofdtoren. - -„Gaan we nog niet naar huis?” vroeg Padde. - -„Ga jij maar.” - -„Ik blijf bij je.” - -Bij den Hoofdtoren sloeg Hajo links om, de Veermanskade op, hield stil -voor het woonhuis van schipper Bontekoe, stapte de stoep op, liet den -zwaren klopper vallen. - -Sprakeloos bleef Padde staan. - - - -De dienstbode deed open, keek wantrouwend naar den wel onverwachten, -maar haar lang niet onbekenden gast. - -„Is de schipper thuis?” vroeg Hajo. „Ik wil hem spreken.” - -„Jij??” vroeg de dienstbode. - -Padde vond zijn spraak terug. „Laat hem binnen!” schreeuwde hij. „Als -je niet wil, dat ik morgen je emmers wéér omtrap!” - -„Stil, Padde!” zei Hajo. En tegen de dienstbode: „Zeg den schipper, dat -ik mee naar den Oost wil. Toe, alsjeblieft.....” - -De dienstbode bleek een week hart te hebben. Ze was zoojuist van plan -geweest de deur voor Hajo’s neus dicht te gooien, maar nu weifelde ze -een oogenblik. „Mee naar den Oost?? Jij mee naar den Oost??” - -Toen riep van boven uit het huis een jongensstem: „Laat hem binnen, -Aagje!” - -Hajo voer een rilling door het lichaam. Die stem..... was dat -niet.....?! - -Hij werd binnengelaten. Maar toen hij zijn klompen buiten had neergezet -en op zijn kousen op den dikken vloermat stond van het deftige portaal -met z’n koperen luchter, was het tot Hajo’s begrip doorgedrongen, dat -zijn laatste kans verkeken was. De jongen, met wien hij had gevochten, -woonde hier in huis! - - - -Ook Padde, daarbuiten, had de stem herkend. Hij schold en tierde, dat -het een aard had, en wachtte op het oogenblik, dat Hajo de deur zou -worden uitgegooid. Toen dat niet gebeurde, ging Padde verbaasd op de -stoep zitten en mijmerde wat voor zich heen. - -Het was stil op straat en volslagen donker geworden. Het licht van de -huizen aan de overzijde der kade spiegelde zich zacht glanzend in het -ijs; Padde kon aan den ganschen hemel geen enkel sterretje ontdekken. -In de verte jankte ergens een hond; een schaatser kwam, -kritsch-kratsch, de gracht af en..... Hé, was dat daarbinnen de stem -van schipper Bontekoe niet? - -Weg was de stem weer. „Arme Hajo”, dacht Padde. „Arme vriend Hajo!” -Maar die jongen uit Alkmaar kreeg van Padde op z’n ziel, papperlepap, -dat stond vast!—Wat woei hier een tocht! Weer huilde de hond, nu veel -dichterbij. Het lang aangehouden gejammer scheen eindeloos in den -stillen, donkeren winteravond. Padde huiverde. - -Hoe laat zou het eigenlijk al zijn? Hij kon op z’n vingers natellen, -dat hij laat genoeg zou thuiskomen om een pak slaag van zijn moeder op -te loopen. „Ik heb het verdiend”, bekende hij zichzelf met een zucht. -„Ze slaat hard, maar ze heeft groot gelijk, dat ze me slaat. Laten -andere jongens hun moeder ook met eten wachten? Zou Harmen Lijsjens het -doen? Of Thijs Veermanszoon, of Klaas van de Lage Dijk? Neen, nietwaar? -En Hein van het Hazenpad? Zou Hein van het Hazenpad ooit wel eens een -broek hebben gescheurd, behalve dan die keer, dat hij van Hajo een pak -rammel heeft gekregen? Ik durf wedden, dat zijn moeder niets dan -plezier van hem beleeft.—Zou ik naar huis gaan?” - -Padde richtte zich vastbesloten op. Maar mismoedig plofte hij weer -neer. „’t Gaat niet”, zuchtte hij. „Zie je, zoo ben ik nou. Ik kan zoo -moeilijk naar huis, als ik een vrind heb. Dat is bij vader net zoo, en -daarom loopt hij van de eene kroeg naar de andere, en moeder zal wel -denken: Padde? Padde gaat dezelfde kant op.” - -Een magere keeshond kwam de kade afdrentelen. Padde riep hem bij zich -en streelde hem den kop. „Ben jij die muzikant van daareven? Je hebt -heel mooi gezongen, hoor! Als ik wat voor je had, zou ik je ’t geven.” - -De hond likte zijn hand en besnuffelde zijn broekzak. - -„Drommels”, zeide Padde. „Dat is waar ook; jij hebt toch een echte -hondenneus, beestje!” En hij diepte uit zijn zak een stuk brood op. -„Kun je mooi zitten?” - -Zenuwachtig blaffend sprong het dier om Padde’s hooggeheven hand. - -„Luister dan tenminste even, Keesje! Kijk, voor dit stuk brood heeft -m’n moeder moeten werken, weet je? Dat kan jou niet schelen, hè? Jij -denkt: brood is brood en..... hap!—Laat me uitspreken, Keesje. Als ik -groot ben, zie je, als ik in de bierbrouwerij ben van m’n oom,—nog even -geduld!—dan wil ik—stil!—dan wil ik hard werken, om m’n moeder zooveel -brood te kunnen geven..... als ze maar hebben wil! Ziezoo, daar is je -brood!” En Padde zag toe hoe de keeshond het brood in een ommezien -verwerkte. „Je hebt het eten nog niet verleerd”, zei hij, „al lijkt het -me, dat je het niet vaak doet.” - -Padde richtte het hoofd op, toen hij in de richting van de herberg: De -Drij Coninghen het lallend gezang van een paar dronken mannen vernam. -Een traan welde in zijn oogen op. „Dag, Hajo”, zei hij zachtjens, „Dag, -beste vriend, Hajo!” En tegen den hond, die zich bibberend tegen zijn -dijen had gevleid: „Ik moet weg, Keesje. Vader komt thuis. Maar als hij -m’n moeder of m’n zusjes en broertjes wil slaan, krijgt hij met mij te -doen. Dat..... dat verzeker ik je.” - -Padde stond op, liet zich door den keeshond een pootje geven en spoedde -zich langs de donkere straten naar huis..... - - - - - - - - -SCHIPPER BONTEKOE - - -Van terugkeeren was geen sprake meer: Hajo zat in de val. De dienstbode -leidde hem door een breede, donkere gang in een deftige kamer. Daar -moest hij maar wachten. En Hajo wachtte in het zweet zijns aanschijns. -Hij keek vol ontzag naar de zware, gladgewreven eikenhouten meubelen; -naar het glimmend gepoetste koper bij de indrukwekkende schouw; naar de -in gouden lijsten gevatte teekeningen van schepen, waarbij er ook waren -als een visch in mootjes gesneden, zoodat je er binnen in kon kijken; -naar de zwaar fluweelen overgordijnen, en naar het fraaie tapijt dat -brandde onder zijn sokken. „Wat moet jij hier, indringer!” riep alles -hem toe. „Raak ons niet aan: je zou ons smerig maken. En wat ruik je -naar paardehoeven!” De groote spiegel aan den wand lispelde hem in het -oor: „Had jij je haren niet er eens kunnen kammen? Wat zie je er vies -en zwart uit!” - -Hajo begon zich met de mouw van zijn jas aan een reinigingsproef te -onderwerpen—zonder gunstigen uitslag. De mouw was ook zwart. - -Zou hij stilletjes wegloopen? De gang door en dan vlug de deur uit? -Maar hij verwierp het plan even snel als het was opgekomen: men zou -denken, dat hij iets had gestolen, en hem naloopen en roepen: „Houdt -den dief!” Het bloed steeg Hajo naar de wangen. - -Hajo zat in de val. Hopeloos. Zoometeen zou de schipper -binnenkomen—Hajo zag zijn statige figuur al!—en zeggen: „Jij, smerig -manneke, jij wou mij spreken?? Jij, kwajongen, wou den gezagvoerder van -de Nieuw-Hoorn spreken?! Pak je weg, galgebrok! Ik heb zoo juist het -een en ander over je gehoord! ’t Is fraai, hoor!” - -En wat zou hij moeten antwoorden? „Schipper, hij vischte in mijn bijt?” -De deur uit jagen liet hij zich niet! Hij zou op z’n dooie gemak de -gang doorloopen en buiten z’n klompen aantrekken of er niets was -gebeurd. - -Zou de schipper nog lang wegblijven? Hajo haalde diep adem. Hoe kwam -het, dat hij zoo benauwd was? Z’n heele lichaam kriebelde,—natuurlijk -omdat hij nog warm was van dat onzinnige sjouwen! Wat zou hij zeggen -als de schipper binnenkwam? „Goeien avond, schipper?” Zoo, zonder erg? -Hajo kromp even ineen, toen hij weer een blik in den spiegel wierp. ’t -Was erbarmelijk zooals hij er uitzag. Van den anderen kant scheen de -monsterachtig groote linnenkast voorover te willen vallen om hem te -verpletteren. - -Arme Peter Hajo! Hij had wel kunnen grienen. Hij en grienen! - -Toen naderde buiten in de gang een zware tred. De deur opende zich: -schipper Willem IJsbrantsz Bontekoe, gezagvoerder van den -Oostinje-vaarder Nieuw-Hoorn, kwam het vertrek binnen..... - -„Goeien avond, jongeman!” zei de schipper vriendelijk. „Ik hoor, dat je -me wat te vragen hebt?” - -Die vriendelijkheid was erger dan een pak slaag. Alles duizelde om -Peter Hajo. Wat was dat nu? De schipper zette hem niet de deur uit? -Stond hem zelfs welwillend te woord? Of school er een adder in het -gras? Onmogelijk! In de klare oogen van den zeeman vond hij niets, dat -op dubbelzinnigheid duidde. - -„Schipper”, stamelde hij, „schipper..... ik zou..... ik wil..... -ik.....” - -Een glimlach verscheen op het gebruinde gelaat van den grooten man. „Ik -had uit een verhaal van mijn neef opgemaakt, dat je vrij welbespraakt -was”, zei hij. - -Daar had je het! Dus toch! Hajo’s kin beefde. Maar hij zei geen woord. - -De schipper kreeg medelijden. „Wel”, zei hij, „dan zal ik het woord -maar doen. ’t Is goed. Je gaat mee.” - -„Mee.....?” stotterde Hajo, die het laatste stukje grond onder de -voeten verloor. - -„Mee naar den Oost”, zei de schipper. „Met de Nieuw-Hoorn.” - -Hajo begon te trillen als een riet. „Nieuw-Hoorn.....” stamelde hij. -„Oost.....?!” - -„Precies”, zei de schipper glimlachend. „Je schijnt me vlug van begrip. -En ik hoor van mijn neef, dat je een paar stevige knuisten hebt en je -de kaas niet van je brood laat eten. Dat zijn eigenschappen, die ik bij -m’n volk noodig heb.” - -„Schipper!!” En Hajo maakte een beweging om Bontekoe’s handen te -grijpen. - -Deze werd even verrast door zijn uitbarsting. „Wil je zóó graag mee?” - -Toen gebeurde iets wat Hajo in geen jaren overkomen was: Hajo griende. - -„Zoo-zoo”, zei schipper Bontekoe. „Je heet Hajo, hè?” - -„Jawel, schipper. Peter Hajo.” - -„Zoon van Harmen Hajo?” - -„Jawel, schipper. Maar vader is.....” - -„Ik weet het”, zei schipper Bontekoe. „Diezelfde nacht zijn er nog drie -andere botters vergaan.” Hij zweeg een oogenblik en zei toen langzaam, -zonder Hajo aan te zien: „Jouw vader, Peter Hajo, was een wakker man. -Ik verwacht van zijn zoon hetzelfde.” Toen vroeg hij plots: „Je moeder -vindt het toch wel goed, dat.....” - -„O, die vindt het best, schipper!” - -„Wat vindt die best? Dat je haar verlaat? Dat je weggaat?” - -„Ja zeker, schipper!” - -Bontekoe kon een glimlach niet onderdrukken. - -Maar zijn gelaat stond weer ernstig, toen hij vroeg: „Wat was je aan -den wal, Peter Hajo?” - -„Smidsknecht, schipper.” - -„Tevoren nog wel eens wat anders gedaan?” - -„Jawel, schipper. Drogistenjongen in De Gouden Gaper.” - -„Beviel je dat niet?” - -„Nee, schipper.” En Hajo kneep het er angstig uit: „’k Ben er -weggestuurd, schipper.....” - -„Zóó?? Hoe kwam dat zoo?” - -Hajo beet zich op de lippen. Hij kon den schipper toch niet zeggen, dat -hij zoethout had gesnoept en de kat van den ouden drogist pillen had -ingegeven om haar het muizenvangen te leeren? - -De schipper wilde hem helpen. „Ben je nog wel eens in een ander vak -geweest?” - -„Jawel, schipper!” zei Hajo, blij, dat hij uit den brand was. -„Loodgieter.” - -Bontekoe zette groote oogen op. „En..... eh..... dáárvoor?” - -„Metselaar, schipper.” - -„En tevoren??” - -Hajo moest even nadenken. „Ik geloof.....” - -„Breek je hoofd maar niet, Peter Hajo. Ik zie wel, dat je al heel wat -hebt meegemaakt. Overal weggestuurd?” - -Hajo knikte. Met oogen, waarin de angst te lezen stond, volgde hij den -schipper, die in gedachten verzonken het vertrek op en neer stapte. -„Schipper”, kreunde Hajo, „ik zal..... ik wil..... ik beloof.....” - -Met een ruk keerde Bontekoe zich om en keek Hajo recht in het gelaat. -Hajo voelde, dat die oogen dwars door z’n baadje heenzagen. En juist -daarom doorstond hij den blik. - -„Luister, Peter Hajo”, zei de schipper. „Als je moeder geen bezwaren -heeft, meld je dan morgen bij schipper Blok in de Jeroensteeg en zeg -hem, dat je overmorgen met de Hoornsche Zon meegaat naar Texel, waar de -Nieuw-Hoorn op goeden wind wacht.” - -„Jawel, schipper.....!!” Het klonk als een juichkreet. En met zijn -roetknuisten veegde Hajo zich haastig over het gelaat, dat straalde van -onmetelijk geluk..... en blonk van tranenvocht. - -„Doe dat niet”, raadde Bontekoe. „Je zult er heelemaal als een Moriaan -gaan uitzien.” - -Hajo trok snel, als op heeterdaad betrapt, de vuisten weg. „Schipper, -ik zal altijd.....” - -„Daar twijfel ik niet aan, Peter Hajo. Kwajongens zijn goed voor de -wal; op een Oostinjevaarder hebben we mannen noodig. Als je moeder geen -bezwaren maakt, sta je van morgen af op mijn scheepslijst. Denk er om, -dat van de bemanning van de Nieuw-Hoorn geen kwaad woord gezegd mag -kunnen worden, en dat in de groote mast een vlag wappert, die we -tegenover de heele wereld moeten hooghouden. Verstaan?” - -„Verstaan, schipper”... Verdikkoppe, dat kwam er kranig uit! - -En toen een groot oogenblik: schipper Bontekoe, gezagvoerder van de -Nieuw-Hoorn, stak den scheepsjongen Peter Hajo de hand toe. Hajo voelde -het door al zijn leden trillen. De hand van zijn schipper! - - - -Bij de voordeur, in de gang, wachtte hem de jongen, die vanmiddag in -zijn bijt had gevischt. „Ik heet Rolf”, zei deze. „We moeten maar goeie -vrinden worden, want aan boord is mijn oom niet mijn oom, maar de -schipper, en ik scheepsjongen; dat snap je!” - -„Ben je dan niet nijdig op me?” stamelde Hajo. - -„Nijdig??” vroeg Rolf. En zijn gelaat stond ernstig als altijd, toen -hij er op liet volgen: „Dacht je dan, dat ik er jou in had laten -visschen, als ’t mijn bijt was geweest?” - - - - - - - - -MOEDER - - -In het kleine, armoedige huisje in de Bagijnesteeg wachtte Peter’s -moeder. - -Drie jaar geleden, in de nog in aller geheugen levende najaarsstormen -van het jaar 1615, was de botter van haar man vergaan, en Peter’s vader -en oom waren verdronken. Vrouw Hajo bleef met vier kinderen achter: -Peter, twee meisjes, Antje en Maartje, nu twaalf en tien jaar oud, en -Doris, die destijds nauwlijks loopen kon. Het was voor de -zwaargetroffen weduwe een heele taak om, naast haar dagelijksch werk in -huis, met naaien genoeg te verdienen om zich en haar kinderen te kunnen -voeden en kleeden. Maar ze sloeg er zich door. - -Een groote zorg was het voor haar daarenboven, dat haar oudste jongen -voor galg en rad dreigde op te groeien. Peter haalde van den vroegen -morgen tot den laten avond kattekwaad uit; dagelijks kwamen klachten -binnen, dat hij de heele buurt onveilig maakte. Haar man was de -goedheid zelf geweest en kwam er niet gauw toe zijn kinderen te slaan, -maar Peter had er hem verscheidene malen toe gebracht. - -Op zijn twaalfde jaar had Peter den wensch te kennen gegeven om te gaan -varen. Van dien dag af had zijn moeder in ’t geheel geen rustig -oogenblik meer. Ze trachtte op alle manieren hem in iets anders plezier -te doen krijgen. Hij kwam eerst bij een schoenmaker in de leer, waar -hij het drie volle weken uithield. Toen werd hij weggestuurd. Een -leerlooier ontfermde zich over hem, maar werd er slecht voor beloond: -den tweeden dag poetste Peter de plaat, omdat hij den stank van de -looierij niet prettig vond. De leerlooier wilde evenmin Peter terugzien -als Peter den leerlooier, en onze vriend belandde bij een slager. De -eerste dagen, toen hij alleen maar vleesch behoefde rond te brengen, -was alles botertje tot den boom: Peter zwierf met zijn vleeschmand aan -den arm urenlang de haven rond. Toen kwam de dag, dat hij voor de -eerste maal zou helpen bij het slachten van een koe. Onze Peter hield -zich goed, maar toen het bloedige werk was afgeloopen, sloop hij met -een kwaad geweten door sloppen en stegen naar huis. ’s Nachts deed hij -geen oog dicht en den volgenden morgen weigerde hij kort en goed, weer -naar de slagerij te gaan. - -De bokkingrookerij volgde. Peter verklaarde, als hij daar bleef, zelf -tot een bokking te zullen worden gerookt en liep weg. - -Ook voor timmerman bleek hij niet in de wieg te zijn gelegd, evenmin -voor metselaar, loodgieter of drogist. Eindelijk kwam hij in de -smederij van meester Wouter. Daar was hij nu al een half jaar! - -Zijn moeder, die zich al met de gedachte verzoend had, dat haar Peter -naar zee zou gaan—op het land wilde hij immers niet deugen?—voelde haar -hoop weer opleven. Zou het nu eindelijk goed gaan? Haar zorgen bleven -talrijk genoeg: Peter scheurde op onverklaarbare wijze zijn kleeren tot -zelfs zijn muts toe, brak elk oogenblik wat en bezorgde haar -doorloopend onrust, maar dat alles vergaf ze hem graag, wanneer hij nu -maar eindelijk eenig blijk gaf, een bruikbaar mensch te willen worden. - -Was Peter Hajo ineens veranderd? Allerminst. De zaak lag eenvoudig zoo, -dat de smederij hem van alle bedrijven op het land het minst afstootte -en hij besloten had het zoo lang te harden, tot zich een gelegenheid -zou voordoen het ruime sop te kiezen. - -Nu en dan had Peter Hajo zelfs wel schik aan het smidsbedrijf! Hij kon -bij het balgtrekken de heele wereld vergeten, wanneer hij in de -rossig-blauwe, onrustig lekkende vlammen tuurde, die tegen de piepende, -krakende, knetterend barstende houtblokken een grimmigen veldtocht -voerden. Steeds sneller trok Hajo den balg aan; steeds wilder dansten -de lange vuurduivels. Ze grepen het weerlooze hout van alle kanten aan, -omslopen het, wrongen zich listig met hun lenige lichamen tusschen de -spleten door en staken honend de tongen uit, wanneer hun list gelukt -was. Bezijden het tochtgat, waarboven de groote helroode vlammen -oplaaiden, speelden kleine, blauwe duiveltjes krijgertje op zwarte, -verkoolde lijken. Hajo was als in boeien geslagen. Dat leger roodrokken -behoorde hem toe; hij kon ze tot dolle driestheid aanvuren; op zijn -bevel bestegen ze hun rossen en vielen loeiend aan, klauterden over de -muren van hout en grepen den ijzeren bout bij de keel, die star, -onwrikbaar hun dollen aanval wachtte. Maar zie, daar begon de bout al -te gloeien, meester Wouter legde hem op het aanbeeld, hief den hamer -op; met een donderslag kwam het stalen blok neer; de vonken spatten uit -den bout. Sa! Hou vast! Boem! Hoor het dreunen! Zoo werd de bout -overwonnen. - -En dan van den zomer! Toen de boeren met hun jonge paarden waren -gekomen, die voor het eerst beslagen zouden worden! Sapperloot, daar -moesten de beestjes niets van hebben. En wat een wonder! Peter Hajo zou -zich ook niet laten welgevallen, dat men hem van die gloeiende ijzers -aanspijkerde. Ze beten en sloegen—je moest op je tellen passen! - -Als de boer, wien het paard behoorde, naar de markt was en baas Wouter -even den rug had gekeerd, maakte Hajo van de gelegenheid gebruik om, -floep! met een fikschen sprong op den paardenrug te wippen. Dan kwam -het op vasthouden aan! Hajo greep met z’n vuisten in de manen, trok de -beenen naar achter om niet gebeten te worden, en dan .. dan schaterde -hij het uit. „Zie, dat je me er afkrijgt!” Ha-ha-ha! Hij lag maar zóó -niet op den grond! Sapperdekriek: als hij zat, zat hij ook! - - - -Maar Peter Hajo’s moeder lachte niet dien avond, dat ze op haar oudsten -zoon wachtte. Een uur geleden was de hoefsmidsvrouw uit De IJzeren Man -bij haar geweest en had met haar schelle stem gezegd: „Al is m’n man -dan een sul, ik ben het niet! Ik zal er voor zorgen, dat die strop van -een jongen niet weer over m’n drempel komt! Nu is het met m’n goedheid -afgeloopen!” - -Peter’s moeder had niets geantwoord..... - -Zwijgend was er gegeten; moeders gedruktheid werkte terug op de -kinderen. - -Toen Antje, Maartje en Doris naar bed waren, was moeder met haar -naaiwerk bij den haard gaan zitten. Ze zei tegen zichzelf, dat ze heel -boos was op haar Peter, omdat hij van zijn werk was weggeloopen en zich -zoo weinig aan zijn moeder stoorde, dat hij met eten niet thuis kwam en -haar liet wachten, avond aan avond, terwijl hij kattekwaad uithaalde. -Ze zou hem vragen, of zij het aan hem verdiend had, dat hij haar leven -zoo vergalde, en of hij ook wist hoe vader op dit oogenblik wel over -hem zou denken. - -Zou het wat helpen? Peter was licht ontroerd; ze wist, dat hij ondanks -alles zielsveel van zijn moeder hield en geheel te goeder trouw -beterschap zou beloven. Maar zou hij zijn belofte kunnen houden? Zou -hij—aangenomen, dat baas Wouter hem toch nog weer bij zich nam—over een -week niet opnieuw wegloopen? - -„De zee zit hem in het hoofd”, zuchtte ze. De zee—dat zou tenslotte -toch nog het eenige zijn. Daar kon hij niet wegloopen als het hem in -den zin kwam; daar heerschte onverbiddelijk strenge tucht; daar zou -zijn teugellooze zin tot avonturen bevrediging vinden. Maar dat had nog -den tijd. Welke schipper zou een veertienjarigen jongen aannemen? - -En dan.....! Peter’s moeder beet zich op de lippen, naaide met bevende -handen verder. - -Buiten sloeg de torenklok. Zeven uur al! Waar zou hij toch zoo lang -blijven? Haar „boosheid” maakte plaats voor onrust. Groote God, hij zou -toch niet onder het ijs liggen?!—Dwaasheid! Was het niet honderdmaal -gebeurd, dat hij haar had laten wachten?—Maar de gedachte liet haar -niet los en folterde haar. Tenslotte werd ze zoo onrustig en -opgewonden, dat ze haar werk terzijde moest leggen. - -Ze wachtte en wachtte..... - -Zou ze eens in de steeg gaan zien of hij er aankwam? Ze stond op. Wel, -als ze nu toch ging kijken, kon ze meteen wel even een doek omslaan en -naar de haven doorloopen. Haar besluit was genomen. Maar toen ze -opstond, meende ze ineens..... Snel keerde ze op haar schreden terug, -ging weer zitten, nam haar naaiwerk op en deed alsof ze heelemaal niet -had willen uitkijken. Ziezoo, nu zou ze nog ééns probeeren..... Met -kloppend hart zat ze in haar stoel, gebogen over haar werk. - -Toen werd de deur opengerukt; haar jongen stortte naar binnen, wierp -zich in haar armen en snikte: „Moeder! Moeder! Ik ga naar zee!!” - -Dat werkte! Peters moeder werd er heelemaal bleek van. Ze klemde haar -armen om zijn hoofd en overdekte het met kussen. „M’n jongen! Mijn -jongen! Hoe is..... is dat zoo op eens.....” - -„Schipper Bontekoe..... Nieuw-Hoorn..... Texel..... Oostinje.....” -bracht Peter er uit. „Ik zal alles vertellen!” - -„Goed, m’n jongen”, zei moeder. En terwijl ze met groote oogen staarde -naar de buitendeur, die nog wijd openstond, herhaalde ze toonloos: „Dat -is goed.....—Doe nu de deur dicht, Peter.” - -En ze liet Peter’s hoofd los en wankelde naar de kast, waar zijn koud -geworden eten te wachten stond. - - - - - - - - -HET GROOTE AFSCHEID - - -Reeds vroeg in den volgenden morgen klopte Padde tegen de ruitjes van -het kleine huisje in de Bagijnesteeg. Hajo deed hem open en bazuinde -zijn vriend het groote nieuws tegemoet. - -Padde sloeg er haast van achterover. „Heere m’n tijd, hoe moet het nou -met mij?” - -„Vraag of je ook mee mag”, stelde Hajo weifelend voor. - -„Ik mee??” riep Padde. „Denk je dan, dat ik mee wil?! Ik ga toch in de -bierbrouwerij van m’n oom? Dan weet je wat je hebt!” - -Hajo vertelde alles, wat zich had afgespeeld, sinds hij Padde had -verlaten. „En morgen ga ik met de Hoornsche Zon naar Texel, Padde!” - -„Onmogelijk!” riep Padde ontzet uit. „Ze zullen een dagje moeten -wachten!” - -„Waarom is het onmogelijk?” vroeg Hajo. - -„Waarom??” Padde spalkte zijn oogjes open. „Je moeder moet toch een -uitzet naaien, en je moet hier ook nog van de heele stad afscheid -nemen!” - -„M’n moeder is vannacht aan m’n uitzet begonnen”, zei Hajo. „En dat -afscheidnemen in de stad is binnen een uur bekeken.” - -„Dat zal je niet meevallen!” verzekerde Padde. „Vooruit, trek je -klompen aan: we beginnen dadelijk!” En hij ging op zijn vingers -natellen, van wie Hajo zoo al afscheid zou moeten nemen. - -„Ik moet ook even naar schipper Blok, om te zeggen.....” - -„Groote Genade!” stamelde Padde. „Ik heb al zeven-en-dertig menschen, -waar je heen moet! Ben je klaar?” - -„Ik kom!” Hajo ging naar de achterkamer, waar moeder druk met naaiwerk -bezig was. Hij kuste haar innig en ging met Padde mee. - -„Luister goed”, zei Padde. „Ik heb altijd gedaan wat jij wou, en daar -heb ik geen spijt van. Maar vandaag ben ik de baas. Jij bent veel te -veel van streek om zelf alles te regelen. Ik ben kalm, dat zie je wel, -dat ik kalm ben, en daarom zal ik het doen. Ik zou voor geen schelling -willen, dat je er met afscheid nemen eentje oversloeg, en ik later de -praatjes moest hooren.” - -Hajo liet zich, voor het eerst in zijn leven, door Padde leiden. Zijn -oogen straalden het overgroote geluk uit, dat zoo onverwacht op hem was -neergedaald. - -„Naar baas Wouter!” beval Padde. En hij sloeg de richting van de -smederij in. - -„’t Is niet goed met de baas”, stelde Hajo vast, toen hij den -korzeligen hamerslag vernam, waarin niets van het blijde rythme lag, -dat het hebben kon, wanneer de baas in een goeie bui was. - -„Hij zal van z’n lieve Leentje wel weer eens op z’n tabernakel hebben -gekregen”, meende Padde. Hij opende de deur der smederij, stapte naar -binnen. „Morgen, Wouter! We komen afscheid nemen!” - -Meester Wouter liet den hamer zinken. „Satansche jongen!” was al wat -hij zei. - -„Wees niet boos op me, baas, dat ik gisteren.....” - -„Hij gaat naar den Oost”, zei Padde. „’t Is de vraag of hij ooit zal -terugkomen.” - -„Naar den Oost?” vroeg Wouter, plots met een trilling in zijn stem. -„Jij, Hajo?” - -„Ja, baas.” - -„Met de Nieuw-Hoorn!” zei Padde. „Heb je geen oude kist, Wouter? Om als -scheepskist te gebruiken, zie je? Daarvoor zijn we gekomen.” - -Wouter had Hajo zijn zwarten smidsknuist toegestoken. „Ik ben niet -boos, hoor! Waarachtig niet! Wil je wel gelooven..... hm! En een kist -heb ik ook wel voor je. Waarachtig wel! Ik zal er banden omslaan, dan -kan-ie tegen een stootje.” - -„Zou je over de hoeken ook geen plaatjes leggen?” stelde Padde voor. - -„Komt in orde”, zei baas Wouter. - -Hajo wilde hem bedanken. „Baas, ik......” - -„Sssst!” gromde Wouter. „Schreeuw niet zoo! Als m’n vrouw het -hoorde..... nou, dan waaide er wat voor je!—Zeg... eh, als jullie de -kist straks komt halen, loop dan achterom en niet langs de voordeur. ’t -Is maar, zie je.....” - -Padde knipte met z’n oogjes. „Gesnapt, Wouter. Als ze ons met die kist -zag loopen..... nou, dan waaide er wat voor je hè?” - -„’t Is alleen om de stoep”, gromde Wouter. „Die wordt zoo smerig van al -dat geloop.” - -De knapen gingen heen. En de voor zijn stoep zoo bezorgde smid oogde -het tweetal na. Toen dwaalde zijn blik even door de leege werkplaats en -hechtte zich op de verlaten plaats onder den blaasbalg. „Satansche -jongen!” mompelde hij. Hij snoof even, veegde zich over de wangen, hief -grimmig den hamer op en liet de smidse dreunen. - -„Naar schipper Blok”, beval Padde. - -Ze liepen langs het raadhuis, den Rooden Steen over, lieten de Waag -links liggen en gingen het Groote Oost af. Het was nog niet heelemaal -licht; de straten waren leeg, op een enkele melk- of turfkar na. - -Zoo kwamen ze in de Jeroensteeg bij schipper Blok’s bescheiden woning -aan. Padde liet met een gewichtig gebaar den klopper vallen. - -Er werd niet opengedaan. - -„Daar kon hij nog wel eens spijt van hebben!” meende Padde. „Een van de -manschappen van de Nieuw-Hoorn in de kou te laten wachten!” Hij wilde -met den klopper juist een roffel slaan, toen er een knip werd -weggeschoven, de deur half geopend, en door den kier een hand met een -melkkan verscheen. „Vier maatjes, Kobus”, klonk een vrouwenstem. - -„Knap maar!” gromde Padde en trok Hajo weer mee. „Kom, dan gaan we nu -maar eerst naar Truitje Cannegieter. Daar zijn ze al lang op, want haar -vader moet om zes uur op het werk zijn. Meisjes zijn geweldig op -afscheidnemen gesteld!” - -Truitje Cannegieter woonde in de Leliestraat. De jongens moesten dus -weer dwars de stad door, langs het Gouw en dan de Turfhaven over. - -Truitje, een lichtblond, blozend meiske met een kort, rood lijfje en -een blauw baaien rok, was al ijverig bezig het straatje voor de -huisdeur te schrobben. „Zoo!” riep ze vroolijk, toen ze het -onafscheidelijk tweetal zag naderen. „Waar gaan jullie naar toe?” - -„Naar Oostinje”, zei Padde. „Nou ja: ik natuurlijk niet. Ik kom in de -bierbrouwerij van m’n oom, dan weet je wat je hebt. Maar Hajo gaat met -de Nieuw-Hoorn mee. Tegen de wilden vechten.” - -„Oh!” riep Truitje. „Is het heusch? En breng je een aapje voor me mee?” - -„Je krijgt een papegaai”, beloofde Padde. - -„Als ik er een machtig kan worden.....” weifelde Hajo. - -„Je hebt ze maar te grijpen”, verzekerde Padde. „Maar achter de kop, -want ze bijten! Een andere vraag is, of jij wel levend terug zult -komen, Hajo.....” - -„Ja, wees maar voorzichtig!” ried Truitje moederlijk aan. - -„Je kunt zoo voorzichtig zijn als je wilt, Truitje”, zei Padde, „maar -voor je er op verdacht bent, heb je een giftige pijl in je lever.” - -„Wat griezelig!” stamelde Truitje, verbleekend. - -„Griezelig is het goeie woord”, verzekerde Padde. „Die wilden daar -springen van de eene boom op de andere, net eekhoorns. Het eenige wat -je er tegen doen kunt is ze er uit te schudden. En dan al die slangen, -tijgers, olifanten en krokodillen! In de boomen hangen noten als -kanonskogels, die geregeld op je kop vallen, als je er onder gaat -slapen!” - -„Hoe weet je dat allemaal?” vroeg Truitje ontzet. - -„Dat heeft dronken Roeltje me zelf verteld. Moet je hem eens over de -menscheneters hooren! Ze staan met zùlke messen klaar om je levend te -villen. Jongens van veertien zijn het lekkerst, zeggen ze.” - -„Onzin!” zei Hajo. „Je duwt ze maar een paar kralen of gepoetste duiten -in de hand, en ze denken er niet meer aan je een haartje kwaad te doen! -Gewoonlijk willen ze je dan met de dochter van zoo’n -menscheneteropperhoofd laten trouwen.” - -„Dat zou je toch zeker nóóit doen?” vroeg Truitje. - -„Nooit!” zei Padde. „Hij laat zich liever levend verslinden. Ga eens -kijken, Truitje, of je bij geval wat kralen voor ons hebt. ’t Gaat om -z’n leven, dat begrijp je.” - -„Kralen??” - -„Nou ja, alle ouwe rommel is goed. Lapjes, rinkelbellen, wat je maar -missen kunt. Zoek maar goed; wij zullen wel wachten. Want daarvoor zijn -we gekomen.” - -Toen Truitje naar binnen was gegaan, wendde Padde zich tot Hajo: „Zie -je nou, dat je voor het afscheidnemen wel een dag of wat noodig zult -hebben?” - -„Op die manier wel”, lachte Hajo. - -„Het is de eenige goeie manier”, stelde Padde vast. - -„Ik wou, dat ik maar vast op de Nieuw-Hoorn zat, Padde!” En Hajo kneep -zijn vriend in den arm, zuchtte van blijde spanning. - -Padde zweeg en keek voor zich uit..... - -Een ander meisje kwam uit de voordeur, Truitje’s twintigjarige zuster -Sijtje, even frisch, blozend en stevig als haar jongere zusje. Ze hield -iets onder haar schort verborgen. Na een snellen blik achteruit in het -voorhuis te hebben geworpen, wenkte ze Hajo. „Kom eens even hier, -Peter?” - -„Ja”, zei Padde en deed een schrede voorwaarts. - -„Nee, ik moet Peter hebben.” - -Padde bleef grommend staan. En Hajo werd naar binnen geloodst. Achter -de deur hield het meisje hem staande en fluisterde: „Je gaat met de -Nieuw-Hoorn mee, hè?” - -Hajo knikte. - -„Nou, daar is ook een Fries aan boord! Hij heet Hilke. Hilke Jopkins! -Die moet je dit maar geven, wil je?” En Sijtje haalde van onder haar -helder boezelaartje een paar enorme, paars-wollen handschoenen te -voorschijn. - -„Sokken?” informeerde Hajo. - -„Handschoenen!” zei het meisje, ietwat beleedigd. - -„Ze zijn zoo reusachtig groot.....” - -„Vind je? Ja,..... och, hij is heelemaal nogal groot! En met -handschoenen, dat weet je ook wel, is het beter te groot dan te klein. -En vind jij het dan soms mooi, als een man van die kleine handjes -heeft, net als een meisje? Ik vind het gewoon afschuwelijk. En jij?” - -„Ik ook”, verzekerde Hajo. - -„Nou”, vervolgde Sijtje, tevreden. „Zeg hem dan maar, dat ze nog niet -klaar waren, toen hij hier was, anders had ik ze hem dadelijk -meegegeven. En..... eh, als je kunt, zorg er dan voor, dat hij wat -voorzichtig is, wil je? Hilke is altijd zoo vreeselijk onvoorzichtig.” - -„Ik zal er voor zorgen”, beloofde Hajo. - -Sijtje keek hem liefkoozend aan. „Hier!” fluisterde ze, terwijl ze uit -een zak onder haar rokken een zeer, zeer rijk gekleurde das opdiepte, -„die is voor jou, beste jongen. Ik heb ’m eigelijk voor Hilke gehaakt, -zie je, als hij terugkomt, maar nou is ie voor jou.” Ze zuchtte even. -„Ik heb toch tijd genoeg om nog een andere te haken.....—Kom hier, -kereltje, dan zal ik je de das omstrikken.” En vol aandacht en zorg -knoopte ze de das om Hajo’s hals; beide eindjes waren op een halven -duim even lang, en de das hing precies in het midden. - -„Je bent een lieve meid, Sijtje”, verzekerde Hajo. - -„Malle jongen! Zeg Hilke, dat ie me eens schrijft. Zul je ’t doen?” - -„Ja, Sijtje.” - -„En dat ie gauw terugkomt. Zul je?” - -„Ja, Sijtje.” - -„En zeg ’m, dat.....” Op het onverwachtst begonnen Sijtje’s lippen te -beven. - -„Ik zal ’t ’m zeggen”, beloofde Hajo. - -Toen gebeurde weer iets, wat niemand verwachten zou: Sijtje nam Hajo’s -blonden kop in haar handen en zoende den verbouwereerden knaap op beide -wangen, dat het klapte. „Ga nou maar”, fluisterde ze haastig, toen in -de gang voetstappen klonken. - -Buiten brak Hajo bijkans den hals over Padde, die op z’n knieën voor -den deurkier lag. „’n Schat van ’n meisje!” verzekerde Padde met -eenigszins schorre stem. - -„Wat?! Heb je geluisterd?!” - -„En alles gezien! Vergeet die handschoenen niet te geven! En let ’n -beetje op Hilke. Dat laatste zeg je ’m natuurlijk niet!” - -„Wat?” - -„Dat ze je gezoend heeft.—Laat me die das eens kijken? Alsjeblieft, -vijf kleuren! Die das is met liefde gebreid, Hajo!” - -Truitje kwam terug met een verfomfaaide pop, een half kapotte -rinkelbel, een koperen, ineengedeukte vogelkooi, een verroesten -koffiemolen, een mombakkes en een verzameling gekleurde kraaltjes. -Schuchter omziend, knipte ze het touwtje door, waarmee een -handwerkschaartje aan haar hals was bevestigd. „Hier, neem dit ook maar -mee. Ik zal wel zeggen, dat ik het verloren heb.” - -Padde was in de wolken. Hij ging zorgvuldig na, in welken staat de -verschillende kostbaarheden verkeerden, liet de rinkelbel rammelen en -Hajo het mombakkes opzetten. Toen hij den koffiemolen ontdekte, sprong -hij een el hoog de lucht in. „Truitjelief, jij bent nog er eens ’n -meid! Een koffiemolen! Ga nou maar gerust naar de wilden, Hajo! Met een -koffiemolen bij je, hoef je nooit bang te zijn! Ik ken hoopen lui, die -aan een koffiemolen hun leven te danken hebben. En die zeggen allemaal: -Naar Oostinje? Best! Maar niet zonder koffiemolen!” - -„Zou ik alles op het schip mogen brengen?” vroeg Hajo weifelend. - -„Wat dacht je dan?!” zei Padde verontwaardigd, „’n Menschenleven is -geen kleinigheid!” - -„Vooruit dan maar! Dan kan ik in die kooi meteen Gerrit meenemen!” - -Gerrit was een tamme torenkraai, die al twee jaar lang lief en leed met -Hajo deelde. - -„Nou, we moeten weg!” zei Padde. - -„Ja. Ik dank je wel, hoor, Truitje! En ik zal nog er eens om je denken, -als ik zoo’n zwartjeshoofdman die pop in z’n vingers douw”. - -„Praat me er niet van, Peter!” zuchtte het meiske. „Goeie reis, hoor, -en kom me maar levend terug.” - -Padde kon slecht tegen hartroerende tooneelen: een dikke traan biggelde -over zijn wang en bleef aan zijn kin hangen, want Padde had beide armen -vol en zag geen kans, den traan weg te vegen. „Nou naar Jansje Bezem”, -zei hij met gebroken stem. - -„Wéér een meisje?” vroeg Hajo. - -Padde keerde zich verbaasd om. „Wou je soms van jongens kralen los -krijgen?” - -„Maar heb je dan nòg niet genoeg?” - -„Ik begin pas!—Juist zulke kleinigheden redden je leven, Hajo! Vraag ’t -maar aan Roeltje! Kralen, knoopen..... hemeltje, knoopen hebben we nog -niet! Denk er om, dat je die in elk geval meekrijgt!” - -Jansje Bezem woonde in de Hanekamsteeg, en dus moesten onze beide -vrienden opnieuw de heele stad door. - -„Had je ’t met afscheidnemen niet wat handiger in kunnen pikken?” vroeg -Hajo. „We sjouwen op die manier driemaal meer dan noodig is.” - -„Breng me niet in de war”, zei Padde. „Ik heb genoeg aan m’n hoofd.” - -„Nou, maar ik vertik het langer. Ik moet niets van al die meisjes -hebben!” - -„Wat? Van Jansje Bezem niet?!” - -„Van Jansje Bezem heelemáál niets.” - -„Hoe is ’t mogelijk!” zei Padde. „’t Is een schat van een meisje!” - -„Zoo. ’t Kan, maar ik heb er nooit wat van gemerkt. Wel, dat ze snibbig -is en nooit haar mond houdt.” - -„Als je eens wist, wat een ezel je bent”, zuchtte Padde. „Waarachtig, -je màg Jansje Bezem niet overslaan!” - -„Nu, voor mijn part dan. Maar ik wil eerst naar Doove Nelis, daar zijn -we nu toch vlak in de buurt.” - -Padde haalde de schouders op en volgde Hajo grommend naar het kleine -huisje van Doove Nelis, een ouden zeerob, die in z’n goeie dagen met -Willem Barendts op Nova Zembla had overwinterd, later doof was geworden -en in Hoorn zijn laatste jaren sleet te midden van scheepjes in -flesschen en duizend-en-een reisherinneringen. Hoe vaak had Hajo niet -z’n tijd vergeten, als Doove Nelis aan het vertellen was?—Van Doove -Nelis wilde Hajo in de eerste plaats afscheidnemen. - -De ouwe baas stond juist op het punt om zijn gewone morgenwandelingetje -langs de dijken en de haven te maken. Maar toen de jongens -binnenkwamen, trok hij zijn jas weer uit en zei Grietje, zijn -goedmoedige huisvrouw, koffie te zetten. - -Hajo gebruikte de handen als spreektrompet en schreeuwde Doove Nelis -zijn groote plan in het oor. - -„Dat mag ik hooren!” zei Nelis, terwijl hij vergenoegd met zijn hoofd -knikte. „Zoo zoo, met schipper Bontekoe! Een puik schipper! - -Een beste, brave ouwe!—Varen, m’n jongens, dà’s het mooiste wat er is. -Daar kè-je met landrotten niet over klesse; dat moet je voelen, hè? Als -je op je schuit staat en je kijkt zoo eens schuins langs je bezaansmast -en je zegt zoo losweg: Makker, zeg je, wat voor weer steekt er achter -’t zeil? of: bootsman, wat dacht-ie, wanneer zouden we weer d’r eens -land voor de boeg krijgen?..... wat je dan voelt, dat weet alleen een -zeeman. Varen, jongens, dat mot in je bloed zitten, dat kè-je niet -leeren. Je moet het ruiken of er ergens riffen of banken liggen; je -moet het ruiken of je kan uitvaren of niet. En, jongens, je moet meer -van je schuit houwen as van jezelf! Als er een storm staat, dat je meer -zeewater as soep binnenkrijgt, moet je niet denken: Heer in den hoogen -hemel, red mij! Nee! Dan moet je denken: Genade voor m’n schuit! Dan -ben je een varensgast! .. Zie je, als je zoo midden op de oceaan -dobbert en je zit ’s avonds wat te kletsen over je wijf en je kinders, -hè, nou, en in ’t vooronder leggen me die apen van jongens van d’r lui -meissies te zingen, zie je..... dat moet je voelen. Daar ken je met -landrotten niet over klesse.....” - -Hajo liet z’n oogen dwalen, luisterde zwijgend: hij was al op den -oceaan. - -„En de zeeziekte?” riep Padde. „Wat doe je tegen zeeziekte?” - -Doove Nelis gromde wat en was niet erg spraakzaam meer. - -„Kom”, zei Padde daarom, „we moeten verder.” - -De jongens stapten op; Hajo nam met tranen in de oogen afscheid van -zijn ouden vriend. Bij de deur duwde Grietje Padde een fleschje in de -hand, waarin zich een soort olie bevond. „Hier, Padde, bewaar jij het -maar voor hem. Het is ’t beste middel tegen zeeziekte.” - -Padde sloeg een gat in de lucht. „Groote genade, Hajo! Dat is me een -pak van het hart!” En hij borg het fleschje zorgvuldig onder zijn pet. - -De knapen vervolgden hun weg naar Jansje Bezem in de Hanekamsteeg. Was -het gedachteloosheid van Padde, toen hij op het Groote Oost, inplaats -van recht door te loopen, de Bottelsteeg insloeg naar de Appelhaven, -waar hij woonde? Ze waren al twintig passen de steeg in, toen Hajo -stilhield. „Waar gaan we naar toe, Padde?” - -Padde trok een verwonderd gezicht. „Naar Jansje Bezem! Waar anders -heen?” - -„Dan maken we nu een omweg.” - -„Zou je denken?” - -„Ik denk het niet; ik weet het. En jij weet het net zoo goed als ik,” - -„Mij best”, zuchtte Padde. En met een martelaarsgezicht maakte hij -rechtsomkeert. Maar twee huizen verder hield hij weer stil en greep -Hajo bij den arm. „Zeg..... eh, Hajo....! Nou we tòch eenmaal hier -zijn, kunnen we eigenlijk ook wel even langs mijn huis loopen, vind je -niet? ’t Is nog geen tien passen om!” - -„Maar wat zouden we er moeten doen?” - -„Dat vraag je nog? Natuurlijk afscheid nemen van mijn moeder!” - -„Zou die er erg op gesteld zijn?” - -Padde slikte iets weg. „Nou, en òf ze er op gesteld zal zijn!” - -Hajo weifelde. - -„Je hoeft niet”, verzekerde Padde, ietwat beleedigd. „Ik zal je niet -dwingen! ’t Laat mij natuurlijk ijskoud, dat snap je wel, nietwaar? Dat -kun je op je vingers natellen, hè?” - -Hajo aarzelde nog even, sloeg toen de richting van de Appelhaven in. - -Padde’s gelaat straalde. - -Zijn moeder, een groote, bleek uitziende vrouw, was bezig de smalle -gang te dweilen, die naar haar huisje en nog enkele andere krotten -voerde, welke een gemeenschappelijke bleek en een groentetuintje -hadden. Vóór op straat wierpen een paar zusjes en broertjes van Padde -elkaar met modder. - -„Blijf daar!” riep Padde’s moeder haar oudsten zoon toe, toen hij met -Hajo het gangetje wilde binnengaan. „Vóór het eten kom je me niet in -huis. En dan je smerige klompen uit. Begrepen?” - -Padde kuchte en schoof Hajo voor zich. „Peter gaat naar Oostinje, -moeder. Met de Nieuw-Hoorn! Schipper Bontekoe heeft hem dadelijk -aangenomen! Hij komt afscheid nemen!” - -„Wacht daar dan maar even”, zei de vrouw. En zwijgend werkte ze voort. - -„Goed, moeder”, antwoordde Padde snel. „We zullen wel even..... we -zullen wachten”. En tegen Hajo verklaarde hij, terwijl hij hem weer -meetrok: „We hebben nu den tijd! Als ik geweten had, dat we zoo gauw -ergens een koffiemolen zouden opduikelen..... En dat middeltje tegen de -zeeziekte! Jansje Bezem geeft ons wel knoopen. O, heertje, zooveel we -maar hebben willen! Trouwens—ze is met dat gangetje in twee tellen -klaar. Geschrobd is ie al, hè, en dweilen, nou, dat is in een -ommezientje bekeken. Wil ik je eens vertellen hoe dronken Roeltje aan -een koffiemolen z’n leven heeft te danken?” - -Hajo knikte half luisterend met het hoofd. - -Maar Padde kon niet meer aan het woord komen, want z’n broertjes en -zusjes hingen hem al om den hals. „Rijden!” schreeuwden de kleuters. -„Hop, paard!” En Padde galoppeerde en sloeg met de achterpooten als een -vurige hengst. - -Toen kwam zijn moeder naar voren. Ze veegde zich de haren voor het -gezicht weg, stopte Hajo een in een rooden zakdoek geknoopt bundeltje -in de handen, keek hem streng aan en zei met haar zware stem: „Geef dat -aan je moeder. Zeg haar ook, dat ik morgen een uurtje kom helpen, want -ze zal het druk hebben met je uitrusting.” - -„Morgen gaat hij al weg, moeder”, zei Padde. - -„Dan kom ik vanmiddag. Nu heb ik geen tijd. Ben je door Wouter -weggestuurd?” - -De beide knapen schudden eenstemmig ontkennend het hoofd. „Wouter -timmert zelfs nog een kist voor hem!” zei Padde. „Met ijzeren banden, -en plaatjes om de hoeken!” - -„Dat valt me mee van een galgebrok als jij bent”, zei de vrouw tot -Hajo. „Je moeder is veel te goed voor je geweest. Op zee zullen ze je -wel beter leeren!” - -„Ik zal zorgen, dat ik geen slaag krijg”, antwoordde de jongen. - -Padde’s moeder keek even op van de kordaatheid, waarmee dat er uitkwam. -Een schaduw van een glimlach gleed langs haar stroeve mondhoeken. „We -zullen zien of je woord houdt! Wees zuinig op je goed en spaar wat je -verdient voor je moeder.” - -Hajo beet de lippen opeen. „Zou ik tòch gedaan hebben”, zei hij. - -Maar Padde’s moeder had het alweer te druk om Hajo nog te woord te -kunnen staan,—nu met het herstellen van de orde onder de kleinen, -tusschen wie een huil- en vechtpartij was ontstaan. Ze tilde den -hoofdschuldige bij zijn ooren van den grond op en droeg hem naar het -turfhok om hem op te sluiten. In het voorbijloopen knikte ze Hajo toe. -„Ik hou je aan je woord!” riep ze. „Goeie reis!” - -Padde trok zijn vriend ter zijde. „Laat eens kijken?” vroeg hij, op het -roode bundeltje wijzend. - -Hajo knoopte het los. Er zaten een broek en een paar sokken in. - -Padde betastte de voorwerpen eerbiedig. „Dat is mijn nieuwe broek”, zei -hij. „Zondag zou ik ’m voor het eerst aankrijgen. ’n Mooie stof, hoor! -En ijzersterk. En die sokken heeft ze van den herfst gebreid.” - -Hajo werd er ietwat verlegen onder. „Jouw broek?” vroeg hij. - -„Ja. Net als die sokken. Die waren anders ook voor mij geweest. Maar -da’s niks, hoor: ze breit wel weer nieuwe.” - -„Maar moet ik die zakdoek ten minste niet.....?” - -„Teruggeven? Welnee! ’t Is vaders zakdoek voor de kerk. Nou ja, daar -gaat hij toch nooit naar toe, want als ie Zaterdagsavonds -thuiskomt.....” Padde’s stem trilde. „Vooruit!” zei hij, „we gaan naar -Jansje Bezem!” - - - -Toen de jongens tegen den middag weer in de Bagijnesteeg aanlandden, -waar moeder met het eten wachtte, bleek duidelijk, dat de Hoornsche -meisjes, hoe ondeugend Hajo dan ook mocht wezen, hem toch niet door -menscheneters wilden laten verslinden. Als Hajo op staanden voet een -uitdragerij had begonnen, zou zijn fortuin zijn gemaakt. - -Met een stralend gezicht zette hij een prachtige, sterke kist voor zijn -moeder neer. „Van Wouter gekregen! ’t Is een èchte scheepskist! En dit -is van Padde’s moeder, kijk eens hoe mooi! Van middag komt ze zelf om -met m’n uitzet te helpen”. - -Moeder knikte, terwijl ze het bundeltje losknoopte. Ze wilde nog wat -antwoorden, maar kwam niet goed uit haar woorden. - - - -’s Avonds, toen de kinderen naar bed waren gebracht, zei moeder: -„Peter, je moet afscheid nemen van je broertje en je zusjes, want -morgen ga je weg, vóór ze wakker zijn.” Haar stem was rustig en werkte -kalmeerend op Hajo’s verwarde gedachten. Hij ging naar de achterkamer, -waar Doris en Maartje en Antje sliepen, boog zich over hun bedstee en -beloofde papegaaien en kokosnoten, apen, tijgers, jonge olifanten en -menscheneters in een kooi te zullen meebrengen. En bij elke belofte -biggelden hem heete tranen over de wangen. Hij kuste de zachte kopjes -en kwam met onvaste schreden in de voorkamer terug, waar hij zijn -moeder in den stoel bij den haard zag zitten. Ze lachte hem vriendelijk -toe. - -„Kom eens bij me zitten, Peter”, zei ze. „We zullen voor het laatst -eens wat praten, hè? Heel kalm, als verstandige menschen. Want er zijn -een paar dingen, die even moeten worden geregeld.—Kijk, hier is de -sleutel van je kist. Aan een touwtje, zie je wel? Buk je hoofd eens, -Peter, dan zal ik hem om je hals hangen. Zoo..... nu kun je hem niet -verliezen. En hier is een zakje waarin ik drie guldens heb genaaid, -voor het geval, dat je in verlegenheid mocht komen. Hang het onder je -hemd als je straks gaat slapen. ’t Is niet zoo heel veel, Peter, -maar..... maar.....” - -„Moedertje”, snikte Hajo, „wat moet ik met al dat geld doen! Jij hebt -het zoo noodig! Jij moet het gebruiken voor Maartje en Antje en Doris -en ook voor jezelf. Ik verdien toch geld?” - -„Stil!” zei moeder. „Als het schip..... als je schipbreuk mocht -lijden..... dat zakje kun je niet verliezen en..... Vaders bijbeltje -heb ik ook in je kist gedaan en een lokje haar van ons allemaal. Dan -heb je tenminste iets wanneer je aan ons denken wilt.—Over twee jaar -kom je pas terug. Je zult dan een groote, sterke jongeman zijn -geworden, die héél wat meer heeft gezien dan vader of ik. Al dien tijd, -Peter, zal ik..... zal ik rustig wachten en vast vertrouwen, dat alles -goed gaat. En, Peter, van mij, als je ooit eens verdrietige -oogenblikken hebt, zeg dan maar gerust, zeg dan altijd maar gerust: -mijn moedertje denkt aan mij..... Beloof je me dat, Peter?” - -„Moedertje!” kermde Hajo. - -„Dan is het goed, m’n jongen. En nu moet je naar bed gaan. want het is -goed, dat je morgen een flinke nachtrust achter de rug hebt.” Ze sloeg -haar armen om hem heen. - -En Peter Hajo, scheepsjongen op den Oostinjevaarder Nieuw-Hoorn, liet -zich, tegen zijn moedertje gedrukt, als een heel klein jongetje naar -bed brengen. - -Hij kleedde zich uit, zonder zich bewust te zijn, dat hij het deed. -Maar door de wolk van grauw, die voor zijn oogen hing, schitterde heel -ver weg iets bonts en vreemds, dat zijn hart deed zwellen van opwinding -en blijdschap.....! - -Zijn moeder ging stil, om de kinderen niet te doen wakker schrikken, -naar de voorkamer. Ze leunde tegen den haard en bleef een oogenblik -staan met al de kalmte, waarover een moeder beschikt, als ze daar juist -afscheid genomen heeft van haar jongen, die naar den Oost gaat. - -Toen begonnen haar schouders te beven, en ze borg het hoofd in de -handen. - - - - - - - - -PADDE DOET ZIJN VRIEND UITGELEIDE - - -Om negen uur in den morgen van den acht-en-twintigsten December 1618 -zou de Friesche tjalk De Hoornsche Zon den schipper Willem IJsbrantsz -Bontekoe naar den Oost-injevaarder Nieuw-Hoorn brengen, die voor Texel -op gunstigen wind lag te wachten om uit te zeilen. - -Ruim zeven uur dien zelfden ochtend, toen de duisternis nog om de haven -hing, kwamen twee jongens bepakt en bezakt de Veermanskade afhollen in -de richting van de aanlegplaats. - -„Ik kan niet meer”, hijgde de dikste van de twee. „Loop jij door, Hajo, -jij mag in geen geval te laat komen.” - -„Maar ’t is nog veel te vroeg, Padde! ’t is nog lang geen negen uur!” - -Padde wilde hem verwijten, dat hij overstuur was, maar verslikte zich. - -Zoo kwamen ze bij den Hoofdtoren. „We zijn de eersten!” riep Hajo. - -Padde sukkelde hijgend en blazend in een drafje voort tot hij bij de -tjalk was aangeland. Daar zette hij den omvangrijken last, dien hij -torste, neer, ging op de gedeukte kooi van Truitje Cannegieter -zitten—tot groot ongenoegen van Gerrit, die onrustig op zijn stokje -heen en weer dribbelde en verwijtend door de tralies gluurde—en veegde -zich het zweet van het gelaat. „Ziezoo”, zei hij. „Nu kan die smerige -tjalk zonder jou niet meer wegzeilen”. - -„Laten we zoolang op en neer loopen”, stelde Hajo voor. - -„Loopen?! Heb ik vanmorgen nog niet genoeg geloopen?” - -„Maar je vat kou, Padde, als je daar blijft stilzitten!” - -„Dan kruip ik in m’n bed. ’k Heb toch niks beters te doen, als jij er -niet meer bent.” En Padde bleef zitten en keek weemoedig naar De -Hoornsche Zon, die zachtjes deinde op den kalmen golfslag. - -Hajo bleef nog een tijdje staan, ging toen naast Padde zitten. Hij -trachtte met zijn oogen den grauwen morgennevel te doorboren. Van heel -uit de verte drong het loeien van een misthoorn tot hem door. Dan werd -het weer stil, op het zachte klotsen van het water na. - -Die rust om hem heen deed Hajo goed: in gedachten nam hij nog eens -afscheid van zijn moeder en beloofde haar, zich als een man te zullen -gedragen. Hij begon nu als scheepsjongen; over een paar jaar kon hij -matroos zijn en later..... wie weet of hij niet nog eens als..... ja, -’t kòn toch, nietwaar?..... als bootsman een reis ging maken! Bootsman -Hajo! Wat zou zijn moeder trotsch zijn! „Heb je ’t gehoord?” zouden de -menschen zeggen. „Als jongen twaalf ambachten dertien ongelukken, en -nou.... wie had dat gedacht!.... bootsman Hajo!” - -Hajo hoorde naast zich een licht geronk. „Padde! Slaap je?” - -Eerst geen antwoord. Toen steunde Padde diep, geeuwde hartgrondig en -huiverde. „Dacht je dan, dat ik vannacht een oog heb dichtgedaan?” - -Daar kwam schipper Blok met zijn twee zoons aanzetten. „Jullie zijn -vroeg genoeg!” riep hij onzen beiden vrienden lachend toe. En op de -vogelkooi en al wat er om heen lag wijzend, vroeg hij: „Moet die rommel -allemaal mee?” - -„Dat is geen rommel!” voer Padde uit. - -„Goed, dan is ’t geen rommel”, zei Blok gul. „Gooi het maar achter in -de bak. Maar de bootsman van de Nieuw-Hoorn zal je zien aankomen! Die -is lang niet mak!” - -„Die bootsman zal wel beter weten wat er voor een Oostinje-reis noodig -is!” verzekerde Padde. - -„Nou, ’t zal me benieuwen”, zei Blok. Hij sprong in de tjalk en begon -met de hulp van zijn zoons en Hajo den mast op te zetten. „Oostenwind”, -zei hij. „Tot Enkhuizen is het opwerken. Dan zijn we d’r gauw.” - -Kwart voor negenen kwam Rolf aanstappen met een kist onder den arm. -Hajo holde hem tegemoet, en de jongens drukten elkaar de hand. - -„Rolf!” zei Hajo, „’t spijt me nog, dat ik je voor pennelikker heb -uitgemaakt!” - -„Ja”, zei Padde, die er ook bij was gekomen. „Ik heb gezegd, dat ik je -zou aframmelen als ik je weer tegenkwam, maar dat trek ik terug.” - -„Knip jij altijd zoo met je oogen?” vroeg Rolf. - -„Knap maar”, zei Padde. En Rolfs kist besnuffelende, vroeg hij: „Is dat -alles wat je meeneemt?!” - -„Het is genoeg”, meende Rolf. - -„Heere m’n tijd”, zei Padde. „Je bent al net zoo overstuur als Hajo!” - -Het was allengs geheel licht geworden. En eindelijk, toen negen bronzen -slagen galmden uit den toren van de groote kerk, en het tegelijk in den -Sint-Anthonius helder te kleppen begon, kwam een gezelschap heeren, met -Bontekoe in hun midden, het havenhoofd afwandelen. - -„Dezelfden als eergisteren, Padde!” fluisterde Hajo. - -„Die doen mijn oom tot Texel uitgeleide”, zei Rolf. „Die lange met dat -bleeke gezicht is koopman Rol; die gaat mee naar Indië. Om voor de -Compagnie zaken te doen.” En evenals Hajo en Padde, welke laatste zelfs -een soort buiging maakte, trok hij zich eerbiedig de muts van het -hoofd. - -„Goeden morgen, mannen!” wenschte Bontekoe hun met gulle -zeemanshartelijkheid toe. Hij liet een monsterenden blik over zijn -beide kranige scheepsjongens gaan en schonk den kleinen, dikken, -buigenden Padde een welwillenden glimlach. Daarna gingen de heeren -vroolijk koutend de loopplank over naar de tjalk. Rolf drukte Padde de -hand en sprong aan boord. De zoons van schipper Blok gooiden de touwen -los, waarmee de tjalk vastlag. - -Voor Hajo en Padde was het oogenblik van afscheid gekomen. De oogen vol -tranen stonden ze tegenover elkaar en zochten naar woorden. - -„Hajo.....!” - -„Padde.....!” - -„Hajo..... beste Hajo.....!” - -„Padde..... beste, goeie Padde.....!” - -Hajo durfde niet langer talmen. Hij wendde zich verward, snel af en -ging de loopplank over. - -De plank werd ingetrokken. - -Met een gelaat, waarin de wanhoop zich spiegelde, stond Padde aan den -kant en zag toe, hoe de tjalk zich van den wal losmaakte. Toen, op het -laatste oogenblik, zette hij met een kreet af en sprong....! - -Blok ving hem op en heesch hem binnen boord. Padde was met zijn voeten -in het water terechtgekomen. - -„Hajo!” snikte de arme jongen, terwijl hij het water uit z’n klompen -liet loopen. „’t Gáát niet.....! Ik breng je tot Texel.” - -Bontekoe had met een zijdelingschen blik Padde’s acrobatentoer -waargenomen. „Daar heb je me waarachtig die zelfde springer weer!” riep -hij. „Wat moet er met hem gebeuren, Blok?” - -Blok was de kwaaiste niet. Hij wist, dat Hajo en Padde onafscheidelijke -vrienden waren. „Laat ’m maar meegaan”, antwoordde hij lachend. „Dan -kan hij meteen de Nieuw-Hoorn eens zien! Die is wel ’n kijkje waard!” - -Maar toen Padde zijn bezinning terug had gekregen, sloeg hem de schrik -om het hart. Waar zou dat op uitdraaien, als hij weer thuiskwam?! -„Heila!” riep hij een paar visschers toe, die bezig waren hun botter -ijsvrij te kappen. „Zeg jullie aan m’n moeder, dat ik even ben -meegegaan naar Texel?” - -De visschers grinnikten. „Ze slaat je beide beenen stuk”, zei er een. - -„Dan ken je m’n moeder slecht!” riep Padde spijtig, terwijl een paar -dikke tranen in zijn oogen sprongen. En toen de visschers meesmuilend -de schouders ophaalden, schreeuwde de de arme jongen hun woedend toe: -„Bovendien! Zijn het jouw beenen?!” - -De tjalk zeilde den ijsgang door en kwam in vrij water. Bontekoe stapte -op Padde toe. „Wil jij later ook gaan varen?” - -Padde schudde vol onverholen afschuw het hoofd. „Ik kom in de -bierbrouwerij van m’n oom! Dan weet je wat je hebt.” - -Bontekoe mat Padde glimlachend van het hoofd tot de voeten. „Je hebt -groot gelijk, hoor. ’n Best vak!” En Bontekoe zette zich bij de heeren, -die achter in de tjalk hadden plaats genomen. - -„Ik voel me nou al beroerd van dat ellendige schommelen”, verklaarde -Padde, toen hij bij Rolf, die voorin zat, belandde. En slechts de -overtuiging, dat zijn vriend het later nòg noodiger zou hebben, -weerhield hem om uit Grietjes fleschje te proeven. - -„Je voeten zullen wel koud zijn”, zei Rolf. - -Padde voelde het als een verwijt. „Spring jij ’ns zoo’n end!” gromde -hij. - -Hajo zat bij den mast en keek met nog vochtige oogen naar de flauwer -wordende omtrekken van het stadje, dat zachtkens in de sluiers van den -nevel wegzonk. Toen kwam suizend de boom aanscheren: het zeil werd -omgegooid. Hajo bukte bliksemsnel het hoofd en voelde zich weer in de -werkelijkheid verplaatst. - -Tot Enkhuizen moest er gelaveerd worden; daarna verliep de vaart -vlotter. Ze kregen nu den golfslag aan stuurboordzij, zoodat de tjalk -geducht heen en weer zwaaide, en het Padde slecht te moede werd. Zijn -oogen verfletsten; hij werd akelig bleek. „Ik wou, dat ik maar dood -was”, verklaarde hij. - -„Wil je wat uit Grietjes fleschje?” vroeg Hajo. - -Er was een oogenblik van heftigen tweestrijd in Padde. Maar zijn goede -inborst zegevierde. „Je denkt toch niet, dat ik zeeziek ben?” vroeg -hij. „Dat fleschje helpt me niks. Ik ben wat beroerd, omdat ik vannacht -geen oog heb dichtgedaan; dat is alles.” En om te bewijzen, dat dat -„alles” was, boog hij zich snel overboord, om zich eerst na geruimen -tijd nog veel bleeker om te draaien. - -Het was zonnig weer. Een blauwe lucht. De Oostenwind hield staag aan. - -„Als het zoo blijft, varen we nog vanmiddag uit”, zei Bontekoe tot de -andere heeren. „Wat denk jij van den wind, Blok?” - -„Dat ie mooi is uitgeschoten en goed vast zit, schipper!” - -Een uur later kwam Texel in het zicht. De gele duinen blonken in het -zonlicht; hier en daar schitterde een rood dak, en..... en.....! - -„De Nieuw-Hoorn!!!” schreeuwde Hajo, terwijl hij met de hand naar voren -wees. „Padde!” En hij greep zijn makker bij den arm en duidde hem -opgewonden een vlekje met een paar rechtopstaande lijntjes. „Padde dan -toch! Kijk, Padde!!” - -„Ik zie niks”, beweerde Padde. „M’n oogen doen zeer van den slaap. Maar -ik zal..... ik zal je uitrusting halen”. En Padde wankelde naar de -plaats, waar Hajo’s kist en ruilmateriaal geborgen waren. - -„Er ligt er nog een!” riep Rolf. „Daar, links er van!” - -„D’r liggen d’r drie”, zei Blok. „Maar de middelste moeten we hebben.” - -Bontekoe zag intusschen vol belangstelling toe, hoe Padde bezig was -Hajo’s hebben en houwen naar voren te sleepen. „Van wie is dat alles?” -vroeg hij. - -„Van Hajo, schipper.” - -„Wel-wel! Roep jij Peter Hajo eens even hier?” - -Padde rook onraad. „’t Is om te ruilen, schipper. Tegen de wilden!” - -„Als je in m’n dienst stond, zou ik je voor dat tegenspreken in het -eindje touw laten bijten”, zei Bontekoe. - -Toen haastte Padde zich om ’s schippers bevel op te volgen. - -„Hou je taai”, fluisterde Rolf Hajo in het oor. „Hij is heelemaal niet -kwaad.” - -Maar Hajo voelde zich allesbehalve „taai”, toen hij voor den schipper -stond. - -„Is dat jouw uitrusting, Peter Hajo?” De stem klonk onheilspellend. - -„Ja-jawel, schipper.” - -„Wat wou je met dat alles doen??” - -„Inruilen, schipper.....” - -„Wou jij op eigen houtje handeldrijven en de Compagnie benadeelen?” - -„Handel drijven, schipper.....?” - -Padde was weer naderbij gekomen. „’t Is om z’n leven te redden, -schipper.....” - -Bontekoe keek verwonderd op. „Ik spreek met hem en niet met jou.” - -Padde begreep er niets van. „’t Is m’n vrind, schipper.” - -„Pak je weg, of je gaat overboord!” fluisterde Blok den dapperen Padde -toe. - -Dat werkte. Padde keerde subiet om en ging naar Rolf, al pruttelend -over de tegenwerking, die Hajo ondervond. - -Bontekoe liet een onderzoekenden blik over het rommeltje gaan. „Wat wou -je met die kraai doen? Ook inruilen?” - -„Nee, schipper. Dat is Gerrit. Die gaat..... die gaat voor de -gezelligheid mee.....” - -„Voor de gezelligheid. Zoo-zoo. Hoe kom je aan Gerrit?” - -„Uitgehaald, schipper. Toen ie nog jong was.” - -„Ka!” schreeuwde Gerrit. - -De heeren konden hun vroolijkheid niet verbergen, en Hajo schepte moed. -„’t Nest zat in de galmgaten van de Sint-Anthonis, schipper. De koster -heeft er niets van gemerkt.” - -„Hoeveel jongen zaten er in?” vroeg Bontekoe. - -„Drie, schipper.” - -„Drie? Gewoonlijk heeft ’n kraai er vier, hè?” - -„Jawel, schipper, deze ook. Maar ik had er een uitgehaald.” - -Bontekoe beet zich op de lippen. „Nu, ’t valt me tenminste mee, dat je -er drie hebt laten zitten. Is ’t daar goed mee afgeloopen?” - -„Jawel, schipper. Schouwen Doedes heeft er een van, en Klaas van den -Hoogen Dijk had er twee, maar eentje heeft zich aan een pier verslikt. -’k Had ’m ’t nest verkocht. Maar Gerrit is de slimste, schipper! Hij -verstaat alles! En wegvliegen doet-ie ook niet meer.” - -„Is hij zoo tam?” - -„Ja, schipper. Ik heb ’m gekortwiekt.” - -De heeren begonnen te lachen. „Kijk eens, Peter Hajo”, zei Bontekoe, -„als mijn bootsman Folkert Berentsz. je met zoo’n inboedel aan boord -ziet stappen, gooit hij jou mèt Gerrit in de Noordzee. Daarom is het ’t -beste, dat je hem zegt: de schipper vraagt of er een plekje voor vrij -is.—Verstaan?” - -„Jawel, schipper!” Hajo glunderde. - -„Snij dan maar uit.” - -Dat deed Hajo. Zijn hart woog licht als een veertje, toen hij naar -voren ging. - -Ook Padde was opgetogen en stak zijn vreugde over den gunstigen uitslag -niet onder stoelen of banken. Maar Hajo luisterde niet naar hem, keek -zijn oogen uit naar de Nieuw-Hoorn, die grooter en grooter werd. Hoe -trotsch hief het schip zijn hoogen steven uit het groen-grijze water! -Langzamerhand kon Hajo de gebeeldhouwde figuren van den fraaien spiegel -onderscheiden, het rank uitgebouwde galjoen, de dreigende -geschutpoorten met de ronde vuurmonden..... - -Boem! Boem! Twee blanke wolkjes stegen aan weerszijden van het schip -op, en in hetzelfde oogenblik wandelde langs een lijntje een bonte doek -naar het topje van den grooten mast: de vlag der Oost-Indische -Compagnie! Blok liet zich niet onbetuigd en hiesch den Hoornschen -Eenhoorn. Hajo rilde van opwinding. Hij had een haast onweerstaanbaren -drang om luid: Hoera! te schreeuwen en te gaan dansen op den planken -vloer. Dat was nu zijn schip! Dat was het schip, dat hem door duizend -gevaren en avonturen heen zou brengen naar het groote droomland..... -Indië! - -Een half uur later legde De Hoornsche Zon zich tegen de Nieuw-Hoorn -aan. Een touwladder werd omlaag geworpen; de heeren klommen naar boven. -Daarna volgde Hajo, achter hem Padde, om te helpen dragen, en ten -slotte Rolf. - -„Vang je me, als ik val?” riep Padde klagend omlaag. En toen, een -hartverscheurenden kreet slakend: „M’n koffiemolen!!” - -Een plons duidde aan, dat de koffiemolen te water was geraakt. Met -bevallige schommelbewegingen zonk hij de diepte in. - -„Ka!” riep Gerrit verschrikt. - -En Rolf zei, bedaard als altijd: „Ik heb hem haast op mijn hoofd -gekregen.” - -„Terug!” jammerde Padde. „Hajo moet de koffiemolen meehebben!” - -„Hij is gezonken”, antwoordde Rolf op een graftoon. „Je zult er naar -moeten duiken. Vooruit, schiet op, anders val jij ook nog op m’n -hoofd.” - -Al jeremieerend vervolgde Padde de klimpartij. Zoo kwamen ze boven, -waar een stelletje janmaats hen met hoongelach ontving. „Groentjes!” -werd er geroepen. „Ik ruik landrotten!—Een kraai!” - -„We zijn met z’n drieën,” zei Rolf. „Als ze een vinger uitsteken, slaan -we er op.” - -Hajo beet de tanden opeen. - -En Padde schreeuwde: „Vooruit! Wijs ons waar we heen moeten!” - -Allen begonnen te proesten. Maar een goedige kok met wit voorschoot en -een blozend gelaat kwam op de jongens toe en zei: „Laat ze maar lachen. -Ze meenen het zoo kwaad niet. Kom mee, ik zal jullie naar ’t vooronder -brengen.” - -„Dat zou ik ook denken!” mopperde Padde. - -Zoo kwamen ze, na een trapje te zijn afgedaald, in de slaapplaats voor -het volk. „Hier, deze matten zijn vrij,” zei de kok. „Ja, de beste -plaatsen zijn natuurlijk weg; je hebt hier nogal eens kans op een -zeetje. Maar dat went wel, hoor. Stop die rommel maar gauw weg, voor de -bootsman ’t ziet! Maar waar moeten we met die kraai heen? Die hou je op -den duur onmogelijk verborgen.” - -„Ka!” bevestigde Gerrit. - -„Hoeft ook niet”, zei Padde. „De schipper kent ’m.” - -„Dat scheelt een duit op een stuiver”, verklaarde de kok. „Hier is een -spijker, hang daar de kooi maar zoolang aan op. Ziezoo,—nou kun je het -verder wel vinden. Ik heet Bolle. Ja, ik heet eigenlijk anders, maar de -maats noemen me Bolle, omdat ik met Kerstmis en nieuwe jaar altijd van -die lekkere bollen bak, zeggen ze. Dat treffen jullie dus net. Ja, ik -zelf lust ze niet, hoor!” - -„Waarom niet?” vroeg Padde. - -„Omdat ik me er tegen heb gegeten. Op een kaperschip. Dat zal ik jullie -weleens vertellen. En Maleisch zal ik je ook leeren. Stom-eenvoudig. -Ajer is water, kapal is schip, en wat je niet weet, dat blijft zoo.” En -Bolle verdween met een vriendelijken hoofdknik. „Zie maar gauw, dat je -die rommel wegkrijgt! Als Berentsz. ’t ziet.....!” - -De jongens bleven alleen en keken in het rond. - -„Die kok moet je te vrind houden, Hajo!” raadde Padde. „Ik zou die -bollen ook weleens willen proeven.” - -„Om van de schrik over de koffiemolen te bekomen?” vroeg Rolf. - -Padde zuchtte. „Praat me er niet van! Je zult zien, dat de reis -verkeerd afloopt. Die Berentsz. schijnt ook een kwaaie te zijn!” - -„Er is hier niet veel frissche lucht,” stelde Rolf vast. En hij gooide -een luik open. - -Padde jammerde nog wat door over zijn koffiemolen. Eindelijk werd hij -er moe van, geeuwde ontzagwekkend en zuchtte: „Daar zitten we nou. Daar -heb ik verkleumde voeten voor opgehaald en den heelen nacht voor wakker -gelegen, om hier te zitten zonder koffiemolen! Kom, ik ga ’t schip eens -bekijken. Gaan jullie mee naar boven?” - -„Zoometeen”, was Rolf’s antwoord. „Peter en ik moeten eerst ons boeltje -nog wat schikken, en ik voor mij eet ook even m’n boterham op.” - -Op het woord „boterham” keek Padde om. „Ja-ja”, zuchtte hij en aarzelde -met weggaan. - -Rolf begreep. „Hier, Padde, neem jij dit.” En hij duwde hem een pakje -boterhammen in de hand. - -„En jij dan?” vroeg Padde, het papier openvouwend. - -„Ik heb in m’n kist nog genoeg.” - -Padde zette z’n tanden in het brood. „Mm! Rookvleesch! Die moeder van -jou heeft het goed met je voor, zeg!” - -Hij, noch Hajo merkte op, dat Rolf zich plotseling afwendde. - -Padde geeuwde nog eens hartgrondig en vervolgde: „Ik zal toch maar vast -naar boven gaan. De lucht is hier nog altijd even beroerd.” En hij -wankelde het trapje op, stootend tegen een deurpost..... - -Een kwartier later wilden Rolf en Hajo hem volgen. Maar ze hadden hun -neus nog niet buiten de deur gestoken, toen een zware stem hun -toebulderde: „Donder en bliksem! Loopen jullie nou al te luibuizen?! -Daar staat een schrobber! Water is d’r zat, kijk maar om je heen. En -jij, alsjeblief, een zwabber! Wat hij schrobt, zwabber jij. Verstaan?” - -„En wat moet ik schrobben, bootsman?” - -„Donder en bliksem! Wàt je schrobben moet?! Het schip moet je -schrobben! Wou jij de zee schrobben? Je begint bij ’t achterste -boevenet en eindigt met ’t galjoen en de boegspriet. Als ik straks nog -een smerig plekje vind, word je allebei gekielhaald. Vort! Aan het -werk!” En Folkert Berentsz., bootsman op den Oostinjevaarder -Nieuw-Hoorn, vervolgde zijn gevreesden ommegang. - -Hajo pakte den schrobber en sloeg verwoed aan het werk. - -Maar Rolf mat met zijn oogen de geduchte oppervlakte van het schip en -zei toen, terwijl hij Hajo meevoerde: „We zullen ons vandaag tot het -achterdek bepalen. Het is onmogelijk om in één middag het heele schip -te schrobben,—en dat weet donder en bliksem ook wel.” - - - -Terwijl de beide jongens schrobden en zwabberden, dat het rondom -spatte, ging schipper Bontekoe na, of alles voor de uitreis gereed was. -De wind beloofde Oost te zullen blijven, en de schipper stuurde een -paar booten naar den wal om versch water te halen. Rolf zag, hoe het -aan boord geheschen werd. „We gaan vandaag weg,” zei hij tot Hajo. „Nog -vlugger dan ik dacht.” - -„Maar hoe weet je, dat we weggaan?” - -„We nemen water in. Dat is altijd het laatste wat er gebeurt.” - -Hajo keek rond. „Waar zou Padde zitten? Ik zie hem nergens.” - -„Hij zal naar z’n koffiemolen visschen”, meende Rolf vroolijk. „Wacht, -daar komt Blok aan.—Heb jij Padde soms gezien, Blok?” - -„Jawel, die ligt onder in de tjalk te snurken. Ik ga zoometeen weg, -maar ik zou ’m maar kalm op één oor laten. Anders gaat ie nog mee naar -Oostinje!” - -„Ja-ha!” lachte Rolf. „Dat zou voor de bierbrouwerij van z’n oom een -schadepostje zijn.” - -„En, jongens?” vroeg Blok. „Kennen jullie de bootsman al zoowat?” - -„Nou!” zei Rolf. „Beter dan hij mij kent.” - -Blok schudde met vroolijken spot het hoofd. „Da’s andere koek dan bij -Wouter ’n beetje in ’t vuur blazen en ’s avonds appelen rapen in ’t -Sinte Clarens, hè?” En lachend daalde hij weer den valreep af naar de -tjalk. - -De jongens zetten hun werk weer voort. - -Hajo boende van heb-ik-jou-daar! Elk plekje, dat hij had geschrobd, -bekeek hij met voldoening. Dat plekje kende hij, en het kende hem. - -Hajo was bezig een innige vriendschap te sluiten met de Nieuw-Hoorn! - - - -Een poos later greep Rolf zijn makker bij den arm. „Daar.... gaat de -tjalk!” - -Hajo staarde met groote oogen naar het wegzeilend vaartuigje, dat Rolf -hem wees. Toen snelde hij naar de verschansing en zag, dat De Hoornsche -Zon inderdaad was weggevaren. „Padde!” schreeuwde hij. „Dag, Padde!!!” -En met den grooten, rooden zakdoek, dien Padde’s moeder hem gegeven -had, wuifde hij uit alle macht, terwijl de tranen hem over de wangen -biggelden. „Dag, Padde!! Padde!!!” - -Hij merkte het niet, dat het op het benedendek rumoeriger werd; het -heen en weer hollen der maats hoorde hij niet, noch het klapperen der -ankerpallen en het verwarde stemmengeroezemoes achter en om en beneden -hem. „Dag, Padde!! Padde!” riep hij. En hij wuifde, wuifde al maar -door. - -Toen dreunde het onder de planken vloer onder zijn voeten: donderende -kanonschoten deden zijn ooren daveren; een wolk van rook omhulde het -schip. Half bedwelmd wendde Hajo zich om. In het want en op de ra’s -krioelde het van janmaats; de zeilen werden losgegooid en sloegen -klappend uit in den wind, tot gebruinde knuisten ze hadden vastgesjord; -een machtig: Hoera!!! steeg op uit twee honderd kelen. - -Hajo hield zich vast aan het want; haalde diep adem. - -De Nieuw-Hoorn stak in zee. - - - -Droomend hingen Rolf en Hajo over de verschansing en tuurden naar het -grijze streepje land, dat smaller en smaller werd. Zwijgend blikten ze -over de wijde, groenige watervlakte, rondom het schip gemarmerd door -het schuim. Een paar meeuwen dwaalden om de masten, met kalmen, -geluidloozen wiekslag. - -Toen..... hoorden ze achter zich een licht gedruisch. Ze wendden zich -om en..... en..... zagen vanuit het gat van het vooronder het bleeke, -van slaap vertrokken gelaat verschijnen van Padde, die stotterend -vroeg: „Wat..... wat was dat met die kanonnen, Hajo?” - - - - - - - - -OP ZOEK NAAR DEN BOTTELIER - - -Aan de zware, eikenhouten tafel in de groote scheepskajuit van de -Nieuw-Hoorn zaten schipper Bontekoe en koopman Rol tegenover elkaar. De -eerste bestudeerde ingespannen een groote zeekaart en mat met een -passer enkele afstanden. De koopman liet zijn oogen gaan over lange -cijferreeksen, maakte nu en dan een aanteekening en verdiepte zich in -nieuwe tabellen met cijferreeksen. - -Stilte in het vertrek. Stilte, die volkomen paste bij de waardige, -haast plechtige stemming in dit heiligdom: de kajuit van den schipper! - -Plotseling hieven beide heeren het hoofd op: voor den ingang van de -kajuit was een tumult ontstaan. „Laat me er door!” schreeuwde een stem. -„Ik wil de schipper spreken. Laat me er door, zeg ik je!” Op hetzelfde -oogenblik werd de deur opengerukt, en een jongen van geen vijf Friesche -turven hoog stormde het vertrek binnen, op den voet gevolgd door den -waardigen, reeds grijzenden scheepsbarbier, in de wandeling „Vader -Langjas” genaamd. - -De vermetele binnendringer—wie was het anders dan Padde?—staarde met -oogen, waarin de ontzetting lag uitgedrukt, in het strenge gelaat van -Bontekoe. „Meneer..... de tjalk is weg!” - -„Schipper! Die drommelsche aap van een jongen..... hm!” gromde de -barbier verontwaardigd en naar adem happend. - -„Ga jij je gang maar, Vader Langjas”, zei Bontekoe. „Ik zal met den -jongeman wel even afrekenen.” - -„Ik zal gaan, schipper. Maar die drommelsche kwajongen... hm!” En -grimmig sloot Vader Langjas de deur achter zich. - -Padde viel voor den schipper op de knieën. „Schippertjelief, keer om! -O, alsjeblief.....!” - -„Sta jij eens op,” zei Bontekoe op een toon, die weinig goeds -voorspelde. - -Padde kroop weer overeind; zijn oogen zwommen in tranen. „Schippertje, -toe.....!” - -„Vertel jij mij eens kort en duidelijk waarom je niet op de tjalk zit! -En geen uitvluchten, alsjeblieft.” - -„Ik ben in slaap gevallen, schippertje! Vannacht heb ik geen oog -dichtgedaan.....” - -„Wat drommel, was dan in de tjalk gaan slapen!” - -„Dat heb ik gedaan, schippertje! Maar die schommelde zoo -verschrikkelijk, en toen ben ik weer aan boord gegaan. O, hemeltje, -toen al die kanonnen in eens.....!” - -„Die kanonnen heb je dus gehoord?!” - -„Jawel, schipper, maar ik dorst niet naar buiten te komen, met al die -kanonnen! Ik dacht..... ik dacht, dat er Duinkerkers.....!” En Padde’s -verwilderde oogen vulden zich opnieuw met angst voor die geduchte -piraten. - -„Aap van een jongen, was toch voor den dag gekomen; dan had je nog -terug gekund!” - -„En nou niet meer, schipper?!” Het klonk als een noodkreet. - -Bontekoe wist niet goed wat hij er aan had. „Hoe zit het nou eigenlijk! -Sta je me hier voor ’t lapje te houden? Biecht nou maar eerlijk op hoe -de vork in de steel zit. Wilde je met je vriend mee?” - -Padde’s oogen dreigden uit de kassen te vallen. „Mee naar Oostinje??!” -stamelde hij. De arme jongen greep zich in de haren. „Ik ga toch in de -bierbrouwerij van m’n oom?!—O, schippertje, schippertjelief, keer om, -in ’s hemelsnaam.....!” En opnieuw zonk Padde voor Bontekoe’s voeten -neer en trachtte zijn handen te grijpen. - -Bontekoe zag in, dat hij zich vergist had. Hij deed een paar passen -door het vertrek en vroeg toen: „Jij heet Padde, hè?” - -„Padde Kelemeijn, schipper. Van de Appelhaven.” - -„Luister goed, Padde Kelemeijn. We zullen je hier aan boord een werkje -verschaffen, want ledigheid is ’s duivels oorkussen. En als je goed -aanpakt, en we mochten toevallig een schip ontmoeten, dat weer naar -Holland gaat, dan zullen we je daar op zien over te zetten.” - -„Wanneer zou dat zijn, schipper?” - -„Dat kan vandaag nog gebeuren, en ’t kan ook nog wel drie maanden -duren.” - -„Drie maanden.....” herhaalde Padde toonloos. - -„Maak je geen zorgen,” troostte Bontekoe. „Je bent hier goed onderdak, -en je moeder zal, als ze je behouden terugziet, veel te blij zijn om -nog aan slaan te denken.” - -Padde sprong overeind. „M’n moeder slaat me nooit, schipper!” - -„Je hebt anders alle recht op een flink pak op je broek,” was -Bontekoe’s meening. „Maar we zullen eens even naar een geschikte -bezigheid voor je zoeken. Kun je klimmen?” - -„Klimmen, schipper?” - -„Ja. In een touw bijvoorbeeld.” - -„O..... nee, schipper. In een touw niet.” - -„Op een ladder wel?” vroeg Bontekoe. - -„Op een ladder wel!” haastte Padde zich vol ijver te verklaren. - -Bontekoe wierp den koopman een vroolijken blik toe. „Dan zullen we een -botteliersmaat uit je maken. Meteen een goede voorbereiding voor de -bierbrouwerij! Vraag maar aan de maats, of ze je de bottelier even -willen wijzen, en zeg hem, dat je hem helpen moet. Begrepen?” - -„Jawel, schipper.....” - -„Goed zoo. De deur is achter je.” - -„Jawel, schipper.....” Padde bleef staan. - -„Ben je nog niet weg?” - -„Schipper..... schippertje.....” Padde’s oogjes knipten smeekend, „zou -je nou heusch niet even terug willen zeilen?” - -Dat was te kras. Bontekoe maakte een beweging, die Padde aanleiding -gaf, met zooveel spoed de kajuit te verlaten, dat hij buiten de deur -een dikken, blozenden, vriendelijken, eenigszins scheelzienden man -pardoes omver liep. „Kijk uit je oogen!” snauwde Padde. - -De man krabbelde sprakeloos van verwondering weer overeind. - -En Padde vervolgde grimmig zijn weg. Een lange, schrale janmaat met -rood haar en groene, glazige oogen als van een visch werd het eerst -door hem aangeklampt. - -„Waar is de bottelier?!” - -De kerel keek Padde van uit de hoogte aan. „De bottelier? Drie maal ’t -schip rond, de vierde hoek van ’t zeil om, en dan aan ’t vijfde touwtje -trekken, dan komt ie.” - -„Wil je op je ziel hebben?” vroeg Padde. - -De vent begon te grinneken als een geit. - -Padde snoof en brieschte en pakte een ander bij z’n jas. „Waar is de -bottelier?!” - -De maat, een ineengedoken, stevig kereltje met slimme oogjes, keek van -zijn werk—het inleggen van een touw—op. „Wat kan ik verdienen, als ik -je ’m wijs?” - -„Ik zal aan de schipper vertellen wat een lamme kerels jullie zijn!” -verzekerde Padde. - -„Dat verandert,” zei de man. „Luister goed! De bottelier is vast op ’t -schip: ik heb ’m vóór twee reizen nog gezien. Loop maar ’n eindje door, -dan zul je ’m wel vinden. ’t Is zoo’n lange, magere, korte, dikke -kerel.” - -Padde was alweer verder, beproefde zijn geluk bij een drietal janmaats, -die over de verschansing hingen en pruimden. - -„De bottelier?” vroeg de grootste, die een scheef gezicht en daarin een -half dicht oog bezat. „Weet je wat je vooral niet vergeten mag, als je -de bottelier zoekt?” - -„Nou?” vroeg Padde weifelend. - -„Wel verduiveld, nou ben ik het zelf vergeten!” zei de vent. - -„Heb jij je eene oog ook vergeten?” vroeg Padde. Toen sprong hij -haastig ter zijde. - -Padde klaagde zijn nood bij een trouwhartigen, baardigen zeerob, die -aan het smeren van een ankerspil zijn zorgen wijdde. „Ja, ze zullen je -wel leelijk voor de mal houden!” zei deze, terwijl hij zijn klare oogen -medelijdend op den nieuwbakken botteliersmaat richtte. „Je moet -rekenen: je bent een groentje, hè? Maar ik zal je den bottelier wijzen, -hoor, heb maar ’n oogenblikje geduld. Die spil moet eerst even geolied -worden. Help maar ’n handje, dan gaat het gauwer.” - -„Graag!” zei Padde, blij, dat hij den trouwhartigen, vriendelijken -zeerob een wederdienst kon bewijzen. - -„Je bent een brave jongen”, verklaarde deze. „Hier is olie. Smeer maar -raak.” - -En Padde smeerde, tot de spil en hij zelf om het meest glommen. - -„Goed zoo!” prees de trouwhartige zeerob. „Je zult het gauw -leeren.—Ziezoo, nou deze spil ook nog maar even.” - -Padde was alweer aan het werk. De lof, die de ervaren zeerob aan zijn -smeer-talent had toegezwaaid, prikkelde Padde: hij smeerde nu zoo -aandachtig en ijverig, dat hij niet merkte, hoe zijn kameraad er maar -met de handen in de zakken bij was gaan zitten, een vroolijk wijsje -tusschen de tanden floot en goedkeurend met het hoofd knikte. - -Toen de spil gesmeerd en Padde achter adem was, zei de trouwhartige -zeerob: „Ik verzeker je, dat ik het zelf niet beter had kunnen doen. -Kom, nou de spil van het plecht-anker.” - -Padde keek sip. „En de bottelier?” vroeg hij. - -„Plicht gaat voor, jongen,” verklaarde de trouwhartige zeerob. „Eerst -nog even de spil van het plecht-anker!” - -„Maar ga je dàn heusch met me mee?” vroeg Padde. - -„Ja. Als ik eerst in de fok ook nog wat geklaard heb.....” - -„En wanneer zou dàt afgeloopen zijn?” vroeg Padde weifelend. - -„Dat hangt er vanaf”, zei de trouwhartige zeerob. „Als jij me helpt, -zijn we in een stevig uurtje klaar. Maar anders gaat m’n heele middag -er mee heen.” - -Padde’s oogen schoten vol tranen; hij wendde zich af en begon te -snikken. - -„Ja..... plicht gaat voor,” zei de trouwhartige zeerob. En hij pakte -zijn pot met smeer op en begaf zich in de richting van de plecht. - -Padde bleef staan, de wanhoop in het hart. Hij voelde zich van de heele -wereld verlaten en wenschte, dat de Nieuw-Hoorn vandaag nog met met man -en muis zou vergaan. Hij snikte hoe langer hoe luider, en hoe meer hij -snikte, des te ontzettender vond hij zijn eigen toestand. - -Maar onverwachts werd hij op den schouder getikt. Hij wendde zich om en -zag in het blozende gelaat van den schelen dikzak, dien hij, uit de -kajuit komende, omver geloopen had. - -„Wat scheelt er aan, kereltje?” vroeg de man vriendelijk. - -Maar Padde had zijn vertrouwen in de menschheid verloren. „Gaat je geen -spaan aan!” gromde hij. „’k Heb niks.” - -„Maar als je niks mankeert, waarom sta je dan te grienen?” vroeg de -man. - -Padde haalde de schouders op. „Jij bent zeker ook gekomen, om me voor -de gek te houden, hè? Ja, trek maar geen gezicht alsof je niet weet, -dat ik de bottelier zoek. Jullie kunt knappen!” - -„De bottelier? Zoek je de bottelier? Wel, da’s merakel: ik ben de -bottelier!” - -Padde kon een kreet niet onderdrukken. „Is ’t heusch?! Hou je me niet -voor de gek?” - -„Welneen-ik,” zei de dikkert. „Dat verzeker ik je, hoor, dat ik de -bottelier ben.” - -Padde vloog hem om den hals. „Ik moet je helpen! De schipper heeft het -gezegd!” - -„Wel, da’s merakel, ik had de schipper juist om een jongen voor de -bottelarij......” De man stokte, deed een paar passen terug en staarde -Padde aandachtig aan. „Wel, da’s een merakel”, fluisterde hij. „Da’s -nou waarachtig ’n groot merakel. Je lijkt..... je lijkt op m’n jongen.” - -„Is die hier ook op ’t schip?” vroeg Padde. - -De schele dikzak wilde wat zeggen, maar slikte het weer weg en schudde -ontkennend het hoofd. - -„Waar is ie dan?” vroeg Padde. - -De bottelaar kuchte, legde zijn hand op Padde’s schouder en gaf toen -het zonderlinge antwoord: „D’r staan..... d’r staan nog wel twintig -kruiken, die allemaal moeten worden gespoeld. Kom..... kom jij maar -mee, kereltje.” - - - -Ook Gerrit doorleefde dien eersten namiddag aan boord stoere -oogenblikken. Terwijl hij in het schemerdonker van het vooronder in -zijn kooi zat te overpeinzen, dat hij voor een doodgewone torenkraai -toch een merkwaardig bewogen leven had, kwamen drie mannen -binnenstappen. - -„Alsjeblieft!” zei een van hen, een forsche kerel, die een weinig mank -ging. „Daar ligt het zoodje!” En hij sleurde Hajo’s „ruilhandel” te -voorschijn. „Wat zullen we er mee doen? Ze moeten gepest worden, dat -staat vast: groentjes moeten gepest worden.” - -„Gepest worden,” bevestigde de tweede, een kerel met een door de pokken -geschonden gelaat. - -„Hè-hè-hè!” grinnikte de derde, een ietwat gebogen manneke. - -„Wat we kunnen doen,” zei de manke, „is: de heele rommel zoek maken.” - -„Zoek maken!” riep de pokdalige. - -„Hi-hi-hi!” grinnikte de kleine. - -„Ka!” riep Gerrit. - -De drie mannen schrokken; de kleine verslikte zich. Toen begon de manke -te lachen. „Wel verduiveld!” riep hij. „Die kraai zullen we de nek -omdraaien!” - -„Nek omdraaien!” stelde de pokdalige voor. - -De manke ging naar de kooi en trachtte den bewoner ervan te grijpen. -Maar Gerrit was zoo vlug als een goed opgevoede torenkraai maar zijn -kan. - -„’n Aardig beessie”, verzekerde de manke. - -„Pik!” zei Gerrit en hakte met z’n snavel. - -„Als ik ’t mormel in m’n vingers krijg!” dreigde de kerel vloekend. En -hij kreeg het in zijn vingers en sleurde zijn glanzend-zwarten -gevangene naar buiten. „Zoo, maak nou je testament maar!” - -Maar terwijl Gerrit daarmee bezig was, klonken er buiten voetstappen. -De mannen hielden zich koest. - -Hajo kwam het vooronder binnen, zag met een oogopslag den rommel op den -grond, en merkte, dat de manke iets verborgen hield. „Wat heb je daar!” -zei hij, terwijl hij zich resoluut voor den kerel plaatste. - -„Dat raakt je niet!” - -„Ka!” schreeuwde Gerrit. - -Het bloed steeg Hajo naar het hoofd. „Laat los die kraai! Hij is niet -van jou.” - -„Van jou dan zeker! Laat de bootsman ’m maar niet zien!” - -„Laat hem los!” dreigde Hajo. - -„Ik zal ’m voor je oogen z’n nek omdraaien,” verklaarde de manke. - -Toen gebeurde het. Hajo greep de kooi van den wand en smakte ze in -blinde drift den kerel op het hoofd. Het kon niet mooier: de oude, -vermolmde bodem begaf zich, en de kooi kwam om ’s mans nek te hangen. -Hij moest den luid schreeuwenden Gerrit loslaten om zich van het -koperen tralienet te verlossen. Daarbij raasde en tierde hij als een -bezetene. „Ik zal je, kleine salamander!” - -En terwijl Gerrit met haastige sprongen, half fladderend een goed -heenkomen zocht, stond Hajo met gebalde vuisten, bevend van opwinding, -den aanval van den manke af te wachten. - -Deze liet zich niet lang onbetuigd. Nauwelijks had hij zich van de kooi -bevrijd, of hij kwam schuimbekkend op den scheepsjongen af. Een -verwoede worsteling, vol belangstelling gadegeslagen door de twee -anderen, volgde. - -En juist toen Hajo, ondanks zijn weergalooze vlugheid, dreigde te -bezwijken onder het ruw geweld van den veel sterkeren janmaat, kwam -Folkert Berentsz. het vooronder binnen. Zien en handelen was voor den -wakkeren zeeman één. De manke voelde zich stevig in het nekvel gegrepen -en liet verbouwereerd zijn tegenstander los. - -„Donder en bliksem! Sta je hier met een scheepsjongen te vechten?!” - -„’n Mooie scheepsjongen!” gromde de manke, terwijl zijn losgeraakt -boezeroen weer in de broek stopte en z’n pols aflikte, die geschaafd -was. „’n Mooie scheepsjongen! De salamander heeft die kooi op m’n kop -stukgeslagen!” - -De gevreesde bootsman richtte z’n oogen dreigend op Hajo. - -„Hij wou m’n kraai de nek omdraaien, bootsman!” - -„Ka!” riep Gerrit. - -„Je kraai?? Wat doe jij hier met een kraai?!!” - -„De schipper kent hem”, zei Hajo. - -„Kijk hier eens, bootsman!” klonk het uit den mond van den manke. „Kijk -eens wat een rommeltje dat heerschap bij zich heeft!” - -„Donder en bliksem.....,” stotterde Berentsz. - -„De schipper weet er van, bootsman, en laat vragen.....” - -„De schipper, de schipper, de schipper.....!” gromde Berentsz. „’n -Mooie boel tegenwoordig! Toen ik scheepsjongen was.....!!—Jij, -Boutjens, kunt in elk geval op een nacht in ’t schavuitengat rekenen!” -snauwde hij den manke toe. „En jou, jongeman, zal ik in de gaten -houden. En je kraai ook! Donder en bliksem!” - -Weg was de bootsman. - -Hajo zocht zijn inboedel bij mekaar, raapte de kooi op en trachtte er -den bodem weer in te duwen. - -De drie mannen verlieten mokkend en scheldend het vooronder. - -Hajo ademde diep. Hij ging op de kist zitten, die baas Wouter hem had -meegegeven, steunde het hoofd in de handen en staarde voor zich uit -langs de lange rij kribben. - -Het geluk, het onmetelijke, verblindende geluk, waarvan de weerschijn -daarstraks nog in zijn oogen schitterde, was vertroebeld. Vol weemoed -dacht Hajo aan baas Wouter, aan zijn broertje, zijn zusjes en aan..... -„Als je ooit eens verdriet hebt, zeg dan maar gerust: Mijn moedertje -denkt aan mij.....”—Moeder..... Moedertje! - -Hajo sprong overeind, liep een paar passen op en neer en snelde toen -naar buiten. - -Het was allengs duister geworden. - -De frissche zeelucht deed Hajo goed; met volle teugen snoof hij ze op. -Hij leunde over de verschansing en keek naar het blanke schuim, dat -wegscheerde langs den boeg, en naar de lichtende koppen op de donkere -golven. Er was geen maan; een handvol bleeke sterren lag verdwaald over -het uitspansel. - -Allengs kwam Hajo weer tot rust. Hij luisterde naar het zuchten van den -wind, het klapperen van een losgewerkten hoek van een der fokzeilen, -het gekreun der golven, die smartelijk scheurden onder den scheepsboeg, -naar het eentonig gezang der roergangers: - - - „Wie heeft er nooit dat schip gezien - Met zeuven zwarte masten? - Zwart zijn de zeilen; zwart is het want; - Aan boord staan vreemde gasten! - Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.....! - - Een duivel zit op het galjoen; - De dood staat aan het roer; - In de kombuis blaast in het vuur - Een zwarte duivelsmoer! - Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.....!” - - -„Hallo!” klonk het achter Hajo. En daar stond Rolf. „Hallo, Hajo! Ik -zoek je overal! Waar was je ineens gebleven?” - -Hajo vertelde zijn wedervaren. - -„We zijn met z’n beiden”, zei Rolf, toen Hajo had uitverteld. „Wie het -een van ons lastig maakt, krijgt er met twee te doen!” - -Daar kwam Padde aansukkelen. - -„Hallo, Padde!” riep Rolf uit, „zien we jou ook eindelijk? De schipper -zal wel ’n hartig woordje met je hebben gesproken?” - -„’k Ben botteliersmaat,” zuchtte Padde. „Hij wil niet meer terug. -Hemeltje, wat zal m’n moeder zeggen! En dat allemaal door die ellendige -kanonnen!” - -„Als die niet hadden geschoten, sliep je nou nog”, wierp Rolf in het -midden. - -„Was ’t maar waar,” klaagde Padde. „Ik val om van de maf”. - -„Ik doe een voorstel, Padde!” zei Rolf. „We sluiten een driemanschap. -We hebben dezelfde vrienden en dezelfde vijanden en helpen mekaar -altijd en overal. Hand er op?” - -„Waarachtig!” zei Padde. - -En de jongens klapten de handen stevig ineen. - -Toen luidde met heldere slagen een klok. - -„De etensbel!” riep Padde. - -„Hoe weet je dat?” - -„Nou, waar zouden ze anders voor bellen dan om te eten?” - -„Vooruit dan maar!” zei Rolf. - -En zoo begaf het driemanschap, met Padde ditmaal als leider, zich arm -in arm naar het vooronder, waar de kok en zijn gezellen hijgend en -blazend de dampende ketels eten naar binnen torsten. - - - - - - - - -IN ’T VOORONDER - - -Er mochten onder de bemanning van de Nieuw-Hoorn lamme kerels -rondloopen, in doorsnee waren het ronde, gezellige lui, die, als het -noodig was, werkten als paarden, voor den duivel niet bang waren en -lachen konden, dat de wanden van het vooronder daverden. - -Dien eersten middag bij het eten maakten de drie „groentjes” al een -stuk of wat vrinden. Daar had je—behalve de brave, deftige Vader -Langjas, die den maaltijd met een gebed opende en sloot—Zwarte Gijs en -Diede Doedes en Floorke en Gerretje en Steven Duffel en de Neus en..... -en Harmen! De koksmaat Harmen van Kniphuyzen, een paar jaar ouder dan -Hajo en Rolf, was eigenlijk een dichter. - -Als je tegen Harmen zei: „Goeie morgen!” antwoordde hij: „’k Zal d’r -voor zorgen.” Als je hem vroeg: „Maak je ’t goed?” kon je er staat op -maken, dat hij zijn gezicht tot een grijns vertrok en antwoordde: „Kijk -maar naar m’n snoet!” Hij klom als een aap, zwom als een rat, liep als -een hert, had de spieren van een vol-matroos en sneed op als....! - -Die laatste eigenschap kwam ’s avonds al aan het licht, toen het volk -in het vooronder ging zitten gezelsen. Mannetje naast mannetje zaten ze -aan de lange tafels, tegen elkaar gedrukt als haringen in een ton. Er -waren er ook, die dadelijk na het eten in hun kooi neervielen; enkelen -snurkten, dat het een aard had. Hier en daar werden de speelkaarten -voor den dag gehaald, of een potje bier gedronken. Rooken, dat ze -deden! Een half uur na het eten kon je je overbuur nauwelijks meer in -den nevel onderkennen. En de tabak was niet altijd van de beste, lang -niet! Er moest er wel eens eentje de pijp uit den mond worden -getrokken, omdat de „geur” voor de anderen onverdragelijk werd. De -janmaat voelde zich beleedigd, smeet groote woorden in het rond, sloeg -met de vuist op tafel, dat de potten bier er van rinkelden, en..... en -lachte dan weer met de anderen mee. - -„Speel eens wat?” riep er een uit z’n kooi. „Kniphuyzen, speel ’ns -wat!” - -„Ja! Spelen!” bulderden tien anderen. - -En de koksmaat Harmen van Kniphuyzen haalde z’n fiedel, wipte op tafel -en streek er op los. Het was er wel eens flink naast; de viool was ook -geen echte Stradivarius, maar dat deed tot de gezelligheid geen -afbreuk. De „oomes” (zoo noemden de scheepsjongens de boven hen -gestelde matrozen) stampten met de voeten en zongen: - - - „Oranje boven en blauw onder! - Wie ’t anders meent - Dien haalt de donder!” - - -Gerrit dribbelde onrustig op zijn stokje heen en weer, knipte zijn -oogen dicht tegen de rook. - -„Ik zal jullie wat vertellen, waarvan je, sapperloot, zult opkijken!” -schreeuwde „de Neus”,—een dik manneke met een fraai gekrulde snor en -een neus als een bevroren aardappel. - -„Als je liegt, hap ik je neus af!” dreigde Zwarte Gijs, de smid. - -„Die zou, sapperloot, smaken!” verzekerde de Neus. - -„Vooruit, vertellen! Vertellen!!” - -„Luister!” zei de Neus. „Op m’n vorige reis hadden we een -ziekentrooster aan boord: Vader Jonas! Hij was vroom, sapperloot! en -als we voor anker lagen, had hij geen rust, voor hij de wilden had -bekeerd. - -Zoo lagen we dan weer eens met averij voor een eilandje. De zwartjes -kwamen al gauw opdagen, en Vader Jonas aan ’t bekeeren! Als ’t ’m bij -een gelukt was, hing hij de vent een nummer om de hals. De anderen -werden zeker jaloersch op dat nummer, want in een ommezientje gaven ze -zich allemaal voor de bekeering op. - -Eentje was Vader Jonas’ lieveling, een botmagere wilde, die was niet -van hem af te slaan. Vader Jonas had ’m Paulus gedoopt. Goed. De -barbier gaat kruiden zoeken en vraagt Vader Jonas om hem een -betrouwbare wilde mee te geven. - -—Dan moet je Paulus nemen, zegt Vader Jonas. - -Goed, Paulus en de barbier gaan aan wal. Effen later komt Paulus -aanrennen en zeit met veel grimassen, dat de barbier door een krokodil -is opgebikt. Groote herrie! Vader Jonas zweert bij hoog en laag, dat -Paulus onschuldig als een lammetje is. Nou, bij de lijkdienst bad -Paulus voor twee!” - -„Wat een schurk!” - -„Stil! Je weet immers nog niks!” - -„Goed! De volgende dag is er een vrind van me verdwenen. We zoeken elk -muizenholletje af. Niks te vinden. - -—Sapperloot, wat wordt me die Paulus dik! zeg ik zoo tegen Vader Jonas. - -—Neus, zegt Vader Jonas,—Paulus is ’n Christenmensch!—Over Paulus kon -ie niks hooren! - -Een uurtje later gaan ze samen weg.—Waar ga je naar toe, Vader Jonas? -vraag ik. - -—Paulus heeft me gevraagd zijn ouwe vader te willen bekeeren. De arme -man kan niet meer loopen. - -—Wil ik even met je meegaan? ’t Is hier zoo’n raar land! - -—Paulus is bij me, Neus! - -—Juist daarom,—zeg ik. - -Vader Jonas werd nijdig en liep met Paulus door. Ik zag ’m nog tusschen -de boomen verdwijnen. Wil je wel gelooven, dat ik die middag niks om -m’n gemak was? - -En jawel, hoor! Daar komt me Paulus anzeilen, zwaait met armen en -beenen en maakt dezelfde grimassen als de vorige keer! - -—Smeerlap! schreeuw ik en ik grijp ’m bij z’n nummer,—jij hebt Vader -Jonas opgebikt!—En ik schud ’m door mekaar, dat ie overgeeft. En wat -spuwt ie ’t eerst uit? Hè? De trouwring van Vader Jonas! Die had ie in -de haast mee ingeslikt!” - -„Ja....., gevaarlijk goed, die menscheneters!” verzekerde Harmen van -Kniphuyzen. „M’n broer en ik zijn op de vorige reis ook zoowat -opgepeuzeld.” - -„Vertel op!” - -„M’n broer is ’n kemiekeling, zie je, die kan nou van alles. Hij kan -een knoop in z’n oor leggen, z’n oogen als knikkers laten ronddraaien -en twee kanten tegelijk uitspuwen. Zakkenrollen kan ie! Nee maar! En -van een rattenvanger heeft ie buikspreken geleerd. - -Nou, we waren aan land gegaan, om de scheurbuik!—Kom er eens mee, -Harmen, zegt m’n broer—dan gaan we een maatje honing halen. Die koers -uit moet ergens een nest zitten, want ik zie er al maar bijen heen -vliegen. - -Hij was verzot op honing, m’n broer. En ik dacht: laat ’k ’m z’n zin -maar geven. Maar ik was niks op m’n gemak, daar zoo met z’n beidjes -alleen in de wildernis. En wel ja, in een ommezientje waren we door de -menscheneters omsingeld. - -Schreeuwen, dat ze deden! Ze trokken ons de kleeren uit, en m’n broer -zei nog tegen me:—Harm, jij hadt eerst je enkels weleens mogen -wasschen! - -—Klaas, zei ik,—hoe kun je nou nog lolletjes staan verkoopen! - -Nou, we werden in een bootje gezet, en toen maar de rivier op, jongens! -Klaas en ik moesten ook roeien! Met zoo’n stok met platte schijven aan -’t eind!” - -„Pagaaien!” werd er geroepen. - -„Zal ik niet weten! ’k Was nijdig als een spin, want een van die -houtskoolkoppen had m’n rooie das, die m’n vorige meisje voor me -gebreid had, om z’n luizebos gebonden!—Klaas! zei ik,—als we de -roeistokken er eens opnamen en ze er de kiezen mee uitsloegen? - -—Ben je stapel? vroeg Klaas.—Dan zouden we er ieder acht op ons boekje -moeten nemen! - -Tegen donker kwamen we aan het menschenetersdorp. Nou, we werden met -gejuich ontvangen! En weet je wat Klaas deed? Die lachte maar en -zwaaide met z’n armen.—’k Zal je vinden, schavuitenbende! riep hij. -Nou, dat verstonden ze natuurlijk niet, maar ze keken d’r wel raar van -op, dat Klaas zoo in z’n nopjes was. - -We werden voor de radjah gebracht! Hij had een stuk been door z’n neus, -en op z’n kop een Zuid-Wester,—die had ie opgetuigd met kraaltjes en in -het midden een spiegeltje. Achter ’m zaten zijn vrouwen; de jongste -leek sprekend op m’n meisje van twee..... van drie jaar geleden. Nou -ja, alleen d’r oogen! - -Moet je hooren wat Klaas deed! Hij maakte eerst een fijne buiging voor -de radjah; toen legde hij zijn ooren in de knoop en liet z’n oogen -rollen. Meteen zie ik, dat ie de radjah het spiegeltje van z’n -Zuid-Wester grist. Maar de radjah zelf merkte niks. Die schreeuwde wat -in het Polopoeloesch of zoo, en toen kwam er een kerel met zóó’n mes -aanzetten, zeker een toovenaar! En toen sjorden ze mij aan een paal! - -Maar meteen viel Klaas op z’n knieën, kuste de voeten van die -menscheneterkoning, en toen klonk het als uit den grond:—Peper en -notenmuskaat!—Klaas was aan ’t buikspreken! - -Nou, dat had je moeten zien! De kerels keken mekaar aan, of ze van -lotje waren getikt. Klaas stond op, drukte op z’n buik en spuwde de -radjah pardoes z’n spiegeltje in het gezicht. Toen maakte hij een -geluid als van rommelende donder, trok een kromme lijn door de lucht; -dat was de bliksem; en drukte zijn vinger op de mopneus van die -radjah.—Ziezoo! zei Klaas,—nou zul je ’t wel gesnopen hebben! - -Nou, òf ze ’t gesnapt hadden! De toovenaar sneed de touwen los, waarmee -ik vast gesjord stond, en de radjah wilde er van tusschen gaan. Maar -Klaas greep ’m bij z’n Zuid-Wester, pakte met de andere hand de -toovenaar bij z’n kladden en duwde ze voor zich uit naar dat bootje, -die..... die.....” - -„Kano!” werd er geroepen. - -„Natuurlijk de kano! Het heele dorp stond ons aan te gapen. De -toovenaar wees op Klaas en schreeuwde wat in ’t Polopoeloesch, en toen -stoven ze allemaal achteruit. De radjah stapte in de kano, de toovenaar -ook, en ik en Klaas gingen keurig achterin zitten.—Ziezoo, heeren, zei -Klaas,—leg maar eens in! Nou, de koning en de toovenaar pagaaiden, dat -we om het half uur zweet moesten baliën! Toen we thuis waren, stak -Klaas die radjah zijn voeten toe en liet ze hem kussen.—O, zoo! -zei-d-ie.—En nou kunnen jullie wel weer ophoepelen. Besjoer! - -En temet draait ie zich om en zegt:—Harm, zegt ie,—weet je wat we nou -nog vergeten hebben?” - -„De honing!” riep Padde uit. - -„Krek”, zei Harmen. „We zijn omgekeerd en met de heele muts vol honing -teruggekomen.” - -„En de wilden hadden jullie de kleeren afgenomen?” merkte Rolf op. - -„Zoo nauw moet je niet kijken!” zei Harmen beleedigd. „Anders zou je -nooit er eens iets kunnen vertellen!” - -„Ja, en je hebt je gezicht te houwen, als Kniphuyzen vertelt!” - -„Mannen, ik heb nog wat beters!” riep een heel lange janmaat met -vlasblond haar, helderblauwe oogen, groote, uitstaande ooren, en met -handen..... nee maar! Hajo kon er niet naar kijken zonder aan de -handschoenen van Sijtje te denken. Ze boden een ruime gelegenheid tot -tatoeëring, en dat had de eigenaar ook ingezien: het eene anker prijkte -naast het andere; op de polsen waren harten met een pijl aaneengesmeed, -en hoogerop zeilden driemasters over wild bewogen baren. Hajo had er -een drommelsch ontzag voor. Dàt was nog er eens ’n zeeman! Stil! Hij -wou goed luisteren naar de wijsheid, die dit beankerde wonder zou -verkondigen! - -„Twee reizen geleden, ik was op De Gouden Leeuw,” begon de verteller, -„waren we geland bij een rivier, die zoo vol krokodillen zat, dat je de -een naast de ander kon zien liggen. Nou, ik was net als hier de eenige -Fries aan boord, hè, en de maats lagen daar nog wel ereis over te -mieren.—Worden in jouw koeienland de kinderen altijd zoo aan de ooren -getrokken? vroegen ze dan wel, of:—Wat hebben jullie Friezen een kleine -handjes! en meer van dat kinderachtige geleuter.—Vooruit dan! zei ik -zoo, toen ’t me weer eens de keel uithing.—Als jullie Hollanders dan -zulke kerels bent, steek dan ereis zonder boot die rivier over! - -—Doe jij het eerst! zeiden de maats. - -—Ik durf wel, zei ik.—Ik steek er op z’n Friesch over!—Nou, ik nam een -flinke aanloop en.....” - -„En??” - -„Jullie weet: ik spring als de beste.—Nou, ik ben dan van de eene -krokodil op de andere gesprongen! En voordat de beestjes wisten wat er -aan ’t handje was, stond ik aan de overkant!” - -„Verduiveld sterk!” verklaarden de maats. - -„’t Is gelogen,” stelde Padde ronduit vast. - -„Spuit nommer elf geeft ook water,” zei Harmen. „Luister, mannen, ik -heb nog heel wat anders beleefd, en als ik je dat vertel, mag je je -muts wel vastsjorren, want je haren zullen te bergen rijzen! We waren -eens met z’n vijven in het oerwoud en terwijl we zoo onder een boom -lagen uit te blazen, zei een van m’n vrinden:—Harm, zei-d-ie,—speel er -eens ’n deuntje! - -Goed, ik haal m’n viool voor den dag en speel. - -—Nog ’n moppie! zei m’n vrind. - -Best, ik streek er al weer op los. Maar wat zag ik me daar?! Een stuk -of vijf koningstijgers, een handvol leeuwen en een slordige twintig -reuzenslangen zaten me in een kringetje aan te gapen. De muziek had ze -aangetrokken! M’n vrinden lagen half te maffen en merkten niks. - -—Doorspelen, dacht ik.—Doorspelen, da’s het eenige!—En ik speelde en -speelde.... - -—Komt er nooit een eind aan dat moppie? vroegen m’n vrinden. - -—Hebben jullie er last van? vroeg ik nijdig. - -—Daar niet van, zeiden ze. En ze draaiden zich nog eens lekker om. - -Na een uur of vier spelens begon ik moe te worden en..... ja..... als -een mensch moe is! Toen kwam er ook wel eens ’n valsch toontje, hè? -Maar ik kon merken, dat beesten verstand van muziek hebben, hoor, want -ze trokken een gezicht of ze een zeere kies hadden. Toen schoot er een -lichtstraal in m’n kersepit! Dat was de uitkomst! Weet je wat ik deed? -Ik begon me daar eventjes valsch te spelen, valsch.....!! - -En ja hoor! Met de staart tusschen de pooten gingen de monsters er van -door! - -Ik was nat van ’t zweet, en m’n armen leken wel lood. Maar..... we -waren gered!” - -„En je vrinden, zeiden die niets toen je zoo valsch speelde?” vroeg -Hajo, die na de wonderbaarlijke redding een diepen zucht had geloosd. - -„Och..... ze hadden er niet zoo opgelet”, zei Harmen. - -„Nou heb ik nog een verhaal!” riep Rolf. „Er was eens een schip vol -matrozen! Toen kwam er een groote walvisch, die sperde zijn bek open en -slikte.....” - -„Een walvisch kan geen schip inslikken!” - -„Nou, hij spuwde het ook gauw weer uit.” - -„Omdat ’t ’m te hard was?” - -„Neen. Omdat hij misselijk werd van de leugens, die z’n keel -binnenspoelden.” - -„Sapperloot.....!” stamelde de Neus. - -En de anderen sloegen met de vuist op tafel. „Daar zul je voor boeten, -mannetje!” - -Maar ze meenden het niet. In hun hart hadden ze schik aan Rolfs -vrijmoedigheid: van bloode jongetjes moesten ze niets hebben. - -Buiten galmden vier glazen. Tien uur! De oomes stonden op, kropen in -hun kooien. De olie in de lamp scheen opgebrand; de vlam werd schraal; -de walm sloeg dik tegen de zoldering. - -Hajo zocht den langen Fries op. „Heet jij soms Jopkins?” vroeg hij na -een aarzeling. „Hilke Jopkins?” - -„Dat ben ik, ja.” - -„Dan moet ik je wat geven van.....” - -„Van.....?” Hilke sperde zijn oogen open en greep Hajo bij den arm. - -„Ja!” fluisterde Hajo. „Van Sijtje.” - -„Laat kijken!” zei Hilke, diep ademhalend. - -„Ga je even mee naar buiten?” vroeg Hajo. „Daar zien de anderen het -niet!” - -Zwijgend stond de janmaat op. En Hilke Jopkins, die als „oome” duizend -mijlen boven den nieuwbakken scheepsjongen stond, volgde Hajo gedwee -het trapje op naar het dek. Eerbiedig betastte hij de handschoenen, die -Hajo hem daar gaf. „Verdorie,” mompelde hij. „Verdorie.....!” - -„Ze zei, dat je haar eens schrijven moest, en dat je voorzichtig moest -zijn, en ze wou nog wat zeggen, maar toen begon ze te huilen.” - -„Verdorie.....!” Hilke schudde het hoofd. „Die handschoenen zitten me -gegoten, zie je wel?” - -„Ik heb ’n das van haar gekregen,” zei Hajo. - -„Laat kijken?” - -Hajo overreikte hem Sijtjes kleurvol geschenk. - -„Verdorie.....!” prees Hilke. - -„Alleen voor Zondagen!!” zei Hajo. - -„Dat begrijp ik!—Zeg, Hajo.....? Wat moet je hebben voor die das?” - -Hajo voelde een trilling in Hilke’s stem. „Die das is niet te koop,” -zei Hajo. - -„Dat snap ik! Voor een ander is ie niet te koop! Maar voor mij toch -wel?” - -„Daar,” zei Hajo, „daar heb je ’m voor niks.” - -„Verdorie.....!” was al wat Hilke antwoordde. Hij liefkoosde de das -tusschen de vingers en greep Hajo’s hand. „Kerel, als je me nog eens -noodig hebt.....!” - -„Zeg, Hilke?” vroeg Hajo. „Zou je..... zou je misschien.....?” - -„Waarachtig! zeg op: wat is er?” - -Hajo wees op Hilke’s handen. „Zou je mij soms ook een anker of een -schip, of wat je maar het makkelijkst is.....?” - -Hilke stroopte zijn mouw op. „Zoek maar uit! Een driemaster? Of zoo -een, met die kanonnen? Ik kan alles, en je voelt er niets van. Heb je -een meisje?” - -„Neen,” bekende Hajo, verlegen. „Moet dat?” - -„Welnee. Maar dan had ik je een paar harten geprikt. Zooals op m’n -hand.” - -„Dat is ook wel mooi”, weifelde Hajo. - -„Ja, maar dan moet je een meisje hebben!” zei Hilke. „D’r zijn lui, die -haar naam er inzetten: Geertruida of Katherina of zoo. Maar..... eh, ’t -gaat er nooit meer uit, zie je? Zooals ik ’t heb, zonder naam, is -het..... is het altijd goed, hè?” - -Hajo begreep het maar half. „Zeg, Hilke,” vroeg hij, „wanneer kun je -het doen?” - -„Over een dag of wat,” beloofde Hilke. „Als de eerste drukte voorbij -is.” - -„Fijn!” zei Hajo. „Zeg, weet je, dat ik ook nog Friesch bloed in me -heb?” - -Hilke sloeg de handjes ineen. „Een Fries?! Jij?” - -„Moeder is van Friesland.” - -„Als ik het niet dacht! Een kerel als jij.....! ’k Zal je de knoopen -ook leeren! Een boeren- en een Turksche knoop, een visscher-, trompet-, -muil- en ankersteek, een ouwe wijvenknoop..... Nooit van gehoord?” - -Hajo sloeg van eerbied bijna tegen den grond,—schudde ontkennend het -hoofd. - -„Nog nooit van een ouwe wijvenknoop gehoord??! Wacht dan!”—En Hilke -haalde de das van Sijtje uit zijn broekzak, greep de beide einden..... - -„Dat is zonde!” meende Hajo. „Dan leer je ’t me morgen maar.” - -„Je hebt gelijk,” bekende Hilke. „Ja, dat komt: jij bent een Fries, hè, -en dan.....!” Zorgvuldig streek hij de das weer glad en liefkoosde ze -met de oogen. „Brave meid!” mompelde Hilke met schorre stem. Toen zei -hij haastig: „Nou, ajuus, hoor! ’t Is al laat.” - -„Wel te rusten!” was Hajo’s antwoord. En terwijl de scheepsjongen van -de Nieuw-Hoorn nog even bleef staan, in gelukkige overpeinzingen over -de naaste toekomst, spoedde de lange Fries zich met zijn schat voort. -Hajo zag, hoe hij zich diep bukken moest, om het hoofd niet te stooten -tegen de lage deur van het vooronder..... - -Daar kwam Rolf aan. „Zullen we gaan slapen, Hajo?” - -„Die..... die over die krokodillen is gesprongen, zal een anker op m’n -arm prikken!” fluisterde Hajo zijn makker opgewonden toe. - -„Zoo?” vroeg Rolf. „Laat het hem dan een beetje hoog doen. Op je -bovenarm, of zoo.” - -„Maar dan zie je er niets van!” - -„Juist daarom.” - -Hajo keek zijn vriend verwonderd aan. „Vind je een anker niet mooi? Wil -ik liever ’n schip nemen? Hilke kan alles. Kijk maar eens naar z’n -handen.” - -Rolf glimlachte. „Ik heb ze gezien. Maar weet je, dat die rommel er -nooit uitgaat?” - -„En is dat dan erg?” - -„Het kan wel eens lastig zijn. Je weet van te voren niet wat er nog uit -je groeit!” - -„Uit mij??” - -„Ja, uit jou.” - -Hajo pruttelde wat. „Nou, vooruit dan maar....,” zuchtte hij, onwillig. - -„Heel verstandig,” prees Rolf. „Ga je mee?” - -Hajo liet zich gezeggen. En hij riep Padde, die nog bij tafel zat, toe: -„Padde! Sta op! We gaan naar kooi!” - -Hé, dat klonk nog er eens: kooi inplaats van bed! - -Maar Padde hoorde het niet. Met het hoofd in de handen was hij, -zittend, in slaap gevallen. - - - - - - - - -OUDEJAARSAVOND - - -Of de jongens aan het werk werden gezet? Nee maar! Smeren, boenen, -zwabberen was het wachtwoord. En wanneer de bootsman hun een enkele -maal eens een oogenblikje had gelaten om uit te blazen, wisten de oomes -wel „een mooi werkje voor een scheepsjongen”. Padde viel er natuurlijk -buiten: die had een leventje als een volwassen bottelier. Hij sliep een -gat in den dag, at met toewijding, spoelde wel eens een kruik om en -babbelde urenlang met den braven bottelier. Het was van het begin af -aan gewoonte geweest, dat de schele bottelier het werk deed, en Padde -zijn korte beentjes liet schommelen, zittend op een leeg tonnetje als -een koning op zijn troon. - -„Wil ik soms even helpen, Schele?” vroeg Padde wel eens, wanneer de -dikke bottelier amechtig blies van ’t lange bukken. - -„Blijf jij maar zitten, m’n jongen,” was het antwoord. „’k Ben zóó -klaar.” - -Maar Hajo moest voor alles opdraaien. Waar hij ook zijn vriendelijk -gezicht vertoonde, overal had men een werkje voor hem. Als hij den -barbier tegen het lijf liep, vroeg deze: „Zeg er eens, vriendje, ben -jij niet drogistenjongen geweest?” - -„In De Gouden Gaper, Vader Langjas.” - -„Och, help me dan even met het stampen van kruiden, wil je?” - -En Hajo stampte. Maar buiten hoorde hij Zwarten Gijs al razen: „Waar -zit me die blikslagersche smidsjongen! Hij moet krammetjes voor me -slaan!” - -Of Steven Duffel, de bakker, liet hem deeg kneden. Of Hajo moest -planken zagen voor Diede Doedes, den timmerman. - -Zijn loon bestond meestal uit de woorden: „Je mag me nòg ’ns helpen!” -of uit een draai om z’n ooren, wanneer hij iets verkeerd had gedaan. - -Om den haverklap werd hij bij z’n kraag gegrepen en door een janmaat -het want ingestuurd om iets te „klaren”. En als hij dan bij het zware -werk op de bovenste fokke-ra stond te balanceeren met negen kansen op -de tien om omlaag te storten, riep de „oome” van beneden: „Ja, breek je -nek maar: ’t is morgen toch Zondag!” - -Maar wat veel goed maakte? Als Hajo, een paar emmers ijskoud water in -de verkleumde vingers en een zwabber onder den arm, met een echt -zeemansloopje het dek oversjouwde, of boende en schrobde, dat alles wit -van ’t schuim zag, kon het zoo in eens gebeuren, dat de schipper achter -hem stond en vroeg: „Valt het nogal mee, Peter?” - -Dan kreeg Hajo het, ondanks de Decemberkoude, warm onder z’n doorweekt -baadje; hij rukte z’n muts af en zei: „Vàst wel, schipper!” - -En de groote man knikte goedkeurend. - -De bescheiden grijns, die zich dan op Hajo’s gelaat vertoonde, was -onbetaalbaar. Z’n oogen tintelden; hij wreef verlegen de polsen tegen -z’n broek. - -Werken wilde Hajo, maar daarom lustte het hem nog niet, voor alle oomes -Hansje-m’n-knecht te spelen! Hij rook het op tien pas afstand, of ze -hem bij de kladden wilden nemen; hoe onschuldiger een oome zich -voordeed, hoe minder Hajo hem vertrouwde; de oome stak z’n vingers uit -en meende Hajo bij z’n broek te hebben, maar Hajo had dit kleedingstuk -juist bijtijds in veiligheid gebracht! - -Rolf..... dien lieten ze wat meer met rust. Hij was altijd zoo kalm, -dat hij ook den ouderen achting afdwong. Ze zeiden hem weleens: „Doe -dit of dat!” maar hem, zooals Hajo, ongezouten in zijn nekvel -pakken,—daar kwamen ze toch niet toe. - -Bolle, de kok, gaf Hajo in het schaftuur Maleische les. Rolf zat er ook -bij en schreef alles op. Want Rolf kon schrijven,—een kunst, die onder -de janmaats weinig beoefend werd. - -„Kijk”, zei Bolle, terwijl hij met toegeknepen oogen de dampende -aardappelen omschudde. „Kijk: besie is ijzer, en toekang is..... is -man. Nou, wat is nou: smid?” - -„Besie toekang!” meende Hajo. „IJzer-man!” - -„Nou ben je d’r krek naast!” zei Bolle. „Smid is: toekang besie!” En -Bolle had schik, dat Hajo er in was gevlogen. „Verder maar weer! Orang -is mensch, en orang-orang is menschen. Je hebt niks anders te doen als -het woord tweemaal te zeggen. Stom-eenvoudig. Poehoen is boom! Wat is -nou een bosch?” - -„Oetan”, zei Rolf. - -„Mmm? Drommels ja, dat is waar ook. Ja dat komt: jij schrijft alles op, -en ik..... M’n boonen!” riep hij en snelde, in zijn haast een -koksjongen omver loopend, naar den grooten ketel, die wat verderop te -vuur stond. „Morgen wéér ’n uurtje!” riep hij zijn leerlingen toe. „Zie -maar eerst, dat je dat allemaal onthoudt!” - -Bolle had reden om niet al te gul te zijn met zijn wijsheid. Want, als -alle wijsheid, had ook de zijne haar grenzen. - -Hajo besloot reeds den eersten avond aan boord, zich op het vioolspel -te werpen. Hij klampte Harmen aan, het muzikale wonder van de -Nieuw-Hoorn. - -Deze was door het aanzoek gevleid. „Ik zal je het leeren”, zei Harmen, -„maar je moet niet denken, dat ’t in knoopslag gaat; je mag blij zijn, -als je ’t in een maand behoorlijk kent.” - -„Ik zal m’n best doen!” beloofde Hajo. - -„Dat schéélt natuurlijk ’n paar zeilen!” gaf Harmen toe. - -„Zeg Harmen,” vroeg Hajo, „moet hier geen snaar zitten?” - -„Nou ja,” zei Harmen. „D’r hebben d’r drie aan gezeten. Maar die eene -piepte zoo; toen heb ik ’m er maar afgetrokken.” - -„En wat doe je met die zwarte houtjes?” - -„Die zijn om de zaak wat an te taliën. Maar ik wurm er liever niet te -veel aan, anders knappen ze me nog, de snaren. Ach, geen mensch weet -natuurlijk op een prik, hoe stijf je ze moet aantrekken. Dat doet ieder -op zijn manier en al naar ’t uitvalt, hè?” Met zwierig gebaar legde -Harmen de viool tegen zijn borst en kraste er op los. - -„Mag ik nu eens?” vroeg Hajo met van spanning onzekere stem. - -„Als je d’r maar voorzichtig mee bent,” zei Harmen. - -Nou, dat was Hajo wel! Hij durfde het wonderlijke doosje nauwelijks aan -te vatten. Angstig waagde hij een streek. - -„Je leert het vàst”, verzekerde Harmen. - -„Zou je denken?” - -„Natuurlijk! Als je zoo nu en dan eens een toontje niet weet, sla je -dat eenvoudig over, hè? Dat doe ik ook; dat doet iedereen, en geen -mensch, die er wat van merkt. Geef hier: ik zal je ’n begrafenis -voorspelen.” - -„Pràchtig.....!” zuchtte Hajo, toen het uit was. - -Dat deed Harmen’s kunstenaarshart goed. „Nou, je gaat je gooi maar”, -zei hij gul. „Maar laten de anderen ’t niet hooren, zoolang je ’t niet -kent, want ze zouden m’n viool op je kop in stukken slaan, en dan heb -ik nog geen nieuwe.” - -Hajo koos voor zijn studies een verlaten plekje. Padde was zijn -bewonderend toehoorder, en samen zaten ze den ganschen avond bij een -affuit, Padde slaperig voor zich uit turend. - -„Merakel.....!” zei Padde, wanneer Hajo een onzekere melodie met een -gevoelvollen triller had besloten. „Zeg....., Hajo?” - -„Mm?” - -„M’n moeder moest ons hier eens zien zitten!” - -„Ja!” zuchtte Hajo, terwijl hij de viool liet zinken. En zijn oogen -dwaalden..... - -Ook Rolf besteedde zijn avonden nuttig. Hij had zich met Vader Langjas -bevriend en kreeg van dezen de vergunning om wat te bladeren in een -paar dikke boeken, welke de barbier in z’n kooi had staan. Het was -rustig in Vader Langjas’ kamertje; Rolf las met opeen geklemde lippen -en gefronst voorhoofd. Binnen vier-en-twintig uur stond hij dan ook -bekend als „de boekenwurm”. Maar intusschen..... ook hierdoor won Rolf -aan achting. - -Gerrit had een goed leventje! De maats stopten hem van alles toe, zelfs -tabak, en bemoeiden zich veel meer met hem dan hij verdiende. Want -Gerrit beloonde allen met hooghartige onverschilligheid en liet zich -alleen door Hajo streelen. - -Gerrit was niet het eenig levend beest aan boord. Lijsken Cocs, een -bleek, tenger koksjongetje, met oogen waarin zoo op het eerste gezicht -tien pond onschuld lag uitgewogen, had een Genueesch biggetje, een wit -diertje met bruine vlekken. Het kon „een reis om de wereld” maken, die -hierin bestond, dat het bij z’n meester in den hals kroop en er bij de -broekspijp weer uit tuimelde. Om het die reis een weinig te -vergemakkelijken, trok Lijsken zijn toch al niet erg omvangrijken buik -zoo ver mogelijk in. Het diertje heette Job en had zich de gewoonte -eigen gemaakt, om, vóór het z’n bakje eten kreeg, te „bidden”, de -voorpootjes tegen elkaar gedrukt, de ronde oogjes gesloten, mummelend -met zijn konijnensnuitje. - -Job en Gerrit moesten met elkaar kennismaken; dat sprak vanzelf, en het -geschiedde in de kombuis. „Ka!” schreeuwde Gerrit, toen hij Job -ontwaarde. - -Het marmotje zei niets, ging op z’n achterpootjes zitten, snuffelde en -gluurde en dribbelde haastig rond—zonder eigenlijk veel uit te voeren. - -Gerrit lei z’n kop schuin, loerde met zijn schrandere oogen, wette zijn -snavel op den planken vloer, plukte zich forsch in veeren en -schreeuwde, overtuigd van eigen voortreffelijkheid: „Ka!” - -„Kan ie anders niks?” vroeg Lijsken. „Joppie, kom er eens bij de baas?” - -Job kwam ijlings aangedribbeld, klauterde langs Lijsken’s toegestoken -arm omhoog, verdween pardoes in ’s meesters kraag. Lijsken zei: -„Killekillekie!”, trok zijn buik in, en Job tuimelde op den grond. - -Gerrit wipte haastig op zij, uitte zijn verwondering in een vragend -uitgesproken: „Ka?!” - -Ook Job scheen wat beduisd en scharrelde in een nauw kringetje om -Gerrit heen. Deze draaide zichzelf bijkans den hals om,—verloor den -zonderlingen toerist geen seconde uit het oog. „We krijgen storm!” -verzekerde Lijsken. „Als Joppie krek als een tol in ’t rond draait, -gaat ’t stormen. Als ie op z’n rug gaat liggen, komt d’r windstilte.” - -„Nou, ik hoop maar, dat er storm komt!” zei Hajo. - -Lijsken keek hem met groote oogen aan. „Jij hebt zeker nog nooit een -storm meegemaakt!” - -„Jij wel?” - -„Nou! Ik ben met m’n vader bij de walvischvaart geweest!” - -„En waar is je vader nou?” - -„Dood. Aan de scheurbuik.” Lijsken’s gelaat nam een -ouwe-mannetjes-uitdrukking aan. „Ze zijn thuis nog met z’n vijven. En -m’n moeder is niet sterk! ’k Heb ’n broer, maar die is nog te klein. En -alles is zoo duur tegenwoordig!” Lijsken begon voor zich heen te -fluiten. „Wat zul je d’r aan doen? Hier, hij”—dat was Job—„hij heeft -m’n vader nog gekend. Nietwaar, Joppie?” - -„Mijn vader is verdronken,” zei Hajo. - -Lijsken schudde peinzend het hoofd. „Met z’n hoevelen zijn jullie?” - -„M’n moeder, m’n zusjes Antje en Maartje en dan m’n broertje Doris.” - -„Hoe oud?” - -„Antje is twaalf, Maartje.....” - -„Je broer, bedoel ik.” - -„Doris is vijf.” - -Lijsken floot veelbeteekenend. „Te jong, hè?” - -„Te jong??” - -„Om te verdienen. ’t Is lam, hoor, voor je moeder.” - -Toen veranderde plotseling de uitdrukking op zijn gelaat. „Weet je wat -óók beroerd is? Als je ’n puist op je zitvlak hebt, en je moet paard -rijje!” En grinnekend pakte Lijsken zijn viervoetig lotgenootje op. -„Kom jij maar bij de baas, Joppie!” - - - -Op oudejaarsmorgen zeilde de Nieuw-Hoorn Pleimuiden voorbij. Padde zag -het, met weemoedige gedachten vervuld, weer achter den gezichtseinder -wegzinken. Hij was zoo in zijn overpeinzingen verdiept, dat hij er -niets van merkte, hoe een paar janmaats naderden, op Padde wezen en tot -elkaar zeiden: „Zullen we hèm nemen? Lijsken is wat te mager.” - -En pats! daar hadden ze Padde bij z’n kraag. - -„Laat me los!” schreeuwde de arme jongen. „Ik ben botteliersmaat!” - -„Daar zullen we je niet om vermoorden,” zeiden de maats. „Kom maar eens -netjes mee.” - -Padde werd naar het vooronder gesleept, waar de oomes hem in een -kleurige, met papieren bloemen beplakte japon heschen en hem een pruik -opzetten van geel vlas, waaronder een krans vergeetmenietjes was -gevlochten. - -„Wat moet dat!” jammerde Padde. - -„Je bent het nieuwe jaar,” zeide de oomes. „En de bootsman zal het ouwe -jaar zijn. Wees maar blij toe: we krijgen spekpannekoek en warme -bollen.” - -Warme bollen.....! Padde begon er iets van te begrijpen. - -„Loop eens ’n paar passen,” bevalen de oomes. „En kleine stappen, want -je bent een meisje. We zullen je vanavond wel zeggen, als je voor den -dag moet komen. En dan maar knikken en lachen,—drommels, we moeten je -nog met meel insmeren! En dan strooi je maar blommetjes rond; in die -mand bennen d’r zat; die moet je over je arm nemen. Ziezoo, en dan zeg -je maar..... moet ie wat zeggen?—Wacht daar loopt Harmen -juist.....—Harmen! Een versie voor ’t nieuwe jaar!” - -„Wacht maar even,” zei Harmen. En na eenig nadenken begon hij, terwijl -de oomes vol bewondering het hoofd schudden: - - - „Het nieuwe jaar is daar - En wenscht u altegaar - Een voorspoedig jaar! - Het schip van Willem IJsbrantsz. Bontekoe - Gaat..... gaat.....” - - -„Gaat naar Oostinje toe!” viel een der maats in. „Dat rijmt! Gaat naar -Oostinje toe!” - -„’t Rijmt wel,” zei Harmen, „maar ’t is geen nieuwtje! We weten -allemaal wel, dat de Nieuw-Hoorn naar Oostinje gaat. Je moet in een -versje wat zeggen, dat iedereen weet, en waar ze toch verbaasd van -staan te kijken. Wacht, ik heb al wat!” En Harmen dichtte: - - - „Het schip van Willem Bontekoe - Gaat zonder scha naar Oostinje toe! - Met rijkdom, peper en geluk belaan - Komen we weer in Texel aan!” - - -„’t Is mooi!” verklaarden de oomes. „Vooruit, zeg het na, aap van ’n -jongen!” - -„Ik..... ik ken er geen woord meer van”, bekende Padde. - -„Luister dan, rekel! Zeg ’t hem nog eens even voor, Harmen?” - -„Als ik ’t zelf nog maar zoo op ’n prik ken.....” weifelde de -nieuwjaarsdichter. - -„Nou, dan maak je maar weer ’n ander vers”, zeiden de oomes. „Laat de -boekenwurm het opschrijven, dan staat ’t op pampier. Wee je gebeente, -als je ’t vanavond niet kent! En lachen, begrepen?” - -„Jawel.” - -„Jawel: wàt?!” - -„Jawel, meneer.....” - -De oomes begonnen te grinniken. - -„Je bent zoo groen als gras,” stelde Harmen vast. „Kom, trek die -soepjurk maar uit, dan gaan we de boekenwurm opzoeken.” - -En grimmig liet de arme Padde zich meevoeren. - - - -Het heele schip was in rep en roer. Lampions en slingers prijkten in de -kajuit en het vooronder; een vleeschpot werd met zorg van binnen en van -buiten verguld: hij moest als koets dienen, wanneer het nieuwe jaar -straks door vier janmaats zou worden aangesleept. - -Er was verschil van meening over de vraag of er vijf dan wel tien warme -bollen per man zouden worden verstrekt; de kok zweeg er over als het -graf, en de koksmaats likten zich het pannekoekbeslag van de vingers. - -Padde zwoer bij hoog en laag, dat hij een groote taart had gezien, -zwart van de krenten! En Harmen fluisterde, dat er na het eten krieken -op brandewijn en trommelkoek zouden worden rondgediend. Alsjeblief, dat -was maar eventjes alles! - -De bootsman vergat dien dag, het om de ooren der scheepsjongens te -laten donderen en bliksemen, zóó nam de drukte hem in beslag. Kwaje -tongen beweerden, dat hij wat van streek was, omdat hij ’s avonds een -toespraak moest houden, en Hajo was stomverbaasd, den gevreesden -bootsman „verekskuus!” te hooren stamelen, toen hij hem in de haast pal -tegen den buik rende. Hij had op een draai om z’n ooren gerekend. - -Het eten overtrof alle verwachtingen. Eerst boonen met spek en een kan -schuimend bier, toen rijstebrei met een schep basterdsuiker er over, en -ten slotte werd onder groot tumult de taart van Padde binnengedragen, -met brandewijn begoten en door den bootsman aangestoken; de vlammen -sloegen haast tegen de zoldering. Hajo en Padde hadden zoo iets nooit -gezien; de laatste stond doodsangsten uit, dat de taart heelemaal zou -opbranden, en een paar oomes morden, dat ’t zonde was, den brandewijn -op die manier de wereld uit te helpen. - -Maar de taart smaakte best, en toen de schipper met koopman Rol eens -even in het vooronder kwam kijken, of de mannen niet teleurgesteld -waren, nam het hoera-gebrul geen einde. - -De avond bracht nieuwe verrassingen. Harmen van Kniphuyzen, zwart als -een Moriaan, kwam binnen, gevolgd door zwartjes met groote zakken, -waaruit ze oliebollen rondstrooiden. Er waren er bij met zout gevuld; -dat gaf aanleiding tot spuwen, mopperen en klappen uitdeelen. En de -Morianen ruimden niet zonder blauwe plekken het veld. - -Toen werd voor de deur van het vooronder een kanon opgesteld, geladen -en..... met een plof ging het schot af. Allen waren achter banken en -kooien weggekropen, maar haastten zich nu—een enkele zelfs wat bleek om -den neus!—om naar de suikerboonen te grabbelen, waarmee de kanonloop -tot de monding gevuld was geweest. - -Padde kreeg dien avond geen slaap. Telkens wanneer in den fok de glazen -werden afgeteld, kromp hij even ineen, en toen het elf uur was, spoedde -hij zich naar de plaats waar hij zich verkleeden moest. - -Berentsz. stond in Oudejaarskleedij en studeerde met Harmen, die nog -duidelijk sporen van z’n Moriaanschap vertoonde, zijn toespraak in. -„Eindelijk!” schold de bootsman, wien het zweet van de slapen gutste. -„Haal als de drommel de kerels, die m’n sleep moeten dragen!—Dus: de -Hollandsche vlag zal..... zal wapperen van..... van.....” - -„De transen van het nieuw verworven rijk,” zei Harmen voor. - -„Wat zijn dat: transen?” - -„Weet ik ook niet,” bekende Harmen. „Maar in elk behoorlijk vers komt -het voor.” - -„Zul je me helpen, Harmen, als ik niet verder kan?” smeekte Donder en -Bliksem, deemoedig als een getemde leeuw. - -„’k Sta ommers geen twee pas van je af, bootsman!” - -Ja-ja, ’t was me een opwinding, dien oudejaarsavond! - -Om kwart voor twaalven werden de maats op het dek gecommandeerd en aan -weerszijden opgesteld, zoodat er een vrije gang in het midden bleef. -Die gang voerde naar een tegen het achterhuis gebouwde verhevenheid, -waarop vier met guirlandes versierde stoelen stonden. Het was lekker -koud; de maats sloegen den kraag van hun „duffelsche” op, staken de -polsen in de zakken weg en bliezen en trappelden om warm te blijven. - -Er hingen nu brandende lampions in de ra’s, en het bontgekleurde licht -danste over de gebruinde koppen en verlichtte de zeilen van onder-op, -die rood, blauw en oranje getint tegen den donkeren hemel afstaken. ’t -Was dekselsch mooi. - -Daar kwamen de schipper, de koopman en de stuurman Jan Piet van Hoorn -de kajuit uit. - -„Stilte!” gebood Vader Langjas. - -Ineens hoorde je niets dan het klotsen der golven en het zuchten van -den wind. Rechtop stonden de kerels; tweehonderd gespierde knuisten -rukten een muts omlaag. - -Dat beviel Bontekoe. Terwijl de beide andere heeren met strakken ernst -plaats namen, verscheen op ’s schippers gelaat een breede, -jongensachtige glimlach; hij knikte even, alsof hij zeggen wilde: „Goed -zoo!” - -Zie je, dat ging den oomes in ’t hart. Dat was het waarom ze hun -schipper zoo dekselsch graag mochten lijden! Bij dien goedkeurenden -glimlach strekten de halzen zich nog meer, en de mondhoeken vertrokken -zich nog forscher. Schipper Bontekoe? Een puik schipper! - -Er werd onder de maats gemompeld, gelachen en „Sssst! Daar Komt-ie!” -geroepen. En zie: daar verscheen achter de kombuis een eerbiedwaardig -grijsaard. Een lange, witte mantel met gouden sterren hing van zijn -schouders en werd door vier sleepdragers opgehouden. De grijsaard -schreed met z’n gevolg tusschen de vroolijke maats door, maakte een -diepe buiging voor de heeren, die van hun zetels opstonden en -terugbogen, leunde moeizaam op zijn staf en begon met eenigszins -onvaste stem: „Schipper..... hm!” - -„Sscht! Stilte!” - -„Schipper, ik ben..... hm! het oude jaar, en ik ben..... ik ben hier -gekomen om..... hm! om afscheid van je te nemen, van jou en van de -koopman en van de opperstuur en van al de brave jongegezellen en -huisvaders, die..... hm! die het vaderland, d’rlui vrouwen en d’rlui -kinders hebben vaarwel gezegd om..... hm! om de vlag van de -Oostinjische Compagnie te laten..... te laten wapperen van de..... van -de.....” - -„Van de transen.....” vulde de voorste sleepdrager zachtjes aan. - -„Van de transen van het nieuwverworven rijk! Waarmee ik maar zeggen -wil, dat..... dat ik mag lije, schipper, dat jij en wij allemaal een -puike reis zullen hebben; dat de Nieuw-Hoorn met..... met rijke buit -belaje weer in het vaderland mag terugkeeren, schipper, bij vrouw en -kinders. En dat het nieuwe jaar jou, schipper en ons allemaal en ook de -koopman en ook de opperstuur, die..... die aan je zijde zitten, -voorspoed mag brengen, en dat, om ’t nou maar eens voor de vuist weg te -zeggen, schipper, dat we in ’t nieuwe jaar geen ouwe koeien meer uit de -sloot moeten halen en niet lamenteeren over wat er dit jaar verkeerd is -gebeurd; dat we wat voor mekaar over moeten hebben; dat we niet bang -moeten zijn, de handen uit te steken als ’t noodig is; dat we alle -herrie vergeten en vergeven moeten; dat we kerels van stavast moeten -zijn, van één zin en één hart! Zie je, schipper, dat wensch ik!” - -„Zoo hoor ik je graag spreken, vadertje,” zei Bontekoe. Hij kwam op den -grijsaard toe en drukte hem de hand. „Mag ik je uit naam van de heele -bemanning bedanken?” - -„Dat mag je, schipper!” zei het Ouwejaar. „Waarachtig, dat mag je!” En -hij begon te snuiven. - -De schipper leidde hem op de verhevenheid en bood hem de plaats aan -zijn rechterzijde aan. De vier sleepdragers verdwenen met den looppas. - -„Vooruit, de kuip in!” beval Harmen Padde, die achter de kombuis in vol -ornaat te wachten stond. „Wat?! Sta je te grienen?!” - -„Harmen!” snikte Padde. „Ik heb alles gehoord wat..... wat de bootsman -zei!” En hij begon met zijn bebloemde mouw z’n gezicht te bewerken. - -„Je ziet er uit als een beest!” riep Harmen ontzet uit. „Lieve help, -ben je zoo’n spons? Hier met je gezicht!” En Harmen smeerde er een -vingerdik meel op. „Als we stilhouden, stap je uit en zegt m’n vers op! -Vergeet het strooien niet en denk er om: lachen!” - -En Padde werd vrij onzacht in de kuip geduwd. - -„Kunnen we trekken?” vroegen de anderen. - -„Wachten tot ze gaan schieten!” beval Harmen. - -Padde werd bleek om z’n neus. „Gaan ze schieten?!” - -„Alle kanonnen! Zoodra ’t twaalf uur slaat. Ter eere van ’t nieuwe -jaar.” - -„Ter eere van mij.....?!” - -Daar sloeg het al in den fok. Een-twee-drie-vier-vijf-zes..... - -Padde stopte de ooren toe. - -Boem! Het schip dreunde. Boem! Boem! Boem! - -„Méé!” schreeuwde Harmen. En tegen Padde: „Vooruit! Strooien en -lachen!” En met z’n vieren sleepten ze de vergulde vleeschkuip, met -Padde er in, tusschen de maats door, die het nieuwe jaar met -hoera-gebrul begroetten. - -En Padde strooide. Het lachen lukte maar half. Voor den troon, waarop -de schipper, het ouwejaar en „de heeren” zaten, hield zijn zegewagen -stil. Padde krabbelde uit de diepe kuip. - -„Sscht!” werd er geroepen. „Hij mot een versie zeggen!” - -Padde keek schuchter om; Harmen gaf hem een duwtje. „Schipper.....!” -begon Padde, en zijn mond begon te trillen, „schipper.....!” - -„Ik ben het nieuwe jaar!” fluisterde Harmen grimmig. - -„Ik ben..... ik heb..... ik heb daareven alles gehoord wat de bootsman -zei, schipper, en.....!” - -Toen redde Harmen den hopeloozen toestand. Hij sprong naast Padde, -greep zijn hand en begon: - - - „Wij zijn het nieuwe jaar! - We brengen niets als voorspoed maar! - We zullen je naar Oostinje leiden, - De compagnie met winst verblijden! - De mannen, nimmer lui of moe, - Roepen.....” - - -Hij wendde zich tot de maats, zwaaide met den blooten onderarm, die nog -pikzwart was van zijn Moriaan-schap, en uit aller mond daverde het: -„Leve schipper Bontekoe!” - -De oorlam werd binnengebracht. Voor de heeren en voor het Ouwejaar was -er wijn; de jongens mochten zeewater drinken,—zooveel ze maar wilden. - -„Mannen!” zei Bontekoe, „ik ledig dit glas op jullie aller welzijn! Ik -weet, dat jullie allen hier door hetzelfde voornemen bezield bent als -ik: de Nieuw-Hoorn behouden naar Oostinje en weer naar huis te -brengen!” - -„Ja! Leve de schipper! Leve Bontekoe! Leve de Nieuw-Hoorn!” - -„Zingen!” riep het Ouwejaar. - -„Ja! Zingen! Leve de bootsman!” - -En zwaar en diep, alsof het opsteeg van den bodem der zee, klonk het -mooie, oude Wilhelmus. De oogen der mannen glinsterden. Een groot -gevoel welde uit hun harten op. - -„Den Vaderlandt gethrouwe, blijf ick tot in den doet.....” - -En toen verdween Bontekoe met het Ouwejaar onder luid gejuich in de -kajuit, en de oomes spoedden zich naar het warme vooronder. - -Hier duurde de pret nog lang na. Harmen kwam met z’n fiedel op de -proppen; de oomes zongen en zwetsten en sloegen met de vuist op tafel. - -„’t Zal een voorspoedige reis worden!” verzekerden ze elkaar. - -Het zal een voorspoedige reis worden..... - -Zoo dachten ze allemaal. - - - - - - - - -STORM - - -Den eersten Januari 1619 passeerde de Nieuw-Hoorn den Zuid-Westhoek van -Engeland; de wind was Oost; de koers werd Zuid-West ten Zuiden gesteld. - -„’t Lijkt wel of de wind draait”, zei Hajo tot Rolf, terwijl ze samen -op het eindje van een ra zaten. - -„Hij loopt naar ’t Zuiden”, stelde Rolf vast. „Geef dat strengetje -eens?” - -„Daar. Help je mij even trekken?—Zeg, ’t is ook net of de wind sterker -wordt.” - -„Dat lijkt zoo, omdat we hoog zitten”, meende Rolf. - -Maar Hajo vergiste zich niet. De wind nam toe en flink ook. Eerst wist -hij zelf niet, waar hij zich zou huisvesten, blies dan voor, dan -achter; je kon er geen zeil naar stellen. Maar tegen den middag nam hij -een besluit: hij nestelde zich in het Zuiden en bleef daar zitten. De -Nieuw-Hoorn ging stampen als een paard, dompelde snuivend den kop in de -baren. Padde werd akelig bleek. - -„Ben je niet lekker?” vroeg Harmen hem meewarig. „Ja, de eerste keer -ruw weer.....! Vraag de bootsman maar ’ns waar het zeeziekvrije plekkie -is.” - -„Het zeeziekvrije plekje??” - -„Weet je dat niet? Elk schip heeft ’n zeeziekvrij plekkie! Als de -bootsman niet weet waar ’t is, loop dan maar even bij de schipper aan. -Die moet ’t weten, hè?” - -Padde besloot te gaan zoeken. Maar voor hij den bootsman lastig viel, -klampte hij eerst op goed geluk den Neus aan. - -„’t Zeeziekvrije plekkie? Wel sapperloot, dan heb je niets anders te -doen als hier en daar ’ns op je rug te gaan liggen. En dan kijk je naar -je voeten. Gaan die op en neer, dan ben je verkeerd. Maar als ’t schip -beweegt, en je voeten liggen stil, dan heb je ’t goeie plekkie te -pakken.” - -Padde was dankbaar voor den nieuw verworven raad, en overal waar hij -zonder gevaar van uitgelachen te worden proefnemingen kon doen, strekte -hij zich neer. - -„Wat is dat? Ben je dood?” riep een stem. - -Padde krabbelde, zoo snel zijn loodzware beenen het veroorloofden, -overeind, en zag in de vriendelijke oogen van Floorke, wiens rond -gelaat met sproeten was bezaaid en onder wiens muts harde, vuurroode -haarstoppels te voorschijn sprongen. - -„Ik zoek wat”, zei Padde onhandig. - -„En ga je dan op je rug liggen??” - -„Och,” was Padde’s alleronverschilligst antwoord, „ik zoek zoo voor de -aardigh-h-heid eens naar het zeeziekvrije plekje.” - -Er tintelde iets in Floorke’s oogen. „Als je ’t noodig hebt, loop dan -maar even bij me an; dan zal ik je wel vertellen waar het zeeziekvrije -plekkie is.” - -„Zeg op!” - -„Waarom? Je bent nou toch nog niet zeeziek?” - -Padde lachte hartelijk. „St-t-tel je voor! Maar ik wil ’t toch wel -w-weten.” - -„Nou, als je d’r op stáát! Klim dan maar ’ns in de groote mast. De -bovenste ra moet je in.” - -„Dat lieg je toch?” - -„Liegen??? Ga zelf nou ’ns na: waar komt de beweging vandaan? Van ’t -water en de golven, nietwaar? Nou, waar heb je er dan de minste last -van? Zoo ver mogelijk van ’t water af. En waar is dat? In ’t topje van -de groote mast!” - -Daar viel niet veel tegen in te brengen. Padde ging naar den grooten -mast en zette een voet in het want. Maar toen hij voelde, hoe het -schudde en trilde, en toen hij zag, hoe het winpeltje daar heel in de -hoogte heen en weer zwiepte, verklaarde hij, dat Floorke de gemeenste -leugenaar was, dien hij ooit had ontmoet, en dat Padde Kelemeijn er -waarachtig de vent niet naar was, om zich voor het lapje te laten -houden! - -Verdrietig gestemd, dat hij de wereld zoo vol leugen en bedrog vond, -liep hij Hajo tegen het lijf. - -„’t Zal wel op storm uitdraaien!” meende deze gewichtig. - -„Zeg, Hajo.....” Padde sloot even de oogen, „als ik ’ns wat uit het -fleschje..... wat gaat die schuit te keer!..... uit ’t fleschje van -Grietje dronk? Schaadt ’t niet, ’t baat ook niet.” - -„Heb je daar trek in?” vroeg Hajo, weifelend. - -„T-trek! ’t Is g-geen snoepgoed!” - -„Vooruit dan maar. ’t Zit onder in m’n kist.” - -„Mispoes!” zei Padde. En met een zwakke poging om zegevierend te -kijken, haalde hij het fleschje uit zijn zak. „Ik dacht: je kunt nooit -weten! Brrr..... wat gaat dat schip.....!” En Padde hield zich vast aan -een onderzeil; zijn knieën knikten. „Maak je ’t even open, Hajo?” - -Ook deze voelde iets van onpasselijkheid in zich opkomen, toen hij den -olie-achtigen inhoud van het fleschje zag. Met afgewend gelaat -ontkurkte hij het. - -Padde scheen inderdaad weinig „trek” te hebben. Hij moest al zijn moed -bijeentrommelen en neus en oogen dichtknijpen, vóór hij een klokje in -zijn mond goot. - -„Voel je je nou beter?” vroeg Hajo. - -„Veel b-b-beter,” verzekerde Padde. - -„Neem nog wat”, raadde Hajo aan. - -Padde begon te kokhalzen. - -Toen nam Hajo een kordaat besluit: hij slingerde het fleschje -overboord. - -„D-doodzonde,” jammerde Padde. - - - -Den vierden Januari liep de wind naar het Zuid-Westen om en werd zoo -hevig, dat de marszeilen moesten worden ingenomen. In den nacht bleek -het noodzakelijk, ook de fok in te nemen. Het schip liep Westwaarts -over, met één zeil. - -Padde viel op het dek niet meer te bespeuren: de Schele had hem bij -zich genomen en vertroetelde hem als een zuigeling. Hajo was ook niet -vrij meer van zeeziekte. Rolf scheen er nog weinig last van te hebben. -Hij steunde Hajo vaak, wanneer ze samen het want werden ingestuurd, en -liep daardoor zelf honderdmaal gevaar, uit het hevig slingerende -touwwerk te vallen. - -Tegen den avond van den volgenden dag barstte de storm los. Job had -goed gezien. - -De golven ramden met donderend geweld de krakende scheepswanden; wolken -kokend schuim stoven tot over de hoogste ra’s. Het woelde en bruiste in -de donkere watermassa; duivelsche machten spookten op den bodem der zee -en schopten de Nieuw-Hoorn heen en weer. - -Met holle, wijd open oogen lagen onze vrienden dien nacht en -luisterden..... luisterden.....! - -De lantaren in de slaapplaats van het volk slingerde angstwekkend heen -en weer en wierp grillige, levende schaduwen door het vertrek. Slechts -enkele mannen konden in slaap komen; de meesten lagen wakker; sommigen -kreunden in benauwde droomen. - -De Nieuw-Hoorn werd hoog in de lucht geheven, sidderde in al haar -voegen en tuimelde de diepte weer in. - -„Bê-ja! Ga daar maar liggen!” trachtte een maat boven het oorverdoovend -gekraak uit te schreeuwen. - -Hajo sloot de oogen, drukte de armen stijf tegen de wanden van zijn -nauwe krib. Jongens, wat zwaaide die lamp! Door zijn dichte oogleden -heen zag hij het licht als razend heen en weer vliegen. Een-twee, -een-twee, hopsasa!—Als de Nieuw-Hoorn eens verging?! Als de golven..... -hoor ze mokeren! ’t Leek de smederij van Wouter wel!..... Als de golven -het schip eens uiteenrukten en brullend..... hoor! hoor toch eens -aan!..... en brullend hun buit verdeelden als jongens een zak knikkers? -Hier, golf, daar heb jij een kist; weg er mee! Jij neemt die kerel voor -je rekening, jij die mast, jij die scheepsjongen; golf, loop niet te -nietsdoen, pak de bootsman bij z’n vodden.....!—Als ze eens met z’n -tweehonderd met Gerrit en de schipper en de kist van baas Wouter werden -opgenomen in de kille, zilte armen der zee en rondtolden in de zwarte -diepten vol geheimen, waar zeegedrochten hen aanloerden met felle, -groene oogen en dan bliksemsnel toeschoten, den afschuwelijken muil -openden.....! Hoor het kraken der beenderen.....! Het water drong hem -in neus en mond en..... Moeder! Moedertje! O, God.....!! - -Hajo veegde zich het zweet van de slapen. Angst en opwinding maakten -koortsig. - -Rolf sprong overeind. „Ik ga buiten eens kijken!” riep hij zijn makker -toe. Hij werd van de eene kooi naar de andere gesmeten, klemde zich aan -alles vast om niet te vallen. - -„Zeg de zee gedag van me!” schreeuwde Harmen hem toe. Ergens schoot er -een in een lach, die onwelluidend door het rumoer heenklonk. - -Rolf kwam weer terug, tot op het hemd doorweekt. Doodmoe plofte hij -neer. - -„Wat is ’t voor weertje?” vroeg Harmen, schreeuwend om zijn geestigheid -te doen verstaan. - -Een dreinende, schorre stem begon te brullen: - - - „En als de maat ’n schipper heeft, - Een oorlam en een lief, - Dan lacht de maat, dan zingt de maat, - Dan kent de maat geen grief! - Van troeladiee, van troeladia.....” - - -In eens.....! met een kreet sprongen de kerels overeind.... een -donderslag.....! de deur van het vooronder werd versplinterd; door het -weggeslagen paneel perste zich het water en spoot knallend tegen den -voorwand van het volks-logies. Vlak er op, vóór men wist wat er aan den -hand was, werd de deur geheel opengerukt; de bootsman stormde met een -waggelende lantaren naar binnen, tot aan zijn knieën wadend in het -water. „Alle hens aan dek!” - -„Hulp! Meer hulp!” klonk een vage roep van buiten. - -Toen kon men merken, dat de mannen van de Nieuw-Hoorn er wezen mochten: -ze sprongen overeind, stonden schrap op hun beenen, dat er, voor den -duivel, geen wrikken aan was! Ze trokken met een ruk hun broek op, -haalden den riem aan, een-twee! en renden achter de zwaaiende lantaren -van den bootsman aan naar buiten. - -Laat komen wat komen wil! Hier staan tweehonderd mannetjesputters, niet -bang voor den duivel en z’n moer! - -Daarbuiten een chaos van lichamen in den zwarten nacht. Proesten en -snuiven, een wild klappend zeil, zwiepende stengen, gekraak, geknars, -schreeuwende stemmen door het loeien van den storm heen: „We zinken! De -boegpoorten staan open!!!” - -Van het achterdek naderen ijlings zwarte gestalten met een licht, dat -plotseling uitdooft. Een paar worden er over het dek geveegd en tegen -de verschansing gekwakt. - -Ineens: schipper Bontekoe! - -„Schipper!! Het ruim loopt vol! De boegpoorten zijn ingeslagen!!” - -„Wat drommel, dan spijker je ze weer dicht! Berentsz!” - -„Schipper!” - -„Met twintig man naar het ruim!” - -Weg was Berentsz, een paar dozijn mannen op de hielen. - -„Schipper! Het vooronder staat vol water!” - -„Haal de putsen dan op!” - -Van alle kanten werden de emmers aangesleept. Maar vóór de kerels aan -het baliën sloegen, vermorzelden ze met koevoeten de scheepskisten, die -in het vooronder heen en weer dansten en hun de schenen stuksloegen. -Toen werd een dubbele rij gevormd; de putsen gingen van man tot man. -Een enkele keer sloegen de maats door het stampen en zwaaien met puts -en al tegen den grond; als katten krabbelden ze weer overeind, en een -half uur later was het vooronder droog. Toen kwamen de mannen, die in -het ruim waren gestuurd, ook weer boven: de boegpoorten waren -verzekerd. Ze hadden er dubbele deuren over gespijkerd. - -Alle zeilen waren ingenomen, maar nu tolde het schip zoo, dat de heele -boel aan flarden dreigde te gaan. Twintig kerels zetten, de tanden -opeengeklemd, het zeil weer bij. Dat stutte het slingeren wat. - -Flauw van afmatting ploften de mannen in hun vochtige kooien neer. - -De storm joeg een ijskouden regen voor zich uit, die kletterend tegen -het dek sloeg, de grens tusschen zee en lucht uitwischte. - -Het schip koerste Westwaarts. - -In het Oosten schemerde een trieste morgen door het regengordijn. - - - -De storm woedde. Dag na dag. Met roodgezwollen neus en oogen liepen de -maats rond. Al hun kleeren waren doorweekt; de regen wisselde af met -scherpen hagel, die vinnig de huid striemde. - -Drie dagen na de nachtelijke paniek streken groote vluchten meeuwen -over het schip, worstelend tegen den storm. Bij troepen kwakten ze, ten -doode vermoeid, tegen het want, tuimelden met lamgeslagen vleugels op -het dek. Men vermoedde de nabijheid van land, maar kon door golven, -regen en wolken schuim geen twintig ellen voor zich uit zien. - -Het zeil werd omgegooid; men helde Oostwaarts over. De storm bleef in -denzelfden hoek zitten, rukte woedend aan masten en zeilen. En als een -bende hongerige wolven vielen de golven over het schip heen. Ze hijgden -en sidderden van vernielzucht; de vlokken schuim vlogen hun van het -natte lichaam; ze rolden over elkaar heen en betwistten elkaar den -buit, ze beukten, kletsten, kermden en huilden..... - -Vier dagen later, in den namiddag van den twaalfden Januari, behaalde -de storm een overwinning. Het was een seconde lang stil geweest; toen -volgde een windstoot, die als een kanonschot tegen den boeg knalde; het -volk in het vooronder sprong overeind en luisterde.....! Een -doordringend gekraak; weer een seconde lang stilte, en de storm raasde -voort. - -De maats snelden naar buiten, liepen elkaar haast omver. - -„De groote mast ligt om!!!” - -De breuk bevond zich op vijf vadem boven het dek. De schipper stond er -bij, een schaar janmaats om hem heen, gereed elk bevel op te volgen. - -„Laat de steng zakken!” riep Bontekoe. - -Als eekhoorns vlogen de kerels het nu slaphangende want in, klemden -zich vast met voeten en tanden, de oogen dichtgeknepen tegen den regen. -Met hun verstijfde vingers werkten ze de steng los, lieten haar door -het marsgat zakken. „Hou vast, mannen!” - -De zware steng gleed omlaag. Zou de mast nog blijven staan? - -In groote spanning zagen de mannen beneden naar het werk, dat hun -makkers daarboven verrichtten in den zwiependen, draaienden, krakenden -mast. Een diepe zucht: de steng zakte. „Houdt! Houdt de steng!!” - -Men liet het ondereind door het dek schieten; met touwen werd de steng -tegen de mastbreuk gewoeld. Voorloopig was het gevaar geweken. - -„Pah!” zei de storm en rukte nijdig. Maar de mast hield stand. - - - -Hajo was door zijn zeeziekte heen. Ook zijn angst was verdwenen. Het -ging nu al zoo lang goed..... Als een echte pikbroek liep hij op het -hevig slingerende schip rond; zijn beenen gingen al aardig rond staan; -hij voelde zich trotsch en manlijk, omgeven door het gevaar; hij spuwde -het zout uit zijn rauwe keel en snoof en niesde. - -Rolf liet zich door het weer niet meer beletten zijn studies voort te -zetten. - -Op een goeien dag gaf de storm het op. Een paar stuiptrekkingen, een -diepe, diepe zucht, en onmachtig viel hij neer. Het water kalmeerde -niet zoo gauw. - -Maar allengs verloren de golven toch hun vernielende kracht, en den -twintigsten Januari was het mooi, stil weer. ’t Werd ook minder koud: -men voelde het Zuiden al. - -Een heerlijke rust daalde op de Nieuw-Hoorn neer. Zingend hingen de -oomes hun natte plunje te drogen. De handen in de zakken keken ze ’ns -naar de blauwe lucht en stelden vast, dat het er wel naar uitzag, of -het weertje nog ’n daggie zoo blijven zou. Ze rookten, lachten en -spuwden weer; hun levenskracht was niet geschokt. - -In een stevig dichtgesjord houten doosje werd een lijkje aan den schoot -der golven toevertrouwd. Met ongeoefende hand stond er op geschilderd: - - - Joppie - † - 19 fan Loumaant 1619 - Hij het sin eige Doot voorspelt - En is gestorfe as een Helt - - -Lijsken Cocs stond er bij te grienen. - - - - - - - - -PADDE LEERT BUIKSPREKEN - - -Er was werk genoeg aan den winkel! Het heele schip lag overhoop; overal -zwierven stukken touw en lappen gescheurd zeil; het zout had zich -ingevreten in koper- en ijzerwerk. - -De maats werkten als leeuwen om alles weer op orde te brengen. Ze -poetsten, olieden en schrobden, dat het een aard had, en trachtten hun -stukgeslagen kisten weer fatsoen te geven. Het was een gehamer en -geklop van belang. Maar alles ging vol goeden moed, en de oomes zongen -er een liedeke bij. - -Eerst nu leerden de jongens, wat werken was! De viool en de boeken -schoten er bij in. - -Men maakte van het gunstige weer gebruik om den grooten mast nog meer -te versterken. De schipper leidde zelf het werk. „De mast heeft ’t -koud!” zeiden de maats. „Hij heeft er zijn duffelsche bij -aangetrokken!” En ze wezen op de driedubbele touwlaag, die om de -mastbreuk was gewoeld. Het want werd getalied, tot het weer zat „als -een muur”. De schipper liet het groote marszeil uit den mast halen en -het in de plaats van het grootzeil stellen. Waar vroeger de groote -steng gezeten had, zette men nu de bramsteng op en voerde er het -bramzeil aan. Dank zij die maatregelen en een voorspoedigen -Zuid-Oostenwind, kon de Nieuw-Hoorn weer vrij snel varen. De koers werd -gesteld op de Canarische eilanden,—Zuidwest ten Zuiden. - -Hajo had met Hilke voor dezen morgen een afspraak getroffen betreffende -de levering van een anker op zijn bovenarm. - -Want na lang weifelen was tot een anker besloten. - -„Nou”, zei Hilke, toen ze het zich in het vooronder gemakkelijk hadden -gemaakt, „stroop nou maar ’ns netjes je mouw op. Dan zullen we in een, -twee tellen een fijn ankertje in je arm prikken! ’t Is zonde en jammer, -dat je ’t op je bovenarm wil hebben. Afijn, daar ben je een Friesche -dwarskop voor.” En terwijl hij aan het prikken sloeg, vroeg hij: „Weet -je wel wat het beteekent?” - -„Een anker? Nou, je legt er een schip mee vast.” - -„Dat weet m’n neus ook. Ik zal het je maar zeggen: een anker beteekent: -hoop.” - -„Hoop?? Hoop op wat?” - -„Nou, op wat maar. Dat je goed in Oostinje mag komen, en dat ’t schip -niet vergaat.” - -„En komt het uit?” - -„Wat bedoel je?” - -„Nou, als je nou zoo’n anker op je..... au!—nee, ’t was niks, hoor!—op -je arm laat prikken, en je denkt er bij: ik hoop dit, of ik hoop -dat..... komt ’t dan uit wat je hoopt?” - -„De een zegt van wel, en de ander zegt van niet. Maar kwaad kan ’t -nooit. En ’t staat goed, hè? De meisjes zien het graag. Ze zijn er gek -op. De linker is ’t mooist, vind je niet?” - -„Ja! De linker is..... au!..... is prachtig.” - -„Ik zal je nog eens wat veel mooiers laten kijken”, zei Hilke. Hij trok -zijn hemd open en liet een meisjeskopje zien, dat op zijn borst -prijkte. Hilke’s borst was stevig behaard, maar het schilderij -behoorlijk schoon geschoren. „Zie je? Da’s met twee kleuren! ’t Gezicht -rood en de oogen blauw. ’t Was moeilijk, hoor! En ik moet doorloopend -met ’t mes er overheen, om ’t schoon te houden. Vind je, dat het op -Sijtje lijkt? De neus is ’t sprekend; zeg nou zelf!” - -„Ja, de neus wel!” - -„En dan te denken, dat m’n vorige meisje er heelemaal niet op leek! En -’t moest juist haar portret zijn. Hou je arm goed stil, dan zijn we in -een wip Maar.” - -Een uur later prijkte het hoopvolle symbool in twee kleuren op Hajo’s -bovenarm. Het anker was blauw, en er kronkelde zich in helder rood een -endje touw omheen. - -Glimmend van trots en voldoening bezag Hajo het kunstwerk. - -„Ziezoo!” zei Hilke, tevreden over zijn werk. „Zeg nou eens eerlijk: -heeft het pijn gedaan?” - -„’k Heb niets gevoeld, hoor! En ik dank je wel!” - -„Leuter niet,” weerde Hilke af. „En tegen de tijd, dat je..... afijn, -als je nog eens ’n paar harten op je arm wilt hebben..... altijd graag -van dienst, hoor!” - - - -Reeds vroeg in den volgenden morgen—de oomes lagen nog achterover in -hun kooien hun sokken aan te trekken—stormde Harmen opgewonden het -vooronder binnen. - -„Mannen! Een zeil in ’t zicht!” - -Dat sloeg in. De kerels sprongen overeind, renden op bloote voeten en -in onderbroeken naar het dek. In twee tellen was het vooronder -uitgestorven. - -Slechts één neus stak nog ergens boven de dekens uit. Het was die van -Padde. Met versufte oogen lag de arme jongen in zijn kooi. „Een zeil in -’t zicht.....! Zou hij nu naar huis kunnen gaan?!” Padde huiverde van -spanning. „Naar huis.....! Zou zijn moeder boos zijn? Zou ze naar hem -verlangen? Of zou ze blij zijn, dat ze hem..... hm! dat ze hem kwijt -was?”—Dàt geloofde Padde niet! Hij durfde gerust teruggaan. Maar..... -Hajo verlaten! Hajo aan vraatzuchtige kannibalen overleveren?—Het ging -niet. - -Zou Indië nog ver zijn? ’t Kon haast niet: ze waren nu al zoo lang op -weg. Als hij eens meeging—tot Oostinje—en dan dadelijk terugkeerde? Als -hij de heele reis meemaakte, zou hij een aardig zakduitje naar huis -brengen! Dan zou zijn moeder vàst blij zijn, als ze hem terugzag. En -z’n oom zou zoo’n flinke kerel graag in de brouwerij nemen! Hij zou -Padde smeeken om bij hem te komen: Padde, een jongen als jij, de -brouwerij kermt er om! - -Ook de schipper zou hem niet graag missen, dat had Padde wel gemerkt! - -Hajo kwam binnensnellen. „Padde! Kom toch kijken! Een schip!” - -„Ja, dat zul jij wel lollig vinden!” zei Padde bitter. - -„Ja! Da’s leuk!” - -„Dus je wilt me kwijt zijn?!” - -„Kwijt? Jou kwijt.....??” Hajo barstte in lachen uit—wat Padde’s -onderlip nog een duim deed zakken.—„Oh, Padde! Het schip is achter ons. -’t Gaat dezelfde kant op!” - -Padde loosde tegen wil en dank een zucht. Maar meteen gromde hij: -„Jammer! Ik had graag teruggewild.” Hij schoot zijn broek aan, eerst -verkeerd, en ging met Hajo mee. - -Maar bij de deur bleef Padde staan en greep zijn makker bij den arm. -„’t Zullen.....?! Zeg, Hajo! ’t Zullen toch geen Duinkerkers zijn?!” - -Hajo was even verrast. „Duinkerkers! Hoe kom je daar nou bij? Maar als -’t zoo is, nou, dan zullen we ons niet als snijboonen in het vat laten -stampen!” - -„Je zult wat!” zei Padde, bibberend als een rijkelui’s hondje. „De -slampam..... pampers zouden nog in staat zijn om te gaan sch-schieten!” - -„Nou, wij hebben óók kanonnen aan boord!” - -„Ik moet niets van ka-kanonnen hebben,” verklaarde Padde. - - - -Schipper Bontekoe scheen de zaak luchthartiger te bekijken dan onze -botteliersmaat. Hij liet de Nieuw-Hoorn op de lij werpen, zoodat de -zeilen slap neervielen en het andere schip gelegenheid had, den -Oostinjevaarder in te halen. - -Het verre zeil werd grooter; bleek eveneens een driemaster te zijn. -Daar dribbelde een vlag langs den grooten mast omhoog. In spanning -keken de maats uit, tot de wind het bonte doek zou open slaan en de -teekening te zien zou zijn. - -„De Compagnies-vlag!” - -„Ja!!” Allen brulden het uit. „De Compagnies-vlag!!!” - -Men antwoordde. Vroolijk koutend hingen de maats over de balie. Hoelang -was het geleden, dat ze voor het laatst iets anders dan lucht en water -hadden gezien? - -Maar Padde bleef wantrouwend. „Dat zegt niets, die vlag!” verzekerde -hij. „Die smerige zeeschuimers zorgen altijd wel een fatsoenlijke vlag -aan boord te hebben. En juist als je nergens meer op verdacht bent, -beginnen ze in eens te schie.....” - -Het laatste woord bleef hem in de keel steken. Padde werd zoo bleek als -een gesteven hemd en staarde met groote oogen naar.....! Uit den -zijwand van het vreemde schip buitelde een helderwit wolkje te -voorschijn. „Boem!” zei het toen. En haast op hetzelfde oogenblik -donderde het onder den planken vloer, waarop Padde’s voeten rustten: de -Nieuw-Hoorn beantwoordde het schot. Lang voordat de rook was -opgetrokken, had Padde al een goed heenkomen gezocht in het vooronder. - -En de oomes, die zijn beschouwingen over zeeschuimers meesmuilend -hadden aangehoord, sloegen nu bijna dubbel van het lachen.—Padde had -blijkbaar nooit van saluutschoten gehoord! - -Een kwartier later kon men de menschen onderscheiden. Een daverend: -Hoera! steeg uit beide schepen op, en er werd met mutsen en doeken -gezwaaid. Op het vreemde schip liet men de trap neer; een jol werd te -water gelaten; eenige mannen stapten er in en de jol koerste in de -richting van de Nieuw-Hoorn. - -Het was een kalme zee, maar toch, drommels, wat ging me dat ding op en -neer! Hoepla, weg was ie achter een vette golf, ingeslikt door een -wallevisch. „Bah!” zei de walvisch, „ik lus je niet. Dobber jij maar -voort, jol!” Kijk, daar lag ie op ’n handbreed water, krek een meeuw. -Weg gleed ie weer in een wieg van twee golven. Suja, suja, popje! Je -werd al katterig, als je er alleen maar naar keek. - -Bontekoe liet de scheepstrap zakken; dan werd er vlug een looper gelegd -van de trap naar de groote kajuit; de schipper en de koopman kwamen -naar buiten en wachtten aan de verschansing. - -De jol was nu vlakbij. Er waren zes roeiers in, stevige maats; op het -achterbankje zaten twee heeren, die zoo op het eerste gezicht de -grootste tegenstelling vormden, welke men zich maar denken kon. De een -was groot, bleek en mager, had een dor gezicht en sluik, blond haar; de -ander was klein, gezet, verweerd en verbrand als een oud stuk zeil, en -onder zijn schipperssteek sprongen weerbarstige, bruine krulletjes te -voorschijn. - -Nauwelijks had de jol de scheepstrap bereikt, of de vreemde schipper -was er al op gesprongen en als een eekhorentje naar boven gewipt. -Statig volgde de ander. - -„Welkom!” zei Bontekoe hartelijk, terwijl hij den vroolijk-uitzienden -gast zijn gebruinde hand toestak. „Welkom op de Nieuw-Hoorn, heeren! -Mijn naam is Bontekoe, en dit is de heer Rol.” - -„Pieter Thijsz. van Amsterdam, schipper op de Nieuw-Zeeland,” stelde de -ander zich voor op een toon, alsof hij met zwaar weer door een -misthoren toeterde. „Ik ben verheugd, met u kennis te maken! Ik heb, -sinds we eind December Vlissingen verlieten, geen zeil meer gezien! -Drommels, wat een hondeweer! Hebt u averij gehad? Wij zijn er met Gods -hulp goed doorgezeild!” - -Ook de ander, de koopman aan boord van de Nieuw-Zeeland, stelde zich -voor. - -„Laat ons binnengaan, heeren,” opperde Bontekoe. „Ik heb nog ’n glas -goeden wijn.” - -„Dat zal de stemming niet bederven!” bulderde de kleine lachend. - -Bontekoe en de vreemde schipper bleken al spoedig eensgezind: ze namen -mekaar onder den arm en gingen vroolijk koutend de kajuit binnen. - -Met afgemeten passen volgden de beide kooplieden, in hoffelijk, bedaard -gesprek. - -Toen de kajuitdeur dicht was, zetten de oomes een boom op met de mannen -in de jol. - -„Hoy!” - -„Hoy!” - -„Averij gehad?” - -„Mast gekraakt.” - -„Lieg je toch?” - -„M’n kop zal over de balie in ’t water rollen, als ik lieg. Kom maar -eens kijken!” - -„Ik durf de jol niet uit. Als de ouwe in eens terugkomt.....!” - -„Hè-jullie ’n goeie ouwe?” - -„Gangetje! We noemen ’m de bruinvisch, hè? En als ie in de kajuit -fluistert, moet je in ’t vooronder je ooren nog dichtstoppen, als je -niet doof wil worden. Maar hij is gul met ’n oorlam.” - -„Ja. En ook met juffer driestreng!” riep een ander uit de jol. - -„Wat doe jij ook met ’n stuk in je pet op wacht te komen!” schetterde -de eerste. - -„Maak geen deining,” schreeuwden de oomes boven. „’t Is nog zoo vroeg -op de dag!” - -„Waar bemoei jullie je mee?” klonk het uit de jol. - -„Wil ik je eens op je kop spuwen?” - -„Kun je niets beters?” - -„Jawel!” schreeuwde Harmen. „Ik zal jullie eens ’n raadsel opgeven! -Kunnen jullie goed raaien? Of zijn jullie zoo stom als je d’r uitziet?” - -„Hou jij je maar stil!” klonk het van beneden. „We kunnen door je -neusgaten in je hersens koekeloeren! ’t Is daar een leege boel, hoor!” - -„Voldoende om jullie met z’n allen te bedotten!” verzekerde Harmen. „Ik -kan de wind laten draaien!” - -„Hoe doe je dat?” - -„Je gaat zoo staan, dat je de wind in je nek voelt, dan kijk je -tusschen je beenen door, en je hebt ’m pal in je gezicht!” - -„Kinderachtig!” verklaarden de zes man in de jol. - -„Stil!” zei Harmen. „Ik heb nog een raadsel: Als d’r zes man in een jol -zitten, wie is er dan de lolligste?” - -„Weten we niet. Zeg op!” - -„Wel,” verzekerde Harmen, „ik zou het waarachtig ook niet weten! Jullie -zien er alle zes even flauw uit.” - -„Kom er ’ns beneje!” - -„Ik mag niet van m’n moeder!” - -De oomes van boven hielden hun buiken vast. - - - -Op dat oogenblik kwamen de heeren de kajuit weer uit. „Tot vanmiddag -dus!” bulderde de kleine schipper van de Nieuw-Zeeland. „Ik heb nog een -oude Tocayer staan. U zult merken, dat u bij een fijnproever te gast -is!” Hij keek een oogenblik naar den grooten mast. „Zoo zal hij wel -weer tegen een stootje kunnen!” - -„Zoodra we voor anker liggen, nemen we hem nog eens wat beter onder -handen,” verzekerde Bontekoe. - -„Waar dacht je te landen? Op de Kaapverdische?” - -„Ja, tegen dien tijd zullen we wel versch water moeten innemen.” - -„Dan landen wij er ook.” - -De schippers sloegen de handen ineen. En met vluggen pas daalde de -„bruinvisch” de trap af, gevolgd door den langen, dorren koopman. De -roeiers in de jol sprongen overeind, alsof er spelden in de banken -zaten. - -Bontekoe merkte het op. „Je hebt er de wind onder, vadertje!” mompelde -hij. „Al zal ’t endje touw er weleens bij te pas komen!” - -Toen wendde hij zich tot zijn mannen. „Kinderen, we varen in compagnie -met de Nieuw-Zeeland! Het schip heeft geen averij gehad en zeilt dus -makkelijker dan wij.—Wat zei jij daar, Floorke?” - -Floorke vertrok zijn mond tot een grijns. „We geven ze geen duimbreed -voor, schipper!” - -Bontekoe glimlachte. „Zoo denk ik er ook over!—Heb je wat op je lever?” -vroeg hij, toen hij zag, dat Floorke aan zijn buikriem frommelde. - -Floorke haalde de schouders op, knipoogde tegen zijn makkers. - -„Nou?” - -„Ze zeggen, dat de bruinvisch gul is met ’n oorlam, schipper.” - -Bontekoe verstond den wenk. „Vooruit dan maar!” zei hij, heimelijk pret -hebbend om den bijnaam van zijn collega. „Haal dan maar een oorlam. -Maar dan ook de handen uit de mouwen! Begrepen!” - -Of ze het begrepen! Als hazen renden ze naar den bottelier. „Leve de -schipper!” - -En Floorke werd op de schouders genomen. - -Glimlachend keek Bontekoe hen na. „’t Zijn kinderen”, zei hij tot den -koopman, die naast hem stond, „en als kinderen moet je ze behandelen.” - -Rol haalde de schouders op. „Men kan de teugel ook weleens al te vrij -laten, mijn waarde!” - -Bontekoe’s blik verduisterde zich. „Ik moet vrinden om mij heen -hebben”, zei hij toen kortaf. „Met slaven begin ik niets.” - -Er kwamen genoegelijke dagen. De wind bleef uit denzelfden hoek waaien; -het weer was onveranderlijk mooi; elken dag werd het warmer. Met kunst -en vliegwerk slaagde de bemanning van de Nieuw-Hoorn er in, het andere -schip bij te blijven. - -Den drie-en-twintigsten Januari werd er aan stuurboord-zijde nòg een -zeil gezien! Bij nadering bleek het ’t schip Enkhuizen te zijn, dat -haast tegelijk met de Nieuw-Hoorn was uitgezeild, met bestemming naar -de kust van Coromandel. De schipper was een kalm en waardig man: Jan -Jansz. van Enkhuizen. - -De drie schepen voeren nu gezamelijk verder. Beurt om beurt brandden ze -’s nachts het seinlicht, waarnaar de andere twee hun koers hadden te -richten. Er zat iets allergezelligst in: zoo met z’n drieën in -compagnieschap te varen. De reis scheen een pleiziertocht te zullen -worden. De schippers bezochten elkaar geregeld en brachten hun tijd in -prettig kouten door. - -Men passeerde de Canarische eilanden zonder er een in ’t zicht te -krijgen. - -Een school dolfijnen kwam de Nieuw-Hoorn te gemoet, begeleidde het -schip dagenlang, lustig spelend om den boeg. En de zon wierp een -paarsen glans op de donker-gemarmerde ruggen, die bij vieren, vijven -tegelijk uit een groene golf opdoken en smeuïg weer weggleden,—met de -kantige rugvin een goud-tintelend pluimpje water opscherend. - -Het werd zoo warm, dat de mannen in het bloote bovenlijf gingen loopen. -Niettemin gutste het zweet van hun ruggen. Padde klaagde steen en been. - -„Wat scheelt er aan?” vroeg Harmen van Kniphuyzen, toen hij den armen -dikzak mistroostig op zijn kooi zag zitten. - -„’k Zal ’n regenwurm zijn, als ik er iets van snap”, verklaarde Padde -grimmig. „’t Is nog midden in den winter en ik smelt van hitte.” - -„Wat zul je dan straks wel zeggen, als we bij de menscheters zijn!” -beklaagde Harmen hem. „Daar vallen de vruchten gestoofd van de boomen.” - -Padde haalde zijn neus op. „’n Mooi land! Waar je moet buikspreken en -de drommel zal weten wat nog meer, als je niet levend verslonden wilt -worden!” - -Op het woord „buikspreken” lichtte er iets in Harmen’s oogen. Hij dacht -even na en zei toen: „Ja, je moet er wat voor over hebben! ’t Heeft wel -’n maand geduurd, vóór ik ’n behoorlijk mondjevol kon buikspreken.” - -Padde keek op. „Kun jij buikspreken?” - -„Dat heb ik je toch verteld?” - -„Neen, dat was je broer.” - -„Nou ja, daar heb ik ’t natuurlijk van geleerd. Weet je wat moeilijk -is? Maleisch buikspreken.” - -„Kun je dat ook?” vroeg Padde jaloersch. - -Harmen maakte een bescheiden gebaar. „Met sommige woorden heb ik nog -weleens last. Bijvoorbeeld: poerlapoetoespoerwerpedjopakapoet. ’t Zit -’m vast op al die p’s, hè?” - -„Spreek ’ns buik?” vroeg Padde. - -„Ik heb pas gegeten! Maar kom bij me in de kombuis, als de vaten -gespoeld zijn. Dan hebben we het er rustig; ik zal het jou ook leeren, -als je wilt.” - -Padde bloosde van vreugde. „Zou ik het kunnen?” - -„Voor iemand met jouw buik is ’t een kleinigheidje”, verzekerde Harmen. - -„Harmen”, zei Padde, „ik vind ’t verduiveld aardig van je.....” - -Harmen maakte een afwerend gebaar. „Als je zoo samen op een schip zit, -leer je wat voor mekaar overhebben. Tot straks dus!” En hij verliet het -vooronder. - -Een half uur later maakte Padde zich op om naar de kombuis te gaan. Hij -vond er Harmen in druk gesprek verwikkeld met Lijsken Cocs. „Da’s -vroeg!” riep Harmen hem toe. Hij wees stiekum met den duim naar Lijsken -en gaf Padde een veelbeteekenend knipoogje. - -Padde begreep. Hij verliet de kombuis weer, slenterde wat rond. Toen -hij weer in de kombuis kwam, stond Harmen al op hem te wachten. -„Ziezoo”, zei Harmen, „dat papjongetje heb ik even afgepoeierd. Hij -heeft met onze buiksprekerij niets te maken. We zullen hier maar gaan -zitten!” En Harmen wipte behendig op een grooten, ijzeren ketel. „Wat -wil je, dat ik zeg?” - -„Nou, zeg maar wat.” - -Harmen sloot zijn mond potdicht, draaide angstwekkend met de oogen, -trapte van inspanning met zijn beenen tegen den grooten ketel, waarop -hij zat. En toen klonk het dof en gedempt, alsof het geluid uit den -grond opsteeg: „Ik ben koksmaat.” - -Harmen slaakte een zucht van verlichting. - -„Merakel”, stamelde Padde. „Zeg nog eens wat?” - -„Al moest ik al de boeken van het ouwe en nieuwe achter mekaar -opnoemen!” blufte Harmen. Hij rolde weer met zijn oogen, trapte van -louter inspanning tegen den ketel, en somber klonk het uit de diepte: -„Ik heb blond haar.” - -„Merakel”, zei Padde. „Maar..... eh, je hebt toch geen blond haar?” - -„Weet m’n buik dat?” vroeg Harmen verwijtend. - -Padde moest toegeven, dat zijn aanmerking onredelijk was geweest. „Ik -dacht, dat je je buik kon laten zeggen wat je maar wou”, excuseerde hij -zich. - -„Is ook zoo”, zei Harmen. „Ik zal ’m nou ’ns laten zeggen: Ik heb -bruine oogen!” - -„Ja, laat ’m dat eens zeggen!” - -Harmen sloot den mond, trapte tegen den ketel. „Ik heb blauwe oogen!” -klonk het. - -„Wil je wel gelooven, dat ik m’n buik wel een opstopper zou willen -geven?” vroeg Harmen op luidruchtigen toon. „Hij moet het zeggen! Ik -heb bruine oogen!” En Harmen trapte verwoed tegen den ketel. In -spanning wachtten de knapen op wat er komen zou. Het duurde lang. -Eindelijk klonk het: „Ik zal zeggen waar ik lol in heb.” - -Harmen wipte van den ketel af, schreeuwde luid: „Ik zal m’n buik straks -eens inwrijven. Stevig inwrijven!—Nou, probeer jij het nou eens, -Padde!” - -„Zeg dan eerst hoe ik het moet aanleggen, Harmen!” - -„Stom-eenvoudig, Padde. Je haalt diep adem, wacht tot je het benauwd -krijgt, en dan denk je: Ik wil wat zeggen zonder m’n mond open te doen! -Dan komt het vanzelf.” - -Padde beproefde het. Toen hij blauw van benauwdheid was, legde Harmen -zijn oor tegen Padde’s buik. „Hou vol, Padde! Ik hoor al wat smoezen!” - -„Pfff!” zuchtte Padde. - -„Je zult te veel gegeten hebben,” meende Harmen. „Die bruine boonen -zitten natuurlijk leelijk in den weg! Je doet ’t beste, om eens een dag -of wat heelemaal niet te eten. Zul je er om denken?” - -Padde beloofde het, aarzelend. - -„Je bent een verstandige jongen”, verklaarde Harmen. „Ga nou maar ’ns -op die ketel zitten. Misschien, dat je er dan meer van terechtbrengt.” - -Padde liet zich op den grond neerploffen. „Ik zit al”, zei hij. - -Harmen was even verbouwereerd. „Op de ketel, heb ik gezegd.” - -„Ik zit hier ook goed”, stelde Padde hem gerust. - -„Wie weet het nou beter: jij of ik?” vroeg Harmen. „Ik laat je niet -voor niks op die ketel zitten! Dat is voor..... voor het geluid! Net -als bij ’n viool, daar zit ook ’n kastje onder,—dan klinkt ’t beter.” - -Hoepla! daar zat Padde al op den ketel. „Wat moet ik zeggen, Harmen?” - -„Nou, zeg maar: ik heet Lijsken Cocs.” - -„Maar ik heet toch niet.....?” - -„Daarom kun je ’t toch wel zeggen?!” - -Padde kneep mond en oogen dicht, trapte, naar Harmens voorbeeld, met de -voeten tegen den ketel. „Hatsjie!” klonk het uit de diepte. - -„Dat is het begin!” riep Harmen verblijd uit. - -Padde keek stomverbaasd omlaag. „Kwam dat uit m’n buik??” - -„Waar anders uit?” vroeg Harmen. „Uit je Zondagsche pet?” - -Padde spande zich opnieuw in. Toen hij paars in het gelaat was -geworden, klonk het: „Ik schei er mee uit! Ik krijg het benauwd!” - -„Je bent een geboren buikspreker!” verklaarde Harmen opgewonden. Maar -tegelijk trachtte hij hem, na hem van den ketel geduwd te hebben, met -zachten drang de kombuis uit te werken. - -Padde stribbelde tegen. „Ik vind het verduiveld aardig van je”, zei -hij, „dat je me wilt leeren buikspr.....” Toen stokte Padde en -verbleekte. - -Een onzichtbare, geheimzinnige kracht duwde het deksel omhoog van den -ijzeren ketel, waarop Harmen en Padde hadden gezeten, en, als een -duivel uit een doosje, wipte..... Lijsken Cocs er uit te voorschijn! - -„Zoo, mannetje, heb je ons afgeluisterd!” snauwde Harmen. „Morgen gaan -we ergens anders zitten, Padde!” - -Padde knikte aarzelend. - -Maar met twijfel in het gemoed kwam hij even later bij Hajo, die op het -voordek bezig was met het verzolen van een paar kolossale schoenen. - -„Doe je daar?” vroeg Padde. - -„Lappen.” - -„Voor wie?” - -„Voor Jopkins.” - -„Is ’t waar, wat je zegt?” - -Hajo keek verwonderd op. „Waarom zou ’t niet waar zijn?” - -Padde haalde de schouders op, beet zich op de lippen. Zijn kin beefde. - -„Wat heb je?” vroeg Hajo. - -„Niks.” - -„Waarom huil je dan?” - -„Ik huil niet.” - -„Wel waar.” - -„Nietes.....” - -Even pauze. - -Toen vroeg Padde met onzekere stem: „Hajo, jij bent toch m’n vrind, hè?” - -„Ja, natuurlijk!” - -„Jij liegt me toch niet voor, hè?” - -„Dat weet je wel beter, Padde.” - -Padde ging naast Hajo zitten. „Nou, dan kan me de rest ook niets -bommen. Als ik maar weet, dat wij vrinden zijn!” Met vochtige oogen -blikte Padde voor zich uit. - -„Zeg, Padde!” zei Hajo, „Als we over een jaar of twee in Hoorn -terugkomen met een zak vol guldens,—wat zullen onze moeders opkijken!” - -„Hajo!” - -„Padde!” - -De vrinden keken elkaar in de glinsterende oogen. - -Padde haalde de handen uit zijn broekzakken. „Kan ik je helpen, Peter?” - -„Met die schoenen? Dat kan ik wel alleen af.” - -„Nou, ik mag dat spijkertje toch wel even voor je vasthouden?” - -„Goed. Hou dan maar vast.” En Hajo hief den hamer op, mikte met de -zekerheid van een ervaren schoenlapper. Met een kreet trok Padde zijn -vingers terug. - -„Doet ’t pijn?” vroeg Hajo verschrikt. - -Padde likte zich een bloeddruppel van den vinger. „’t Doet ’n -verduivelde pijn! Maar ’t kan me niets schelen, hoor! Als ik maar weet, -dat wij vrinden zijn!” - - - - - - - - -PADDE ZIET DOOR EEN MISTKIJKER - - -Op een morgen bleef Hajo verrast staan, toen hij, nog slaapdronken, het -vooronder uit kwam stappen en zich buiten in een puts wilde wasschen. -Om masten, touwen en zeilen hing een fijn waas. Het achterschip was nog -slechts als een vage omtrek te zien. „Mist.....!” mompelde Hajo, -terwijl hij de vochtige lucht opsnoof. - -Nou, òf het mistte! Als je over de verschansing hing, keek je in een -grijze massa zonder begin of einde: water en lucht waren één geworden. -„Oei.....! Oeiiiiii.....!” Dat waren de mist-toeters van de Enkhuizen -en de Nieuw-Zeeland. Bootsman Berentsz. was met twee janmaats bezig een -groote, holle lantaarn in de fok te hijschen. Toen ze boven hing, leek -ze net een bleeke citroen. - -„Oejoejoeiiii.....!” - -De oomes pruttelden. Beweerden, dat je om het uur je longen wel uit -mocht baliën; dat ze liever kieuwen hadden, als de visschen, en..... -dat was het ergste: dat er van een landing op de Kaapverdischen wel -geen sprake zou zijn, om de eenvoudige reden, dat je met dit weer -evengoed kon zoeken naar Berentsz.’ roodbaaien onderbroek, die op een -vorige reis van het drooglijntje overboord was gewaaid, als naar een -eiland. - -De jongens moesten beurtelings op den misthoren toeteren. De oomes -beweerden: daar kreeg je een mooie stem en zoenlippen van. - -Harmen bleek een meester! Die toeterde heele liedjes, draaide -intusschen rond, en als het liedje uit was, stond hij weer juist zoo, -als toen hij begonnen was. - -„Ik zie jou nog eens in een paardenspel optreden,” merkte Rolf op. - -„Heb je al eens ’n misthoren op je kop gehad?” informeerde Harmen. - -Rolf schudde het hoofd. „Nog nooit. Doe het eens.....?” - -Harmen trok smalend zijn neus op. „’k Zal wel oppassen! ’t Neefie van -de schipper, hè?” - -„De schipper zal ik er niet bij halen,” zei Rolf, plotseling driftig. - -„Hoei-hoe-hoei! M’n Amsterdamsche moei heit ’n varken en ’n koei!” -toeterde Harmen. Toen hij den daarbij behoorenden ommedraai had -volbracht, zag hij Rolf nog juist in de barbiershut verdwijnen. „Daar -lóópt ie, de boekenwurm! Als het ’n ander was, had ie al lang op z’n -ziel gehad.” - -Daar kwam Padde aandrentelen, aangetrokken door Harmen’s mistzangen. - -„Goeie morgen, Padde!” riep Harmen verblijd uit. - -Maar Padde kon zoo in eens niet weer vriendelijk zijn. „Mm!” zei hij. -„Is dat ’n misthoren?” - -„Ja, een misthoren..... of mistkijker, zooals je wilt.” - -„Mist-kijker? Kun je er dan mee door de mist kijken??” - -„Als door een druppel water,” verzekerde Harmen. „Nietwaar, Lijsken?” - -„Waar zou het woord: mist-kijker anders vandaan komen?” vroeg Lijsken. - -Maar Padde vloog er niet in. „Houden jullie ’n ander voor de gek!” -schimpte hij. - -„Voor de gek houden??” vroeg Lijsken in hoogste verbazing. - -Harmen tuurde aandachtig door den horen. „Daar gaat juist de -Nieuw-Zeeland!” riep hij uit. „Voor de kombuis zit de kok met drie -oomes te kaarten!” - -„Mag ik ook eens kijken?” vroeg Lijsken. - -„Alsjeblief, Lijsken.” En Harmen stond bereidwillig den horen af. - -Lijsken keek in de richting, die Harmen hem aanwees. „Verdikke, wat -heeft me die kok ’n klavers in z’n knuisten!” riep hij geestdriftig -uit. „Klaverkoning, aas, boer en zes kleintjes!” - -„Geef hier”, zei Padde. - -„Zeg er eens, kun je ’t niet wat vriendelijker vragen?” - -„Geef hem de kijker nou maar, Lijsken”, vergoelijkte Harmen. - -Padde’s wensch werd ingewilligd. „Ik zie niks!” verklaarde de -botteliersmaat. - -„Snap ik niks van”, zei Harmen. „Heb je je andere oog wel dicht -gedaan?” - -„Moet dat?” - -„Dat snapt toch een kind!” - -„Had dat dan eerder gezegd!” gromde Padde. En hij bedekte met de eene -hand het oog, dat niet door den toeter gluurde. - -Toen werd tusschen Harmen en Lijsken een snelle blik gewisseld. De -beide veelbelovende knapen zetten tegelijkertijd hun voet achter -Padde’s hielen en..... een-twee-drie.....! Padde lag achterover op het -dek te spartelen. - -„Wat een windstoot was dat!” riep Lijsken uit. - -„’k Sloeg er bijna van om!” verzekerde Harmen luidruchtig. - -En toen ze Padde aankeken, begonnen ze beiden te grinniken. - -Maar in de oogen van den bedrogene sluimerden wraakplannen. Hij zwaaide -woedend zijn toeter en wilde overeind krabbelen.....! - -Toen gebeurde er iets onverwachts! Een grauw, monsterachtig-groot -gevaarte schoof rakelings langs het galjoen; boven een verward -stemmengeroezemoes uit schetterde een schorre misthoren. „Het roer! -Gooi het roer om!” schreeuwde iemand. Tegelijkertijd flitste een -lichtschijnsel uit den mist op. Dan plotseling een zeil-omtrek, een -scherp gekraak van hout—weg was alles weer. - -Padde was van schrik weer achterovergetuimeld. De andere twee knapen -stonden te trillen op hun beenen. - -De donderstem van Folkert Berentsz. wekte hen uit hun verbijstering. -„Wat hier en daar! ’t Scheelde twee el, of we waren in de Enkhuizen -geloopen! Zet ik jullie daarvoor te toeteren! Donder en bliksem!” En -Lijsken en Harmen kregen ieder een schop onder het zitvlak. Padde zat -en bleef er daardoor vrij van. Harmen griste hem den misthoren uit de -handen. „Hoe-hoe-hoei!” schetterde hij. Ditmaal zonder liedje. - -De bootsman was weer weg. - -„Als ie ’t de schipper vertelt, worden we gekielhaald!” verzekerde -Lijsken, z’n broek wrijvend. - -Maar Folkert Berentsz. was geen klikspaan. Hij hield er zonder den -schipper den wind wel onder. - - - -De bottelier hoorde hoofdschuddend het verhaal aan, dat Padde hem over -het geval opdischte. „’t Is merakel! Hier, drink wat, m’n jongen. Dat -spoelt de schrik weg.” - -„Ik heb nog nooit wijn gedronken....”, aarzelde Padde. - -„Merakel. Proef dan maar gauw eens.” - -Padde nam voorzichtig een slokje. - -„Nou?” - -„Je wordt er lekker warm van!” - -„En de schrik? Die is nou zeker weg?” - -Als antwoord nam Padde nog een teug. - -„Je zult nog een fijnproever worden, jij!” grinnikte de Schele. „Nou, -dan ben je bij mij goed onderdak!” - -„Ja-ha!” En Padde dronk dapper het heele kannetje leeg. „Geef me nog -maar wat, Schele!” - -De bottelier schonk hoofdschuddend het kannetje weer vol. „Pas jij maar -op! Als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan!” - -„Geen nood!” blufte Padde. - -„La-la-la-la!” zei de Schele met vaderlijken trots. „Hoor dat eens -aan!” - -Maar terwijl Padde onversaagd doordronk, betrok het gelaat van den -braven bottelier. „Ik heb je nooit van Gertje gesproken, hè?” vroeg hij -na een diepen zucht. „Dat was m’n eenigst kind. God hebbe z’n ziel.—Met -Maart zou ie nou veertien zijn geworden.” De bottelier staarde peinzend -voor zich uit. „Op een avond kwam ie hoestend thuis. Dat was November -van ’t jaar 17.—Hoest je, m’n jongen? vroeg ik.—Ja, vader, zei-d-ie. Ik -hoor z’n stem nog.—Heb je ’t benauwd, als je hoest? vroeg ik.—Ja, -vader, zei-d-ie. ’s Nachts bleef ik natuurlijk bij hem waken, hè? M’n -vrouw was toen al vier jaar dood; ik was kastelein in De Lustige -Landman, bij Alkmaar. Ik gaf Gertje elk uur een heete omslag. En warme -kruiken en wijn: dat helpt tegen de hoest. De volgende morgen moest en -zou-d-ie gaan schaatsen. Ik hield m’n hart vast.—Zou je ’t wel doen, -m’n jongen? vroeg ik.—Vader, zei-d-ie, ik weet zelf ’t beste wat goed -voor me is!—Hij wist wat ie wilde, zie je; dat heb ik nooit van mezelf -kunnen zeggen. Ik deed altijd wat anders dan ik van plan was. Als ik -Gertje afhaalde bij meester Knol..... ik liet ’m leeren, zie je?..... -dan kocht ik onderweg snoepballetjes voor hem om hem te verrassen, en -voor ik bij Meester Knol was, had ik ze zelf allemaal al opgekauwd. -Weet jij eigenlijk wat je wilt?” - -„Jawel”, zei Padde geeuwend. „Ik kom in de bierbrouwerij van m’n oom, -dan weet je wat je hebt.” - -„Zie je”, zei de bottelier, „zoo was Gertje nou ook. Die wist op een -prik wat hij wilde, en iets anders deed hij niet. Nou..... ’s avonds -was hij er erg aan toe! M’n hart zat als ’n steen in m’n lijf! En toen -ik drie nachten aan z’n bed gezeten had..... toen.....” De bottelier -kon niet best meer uit z’n woorden komen. Hij sloeg de hand op de knie -en kuchte. - -Padde zat met lodderige oogen voor zich uit te turen. - -„Heb je geluisterd, Padde?” - -„Jawel! Ik heb woord voor woord..... hik!” - -„En wat zeg je d’rvan?” - -Padde geeuwde. „M-merakel, Schele.....!” - -De bottelier stond zuchtend op en zocht de frissche lucht. - - - -Toen hij een poosje later terugkwam, vond hij Padde snurkend tegen een -vaatje liggen. Hij tilde hem op en legde hem in zijn eigen kooi. Toen -keek hij den jongen lang in het gezicht. „Dezelfde neus, dezelfde kin -en oogen! Gertje sliep ook altijd met open mond.....” - -De bottelier legde z’n dikke hand op Padde’s voorhoofd en kuste het. - - - - - - - - -ROLF - - -De bedoeling was om Sint-Anthoni aan te doen en daar water in te nemen. -Maar door den steeds dichter wordenden mist, gepaard met een fijnen -regen, kon men het eiland niet in ’t zicht krijgen. Derhalve werd de -koers gesteld op Ilje del May en Ilje del Foege, die eveneens deel -uitmaken van de Kaapverdische groep. De wind zwaaide luimig; men moest -laveeren en verloor het verband met de andere Oostinjevaarders; de -misthorens klonken nog een enkele maal, heel ver weg. - -Lang en eentonig waren de dagen. Uren achtereen lagen de oomes in hun -kooi te kaarten. Hajo was met Rolfs hulp bezig een brief aan zijn -moeder te schrijven. Zoodra ze een schip tegenkwamen, wilden ze hem -afgeven. - -„Kun jij niet schrijven??” had Rolf gevraagd, toen Hajo zijn hulp -inriep. - -„Ik kan wel wat lezen”, haastte Hajo zich te verklaren, terwijl hem het -bloed naar de wangen steeg. „Padde kan heelemáál niet lezen of -schrijven.” - -„Wou jij je dan met Padde vergelijken?” - -„Als ik maar iemand wist, die.....” - -„Ik zal het je leeren”, zei Rolf. En met zijn gewone energie pakte hij -de zaak aan. - -Padde zat er bij, terwijl Hajo zijn bruine knuist over het papier liet -wandelen, dat er onder deze bewerking niet schooner op werd. Rolf -stuurde kalm en zeker Hajo’s ganzeveer in de goede richting, en Hajo -zuchtte van inspanning. - -„Wat schrijf je nou allemaal?” vroeg Padde eerbiedig. Geduldig wachtte -hij, tot Hajo hem twee minuten later ten antwoord gaf: „Breng me niet -in de war, Padde!” - -Padde zweeg. Maar per slot van rekening is een mensch geen doofpot. -Toen Hajo weer met zwier een punt achter een zin had gezet, waagde -Padde de schuchtere vraag: „Kun je alles schrijven wat je maar wilt?” - -„Alles!” verzekerde Hajo. - -Dat moest Padde even verwerken. „Kun jij nou ook schrijven, dat ’t -mist..... enne, dat je op de viool leert spelen?” - -„Wat dacht jij dan?” - -„Nou, ik dacht..... alleen maar de groeten en zoo, en ik kom gauw -terug.” - -„Kijk”, zei Hajo, „dat komt nou van je geklets! Nou maak ik weer ’n -vlak!” - -„Ook erg.....”, meende Padde, „da’s al wel twintig maal gebeurd. Wat is -dat oogje met dat streepje er aan?” - -„Een p”, zei Hajo gewichtig. - -„Wat is dat: een pee?” - -„Nou, da’s een p, hè? Ik zal maar zeggen: P van Padde.” - -„Lieg je toch?” Padde begon te grinniken. „Zeg, dit is zeker óók een -pee, hè?” - -„Dat is een b”, zei Hajo. - -„Een d”, verbeterde Rolf. - -„O, ja, een d”, bevestigde Hajo. - -Padde schudde het hoofd. „Pee, bee, dee.....! Die dee is toch ook ’n -oogje met ’n streepje er aan?” - -„Ja, maar daar zit het aan de andere kant!” - -„Da’s nou maar krek hoe je de brief houdt!” zei Padde. Hij greep Hajo’s -inktslagveld, tot ontzetting der beide veldheeren, stevig beet en zei, -terwijl hij het omdraaide: „Alsjeblieft, nou is het dan toch wèl ’n -pee!” - -Hajo verloste zijn in gevaar gebrachten brief en vroeg nijdig: „Wou jij -een brief op de kop lezen?” - -„Op m’n kop??” - -„De kop van de brief, bedoel ik.” - -„Heeft een brief dan een kop?” - -„Meer dan jij”, verzekerde Rolf. - -„Knap maar!” gromde Padde. En hij verdween, danig uit z’n humeur. - - - -Toen de briefschrijvers een uur later de barbiershut verlieten, vonden -ze Padde tegen den mast, met wazige oogen voor zich uitblikkend in den -grauwen mist. - -„Padde! Wat zit je daar?! Je zult kou vatten!” - -„Hoplala-tralala!” lalde Padde met de vingers op het dek trommelend. -„Ik heb ged-danst voor de oomes! Boven op de..... hik! B-boven op de -tafel!” - -„Hij ijlt!” zei Hajo verschrikt. - -Rolf legde zijn hand op Padde’s slapen. „We zullen hem optillen en in -zijn bed brengen.” - -Maar daar wilde Padde niets van weten. „Blijf van me af, b-boekenwurm!” - -Hajo aarzelde. Maar een blik uit Rolfs oogen was hem voldoende om Padde -stevig onder den arm te nemen. Rolf greep hem met een fiksche beweging -bij de beenen. - -Padde worstelde uit alle macht om vrij te komen. Toen het niet lukte, -klaagde hij op huilerigen toon: „Hajo, help me, die leelijke..... hik! -pennelikker op z’n gezicht te komen!” - -„Je bent ziek, Padde! We zullen je onder de wol stoppen!” - -„Neen, ik wil d-dansen voor de oomes! Ik wil..... hik!” - -Ondanks zijn verzet werd Padde naar het botteliershok gebracht en daar -met behulp van den Schele in bed gelegd. „De jongen bibbert van de -koorts!” jammerde de bottelier, geheel overstuur. „We zullen hem gauw -wat wijn geven!” - -„Ah!” mompelde Rolf. En kortaf, dreigend volgde: „Als je dat doet, -vertel ik alles aan de schipper!” - -De bottelier keek Rolf aarzelend in het strakke gelaat. Hij pruttelde -wat, maar ging niet naar de kast om wijn te halen. - -„Kom, Hajo”, zei Rolf. „Hij moet slapen, dat is alles.” En Rolf trok -zijn vriend met zich mee. „Padde is dronken”, zei hij, toen hij buiten -was. - -„W-wat zeg je?!” - -„Kom mee”, was Rolfs antwoord. „Ik wil even met je praten.” - -Sprakeloos liet Hajo zich naar de barbiershut leiden. Vader Langjas was -er niet. - -„Vertel me eens”, begon Rolf, „is het de eerste maal, dat Padde.....?” - -„Ja! Vast!” - -„Dan is de bottelier er schuld aan”, zei Rolf. - -„Wat een schurk!” viel Hajo uit. - -„De Schele denkt niet verder dan tot op de bodem van zijn pint”, zei -Rolf. „Dat is alles. Dus je hebt nooit eerder gemerkt, dat Padde.....” - -„Neen! Maar..... Ik zal je iets zeggen. Maar laat je niet merken, dat -je ’t weet?” - -„Als ik ’t niet noodig vind, neen.” - -„Zijn vader was elke avond dronken.” - -Rolf fronste de wenkbrauwen. Hajo voelde op dat oogenblik weer, hoeveel -rijper en verstandiger Rolf was. Een vaag vermoeden kwam in hem op, dat -Rolf al veel verdriet moest hebben gehad. Zwijgend wachtte Hajo. - -„Voorloopig zullen we doen of we niets hebben gemerkt”, besliste Rolf. -„En zoodra ik er een goede gelegenheid voor zie, neem ik hem onder -handen. Zooiets moet ineens goed gebeuren.” Beiden zwegen. - -Een vraag, die Hajo vanmorgen bij het briefschrijven al had willen -stellen, kwam nu, zonder dat hij zich van de aanleiding rekenschap kon -geven, weer boven en brandde hem op de lippen. Eindelijk kwam het er -uit: „Zeg, Rolf..... schrijf jij niet aan je moeder?” - -Rolfs schouders trokken even. „Mijn moeder leeft niet meer”, zei hij -kort en stroef. - -Hajo was op Rolfs antwoord voorbereid. „Is ze al lang dood?” vroeg hij -zacht. - -„Ze is in Maart van het vorig jaar overleden.” - -„En heb je nu heelemaal niemand, die.....?” - -„Mijn oom”, zei Rolf. - -„Ja, maar, je vader.....? Je zei toen op den Italiaanschen Zeedijk..... -weet je nog?” - -„Mijn vader is twaalf jaar geleden naar Oostinje gegaan”, zei Rolf. -„Hij voer als schipper onder Pieter Both; in 1615 is zijn schip vergaan -op de kust van Celebes. Maar het bericht kregen we het vorig jaar pas. -Van de bemanning was niets bekend. Mijn moeder was toch al wat zwak. -Vijf weken later stierf ze.” - -„Zeg..... Rolf”, fluisterde Hajo, „is dat Selee-Seleebes erg groot? Er -gebeuren toch wel meer dingen, waarover je later verbaasd staat, niet -waar?” - -Rolf scheen heftig met iets te kampen. Toen haalde hij de schouders op, -als om het hopelooze van Hajo’s veronderstelling aan te duiden, en zei, -met afgewend gelaat en in een poging om luchthartig te schijnen: „Laten -we ons maar niets wijsmaken!” - -Toen stond hij op, nam een boek van het medicijnkastje en ging naast -Hajo, die vergeefs naar woorden van troost zocht, bij tafel zitten, de -handen tegen de slapen gedrukt, de oogen star op de letters gevestigd. - -„Oe-hoe-hoeiiiii.....!” gilde buiten de misthoren. - - - -Den volgenden morgen was de mist iets minder dicht; de wereld werd weer -wijder. - -Padde kwam laat boven water. Hij drentelde rond en had geen behoefte om -Hajo op te zoeken. In het schaftuur kwam Padde de barbiershut binnen, -twintig tellen nadat de barbier ze verlaten had. Hij vond er Rolf -alleen. - -„Waar is Vader Langjas?” vroeg Padde. - -„Gaat net naar de kajuit. Als je vlug loopt, haal je ’m nog in.” - -Maar Padde bleef staan. „We krijgen gauw land, hè?” - -„Ja.” - -„Ben je aan het lezen?” - -„Ja.” - -„Wat staat er in die boeken?” - -„Hoe je zieke menschen genezen kunt.” - -„Staat dat ook in boeken?? Ik dacht, dat de barbier ’t vanzelf kon.” - -„Dan dacht je verkeerd”, stelde Rolf vast, onverstoorbaar verder -lezend. - -„Is lezen moeilijk?” - -„Neen.” - -„Schrijven zeker wel?” - -„Neen.” - -Padde dacht even na. „Zeg..... eh, Rolf?—Rolf.....? Wil je voor -mij..... ook een brief schrijven?” - -Rolf keek op. „Aan je moeder?” - -„Ja.” - -Rolf had uit de tafellade een vel papier genomen. Hij sleep een -ganzeveer aan, doopte die in den inktpot. „Wat moet ik schrijven?” - -Padde was door Rolfs snel handelen overrompeld. Hij wipte opgewonden op -het tafeltje, schommelde met zijn korte beentjes. „Ja! Wat zal ik nou -schrijven?” - -„Zeg maar eerst wat er boven moet staan. Lieve moeder? Of.....?” - -„Neen.....”, weifelde Padde. „Schrijf maar: waarde moeder. Dat staat -beter.” - -Rolfs pen vloog over het papier met een snelheid, die Padde’s mond van -verbazing deed openvallen. „Staat het er al?? Nou, schrijf dan -maar..... dat ’t mijn schuld niet is, dat ik ben meegegaan.” - -„Dat schrijf ik niet. Want dat is een leugen. ’t Is wèl jouw schuld!” - -„Hè?? Ik ben toch in slaap gevallen?” - -„Juist. En dat is jouw schuld. Jij had niet in slaap mogen vallen.” - -Dat ging Padde boven de pet. „Schrijf dan maar, dat ik er spijt van -heb. En dat ik hoopen geld zal meebrengen.” - -Rolf keek verbaasd op. - -„Wat kijk je? Ik verdien toch zeker evenveel als Hajo en jij? Of is dat -soms niet veel! M’n moeder zal niet weten wat ze ziet!” - -Rolf keek droomerig voor zich uit. „Hou je veel van je moeder, Padde?” - -„Nou en of! Nou! En zij van mij ook, hoor! Als de lui zeggen..... daar -moet je geen woord van gelooven van wat de lui zeggen; dat doe ik ook -nooit. Zeg, schrijf maar, dat Oostinje niet zoo ver is! En: ik kom gauw -terug. Zeg maar, dat ze Louwtje en Margje en Annetje en Nelis en -Heintje en Jan en Gijs..... Hoeveel zijn dat er? Zeven? Dat klopt. -Moeder, ik en vader zijn er drie. Samen tien.” - -„Zijn jullie met z’n tienen thuis?” - -„Neen, dertien. Maar drie zijn gestorven. Aan de koorts, begrijp je?” - -„Wat moet er onder staan?” - -„Nou: Padde natuurlijk.” - -Rolf weifelde. „Zou je niet liever schrijven: „een innige kus, of.....” -Rolf bloosde en vervolgde haastig: „en dan heb je je vader vergeten te -groeten.” - -Padde schudde het hoofd. „Doe ik niet”, zei hij. En na lang en diep -nadenken: „Schrijf er maar onder: je trouwe zoon Padde Kelemeyn!” - -Rolf glimlachte. „Zullen we dat: Kelemeyn er maar niet af laten? Je -moeder weet wel, dat je Kelemeyn heet!” - -„Ze weet ook wel, dat ik Padde heet! Afijn, laat het er maar af.” - -Rolf was met den brief klaar. „Wil ik je hem nu eens voorlezen?” - -Padde begon te grinniken. „Da’s me nog nooit gebeurd!” En niet zonder -zelfingenomenheid zette hij zich in postuur om te luisteren. - - -„Waarde moeder”, las Rolf, „het spijt me, dat ik, zonder het te willen, -met Hajo mee naar Oostinje ben gegaan en jou verlaten heb. Ik zal het -geld, dat ik als botteliersmaat van de Nieuw-Hoorn verdien, sparen en -aan jou afgeven. Oostinje kan zoo ver niet weg zijn, moeder, dat ik jou -vergeet. Groet Louwtje, Gijs, Annetje, Nelis, Margje, Heintje en Jan -van me. - - -Je trouwe zoon Padde.” - - -Padde had de tranen in de oogen. „Merakel”, fluisterde hij. „Zou m’n -moeder er dat nou ook allemaal zoo uit kunnen halen? Lezen kan ze -natuurlijk niet, hè? Maar ze zal er mee naar de meester gaan.” - -„Nou, dan leest die haar alles wel voor.” - -„Rolf”, zei Padde aangedaan, „’t Spijt me dat ik je altijd.... —Wil je -er nog even onderschrijven: groeten aan..... aan Jansje Bezem?” - -Rolf keek Padde glimlachend aan, en deze werd vuurrood. - -„’t Staat er”, zei Rolf. En toen keek hij Padde diep in de oogen. „Nu -schiet me te binnen, dat je nòg iets vergeten hebt, Padde. Je hadt er -bij moeten schrijven: Lieve moeder, ik ga tegenwoordig dezelfde kant op -als vader. Gisteren was ik dronken.” - -Padde begon te beven als een riet. „Niet doen, Rolf! Dat niet -schrijven.....!!” - -„Maar ’t is toch zoo?” - -„Ik zal nooit meer drinken, Rolf! Geen druppeltje!” En Padde begon te -schreien. - -„Dat is dus afgesproken”, zei Rolf. „Hier is je brief, Padde.” - -Padde greep Rolfs hand. „Beste, beste Rolf.....!” - -En met zijn brief in de vuist wankelde hij de hut uit. - -Toen Rolf alleen was, nam hij, als in gedachten verzonken, een vodje -papier, dat op het tafeltje lag, en krabbelde er spelenderwijze een -woord op. Hij keek er mijmerend naar. Plotseling trilde er iets om zijn -lippen; hij sprong met een ruk overeind en snelde naar buiten. - -Toen Vader Langjas een oogenblik later terugkeerde en, ordelijk als hij -was, het vodje in de prullenmand wilde werpen, scheen hij door iets -getroffen te worden. Hij mompelde wat, keek naar de open deur, legde -daarna het stukje papier weer zorgvuldig neer op de plek, waar hij het -gevonden had. - -Wat kon Vader Langjas, het toonbeeld van orde, ertoe bewogen hebben, -dat stukje papier niet de plaats toe te wijzen waar het behoorde: in de -prullenmand? - -Er stonden maar zes fijngeteekende lettertjes op. Samen vormden ze het -woordje: - - - - - - - - -MANESCHIJN - - -„Land! Land in ’t zicht!!” - -Uit alle hoeken en gaten kwamen de oomes naar buiten. Speelkaarten, -dominosteenen en pijpen in de hand, leunden ze over de verschansing en -tuurden naar den blauwgrijzen omtrek aan stuurboordzij. - -Bontekoe stond met Rol en den opperstuurman op het middendek. „’t Zal -Ilje del Foege zijn”, meende de laatste. - -„Dunkt mij ook”, zei Bontekoe. „We zullen een ankerplaats zoeken en -morgen ververschingen opdoen. De zee moet op deze hoogte ook nogal -vischrijk zijn. Daar zullen we gebruik van maken!” - -Er werd gepeild. Het lood raakte, na geheel gevierd te zijn, nog geen -grond. Van het anker uitwerpen kon geen sprake zijn. Bontekoe besloot -de kust af te zeilen, tot er een baai gevonden werd. - -Geleidelijk waren de vochtige plooien van den grijzen mistsluier -teruggeweken; de zon brak door, begon de naakte ruggen der oomes weer -te schroeien. Het was de laatste week nog heeter geworden. - -Bij het spinnen der schemering vond men een baai. Twee zware -steenruggen schoven een mijl in zee, beloofden beschutting. Het water -was diepblauw en haast rimpelloos. Maar men wierp opnieuw tevergeefs -het dieplood uit,—het raakte geen grond. Bontekoe besloot het er op te -wagen, den nacht drijvende door te brengen. Men borg alle zeilen. - -Er kwam een avond om niet weer te vergeten. De mist was nu geheel -gevlucht; de maan, koningin van den nacht, troonde te midden van haar -ganschen hofstoet van veelkleurige sterren en zond haar vorstelijk -licht in milden overvloed uit over de grillig gevormde rotsen. Hoog -boven de rotsen uit, die nietig werden bij zijn Grootheid, stond, als -een eenzaam priester, verstard in eeuwig gebed, één enkele berg. - -Meeuwen wierpen zich krijschend van de rotsen op en cirkelden in wijde -kringen om de Nieuw-Hoorn. Doch allengs verdwenen ze weer uit de lucht, -en op het eentonig geruisch der golven na, die nimmer slapen, werd het -stil. - -Dien avond kwam Harmen er toe, z’n fiedel weer eens voor den dag te -halen. En de oomes zongen: - - - „Dat meissie vroom, waarvan ik droom, - Dat meissie van Enkhuizen, - Dat lacht zoo lief, dat kent geen grief, - Dat meissie van Enkhuizen!” - - -En Bolle sloeg van louter leut z’n witte knuisten op z’n witten broek, -dat het meel er af stoof. En de Neus klopte z’n pijpje in de vlakke -hand uit, en Hilke Jopkins keek naar de sterren. - -Hajo leunde zwijgend over de verschansing. - -Rolf zat in de barbiershut, gebogen over een kaart van de Kaapverdische -eilanden. - -Padde had een lijntje met spek door een geschutpoort gegooid en -wachtte, of er een visch in wou bijten. - - - -Als een groote wieg deinde de Nieuw-Hoorn op het water. Je kon er een -slaapliedje bij zingen. - -In de baai dobberde een groote, gouden vlek. - -De spiegeling der maan. - - - - - - - - -PADDE HEEFT BEET - - -Of de maats den volgenden morgen uit hun kooi konden komen! De zon zat -nog half in ’t water, toen er al een stelletje oomes in baaien -onderbroeken over de verschansing hing. Als je goed keek, zag je op de -rotsen een bokje springen. Het was eb; er lag een flinke lap strand -bloot, en in de waterkuilen kon Harmen zonder mistkijker, maar wel met -een weinig verbeeldingskracht, kreeften en garnalen zien zwemmen. Padde -liep het al om den mond: garnalen was zijn lievelingskostje! - -’s Avonds zouden ze weer weggaan; dus moesten overdag de handen uit de -mouw! Ze zouden vandaag die ouwe kast van een Nieuw-Hoorn eens -opknappen, dat geen schoonmoeder er kwaad van kon zeggen! Na de -vroeg-kost werd de jol neergelaten, die ververschingen moest opdoen en -wat visch zien machtig te worden. - -„Wie er mee wou?” - -Allemaal wel! - -„Ja, maar het eiland is Spaansch!” - -„Laat de Spekken maar komen!” - -„Er mag niet gevochten worden.” - -„En als zullie beginnen?” - -„Dan sla je er ook op. Nogal glad”, zei Donder-en-bliksem. - -Er werd geloot, wie mee zou gaan. Hajo wist met z’n Vreugde geen raad, -toen Rolf en hij beiden een lang strootje trokken. - -Met dertig andere varensgasten daalden ze de touwladder af. Vóór in de -jol lagen musketten en vischtuig. - -„Zul je ’t niet vergeten, Klaas?” - -„Wàt, Hein?” - -„Je neus weerom te brengen!” - -„Denk om de garnalen!” schreeuwde Padde. - -„Kannibalen?” - -De spanen plasten in het water. Een-twee; een-twee. - -„Jongens”, zei Berentsz., die bij het roer zat, „we halen vóór de -branding het net door het water. Als we een flink zoodje visch vangen, -gaan we niet aan land. De Spekken zullen ons al lang in de kijker -hebben.” - -„Ik heb net zin in een robbertje, bootsman!” - -„Dan maak je maar ’n robbertje met de groote mast!” raadde Berentsz. -aan. - -Op het strand doken boomen met slank-gebogen stammen en waaiervormige -kruinen uit den lichten morgennevel op: palmen! - -„Javaansche bloemkolen, Hajo!” zei Floorke, die al drie reizen naar -Indië had gemaakt. - -Hajo keek wantrouwend de anderen aan. Maar alle oomes roeiden zwijgend -verder en knikten ernstig. Toen zei Hajo: „Ik hield het voor knolraap, -maar dat kan ook wel komen, omdat Floorke er met z’n hoofd voor zat.” - -Grinnikend haalden de oomes het net te voorschijn en wierpen het achter -uit. Al roeiende trok men het achter de boot aan. - -„Zou er al wat in zitten? ’t Is net of ’t zwaarder roeit!” - -„Haal maar eens op!” zei Berentsz. - -Alles kroop naar achteren. De boeg schoot de lucht in. - -„Trekkèèèè!” - -In eens spalkten de oomes de oogen open. Er zat een groote zeeschildpad -in het net. - -„Wat ’n raar beessie!” - -„Haal hem binnen en leg hem op z’n rug! Nou, pak hem maar gerust: je -zult hem niet bezeeren.” - -„Zou-d-ie niet bijten?” - -„Bijten? We zullen vanmiddag in hèm bijten! En er een fijn soepje van -koken! Hoepla!” - -De schildpad lag op den rug, bewoog hulpeloos haar dikke zwempooten. - -„Ik zou hem wel voor m’n moei mee willen nemen! Krijg ik hem, -bootsman?” - -„Als de soep klaar is. Gooi het net maar weer uit, jongens!—Heila! Wat -is dat!” - -Van de strandzijde klonk een scherpe knal, en aan bakboord plonsde iets -in het water. - -„De Spekken!! Ze smijten met boonen!” - -Aller oogen richtten zich naar het strand, waar zich een groepje mannen -verzameld had. „Geef mij eens ’n musket! Ik schiet op honderd el een -vlieg z’n voorpoot af!” - -Weer een knal en een plons. - -„Aan de riemen! Ze schieten ons nog door de kleeren! En ’k zit krap in -m’n stopgaren!” - -„Wacht even, ik ben nog aan ’t laden!” pruttelde de scherpschutter. Het -laden van een musket was een werkje, dat tijd, ervaring en overleg -vroeg. - -Weer een schot. Een kogel floot den mannen over het hoofd. - -Toen was de oome, die op honderd ellen een vlieg verminken kon, gereed. -Grimmig legde hij aan.—Een donderslag; de schutter vloog door den schok -bijkans met musket en al de jol uit. - -Maar van het strand klonk een luide gil. Een der Spanjaarden liet zijn -wapen vallen en stortte achterover in het zand. De anderen zochten een -haastig heenkomen achter een boschje. - -„Schei uit met die grapjes, Klaas! En pak de riemen op: we zitten vlak -voor de branding!” - -Een schot van den wal; de jol trilde even, en uit den bodem spoot een -fonteintje op. „Au! M’n poot! Au! Au!” - -„Stop het lek!” Het werd met touwpluisel gestopt. - -De jammerende maat nam zijn voet in de handen. „Ze hebben m’n teen -kapot geschoten!” - -„Met Sinterklaas krijg je ’n nieuwe!” troostte Berentsz. „Roeien, -jongens! Een-twee; een-twee.....” - -Spoedig was men buiten schot. - -„Willen we hier het net weer eens uitgooien, bootsman?” - -„Vooruit maar”, zei Berentsz. „Waar is het?” - -Algemeen gegluur onder de banken. „Het net is weg!” - -Floorke begon te ginnegappen. - -„Heb jij het weggestopt, beroerde kerel?” - -„’t Hangt nog achter de boot!” zei Floorke. „D’r zal nou wel visch zat -in zitten!” - -Dat had de opwinding ’m gedaan. Ieder was vergeten, dat het net in het -water hing. Het werd ingehaald. Groote vreugde, toen het vol glanzende, -spartelende visch bleek te zitten. - -Maar de gewonde maat deelde niet in de blijdschap. Hij had z’n hemd -uitgetrokken en was met Rolfs hulp aan het verbinden van zijn voet -geslagen. - -De anderen letten er nauwelijks op. Het waren ruwe klanten, die -varensgasten uit de zeventiende eeuw. - - - -Aan boord was zoo gehamerd en gezaagd, dat niemand het schieten had -gehoord. - -In het ruim lagen nog stengen; ze werden door de achterpoorten aan dek -geheschen. Een spier van veertien palm werd overlangs doorgezaagd, en -die beide helften woelde men, met nog twee andere stengen, om de -mastbreuk. Nu kon men de steng, die voorloopig den mast versterkt had, -weer hijschen en het grootzeil voeren. Het was een lust er naar te -kijken! De mast leek wel een zware pijler uit de Sint-Anthonis. Nu -mocht de storm weer blazen. - -Men was juist aan het taliën van het want, toen de boot terugkwam. De -vangst overtrof alle verwachtingen. Bolle liet de gekieuwde -waterbewoners lustig knappen in de pan; de meeningen over zijn -schildpadsoep liepen zeer uiteen, maar de meesten smulden er in. -Verdikke, men kon merken, dat er dien dag gewerkt was: er werden me wat -bruine boonen achter de kiezen gedouwd! De gewonde maat, die nu door -Vader Langjas naar alle regelen der kunst verbonden was, deed in -eetlust voor niemand onder, en Padde trachtte in een berg schelvisch -zijn teleurstelling over de garnalen te vergeten. - - - -Een uur na het eten klonk tusschendeks een angstig geschreeuw: „Hulp! -Hulp!!” - -Alles stormde naar beneden. Daar vond men Padde half uit een -geschutpoort hangen. Een kabel, die om een pin geslagen was, liep strak -gespannen naar buiten; in het water werd er woedend aan gerukt. En -Padde trok aan dezen kant. - -„Ik..... pf! ik heb beet! Help ’ns ’n handje! Ik kan ’m alleen..... pf! -niet binnen krijgen!” - -De maats stonden paf. „Binnen krijgen! Als het touw niet om die pin -zat, had ie jou al lang buiten gekregen!” - -Twee mannen sloegen hun knuisten om het touw. „Trekken! Hoy-hay! -Hoy-hay!” Nog een paar oomes staken hun armen uit de geschutpoort. Er -kwam beweging in den kabel: men won. Het touw werd van de pin bevrijd -en alles trok mee. - -„Zou ’t een zeevarken wezen?” - -„Trekkèèèèè.....” - -Een glimmend zwarte monsterkop schemerde in het water, dat, door -machtige staartklappen opgezweept, alle kanten uitgolfde. - -„’n Haai!!!” - -Nu werden plots de trekken der oomes stroef en hard. Nu was het geen -spelletje meer! - -„Hoe krijgen we ’m binnen? Wacht! Ik zal ’m van het dek een harpoen in -z’n bast gooien,—dan halen we hem over het hek!” - -„Gauw dan!” Een dozijn oomes stormde naar het dek. - -„Wat zou-d-ie wegen? Drie honderd pond? Hou vast, mannen!” - -Toen schoten de trekkende oomes achteruit, rolden in een kluwen van -armen en beenen dooreen. - -Beneden in het water plonsde het. En met een hartgrondige verwensching -keken de oomes naar een gebroken stuk touw, dat ze in de hand hielden. - -Padde zuchtte. „Daar heb ik nou de heele dag voor zitten koekeloeren! -Waar bemoei jullie je ook mee? Als je mij stiekum m’n gang had laten -gaan.....” - -Toen moesten de oomes weer lachen. - - - -De arme jongen zocht troost bij den bottelier. Deze was aan het tappen; -Padde stak een kaars aan en daalde in den kelder af. - -„Voorzichtig-aan, m’n jongen!” waarschuwde de Schele, toen Padde zijn -kaars op een brandewijnvaatje plaatste. „Je zou brand maken!” - -„Brand?” vroeg Padde. „Dat goedje kan toch niet branden? ’t Is toch -nat?” - -„Nat is het. Maar waarom zouden ze het brandewijn noemen, als ’t niet -branden wou?” - -„Kom, Schele”, zei Padde, „laten we nou maar naar boven gaan, anders -vertel je me zoometeen nog, dat de zee in brand vliegt, als er een z’n -pijp buiten boord uitklopt!” - -De Schele begon te grinniken. Maar toen ze samen het keldergat -uitkropen, ontsnapte een zware zucht aan zijn boezem. „Merakel! Gertje -kon net zulke grapjes maken.....” - - - -Dien avond koos de Nieuw-Hoorn weer zee. De koers werd recht op de -evennachtslijn gesteld. - -Onze vrienden hingen over de verschansing en tuurden naar het land, dat -langzaam wegzonk. De lucht en het water waren goud van de ondergaande -zon, de berg en de rotsen diepblauw. - -Hajo voelde zich beklemd. In zijn ziel trilde de smartkreet na, dien de -gevallen Spanjaard had uitgestooten. Hajo vond, dat de vorm van het -eiland aan een graf deed denken. - -Als een witte lijkkrans lag de branding er omheen. - - - - - - - - -WINDSTILTE - - -Nauwelijks had Bolle den volgenden morgen vroeg-kost geschaft, of Diede -Doedes kwam vertellen, dat hij achter in de lij twee zeilen zag. De -maats brandden zich de lippen in hun haast om hun kommetje gloeiende -koffie leeg te slurpen. - -De marszeilen werden bijgezet en de koers gesteld op de beide schepen. -Bij nadering bleken het de Nieuw-Zeeland en de Enkhuizen te zijn. Dat -was een verrassing! Men groette drie maal met de vlag, en ook aan boord -van de andere schepen scheen men opgetogen over het weerzien. - -Bontekoe beval de jol te water te laten. De opperstuurman en hij -daalden de ladder af; de maats wierpen de riemen uit en roeiden naar de -Nieuw-Zeeland. - -„Zijn jullie ook aan land geweest?” schreeuwden ze naar boven, toen „de -heeren” in de kajuit waren. - -„Ja! We wouden op Ilje del May water innemen. Maar de Spekken hebben -geschoten! Twee van ons zijn er an gegaan. Lange Harm en IJsbrants -Dircksz. met de sproeten.....!” - - - -De schepen koersten gezamelijk weer Zuidwaarts. Maar op een kwaden -morgen vielen de zeilen slap neer; stillekes dobberden ze op het -rimpellooze water; de hitte deed het pek in de dekspleten smelten. - -De maats wisten van verveling geen raad. Overal was het even broeierig; -het hout brandde onder je voeten. In de kombuis liepen de koksmaats met -gloeiende koppen heen en weer. Geen pijp smaakte je meer. Drinken,—dat -was het eenige, wat nog een oogenblik verkwikking gaf. - -De schipper liet allerlei spelen houden; de prijzen bestonden uit -appels en peren, die nog in het ruim lagen opgestapeld. Verjoppie, -daarvoor wilden de kerels nog wel een paar keer het dek op en neer -rennen, of turfrapen, of den kruiwagen duwen! Een oome laadde onder -groot gejuich den Schele op zijn wagen..... - -Den halven dag lagen ze in den Atlantischen Oceaan te spartelen, de -oomes; ze sprongen van de boegspriet het water in, doken onder het -schip door, plasten en ploeterden en klommen dan langs de touwladder -weer omhoog. Maar vijf minuten later waren ze weer even verhit als te -voren. Ze vervelden om het hardst. Den oome, die bij Ilje del Foege een -teen had verloren, werd door een of ander geheimzinnig zeemonster een -tweede teen afgebeten. Er werd lang over geredekaveld, of het een haai, -of iets anders zou zijn geweest. De gebeten oome zei, dat de duvel er -achter stak: twee teenen achter mekaar! - -Om verdere ongelukken te voorkomen, liet Bontekoe het grootzeil -tusschen de onderste ra van de fok en den grooten mast binden. Het werd -met water gevuld en leverde een gezellig zwembad. Nu was het zeil ten -minste ergens goed voor. Natuurlijk waren er weer van die grapjassen, -die, als je rustig in ’t bad je pijpje lag te rooken, van onderen met -spelden door het zeil prikten.....! - -De jongens werden beziggehouden. Terwijl de oomes geen hand uitstaken, -moesten zij poetsen; poetsen en poetsen. Zwabberen en schrobben hoorde -er ook bij. Als de zon al niet zoo beroerd glom, had Berentsz. ze ook -die vast nog laten oppoetsen. - -„’k Mag lijen, dat de zon niet valt”, verzuchtte Floorke. - -„En waarom niet?” was het loome antwoord. - -„’k Leg er pal onder”, zei Floorke. De oomes waren te lui om te -grinniken. - -Op een morgen ving Harmen aan een lijntje met spek een grooten -kabeljauw. Toen werden allen door hengel-koorts aangetast. Achter elke -geschutspoort lagen een paar oomes te koekeloeren. Voor den pechvogel, -die geen lijntje had weten machtig te worden, bleef niets over dan -langs de ijverige hengelaars te loopen en te vragen: „Al beetgehad?” - -„Neen”, was dan het grimmige antwoord. - -„En jij?” - -„Wat?” - -„Al beetgehad?” - -„Neen.” - -„En jij, Smirtjens? Al beetgehad?” - -„Bijna.” - -„Ga eens wat dieper liggen.” - -„Heb ik al gedaan.” - -„Wat hooger dan.” - -„Heb ik ook al gedaan.” - -„Wat doe je daar de heele dag te zitten, als je toch niks vangt?” - -„Jij zou ook wel een lijntje willen hebben, hè?” - -„Ik? Ik zal wel oppassen!” - -„Ja. Opkrassen. Doe dat maar.” - -Toen de bootsman het moe werd om den heelen dag achter de poetsende -jongens aan te zitten, brak ook voor deze arme verschoppelingen een -tijd van onbeperkte vrijheid aan. - -Rolf maakte er een dankbaar gebruik van door bij Vader Langjas, die -goed Maleisch sprak, voort te bouwen op de fundamenten, door Bolle -gelegd. De barbier kreeg steeds meer schik aan zijn ijverigen leerling; -hij stond versteld over de kennis, die Rolf in zoo korten tijd uit de -boeken over heelkunde had geput, bracht hem wat op de hoogte met den -stand en het wezen van sterren en planeten; leerde hem een gradenboog -maken. Rolf nam op als een spons, ja, bracht den deftigen barbier soms -leelijk in het nauw door meer te willen weten dan Vader Langjas hem -vertellen kon. - -„Ja, jongen”, zei deze dan, „voorloopig kan ik nog niet dieper met je -op de zaak ingaan!” Maar terwijl hij de logische, eenvoudig gestelde -vragen trachtte te omzeilen, voelde hij drommels goed, dat de heldere -oogen van zijn leerling doordrongen tot in de engste hoekjes van zijn -weten. Dan voelde Vader Langjas zich overwonnen. Hij zuchtte en zei met -een zalvend gezicht: „Het gebied der wetenschap is oneindig, Rolf. Wij, -menschen”—de nadruk op het woordje: wij—„zijn maar stofjes in het -heelal. Wij kunnen de goddelijke wonderen der natuur aanschouwen, doch -bevatten kunnen wij ze niet, Rolf.” Maar tegelijkertijd moest hij -zichzelf bekennen, dat hij dat alles weleens graag vergat: Vader -Langjas was gewend voor een alwetend man door te gaan! - -Hajo speelde viool, en het ging Harmen als Vader Langjas: zijn leerling -groeide hem boven het hoofd. „Kun je er de wind niet mee lokken, Hajo?” -vroeg Rolf in het voorbijgaan. „Je leert het al uitstekend, hoor!” - -Hajo hield op met fiedelen. „Vind je?” Een goedkeuring uit Rolfs mond -was hem meer waard dan de overdreven loftuitingen van tien volwassen -oomes. - -Padde was het ditmaal bij uitzondering met Rolf eens. Vooral als Hajo -erg langzaam en met trillers speelde, knikte hij ontroerd. „Ja-ja”, zei -hij dan. Verder verklaarde hij onomwonden, dat een schip een nutteloos -ding is, wanneer er geen wind staat. - -Niemand sprak hem tegen. - - - -„Foeiiiiit.....!” Een windstoot! Heerlijk verfrisschend. De oomes -liepen joelend heen en weer, gooiden het water uit het grootzeil, -spanden het op en hoopten twintig knoopen in het uur te maken. Floep! -weg was de wind weer. - -De oomes gaven den moed nog niet op! „Wacht maar!” troostten ze elkaar. -„Dat was het begin! Straks komt er wel meer.” - -Maar er kwam niet meer. Een enkele maal, na uren van volkomen -windstilte, deed een enkel tochtje het water rimpelen. Na zoo’n korte -verfrissching drukte de hitte nog meer dan te voren. Het grootzeil werd -weer zwembad. Oef.....! - - - -Drie dagen later kwam uit het Oosten een groote, donkere wolk -aandrijven. Ze wierp een zwarte schaduw voor zich uit over het water, -verduisterde binnen een uur den ganschen hemel. Doodsche stilte. - -Spanning bij de schepelingen. „Een windhoos!” werd er gefluisterd. -Ondanks het halfduister broeide er een hitte, die den adem benam. - -In eens..... een windstoot.....! Nog een! Nog een! De zeilen rukten aan -de touwen, vielen klapperend weer neer, rukten opnieuw, dat de ra’s er -van piepten, vielen luimig weer neer.....—Daar kletterde een regen, zoo -hevig, dat allen doornat waren, vóór ze het wisten. De waterstralen -daverden op het hout, dat ’t hooren je verging; er waren honderd -trommelaars in de weer. - -De maats gierden van de pret. In bakken, zeilen en pannen werd het -water opgevangen. Je hadt maar iets op te houden en ’t was al vol. De -oomes trokken hun broeken uit en liepen als Adams rond, stoeiend, -gillend. „Fijn is-t-ie, hè?” - -Rrrrrt! Met een krachtigen roffel besloot de regen. Ineens. Geen -druppeltje viel er meer. De zon drong weer te voorschijn. Wat even te -voren gedropen had van het water, was in enkele oogenblikken kurkdroog. - -Stilte. Volslagen stilte. Brandende zonnestralen vielen loodrecht op -het schip. - -In den namiddag herhaalde zich de grap. - -Den volgenden dag driemaal. Maar bij dat al schoot men geen vadem op. - -Eindelijk begon het weliswaar gestadig te waaien, maar de wind tolde in -het rond, of hij dronken was. Men was zonder ophouden in de weer met -het omgooien van de zeilen. - -Wonderlijk waren de nachten. Dan scheen de wereld een tot berstens toe -gevulde schatkist. Het goud der sterren droop in het water, dat zelf -als vloeiend goud was. Het schuim, dat opspatte voor den boeg, was -louter zilver; milliarden edelsteenen stoven alle zijden uit. Sterren -werden van links naar rechts gekegeld,—lieten een gloeiend spoor na. - -De maan scheen het wonderlijk geheim van dit alles doorgrond te hebben: -rustig glansde zij tusschen al het bont gedwarrel. - -Hajo kon er ’s avonds niet toe komen om naar bed te gaan; het spel der -sterren nam hem geheel in beslag; hij voelde zich in een -sprookjeswereld verplaatst, in een doolhof van wonderlijke -gebeurtenissen, waaruit geen ontkomen meer mogelijk was. Daar, in het -Noorden, moest Holland liggen en Hoorn en de Bagijnesteeg..... Was het -mogelijk? - -Drie, zes, acht sterren tuimelden dooreen. Weer een! En daarginds..... -vier tegelijk! - -Rolf en Padde stonden mijmerend naast hem. - -„Hajo.....” vroeg Padde, „hoe zou de evennachtslijn er uitzien?” - -„Misschien wel een lijn van vuur..... of zoo iets”, zei Hajo. - -„’t Is hier allemaal vuur!” - -Hajo keek peinzend voor zich uit. „Zeg, Rolf, hoe komt dat..... kijk -eens! wat een sterren daar vallen!..... hoe komt dat..... met die -vallende sterren?” - -„Die vallen eigenlijk niet. Die veranderen alleen maar van plaats -en.....” - -„Dat kun je ook zeggen, als je een dakpan op je kop krijgt, dat ie van -plaats veranderd is!”, meende Padde. „Kijk daar eens! Daar vallen er -zes tegelijk!” - -De knapen zwegen en tuurden voor zich uit. - -Na een uur verbrak Padde het zwijgen. „Dat alles moest m’n moeder nou -eens kunnen zien! En m’n zusjes en broertjes!” - -Hajo voelde een prop in z’n keel. - -En Rolf stelde voor, om te gaan slapen. - - - - - - - - -ALBATROSSEN - - -Na drie eindelooze weken van onophoudelijk laveeren kwam de dag, dat -men de linie zou passeeren. De oomes, die de reis al vaker hadden -gemaakt—dat waren verreweg de meesten!—deden geheimzinnig. Om twaalf -uur in den middag verwachtte men een voornamen gast: Neptunus in eigen -persoon zou uit zee opduiken en de Nieuw-Hoorn een bezoek brengen. Een -half uur lang zou hij het bevel over het schip in handen nemen, onder -zijn genadig toezicht de nieuwelingen laten doopen en dan, met zijn -gevolg, weer in het zilte nat onderduiken. - -Het middendek werd versierd met de guirlandes, die reeds op -Oudejaarsavond zulke goede diensten hadden verricht. Tegen den grooten -mast timmerde men een troon voor den machtigen zeegod en plaatste er -een groote kuip water voor. Waartoe die diende, mochten de „groentjes” -voorloopig nog niet weten. Daarom maakten eenige janmaats zich op om -hen in het vooronder op te sluiten. Harmen nam Padde voor zijn -rekening. Terwijl hij hem gevankelijk wegvoerde, schilderde hij hem in -sombere kleuren zijn naaste toekomst voor. Padde jammerde hemel en -aarde bijeen; de anderen lieten zich lachend opsluiten. Maar bij de -meesten was het de vroolijkheid van dien bekenden boer, die kiespijn -had. - -„Kom, Padde, schreeuw niet zoo! ’t Zal wel meevallen!” - -„Meevallen?! Als je driemaal gekielhaald en een uur met je hoofd onder -water wordt gehouden?” - -Het sloeg acht glazen. De deur van het vooronder werd ontsloten. - -Buiten wachtte den groentjes een dubbele rij oomes, die hen met -papieren klappers naar de verhooging dreven, waar de oude grijze -Neptunus reeds zat, omgeven door zijn ganschen hofstoet. De schipper en -de opperstuurman zaten aan zijn zijde. Neptunus droeg een waardigen, -met papieren visschen beplakten mantel, en in zijn hand klemde hij een -vervaarlijken drietand, waaraan een stokvisch was gespietst. Zijn -dienaren hadden een mombakkes voor met spitsen, langen neus en groote, -groene vissche-oogen. In hun roode haren was nog zeewier verward. Een -van hen wachtte met een groote schaar bij de ton water, om de groentjes -kaal te knippen. Hij droeg de roodbaaien onderbroek van Harmen van -Kniphuyzen. De anderen stonden met volle putsen gereed om te „doopen”. - -Er werd niet getalmd. Zonder erbarmen pakten Neptunus’ dienaren de -groentjes in hun nekvel, duwden ze stuk voor stuk in de ton, -verfrischten ze ten overvloede nog met een puts water. Toen werden ze -door den roodgebaaiden lakei van vorst Neptunus van hun haardos -bevrijd. De vlokken stoven in het rond; pijnlijke kreten der -slachtoffers deden vermoeden, dat de schaar weleens uitglipte. Toen -alle groentjes behoorlijk kaal waren en het water hun uit de kleeren -droop, verhief Neptunus zich met koninklijk gebaar van zijn zetel en -sprak: „Haal me de bottelier er eens op!” - -Daar kwam de Schele al aan, nog rood van het tappen. „Wat is er van je -bevelen, Majesteit?” - -„Dat je de kerels een oorlam schenken moet, bottelier!” - -„Leve koning Neptunus!” brulden de oomes. - -„De groentjes ook, Majesteit?” vroeg de Schele. - -„Donder en bliksem!” sprak Zijne Majesteit, „er bennen geen groentjes -meer, Schele!” - -„Tot je orders, Majesteit!” En de Schele verdween, voortgedreven door -een stelletje ijverige oomes. - -„Zou jij de bottelier niet er eens ’n handje helpen?” vroeg Koning -Neptunus aan Padde, die niet ophield met jammeren over de mishandeling, -die hij had ondergaan. - -„Helpen?! Om die beroerde kerels een oorlam te bezorgen?! ’k Zou nog -liever!” schreide Padde. - -„Zeg er eens, manneke!”—het was Bontekoe, die sprak—„Durf jij tegen -Koning Neptunus op te staan?!” - -„Koning Neptunus! Dat donder en bliksemen heeft ie dan toch van de -bootsman!” - -„Donder en bliksem.....!” stamelde Neptunus. - -De oomes lachten. En Padde trok er grimmig tusschen uit. - -Daar kwam de Schele met zijn helpers terug, een paar vaatjes bier voor -zich uit schoppend. Met hoera-gebrul werden ze (de vaatjes)! ontvangen -en geopend. En toen hieven de maats de kroezen op, dronken op de -gezondheid van Neptunus, den schipper, den bootsman, op de linie, op -Holland en op Java, op de Nieuw-Hoorn, de behouden thuiskomst, -gunstigen wind en verder op alles, waar maar op gedronken kon worden. -Neptunus bleek, na in den loop der eeuwen dagelijks zeewater te hebben -moeten slikken, ook niet wars van een hartversterking: hij doopte -bedachtzaam zijn grauwe snor in een kroes. - -De vaatjes raakten leeg. De oomes keken sip. Maar tot troost werd er -afgekondigd, dat allen in de kombuis twee appelflappen mochten halen. - -Die smaakten! - -En toen kwam het afscheid. Neptunus drukte den schipper de hand, gaf -hem het gezag over de Nieuw-Hoorn weer plechtig over en liet zich in -triumf uitgeleide doen naar de valreep. Hij wenschte allen voor de -laatste maal goede reis en dook met zijn dienaren weg in het water. - -Een kwartier later kwam de bootsman Folkert Berentsz. met natte haren, -juist als had ook hij een linie-doop ondergaan, het dek opstuiven. -„Donder en bliksem!” voer hij uit. „Wat heeft die rommel daar te -beteekenen?! Weg er mee! Waar zitten me die apen van jongens? Vooruit! -Zwabberen!!” - - - -De wind was Zuid-Oost. De koers werd gesteld boven de Abriolhos, een -groep lage, rotsachtige eilanden op de kust van Brazilië. Bij de -Abriolhos komende, stilde de wind echter, zoodat men vreesde, de -eilanden niet te zullen kunnen omzeilen: de stroom zou de drie schepen, -wanneer de wind geheel ging liggen, recht op de eilanden doen stooten, -en ze zouden er vast zitten, tot het den wind geliefde te gaan blazen. -Neen, als ze de eilanden niet omzeilden, zag het er slecht uit, want op -de Abriolhos zou niets te halen zijn en men verlangde naar versch -voedsel. Te lang gepekeld vleesch eten leverde gevaar op: de -Oostinje-vaarders hadden veel met scheurbuik te kampen. - -Maar in den nacht werd de wind weer sterker, en op het kantje af lukte -het, de eilanden te omzeilen: men streek er zoo dicht langs, dat men -met het bloote oog de rotsen in het maanlicht zag verrijzen. Het volk -werd vergast op een flap-kanne Spaanschen wijn voor iedere tafel van -acht man. - -Nu werd de steven gericht naar een groep kleine eilandjes: Tristan -d’Acunhe. Maar men kreeg ze niet te zien. De wind sloeg om naar het -Noord-Westen. Toen stelde men de koers op Kaap de Goede Hoop, ten einde -daar te ververschen. Het was nog wel een geducht eind, maar de wind -zwol gedurig aan en zat mooi achter in ’t zeil. Als dolfijnen schoten -de boegen door het water; de oomes waren vol goeden moed. - -Toen onze vrienden op een middag bijeenzaten, wees Hajo eensklaps met -de hand naar boven. „Kijk eens, wat een groote meeuwen!” Daar kwamen, -heel hoog in de lucht, uit het Zuiden een aantal witte vogels -aanzweven. Hun vlucht moest verbazend snel zijn, want ze namen -zienderoogen in grootte toe. Maar zonderling: de lange, smalle vleugels -schenen zich nauwelijks te bewegen. „Albatrossen!” riep Rolf uit. „Dan -zijn we dicht bij de Kaap!” Op het voordek begonnen een paar oomes te -schreeuwen: „Albatrossen! We naderen de Kaap!!” Al het volk liep te -zamen, schreeuwde opgewonden dooreen. - -Het waren machtige dieren. Er zweefden nu al een dozijn hoog om de -Nieuw-Hoorn, en uit het Zuiden kwamen er nog steeds. Ze schenen niet te -vliegen, ze dreven op hun enorme vleugels, waaraan nauwelijks eenige -beweging te bespeuren viel. - -Terwijl onze knapen vol spanning toekeken hoe majestueus de albatrossen -kwamen aanzeilen door de wolken, hoe snel en sierlijk zij zich lieten -vallen, wanneer ze in het water een prooi ontdekten; hoe ze, ondanks -hun grootte, vol gratie en zonder de geringste inspanning weer opstegen -van het watervlak, hun prooi vast omsloten in de sterke klauwen,—was op -het achterdek een ander drietal met een zonderling werkje in de weer. -De Manke, die op den dag van de uitvaart Gerrit den hals had willen -omdraaien, sneed een stukje hout van een handbreed te lang, overtrok -het met reuzel, bond het houtje aan een lange lijn en wierp die toen -overboord. - -„Nou zullen we eens afwachten!” zei de manke. - -„Afwachten”, bevestigde zijn pokdalige kameraad. - -„Of ze fijnproevers zijn! Hehehe!” grinnikte de kleine, Schieltjens -Blauw. - -Met drieën, vieren tegelijk schoten de vogels uit groote hoogte op het -lokaas af. De behendigste hapte toe..... en was gevangen. De mannen -vloekten van genoegen. Met z’n drieën trokken ze de lijn binnen. Dat -viel niet mee! Het dier klapte met de vleugels, vloog van het water op -en wilde de wolken weer in. Maar de overmacht was te groot: met -uitgerekten hals, den bloedenden bek wijd open, werd het omlaag -getrokken. Hulpeloos tuimelde het op het dek, sloeg wild met de -reusachtige vleugels. - -„Kom er eens hier! Kom eens kijken!” brulde de pokdalige. - -Van alle kanten kwamen de oomes aanzetten. „Wat een prachtig beest!” - -Boutjens (zoo heette de manke) was door de algemeene belangstelling -gestreeld. „Wacht nou maar eens even! Dan zul je wat zien!” Hij trok -zijn mes, plaatste zich achter den vogel, die, als vermoedde hij het -nieuwe gevaar, met een smartelijken roep schuw ineendook. Toen liet -Boutjens zich plotseling met de knieën op de beide gespreide vleugels -vallen en sneed het dier met een snelle beweging den strot door. „Had -je niet gedacht, hè?” grinnikte hij, terwijl hij weer overeind sprong -en zijn bebloede handen en polsen aan zijn broek afveegde. - -Grootsch en tragisch was het, te zien hoe het prachtige dier zich de -smetteloos blanke veeren rood verfde in zijn wilde worsteling met den -dood. Boutjens sprong, met de anderen, haastig ter zijde om een slag -van den machtigen vleugel te ontloopen. - -„Kun je het vleesch eten?” vroeg Hajo, wien het moeite kostte, den -manke niet te lijf te vliegen. Boutjens keek gemelijk op, toen hij -Hajo’s stem herkende. Hij spuwde op het dek en keerde den jongen zonder -antwoord te geven den rug toe. - -„Eten?” zei een der oomes. „Wel neen. Het vleesch smaakt sterk.” - -„We vangen ze zoo maar. Voor de aardigheid”, blufte de pokdalige. - -„Zoo”, zei Hajo. „Maar als je nu het hart hebt er nog een te -vangen.....” Hajo’s vuisten balden zich. - -De manke stootte een ruwen lach uit; men voelde er zijn haat doorheen. - -Hajo werd bij den arm gegrepen. Het was Rolf. „Ga met mij mee, Hajo. -Wees niet onverstandig. We zullen hun plannen op een andere manier -verhinderen.” En hij trok Hajo met zich mee naar de groote kajuit. - -Boutjens keek hen met donkeren blik na. „Ze gaan naar de schipper! Ik -zou ze graag de nek omdraaien, maar je moet nog voorzichtig zijn, dat -je je vingers niet brandt!” - -„Kom, Boutjens”, zei Schieltjens Blauw. „Laten we nog er eens -ingooien!” - -Toen stond Padde voor hen. „Als jullie het doet, krijg je van mij op je -ziel!” - -Boutjens was verbluft. „Wat zeg je?! Rakker!” - -„Ik zeg, dat, als je het hart hebt nog een van die mooie beesten te -vermoorden, je dan van mij op je falie krijgt! Versta je dat, -dierenbeul?” Dikke tranen schoten pardoes uit Padde’s knippende oogjes; -zijn stem beefde van aandoening. - -„Daar staat er een te grienen om ’n beetje bloed!” hoonde Boutjens. -„Wat ’n papjoggie!” - -Maar meteen had hij van het papjoggie een klap op z’n wang te pakken, -die lang niet voor de poes was. „Dat is één!” riep Padde. „En dat is er -nog een!” - -Vloekend en razend kwam Boutjens op Padde af. En, gelukkig voor den -botteliersmaat, namen de oomes hem in bescherming. Zelf wilde Padde -zijn voordeel daarbij niet inzien. „Laat me los! Hij zal op z’n ziel -hebben!” - -„Ja, laat hem los!” siste Boutjens. „Hij vraagt er toch zelf om?” Maar -toen de maats niet op zijn voorstel ingingen, wendde hij zich tot zijn -twee getrouwen. „We zullen er maar geen woord aan vuil maken. Hier met -de reuzel! We zullen nog eens ingooien.” - -„Schei er mee uit, Manke!” raadden de oomes. - -„En waarom?” vroeg Boutjens. „Vorige reis heb ik er wel ’n dozijn -gevangen! ’t Zijn mooie beessies!” - -„Laat me los!” jammerde Padde. „Ik wil de schurk.....!” - -Daar kwam Hilke Jopkins aanstevenen. Zonder een woord te zeggen, rukte -hij Boutjens het tuig uit de handen en stak het in den broekzak. „Bevel -van den schipper: er mogen geen albatrossen gevangen worden.” - -„O, is ie gaan klikken!” zei de manke met verbeten woede. „’k Zal hem!” - -Maar toen legde de lange Fries een van z’n handjes op Boutjens’ -schouder. „In gemoede”, zei hij, terwijl de manke onder zijn greep -ineenkromp, „je blijft van hem af!” - -Met een verwensching verdween Boutjens in het vooronder. - -Den volgenden morgen vond hij een groote klomp zout in zijn koffie. Met -een kreet van afschuw spuwde hij het zwarte vocht weer uit. - -Harmen van Kniphuyzen had medelijden met hem. „’n Ongelukje”, zei hij. -„Kom maar eens hier, dan zal ik je betere inschenken. ’k Heb hier nog -een keteltje vol staan, eigenlijk voor de schipper!” En welwillend -glimlachend goot hij Boutjens’ kom weer vol. Maar de duvel speelde er -mee: de tweede kop was zoo mogelijk nog zouter dan de eerste! En -Boutjens spuwde en foeterde, dat het een aard had. - - - -Dien middag kreeg men de Kaap in ’t zicht. Maar de vreugde hierover was -niet zoo groot, als ze had kunnen zijn. Want de wind woei zoo stijf uit -het Westen, dat men onmogelijk aan land kon gaan. De zee werd steeds -woeliger; de schepen dansten geducht. - -Er werd scheepsraad gehouden op de Nieuw-Zeeland. Na lang mikken en -meten besloot men door te zeilen. Al het volk was nog gezond; er -heerschte voorloopig ook nog geen watergebrek. Den twaalfden Mei—dus -vier-en-een-halve maand na het vertrek uit Holland—omzeilde men de -Kaap, boog daarna om naar het Noord-Oosten. Tot Terre de Natal toe -hield men het land in ’t zicht. Het was mooi weer; men onderscheidde -duidelijk de talrijke rotsplateau’s en de hooge kegels van het -Drakengebergte, welks toppen vaak tot in de wolken reikten. - -De Enkhuizen was bestemd om naar de kust van Coromandel te gaan. Daarom -leek het den schipper het best, het kanaal van Mozambique te -doorzeilen, ten einde te ververschen op de Comorische eilanden, -westelijk van Madagascar’s noordpunt. Bontekoe en Pieter Thijsz. van de -Nieuw-Zeeland namen afscheid van den gezagvoerder van de Enkhuizen; de -heeren dronken een glas wijn op de behouden aankomst van alle drie -schepen. Een uur later zond de Enkhuizen drie saluutschoten over het -water, die prompt beantwoord werden, en week van de twee andere -Oostinje-vaarders af. De zeilen werden kleiner en blanker. Toen viel de -schemering in en onttrok ze aan het oog. - -Droomerig keek Hajo het licht-grijze schimmetje na. Naar de kust van -Koromandel..... was dat nog weer iets anders dan Oostinje? Het scheen -even ver en geheimzinnig. Hoe wijd moest de wereld zijn! In Hajo kwam -een stille bewondering voor den schipper, die midden in onbekende zeeën -zijn collega’s vaarwel zei en dapper, in vertrouwen op God en op zijn -kompas, met z’n paar honderd kerels en z’n mooi getuigd schip naar het -verre, vreemde land toog, waar wellicht geen blank gezicht hem zou -verwelkomen. „Goeie reis.....!” zei Hajo zacht. - -Bontekoe en Pieter Thijsz. stelden hun koers Zuidelijk om Madagascar. - - - -Op een middag hing de vlag van de Nieuw-Zeeland halfstoks. - -„’n Dooie”, zeiden de maats van de Nieuw-Hoorn tot elkaar, terwijl ze -over de verschansing er naar hingen te kijken. Tegen den avond hoopte -zich op het middendek van de Nieuw-Zeeland wat volk bij mekaar. Er werd -een psalm gezongen. Plechtig klonk het geluid van die vele diepe -mannenstemmen over het water. Toen werd een plank met een overdekt -lichaam er op over de verschansing geschoven. Het lichaam gleed in het -water, zonk onmiddellijk weg in de diepte. Twee kanonschoten,—en de -vlag schoot weer de hoogte in. - -Maar twee dagen later..... hing ze opnieuw halfstoks! Toen begrepen de -mannen van de Nieuw-Hoorn, dat men aan boord van de Nieuw-Zeeland -kampte met een meedoogenloozen vijand: de scheurbuik! - -Den dag daarop bracht Pieter Thijsz. een bezoek bij Bontekoe. De -Bruinvisch was geërgerd en prikkelbaar door den slechten toestand op -zijn schip en werd zeer heftig, toen hem bleek, dat Bontekoe zijn koers -twee streken Noordelijker dacht te stellen, dan hem, Pieter Thijsz., -goed scheen. Rood van drift stevende hij de kajuit uit, baande zich -hardhandig een weg door een groepje verblufte maats, die al ’n tijdje -naar zijn gebulder hadden staan luisteren. „Vaar waarheen je wilt!” -schreeuwde hij. „Voor mijn part naar de hel!” - -Bontekoe was kalm, zooals zijn mannen dat van hem gewend waren. „Ieder -zijn overtuiging, makker! Ik wensch je goede reis.” - -„Het zal me verwonderen, hoelang ik op de reede van Bantam moet -wachten, voor de Nieuw-Hoorn binnenzeilt!” donderde Pieter Thijsz. hem -toe. - -„Ik zal je het wachten aangenaam maken, door je, dadelijk bij je -aankomst, met de jol een vaatje Tocayer te laten brengen!” was -Bontekoe’s vriendelijk antwoord. - -De oomes stootten mekaar aan. „Die zit”, mummelde Floorke. - -„Goeie reis!” snauwde de Bruinvisch. Toen vloog hij als een kat de -valreep af. - -De mannen in de jol beneden sprongen nog sneller overeind dan anders. -Ze stootten af en roeiden, als was hun leven er mee gemoeid. Maar -Pieter Thijsz. ging het nog niet vlug genoeg: hij greep een der riemen, -duwde den maat, die er aan zat, zonder veel praatjes op zij en roeide, -dat de spaan knarste. - -De oomes van de Nieuw-Hoorn grinnikten. „Wat een rare!” - -Bontekoe kon evenmin een glimlach onderdrukken. „Tòch een kranig -schipper, mannen!” zei hij. - -De oomes waren vereerd door Bontekoe’s vertrouwelijkheid. En Floorke, -die vond, dat hij bij Bontekoe wel een potje breken kon, zei, terwijl -hij zich achter zijn oor in de roode haarstoppels krabde: „Maar je moet -geen ruzie met ’m krijgen, schipper: juffer Driestreng ligt altijd -klaar! Nee..... ik heb jou liever, hoor!” En toen hij vermoedde, dat -hij nu wellicht wat al te vrijmoedig was geweest, keerde hij zich om -naar zijn makkers en zei: „Nou? Wat jullie, jongens?” - -De oomes keken lachend naar het gelaat van Bontekoe, dat hen uitdagend -aanzag. - -„Nou?” vroeg Floorke. „Nou?!” - -„Leve Bontekoe! Leve de schipper!” brulde de heele troep. - -De kerels in de jol daarginds hielden van verbazing de riemen stil. -Toen plaste Pieter Thijsz. den zijnen nijdig weer in het water. De -maats schrikten op, trokken met een ruk de riemen weer aan, zwijgend -glurend naar de Nieuw-Hoorn. - -In Bontekoe’s oogen fonkelde iets; zijn gelaat werd een weinig rood. -Maar een glimlach om zijn mond verraadde, dat de onverwachte hulde hem -niet onaangenaam had getroffen. „Vooruit!” riep hij. „Haal de bottelier -dan maar op! Want daarom is het jullie toch te doen.” - -Nieuw gebrul. Van het voordek kwamen ook maats aanhollen. Ze roken, dat -er wat aan ’t handje was. Floorke was de man! Verdraaid, die wist -overàl een oorlam uit te slaan! - - - -Maar na het eten maakte de vreugde plaats voor een algemeene -gedruktheid. Uit gewoonte ging het volk ook dien avond weer op het dek, -onder den lichtenden sterrenhemel gezelsen, maar het gesprek vlotte -niet. Zwijgend luisterden ze naar het ruischen van het boegwater. - -Er waren dien namiddag drie man ziek geworden. - - - - - - - - -DE GEVREESDE VIJAND - - -In enkele dagen tijds steeg het aantal zieken tot vijftien. Het was -daar in het vooronder een gekreun en gekerm, dat niemand er ’s nachts -van slapen kon. En elken dag kwamen er zieken bij. Vader Langjas greep -zich met de handen in het haar, verzon allerlei drankjes, die -verlichting zouden kunnen schenken. Soms hielp het ook wel wat, vooral -dank zij de troostrijke voorspiegelingen, waarmee het uitreiken gepaard -ging. Maar van werkelijke genezing kon natuurlijk geen sprake zijn, -zoolang de oorzaak van de ziekte niet was weggenomen: gebrek aan versch -voedsel. - -Lijsken Cocs was er het ergst aan toe. Zijn licht-blauwe, nu flets -geworden oogen lagen diep, heel diep in de kassen; zijn spits neusje -werd met den dag spitser, en het zweet parelde in zijn stroo-blonde -haren. „’k Ga d’r an”, zuchtte hij. „Eerst m’n vader, toen Joppie..... -wij kunnen in onze familie niet tegen de scheurbuik, weet je?” Lijsken -zweeg, verraadde door een smartelijk vertrekken van den mond, dat hij -pijn leed. - -„Heb je pijn?” vroeg Harmen, die bij Lijsken’s kooi zat. - -Lijsken schudde ontkennend het hoofd. En met schorre stem zei hij, op -zorgelijken toon: „’t Is lam voor m’n moeder, dat ik d’r an ga! Want ik -had ’r van deze reis ’n mooie cent kunnen thuis brengen....” - - - -Den volgenden dag hing de vlag halfstoks. Lijsken’s tengere -jongenslichaam werd in een zak genaaid en, onder het zingen van een -psalm, plechtig aan de golven toevertrouwd. De kanonnen wenschten den -kleinen, blonden koksmaat goede reis naar het oord, waar hij geen pijn -meer voelen zou. - -Bontekoe betaalde aan Harmen van Kniphuyzen de volle gage van zijn -overleden vriend uit. Harmen kende Lijsken’s moeder en zou het haar -geven. Grienend borg Harmen het geld in een zakje. - -De gedruktheid nam met den dag toe. Er waren nu reeds acht-en-twintig -zieken. En dubbel zooveel anderen klaagden over moeheid in de beenen. -Velen liepen rond met blauwe kringen onder de oogen, vale gezichten en -kleurlooze lippen. Toen er op een dag vijf tegelijk in hun kooi moesten -blijven, durfde Bontekoe niet verder zeilen. En tot groote vreugde der -zieken in het vooronder werd de steven gewend naar Madagascar, waar men -hoopte te kunnen ververschen. Diede Doedesz., die zich ook al lam -voelde, klom niettemin om het uur in het kraaiennest om met zijn -beproefde oogen naar land uit te zien. Den vierden morgen na het wenden -van den steven, rezen achter den gezichtseinder bergen op. - -„Land! Land voor de boeg!!” Groote opgewondenheid. De zorgen woeien zoo -maar de poorten uit. - -In den namiddag naderde men het land; het zag er aanlokkelijk uit. De -bergen waren met wouden begroeid, en het geheel maakte den indruk van -vruchtbaar te zijn. Maar nu de moeilijkheid: hoe te landen? Zoo ver het -oog reikte, was nergens een baai of inham, geschikt om de Nieuw-Hoorn -te bergen. Toch zette men de boot uit. Terwijl de Nieuw-Hoorn voor de -kust op en neer zeilde, voer de schipper met dertig stevige maats en -evenveel geladen musketten weg. - -Maar toen men met de boot wilde landen, bleek de branding te sterk te -zijn. Terwijl men nog beraadslaagde, wat nu te doen, kwamen op het -strand naakte, bruine kerels aanloopen, die in luide kreten hun -verrassing uitten en toen staan bleven, de hand boven de wenkbrauwen, -om beter te kunnen zien. - -Floorke bood aan, naar land te zwemmen. Hij knoopte z’n broek stevig -vast, snoof zoo er eens en sprong het water in. Als een haai schoot hij -door de golven. Tweemaal sloeg de branding hem terug; de derde maal -zette Floorke zijn tanden op mekaar en wist er zich doorheen te -worstelen. Zijn broek boette hij er bij in: even naakt als de zwartjes -plofte hij aan land neer. „Heila!” riep Floorke hijgend den verbaasden -inboorlingen toe, die tusschen zich en dit witte, roodharige monster -een behoorlijken afstand schenen te willen bewaren. „Toenggoe er eens -even! Zou je bij geval kunnen zeggen, waar de kapal voor anker kan -gaan? Jullie verstaan toch Maleidsch?” - -De monden der inboorlingen sperden zich wijd open. Mooi gebouwde kerels -waren het: groot, zwart als houtskool, wollig, dicht haar en van boven -tot onder getatoeëerd met sterren en bloemenmotieven. Een kwam er met -groote, elastische schreden op Floorke af, legde hem zijn zwarte hand -op den schouder en wees naar het Zuiden. Hij zei iets, waar Floorke -geen spier van verstond, wees toen op de Nieuw-Hoorn en toen weer naar -het Zuiden. - -„’k Heb je al in de gaten, kameraad!” zei Floorke verheugd. „In ’t -Zuiden landen, hè? Hebben jullie ook wat te bikken? Makan?” En Floorke -maakte een beweging van kauwen en den mond volproppen. Het resultaat -was, dat de zwartjes allen begonnen te lachen. - -„Lach, als je gekielhaald wordt!” gromde Floorke. Hij liep het water -weer in, stortte zich in de branding. - -„En?” vroegen z’n makkers, terwijl ze hem in de boot heschen. - -„In ’t Zuiden..... pf! kunnen we landen..... pf! En m’n broek..... pff! -ben ik kwijt.” - -„Kon je de menschen verstaan, Floorke?” - -„Best, schipper. Ik versta alle talen.” - -„En hoe zagen ze er uit?” - -„Zwart als ’n laars, schipper, en besneje als de ebbenhouten kast van -m’n moei!” Floorke’s oogen richtten zich groot, met sprakelooze -verontwaardiging naar het strand. „Wel sakkerloot! Daar loopt er een -met mijn broek aan!” En Floorke wilde pardoes weer overboord springen. - -Maar de maats hielden hem tegen. En Bontekoe zei lachend: „Ik zal je -geld voor een nieuwe broek geven, Floorke.” - -„Zoo’n beste broek!” zuchtte Floorke. - - - -Naar het Zuiden! Men voer dicht langs de kust, dagen lang, zonder een -baai te ontdekken. De stemming in het vooronder zakte weer geducht. De -oomes verloren het vertrouwen in Floorke’s talenkennis; Floorke zelf -schold op de „nikkers”, die hem zijn broek en zijn eer geroofd hadden. -Het aantal zieken klom tot boven de veertig. - -Padde kreeg het druk met het verplegen van den Schele, die zich ook -niet voelde, zooals het wezen moest. Onze drie jonge vrienden zelf -waren nog gezond. - -Op een morgen was het land uit het gezicht verdwenen. Men zeilde -Zuidwaarts tot op negen-en-twintig graden, maar toen zich nog steeds -geen land, laat staan Floorke’s ankerplaats vertoonde, wendde men den -steven weer en voer in Noord-Oostelijke richting tot op zeventien -graden. Van daaruit werd de koers gesteld op de zeestraat tusschen -Mauritius en Réunion, ten einde een van die beide eilanden aan te doen. - -In die dagen had men den tweeden doode: Boutjens. De maats hadden zich -ook tijdens zijn laatste dagen weinig om hem bekommerd; het was Hajo -geweest, die hem elken morgen de warme koffie bracht en ’s nachts, -wanneer hij Boutjens hoorde kreunen, was opgestaan om een kroes water -voor hem te halen. Aanvankelijk keerde Boutjens zich grommend af, -wanneer Hajo naderde, en hij dronk pas, wanneer hij wist, dat de jongen -hem niet meer bespieden kon. Maar den avond vóór zijn dood tastte hij -met zijn vermagerde vingers naar Hajo’s handen en vroeg met zwakke, -schorre stem: „Waarom..... waarom doe je dat?” - -„Omdat je hier niet één vriend hebt, die je verpleegt”, zei Hajo. - -„Dan is het goed”, zuchtte Boutjens. „Ik dacht, dat je....!” En -Boutjens begon te huilen. „’k Heb zoo’n pijn, al dagenlang, en ze laten -me maar schreeuwen. Van morgen is de barbier bij me geweest en hij -heeft me over God en over de Hemel gesproken;—nou weet ik, dat ’t met -me gedaan is. Onder in m’n kist..... ik bedoel natuurlijk m’n -scheepskist.....” Boutjens stokte even „Als ik van m’n kist praat, zie -ik ’n doodkist voor me, maar daar grijp je op zee natuurlijk naast! -Onder in m’n scheepskist ligt een plank. Die kun je optillen; daar -heeft niemand verdacht op, zie je? Nou, onder die plank liggen dertien -zilveren guldens. Die geef ik jou; niemand anders mag er met z’n -vingers aankomen. Pas vooral op, dat Schieltjens Blauw het niet in de -gaten krijgt, want da’s een schurk.” - -Boutjens kreunde en zweeg eenigen tijd, hijgend van vermoeidheid. -Langzaam-aan werd zijn adem weer rustiger; hij sloot de oogen en -murmelde: „Wie z’n zonden berouwt..... is geen schurk.” - -Toen men hem den volgenden morgen overboord liet glijden, zag men onder -water den witten buik van een grooten haai glinsteren; met een ruk werd -Boutjens’ lichaam in de diepte gesleurd. Een kreet van afschuw steeg op -uit de groep mannen, die juist hun psalm beëindigd hadden. - -Toen den volgenden dag Zwarte Gijs, de brave smid, op dezelfde droevige -wijze van zijn talrijke kameraden afscheid nam, schoten drie haaien -toe. Hun instinct leidde hen op den goeden weg..... - -Zwarte Gijs liet in Enkhuizen twee dochtertjes na. In overleg met den -schipper besloot Hajo het geld, dat hij van Boutjens had geërfd, voor -de arme meisjes ter zijde te leggen. - -Ook de volgende dag vroeg zijn offer. Ditmaal deed men alles in stilte, -om de zieken in het vooronder niet onnoodig te herinneren aan..... wat -hun misschien allen te wachten stond. - -Na twee dagen kreeg men het Oost-einde van Réunion in het zicht, liet -het schip dicht langs den wal loopen en peilde. Eerst op veertig vadem -diepte raakte het lood grond: de kust was dus zeer steil. Niettemin -besloot Bontekoe het anker te laten vallen. - -Met bonzend hart vernamen de zieken in het vooronder het klapperen van -de ankerspillen en daarna den zwaren plons in het water. Eindelijk!! Ze -kwamen uit hun kooien het dek op kruipen en smeekten den schipper, aan -land te worden gezet. - -Bontekoe keek weifelend naar z’n arme kerels. Op deze steile kust kon -de Nieuw-Hoorn licht afdrijven, en dan zou men van de helft van het -volk gescheiden zijn. „Moed, mannen!” zei hij daarom. „We zullen de -boot eens aan land sturen, om te zien, of er wat te halen valt!” - -Terwijl de gezonde maats met het uitzetten van de jol bezig waren, -besprak Bontekoe in de kajuit met den koopman het verzoek van de -zieken. Rol verzette zich met hand en tand tegen het aan land brengen -van de zieken op een plaats, waar geen ankergrond was. En ofschoon -Bontekoe gebaarde, het niet met hem eens te zijn, moest hij zichzelf -bekennen, dat Rol gelijk had. - -Een kwartier later voer Bontekoe met twintig maats aan wal. Ze trokken -de boot een eindje het strand op, om te voorkomen, dat de opkomende -vloed haar zou wegsleuren, en begonnen hun onderzoekingstocht. Zelfs de -hooggespannen verwachtingen van Floorke, die reeds van verre allerlei -heerlijkheden meende te ontdekken, werden nog overtroffen. Vijftig -ellen het strand op stonden verspreide boomgroepen, in welker schaduw -zij honderden en nog eens honderden groote schildpadden vonden. Het -bosch achter de boomgroepen weergalmde van vogelgekrijsch. Opgewonden -baanden de mannen zich een weg door ellenhooge varens, kwamen toen op -een zonnige open plek met hoog gras, dat aan een zijde geheel was -platgetreden. In de verte klonk gestamp van hoeven; het scheen een -kudde runderen te zijn, die zich uit de voeten maakte. De maats liepen -in de schaduw van hooge boomen de open plek rond, gluurden overal -tusschen de stammen door, het loof in, waar schreeuwende parkieten -lustig om twijgjes duikelden. Hoenders vlogen met veel gedruisch voor -de voeten der oomes op en scharrelden tusschen wilde ananas-planten met -lak-roode hart-bladeren kakelend in het struikgewas weg. Groote, -blauw-grijze houtduiven gluurden door de takken omlaag en drukten in -een zacht: roekoe.....! verwondering uit over de onbekende twee-voeters -daar beneden. Het kostte den maats weinig moeite de argelooze dieren -met stokken vleugellam te slaan. Met ananassen, schildpadden en duiven -voor de kombuis keerde de jol naar het schip terug. - -De zieken lagen op het dek te wachten. Toen ze zagen, wat hun makkers -van het land meebrachten, smeekten ze Bontekoe opnieuw met gevouwen -handen, hen toch aan wal te willen zetten. Bontekoe beraadslaagde met -den koopman, of hij het wagen mocht. - -Rol schudde het hoofd. „Als vertegenwoordiger van de heeren -bewindhebbers moet ik me ten stelligste verzetten tegen een -waaghalzerij, waarbij het slagen van de heele reis op het spel wordt -gezet!” verzekerde hij. - -Bontekoe luisterde met nauw verholen drift. „Als vader van mijn maats -kan ik er niet toe komen, de arme kerels voor de haaien te gooien!” zei -hij toen. „En als de heeren bewindhebbers zich dat niet kunnen -voorstellen, moeten ze zelf maar eens als schipper een reisje naar de -Oost maken!” - -Rolf boog het hoofd. „Ik wensch vast te stellen, dat ik me verzet heb.” - -„Wil je ’t op schrift hebben?” vroeg Bontekoe schamper. En hij ging -naar de zieke oomes. „Jongens, help mekaar maar in de jol; ik zal je -aan land laten zetten.” - -„Leve de schipper! Hoy! Hoera!! Leve de ouwe!!” - -Of de kerels gauw in de boot waren! Bontekoe liet hun een zeil -meegeven, om daarvan een tent op te slaan, verder twee gezonde -koksmaats, olie, azijn, potten om in te koken, wapens en gerei. De -schipper stapte zelf met een dozijn roeiers in de jol om hen weg te -brengen. Hij wilde de vreugde der arme kerels mee beleven. - -Ze wisten van blijdschap geen raad. De tranen stonden hun in de oogen, -toen ze in het zachte gras bijeenkropen. „We voelen ons al weer half -gezond, schippertje!” - -De andere maats begonnen een nieuwen onderzoekingstocht, nu in een -andere richting. Men ving een kleine tweehonderd houtduiven, reeg de -vette dieren aan lange stokken en braadde ze voor zieken en gezonden. -Een feestelijke aanblik: al die knappende vuurtjes in de schemering. -Voorloopig, zoolang men niet wist, wat dit eiland herbergde, werd voor -alle zekerheid een wacht uitgezet. - -Aan boord zat men ook niet stil. Enkele schildpadden, door de maats -meegenomen van hun eerste landing, werden gekookt met gedroogde -pruimen, die nog in het ruim lagen. Dat smaakte! De oomes aten, tot ze -zat waren, smookten een pijpke, keken naar de sterren en vonden de -wereld nog zoo onherbergzaam niet. - -Drie uren na zonsondergang keerde de schipper met zijn gezonde mannen -terug. Bontekoe beval de boot niet in te halen: hij wilde er dien -zelfden nacht een eind de kust mee afvaren, om voor het schip een -ankerplaats te zoeken. - -Rolf klampte zijn oom aan. „Mogen we mee, oom? Hajo en ik?” - -„Deden jullie niet beter, naar kooi te gaan?” - -„Wij slapen toch niet, oom, zoolang de Nieuw-Hoorn nog geen kooi -heeft!” - -„Nou, vooruit dan maar!” zei Bontekoe glimlachend. - -„Mag ik u bedanken, oom?” - -Bontekoe liet een welwillenden blik over zijn neef gaan. „Wat heb je -gedurende de reis zooal uitgevoerd? Geluierd?” - -„Jawel, oom!” - -„Dacht ik al. De barbier zal wel opgesneden hebben. Hoeveel woorden -Maleisch ken je?” - -„Tjoemah sedikit sadjah, toewan. Tetapi saban hari saja adjar.” - -„Mm.—Wijs me op deze sterrenkaart de Tweelingen eens aan?” - -„Dat is Castor, oom, en dat is Pollux.” - -„Wijs ze me nou eens aan den hemel?” - -„Kan ik niet, oom.” - -„En waarom niet, domoor?” - -„Omdat we hier alleen de Zuidelijke sterrenhemel zien, oom.” - -„Goed. Maar waarom noemen ze ze de Tweelingen?” - -„Weet ik niet, oom. U wel?” - -„Neen, aap van een jongen, ik ook niet.” - -Rolf trok een zedig gelaat. „Kan ik gaan, oom?” - -„Ja, kras maar op!” - - - -Hajo sprong drie el in de lucht, toen Rolf hem vertelde, dat hij mee -mocht. „En de schipper gaat ook mee, zeg je?!” - -„Ja zeker.” - -„O, Rolf! Rolf!!” Hajo maakte een rondedans, waarop een Zoeloe -jaloersch zou zijn. - - - - - - - - -EEN NACHTELIJKE ROEITOCHT - - -Slechts het regelmatig plassen der riemen en het milde ruischen der -branding, die nauwelijks een branding was, vulden de nachtstilte. Geen -veegje wind; van zeilen kon geen sprake zijn. De kust werd moerassig; -slechts hier en daar blonk tusschen laag gewas en rottende -plantenslingers een stuk zand. Zonder klotsen schoof het deinende water -tegen het land op. Even geruischloos zonk het weer terug. - -Een enkele maal school de maan achter wat wolken. Dan schenen de -steltboomen daar verder op den oever donkere rotsmassa’s, die dreigend -overhelden, of ze kropen als monsterachtige, veelpootige larven over -het zand, en de grillig gevormde wortels, die zich in groezelig wirwar -voortkronkelden tot aan den boord van het water, werden venijnige -slangen, dreigden elk wezen, dat zich in hun bereik waagde, te zullen -omstrikken en wurgen. - -Men kwam aan een klein riviertje. Vergeefs trachtten de maats het op te -roeien: een wirwar van waterplanten spande zich voor den boeg en schoof -de boot weer achteruit. Aan de oevers massale, vreemdsoortige boomen; -de takken omstrengelden elkaar over het water heen. Zoo dicht was het -loof, dat men er geen duimbreed van den hemel door kon zien; de rivier -scheen als uit een donkere bergkloof te stroomen. Hier en daar -dwarrelden vuurvliegjes rond; enkele maats meenden in de boomen een -paar lichtende oogen te zien. Een luipaard? Bontekoe liet er op goed -geluk een schot op lossen. De uitwerking er van was verbijsterend: het -klonk als duizend musketschoten; het bosch weergalmde van doordringend -gekrijsch, vleugelgeklapper, brekende takken..... en naast de boot dook -een gekartelde staart uit het water op, glinsterend in het maanlicht, -en sloeg zwiepend weer neer, dat het water alle zijden uit spatte. - -„Een kaaiman”, zei de schipper en leunde over den bootrand. - -De maats waren kletsnat. „Verduiveld, ik dacht.....!”—„Ja, dat dacht ik -ook!” En de humor zegevierde alweer. „’k Had ’m best bij z’n staart -kunnen pakken!” roept de lolligste. - -„Nou, en dan?” - -„In ’t hondenhok leggen tegen de landloopers!” - -„Komaan, mannen, weer verder!” maant de schipper. - -Zwijgend roeien de maats weer door. Verduiveld, ’t is broeierig! Het -zweet druppelt van borst en schouders. Een-twee, een-twee.....! plassen -de riemen. Een groote vogel glijdt als een schim over het water, stoot -in het voorbijvliegen een klagenden roep uit. - -Allengs komen de ruwe varensgezellen onder den indruk van de -wonderen-zwangere stemming van den tropennacht. Ze zingen niet, ze -praten niet, ze luisteren beklemd naar den heet-hijgenden adem der -stilte. - -„Ssst!” fluistert Hilke Jopkins, die voorin zit. „Hou eens even in!” En -als de maats de riemen laten zinken, wijst hij op iets donkers, dat in -het water drijft. - -„’n Boomstam”, meenen de maats. - -„’k Zal eens kittelen, die boomstam!” zegt Hilke. „Dan zul je een -boomstam eens beenen zien maken. Haal de boot eens een slag om? Maar -kalm aan! Mag ’t, schipper?” - -Bontekoe knikt; de maats halen de boot om en sturen haar geruischloos -naar den „stam.” Hilke gaat op de plecht staan, heft in zijn lange -armen een spaan op en.....! Gekraak, hoog opspattend water, in het rond -vliegende stukken hout. Hilke klemt in zijn knuisten het laatste eindje -van een versplinterde roeispaan. De stam drijft nog,—is een heusche -stam. - -„Verdorie.....!” stamelt Hilke. „Ik dacht, dat ’t een krokodil was!” - -„Had ’t hem even gevraagd!” honen de maats. En Floorke meent: -„Misschien is het een slapende krokodil! Die beestjes hebben een -huid.....! Je kunt er vijf zagen op verknoeien, voor ze wat voelen! -Waar, schipper?” - -Bontekoe glimlacht. „Verder, mannen!” - -De oomes hebben schik en roeien nu, alsof het een wedstrijd gold. - -„Een oorlam voor jullie allemaal, als je dat drie uur volhoudt!” lacht -Bontekoe. - -„Makkelijk te verdienen, schipper!—Kijk, Hilke, daar drijft weer wat! -Zou je niet.....?” - -Hilke moppert wat. Zwijgend trekt men de riemen door het water. - -Ineens aarzelen de maats. In de verte gromt het. Dof. Geheimzinnig. Dan -is het weer stil. - -„Wat was dat?” - -„Sssst!” Opnieuw rommelt het. Een windvlaag koelt de bezweete ruggen -der oomes zoo snel af, dat ze onwillekeurig huiveren. „Onweer!” - -Niemand heeft bij het ingespannen roeien opgemerkt, dat de lucht aan -een zijde geheel met roet overtrokken is. Daar schuift juist een dikke -wolk voor de maan. - -„Wat zullen we doen, schipper?” - -„Aan je oorlam denken!” - -Pats! zeggen de riemen alweer. Een paar vogels fladderen met veel -misbaar uit de waterplanten aan den oever op. - -Het wordt steeds donkerder. Korte windvlagen snellen voorbij, doen de -bladeren der boomen geheimzinnig ruischen. „Hoe-hoe.....!” zucht de -eene windvlaag. „Hi-hai!” spot de andere. Geesten dwalen door de lucht. -Daar, onder die wortelnetten, hokken ze; ze fluisteren met elkaar als -de jol voorbijglijdt. Duister wordt het, angstwekkend duister. De maats -wachten, gejaagd roeiend, in innerlijke onrust op wat komen gaat. - -Flits! - -Hemel en aarde vliegen in brand. De zwarte wolken van daareven zijn nu -oogenverblindend goud, de stammen der boomen glanzende saffieren. In -hetzelfde oogenblik ratelt een slag, die de boot doet trillen; ’t water -schijnt zich te splijten; de maats grijpen zich aan de banken vast en -zien elkaar in de verschrikte, wijdgeopende oogen. Dan vlucht de -donder, gromt heel in de verte grimmig na. En als een vonnis slaat een -regen neer, die een zondvloed is. In lange, dikke pijpen schiet het -water omlaag. - -De maats schreeuwen dooreen; niemand, die een ander verstaat. Hoeft ook -niet. Allen weten, dat in korten tijd de boot zal zijn volgeregend. -„Naar de wal!” Dat is de gedachte, die hen beheerscht. Ze roeien als -dollemannen; dan, als wortels en planten het onmogelijk maken, duwen ze -met de riemen heftig af in den ondiepen grond. Ze springen aan wal, -trekken de jol half op het land. - -Dan hollen de kerels naar een reusachtigen boom en schuilen, nog wat -beteuterd, onder het bladerdak bijeen. Boven hun hoofden dreunt het -oorverdoovend concert van den fel neerslaanden regen. En ze staan er -nog geen vijf tellen onder, of het water heeft zich al een doortocht -gebaand, stroomt in goten en gootjes langs den machtigen stam omlaag, -vormt watervalletjes van blad op blad en stroomversnellingen langs de -schuine, harige takken. Wat zou het voor een boom zijn? De bladeren -zijn taai als leer en dik genoeg om er schoenzolen van te snijden. - -De maats krijgen schik in al dat dreunen, daveren, trommelen, spetten, -knarsen en piepen in duizend tonen; de kitteling van de dikke, vallende -druppen brengt hen in een roes. Ze trekken de kleeren uit, laten het -heerlijk verfrisschende water op de bloote huid kletsen en maken van -louter plezier malle sprongen en rondedansen. De regen schenkt -levenskracht aan boomen en planten; waarom dan niet aan een -Hollandschen janmaat? - -Rrrrèng!!! Verblindend licht, een slag, bestemd om de aarde te -splijten. De grond siddert onder de zweepstrieming; door het -regengeweld mengt zich het kermen van scheurend hout. Takken worden -links en rechts weggeslingerd, en uit een zwaren loofboom, twintig -passen van den boom waaronder de schipper nog met den bootsman staat, -ontvouwt zich..... is de duivel in het spel?..... een zwarte -sluiergedaante. Eén gedaante? Het zijn duizend, honderdduizend -dooreenkrioelende gedaanten, die zich, al tuimelend, schreeuwend van -elkaar losmaken en alle richtingen uitfladderen. Ze hebben den vorm van -vleermuizen, maar hun vlerken zijn zoo lang als Hilke’s armen. -„Kalongs!” schreeuwen de maats, die in Indië zijn geweest, hun -bibberende makkers toe. „Vliegende honden!” - -De boom, die nu blijkt geheel kaalgevreten te zijn, is van top tot stam -gespleten. De witte scheur lekt als een schrale, bleeke vlam den -inkt-zwarten hemel in. Groote stukken bast liggen overal in het rond. -En op den grond wemelt een zwarte hoop krijschende dieren dooreen, -vergeefs trachtend op te vliegen; wanneer er zich een, vlerkenklappend, -uit den hoop tracht los te maken, grijpen tien anderen hem met de -tanden beet. Floorke pakt er een achter den kop en houdt hem -zegevierend omhoog. Woedend spert het beest den bek open, slaat met de -vlerken. - -Intusschen rommelt het nog slechts in de verte. In het Westen teekenen -zich grillig gekartelde bliksemflitsen scherp af tegen de donkere -lucht, gloeien een oogenblik na als vuurpijlen en verbleeken dan -ineens. - -Plots houdt de regen op. Geen druppeltje valt er meer; slechts onder de -boomen spettert het nog. De maats kennen dat spelletje der tropen nu -langzamerhand.—Aandachtig bezien ze Floorke’s buit. „Laat eens vliegen, -Floorke?” - -Floorke werpt het dier de lucht in. Onzeker fladdert het weg, dreigt -aanhoudend over bakboord te zullen slaan: waarschijnlijk is een der -vlerken gewond. Het fladdert het strand nog over, tuimelt dan in het -water, krijscht en slaat hulpeloos met de vlerken. Een donkere gedaante -schiet toe, spert een afschuwelijken muil vol scherpe tanden open en -sleurt den kalong de diepte in. „Een verschrikkelijk land!” is de -verzuchting der maats. - -De dieren onder den boom zijn voor het meerendeel dood of gewond. Hajo -vindt er een, die met uitgestrekte, halfverschroeide vlerken op den rug -ligt; het heeft op de borst een jong zitten, dat zoo stevig zijn -nageltjes in moeders vacht gegraven heft, dat het Hajo niet lukt, het -beestje los te maken. Hij roept Rolf bij dit zonderlinge geval. - -„Dat doen onze gewone vleermuizen ook, Hajo! Ze dragen hun jongen met -zich mee.” - -Hajo krabt zich achter de ooren. „Nu begrijp ik eindelijk, waarom ik -nooit.....!” - -„Heb je soms naar de eieren gezocht?” vraagt Rolf. - -„Jawel!” zegt Hajo. „En gevonden ook. Maar toen ik ze door een kip liet -uitbroeden, kwamen er jonge eenden van!” - -Rolf lacht en Hajo ook.—„We moeten verder, mannen!” klinkt Bontekoe’s -stem. - -De boot wordt gekeerd en weer in zee geduwd. Verfrischt en uitgerust -springen de maats er in, stooten van den wal en heffen de riemen op. -Hoe harder men roeit, hoe vlugger de kletsnatte pakken zullen drogen! -De hemel wordt weer helderder; hier en daar gluren gele en witte -sterren tusschen de wolken door. - -Onder vroolijk gekout roeit men een uur achtereen. De zandstrook langs -de kust wordt allengs breeder.—In het Oosten begint de lucht zich te -verven. Oranje, karmijn, violet, alle kleuren druipen dooreen. Een -groote wolk slaat in brand; de vlammen lekken langs den onderkant. Op -het land laten vogelstemmen zich hooren. Krijschen, gillen, fluiten -kondigt den morgen aan. En ineens barst het zonnegoud te voorschijn; de -stralenbundels schieten alle kanten uit, kaatsen verblindend tegen de -wolken. De dauw, die over het water hing, trekt weg; het rumoer op het -land zwelt aan tot een oorverdoovend geschetter. Grijze, blauwe, roode, -zwarte, groene vogels fladderen om en in de boomtoppen. - -Het zal niet zoo drukkend heet worden als de vorige dagen: het onweer -heeft de lucht gezuiverd. De kerels worden hoe langer hoe opgewekter en -zingen een liedeke met het steeds weerkeerende refrein: - - - „Slaet den Speck op sienen neck! - „Slaet op den trom! Riekeldebom!” - - -De feestelijke morgen drupt als balsem in de ziel der mannen en doet -alle leed vergeten. - -En in eens, na een begroeide bocht te zijn omgeroeid, komt men in een -prachtige zandbaai! Het lood vliegt overboord. Allen vreezen, dat hier -voor de Nieuw-Hoorn geen water genoeg zal staan..... maar de lijn -schiet al maar door en..... verduiveld! vijf-en-dertig vadem is het -hier nog diep! Men roeit de baai met forsche slagen binnen, een baai -zoo goddelijk mooi, dat het hart der oomes licht als een veertje wordt. -Hier zal de schuit veilig liggen! „Wat zeggen jullie van die baai, -jongens?” - -„Om in je zak mee naar huis te nemen, schipper!” - -De maats roeien naar den oever, slepen de jol een eind het strand op en -tijgen op weg, in vreugdevolle afwachting van de duizend-en-een -wonderen, die ze te zien zullen krijgen. - -De eerste vondst is een groot binnenwater, tien scheepslengten verder -het strand op. Het is geheel doorschijnend; de zon doet den helderen -bodem blinken. „Wedden, dat ’t zoet water is?” vraagt Floorke. Hij bukt -zich, drinkt en spuwt vol afkeer alles weer uit. - -„Zeker brak, hè?” informeeren de anderen. - -„Hoe kom je er bij?” zegt Floorke „’t Water smaakt fijn. Proef maar -eens.” - -„Neen, als het zoo lekker is, willen we het jou niet afhalen,” -verzekeren de oomes. - -Wat verderop beginnen er een paar te schreeuwen. „Gommenikkie, wat een -visch! Wel honderd!” - -Allen hollen er heen. „Waar zijn ze nou?” - -„Weg natuurlijk!” is het spijtige antwoord. „Als jullie ook zoo -stampen.....!” - -„Hoe zagen ze er uit, Gevert?” vraagt de schipper. - -„Bruin, schipper! Met lange streepies. En van onderen wit, waar, -Rooie?” - -„Ze bennen wel een el lang!” verzekert „Rooie”. - -„Daar gaat er weer een!” Met snelle, sierlijke wendingen schiet een -visch voorbij, die vrij juist aan Geverts en Rooie’s gezamelijke -omschrijving beantwoordt. De rug heeft een mooien staalglans, en nu het -dier zich even op zij werpt, flitst een zilveren buik. Floorke stapt -voorzichtig het water in, gaat voetje voor voetje op een visch toe, die -iets verderop in het water staat, roerloos als een snoek..... Floep! -Weg is onze waterbewoner. - -„Je hadt ’m zout op z’n staart moeten leggen!” grinniken de oomes. - -„Praat me niet van zout!” gromt Floorke, terwijl hij nog eens spuwt. -„Wat was het voor een visch, schipper?” - -„Het leek me een harder toe”, zegt Bontekoe. „We zullen straks, als de -Nieuw-Hoorn geborgen is, eens een net door het water halen!” - -Men loopt het binnenwater om. Het is wel een kwartier lang gaans. - -„Heila! Kijk daar eens!” Verbluft staan de kerels stil. Uit de boschjes -aan den overkant komt deftig, met afgemeten schreden, een roze-roode -vogel stappen. Hij staat bijna een el hoog op de pooten, torst op een -langen, dunnen, hoekig gebogen hals een zwaren, krommen snavel. Nog -twee komen te voorschijn, dan wel een dozijn, half fladderend, met -groote, luchtige schreden. Alle blijven onverwachts staan, wenden de -koppen in de richting der schepelingen en stooten in een schorren kreet -verwondering uit, waarop de zonderlinge, roze steltgangers bij -tientallen tegelijk de boschjes uitkomen en, als ze Bontekoe en zijn -mannen ontdekt hebben, al even verbaasd zijn. Maar lang duurt bij de -meeste de verwondering niet. Ze plukken zich ijverig de veeren, waarbij -ze hun hals in allerzonderlingste bochten wringen, schrijden waardig -het strand over en, bij het brakke binnenwater gekomen, steken ze er -even onversaagd hun kop in als Floorke daarstraks. Maar in het visschen -zijn ze gelukkiger: hier en daar heeft er al een iets spartelends in -den snavel. - -„Flamingo’s!” zegt Bontekoe. - -De vogels doen nauwelijks een poging tot vluchten als de mannen—na de -bocht geheel omgeloopen te hebben—naderen. Ze loopen kalmpjes, met -statig poot-opheffen, een eindje het water in, gunnen zich daarbij den -tijd om onderweg een vischje te pikken en het, met opgerichten snavel, -door den langen hals te doen glijden. Hajo besluit er een mee te nemen, -voor Doris. Maar wat zou hij het beest te eten moeten geven? - -„Vischjes, garnalen, krabbetjes.....”, meent Rolf. - -„Nou”, zegt Hajo, „we gaan er mee naar de haven, dan kan hij zelf -vangen, wat hij wil. Wat zullen de jongens opkijken! Ze zullen denken, -dat ik hem zelf heb rood geverfd!” - -Men verlaat het strand. Ook hier liggen aan den boschrand, in de -schaduw der boomen, tallooze groote schildpadden. „Er wonen hier vast -geen menschen”, meent Hilke. „Anders zouden de dieren wel schuwer -zijn!” - -Zonder veel moeite baant men zich een weg door het lage hout. -Orchideeën hangen aan de stammen; heur sierlijke bloemen glanzen in het -halflicht onder het loof wonderlijk mooi tegen het donkere hout. De -meest zonderlinge gewassen groeien dooreen: er zijn sterk behaarde -struiken met groote, saprijke bessen; lage boompjes, die, in plaats van -op een stam, op wel vijftig stelten staan; de vruchten zitten als -druivetrossen bijeen. En overal tusschen de boomen schieten hooge -varens op, die hun bladeren, als groote handen met lange, spitse -vingers, den oomes beschermend boven het hoofd houden. Duizenden -kleine, bontgekleurde vogeltjes hangen schommelend aan de -vruchtentrossen, wippen fladderend en duikelend van twijg op twijg, -zonder hun keeltje ook maar een oogenblik rust te gunnen. Er zijn er -met heel lange, sierlijke staarten; er zijn andere, die een dikken bef -om den hals dragen als deftige raadsheeren; er zijn er met dunne, -spitse snavels, wel zoo lang als het heele lichaampje, en weer andere -met een zwierigen kuif op den kop, echte minstreels en verbazend met -zichzelf ingenomen. - -Heel dit kleine volkje legt een haast en een ijver aan den dag, alsof -er in de wereld niet anders te doen valt dan honing snoepen! En niet -één laat zich in z’n hoogst gewichtigen arbeid ook maar in het geringst -door de komst der oomes storen. De papegaaien met hun vlam-roode -staarten draaien nieuwsgierig den kop en krijschen hartverscheurend. -Soms vliegt er in eens een vlucht schetterend op en pakt met heidensch -kabaal de biezen. - -Men komt aan een smal, snel vlietend stroompje, dat van de bergen -Zuidwaarts in zee uitloopt. Het water is helder en smaakt heerlijk. De -mannen loopen den oever een eindje langs en zien dikke palingen over -den bodem kruipen! En plots slaan allen van verrassing de handen ineen, -als een koppel vette ganzen, die van plan zijn een bad te nemen, -giegegaggelend uit de struiken komt zetten. „We gaan hier nooit weer -weg, schipper!” roepen de maats opgewonden. - -De Neus heeft een gans beet gepakt en het schreeuwende dier zonder veel -omslag den nek omgedraaid. Voor de kombuis! Maar dan moet hij vlug -maken, dat hij wegkomt, want de makkers van het blank gepluimde -slachtoffer komen sissend, waggelend, met kleppende vlerken en wijd -opengesperden bek op hem af. - -Ook de andere maats springen bedachtzaam ter zijde. „Mannen!” zegt -Bontekoe, „we zullen nu terugkeeren en het schip in de baai brengen. -Het zal hier zoo ongeveer vijf mijl vandaan liggen; we kunnen vanmiddag -hier dus weer terug zijn en nog voor een goed maal zorgen.” - -En zoo keeren de maats weer om naar het strand, waar de flamingo’s, -wier getal intusschen tot honderden is aangegroeid, hen schreeuwend -welkom heeten. - -„Nou zul je eens wat zien!” voorspelt Floorke. Hij schreeuwt, klapt in -de handen en rent zoo op de vogels af, die thans verschrikt de vleugels -openen. En de oomes krijgen zoo iets wonderlijk moois te zien, dat hun -monden ervan openvallen. Het is een veld vol pioenrozen in knop, dat -eensklaps al zijn roze-roode kelken opent en als een heerlijke -bloemenweelde ten hemel stijgt. - -„Heb ik te veel gezegd?” bluft Floorke. - -Maar de maats antwoorden niet, staren sprakeloos naar boven, tot de -halzen hun pijn doen. Dan springen ze in de boot en roeien weg. - -Naar de zon te oordeelen, kan het een uur of acht in den ochtend zijn. -Er is wat wind gekomen; tot groote vreugde van allen kan het zeil -geheschen worden. Het blanke doek bolt danig; men hijscht uit louter -plezier de vlag, die in het achterkastje ligt opgeborgen. In de -allergemakkelijkste houdingen, die ze maar bedenken kunnen, liggen de -oomes door mekaar, brullen telkens van pret, wanneer de boom over hun -hoofden scheert, laten hun vingers door het frissche, stralend blauwe -water slieren, spreken opgewonden over hun avonturen van den verloopen -nacht en over wat straks komen gaat. En ze jammeren in koor hun -gansche, uitgebreide répertoire scheepsliedjes uit—het eene nog -treuriger dan het andere. - -Want vroolijk zingen doet een Hollandsche janmaat, wanneer hij wat -verzetten moet. Gaat alles voor den wind, zooals op dien heerlijken -morgen, dan is geen wijsje hem treurig genoeg. - - - -Zeven uren later lag de Nieuw-Hoorn aan beide ankers veilig gemeerd in -de baai, die zwijgend, maar met algemeene stemmen: de Flamingo-baai was -gedoopt. - -De zon brandde. - - - - - - - - -DE HOREN DES OVERVLOEDS - - -Dat werd een feest! Je hoefde de handen maar uit te steken, en je hadt -wildbraad zooveel je maar wilde, jongens! Zes man gingen er met den -zegen op uit en trokken dien door het brakke binnenwater. In een -ommezien hadden ze het net vol. - -Harmen, Rolf en Hajo gingen naar het riviertje, waarin het van vette -paling wemelde. Voorzichtig liep Hajo het water in om ze te grijpen, -maar de dieren glipten hem tusschen de vingers door. - -„Ik weet beter!” zei Harmen. „We trekken onze hemden door het water!” -Hij trok z’n hemd uit, legde er een stevigen knoop in. - -„Je mag er nog wel een paar knoopen in leggen”, meende Rolf. - -„Vanwege die paar scheurtjes?” vroeg Harmen geringschattend en -stekelig. „Geef me jouw hemd ook, Hajo. Dan doen we er dat overheen!” - -Bereidwillig stond Hajo zijn hemd af. Toen was er geen doorgang meer -voor het kleinste palinkje. En met veel succes werd het „net” door het -beekje getrokken. Harmen had de pijpen van zijn broek om z’n kuiten -dichtgebonden, ten einde dit nuttige kleedingsstuk als bewaarplaats -voor de palingen te kunnen aanwenden. „Ze bijten niet!” stelde hij zijn -makkers gerust, terwijl hij de kronkelende, glibberige dieren weg liet -glijden. Eindelijk spande de broek aan alle zijden en deinde -geheimzinnig op en neer. „’n Rot gevoel!” bekende Harmen. - -Andere maats waren ter duivenvangst getogen. De mooie, grijsblauwe -vogels werden zonder de geringste moeite bij dozijnen buitgemaakt. Het -was hartroerend te zien, hoe de makkers der arme gevangenen hun leven -waagden om ze te bevrijden. Ook de papegaaien en de parkieten kwamen -dapper voor hun soortgenooten op, vlogen krijschend om de hoofden der -mannen heen, die een kromsnavel hadden weten te bemachtigen. Een enkele -oome werd dan ook wel eens benauwd en liet zijn prooi weer los. Ze -konden zoo gemeen bijten! - -Padde was te opgewonden om zich tot een enkel ding te kunnen bepalen. -Hij verscheen overal ten tooneele waar zijn hulp niet verlangd werd, -liep boos weg, wanneer hem daarop gewezen werd, kwam weer terug en -bepaalde zich overigens tot aanmerkingen maken op wat anderen deden. -Intusschen bleef hij voorzichtig als een ekster, steeds gereed in een -boom te springen, wanneer zijn ongelukkig gesternte hem in de buurt van -een leeuw of koningstijger zou voeren, en hij ontweek elken stam, -waarachter zich een menscheneter verdekt zou kunnen hebben opgesteld, - -„Wat doen jullie daar?” vroeg hij aan de maats, die de opdracht hadden -om de leege watertonnen uit het riviertje te vullen. - -„Water innemen! Om de tanden te poesse! Help maar ’n handje!” - -„Nemen jullie nou al water in?? We gaan toch nog lang niet weg!” - -„De bootsman heeft ’t gezegd. Voor de rest hebben wij d’r niks mee te -maken.” - -„De bootsman is stapelgek”, verzekerde Padde. - -De oomes keken bij die vermetele woorden uit den mond van dat -botteliersmaatje, dat nauwelijks droog achter de ooren was, verbaasd -op. Padde stak de borst vooruit om te laten zien, dat hij er de vent -niet naar was, een eens gesproken woord terug te nemen. - -„Zeg dat eens waar de bootsman bij staat? Ik heb je nog nooit zien -aframmelen.” - -„Je hebt de bootsman zeker óók nog nooit zien aframmelen?” vroeg Padde. -Toen draaide hij zich hooghartig om. Met open mond keken de oomes hem -na. - -Padde toog naar het strand, waar een stelletje maats bezig was met het -vangen van schildpadden, een weinig spannende jacht, daar de logge -reuzen niet de geringste poging tot vluchten deden, er zich toe -bepaalden kop en pooten in de hoornen vesting onder te brengen. Men -keerde ze met stokken om en sleepte ze weg naar de plaats waar Bolle de -kombuis had opgeslagen. - -Padde besloot om op z’n eentje aan het werk te tijgen. Maar terwijl hij -het zware dier, dat hij zich als slachtoffer had uitgezocht, trachtte -om te wentelen, ontdekte Padde onder den schildpad een gat in het zand, -en in dat gat lagen tallooze kogelronde eitjes, zoo groot als die van -een duif. Onze botteliersmaat begon te schreeuwen als een mager varken. -„Kom eens hier! Kom eens kijken!!” - -De maats renden toe en waren even verbaasd als Padde. Maar Gerretje, -een oome met een langen hals en daarop een rond hoofd als een kegelbal, -had al tweemaal Bantam en Sumatra gezien, griste zonder veel omhaal van -woorden de eieren uit het gat en borg ze in zijn muts. - -„Geef hier!” riep Padde. „Die eieren zijn van mij!” - -„Blijf er nog maar wat bij wachten,” ried Gerretje hem aan. „Hij legt -er nog wel net zooveel bij!” Gerretje’s bewering klonk wat kras, en ze -was het ook. - -Padde geloofde er geen duit van. En om dat te bewijzen gaf hij -Gerretje, die zich juist grinnikend boog over het laatste handje-vol -eieren, een fermen slag op de volle muts. Toen spoedde hij zich haastig -voort, terwijl Gerretje raasde en tierde en zich de klodders eierstruis -uit nek, ooren en oogen trachtte te werken. Boos en verdrietig was -Padde. Hij nam zich voor, bij den schipper zijn beklag te doen. - -Maar terwijl de arme jongen nog overal naar Bontekoe zocht en op -behoorlijke zeemansmanier door de oomes van het kastje naar den muur -werd gestuurd, zag hij schuin tegen een boom een pot staan. Er waren -kerven in den stam aangebracht en daaruit droop een dik, wit vocht -omlaag, juist in den pot. Het zag er niet onsmakelijk uit. Padde rook -eerst eens, doopte toen vol vertrouwen duim en wijsvinger in den pot en -likte ze af. Het vertrouwen werd beloond: Padde stelde vast, dat de -witte, dikke vloeistof erg zoet was, en daar Padde alles wat zoet was -lekker vond, doopte hij nogmaals zijn vingers in den pot en, al -likkende en slikkende, groeide in hem onwrikbaar het plan, om niet te -rusten, vóór de bodem van den pot aan het daglicht onthuld was. - -Maar onverwachts regende het harde noten op zijn hoofd en schouders, en -uit de hoogte, van onder de lange, gevederde bladeren van den gekerfden -suikerpalm, schreeuwde de Neus: „Beroerde kerel, dat je bent!” - -Padde blikte, star van schrik, omhoog. Eerst toen hij zeker wist, dat -het slechts de Neus en geen menscheneter was, die zich daar onder het -bladerdak verscholen had, vond hij zijn kalmte terug. „D’r is voor geen -duit smaak aan!” verklaarde hij. - -„Blijf er dan af met je gap-jatten!” - -„Als je nog een woord zegt, trap ik de heele boel om!” verzekerde -Padde. En om te bewijzen, dat hij niet gauw in zijn schulp kroop, stak -Padde pardoes zijn heele vuist in den pot. - -„Wel sapperloot.....!” was al wat de Neus er nog kon uitbrengen. - -Padde ging, al likkend, zijns weegs. Ja, zoozeer was hij in dien zoeten -arbeid verdiept, dat hij niet eens merkte, hoe een groote wesp, -eveneens aangetrokken door den geur van het palmvocht, zich onder tegen -zijn hand zette. Maar plotseling voelde Padde een hevigen steek; hij -slingerde het gevleugelde monster van zich af, schreeuwde, of hij -vermoord werd, en stak bijkans zijn hand in den mond om de pijn weg te -zuigen. Maar het gekwetste lichaamsdeel zwol op als een varkensblaasje. - -Padde’s stemming daalde tot levensmoeheid. Ten slotte zocht en vond hij -vergetelheid in het bergstroompje. Hij vulde zijn mond met water, ging -toen op zijn rug drijven en speelde walvisch door zijn vingers op de -lippen te leggen en het water door een spleetje omhoog te spuiten. Hij -wilde ook duiken, sprong van een overhangenden tak het water in, maar -kwam onzacht neer op zijn maag. Daarom gaf hij het zwemmen op. - -Een half uur later kon men hem met een paal zien sjouwen met een bordje -er aan, waarin letters waren gegrift. „Lees dat eens, Vader Langjas!” -zei hij, terwijl hij den barbier, die kruiden aan het zoeken was, het -bordje onder den neus duwde. - -De barbier zette, verrast, zijn bril op. „Ick, Adriaen Maertsz. Block, -commandeur van.....!—Dat zullen we de schipper eens laten zien! Hoe kom -je er aan, Padde?” - -„Gevonden!” zei Padde. „Ik dacht wel, dat het letters waren; daar heb -je een pee, zie je wel? Nou, wat staat er nou op?” - -„Wel, vrindje, hier staat.....”—en Vader Langjas zette zijn bril -recht—„hier staat, dat Adriaen Maertsz. Block in het jaar onzes Heeren -1612 met dertien schepen op dit zelfde eiland is geweest. Hij heeft op -de kust eenige manschappen verloren, doordat een paar sloepen in de -branding zijn stukgeslagen. Je hebt natuurlijk wel van Adriaen Maertsz. -Block gehoord?” - -„Jawel”, zei Padde. „De schipper van de Hoornsche Zon heet Blok.” - -„Zoo.....” weifelde Vader Langjas. „’t Is een admiraal, weet je? Op de -Afrikaansche kust heeft hij met dezelfde dertien schepen, waarvan hij -hier spreekt, een Spaansche vloot verslagen.” - -„Merakel!” verklaarde Padde. „En dan te bedenken, dat hij nou met z’n -smerige tjalk als beurtschipper vaart op Stavoren!” - - - -Men hield dien middag een feestmaaltijd. Duiven en ganzen werden aan -het spit gebraden en daarbij met schildpadvet bedropen, zoodat ze -glommen en mooie bruine korstjes kregen. Bolle bereidde voor zichzelf -een flamingo, waarvan hij alleen de dikke vleezige tong, die den -ganschen ondersnavel vult, verorberde. Naar Bolle’s gezicht en zijn -genoegelijk smakken en vinger aflikken te oordeelen, moest een -flamingo-tong een bijzondere lekkernij zijn; veel maats namen zich -voor, om den volgenden dag ook eens zoo’n rood gepluimden gast bij den -staart te pakken. Palingen en andere visschen zwommen eerst in sissend, -pruttelend vet en daarna in de hongerige magen der avonturiers. Een -berg van heerlijke vruchten lag opgestapeld om er den maaltijd mee te -besluiten, en bovendien had Harmen een geweldige pudding gemaakt van -meel, met schijfjes ananas, kokosmelk en bessensaus. - -Tijdens den maaltijd, die driemaal langer duurde dan anders, viel de -schemering in. Het licht der lustig dansende vlammen der spitvuren werd -als een feestelijke oproep verstaan door een leger gevleugelde -insecten: uit hoeken en gaten kwamen ze aansnorren, en ze zoemden zoo -lang boven de vlammen, tot ze er met verschroeide vlerkjes in -tuimelden. - -Men sloeg tenten op voor den nacht. Hajo, Rolf en Padde hadden samen -ook een stuk zeildoek weten te veroveren, spreidden dekens uit op den -grond, verhoogden het hoofdeinde van hun leger met zacht gras en -voelden zich in een paleis. - -De oomes, die hun tent klaarhadden, staken een pijpje op en keken naar -de sterren. Harmen haalde zijn „fiool” en speelde om beurten met Hajo, -en de oomes wisten haast niet, wie mooier speelde. - -Zoo kwam de nacht. Hier en daar verdwenen er al in hun tent; het lachen -en praten verstomde; Hajo en Padde, die bij mekaar waren gekropen, -hoorden niets meer dan het tsjirpen van tallooze krekels, het snorren -van een nachtvlinder, een enkel krijsch-geluid daar ver weg in het -bosch, verstervend in duizend echo’s..... - -Rolf had uit een stukje blik, een tinnen kroes, wat schildpadvet en een -wollen draad uit zijn sok een lamp samengesteld en bestudeerde bij het -walmende lichtje de torren, kevers en vlindertjes, die hij in den loop -van den middag voor dat doel gevangen had. - -Hajo kauwde op een grashalmpje, de handen onder het hoofd gesteund, de -oogen gesloten. Padde lag op zijn rug naar de maan te turen. - -„Hajo?” vroeg Padde zacht. „Hoelang zijn we nou al uit Hoorn weg?” - -„Hoelang? Een..... een half jaar zoowat.” - -„’n Half jaar.....!” zuchtte Padde. „Ik zie me nog op Gerrits kooi op -den steiger zitten! Waar is Gerrit nou?” - -„Daar, vlakbij; ik heb hem op de onderste tak van die boom -gezet.—Gerrit!” - -„Ka!” schreeuwde Gerrit verschrikt en slaapdronken. Hij maakte even een -beweging, als wilde hij van den tak fladderen, waarop hij zat, bedacht -zich toen wijselijk, keek zijn meester weemoedig aan, slikte iets weg -en borg resoluut zijn zwarten kop weer tusschen de veeren. - -„Wel te rusten”, zei Hajo. - -Padde staarde afwezig voor zich uit. „Ik zie me nog op Gerrits kooi -zitten”, herhaalde hij. „’t Was zoowat bij de twintigste paal van de -hoofdtoren af.—Zeg, Hajo, zou jij de weg nog op een prik kennen, als we -terugkomen?” - -„Stel je voor! In ’t pikkedonker nog wel! Padde.....! Willen we eens -een wandeling..... door Hoorn maken? Hè?” - -Padde begon te grinniken. „Mij best! Hoe gaan we? Van de Appelhaven -uit?” - -„Neen, we zijn in de Bagijnesteeg! ’t Is avond; we hebben al gegeten en -jij bent het zoldervenster uitgeklommen, de goot door, toen over het -kippenhok en door het hofje naar buiten.” - -„Wat gaan we doen?” vroeg Padde opgewonden. „Appels rapen? In ’t -Sinte-Clarens?” - -„Ja! We gaan eerst het Gerritsland af!” - -„Daar heb ik nog vijf knikkerkuiltjes!” zei Padde. „Daar spelen de -anderen nu mooi weer mee! De knikkertijd is net begonnen.” - -„Nou, laat ze maar knikkeren, hè Padde? Die tijd hebben wij gehad.” - -„Natuurlijk!” zei Padde. „Hoogstens tollen, dat zou ik nog weleens -willen doen.” - -„Ja. Tollen is leuk”, gaf Hajo toe.—„Nou, we loopen om de Groote Kerk. -Zouden de steigers er nog staan?” - -„Vast! De Groote Kerk, da’s net als met de toren van Babel,—die komt -nooit af.” - -„Nou, zouden we dan liever niet wat in de steigers klimmen, in plaats -van naar ’t Sinte-Clarens? Sproeten-Harm klimt je toch niet na!” - -„’k Heb juist zoo’n trek in appels!” zei Padde, die een afkeer van -klimmen had. - -„Vooruit dan maar! Zou de poffertjeskraam van Geert Oliekoek en Mietje -Majoorske nog bij de kerk staan?” - -Hajo bootste een krijschende vrouwenstem na: „’n Duit ’n oliekoek, -jongens! Geert heit ze zelf gebakken!” - -„Hè-hè-hè!” grinnikte Padde, terwijl hij z’n dik buikje vasthield. -„Hè-hè-hè!” - -„Ach, ’t is toch ’n arm, zwak menschje”, zei Hajo. „Ik had vaak met -haar te doen!” - -„Dat dacht je maar, dat ze niet sterk is!” meende Padde. „Vraag Geert -maar eens; die loopt altijd met builen!” Padde trok z’n beenen in, -sloeg er de handen omheen en zei: „Vrouwen zijn tangen.” - -„Wat een onzin!” - -„Onzin? Denk maar eens aan Wouters vrouw, die lieve Leentje!” - -„Goed”, moest Hajo toegeven. „Maar als je nou weer m’n moeder -neemt.....!” - -„De goeien niet te na gesproken!” zei Padde. „Mijn moeder is ook een -beste, hoor!” - -„Nou juist! En mijn zusjes zeker niet! Antje! En Maartje! En Truitje! -En Sijtje!” - -„Meisjes zijn altijd lief”, verzekerde Padde. „Maar later worden ze -tangen. Ik ken d’r maar eentje, die haar leven lang ’n beste meid zal -blijven!” - -„Wie dan? Truitje Cannegieter?” - -„Die?! Die wordt een helleveeg.” - -„Als jij maar geen helleveeg wordt! Wie bedoel je dan? Lotje -Scheelzwam?” - -„Praat me dáár niet van”, zei Padde. „Als die eenmaal getrouwd is, kun -je ze met een tang in het vuur houden, onder water stoppen, weer -uitwringen en op de bleek over een lijntje te drogen hangen, en dan zal -ze nog haar groote mond niet houden! Raai maar niet, want je weet toch -niet, wie ik bedoel.” - -Maar Hajo gaf het niet op. „Jansje Bezem dan soms? Uit de -Hanekamsteeg?” - -Padde werd vuurrood. „Laten we maar weer doorloopen!” stotterde hij. -„We moeten nou de Botermarkt over!” - -„Ik heb je in de gaten”, meende Hajo. - -Padde blies als een kalkoensche haan. „Gaan we nou, nee of ja!” - -„Goed”, zei Hajo lachend. „En dan de Gouw en de Turfhaven langs.—Nou, -dan zijn we bij het klooster. Kijk jij eens, of er een nachtwacht in de -buurt is?” - -„Wel neen! Je hoort Joris op een kwartier afstands al aankomen. Hij zal -wel ergens maffen!” - -„Nou, ga dan maar op m’n rug staan! Kun je?” - -„Ik zit al”, zei Padde. „Ziezoo, nou zit ik op het muurtje en spring de -tuin in. Verdikte, wat zijn de appels dit jaar groot! En vol, dat de -boomen zitten!” - -„Ik ben al bij je, Padde! Ziezoo, nou maar voorzichtig-aan.” - -„Mmm! Wat zijn ze lekker!” Padde smakte met de lippen. - -„Eten kunnen we ze straks wel, Padde! Hoeveel heb je er al?” - -„Mijn zakken zijn al stampvol.” - -„De mijne ook! Ga maar weer op m’n rug staan, dan piepen we ’m!” - -„Ik zit al weer op het muurtje. Allemachies, daar komen Joris en Kale -Dries aan!” - -„Verjoppie! Zoo, hoepla, ik ben er ook al overheen. Loopen, Padde! -Loopen!” En de beide jongens stampten met de voeten op den grond, om -aan te duiden hoe hard ze vluchtten. „Loopen! Ze krijgen ons nooit! -Hoor je Kale Dries razen en schelden?—Ziezoo, nou geven ze het op.” - -„Was me dat sjouwen.....” zuchtte Padde. „Wat doe je nou met je appels, -Hajo?” - -„Ik bewaar er een paar voor Doris en m’n zusjes.” - -„Dat doe ik ook. Ze krijgen er allemaal twee. ’t Moeilijke is voor mij -om de appels in huis te smokkelen zonder dat m’n moeder het merkt! Ze -zit natuurlijk nog te naaien, hè?” - -„Ja”, zei Hajo in nadenken. „Zeg, Padde..... wat breng jij voor je -moeder mee?” - -„Ikke? Een kleedje voor Zondags op tafel; het onze is op de hoeken zoo -gesleten,—je zult het ook wel gezien hebben. En een koperen test wil ik -koopen, zoo een als we vroeger in de stoof hadden vóór vader ’m.....! -Denk je, dat ik voor m’n vader wat meebreng? Nog geen knoop voor z’n -broek. Maar Margje en Annetje moeten een nieuw schort hebben, en m’n -moeder ook, want ze heeft vreeselijk het land aan die gestopte Rommel. -’k Zal zien of ik er een met ’n randje kan krijgen, net als vrouw -Schimmel uit De Gouden Gaper draagt. Nou, en een voetenzak heeft m’n -moeder ook noodig, als ze ’s winters zit te naaien. Ze zal er voor -zichzelf nooit een maken, weet je? En drie jaar geleden heeft ze het -slotje van haar bloedkoralen kettinkje, dat ze altijd voor de kerk -omhad, verloren. ’t Was echt zilver! Ik weet niet of ik genoeg zal -hebben voor een nieuw slotje. Ik mag het lijden! Nou, en dan zijn de -gordijnen zoo gerafeld, weet je, ’t is een schande voor de buren, en in -de mooie kast zitten wormen. Zou je ze niet, de sallemanders?—Wat koop -jij voor je moeder?” - -„’t Mooiste, wat ik zie! Misschien wel een nikkelen olifant om aan de -lamp te hangen! Of een glazen bol met een landschap of een zeegezicht -er in. Voor Doris breng ik een flamingo en een aap mee!” - -„Nutteloos goed”, meende Padde. „Weet je wat je moeder hoognoodig -heeft? ’n Doordeweeksche rok!” - -„Natuurlijk”, haastte Hajo zich te verklaren, „’n rok neem ik ook mee. -Liefst een met zilverdraad bestikt, zooals die dame, weet je wel, uit -dat paardenspel? Zeg, Padde, ik zie ons samen al weer in Hoorn -terugkomen! Jij met je zilveren slotje en ik met m’n olifantje voor de -lamp en m’n apen en m’n flamingo! Ik ga regelrecht naar huis! En jij?” - -„Ik zeker niet?!” En Padde zuchtte diep. - -Er heerschte lang stilzwijgen. Plotseling viel het Hajo op, dat Rolf -gedurende hun heele gesprek gezwegen had. Hij schoof wat naar hem toe. -„Laat eens kijken je torretjes, Rolf?” - -Rolf knikte zwijgend. Maar plotseling keek hij met verschrikte oogen -naar de insecten, die hij vóór zich op zijn helder witten zakdoek had -neergezet, en bedekte ze snel met de handen. - -Te laat: Hajo had reeds gezien. Op den zakdoek lagen niets dan -uitgetrokken pootjes en vlerkjes en mismaakte, in een kringetje -rondkruipende lichaams-stompjes. „Waarom heb je dat gedaan, Rolf?” -vroeg Hajo zacht en verbaasd. - -Rolf was bloedrood geworden. „Ik heb het..... gedachteloos gedaan.....” -stotterde hij. „Ik heb naar jullie geluisterd en.....” Rolf keek met -opeengeperste lippen een anderen kant uit; een groote traan blonk in -zijn oogen. - -Toen bekroop Hajo een warm gevoel van medelijden. Hij legde zijn arm om -Rolfs schouder en zocht naar woorden om zijn makker van het smartelijk -eenzaamheidsgevoel te bevrijden, waaronder hij leed. - -Maar Padde had de verminkte diertjes nu ook gezien. - -„Neen maar!” zei hij verontwaardigd. „Die arme beestjes de vleugels uit -te trekken! Ze moesten jou eens zoo te grazen nemen!” - -„Laat me!” siste Rolf. Hij duwde Padde heftig en ruw ter zijde, sprong -op, schudde zijn zakdoek met een gebaar van afschuw uit en verdween met -groote schreden tusschen de boomen. - -Padde vond zijn spraak terug, na Rolf even verbouwereerd te hebben -nagekeken. „Leelijke dierenbeul!” schold hij. En toen tot Hajo: „Eerst -die beestjes martelen en dan mij een stomp geven! ’n Mooie vrind heb -jij! Kom, laten we maar gaan slapen!” - -„Ga jij maar”, zei Hajo. „Ik blijf nog even op.” - -„Wou je soms nog op ’m wachten ook?!” - -„Ga nou maar, Padde.” - -Padde werd nijdig als een spin. „Besjoer!” zei hij vinnig. En hij -verdween in de tent. - -Hajo wachtte. Duizend dingen spookten hem door het hoofd. Nu, in dezen -geheimzinnigen tropennacht vol sterrenglans en krekelzang, geloofde -Hajo voor het eerst in zijn leven den vollen omvang van zijn geluk te -beseffen. Hij beloofde zichzelf, zijn moeder nooit weer verdriet te -berokkenen. En voor Rolf wilde hij altijd een goed kameraad zijn. - -Toen een tak kraakte, schrikte hij uit zijn overpeinzingen op. Hij zag -tot zijn verwondering, dat allen reeds in hun tenten waren verdwenen en -de kampvuurtjes nog slechts smeulden. Daar stapte Rolf uit het groen te -voorschijn, wilde zich met gebukt hoofd naar de tent begeven. - -„Rolf!” riep Hajo zachtkens en sprong overeind. - -Rolf hield zijn schreden in, zag Hajo met groote, verbaasde oogen aan. -„Ben je nog niet gaan slapen?” - -„Ik heb op jou gewacht.” - -Rolf bleef roerloos staan. Zijn in het maanlicht toch al bleek glanzend -gelaat scheen nog bleeker te worden. Hij kwam op Hajo toe, drukte hem -zwijgend de hand. - -„Kom”, zei hij toen. „’t Is al laat.” - - - - - - - - -VREEMDE BEESTEN - - -De volgende dag bracht tal van avonturen. - -’s Morgens namen onze vrienden een heerlijk verfrisschend zeebad. -Poedelnaakt dansten ze de zware rollers te gemoet, die in forsche -wenteling tegen het strand opliepen, wierpen zich in de holte van zoo’n -ombollende golf, schoten er fiksch onderdoor en kwamen met druipende -haren weer boven, als ze nog juist den tijd hadden, adem te scheppen -voor het onderduiken in een nieuwe golf, die met hoog opgerichten kop, -als een menner, de voorgaande voor zich heen joeg. - -En toen de knapen uitgeplast en uitgedanst waren, ploften ze in het -mulle zand neer, lieten zich door de zon drogen en bruinbakken en -maakten berekeningen omtrent den duur van de verdere reis. „Over een -half jaar zijn we er”, schatte Hajo. - -„Over drie maanden”, meende Rolf. - -Padde echter sprong onverwachts overeind en staarde Hajo en Rolf met -groote oogen aan. „’n Aardbeving!” stamelde hij. - -„’n Wat??” - -„’n Aardbeving! Ik heb duidelijk gevoeld, dat de grond onder me -bewoog!” - -„’t Zal wel verbeelding zijn geweest, Padde.” - -„Dan is m’n neus ook verbeelding!” Alles behalve overtuigd vleide Padde -zich weer neer. „Hoelang de reis nog duurt?” vroeg hij na eenig -zwijgen. „Ik denk.....” Maar wederom wipte hij, zoo mogelijk nog -sneller dan daareven, overeind, en staarde met groote oogen naar de -plek, waar hij gelegen had. Daar vond iets allermerkwaardigst plaats: -het zand spleet, brokkelde en..... een klein, vaalzwart kopje kwam om -een hoekje kijken! Een paar zwarte, stompe liliputterpootjes werkten -het zand verder op zij en daarna vertoonde zich..... - -„’n Jonge zeeschildpad!” riep Rolf. - -Het was een alleraardigst beestje: niet veel grooter dan een okkernoot, -en het schildje was nog geheel week. Hulpeloos zwaaiend met de logge, -kleine zwempootjes, draaide het al maar het stompe kopje met de twee -glinsterende, wereldwijze kraal-oogjes en het gerimpelde, magere, -leerachtige oudemannetjeshalsje, als wilde het dat van het lichaampje -afschroeven. - -Kijk, daar kwam nog een kopje uit het zand gluren! En nòg een! De -jongens wierpen het nest (wat zou het anders zijn?) open. Neen maar, -het krioelde van die beestjes! - -„Ik neem er ’n paar mee naar Holland!” riep Hajo. - -„Laten we ze eens tellen”, stelde Rolf voor. Zoo deden de knapen en -kwamen tot honderd-en-dertig eieren en acht-en-twintig jonge -schildpadjes, half of geheel uit het ei. „Je hadt nog wat moeten -blijven zitten, Padde!” vond Rolf. „De helft is nog niet uitgebroed!” - -„Ja-ha!” grinnikte Padde. „Maar als ik nou later in Holland vertel, dat -ik schildpadden heb uitgebroeid, moet je niet denken, dat iemand er een -woord van gelooft!” - -„Dat is dan ook niet heelemaal waar”, zei Rolf. „Je hebt de zon alleen -maar wat geholpen.” - -Padde keek verbaasd op. „De zon?!” - -„Wie dacht je dan, dat ze zou uitbroeden? De ouden laten zich aan de -eieren niets gelegen liggen! Ze graven een gat, leggen daar de eieren -in, krabben het dan dicht en verdwijnen weer in het water. De zon moet -de rest maar doen!” - -„Hela! Wat gaan daar voor beesten!” riep Hajo uit, terwijl hij op een -viertal lompe, grauw-grijze vogels duidde, die zich log in de schaduw -der boomen voortbewogen. Ze hadden kleine vleugeltjes, waarmee ze zich -onmogelijk van den grond zouden kunnen verheffen, en zulke korte -pootjes, dat hun vette buik haast over het zand sleepte. De jongens -sprongen op en snelden er heen. Zonder veel moeite vingen ze er een; de -andere vogels maakten zich schommelend uit de voeten. Hajo omklemde met -beide handen den ongemeen zwaren en krachtigen snavel, waarmee het dier -hoogstwaarschijnlijk geducht zou kunnen hakken. - -„’n Zwaan!” meende Padde. - -„Dat kan niet”, zei Rolf. „Dit dier heeft geen zwemvliezen.” - -„’n Zwaan zeker wèl!” merkte Padde op. - -„Ja, natuurlijk!” lachte Rolf. - -Het dier werd nauwlettend bekeken. Het lichaam was belangrijk grooter -dan dat van een zwaan, dik en rond en getooid met een onnoozel klein -staartje, dat, evenals de hulpelooze vleugels, een geelgrijze kleur -had. De bovensnavel was voor een groot deel met een gerimpelde huid -overtrokken en eindigde in een haakvormige punt. De korte, sterke -pooten liepen in vier teenen uit; het dier had een krop, en het -merkwaardigste was wel een groote huidplooi om den kop, waarin het -bijkans den heelen snavel kon terugtrekken. [1] - -„We gaan er mee naar de barbier!” besliste Rolf. En met vereende -krachten en de noodige voorzichtigheid (vanwege den geduchten snavel!) -werd de zware vogel opgetild en vervoerd. - -„’n Dodo”, zei Vader Langjas. - -En toen stelde Rolf een vraag, welke Padde in hoogste verbazing bracht: -„Tot welke familie zou hij behooren?” - -„Ik ken ’n achternichie van hem!” grinnikte Padde. „De lamme houtduif -van Geert Oliekoek! Die heeft óók een krop!” [2] - -Een paar maats waren naderbij gekomen. Zij kenden slechts twee families -in de dierenwereld. De eerste familie was die welke je opeten kon, de -tweede die, „waar geen smaak aan was”, en des dodo’s ongelukkig -gesternte deelde hem bij de eerste familie in. - -Een paar uur later draaide hij, geplukt en schoongemaakt, aan het spit. - - - -De helft der maats trok dien morgen op onderzoekingstochten uit. En ook -onze vrienden besloten, het land wat verder binnen te dringen. De -zonnewijzer, die den vorigen dag op het strand was aangebracht, wees -nog geen acht uur, toen het wakkere drietal er op uit toog. Ze besloten -het riviertje stroomopwaarts te volgen, liepen mannetje na mannetje -langs den smallen oever. Het lage gewas aan den oever ging over in -hooge en dichte bamboebosschen; steeds weelderiger werd het woud en -steeds donkerder; lianen, tot onuitwarbare netten verstrikt, versperden -veelal den weg; de onderste einden slierden in het snel stroomende -water. - -Eenmaal gingen de knapen door een lange loofpoort. - -De lucht was er heet en vochtig en ademde den zoeten geur van duizenden -orchideeën, welker stille pracht bedwelmde. Zwijgend gingen de jongens -een oogenblik zitten. Het water dampte. Als een eeuwenoud vertelsel, -nog door geen menschelijk oor opgevangen, klonk het plassen van het -water tegen de groote, blauw-grijze bergsteenen; een enkele maal schoot -het er ruischend overheen; dan was het, alsof de koning uit het -verhaaltje zijn stem deed hooren. De planten, de boomen en bloemen -luisterden er naar, bogen zich ver over tot het stroompje, om elk -gefluisterd woord op te vangen. Waterplanten lieten zich mijmerend -wiegen; hun groote, witte bloemen glansden als het gelaat van bleeke, -booze prinsessen..... - -Verder maar weer! De knapen wrongen zich door lianen, waadden plassend -in het heldere water. Stil werd het woud, beangstigend stil, als dat -behekste woud, dat duizend jaar lang zwijgen moest, omdat een doode tak -in ’t vallen de koningin der elfen had verpletterd. „Hier ben ik!” zong -het stroompje forsch en jubelend van overmoed, nu het zijn stem zoo -luid en klaar weergalmen hoorde in de stilte. „Wie dorstig is, hij kome -en lave zich aan mij! Ik kom van ver, ik ga naar ver, ik heb geen rust, -geen rust..... Weg, domme steenen, die uit ijverzucht, dat jullie niet -onsterfelijk bent en vrij als ik, mijn weg versperren wilt! Och, arme, -goede boomen, die gedoemd bent om te sterven, waar je bent ontstaan, -och, hoe beklaag ik jullie!—Vriendelijk-stille bladeren, en jullie, -reine, smettelooze bloemen, die met open kelken luistert naar mijn -avonturen, kom, stort je in mijn armen! Ik zal je voeren ver van hier, -heel ver.....” - -Hajo voelde, hoe het bloed hem sneller door de aderen joeg. Een -teugellooze drang tot trekken en avonturen ontwaakte in hem. - -Een enkele maal kwamen de jongens bij een open plek; dan lichtte hun -een ongekende bloemenweelde tegen. Kleurige vlinders ter grootte van -een hand en tallooze bonte vogeltjes fladderden in en om de verlokkende -kelken. En vóór hen schemerden, tusschen het geboomte door, diep-paarse -bergen. - -De knapen voelden het aan hun beenen, dat ze den ganschen weg gestegen -hadden. Bij een dwarsbeekje gekomen, besloten ze dat te volgen. Ze -kropen tusschen stammen en boomvarens,—stonden onverwachts voor een -grooten vijver, waarboven een dichte damp hing. - -„’n Heete bron!” riep Rolf uit. - -„Heet??” vroegen Hajo en Padde en staken hun hand in het water. Maar -terstond trokken ze hun vingers er weer uit. „Het is kokend!” - -„Komt dat zoo maar uit de grond?” vroeg Padde wantrouwend. - -„Dat moet wel”, zei Hajo. „Nergens stroomt iets binnen, en daar aan de -overkant voert de vijver tòch water af.” - -„De bodem is hier vulkanisch”, verklaarde Rolf. „Daarom is het water -zoo heet.” - -„Vulkanisch?? Wat beteekent dat?” - -„Dat beteekent, dat, als je hier graaft, je ten slotte op vuur zou -stuiten.” - -Padde werd wit om zijn neus. „Maar dan staan we hier..... boven de -hel!!” - -„Ja”, zei Rolf, „pas maar op, dat je er niet in valt.” - -„Dan ben je in een ommezientje gekookte kreeft!” verzekerde Hajo met -een vroolijkheid, die hij alleen aan Rolfs kalmte ontleende. - -„Zullen we hier maar liever niet weer weggaan?” vroeg Padde. - -„Laten we eerst eens wat eieren zien machtig te worden!” stelde Rolf -voor. „Ik val om van den honger. Jullie niet? En nesten zullen hier -genoeg zijn.” - -In eens voelde Padde ook zijn maag. Zuchtend gaf hij toe. - -De jongens liepen den vijver eens rond, en al spoedig ontdekte Hajo’s -jagersoog enkele duivennesten. Hij klom er bij en keerde, na driemaal -op een nest met jongen te zijn gestuit, terug met twee witte eitjes, -die tegen het licht bekeken en versch bevonden werden. - -Hajo zat alweer in een anderen boom. Ditmaal was hij nog gelukkiger. In -drie nesten lagen schoone eieren; hij vond bovendien nog een vierde -nest, waarvan hij de eieren liet liggen, omdat ze, toen hij ze in de -half gesloten hand tegen het licht hield, bebroed bleken. De schoone -borg hij op—in iederen zak een, en vier in z’n mond—en kwam met bolle -wangen beneden aan. Intusschen had ook Rolf een paar nesten ontdekt en -ontpopte zich nu als een goed klauteraar. Padde bood aan, de wacht bij -de eieren te houden, terwijl Hajo en Rolf zochten. - -„Natuurlijk! Laat Padde maar op de eieren passen!” riep Rolf van boven. -„Maar ga er niet op zitten, Padde, anders krioelt het straks van jonge -duifjes, net als bij die schildpadjes vanmorgen!” - - - -Toen enkele oogenblikken later Rolf en Hajo met hun buit op den grond -belandden, zagen ze Padde een eindje verder met den rug naar hen toe -door het loof gluren, zich voorzichtig omwenden en de vingers op de -lippen leggen. Ze slopen naar hem toe en ontdekten, na eenig vergeefsch -turen in de door Padde aangeduide richting, een merkwaardig, -hagedisachtig beest, dat zijn ronden, dikken staart stevig om een tak -gekneld hield en door zijn donkergroene kleur bijkans niet van zijn -omgeving te onderscheiden was. De groote, kantige kop hing met een -scherpen hoek, als ware het een helm, over een dunnen, verschrompelden -hals. Een blauwe, met donkerbruine puntjes bespikkelde keelzak hing als -een baard onder kin en hals. Langs het krachtige lichaam, dat door een -hoogen, gekartelden kam iets draakachtigs had, liep een band van -roodbruine vlekken. De oogen van dit armlange beest puilden sterk uit, -waren geheel, op de pupil na, overtrokken met een prachtig rood en -groen ooglid, en loerden, ganschelijk en onafhankelijk van elkaar, -rusteloos rond. Voor op den neus prijkten twee hoorn-achtige knobbels. - -Doodstil zat het dier. Behalve de oogen was er niets, dat bewoog. - -„Wacht maar eens!” fluisterde Padde. „Dan zul je lachen!” - -En de vrienden wachtten met haast evenveel geduld als het kameleon—want -dat was het dier natuurlijk, dat Padde’s belangstelling had gaande -gemaakt. - -Daar kwam een kleine kever aanzoemen. Zwart, met gele sterretjes op de -schilden. Hij danste lustig snorrend in het rond, kietelde Hajo eens -onder de kin, bracht daarna een bezoek aan het kameleon. Dat wil -zeggen: hij zag het heele kameleon niet; noch merkte hij er iets van, -hoe twee boosaardige, rooflustige oogen al zijn bewegingen bespiedden. -Heel de belangstelling van den vroolijken, geelgespikkelden bezoeker -ging uit naar een groote, roode bloem, vier handpalmen vóór den -knobbelneus van den onbeweeglijken, groenen draak. De laatste draaide -beide oogen zoo ver naar voren, dat ze uit den kop dreigden te zullen -rollen, mat den afstand, opende langzaam, heel langzaam den bek..... -Padde stootte zijn vrienden aan; zijn oogen puilden haast even ver uit -als die van het kameleon.....!—Het was al geschied. Een tong, haast -half zoo lang als het geheele lichaam, schoot bliksemsnel naar het -argelooze torretje, vloog weer terug, alsof het aan een veertje zat; -toen een korte beweging van de kaak..... Spoorloos verdwenen was de -geel-zwarte bloemenvriend. - -Het kameleon had zich bij dat alles doodstil gehouden. En terwijl Hajo -en Rolf nog verrast naar de bloem keken, waarop het torretje gezeten -had, dwaalden de kleine oogjes van den geheimzinnigen sluipmoordenaar -al weer rond, belust op nieuwen buit. - -Padde grinnikte zacht en kneep Hajo blauwe plekken. - -Weer een torretje! Ditmaal een goudgroen, wispelturig torretje. Het -stelt zich aan, alsof het een verbazende haast heeft, vliegt van links -naar rechts, strijkt overal neer—zelfs op een der knobbels op den kop -van het kameleon, vliegt terstond weer op, bedenkt zich, gaat weer -elders zitten, vliegt toch maar weer weg. Een goed torrenkenner zal al -begrepen hebben, dat het goud-glanzend heertje bij al z’n schijnbare -drukte een nietsnut en een leeglooper is. Floep! Daar dwarrelt het weer -rond. - -Geen enkel beweginkje ontgaat aan den spiedenden blik van het kameleon. -Het torretje schijnt van plan, een oogenblikje te verwijlen op een -zonbeschenen blad. Het tilt de dekschildjes op, spreidt de dunne -vleugeltjes, die er onder zitten, een oogenblik in het zonnetje, dat er -allerlei kleuren in toovert; klapt dan de dekschilden weer toe en -wandelt als een deftige meneer met jaspanden in een kringetje het blad -rond. Het kameleon loert. Het blad is laag, de afstand groot. Daarom -heel voorzichtig een pasje terug! De lange, typische pootjes, die in -slechts twee vingers uitloopen, worden een voor een omlaaggebracht. Ook -de staart wordt iets verlaagd, maar oogenblikkelijk weer vastgeklemd. -Ziezoo, nu schijnt de hoogte goed te zijn! De bek opent zich..... -Hoepla! De jaspanden vliegen los; het torretje snort haastig een -oogenblik rond, zet zich een el hooger op een ander blad en kijkt in -diepzinnige overpeinzingen naar een gaatje, door een ander torretje in -het blad geboord. Het kameleon bijt zijn teleurstelling weg: een -rechtschapen kameleon geeft den moed nimmer op. Getuigt zijn gansche, -stilzittend bestaan niet van een rotsvast vertrouwen op zijn goed -gesternte? Daarom: voorzichtig een pasje naar boven! Nog een pasje! Nog -een! Het torretje bestudeert het bladopeningetje aan alle zijden, -schijnt er maar half mee ingenomen, maar steekt geen hand uit om er -iets aan te veranderen. Het kameleon slikt van opwinding. Zoo zou de -afstand wel goed zijn! Langzaam den bek open..... Hoepla! Het torretje -besluit zich niet langer te ergeren over het slechte werk van anderen -en danst weer in het rond om twee el lager opnieuw te belanden. Flits! -Des kameleons oogen richten zich in de diepte. Komaan, dan maar weer -naar beneden! Pasje voor pasje. Is zoo de afstand goed? Me dunkt van -wel. En dus..... In een onberispelijke spiraal zwiert het torretje, -over het hoofd van het kameleon heen, tusschen de boomen weg. - -Grimmig, maar zonder door een enkele beweging zijn teleurstelling lucht -te geven, blijft de groene roofridder zitten. Aha! Daar kiemt nieuwe -hoop in zijn kameleonnehart! Uit een groote bloem komt log en traag een -roodzwart kevertje kruipen, zet af en snort pardoes, zonder de -allergeringste gratie, in een andere bloem, geen vier duim van zijn -belager af. Deze wacht met half geopenden bek op het oogenblik, dat de -zespootige lummel weer voor den dag zal komen. Te drommel, dat duurt -lang: hij schijnt daar in dat bloemenhart heel wat te doen te hebben! - -Wie zou er met meer spanning op de komst van den bloemenvorscher hebben -gewacht: de jongens of het kameleon? Eindelijk, eindelijk kwam de -langverbeide, likte zich de gepantserde pootjes schoon en krabbelde -bedachtzaam naar buiten, ten einde een goed afzetpunt te vinden. Het -kameleon maakte zijn aanstalten..... - -Toen zweefde langzaam een jongenshemd door de lucht en bewoog zich in -de richting van ’s kameleons hals. En in hetzelfde oogenblik, dat de -lange tong uitschoot en het torretje gevankelijk wegvoerde, omsloten -Rolfs vingers den bandiet vlak achter den driehoekigen kop. Het dier -stiet een schor geluid uit. En, tot Padde en Hajo’s grenzelooze -verbazing..... veranderde het van kleur! De blauwbruine vlekkenband -langs de zijden van het lichaam verbleekte tot een blauwig wit; de -blauwe keelzak en de mondranden werden citroengeel! - -Maar Rolf liet zich niet afschrikken. Hij had met de linkerhand het -achterlichaam gepakt en trachtte het dier van den tak te lichten. -„Drommels”, zei Rolf, „hij houdt zich stevig vast! We zullen hem met -tak en al moeten meenemen!” - -Hajo wierp zich op de knieën en sneed met zijn zakmes den tak af. - -„Prachtig!” zei Rolf. „Maar hoe krijgen we hem nu op het schip?” - -„Hier!” zei Padde ijverig. En hij trok zijn hemd uit. „Daar stoppen we -hem in!” - -„Hij moet mee naar Holland!” riep Hajo opgewonden. „Dan kan hij vliegen -vangen; daar zit de kamer bij ons ’s zomers vol van!” - -„We zullen hem straks eerst eens aan Vader Langjas laten zien”, zei -Rolf vroolijk. „’t Is een kameleon, maar ik ben benieuwd wat voor een -soort!” - -„Wou je z’n heele familie weer weten?” vroeg Padde. - -Rolf lachte. „Heb je ’m zien verkleuren, toen ik hem pakte?” - -„Ja!” zei Hajo. „Hoe kwam dat?” - -„Als jij me het zegt, weet ik het ook! Kom, laten we onze eieren maar -eens gaan oppeuzelen! We hebben er twee dozijn. Eerst gaan we ze koken. -In de heete bron!” - -„Ja!” - -Hajo vlocht met zijn handige vingers een netje uit ’n paar lange, -smalle bladeren, deed er de eieren in, knoopte het netje boven dicht, -liet het in ’t water zakken en stak onder den knoop een takje, dat hij -in den wal vastduwde. Ziezoo, nu maar afwachten. - -In den tijd, dat Rolf en Padde aan den oever lagen, in afwachting dat -de eieren hard zouden worden, had Hajo een nieuw avontuur. Terwijl hij, -onvermoeid speurder als hij was, zoekend in de boomen loerde, viel zijn -blik op een witte streep vuil, hoog tegen een stam. Onze vriend zou -Peter Hajo niet zijn, als hij niet terstond begrepen had, dat zich -daarboven een nest moest bevinden. Daar ontdekte hij het al: een meer -dan vuist-groote holte in den stam. Een spechtennest kon het niet zijn; -daar was het gat te groot voor. Zie! daar verscheen voor de opening een -kop met krommen snavel; een papegaai kroop naar buiten en vloog weg. - -Tien tellen later zat Hajo in den boom en loerde vol spanning in de -holte. Daar doken in het halfdonker broederlijk bijeen twee zeldzaam -leelijke mormels, de zwarte kop en snavel onevenredig groot tegenover -het droevig-kale lichaampje. Zonder aarzelen pakte Hajo er een beet, -waarbij zijn vingers in vrij onzachte aanraking kwamen met den snavel; -hij trok zijn gevangene naar het daglicht en daalde er mee omlaag. „Die -zullen we eens netjes grootbrengen, jongens!” - -De knapen uitten hun verbazing over een zóó leelijken jongen vogel. -„Zou hij al voedsel nemen?” - -„Voedsel nemen? M’n duim er bij, als ik niet oppas!—Kom maar eens hier, -ouwe jongen!” En met paaien en zoete woordjes wist Hajo den naakten -kromsnavel een stuk banaan in den bek te duwen. - -„Wat zal Gerrit blij zijn met z’n gezelschap!” meende Hajo. - -„En ik zal hem wel leeren praten!” beloofde Padde. - -Rolf vischte de eieren op. Ze waren nog wel niet geheel gekookt, maar -smaakten best. Alleen het zout ontbrak. - -Het werd tijd om terug te gaan. Zoo togen de jongens weer op weg, -plasten opgewonden babbelend plannen smedend voor de opvoeding van hun -papegaai, langs het heldere riviertje. Tegen de schemering kwamen ze -weer bij het kamp. Men was druk aan het braden en bakken. - -„Waar is Vader Langjas?” vroeg Rolf. - -„Blommetjes plukken! Allemachies, moet dat een papegaai worden? Hein, -kom eens kijken! Wat een rare, kale sallemander! Wat zit er in dat -hemd?” - -„’n Beest met zóó’n tong!” grinnikte Padde. „Als je hem knijpt, wordt -ie geel van sagrijn!” - -„Laat kijken?” - -„Op je gezicht”, zei Padde. „Als hij wegloopt, zijn we hem kwijt.” - -Vader Langjas was bezig met het onderzoeken van plantjes en bloemetjes. -Hij had de gewoonte om in elk vreemd land uit onbekende kruiden -drankjes te brouwen, die hij met ware doodsverachting het eerst aan -eigen lijf beproefde: als hij zich een enkele maal ziek voelde, -beschouwde hij het als een eerezaak om uitsluitend door middel van -nieuwe, zelfbedachte medicijnen te genezen. Daardoor was hij gewoonlijk -tweemaal zoo lang ziek als een ander, maar dat had hij voor de goede -zaak over: Vader Langjas koesterde de stille hoop, nog eens -wereldberoemd te zullen worden door het ontdekken van een drankje, dat -alle kwalen kon genezen. Edoch, groote geleerden vinden zelden het -vertrouwen, dat ze verdienen: als onze ijverige barbier van zijn -onderzoekingen weer aan boord terugkeerde, toonden de maats zich -huiverig de medicijnen te slikken, die Vader Langjas hun met een -stortvloed van aanbevelingen ter hand stelde. „Ik heb het immers zèlf -geprobeerd!” klaagde Vader Langjas, verdrietig onder het weinige -vertrouwen, dat hij ontmoette. En dan dronken de maats uit medelijden -het fleschje maar leeg. - -„Wel, vriendjes”, zei Vader Langjas, terwijl hij zich oprichtte en zijn -bril recht zette, „jullie komt juist gelegen! Ben je bang voor -spinnen?” - -„Wie is er nou bang voor een spinnetje?” vroeg Padde. - -„Kom dan eens mee!” noodigde de barbier uit. „Och, wat heb je daar een -aardig beestje, Hajo. Zeker ’n grijze roodstaart?” - -„’t Stomme dier heeft nog geen veer op z’n lijf!” smaalde Padde. - -„Maar hebben jullie de ouden dan niet gezien?” - -„De eene papegaai is groen, en de andere rood, net naar ’t uitvalt!” -verzekerde Padde. „Onze buren—weet je wel, Hajo?—hebben een witte poes, -en de jongen ervan, van de poes, zijn rood met zwarte vlekken. En de -keeshond van Dobbes, de slager? Z’n vader was een bullenbijter en z’n -jonkies zijn pukkies met dassenpooten. Waar, Hajo?” - -„Ja, ’t is waar”, gaf Hajo aarzelend toe. - -Vader Langjas schudde het hoofd over Padde’s beweringen, die hij niet -kon weerleggen. „Dat is heel wat anders”, meende hij. - -„Neen, dat is precies hetzelfde”, zei Padde. - -„Kom!” stelde Hajo voor, „laten we nou eens naar de spin gaan kijken.” - -„Ga maar mee”, zuchtte de barbier. „Ik heb er mijn hoed voorloopig even -op gelegd, want ik wilde hem liever door een van jullie laten pakken. -Ik wil wel bekennen, dat ik er wat huiverig voor was. ’t Is een groote, -hoor! Denk er om!” - -„Ik durf een hooiwagen over m’n tong te laten loopen!” blufte Padde. - -„Nu, je moet het zelf weten”, zei de barbier. „Hier zit hij, onder m’n -hoed.”—Vader Langjas’ hoofddeksel was rondom met steenen bezwaard; de -barbier scheen zijn gevangene voor een gevaarlijk uitbreker te houden! - -Padde legde de steenen terzijde. „Ik zal hem maar met m’n linkerhand -pakken”, zei hij, „want m’n rechter is nog altijd dik van die smerige -wesp!” - -„Doe dat, kereltje. Maar denk er om, hoor: voorzichtig!” - -Padde lichtte een tipje van den hoed op, schoof er bedachtzaam zijn -hand onder, tastte rond in den bol. Maar plotseling kregen zijn oogen -een uitdrukking van hoogste ontzetting, en met een hartverscheurenden -kreet trok Padde zijn hand terug. Aan zijn pink bengelde een harig -monster met een rossig lichaam, zoo groot als een kippen-ei. Vol -afschuw slingerde Padde het beest van zijn pink en stak toen haastig -dit lichaamsdeel in zijn mond. - -„Ja-ja”, zei Vader Langjas verschrikt, „daar vreesde ik al voor! Die -vogelspinnen hebben leelijke wapens! Ga mee, dan zullen we er een -zalfje op smeren.” - -„Knap jij met je spinnen en je zalfjes!” voer Padde uit, verachtend -alle wetten van tucht. - -„Maar kereltje”, zei de deftige barbier, verlegen zijn bril recht -zettend, „ik heb je toch te voren gezegd, dat het een groote spin was? -Ik vond haar, terwijl ze bezig was, dit arme vogeltje te dooden.” Vader -Langjas tilde zijn hoed op en toonde een mooi, blauw vogeltje, dat met -uitgestrekte pootjes en bebloed borstje in het gras lag. - -Een paar maats waren op Padde’s gegil komen aanloopen. „Wat is er?” - -„Ze hebben m’n pink afgebeten!” jammerde Padde. „Dat heeft hij me -gelapt!” - -De maats keken verbaasd naar Vader Langjas, die bleek en rood tegelijk -werd en met zijn bedeesde houding weinig van een menscheneter had. -„Laat kijken je pink?” vroegen ze Padde, die het „afgebeten” -lichaamsdeel nog altijd in z’n mond hield. - -„Die pink is van mij!” zei Padde. „En niet van jou.” - -„De pink is niet afgebeten!” stamelde Vader Langjas. „Het is een -onschuldige beet. De spin is niet giftig; het is er een van de -familie.....” - -„Knap jij met je heele familie, pillendraaier!” schreeuwde Padde. En -hij ging heen, met sprakelooze verbazing nagekeken door de oomes. Tien -pas verder vond Padde het noodig, zich nog eens om te draaien, de borst -in de lucht, en te schreeuwen: „Akelige giftmenger! Ik zal je nog wel -er eens vinden! Denk er maar om, dat ik jou ditmaal óók van te voren -gewaarschuwd heb!” En Padde verdween tusschen het geboomte. - -„’n Zonderling karakter”, stamelde Vader Langjas. - -Rolf kon zijn vroolijkheid niet onderdrukken. „Laat hem maar loopen, -Vader Langjas! En kijkt u maar liever eens wat ik hier heb!” Rolf -knoopte behoedzaam het hemd los. - -De barbier boog zich en gluurde door de opening. Wat hij zag, deed hem -al zijn zorgen weer vergeten. Blij als een kind, riep hij uit: „’n -Panterkameleon! We zullen hem op brandewijn zetten!” - -De maats sloegen bijkans tegen den grond. „Groote Griebus!” verzuchtte -een kleine, magere maat met een neus, die meer van een biet dan van een -waskaars had. „Op brandewijn?! Ik wou, dat ik óók een kammelejon was!” - - - - - - - - -RUILHANDEL - - -Padde verklaarde ronduit, dat hij het hier een beestachtig land vond en -per slot van rekening nog meer van de zee hield. Voor zijn part voeren -ze op staanden voet verder. - -Maar Padde moest zijn varensdrang nog drie volle weken geweld aan doen. -Men teerde het schip van binnen en van buiten, zette alle poorten open -en besprengde de planken vloer met azijn,—alles om een gezonde, -frissche lucht in de Nieuw-Hoorn te krijgen. Terwijl een groot deel der -bemanning zich zingend met dit werkje bezighield, waren anderen aan het -drogen van visch, die ze aan lange lijnen in de zon hingen; verder had -men de handen vol met het inleggen van ganzen in azijn en met het aan -boord hijschen van levende schildpadden, waarvoor op het dek een groote -bak zeewater werd geplaatst. Als voedsel voor deze dieren verzamelde -men talrijke bollen zeegras, welke op het strand voor het grijpen -lagen. [3] - -Harmen, Hajo en Rolf maakten zich verdienstelijk door een groot hok te -timmeren voor de gekortwiekte ganzen en duiven, die nu nog overal het -dek bevuilden. - -Gerrit keek aanvankelijk sprakeloos, ontzet en met van verbazing schuin -gelegden kop naar het kale gedrocht, dat zijn meester hem tot -gezelschap had beschoren. Waarschijnlijk om eens te onderzoeken van wat -voor stof zijn nieuwe kameraad vervaardigd was, begon hij er mee, hem -een stevigen pik toe te deelen. Maar dat kwam hem duur te staan: tot -straf hield Hajo hem even onder water,—iets waaraan Gerrit geweldig het -land had. Hij beschouwde den indringer als den schuldige aan deze -onderdompeling, draaide hem vol minachting den staart toe en plukte -zich met een overkropt gemoed de natte veeren terecht, toen hij zag, -dat Hajo het naakte monster allerlei lekkere brokjes voorhield. - -Dankbaar was het beestje niet: het vertikte ’t, den snavel te openen. -En Hajo zag er ook geen kans toe: het resultaat na lang wikken was, dat -onze vriend een fermen beet opliep. - -„Als hij maar eerst honger krijgt!” troostte Hajo zich zelf. „Morgen -zal hij wel anders praten!” Hij stopte beide vogels in de koperen kooi, -ten einde ze aan elkaar te doen wennen. Doch daar Hajo vreesde, dat er -aan de vriendschap een al te duidelijke wederzijdsche uiteenzetting -vooraf zou kunnen gaan, schoof hij een plankje tusschen de toekomstige -levensgezellen. Gerrit, verwend door het vrije leven van den laatsten -tijd, stak den kop tusschen de veeren telkens wanneer zijn meester -naderde. En de jonge roodstaart blikte met wezenlooze oogen rond en -hield den bek zoo stevig dicht, als verdacht hij er Hajo van, hem -vergift te willen toedienen. - -„Je moet slim zijn”, raadde Harmen. „Kietel hem eens onder z’n buik, en -als ie dan woest wordt en z’n bek open doet om te bijten, douw je er -gauw een pisang in!” - -„’t Helpt toch niets!” zuchtte Hajo. „Als hij morgen nog niet vreet, -breng ik hem terug. Ik had anders al een naam voor hem. Ik wou hem -Joppie noemen. Net als..... weet je wel?” - -Harmen knikte. „Of ik ’t weet.....!” - -In den namiddag begon het diertje zacht te kreunen,—zoo om het half uur -een droevig geluidje. Hajo kon het niet aanhooren en besloot z’n -„papegaai” den volgenden morgen weer terug te brengen. Maar..... ook -Gerrit was er door getroffen! Toen Joppie voor de eerste maal kreunde, -haalde Gerrit beduusd zijn halfverslapen kop uit de veeren en luisterde -minuten lang. Toen stak hij zijn kop weer weg en wilde zijn dommeling -voortzetten. Even later herhaalde zich het spelletje. Nog eens. Gerrit -raakte overstuur, sprong wat in zijn kooi rond en wilde een slokje -water nemen om zich moed in te drinken, toen Joppie opnieuw kreunde. -Gerrit verslikte zich in zijn lafenis, begon aan een lange -overpeinzing. Als Gerrit aan het peinzen sloeg, viel hij gewoonlijk -spoedig in slaap, maar ditmaal kwam hij, al peinzende, tot een besluit. -Hij wette zijn snavel, draaide den hals een weinig los, zette zich -schrap en gaf een fermen mep tegen het plankje. Verdikke, dat zat -stevig vast! Nog maar eens! Daar vloog een splintert je weg. Gerrit -begon schik in de zaak te krijgen. Hij hakte, wette zijn snavel weer -eens, hakte onvermoeid. En eindelijk..... Ka! riep Gerrit. De jongens, -die al in hun tent lagen, hoorden het. - -„Gerrit krijgt het op z’n zemelen”, meende Padde. - -Maar Hajo ging eens kijken. Vlak er op kwam hij al weer terug, -opgewonden, met een stralend gelaat. „Kom eens gauw! Gerrit voert hem!” - -De knapen kropen naar buiten en geloofden hun oogen niet. Gerrit stak -door een gat, dat op geheimzinnige wijze in het planken schotje gekomen -was, zijn zwarten snavel en reikte Joppie een stukje banaan. „Hap!” zei -Joppie en liet het door zijn keelgat schieten. Hajo stond te springen -van plezier. „Dàt is me nog er eens een kraai!” - -„We kunnen nu het plankje wel wegnemen”, meende Rolf. - -Maar hier was Hajo op bekend terrein. „Daarmee zouden we alles weer -bederven!” riep hij uit. „Gerrit denkt natuurlijk, dat Joppie een jonge -kraai is! Het is juist goed, dat hij hem niet zien kan!” - -„Dan zal hij wel raar opkijken, als je op ’n goeien dag het schot -wegneemt, als Joppie zich zelf bedienen kan en dan natuurlijk ook al -flink in z’n papegaaienveeren steekt!” lachte Rolf. - -„Gommenikkie nou!” grinnikte Padde. - - - -Zoo groeide Joppie, door Gerrit met teedere zorgen omringd, tot een -wolk van een papegaai op. Joppie scheen ook van zijn kant -belangstelling te koesteren voor zijn trouwen verzorger: hij gluurde -door het gat en begon er aan te knagen. En op een goeden morgen vonden -de jongens ze als twee ouwe vrienden naast elkaar op Gerrits stokje, -net bruid en bruidegom: Joppie in fleurig grijs en rood, verliefd zijn -kop draaiend, Gerrit ernstig, bedaard in zijn stemmig zwart. Toen zette -Hajo de kooi open. - -Met een vreugdekreet wipte Gerrit naar buiten. Joppie volgde hem op den -voet, plofte met veel vleugelmisbaar en geschreeuw op den grond. Maar -Gerrit, wiens gekorte vleugels al lang waren aangegroeid, gaf vliegles, -en Joppie bleek een goed leerling, al zou hij nooit zoo bevallig en vol -zwier weten neer te strijken als een Hollandsche torenkraai. Zag je -Joppie, dan zag je Gerrit; zag je Gerrit, dan zag je Joppie. Ze deelden -al wat eetbaar was: bananen, bessen..... Alleen voor wurmen toonde -Joppie een innigen afkeer: zelfs de fijnste en vetste blauwkop, dien -Gerrit offreerde, was niet in staat hem te doen toehappen. Gerrit -spalkte van verbazing den snavel open, schudde zijn wijzen bol en nam -den wurm alleen voor zijn rekening. - -Eindelijk kwam de dag van vertrek. De watervaten werden binnen boord -gehaald, de zeilen weer aan de kale ra’s geslagen. Een tamboer ging aan -land en trommelde van heinde en ver het volk bijeen. De zieken waren -genezen—op zeven na, die met bedroefde gezichten aan boord kwamen. - -Tegen vier uur in den middag ratelden de ankerspillen. Langzaam zeilde -de Nieuw-Hoorn de baai uit, aandachtig nagekeken door een rozerood -eskadron flamingo’s. - -Men hoopte morgen, nog voor zonsopgang, Mauritius te bezeilen. - -De wind was gunstig. - - - -Maar den volgenden morgen wachtte een teleurstelling: men had den koers -niet zuiver genomen; het eiland lag boven den wind, en men kon er naar -kijken, maar aankomen niet. Wat nu te doen? Bontekoe durfde de groote, -onafgebroken reis door den Indischen Oceaan niet aan, zoolang niet al -het volk gezond was. Er werd besloten, den koers te richten naar het -eilandje Sante Marie, dat vlak bij Madagascar, tegenover de groote -Antongil-baai ligt. De zeilen werden omgehaald; vol spanning zag men de -toekomst tegemoet. - -Het weer bleef gunstig; de zee lichtte ’s nachts, alsof ze louter vuur -was, en overdag was de hemel zoo lokkend blauw, dat de bruinvisschen, -om er ook wat van te zien, ellen hoog uit het water opsprongen. - -Na een kleine week zeilens kreeg men Sante Marie in het zicht. Men voer -Westelijk het eiland om; het schietlood wees zes tot zeven en acht -vadem. Zoo helder was het water, dat men den bodem zien kon. Tegen den -middag werd een geschikte ligplaats gevonden aan de binnenzijde van het -eiland, op twaalf tot dertien vadem goeden ankergrond. En nauwelijks -had men de zeilen ingebonden, toen van de vlakke kust drie prauwtjes -naderden vol bruine lichamen! De maats beijverden zich uit hun kisten -spiegeltjes en kralen, lepels, messen met koperen heft en allerlei -andere snuisterijen op te diepen. Toen snelden ze weer het dek op, de -zakken vol ruilmateriaal. - -Intusschen waren de prauwtjes vlak bijgekomen. Er steeg een heidensch -kabaal uit op; ieder der roeiers scheen zich admiraal over de geheele -vloot te voelen en deelde naar alle zijden bevelen uit, die niemand -opvolgde. De roeiers zaten met het gelaat naar den voorsteven en, in -plaats van twee riemen, hadden ze in hun bruine knuisten slechts één -aan weerszijden afgeplatte spaan, die ze beurtelings links en rechts -door het water trokken. - -Floorke luchtte z’n „vloeiend” Maleisch weer. „Heila!” riep hij, -„hebben jullie eten? Makan? Nassi? Klappa? Pisang?” - -„Koeklekoe!” schreeuwden de inboorlingen en hielden manden met kippen -omhoog. - -„Zie je wel, dat ze me verstaan?” zei Floorke, terwijl hij zegevierend -omkeek. - -Bontekoe was uit de kajuit gekomen en keek glimlachend naar de -luidruchtige bruintjes. „Gooi maar eens een touw uit, jongens, en haal -zoo’n sinjeur naar boven.” - -Een touw vloog over de verschansing. Als snoeken schoten de prauwtjes -er op af. En toen werd er om gevochten, wie het eerst naar boven zou -gaan. Ten slotte wist een der bruintjes zich, na twee schreeuwende -makkers in het zilte nat te hebben ondergedompeld, vast te grijpen, en -werd toen ook maar meteen door de oomes naar boven getrokken, want -voorloopig bedankte men er voor, het heele schip vol van die gasten te -hebben. - -Het was een prachtig gebouwde kerel, die op het dek sprong. Geheel -naakt, op een kleedje om het middel na, zwart, gekroesd haar, een -matte, olijfkleurige huid, de borst en schouders getatoeëerd. Hij keek -een oogenblik met grenzeloos verbaasde oogen rond en begon toen te -lachen. Floorke diepte een spiegeltje op en hield het den bruinen gast -voor den neus. De lach verstomde om ’s mans gelaat; hij gluurde achter -het spiegeltje, toen weer er in, vond het daarop raadzaam wat uit de -buurt te gaan en bespiedde wantrouwend Floorke’s grijnzend bakkes. „Kun -je krijgen!” zei Floorke. „Maar dan moet je ons makan geven!” En -Floorke maakte heftige kauwbewegingen. Toen kwam Padde met Truitje’s -rinkelbel aanzetten en tooverde daarmee weer een glimlach op het bruine -gelaat. De mond viel van bewondering open; een rij tanden van het -zuiverste ivoor vertoonde zich, gevat in rozerood tandvleesch, en de -zwarte, glinsterende oogen wierpen begeerige blikken op de mooi -opgepoetste rinkelbel. „Kun je krijgen!” zei Padde, naar Floorke’s -voorbeeld. „Maar dan moet ik makan hebben!” En ook Padde sloeg aan het -kauwen. - -De man boog zich over de verschansing tot zijn makkers over, wier -gedachtenwisseling allengs tot een werkelijk heidensch tumult was -aangegroeid. Toen ze zijn bol zagen verschijnen, zwegen allen als met -een tooverslag, want niemand wilde een woord missen van wat hun in deze -zaak meer ervaren kameraad hun zou mededeelen. Hij had heel wat op z’n -lever. De klanken rolden als een waterval uit zijn mond; hij -schreeuwde, alsof zijn heele stam potdoof was en praatte bovendien nog -met armen, beenen en vingers. Toen hij zijn redevoering geëindigd had, -diende men hem met dezelfde breedsprakigheid van antwoord. Daarop -werden mandjes en korven omhooggeheven, begeleid door een gebulk, dat -aan het loeien van een koe deed denken. Van den wal naderden nieuwe -prauwtjes, beladen met meloenen, appelen en rijst. Zoo snel werden ze -door het water gejaagd, dat het schuim wel een el hoog langs den boeg -opscheerde. - -De oomes lieten een lijntje neer. Hun gast op het dek lichtte een en -ander luidruchtig en breedvoerig toe, en na lang redekavelen werd een -mand met enkele eetwaren—waaronder een vastgebonden, schreeuwende, -witte haan—aan het lijntje gebonden. Men haalde de lijn in, maar de -bewoner van Sante Marie nam onmiddellijk een beschermende houding over -de mand aan en maakte een gebaar, dat aan duidelijkheid niets te -wenschen overliet: eerst betalen! - -„Hier zijn al vaker blanken geweest!” merkte Bontekoe glimlachend op. -„Kom, nu zullen we eens gaan loven en bieden!” En hij liet Hilke een -paar tinnen lepels halen. Die vielen in den smaak! Zonder lang talmen -bood onze bruine vriend in ruil voor de lepels de geheele mand aan. - -„We zullen straks aan land gaan en eens zien, wat we daar vinden”, zei -Bontekoe. Toen begaf hij zich met den koopman en den opperstuurman naar -de kajuit. De maats kenden hun ouwe; ze wisten wel, waarom hij hen -thans alleen liet: Bontekoe gunde zijn jongens wel een ongestoord -pretje; hij wist, dat allen er naar hunkerden om aan het handeldrijven -te slaan. En de heeren hadden hun hielen dan ook nog niet gelicht, of -de oomes trachtten hun koperen knoppen, schroeven, oude tinnen deksels, -opgepoetste duiten en kralen aan den man te brengen. Al gauw zag je den -een met een mand kippen wegsjouwen, den ander de armen vol -meloenen..... - -Toen de eerste kooplust, die zijn oorzaak eerder vond in de verveling -der laatste dagen dan in werkelijke behoefte, gebluscht was, besloten -de oomes tot een pretje. Ze wierpen het touw, waarlangs hun bezoeker -naar boven was geklauterd, weer over de verschansing, wachtten, tot er -zich een half dozijn zwartjes had ingewerkt, en trokken het toen buiten -het bereik der anderen,—een daad, die de achtergeblevenen met oprechte -verontwaardiging vervulde. Een, die juist nog het slipje grijpen kon, -viel door den ruk van het onverwachts optrekken als een rijpe kokosnoot -omlaag, boven op de hoofden van zijn makkers. - -De anderen waren als aapjes naar boven geklauterd. Ze grinnikten; hun -bewegelijke tong stokte een oogenblik; ze wisselden een enkel woord, -stootten mekaar aan en schenen alles wat ze zagen, vrij bespottelijk te -vinden. En toen hun het eerst aan boord gekomen makker de rinkelbel, -waarvan hij intusschen de gelukkige bezitter was geworden, deed -rammelen, lieten allen hun mond openvallen, luisterden met glanzende -oogen en maakten bewegingen, als wilden ze gaan dansen. De bootsman -liet den Schele een groote schaal Spaanschen wijn brengen en voor hen -neerzetten. Dat zouden ze wel lusten! - -Maar de zwartjes waren wantrouwend. Er werden heel wat woorden aan -gewijd, vóór er een bij de schaal neerknielde, haar voorzichtig -betastte en daarop zijn lippen in het vocht doopte. Hij keek -blij-verwonderd weer op, smakte met de tong en stak toen onvervaard -weer zijn mond, ja, zijn neus er bij, in den zoeten drank. Dat was het -teeken voor de anderen. Ze sprongen aan alle kanten om de schaal, -duwden elkaar op zij, knorrend als varkens voor een trog, smakkend en -slurpend. - -„Je reinste zwijnetroep!” meenden de maats, en enkelen schonken -grinnikend bij, toen de schaal leeg werd. Geen der zwartjes wilde -daarbij op zij gaan,—bevreesd zijn goede plaats te zullen verliezen. En -de schenkende oomes hadden werk om tusschen de gekroesde bollen een -gaatje te vinden, waardoor ze den wijn konden gieten. - -Eindelijk hield de bootsman het voor welletjes. De drinkebroers likten -het laatste druppeltje uit de schaal, keken elkaar met blinkende oogen -aan en begonnen toen te lachen, te lachen, dat de tranen hun over de -wangen biggelden! Ja, ze moesten zich aan elkaar vastklemmen om van al -het lachen niet op het dek te ploffen. Hun vroolijkheid werkte -aanstekelijk: slechts weinige oomes bleven zuur kijken over het -verkwisten van den wijn. En toen de mannen, wier wijsheid in de kan -lag, elkaar om het middel pakten en schreeuwend, duimknippend -rondhosten, moesten de oomes zich den buik vasthouden. - - - -Tegen de schemering ging men met beide booten aan land. Op het vlakke -strand wachtte een groep van wel honderd inboorlingen met runderen en -schapen en manden met kippen, fazanten, boschhoenderen, duiven, -kleurige vruchten..... - -Een levendige handel begon. Floorke ruilde zijn knipmes in tegen -vijftig kippen, waarvoor hij wel een hokkie zou timmeren, een mooi -hokkie, dat onder z’n kooi kon staan. En elken dag zou hij eitjes en -kip eten. Bolle kocht voor een spiegeltje en een duveltje-in-een-doosje -een zware melkkoe voor de kombuis. Ook Harmen deed geen slechten koop: -hij ruilde een paar koperen knoopen tegen een mand fijne meloenen en -twee dozijn fazanten. - -De Nieuw-Hoorn beloofde een tweede arke Noachs te zullen worden. - -De barbier kocht voor een opgepoetst brillemontuur den ganschen -medicijn voorraad en de bezweringswerktuigen van een toovenaar op, die -met den glasloozen bril op zijn bruinen neus stellig niet aan ontzag -bij zijn stamgenooten inboette en overtuigd was met behulp van dit -geleerd uitziende brilgeraamte alle ziekten en kwade geesten te zullen -verdrijven. Rolf nam een der inboorlingen, die zijn waren reeds aan den -man gebracht had, ter zijde en wees vragend op het kleedje, dat deze om -het middel droeg. - -„Lamba”, zeide man aarzelend. - -„Lamba”, zei Rolf hem na, haalde een leitje uit zijn zak en schreef het -woord op. Toen ontdeed onze jonge vriend zich van zijn gordelriem en -legde dien voor den inboorling neer. Deze bekeek vol aandacht den -blinkenden gesp van den riem, bond toen na eenige aarzeling het -vezeltouw los, dat zijn lamba ophield, en stond het kleedingstuk aan -Rolf af. Met een vragend gezicht nam de inlander den riem aan, wreef -den gesp tegen de bruine wangen en stelde daarop vergeefsche pogingen -in het werk om zich den riem om het middel te bevestigen. Rolf hielp -hem een handje, deed het hem zoo vaak voor, tot hij zichzelf bedienen -kon. Uit dankbaarheid knoopte het zwartje Rolf den lamba om, en de -oomes schudden van den lach. - -Ook Hajo deed dien middag een zeer voordeeligen ruil. Hij zette -Truitje’s schaartje om in een grooten, sterken boog met een mooi -besneden, gevulden pijlenkoker. De nieuwe eigenaar van het schaartje -knipte wat hij maar knippen kon: zijn nagels, zijn haren, zijn -wenkbrauwen..... En ook Hajo verheugde zich in zijn koop. Hij plaatste -op het strand een schijf: een op een stok geprikten meloen, en deed -enkele dagen lang niets anders dan schieten. De bewoners van Sante -Marie vielen bijkans om van verbazing, dat een witte man zoo slecht met -pijl en boog omging. Maar Hajo zette door, gunde zich nauwelijks tijd -tot eten. En den derden dag zat schot op schot. Toen ging hij als een -echte inboorling met pijl en boog op jacht en kwam met drie -boschhoentjes terug, die dubbel zoo lekker smaakten als gewone -gekochte, tamme kippen,—al waren die misschien wat minder taai. - -Padde bejammerde in lange weeklachten zijn koffiemolen, die voor Texel -door het zilte nat was opgeslokt. Padde zou er thans, naar zijn -overtuiging, wonderen mee hebben verricht. - -Alles bij elkaar scheen het eiland echter niet zoo heel veel op te -leveren, wat niet te verwonderen was, want na een smalle strandzone -klom de bodem steil, in enge terrassen omhoog en ging spoedig in een -kaal, onvruchtbaar bergplateau over. - -Enkele minuten gaans het land in lag te midden van kokosboomen een -dorpje. De uit bamboe gevlochten wanden der lage, met bladeren -afgedekte hutten hadden maar één doorgang. Bij nadere beschouwing bleek -alles even smerig te zijn; de grond onder en rond de huizen was één -mestvaalt. In de modder speelden poedelnaakte peuters vertrouwelijk met -honden en aapjes. Maar toen de oomes binnen de palmen-omheining traden, -ontstond er in die kleine, vreedzame wereld een ware paniek. De aapjes -zochten ijlings hun heil in de boomen; de honden sloten zich aaneen en -keften woedend tegen de oomes, daarbij echter een afstand bewarend, die -een duidelijk licht wierp op hun aangeboren voorzichtigheid; de -kinderen vluchtten de huizen in. En een, die nog wat klein was om zich -zelfstandig uit de voeten te maken, bleef met verschrikte oogen, een -modderkluit in beide bruine knuistjes, zitten en zette een keel op, -alsof heel Sante Marie in gevaar was. Een der vluchtende kereltjes kwam -haastig terug, tilde, met een schuwen blik naar de oomes, zijn -hulpeloos kameraadje van den grond en verdween er mee, zoo vlug zijn -beenen hem dragen konden. - -Geen enkele vrouw liet zich zien; de deuren werden haastig -gesloten,—slechts hier en daar gluurden verschrikte gezichten. - -„Jammer!” zei Floorke. „Ik had ook de vrouwen wel graag eens gezien.” - -„Heb dan nog even geduld”, zei Harmen, „ik ben temet weer terug!” En -hij maakte beenen in de richting van de booten. De maats begrepen nog -wel niet wat Harmen in zijn schild voerde, maar in elk geval besloten -ze even te wachten. Harmen was zoo’n rare! Je wist nooit, waarmee hij -nog op de proppen kwam. - -Daar kwam Harmen terug..... met z’n fiedel! En nu herhaalde zich de -geschiedenis van den Hamelschen rattenvanger. Nauwelijks trippelden de -eerste klanken de lucht in, of hier en daar opende zich voorzichtig, -heel voorzichtig een deur, en een donker meisjeskopje gluurde naar den -fiedelaar. De zwartjes, die rond de oomes stonden, konden hun beenen -niet stilhouden; ze begonnen om den muzikant heen te dansen, knipten -met duim en vingers, of klapten, heupenwiegelend, in de handen. Daar -kwamen de vrouwen en meisjes, al even primitief gekleed als de mannen, -schoorvoetend naar buiten. En achter moeders rok, juist als alle andere -kinderen op de wereld, de poedelnaakte dreumesen met hun slanke -ruggetjes en kogelronde buikjes; ze sperden den mond zoo ver open, dat -men er een vuist in stoppen kon. - -Harmen fiedelde! „Beginnen jullie vast te dansen!” riep hij den oomes -toe, „dan doen de meissies het vanzelf!” - -De oomes dansten. Ze sloegen de handen ineen, maakten samen met de -grinnikende inboorlingen een kring rond de groep vrouwen en meisjes, -die ingesloten waren, vóór ze het wisten, en toen hosten de janmaats -zoo wat rond, met groote sprongen. Bij Harmens melodie zongen ze: - - - „Zeg, nonnetjes, wilt ge gaan dansen? - Wij zullen u geven een ei!” - - -Daar trachtte een meisje te ontvluchten. Maar ze had een gevaarlijke -plaats gekozen! Toen ze onder Floorke en Gerretje’s armen door wilde -hollen, pakten de beide jongens van stavast haar bij de hand, en ze -moest mee dansen, of ze wilde of niet! De andere meisjes hadden schik -en trachtten nu ook te vluchten. Verdikkoppe, nou had Floorke, die -geluksvogel, aan z’n andere hand óók al ’n meissie! Harmen werd het te -machtig: hij duwde Hajo de viool in de handen en rustte niet, vóór ook -hij aan beide zijden een aardig meisje had en meedanste op de wijsjes, -die Hajo nu aan het instrument ontlokte. - -Padde stond ter zijde, zonder te vermoeden, dat er juist een -samenzwering tegen hem op touw werd gezet: de Neus en Gerretje, die -elkaar bij de hand hielden, lieten plotseling los, en Padde stond -midden in den kring. Beschaamd wilde hij zich een uitweg banen, maar nu -greep Harmen hem beet, en zoo danste Padde tegen wil en dank mee, -tusschen Harmen en een allerliefst Sante Mariesch meisje..... - - - - - - - - -DE NEUS SCHIET EEN MUSKET AF - - -Er werd besloten, dat de groote boot onder leiding van den schipper -zelf naar Madagascar zou oversteken, ten einde eens te onderzoeken, of -daar nog geen goede voorraad vruchten zou zijn op te slaan, want alles -bij mekaar had men toch nog geen versch voedsel genoeg aan boord om den -grooten overtocht te mogen wagen. Daar de tweede stuurman eveneens zou -meegaan, en de opperstuurman met koorts te kooi lag, was het aan -Folkert Berentsz. om gedurende ’s schippers afwezigheid het bewind te -voeren op de Nieuw-Hoorn. Dat zag er niet malsch uit voor de jongens! -Want er was dagenlang niet gepoetst, en de bootsman zou stellig bij -Bontekoe’s terugkeer de Nieuw-Hoorn blinkend gepoetst en geschrobd -willen afleveren. - -„Jongens”, zei Harmen, „we moeten er ons zien uit te draaien, anders -loopt het mis.” - -„Hoe: mis?” vroeg Padde. - -„Wel, de bootsman wil van de schuit een porselein-kastje maken. Door ’t -lange liggen is er mos aan de kiel gekomen; dat mogen wij er met een -pennemesje weer afkrabben, en de poorten uitpulken en de ankers -poetsen, tot ze glimmen als vischhaken! En weet je, wat ie jou wil -laten doen?” - -„Nou?” vroeg Padde. - -„Zal je niet meevallen!” verzekerde Harmen. „Op het topje van de groote -mast ligt stof, wel een vinger dik, dat moet jij er met je tong -aflikken! En je moet met een lantarentje het grootzeil afzoeken of er -motten in zitten, en als je er een vindt, moet je hem levend vangen en -aan de bootsman geven, dan kan die hem laten kielhalen.” - -„Jawel!” schimpte Padde. „Ik zal me door de bootsman laten negeren! Ik -sta vlak onder de bottelier!” - -„Ja, veel plezier!” dichtte Harmen. „En de bottelier staat vlak onder -de bootsman. En als de bootsman diksi zegt, kun jij stof aflikken en -motten vangen. Neen, we moeten zien klaar te spelen, dat de schipper -ons meeneemt in de boot!—Nou, afijn, kom maar eens mee, jongens, ik zal -wel zoo kletsen, dat ie toegeeft!” - -Zoo togen de vier kameraden in optocht naar de groote kajuit. Bontekoe -was er alleen. Dat trof! Want geen der veelbelovende knapen had het erg -op den koopman begrepen. - -„Wat komen jullie doen?” - -„Schipper”, begon Harmen met een ernstig gelaat, „we hebben er eens -over nagedacht en..... hm! we hebben hier morgen aan boord tòch niets -te doen..... eh, geloof ik, en daarom..... hm!” - -Er tintelde iets in Bontekoe’s oogen. „Moeten jullie alle vier mee?” - -„Alle vier!” haastte Padde zich te verklaren. - -Harmen geloofde, dat hij zijn zaak gewonnen had. „Weet je, waarom Padde -mee moet, schipper? Omdat we wel eens op menscheneters zouden kunnen -stuiten!” - -Padde verbleekte. - -„En als dat dan eens gebeurde?” vroeg Bontekoe met innerlijke pret. - -„Wel, schipper, wie van ons zouden ze er uitpikken? Padde natuurlijk! -En wij loopen allemaal vrij!” - -„Wá-blief?” stamelde Padde. - -„Nou, gráág of niet!” zei Harmen. „Als jij liever wilt poetsen.....?” - -„Vooruit dan maar!” zei Bontekoe. „Dus morgen vroeg alle vier klaar bij -de jol!” - -„Ik ga niet mee!” zei Padde vastbesloten. - -Harmen gaf hem een stomp. „Ben je stapel?! Bevel van de schipper!” -fluisterde hij, grinnikend. - -„Ik zal wel poetsen!” jammerde Padde. - - - -Den volgenden dag bij zonsopgang vertrok de jol, en de jongens gingen -mee! - -Het was een morgen uit duizend: een droge, milde Oostenwind maakte het -mogelijk het zeil te voeren. Zachtjes wiegend op een kalmen golfslag, -koerste de jol in Westelijke richting. De oomes pruimden, rookten, -gaven mekaar raadsels op, hakten op over hun hachelijke avonturen. -Heerlijk was de morgenlucht. Harmen zette geurige koffie; slurpend, -smakkend, met verzuchtingen van zaligheid werden de kommetjes geledigd. - -In den middag kwam Madagascar in het zicht, een blauwgroen streepje aan -den Westelijken gezichtseinder; later breidde de streep zich uit, -onafzienbaar wijd. Grijze gevaarten, die men tot nu toe voor wolken had -gehouden, bleken bergen te zijn. Een gele strook in de branding duidde -op een rivier, die in zee uitkwam. Daarop werd de koers gesteld, en in -den avond had men de branding doorworsteld en de jol gemeerd. - -Men nam de wapens mee en zocht in de vallende duisternis een half uur -ver den omtrek af. Geen spoor van menschen. - -Vlak tegen het strand begon het woud. Een net van lianen, steltwortels -en doornstruiken met stekels, groot en scherp als de nagels uit een -tijgerklauw, ontzegde den toegang. Ineens, zonder overgang, de -ontzagwekkende, meedoogenlooze, stomme strijd van het tropische -oerwoud: boomkolos naast boomkolos. Worstelend om licht, trachten elke -boom en plant in hun schaduw te verstikken wat zich rondom bevindt. -Woudreuzen staan kruin aan kruin, als onoverwinlijke heerschers. Hier, -in dit rijk van den sterkere, is zwakte een schuld, waarop de doodstraf -staat, en kracht is recht. - -Maar ook sluwheid weet er zich te handhaven. Sluw zijn de -woekerplanten, die, wel bewust, dat eigen grootheid hen niet dragen -kan, zich hechten aan de sterke reuzen en, listig kronkelend, zich -voedend met het krachtige bloed dier reuzen, hun wegen vinden naar het -licht, daarboven. - -Raven zitten in de boomen; ze cirkelen met dreigend en naargeestig -krassen om de toppen, of hokken in lange rijen zwijgend bijeen, als -trieste, zwartgerokte gasten in een doodenhuis. Onder de takken door -fladderen vleermuizen; zij kennen de verborgen gangen in het donkere -woud, ze duiken weg en komen weer te voorschijn, onverwachts, met -luimig vlerkenspel, als duiveltjes uit een heksengraf. - -De maan breekt door. Over het water komen de avondnevelen: ijle, -wonderlijke gestalten in lange, bleeke, wuivende gewaden. Zij voeren -bij het harpspel der golven een sluipenden, geheimzinnigen dans uit. - -Zwijgend, eenigszins beklemd, drentelen de oomes weer naar de jol. Dan -worden haastig, zonder veel spreken, een paar tenten opgeslagen voor -den nacht. - -In het Oosten licht iets rossigs tegen de wolken,—dat is de weerschijn -van het vuur, dat de bij de Nieuw-Hoorn achtergebleven maats hebben -ontstoken, in geval de lui van de jol nog denzelfden nacht mochten -willen terugkomen. Het is ganschelijk overbodig, dat de oomes hier als -antwoord óók een vuur ontsteken; maar ze kunnen het toch niet laten; -het doet zoo goed, te weten, dat daarginds nog meer vrienden zijn en -dat daar hun bovenste-beste schuit ligt, die toegetakelde kast, die met -haar opgelapten grooten mast voor den drommel bij goeien wind nog twee -knoopen méér maakte dan elke andere kast, en die hen allemaal, jongens -van de compagnie, zou terugvoeren naar dat beroerde kikkerland, waar -het toch zoo deksels gezellig kon zijn, waar je, in plaats van -oerwouden, geraniums in een potje, hè-hè-hè! voor je venster had -staan,—naar dat half ondergeloopen lapje grond, waar je met hard malen -en ferme baggerlaarzen nog net doorheen kon modderen; naar dat -boter-en-kaaslandje, waar je moei en je meissie kousen voor je breiden, -je zoenden en een fijn bakkie koffie voorzetten uit den ouwen gebarsten -koffiepot, die boven het vuur zoo lekker knussies roezemoezen kon. - -Zuchtend sliepen de oomes in. - - - -Maar den volgenden morgen waren ze herboren! Even een bad, dan een -gloeiend bakkie op je nuchtere maag, een beetje stoeien, de tenten -ingepakt, een stuk rogge achter je kiezen, en zingend en kauwend -tegelijk roeiden ze de jol de rivier op. De monding was breed, wel -tweehonderd ellen, en in het midden liep een diepe vaargeul. Maar -allengs werd de rivier smaller, en groote, verspreid liggende steenen -bemoeilijkten de vaart. De oever begon te stijgen, werd rotsachtig. De -zware, donkere loofboomen begonnen langzamerhand geheel te -overheerschen, drongen het lichtgroen, wuivend gebladerte der palmen -terug. - -Tusschen steile steenen wanden gleed nu de jol stroomopwaarts. Hoog in -de lucht omstrengelden elkaar de boomen van beide oevers. Aan -vooruitstekende steenpunten hadden zich planten gehecht, welker -bloemrijke stelen in sierlijken val omlaaghingen. Zwaluwen scheerden -rusteloos heen en weer door de kloof, luid, doordringend tsiep-tsiep! -roepend, waarschijnlijk uit bezorgdheid voor hun nestjes, waarvan de -plaats door een streep vuil makkelijk te raden viel, al waren de -hangmatachtige, grijze vogelhuisjes zelf ook handig aan het oog -onttrokken. Hagedissen schoten in zig-zaglijnen tegen de loodrechte -wanden omhoog. Hier en daar hing aan een rotspunt een geelgrijs -bijennest, aan den onderkant omzoemd door een dichten zwerm. - -Pats! Een paar steenen of noten—wat waren het?—plasten in het water. De -maats keken op. Waar kwamen die dingen vandaan? Wie had ze geworpen? -Pats! Een nieuwe laag. Twee kletterden in de boot neer,—het waren -noten. Wat bewoog zich daarboven, heel hoog, in de takken? „Apen!” -meenden de maats. „Ze willen ons meppen!” - -Pats! Een nieuwe laag. Padde kreeg een noot op zijn gezicht, juist toen -hij angstig omhoog keek. ’n Ferme bloedneus,—dat was gelukkig alles. -Gerretje laadde een musket met ganzeschroot, mikte en knapte af. Het -schot dreunde oorverdoovend in die nauwe kloof. Uit hoeken en gaten -tuimelden vleermuizen, tolden piepend van den eenen wand tegen den -anderen. Steentjes, door den plotselingen luchtdruk losgeraakt, -kletsten het water in. Maar het schot had doel getroffen. Den kop naar -beneden, een langen, geringden pluimstaart als een vlag omhooggestoken, -suisde een aapje omlaag, viel tien ellen voor de boot in het water. Een -roze sneeuwval van teere bloesems dwarrelde neer en dekte aapjes graf. -De maats grepen het diertje, toen de stroom het aan de jol -voorbijvoerde. Drie, vier gaten in het lichte, zachte borstje toonden, -hoe bitter goed het schot was aangekomen. Het kopje was zilver-wit van -kleur; een zwarte vlek lag om de nu gesloten oogjes. - -In de boomen daarboven waren intusschen de andere notenwerpers van hun -ontsteltenis over het schot bekomen: het regende weer noten. De Neus, -die een noot tegen zijn wang gekregen had, waarbij zijn oor leelijk -gekwetst was, pakte op zijn beurt grimmig een musket. - -„Laat dat, Neus! Hoe meer je schiet, hoe beroerder we er aan toe zijn!” - -Maar de Neus wilde niets hooren. Hij laadde het musket, drukte af..... -Boem! - -Toen gebeurde iets ontzettends. De steenen wand van den linker oever -vertoonde in eens over de geheele hoogte een scheur; er kwam beweging -in; een scherp gekraak,—toen zakte de wand voorover, kwam tegen den -anderen wand te staan, brak doormidden en stortte donderend, vlak -achter de jol, in de rivier. De boot kwam na in schuine richting omhoog -te te zijn geslingerd, een eind verder weer neer en werd in hetzelfde -oogenblik bedolven onder het loof van een zwaren boom, die door de -vallende steenlaag was neergerukt. Wonder boven wonder werd het -vaartuigje in zijn tuimeling niet verpletterd. - -Lijkwit, tot op het hemd doorweekt, zaten de maats in de jol, de beide -handen om het boord geklemd. „Daar hadden we slechter kunnen afkomen”, -meende Bontekoe lakoniek. - -Een paar maats vonden hun spraak terug en begonnen den Neus de huid vol -te schelden. Deze zat rondom in het dichte gebladerte, een bloesemkroon -om de slapen, die hem een feestelijk aanzien verleende. Maar zijn -stemming was volstrekt niet feestelijk; wezenloos, met de ontzetting -nog in de oogen, staarde hij naar zijn makkers. - -„Het is een losse wand geweest”, stamelde Rolf. - -„Laten we onder de boom zien weg te komen”, raadde Bontekoe. „Zoometeen -gaan we hier kopje-onder!” - -Zoo was het. Door de plotselinge stremming wies het water zienderoogen. -En daar de boot onder den boom gekneld zat, moest ze wel volloopen! - -Alle handen aan het werk! De maats kapten met bijlen en messen een -uitweg voor de jol, die na veel gewurm vrijkwam. - -Binnen weinige minuten zou het water over den rotswand een geduchten -val vormen. - -„Hoe straks terug te komen?!” - -„We zitten als ratten in een val”, stotterde Floorke. - -„Doorroeien!” beval Bontekoe. „Misschien vinden we hoogerop een -zijrivier, die ook in zee uitloopt.” - -Verdraaid, dat was zoo mal nog niet! Als ze een zijrivier vonden, waren -ze klaar! Pats! de riemen scheerden alweer over het water. Eén -voordeel: nu het water was opgeloopen, roeide het vrij wat lichter. En -de apen waren ze kwijt! De kwelgeesten schenen den schrik te pakken te -hebben. - -Wanneer zou er eens een eind komen aan die hooge, beklemmende wanden, -die slechts op een musketschot schenen te wachten om voorover te vallen -en een stel arme janmaats te laten verongelukken? Bij elke bocht -hoopten ze het einde van de kloof te zien. En ten slotte..... daar -daalden de oevers, en onmiddellijk verbreedde zich het waterbed. De -oomes ademden diep op. - -In de kloof was het koel geweest, maar hier voelden de mannen de hitte -weer geducht. De jol werd naar den kant, onder de schaduw der -ontzaglijke boomen geroeid, en puffend zetten de maats zich neer op een -groote rotssteenbank. De Neus wilde zijn zonde van daarstraks weer -goedmaken, ging aan den oever wat hout sprokkelen. In een oogwenk had -hij wat licht brandbare takken bijeen, en nu werd op de bank, met -behulp van een paar kleine steenen, een oventje gebouwd, waarop Harmen -zijn koffieketel plaatste. Rolf en Gerretje sleepten een net een -eindweegs langs den oever, waarbij ze een aardig partijtje visch -vergaarden, die gebakken werd in kokosolie. Toen de hongerige magen -gestild waren, zette men den tocht weer voort. - -Aanvankelijk hield men het midden van den stroom, maar spoedig dwong de -brandende zon de mannen de schaduw op te zoeken, al had men daar ook -meer last van steenen. Merkwaardig stil was het woud. Soms krijschten -papegaaien, of verscheurde een onbekende dierenroep de stilte. Maar de -stilte sloot zich weer, vlak na het geluid, en van den weeromstuit werd -er in de jol ook gezwegen. - -Allengs werd de rivier nauwer; men kon thans in het midden varen: de -boomen van beide oevers sloten hun kruinen over het water aaneen. - -Een paar kleine herten stoven verschrikt weg, het gewei achter in den -nek. Steeds zwaarder welfden de bladerenmassa’s zich over de nauwe -rivier. Hier hing schemerlicht; de zon kon nergens doordringen. De jol -schoof onder een boom door, waarvan de takken door het water sleepten; -aan de twijgen bengelden groote, groene vruchten; de onderste waren -door de visschen beknaagd. - -Harmen proefde er een. Ze was saprijk en heerlijk zoet. Toen plukten de -maats wat er maar te plukken viel. - -Toen de jol onder den vruchtboom uitschoof, lichtte den maats op eens -weer de volle zon tegen; in breeden val sloeg het goud door een opening -van het bladerendak neer. En zie: badend in dat hemelsche licht stond -een boom, zoo zielsverrukkend mooi, dat de oomes geen woorden vonden om -hun bewondering te uiten. Hij was met sneeuwwitten bloesem overdekt en -ademde een bedwelmend zoeten geur uit. Koesterend gleed het warme licht -over het blanke bloemkleed, en tooverachtig dwarrelden vlinders en -bonte, glanzende kevertjes in het goud. - -De bewonderende uitroepen gingen echter spoedig in verwenschingen over, -toen bleek, dat die prachtige boom een haast onoverkomelijken -hinderpaal vormde in den waterweg. Nergens was een doorgang te vinden. -Er met den bijl een hakken? Dat zou weer een half uur ophouden. - -Hajo werd door Bontekoe uitgezonden om de rivier hoogerop eens te gaan -verkennen. Na zich met zijn lenig jongenslichaam door de nieuwe -hindernis heengedrongen te hebben, zag hij, dat de rivier verderop -steeds meer dichtgroeide. - -Men hield krijgsraad. Er zat niets anders op dan maar weer terug te -roeien en—hoe, dat wist niemand nog!—de jol heen te helpen over den -waterval, die door den gevallen rotswand ontstaan was. - -Ook iets anders baarde zorg. In het Westen begon de lucht te betrekken. -Vooraan kwamen een paar donkere wolken, als ruiters op verkenning; -daarna een zwarte drom, staag aanrukkend. - -„Een regenboog!” riep een oome. Daar stond hij, fel en valsch tegen het -zwart. Maar meteen schoof een loodkleurige wolk voor de zon; verschrikt -schoten de gouden stralen ter zijde uit, boorden in het groezelig -grauw, verfletsten, en ook de regenboog bleekte weg. - -Nu werd alles in schemer gehuld. Men voelde de hitte toenemen, een -broeierige hitte, die het ademen moeilijk maakte. De maats spanden, in -afwachting van den komenden regen, een zeil over de jol. Het zweet -droop hun van de schouders. - -Kom, bleef het onweer nu nog lang uit? De spanning prikkelde; de heele -natuur verlangde naar den eersten, bevrijdenden donderslag. Daar kwam -hij! Vlak op het weerlicht, dat alles in ’t vaalgroen zette. Papegaaien -krijschten. - -Daar ratelde de tweede slag; als kon het geluid niet meer sterven, zoo -lang weerklonk het in het woud en rommelde het in de verte na. Flits! -Boem! Driemaal achtereen. Hoor de demonen razen! Ze zitten elkaar na, -daar in die zwarte wolkenwereld; ze klauteren op hun duivelsrossen en -slingeren bliksemstralen rond. Hoor het razen van de trommen, het -schelle bonzen der strijdbekkens! Daar komen ze, nieuwe, zwarte -drommen; ze stuiven voorwaarts, botsen opeen. Valt aan! Hu, rossen, -valt aan!! Rondom grauwen en grommen en grimmig geweld! - -Dan..... de bevrijding! Daar klettert hij neer, de forsche, ruischende -regen, bevruchtend en heilbrengend. Jubelend davert hij in de bladeren, -lachend spet hij in het water en roert het, tot de bruine modder naar -boven wentelt. - -Voorbij..... Met een diepen zucht kruipen de maats onder het zeil weg, -rekken de verstijfde leden en ademen uit volle borstkas. Vol nieuwen -moed pakken ze de riemen op en vangen den terugtocht aan. - - - -Verwonderlijk snel ging het nu, met den stroom mee; om vier uur was men -weer bij de kloof. Hier werd de jol gemeerd. Langs beide oevers zou een -dozijn maats de boot volgen met een stuk of wat stevige touwen, en zoo, -van boven uit, hoopte men de jol over de hindernis te kunnen tillen. De -schipper zou met Floorke en nog een handvol fiksche maats aan boord -blijven. - -Men nam afscheid. De oomes aan de beide oevers klauterden langs de -rotsen omhoog, en de jol schoot met z’n kleine, dappere bemanning de -kloof binnen. De stroom versnelde zich nu weer verbazend; er moest heel -wat stuurmanskunst worden aangewend om een ongeluk te voorkomen. En bij -de plaats des onheils gekomen, scheelde het maar een haartje, of alles -was nog misgeloopen. Had men voor enkele uren nog stroomopwaarts -geroeid, nu zou daar geen denken meer aan zijn; zoo had de regen het -stroompje doen zwellen. Met groote snelheid dreef de jol in de -richting, waar donderend watergeweld den val aankondigde; men trachtte -de vaart te stutten door de riemen als boomen te gebruiken..... -vergeefs! De haren rezen den kerels te berge. - -Floorke, handig als de drommel zelf, zette zich in het dansende -vaartuigje schrap, sloeg fiks een lus in een touw, wierp het als een -lasso om een vooruitstekende rotspunt, wikkelde toen met een -bliksemsnellen slag het einde van het touw om de roerpin. Een knoop er -op, waar geen landrot wat van snapte, en de jol bleef met een ruk -liggen. Een zware zucht steeg op uit aller borst. Met Floorke kon je -uit visschen gaan. Er werd nog een touw om de rots geslagen, voor het -geval de eerste zou afbreken. Daarna wachtte men zwijgend—het geraas -van den waterval maakte elk onderhoud onmogelijk—op de komst der -anderen. - -Dezen hadden vrij wat meer tijd noodig om vooruit te komen en zeker -niet minder moeilijkheden te overwinnen. Het was een eindeloos -klauteren, een staag voortworstelen door struikgewas en boomstammen, en -nu en dan moest men zelfs van den eenen boom in den anderen -overklimmen. Een escorte half-apen begeleidde hen daarbij, hield zich -den buik vast bij de stumperige klimpartij dier witte monsters. De -takken waren nog glibberig van den regen; om den haverklap gleed een -oome uit en kwam wonder boven wonder zonder gebroken hals of beenen in -de doornen terecht. De maats gingen tot den maatregel over, dien men in -de bergen toepast: een gemeenschappelijk touw verbond hen. Als er nu -weer een viel, bleef hij aan zijn riem hangen. Hilke aan den -linkeroever, en aan den rechter de Neus, die ook niet voor een klein -geruchtje vervaard was, wierpen zich als voormannen op; aan hen de taak -om met een bijl de versperrende lianen weg te kappen. - -Daar de partijen beide het eerst wilden aankomen, werd er niet gerust. -En zoo kwamen de mannen vrijwel gelijktijdig bij de jol. De touwen -werden omlaag geworpen en reikten krap aan. Met fikschen slag trokken -de kerels in de boot ze onder de kiel door, zoodat de jol in een -schommel kwam te hangen. - -„Alles klaar?” De oomes sloegen hun knuisten om de touwen; langzaam -werd de kabel, die door Floorke om den rotspunt was geslagen, gevierd; -twee dozijn gespierde oomes tilden de jol op, droegen haar over de -gevaarlijke plaats en lieten haar met kleine rukjes zakken, tot ze weer -op het water lag. Oef.....! dat was goed gegaan. - -De touwen werden nu om een stam geslagen, en mannetje na mannetje liet -zich weer in de jol glijden, tot allen beneden waren. Toen liet men de -touwen los, en de jol gleed weer voort in den bruisenden stroom. Van -den linkeroever lieten zich vlak achter de maats aan een paar half-apen -langs het touw omlaag slieren en bungelden nu krijschend, aan één arm -en één voet heen en weer. Daarop verloor men, bij een bocht, de zoo -moeilijk overwonnen hindernis uit het oog. - -Even later schoot de jol de kloof uit en dreef weer voort tusschen -vlakke, wijde oevers. De mannen zagen nu, dat de zon al achter de -bergen zat. En bij het naderen der riviermonding viel de duisternis in. -De maan was vol, maar school telkens achter donkere wolken. Dan openden -zich rondom griezelige spelonken. Uit den hemel drupte zwarte inkt -omlaag: het regende weer wat. - -Heimwee bekroop de maats, heimwee naar hun schip, naar hun makkers, -naar het vooronder, naar het gevoel weer een veiligen Hollandschen -bodem onder de voeten te hebben. Hoewel de lucht er dreigend uitzag, -voelde geen der mannen lust om aan land te overnachten: bij de monding -der rivier gekomen, zetten ze zwijgend den mast op, heschen het zeil en -stuurden in zee. - -De wind sloeg bij vlagen door, zoodat het zeil luimig rukte en de jol -sterk en onverwacht deed hellen. Men hield den kop van het vaartuigje -zooveel mogelijk recht in de golven, wat gelukkig niet moeilijk viel, -want wind en stroom kwamen uit het Noorden, en men was op den heentocht -geducht naar het Zuiden afgezakt. Maar de zee was al even luimig als de -wind: telkens kwam, vóór men er op verdacht was, een zware golf, die de -jol hoog op haar armen tilde en weer in de diepte kwakte, zoodat de -oomes in een ommezien doornat waren. - -Steeds woeliger werd de zee; steeds heftiger drukten de windstooten in -het zeil. - -Hopla! De jol schepte water. Baliën! Gelukkig had men putsen -meegenomen. Verjoppie, daar dreigde het stuurboord voor de tweede maal -onder water te schieten; de mannen lieten zich naar bakboord -overvallen; de mast kraakte onder den hevigen druk. - -„Zullen we reven, stuurman?” vroeg Bontekoe. - -„Me dunkt, we kunnen het nog wel even houden, schipper!” - -De maats hadden schik. Laat het zeil maar op; de jol lag vast genoeg; -ze zouden wel zorgen, dat-ie niet kiepte. Hoe gauwer thuis, hoe liever! -Ze hebben de putsen klaar om te baliën,—jongens van stavast, wà-blief? -Kennen de zee als moeders waschtobbe. Hei! wat schoot de jol door de -golven! Hoe smeuïg doopte-d-ie, bij het afglijden van zoo’n gladden -golfrug, z’n neus in den volgenden! - -Op eens.....! Aan bakboordzij een hooge, donkere muur; de jol werd -weggezogen, tegelijkertijd overkruifde haar van achteren een andere -golf; een witte mantel van schuim werd hoog over de jol zwierig -uitgeworpen,—toen kregen de arme kerels, die van schrik overeind -gevlogen waren, de volle lading binnen. „Baliën!” Ze voelden nog bodem -onder de voeten; de jol dreef dus, al lagen de boorden zoowat met het -water gelijk. Hijgend en vloekend van angst hoosden de kerels. Wie geen -puts had, wierp met handen en mutsen het water terug. Bontekoe greep -een vaatje olie en goot dat aan bakboordzijde leeg. Daarna spande hij -samen met Hilke, terwijl de anderen nog druk aan het baliën waren, een -zeiltje over de plecht, om het water af te weren. En toen het hoozen -gedaan was, werd ook het gedeelte achter den mast overspannen, slechts -vrijlatend een plaats voor den man aan het roer. „Als we nou kiepen, -kunnen we zeggen: samen uit, samen thuis!” meende een oome. - -„Het vuur!” riep de stuurman. De maats gluurden onder het zeiltje door -en zagen den rossen schijn. Dat gaf moed! - -Een golf van heb-ik-jou-daar mepte op het zeil. De oomes hadden schik. -Als het zeiltje er niet geweest was, nou! Ze sjorden het voor alle -zekerheid met nog een paar touwen vast. Hopsa! Kon men ergens ter -wereld lustiger dansen dan op zee? De leut was er bij de kerels niet -meer uit te krijgen. Ze dreinden daar onder hun zeiltje alle deuntjes, -die ze kenden. Binnen een uur zouden ze veilig op één oor liggen! - -Maar de pret dreigde leelijk verstoord te worden. Een windvlaag drukte -het zeil zoo ver neer, dat de jolboord onderdook, en het water over de -geheele breedte naar binnen stroomde. De maats verstomden, voelden, dat -de jol nog verder overhelde.....! Snel als de gedachte trok de Neus z’n -mes en sneed met een forschen ruk het strakgespannen ondertouw door, -waaraan de boom met het zeil uit alle macht trok. De boom sloeg weg, -beukte in het water; het zeil rukte woedend, vloog in flarden. Maar de -jol richtte zich overeind, al stond ze ook weer half vol water. De -maats spanden hun rug tegen het zeiltje, dat de touwtjes knapten, en—in -koortsige haast hoozende—scholden ze den Neus uit voor al wat leelijk -is. Want bij een ongeluk behoort een zondebok. - -Ditmaal was de Neus minder beteuterd: hij was terecht overtuigd, de jol -en al zijn makkers voor een wissen ondergang behoed te hebben. - -Nu, roeien dan maar! De golfslag werd minder hevig: ze naderden land. -Daar dook de verlichte Nieuw-Hoorn al achter een waterrug op! Moed, -jongens! - -Een half uur later zagen ze gestalten op het dek. „Ahoy!” riepen de -oomes, staken de lantaren aan en zwaaiden er mee. De wacht in ’t -kraaiennest antwoordde. De maats voelden zich al weer thuis. „Blij toe, -jongens!” - -„Nou!” In de kombuis werd licht opgestoken. Beste, brave Bolle! Ze -roeiden naar de lijzijde, grepen de touwen, die hun werden toegeworpen, -sloegen ze door de hijschpinnen. - -Toen klauterden ze stuk voor stuk langs de valreep omhoog. - -„Daar zijn we weer!” - -„En? Hoe hebben jullie ’t gehad?” - -„’n Fijn tochie! De Neus heit half Maddegasker an puin geschoten.” - -„Is ’t waar, Neus?” - -„Op je gezicht! Als ik er niet was geweest, waren ze met z’n allen naar -de haaien gedoken!” - -In optocht, met knikkende knieën, begaven de teruggekeerde oomes zich -naar de kombuis, waar ze trillend van welbehagen de gloeiende koffie -opslurpten, die Bolle ondanks het late uur voor hen had opgezet, toen -de wacht hen in zee had gesignaleerd. De natte kleeren van ’t lijf, -droog ondergoed aan en onder de wol. Hè! - -Ze snurkten.....! ’t Was bij de varkens af,—vond een maat, die twee -dagen lang gepoetst had en daarbij alle levensvreugde was kwijtgeraakt. - - - -De koopman ontving Bontekoe gekleed in de kajuit. „En heeft de tocht -wat opgeleverd?” vroeg hij. - -Eerst nu kwam Bontekoe tot het besef, dat de tocht geheel vruchteloos -was geweest. In zijn vreugde over den gelukkigen afloop na al de -gevaren, die hen hadden gedreigd, was hem dat gansch en al door het -hoofd gegaan. Nu ineens stond hij voor de nuchtere vraag, wat de tocht -had opgeleverd. - -„Een nat pak kleeren”, was zijn antwoord. - -„Daar heeft de Compagnie niet veel aan!” meende koopman Rol -glimlachend. - -„De Compagnie!” Hoe langer de Nieuw-Hoorn op reis was, hoe dieper zich -in Bontekoe onbewust het gevoel geworteld had, dat het schip van hèm -was en van z’n tweehonderd kerels, die er elken dag hun leven voor veil -hadden. Hij voelde zich, ook nu weer na die korte worsteling met de -zee, heer en meester op de Nieuw-Hoorn. En de koopman, de bloedlooze -rekenaar, die voor geen avontuur in gloed te zetten was, die stille -potkijker, dien hij, schipper Bontekoe, voor den duivel, nog als -lichtmatroos niet zou kunnen gebruiken, zwamde over „de Compagnie!” - -Straks, als de schuit veilig gemeerd op de reede van Bantem lag, dan -kwam „de Compagnie” aan het woord, dan kon Rol koopen en verkoopen, tot -hij al zijn boeken had volgekrast. Maar de taak om de Nieuw-Hoorn -veilig daarheen te brengen, was voor hèm, Willem IJsbrantsz. Bontekoe, -op dit oogenblik nog: naast God schipper op zijn schip! - -„De Compagnie!” herhaalde hij driftig, draaide den verbluften Rol -vierkant den vierkanten zeemansrug toe en ging ter kooie. - - - - - - - - -BRAND! - - -Den negenden dag, dat de Nieuw-Hoorn voor Sante-Marie lag, waren allen -genezen. En men ging welgemoed onder zeil, vertrouwende, dat de -voorraad versch voedsel toereikend zou zijn. Men koerste eerst -Zuid-Oostwaarts tot op 33° en wendde den steven daarna Noord-Oost naar -Straat Soenda. - -Het waren mooie, stille dagen. De maats hadden de handen vol met het -onderhoud van het pluimvee. Maar heel hun leven hadden de oomes niet -zooveel eitjes gepeuzeld. - -Padde werd in den loop der weken zelf zoo rond als een ei. Men ried hem -wat beweging aan. Zuchtend besloot Padde het werkje over te nemen, dat -tot nu toe de Schele altijd had verricht, namelijk ’s middags met een -vaatje in den kelder te gaan en dat vol te pompen, ten einde den -volgenden morgen allen oomes een half „mutseke” te kunnen verstrekken. - -Joppie kreeg spreeklessen. Een kreet van blijde verrassing ging onder -de oomes op, toen hij duidelijk verstaanbaar: Hajo! krijschte. Maar nu -bleek, dat Joppie al niet veel beter was dan de menschen: ook hij -stelde zijn kennis in dienst van het booze. Hij riep zijn meester den -ganschen dag, liefst barsch, bevelend, zooals Berentsz. het deed, dan -weer lokkend, vleiend, of angstig, opgewonden, als wilde hij zeggen: -Kerel, je bent me toch niet overboord gevallen?—Zoo kwam Hajo soms -buiten adem aanhollen om te vragen wat de bootsman van hem wou, en vond -dan, in plaats van een grimmigen Folkert Berentsz., een -allervriendelijksten Joppie, die hem den kop toestak om gekrauwd te -worden. Alle maats, die den leergierigen vogel hun naam wisten in te -pompen, kregen er spijt van als haren op het hoofd. - -Joppie leerde ook zijn eigen naam en toonde in het uitspreken ervan een -groote mate van zelfingenomenheid. De maats wisten niet waar ze bleven -van het lachen, wanneer Joppie zijn naam in alle toonaarden, den een -nog vleiender en liefelijker dan de andere, uitgalmde. - -Gerrit was tevreden over zijn pleegkind. Hij had aanvankelijk wel wat -raar tegen den krommen snavel en de bonte pluimage van den jongen -„torenkraai” aangekeken, maar nu herkende hij in de wijze, waarop -Joppie: Ka! kon zeggen, toch duidelijk een rasgenoot. - -Toen de oomes vonden, dat Joppie meer dan wijs genoeg was, nam Padde de -taak over om Joppie’s leergierigheid te bevredigen. - -„Vooruit!” zei Padde, „zeg nou eens: Padde Kelemeijn!” - -Joppie keek hem pienter aan. „’t Is een merakel!” meende het dier toen. - -„Vooruit!” mopperde zijn leermeester. „Padde Kelemeijn! Zeg het dan, -stommeling!” - -Joppie hield z’n kop schuin, luisterde vol aandacht. Toen keek hij -Padde trouwhartig aan en schetterde: „Stommeling!” - -„Je bent zelf een stommeling!” gromde Padde, die rood werd van drift. - -„Kletskoek”, verklaarde de vogel en keek luchthartig naar boven. - -Padde staarde het dier met opengespalkte oogen sprakeloos aan, keerde -zich toen om en nam zich voor, geen woord meer aan het mormel te -verspillen. - - - -Zoo kwam een dag, die den mannen van de Nieuw-Hoorn lang heugen zou: de -negentiende November van het jaar 1619. - -Naar gewoonte begaf Padde zich in den namiddag naar den kelder, daalde -met zijn kaars het korte trapje af en plaatste het licht op een volle -ton, om de handen vrij te hebben voor het pompen. - - - „Mallemallemootje, - Zeven in een bootje; - Mallemallemootje, mallemallemoer, - Zes aan de riemen en een aan het roer!” - - -zong Padde, blijgemoed pompende. Het vaatje was vol; Padde bevrijdde -met zwierigen greep de kaars, die hij op de ton had vastgesmolten. Toen -viel—kon het ongelukkiger?—het gloeiend eindje der kaarsepit in het -spongat; de brandewijn daarbinnen vatte vuur; de duigen scheurden met -een doffen knal uiteen, en de brandende vloeistof dekte ineens den -geheelen kelderbodem. Met een schreeuw vloog onze botteliersmaat het -laddertje op, zag twee putsen water staan, waarmee Hajo en Rolf aan het -dekschrobben waren, greep de putsen en keerde ze boven het luik uit. - -„Padde! Wat is er?!” - -De arme dikzak wilde wat stamelen, maar het was niet meer noodig: het -sissen, knetteren en de wolk verdampt water, die uit het luik opsloeg, -zeiden genoeg. - -„Brand! Brand!!!” - -Dat werkte. Van alle kanten kwamen de maats met verschrikte gezichten -aanhollen, sommigen al met volle putsen. „Wáár is de brand?!” - -„In de kelder!!” Angst en opwinding trilden door aller stem. In razende -haast zocht men naar putsen. Heele plassen water werden door het luik -geworpen. - -Folkert Berentsz. klauterde, nadat men wel een honderd emmers water had -leeggeworpen, den kelder in en kon daar gelukkig geen brand meer -ontdekken. Intusschen had Bontekoe zich naar het ruim gehaast, waar, -zooals hij terecht vermoedde, plassen brandend vocht den bodem dekten. -Hij riep om putsen. Na een tiental te hebben leeggegoten, scheen ook -daar de brand gebluscht. - -Een zucht van verlichting ging op, toen men hoorde, dat de smidskolen -niet door het vuur waren aangetast. Nog hijgend van opwinding, besprak -men het gevaar, dat gedreigd had. Als de brand tot in den kruitkelder -was doorgedrongen..... - -„Padde!” werd er geroepen. „In de kajuit komen!” - -De arme jongen trilde over al zijn leden. Ongemerkt wist hij door een -luik in het ruim te glippen. Daar was het stikdonker; tastend daalde -hij het steile trapje af. Beneden gekomen, wankelde hij naar een hoop -touw, ging zitten, borg het hoofd in de handen en schreide, -schreide..... - -Stil! Wat hoorde hij daar?! Met bonzend hart luisterde Padde. Hij -durfde de oogen haast niet te openen in dit griezelig donker. Krak! -Knaps! Kritsch! Klappertandend richtte Padde het hoofd op. Was het een -koortsschim? Daar, aan den anderen kant van het ruim, laaiden groote -vlammen op! Een zwavelige lucht drong Padde in den neus. Groote -God.....! De kolen brandden.....!! - -Met een schreeuw vloog Padde naar de ladder. „De kolen...! De -k-kolen!!! - -Een nieuwe paniek. „De kolen?! Branden de kolen?!!” - -Een paar kloeke maats zijn het eerst weer het ruim in, gewapend met -putsen water, die ze hijgend leegkletsen over de brandende kolen. Gesis -van heb-ik-jou-daar; gele zwaveldampen barsten uit den gloeienden berg -te voorschijn, en in een oogwenk is de lucht in het ruim zoo benauwend, -dat men het er geen twee minuten kan uithouden. - -Maar de kerels zijn taai. Altijd opnieuw dalen ze met volle putsen -langs het smalle laddertje in het ruim af, banen zich een weg in het -verpeste zwavelhok, werpen het water over de kolen en zoeken tuimelend, -vloekend, met betraande oogen den weg terug naar het laddertje. -Hoevelen vinden den weg? Hoevelen zakken bedwelmd, reeds half verstikt -ineen, na in radeloozen angst heen en weer gerend te zijn? - -Bontekoe leidt zelf het werk,—tot zijn stem versmoort, en hij wankelend -de ladder op vlucht. Maar een minuut later is hij weer beneden. „Moed, -jongens!” - -Men kapt gaten in het tusschendek, werpt ontzaggelijke hoeveelheden -water in het ruim. Zou het helpen? De planken bodem onder de voeten -wordt steeds heeter; de maats springen als zandvlooien rond, moeten om -den haverklap hun half verschroeide voetzolen koelen in de putsen -water, die ze aandragen. - -Zou men het kruit overboord werpen? De kans om in deze streken een -Spaansch schip te ontmoeten is bedenkelijk groot. Zonder kruit aan -boord zou men verloren zijn. Nu, met het wegwerpen van het kruit dan -maar tot het uiterste gewacht. - -Hou vast, mannen! - - - -Maar er waren verraders. Wetende, dat de jol en de sloep achter het -schip aansleepten, (de jol was sinds het vertrek van Sante-Marie nog -niet binnengehaald, en de sloep was daareven uitgezet, omdat ze bij het -bluschwerk in den weg stond) hadden enkelen het voor raadzaam gehouden -zich overboord te laten glijden, naar de jol of de sloep te zwemmen en -zich onder de banken te verbergen. De koopman, die juist naar de kajuit -ging om in elk geval reeds zijn voornaamste papieren bijeen te binden, -zag juist een kerel de jol inkruipen. „Wat heeft dat te beteekenen!” -schreeuwde hij. - -„Kom ook in de booten, Koopman!” riepen de maats. „Temet vliegt de -heele kast aan gruzelementen!” - -„Als jullie niet terugkomt, waarschuw ik de schipper!” riep Hein Rol -driftig. - -„Dan kappen wij de touwen door!” - -„Schurken!” was Rol’s verontwaardigd antwoord. - -„Ga je mee of niet?” werd er uit de jol geroepen. - -De koopman weifelde even, maakte een onwillig gebaar. „Ik kom!” riep -hij toen norsch. En hij spoedde zich naar de kajuit om zijn paperassen. - -Want kostbaarder dan zijn eer, waren hem zijn papieren. - -Toen hij zich langs een touw in de jol had laten glijden, kapten de -maats de booten vrij. „Roeien jullie weg?!” vroeg Rol verschrikt. - -„Neen, waarachtig niet, we zullen in de buurt blijven om te helpen. -Maar zoo meteen vliegt de boel aan stukken, dan moeten wij buiten schot -zijn.” - -De koopman zweeg, keek met bezorgd gelaat naar het schip, waaruit een -vuil-gele rook opwervelde, die masten en touwen aan het oog onttrok. -„’t Is gekkenwerk om nog aan blusschen te denken!” zei hij, om zijn -geweten gerust te stellen. En hij blies zich in de bleeke handen, die -geschaafd waren door het omlaagglijden langs het touw. - - - -Op het schip vochten de anderen. Met toegeknepen oogen gaven de mannen -elkaar de volle putsen over. Hou vast, jongens!! - -Daar kwam de barbier aanhollen. „Schipper! De booten zijn weg!!” - -De mannen zijn verlamd van schrik. „De booten weg?!!” Alles vliegt naar -de verschansing. Daar drijven de booten!! Een stomme woede maakt zich -van de verlatenen meester. - -„Schipper! Wat nou??!” - -Zóó hebben de mannen hun schipper nog nooit gezien. Het open -zeemansgelaat is plots vertrokken van toorn en smart. „Haal de zeilen -om, mannen! We zullen ze onder de kiel stroopen!” - -Smart over de wonde, die hun makkers hun geslagen hebben, doet de maats -het want invliegen en, tastend in den groezeligen rook, met -opeengeklemde tanden de zeilen krap zetten. Zoo koerst men recht op de -booten af. - -Daar schijnt het dreigend gevaar vermoed te worden. De kerels roeien -als dollen, steken drie scheepslengten voor de Nieuw-Hoorn over, den -boeg in den wind, zoodat ze niet achtervolgd kunnen worden. - -„Wel, laat hun geweten hen dan straffen!” roept de schipper. „Nu het -kruit maar overboord, mannen! De schuit drijft nog! Als we er -aangaan,—dan met z’n allen!” - -„Leve Bontekoe!!!” brullen de oomes, al is het alleen maar om den -laffen kameraden daarginds te laten hooren, dat er nog kerels zijn, die -niet in de booten kruipen, als de schuit in gevaar is. Grimmig pakken -ze met hun verweerde knuisten de tonnetjes kruit, werpen ze van man tot -man en zoo overboord. Op Bontekoe’s bevel laten de maats, die met -timmergerei weten om te gaan, zich over de verschansing zakken, om -onder het zee-oppervlak gaten in den scheepswand te boren. De schipper -wil het ruim een paar vadem vol laten loopen en zoo den brand van -onderen blusschen. Maar vergeefs zet men de boren in het hout: de wand -zit vol ijzerwerk. Dan maar weer met putsen aan het werk! - -Hoei!! De vlammentongen lekken al uit een der luiken. Dat is de duivel, -die er uit loert! Smijt hem den kop in! - -In koortsige opwinding komen de mannen met water aandragen. - -Maar hoogerop laait de vlam, en vreemd..... het kraken, knetteren, -barsten, piepen houdt op. Zachtjes loeiend steekt het vuur een lange, -roode tong uit de luiken. - -„De olie brandt!!!” - -Met verlamming geslagen laten de oomes de armen zinken; dikke tranen -rollen den gebruinden kerels over de wangen. - -„Water!” roept een stem. - -Flang! daar gaan de putsen weer rond. Al gietende en de voeten -koelende, grienen de oomes als kinderen. Maar opgeven? Ho maar! -Hollandsche jongens, wâ-blief?! Grienen kan geen kwaad: tranen zijn ook -water en helpen blusschen. Met hun bloote pooten staan ze schrap op het -gloeiend heete dek. - - - -Een der dapperste voorwerkers, die koppig, oogen en lippen saamgeperst, -in rook en damp te ploeteren stond..... was Padde. - -Hij boette zijn schuld. - - - -En men werkte. De wanhoop in het hart,—maar men werkte. Tot.....! Met -verdoovend gekraak begaf zich het achterdek, en gillend stortte een -handvol wakkere vrienden in de vuurzee. Hei!!! Hoe stoven de vonken tot -hoog boven de masten uit! En de vlammen sloegen tegen de ra’s op, -grepen de zeilen aan en zonden de blanke vleugels van de Nieuw-Hoorn -verzengd, wijd uitlaaiend omhoog. De gescheurde kabels vielen slap neer -in den vuurgloed en dienden duizend kleine vlammetjes tot ladder. - -De vlag moest veroverd worden! Op, vlammen! Haalt het neer, dat -dartele, bonte doekske! - -Daar reet een vlam het omlaag en roofde het zijn kleuren. Danst nu, -vlammen! Danst; de vlag is ons, danst, danst! - -Hajo, Rolf en Padde stonden bij den grooten mast. Verderop begon het -dek door te buigen; er schoten bruine schroeivlekken in..... Toen -sleurde Rolf zijn beide makkers naar de verschansing. „Het water in!” -siste hij tusschen de tanden. De verbouwereerde knapen volgden -klakkeloos het bevel op. - -Velen waren Rolf nagesneld en ook pardoes in zee gesprongen. Anderen -hadden, verlamd van schrik, niet zoo snel een besluit kunnen vatten en -zonken nu weg in de vlammen. - -Toen gebeurde het. Een ontzettende slag, een helsch gekraak, een -prikkelend-scherpe lucht, versmoorde kreten, angstig geloei van het -vee..... Het kruit had vlam gevat. - -Een nieuwe ontploffing! De Nieuw-Hoorn scheurde uiteen; masten, -planken, menschen, dieren en brokstukken ervan vlogen de lucht in. -Sissend, krakend, hoog opstuwend de kolommen zwarte rook en gouden -vonken, kantelden de brokstukken van het gescheurde schip weer tegen -elkaar en..... zonken in de golven weg. - -De mannen in de boot keken rillend toe. - -Was het mogelijk?! Was de Nieuw-Hoorn, hun prachtig schip, vergaan?! -Die zwarte wolk tegen den bloedrooden avondhemel..... was dat alles, -wat er van restte?!—Neen! Daar dreven op het water stukken mast, -kisten, balken, en op die stukken mast, die kisten en balken klemden -zich levende wezens. Te hulp! De handen aan de riemen!! - - - -Van onze drie Hoornsche vrienden was het Hajo, die het eerst zijn -bezinning terugvond. Hij zag den bezaansmast drijven en werkte zich er -op. Snel denkend en handelend, wierp hij Padde, die zich aan een -langzaam volloopende houten bak had vastgeklemd, een masttouw toe. -Padde zag het, tastte er naar, maar vond het niet. Hajo trok het touw -in en wierp het opnieuw. Ditmaal wist Padde het te grijpen, liet zich -naar zijn makker trekken en pakte hem kreunend bij de knieën. -„Hajo..... o, God, Hajo.....!” - -„Klim op de mast!” - -„Ik kan niet meer.....!” - -Met inspanning van alle krachten wist Hajo zijn vriend schrijlings op -den mast te krijgen. Snikkend leunde Padde het hoofd tegen Hajo’s -schouder.—Nu Rolf! Groote God, waar zou Rolf zijn! In radeloozen angst -keek Hajo rond. Verderop, buiten zijn bereik, worstelden een paar maats -met de golven. Hier en daar werkten zich in de schemering gestalten op -stengen, planken, tonnen of brokken mast. „Rolf! Rolf!! Rolf!!!” - -„Hajo!” - -Goddank! Rolf had zich op een mastkorf gered.—Waar waren de booten? Te -ver om ze te beroepen. In de halve duisternis was het niet mogelijk te -zien, of ze hier vandaan, dan wel hier naar toe roeiden. „Boot ahoy! -Ahoy!” - -„Hajo.....!” kermde Padde. - -„Moed, Padde!” Hajo sloot zelf even de oogen om wat rust te vinden. -Langzaam vloeiden de tranen over zijn wangen. Toen hij de oogen -opsloeg, was de jol tot op een vijftig voet genaderd. Dichterbij kon ze -niet komen door de vele, zware brokstukken, die overal ronddreven. Hajo -mat den afstand tot de jol. Zou hij het halen? „Blijf hier zitten, -Padde! Hou je goed vast!” - -„O, God, Hajo..... je gaat toch niet weg? Hajo.....?!” - -Hajo beet de lippen opeen, liet zich van den mast glijden en zwom in de -richting van de jol. Maar onderweg werden zijn armen zwaar als -lood..... - -Daar werd hem een touw toegeworpen. Hij greep het en liet zich naar de -jol trekken. „Neen!” hijgde hij, toen de oomes hem binnen boord wilden -halen, „ik rust maar even. Geef me het..... het touw mee..... ik -wil..... ik.....” Zijn oogen sloten zich; zijn handen lieten den -jolboord los; men kon hem nog net bijtijds grijpen en binnen boord -halen. - -Toen sprong Bokje, de trompetter, met een loodlijn overboord, zwom naar -Padde en liet zich samen met hem terugtrekken. Een tweede maat ging het -water in en redde den Neus. Floorke kwam proestend, op eigen kracht -aanplassen en begon den kerels in de jol de huid vol te schelden. Maar -toen hij ze een voor een hun huid zag wagen om den haaien een -drenkeling te ontrooven, zakte zijn gramschap weer een weinig. Men -roeide de plaats rond, waar de Nieuw-Hoorn was ondergegaan. Ten slotte -geloofde men alle drenkelingen te hebben opgepikt. Velen verloren het -bewustzijn terstond, wanneer ze in de boot waren getrokken; anderen -lagen nog van opwinding te schreien. Maar de schipper?! Waar was de -schipper!! - -Daar verscheen Harmen’s kop aan bakboord. Hij liet zich in de jol -trekken, spuwde een golf zeewater uit, wees verderop. „De sch..... -schipper!” Toen begaven zich zijn krachten. - -Men zag in de door Harmen aangeduide richting in het duister een -wrakstuk drijven en daarop een gedaante. De jol werd zoo dicht mogelijk -naar den drenkeling toegeroeid; Bokje, de beste zwemmer van allen, -sprong weer met een lijn overboord, en, ja, even later kwam hij met den -schipper terug, die in de jol getild en achter in de roef werd -neergelegd. Goddank! „Geef ons raad, schipper! Wat moeten we doen?!” - -Met matte stem ried Bontekoe aan, dezen nacht nog bij het wrak te -blijven en den volgenden morgen wat levensmiddelen op te hengelen, die -overal ronddreven. Hevige pijnen deden hem spoedig het bewustzijn -verliezen. Men roeide nog eens om de ongeluksplek heen, maar vond in -het duister geen menschelijk wezen, dood of levend, meer. Toen haalde -men de riemen in, om den morgen af te wachten. - -Maar met de verschrikking voor oogen valt wachten moeilijk. Zij, die -van vermoeidheid waren ingeslapen, werden met een gevoel van onrust -weer wakker. - -„Laten we wegroeien!” zeiden ze. „Waarom roeien we niet weg?” - -De anderen schudden het hoofd. „We moeten morgen wat eten opvisschen. -Met het beetje brood, dat we hebben, houden we het geen dag uit.” - -Maar de vragers waren niet tevredengesteld. „Wat hebben we aan eten, -als de zee gaat aanloopen en de jol aan stukken slaat? Nu is het goed -weer; laten we naar land zoeken!” - -„We moeten wachten! Bevel van de schipper!” - -Dan werd er een tijdje gezwegen.—Maar een nacht is lang. Een kwartier -later begon de onrust weer. „Laten we toch wegroeien! We zullen wel een -paar dagen vasten! Misschien hebben we morgen al land. We zijn immers -niet ver meer van Sumatra!” - -„We moeten wachten. De schipper heeft het gezeid.” - -„Nou ja.....” - -„Wat: nou ja?! Ben jij soms een van die gluiperds, die er tusschen uit -zijn gegaan?” - -„Als wij dat niet gedaan hadden, waren jullie met z’n allen voor de -haaien geweest!” - -„Toch was het smerig!” - -„Weet je, wat ik smerig vind? Dat jullie er ons onderdoor wouden -halen!” - -„Dat was je verdiende loon geweest!” - -„Maar het zat jullie toch niet glad, hè?” - -„Kom”, zeurt een ander, „maak geen herrie! Laten we nou wegroeien!” - -„Neen”, koppen een paar oomes, „de schipper heeft gezegd: neen.” - -Nieuw zwijgen. De minuten kruipen. - - - -Ineens vloekt er een oome, steekt de riemen uit en begint te roeien. En -daarmee is de ban verbroken, die van ’s schippers woord uitging. Allen, -die nog macht over hun lichaam hebben, grijpen een riem. - -Waarheen? Naar land! Waar ligt dat? Niemand, die het weet. Maar het -roeien drukt de onrust den kop in. Roeien, jongens! Roeien! Niemand -houdt het stuur. - -Enkelen worden wakker, ontwakend uit een nachtmerrie. „Waar zijn we?!” - -„In de jol.” - -„In de jol?” Even zwijgen. De vrager schijnt zijn herinnering wakker te -roepen. „En waar gaan we nou heen?” - -„Naar Sumatra.” - -„Waar legt dat?” - -„Vlak bij. Pas maar op, straks val je er nog over!” - -Zwijgen. Stug roeien de kerels voort. - -„Hein”, vraagt er een met zwakke stem, „was jij dat, Hein?” - -„Ja, Kalle. Waar lig je?” - -„Voorin.—’k Heb zoo’n pijn.....” - -„’t Zal wel klaren, Kalle. Ik heb een verbrande poot.” - -„Hou hem in het water.—Zouwen we ver van land zijn, Hein?” - -„Ben je gek? Morgen, als het licht is, zien we ’t misschien wel. Wacht -maar, Kalle, als ’t licht is, morgen.....!” - -De roeiers zuchten, halen de riemen aan. - -Platsch!—Platsch!—Platsch! - - - - - - - - -IN DE BOOTEN - - -Eindelijk klaart de morgen. Men tracht met de moede oogen den -ochtendnevel te doorboren, die over het water hangt. Nergens land te -zien.....—Ook de sloep is uit het gezicht verdwenen. - -Grienend laten de oomes de riemen zinken. Nu eerst voelen allen hoe -afgemat ze zijn. Als de zon opgaat, is er geen een meer wakker. - -Stuurloos dobbert de jol op den stillen golfslag. Een heerlijk blauw -uitspansel welft zich boven de onafzienbare watermassa. - -In den middag ontwaken enkelen. De slaap heeft verkwikking geschonken; -de kerels voelen hun hoop weer opleven: de schipper is aan boord en zal -wel goeden raad geven. Fluisterend, als waren ze in de stilte rondom -voor hun eigen stemmen bang, bespreken ze den ondergang van hun -prachtige schuit en het verlies van al hun schatten. De een had nog -vijf vette ganzen gehad; die dobberden nou stellig ook ergens rond! Een -ander had zijn mes verloren, z’n puike, fijne messie, dat ie verleden -Zaterdag nog zoo lekker had aangezet. Zou je niet spinnijdig worden op -dien beroerden botteliersmaat met z’n kaarsje? En z’n vrind Nelis was -ook naar de weerlicht. Z’n vrind Nelis, waarmee-d-ie al wel door een -dozijn schipbreuken goed was heengerold. Z’n mes en z’n vrind weg! - -Allengs werden allen wakker. Men wekte den schipper. „Wat moeten we -doen, schipper? We zien het wrak niet meer en ook geen land.” - -„Zijn jullie dan toch van het wrak weggeroeid?” - -„Ja, schipper, we dachten.....” - -„Dat was verkeerd. Is er een zeil in de jol?” - -Men zocht onder de plecht en de banken. „Neen, schipper, geen stukkie -zeil.” - -„Trek dan de hemden uit en maak er een zeil van.” - -Men sloeg vol vertrouwen aan het werk. De schipper zou hen wel naar -Sumatra brengen! De stootballen werden binnen boord gehaald en tot -garen uitgeplozen. Toen men voldoende meende te hebben, trokken de -maats de hemden uit en begonnen ze aaneen te naaien tot twee zeilen. - -De barbier ging den toestand der gewonden na. Haast allen hadden zich -min of meer de voetzolen verbrand. Eerst werd de schipper behandeld, -die twee hoofdwonden had. Vader Langjas kauwde iets van het weinige -brood, dat de eerste vluchtelingen inderhaast hadden meegesleept, tot -een papje en legde dit op de kwetsuren. Ook de andere gewonden werden -aldus behandeld. Rolf had een brandwond aan het been, die gedurende den -nacht leelijk was opgeloopen en den braven barbier, die vaderlijke -gevoelens voor Rolf koesterde, bezorgd zijn grijzen bol deed schudden. - -Men telde met z’n hoevelen men in de boot zat en kwam tot het getal -zes-en-veertig. In de sloep konden hoogstens tachtig man zijn geborgen. -En dus de anderen.....! - -Tegen de schemering waren de zeilen klaar. Men richtte den mast op, die -in de jol lag, en haakte er den boom en de gaffel in. Een opgestoken -roeispaan diende voor fok. Toen de beide masten stonden en de „zeilen” -waren bevestigd, wendde men den steven Noord-Oostelijk. De bedroevend -kleine voorraad brood werd bijeengelegd, en allen kregen er een -vingerdikke snede van. Het was onrustbarend te zien, hoe zelfs het -uitdeelen van een zoo geringe hoeveelheid den voorraad slinken deed. - -Padde had den heelen dag door geslapen. Toen hij ’s avonds ontwaakte -van het lawaai, dat met het oprichten van den mast gepaard ging, borg -hij terstond het hoofd weer in de armen weg en hield zich, angstig, -slapende. - -Hajo was, als alle anderen, weer vol goeden moed, rekende er stellig -op, dat, nu ze in de goede richting zeilden, morgen wel land in ’t -zicht zou komen. - -Rolf, die de laatste paar maanden dagelijks de reis op de kaart gevolgd -had, zag den toestand minder rooskleurig in. De pijn aan zijn been -stemde hem ook niet vroolijker en maakte hem koortsig. - -Zoo viel de duisternis in, ving alles in haar wijde armen. - - - -Te middernacht maakt Gerretje een heidensch spektakel. „Land! Land!!” -Alles vliegt overeind. „Waar is land?!” - -Aan bakboord, ver weg, pinkt een lichtje. Een dolle vreugde maakt zich -van de schipbreukelingen meester. Men gooit de zeilen om, grijpt naar -de riemen. Dat licht kan niet anders dan land zijn: midden op zee -groeien geen lampjes als paddestoelen in een wei, wâblief? ’t Zou een -wallevisch kunnen wezen met een lichie op z’n knikker! Neen, jongens, -land is het! Floorke ziet al bergen. Morgen zullen ze onder de -kokosboomen wandelen. Roeien, jongens!! - -Maar de bergen vervagen en stijgen als wolken omhoog. En in het lichtje -komt beweging; het schijnt op en neer te gaan.....! Enkelen weifelen in -het roeien, als vreezen zij hun angstig voorgevoel bewaarheid te zien. -Dat lichtje daarginds is geen land! maar een hulkje met -schipbreukelingen..... - -„De sloep.....!” - -De schrijning der teleurstelling wordt verzacht door vreugde over het -weerzien. De sloep voert eveneens twee zeilen: lichtgrijze vlekjes. Men -gooit de riemen weer neer en wacht de sloep af;—waarom verder van den -juisten koers af te wijken? - -„Sloep ahoy!” - -„Ahoy!” - -Namen van vrienden worden heen en weer geroepen. Kreten van blijdschap, -wanneer twee makkers elkaars stemmen herkennen. - -„Hebben jullie eten?” - -„Drie twee-ponds brooden. En jullie?” - -„Niets.” - -„Groote griebus! Welke koers varen jullie?” - -„Heelemaal geen koers. En jullie?” - -„Wij varen op de sterren. We hebben de schipper bij ons.” - -„De schipper?! Hóór je, mannen, de schipper is in de jol!! Schipper, -ben jij daar? Leve de schipper, mannen!” Een schor, instemmend gebrul. -„Wanneer zullen we aan land zijn, schippertje? Morgen al?” - -„Moed, mannen! Vertrouw op Gods Goedheid!” - -„Amen”, zeggen een paar vrome oomes. - - - -Gezamelijk werd de tocht voortgezet; de jol gaf de richting aan. Maar -al spoedig bleek, dat de sloep achterbleef. Men greep naar de riemen en -haalde de jol weer in. „Schippertje, neem ons over! We zullen mekaar -verliezen! Neem ons over, dan zetten we alle zeilen op de jol en varen -nog ééns zoo vlug. Toe, schippertje.....” - -Maar de oomes in de jol verzetten zich. „De jol is voor zooveel man te -klein, schipper!” En toen de maats uit de sloep zich aan den jolboord -vastklemden, stieten de anderen de sloep met ruw geweld terug. - -Een jammerklacht steeg op onder de verschoppelingen. „Schipper! Niemand -van ons kan op de sterren varen! Moeten we dan om zeep gaan?” - -Maar de oomes in de jol kenden geen erbarmen. „Als we jullie met z’n -zes-en-twintigen overnemen, zijn we allemaal voor de haaien!” - -Zuchtend grepen de arme kerels naar de riemen. De olielantaren werd op -de jol overgebracht, zoodat men er zich in de sloep naar richten kon. - -Langzaam werd het licht. De mannen tuurden naar alle zijden over het -watervlak. - -„Zie jij wat, Doedesz.?” - -„Net zooveel als jullie.” - -Allen zuchtten. Enkele oomes luchtten hun smart door Padde met -verwijten te overstelpen. De arme jongen begon te snikken, en een paar -anderen, in de eerste plaats zijn beide vrienden, namen hem in -bescherming. - -Rolf voelde zich wat verlicht; zijn been stak hem veel minder, en met -een gelukkig gezicht legde Vader Langjas een nieuw papje op de wond. -Ook de kwetsuren der anderen lieten zich gunstig aanzien. - -Men ging dien dag aan het werk om den koers iets juister te kunnen -stellen, kraste te dien einde in het hout van de plecht een kaart van -de eilanden Sumatra en Java en Straat Soenda,—alles op het geheugen. -Den middag vóór het ongeluk had Bontekoe vijf-en-een-halven graad -Zuiderbreedte bevonden; het bestek op de kaart wees toen negentig -mijlen tot de kust. Van dat punt uit stelde men zijn koers. Drommels, -had men maar een kwadrant! - -„Heeft niemand een passer?” vroeg Bontekoe. - -„Daar vraag je zoowat, schipper”, antwoordde Teunis Sijbrandt, de -kistenmaker. En hij diepte uit zijn broekzak een passer op. „’t Is -boffen: meest legt ie op m’n tafel!” - -„Geef hier!” zei Bontekoe verheugd. „Dan zullen we eerst eens ’n -gradenboog snijden!” - -Zoo gebeurde. Men trok in een plankje een zoo groot mogelijken -kwartcirkel, mat daarin alle graden uit en bracht daarna den wijzer -aan. Den volgenden middag nam men er, zoo goed en zoo kwaad als het -ging, hoogte mee en stelde den koers op Sumatra. - -Zoo zeilde men verder, overdag koers en hoogte nemend op de zon, en ’s -nachts op de sterren. Den derden dag was het brood op. Den dag te voren -had ook de dorst zich reeds geducht doen gevoelen. Maar men bleef vol -hoop. De wind zat achter in ’t zeil; de zee bleef kalm. - -Den dag daarop doemden zwarte wolkgevaarten aan den gezichtseinder op. -Geweldig schreden ze nader, den ganschen hemel als pad nemend. De maats -kenden die wolken! In opgewonden vreugde werden de zeilen horizontaal -gespannen. Pik-zwart was nu het gewelf; het scheen den mannen, dat ze -in een grooten, donkeren kelder zaten. De zee, die dagenlang een -felblauwen hemel teruggekaatst had, slurpte al die zwartheid gretig -op,—leek wel een modderpoel. - -Daar kletterde de regen neer. - -De levenskracht ontwaakte weer; de harten zwollen. In een oogwenk was -het zeil vol. Men kon nu de twee vaatjes vullen, die als bergplaats -voor het brood hadden gediend. - -Een koude nacht volgde. De maats bibberden in hun doorweekte kleeren. - -Maar den volgenden morgen schroeide de zon ze in een ommezien droog en -deed de huid vervellen. - -Snikheet werd het. De zee was glad als een spiegel. Waar zich te bergen -voor de gloeiende zon? De dorst deed zich weer gevoelen. Bontekoe sneed -de neuzen van zijn schoenen af en liet allen een „beker” vol uit de -vaatjes geven. Daarmee was drie-vierde van den voorraad op, want men -moest deelen met de makkers in de sloep, die niets hadden om het water -te bergen. - -Vreeselijke dagen volgden. Als een verschrompeld stukje leer zat de -tong in den mond; keel en verhemelte schroeiden; het ontberen van -voedsel bracht krampen in de ingewanden teweeg. Telkens wanneer de -morgen grauwde, hoopte men land te ontwaren. Telkens weer nieuwe -teleurstelling, wanneer men niets dan zee zag, zoover het oog reikte. - -Harmen vond het noodig, den kerels wat moed in te blazen. Bij gebrek -aan z’n fiedel, die in de vlammen een einde had gevonden, kwam hij met -een van zijn gewaagde „verhalen” op de proppen. - -„Ik zal jullie vertellen, hoe het m’n oom gegaan is, jongens! Die heeft -een tapperij voor zeelui,—voor landrotten tapt ie niet. Z’n leven lang -heeft-ie gevaren, van z’n tweede tot z’n acht-en-zestigste. -Zeven-en-twintig reizen heeft-ie gemaakt, waarvan drie-en-dertig met -schipbreuk! En overal goed afgekomen behalve een krab op z’n wang en -da’s van het baardscheren. Hij zat eens vast op een rif in de -Chineesche zee, waar de visschen en de menschen staarten an d’rlui -knikker hebben. Goed, d’r komt een storm, de schuit vliegt aan flarden, -z’n zes-en-veertigste schipbreuk; m’n oom en de bottelier zijn de -eenigsten, die in de sloep komen. Eten aan boord? Geen spiering! -Hongerlijje maar! Toen ze zeven-en-tachtig dagen niks gegeten hadden, -zei de bottelier: „’k Zou wel een hapje lusten!”—„En ik”, zei m’n oom. -„’k Zou jou wel lusten”, zei de bottelier. „Ik jou ook wel”, zei m’n -oom. Goed, ze krijgen verschil van meening. „Als jij mij jouw beenen -geeft, zal ik jou m’n Zondagsche pet geven”, zei de bottelier. „Jawel”, -zei m’n oom, „je kunt er een por met m’n mes bij krijgen.”—„In je mes -hap ik niet”, zei de bottelier. „Nou, laten we d’r dan om loten!” zei -m’n oom. Ze smijten de steenen. Allebei acht. Nog er eis! Wéér gelijk! -En weer!! Na dertien-en-een-halve dag zei m’n oom: „Vooruit, ik heb -geen aardigheid meer aan speulevaren. Snij me maar aan mootjes! Groet -m’n wijf en neem m’n gouwe ring maar voor de moeite.” Temet, dat ie -zich omkeert om niet te zien, hoe de-n-ander ’m zal afmaken, ziet ie, -dat de sloep..... op het strand zit! „Land!!” roept ie. Hadden ze me -daar al elf dagen aan land gelegen en er door al dat dobbelen niks van -gemerkt! Wat zeg je me daarvan?” - -„Mooi!” zeiden de oomes. - -Toen viel het zwijgen weer in. - - - - - - - - -HAAIEN - - -Zonder dat iemand iets merkte, streek een gast tusschen de -schipbreukelingen neer. Eerst toen hij er was, voelde men zijn -aanwezigheid. De mannen hoorden hem in hun eigen matte, schorre stem en -zagen hem in elkaars fletse oogen. - -Wanhoop heette de gast. - -Wanneer een maat iets meende te ontdekken, wat land zou kunnen zijn, -greep men in koortsige haast de riemen en trok ze hijgend door het -water. Dan week de gast, geruischloos als hij gekomen was. Maar als -even later het „land” zich weer in lucht en water oploste, kwam de -indringer terug. De mannen ontweken elkaars blik, om hem maar niet te -zien, en zij zwegen, om door hun stem elkander niet te verraden, dat -hij er weer was. Beklemmend was het zwijgen; het snoerde de ziel toe. -Als er iemand kuchte, schrokken de anderen even en spitsten het oor, of -er wat volgen zou. - -„Wat wou je zeggen?” vroeg een oome. - -„Ik? Niets. Waarom?” - -„Wel, je kuchte, en toen dacht ik: hij wil zeker wat zeggen.” - -„Neen, ik hoestte zoo maar.” - -„Nou, ik dacht het ook alleen maar.” - -Dan viel het zwijgen weer in. - - - -Op een middag groote opschudding. Uit het Oosten kwamen meeuwen -aanvliegen, wel dertig, die krijschend om de booten cirkelden en er nu -en dan zoo laag overheen streken, dat men ze bijkans grijpen kon. In de -sloep lag een roestige degen,—daarmee ging Hilke op de plecht staan, en -onder heesch gebrul wist hij er een mee vleugellam te slaan. En zoo had -men er, toen het duister was, vijf weten te vangen. De vogels werden -geplukt en verdeeld. Met van begeerte trillende handen namen de oomes -het luttel brokske vleesch, dat hun was toegedacht. Ze kauwden er over, -zoolang het maar ging, en zogen halsstarrig aan de merglooze -vogelbeentjes. In de hoop, dat ze morgen de andere vogels ook nog buit -zouden maken, gingen de oomes den nacht in. - -Maar toen het eerste licht schemerde, waren de meeuwen weg. - -Toch was er hoop ontkiemd. En door de eerlijke verdeeling der kleine -vangst over sloep en jol was het gevoel van saamhoorigheid weer -versterkt: men besloot, ondanks het gevaar, dat er aan verbonden was, -de makkers uit de sloep nu toch maar in de jol op te nemen. Want de -olie in de lantaren was sinds lang opgebrand en daarmee de kans om ’s -nachts uiteen te geraken weer belangrijk vergroot. Men kon nu ook den -mast en de zeilen van de sloep overnemen en zeilde bijgevolg met een -grooten mast, een fok, een bezaan en een blind zeil. Toen tegen den -avond de wind toenam, merkte men tot algemeene vreugde, dat de jol, -ondanks haar zwaardere belasting, sneller voer. - -Vreemd, men rekende nooit met de mogelijkheid van ’s middags of ’s -avonds land te krijgen. Dat werd alleen ’s morgens, bij zonsopgang -verwacht. Overdag scheen het, als schoot men in het geheel niet op: er -was niets, dat men naderbij zag komen of verdwijnen, en de horizon -bleef altijd gelijk. Slechts de wolken trokken voorbij, maar die kwamen -van achter en verdwenen weer ver vooruit, zoodat men het gevoel had van -terug te blijven. - -Maar ’s nachts! Je hoorde het klotsende water, door den boeg op zij -geworpen; voelde den wind aan het zeil trekken, en achter je zag je in -de donkere watermassa de lange, lichte streep, die er op duidde, dat er -voortgang in de kast zat! Wie weet, of ze nou al niet land voor den -boeg hadden; wie weet, of ze morgenochtend niet vlak voor hun oogen de -boomen zouden zien oprijzen..... Was dat het ruischen der branding al -niet?! - -Dan kwam de langverbeide ochtendklaarte.—Zee. Niets dan zee. - -Sedert vijf dagen hadden de oomes geen druppel water meer over de -lippen gehad. - -Achter de boot schaarde zich een afschuwwekkend gevolg. Toen een oome -den eersten witten haaienbuik in het water zag flitsen, slaakte hij een -kreet van schrik en walging. Een enkele maal stiet een maat met een -huivering den degen in het water, en allen rilden van lol, wanneer een -roode bloedschemering verraadde, dat de stoot doel had getroffen. - -Het vreeselijkst van al deed de dorst zich gelden. Men kauwde op -sleutels en musketkogels, om het dorre verhemelte nog wat speeksel af -te scheiden. - -Toen gebeurde weer iets, dat den moed herleven deed. Een school -vliegende visschen dook, waarschijnlijk uit vrees voor de haaien, vlak -voor de boot op. Maar met vieren, vijven tegelijk tuimelden ze tegen de -zeilen en vielen den ijverig grabbelenden oomes ten buit. Ze werden -rauw verslonden, smaakten fijner dan de fijnste zalm. - -En men dobberde weer verder. - -Den eersten December—den twaalfden dag, dat men in de booten -was!—begonnen enkele maats, ondanks Bontekoe’s en Vader Langjas’ -waarschuwingen, zeewater te drinken. Daar het den dorst niet leschte, -zwolgen ze maar door, tot de maag haar weerzin ervoor te kennen gaf en -alles weer naar buiten wierp,—tot het geluk der oomes, die anders -stellig ziek zouden zijn geworden. Nu brandde hun keel meer dan ooit, -en hun dorst was nog toegenomen. De tranen rolden den armen kerels over -de wangen. - -Floorke had zich een snee in den bovenarm gegeven en zoog zich het -bloed uit. - -Vader Langjas, uit wiens oogen alle levenskracht geweken was, stelde -voor, de jol lek te stooten en zich met z’n allen te laten zinken. - -„En dan de haaien tot voedsel dienen?” vroeg Bontekoe. - -Daar had geen enkele oome trek in. En met nieuwe bezieling, vast -besloten om, zoolang er nog een vonkje leven in hun uitgehongerd karkas -zat, het niet als haaienvoedsel te laten dienen, keken de mannen weer -uit, naar het Oosten..... - -De haaien waren geduldig,—verlieten de jol niet. - -Allengs zakte de moed weer. Een paar maats begonnen te schreien,—wilden -zich overboord werpen. - -„Wat drommel”, zei Bontekoe driftig, met schorre stem, „als die stomme -dieren de moed niet opgeven, zullen wij het dan doen?” - -Maar bij sommigen was het laatste restje levensmoed gebroken. Het zou -wel niet voor de eerste maal zijn, dat deze haaien een jol met -schipbreukelingen volgden; ze zouden wel weten wat ze deden!—Met holle, -koortsige oogen tuurden ze in het water, krompen ineen, wanneer daar -beneden iets donkers voorbij schoot..... - -„Hajo”, kreunde Padde. „ik kan niet meer, Hajo! Ik wil liever dood -gaan.” - -Hajo zocht naar bemoedigende woorden. Maar woorden, dat bleven het. -Padde voelde de holheid ervan en verloor zijn laatste aasje moed, nu -hij merkte, dat ook zijn vriend de wanhoop nabij was. - -Bontekoe ging het als Hajo. Hij moest zijn zeventig groote kinderen -troosten—en zocht zelf naar troost..... - -Rolf zei niets, staarde uren lang naar den Oostelijken horizon. Het -kwam op volhouden aan. Volhouden. - -Den volgenden dag regende het! In zenuwachtige haast, gepaard met -driftige, ruwe uitroepen, spanden de oomes het bezaanszeil en het -blinde zeil boven de boot, vulden de beide vaatjes weer, verzamelden -het water verder in schoenen, leeren mutsen, en slurpten gulzig uit het -zeil. Toen kropen allen weer in de holte van de jol bijeen om wat -warmte te zoeken. Hun kleeren waren doorweekt, en een vochtige -morgenkilte hing boven het water. De lucht was troosteloos grijs, en -hoewel de maats nu weer tijdelijk van hun vreeselijksten kwelgeest -bevrijd waren, staarden ze onder het zeil door met hun blauw-omrande -oogen triest in den dikken regen-nevel, en het doffe zwijgen der -laatste week viel weer in. - -Een schorre kreet..... - - - -„Land!!” - -Als versteend blijven allen zitten, de oogen wijd open, angst en -twijfel in het gelaat. Men durft haast niet opstaan en zich overtuigen. -Wie zou nu nog een teleurstelling kunnen dragen? - -Maar de man aan het roer is zeker van zijn zaak. „Land!! Land voor den -boeg!!” De tranen sidderen door zijn stem. - -Dan krabbelen allen met hun verstijfde ledematen overeind, steken hun -koppen onder het zeil door en.....!! Daar, aan den Oostelijken -gezichtseinder.....!!! Enkelen gillen hun blijdschap uit, anderen -staren sprakeloos of stil schreiend naar het grijs-blauwe streepje in -de grijs-blauwe verte. - - - -Met alle man zette men hijgend en vloekend de zeilen weer bij. Zoo werd -langzaam-aan het streepje land grooter. Men onderscheidde bergvormen, -de lichte streep der branding, daarachter groene bosschen. Sumatra kon -het niet zijn: het was een eilandje, waarvan men den geheelen omtrek -overzien kon. Maar Bontekoe wist, dat Westelijk van Sumatra, dicht op -de kust, een rij eilanden liggen. Daar moest dit er een van zijn. - -Toen men het eilandje naderde, bleek de zee geducht aan te loopen. - -„We moeten een landingsplaats zoeken!” zei Bontekoe. - -„We kunnen hier toch landen, schipper? Je zult zien, dat alles -goedgaat! Nietwaar, jongens?!” - -„Ja-zeker!” brulde de heele schaar. - -Maar hier werd de schipper weer de schipper. „Zullen we nu op het -laatste oogenblik alles bederven? Zeg op: wie heeft jullie naar land -gevoerd? Heeft de Neus dat soms gedaan? Of jij, Floorke? Of Gerretje, -of Hilke?” - -„Neen, schipper, dat heb jij gedaan.” - -„Geloof me dan ook, als ik jullie zeg, dat we hier nooit heelhuids door -de branding komen. We moeten een betere plek zoeken.” - -Hij werd gehoorzaamd. Men voer het eiland om en vond aan de binnenzijde -een kreek. Men roeide ze in, liet de dreg vallen, klom, zoo goed en -kwaad de leden het nog veroorloofden, de boot uit, waadde door het -ondiepe water. - -Schreiend kusten de arme kerels het strand. - - - - - - - - -JOPPIE III - - -Toen de mannen over hun eerste en hoogste uiting van blijdschap heen -waren, kropen enkelen het strand over naar het bosch. - -Er groeiden overal kokosboomen, en de noten lagen voor het grijpen op -den grond. De meeste waren in den val gebroken; die kon men met de -handen verder splijten. En dan de tanden in het witte vleesch -gezet.....! Toen de maats zooveel vruchten naar binnen hadden gewerkt, -dat er geen stukje meer in wilde, verlangden allen naar rust, naar -niets anders dan rust. Ze sleepten wat dor gras en bladeren aan. En -toen.....! Hè! Hoelang was het geleden, dat ze zich voor het laatst -behoorlijk hadden kunnen uitstrekken, en dan nog wel op zoo’n zacht -leger en zonder den hongerdood voor oogen! Nu zou verder alles ook wel -goed gaan! De schipper was bij hen en kende den weg! Met een oneindig -dankbaar gevoel sliepen allen in. - -Maar weinige uren later werd de een na den ander met hevige buikkrampen -wakker. De ingewanden bleken niet tegen zooveel voedsel opeens bestand -te zijn. Allen kropen bijeen en klaagden over hun onverdragelijke -pijnen. - -„Gevert! Ik ga d’r an! Gevert! O, God, m’n buik.....” - -„Was ik maar thuis, bij m’n wijf! Die wist er wel raad op.... Doris!” - -Toen zakte de pijn weer. De mannen sliepen nog een paar uren en werden -eindelijk door de zon gewekt. - -Ze stond boven de baai, en het hemelsche goud vloeide in het water -neer. Rappe strandloopertjes trippelden op hooge pootjes heen en weer; -meeuwen streken zwierig door het schuim der branding, of wiegden zich -op het zacht deinende water in de baai. Allerlei bontgepluimde vogels -schetterden en floten en kwinkeleerden in de hooge, statige boomen; in -de wuivende kronen der kokossen voerden grijsbruine klapperratten hun -gedurfde luchttoeren uit. - -De mannen voelden hun krachten herleven. Ze lagen daar in het reeds -warme zand, boven zich de stralende zon, die spoedig al te heet zou -worden. Zwijgend, stil genietend, luisterden ze naar het concert van de -branding. - -Bontekoe liet een gezamelijk gebed houden. Men zong een paar psalmen. -Zelden hadden de oomes met een dieper gevoel van dankbaarheid gebeden -dan op dien wonderlijk schoonen morgen aan het strand van dat -Sumatraansche kust-eilandje. - -Daarna ging men eens op verkenning uit. Een groep toog naar het Zuiden, -het strand langs, een andere groep naar het Noorden. - -In den namiddag kwamen ze terug met niets dan kokosnoten, bananen en -enkele andere, onbekende vruchten. Menschen hadden ze niet gezien. Maar -zij, die naar het Noorden waren getogen, hadden een grappig avontuur -gehad. - -Ze hadden een vlerk-prauwtje gevonden, waaruit ze hadden opgemaakt, dat -het eilandje bewoond moest zijn, al zagen ze dan ook geen sterveling. -Ze hadden het bootje, dat slechts twee man bergen kon, eens in zee -geduwd, maar toen ze er voor de grap met z’n drieën in waren gaan -zitten, hadden de half vergane planken zich begeven, en de spelevarende -gasten waren kopje-onder gegaan. Wat met dit zonnetje niet zoo slim -was. - -Bij de plaats, waar het prauwtje lag, ging een paadje het woud in. Men -liep het binnen, in ganzenmarsch, omdat er voor twee naast elkaar geen -plaats was. Hilke voorop! - -Nauwelijks hadden ze het pad ingeslagen, of voor hen uit, vlak bij, -begon een hond te janken. In alle omzichtigheid werd nu de tocht -voortgezet. Spoedig zag men tusschen de dikke bamboestelen een open -plek schemeren en in het midden daarvan een bouwvallig huisje op hooge -palen, aan een waarvan een magere hond was vastgebonden, die -allerafgrijselijkst te keer ging. Overigens zag het huisje er nogal -vreedzaam uit: een paar duiven vlogen van het dak op, en toen kwam -zelfs een duif uit het lage huisdeurtje fladderen, zoodat het heele -gebouwtje meer op een til dan op een menschelijke woning geleek. -Weifelend betraden de maats de open plek. - -Toen de hond zijn gasten zag opdagen, staakte hij zijn Jobsiaansche -jeremiades, jankte vreugdevol, ging van opwinding op zijn achterpooten -staan en verhing zich daardoor bijkans in den strik om zijn hals. En -toen de oomes hem den smerigen, stekeligen kop krauwden, kreunde hij -zacht van geluk, kwispelstaartte en draaide dankbaar het achterlijf. - -Een gekorven kokos-stam stond schuin tegen het huisje op,—scheen als -„trap” te hebben dienst gedaan. „’t Lijkt wel een kipperen”, meende -Floorke, terwijl hij naar boven balanceerde. „Blijf jij nou -beneden!”—dat was tegen Gerretje, die volgen wou—„We kunnen er met z’n -tweeën niet op: ’t is geen marremeren trap!” „Wat zie je?” vroegen ze -van beneden, toen Floorke naar binnenkroop. - -„Pah!” gromde Floorke en spuwde luidruchtig. „’k Heb een spin in m’n -mond!” - -„Kun je wat zien, of is het donker?” - -„Donker? ’t Dak is zoo lek als de Zuid-Westenwind! Maar d’r is niks te -zien! ’n Paar gebarsten potten! Wacht, daarachter is nog een kamertje, -geloof ik.” - -„Ga daar ’ns kijken?” En toen Floorke geen haast maakte, smaalden ze: -„Of durref je niet?” - -„’t Is ijs van één nacht, die vloer”, aarzelde Floorke. „Je kijkt d’r -zóó doorheen.” - -„Wat een vent!” hoonde Gerretje van omlaag. „Kom terug, dan zal ik gaan -kijken!” - -„Als je d’r trek in hebt, vooruit maar”, zei Floorke en klauterde naar -beneden. - -Gerretje’s gelaat drukte thans twijfel uit. Hij wist wel, dat Floorke -niet voor een klein geruchtje vervaard was. Als die zei: „’t Is vuil!” -dan was ’t ook vuil. Maar eens gezegd bleef gezegd. Hij klauterde -behendig de „loopplank” op, zooals hij zei, en overzag, boven -aangekomen, het terrein. „Dunnetjes is ’t!” moest hij toegeven. - -„Oh!” stelde Floorke beneden vast. - -„Weet je wat ik doe?” zei Gerritje. „Ik spring er overheen! Daar ginds -is wéér een dikke bamboe!” - -„Ja, laat je niet kisten, Gerretje!” riepen de maats. „Je botten zijn -betaald!” - -Gerretje zette af, van een-twee-dr.....! Een heidensch gekraak. De -„trap” sloeg neer, kletste in de modder, die alle zijden uitspatte, en -het huisje viel keurig netjes om, de vier ontwortelde palen in de -lucht, zoodat de hond, die aan een der palen gebonden was, met -uitpuilende oogen in de lucht kwam te bengelen. En het dak scheurde -open, en daaruit buitelde, als een Sinterklaasverrassing..... Gerretje. - -De maats zakten bijkans ineen van plezier. Floorke sneed haastig den -hond los, die daarop half flauw op den grond tuimelde en het als zijn -eerste plicht beschouwde, Floorke’s bloote voeten schoon te likken. -Gerretje krabbelde met een vrij krasse bewering tegen de Sumatraansche -huizenbouw overeind en veegde de handen aan zijn broek af. - -„Laten we er het zwijgen maar toe doen!” stelde Floorke voor. En -terwijl er een paar in het omgevallen huisje snuffelden en veel stof, -spinnen en kakkerlakken vonden, liepen de anderen de open plek eens -rond en ontdekten een smal pad, echter zóó verwilderd, dat men zich -slechts met den bijl een doortocht zou kunnen banen. - -Men besloot terug te keeren en nam den hond als krijgsbuit mee. -Uitgelaten van vreugde sprong het beest tegen zijn bevrijders op, die -intusschen de meest fantastische veronderstellingen te berde brachten -over den samenhang van de vergane prauw, het wrakke huisje en den -uitgemergelden hond. - -Zoo kwam men met een levende ziel méér bij de jol aan. De mannen, die -onder leiding van Folkert Berentsz. waren uitgegaan, vertelden, -eenigszins jaloersch op den vierpootigen buit der anderen, een slang te -zijn tegengekomen, zoo dik, dat ze hem met z’n vijven niet omspannen -konden. Hij had gesist, dat je er koud van werd. Padde wou hem bij z’n -staart pakken—nietwaar, Padde?—toen ie er van tusschen ging, de boomen -wegdrukkend als grashalmen. - -Maar toen wist Floorke te vertellen van een krokodil, wiens staart ze -uit het bosch hadden zien steken, en toen ze het eiland half waren -omgeloopen, hadden ze aan den anderen kant zijn kop gevonden, een -merakel klein koppie, niet grooter dan de Nieuw-Hoorn..... destijds. -Gerretje had z’n kop voor een kloof aangezien, want het toeval wilde, -dat de krokodil juist gaapte. Gerretje was er in geloopen en had nog -gezeid: „Jongens, wat is de grond hier slappies!”—Die grond was -natuurlijk de tong van die krokodil geweest. Nou, en in eens had het -mormel z’n bek dichtgeslagen, en Gerretje zat in het pikkedonker. -Tusschen de tanden was hij er weer uitgekropen, waar Gerretje? - -Maar toen had Harmen nog heel wat anders te vertellen! Hij had er over -willen zwijgen, maar nu Floorke zóó begon, zou Harmen zijn broek ook -eens in ’t zonnetje hangen! Nou, ze hadden me dan een beestje gevonden, -zoo op het eerste gezicht een regenwurm. De Schele had het bij zich -gestoken voor Vader Langjas, maar ineens was het in zijn zak begonnen -te praten. „Schele”, had het gezegd, „scháám jij je niet?” Toen had de -Schele het beest weggegooid; het had in zuiver Maleisch: trima kassi -banjak! gezeid en was toen in zee weggezwommen,—had, met een blad boven -z’n kop als blind zeil, tegen den wind in gelaveerd. - -Tegen zulke avonturen voelde Floorke zich niet meer opgewassen. „Laat -je duim eens kijken?” zei hij smalend tot Harmen. „Je zult ’m wel -heelemaal plat gezogen hebben.” - -Harmen grinnikte, toonde z’n duim. - -Men laadde de jol met kokosnoten en bananen, borgde vruchten onder de -plecht, in het achterkastje, boven op het roefje ... het leek wel, of -de jol ter markte toog. Een riviertje was niet gevonden, zoodat men de -vaatjes maar met kokosmelk vulde. - -Den tijd, dien de mannen bezigden om te proviandeeren, maakte de -magere, stekelige hond zich ten nutte door een groote boschrat te -vangen en die in gulzige haast te verorberen. Toen hij in de gaten -kreeg, dat de mannen van plan waren in zee te steken, vroeg hij op -hondenmanier om meegenomen te worden. Hij scheen met de zee vertrouwd -te zijn. - -De maats willigden zijn verzoek in. Ze klopten hem vertrouwelijk op z’n -bottige flanken, stelden vast, dat je z’n ribben tellen kon, dat z’n -ooren allergemeenst lang en steil waren, dat z’n vel bij den vilder -geen duit zou opbrengen, maar dat hij, naar z’n oogen te oordeelen, een -rondborstige natuur had. - -Hij werd ook gedoopt. - -„Joppie” noemden ze hem—want driemaal is scheepsrecht. - -In de schemering verliet de jol het land. Verder maar weer! De maats -waren vol moed. Hier konden ze toch niet blijven, en de schipper zei, -dat ze binnen twee dagen Sumatra voor den boeg zouden krijgen. Dus nog -maar eens het lijf gewaagd! Het gevoel van onrust, dat hen -overmeesterde, toen ze het eilandje in de duisternis zagen wegzinken, -werd dapper weggeslikt. - -Joppie hief als afscheidsgroet een erbarmelijk gehuil aan, dat uit de -verte door apengekrijsch beantwoord werd. De oomes stelden hem voor de -keus: over boord te vliegen of met z’n gegil op te houden. Joppie -verkoos het eerste, werd door Hilke bij z’n nekvel ferm in het water -ondergedompeld, schudde toen z’n natte, steile haren uit, zocht daarop -achter in de roef het beste plekje op en sluimerde zuchtend in, tot -Folkert Berentsz. hem deed verhuizen, omdat hij daar liggen wou. Toen -namen een paar oomes Joppie als hoofdkussen,—waarvan ze later geduchte -spijt en kriebel kregen. - -De maan kwam op, mild, vriendelijk als een moederoog, wakend over de -zeventig brave jongens in de jol. - -Een groote zwerm kalongs streek hoog over de jol in Oostelijke richting -voorbij, zwijgend,—als schaduwen. - -Alom stilte. Stilte. - - - - - - - - -SUMATRA - - -Aan den paarlemoeren hemel kwamen gouden schemeringen; een paar -opstijgende wolkjes kregen gouden randjes aan den onderkant; toen dook -de zon zelf in een rozerood jurkje uit het water op. Later trok ze haar -dagkleed aan, en de hemel werd blauw, fel-blauw, tot hij ten slotte -onvermengd kobalt was. - -Drie blinkend-witte meeuwen vlogen tsjiepend om de jol, doken in -sierlijken val naar een vischje. Joppie kefte tegen de gevleugelde -metgezellen, tot een bad hem weer wat tot kalmte bracht. Hij wilde nu -wat op z’n staart gaan knabbelen,—welke staart echter tot Joppie’s -verwondering niet zoo maar als een worst in de lucht hing, maar -integendeel stevig aan zijn achterlijf bleek te zitten en lang niet -makkelijk met de tanden te grijpen viel,—reden waarom Joppie zóó vlug -rondtolde, dat hij tegen alle oomes aanbotste. Eindelijk had Joppie -zijn staart te pakken, en er daalde rust in de jol. - -Bontekoe had goed voorspeld: ’s middags kwam Sumatra in het zicht,—een -lange streep land, die langzaam-aan tot een machtigen wand van -diep-paarse bergen werd, waarachter een groote kerel te smoken zat en -dikke, witte wolken over den ganschen hemel blies. - -Men besloot voorloopig de kust maar af te zeilen, om zoo spoedig -mogelijk Straat Soenda en daarna Bantem te bereiken. Er was nog geen -gebrek aan eten. - -Zoo koerste men in Zuid-Oostelijke richting. De zon ging helder onder. -De wind sloeg geheel naar het Noorden om, zoodat men het niet beter -wenschen kon. - -De maan kwam op, eerst bleek, allengs aangloeiend tot zilver en den -ganschen hemel vullend met haar wonderlijk licht. Sterretjes pinkten in -alle kleuren; het was, alsof er van daarboven een zachte, zoete muziek -omlaag zweefde. - -Een prauwtje! Badend in het maanlicht danste het hulkje op de golven. -Een eenzame visscher stond er rechtop in, verdiept in zijn werk, zoodat -hij de jol niet zag naderen. In wijden zwaai wierp hij zijn net uit, -dat stillekes in het water viel. De man was bijna geheel naakt; het -maanlicht omlijnde zijn slanke schouders. Als een kroon stond hem een -zwierig gestrikte hoofddoek in het haar. - -Plots bemerkte hij de jol, trok vlug het net binnen boord en pagaaide -in zijn rank vaartuigje weg. Luchtig danste het over de hooge branding. -„Sobat! Sobat kras!” schreeuwde Floorke. Maar de inboorling scheen van -die dikke vriendschap niets te gelooven. - -Den volgenden dag raakten de noten op, en men moest nieuwen voorraad -zien op te doen. Het ging er dus om, een inham te vinden. Daar de wind -nu echter naar het Zuid-Oosten was omgeloopen, moest men laveeren en -raakte daarbij telkens op zoo grooten afstand van de kust, dat men -licht een geschikte ingang ongezien voorbij zou kunnen zeilen. Daarom -werd besloten, dat vier of vijf man het strand zouden afloopen en -waarschuwen, zoodra ze op een baai zouden stuiten. Hilke, Floorke, -Harmen, Hajo en Rolf knoopten hun broek wat steviger aan en wipten -overboord. Goede zwemmers als allen waren, wisten zij zich proestend en -snuivend door de stoere branding heen te werken. En met het -geruststellende gevoel van terstond weer het ruime sop te kunnen -kiezen, indien inboorlingen het hun lastig mochten maken, volgden zij -het strand, dat aan de landzijde was begrensd door boomen en ellenhoog -gras daartusschen. Zwermen meeuwen vlogen nu en dan op. - -Allengs werd het strand smal en modderig; hier en daar stonden de -boomen zelfs met den voet in het water, en het wemelde van -slijkspringertjes. - -Onze vrienden baanden zich nu een weg door het hooge gras, waarin ze -geheel kopje onder gingen. Hilke, die vooropliep, verstijfde van -schrik, toen vlak voor zijn voeten een aap wegsprong en zich langs een -paar hangende lianen in een grooten loofboom werkte, van waar hij den -oomes in apentaal een reeks verwenschingen naar het hoofd slingerde. De -grond voor Hilke’s voeten was opengerukt, en een paar planten lagen met -de wortels naar boven. Zonderling was, dat iets boven de wortels kleine -boontjes zaten, die zich te voren blijkbaar onder den grond hadden -bevonden, want er zat nog aarde aan. Floorke veegde een boontje aan -zijn broek af. „Zou je ze kunnen eten?” - -„Waarachtig!” meende Hilke. „Als die aap er voor naar beneden komt om -ze uit de grond te wurmen.....!” - -Aarzelend stak Floorke het boontje in den mond. „Aan die schil is niet -veel smaak”, verklaarde hij. „Maar die pitjes, die er in zitten, zijn -best!” - -De anderen proefden nu ook eens. Hilke bekeek de kleine, ovale blaadjes -van het plantje en merkte na eenig rondkijken, dat er overal volop -groeide. Allen propten de zakken vol boontjes, en Floorke koos er een -naam voor: apenootjes. - -Na een uur loopens vonden onze vrienden een rivier. Fluks de broeken -uit en als seinvlaggen gebruikt! In de jol verstond men den wenk: de -koers werd recht op de aangeduide plaats gesteld. Maar naderende, -bemerkte men, dat vóór de monding der rivier een zandbank lag, die -weliswaar niet boven het water uitstak, maar zoo’n hevige branding -veroorzaakte, dat landen een gewaagde zaak scheen. Bontekoe durfde de -verantwoording niet aan,—vroeg den maats zelf, wat ze wilden. - -„Landen!” klonk het uit één mond. - -„Wel”, zei Bontekoe, „dan waag ik er mijn huid ook aan. We zijn al door -zooveel heen gerold! Smijt maar vier riemen uit, en aan elke riem twee -man. Ik hou het roer. De rest klaar om te baliën!” - -Men stuurde recht op de woelende, schuimende watermassa aan. - -Toen kwamen er een paar spannende oogenblikken. De jol werd hoog -opgenomen, neergekwakt; terstond volgde een zware roller en wierp ze -half vol. Met schoenen, handen, mutsen en de twee vaatjes werd het -water gehoosd, en de maats aan de riemen trokken als dollen. Daar sloeg -een tweede roller achter over de jol. Het boord stak geen handbreed -meer boven het water uit. De tanden opeengeklemd, werkten de oomes in -razend tempo. Een derde golf stortte gelukkig achter de boot neer; een -wolk van schuim vloog den kerels over het hoofd. Ze waren de branding -uit. - -Steeds voorthoozende, legden ze eerst aan den linkeroever aan, namen -onze vijf vrienden op en staken daarna naar den rechteroever over, waar -de jol aan beide dreggen gemeerd werd. Toen gingen ze aan wal. - -De oevers van het riviertje waren dichtbegroeid. Waar de jol gemeerd -lag, schoten de stammen van kokos- en betelpalmen op en dichte -bamboebosschen, welker lange, smalle bladeren veelstemmig ruischten, -wanneer er een koeltje langs streek. Dan tintelden ze van het zonlicht. - -De schipbreukelingen keken eens rond, wat er hier aan proviand te -vinden zou zijn. Floorke wees den schipper de boontjes, die ook hier -rijkelijk tierden. Bontekoe proefde de „apennootjes” en vermoedde, op -den olie-achtigen smaak afgaand, dat ze wel zeer voedzaam zouden zijn. -Hij gaf den maats order, zooveel mogelijk te verzamelen. In kleine -groepjes snuffelden de mannen den omtrek af. Harmen en Padde, die -samen, al zoekende en peuzelende, waren afgedwaald, stonden, vóór ze -het wisten..... voor een vuurtje! - -„Allemachies!” stamelde Padde. - -En Harmen lag al op z’n knieën en blies er in, wat hij maar blazen kon. -Vuur! Dat konden ze gebruiken! Hilke, de eenige, die een vuurslag in -zijn zak gehad had, was zoo dom geweest, het in de sloep te laten -liggen toen hij met de anderen in de jol was overgestapt. „Hout!” riep -Harmen, al blazende. „Droog hout!” Nu, hout lag overal voor het -grijpen. En dank zij Harmen’s gezonde longen, sloegen de vlammen -spoedig weer uit het smeulende vuurtje op. - -„Wat ligt daar?” vroeg Padde, wijzend naar een paar hoopjes tabak op -een stuk pisangblad. - -Als antwoord griste Harmen een handvol weg en stak het in zijn zak. -Toen begon hij te schreeuwen: „Hei! Holla! Ho! Hier is wat te zien!” -Padde gilde opgewonden mee. - -Daar kwamen de maats aanhollen. En op het gezicht van de twee schatten: -vuur en tabak! sprongen ze van de pret. Gnuivend diepten ze hun pijpjes -uit den broekzak op. De tabak werd eerlijk verdeeld. Al was er niet -veel, allen zouden toch een fijn trekje kunnen doen. - -„Jij hebt je zakken natuurlijk stikvol!” verweet Gerretje aan Harmen. - -Harmen’s gelaat drukte een en al verbazing uit. „Hoe kan dat?? M’n -zakken zitten vol noten! Kijk maar!” En Harmen gaf er met de vlakke -hand een klap op. - -„Ook een bewijs!” smaalde Gerretje. - -„Harmen heeft de tabak gevonden!” suste Hilke. „Allicht, dat ie wat -meer krijgt.” - -„’k Wed, dat ie wel een pond in z’n zak heeft gestoken!” pruttelde -Gerretje. „Zie z’n zakken maar eens uitpuilen! Ze zullen nog barsten!” - -„En jij d’rbij!” verklaarde Harmen. - -De mannen legden nog een paar vuurtjes aan. Toen hurkten ze om de hoog -oplaaiende vlammen en zogen, stil genietend, aan hun pijpjes, tot de -tabak op was,—behalve bij Harmen, die nog steeds dikke rookwolken de -lucht inblies. Daarna verdiepten ze zich in gissingen omtrent de -bewoners van dit land, die stellig in overhaaste vlucht de tabak hadden -achtergelaten. Zouden ze den armen zwervelingen vijandig gezind zijn? -Wat drommel, zorgen kwamen altijd nog vroeg genoeg! - -Maar toen de avond daalde, met bedekte lucht, maakte langzaam-aan een -innerlijke onrust zich van de schipbreukelingen meester. Als de wilden -hen vannacht eens in grooten getale en gewapend zouden overvallen? Een -enkele maal deed een avondkoeltje het gras ruischen; de lange halmen -bogen zich tot elkaar over en fluisterden. Den oomes klonk het als de -sluipende voetstap van sluwe, bloeddorstige wilden. Wat was dat voor -een bruin, levend wezen in dien loofboom? Een groote aap? In de verte -plots een vogelroep. Boven de zee kwamen de kalongs weer aandrijven, -ware spookgedaanten, wanneer ze, na een oogenblik tegen een groezelige -roetwolk verdoezeld te zijn geweest, ineens weer opdoken. De maats -hurkten allengs bijeen om het grootste vuur, keken met glanzende oogen -in de vlammen en wierpen er stukken droog hout op. Pookt de vlammen -maar aan, jongens! Dat doet de onrust vluchten..... - -Bontekoe besloot wachten uit te zetten. „Vrijwilligers?” Hajo en Rolf -gaven zich als eersten op. Ze kregen de opdracht, de eerste paar uren -van den nacht de rivier te bewaken. - -De beide vrienden togen naar hun post. Maar ze waren nog geen tien pas -op weg, toen hijgend en blazend Padde achter hen aan kwam hollen. „Ik -ga ook mee”, verklaarde hij. - -Moedig stapten de knapen het donkere bosch in. Padde liep achteraan, -bibberend over al zijn leden, en hield Hajo bij de broek. - -Zoo kwamen ze bij de rivier. Nu een goed uitkijkpunt te vinden! Hajo -wist raad: een zware boom was schuin over het water gegroeid,—daar -zouden ze inklimmen. „Kom, ga je mee, Padde?” - -„Ik blijf beneden.” - -„Maar daar kun je niets zien!” - -„Ook nergens voor noodig”, vond Padde. „Als ze mij óók maar niet zien!” - -„Nou, blijf dan beneden”, zei Rolf, „dan kun je je door de krokodillen -laten weghalen.” - -„Krokodillen?!” stamelde Padde. Zwijgend klauterde hij haastig achter -Rolf aan. - -Inderdaad: van hier hadden de knapen een prachtig uitzicht. De rivier -was nergens dichtgegroeid, lag open en bloot te glanzen onder den -nachtelijken hemel. Onze vrienden kozen een mooien, ronden tak om op te -zitten. Ziezoo, nu zouden ze het wel een heele poos uithouden! - -Maar ze hadden buiten die kleine kwelgeesten gerekend, die het -onmogelijk maken, zonder beschutting den nacht in een tropisch oerwoud -door te brengen: de muskieten! Het was om er dol van te worden, zoo -zoemden ze je om de ooren. Zzzzzúúúú..... zzzzzinnng..... -zzzzzoeoeoeoe..... Padde sneed een twijgje met loof af en zwaaide en -sloeg er mee, dat hij er bijkans den boom door uittuimelde. Maar het -hielp wel, en de anderen volgden zijn voorbeeld. - -Ineens, beneden hen, brekende takken, gestamp en gesmak in den weeken -modderbodem.....Onwillekeurig grepen de vrienden zich aan elkaar vast. -Daar boog het gras ter zijde, en een donker, harig beest met twee -zware, rondgebogen slagtanden, kwam zachtjes knorrend te voorschijn, -waadde, zonder rond te zien, het water in, vol welbehagen slurpend. -Daar kwam er nog een uit het gras naar voren, gevolgd door twee, vijf, -acht, elf jonge, knorrende vierpooters, die zich gillend van -vreugdevolle opwinding in de modder wentelden en daarna ook het water -inliepen, slurpend, niezend en knorrend. Wilde varkens! - -Ademloos keken de knapen toe. De biggetjes hadden een in de lengte -gestreepte huid,—een grappig gezicht. De knapen waren zoo door het -familie-bad der krulstaarten in beslag genomen, dat geen van hen de -roering in het water bespeurde, daar verderop...... - -Eensklaps stiet een der biggetjes een smartkreet uit. Toen smoorde het -water zijn gil, en het beestje werd door een onzichtbare macht -weggesleept. Angstig schreeuwend vluchtten zijn broers en zusjes in -onbeholpen sprongen den oever op. Maar de ouden stoven met woedend -snuiven en blazen naar de plaats, waar het jong in de diepte was -gesleurd. Terwijl het wijfje daar bleef staan, zwom het mannetje nog -een eind door, draaide zoekend rond en keerde ten slotte met een -klagend geluid naar zijn wijfje terug,—waarop ze beiden weer naar den -oever baggerden en grommend tusschen het gras verdwenen, de jongen -achter het wijfje aan. In hun haast en opwinding botsten de biggetjes -tegen mekaar op, vlogen over den kop, met den snuit de modder in. Maar -knorrend en gillend stormden ze weer voort, zich geducht reppend en -vinnig slaand met de korte achterpootjes, dat de kluiten aarde met een -wijden boog in het water kletsten. Toen werd het weer stil. - -De jongens ademden diep op. Foei! wat staken de muskieten! Van den -grond stegen drie vuurvliegjes op, dwarrelden omhoog en doken weg in de -boomkronen. Een kikker ratelde en kreeg van den anderen oever antwoord. -Brèkèkèkèkèrrrrrr..... Een watervogel vloog eensklaps, met heidensch -misbaar, uit het oeverriet op, tuimelde tegen de takken van den boom, -waarin de jongens zaten, plofte half verdoofd in de rivier neer, zocht -toen, vleugelklappend, de pooten door het water slierend, een -schuilplaats in een anderen bundel riet, waar hij doodstil zitten -bleef. Toen een eentonig, klagend geluid, als het zacht neuriën van een -half vergeten wijsje. Inlanders zeggen, dat de krokodillen zingen, om -hun prooi in het water te lokken..... - -Toen kwamen Hilke en Harmen de jongens aflossen. Zwijgend, half -droomend gingen ze naar het kamp terug, legden zich bij een der vuren -neer en sliepen in. - -De nacht verliep rustig. - - - -Verkwikt stonden allen den volgenden morgen op. Juist hadden ze het -ontbijt naar binnen gespeeld: kokosmelk met gepofte apenootjes, warm -uit het vuur! toen er drie inlanders uit Zuidelijke richting langs het -strand kwamen aanloopen. De barbier, Bolle en Floorke, beroemd om hun -vloeiend Maleisch, werden hun te gemoet gezonden. Floorke gespte zich, -als teeken van waardigheid, den roestigen degen om en gebaarde zich als -leider van de deputatie. - -Zoo ontmoetten de twee groepjes elkaar. De inlanders waren licht van -huidskleur en maakten een beschaafden indruk. Ze droegen fraaie doeken -in het sluike, glanzend zwarte haar; het naakte bovenlichaam had geen -tatoeage, en om de heupen vouwde zich een soort rok met mooie figuren. -Onbevreesd, ook niet zoo erg verbaasd keken ze den maats in de oogen en -groetten in het Maleisch. - -Floorke nam terstond het woord. „Hebben jullie eten? Makan? We zullen -betalen! Bajar!” - -„Ada makanan, toean”, was het bevestigende antwoord. - -„Makanan apa?” vroeg Bolle. - -Wat voor eten? Een der Maleiers somde op: „Nassi, kambing, ajam-ajam, -ikan, boewah.....” - -„Goed, breng maar hier. Wat is dit voor een land? Negeri apa ini?” -informeerde de barbier. - -„Negeri Lampong, toean”, was het antwoord. - -„Aha! De Zuidelijkste provincie van Sumatra! Dat is mooi!—Mana negeri -Djawa?” - -Waar Java lag? De Maleiers wezen de kust af, in Zuid-Oostelijke -richting. - -„Dat klopt!” zei Vader Langjas verheugd. En in het Maleisch vertelde -hij, hoe ze hun schip hadden verloren en nu de reede van Bantem -zochten. - -Bantem was nog ver, verzekerden de inboorlingen, en er lag een zee -tusschen. Daarop togen ze heen, beloofden spoedig met voedsel te zullen -terugkeeren. - -Intusschen zamelde Bontekoe het geld der maats bijeen. Hier gold het: -botje bij botje leggen; uit mutsen en voeringen kwam het geld te -voorschijn, en ten slotte lagen er tachtig realen van achten. Zouden de -inlanders weten, wat geld was? Bontekoe meende van wel: er zouden op -deze kust wel genoeg handelsschepen komen, waar ze het geld weer kwijt -konden. - -De inlanders kwamen met z’n twintigen terug, met pluimvee, rijst, -vruchten en twee geiten. - -Bontekoe, verheugd over het uitzicht: na weken van de bitterste -ontberingen eindelijk weer eens een smakelijken maaltijd te genieten, -was het spoedig met hen over den prijs eens. - -En in zeldzaam opgewekte stemming werd het maal bereid. Bolle, met -Harmen als helper, had zich nog nooit in zooveel belangstelling en -raadgevingen mogen verheugen. Allen wilden proeven: „of het al gaar -was”, en Bolle deelde met een houten, zelfgesneden lepel links en -rechts meppen uit. - - - - - - - - -DE DESSAH IN - - -Na het eten, dat zelfs Padde’s verwachtingen nog verre overtrof, -overlegden de schipbreukelingen, hoe ze nog aan wat meer proviand voor -de reis zouden komen. Van een zoo vreedzame bevolking zou wel alles -zijn los te krijgen wat men voorloopig noodig had. De inlanders zeiden, -dat een uur varens de rivier op een dorp lag; daar besloot Bontekoe -zich eens heen te te laten roeien. - -Hij liet zijn neef bij zich roepen. „Rolf, jij mag mee, als mijn tolk. -De inlanders zullen ons straks zelf met een prauw de rivier oproeien.” - -„Wat leuk, oom! Mag Hajo mee?” - -Bontekoe keek zijn neef glimlachend aan. „Jullie houdt mekaar altijd -bij de broek, geloof ik! Heb je Jan, dan heb je Piet! Nou, vooruit dan -maar.” - -Stralend pakte Rolf zijn biezen. - -Tien tellen later stond Harmen bij den schipper. - -„Wat heb je op je lever?” - -„Ik.....” Harmen slikte, „ik heb nog nooit in zoo’n Maleisch sloepie -gezeten, schipper!” - -„Maar als ik jou ook nog meeneem, zullen ze daarginds denken, dat ik -met een jol vol kinderen ben aangekomen!” - -Harmen verbleekte. „Kinderen, schipper.....?! ’k Word met Maart -zestien!” - -„Uitgerukt!” klonk het antwoord, dat echter lachend gegeven werd. - -Verbluft trok Harmen zich terug. Maar Rolf, die het gesprek op eenigen -afstand gevolgd had, gaf hem een ribbestoot. „Je mag mee!” fluisterde -Rolf. - -Harmen keek hem weifelend aan. „Nou..... voor mijn part, zeg! Als de -prauw er is, spring ik er in. Maar als de schipper me de beenen -stukslaat, komen de kosten voor jou!” - -Daar kwam een prauw de rivierbocht omscheren, handig zwenkend tusschen -de steenen. Voor- en achterin zat een Maleier met een spaan in de -handen. Ze meerden de prauw, en Bontekoe nam er met zijn drie flinke -geleiders in plaats. Harmen keek met een scheel oogje naar den -schipper,—gereed om er zoo noodig vlug als de weerlicht nog uit te -wippen. Maar Bontekoe scheen hem niet op te merken. Juist hadden de -twee Maleiers hun prauw van den wal afgestooten, toen Padde buiten adem -kwam aanhollen. - -„Wat moet dat?!” riep Padde. „Waar gaat dat naar toe?” - -Hajo schaamde zich een weinig over Padde’s optreden, dat al van bar -weinig eerbied voor des schippers tegenwoordigheid getuigde. Maar hij -wilde zijn vriend het antwoord toch niet schuldig blijven. „Inkoopen -doen voor de kombuis, Padde!” - -„Ik ga mee”, zei Padde. „Leg maar even an.” - -„Waarachtig niet”, klonk het uit Bontekoe’s mond. „Je gaat niet mee!” - -„Ik ga wel mee”, verklaarde Padde. - -Bontekoe zette groote oogen op. - -„Zwem maar achter de prauw aan!” grinnikte Harmen. Weinig vermoedde -hij, dat zijn raad tot gevolg zou hebben.... Pats! daar sprong Padde -pardoes het water in en ploeterde naar de prauw. Samen met Hajo en Rolf -heesch Bontekoe den roekeloozen botteliersmaat binnen boord. -„Blikslagersche jongen!” mopperde de schipper, „wil jij je door een -kaaiman laten verslinden?!” - -„Ik wil met m’n vrind mee”, hijgde Padde. - -Bontekoe wist niet zoo gauw wat te zeggen. En Padde scheen er ook -weinig belang in te stellen. Hij zette zich op den bodem van het -vaartuigje neer en wrong nijdig zijn muts buiten boord uit. - -„Vooruit! Roei op!” beval Bontekoe den Maleischen roeiers. Onmiddellijk -sloegen de Maleiers de spanen in het water: of ze het begrepen, al was -het bevel ook in zuiver Hollandsch gesteld! - -Aanvankelijk werd er gezwegen. Bontekoe keek met een half oogje naar -Padde, die, zonder de anderen met een blik te verwaardigen, grimmig met -het uitwringen van zijn kleeren doorging. - -De inlanders werkten de prauw de bocht om; Hajo en Harmen bewonderden -in stilte de vaardigheid, waarmee ze de gevaarlijke punten wisten te -omsturen. Enkele korte roepen waren den roeiers voldoende -verstandhouding. - -Een drukkende hitte lag nu reeds op het water. Hoe zou het vanmiddag -wel worden? - -Allengs verbreedde de rivierbedding zich; de boomen stonden ook niet -meer vlak aan het water, maar waren er van gescheiden door een veld -grijze bergsteenen. De lichte palmen aan den oever maakten plaats voor -donkere loofboomen, hooger dan een kerk. Wonderlijk speelden daarboven -de zonnestralen op de roerlooze bladeren en op de bonte bloemen der -slingerplanten. - -Groote, bruine apen volgden de prauw; aan loshangende lianen slingerden -zij zich van den eenen boom in den anderen. Een oud apen-mannetje -bewoog zich met groote sprongen over het steenen bed aan den oever, -siste, nam een aanvallende houding aan, wierp met keitjes naar de prauw -zonder zich te laten afschrikken door de verwenschingen, die de beide -inlanders hem naar het hoofd slingerden. Kleurige vogels fladderden van -tak op tak, streken in prachtigen val neer, een langen staart achter -zich aan. Wanneer er een over een zonneplek gleed, schitterde een helle -vlam, kort, terstond weer doovend. - -Men kwam langs enkele huisjes, half achter de boomen verborgen. Een -paar vrouwen waren met het wasschen van kleeren bezig. Zij hadden een -rok („sarong,” zei Rolf) boven de borst dichtgeknoopt en sloegen het -waschgoed op een grooten steen. Naakte kindertjes met dikke -rijstbuikjes zaten elkaar in het water na en plasten, dat het een aard -had. De meisjes hadden het haar in een knoedeltje opgebonden, de -jongens waren kaalgeschoren, op een gitzwarten lok, vóór op hun ovaal -bolletje, na. - -Groote verbazing onder de kleinen, toen de prauw naderde! Een paar -kereltjes kozen het hazenpad; anderen bleven met open mond staan, de -oogen zoo wijd als de zee. - -De vrouwen merkten de prauw nu ook op. Ze staakten het werk en uitten -in een kreet haar verwondering: „Tjobah.....!” Het feit, dat er twee -inlanders, die ze kenden, in de prauw zaten, scheen haar gerust te -stellen. En toen het vaartuigje voorbijgleed, overstelpten ze de -roeiers met vragen. Dezen gaven geen antwoord. „Diam! Mond houden!” -morde de achterste slechts. De kinderen wilden de prauw volgen, maar de -vrouwen riepen de bengels terug. - -Verderop stonden de boomen weer vlak aan het water, de rivier geheel -overwelvend. Hier werd het heerlijk koel. In het groene schemerlicht -daarboven slingerden de apen zich aan loshangende lianen heen en weer -en schudden krijschend de takken. - -Er kwamen weer huisjes met kinderen, geiten, kippen en honden er onder, -er op, er in, er omheen. Daarna kokostuinen met bamboezen omheiningen. -De jongens waren paf over de rapheid, waarmee een knaapje daarginds -zich in een der boomen werkte: hij liep tegen den stam op! - -Bij een primitief huisje, waaronder een paar booten lagen, legden de -Maleiers ten slotte aan. En Bontekoe sprong met zijn gevolg aan wal. De -inlanders als gidsen voorop, sloegen ze een kronkelpaadje in, met aan -beide zijden dichte, groene bamboebosschen. Toen voerde de weg over een -dijkje tusschen twee vijvers door, waarin visschen heen en weer -schoten. Kikkers plonsden bij vieren, vijven tegelijk van het aarden -walletje het water in, en aan de overzijde stond een grijze reiger te -visschen. De inlanders wierpen een steen naar het dier, waarop het in -een boom streek, vast besloten zijn maaltijd voort te zetten, zoodra -die lastige menschen hun hielen hadden gelicht. - -Weer een bocht om, en men was bij het dorp. Het lag er alleraardigst, -omzoomd door een strook gras, waarop een paar buffels, vervaarlijke -kolossen met zware horens, vreedzaam graasden, en een aantal kleine -bruine dreumesen speelden. Toen ze de vreemden zagen, verborgen ze zich -ijlings achter de buffels, loerden met groote oogen tusschen de pooten -door. Om het dorp bevond zich een aarden, met bloemen overdekte wal, -waarop een schutting van dikke, gespitste bamboestokken was geplaatst. -Het pad voerde naar een doorgang, waarvoor een man gehurkt te soezen -zat. Een speer stond achter hem. - -De Maleiers riepen hem bij zijn naam. Hij schrikte op, krabbelde schuw -overeind, vol wantrouwen de vreemdelingen aanziend, en sloeg tweemaal -op een houten blok, dat naast hem hing. Intusschen wenkte de voorste -Maleier Bontekoe en de zijnen, om hem verder te volgen. Ze kwamen nu op -een soort voorplein van gestampte aarde, waarop ’t krioelde van -pluimvee. - -Rechts achter de poort waren, in de schaduw van een groepje pisang- en -papajaboomen, een viertal jonge meisjes met het stampen van rijst in de -weer. Het mooie, glanzend-zwarte haar lag sierlijk, in een kleine -wrong, achter in den hals, en er staken een paar fleurige bloempjes in. -Het bovenlijf was onbedekt, maar om het middel droegen ze een kleurig -kleedje, dat tot over de knieën reikte. Terwijl ze aanhoudend werk -hadden om de diefachtige kippen weg te jagen, die een graantje kwamen -pikken, stampten ze, neuriënd, met lange stokken in houten kommen, -waarvan er vier naast elkaar waren gehouwen in een scheepvormig stuk -hout, dat op den grond stond. Toen de meisjes onze vrienden zagen, -slaakten ze een lichten kreet. - -„Tabeh!” zei Harmen vriendelijk. - -„Tabeh, toean.....” stamelde een der meisjes. En een paar kwieke -haantjes vielen op de onbehoede rijst aan. - -Aan de andere zijde van het plein lag het eigenlijke dorp. En terwijl -de blanke bezoekers het pleintje overstaken, kwamen uit enkele woningen -al inlanders aanzetten: dat zou de slag op het houten blok wel hebben -uitgewerkt. Op eenigen afstand bleven ze staan. - -Harmen groette naar alle kanten. Maar op zijn vriendelijkste „tabeh” -kreeg hij slechts een onverstaanbaar gemompel terug. Alle huizen waren -op hooge, sterke palen gebouwd. Sommige hadden een balkon en drie, vier -tralievensters. En hoe kunstig waren de bamboezen wanden gevlochten! -Daar zaten allerlei figuren in! En dan dat kleurige snijwerk onder de -spitse daken! Onder de meeste huizen hing in rotankoorden een prauw, en -er was geen enkele woning, waarbij aan den zijkant niet een paal met -een kooi was aangebracht, waarin een kleine, grijze duif koekeloerde. -Alom scharrelde pluimvee rond. Een paar jonge haantjes oefenden zich in -het kraaien en mengden hun schorre, onzekere stemmen met het -zelfingenomen gekakel van hennen, die luid verkondigden, dat ze -daareven een ei hadden gelegd. Het was alweer juist hetzelfde als in -het Sante-Mariesch dorpje: tusschen deuren- en vensterspleten gluurden -angstige gezichten van vrouwen en meisjes, en ook hier krioelde het van -kleine, naakte dreumesen, die, op de komst der vreemdelingen, hals over -kop de vlucht namen. - -Zoo, met een schare Maleiers op de hielen, belandden ze bij een huis, -dat het grootste en fraaiste van alle was en dus wel het dorpshoofd zou -toebehooren. Hun leider verzocht hen een oogenblik te wachten: de -bewoner van het huis zou zich dadelijk vertoonen. - -Harmen zette zijn verbroederingspogingen voort. Hij bleef maar knikken -en „tabeh!” roepen. En ten slotte scheen hij veld te winnen. Enkele -inlanders riepen den anderen wat toe; daarop werd er gemeesmuild. -„Aha!” dacht Harmen, „ik schiet op!” En onverwachts maakte hij een -prachtige luchtbuiteling. In het maken van een dergelijke toer was -Harmen rijp voor het paardespel, en ook ditmaal miste ze haar -uitwerking niet. Eerst een oogenblik van verbaasd zwijgen, toen -algemeen gelach. Er waren op den achtergrond nu ook vrouwen en meiskes -opgedoken, wier vroolijkheid aanstekelijk werkte. Juist maakte Harmen -nog eens dezelfde buiteling, maar nu achterstevoren, toen in de veranda -van het groote huis een Inlander verscheen, fraai gekleed in langen -lendenrok, jasje en hoofddoek. In een breeden, goudbestikten buikgordel -stak achter den rug een eigenaardig gevormd steekwapen met sierlijke -greep. - -Op zijn verschijnen heerschte oogenblikkelijk stilte onder de -verzamelde inlanders, en terwijl hij, nog verbaasd naar Harmen ziend, -die verlegen zijn broek optrok, langzaam en plechtig de trap van het -bordes afdaalde om de vreemdelingen te begroeten, gingen allen -eerbiedig achteruit en hurkten op eenigen afstand neer, de handen in -den schoot. Bontekoe en de jongens voelden, dat ze hier bij een ander -volk terecht waren gekomen dan bij de zwartjes op Sante-Marie! Ze -besloten in beleefdheid niet onder te doen: Bontekoe maakte een -buiging, een voorbeeld, dat door onze Hoornsche vrienden kranig werd -nagevolgd, op Padde na, die met zijn houding geen raad wist en daarom -maar kuchte en met de mouw zijn neus schoonveegde. - -Hierop boog het dorpshoofd ook een weinig, heette den vreemdelingen -welkom in bewoordingen, die meer begrepen dan verstaan werden, en -verzocht den vreemdelingen, zijn gast te willen zijn. Rolf, die het -best Maleisch sprak, dankte het dorpshoofd voor zijn vriendelijk -aanbod. Hierop begaf hun gastheer zich weer naar boven, met hoffelijk -gebaar Bontekoe en de zijnen noodend hem te volgen. Zoo deden zij. -Roerloos bleven buiten de inlanders gehurkt toezien. - -Op het bordes hadden enkele vrouwen en meisjes tegen den wand plaats -genomen. Het dorpshoofd gaf een wenk, waarop ze oprezen en zes matjes -op den vloer spreidden. Vriendelijk noodigde hij zijn gasten, plaats te -nemen. Bontekoe en de jongens gaven er gehoor aan en zetten zich met -opgetrokken knieën op de matjes neer. De Inlander was ook gaan zitten, -kruiste de beenen onder het lichaam. Een nieuwe wenk, en de meisjes -zetten een koperen schaal neer, waarop enkele aardige, met grillige -figuren besneden kommetjes stonden. In een ervan lag een noot, in een -ander een krans van groene bladeren, in een derde witte kalk, in een -vierde weer wat anders..... De jongens keken er met groote oogen naar. -Wat moesten ze daarmee beginnen? - -De Inlander legde enkele bladeren tot een matje ineen, nam iets uit de -verschillende kommetjes, vouwde de bladeren dicht, stak die toen in den -mond en maakte tot zijn gasten een uitnoodigend gebaar. - -„Nadoen!” zei Bontekoe tot zijn dapperen. - -„Moet je ’t slikken?” vroeg Hajo weifelend. - -„Ik slik het niet”, zei Harmen; „ik ga liever gewóón dood.” - -„Je moet het kauwen”, zei Bontekoe. „Het is een betelpruim.” - -En zoo goed en kwaad als het ging, maakten de schipper en de jongens -hun pruim terecht en staken haar daarna dapper in den mond, op Padde -na, die maar weer z’n neus schoonwreef. Het goedje smaakte bitter. - -Al dien tijd heerschte er zwijgen. Bontekoe raadde Rolf door een wenk, -dien de beleefde inlander gebaarde niet te merken, met spreken te -wachten, tot hun gastheer het woord genomen had. Eindelijk was het -zoover. Het dorpshoofd wenkte de meisjes om de schalen weg te nemen en -wendde zich tot Bontekoe: „Mag ik u vragen, heer, van waar gij komt?” - -Rolf vertelde zoo goed en kwaad als het ging hun wedervaren, en dat ze -hier op Sumatra geland waren om wat eten in te koopen voor de verdere -reis. - -Het dorpshoofd antwoordde, dat hij zelf hun tot zijn spijt niets te -koop kon bieden, maar dat er in het dorp stellig wel menschen zouden -zijn, die etenswaren konden leveren. Daarop verklaarde hij, dat hij het -zich een groote eer zou rekenen, indien zijn gasten zoometeen bij den -maaltijd zouden willen aanzitten en verder den nacht bij hem -doorbrengen. - -Het slapen moest Rolf afslaan, omdat, zooals hij zei, de haast om bij -hun makkers in Bantem te komen hen verhinderde hier lang te vertoeven. -Maar den maaltijd zouden zij gaarne aanvaarden. - -Daarna wendde Rolf zich tot zijn oom en bracht het gesprek over. - -Harmen was nadenkelijk geworden. „Ik vertrouw hem voor geen pruim -tabak”, zei hij plots. „Wat ik je brom: ’t is een blinde klip! Hij -kijkt me te geniepig! ’k Zal Louwtje Laurenszoon heeten, als er geen -gif in het eten zit!” - -Rolf keek Harmen aarzelend aan. - -„Een gast is hier in Indië heilig!” zei Bontekoe. Maar ook hij voelde -Harmen’s wantrouwen mee. Er zat in al die hoffelijke manieren iets -beklemmends,—een rond zeeman wist niet goed, wat ie er aan had. En -tegelijk met een zweem van argwaan kwam in hem een gevoel van spijt op, -dat hij, in plaats van de vier jongens, niet een dozijn onbehouwen -maats had meegenomen..... - -Hajo vond hun gastheer een buitengewoon vriendelijk man. Je moest niet -achter alles wat zoeken! - -En Padde kon zijn oogen maar niet afwenden van het meisje, dat hem -daarstraks de betelschaal had gereikt. Het kopje vormde een prachtig -ovaal; de oortjes, lipjes, het neusje waren fijner dan Padde ze ooit -gezien had; de sierlijk gebogen, smalle wenkbrauwen, de donkere, -glanzende oogen, half versluierd achter de lange wimpers, de prachtige -haarval, waarin een zilveren gesp en een paar sneeuwwitte bloempjes -waren gestoken, het fijne halsje, dat zoo wonderlijk mooi in de -schouderlijn overging; de tengere armen, handjes en vingertjes, het -zonderlinge, kleurige kleedje, de ranke enkels, elk met een zilveren -band! Padde vergat de heele wereld. Net een plaatje! vond hij. - -Maar het meisje had ook voor den braven botteliersmaat belangstelling. -Nu en dan wierp ze hem van onder haar lange wimpers een schuwen blik -toe. - -Dan werd Padde rood als een kool en keek vlug een anderen kant uit. - -De gastheer stelde voor, het dorp eens te bezien; intusschen kon men -hier het eten opdienen. Gretig nam Rolf het voorstel aan, blij, -eindelijk van de zittende houding en het betelkauwen verlost te zijn. -Nauwelijks waren ze het trapje afgedaald, of onze vrienden maakten van -de gelegenheid gebruik, zich van hun betelpruim te ontdoen. - -De kring hurkende inlanders opende zich terstond in de richting, -waarheen het dorpshoofd zijn gasten geleidde. Kindertjes liepen in een -drafje toe en gluurden van ter zijde de „witte” menschen aan, zich -eerst weer schuchter terugtrekkend, wanneer een van de vreemde gasten -een blik op hen liet vallen. - -„Stampt men in uw land de rijst, zooals wij het hier doen?” vroeg het -dorpshoofd, toen ze een plek naderden waar weer vier meisjes met dat -werk bezig waren, doch nu verlegen ophielden. - -„In ons land groeit geen rijst”, antwoordde Rolf. - -Het dorpshoofd keek vol verbazing zijn gasten aan. „Tjobah.....!” En -ook onder de omstaande inlanders werd gemurmeld. - -„Mogen we het stampen eens zien?” vroeg Rolf vroolijk. - -„Wel zeker!” haastte zich het wellevende dorpshoofd te verklaren. En -hij wenkte de meisjes nader te komen en hun arbeid voort te zetten. -Schuchter, met neergeslagen oogen, voldeden ze aan het verzoek. - -Zij stelden zich aan beide zijden van het stampblok op, namen den -houten stok en begonnen op een kort en zacht uitgesproken bevel van een -van hen te stampen. Al spoedig merkten Bontekoe en de zijnen op, dat er -in een bepaalde maat gestampt werd. De leidster zei weer een woord, en -nu wisselden plotseling alle vier de maat. Als vanzelf begonnen de -deerntjes te neuriën, eerst heel zacht, toen wat vrijer uit, en bij -elke maatwisseling zetten ze ook terstond een ander wijsje in. En alles -rondom was zoo vredig; de lucht hing vol zoeten bloemengeur, de zon was -zoo koesterend..... - -„Alleraardigst!” riep Bontekoe uit. - -Het was, als verstonden de ijverige stampsters hem, want ze bloosden -onder den lof; de jongste giechelde even, waarop ook de anderen haar -vroolijkheid een oogenblik botvierden. Een oude vrouw, die gehurkt bij -het blok was gaan zitten, berispte ze met krijschende stem; de meiskes -wierpen elkaar en ook den omstanders een oogje toe en kozen ditmaal een -bijzonder vroolijke maat,—ondanks het kijven der oude, die thans met -een mandje, dat veel van een omgekeerden hoed had en met ongepelde -rijst was gevuld, bij het stampblok neerhurkte. Met vluggen greep -griste ze tusschen twee stooten door met haar magere, gerimpelde hand -de rijst uit de kommen, wierp ze in een leeg mandje en gooide daarna de -kommen weer vol ongepelde rijst. - -Terwijl de meisjes met stampen doorgingen, leidde het dorpshoofd zijn -gasten weer verder. - -Rolf vroeg naar den naam der grijze duiven in de kooien. „Boeroeng -perkoetoet”, luidde het antwoord. Onze vrienden verbaasden zich over de -juiste klanknabootsing: ze hoorden nu duidelijk in den roep van den -vogel het woord: perkoetoet! - -Ze hielden stil bij een ouden man, die met het versieren van een deur -bezig was. Niets dan een kort mesje was zijn werktuig: daarmee—en met -eindeloos geduld!—had hij vogels, visschen en boomen in fraaie lijnen -uit het hout getooverd. De oude houtsnijder glimlachte vol bescheiden -vreugde, toen de vreemdelingen zijn werk bewonderden. - -„Kan ik ook”, zei Harmen. „Heb jullie mijn tabaksdoos al eens gezien?” - -Een strenge blik van den schipper hield hem ervan terug, dit zeldzame -kunstwerk, waarop twee aaneengesmede harten prijkten, voor den dag te -halen. - -Na den rondgang door het dorp te hebben gemaakt, kwam men weer bij de -woning van het dorpshoofd, waar intusschen het eten was opgediend. Een -groote mat lag op den vloer, en daarop prijkte een keur van gerechten, -alle in stukken pisangblad gewikkeld. Men zette zich op matjes rond den -„disch”. Er was rijst met scherpsmakende vischjes, gekruide kip, -allerlei vruchten, waarbij vooral een groene vrucht met heerlijk -sappig, oranje vleesch en een groote pit onze vrienden in verrukking -bracht. Het eten was zoo gepeperd, dat men er de tranen van in de oogen -kreeg. „Toch lekker”, vonden de jongens. Alleen Harmen was zijn -wantrouwen nog niet geheel kwijt, aarzelde bij elk nieuw gerecht, dat -men hem aanbood. - -„Smaakt het jou niet?” vroeg Bontekoe. - -„Als ik maar zeker wist, dat er geen gif inzat, zou je me eens zien -eten, schipper!” verklaarde Harmen. - -Zijn makkers lachten. „We hebben anders nog geen meelij met je! Als je -dat allemaal opeet.....!” - -De soep werd tot hun verbazing over de rijst geschept! Dan waren er -allerhande koekjes en geconfijte vruchten, en na het eten werd er -gegiste palmwijn rondgediend. - -Daarna stonden onze vrienden op om nu eens ernstig op zoek te gaan naar -proviand voor de jol! Ze hadden verrukkelijk gegeten en bedankten het -dorpshoofd voor zijn gastvrijheid. En nu Harmen geen buikkrampen of -iets dergelijks voelde, week ook bij hem, als bij de anderen, het -laatste restje wantrouwen. - -Rolf vroeg den inlanders, die nog steeds in grooten kring voor het huis -zaten, of niemand van hen iets te koop kon bieden. - -„Kippen!” riep er een. „Twee geiten!” luidde het uit een anderen hoek. -„Rijst! Rijst en kippen!” - -Kippen bleken in overvloed te koop te zijn. Bontekoe kocht wat rijst en -pluimvee op en liet het naar de jol zenden. Daarna volgde men den -inlander, die twee geiten te koop had. Maar ter plaatse gekomen, bleken -de „geiten” nog geen maand oud te zijn. En het dochtertje van den man -huilde zoo, toen zij merkte wat haar vader met de lustige -speelkameraadjes van plan was, en zijn vrouw kijfde hem zoo de huid -vol, dat hij maar van zijn plan tot verkoop afzag. - -Op dat oogenblik kwam zijn buurman zeggen, dat hij een buffel te koop -had. Dat zou zoden aan den dijk zetten! En onze vrienden volgden den -man, die hen het dorp uitleidde. Daar graasde zijn buffel, een mooi, -jong beest met een paar geduchte horens. - -Rolf opende de onderhandelingen. Men werd het eens op vijf-en-een-halve -real van achten. Maar hoe nu den stier naar de jol te krijgen? „Als we -het die nikker laten doen, zien we het beest nooit!” meende Harmen. - -„We zullen het zelf doen”, zei Rolf. En den Maleier vroeg hij: „Is er -een weg naar het strand?” - -„Zeker, heer, langs de rivier loopt een weg.” - -„Wel”, zei Harmen, „ga jij dan met de kano terug, schipper, dan slaan -wij het mormel een touwtje om z’n hals en brengen het netjes naar de -jol.” - -Dat scheen ook Bontekoe het beste. „Nu, gaan jullie je gang dan maar. -Tot over een paar uur dus!” - -„Jawel, schipper!” - -Bontekoe ging naar de woning van het dorpshoofd. - -„Nou”, zei Harmen den inlander, „haal jij nou er eens als de weerlicht -een stukkie talie!” - -De man raapte een stuk rotan van den grond op. - -„Best, kassie maar aan saja”, zei Harmen. „Dan zal ik hem dat lusje -even om z’n hals leggen!” Harmen, die al eens vaker een koe bij de -horens had gepakt, stapte op den grazenden kolos af. - -Maar deze sprong haastig een paar passen terug en keek dreigend onzen -vriend aan, die van zijn kant een en al innemendheid was en als een -verleidelijk lokaas den strik voor zich uithield. „Kom dan?” vroeg -Harmen vriendelijk, „kom dan, ouwe jongen?” Maar de buffel kwam -niet,—zoodat Harmen tot list overging. Hij maakte van den rotan een -lasso en wierp dien, na alleronschuldigst nog een paar duim genaderd te -zijn, den buffel om de horens. - -Het dier sprong achteruit, sleurde Harmen mee. Maar deze hield vast. -Toen een korte aarzeling, en het beest boog snuivend den zwaren nek en -stormde met gevelde horens op den onversaagden koksmaat af. In dit -hachelijk oogenblik maakte Harmen den sprong, waaraan hij het te danken -had, dat hij vijftig jaar later aan zijn kleinkinderen het -buffelavontuur nog in geuren en kleuren kon voorschilderen. Terwijl hij -er eigenlijk nog over na dacht, hoe hij zich het best uit de voeten kon -maken, hadden zijn armen en beenen het werk al verricht: hij greep, den -doodsangst in de oogen, met zijn gespierde knuisten de horens beet, -zette geweldig af en..... sprong haasje-over! - -„Tjobah.....!” stamelde de inlander. De anderen voelden een koude -rilling door de leden gaan. De buffel stoof door tot aan de omheining -van het dorp; daar bleef het dier staan, de horens gebogen voor een -nieuwen aanval. - -„Vooruit!” riep Rolf den inlander driftig toe. „Tangkep!” - -De man keek schuw op. „Oah toean, ’nga brani, toean.....” - -„Wat zeg je? Durf je niet? ’t Is toch jouw stier?” - -„Mijn stier, heer? Ik heb hem u toch verkocht? Dan is hij toch niet -meer van mij?” - -„Wat zeit ie?” vroeg Harmen. - -„Hij heeft ons een koopje geleverd! Hoe krijgen we het beest in ’s -hemelsnaam mee?” - -„Wachten, tot ’t donker is”, meende Harmen. „Dan draai ik ’m stiekum -een touwtje om z’n pooten. En dan slapen we vannacht bij de radjah!” - -„Onmogelijk! Dan is het nog beter, zonder buffel terug te gaan.” - -„De schipper zal ons zien aankomen!” smaalde Harmen. „En hij zal nòg -eens jongens meenemen! Neen, hij heeft gezeid, dat we hem de stier -moeten brengen, nou, dan moeten we hem de stier ook brengen. Over een -uur is het al donker.—En dan krijgen we je wel, hè, dikkop?”—Dat -laatste ging tegen den stier. - -Rolf weifelde. „Vooruit dan maar!” zei hij ten slotte. Hij had per slot -van rekening ook niet veel lust om zonder den stier in het kamp terug -te keeren. De schipper zou zich wel ongerust maken, maar morgen -helderde zich immers alles op. - -En de knapen togen naar het dorpshoofd, dat hen weer allervriendelijkst -ontving en hun een klein huisje aanbood, hetwelk naast het zijne stond -en voor de herberging van gasten diende. Hij liet de knapen een -oogenblik alleen, keerde vriendelijk glimlachend terug en zei, dat -alles voor hen werd gereedgemaakt. Opnieuw liet hij palmwijn brengen, -verzekerde, dat hij het zich een eer rekende, de zonen van een schipper -der Compagnie te herbergen. En toen een inlander hurkend kwam -mededeelen, dat het nachtleger voor de gasten gereed was, vroeg hij -hun, of ze lust gevoelden even met den dienaar mee te gaan, ten einde -hun onderdak voor dezen nacht in oogenschouw te nemen. Zoo volgden de -jongens, vroolijk koutend en verrukt over den palmwijn en hun -hartelijken gastheer, den inlander naar het huisje. - -Ze klommen, Harmen vooraan, een laddertje op, dat naar de kamer voerde, -traden met gebukt hoofd de lage deur binnen en kwamen zoo in een -donkere ruimte. Padde kroop als laatste naar binnen. - -„Sakkerju”, zei Harmen, „’t is donker; we hadden wel een -dievenlantarentje mee mogen brengen!” - -Op dat oogenblik werden ze beetgegrepen, ondanks hun woedend verzet -gekneveld—en in het duister alleen gelaten. - - - - - - - - -VERLATEN - - -„Zie je wel, dat ie een blinde klip was!” jammerde Harmen. - -„We moeten ons bevrijden”, zei Rolf. - -„Goeie morgen! ’k Lig als een oester zoo vast! En jij, Padde?” - -„O, God, Harmen!” - -„Ik kan me wel wat draaien”, zei Hajo. - -„Ah!” zei Rolf. „Draai hier eens naar toe, dan zal ik zien, of ik met -m’n tanden.....” - -„Dan kun je lang knabbelen”, meende Harmen. „’t Is een rotanknoop! Ik -wou, dat ik m’n mes maar uit m’n broek kon halen, dan sneed ik jullie -in drie tellen los.” - -„Dan waren we nog het dorp niet uit!” klaagde Padde. - -„Heb je mij wel eens zien knokken?” was Harmen’s schampere vraag. „Ik -neem vijftig van die Arabieren voor mijn rekening, en als ik woest ben -dubbel zooveel.” - -„Wat zouden ze met ons willen?” vroeg Hajo. - -„Levend opeten”, troostte Harmen. „Gepeperd bij de rijst.” - -Padde begon te schreien. De anderen zwegen. Doffe woede maakte zich van -hen meester. „Als ze bij de jol wisten hoe het met ons staat, zouden ze -ons wel bevrijden!” zei Hajo. - -„Loop er effe heen”, raadde Harmen. - -Buiten gonsden stemmen. Rolf spitste de ooren. „Brapa?” ving hij op. -„Toedjoe poeloeh!” - -„Zeventig!” Dat was ongeveer het getal schipbreukelingen! Tegen hun -makkers werd stellig ook iets in het schild gevoerd! En wat zou er met -den schipper zijn gebeurd?! - -„Die is goed bij de jol aangekomen”, meende Rolf. „Al die -vriendelijkheid diende alleen maar om ons wantrouwen in slaap te sussen -en vannacht ongemerkt het kamp te kunnen besluipen. Ze zouden ons ook -wel vrij hebben laten gaan, maar toen we hier toch wilden slapen, -hebben ze ons maar meteen opgesloten.” - -„Die smerige buffel!” schold Harmen. „Had ik ’m maar dadelijk een -lussie om z’n pooten geslagen!” - -„Konden we in het kamp maar waarschuwen!” verzuchtte Rolf. - -Hajo beet van drift de tanden opeen. „Opgesloten en gebonden!!” - -Stil werd het buiten, merkwaardig stil. Nu en dan ritselde iets in het -dak van bladeren, waarschijnlijk een hagedisje. Een paar muskieten -zoemden door het vertrek. Iemand neuriede een zacht, zangerig -deuntje.....—Plotseling doordringend kindergeschrei met het gillen van -drie, vier honden, in een eindeloozen klaagtoon hun hondeleed -uitjammerend. Dan een paar hooge vrouwenstemmen. Door een spleetje in -het dak dwarrelde een streep maanlicht, schoof geleidelijk het vertrek -door. - -Hoe laat zou het al zijn? Middernacht? Werd het al morgen? Een gekko -begon in langen, geheimzinnigen toon te ratelen: Krrrrrr! Krrrrrr! En -dan helder en luid: „Tòkeh.....! Tòkeh.....!” - -Harmen trachtte het na te bootsen, bracht het spoedig een heel eind. -„Tòkeh.....!” - -Padde snikte er doorheen. - -Toen..... kraakte er iets op het laddertje. Lichte, vlugge schreden. De -deur piepte, de dunne vloer boog een weinig door. „Toean.....!” zei een -zachte meisjesstem. - -De knapen voelden hun harten bonzen. „Apa?” vroeg Rolf. - -De binnengekomene knielde, zocht naar den strik, die Rolfs hand -omsloot, wrong hem met veel moeite los. „Nu kunt u de anderen ook -bevrijden”, fluisterde ze gejaagd. „Er zijn geen mannen in het dorp. Ga -de poort uit, dan linksom, het kleine weggetje in,—daar zal men niet -zoeken.” Ze sloop weer weg, het laddertje af. - -De knapen hadden geen aansporing tot vlug handelen noodig. Rolf knoopte -in driftige haast Hajo’s handen los; samen bevrijdden ze daarop Harmen -en Padde. - -„Wat een schat!” zuchtte Padde. „Groote griebus, da’s vast die eene -geweest, met dat fijne koppie!” - -Toen de handen vrij waren, kon elk zichzelf van den rotan verlossen, -die de voeten snoerde. Met hun nog stijve beenen, bibberend van -opwinding, lieten ze zich van het laddertje glijden, beraadslaagden -welken kant ze uit moesten. Spoedig hadden ze de richting naar de poort -vastgesteld, en nu ging het sluipende van huis tot huis. De lichte -erven werden zoo snel mogelijk overgestoken, gebruik makende van elke -schaduwvlek, die de bananen-, papaja- en djamboeboomen boden. De -prauwen, die onder de huizen hadden gehangen, waren alle verdwenen. Zou -het nog mogelijk zijn, in het kamp te waarschuwen? - -Ze kwamen bij het voorplein en wilden dit juist in alle haast -oversteken, toen Harmen op een slapende kip trapte. Kakelend vloog het -beest weg en deed een paar andere kippen, die op de nok van een dak -sliepen, met veel misbaar omlaagfladderen. Tot overmaat van ramp begon -een dozijn kamponghonden in koor te jammeren. Als de weerlicht sprong -Harmen in het struikgewas, dat het pleintje begrensde. De anderen -volgden hem op de hielen, drukten zich zoover mogelijk in het -gebladerte weg en wachtten klappertandend. De deur van het huisje, -waarbij zij zich bevonden, werd geopend, en een vrouw keek naar buiten, -het haar loshangend, een doek haastig over de borst geslagen. „Si-apa?” -klonk het een beetje angstig uit haar mond. „Wie is daar?” - -Geen antwoord. Ook aan den overkant werd een deur geopend. „Eh, Niti? -Apalah?” - -„Tiada taoe! Ajam-ajam! Ik weet het niet! Het waren kippen!” De deur -werd weer gesloten, en ook aan den overkant verdween de gedaante. - -Toen alles rustig was, gaf Rolf het teeken van verder gaan. -Vliegensvlug staken ze alle vier tegelijk het voorplein over en doken -weg tegen den aarden buitenwal. Harmen sloop vooruit om te zien of de -poort bewaakt werd. De anderen zouden wachten tot hij een teeken gaf. -Hij gleed geruischloos onder de bananen- en papajaboomen door, waar het -rijstblok nog stond, en gluurde om een hoekje van de poort. Den rug -naar hem toe, zat een inlander gehurkt te neuriën,—een eentonig, nasaal -wijsje. Harmen dacht na, of hij de anderen zou wenken, ten einde -gezamelijk den man te overvallen. Maar nu was de kans goed: Harmen zou -het zaakje alleen wel even opknappen! Voorzichtig dus een pasje nader, -den adem ingehouden! Nog een pasje, volkomen geluidloos..... De -inlander richtte het hoofd op, staakte zijn neuriën; het was, alsof ook -hij den adem inhield. Wat zijn dat toch voor eigenaardige oogenblikken, -waarin men niets ziet of hoort, maar toch voelt, dat zich in de -buurt.....! Langzaam wendde de man het hoofd. - -Dat was voor Harmen het teeken. Als een kat sprong hij toe, greep met -beide knuisten den poortwachter bij den strot, drukte hem uit alle -macht neer en werkte zijn bottige knieën op de van schrik uitgespreide -armen van den overvallene. - -Een gesmoorde kreet,—dat was alles geweest. De inlander, razend van -angst en benauwdheid, trapte met de beenen en trachtte vergeefs zijn -armen onder Harmen’s knieën weg te trekken en zijn kapmes te grijpen, -dat hem in den gordel stak. Maar met woeste kracht drukte Harmen de -knieën omlaag: er viel geen ontkomen aan. De spartelingen van den -poortwachter werden zwakker; ten slotte vielen de beenen slap neer. -Toen liet Harmen onmiddellijk los, huiverde, legde zijn hoofd op ’s -mans borst en luisterde of het hart nog klopte. „Goddank.....” kwam het -zacht over zijn lippen. Daarop wilde hij de anderen wenken. Maar dezen -waren al toegesneld. „Dood.....?!” vroeg Rolf, terwijl Hajo en Padde -met verschrikte oogen naar het lichaam van den poortwachter staarden. - -„Van z’n stokkie gevallen”, lichtte Harmen in. „Neem z’n kapmes! En die -spies kunnen we ook gebruiken!” - -De jongens namen kapmes en speer en snelden het pad af naar de rivier. -Ze waren overtuigd, dat ze te laat zouden komen om hun vrienden te -waarschuwen. Maar niemand wilde het erkennen. Loopen, jongens, -loopen.....! In eens stonden ze voor de rivier. Alle booten weg!—Dan -maar het pad langs het water gevolgd! Harmen voorop. Loopen! - -Nu en dan boog het pad van de rivier af, maar spoedig zagen de knapen -tot hun geruststelling den zilverglans van het water weer tusschen het -geboomte. Loopen! Loopen! - -Ze kwamen langs een huisje. Nu gold het: voorzichtig zijn! Goddank! -geen hond blafte. Verder maar weer! Wat was dat? Stemmen? Jawel, daar -kwamen prauwen van het strand terug! Drie, vier, zes.....! Zouden de -inlanders zijn gevlucht? Of zou de schipper met de jol..... o, Hemel, -mèt de jol!? in zee gestoken zijn? Van onder de dichte schaduw der -oeverboomen loerden de jongens, of in een der prauwen ook een bekend -gezicht was. Van Bolle, den Schele, Hilke, Floorke, Gerretje, den Neus, -of een der zeventig anderen..... - -Op de voorste prauw was een matten tent geplaatst,—de prauw van het -dorpshoofd natuurlijk, dien sluwen verrader, die het eerst niet aan -vriendelijkheid had laten ontbreken, om later des te veiliger zijn slag -te slaan! Andere prauwen volgden. De roeiers schenen in hooge mate -opgewonden: spraken allen zoo dooreen, dat Rolf er geen woord van kon -opvangen. In geen der prauwen zat een kameraad! Wat drommel, Bontekoe -en zijn mannen zouden wel van zich hebben afgebeten! - -De jongens holden voort. Zouden ze straks weer bij hun vrienden zijn? - -In het voorbijsluipen zagen ze onder een huisje een kleine prauw -hangen. Een hond was nergens te bespeuren en dus.... In alle -omzichtigheid werd de gevaarlijke roof volbracht, de prauw uit de -rotankoorden gelicht, naar den oever gedragen, te water gelaten, en de -jongens zetten er zich in. Met rappe vingers grepen ze de spanen, die -op den bodem lagen, en stuurden naar het midden. - -Nu ging de tocht vlugger. Ze hoefden weinig meer te doen dan de boot -recht te houden, zoo sterk was de stroom. De boomen aan den oever -gleden als beelden uit een kijkspel voorbij. - -Nu, stilzittende, voelden de jongens, dat een nacht op het water ook in -Indië vrij kil kon zijn. Of deed de opwinding hen rillen? Elke minuut -leefde de hoop, hun makkers weer te zien, meer op. Zoometeen zouden ze -alles vernemen wat er gebeurd was, en ook zij zouden hun avonturen -vertellen: van den buffel, waarmee Harmen zoo fiksch haasje-over had -gespeeld, van dat lieve meisje, dat bij hen gekomen was. En samen -zouden ze lachen om dat sluwe dorpshoofd, dat nu het nakijken had! En -dan zouden ze weer in zee steken, vol goeden moed. Java was immers niet -ver meer! - -De prauw gleed de bocht om, die de knapen den vorigen nacht uit hun -boom bespied hadden,—Hajo herkende haar aan de steenen, die ze slechts -door handig zwenken omgaan konden. Tot zee toe overzagen ze nu de -rivier..... - -De jol was verdwenen. - - - -Met bonzend hart meerden de jongens de prauw op de plaats, waar nog een -der twee dreggetjes, met een doorgekapt touw er aan, in het zand lag. -En daar..... op het strand..... Wie lag daar? Floorke! Doorstoken van -alle kanten, in krampachtige houding, star blikkend in den nachtelijken -sterrenhemel. Het bloed was hem in het roode, stoppelige haar geloopen, -zijn mond stond half open, zoodat zijn witte tanden glinsterden in het -maanlicht. Vol afgrijzen sloegen de jongens de handen voor het gelaat. - -„Dood!” stamelde Harmen. En Padde schreide: „Daar.... nog een! En -dáár.....!!” - -De tweede doode, al even afschuwelijk verminkt als de arme Floorke, lag -voorover in het zand, dat in een grooten kring was roodgeverfd. Harmen -en Rolf beurden hem huiverend op; het was de Neus.—En de derde, die met -gespreide beenen in het zand zat, zoodat men nog een oogenblik zou -kunnen denken, dat hij leefde, als niet het slap naar voren gevallen -bovenlichaam het vreeselijke tegendeel had doen vermoeden, bleek -niemand anders te zijn dan de pechvogel, die voor Ilje del Foege door -de Spanjaarden gewond was. Rillend, met stomheid geslagen, stonden onze -vrienden bij de dooden. - -„Ontzettend!” kermde Hajo. - -„En wij?!” schreeuwde Harmen met schorre stem. „Wat moet er van ons -worden?!” - -Hij kreeg geen antwoord. Padde was schreiend ineengezakt; Rolf stond -stroef, ontstellend bleek, naar den dooden Floorke te staren; Hajo, -radeloos, keek afwisselend zijn makkers aan. - -„Dáár!” schreeuwde Harmen en hij wees met de hand naar het Zuiden, waar -tegen den donkeren water-horizon een klein, grijs vlekje -wegschemerde..... de jol! Hij rukte zich den broek van de beenen, -zwaaide er wild mee en trachtte met heesche stem de branding te -overschreeuwen. „Kameraaje! Kamerááje!!” Hij balde de vuist, en de -smart, zich uitend in snijdenden hoon, trilde door zijn roep: -„Kameraaje!!” Toen braken de tranen door zijn stem, en hij plofte in -het zand neer, snikkend en vloekend. - -Padde kroop op zijn knieën naar Hajo en steunde zich tegen zijn vrind. -„O, God, Hajo.....” - -Ook Hajo rolden dikke tranen over de wangen. Maar hij liet het hoofd -nog niet hangen. „Wij volgen!” riep hij uit. „Wij volgen met de prauw!” - -Harmen vloog overeind. „De prauw!”—Maar met groote oogen staarde hij -naar de plaats waar de prauw..... gelegen hàd! Ze was er niet meer. -„Had ’m dan vastgebonden!” viel Harmen woedend uit. „Kijk, daar, daar -gaat ie! Wacht....!” En Harmen wilde in zee loopen. - -Rolf hield hem tegen. „Je komt te laat, Harmen. Zie maar.....” En -Harmen, die zich met alle geweld, trappend en schreeuwend trachtte los -te maken uit Rolfs stevigen greep, wendde den blik en zag, hoe de prauw -in de branding raakte, hoog werd opgetild, onder een overslaande golf -schoot en zonk. „’t Zou ons niets geholpen hebben”, zei Rolf. - -„Wat dàn!” huilde Harmen. „Ons laten slachten? Krimmeneele, dat moest -m’n meisje weten!” En Harmen begon hartstochtelijk te huilen, zonder -het gelaat in de handen weg te bergen. - -„We loopen naar Straat Soenda”, zei Rolf. „We hebben onze beenen toch? -Van daar steken we over naar Bantem.” - -„Straat Soenda legt naast de deur!” schreeuwde Harmen, zich in het zand -werpend. - -„Ik ga met je mee, Rolf”, zei Hajo, met moeite zijn tranen bedwingend. -„Ik geef het niet op!” - -Rolf knikte. „Goed. Maar we moeten voortmaken. Ze zullen ons al -zoeken.” - -„Ik blijf hier liggen!” schreide Harmen. „Ik wil hier doodgaan!” En hij -woelde zijn gelaat in het zand, kromde van wanhoop het lichaam. - -„Geef me het kapmes”, beval Rolf. „We zullen..... we zullen ze -begraven.” - -Toen sprong Harmen overeind en begon, terwijl de tranen hem van de -wangen drupten, het zand uit te steken. Rolf en Hajo hielpen met de -handen. Zoo groeven ze een breeden kuil. - -„Leg Floorke in het midden”, zei Harmen met gesmoorde stem. „En de Neus -aan z’n rechterzij. En kijk eerst, of ie z’n mes nog in z’n broek heeft -zitten. Dat heeft ie..... dat heeft ie nou niet meer noodig, en wij -kunnen het gebruiken. Hier is het; pak-aan. En nou de beenen recht. Hè, -Floor? Moest je zóó aan je end komen?” En toen Rolf en Hajo het zware -lichaam van den derden maat links van Floorke in den kuil gelegd -hadden, nam Harmen de armen vol zand en ging hardop grienend aan -Floorke’s voeten staan. „Nou smijten we zand op je! Had jij gisteren -nog niet gedacht, hè, dat Harmen zand op jou zou smijten!” Hij liet met -gesloten oogen het zand op Floorke’s doode lichaam vallen. En van nu -aan hielp hij in koortsigen ijver het graf dichtwerpen. - -„Dat is gebeurd”, zei Rolf met matte stem. „Nu moeten we hier weg.” - -„Waarheen?” „vroeg Harmen. - -„Naar Bantem”, antwoordde Rolf. „Ik zal het vinden.” - -Harmen haalde met bitteren spot de schouders op. - -„Ik ga niet mee!” dreinde Padde. „Wij blijven hier, waar, Harmen?” - -Rolf lette er nauwelijks op. „Klaar, Hajo?” - -„Jij gaat mee, Padde!” - -„Ik ga niet mee!” siste Padde. - -Hajo werd wit van drift. „Wil jij je moeder niet weer terugzien?!” - -Padde krabbelde zacht snikkend overeind. „M’n moeder, Hajo.....!” - -„En jij gaat ook mee, Harmen!” beval Hajo. „Rolf kent de weg.” - -„Wat je zeg!” dichtte Harmen. - -„Laat hem, Hajo”, zei Rolf achteloos. „Met lammelingen begin je toch -niets.” - -Harmen sprong met een verwensching op de been, snoof z’n tranen weg, -trok z’n broek op en zei: „Meegaan zal ik! Maar voor dat woord: -lammelingen krijg je op je ziel, zoodra je ons in Bantem hebt -gebracht!” - -Rolf hoorde het niet. „Kom!” zei hij. „We zullen voorloopig het strand -volgen.” - -Zwijgend trok het trieste groepje het strand langs in Zuid-Oostelijke -richting. Dag, Floorke, beste Floorke! Dag Neus! Je kameraden zullen -je, sapperloot! niet vergeten, hoor! En jij, Steven, arme -ongeluksvogel, rust zacht, alle drie..... - -Slenterend liepen de jongens voort, Harmen en Padde achteraan. Naar -Bantem gingen ze. Naar Bantem.....! Hoever was het hier vandaan? Er lag -nog een zee tusschen..... - -Maar Rolfs wil en overtuiging werkten langzamerhand ook op de anderen. -Wat drommel, ze waren toch met z’n vieren,—als je Padde niet meetelde: -drie fiksche Hollandsche jongens, allen met een zakmes gewapend en -bovendien in het bezit van een kapmes en een speer, waarmee ze als het -er op aankwam..... nou! Bovendien bestond nog de kans, dat ze verderop -de jol weer vonden, die misschien opnieuw aan land zou gaan. En als dat -niet het geval was, nou, dan zouden ze de Compagnie eens laten zien, -wat voor scheepsjongens zij in haar dienst had! - -Achter hen klonk een scherp geblaf. Doodelijk verschrikt wendden allen -zich om. Daar kwam een hond aanhollen, niets dan een hond, de tong als -een lap uit den bek. - -„Joppie!” - -Zoo was het. Dol van vreugde, sprong het dier tegen de jongens op. - -„Dat is de vijfde van ons verbond!” zei Rolf. „Ga je mee naar Bantem, -Joppie?” - -„Wouw! Waf! Wouw!” blafte Joppie. Dat is hondentaal. Het wil zeggen: -Nou en of! - -En zoo togen ze ge-vijven de onbekende toekomst tegemoet. Ze volgden -het strand, tot achter de bergen de morgen gloorde. - -Toen strekten ze hun doodelijk vermoeide ledematen in het zand uit—en -sliepen! - - - EINDE VAN HET EERSTE DEEL - - - - - - - - -TWEEDE DEEL - -DE ZWERVERS - - -De zon en de vogels wekten de knapen. Ze voelden zich uitgerust, en met -het helder licht herwonnen ze weer hun jongens-durf. - -Ze namen een bad, lieten zich een half uur bakken in het mulle zand. -Daarop klauterde Harmen in een klapperboom, draaide een paar jonge -noten los,—dat was hun ontbijt. Hajo zocht intusschen geschikt hout -voor een boog: hij wilde er zichzelf een snijden. Met Harmens veroverd -kapmes hakte hij, een eindje in het bosch, een geduchten bamboesteel -af, die hem zoowel den boog als de pijlen moest leveren. Zijn buit met -moeite voortslepend, keerde hij terug. Allen besloten nu een boog voor -zich te snijden. Hajo had er immers ook mee leeren schieten? - -Bij het ontbladeren van den steel merkten de jongens eens hoe scherp de -lange, smalle bladeren waren: ’t was net of er fijngestampt glas op -zat. Door het goed verdeelen der „knoopen” in het hout, kreeg de -boogsteel een gelijke spanning; daarop versterkten onze vrienden hem -door een korter stuk en snoerden er een strook bamboeschil omheen,—het -sterkste touw, dat men zich denken kan. Ook de boogpees werd van -hetzelfde materiaal vervaardigd. De pijlen waren eenvoudig genoeg te -maken: daar de nerven van dit hout precies evenwijdig loopen, kostte -het den jongens weinig moeite om uit een enkel lid bamboe een handvol -mooie, lange pijlen te splijten, die slechts nog wat bijgeslepen -hoefden te worden. Voor de punt werd de harde knoop in het hout -genomen. - -Terwijl Hajo, Rolf en Padde hun pijlen al over het strand lieten -snorren, vervaardigde Harmen een paar pijlen voor „zwaarder wild”. Hij -verheugde zich namelijk in het bezit van een paar ferme duimnagels, die -hij met de punt naar buiten in dunne bamboerietjes wist te woelen. - -Ziezoo: pijl en boog hadden ze nu. En de speer van den poortwachter was -een geducht wapen; er zaten weerhaken aan, en Rolf vermoedde, dat de -punt bovendien vergiftigd zou zijn. Maar één speer was voor hen vieren -niet genoeg, en zoo werden er uit een paar jonge bamboes en enkele -stevige Hollandsche zakmessen nog drie samengesteld. Zoo uitgerust -durfden ze het wel tegen heel Sumatra opnemen! Toen er een meeuw -voorbijscheerde, snorden vier pijlen hem om het lijf, en Padde’s pijl -vloog er zoo dicht langs, dat een blank veertje omlaag dwarrelde. - -Dit was de eerste en tevens laatste maal, dat Padde’s pijlschoten voor -iemand of iets anders dan voor hemzelf en zijn drie kameraden -gevaarlijk werden. „Potverdikkie!” stamelde de gewezen botteliersmaat, -„ik wist zelf niet, dat ik zoo goed schieten kon!” Ook de anderen -stonden paf. Maar toen bij een tweeden aanval op een meeuw Padde’s pijl -dwars door Hajo’s weelderigen krullendos flitste, zakte hun bewondering -wat. Harmen maakte korte metten, griste Padde den boog uit de handen, -brak hem op z’n knie middendoor. „Da’s geen speelgoed voor jou!” -verklaarde hij. - -„Kletskoek!” schreeuwde Padde woedend. - -„Harmen heeft gelijk”, zei Rolf. „Je bent er veel te onvoorzichtig -mee.” - -„Wie heeft daarnet die veer d’r af geschoten?” vroeg Padde schamper. - -„’t Geluk is met Jan Stomkop”, verzekerde Harmen. - -„Kom, geen ruzie”, zei Rolf. „We moeten verder.” - -En de jongens stapten weer op. Joppie ongewapend voorop, de staart als -een vlag omhoog gestoken, en Padde sloot de rij, met een gezicht als -een oorwurm, de handen in de zakken, en de speer als een bezem onder -den arm, zoodat de punt door het zand sleepte. - -„Kijk, Padde eens ’n zog maken!” lachte Harmen en wees op het lijntje, -dat de speer in het strand getrokken had, „je zou denken, dat er een -admiraals-schoener voorbijgezeild was!” - -Padde zweeg even, dacht over een antwoord na; vond er geen. - -Na een paar uren begonnen honger, hitte en dorst de jongens te kwellen, -en er werd rust genomen. Puffend klom Harmen in een klapperboom om weer -een paar noten machtig te worden. Maar, nauwelijks boven gekomen, stiet -hij een kreet van verrassing uit. „Een kreeft!” - -„Boven in een boom? ’t Zal een groote tor zijn”, meende Rolf. - -Harmen deed een veelpootig ding door de lucht vliegen. Het plofte in -het zand neer en trachtte haastig een heenkomen te vinden. Maar Hajo -greep het stevig achter den kop en de geweldige scharen. Het was een -kreeft! En zelfs een zeer groote: het gevlekte lichaam mat haast een -halve el. „Dat heb ik nog nooit gehoord: een kreeft, die in een boom -klimt!” zei Rolf. „Wat zou hij er doen??” - -„Noten gappen!” riep Harmen van boven uit den boom. - -„Maar hoe krijgt ie zoo’n ding open?” vroeg Hajo. Rolf raapte van den -grond een half verrotte kokosnoot op. „Kijk, hier heeft de steel -gezeten en daaromheen zijn de bastvezels weggerukt. Ik denk, dat het -beest met zijn scharen de steel doorknaagt; soms splijt de noot dan -natuurlijk al in het vallen. In elk geval schijnt de kreeft te weten, -dat de harde binnenbast juist onder de steel week is, want hier, deze -noot.....”—Rolf raapte een tweede op—„is op dezelfde plaats -opengeboord. Kijk, met de scharen graaft hij het vleesch uit! Je moet -je maar weten te behelpen!—Vinden jullie het geen mooi dier?” - -„En fijn in de pan!” schreeuwde Harmen van boven, terwijl hij weer een -noot losdraaide. - -„Maar we hebben geen vuur”, zei Hajo. - -„We eten hem rauw, met kokosnoot!” riep Harmen. Hij liet zich zakken, -kwam op de anderen toe en brak, na met zijn kapmes den kreeft van zijn -geduchte scharen ontdaan te hebben, zonder veel omhaal de schaal open. -„Haal jij me nou eens een stukkie pisangblad!” beval hij Padde. En toen -Padde met een stuk versch pisangblad was komen aandraven (wanneer er -wat te eten viel, had Padde altijd haast!) lichtte Harmen met vaardige -hand het teere, witte vleesch uit de schaal, schrapte daarover een -kokosnoot en begon het een en ander op te peuzelen onder luid smakken -en uitroepen als: „Gommennikkie, wat fijn! Net krentemik!” - -„Geef mij een stukkie?” vroeg Padde. - -„Daar!” zei Harmen gul. - -„Fijn!” verzekerde Padde, zich de vingers aflikkende. - -„Willen jullie niet eens proeven?” wendde Harmen zich tot de anderen. - -Toen lieten ook dezen zich verleiden. Harmens gerecht (wat was het -anders dan de bekende „palmroover” der tropen?) bleek zoo wondergoed te -smaken, dat de jongens besloten goed uit te kijken, of ze niet wéér van -die uitgeplukte noten onder een boom vonden liggen. - -Verder maar weer! Met wat kokosmelk hadden ze de kelen gesmeerd, en zoo -kwam Harmen op de gedachte om wat te zingen,—dat liep lekkerder. -Terwijl de zon al begon te zakken, zongen ze met z’n vieren -oud-Hollandsche liedjes, die het hart goed deden. Zelfs Joppie deed -mee! - -Dik was Joppie niet,—zou het ook wel nooit worden. Maar hij zorgde ook -wel, dat hij niet verhongerde. Zoo nu en dan verdween hij, ijverig -snuffelend, tusschen het geboomte; de knapen hoorden een kort, scherp -geblaf, en wanneer ze toesnelden, zich met moeite een weg banend door -de lianen, vonden ze Joppie grommend knabbelen op een rat of een -muisje. Ook torren, kevers, hagedissen, wurmen, vliegen waren hem -welkom, en als hij zich nu en dan in de keuze van zijn spijs vergiste, -kwam het er een half uur later vanzelf weer uit. - -Tegen de schemering bereikten de jongens een kleine baai. Het water was -er stil en doorschijnend, en onwillekeurig ploften onze vrienden neer -om de zon er in te zien wegzinken. Stil zaten ze bijeen en tuurden naar -de roode schijf. „Nu wordt het in Holland dag”, zei Rolf. - -Holland! Dat was alles, wat ze er van opvingen. De stemming der knapen -werd week. In het verre ruischen der branding hoorden ze klanken, die -herinnerden aan.... Ze zouden er wat voor geven om in de gezellige -huiskamer, met z’n allen om tafel, weer eens mee te mogen schransen uit -moeders dampende pan bieten, dan nog wat te zitten op de bank voor het -huis, de voorbijgangers goeien avond te zeggen—je kende ze immers -allemaal?—en dan, wanneer het donker was, de deur op de knip te -schuiven, het gewicht van de klok op te trekken en, na elkaar goeien -nacht gezegd te hebben, achter de bedsteegordijnen, de dekens over het -hoofd, weg te duiken in den met ganzeveeren gestopten bultzak, waarin -in den loop der jaren een kuil was gekomen zoo fijn, dat je hem voor -geen anderen ter wereld wilde ruilen. - -„Weet je, wat ’t bij mij is?” vroeg Harmen. „Als ik weg ben, heb ik -verlangst naar huis, en als ik thuis ben, zie ik toch maar zoo gauw -mogelijk weer weg te komen. Ach ja, m’n moeder is natuurlijk ook altijd -blij, als ik ’t gat weer uit ben! Nietwaar? Zoo’n eter over de vloer! -M’n vader is op de lijnbaan, hè, daar zit ’m de kneep: hij verdient -niet genoeg. Da’s te zeggen: wel genoeg, maar niet als ik er nou nog -bijkom! De eerste twee dagen is alles best. Maar dan zegt m’n vader al -gauw: „Dat je centen meebrengt, Harmen”, zegt ie, „is best. Maar als je -je moeder de ooren van het hoofd vreet, gaan de centen gauw weer op!” -Nou, dan ga ik liever naar ’t Sillevere Anker, niet waar, daar krijg je -alles op krediet, en als je weer van de reis terugkomt, mag je betalen. -En bedriegen doen ze je niet: alles staat op een leitje, dan kun je ’t -zelf lezen. ’k Heb lezen kunnen leeren, van Joris, de binder, maar mijn -vader zegt: „Van lezen, daar bederven de menschen van!” - -Allen zwegen; niemand had naar Harmen geluisterd. Alleen Joppie was, -terwijl de anderen voor zich uittuurden, kwispelstaartend op Harmen -afgekomen en tegen zijn dijen gaan liggen. Harmen nam hem in de armen, -legde hem in zijn schoot. „Als ik aan ’t Sillevere Anker denk”, ging -Harmen zuchtend door, „dan moet ik meteen ook weer aan Floor denken. -Die had verkeering met de dochter, een beste meid, van hou-vast en erg -op netjes. Denk je, dat ze van een ander wat weten wou? Goeie morgen! -Floor voor en Floor na! En nou te bedenken.....!” Er blonk een traan in -Harmen’s oogen. „Ik zal haar zeggen, dat ie tenminste recht leit. Omdat -ze zoo op netjes is, weet je?” - -Onverwachts wierp Harmen Joppie weg, sprong overeind en ademde diep op. -„Vooruit! We zullen voor vannacht er eens een knus huissie maken!” - -Daar voelden allen wat voor. Tegen den boschzoom staken ze hun speren -schuin in den grond, verbonden ze kruiselings, legden er een vijfden -stok overheen, vervaardigden met behulp van een paar dwarshouten en -enkele groote pisangbladeren de zijwanden, spreidden gras op den bodem -uit en legden zich toen te slapen, opgetogen over hun prachtige woning. - -Maar een uur later hadden allen het zoo warm, dat ze stuk voor stuk de -tent uitkropen. - -Den volgenden morgen vonden ze daar, in allerbehagelijkste houding op -het zachte gras, snurkend en poeffend van zaligheid..... Joppie. - - - - - - - - -PADDE’S BROEK - - -Een tooverstaf had de natuur gewekt uit haar grijzen schemer. Heinde en -verre lichtte de morgen op in bonte kleuren. De vogels schetterden bij -honderden tegelijk. - -Daar was de zon gekomen van achter de dieppaarse bergen, die, nu zij er -een oogje op vallen liet, blonken van het goud. - -„Goeden morgen!” zei de zon. - -De jongens sprongen in de baai, ze doken, spartelden, pletsten elkaar -het koele, heldere water om de hoofden, zwommen om het hardst tot aan -de branding..... In eens begon Padde te schreeuwen en danste met groote -sprongen door het water naar de plaats waar de kleeren lagen. - -Wat was er gebeurd? Terwijl zij plasten en ploeterden, was uit de -boomen een compagnie apen „schuchter” neergedaald. De vermetelste onder -hen was pasje voor pasje de achtergelaten kleedingsstukken -genaderd,—zonder zich ook maar een enkele van de bewegingen der -zwemmende jongens te laten ontgaan. Toen was Padde, die het gevaar het -eerst ontdekte, begonnen te schreeuwen; de aap had op goed geluk iets -uit den hoop kleeren weggepakt en vluchtte nu met groote sprongen naar -den naastbijzijnden boom, in een van zijn achterpooten ontvoerend..... -Padde’s blauwgespikkelde broek! - -Maar Joppie was door Padde’s gegil uit zijn zoete droomen gewekt en -wist op het oogenblik, dat de kleerendief met zijn buit in den boom -wilde schieten, het andere einde van de broek te pakken. Het aapje -kreeg terstond hulp van zijn makkers, die met vereende krachten aan de -broek rukten. Joppie zag in, den strijd te zullen verliezen, en loerde -angstig naar Padde, die, zoo vlug als zijn dikke beentjes het -toelieten, kwam aanhollen. De anderen waren te ver om nog tijdig het -slagveld te bereiken. De tanden grimmig vastgeslagen in een der -blauwgespikkelde broekspijpen, liet Joppie zich van den grond -omhoogtrekken. In Padde’s knippende oogjes lichtte de hoop, zijn -dierbaar kleedingstuk nog te kunnen redden..... - -Op dat oogenblik viel Joppie met een kreet van pijn en een halve -broekspijp op zijn staart, en onder een oorverdoovend vreugdegegil -vloog het stelletje apen met het veroverd vaandel de boomen in. Padde’s -eerste werk was, Joppie met zijn blooten voet een schop tegen het -achterwerk toe te dienen, daarna raapte hij het blauwgespikkelde -restantje op, zag, dat het net groot genoeg voor een neusdoek was, en -ontving zijn makkers met een stortvloed van verwenschingen. - -Harmen vond het geval zoo erg niet. „Meissies zijn er hier toch niet in -de buurt!” troostte hij. - -Maar Padde was niet te troosten. „Als ik m’n broek niet terug krijg, -doe ik geen stap meer!” dreigde hij. „Of dacht je, dat ik zóó in Bantem -wil aankomen?” - -Harmen wist raad. „Jij krijgt je broek terug, Padde! Laat mij m’n -gangetje maar d’r eens gaan!” En terwijl de anderen, met twijfel in het -gemoed, toezagen, begon Harmen zijn sluw krijgsplan, dat tot herovering -van Padde’s broek moest leiden. Hij opende met een woest -krijgsgeschreeuw. Het had uitwerking: de bruine roovers daar in de -boomen beantwoordden het op even luidruchtige wijze. - -„Is dat de oorlogsverklaring?” vroeg Rolf. - -„Ssst!” zei Harmen. „Ze moeten alles nadoen, wat ik doe!” Hij sprong in -de lucht, zwaaide met de armen en kwam achterste voren weer neer. Boven -werd aan de takken gerukt, opgewonden gekrijscht, en enkele apen -sprongen op een anderen tak over. - -„Goed zoo!” juichte Harmen. „In tien tellen heb je ’m, Padde!” Daarop -hief hij zijn eigen broek in de lucht en wierp haar met een gebaar van -innigen afkeer weer op den grond. - -„Chrrr!” zei de aap, die den buit bewaakte. En hij klemde de broek nog -iets steviger vast. - -„Mislukt.....!” bekende Harmen. „Ik dacht, dat hij de broek nu ook zou -weggooien. Affijn, Padde, dan smeer je je maar met modder in; dan -denken de lui, dat je óók een Arabier bent.” - -„Ik wil m’n broek terug!” snauwde Padde. „Ik wil niet voor gek loopen!” - -Harmen fronste in diep gepeins de wenkbrauwen. „Nou heb ik ’t!” riep -hij uit. „In tien tellen, Padde!” Harmen sneed een dunne, taaie rotan -af, maakte er een lus in. „’k Heb niet voor niks konijnen gestroopt!” -zei hij. „Geef me je broek even, Hajo?” - -„Waar heb je die voor noodig?” vroeg Hajo. - -„Als lokaas. Kijk, de lus hang ik hier neer; ik ga daarginder staan met -eene eind in mijn fikken. Nou leg ik de broek onder de lus en als er -dan een z’n jatten doorsteekt om de broek te gappen, is ie er bij.” - -„Maar hoe weet je, dat je nou juist de aap met Padde’s broek vangt?” - -„Wel, dat is de brutaalste; die zal er wel weer als de kippen bij -zijn!” - -„Maar kun je er niets iets anders voor nemen dan mijn broek?” vroeg -Hajo weifelend. - -Harmen was beleedigd. „Wat kan er nou mee gebeuren? Niks! Wie z’n -fikken door de lus steekt, is er meteen bij!” - -„Ja, maar, als ie nou.....” - -„Goed! Goed! Goed!” viel Harmen uit. „Als jij er het lef niet voor -hebt, zal ik m’n eigen broek nemen! Neen, nou wil ik de jouwe niet eens -meer!” En grimmig nam Harmen zijn broek op en legde haar tusschen twee -zware wortels,—den strik er bovenop. Daarna verschool hij zich met de -anderen achter een dikken boom, de rotan in de hand, gereed zijn slag -te slaan. - -In de boomen werd vergaderd over een mogelijk veroveren van dit nieuwe, -lokkende voorwerp. Allen waren overtuigd, dat er gevaar aan verbonden -was, maar juist dat prikkelde hun rooversgemoed. Ze daalden neer tot -kort boven de plaats waar de broek lag. Joppie vermoedde nieuw -gevaar,—werd met moeite in bedwang gehouden. - -Daar klauterde een aap geheel omlaag, bleef met den staart aan een tak -boven de broek hangen, slingerde zoowat heen en weer, de vingers over -de lus slierend, spiedde aarzelend alle kanten uit. De aap, die Padde’s -broek geroofd had en de dierbare, blauwgespikkelde lap nog steeds in -den linker achterpoot omklemd hield, zat mijmerend op een tak en scheen -in het gevaarlijke spelletje ditmaal niet den geringsten lust te -hebben. Harmen vergat, dat ze er al zeer weinig nut van zouden hebben, -indien hij een anderen aap ving dan juist dien met de broek. Harmen’s -eer stond op het spel; Padde’s broek kon hem geen zier meer schelen. -Hij loerde, loerde..... - -De hangende aap nam, na lang door zijn makkers te zijn aangevuurd, ten -slotte een kloek besluit. Hij greep toe; Harmen trok den strik dicht, -en het aapje was gevangen. In dit oogenblik wipte vliegensvlug het -mijmerende heertje met Padde’s broek in den linker-achterpoot omlaag, -greep met den rechter-achterpoot Harmen’s „lokaas” en vloog met beide -trofeeën krijschend tegen den stam op. Paf stond Harmen, zóó paf, dat -de rotan uit zijn hand glipte, en de gevangen aap met strik en al -achter zijn makkers aan vluchtte. Toen barstte Harmen in jammerklachten -los. Hij voelde zich het slachtoffer van eigen edelmoedigheid; hij had -zich van zijn laatste kleedingstuk ontdaan om zijn naaste te helpen. En -nu? Daar stond Harmen, grooter dan hij geboren was, maar overigens net -zoo. - -Voor nieuwe proefnemingen wilde niemand zijn broek leenen. Er moest dus -raad geschaft worden. En er werd raad geschaft. Hajo vlocht voor de -beide broekloozen een rokje van lang gras, dat door een rotangordel kon -worden opgehouden. Zuchtend trok eerst Harmen en daarna ook Padde zijn -nieuwe kleedingstuk aan. Harmen zag er uit als een echte menscheneter! -Hij verzoende zich met zijn lot, voerde met lans en hakmes een woesten -krijgsdans uit, waarbij de apen daar in de boomen hem krijschend -aanvuurden. - -Toen raadde Rolf aan, den tocht voort te zetten. De jongens braken de -tent af en wierpen de stokken en bladeren in het struikgewas, om zoo -min mogelijk sporen achter te laten. Ze volgden het smalle strand, dat -de baai begrensde, maar, aan den overkant gekomen, stonden ze -onverwachts voor een pad, dat het land invoerde. Zouden ze het inslaan? -Rolf vond het veiliger het strand te volgen, zoolang dat mogelijk was. -Zoo bedwongen ook de anderen hun nieuwsgierigheid. Maar nauwelijks -hadden ze de baai geheel omgeloopen, of het strand hield op; steile, -kale rotsen liepen ver in zee uit en sloten als een granieten deur den -weg af. Er zat niets anders op dan toch maar het pad te nemen. Onze -vrienden liepen de baai dus weer ten halve om en sloegen het boschpad -in. - -Daar de zon danig was gaan steken, deed de schaduw in het pad heerlijk -koel aan. De jongens vermoedden, dat het weggetje naar een dorp zou -voeren, waren dus wat voorzichtig. Bij een bocht ging er een vooruit en -gluurde om een hoekje, aleer de anderen volgden. Zoo gebeurde het, dat -Hajo, die ditmaal vooruit was gegaan, zijn makkers duidde, zich snel te -verbergen. Terwijl dezen in een bamboeboschje wegdoken, Joppie haastig -meetrekkend, drukte hij zichzelf tegen een kokosstam achter een met -witte bloemen overdekten struik. - -Daar kwamen twee kleine, naakte kereltjes den hoek om slenteren. Dat is -te zeggen: de een was niet geheel naakt, droeg op de hoogte van zijn -maag aan een koordje een ruitvormig lapje, uit vele en veelkleurige -stukjes doek samengesteld,—een kleedingstuk, waarvan onze vrienden -vergeefs de doelmatigheid trachtten in te zien. Beiden hadden een -klein, rond bamboekooitje in de hand, met een schuifdeurtje; Rolf -hoorde hen tegenover elkaar opsnijden over de vechtkunst hunner, in hun -kooitjes opgesloten, krekels. - -„Djangkrik njang saja lebi besar!” zei de eene. - -„Jouw djangkriek grooter? Wat dan nog? Njang saja lebi brani! De mijne -is dapperder!” - -„Njang saja maoe menang! De mijne zal het winnen!” - -„O neen, de mijne! Njang saja!” Daarop hurkten de knaapjes neer, zetten -de kooitjes tegen elkaar, trokken de schuifdeurtjes open, plukten een -grashalmpje en moedigden daarmee hun krekels tot den strijd aan. -„Kirrrr! Kirrrrr!” klonk het uit de houten gevangenisjes. Zóó waren de -jeugdige dierenkwellers in hun krekeltoernooi verdiept, dat geen van -beiden merkte hoe Hajo uit het struikgewas trad, en hoe ook de andere -zijde van het pad werd afgesloten door witte menschen, nog wel met -speren en bogen gewapend. Doch eensklaps sloeg het kereltje met den lap -op z’n maag de oogen op en tuimelde van schrik over den grond. De ander -wilde het op een loopen zetten, bemerkte, dat ze van beide zijden waren -ingesloten, en wierp zich toen op zijn knietjes. „Ampoen! Vergeving -....!” - -Rolf trachtte de dreumesen wat op hun gemak te brengen. „Djangan -takoet! We zullen je niets doen! Je hoeft ons alleen maar te vertellen -waar deze weg heenvoert.” - -„Minta ampoen, toean besar, minta ampoen..... Vergeving, groote -heer.....!” - -Rolf hernieuwde zijn pogingen om den knaapjes duidelijk te maken, dat -ze niet van plan waren hen te slachten en op te peuzelen. En zoo kwam -hij na veel moeite van de bevende kereltjes te weten, dat de weg naar -een dorp voerde, maar dat ze bij een beekje een zijweg zouden vinden, -die ver, heel ver het bosch inging.....! Met hun bruine armpjes wezen -ze in Oostelijke richting. - -„Prachtig!” zei Rolf. „Ik dank jullie.” Daarna boog hij zich over de -twee kooitjes, die nog in het gras lagen, en vroeg den mannekes, den -wedstrijd voort te zetten. Aanvankelijk nog schuchter, voldeden ze aan -het verzoek, maar, al porrende met hun grashalmpjes, vergaten ze de -gansche wereld, tot ten slotte de djangkriek, die wel niet het grootst, -maar het meest „brani” was, een schitterende overwinning behaalde. Als -de beste vrienden ter wereld namen de zwervers van de poedelnaakte -wereldburgers afscheid. - -Een paar honderd ellen verder kwamen ze bij het beekje. Een kokosstam -deed als brug dienst. De knapen balanceerden er over en vonden aan den -anderen kant het zijpad, dat langs het beekje liep. Ze sloegen het in. -Hier kwinkeleerden duizend vogels, jaagden in bevalligen tuimel achter -vlinders en waterjuffers aan. Een enkele maal schoot ritselend iets weg -tusschen het oevergras; dan kwam Joppie in de weer! - -Na een uur boog het pad van het beekje af. De jongens besloten de -laatste gelegenheid, die zich voorloopig voor een bad bood, niet -onbenut te laten. Heerlijk frisch was het water; onze vrienden gingen -op den zandigen bodem zitten en plasten naar hartelust. - -Ook Joppie moest er aan gelooven. Ondanks zijn gillend verzet werd hij -ondergedompeld en met zand schoongeschrobd. „Nou?” vroeg Harmen. „hoe -voel je je nou, zonder al die vlooien?” Joppie glipte, den staart -tusschen de pooten, den oever op en keek Harmen weemoedig aan. - -Na het bad ploften de jongens op den oever neer en dommelden in. - -Toen de drukkende middaghitte wat afnam, ontwaakten ze met de -ontdekking, dat ze een stevigen honger hadden. Ze zagen in den omtrek -niets eetbaars, haalden den riem dus maar een gaatje aan en vervolgden -hun weg. Maar plotseling ontdekte Rolf een boom met tallooze van die -groene vruchten, die hun bij het dorpshoofd zoo goed hadden gesmaakt: -manggah! - -Omhooggeklauterd en plukken, jongens! Het sap liep hun over de kin, en -het duurde geruimen tijd, vóór onze vrienden bij Padde en Joppie -terugkeerden, die beneden wachtten. Padde was er niet bekaaid -afgekomen: de anderen hadden hem manggah’s in overvloed toegeworpen: -het oranjekleurige vruchtvleesch zat hem tot achter de ooren. - -Verder! Het pad begon te stijgen, kronkelde zich tusschen steile, met -hooge varens begroeide wanden voort; ze liepen door een droge -rivierbedding, die steeds dieper werd; sinds lang lag het pad in de -schaduw van den rechterwand; de linker, die in de volle zon stond, bood -een verbijsterenden aanblik van tropischen rijkdom. Wondermooi geschikt -lagen de varenschermen; daartusschen fonkelden tallooze roode bloemen -en fladderden vlinders en vogeltjes,—het was als uit een sprookje. - -Urenlang stegen de knapen: ze voelden het aan hun beenen. Hoog boven -hun hoofden omstrengelden twee boomen elkaar over de kloof heen. Nog -iets verderop liep het pad een schemering van groen binnen. - -Hajo liep te droomen. Het was hem, of deze weg naar een wonderland zou -voeren, naar de verborgen schatkamers der tropennatuur, naar -heiligdommen, die geen menschelijk oog aanschouwen mocht. Hoe stil werd -het! Geen vogel roerde zich. Je hoorde je eigen adem; hoe warm en -vochtig was de lucht hier; hoe sterk rook je de bloemen..... - -Ineens stonden onze vrienden op een plateau, met hooge loofboomen -begroeid; de wanden waren verdwenen; de knapen konden van hun hoogte -vrijuit den omtrek overzien. Niets dan groene en met bloemen overdekte -boomkruinen. Hè, je ademde nu weer vrij! Padde plofte neer, zei geen -stap meer te kunnen verzetten. En de anderen vleiden zich naast hem in -het gras. - -Een zware, zwarte vogel, die een geweldigen snavel voor zich uitdroeg, -vloog met kleppend wiekengedruisch over hun hoofden. - -„Die mag z’n ribbekast weleens laten smeren!” meende Harmen. „Hij piept -als een verroeste koffiemolen!” - -„Een koffiemolen.....!” zuchtte Padde. - -„’t Was een neushoornvogel”, zei Rolf lachend. - -Ze sliepen in, werden een uurtje later weer wakker. Verder, jongens! - -De zon was al een flink eind gedaald; het werd nu gelukkig wat koeler. -Als ganzen achter elkaar volgden ze het smalle pad. Harmen liep zingend -vooraan. De anderen floten mee: - - - „Daar komen de Spekken! - Rom-rom. - Ze willen ons nekken! - Rom-rom. - Slaat op den trom!! - Ze willen ons nekken! - De Spekken! - - Trek nu van leer! - Rom-rom. - Stelt u te weer! - Rom-rom. - Sluit u in drom!! - Sla ze op hun bekken! - De Spekken!” - - -Op eens stonden de jongens voor een ravijn. - -Prachtig was het uitzicht over de zee van groen, waarin juist de zon -wegzonk. Ook het plateau zelf, waarop de knapen stonden, was -aangrijpend schoon. Ontzaggelijke boomen, geheel met orchideeën en -slingerplanten overdekt, rezen forsch uit den groenen mosbodem; -tusschen de wortels zou men een hut kunnen bouwen. Stekelige lianen -hingen van de takken neer; tegen de stammen op stonden als eere-pajongs -de breedgekroonde varens. - -Hier dachten de jongens den nacht door te brengen. Ze maakten een hoog -en zacht bed van varens—wat veerde dat!—en gingen toen bijeenzitten op -den rand van het plateau. Het ravijn lag nu in een blauw waas gehuld. -Daarachter stond rood en majesteitelijk de avondlucht. Trallerend als -een Hollandsche leeuwerik, zwierde een vogeltje uit het ravijn op, -hooger, al maar hooger, om de zon nog even te groeten. En ja, daar -schitterde het eensklaps in helle kleuren op. „Dag, zon! Ben jij daar -nog? Ik dacht het wel!” Dan dwarrelt het weer omlaag, glijdt in de -schaduw terug, een vallend herfstblad. - -De hemel verbleekte; de schemering spon haar eerste draden. Hoe stil -werd het!—De jongens kenden de tropen al genoeg om te weten van hoe -geringen duur die stilte zijn zou. Zoometeen zouden de krekels gaan -tsjirpen in duizend hoeken en gaten. Geheimzinnige kreten zouden -eensklaps de stilte verjagen, en dan zou de nacht komen aansluipen, als -de dood in zijn zwarten mantel, zwaar ademend van moordlust. En ineens -zat ie boven op je en haalde met zijn knokige, vaalwitte knuisten een -glinsterend mes te voorschijn. Dan stolde het bloed je in de aderen; -met een schreeuw zou je den gruwelijken kerel van je willen afwerpen. -Maar je handen zaten als met schroeven vast; de adem stokte je in de -keel.....! - -Flakkerdeflak! Piiiiiiep! - -„’n Vleermuis”, hakkelde Harmen. - -Het laatste roze wolkje was aschvaal geworden; hier en daar begon een -sterretje te tintelen; de maan kwam op. Waar haar stralen den grond -roerden, stegen lange, witte spoken op, wentelden zich zuchtend omhoog. -Toen zetten de krekels in, ontelbare fijne stemmetjes. Harmen stond op. -„’t Is me hier een land!” gromde hij. „We komen d’r nooit weer uit.” - -Langzaam rezen de anderen overeind, voelden een kille windvlaag over -het plateau strijken. In de boomen kreunde en zuchtte het. Met moeite -hun angst overwinnend, traden de jongens het duister in en zochten hun -leger op. Ze kropen zoo dicht mogelijk bij mekaar. - -„’t Veert fijn, hè, Hajo?” vroeg Harmen met heesche stem. - -„Ja, ’t veert fijn”, zei Hajo. - -Ze zouden er iets liefs voor hebben gegeven, een deken over de ooren te -kunnen trekken. Nu hoorden ze de boomen boven hun hoofd een -samenzwering houden om over de vermetele indringers ineen te storten en -hen te verpletteren; ze hoorden den sluipenden gang van den tijger; ze -voelden langs hun wangen den ijzigen adem van giftslangen; de kille, -geschubde lichamen streken langs hun naakte schouders. Ook de hangende -lianen bleken eensklaps slangen te zijn, die zich geluidloos omlaag -lieten glijden en hen beloerden, wiegelend met den kop, waarin twee -groen-gouden oogen fonkelden..... - -Ten slotte sliepen de doodelijk vermoeide jongens in. - - - - - - - - -EEN NEST MET KATTEN - - -Den volgenden morgen joeg de zon alle muizenissen lachend voor zich -uit! De griezelige boomen prijkten weer in bonte schoonheid; kleine -vogeltjes schommelden lustig aan de orchidee-kelken en vulden de lucht -met hun vroolijk gesnaper. Het eerste gevoel, waarmee de jongens -ontwaakten, was dat van bevrijding. - -Maar vlak er op volgde een ander gevoel: dat van een leege maag! -Drommels, ze moesten wat eten zien te vinden, anders vielen ze van de -graat! Ze hadden gisteren vrijwel niets dan vruchten gegeten; dat -smaakte wel lekker, maar een Hollandsche jongen kon er toch niet op -leven! Terwijl Hajo met zijn pijl en boog tegen de duiven te velde -trok, die overal huisden op den rand van het plateau, greep Harmen -speer en hakmes en beloofde met een wild varken te zullen terugkeeren. -Rolf ging ongewapend op ontdekking uit, en Padde en Joppie begeleidden -Hajo. Er was afgesproken, dat allen zoowat over een uur terug zouden -zijn. - -Hajo en Joppie slopen, door Padde op eenigen afstand gevolgd, door de -varens. Daar de kans groot was, dat een pijl in de lianen zou blijven -hangen, mocht onze jager slechts dan schieten, wanneer hij werkelijk -trefkans had. Want hier groeide nergens bamboe voor nieuwe pijlen. - -Het eerste schot was al bar gelukkig: een duif, belangrijk grooter dan -de eveneens geelgrijze „perkoetoet”, (haar roep klonk meer als: -tekoekoerrr.....) tuimelde neer, den pijl in de borst. Even later trof -Hajo opnieuw, maar ditmaal dwarrelden er slechts wat veertjes omlaag, -en de duif vloog weg. De pijlen waren te licht: een ijzeren punt zou -beter hebben voldaan. Weliswaar had Hajo in zijn koker ook een vijftal -pijlen met een spijker als punt, maar er was besloten deze zwaardere -projectielen voor bijzondere gevallen te bewaren. Wacht, daar zag Hajo -op een lagen tak weer zoo’n groote duif zitten. Hij mikte zorgvuldig en -schoot het dier. - -Maar nu begonnen de vogels argwaan te koesteren en maakten elkaar dat -in duiventaal duidelijk, zoodat Hajo niets meer onder schot kreeg. Nu, -twee vette duiven was ook al heel wat; hij zou zien, er nog wat eieren -bij machtig te worden. Op goed geluk klauterde hij in een boom en vond -twee nesten bij mekaar; in een ervan zaten twee jongen, al heelemaal in -de veeren, dus blijkbaar op het punt van uitvliegen. Toen Hajo’s bol -zich vertoonde, rezen de twee soezende dikzakken (weinig jonge vogels -worden door de ouden zoo lang gevoerd als jonge duiven!) met van schrik -wijd opengesperde oogen overeind en wilden uit het nest opfladderen. -Maar Hajo legde snel de hand op het nest en stopte de jongen in zijn -broekzak. Ziezoo, nu kon hij de eieren in het andere nest wel laten -liggen! Beneden gekomen, liet hij Padde zijn buit zien, en de jagers -keerden tevreden huiswaarts. - -Rolf was ongewapend uitgegaan. Langzaam wadend door de varens, keek hij -naar de duizend wonderen om hem heen, bukte zich over een goudgroenen -kever, of bewonderde een groote, gevlekte orchidee, of volgde een -rooden vlinder, die de verwoede aanvallen trachtte te ontduiken van een -langsnavelig lilliput-vogeltje, niet half zoo groot als de vlinder, -dien het naar het leven stond. Bij dat al vergat Rolf, dat hij -eigenlijk een geduchten eetlust had,—de natuurvriend won het van den -mensch. - -Eensklaps trad Rolf met een kreet van bewondering achteruit. Was het -hier dan toch een tooverland? Voor zijn voeten lag op den grond een -bloem, zoo groot als Rolf in zijn leven niet gedacht had, dat een bloem -worden kon. Men kon er wel in slapen! Ze scheen op den wortel van een -liaan te groeien, die nog enkele knoppen torste, in vorm en kleur -herinnerend aan een groote bloemkool. De geopende bloem was -vleeschkleurig, wit bespikkeld; om een grooten nap in het midden -schaarden zich vijf dikke bloembladeren. Toen Rolf zich bukte om ze -beter te bezien, vloog een dichte zwerm insecten gonzend uit den nap -op, en een sterke, onaangename, bedorven geur steeg hem in den neus. -Lekker ruiken deed de bloem alles behalve! De insecten, die er op -afkwamen, zouden ook wel aaskevertjes en mestvliegen zijn. Rolf tilde -een der zware kelkbladeren op. Het was kil in de hand. Wat jammer, dat -Vader Langjas er niet van meegenieten kon! - -Toen Rolf eindelijk op de bloem was uitgekeken, vermoedde hij, dat het -wel tijd voor terugkeeren zou zijn, en nu schoot hem te binnen, dat hij -toch was uitgegaan om eten te zoeken! Drommels ja, hij voelde nu, dat -hij geduchten honger had. Dan nog maar even gesnuffeld! Geen honderd -pas verder bleef hij al staan voor een verbazend hoogen boom met -gladden stam. Wat hingen daarboven voor groote, stekelige vruchten? -Langs den gladden stam omhoogklimmen was onmogelijk. Rolf liep eens -rond onder het kolossale bladerendak. Een dunnere boom kruiste zijn -takken met die van den reus. Rolf werkte zich in dien boom, klom handig -in den anderen over en sneed met zijn zakmes drie der vruchten af. Ze -ploften dof neer in de varens. Toen balanceerde Rolf naar den kleinen -boom terug en daalde weer af. Hij zocht de vruchten bijeen, maar kon er -nog slechts twee vinden. Nu, daar had hij ook genoeg aan. Ze waren -grooter dan een menschenhoofd en met dikke, kantige stekels bezet.—Zoo -belandde Rolf, in iederen arm een der zware vruchten, op de plaats, -waar Hajo en Padde vol toewijding bezig waren, de duiven te plukken. - -„Wat heb je daar voor vruchten?” vroeg Padde. - -„We zullen ze eens opensnijden! Is Harmen al terug?” - -„Nog niet. Kijk eens, wat ik heb?” Hajo wees op zijn duiven. - -„Die zien er mooi uit!” zei Rolf. „Jammer, dat we ze niet kunnen -braden! ’t Zal me verwonderen wat Harmen meebrengt! Hij blijft lang -weg!” - -„Ja..... hij zit achter grof wild aan! Zoometeen komt hij nog met een -koningstijger aanzetten!” - -„Vast!” lachte Rolf. En met een ferme kruissnede opende hij een der -vruchten. Brrrr! Er kwam een allesbehalve aanlokkelijke lucht uit, een -lucht, die aan uien, bedorven kaas en rotte eieren herinnerde. Padde -kneep zijn neus dicht, en Hajo keek Rolf vol twijfel aan. „Hij zal -bedorven zijn, Rolf.” - -„Onmogelijk!” zei Rolf. „De bast is heelemaal gaaf, en kijk eens hoe -mooi frisch het vleesch er uitziet!—Wacht! De barbier had het eens over -een vrucht, die wel leelijk ruikt, maar toch goed smaken moet. ’t Zal -een doerian zijn! Vooruit, ik wil hem eens proeven.”—De vrucht was door -een geelwitte tusschenhuid in kamertjes verdeeld, en in elk daarvan -lagen een paar vleezige, blanke pitten ter grootte van een eenden-ei. -Met een moed, waarvoor Hajo en Padde hem in stilte bewonderden, stak -Rolf zoo’n pit in den mond. - -„En.....??” - -„Lekker”, zei Rolf. „Het smaakt als noten met room! Proef ook eens?” - -Aarzelend, met toegeknepen neus, stak Hajo een pit in den mond en moest -toegeven, dat de vrucht lang niet kwaad smaakte. Nu begonnen ze samen -te peuzelen. „Neem ook eens wat, Padde!” raadde Hajo. - -„Dank je feestelijk”, zei Padde. En hij ging twintig pas verderop met -het plukken van de duiven door,—beweerde, dat hij zelfs dáár nog omviel -van den stank. - -Waar Harmen toch wel zoo lang bleef? - -Met lans en kapmes gewapend en daarbij in zijn bladerenrokje, was hij -als een echte menscheneter dien kant uitgetogen waar het plateau -langzaam tegen een berghelling opliep. Door lianen en stekelige -rotanslingers had hij zich baan gebroken. Hij was door nauwe holletjes -gekropen, over doode woudkolossen geklauterd, waarbij hij schrammen bij -de vleet opliep en honderd maal wegzakte in het vermolmde hout. Een -pauw fladderde voor hem op. Harmen greep naar den langen staart, greep -mis, viel in de dorens, schold den pauw uit voor al wat leelijk was, -raapte droefgeestig een veer op, die tusschen de struiken was blijven -hangen en stak ze in zijn woeste, reeds geducht lang geworden haren. -Hij kwam voor een bamboebosch te staan, hakte er met zijn kapmes op -los, dat de stelen links en rechts neerzonken. Bij dit werkje viel hem -een slangetje op den blooten schouder. Hij slingerde het kille -monstertje van zich af. Brrrrr! - -En tenslotte was Harmen, al hakkende, gekomen bij de gedenkwaardige -plek, waarvan hij later naar waarheid verklaarde, dat hij er van -verbazing lans en kapmes had laten vallen. Tusschen hooge bamboestelen -lag op mos en bladeren een drietal..... katten! Neen maar, dat had -Harmen nou nóóit gedacht! De katten waren vrij groot, haast als honden; -ze hadden een glanzend geel vel met zwarte dwarsstrepen; om den staart -zaten zwarte ringen. Van die leuke poesjes wou Harmen er eentje -meenemen, niet om te eten, alleen maar om te laten kijken! Wat speelden -ze aardig! Ze lagen op de zijde en sloegen elkaar met de pootjes. Wat -een dikke, zware pootjes voor zulke lieve beestjes! Met vluggen greep -pakte onze vriend er een op. Kom, daarmee zou hij zijn vrienden eens -verrassen! - -En opgewonden zocht Harmen naar den terugweg. Hij had de richting nog -wel in het geheugen, maar de last, dien hij droeg, hinderde hem erg bij -het kappen. In zijn linkerarm hield hij de poes, die zich niet in het -geringst verzette, niks eenkennig dus, zooals die gemeene kater van -Dobbes, die zijn nagels nooit kon thuishouden,—en in den gordel -bungelde zijn lans als een lang slagzwaard achter hem aan. Eindelijk -ontdekte hij tusschen de boomen zijn vrienden weer. „Hallo! ’k Heb wat, -jongens! ’n Kat! Hou Joppie eens vast!” En voorzichtig, om zich nergens -aan te verwonden, naderde Harmen tusschen het doornige struikgewas. -„Alsjeblief! Daar heb je ’t beessie!” - -Joppie’s haren vlogen steil overeind. - -„Maar..... dat is een tijger!!” riep Rolf. - -Harmen keek hem verbluft aan. „Goeie morrege.....!” - -„Een jonge koningstijger!!” - -Toen verbleekte Harmen. „’n Jonge.....?! Groote Griebus! Dan heb ik -voor een tijgerhol gestaan! Drie lagen er in! Drie koningstijgers!” En -Harmen liet zijn „poes” met een rilling op den grond vallen. Naar -kattenaard kwam het dier op z’n vier pooten terecht, blies en wilde -beenen maken. Maar Rolf greep het beet. „We moeten hier als de drommel -vandaan, vóór de ouden komen! Padde, neem de duiven op; Harmen, jij die -groote vrucht; ik draag de tijger.” - -„Wat wou je met het mormel doen?!” vroeg Harmen ontzet. - -„Temmen!” zei Rolf. „Het dier is nog jong! Kom!” - -„Ja, dan nemen we hem mee naar Hoorn!” riep Hajo. - -„Of hij vreet ons over een maand alle vier op!” gromde Harmen. Hij -raapte den doerian op, keek er met een wantrouwend gezicht naar. -„Vooruit dan maar!” - -Padde nam met bevende handen de duiven op en volgde, een behoorlijken -afstand bewarend tusschen zich en het geel-zwarte monster, dat Rolf in -den arm had. Joppie bleef nog weer achter Padde. Zoo wilde de -zonderlinge optocht het pad langs het ravijn weer verder volgen, -toen..... Hajo stootte een kreet van ontzetting uit..... daar sprong -uit de struiken, geen twintig passen van hen af.....! - -De jongens hoefden er niet naar te raden, wien ze voor zich hadden. -Daar was hij, de wreede, trotsche keizer van het Indische woud, geheel -onverwachts, terwijl de zon hoog aan den hemel stond; zijn oogen waren -geen vuur; hij spuwde ook geen gif, was een dier als een ander, wendde, -zelf blijkbaar verrast, zijn zwaren, stompen kop naar de jongens..... -Dezen stonden verlamd van schrik, Harmen hief onwillekeurig den doerian -op, als wilde hij zich daarmee verdedigen; Hajo vatte instinctief met -beide handen zijn speer; Padde staarde wezenloos, met wijd open mond. - -Er was een aarzeling. Het dier trok de lippen op, ontblootte zijn -forsche, driekantige hoektanden, gromde. Toen richtte hij plots zijn -lichtgroene rooversoogen op Rolf—waarschijnlijk op het jonge dier, dat -deze in de armen hield,—sloeg driftig den dikken, ronden staart over -den grond, kroop een schrede achteruit, stootte een kort, schor gebrul -uit, onheilspellend als geen ander geluid, dook ineen....! Rolf kreeg -een ingeving, gaf er zonder aarzeling gehoor aan: hij slingerde met een -fermen zwaai den tijger zijn jong toe. - -Hij had niet beter kunnen doen. De tijger greep het jonge dier met de -tanden in den nek en sprong er in prachtigen, soepelen boog mee weg in -het struikgewas. „Besjoer.....!” stamelde Harmen met nog lijkwitte -lippen. - -Toen holden de knapen het pad af, zoo hard ze maar konden, Harmen -vooraan, beenen makend als een beroepshardlooper; Padde als laatste, -telkens angstig omziend en gillend: „Niet zoo vlug! Niet zoo vlug! Ik -kan jullie niet bijblijven.....!” - - - - - - - - -„TABEH!” - - -Pas een heel eind verder durfden ze hun vaart wat inhouden. „Zou hij -ons volgen?” vroeg Hajo, naar adem happend. - -„Ik denk het niet”, hijgde Rolf. „Maar laten we toch maar zoo ver -mogelijk zien weg te komen.” - -En de jongens liepen, liepen.....!—Er was een betoovering over het woud -gekomen, sinds ze den heerscher ervan hadden leeren kennen. Die -struiken, dat bamboebosch daar kon hem dus bergen.....! - -Verder! Verder maar.....! Eindelijk gingen ze zitten, druipend van het -zweet. - -„Waar is Joppie?” vroeg Rolf. Joppie was verdwenen! - -„’n Held!” schimpte Harmen. „Als ie de tijger nou nog te lijf was -gegaan!” - -„Waarom heb jij ’t eigenlijk niet gedaan?” - -„Ik? Als ie even langer was gebleven, had ie dit ding” (Harmen tilde -den doerian op) „tegen z’n bast gekregen. Dan was ie van de stank wel -weggeloopen!” - -„Nou, en ik dan?” zei Hajo. „Ik stond al met m’n lans klaar. Nietwaar, -Padde?” - -„Je hadt ’m makkelijk kunnen doodsteken, als je maar gewild had!” viel -Padde hem bij. „Ik had m’n handen vol, maar anders.....!” Allen lachten -weer. „Knap maar”, zei Padde. „Daarstraks lachten jullie niet!” - -„Kom!” zei Rolf. „Laten we nog een uurtje doortippelen, maar nu -kalm-aan.” - -„’k Heb zoo’n honger!” klaagde Harmen. - -„Straks plukken we de duiven verder”, zei Rolf. „Maar als je honger -hebt, peuzel dan een stuk van die vrucht op.” - -„Daar zet ik geen tand in.” - -„Dan laat je het. Kom.....!” En de jongens liepen weer verder. - -„Kijk, daar loopt nog een pad!” zei Hajo ineens. „Het komt hier op uit, -zie je wel?” - -„Ja! Het schijnt uit het binnenland te komen!” - -Even later stonden de jongens bij den tweesprong. Het andere pad was -mul, en in den grond teekende zich de indruk van een kleinen, naakten -voet af. „Het spoor is nog versch”, zei Hajo. „Het is een kindervoet! -Misschien zijn we hier wel dicht bij een dessah.” - -„Best mogelijk”, meende Harmen. „Geef maar een duifje hier, Padde! D’r -zijn er vier, voor elk een; Joppie loopt z’n deel mis.” En Harmen ging -op den wegberm zitten plukken. De veeren stoven in ’t rond. - -Dapper peuzelde ieder daarna zijn duiveboutje op. Hajo en Rolf smulden -ook nog aan den doerian; Padde en Harmen gingen boven den wind zitten, -gaven af op menschen, die zulk een vies ruikend goedje wilden eten. - -Waar Joppie zoo lang bleef? Hij zou toch niet door den tijger.....? De -knapen betrapten er zich op, dat ze in Joppie een kameraad zouden -verliezen. „Joppie! Joppie.....!” Geen antwoord. Verder dus maar weer. -Het pad werd steenachtig; hier en daar was het geducht klauteren. Aan -de linkerzijde verhief zich een rotswand, dicht met struikgewas, varens -en kleine palmen begroeid en door een leger apen opgevroolijkt: het -duurde niet lang, of de doode takken suisden den jongens weer om de -ooren, zoodat ze blij waren, toen het pad van den rotswand afweek. - -Eensklaps stonden ze voor een natuurlijke trap. Dat is te zeggen: was -het wel mogelijk, dat de natuur die ellenbreede, bazalten treden zoo -regelmatig had verdeeld? Aan beide zijden stonden bananen met trossen -goudgele vruchten en overschaduwden de trap met hun groote, groene -bladeren, en in de spleten tusschen de steenen glansde diep-groen mos -met roode bloempjes. „’t Lijkt wel een trap van een oud kasteel!” -vonden de jongens. Ze plukten een paar rijpe pisangs, maar de vruchten -smaakten wrang. „’t Zijn wilde pisangs”, verklaarde Rolf. - -„’t Zijn rot-pisangs”, zei Harmen teleurgesteld. - -Hajo scheen naar iets te luisteren. „Hoor eens goed!” - -„Een waterval!” juichte Rolf. Toen snelden ze met groote sprongen de -trap op, belandden hijgend op een plateau. In spanning van wat ze te -zien zouden krijgen, snelden ze tusschen met mos en bloemen overdekte -rotsen op het geruisch af, holden in hun haast zelfs ongemerkt een paar -sinaasappelboompjes voorbij, liepen een palmenboschje om,—en stonden -voor een meer. - -Het was bedwelmend. Aan de eene zijde van het meer steeg een steile -rotswand op; heel in de hoogte ontsprong een stroompje; het zilverige -water danste over de rotsen omlaag en viel zingend en schuimend in het -stille meer, dat tusschen hooge, zacht fluisterende bamboeboschjes en -wuivende waaierpalmen lag weggezonken. In het midden lag een met -boomvarens en bloemen begroeid eilandje, in strakke lijnen zich -spiegelend in het plechtig stille water, dat zich slechts daar roerde, -waar de waterval schuimde. Vogels fladderden alom in de lage takken, in -wonderlijke taal luide uitkwinkeleerend boven het watergeruisch. Aan -den oever stond op één poot een reiger te visschen. Pik! daar dook de -snavel weg, kwam met een spartelend, zilveren vischje weer boven, en de -rimpels liepen ver over het water uit, stootten tegen de bladeren van -een drijvende lelie en schoten in dwarse bogen terug. De reiger wierp -het glinsterende vischje in de lucht en ving het in zijn opengespalkten -snavel. - -„Ik ga hier nooit weer weg!” stamelde Hajo. ’t Was om er de tranen van -in de oogen te krijgen, zoo mooi. De bodem van het heldere water lag -vol bontgekleurde steenen. En wat schoot daar voorbij? Een vischrug! -Dik als een arm! - -Lang duurde het niet, of de jongens zaten in het water; de reiger -streek sierlijk op een lagen boomtak en keek peinzend toe. Hoe heerlijk -koel en doorzichtig was het water; je kon met open oogen naar de -prachtige steenen op den bodem duiken. Terwijl Padde wat bij den oever -ploeterde en op de weinige kleeren en de wapens paste, zwommen de -anderen naar het eilandje. Allen dommelden wat in; zij op hun eilandje; -Padde boven op het goed, dat hem was toevertrouwd..... - -Toen de grootste hitte voorbij was, stonden de jongens hongerig op. -Harmen stelde voor, wat te gaan visschen. - -„Ja!” riep Hajo. „Hengelstokken hebben we hier bij de vleet. -Hengelstokken van de fijnste soort!” - -„Ik weet nog beter!” zei Rolf. „We schieten ze. Met pijl en boog!” - -Dat voorstel sloeg in! Onze vrienden doken weer onder en zwommen om het -hardst naar den oever,—een wedstrijd, dien Hajo met een el voorsprong -op de anderen won. Toen bliezen ze even uit en gingen gewapend weer het -water in. Maar de jacht viel niet mee: de visschen verdwenen, wanneer -de knapen naderden. - -Rolf vond er iets op. Terwijl Hajo en Harmen om het hardst achter de -visschen aan zwommen, bleef hij, naar het voorbeeld van den reiger, -doodstil staan op een ondiepe plaats, een gevelde lans in de hand. -Spoedig zwom een groote visch voorbij. Rolf richtte en spietste met een -gelukkigen stoot het dier aan zijn lans. Dit bleek achteraf nog de -beste wijze van jagen: hij had spoedig vier zware dieren veroverd, -terwijl Harmen en Hajo niets schoten. De jacht van deze schutters werd -dan ook spoedig een spelletje. Ze trachtten, onder water duikende, op -de bladeren der drijvende waterlelies te mikken en toen hun dat ging -vervelen, klommen ze in de oeverboomen en sprongen van gedurfde hoogten -het water in, waarbij ze nu en dan leelijk op de steenen terechtkwamen. - -Rolf had meer gespietst dan de jongens verorberen konden; Harmen sneed -een visch in stukken en wierp die in het meer. Van alle zijden schoten -de vroegere kameraden toe en vochten gulzig om den buit,—leverden een -mooi kleurenspel van fonkelend wit, staalblauw, goudgroen..... - -Na het middagmaal dwaalden de jongens het plateau nog wat over, dat ze -daarstraks slechts vluchtig hadden gezien; ze plukten wat -sinaasappelen, die van buiten niet geheel rijp schenen, maar toch -lekker zoet waren. - -Toen ze langzaam door de palmen weer terugkeerden, hield Rolf zijn -makkers vast. „Kijk daar eens!” - -Wat ze zagen, was mooi als een droom. Twee herten en enkele reeën -stonden te drinken, waarbij telkens de kop ver naar achteren geworpen -werd, het gewei in den nek, en het water ter zijde langs de lippen naar -buiten vloeide. De groote, vreesachtige oogen glansden. Wat waren de -halzen mooi gebogen! Hoe sierlijk stonden de dieren op hun ranke -pooten! Plotseling scheen er een onraad te speuren. Het snoof de lucht -op, stootte een geluid uit als het blaffen van een hond. En..... wat -klonk daarginds? De echo? De herten en reeën sprongen weg in het groen. - -De knapen staarden nog sprakeloos van bewondering naar de plaats, waar -ze gedronken hadden. - -Ineens..... wie kwam daar snuivend aanhollen, de tong uit den bek? -Joppie! Dat was de echo van daareven! Jankend van vreugde sprong de -hond tegen zijn meesters op, draaide half dol in het rond, kermend en -kwispelstaartend onder hun aanhaling en likkend waar hij maar likken -kon. „Wouw! Wouw!” - -„We wisten wel, dat je ons niet in de steek zou laten!” zei Hajo. „Ga -je mee, ouwe jongen?” - -Daar zei Joppie geen neen op! Maar nu zag hij restanten visch liggen. -Hij vloog er op af, sloeg in zenuwachtige haast koppen en staarten en -graten naar binnen, met een half oogje opziend, of de jongens bijgeval -niet weggingen. Maar dezen wachtten geduldig tot alles op was en -Joppie, na half gestikt te zijn, de laatste graat weer uitspuwde en -meteen weer inslikte. Joppie snuffelde nog wat, vond niets meer. - -En de karavaan volgde het pad weer, vroolijk gestemd, dat ze nu allen -samen waren. Tusschen de oeverpalmen door, wierpen ze een laatsten blik -op het meer. Het was het mooiste, wat ze zich in hun leven herinnerden -gezien te hebben. Nog wel een half uur lang hoorden ze, wanneer ze even -stilstonden, het ruischen van den waterval..... - -De weg daalde, werd nauw en kronkelig. Harmen, die vooraan ging, liep -telkens met het hoofd in een spinneweb. Het pad scheen zoo weinig -gebruikt te worden, dat hier en daar de struiken het geheel versperden, -en onze vrienden moesten zich met het lijf een weg banen. „Hé!” zei -Harmen eensklaps. „Hier is iemand langs gekomen! Zie maar: deze tak is -versch gebroken! Misschien wel dezelfde, waarvan we vanmorgen die -voetstappen hebben gezien!” - -Zwijgend liepen de knapen zoo een paar uren achtereen, tot het ging -schemeren, en aan een legerplaats gedacht moest worden. Ze kozen er -weer een open plek voor, tusschen bamboebosschen. De grond was zacht. -Merkwaardig was, dat ze vanavond niet zoo door die onbestemde vrees -bevangen werden als gisteren voor het slapen gaan. Raakten ze met het -oerwoud vertrouwd? Had de ontmoeting met den koningstijger dit gevaar -iets van zijn beangstigende geheimzinnigheid ontnomen? Ze waren met z’n -vieren, met lansen bewapend, en Joppie zou wel blaffen als er gevaar -dreigde.....! - -Eensklaps richtte Hajo zich op. „Ik hoor wat!” - -De jongens luisterden. Door het krekelgetsjirp mengde zich een dof -geluid als van een trommel. „Menschen!” fluisterde Hajo. „Ik hoor ook -een fluit!” - -De knapen sprongen op. Mannetje na mannetje liepen ze langs het -donkere, smalle pad op het geluid af. - -Eensklaps hield het bosch op, en aan de voeten der knapen strekte zich -een wijd dal uit, in vijvers verdeeld. En in het midden, omringd door -kokostuinen, lag een dorpje, waaruit een gele lichtschijn opstraalde. -Hoe te naderen zonder gezien te worden? Het dal sidderde in blauwen -maneschijn; de vijvers zogen het licht gretig in en straalden het weer -uit. Kom! ze zouden maar op hun goed gesternte vertrouwen! Er scheen in -het dorp feestgevierd te worden, en dan zou men wel niet zoo waakzaam -zijn. Zoo daalden onze vrienden over een kronkelend dijkje de helling -af. - -„Rijstvelden!” zei Rolf, op de vijvers wijzend. „Kijk maar, de halmen -steken boven het water uit.” - -Harmen, die vooraan liep, stokte en bleef staan. Van het dijkje gleed -een slang weg en kronkelde, den kop boven water, tusschen de jonge, -groene halmen door. „Goed, dat ik er niet op getrapt heb!” zei Harmen -verschrikt. - -„Is ’t hier niet prachtig?” vroeg Rolf. De jongens stonden weer even -stil, lieten de oogen rondweiden over de sawah’s om hen heen, waarin -milliarden sterren star te fonkelen stonden. Hoe wijd en groot was -alles hier! Hoe klein voelde je je! Hoor! De muziek was luider -geworden. Hoe luchtig en klaar klonken die fluittonen, en hoe weemoedig -verstierven ze. - -Verder maar weer! Bij dozijnen plonsden de vette kikkers van het dijkje -de sawah’s in, zwommen grappig weg en bleven met uitgestrekte -achterpooten liggen, nieuwsgierig boven het water uitglurend. Zoo -kwamen de jongens bij den eersten kokostuin; de slanke stammen en de -lange, gebogen bladstelen glansden in het maanlicht. - -Voorzichtig! Pasje voor pasje slopen ze voort. Glurend langs een -bamboeboschje konden ze de poort zien. Er stond een wachthuisje met -weer zoo’n hangend, uitgehold stuk boomstam, maar van een waker was -niets te bespeuren. Nu, waar zou die ook voor noodig zijn geweest? Het -geheele dorp was immers op de been? De jongens doken vlug langs het -bamboeboschje tegen den aarden buitenwal weg en konden nu door de -spleten van de omheining naar binnen zien. De dessah-bewoners zaten in -wijden kring op het voorplein gehurkt, en in het midden van den kring -schreden dansers met potsierlijke bewegingen dooreen. Ze droegen op het -hoofd gruwelijke monsterkoppen met wilde haren en groote glas-oogen, en -het bovenlijf was bedekt door een ruimen mantel van lange bladeren. -Rondom de dansers zaten met gekruiste beenen de muzikanten, die met de -vlakke hand op eigenaardige, langwerpige trommels sloegen, welke dwars -op de knieën lagen, of op houten fluiten bliezen. Een bespeelde een -eensnarige viool, welke op den grond was geplaatst, en een ander sloeg -beurtelings op twee bekkens. Daarachter zaten mannen met walmende -flambouwen, en daar weer achter hurkten de omstanders, sloegen met de -handen de maat. - -„Kermis!” fluisterde Padde. - -Harmen keek slechts naar den vioolspeler. „Hij kan er niks van! Fout! -Wéér fout! Is dat nou spelen?” En even later kon hij het haast niet -meer uithouden. „Zou ik naar binnen gaan? Om ze eens te laten hooren, -hoe je spelen moet? Hou jij m’n speer zoo lang vast, Hajo, en m’n -boog.” - -„Als je ’t maar laat!” dreigde Rolf. - -„Wat zullen ze me doen?” vroeg Harmen. „Ze zullen blij zijn, als ze er -eens goed hooren spelen.” - -En even later begon hij weer te zeuren: „Ze hebben daarginds ook -allerlei lekkere rommel staan..... Ruik maar eens!—En ik zou zoo -drommelsch graag weer eens een fiool in m’n vingers hebben..... Hoelang -heb ik nou al niet kunnen spelen? Hoor! Valsch! Wéér valsch!” - -Met een kordaat besluit wierp Harmen zijn wapens op den grond, sprong -fideel de poort binnen en riep op een toon van: daar ben ik dan toch -eindelijk! den vergaderden toe: - -„Tabeh!” - - - - - - - - -PADDE IS ZOEK - - -De trommels zwegen; de dansers staakten hun dans; allen staarden met -groote oogen naar den zonderlingen bezoeker in zijn rokje van gras. -Daarop sprongen enkele mannen toe en grepen Harmen, die te laat op de -gedachte kwam om er weer tusschen uit te gaan. Allen riepen dooreen. - -De jongens, die buiten alles hadden gezien, vluchtten, na Harmen’s -wapens te hebben opgepakt, met Joppie in het bamboebosch. Vlak daarop -snelden gewapende Inlanders langs hen heen, blijkbaar op zoek, of er -nog meer blanken in de buurt waren. Maar onze vrienden werden niet -opgemerkt, en de Inlanders keerden weer terug. Toen bedaarde het rumoer -daarbinnen. - -„We moeten hem bevrijden”, zei Rolf. „Maar hoe?!” - -Padde begon jammerend zijn meening te uiten over menschen, die door hun -waaghalzerijen ook anderen in gevaar brachten. - -„Hajo”, zei Rolf. „Jij ziet de poort van daar. Staat er een wacht -voor?” - -„Neen! Ik zal kijken, wat ik binnen zie.” Hajo sloop naar de omheining, -loerde door de spleten. „Het voorplein is leeg, en van achter de huizen -komt licht.” - -„Volg me dan”, fluisterde Rolf. „Hier, Padde, pas jij op Joppie en de -wapens!” - -„Wat gaan jullie beginnen?” jammerde Padde op gedempten toon. „Je komt -hier toch terug, hè, Hajo?” - -„Ja zeker”, gromde Rolf. En Rolf en Hajo slopen weg, het halve dorp om, -tot waar het licht door de spleten der omheining naar buiten straalde, -en stemmengedruisch hun oor bereikte. Ze gluurden tusschen de bamboes -door en zagen juist, dat Harmen, de handen op den rug gebonden, een -trapje werd opgeleid naar een hutje. De deur werd achter hem gesloten; -daarna schenen de Inlanders te vergaderen. De afstand was te groot om -iets te kunnen opvangen uit het stemmengeroezemoes. - -„Wachten”, zei Rolf. „Zoolang ze daar zijn, kunnen we niets beginnen.” - -En zoo wachtten de jongens dus, gekweld door de muskieten. Eindelijk -verspreidden de Inlanders zich in druk gekout en verdwenen in hun -woningen. - -„Kom mee!” zei Rolf, „misschien vinden we een achterdeur; de poort zal -nu wel bewaakt zijn.” - -Op dit oogenblik hadden de jongens, ondanks het hachelijke van het -geval, moeite hun lachen te bedwingen: Harmen hief de eerste maten van -het geuzenlied aan: - - - „Slaet opten trommele, van dirredomdijne! - Slaet opten trommele, van dirredomdoes!” - - -Het deed in dezen Indischen maannacht vol krekelzang wel erg zonderling -aan. - -Zijn vrienden begrepen, dat het niet Harmens lust tot trommelen was, -die hem dit lied uit de ziel perste. Het moest hen aanduiden waar hij -zat opgesloten! - -Zonder een ingang te vinden, slopen ze het dorp om. Zoo kwamen ze weer -aan de poort, maar nu aan de andere zijde dan waar Padde en Joppie zich -bevonden. Hajo gluurde om een hoekje. Een schildwacht hurkte thans, -eentonig neuriënd, naast het huisje. Inlanders neuriën altijd, als ze -’s nachts alleen buiten zijn; het verdrijft de booze gedachten, welke -zich, in het kleed der duisternis gehuld, van ’s menschen ziel willen -meester maken. - -Wat te doen? Den man overvallen? Hajo kreeg een inval: hij raapte een -steentje op, wierp het weg over het hoofd van den waker. Ritselend viel -het neer. - -De Inlander hief het hoofd. - -Doodsche stilte. Krekelzang. Heel in de verte de blaffende roep van een -hert. - -Hajo wierp nog een steentje achter het eerste aan. Ditmaal werd het -verlangde resultaat bereikt. De man greep zijn speer en begaf zich in -de richting, van waar het geluid kwam. Hij had zijn rug nog niet -gekeerd, of Rolf en Hajo schoven geruischloos voort in de schaduw van -de omheining, slopen achter het wachthuisje door en glipten de poort -binnen. Ze durfden het voorplein niet over te steken,—liepen het dus -om, van boom tot boom. - -„Hoor eens.....!” zei Hajo opeens. - -De knapen hielden den adem in. - -„Ik hoor niets!” - -„Ik nu ook niet meer. Ik meende daareven.....” - -„Het zal Harmen zijn geweest. Luister maar eens: hij zingt nu van het -Volendammer visschertje!” - -„Ja-ha!” - -Verder weer! Geen van beiden vermoedde iets van het bloedig drama, dat -zich intusschen buiten de poort had afgespeeld..... - -Padde had onverwachts vlak voor zijn neus een steentje hooren -neervallen. Waar kwam dat vandaan? Daar viel er nog een! En zie..... de -waker stond op..... en kwam op Padde af! Met bonzend hart gluurde de -jongen door de twijgen en zag, hoe de Inlander overal rondkeek en met -zijn lans in het struikgewas porde. Padde kroop een eindje achteruit. -De waker bleef doodstil staan, kwam toen recht op de plek af waar Padde -zat en stak zijn lans met kracht tusschen de bamboes. Deze aanval was -Joppie te machtig: hij bevrijdde zich met een gesmoord jankgeluid uit -Padde’s greep en vloog den man naar de beenen. Met een verwensching -trapte de Maleier den hond weg, sprong toe en.....! Padde had in -radeloozen angst, zonder te weten wat hij deed, een lans naar voren -gestoken. De lans kraakte; een doffe kreet; rochelen; de slag van een -vallend lichaam....! Huiverend sprong Padde overeind, zag, hoe de -Inlander, met de speerpunt diep in de borst, krimpend op den grond lag. -Alles draaide voor Padde; hij borg het gelaat in de armen. Weg! Weg van -hier! Weg! Weg!.....! - -En, met Joppie op de hielen, was Padde weggehold..... - - - „Dat Volendammer Visschertje, - Dat voer naar Zierikzee.....” - - -zong Harmen. - -Sluipend van huis tot huis, waren Rolf en Hajo zijn schuilplaats -genaderd. - - - „Dat Volendamsche Visschertje, - Dat voer naar Zierikzee. - Bracht zeven varkens en een wijf, - Een poez’lig wijf weer mee! - Van z’n varkens kreeg die nooit geen spijt, - Maar ’t wijf wou die weer kwijt. - Weer kwijt, wéééér kwijt.....” - - -Met een prachtigen uithaal besloot het lied. - -Zijn vrienden waren vlug onder het huisje weggekropen, waarin hij -gevangen zat. „Harmen.....!” - -„Holla.....! Groote Griebus, als ik niet dacht, dat jullie...” - -„Sssst! Ik kom bij je!” Rolf klauterde vlug langs het laddertje omhoog. -Gelukkig stond het aan de schaduwzijde. De deur zat met een rotan vast. -Het mes er op...... rits! Krak..... krak.....! Stil, stomme -deur!—„Harmen, waar lig je?” - -„Hier! Groote God, Rolf..... de schurken!” - -Rolf knielde, begon de boeien door te snijden. - -„Au!” - -„Los?” - -„Ja” - -„Kom dan!” - -Zachtjes schimpend daalde Harmen de ladder af.—„Hajo!” - -„Kom mee!” fluisterde Rolf. - -Even later waren de knapen het dorp weer door, langs de omheining het -plein omgeslopen, stonden nu dicht bij de poort. Rolf raapte een -steentje op, keilde dit over den bamboezen wand een flink eindje -bezijden de poort. Niets roerde zich. - -„Wat doe je nou!” vroeg Harmen. - -„Ssst!” Rolf nam nog een steentje, ditmaal iets grooter, wierp het -achter het andere aan. - -Doodsche stilte. - -„Misschien staat de wachter verderop!” zei Hajo. - -„Laten we hem smeren”, stelde Harmen voor. „Voor ie de lui op de been -heeft, zijn we weg!”. - -Rolf sloop vooruit, de anderen volgden. Zoo kwamen ze de poort uit. -Niets te zien! Wacht! Wat..... wie ligt daar?! Allen snellen toe. Een -kreet van ontzetting, als ze het lijk van den waker overdekt met bloed -op den grond vinden. - -„Padde.....?!” Hajo stort zich het struikgewas in. - -„Padde is verdwenen! Daar liggen de wapens nog.” - -Rolf knielt bij het lijk neer. „Dood!” fluistert hij. - -„Zou Padde met de lans.....?!” - -Rolf springt overeind. „Vlug! Weg van hier!” - -De andere twee volgen, Hajo radeloos over Padde’s verdwijnen. - -„Wacht even!” hijgt Harmen. Hij snelt terug, grist de wapens uit het -struikgewas weg, neemt den Maleier speer en kris af. Dan snelt hij weer -achter de anderen aan. - -„Rolf!” snikt Hajo. „Moeten we Padde niet.....?!” - -„We moeten hier weg!” beveelt Rolf. „Uit het dal weg! We kunnen ons -hier niet verbergen. Ze zoeken ons straks en.....” - -Harmen bukt zich, raapt Padde’s schortje van den grond op. - -„Goddank!” zegt Rolf, „dan is hij de goeie kant uitgevlucht! Neem het, -dat ze ’t niet vinden!” - -De jongens rennen langs een dijkje tusschen de terrasvormig oploopende -sawah’s omhoog, glijden in de modder uit, krabbelen weer overeind en -staan tenslotte hijgend aan de andere zijde van het in maanlicht -gedrenkte dal..... - - - - - - - - -DOLIMAH - - -Hier loopt het pad weer het bosch in. Grillige schaduwen liggen over -den grond. Honderdmaal struikelt Harmen, die vooraan loopt, over zware -wortels. Hush..... wat springt daar voor een dier weg?! - -Voort! Voort! Hajo kan ten slotte niet meer, zinkt tegen de struiken. -De tranen vloeien over zijn wangen. „Padde.....! Waar is Padde.....?” - -„Stil eens!” zegt Harmen. „Hoor jullie wat?!” - -Hajo bergt het gelaat in de armen om zijn hartstochtelijk snikken te -smoren. - -„We moeten hier weg! Kom, Hajo,” dringt Rolf aan. „Hier is alles nog -zoo open.” En hij steunt Hajo, die kreunend opstaat. - -Zoo strompelen de jongens voort, tot ze bij een plaats komen, waar de -bodem zacht is en varens groeien. Voorzichtig, zorg dragend geen -varen-stelen te knakken en zoodoende een spoor na te laten, waden ze er -door. Als ze ver van den weg af zijn, zinken ze neer, hooren nauwelijks -het driftig zingen der muskieten. Harmen valt meteen in slaap. Hajo -snikt nog urenlang. - -De sterren verdwijnen al. De maan verbleekt. De krekels zwijgen. - - - -Met een schrikbeeld voor oogen werd Hajo het eerst van de drie weer -wakker. „Padde! Waar is Padde!” - -De zon stond al hoog, glinsterde in de boomkruinen, daarboven. Alom -schetterden de vogels. „Rolf.....! Word wakker! We moeten Padde -zoeken!” - -„Ja.....” stamelde Rolf en richtte zich op. - -Ook Harmen werd wakker, rekte zich, geeuwde, krabde aan enkele roode -muskietenbeten. - -„Waar zullen we zoeken?” vroeg Rolf na een oogenblik zwijgen. - -Hajo zocht naar een antwoord, maar vond er geen. Met tranen in de oogen -blikte hij in het groen, rondom. Harmen wentelde zich op zijn buik, -plukte een grashalmpje, kauwde er op en zuchtte. „Je kunt net zoo goed -naar m’n viool gaan zoeken, die met de Nieuw-Hoorn kopje onder is -gegaan!” - -„Padde moet gevonden worden”, zei Hajo met gesmoorde stem. - -„Ja.....” viel Rolf hem bij. „Natuurlijk moet hij gevonden worden. Dat -spreekt vanzelf.” - -Zwijgen. Drukkend zwijgen. Hajo barstte plots weer in krampachtig -snikken uit. - -Harmen sprong overeind, spuwde het grashalmpje uit, dat hij half had -binnengekauwd, streek over zijn zitvlak en zei: „’k Ga eens op de weg -kijken. Zien, of de sloebers ons gevolgd hebben.” - -Langzaam, het hoofd omlaag, waadde hij tusschen de varens door. - - - -Even later kwam Harmen met groote sprongen weer aanhollen; hij moest -even naar lucht happen, vóór hij uit zijn woorden kwam: „Daarginder zit -ie! Met Joppie en een zwart meisje! En vuur heeft hij ook!” - -De anderen sprongen overeind. „En..... en waarom is hij niet met je -meegekomen??” - -„Hij heeft mij niet gezien!” - -„Ben je dan niet naar hem toegegaan?” - -„’k Zal daar in m’n bloote billen voor den dag komen!” schimpte Harmen -verontwaardigd. En haastig schoot hij zijn „rokje” aan. - -„Kom mee!” zei Rolf. En de jongens ijlden achter Harmen aan. „Zie je -daar die rook?” vroeg Harmen. „Bij die kokosboom? Daar zit ie met ’t -zwarte meisje en z’n vuurtje, de smakker!” - -„Padde! Hallo, Padde!” riepen de jongens. - -„Wauw!” Daar kwam Joppie hen al te gemoet snellen, sprong gillend van -vreugde tegen hen op. - -Maar Padde scheen over het weerzien allerminst verbaasd. „Zoo!” zei -hij, trad in het kostuum waarin hij geboren was eenigszins schuchter -naar voren, kuchte en vroeg: „Heb jullie mijn schortje soms?” - -„Hier!” zei Hajo. „Maar vertel op: hoe.....” - -Met een zucht schoot Padde zijn rokje aan. „Ziezoo!—Ja, ’t is dat -meisje, weet je wel, van bij de radjah! Ze is ons nageloopen. -Nietwaar?” wendde hij zich tot het meisje, dat met neergeslagen oogen -tegen de struiken stond. „Jij wou met ons mee? Sama saja?—Ik kwam haar -achterop! Vannacht, toen ik wegliep om.....” Padde huiverde. - -„Dus jij hebt hem doodgestoken?” - -„Is ie d-dood?” vroeg Padde stamelend. „Ik kon er niets aan doen. Hij -kwam op me af.....!” - -De jongens zwegen, en Padde veegde met den onderarm over zijn neus. - -„Apa moenamah nja? Hoe heet je?” wendde Rolf zich tot het meisje. - -„Dolimah, toean.....” luidde het zachte antwoord. - -„’t Is dat lieve meisje, dat ons dat smerige goedje gaf, dat we kauwen -moesten!” zei Padde. „Weet je ’t nog, Harmen?” - -„Nou!” zei Harmen. „’k Wist niet, wat ik liever had!” - -„Ze kon me dadelijk weer”, vervolgde Padde. „Nou, en toen heeft ze een -vuurtje gemaakt, lekker! Moet je eens kijken, hoe ze dat doet! Met een -paar houtjes! En wrijven maar! ’k Heb geslapen; ’k ben net weer -wakker.” - -„En heb je er geen oogenblik over gedacht, waar..... wij bleven?” vroeg -Rolf. - -„Nou, ik wist toch, dat jullie wel zouden komen!” meende Padde -luchthartig. „Ik dacht: ze zullen wel zoeken.” - -Rolf knikte. „Zoo.” Toen wendde hij zich weer tot het meisje: „Dolimah, -vertel me eens waarom je je dessah verlaten hebt.....?” - -„Ik was zoo bang! Loentar heeft gezien, dat ik ’s nachts ben -opgestaan..... Loentar verklapt altijd alles.” - -„Wie is Loentar?” - -„Loentar is mijn broertje. Ik heb nog twee broertjes: Dajik en Oeng. -Karidien is al groot. Hij is bijna een man en zoo sterk.....! En mijn -zusters: Sitoe en Roeknini en Kartina zijn al getrouwd.” - -„En.....” Rolf aarzelde even, „wilde je nu met ons meegaan?” - -„Ik durf niet terug”, fluisterde het meisje. - -„Kun je in een andere kampong geen tehuis vinden?” - -Dolimah schudde het hoofd. „Ze zouden vragen wie ik ben, en me weer -terugbrengen.....!” - -„En waar heb je in die dagen van geleefd?” - -„Ik heb niet gegeten. Ik was zoo bang. Ik heb geloopen, geloopen.....” -Het meisje scheen plots ietwat duizelig te worden, streek met de hand -over de oogen. - -„Wat heeft ze?” vroeg Harmen verschrikt. - -„Ze heeft al dien tijd niets gegeten!” - -„Groote griebus!” Harmen keek rond, dacht toen aan den kokosboom vlak -bij hem en klom als een aap naar boven. „Hajo!” schreeuwde hij van uit -de hoogte. „Schiet als de weerlicht een paar duiven!” Maar Hajo had de -pees van zijn boog al gespannen. „Wat ik onder schot krijg, is er bij!” - -Rolf gooide bladeren bijeen tot een zacht leger. „Ga hier wat zitten”, -zei hij tot het meisje, dat verlegen werd onder al die zorgen. „Je zult -moe zijn.” - -Dolimah aarzelde. Maar toen Rolf haar naar de rustbank leidde, zonk ze -met gesloten oogen zwijgend op de zachte bladeren neer. - -„Ziezoo!” zei Padde, die, om ook wat te doen, geheel overbodig in het -vuur porde. En hij wees naar Harmen, die boven in den boom ijverig -noten zat los te draaien. „Zie je? Hij haalt makan!” - -Daar kwam Harmen weer omlaagzakken, laadde de armen vol noten. „Da’s -dat! Waar blijft Hajo met zijn duiven? Als die kampong niet zoo open en -bloot lag, zou ik wat rijst voor haar gappen. En dan nam ik meteen voor -mezelf wat beters mee als dat smerige rokkie, dat ik nou aanheb. ’t -Lijkt wel, of ik moet optreden in ’t paardenspul!” Hij nam zijn kapmes -op en spleet met een paar ferme slagen een noot open. „Alsjeblieft, -lieve, kleine Dalo..... Dola..... hoe heet je?” - -„Dolimah”, zei het meisje na een verlegen aarzeling. Ze nam met haar -fijne vingertjes het stuk kokos aan, dat Harmen offreerde, zette haar -blanke tandjes in het blanke vruchtvleesch. - -„Wat een dot, hè?” zuchtte Harmen. „Hier, kleine snoes, Harremen is dol -op je,—neem dit er nog bij.” - -„Geef op!” snauwde Padde, jaloersch. „Denk je, dat ze dat zóó kan eten? -Dat moet eerst in stukjes!” Hij beproefde het met de handen te breken, -werd rood van inspanning..... vergeefs. - -„Nou moet jij het met je smerige vingers eerst pikzwart maken!” schold -Harmen, die anders toch zoo nauw niet keek. „Hier d’r mee, papjoggie!” -En Harmen zette er zijn pootige vingers in. Knap! „Een schip in brand -laten vliegen, dat kan ie, maar een nootje knappen, daar moet ie -Harremen eerst bij roepen!” - -„Kletskoek!” schreeuwde Padde, en de tranen schoten hem in de oogen. - -Harmen grinnikte, kapte juist met een geweldige mep weer een kokosnoot -in tweeën en loerde met een schuin oogje, of het meisje wel oplette, -hoe mooi hij dat deed. Maar Dolimah liet juist een schuwen blik vol -medelijden op Padde vallen, in wiens oogen zij een traan zag glanzen. -Padde merkte het, veegde snel die sporen van on-mannelijke zwakte weg, -snoof en keek een anderen kant uit. - -Daar kwam Hajo opgewonden uit de struiken. „Alsjeblieft!” riep hij en -hield een kakelend boschhoen omhoog. - -„Geef hier!” beval Harmen. En het bevoelend, prees hij: „’n Mooi beest! -Vet aan de borst!” - -„Ik trapte er haast bovenop!” zei Hajo. - -„’t Stomme dier!” zuchtte Harmen. En terwijl hij het den hals -omdraaide, beval hij Padde, hout voor het vuur te zoeken, en Hajo droeg -hij op, een puntigen stok te snijden om het er aan te braden. „Zoo, ben -je dood, beessie? Hij zegt niks meer, dan zal ’t wel zoo wezen.” En -meteen stoven de veeren ook al in ’t rond. In een ommezien was de -mooie, gespikkelde, mollig bepluimde kip een kaal, geel monster -geworden. Met verrassende vaardigheid sneed de vroegere koksmaat het -open, spietste het „schoongemaakte” boschhoen, gooide de houtjes op het -vuur wat op mekaar en zag even later met glinsterende oogen toe, hoe -het boutje bruin werd, en het vet sissend in de vlammen droop. „Deze -mag jij opeten, hè, Dolimaatje?” zei hij. - -„Daar heeft ze genoeg aan”, meende Rolf. - -„Oh! Wou jij d’r soms ook wat van!” schimpte Harmen. „Zie liever, dat -je wat schiet!” - -„Dat is een goede gedachte”, zei Rolf opgeruimd. „Ga je mee, Hajo?” En -de beide knapen vatten hun boog op en verdwenen tusschen de boomen. -Joppie sprong om hen heen. - -„Het liefst heb ik boschkippen!” schreeuwde Harmen hun nog na. - -„Je hebt maar voor het kiezen!” zei Rolf. - -„Nou, een paar duiven vind ik ook goed! Als ze maar vet zijn.” - -Langzaam wandelde onze vrienden tusschen de boomen voort. „Leuk, hè?” -zei Hajo. - -Rolf schrikte op. „Leuk?” - -„Dat dat meisje meegaat! Ik vind alles nu in eens veel prettiger!—Wat -zullen de anderen opkijken, als we met haar in Bantem komen! En later -in Hoorn!” - -Rolf liep peinzend naar den grond te kijken. „Ik geloof, Hajo”, zei hij -tenslotte, „dat we haar moeten aanraden, toch maar naar huis terug te -gaan.” - -„Waarom??” vroeg Hajo verschrikt. - -Rolf zweeg, en Hajo liet zijn lip hangen. - -Zonder iets onder schot te hebben gekregen, belandden onze vrienden -weer in het kamp. - -„Platzak?” hoonde Harmen. „Nou, dan kunnen we met z’n vieren de kip -afknabbelen: die is toch al pikzwart gebrand.” - -„De kip? Heeft Dolimah er niets van gegeten??” - -„Ze kan naar de pomp loopen!” zei Harmen grimmig. „’k Had een fijn -boutje gebraden! Je wordt bedankt—zegt dat juffie—knabbel die rommel -zelf maar op: ik zet er geen tand in.—Best—zei ik,—als jou dat niet -fijn genoeg is, juffie, zal Harremen ’t wel.....” Harmen’s stem werd -verdacht heesch „zal Harremen het wel voor je opkluiven.—En nou is ie -pikzwart. Nou lust ik ’m ook niet meer.” - -Het meisje scheen te begrijpen waarover gesproken werd. - -„Ik mag het niet eten, heer,” wendde zij zich aarzelend tot Rolf. Deze -keek haar even verbaasd aan. Toen begreep hij. „Ik denk, dat haar -geloof het verbiedt”, zei hij tot zijn vrienden. - -„Zit ’m dáár de kneep!” verzuchtte Harmen. „Ze had het hier toch gerust -kunnen doen! Geen mensch, die het ziet!” Hij sneed het aangebrande hoen -in stukken. „Hier, Hajo, daar heb jij een poot. En voor jou, Padde, -alsjeblieft, een stuk van de borst en een vleugeltje toe, en voor jou, -pennelikker, neem aan, ’k ben je knechtje niet! ook een vleugel en een -stuk borst. Zoo, dan schiet er voor Harremen nog een poot over en de -bil, en voor Joppie—gris ’t niet uit m’n vingers, mormel!—hier, voor -jou de ribbekast, dan kun je kluiven! Of lust jij ook alleen wat je mag -eten van je geloof? Hè, sallemander, jij denkt: spek is spek, en hap! -in m’n bek! niet waar?” - -Zoo dacht Joppie er werkelijk over. Grommend en grauwend begon hij er -aan te knagen, dat de beentjes knapten als vischgraten. - -„Kijk hem eens smullen, de gannef!” zei Harmen, die zelf glom tot -achter zijn ooren. „Zeg, Rolf, vraag nou eens aan Dolimah, wat ze dan -wèl mag eten?” - -„Ik mag wel kip eten”, antwoordde het meisje op Rolfs vraag. „Maar -alleen, als ze met het mes geslacht is.” - -„Wat een fratsen”, verklaarde Harmen, toen Rolf hem vertaalde, wat -Dolimah gezegd had. „Zou je toch nog geen stukje nemen, hè, Dolimaatje, -hè?” En Harmen offreerde haar vol verleiding het pootje, dat hij nog in -de vetbesmeerde hand hield. - -Het meisje schudde glimlachend het hoofd. „Ik heb geen honger -meer.....” - -En toen moest er eens aan opbreken worden gedacht! Harmen schopte -morrend het vuur uiteen. „We moesten het op den rug kunnen meenemen! -Vraag haar eens, hoe ze het gemaakt heeft?” - -„Heb jij dat vuurtje gemaakt, Dolimah?” vroeg Rolf. - -Het meisje knikte bevestigend, glimlachte verlegen. „Als u het noodig -hebt, dan zal ik het wel voor u maken.” - -„Ja.....!” Rolfs gelaat nam een weifelende uitdrukking aan. „Is het -werkelijk niet beter, dat je naar je dorp teruggaat?” vroeg hij zacht, -na een korte aarzeling. En haastig voegde hij er aan toe: „Wij vinden -het erg leuk, als je met ons meegaat! Maar we zijn bang, dat jij er -later spijt van hebt.” - -Dolimah boog zwijgend het hoofdje. „Ik durf niet terug”, fluisterde ze -in weer opkomenden angst. „Ik durf niet.....” - -Rolf maakte een beslist gebaar. „Dan ga je met ons mee!—Ben je nog -moe?” - -„Neen”, zei het meisje verheugd, „ik ben niet moe!” - -„Ik zou weleens willen weten wat Rolf allemaal met haar afsmoest!” -gromde Padde, alweer jaloersch. - -„Laat hem kletsen, Padde!” troostte Harmen. „Hij wil leftrappen met z’n -Maleidsch!” - -„We hebben afgesproken, dat ze met ons meegaat!” zei Rolf vroolijk. -„Kom, jongens, pak de rommel dan maar weer op. Als we de richting goed -houden, moeten we in Bantem komen!” - - - -Opgewekt gingen ze verder, voelden zich nu heel andere kerels! Er was -nu iets, dat hun steun, hun bescherming noodig had; ze moesten nu -toonen, dat ze mannen waren! - -Drommels, Dolimah had het slechter kunnen treffen! Waren allen niet -bereid, voor haar hun leven op het spel te zetten? - -Harmen ging voorop, keek telkens even om naar de kleine Dolimah en -wierp haar een blik toe van: „Vertrouw maar gerust op mij: alles komt -in orde!” - -Joppie liep parmantig, den staart in de lucht, nog weer voor Harmen -uit, snuffelde uit plichtsbesef hier en daar, lichtte even het pootje -op om een boom voor omvallen te behoeden en sjouwde weer voort na een -blik naar achteren te hebben geworpen, die ook al scheen te zeggen: -„Volg mij maar gerust! Als ik wat verdachts ruik, zal ik jullie wel -waarschuwen!” - -Dolimah, met kleine, zachte, snelle schreden tusschen hen inloopend, -werd steeds vertrouwelijker, wees hun onderweg allerlei. „Zie, dit is -de ganjong! Daar kun je de wortels van eten. Maar ze moeten eerst -geklopt en gezeefd worden! Ik zal van het meel wel eens koekjes maken, -als ik maar iets heb om ze in te bakken! En dit is djamboe! Die zijn -heerlijk. Proef maar eens!” En met haar rappe vingertjes plukte ze een -glazige, doorschijnende vrucht af en reikte die aan Padde.—Deze keek er -naar. Maar zonder veel omhaal griste Harmen ze hem uit de vingers en -zette er de tanden in. „Fijn!” riep hij uit. - -Ze gingen weer verder. „Kijk”, zei het meisje na een half uurtje en -wees op een klimplant met lange trossen groene bloemen, „daar staat -gadoeng! Daar kun je de knol van eten.” Hajo rukte aan de plant, en -inderdaad: er bleek een knol aan te zitten. „Nou, zij weet het!” prees -Harmen opgetogen. „Met haar bij ons, zullen we niet verhongeren!” - -„Als de oogst mislukt is, eten we niets anders dan gadoeng”, zei het -meisje. - -Zoo drentelde ze babbelend tusschen de jongens in, die vandaag maar -voortliepen zonder zelf te merken, dat ze liepen. Maar Dolimah scheen -moe te worden. „Nou, dan gaan we zitten!” zei Harmen, die anders nooit -aan rusten dacht vóór hem de tong uit den mond hing. „Daarginds is een -lichte plek, daar zit ’t fijn!” En hij baande met zijn stoere lichaam -den anderen een weg door de struiken. - -Flits! daar schemerde iets roodbruins door de takken; met luchtige -sprongen, als veerde de grond, danste een dwerghertje de open plek -over, draaide even het kopje met de groote, glanzende oogen en stoof -toen op zijn tengere pootjes weg. - -„Een kantjil!” zei het meisje opgetogen. „Het is het zwakste, maar ook -het slimste van alle dieren! Weet u, dat het kantjil door zijn slimheid -zelfs eens een grooten olifant op de vlucht heeft gejaagd?” - -„Hoe heeft hij dat klaargespeeld?” vroeg Rolf lachend. - -„Dat zal ik vertellen”, zei het meisje, en terwijl de jongens zich -neerwierpen en soezend luisterden naar Dolimah’s zangerig stemmetje, -begon ze: „In een bosch leefden de dieren vreedzaam bijeen tot er -opeens een olifant kwam, die dadelijk begon de boomen om te schoppen. -Daar schrokken de andere dieren leelijk van! Er was nog nooit een -olifant in het bosch geweest, en ze vergaderden er over, hoe ze hem -weer weg zouden krijgen. „Ik zal hem wegjagen!” zei de tijger. Nu, die -praalt altijd. De olifant ving hem op zijn witte slagtanden, die rood -waren, toen de tijger machteloos ter aarde viel. Nu durfde geen der -dieren hem meer aan. „Ik zal hem wegjagen!” beloofde het kantjil. Toen -lachten alle dieren hem uit. „Als hij jou ziet aankomen, loopt hij van -angst al weg!” Maar het kantjil zei tot het stekelvarken: „Geef me een -van je pennen!” „Wat wil je er dan mee doen?” vroeg het stekelvarken. -„Hij wil er den olifant mee op de vlucht jagen!” lachten de anderen. Nu -begon het stekelvarken te schudden van het lachen. „Trek me er dan maar -een uit het lijf!” proestte hij. Terwijl de anderen lachten, en het -stekelvarken even knorde van pijn, trok het kantjil het stekelvarken de -langste en dikste pen uit, die het maar vinden kon. En daarmee huppelde -het naar het bosch, waar de olifant huisde. „Wil jij weleens gauw -maken, dat je wegkomt!” zei het kantjil. De olifant was juist bezig een -paar boomen te ontwortelen. „Wat piept daar?” vroeg hij. „Een -muisje?”—„Oh, ben je nog half blind ook!” zei het kantjil. „Dan mag je -je zeker wel uit de voeten maken, vóór het kantjil komt!”—„Wie is dat: -het kantjil?” vroeg de olifant, terwijl hij kalm een nieuwen boom begon -kaal te eten. „Een beest, dat wel tweemaal zoo groot en zoo sterk is -als jij!” zei het kantjil. „Dat is niet waar”, zei de olifant, „ik ben -de grootste en sterkste van alle dieren.”—„Dat zou je wel willen!” zei -het kantjil weer. „Als het kantjil komt, schudden de bergen, en als het -in zee gaat om te baden, loopt het heele bosch onder water.” Van -verbazing ging de olifant tegen een waringin-boom zitten, die met de -wortels in de lucht omviel. „Je wilt me zeker wat wijsmaken!” knorde de -olifant. „Wàt? Geloof je me niet?” vroeg het kantjil. „Neen, ik geloof -je niet”, antwoordde de olifant. „Dan zal ik je eens wat laten zien!” -zei het kantjil. En het hield den olifant de pen van het stekelvarken -voor den neus. „Alsjeblieft! Zoo dik zijn z’n haren!” Nu zei de olifant -niets meer; hij beefde over al zijn leden, stak de slurf in de lucht, -liep trompettend weg, zoo hard hij maar kon, en is nooit meer -teruggekomen in het bosch, waar dat verschrikkelijk groote en sterke -kantjil huisde!” - -Dolimah zweeg. „Ziet u wel, hoe slim het kantjil is?” vroeg ze. - -Hajo had het verhaal maar half kunnen verstaan. Maar onder Dolimah’s -vertellen scheen het hem, alsof de natuur hem vertrouwder werd. -Wonderlijk mooi klonk dat zangerige stemmetje, het leek hem wel, alsof -het kantjil zelf hem dat verhaaltje van slimheid en goedige domheid in -het oor had gefluisterd. Hoe mooi was Indië, als je het zóó kende..... - -„Wat vertelde ze?” Vroeg Harmen, op een djamboe zuigend en wezenloos -voor zich uitkijkend. - -Geen der jongens kon zoo spoedig de rechte woorden vinden om Harmens -vraag te beantwoorden. En Harmen vroeg ook niet ten tweeden male, stak -peinzend een nieuwe vrucht in den mond. - -De vogels in de boomen waren verstomd. Padde was in slaap gevallen en -vulde met zijn zacht gesnurk de stilte. - -Zwaar drukte de middaghitte. - - - - - - - - -DE STRIJD OM HET HOL - - -Na een korten middagslaap stonden de zwervers vermoeid en onverkwikt -op. Wat lag er in de lucht, dat hen zoo loom maakte? Bij de minste -beweging parelde hun het zweet op het voorhoofd. - -Dolimah had niet geslapen: zij zat tegen een boomstam geleund en keek -voor zich uit. - -„Je denkt zeker nog aan het kantjil?” vroeg Rolf. - -Het meisje zweeg even. Toen zei ze: „Als ik eenmaal denk, denk ik aan -allerlei dingen. Ik denk er aan..... dat we nooit aan de zee zullen -komen. Deze kant uit komt men nooit aan de zee. De zee is in het -Westen, waar de zon ondergaat.” - -Rolf was even geschrokken. „Straat Soenda ligt toch in het Zuiden?” -vroeg hij. - -„Jawel”, antwoordde Dolimah, „maar dat is zoo ver weg, dat men er toch -nooit komt. Men wordt onderweg door de geesten betooverd, die in de -oude waringin-boomen huizen. Overal zijn ze! In de bloemen wonen -geesten, in de steenen en in de schelpen, in de stille meren, in de -bergen, onder de watervallen..... Als ge ergens lang naar kijkt, maakt -de geest, die er in woont, zich meester van uw ziel. En wie in de macht -der geesten is, kan niet meer weg..... Ge zoudt aan het strand staan en -met betraande oogen over het water turen,—maar als ge in uw prauw -wegvaart, kwellen de geesten u, tot ge geen lust meer hebt te leven. En -als ge niet spoedig terugkeert, sterft ge ook werkelijk.” - -Rolf haalde diep adem, wilde zich verzetten tegen een gevoel van -beklemming, dat hem overmeesterde. - -„Ge zult nooit aan de zee komen”, ging Dolimah droomerig voort. „Eerst -zult ge vol moed zijn, maar dan zult ge de dagen tellen. Er zullen -bamboe-bosschen en djati-wouden komen, bergen en moerassen en wijde -vlakten zonder schaduw. En ge zult de uren tellen, dan de boomen aan -den weg, dan de steenen onder uw voeten, en eindelijk zult ge weenend -gaan zitten,—dan hebben de geesten u overwonnen.....” - -Rolf zweeg een oogenblik. „Kom!” zei hij toen, lenig overeind -springend, „we moeten verder!” Maar er zat onder zijn uiterlijke -fermheid een aarzeling. - -Padde stond loom op. „’k Heb koppijn”, zei hij. - -„D’r zit broeiing in de lucht”, verklaarde Harmen. Zwijgend zochten -onze vrienden het pad weer op, en verder ging het. - -Hajo hoorde wiekengerucht, ging er op af en schoot een duif. - -Harmen sneed het nog fladderende dier de keel af. „Nou mag ze ’t dan -toch eten”, zei hij, terwijl hij zich het roode bloed van de vingers -likte. De anderen wendden zich af: Harmen kon soms zoo ruw zijn. - -Hij zelf voelde er weinig van. „Die zullen we straks braaien!” zei -Harmen. „Je braait anders zóó al wel. Zoo warm als ’t vandaag is!” - -Het begon donker te worden; de zon stond als een spet klaterend goud -tusschen de zwarte wolken. - -„Laten we hier blijven”, stelde Harmen voor. „Als het straks regent, -kunnen we geen vuur meer maken.” - -De anderen aarzelden nog even; Padde zonk terstond tegen den wegberm -neer, hijgend, met gesloten oogen. - -Wat was dat?! Onweer? De grond dreunde; het was, of daar in de verte -drommen ruiters galoppeerden. „Olifanten”, zei Dolimah. „Ze zijn ver -weg.” - -„Nou, Dolimah, nou een vuurtje!” zei Harmen, die zich over het gedreun -weinig zorgen maakte. - -Dolimah begreep, haalde uit haar sarong twee stukjes droge bamboe. In -een ervan was een gat. - -„Maak je dáár vuur mee??” vroeg Rolf. - -„Ja, maar ik moet eerst nog wat droog bamboeschraapsel hebben, van -binnen uit een ouden steel.” - -„Geef me je kapmes eens hier, Harmen”, zei Rolf. „Zij wil een vuurtje -voor ons maken.” - -„’t Zal me benieuwen!” grinnikte Harmen opgewonden. - -Intusschen maakte Rolf zoo snel mogelijk de voorbereidselen. Dolimah -legde het zaagsel, dat Rolf haar bezorgde, tot een hoopje, stak er een -paar splinters in, zette het stukje bamboe met het gat er in op den -grond en begon er verbazend snel het andere stukje bamboe in heen en -weer te wrijven. - -„’k Zie nog niks”, zei Harmen. - -„Laat mij het maar doen”, stelde Rolf voor. „Ik zie nu hoe het moet.” -Hij nam het instrumentje over en begon op zijn beurt uit alle macht te -wrijven. Maar er kwam geen vuur. Wel droop onzen vriend het zweet van -voorhoofd en polsen. - -„Schei maar uit met je gepruts”, zei Harmen. „Wedden, dat ik in tien -tellen vuur heb?” Rolf reikte hem de houtjes, en Harmen begon te -werken. De tien tellen waren spoedig verstreken. „’k Word er lam van!” -hijgde Harmen. - -Het meisje zag glimlachend toe, hoe de jongens zich inspanden. „Laat -mij nog eens?” vroeg ze. „Als mijn broertjes zagen, hoe slecht ik het -doe, zouden ze me uitlachen!” En met vaardige hand wreef ze, minder -heftig, maar veel vlugger dan de jongens, en zie..... daar vloog een -vonkje van het droge, scherpe hout naar het schraapsel over. Nog een! -Harmen wierp zich op de knieën, begon te blazen..... daar lekte een -vlammetje op! Vlug, al blazende een paar splintertjes erbij, nu zou het -Harmen niet meer uitgaan. „Hé, Padde, zit niet te maffen! Zoek hout bij -mekaar!” - -Padde bleef zitten. „’k Heb koppijn”, gromde hij. - -„Ja, goeie morgen!” zei Harmen. - -Hajo zocht wat droog hout bijeen. En nu laaide een knetterend vuurtje -op. Of ’t wou branden, die droge bamboe! Tevreden grinnikend, begon -Harmen de duif te plukken. - -De hemel werd zoo donker, dat de stammen der boomen er licht tegen -afstaken. Het was, als bogen de takken onder den zwaren druk: in de -doodsche stilte rondom kraakte het onverwachts, of dwarrelde een -twijgje omlaag. „Dat zijn de geesten”, verzekerde Dolimah zacht en -ernstig. En met groote oogen zat ze te luisteren. - -Rolf en Hajo waren bezig, een bed van varens voor haar op te stapelen. - -„Voel eens, hoe het veert!” zei Rolf, toen het bed een el hoog geworden -was. - -„Hoor!” zei Dolimah en hief haar vingertje. In de verte gromde het -onweer. - -Flits! daar sloeg de wereld in lichtelaaie. Het zwarte dak daarboven -werd in stukken en brokken gescheurd; onder de boomen vielen plots -blauwgroene schaduwen, en de vlammen van Harmen’s vuurtje werden even -neergedrukt. - -Padde stopte de ooren dicht..... daar daverde de slag, wentelde over de -boomkruinen, tuimelde in een open plek omlaag als een schaatser in een -bijt, spookte nu tusschen de stammen, deed de bladeren verontrust -ruischen..... Stil was het weer. Dolimah zat met wijd open oogen op -haar leger van varens als een prinsesje op haar troon. Harmen was met -het plukken klaar, sneed de duif haastig open. Zijn mes glinsterde als -het mes van een roover uit een sprookje. Padde lag, het hoofd in de -armen, tegen een stam. - -Niemand sprak. Hajo en Rolf, die naast elkaar op het mos waren -neergezonken, staarden, op den buik liggend, naar een groen kevertje, -dat, klauterend over steentjes en grassprietjes, zich ijverig een weg -baande. Wanneer het bliksemde, glansde het diertje ineens van het -goud,—stokte zijn loop. Dan ratelde de donder, en het torretje dook -ineen. Wanneer het weer stil was, roerde de gepantserde ridder zijn -voelhorentjes, krabbelde overeind en strompelde weer verder tusschen -takjes en blaadjes door het ontzaggelijke woud..... - -Was het verschil tusschen hen en dat torretje zoo groot? vroegen de -jongens zich stilletjes af. Hoe eindeloos was hier alles, hoe klein en -onmachtig waren zij.—Als je ergens lang naar kijkt, had Dolimah -gezegd,—maken de geesten zich meester van je ziel.....—Geen -droomelarijen! Wakker blijven! - -„Zoo”, zei Harmen, „als dát nou geen fijn boutje is, weet ik het niet!” -En hij begon de duif te verdeelen. Maar Padde wilde niet hebben. „Wat -zullen we nou beleven??” vroeg Harmen. - -Ook de anderen keken vreemd op. „Scheelt er wat aan, Padde?” - -„Knap maar”, zei Padde. - -Toen lekten dikke, warme druppels uit den hemel neer. Geheimzinnig -tikten ze op de bladeren. Ping!—Pong!—Pang!—Ping!—Ping..... De bliksem -laaide weer uit, vulde de lucht opeens met blauwig-lichtende diamanten. -Toen sloeg de regen neer. De takken bogen onder den waterval, piepten -en kraakten; bladeren dwarrelden omlaag en dreven weg in de beekjes, -die zich vormden tusschen het drassige mos. Onder den boom, waar onze -vrienden stonden, begon het ook te lekken; het vuurtje doofde sissend -uit. Zouden ze verder gaan en een onderdak zoeken? Het trieste -stelletje pakte speren en bogen op en plaste langs den nu modderigen -weg; Padde droefgeestig en loom achteraan. Het weggetje was spoedig een -goot geworden, waardoor het bruine water met groote bellen er op -voortjoeg. En steeds meer water vloeide toe. Dolimah hield haar sarong -hoog op; de regen deed haar schouders, hals en armen glanzen. Harmen -kwam door dien opwekkend ruischenden regen weer in een tevreden -stemming,—hij stapte met groote passen, dat het water alle zijden -uitgolfde, en zong boven den regen uit: - - - „Des winters als het reghent, - Dan sijn de paetjes diep, ja diep, - Dan komt dat lose vischertjen - Vischen al inne dat riet, ja riet! - Met sinen rijfstoc, met sinen strijcstoc, - Met sinen lapsac, met sinen cnapsac, - Met sine leere, von dirre dom deere, - Met sine leere laersjes aen.....” - - -Hajo en Rolf waren halverwege uit volle borst ingevallen, en Padde gaf -Joppie een trap, toen deze, springend van berm tot berm om de jongens -bij te blijven, hem voor de voeten kwam. Het water voerde bladeren en -bloemen mee en twijgjes en stukjes schors. Dolimah ving de bloemen op, -stak ze in heur zwart-glanzend haar, in haar sarong boven de borst en -tusschen de vingers. - -„Wat een fijn juffie, hè?” schreeuwde Harmen. - -„Zing jij ook eens wat, Dolimah?” vroeg Rolf. - -„Ja!” zei Dolimah. En terwijl ze sierlijk haar sarong ophield en als -een kleine koningin door het water schreed, zong ze: - - - „Oedjan dateng, kambing lari! - „Oedjan dateng, soekah menari!” [4] - - -En ze stelde voor, een pisangblad boven het hoofd te houden als een -pajong. - -In Harmen, Rolf en Hajo’s hart was alles licht; ze voelden zich halve -boschmannetjes, toen ze met de groote bladeren boven het hoofd onder de -glimmend-zwarte boomen doorgingen. Ze waren hier thuis in het woud, -onder vrinden. Zouden ze verbaasd zijn, wanneer hun zoo meteen een -tijger te gemoet zou stappen en in zuiver Maleisch zou vragen: „Waar -komen jullie vandaan..... Dari mááááánah?” en: „Waar gaan jullie naar -toe..... Pigi mááááánah?” - -„Tabeh!” zouden ze zeggen. - -Of wanneer er een kabouter een eindje met hen zou oploopen tot aan zijn -hol, aan de andere zijde van den berm? Of wanneer ze een kantjil en een -stekelvarken gearmd zouden tegenkomen, dikke vrinden nog vanwege het -gezamelijk te velde trekken tegen den olifant? Of wanneer ze een boom -zouden hooren fluisteren: „Help me uit de knoei,—die smerige, witte -mieren zijn bezig me dwars door te zagen?”—Daar flitste de bliksem -weer, scheurde het duister; een paar kokosboomen rezen vliegensvlug uit -den grond op, spatten daarboven uiteen als zwarte inktvlekken op geel -perkament. „Een kampong!” fluisterde Dolimah. „Waar klapperboomen -staan, is een kampong in de buurt.” - -Onverwachts begon Padde achter hen te snikken. „’k Heb zoo’n koppijn! -En m’n beenen zijn zoo moe.....” - -De jongens schrokken. „Je zult toch niet ziek worden, Padde?!” - -„Weet ik het?” vroeg Padde tusschen twee snikken in. - -„Dija sakit?” vroeg Dolimah. „Is hij ziek?” - -Rolf knikte. En tot de anderen zei hij: „Jongens, als we vlak bij een -dorp zijn, kunnen we hier niet blijven! ’t Is nu donker; we moeten het -zien te omsluipen.—Kun je heusch niet meer loopen, Padde?” - -„Gaan jullie maar door en laat mij hier maar liggen.....” snikte Padde. - -„Wat een onzin!” viel Hajo driftig uit. „Kom, Padde! Misschien ben je -morgen weer zoo frisch als een hoentje!” - -„Ja..... misschien wel”, zei Padde droefgeestig.—En de jongens gingen -weer verder. - -Ze bleken voor een omheinden kokostuin te staan. „Wacht even!” zei -Harmen. Hij wipte over den bamboe-pagger en klauterde een schuinen -kokosboom in. „Wat is die stam glad!” schreeuwde hij van boven. - -Weer bliksemde het. Langs de omheining zagen ze den omtrek van een paar -puntige daken. De donder bulderde uit,—verstierf in het klagend loeien -van een buffel, daarginds in het dorp.—Een nieuwe bliksemflits. Acht, -tien, twaalf, veertien, vijftien huisjes op hooge palen. Hoe -merkwaardig silhouetteerde Harmen daar boven tegen die onweerslucht! -Was het niet net, of ze weer op zee zaten, en Harmen in een boozen -nacht iets klaarde in den fok? Daar klauterde hij weer omlaag. „Vangen -jullie?” riep hij van achter de omheining. - -Terwijl Hajo en Rolf werk hadden de noten op te vangen, die Harmen over -den pagger kegelde, ging Dolimah bij Padde zitten. „Dimanah sakit?—Waar -doet het pijn?” vroeg ze met haar lieve stemmetje. - -„Hier!” zei Padde verteederd en wees op zijn armen bol. - -„Biar-lah!” troostte het meisje. „Wacht maar: morgen zal ik kruiden -voor je zoeken.” - -Padde knikte. „Verstaan doe ik je niet”, zei hij. „Maar lief ben je, -da’s vast!” En met een wat vroolijker gezicht stond hij weer op. - -Het geweld van den nog steeds even machtig neerslaanden regen maakte -het omsluipen der kampong gemakkelijk. Het was een klein dorpje, boven -aan een helling van sawah’s en, naar de zijde vanwaar de jongens -kwamen, grenzend aan den boschrand. Het was niet gemakkelijk om in den -hevigen regen, die alles deed onderloopen, den weg langs de helling -omlaag te vinden. Onophoudelijk gleden de jongens in de modder uit. -Slechts Dolimah viel niet: ze scheen dit balanceeren over smalle -sawahdijkjes wel gewend te zijn. Dat bewees ze ook door even later -kalmpjes-weg over een boomstam te wandelen, die, bij wijze van brug, -over een snelstroomend beekje was gelegd, waar het water van de sawah’s -in uitvloeide. De jongens gingen er twee aan twee over en hielden -elkaar goed vast, zoodat Harmen en Hajo tegelijk het water intuimelden. -Joppie zat achter een vette rat aan, en de rat en hij gilden samen zoo, -dat het van daarginds uit de kampong echode. Toen trad Joppie als -overwinnaar uit het strijdperk en toonde het rattelijk, waaraan een -lange, kale staart bungelde. - -Aan de andere zijde van het dal kronkelde het weggetje weer tusschen de -boomen voort. „Kun je nog, Padde?” - -Padde bromde wat. - -Na wellicht twee uur loopen en waden door het maar altijd neerplassende -water, kwamen ze weer op een plateau, grenzend aan een ravijn. „Hier -zullen we maar blijven”, zei Rolf. „Een onderdak vinden we toch niet.” - -Padde zonk neer. - -„Ik wil eens langs het ravijn zoeken”, zei Harmen. „Ga je mee, Hajo? -Hier, neem jij ook een speer mee!” En beiden togen den zwarten nacht -in. - -Rolf en Dolimah gingen, ieder aan een kant, aan Padde’s zijde zitten. -Een windvlaag streek over het plateau. „Heb je het koud, Padde?” vroeg -Rolf bezorgd. - -Padde klappertandde. - -„Kom dan dicht tusschen ons in.” - -Onafgebroken stroomde de regen neer. - - - -Hajo en Harmen volgden den rand van het plateau. Aan hun voeten gaapte, -onheilspellend zwart, het ravijn. „Wees voorzichtig, Harmen! Als je er -in valt.....!” - -„Zal mij niet gebeuren!” verzekerde Harmen. Meteen zakte de grond onder -zijn voeten weg; Hajo bleef star van ontzetting staan, maar Harmen wist -zich net bijtijds aan een naar buiten stekenden wortel vast te grijpen, -werkte zich naar boven en sprong weer op den beganen grond. „Daar ligt -m’n speer!” schold hij. „Foetsji! Naar de haaien!” - -„Hè.....!” stamelde Hajo. - -„De grond is wat slappies van die smerige regen!” verklaarde Harmen. En -zich aan den boom vasthoudend, die hem het leven had gered, leunde hij -over den afgrond. „Alles zoo zwart als een pot teer! Is ’t niet zonde, -zoo’n mooie spies!” - -Maar daar zette de bliksem het ravijn in het felste licht, en Harmen -riep: „Ik zie hem! Geen tien el hier beneden!” - -„Nou, wat dan nog?” vroeg Hajo, ietwat geprikkeld. - -„Ik ga hem halen”, zei Harmen. - -„Als je ’t maar laat!” - -„Ja, ’k zal daar m’n mooie spies laten liggen, als ik hem zoo grijpen -kan!” - -„Wil je je nek breken?” - -„Nee. Jij?” vroeg Harmen. „Daar zit ergens een boompje in de wand -vast,—daar laat ik me op zakken!” En zonder Hajo’s verdere goedkeuring -af te wachten, liet hij zich langs de wortels van een zwaren boom, die -op den rand van het plateau stond, zakken. - -Van angst den adem inhoudend, wachtte Hajo boven. „Ziezoo”, hoorde hij -eindelijk, „nou nog.....” Toen kraakte er wat, een plof.....! en -Harmens stem klonk alweer: „Da’s nog vlugger dan ik dacht! ’k Zit op -m’n spies!” - -„Kun je..... kun je weer boven komen?” vroeg Hajo. - -„Langs deze weg zoo best niet meer”, meende Harmen. „Die rot-boom is -afgeknapt. Maar hier loopt een soortement weggetje. Dat kan ik eens een -eindje opkruipen.” - -„Harmen, wat heb je gedaan!” zuchtte Hajo. - -„Nou, grien maar niet”, zei Harmen. „’k Zou er hier beneden maar nat -van worden.” - -Weinig op zijn gemak stond Hajo te wachten. „Een best weggetje!” prees -Harmen daar beneden. „Hier is ie wat minder, maar met m’n spies bij me -kan ik me wel hou.....”—Daar tuimelde iets zwaars de diepte in. - -„Harmen.....?!” - -Even niets. Toen Harmens stem, hijgend: „Ik h-hang nog! Ik hang op m’n -spies!” Een stilte. „Ziezoo, daar sta ik alweer!—Verduiveld, Hajo, daar -zie ik een hol!” - -„Een hol?!” - -„Spreek ik Chineesch?” - -„Ga er niet in, Harmen!” - -„En waarom niet? ’t Is net wat we hebben moeten! Droog!” - -„Harmen! Harmen dan toch.....!” - -Harmen zweeg in zeven talen. Ook in het Chineesch. - -Eindelijk gaf hij weer teekenen van leven. „’k Ben er een eindje in -gekropen!” zei hij. - -„En.....?!” - -„Er zit een beest in. Kom maar eens kijken: twee gloeiende oogen!” - -„Harmen! Kom boven!” - -„Kan ik niet beloven!” dichtte Harmen. „Kom jij liever beneden, dan ben -ik tevreden. En neem jij ook je speer mee. Dan prikken we hem er aan.” - -„En als ’t nou eens een tijger was?!” - -„’t Is geen tijger”, zei Harmen, even beduusd. - -„Hoe weet je dat?” - -„Heit ie me zelf verteld.” En Harmen begon te grinniken. „Nou, kom je, -of kom je niet?” riep hij daarop ongeduldig. „Spring maar gerust; ik -zal je wel vangen.—Of dúrref je niet?” - -Dat was een gevaarlijke vraag. „Vang je me?” vroeg Hajo. - -„Natuurlijk! Ik zie je wel staan tegen de lucht aan; spring maar -gerust. En hou de punt van je speer naar boven alsjeblieft, want die -lust ik niet.” - -Hajo sprong. - -„Pijn gedaan?” - -„Vertel op: waar is het hol?” - -„Kom maar mee. Voorzichtig-aan, vooral daar waar je nou bent!” Harmen -voorop, kropen de knapen tot aan een steenen hol met manshoogen ingang. -„Blijf naast me en hou je spies klaar”, zei Harmen. - -Den adem ingehouden, met bonzend hart, kropen de jongens het hol -binnen. Er hing een vunzige, warme lucht. Daar, in het donker, gloeiden -twee starre, gele oogen. „Zie je wel?” fluisterde Harmen. „Hij doet -niks.” - -Hajo wilde antwoorden, maar zijn keel zat toegeschroefd. Hij voelde -zelf hoe hij beefde. - -„Nou.....” fluisterde Harmen. „Nou gaat ie beginnen! Ik zal hem mijn -spies kedoo doen en als ie dan keet gaat schoppen, vang jij hem in de -jouwe!” - -„Ja-a”, stotterde Hajo, verbouwereerd door Harmen’s koelbloedigheid. - -Toen richtte Harmen zich onverwachts half op, haalde zijn rechterarm, -waarin hij zijn speer omklemd hield, ver naar achteren uit en zwaaide -het wapen forsch naar voren, in de richting waar de starre, gele oogen -gloeiden.—Een kort, schor gebrul. Een zwaar dier sprong overeind, het -hout van de speer kraakte en brak. - -De worp had doel getroffen. - -Een bedorven lucht sloeg den jongens tegen het gelaat, verwarde hen. -Instinctief omklemden beiden Hajo’s nog gevelde speer. De gewonde -holbewoner dook blazend ineen, sprong toe..... recht in de -lanspunt,—stootte een woesten kreet uit. De jongens voelden het zware -gewicht op hun lans neerkomen, zagen vaag de gestalte van het dier -gekromd om het lemmet, drukten met een schreeuw van opwinding het wapen -nog meer naar voren, zoodat het dier in een boog terugsmakte in den -hoek, waar het gelegen had. - -„Hou vast!” siste Harmen. En de jongens drukten hijgend, uit alle macht -de speer in den hoek. - -Toen brak de speerschacht; de jongens tuimelden naar voren, voelden een -heeten adem langs het gelaat strijken, vlogen met een rilling weer -overeind, bonsden met de hoofden tegen den steenen bovenwand van het -hol, dat ze haast het bewustzijn verloren en een rood waas voor oogen -zagen. Beduusd, verward, wilden ze naar buiten vluchten, maar vonden -door het floers voor hun oogen den uitgang niet. - -Het was ook niet meer noodig. - -Het dier had zich weer opgericht, toen Hajo’s lans brak en het niet -meer tegen den grond drukte, maar meteen was het weer omgetold, sloeg -met de klauwen in de lucht, brulde heesch, rochelde..... - -En terwijl de jongens zich nog, in een hoek gedrukt, stilhielden, -verstomde het rochelen. - -„Hij is dood!” fluisterde Harmen. „Ik zal.....” - -„P-pas op, Harmen! Niet te dicht!” - -„A-als ie nou toch d-dood is!” pruttelde Harmen hijgend. Hij kroop naar -het dier toe. „M-morsdood”, stelde hij vast. „Hier h-heb ik zijn -staart! ’k Zal hem naar buiten sleepen.” En zwijgend, nog zwaar -ademend, begon hij aan het lichaam te rukken. Toen werd hij allengs de -oude Harmen weer. „Groote griebus, wat is ’t mormel zwaar! Help eens -een handje, Hajo?” - -Samen sleepten de jongens, Hajo nog bevend over al zijn leden, het dier -naar buiten. - -Het was een panter. - - - - - - - - -DE REGEN - - -„Hoe komen we nou weer bij de anderen?” vroeg Hajo. - -„We zullen dat weggetje maar eens verder opkruipen”, zei Harmen. „En -dan mag ik lijden, dat we niet weer zoo’n mormel tegen het lijf loopen, -want zonder m’n spies bij me, zou ik niet weten, wat ik tegen ’m zeggen -moest.” - -„Ja”, zei Hajo bezorgd, „ze zijn gewoonlijk met z’n tweeën, hè?” - -Harmen grinnikte. „Nou zijn ze in elk geval niet meer met z’n -tweeën!—Hierlangs, Hajo, en voorzichtig!” - -Zoo kropen ze voort, zich vasthoudend aan wortels en steenpunten. En na -veel geklauter belandden ze met geschaafde handen en knieën weer op het -plateau en zochten de anderen op, die triest bijeenzaten in den -stroomenden regen. „Een fijn holletje gevonden!” schreeuwde Harmen. „Er -lag een tijger in, maar die zegt niks. Waar, Hajo?” - -„Een tijger?!” - -„Een tijger met vlekkies! Maar ik en Hajo hebben ’m ferm bij z’n staart -gepakt, en nou zegt ie geen ba meer en geen boe. Kom maar gauw mee. ’t -Is er kurkdroog en lekker warm!” - -Rolf sprong overeind. „Kom, Padde! Harmen heeft een droog hol -gevonden.” - -Padde richtte zich loom op en huiverde. „Is het hier ver vandaan?” - -„Vlak bij”, zei Harmen. En terwijl Hajo in geuren en kleuren het -verhaal over den panter opdischte, begaf het heele troepje zich naar de -plaats, waar Harmens speer in de diepte gevallen was. „Ziezoo, we zijn -er”, zei Harmen. „Als het bliksemt, spring ik naar beneden.”—Meteen -zette het weerlicht het dal alweer in hellen gloed; Harmen berekende -vliegensvlug zijn sprong en dook de diepte in. - -„Harmen.....?!” - -„Ja, ’k leef nog”, klonk het van omlaag. „’k Ben op m’n billen -gevallen! Spring maar, Hajo!” - -Hajo, die voor Harmen niet wilde onderdoen, nu Dolimah er bij was, -sprong, en Harmen ving hem. - -„Nu ik”, zei Rolf. „Maar vang je eerst de noten op?” - -„Gooi ze maar naar beneden”, zei Harmen. „Maar niet allemaal tegelijk: -ik hèb al een buil op m’n kop.” - -Een voor een gooide Rolf de noten omlaag. Harmen had katte-oogen: hij -ving ze allemaal. „Nog meer?” - -„Neen. Nu kom ik-zelf.” En Rolf sprong in Harmen’s armen. „Nu jij, -Padde!” - -„Springen?” vroeg Padde. - -„Nee, vliegen!” zei Harmen. „Kom maar: we vangen je met z’n drieën.” - -„En als ik nou te ver spring?!” - -„Dan springen we je na. Kom!” - -Padde aarzelde, gromde wat. Toen sprong hij.—„Au! O! Au!” - -„Gaat wel over”, troostte Harmen. „Denk je soms, dat ik zoo lekker -gesprongen ben? M’n billen branden als helsche steen.—Nou, jij, -Dolimaatje?” - -Na eenig aarzelen sprong het meisje omlaag. „’k Heb ’r!” riep Harmen -verheugd. En voorzichtig zette hij haar neer. „Nou Joppie! Kom, gil -niet als een mager varken! Joppie!” - -Piepend en jankend zocht Joppie langs den rand naar een geschikte -plaats om af te dalen. - -„Hij durreft niet, de smakker!” smaalde Harmen. „Nou, dan moet ie maar -boven blijven. Kom mee, jongens! En voorzichtig-aan! Er staat beneden -niemand om je te vangen!” - -Zoo kropen ze naar het hol. „Zie je?” zei Harmen, „hier zijn we thuis! -De hond ligt voor de deur, maar bijten doet-ie niet. Veeg je -voeten,—d’r is pas gestoft.” - -Met een huivering stapten de jongens over den dooden panter. Er hing -een doordringende bloedlucht in het hol. „Ja..... dat ’t hier lekker -ruikt, heb ik niet gezegd”, verontschuldigde Harmen zich. „Maar droog -is het hier! En warm!” - -Zwijgend zochten de anderen een zacht plekje op, stonden Dolimah de -mooiste plaats af, het diepst in het hol. - -„Als er nou nog een tijger komen mocht, moet hij eerst over ons heen, -vóór hij Dolimah kan wegslepen!” zei Hajo. - -Als er nog een tijger kwam.....—Met een vaag gevoel van onrust -luisterden de jongens nog even naar den regen, daarbuiten. Hoe ver en -vaag klonk het ruischen nu! Hierbinnen zaten ze droog; het vocht -verdampte ook al uit hun kleeren. Daar bliksemde het weer. Door het -paars-glanzende regenfloers zagen ze ver uit over het wijde dal. Voor -de grot lag, als een op zijn post gestorven schildwacht, de panter. Een -gebroken speerschacht stak uit zijn gevlekt lichaam omhoog. - - - -Buiten zong de regen eentonig voort. Het water was langs de stammen der -boomen omlaaggevloeid, had het mos gedrenkt, en de wortels der -woudreuzen hadden het uit alle macht ingezogen. Maar er was te veel, -veel te veel. Op lage plaatsen vergaderde zich het water tot plassen, -vormde beekjes, danste gulpend, spettend over de steenen, vloeide daar -beneden in het ravijn samen, vulde een droge bedding, waarin het -wegstroomde. Van alle zijden kwam het water toegevloeid, vormde een -riviertje. Beekjes stortten zich uit in de bedding, die nu een -schuimenden, sneljagenden vloed den weg wees. Het water wies en wies; -steeds doller werd de vaart. Hier! Hier is water! Neem het op, rivier, -het is voor jou! Hier! Hier is water in overvloed!—Van de hellingen -komt het water, uit de zijdalen, en de regen zelf slaat ten overvloede -nog roezend in den stroom; wel een vinger diep schieten de -regendruppels in het bruine oppervlak; als een brandblaas bolt er een -groote bel op; een andere druppel slaat er fel doorheen; op de bel bolt -een nieuwe, en samen tollen ze als lustig-uitgelaten haasjes voort. - -Breeder wordt de stroom. Dieper. Sneller de vaart. - -Wat ligt daar? Een brug?! Hoe durft ze! Weg er mee!—Een paar rukken. De -brug wordt opgenomen; de leuning slaat om in het water. Heisa! Leve het -water! Leve de regen!—Het bliksemt. Een paar wolken rammen krakend -opeen, breken, werpen hun waterlast omlaag. Rrrrang! daar slaat het -neer. Golvend stuwt het water tegen de zijden der bedding op. Wat is -dat? Een dijk? Die wil me in toom houden?!—Ga je weg, dijk? - -Neen! - -Dan zal ik je rammen! Hier, jij gaat mee, boompje! Ram dien dijk!—De -boomstam stoot dof bonzend tegen den aarden, met bamboe versterkten -wal.—Meer! Meer boomstammen! Balken! Planken! Steenen! Ramt den -dijk!—De regen heeft schik in den dollen gast, kittelt hem in den rug. -Vooruit! Galop! De regen doorweekt den grond; de wortels der -oeverboomen glippen los onder de stuwing van den stroom; de boom slaat -in het water neer, stuit op een anderen boom, die tegen den kant -vastzat, bevrijdt hem rukkend en duwend, en samen drijven ze weg. Eerst -langzaam. Dan sneller. Dan in dolle vaart. Ze tollen om, stuwen tegen -elkaar op, over elkaar heen, rukken andere oeverboomen om..... - -De dijk zet zich schrap. - -De menschen in de dorpen worden wakker uit hun rustigen slaap, richten -zich op hun baleh-baleh’s op. Hoor! Wat is dat voor een gekreun, -gekraak, dat met elke minuut toeneemt, dreunend als horen-bassen het -paukengeroffel van den regen overstemmend? Ze staan op, zoeken in -koortsige haast hebben en houwen bijeen, drijven schreeuwend het vee -tegen de hellingen op. Een roep gaat door het dorp, een roep, die allen -in merg en been dringt: - -„Banjir!” - -Daar komt hij. Rukkend, wrikkend, bulderend, dat het tot in de bergen -vernomen wordt. Daar..... bij een bocht.....! De dijk scheurt; een -groot middenbrok wordt weggerukt; de kanten storten..... En ineens -wordt het stil. De woede van den stroom is gebroken. Hij heeft zich uit -zijn eigen gang, waarin een reus als hij zich niet keeren of wenden -kon, bevrijd. Nu vloeit hij kalm en vult het heele dal..... - -Maar den landbouwer staan de tranen in de oogen. Wat blijft er van zijn -sawah’s over? Zie, daar wankelt zijn huisje en drijft weg. En zijn vee, -zoo dom als vee maar zijn kan, loopt in verwarring en radeloosheid -recht het water in, den staart in de hoogte. - -En de regen valt, valt steeds maar voort in eentonigen zingzang, -treiterend als een sater. Treiterend? Neen! Mild ruischend in het -bewustzijn van zijn vruchtbrengende kracht. Kan hij er wat aan doen, -dat de menschen dijkjes legden en den grond in rechte stukjes -verdeelden, beangst dat zijn buurman iets meer zou nemen dan hem -toekwam? Kan hij er wat aan doen, dat de menschen in huisjes gingen -wonen, in plaats van onder den vrijen hemel, en dat ze den buffel zijn -vrijheid namen en hem zoo dom en hulpeloos maakten, dat hij zich niet -tijdig voor den banjir wist te redden? - -Dolimah werd wakker door het gebulder daar in de verte. „Banjir!” -fluisterde ze. En gedachten aan huis vulden haar hoofdje. Angstig keek -ze door de opening van het hol naar buiten, waar een waterige morgen -schemerde..... - - - -Toen de jongens wakker werden, regende het nog. Joppie lag tusschen hen -in te snurken,—scheen dus een weg te hebben gevonden. Erg mooi kon die -weg niet zijn, te oordeelen naar het feit, dat Joppie tot achter zijn -ooren vol modder zat. - -Onze vrienden kropen naar buiten om den panter te bezien. Daar, in den -plassenden regen, lag de roover. Met den staart mee mat hij ruim twee -ellen. Harmen’s speer was hem in de zijde gedrongen en kort bij de punt -afgebroken. De andere speer, waarin hij was opgevangen, zat dwars door -het lichaam, stak er achter het rechter schouderblad weer uit. De bek -met de scherpe, hoekige tanden stond half open, was vol gestold bloed; -de zware pooten lagen krampachtig van het lichaam gestrekt, en de -gebroken oogen staarden den triesten hemel in, waaraan zelfs geen -schemering van de zon te ontdekken viel. - -„We zullen hem maar in de diepte gooien”, stelde Hajo voor. „Dan zijn -we hem kwijt.” - -„Dan zijn we hem zeker kwijt”, zei Harmen. „Daarom zullen we het dan -ook maar niet doen. We zullen hem z’n jasje uittrekken: daar heeft ie -maar last van, en wij kunnen zoo’n stukkie leer best gebruiken! Waar, -Rolf?” - -„Al was het alleen al om op te slapen!” zei Rolf. „Daar dringt geen -vocht door!” - -„Dan krijg je ook geen rimmetiek”, merkte Harmen op. „Weet je, waar ie -ook best voor is? Om een broek uit te snijden. In dat rokkie van mij -lijk ik wel een pias.” - -„Die zou je wel staan, zoo’n panter-broek”, lachte Rolf. „Kun je goed -brullen?” - -Harmen brulde, dat het heele dal er van sidderde en Padde en Dolimah er -in het hol geducht van schrokken.—„’t Is niets!” riep Rolf naar binnen, -„Harmen krijgt het op z’n zenuwen!” - -Harmen staakte zijn gebrul. „Nou, we zullen mosjeu eens helpen”, zei -hij. „Geef me je mes even, Rolf?” - -„Weet je, hoe je hem stroopen moet?” vroeg Rolf. - -Harmen nam werktuigelijk het mes, staarde Rolf met groote oogen aan. -„’k Zal nog nooit een konijn gevild hebben!” - -„Ja, maar dit is geen konijn!” - -„Neen!” zei Harmen. „Een panter is geen konijn! Maar in ’t villen zal -het toch wel gelijk blijven! Een rits om z’n achterpooten, een streep -door ’t kruis.....” Grimmig trok hij den panter beide speerpunten uit -het lichaam. „Kon ik z’n achterpooten maar ergens aan vast binden!” - -„We zullen hem naar boven sleepen”, zei Rolf. „Hier zou je nog met vel -en al in het ravijn tuimelen.” - -Harmen gaf zwijgend toe. - -Toen de jongens het hol weer inkropen, maakte de lucht hen haast -onpasselijk. „Zoodra de regen ophoudt, gaan we er uit!” zei Rolf. „Hoe -voel jij je, Padde?” - -„’k Heb koppijn”, zei Padde flauw. - -„We hebben ook nog niet gebikt”, meende Harmen. „’k Val om van de -honger.” Hij hakte een paar noten open, en allen—op Padde na—smulden, -of ze veertien dagen hadden gevast. Rolf voelde Padde’s hoofd eens. -Zijn gelaat werd zorgelijk. „Padde heeft koorts”, zei hij tot de -anderen. „Geef me je pols eens, Padde?” - -Steunend reikte Padde hem de pols. „En..... wat heb ik?” vroeg hij -angstig. - -Rolf moest tegen wil en dank weer glimlachen. „Ik denk, dat je kou hebt -gevat, Padde. ’n Geluk, dat het hier ten minste warm is.” Rolf keek -naar buiten. „Ik geloof niet, dat de regen gauw zal ophouden. Dan -moeten we aan de lucht hier maar wennen.” - -„Wel ja”, zei Harmen. „Ik ruik er nou al niets meer van. Kom, Hajo, we -gaan op wat eten uit, voor straks.” - -„Zullen jullie voorzichtig zijn?” vroeg Rolf. - -„We zullen mekaar aan ’t handje houden”, beloofde Harmen. „Neem je -kapotte speer mee, Hajo, daar steken we wel even een nieuw eindje hout -in. ’k Heb de mijne ook bij me.” En samen klauterden ze het paadje weer -op. - -Boven aangekomen, was het eerste werk der jagers, een paar stevige -bamboe-stengels te snijden en die in de ijzeren speerpunten te wringen. - -„Nu naar de kampong!” zei Harmen. „Zien wat er te graaien valt.”—En in -den plassenden regen liepen de beide makkers het pad af naar het -dorpje. Bij het dal gekomen, waar aan de overzijde de geelgrijze -bamboe-huisjes met de donkerbruine daken stonden, omgeven door -bananen-boomen met van den regen glimmend-groene bladeren, zagen de -jongens, dat uit het beekje daar beneden een bruine, modderige rivier -geworden was, en dat het bruggetje was weggespoeld. Ze besloten het dal -om te loopen—trouwens de eenige manier om bij de kampong te komen—en -baanden zich een weg langs den boschrand. - -Dat viel niet mee: zij verwondden zich de voeten aan wilde -ananasplanten en schramden zich armen en borst aan de doornstruiken. -Zoo duurde het wel een uur vóór ze bij den kokostuin kwamen. Door het -ruischen van den regen heen klonk klagend, droefgeestig fluitspel. -Harmen liet zich tegen de pagger vallen. „Wil je wel gelooven, dat ik -nog geen muziek kan hooren, of ik denk aan m’n fiool?” - -„En ik dan?” vroeg Hajo en ging naast hem zitten. „Ik kon het ook al -goed!” - -„Dat van die begraffenis kon je nog niet goed”, stelde Harmen vast. - -„Daar waren ook zooveel van die wipjes in!” - -„Dat is juist het treurige ervan”, verklaarde Harmen. „’t Heet niet -voor niets: begraffenis! Of denk jij, dat een begraffenis zoo iets -lolligs is? Misschien voor de lijk-anzegger,—die z’n broodje is ’t, hè? -Maar voor de fermilie is zoo’n grapje duur genoeg! Je moet een natje en -een droogje geven en.....” Harmen keek eens omhoog.—„Zou ik eens wat -noten plukken?” - -„Harmen!! Ze zien je vast!” - -„’k Wou, dat ze blind waren”, zei Harmen. „Nou, misschien liggen er op -de grond wat noten!” Harmen wipte op de schutting, maar liet zich weer -neerploffen. „Er komt juist zoo’n nikker de tuin in!” fluisterde hij. - -Hajo gluurde door de omheining. „’t Is een jongetje! Hij is alleen.” - -„Zoo. Zouden ze het hooren in ’t dorp, als ’t mormel gaat gillen?” -vroeg Harmen. - -„Wat wou je dan doen?!” - -„Niks. ’k Ga eens met hem praten.” En met een fermen sprong was Harmen -de pagger over. - -Tegen Harmen’s verwachting in, begon het joggie niet te gillen. Het -kereltje drukte zich met beide handjes tegen de pagger aan de -overzijde, werd vaalbleek in het kleine, bruine gezichtje en maakte van -zijn oogen rijksdaalders. - -„Tabeh!” zei Harmen. „Haal me eens als de weerlicht een paar noten! -Makan! Daar!” En Harmen wees in de boomen en daarna op zijn maag. Het -kereltje begreep. Bevend over al zijn leden, maar rap als een -eekhorentje vloog het tegen een stam op, rustte halverwege even om zijn -angst uit te hijgen en klauterde weer verder, de voetzolen plat tegen -den bast. Kijk, nu zat hij boven, leek zelf wel een kokosnoot. - -De eerste vrucht tuimelde omlaag. „Goedzoo”, prees Harmen. „Vang ze -maar op, Hajo en verberg ze tusschen de struiken. Later halen we wel op -wat we nou niet kunnen dragen.” En hij begon de noten over de pagger te -gooien. - -De boom, dien het ventje zich had uitgezocht, leverde ruim een dozijn -noten op. Toen er onder de kruin niets meer te ontdekken viel, kwam het -manneke aarzelend weer omlaag, en Harmen had slechts even te knikken, -of de ijverige plukker wipte alweer een anderen boom in. „Dat mag ik -zien”, zei Harmen. „Vang je, Hajo?” - -Hajo verborg de noten in een boschje. Toen er drie boomen kaalgeplukt -stonden als lange, magere Lijzen, en het kereltje een vierden boom -inschoot, vond Harmen het welletjes en wipte weer over de pagger. „Waar -liggen ze, Hajo? Goed zoo, daar zal geen mensch ze vinden.” - -De noten vielen nog smakkend neer. „Hij zal de heele tuin leegplukken!” -grinnikte Harmen. „’t Is een handig mormel, hoor, hij verstond me ook -direkt. Kom, we nemen een paar noten onder de arm!” - -Een paar uur later kwamen ze weer op het plateau. Toen ze weer omlaag -wilden springen, viel plots hun oog op..... een touwladder! „Daar hangt -een valreep!” stotterde Harmen. - -„Hallo!” klonk het van omlaag. Rolf stond in den ingang der grot. - -„Hoe komt dat ding daar, Rolf??” - -„Bevalt ie jullie?” - -„Heb jij ’m gemaakt?!” stamelde Harmen vol eerbied. „Da’s nog eens -werk! Hoe heb je ’m in mekaar geflanst?” - -„Dat zie je”, zei Rolf. „Stukjes bamboe, met rotan verbonden. Met die -stok halen we de ladder ’s avonds binnen, dan valt geen mensch ons -lastig.—Waar hebben jullie die noten vandaan?” - -„Heb ik voor me laten plukken”, grinnikte Harmen. „Waar of niet, Hajo?” -En samen vertelden ze het avontuur. - -„Jij bent brutaal als de beul, Harmen!” zei Rolf. „Vandaag of morgen -vlieg je er in.” - -Harmen trok een leep gezicht. „’t Is met Harremen als met een vlooi! -Kom je d’r aan—wip! zegt ie. En de beet heb je te pakken!” - -„Hoe is het met Padde?” vroeg Hajo. - -Rolfs gelaat betrok. „Hij ijlt. Dolimah zoekt kruiden. Misschien helpen -die.” - -Zwijgend, plots weer bedrukt, ging de jongens het hol binnen. - -De regen ruischte. - - - - - - - - -SI-KAMPRET - - -’s Middags togen de jongens aan het werk met den panter. Ze sloegen hem -een paar dunne rotanstengels om de pooten en heschen het dier met hun -drieën omhoog. Een vrachtje! - -En nu begon Harmen zijn vilders-werk. Na een half uur hijgen, mopperen -en trekken, vloog hij met huid en al tegen den grond, en de panter hing -naakt, met puilende oogen, te schommelen. „Mooier ben je er niet op -geworden!” zei Harmen, terwijl hij overeind krabbelde en zijn zitvlak -wreef. Hij sleepte het gevilde dier naar den rand van het ravijn en -liet het in de diepte tuimelen. De panter buitelde potsierlijk over de -steenen, gleed een oogenblik over een met varens begroeid stuk helling -en sloeg weer over den kop, tot het ten slotte ergens hangen bleef. - -Harmen had het dier in zijn val nageoogd. Hij wendde zich nu om en -zocht een verborgen plek tusschen de struiken, waar hij de huid -uitspande, de binnenzijde boven. „Ziezoo”, prevelde Harmen, „laat nu -het zonnetje maar schijnen.” - -Doch daar leek het nog weinig op! Altijd maar door dreven uit het -Westen zware, grauwe wolken aan, schoven de vage randen ineen, werden -in die samenvoeging groeterig zwart, stortten hun waterlast uit en -vloeiden weer uiteen, dat er een lichte plek door schemerde, die de -rest van den hemel nog triester en hopeloozer schijnen deed. De bergen -in het Oosten, die bij zonsopgangen zoo heerlijk blauw konden afsteken -tegen het goud van den hemel, of ’s avonds, wanneer de zon in zee -wegzonk, rood te gloeien stonden tegen het paars van den komenden -nacht, scholen nu achter het regengordijn. Als er een paar wolken -braken en een blik op de bergen doorlieten, rezen de pieken zoo -dreigend zwart op, dat hun aanblik beklemde. - -Harmen dwaalde op zijn eentje nog wat rond, vond niets van zijn gading. -Met een grooten doren in zijn voet, dien hij er pas na lang peuteren -met zijn zakmes weer uitkreeg, daalde hij den „valreep” af. - -In het hol was het al donker. Padde lag te ijlen en gaf zijn vrienden -nergens antwoord op. Hoewel niemand er iets van verwachtte, trachtten -ze vuur te maken met wat hout en kokos vezels, die ze in het hol te -drogen hadden gelegd. Maar het was nog te vochtig. Toen gingen de -jongens voor den ingang zitten, staarden zwijgend over het ravijn. - -Uit de diepte steeg de schemering op, kroop al over den rand aan de -overzijde, die zich daareven nog scherp tegen de lucht afteekende,—nu -er langzaam mee samenvloeide, zoodat de knapen tegen een hoogen, -grauwen wand opkeken. Steeds dichter kwam de grauwe wand; er zat in die -langzame nadering iets beklemmends. Nu konden ze nog twintig ellen voor -zich uit zien, nu nog vijftien, nog twaalf, nog tien..... ’t Was net of -je moeilijker ademde..... - -Een groote raaf werkte zich met loomen wiekslag door de duisternis, -gleed laag over de hoofden der jongens voort en kraste. Toen schoof hij -weg in den grauwen wand. Net een lijk-aanzegger, vond Harmen. - -Achter, in de duisternis van het hol, zat Dolimah bij Padde. Het -hoofdje naar hem toegebogen, vertelde ze een oud sprookje van den regen -en den rijstkorrel. Onder den invloed van haar zacht, zangerig -stemmetje kalmeerde Padde en sliep in. - - - -Den volgenden dag regen, regen, regen. - -Rolf zocht samen met Dolimah in de buurt naar wat kruiden. - -„Ziet u dit plantje?” vroeg Dolimah. „Als je daar de stengels van eet, -word je sterk! Het is de sidagori lelaki. En dat daar is de daoen -tidoer-tidoeran! Als je niet slapen kunt, moet je daarvan een takje -onder je hoofd leggen.—Maar ik ken maar weinig medicijnen. De doekoen -kent ze allemaal! En de doekoen kan ook de booze geesten op de vlucht -jagen.” - -Rolf luisterde met beide ooren. Van alles wat Dolimah vertelde, ging -voor hem een groote bekoring uit. - -Harmen verveelde zich in het hol, trok er ’s middags met Hajo op uit. -Ze volgden het pad nu eens in de andere richting, kwamen aan een -zijweggetje. Harmen waadde het een eind in, hield stil en staarde -aandachtig naar een plek grond, die boven het water uitstak. - -Hajo kwam er bij. In de bruine modder stonden diepe voetsporen geprent -van een tweehoevig dier. „Zou het een hert zijn, Harmen?” - -„Wat dacht je dan?” vroeg Harmen. „Een duizendpoot?—Alsjeblieft!” En -hij liet Hajo een bosje zijig haar zien, dat aan een doornstruik hing. -„Dit is herte-haar en niets anders.” - -„Zeg, Harmen, zouden we het niet kunnen vangen?” - -„Daar zal ik nou eens over prakkizeeren”, zei Harmen, in diepe -gedachten. - -Langzaam slenterden de jongens weer terug. Vóór ze de ladder afdaalden, -sneed Harmen een paar dunne rotans af. - -De stemming in het hol was dien avond verre van rooskleurig. Padde’s -voorhoofd en polsen bonsden koortsig; zijn adem was kort en hijgend. -Rolf en Hajo staarden triest naar buiten in de grauwe regensluiers. -Zelfs Joppie zat met een droevige uitdrukking in zijn glanzende -honde-oogen aan den ingang van het hol, huiverde toen en ging naar -binnen, waar hij zich met een diepen zucht neervleide, den kop onder -Padde’s kin. Dolimah wreef op een platten steen wat kruiden tot een -papje en legde dat den zieke op de borst. Harmen was de eenige, die er -de vroolijkheid inhield en, tevreden neuriënd, weinig merkend van de -trieste stemming der anderen, uit zijn rotanstengels een paar strikken -vlocht. - -„Wat wil je strikken?” vroeg Rolf. - -„Kleine-kindervraag”, zei Harmen met een knipoogje naar Hajo: om er -zijn mond over te houden. - -Rolf zweeg, ietwat geprikkeld. - -„Je zult het wel zien”, begon Harmen een paar minuten later. - -„Niets nieuwsgierig”, stelde Rolf hem gerust. - -Harmen gromde wat. Maar even later begon hij weer zachtjes te zingen. -„Daar waren drie matroosjes.....” - -Het werd Hajo week om het hart bij die vaderlandsche wijsjes. En toen -Harmen weer een strik klaar had, vol zelfvoldoening voor zich uithield -en zei: „Steek er je kop eens door, Hajo, dan kan ik zien, of ie goed -aantrekt!” kon Hajo geen antwoord geven. Hij stond op en ging naar -Padde. „Padde.... Slaap je?” - -„Hajo!” snikte Padde. „Ik ben zoo ziek, Hajo......” - -Hajo ademde diep. „Flink zijn, Padde! Als de zon weer schijnt.....” - -„Die zie ik niet meer”, snikte Padde. - -„Stil toch!”—Hajo legde zich neer en sliep in. Maar in zijn slaap -vloeiden de tranen hem over de wangen. - -Alom zong de regen. Soms scheen het ruischen iets minder te worden, -ging in tikken over. Maar dan sloeg het water weer feller neer, en de -hoop, dat morgen eindelijk de zon weer stralend aan de kim zou rijzen, -werd, nauw ontkiemd, alweer vernietigd.—Allen legden zich nu te rusten. -Maar midden in den nacht sprong Harmen overeind en wierp zijn kapmes -naar een glinsterend ding, dat sissend, kronkelend over den grond, een -goed heenkomen zocht. Joppie vloog, de haren steil overeind, tegen den -achterwand. - -Een slang was het hol ingeslopen. - - - -Vermoeid stonden de jongens den volgenden morgen weer op: geen van -allen had na de ontdekking van de nachtelijke bezoekster nog erg rustig -geslapen. „Ja, die slang zocht hier natuurlijk de warmte”, zei Rolf. -„Wat zou er tegen te doen zijn?” - -„Doodslaan”, stelde Harmen voor. „Dan krijgen ze de aardigheid er wel -af.” - -De anderen keken bezorgd voor zich uit. - -Na een pover ontbijt van kokosnoten, gingen de jongens er weer op uit. -Rolf wilde wat knollen en vruchten en eetbare wortels zoeken, en Hajo -zou Harmen vergezellen bij het zetten van zijn strikken. Bij het -zijweggetje gekomen, slaakte Harmen een kreet van verrassing. „Hij is -er weer geweest! Kijk maar!” En Harmen wees op hoefsporen, die nog niet -eens geheel vol water waren geloopen. „Geen minuut geleden is ie hier -langs gekomen! Had ik m’n strikken maar een kwartiertje vroeger -uitgezet,—dan zat ie er nou al in!” - -„Jammer!” zuchtte Hajo. „Hoe dacht je de strikken te hangen?” - -„Een voet of vijf van de grond”, zei Harmen. „Dan moet ie zelf weten of -ie er in wil loopen!” En Harmen volbracht zijn strooperswerk met een -vaardigheid, die vermoeden deed, dat hij dergelijke zaken al eens -eerder had opgeknapt. „Ziezoo”, zei hij tevreden, „nou leg ik hier -beneden ook nog een strikje, dan kan ie daar in trappen, als ie er -aardigheid in heeft!” - -„Als ik zoo strikken zet”, begon Harmen in gedachten, terwijl de -jongens weer terugslenterden, „dan moet ik ineens weer denken aan m’n -strikkies achter de dijk bij Hoorn. Eenmaal had ik er zeven op een dag! -’k Zal ’t nooit vergeten: ’t was herfst 1616, de zevende van -Slachtmaand,—zeg nou eens, dat zeven geen geluksgetal is. Zeven vette -konijnen, en Harremen centen op zak! De volgende dag een haas van -twaalf pond, die had zich meteen doodgeloopen! Ja, je moet de loopjes -kennen, hè? Een ander zet ook strikken en vangt er nog geen pier in! -Lange Lijs heeft me eens een strikkie gelicht! De haas er keurig -uitgelicht en ’t strikkie weer netjes recht gezet. Jawel! Goeie -morrege! Op tien pas zei ik al: daar heeft me die uitgerokken -pijpesteel van een Lijs met z’n wrattige gapjatten aangezeten! De heele -grond onder de wol, en ’t strikkie netjes open, ja, Harmen is -gaargestoofd! Ik heb hem zijn oogen dichtgeslagen en hem laten betalen -voor een haas van twaalf en een half pond. Later zei Roeffie, dat hij -m’n strik gelicht had. „Nou”, zei ik, „die uitgezemelde Lijs kan zoo’n -pak op z’n falie toch best gebruiken, dan weet ie wat ie krijgt, als ie -eens trek mocht hebben met z’n mottige fikken aan mijn strikkies te -komen!” Van Roeffie kun je wat velen, nietwaar, maar als ik dat -platgemangelde tronie van Lijs maar zie, word ik al kriebelig. Laatst -ging ie met visschen vlak naast me liggen. „Ga je weg, hoepelstok!!” -zeg ik. En hij smeert hem. Haalt ie me aan het andere eind van de sloot -niet de snoek op, waar ik op lag te loeren?!—Nou, ik kom zoo eens -achter hem staan. „Mooi snoekkie heb je daar!” zeg ik. „Nou!” zegt die -kaaswurm. Meteen geef ik hem een douw, dat ie de sloot invliegt. „Dat -heb jij gedaan!” zegt ie woest. „Kan ik me niet herinneren”, zeg ik. -„Lijs, moet jij nou nog leeren, dat je met visschen niet naast een -ander gaat liggen?”—„’k Lig toch immers ook niet naast je?” vraagt de -slampamper. „Nee, nou niet”, zei ik, „maar die snoek heb je eerst bij -mij weggehaald.”—„Bewijs dat eens”, zegt die lintwurm. „Dat hoef ik -niet te bewijzen”, zeg ik, „zoo’n visch zwemt achter jou aan, omdat jij -net zulke vissche-oogen hebt! Geef hier m’n snoek! En als je nog -praatjes maakt, is het ineens uit met de vrindschap, begrepen?”—Nou, -toen smeerde ie ’m, de zandlooper!” - -De jongens waren weer op het plateau aangeland. Rolf kwam hen tegemoet. -„Heb jullie Dolimah gezien?” - -De verbaasde gezichten der twee anderen maakten elk antwoord overbodig. - -„Begrijp ik niets van”, zei Rolf. „Daareven kwam ik terug en vond Padde -alleen. Misschien is ze wel weer op kruiden uit, maar dan snap ik niet, -waarom ze me niet even heeft gewaarschuwd. Ik was hier toch in de -buurt.....” - - - -Zwijgend, de handen om de knieën, zaten de jongens den ganschen middag -voor in het hol en staarden naar buiten. Zou Dolimah hen werkelijk -verlaten hebben? Dat zou vreeselijk zijn. Vol weemoed dachten ze aan -Dolimah’s zangerig stemmetje, aan haar fijn kopje met de groote, -glanzende oogen..... - -Na elk uur zakte hun moed. Dolimah was weg en daarmee alles wat hun in -dit land nog lief was. Waren ze maar weer aan het strand! De zee kenden -ze! Ze zouden in een prauw stappen en weg varen. Waarheen? Het deed er -niet toe, maar weg, weg van dit land! - -Ineens.....! Wie was daar? De jongens vlogen naar buiten. Dolimah! -Dolimah!!—En wien had ze bij zich? Daar stond een kereltje,—tenger, met -groote, uitstaande ooren. In zijn wijd-opengesperde oogen lag namelooze -verbazing uitgedrukt, toen hij de jongens zag. Hij maakte een beweging -van het op een loopen te willen zetten. - -„Ikoet sadjah, Saleiman”, zei Dolimah. - -„Eh-eh, mari”, viel Rolf haar bij. „Djangan takoet..... Wees niet -bang.” - -Het bruine kereltje, dat den trotschen naam: Saleiman voerde, aarzelde, -snoof zoo er eens en daalde toen omzichtig, na zijn sarong naar binnen -te hebben geslagen, het laddertje af. - -Mooi was Saleiman niet: zijn armen en beenen waren schraal en als uit -donker hout gehakt, en zijn knieën en ellebogen schenen wel dikke -knoesten in dat hout. Ook zijn ruggetje was hoekig en bottig, en voor -de rest zat Saleiman van top tot teen vol litteekens. - -Rolf keek Dolimah met vragenden blik aan. - -„Saleiman is met me meegekomen om vuur te maken”, zei het meisje. - -De kleine, broodmagere vuurgod wrong bedeesd een paar houtjes uit zijn -sarong en staarde Rolf met zijn groote kijkers allesbehalve gerust aan. - -De knapen bezagen het manneke nu plots met heel andere oogen en knikten -hem vriendelijk toe. Alleen Joppie gromde wantrouwend tegen den -bezoeker,—welk wantrouwen nog aangroeide toen hij Saleiman berook en -deze hem met zijn mager, knokig been een schop toedeelde, die lang niet -mis was en waarop Joppie bij zoo’n ventje niet gerekend had. Saleiman -had het trouwens als vanzelf sprekend gedaan, zonder er een blik aan te -verspillen, en de oogen, waarmee hij nog even schuchter als te voren -Rolf in het gelaat keek, hadden zelfs niet geknipt. - -„En Saleiman heeft me beloofd, ons wat eten te brengen, niet waar, -Saleiman?” vroeg Dolimah. - -„Eh-eh”, bevestigde Saleiman. - -„Nu, begin dan maar”, zei Dolimah. - -„Eh-eh.”—Saleiman bukte zich over de kokosvezels, die de jongens den -vorigen dag nog vergeefs getracht hadden te doen ontvlammen, en begon -te wrijven. Zijn neus raakte daarbij zoowat den grond en zijn al even -mager en bottig zitvlak stak fier omhoog. - -Na een paar minuten hard werken begon Saleiman te blazen,—er waren dus -vonken. „’k Zal helpen blazen!” riep Harmen en bukte zich naast -Saleiman. Saleiman stokte; een seconde lang keken Saleiman en Harmen -elkaar zwijgend in de oogen. Toen ging de eerste haastig weer door met -wrijven. Daar sprongen de vonkjes ook al weer; Saleiman en Harmen -bliezen elkaar bijkans weg, maar..... een vlammetje lekte uit de -kokosvezels op! Blazen, jongens! Nog een stukje droge kokosbast er op; -een wolkje blauwe rook steeg op tusschen de hoofden der blazers en -bleef er als een zegekrans om hangen..... Er was vuur! - -De jongens keken er naar, alsof ze een schat hadden gevonden. Hè, wat -een vroolijkheid brachten die oolijke vlammetjes op eens! Hou er je -hand eens boven! Lekker warm, hè? Het hol was nu in eens tot in den -versten hoek verlicht. - -„Dank je wel, Saleiman!” - -Uit deze woorden maakte Saleiman op, dat hij nu gerust kon opstappen. -Hij stak de houtjes weer in zijn sarong, sloeg zijn gebatikt -kleedingstuk naar binnen en klauterde het laddertje op. - -„Kom je morgen terug, Saleiman?” vroeg Dolimah. - -„Eh-eh”, beloofde Saleiman. En, na nog een schuwen blik naar achteren -te hebben geworpen, spoedde hij zich in den plassenden regen voort. - -„Hoe kwam je dááraan??” vroeg Rolf aan Dolimah. - -Het meisje glimlachte. „Hij was met zijn vriendjes aan het spelen. Toen -heb ik hem gevraagd, even met mij mee te gaan om vuur te maken. Ze -zullen er allemaal over zwijgen.—Weet u hoe ze hem noemen?” - -„Saleiman heet hij toch?” vroeg Rolf. - -„Ja, maar ze noemen hem: Si-Kampret! De Vleermuis! Omdat hij zulke -groote ooren heeft, net als een vleermuis. Maar dat wil hij natuurlijk -niet hooren! „Hoe heet je?” vroeg ik hem. „Si-Kampret!” riepen de -anderen. Maar hij zelf zei: „Saleiman.” Toen deed ik net, of ik de -anderen niet hoorde.—Ja..... voor een meisje wil hij natuurlijk flink -zijn!” - -„Eh-eh”, zei Rolf. - -En Dolimah lachte. - - - - - - - - -SALEIMAN EN ZIJN FLUIT - - -De jongens werden door een soort vuur-koorts bevangen: ze sleepten -zooveel hout bijeen, als moest er een brandstapel worden opgericht. En -toen in den ingang het vuur hoog oplaaide, gingen ze dieper in het hol -gezelsen. Hè, hoe veilig voelde je je achter dien wand van vuur! Ook -Padde werd door de behagelijke warmte verkwikt. Hijgend lag hij te -staren naar de spookachtige schimmen tegen den achterwand van het hol. - -Dolimah keek droomend in de vlammen. Toen opeens begon ze weer te -vertellen, en de jongens luisterden er naar zooals ze naar muziek -zouden hebben geluisterd. „Behalve in de bergen, was er vroeger op de -aarde geen vuur. De menschen wisten niet, hoe het op te wekken en -kenden er de macht niet van. Nu was er eens een arme man, die zoo vroom -leefde, dat de geesten medelijden met hem kregen. Hij sliep altijd op -de steenen en offerde zijn laatste bete. Nu zeiden de geesten tot hem: -„Omdat je zoo vroom bent geweest, zullen we je tot den rijksten van -alle menschen maken. Wij zullen je het vuur geven.”—„Het vuur?” vroeg -de vrome man verbaasd, „wat is dat?”—„Dat zul je wel zien”, antwoordden -de geesten. „Je hebt niets anders te doen dan twee stukjes bamboe tegen -elkaar te tikken—en er deze tooverspreuk bij te zeggen.” En de geesten -noemden de tooverspreuk.—Nu, toen de man twee bamboetjes tegen elkaar -getikt had en de spreuk had gezegd, vlogen de stokjes in brand. „Nu zie -je wat vuur is”, zeiden de geesten. „Wend het ten goede aan: bereid er -je eten mee en steek het aan wanneer de duisternis invalt,—dan vluchten -de kwade gedachten.”—Verheugd keek de vrome man naar de vlam, die uit -het hout opsloeg. „Hoe warm is hij! En hoe vroolijk! Kom, ik wil dit -aan alle menschen laten zien!” En hij ijlde naar zijn kampong. Maar -onderweg kwam hij zijn buurman tegen. Die was rijk en wilde hem, den -arme, nauwelijks zien.—„Goeden dag, Dajik!” wenschte de vrome man hem -toe. Maar de rijke antwoordde niet en ging zonder groeten voorbij.—Dat -verbitterde den arme. En nu kwam hij op een booze gedachte. „Als deze -bamboe branden wil”,—zoo dacht hij, „dan zal het huis van mijn rijken, -trotschen buurman ook wel willen branden! Ik zal de vlam onder het -atapen-dak houden.” En hij ijlde naar het groote, mooie huis van Dajik. -Daar aangekomen, tikte hij haastig de bamboetjes tegen elkaar,..... -maar ditmaal kwam er geen vuur.....! „Dat is waar ook”, dacht hij, „ik -moet eerst de spreuk zeggen! Hoe luidt ze nog maar weer? Bismillah..... -Was het niet: Bismillah..... en dan?” Hoe hij ook dacht, hij kon niet -weer op de juiste woorden komen. „Dat is de straf voor mijn booze -gedachten!” zei hij tot zichzelf. „Nu hebben de geesten mij de spreuk -weer afgenomen, en ik ben even arm als voorheen.—Maar Dajik zal óók -weten wat armoede beduidt! Ik wil vuur maken!” En hij begon het hout te -wrijven, te wrijven.....! „Het wordt al warm!” dacht hij na een poos, -„het vuur is stellig niet ver meer weg! Nu is het hout al zoo heet, dat -ik het nauwelijks nog kan vasthouden. Hu! dat is werken! Ik ben nu al -zoo moe, alsof ik den heelen dag gespit heb in mijn kleinen akker. -Wacht..... daar is het vuur!”—Toen vloog een vonk uit de bamboe op zijn -sarong; de sarong vatte vuur.....! En de man verbrandde.....—Maar de -rijke had uit zijn venster gezien hoe de arme het vuur verkregen had. -En hij beval zijn dienaar bamboe te wrijven tot er een vlam uitsloeg. -Zoo leerden de menschen het geheim kennen. Maar de spreuk kent -niemand.....” - -Dolimah had uitverteld. - -Het werd stil in het hol, nu Dolimah’s zoetvloeiend stemmetje -verstierf. Harmen gooide nog flink wat hout op het vuur; het knapte en -knetterde geducht; de vlammen lekten tot den bovenwand van het hol. -Daarbinnen smoorde je van de warmte. - -„Toch lekker!” vonden de jongens. En weer wat hoopvoller, sliepen ze -in. - - - -Den volgenden dag regende het bij vlagen. Maar de lucht bleef nog zoo -grijs als een rattevel. Al vroeg in den morgen verscheen Saleiman met -zijn vleermuisooren boven aan het laddertje. - -„Ben je daar al, Saleiman? Kom maar hier!” noodigde Dolimah uit. - -Saleiman toonde zijn schatten. Het waren: een gescheurde steenen pot, -een klomp gekookte rijst in een pisangblad gevouwen, wat kruiden en een -paar bananen. - -„Wat lief van je, Saleiman!” prees Dolimah hem. „Kom je morgen weer -terug?” - -„Eh-eh”, beloofde Saleiman. - -„Heb je daar een soeling (inlandsche fluit uit bamboe) bij je?” - -Saleiman knikte. - -„Kun je er ook op spelen?” - -Instemmende hoofdknik van Saleiman. - -„Fluit er dan eens op?” - -Saleiman aarzelt, peutert in zijn neus. - -„Durf je niet?” - -Saleiman kleurt, wendt zich af en kijkt naar de lucht. - -„Durf je vanavond voor me te spelen, als het donker is?” - -„Eh-eh”, klinkt het uit Saleimans mond. En Saleiman gaat het laddertje -weer op, de sarong netjes tusschen de beenen. Daar steekt zijn bol -boven het plateau uit,—een bos rommelig haar op een schraal halsje. Ter -zijde twee flap-ooren. Ze zijn doorzichtig. - - - -Harmen en Hajo begaven zich dien morgen vol verwachting naar hun -strikken, en de teleurstelling was groot, toen er niets bleek te zijn -ingeloopen. - -Toen ze in het hol terugkeerden, vonden ze Dolimah bezig te braden. Ze -had uit vastgestampte aarde een fornuisje gemaakt, dat door het vuurtje -daarbinnen allengs tot steen gebakken werd; daarop had ze den steenen -pot geplaatst, waarmee Saleiman den grondslag voor het huisraad der -zwervers had gelegd. Zoo kookte ze een soort soepje van allerlei -kruiden, gooide er de rijst in, die nu groen-geel van kleur werd, sneed -er een paar schijfjes banaan in en zette Padde het heele zaakje voor -zijn neus. - -Maar de arme jongen kon er niets van binnenkrijgen. - -„Padde dan toch!” zei Hajo. „’t Ruikt zoo fijn! Jij doet maar niets dan -drinken en je moet toch ook wat eten!” - -Padde greep Hajo’s hand. „Hajo.....!” En hij begon krampachtig te -snikken. „Ik weet het wel: jullie wilt verder, en je moet om mij hier -blijven.... ’k Wou, dat ik maar dood ging, Hajo,—dan konden jullie..... -dan konden jullie.....” De tranen versmoorden Padde’s stem. „Jullie -zijn allemaal zooveel sterker dan ik, jullie hebt meer fut; ik ben -lastig voor jullie; ik ben jou ook altijd tot last geweest.....” - -„Wat een onzin, Padde!” gromde Hajo, wien de tranen nu ook in de keel -schoten. „Jij bent niemand tot last en mij vast en zeker niet! Hoe vaak -zijn we samen geen appelen gaan rapen in ’t Sinte Klarens? En denk je, -dat ik maar half zoo’n lol zou hebben gehad, als jij niet bij me was -geweest?” - -Padde kuste Hajo’s hand. „Hajo! Ja, dat is het hem ook: in dit land, in -dit vreeselijke land hoor ik niet thuis. In Hoorn, daar moet ik wezen! -Daar kan ik misschien nog wat verdienen voor m’n moeder en m’n zusjes -en broertjes. Als m’n oom me nog wil hebben voor de bierbrouwerij..... -’k Had ook zoo gehoopt wat geld mee naar huis te brengen, en nou is -alles de lucht in.....” - -„Welneen, Padde!” zei Hajo. „Op de terugweg verdienen we wel weer geld, -dan komen we toch niet platzak thuis. Als we maar eerst in Bantem zijn! -Als Dolimah zoo aan het vertellen is, is het net, of we hier nooit weg -zullen komen; dan wordt alles zoo groot, en je voelt je-zelf zoo klein -en zoo vreemd in dit land..... Maar wij, Padde, wij verlaten mekaar -niet, hoor! Samen uit, samen thuis!” - -„Hajo”, snikte Padde, „zooals jij is er maar één! Dat heb ik altijd -gezegd, als die lamzakken wat op je aan te merken hadden. Lange Leen -heb ik op z’n gezicht getimmerd!” - -„Nou, heb je nou weer wat moed?” - -„Ja, hoor!” zei Padde. „Wij komen er wel weer, hè?” - -„Wees daar maar gerust op!” - - - -Tegen de schemering kwam Saleiman weer. Ditmaal had hij nog meer weten -te kapen: een paar eieren, nog een steenen potje, drie gedroogde -visschen en acht maïskolven. - -„Doe het niet weer, Saleiman”, zei Dolimah. „Ik wil niet, dat ze het -merken en je een dief noemen.” - -Saleiman keek beschaamd een anderen kant uit. - -„Heb je je soeling weer bij je?” - -„Eh-eh.” - -„Speel dan wat voor mij, wil je?” - -Saleiman knikte, hurkte omzichtig neer en haalde zijn fluit voor den -dag. Het was een hol stuk bamboe met gaatjes er in gebrand; het -mondstuk was gevormd door een der schotjes uit de bamboe, waarin een -smalle spleet was gesneden. Saleiman keek schuchter om naar de jongens, -die verbaasd wachtten op wat komen ging. - -„Ja, speel maar, Saleiman”, zei Rolf vriendelijk, de anderen manend te -gaan zitten. Saleiman aarzelde nog even, snoof, keek in de grijze lucht -en zette toen gewichtig, vol ernst de fluit aan zijn vooruitgestoken -lippen. - -Daar kwam, als een verre roep van een nachtvogel, een langgerekte, -nasale toon uit het instrument. Op den toon volgde een iets hoogere, -even langgerekt en droefgeestig. Toen zonk de fluit weer even terug op -den eersten toon, ging weer omhoog, liep met een weeken stap over den -tweeden heen en zong den derden geheimzinnig uit, met een korten zucht -na. Toen weer de diepte in, lang en klagend. En zoo geleidelijk weer -omhoog met statige passen. In eens..... tiereliet! tiereliet! -tiereliet! heel in de hoogte en verschrikkelijk valsch. Toch weer niet -valsch..... kan een vogel valsch zingen, ook al schettert hij nog zoo -hoog? Saleimans gezicht stond ernstig. Als bleeke stralen tooverde hij -nu teedere roepen uit den nevel en..... hoor! een wijsje, zacht -wiegend, vleiend..... een wijsje, maar toch zou geen der jongens het -kunnen nafluiten. Zoo vlug liepen de tonen achter elkaar aan, dat je er -geen van grijpen kon,—ze deden ook zoo nevelig aan en verstomden meteen -weer. Toen een lange, droeve triller, een oolijk loopje omlaag en weer -een doffe, eindelooze toon, waarin een trilling sidderde als een -lichtveeg op een nachtelijk meer..... Saleiman hield op. - -„Was dat de maan?” vroeg Dolimah. - -„Eh-eh.” Saleiman keek peinzend in de regenlucht, waar zich allengs de -nacht ging spinnen. - -„Kun je het beekje ook nafluiten?” - -„Eh-eh.” - -„En de krokodil? En de slang? Doe de slang eens na?” - -De kleine kunstenaar dacht even, bracht toen de fluit weer aan de -lippen. - -Hoor! Daar komt de slang! Den platten kop opgericht, lispelend met de -tong! Langzaam, met onverwachte, listige wendingen schuifelen de noten -voort; Saleiman beweegt in de maat zijn mager ruggetje heen en weer.—De -slang houdt stil. Lispelt even met het fijne, ingesneden tongetje, gaat -nog een eindje voort, wendt een paar maal spiedend den kop, kronkelt -dan langzaam ineen..... - -„Daarmee kun je de slangen lokken, niet waar, Saleiman?” vraagt -Dolimah. - -„Eh-eh.” - -„Maak nu het vuur eens?” - -Saleiman richt zijn oogen in het vuur, brengt de fluit aan zijn lippen -en..... hoor! daar dansen de vlammetjes al. Een windvlaag strijkt als -een moede vogel in het ravijn neer, roert zich nog een weinig, doet de -vlammen wat hooger oplaaien. De fluit volgt. Nu is het weer stil; de -vlammen worden kalm. De fluit volgt.—En dan gaat Saleiman fantaseeren. -Hij houdt zijn oogen star in het vuur gericht; zij puilen naar voren, -en het oogwit blinkt uit het bruine gelaat op, dat van inspanning -donkerder wordt. Saleiman toovert een woesten brand. Roode vlammen -komen diep van onderen op, laaien omhoog, worden hel-geel en eindigen -in een lange, kronkelende punt. Hoei.....! Hoei.....! -Hoei.....!—Eindelijk houdt Saleiman op, hijgt, een triumfantelijken -glimlach om de lippen. Dan, plots, slikt hij iets weg, kijkt schuchter -naar zijn fluit. - -„Nu de twee vogels!” zegt Dolimah. „Ken je de twee vogels ook?” - -„Eh-eh.” - -Hoor! daar zingt de eene vogel al! Omlaag, omhoog, een kristalheldere -triller, een lange, lokkende roep..... Er gaat een betoovering uit van -dit magere, leelijke joggie met zijn flap-ooren en zijn litteekens.—Nu -de andere vogel! Ojé, die wil den eersten nadoen..... maar het lukt -niet! Hij krabbelt van de eene noot naar de andere, zwelt van -eigenliefde als de triller hem zoowat gelukt, maakt er nog een fraai -haaltje aan. Dan de lokroep aan het slot: schor en onzeker. - -Dolimah lacht. „Je kunt het goed, hoor! Wie heeft het je geleerd?” - -Saleiman zwijgt, kijkt naar boven en snuift. - -„Speel nu eens het allermooiste wat je kent, Saleiman?” vraagt Dolimah. - -Saleiman ziet Dolimah schuchter, aarzelend aan. Dan brengt hij de fluit -aan de lippen, sluit de oogen. In zachten, droeven toon zet hij in; -moeizaam slepen de tonen zich voort. Dan even een pauze, en plots -klimmen de noten omhoog als om naar iets uit te zien. En nu volgt een -teere, zoete melodie, met zachte, lichte schreden voortgaand, hooger, -steeds hooger, tot in de wolken van Saleiman’s verbeeldingskracht. -Saleiman houdt van dit wijsje, hij laat het weer vallen en dan weer -klimmen, zooals om den wijnstok zich de ranken winden vol teere -bloesem..... Dan plots stokt het wijsje in een schrillen toon, alsof -een ruwe knaap het afsloeg. Saleiman laat de fluit zinken, haalt diep -adem, brengt ze dan weer aan de lippen en zet weer in de droeve wijze -van daarstraks in. Steeds weeker en zachter, tot eindelijk de laatste -toon versterft..... Dan opent Saleiman de oogen en staart den hemel in. - -Dolimah vraagt zacht: „Wat was dat, Saleiman?” - -Saleiman zwijgt.—Een groote traan welt in zijn oogen op. - -„Nu, hoe heet het wijsje?” dringt Dolimah aan. „Heet het..... -Saleiman?” - -Saleiman krabbelt haastig overeind. - -„Moet je weg?” - -Saleiman knikt met afgewend gelaat. Dan scharrelt hij uit zijn sarong -een doosje op en schuift het open. Op den bodem zit een vuurvliegje -gekleefd. Dat zal Saleiman onderweg tegen de booze geesten beveiligen. - -De jongens zien den kleinen flap-oor nu met gansch andere oogen -vertrekken. Als hij zijn sarong omslaat om het laddertje te bestijgen, -ritselt een slang tusschen de struiken omlaag, de helling van het -ravijn af. „Eh, gagit!” roept Saleiman ontzet en vliegt met zijn -soeling en dievenlantarentje omhoog. - -Harmen heeft een diepen zucht geslaakt. „Had ik m’n fiool maar, dan -speelden we samen eens een moppie!” Maar geen der anderen loopt erg -warm op dien wensch. Gelukkig merkt Harmen het niet. - -Joppie ligt in Padde’s armen te snurken. Hij wou daarstraks met de -fluit instemmen, kreeg daarvoor van Harmen een schop, zocht, als -gewoonlijk, in den slaap vergetelheid en vond ze ook. - -„Zullen wij nog wat bikken voor we gaan slapen?” vraagt Harmen. „Door -die fluit heb ik alles vergeten: ik had de maïs willen poffen.” - -Niemand heeft eetlust. - -De jongens gooien flink wat hout op het vuur—en gaan slapen. - - - - - - - - -HARMEN VINDT EEN GEITJE - - -Den volgenden morgen vloog Harmen met een schreeuw overeind: „De zon! -De zon schijnt!!” - -Daar stond ze, al hoog boven de bergen. Laaiend goud. Haar koesterende -warmte vulde het dal, waaruit de dampen opstegen. De gansche hemel was -blauw gepenseeld, glansde nog van de natte verf. Over de boomen was een -kwastje frisch groen gegaan; de bloemen stonden als gemorste spatjes -rood en wit en geel en blauw op de struiken.—En hoor het schetteren in -de boomen! Daar duikelen ze, de groene parkietjes met hun grijze kopjes -en lichtgele, kromme snaveltjes; daar fladderen ze en koekeloeren ze, -de bronsgroene glansduiven, de koekoekoerrr..... roepende tortels, de -vruchtduiven met de parelgrijze onderkanten der vleugels en met de -roodbruine manteltjes, waarover een purperglans ligt. Als ze van den -eenen tak op den anderen fladderen, druppen er diamanten van de boomen. -En een honingdiefje zwiert in een boog naar zoo’n vallend edelsteentje -en vangt het in de vlucht..... - -Groote vlinders,—koninginnen! dwalen van bloem naar bloem, maken voor -den kelk een révérence op vlindermanier—door het even neerslaan van de -vleugels en het daarna statig weer rechtop zetten van die broze, -kleurige, oneindig sierlijke dingskes—, spreken (om de bloem genoegen -te doen) kwaad over andere bloemen, koketteeren met het zonlicht op hun -wieken en kussen het gouden bloemenhart. - -Hoe weldadig brandt de zon op de natte kleeren! De jongens zitten voor -het hol, in verrukking starend over het ravijn. Hoe prachtig zijn nu -die groene hellingen met die groote, grijze steenvlekken, die gisteren -nog zoo triest schenen. Nu staan ze vol kleur, en het groen rondom is -vol afwisseling.—Hoe mooi is het nu ook op het plateau! Waar komt -ineens al dat leven vandaan? Waar scholen al die vogels en vogeltjes, -die nu de wereld vullen met hun zang en gesnaper? Waar scholen die -bonte kevertjes en torren, die nu in groote, snel en sierlijk getrokken -spiralen voortsuizen? Zie, daar zweeft een vliegend draakje onder de -boomen door, de roode valschermen wijd open, den staart als een roer -achter zich aan. Het diertje slaat plat tegen een stam neer en schiet -omhoog. - -De jongens rekken zich in de zon. Ook de boomen rekken zich; het is -alsof hun wortels zich straffer spannen en hun takken zich uitstrekken -naar de zon. Ook de bloempjes, gisteren nog slap en met gebogen kopjes, -rekken zich; het is een strijd wie de meeste kevertjes en vlinders -lokt. - -Padde is naar buiten gekropen. De anderen schrikken als ze zien hoe -bleek en mager zijn gezicht geworden is en hoe flets zijn oogen -staan.—„Kom, ga wat in ’t zonnetje zitten, Padde! Het is nu nog best te -verdragen. Is het niet lekker zoo?” - -„Fijn.....” zucht Padde. Dan sluit hij, vermoeid ademend, de oogen. Van -verder trekken zal voorloopig nog geen sprake kunnen zijn. - - - -Hajo en Harmen gingen weer naar hun strik kijken, maar vonden nog -steeds geen gevangen hert. „Als ik dáár wat van snap!” riep Harmen -spijtig uit. Tegelijkertijd struikelde hij bijkans over een -argusfazant, die krijgsgevangen was, vóór hij het zelf wist. Het was -een haan, prachtig geteekend; de twee zwarte staartveeren maten wel -anderhalve el. - -Toen ze thuiskwamen, was Rolf druk in de weer, het hol wat -bewoonbaarder te maken. Hij sneed droog gras en bedekte er den bodem -mee, die nu veerde als een mollig tapijt,—spande de panterhuid voor het -hol op een paar stokken uit, zoodat ze een zonnetent vormde, waaronder -Padde beschut lag en toch de vrije buitenlucht inademde. - -Rolf bewonderde de vangst. „De fazant zal een best middagmaal -opleveren! En Dolimah zoekt wat vruchten en kruiden; daarvan zal ze ook -wel weer iets fijns weten te koken; dan hebben we nog rijst, een paar -gedroogde visschen, maïskolven, voor Padde twee eieren, potten om in te -koken.....” - -Harmen sloeg zich van plezier op de knieën. Hè! die zon deed je ook zoo -goed,—daar werd je weer een ander mensch van! Kijk, Harmens polsen en -nek begonnen al te vervellen. - -„Als we hier toch nog wat moeten blijven, zullen we ook huisraad -maken”, zei Rolf. „Wat zou jullie zeggen van een paar bankjes en van -een tafel?” - -„Wel ja”, zei Harmen. „En een paar kasten in de muur, waarin ik ’s -avonds m’n japon kan uithangen!” De laatste woorden waren galbitter -uitgesproken. - -„’k Zal er voor zorgen”, beloofde Rolf glimlachend. „Help jij me -vandaag een handje, Hajo?” - -„Nou”, zei Harmen, „dan ga ik er nog eens alleen op uit! Zien, of ik -niet nog wat bij de pluimen kan pakken!” En met zijn speer gewapend, -toog Harmen er op uit. De onrust zat hem in het bloed,—dat deed ’m de -zon! - -Op goed geluk baande hij zich een weg. Rits! daar schoot een hagedis -weg. En daar..... een soort patrijs dribbelde onder de lage struiken -weg. Harmen liet zich voorover ploffen. Ja, goeie morgen! Schrammen in -zijn gezicht, een doorn in zijn vingers. En de patrijs? ’t Nakijken had -Harmen! - -Hij kwam aan een open plek. Hoe stil was het hier! Als in een kerk! -Wacht, zat daar geen duiven-nest? Harmen wipte den boom in. Wel ja, -meneer zat zelf op het nest! De duif merkte het naderend onraad,—vloog -met veel misbaar op. „’t Werd tijd”, meende Harmen. „Als je nog even -was blijven zitten..... twee eiers!” Zouden ze versch zijn? De duif had -er al op gezeten.....!—Harmen bekeek de eitjes tegen het licht. „Ik -gelóóf.....—Wel, laat ik ze straks even in het water leggen, dan weet -ik het.” Hij borg de eieren in zijn mond en daalde met bolle wangen af. -Kra.....ak! daar knapte een tak; Harmen greep zich net bijtijds aan een -anderen, hing even in de lucht, sloeg toen zijn beenen weer om den -stam, kotste een gelen vloed eierstruif omlaag. - -„Tòch bedorven!” gromde hij en belandde al spuwend weer op den beganen -grond, rukte de eerste de beste vrucht af, die hij maar hangen zag—een -groen, langwerpig vruchtje, dat onderaan in een punt eindigde—en hapte -er in, om den smaak der vuile eieren althans kwijt te zijn. Maar de -tranen sprongen onzen vroegeren koksmaat in de oogen, en vol afkeer -spuwde hij het groene goedje uit. - -Spaansche peper! - -Stil! Wat hoorde hij daar? Een schaap?? Harmen drong omzichtig voort in -de richting waar hij het geluid vernam. Daar.....! (tusschen de boomen -glurend kon hij het zien) een geitje! En..... ’t zat vast! Aan een -paaltje. En..... in een soort gangetje stond het! Aan beide zijden -waren zware balken in den grond gedreven.—Als Harmen dáár wat van -snapte..... een vastgebonden geitje hier in het bosch, waar het zoo te -zeggen aan de tijgers was overgeleverd.....? Waar diende dat gangetje -voor? En waarom was het touw zoo kort? Het diertje kon nauwelijks -grazen!—Wacht! Het zou..... het zou toch geen tijgerval zijn? Juist! -Daar zag Harmen tusschen het groen aan iederen kant een valdeur! Als de -tijger binnenkwam om het geitje op te peuzelen, zeiden de deuren: klap! -en de tijger zat veilig opgeborgen! - -„Mè-è-èh!” blaatte het arme geitje. - -„Stil maar, ik kom bij je!” beloofde Harmen medelijdend. „Harmen zal je -niet door de tijgers laten verslinden, hoor! Wacht maar, je mag met -Harremen mee naar het hol, en als de nood aan den man komt..... -Sjonge-jonge, wat een dikke valdeuren! Als die dichtklappen.....! Nou, -stil maar, ik kom al!” - -„Mè-è-è-èh!” begroette het geitje Harmen met een vreugdevolle trilling -in de stem. - -„Goeie morgen!” zei Harmen. „Tja, kameraad, hoe kom ik nou bij je, -zonder zelf in de fuik te zwemmen?—Wacht!” Harmen stak zijn lange speer -naar voren en begon met het scherpe lemmet het touw door te zagen. -Nietwaar? Zoo kon er niets gebeuren! - -Het geitje hielp, spande—waarschijnlijk uit angst voor de speer!—de -rotan, waaraan het gebonden was. Maar toch ging het doorzagen uiterst -langzaam. - -„Sta dan toch stil, sik! Je ziet immers zelf wel, dat ik er zoo nooit -doorkom!” mopperde Harmen. - -„Mè-è-è-èh!” blaatte het geitje hulpeloos. - -„Ja, met mè-roepen komen we er niet!” verzekerde Harmen. - -„Mè-è-è-èh!” Het diertje zette zich schrap, rukte uit alle macht. Toen -opeens vloog het met de kleine horen-knopjes tegen den houten zijwand. -Het touw was gebroken. - -„Da’s mijn kop niet”, zuchtte Harmen voldaan. „Kom, sikkie?” - -Het geitje lag op de knieën tegen het houten beschot, krabbelde -overeind en nam in zijn beduusdheid een aanvallende houding tegen -Harmen aan, den kop gebogen, de horenstompjes geveld. Toen draaide het -zich eensklaps om en wilde er met hupsche sprongetjes vandoor gaan. - -„Hier!” schreeuwde Harmen verontwaardigd, vloog uit zijn knielende -houding achter het geitje aan. Maar, door de kooi snellend, zakte een -der planken een weinig weg; Harmen struikelde; twee zware slagen -volgden. En toen Harmen verward en nog niet begrijpend opkeek, waren de -deuren dichtgevallen, en Harmen zat opgesloten. - -„Smerige sik!” schreeuwde Harmen met tranen in de stem het daar buiten -voorthuppelende geitje na. „Daar wil ik hem helpen en.....!” In razende -woede nam hij zijn speer op, slingerde haar uit alle macht in een der -deuren. Er vloog een splintertje af; de speer sidderde en viel neer. De -deuren waren van djati,—het hout, waarop zelfs de witte mieren vergeefs -haar krachten beproeven. - -Rechtop stond Harmen, hijgend, met opeengebeten lippen. De tranen -stroomden over zijn bruine wangen. Hij moest er uit, dat stond bij -Harmen vast. Maar hoe? De wand was aan alle zijden wel vijf ellen hoog; -de grond was, evenals de wanden, uit dikke planken gevormd, welker -uiteinden onder den zijwand lagen, zoodat er van uitlichten geen sprake -kon zijn. Harmen wierp zich op de knieën en begon in het hout te -kerven. Maar na een half uur razend werken zag hij het hopelooze ervan -in en wierp zich luid grienend, schokkend met het heele lichaam, in een -hoek. - -Toen hij zoo’n beetje was uitgehuild en het hemzelf begon te vervelen, -keek hij weer op. Hoe stil was het! Als hij eens ging schreeuwen?—„Hoy! -Hèllep!” klonk Harmen’s schorre stem. Hoor hoe het geluid echode in het -stille woud. - -Geen antwoord. Toen plots, heel uit de verte: „Mè-è-èèh!” - -De jongen schreeuwde opnieuw. Toen vlug achtereen om zijn eigen echo -niet te hooren: hij was er bang voor. Eindelijk zweeg hij, heesch -geschreeuwd. „Hoy.....” klonk het van alle zijden. „Hèllep! -Op-ge-sloten.....” - -Harmen stopte de vingers in de ooren. Hij ging met den rug tegen een -der deuren staan en duwde uit alle macht. Geen beweging te bespeuren. -Tegen de andere deur! Zat al even wrikvast. Plots, in dolle woede, -begon Harmen met de hielen te schoppen, dat ze paars en blauw geschaafd -werden. „Ga je weg!” gilde hij. - -„Ga je weg-weg-weg-weg.....” klonk het van alle zijden. - -Harmen verbleekte, bleef met een huivering staan. Hij baadde in het -zweet. De zon fonkelde tusschen de bladeren der bamboes boven zijn -hoofd. - -Wacht! Hij zou de speer als polsstok gebruiken en met een fermen -sprong.....! Kalm nu! Harmen ging aan het einde van de kooi staan, den -rug tegen de deur om zijn aanloop zoo groot mogelijk te hebben. Daar, -bij die spleet, zou hij de speerpunt planten en dan, met een geduchten -afzet, boven op de andere deur belanden. - -Daar ging Harmen! Hij sprong, de handen om den top der speerschacht, -zwaaide in wijden boog de lucht in.....! - -Toen brak de speerschacht, en met een doffen smak kwam Harmen weer op -de planken terecht. Duizelend stond hij op, trachtte zich te grijpen, -wankelde, sloeg weer neer en bleef liggen..... - - - -Toen hij eindelijk met een zwaar gevoel in zijn hoofd de oogen opsloeg, -was het al laat in den middag, en de vogels, die daarstraks in de uren -der grootste hitte gezwegen hadden, schetterden nu alle dooreen. Harmen -was aanvankelijk verwonderd. Zeer verwonderd. Toen kwam onverwachts een -vaag gevoel van onrust in hem op; hij greep met de handen naar zijn -hoofd, trachtte zich iets te herinneren. Hij krabbelde overeind, -duizelde weer, leunde met gesloten oogen tegen den wand, hoorde het -vogelgerucht heel, heel ver weg. Toen werd het beter. Hij opende zijn -oogen, zag de balken van zijn hok. - -Opgesloten zat hij. Aan zijn pijnlijke oogen voelde hij, dat hij -gegriend had. Dat hielp dus niet veel. Straks, of anders morgen zouden -ze wel komen, die smerige kannibalen, die de val hadden neergezet, en -hem oppeuzelen. Harmen zuchtte; de zucht eindigde in een snik. - -„Hèllep!” schreeuwde hij. „Hèllep!”—Hijgend luisterde Harmen. De vogels -in de buurt hielden verbaasd met hun geschetter op. Toen gingen ze weer -door, overstemden de echo van Harmen’s roep. - -Harmen vond, dat alles zich tegen hem keerde. De boomen in hun -harteloos zwijgen, de vogels in hun inhoudlooze schettering. Harmen nam -de afgebroken speerschacht op en trachtte er een papegaai mee dood te -gooien, die, zich vastklemmend met bek en pooten, langs een twijgje -naar een langwerpige vrucht scharrelde. Verschrikt krijschend fladderde -het dier weg. - -Harmen ging zitten, staarde op den wand tegenover zich. Zouden zijn -vrienden hem zoeken? Harmen dacht eens na hoe ver hij wel van het hol -was. Hij was in Westelijke richting gegaan; eerst had hij achter dien -patrijs aangezeten; toen..... Al denkende, begon Harmen fantasieën te -spinnen om alles wat er gebeurd was. Onwillekeurig zocht hij al hoe hij -dit avontuur later zou kunnen opsmukken met allerlei tierelantijntjes. -Een tijger was over den houten wand heen pardoes in het hok gesprongen -en met Harmen een gevecht op leven en dood begonnen. Natuurlijk overwon -Harmen, anders zou-d-ie het nou niet kunnen vertellen, nietwaar? Hij -greep het monster bij z’n halsband, brak het de slagtanden uit. Toen -was het zoo mak als een lammetje geworden. Het had Harmen een poot -gegeven en gezeid: „Dat lap je ’m, Harmen!” Toen hadden ze samen ’t -Javaansche volkslied gezongen, en.....—Harmen sprong op, haalde diep -adem. Was het mogelijk, dat hij er zich nu mee bezig hield hoe hij -later dit bitter ernstige geval met fraaie krulletjes zou opsieren? Had -hij dan niets beters te doen? Ach, de wereld was een poppekast; de -menschen wist zelf geen ernst van zotheid te onderscheiden..... - -Het was wel ver met Harmen gekomen, dat hij er de menschen en de wereld -de schuld van gaf, dat hij, Harmen, zoo dom was geweest in een val te -verzeilen, die niet eens voor hem was neergezet. - -De schemering viel in, en met haar sloop de angst in Harmen’s boezem. -Zijn sterke verbeelding tooverde hem de gruwelijkste dingen voor. Hij -kroop in een hoek, sloeg de handen voor de oogen. - -Toen hij ze weer opende, was het donker geworden. Maar boven de andere -deur, aan de overzijde, keek de maan door de stelen der bamboe. -Bleek,—nog zonder glans. Ze kalmeerde Harmen. Hij keek er lang naar, -zuchtte. - -Toen begon Harmen te dichten, maakte er overeenstemmende gebaren bij, -stelde zich met het gelaat naar de maan in de fraaiste houding op, die -men zich maar denken kan. - - - „Ik zit hier in een hokkie! - Eerst viel ik van m’n stokkie, - Maar nou is de maan - Aan het schijnen gegaan. - En, om me te verlichten, - Sla ik wat aan het dichten. - Ik heb een sik bevrijd - En leef in eenzaamheid.....” - - -De maan werd zilver. Krekels tsjirpten. Muskieten gonsden om Harmen’s -hoofd. - -Rikketikketikketik! Een boomkikvorsch. Het krekel-concert nam gedurig -in toonsterkte toe; steeds nieuwe muzikanten stemden in. Stillekes zat -Harmen te luisteren naar den gewijden zingzang der Indische nachten, -weerde nu en dan met de hand de muskieten af. Een vogelroep. Van de -andere zijde antwoord. Een windvlaag deed de boomen zuchten. - -Plots spitste Harmen de ooren, richtte zich verschrikt overeind. -Daarbuiten werkte zich..... een dier..... tegen den houten wand op! -Rillend over het gansche lichaam, greep Harmen het stuk schacht met de -speerpunt,—wachtte hijgend op wat komen ging..... - -Zie! Daar stak iets zwarts boven de palissade uit; een bruin gelaat met -groote, verschrikte oogen en wijd uitstaande flapooren volgde, stond -als een zwart portretje in de omlijsting der maan. - -Het was Saleiman. - - - - - - - - -PA-SAMIRAH DE DOEKOEN - - -Toen Harmen dien morgen zijn makkers verlaten had, sloegen Hajo en Rolf -aan het vervaardigen van de meubels. Gemakkelijk ging het zeker niet -met de gebrekkige werktuigen waarover de jongens beschikten! - -Na lang ploeteren stond er een tafel van bamboe. De jongens bekeken hun -maaksel vol trots. „Wat zullen we nou maken, Rolf?” - -„Lepels”, zei Rolf. „En kommen en bekers en een kan...” - -Inderdaad: de bamboe leende zich voor alles. Bekers waren al eenvoudig -genoeg te maken: de schotten in het hout dienden voor bodem, en met het -mes werd de bovenkant netjes bijgesneden. Voor lepels namen ze halve -kokosnoten: je haalde er de vezels af, wrong er een bamboetje in, en -klaar was Kees! - - - -Terwijl Dolimah dien morgen kruiden en voedsel aan het zoeken was, kwam -Saleiman aandrentelen, een kip onder den arm. „Dag, Dolimah!” zei hij -schuchter en bleef op een afstand staan. - -„Eh, Saleiman?—Heb je nu toch weer gestolen?” - -Saleiman zweeg, keek Dolimah bedeesd aan. - -„Merken ze er niets van, dat je voor ons steelt?” vroeg Dolimah. - -„Jawel”, zei Saleiman, „maar ze denken, dat het een booze geest is. Er -is er een in den klappertuin geweest en heeft Si-Karto gezegd, noten -voor hem te plukken. En een tijger heeft Towikromo’s hond weggesleept. -Ze hebben nu in het bosch, niet ver hier vandaan, de val weer -klaargemaakt. En morgen gaan we kijken, of hij er al in zit, de -roover.” - -„Zeg, Saleiman”, vroeg Dolimah, „hoe heet jullie doekoen?” - -„Onze doekoen heet: Pa-Samirah.” - -„Heeft hij goede tooverspreuken?” - -Saleiman knikte. „Hij Heeft zóó sterke rapals, dat je de muizen er mee -de sawah’s kunt uitdrijven! En oude poesaka’s heeft hij, wel duizend -jaar oud; daar is een kris bij, waarvoor alle spoken bang zijn.” - -„Dan is de doekoen zelf zeker ook al héél oud?” vroeg Dolimah. - -„Hij weet zelf niet meer hoe oud hij is!” bevestigde Saleiman trots. - -„Zeg, Saleiman.....”—Dolimah aarzelde een oogenblik—„zou je..... toe, -beproef eens, of je hem hier kunt laten komen.” - -Saleimans oogen werden groot. - -„Zeg hem.....zeg hem, dat hij een panterhuid krijgt!” - -Saleiman boog het hoofd. „Ik zal het beproeven”, beloofde hij. En hij -wilde zijn biezen pakken. - -„Eh, Saleiman”, vroeg Dolimah, „heb je daar een djangkrik bij je? Mag -ik hem eens zien?” - -„Eh-eh”, zei Saleiman vereerd en hield het krekel-kooitje zóó, dat het -licht door de tralietjes naar binnen viel. „Daarachter zit hij. Zie je -hem wel?” - -„Oh, wat een groote! Hij kan zeker erg goed vechten?” - -„Als hij wil, wint hij het van alle djangkriks in de wereld”, -verzekerde Saleiman. En met een halmpje begon hij het beest aan te -vuren. „Krrrr! Krrrr! Kom eens voor het venster?—Ik geef hem niets dan -droge rijst en Spaansche peper om hem vurig te houden.—Krrrr!—Hij is -nog altijd schuw, omdat Sanip hem laatst een halmpje met trassi heeft -toegestoken. Nu zit hem de stank nog in den neus. Sanip is altijd zoo -valsch: als een ander een sterkeren krekel heeft, laat hij hem trassi -ruiken, om hem schuw te maken.” - -„Wat een valschaard!” meende ook Dolimah. - -„Hij mag nu ook niet meer mee doen, als wij onze krekels laten -vechten!” zei Saleiman. - -„Zijn verdiende loon”, was Dolimah’s oordeel. „Dus..... je denkt om den -doekoen, Saleiman?” - -„Eh-eh”, beloofde Saleiman. En hij drentelde weg. - - - -„Hé, waar blijft Harmen?” vroeg Hajo, toen Dolimah met haar kruiden en -Saleimans gediefde kip in het hol terugkeerde. - -„Laten wij maar vast beginnen het eten klaar te maken”, zei Rolf. -„Harmen heeft een fijne neus, en als hij de lucht opsnuift.....!—We -hebben vandaag de keus!” - -„En we hebben een tafel!” vulde Hajo aan. „En eetgerei! En potten om in -te koken!” - -„En een hongerige maag,—dat helpt ook!” lachte Rolf. „Laten we de -fazant maar eens plukken. ’t Is haast zonde, zoo’n mooi dier! Wat een -prachtige veeren!” - -Dolimah blies het vuur in den oven aan en kookte voor Padde wat rijst -in kokosmelk. - -Maar Padde weerde het af. Hij zag vuurrood in het gelaat; zijn oogen -waren gezwollen. „Ik kan niet.....” kreunde hij. - -De jongens droegen hun makker in het hol. Daar was het koel, en Padde -zuchtte, toen hij op het frissche leger van gras en varens lag -uitgestrekt. „Zoo is het lekker.....!” - -„Misschien komt een doekoen”, zei Dolimah zacht. - -„Een doekoen.....??” - -„Saleiman zal vragen, of hij komen wil. Hij is heel oud en en wijs en -kent alle ziekten.” - -Een warm gevoel voor Dolimah doortrilde beide jongens. - -„Ik heb hem het pantervel beloofd”, zei Dolimah. „Was dat goed.....?” - -„Prachtig zelfs!” prees Rolf. „Nu zal hij wel komen.” - -De jongens gingen den fazant plukken. Dolimah was in haar schik met het -zelfvervaardigd huisraad, nam terstond alles voor haar „keuken” in -bezit. - -Spoedig kon de fazant aan het spit. De kip kreeg een lang touw om haar -poot en mocht „vrij” rondloopen. Verheugd begon zij naar wurmpjes te -pikken, en, wanneer ze er een te pakken had, klapte ze met haar -vleugels en zette zich met gestrekten hals schrap,—tot ze het -glibberige, naakte slachtoffer geheel uit den grond had getrokken. -Vanaf dat oogenblik kon het beestje alle hoop op een rooskleurige -toekomst laten varen: het werd in stukjes gehakt of wel, naar gelang -van zijn dikte, ineens verslonden. - -In de drukte van het koken en braden hadden de jongens den heelen -Harmen vergeten. Maar nu ze hun „tafel” neerzetten, schrokken ze beiden -tegelijk op. „Harmen is er nog niet!” - -Ook Dolimah keek hen onrustig aan. - -„Nu, Harmen loopt niet in zeven slooten tegelijk”, stelde Rolf zichzelf -en Hajo gerust. „Hij zal zoo meteen wel komen! Laten wij maar vast gaan -eten, anders wordt alles koud.” - -Met innerlijke onrust zetten de jongens zich aan den disch, die rijker -was dan ze in maanden gewend waren geweest. Maar ze waren niet gestemd -om Dolimah’s kookkunst vandaag te waardeeren zooals ze het verdiende. -Toen de laatste hap binnen was, sprong Rolf overeind. „Kom mee, Hajo, -we zullen den omtrek eens afzoeken!” - -De beide vrienden togen er op uit: ze hadden gezien in welke richting -Harmen verdwenen was. Zich een weg banend door het dichte gewas, zaten -ze in een ommezien onder de bloedige schrammen. - -„Harmen! Hààààrmen.....!”—Geen antwoord. Echo’s van alle zijden. Met -een verbitterden slag kapte Rolf een rood, geringd palmstammetje -middendoor. Een kleine slang schoot er ijlings langs omlaag en ritselde -weg tusschen de struiken. - -„Het bosch is overal gelijk”, zuchtte Hajo. „Waar moeten we zoeken?” - -„Misschien is Harmen al lang weer thuis”, zei Rolf. „We zullen maar -teruggaan.....” - -Het hol weer naderende, versnelden ze in hoopvolle verwachting hun -gang. Maar Harmen was nog niet terug..... - -Dolimah keek hen vol onrust aan. „Uw vriend is zoo ziek!” fluisterde -ze. - -Uit het hol kwam een gesmoorde kreet: „Brand! Brand!!” - -Verschrikt snelden de jongens naar binnen. „Padde! Wat heb je, -Padde?”—Padde ademde kort en stootend; zijn mond was vertrokken; hij -hield de gebalde vuisten onder de kin, en het zweet parelde hem op het -vuurroode voorhoofd. „Brand!” gilde Padde en trok de knieën op. -„Brand!!” - -Rolf knielde bij hem neer. „Word wakker, Padde! Je droomt!” En hij -schudde Padde bij den schouder. - -De zieke sloeg de oogen op, keek er Rolf wezenloos mee aan. - -„Padde!” stamelde Hajo verschrikt. - -Padde staarde over zijn borst heen naar buiten. Toen begon hij plots -weer te gillen en liet het hoofd met een smak achterover vallen.—Rolf -bette Padde’s voorhoofd met water. Padde zuchtte, scheen een oogenblik -iets rustiger. Toen begon hij plots hartstochtelijk te snikken. Zijn -heele lichaam beefde; de tranen vloeiden over zijn wangen op de varens -onder zijn hoofd. „Allemaal..... zijn ze sterk..... allemaal..... -alleen ik niet!” - -Hajo bukte zich over zijn makker,—ook hem stonden de tranen in de -oogen. „Wacht maar, Padde, wij blijven bij mekaar, hoor! Wij verlaten -mekaar niet!” - -„Brand!” gilde Padde en stompte Hajo uit alle macht van zich af. En -hijgend, gejaagd begon hij allerlei wartaal te spreken. „Dronkelap! -Jij..... jij, dronkelap!” - -Radeloos keken Hajo en Rolf elkaar aan. Dolimah staarde zwijgend, met -van schrik groote oogen, naar hen alle drie. - -In dit oogenblik..... kuchte er buiten iemand, en Dolimah stamelde: „De -doekoen!” - -Voor den ingang van het hol, een donkere schim tegen de schemering, -verscheen een oude Inlander, met een wit sikje en mager als een -skelet.—De jongens wisten zoo gauw met hun houding geen raad. Rolf -wilde wat zeggen, maar verslikte zich al in het eerste woord. - -Gelukkig wist Dolimah beter met den doekoen om te gaan. „Wij zijn blij, -dat u gekomen is, goede Pa-Samirah! Gij zult ons wel uit den nood -helpen. Tot in de verste dorpen wordt uw kunst geroemd!” - -Pa-Samirah knikte en spoog bedachtzaam een straal rood sirih-sap op de -grijze steenen. „Waar is de zieke?” - -„Daarbinnen, Pa-Samirah.” - -„Waar is het pantervel?” - -„Ge staat er onder, goede Pa-Samirah.” - -De doekoen keek omhoog, knikte goedkeurend met het hoofd,—spoog nog -eens vol aandacht. „Laat de blanken heengaan, en blijf jij hier, om mij -te helpen”, beval hij met een schorre, krakende stem als van een ouden -kruiwagen. - -Dolimah wenkte den jongens, heen te gaan. Aarzelend, zonder zelf -eigenlijk goed te weten waarom ze het deden, gaven ze er gehoor aan. -Buiten zagen ze pas, dat achter Pa-Samirah een joggie verdekt stond -opgesteld, dat nu zijn biezen pakte. Aan zijn ooren herkenden ze hem, -Si-Kampret! - -Beteuterd stonden de jongens buiten te wachten. Dolimah was bij den -doekoen gebleven. - -„Zou het wel vertrouwd zijn, Rolf, dat we hem met Padde alleen laten?” - -„Dolimah is er immers bij?” - -Hajo zweeg. Meer dan ooit voelden de jongens zich vreemdelingen in dit -groote land. De doekoen, Dolimah, Saleiman hoorden hier thuis, kenden -de boomen, de bloemen, de dieren en..... en de geesten!—Geesten.....! -Als Dolimah ervan sprak, voelden zij ineens, dat ze er waren. En nu was -Pa-Samirah gekomen om uit Padde’s zieke lichaam de booze geesten te -verdrijven.....! Wat was dat toch, dat merkwaardig gevoel van..... -ontzag, dat hen daareven, vóór ze het zelf wisten, het hol had doen -verlaten, op een wenk van een klein meisje, om plaats te maken voor dat -verschrompelde, spuwende mannetje met een stem als een oud molenrad? -Hij beheerschte ze, de geesten! Pa-Samirah beheerschte ze! Zij, -Hollandsche kwajongens, voelden zich zoo klein worden, dat een -muizeholletje nog te groot voor hen was. Saleiman, „Si-Kampret!” -verstond ook alles wat hun vreemd was. Hij kende de ziel van het vuur, -den wind, den regen, het beekje, en dieren verstonden hem, tot de slang -toe, die, onweerstaanbaar aangetrokken, tegen de helling van het ravijn -was opgekronkeld om te luisteren naar Si-Kamprets fluittonen..... - -Onverwachts klonk Padde’s gillende stem weer uit het hol. Hajo wilde -toesnellen, maar Dolimah verscheen voor de opening. „Stil!” fluisterde -ze. „De doekoen is bezig!” - -Maar Hajo kon zich niet meer in bedwang houden en trad het hol binnen. - -De oude doekoen, die gehurkt bij Padde zat, wendde prevelend het hoofd. -En een blik in die oude, lichtlooze oogen, die zich star, schijnbaar -zonder te zien, op hem richtten, was voldoende om Hajo te doen -terugdeinzen. Langzaam prevelend, allengs overgaand in neuriën, keerde -de doekoen het hoofd weer af. De oude nek leek wel een verschrompelde -wortel. - -Bevangen keerde Hajo naar Rolf terug. - -„Wat heb je gezien?” vroeg deze. - -Hajo haalde, wezenloos voor zich uitstarend, de schouders op. „Ik weet -het niet.....” zei hij, als in diepe gedachten. - -Het schreeuwen in het hol verminderde. Onafgebroken klonk het eentonig, -klankloos neuriën van den ouden man. Na een tijd, die een eeuwigheid -scheen, kwam Dolimah op de teenen naar buiten en fluisterde: „De -geesten zijn al op de vlucht! Ik heb kruiden gewreven, die de doekoen -me gaf. Geduld....!” Toen verdween ze weer. - -Rolf en Hajo gingen naast elkaar zitten, staarden zwijgend in den -zilveren nacht. Uit het hol kwam de rosse schijn van het vuurtje. Nu en -dan vloog er een schaduw door de lucht, de schaduw van Dolimah, die -voor het vuur langs liep. En eindelijk..... ze wisten zelf niet, hoe -lang ze zoo wel bijeengezeten hadden, kwam, als een oude berggeest, de -doekoen naar buiten. - -Dolimah volgde. „Hij slaapt rustig!” zei ze met een vreugdetrilling in -haar stem. - -Weer voelden de jongens de aarzeling van daarstraks. Wat weerhield er -hen van, de handen van hun redder te grijpen? Op de teenen gingen ze -naar binnen. Padde sliep; zijn ademhaling was lang en geregeld. De -roode koortskleur was weg. - -Buiten stond de wonderman, die dit bewerkt had, op zijn panterhuid te -wachten. Terwijl Hajo haar haastig ineenrolde, trachtte Rolf woorden -van dank te vinden. Maar wanneer hij in het oude, afgeleefde, -glanslooze gelaat keek, stokten de woorden hem in de keel. - -De doekoen spoog langzaam, vol aandacht, een straal donkerrood -sirih-sap uit,—in het licht der vlammen leek het bloed. Slap hingen de -mondhoeken, de onderlip lag op de oude skelet-kin en onthulde een -tandeloozen mond; de grijze wenkbrauwen waren door het gerimpelde -voorhoofd hoog opgetrokken; zijn geheele huid zat vol roestvlekken. -Zwijgend nam hij de panterhuid onder den arm, sloeg zijn sarong naar -binnen en klom de touwladder op. Boven gekomen, leek hij tegen het -maanlicht wel een vogelschrik. Dolimah deed hem uitgeleide. - -„Begrijp jij er iets van, Rolf?” vroeg Hajo. - -„Geen laars”, antwoordde Rolf. „De drommel zal weten hoe hij..... maar, -zeg, Hajo! Harmen is nog niet terug!” - -„Dat is waar ook.....!!” stotterde Hajo. „Dat had ik heelemaal -vergeten!” En verschrikt keken de jongens elkaar aan. - - - -Toen Si-Kampret zijn plicht vervuld had, spoedde hij zich voort in de -overtuiging dat hij de rest veilig aan de krachtige rapals en ontzag -inboezemende poesaka’s van Pa-Samirah mocht overlaten. Plotseling -vernam hij een klagend geblaat. Verwonderd liep hij er op af en -stond..... voor een geitje! „Tjoba.....!” stamelde Saleiman. Hij greep -het, keek vol verbazing naar een afgescheurden rotanstrik om den hals -van het diertje. „Het is het geitje uit de tijgerval.....!” - -Saleiman dacht even na; toen was zijn besluit genomen. Wat er ook met -de val gebeurd mocht zijn; Saleiman moest er het zijne van hebben. Zou -er een of andere geest in het spel zijn? Nu, Saleiman had om zijn -bruine vingertjes een djimat zitten, waartegen de boschgeesten toch -niets konden uitrichten, zelfs de meest kwaadaardige niet! En Saleiman -toog op pad. Den rechten weg naar de val kende hij niet; hij moest -eerst weer een eindweegs den weg naar het dorp volgen en dan in -schuinsche richting weer omkeeren. Maar Saleiman had geen zolen te -verslijten; de zijne werden hoe langer hoe dikker naarmate hij er meer -op liep, en de maan scheen zoo mooi..... - -Alom zongen de krekels, en de krekel in Saleiman’s kooitje raadde met -luider stemme zijn vrienden daarbuiten aan, om zich goed verborgen te -houden wanneer ze zoo’n jongetje als Saleiman in de buurt zagen. -Saleiman liep er over te denken, hoe fijn het zijn zou, wanneer hij -alle krekels, die hij nu hoorde, ja, alle krekels van de wereld in een -bamboekooitje had: hij zou de kleintjes aan zijn vrienden geven, en de -grooten zou hij zelf houden. Maar ze waren zoo lastig te vinden; vooral -de goede kampvechters liepen het hardste weg..... - -Saleiman dacht er ook over na wat hij morgen weer voor Dolimah gappen -zou. Ma-Satia had altijd zooveel eieren,—daarvan kon ze er best een -paar missen. En Niti had op haar dak deng-deng te drogen, daar zou -Saleiman ook een stukje weghalen. En Si-Amat had zooveel rijst, wel een -heele loemboeng vol,—daar hadden de glateks al zooveel van gegeten, dat -het niet zou hinderen, wanneer Saleiman er ook nog een handje van -kaapte. Tevreden neuriënd liep Saleiman voort. - -De maan stond achter hem en al neuriënde richtte onze vriend zijn blik -op de loopende schaduw voor zich. Zijn toch al gedrongen lichaampje -leek in dien schim, die met potsierlijke beentrekkingen voortstapte, -nog gedrongener. Ter zijde van het hoofd staken twee zwarte vlekken -uit. - -Saleiman hield op te neuriën. Droevig en met iets grimmigs om den mond, -staarde hij naar de mismaakte gestalte daar voor hem op den grond.—Een -vleermuis fladderde onder de boomen door, over den weg, en de beide -schaduwen streken over elkaar. Saleiman zond haar een verwensching na -en ging onder de boomen loopen, waar de maan niet kwam.—Als hij in de -val een tijger vond, zou hij..... zou hij hem met een puntige bamboe -steken tot hij brulde van pijn. Hij zou buiten eerst een vuurtje maken -en daar de punt van de bamboe in laten gloeien en den tijger dan het -vlammende einde in den muil steken en in de neusgaten en in de oogen! -„Si-Kampret!” Allemaal noemden ze hem: „Si-Kampret!” Al voortgaand, -begon hij zachtjes te snikken. - -Maar allengs kwam onze vriend weer tot blijder gedachten. Dolimah zei -altijd: „Saleiman!” Zij had het natuurlijk wel gehoord, dat de anderen: -„Si-Kampret!” geschreeuwd hadden, en toch zei ze altijd Saleiman tegen -hem. Wacht: straks zou hij nog wat op zijn soeling spelen, dan vergat -hij alles. En zijn djangkrik was lekker de sterkste van allemaal! Hij -zou hem nog meer Spaansche peper geven en wel oppassen voor Sanip met -zijn smerige trassi! - -Saleiman was weer bij de plaats gekomen waar hij moest terugloopen. Nu -scheen de maan hem vol in het gezicht en haar stralen daalden zachtkens -in Saleiman’s ontvankelijk zieltje. Hij werd trotsch en dapper en liep -rechtop. - -Zat daar geen uiltje in den boom? Ja! Het gluurde hem aan. Saleiman -raapte een steen op en wierp. Een lichte slag; het uiltje tuimelde -beduusd omlaag, en Saleiman greep het achter den kop. Onder het bekje -bloedde het. - -„Goed gegooid”, prees Saleiman zichzelf. „Ik zal muizen voor je vangen, -jonge muisjes uit de nesten onder de galangans. En een kooitje zal ik -voor je maken, een klein kooitje voor jou alleen, want anders pik je -mijn glateks en mijn kentilan nog met je scherpen snavel!” - -Het uiltje siste, sperde den bek half open en keek Saleiman met zijn -starre, gele spleetoogen aan. - -„Misschien ben je wel een booze geest”, zei Saleiman. „Maar ik heb toch -mijn djimat, en in elk geval ben je een domme geest om je van dien tak -te laten gooien!” - -Zijn gevangene in de hand omsloten, kwam hij bij de dichtgeslagen val. -Saleiman legde het uiltje met gebonden pootjes op den grond, wist zich -langs een stam, die naast de kooi groeide, tegen den wand op te werken -en keek over den rand. - -Van verbazing viel hij weer omlaag. - -„Saleiman!” schreeuwde Harmen van binnen. „Waar zit je? Hier, hak een -bamboe om en steek hem naar binnen!” En Harmen gooide zijn mes naar -buiten, zoodat Saleiman het haast op zijn bol kreeg. - -Maar Saleiman had al een plan gevat. Hij klauterde weer in den boom, -sneed een rotan af, ontdeed dien van de dorens, knoopte het boveneind -stevig om een tak en wierp het ondereinde in de val. In een ommezien -werkte Harmen er zich in en sprong van de palissade op den beganen -grond, toen Saleiman nog trachtte zonder scheur in zijn sarong af te -dalen. - -Harmen zuchtte diep, streek over zijn zitvlak, zag het gebonden uiltje -liggen en raapte het op. „Is ie van jou?” vroeg hij, toen hij zag, dat -Saleiman er weifelend naar keek. „Alsjeblieft! ’k Zal je niets -afhalen.” Hij reikte Saleiman het uiltje en nam hem het mes uit de -handen. „Lekker bot geworden, zeg! Ajuus en..... eh, trimah kassi, -hoor! Bedankt!” - -En Harmen spoedde zich voort, met moeite een weg banend door de dichte -struiken. - -Maar hij werd moe en bleef aarzelend staan. Waar was hij nog maar weer -vandaan gekomen? Het zweet brak hem uit. Zou de zaak nou weer scheef -gaan? Woest brak Harmen zich baan. Hij had daar straks de maan aan -bakboord gehad,—die koers zou hij dus maar houden.—En eindelijk..... -ja! Daar schemerde het weggetje tusschen de boomen. Sterk als een reus -worstelde Harmen zich voort. Ziezoo, nu was hij er! Zoo op het eerste -gezicht herkende Harmen het pad niet. Aan een zijde bamboe, aan de -andere zijde zwarte zuilen met rafelige, woeste kronen tegen de bleeke -lucht. - -Wacht! Harmen dook in de struiken weg: daar, vlakbij, kwam iets aan! -Een Maleier! En..... en..... wat hield hij onder den arm, glanzend in -den lichtval van de maan? Harmen snoof van woede: het was het -pantervel! - -De man stond stil. Hoekig en bottig en als met een knuppel schots en -scheef geslagen vlekte de gestalte tegen het maanlicht. „Si-apah?” -vroeg de Maleier. - -„Ikke”, zei Harmen. Hij sprong naar voren, sloeg den Inlander tegen den -grond, ontrukte hem het pantervel en snelde er mee weg in de richting, -vanwaar de Maleier gekomen was. Immers: daar moest het hol zijn! Want -dat de kerel de huid gestolen had stond voor Harmen vast. - -Hij belandde op het plateau, liet zich langs het laddertje omlaag -glijden, kwam op zijn achterwerk beneden, krabbelde weer op en stapte -het hol binnen. - -„Harmen.....?!” - -Harmen snoof, wierp de huid voor zich neer op den grond. „Alsjeblieft, -daar hebben jullie de huid terug! Is er nog wat te bikken?” - -Met groote oogen staarden de anderen hem aan. - - - - - - - - -DE VLUCHT - - -„Zoo gauw mogelijk onze biezen pakken,” zuchtte Rolf, toen Harmen zijn -heldhaftig avontuur had opgedischt. En hij legde hem in twee woorden -uit hoe de vork in den steel zat. „De doekoen zal de zaak niet op zich -laten zitten!” - -„Wat een akelige giftmenger!” gromde Harmen, die zich inderhaast over -het fazantenboutje ontfermd had, dat voor hem bewaard gebleven was. -„Hoe moeten we nou met Padde aan?” - -„We dragen hem.” - -„Goeie morrege!” - -„Het moet. We spannen de panterhuid tusschen twee stokken,—dan hebben -we een baar. Vooruit, jongens!” En hij legde Dolimah vlug even den -toestand uit. - -Hajo en Harmen togen aan het werk, hakten aan den anderen kant van het -plateau, waar de bamboebosschen stonden, twee stelen van gelijke lengte -af, knoopten er met rotan de huid tusschen. Rolf maakte uit een der -bamboes, die daarstraks nog voor de „zonnetent” dienden, een „pikolan”, -om het huisraad en de levende proviand er aan te vervoeren. „Zijn -jullie klaar?” vroeg hij. „Dan moet Padde naar boven!” - -Daar kwam in het maanlicht een kereltje aanhollen: Saleiman! Hijgend -vloog hij op de jongens af. „De doekoen is boos, en nu zijn ze met -velen, met velen op weg hier naar toe!” - -„Daar heb je het al”, stamelde Rolf. - -Harmen vloog het laddertje af, het hol in, nam Padde op. - -„Hou je goed vast, Padde? Ik zal je naar boven dragen!” - -Geen antwoord. Padde’s hoofd hing slap neer naast dat van Harmen. - -Met behulp der anderen droeg onze pootige vrind den slapenden Padde de -ladder op en vleide hem op de baar. Hajo legde den zieke nog wat zachte -varens onder het hoofd,—toen tilde hij samen met Rolf de baar op..... -en daar ging het heen! - -Saleiman voorop, den pikolan op den schouder, den arm er overheen -geslagen en met ietwat gebogen knieën voortschrijdend in den soepelen, -snellen gang van den lastdragenden inlander. „Ikoet Sadjah”, zei hij -bemoedigend, terwijl hij den weg insloeg, die van het dorp wegleidde, -„volg mij maar.....” - -Zoo deden ze. Dolimah en Harmen torsten de wapens. Joppie had gedurende -het verblijf in het hol een lui en droefgeestig bestaan gevoerd, maar -nu de tocht weer verder ging, kwam er ook in Joppie weer leven, en met -fier opgerichten staart dribbelde hij nog weer voor Saleiman uit. Het -was een zonderlinge karavaan daar in het maanlicht..... - -Plots hoorden ze, links voor zich uit, het gillen van een of ander -dier. Verschrikt hielden ze hun gang in,—behalve Joppie, die met -gestrekten hals en slap hangende ooren vooruit stoof. - -„Tjelleng!” stelde Saleiman vast. „Een wild varken.....” - -Maar Harmen verstond het niet. „M’n hert!” riep hij in vervoering uit. -En met groote sprongen rende hij achter Joppie aan, holde een bocht om, -met beide armen de takken en twijgen afwerend. Wat was dat? De bovenste -strik hing nog onberoerd, en aan den ondersten rukte uit alle macht een -wild biggetje. Keffend en grommend sprong Joppie er omheen. - -„Een varken.......!!” mompelde Harmen, teleurgesteld. „Kom hier, -mormel, dan zal ik je helpen.” - -Maar de kleine gevangene scheen van Harmens hulp weinig goeds te -verwachten, rukte aan den rotan om zijn hals, dat hij bijna stikte. -Harmen greep het diertje, bevrijdde het van den rotanstrik, bond met -een slag de achterpooten samen. „Ziezoo, nou mag je met Harremen mee!” - -De anderen waren er nu ook bij gekomen. „Laat eens kijken je hert?” -vroeg Rolf, glimlachend ondanks de weinig rooskleurige omstandigheden. - -„Een hert is het niet”, zei Harmen. „Maar aan het spit is ie toch beter -dan een bijbel met gouden slotje!—Blijf af, Joppie!” - -En de knapen gingen weer voort, nu en dan stilhoudend om te luisteren, -of hun vervolgers hun al op de hielen zaten. Na een tijdje wisselde -Harmen met Hajo als drager, en later loste Hajo Rolf af. Padde sliep -nog even rustig. - -„Ben jij nog niet moe, Dolimah?” vroeg Rolf. „Anders rusten we even.” - -Saleiman keek ontsteld. - -Dolimah wendde zich tot hem. „Moeten we nog verder, Saleiman?” - -„Eh-eh!” - -„Hoever nog?” - -„Niet ver meer. Dan kunnen ze niet meer volgen.” - -En de stoet ging voort.—Het bosch hield op; de grond werd rotsachtig. -Hier en daar nog wat struiken, dat was alles. En eensklaps stonden de -jongens voor een kloof. In de diepte schitterde een stroompje. Aan de -andere zijde strekte zich een kale vlakte uit, heel ver weg begrensd -door in maanlicht gedrenkte bergen. Er lag een roerlooze rust over. De -lucht glinsterde van sterren. - -„Zie!” en Saleiman wees met zijn bruine armpje rechts de kloof af. -„Daar is de brug.” - -Waar de kloof het smalst was, hing een soort rotan-hangmat. Moest dat -een brug voorstellen? - -„Als ge over de brug zijt, moet ge ze loskappen!” zei Saleiman. - -Zijn raad was overbodig: allen hadden hetzelfde al gedacht.—Nu stonden -ze voor de brug. Zou ze wel vertrouwd zijn? Toen Harmen er een paar -passen op deed, zwiepte ze geducht door. - -Dolimah zag zijn aarzeling. „De brug is sterk”, verzekerde ze. - -„We zullen het er maar op wagen!” zei Harmen. „Als we met z’n allen het -water in vliegen, kan je tenminste niet zeggen, dat we van dorst -gestorven zijn!” - -„Jij blijft nu zeker hier, Saleiman?” vroeg Rolf. - -„Ja! Hij zou immers niet meer terug kunnen, als we de brug kappen!” -antwoordde Dolimah. - -Rolf keek haar even aan. „En jij ook niet, Dolimah....!” - -Saleiman toonde plots groote belangstelling, staarde met wijd open -oogen naar Dolimah. - -„Ik kan immers tòch niet terug.....” zei het meisje zacht. - -Toen kwam Saleiman met een vraag, die men van zoo’n schuchter kereltje -niet verwachten zou en die hij er dan ook met onvaste stem uitbracht: -„Waarom niet, Dolimah?” - -„Oh!” zei Dolimah, hem lief en verrast aankijkend, „het is al zóó ver -naar mijn kampong, Saleiman.” - -„Ik wil je er brengen, Dolimah!” beloofde Saleiman haastig. - -Dolimah bleef hem lief, met droeve oogen aanzien. „Ik dank je, -Saleiman! Ik dank je voor alles..... maar ik kan niet terug.” - -Saleiman zei niets meer,—hield het hoofdje rechtop. Een traan blonk in -zijn groote oogen. - -De anderen gingen de brug over. Het was met Padde’s baar moeilijk -balanceeren. Dat die brug ook zoo zwaaide!—Toen ze aan den overkant -waren, kapte Harmen de hoofdstrengen los. Daar viel de vloer uit de -brug, sloeg in wijden boog tegen den anderen wand; een paar bamboes -gleden er uit en schoten als pijlen in den stroom daar beneden. De weg -was afgesneden! - -Aan den overkant stond Saleiman in het maanlicht. Hij scheen schraler -en magerder dan ooit: het was alsof men door hem heen kon zien, en zijn -ooren leken nog grooter dan anders. - -„Dag, Saleiman!” - -Geen antwoord. Eerst toen de knapen zich hadden omgekeerd en, koers -nemend op de sterren, in Zuidelijke richting hun weg vervolgen wilden, -riep Saleiman: „Tot nieuwe maan, Dolimah..... tot het begin der poeasah -(vastenmaand) zal ik iederen avond..... hier wachten.....!” - -„Maar ik zal niet komen, Saleiman.....” antwoordde Dolimah. - -Saleiman zweeg. Zoolang de jongens in den maannacht de plaats konden -zien waar de brug gehangen had, zoolang ook zagen ze Saleiman staan, -eenzaam en star als een beeldje. - -Nu de angst voor vervolging voorbij was, voelden ze hoe moe ze waren. -De voeten deden pijn van de scherpe steenen. - -Bij een paar struiken legden ze zich neer en sliepen in onder den met -sterren bezaaiden hemel. - - - -Den volgenden morgen bij het ontwaken scheen de zon hun recht in het -gezicht. De knapen keken eens om zich heen. Geen vogel, geen vlinder, -geen eekhorentje, alles starre, levenlooze steen. Daar, ver voor uit, -de blauwe bergen. - -Padde sliep nog altijd. Ze dekten hem met varens het gezicht af tegen -de zon. - -Verder maar weer! Ze aten een handjevol rijst met gedroogde visch, -pakten hun boeltje op. Het biggetje kwam nu met de pootjes naar beneden -in den pikolan te hangen en trachtte in de lucht weg te zwemmen. - -Hajo en Rolf namen de baar voor hun rekening. „Drommels, hij slaapt -vast!” zei Rolf, tevreden, dat Padde nog altijd zoo rustig ademhaalde -en er niets van merkte, toen ze hem opnamen. - -„Ja, die doekoen is een duivelskunstenaar!” meende Hajo. „We hebben hem -voor zijn diensten slecht genoeg beloond!” - -„Sjonge-jonge, ’t zal warm worden vandaag”, verzekerde Harmen -luidruchtig. De anderen keken eens omhoog,—aan den hemel viel geen -wolkje te bespeuren. Nu stond de zon nog niet hoog, en niettemin -brandde ze al geducht. - -Dolimah was dien morgen erg stil. Ze neuriede niet, zooals anders -wanneer ze met de jongens meetrippelde. - -„Je bent zoo stil, Dolimah?” vroeg Rolf. „Denk je ergens aan?” - -Het meisje schudde, opgeschrikt uit overpeinzingen, het hoofd. Maar na -eenigen tijd zei ze uit zichzelf, de oogen naar den grond gericht: „Ik -denk er aan wat mijn zusjes en broertjes nu doen. Ze zullen nu al wel -gebaad hebben in de rivier, en Dajik en Oeng zijn met Karidien mee in -de velden om te ploegen met onze karbouwen. Straks, als de bibit uit de -kweekbedden naar de sawah wordt overgeplant, helpen wij ook. En later -weer, om de gèdèngs te binden..... nu, ja, Kartina niet: die kan zoo -mooi batikken, dat ze niets anders doet en nooit meegaat in de sawah.” -Dolimah zuchtte. „Dajik, mijn jongste broertje, zal bedroefd zijn, dat -ik weg ben. Hij houdt van alle menschen en ook van alle dieren en -vogels. En van de boomen houdt Dajik, en van de bloemen; hij kent ze -alle. En van mooie steenen houdt hij en van de wolken..... toen hij -heel klein was en ik hem soms op mijn armen droeg, was hij al zoo.....” -Dolimah staarde peinzend naar de bergen in de verte, zei toen -eensklaps: „Als..... als ik ooit weer in mijn dorp terugkwam, zou Dajik -zeggen: Ik wist het wel.....” - -De zon begon zoo te steken, dat de jongens duizelig en onwel werden en -zich met gloeiende hoofden en kloppende slapen onder een paar eenzame -struiken neerlegden, er zorg voor dragend, dat vooral Padde zooveel -mogelijk schaduw had. De lucht trilde van hitte; wanneer onze zwervers -liggend over de vlakte staarden, zagen ze de berg-omtrekken sidderen. - -Geen van de jongens had lust in eten. Met een droge keel sliepen ze in. - -Toen ze ontwaakten, was het iets minder heet geworden. Harmen stond op, -werkte de kip los van den pikolan, sneed haar de keel af en sloeg aan -het plukken. - -Dolimah wist na eenige moeite een vuurtje te doen ontvlammen; de kip -werd gebraden en was heerlijk malsch. - -Wat verkwikt, zetten de jongens den tocht weer voort. Padde sliep nog -altijd, zoodat Harmen er hem van verdacht, dat hij zijn oogen maar -dichthield om niet te hoeven loopen. - -Er scheen aan het rotsplateau geen einde te zullen komen: de bergen -waren nog even ver als vanmorgen. Hoog in de lucht cirkelde een -adelaar. Ze liepen tot de schemering door, in de hoop een zachteren -bodem te vinden om vannacht op te slapen. Vergeefs. Alles steen en nog -eens steen. En mocht de bodem overdag zoo gloeiend heet zijn, dat de -jongens er hun voeten haast aan brandden, nu was hij kil en leverde -allesbehalve een lekker bed op. - -Harmen maakte een groot vuur. Door den rossen schijn gelokt, kwamen -vleermuizen aanfladderen, en, stillekes bijeenhokkend, volgden de -jongens met de oogen het grillig wiekenspel. - -„Saleiman heeft gezegd”, begon Dolimah onverwachts, „dat met nieuwe -maan de poeasah begint. Dan is er feest in ons dorpje. En Dajik zal -vragen: Waar is Dolimah? Weet ze niet, dat het poeasah is?” Er trilde -iets in Dolimah’s stem. - -De jongens hadden nauwelijks verstaan wat Dolimah zei; ze hadden nu -geen lust zich tot luisteren in te spannen. Maar allen hoorden er in -wat ook hen vanavond weer sterker dan ooit kwelde..... - -„Ze heeft verlangst”, zei Harmen.—De anderen zwegen, knikten even. - -Maar opeens wees Hajo met de hand naar het Westen. „Kijk daar eens! -Meeuwen!” - -Verrast keken de anderen om: de klank van het woord had in hen allen -een gevoelige snaar geroerd. Meeuwen.....! Daar, ver in het Westen, -zweefden ze, maakten hun avondvlucht. Als peinzend sloegen ze, zwierend -door de kalme lucht, nu en dan even met de vleugels, wenschten elkaar -in het voorbijgaan goeden nacht. Stil! Als je den adem inhield, hoorde -je het. „Tsjie......iep!” Een kwam er nader, achten aaneenrijgend tot -een langen keten, en met zijn vleugel wenkte hij de jongens. -„Tsjiep!..... de zee is er nog! Ze laat groeten en vraagt.....tsjiep! -waar jullie blijven!” Nog eens wenkte de meeuw, toen dreef ze weer -weg..... tsjiep.....! - -De nacht was sluipend nader geschreden en had zijn met diamanten -gevoerden mantel wijd over den hemel uitgeworpen. De blankgevederden -boden van de zee verschimden. - -Maar in de harten der knapen hadden ze een groote blijdschap -achtergelaten. De zee! Daar in het Westen, niet veraf, was de zee! Nu -voelden ze hoe vaak ze er naar verlangd hadden wanneer ze, beklemd door -den muur van groen rondom, zwijgend bijeengezeten hadden. Soms waren -ze, er naar snakkend om weer eens vrijuit te ademen, vol verbeten woede -tegen dat groen voorwaarts gedrongen, wegkappend de bloemen, takken, -wortels, slingerplanten, en wanneer ze er tenslotte hijgend bij -neerzonken, waren ze door een nieuwen muur omsloten, even beklemmend en -onverbreekbaar als de vorige. En terwijl ze tusschen het geboomte -geesten spottend hoorden fluisteren, hadden ze in ’t verborgen, zonder -het elkaar te laten merken, van verlangen naar huis gesnikt, dat de -tranen hun over de bruine wangen stroomden..... - -Maar nu..... had de zee zich weer aangemeld! Nu, morgen vroeg, zouden -ze niet meer naar het Zuiden, maar naar het Westen loopen, nietwaar, -Rolf? Ze zouden den blik weer vrijuit laten zwieren, de frissche, zoute -lucht weer met volle teugen opsnuiven! - -Morgen naar het Westen! Morgen naar de zee! Soms streek een windvlaag -over het plateau, schonk den jongens een zoete verbeelding van ver, -vaag branding-ruischen en voerde in het wijken hun zielen mee, als een -terugvloeiende golf de schelpjes, die op het strand zijn aangespoeld. - - - - - - - - -DE BIJAWAK - - -Toen ze al vroeg in den volgenden ochtend de draagbaar weer oppakten, -ontwaakte Padde en keek verbaasd, met matten oogopslag naar boven. -„W-wat zal ik n-nou beleven.....?” stamelde hij. - -„Padde.....?! Ben je weer beter? Hoe voel je je?” - -„Best. ’k Heb zoo fijn geslapen. Maar ik voel me nog..... zoo moe. -Dragen jullie me?” - -„We zullen je later alles vertellen, als je weer heelemaal beter bent! -We gaan nou naar zee, Padde! Naar ’t Westen, dan is het niet ver!” - -Padde glimlachte. „Nou, ik vind het best, zeg! Ik zal blij zijn, als ik -de zee weer zie!” - -En genoegelijk liet hij zich voortdragen. „’t Is me hier ’t zonnetje -wel! Ik zal maar een takje boven m’n kop houden, dan heb ik er niet -zoo’n last van.” En tegen Harmen: „Nou mag jij wel weer eens een eindje -dragen, Harmen! Kijk Hajo eens zweeten op zijn rug!” - -„Als we je om de tien passen zouden overtakelen, lagen we in een -ommezien allemaal op de lij!” meende Harmen. - -„Om de tien passen!” smaalde Padde. „Hoe lang draag jij nou al wel, -Hajo? Toch minstens een uur?” - -„Ik kan nog best!” gromde Hajo, wrevelig over Padde’s ongewenschte -deelneming in zijn lot. - -„Ja, dat zie ik aan je rug!” hoonde Padde. „’t Lijkt wel of er pas -gezwabberd is! Vooruit, Harmen, wees niet zoo kinderachtig! Jij loopt -toch maar niks te doen!” - -„Goeie morrege: niks doen!” gromde Harmen. En, plots grinnikend, voegde -hij er aan toe, duidend op het biggetje aan zijn pikolan: „’k Dráág -ommers al een varken?” - -Padde zocht grimmig naar een vlijmscherp antwoord. Hij vond er geen. - -Maar spoedig was Padde de beleediging weer vergeten. Hij begon zachtjes -te fluiten, de oogen dicht tegen de zon. „’k Lig hier fijn!” stelde hij -de anderen gerust. „Als in een koets! Jij bent de palfrenier, Rolf! En -Harmen is het paard. Hu, paard!” Padde smakte met de tong. - -Harmen, die nu toch Hajo’s taak had overgenomen, keerde zich om. „Zeg -er eens, jij ligt daar zoo’n lawaai te schoppen: kun je nog niet -loopen?” - -Padde keek sip. „’k Zal eens kijken!” zuchtte hij en richtte zich op. -Maar alleen die beweging kostte hem al zooveel inspanning, dat hij -lijkwit, met gesloten oogen, weer achterover viel. Harmen zag, dat het -niet geveinsd was. „Nou, vooruit dan maar weer.....” zuchtte hij.—En -Rolf berispte: „Je moet stil blijven, Padde, en ook niet fluiten! Hoe -gauwer je beter bent, hoe prettiger het voor ons allemaal is.” - -„Knap maar.....” prevelde Padde. - -Onverwachts vertoonde zich voor hun oogen een breede scheur in de -rotsen, en, naderende, hoorden ze, dat in de diepte een beekje -stroomde, waarschijnlijk hetzelfde als waarover de rotan-brug gelegen -had. Ook hier was de kloof onheilspellend diep en van er overheen te -komen geen sprake. Nu, als ze het beekje maar volgden, kwamen ze -vanzelf aan zee! - -Uit de diepte steeg een aangename koelte op. Ook het heldere stroompje -daarbeneden lokte; de kokosnoten, die ze vooral ter wille van de melk -meevoerden, waren bijna op! - -„’t Zou daar in de schaduw beter zijn dan hierboven”, meende Rolf, -terwijl hij over den rand keek. „Misschien kunnen we verderop ergens -omlaagklauteren!” - -„Ja, laten we nog wat doorloopen!” stelde Padde uit zijn draagstoel -voor. „Misschien vinden we nog een goeie plek!” - -Harmen keek hem met grenzelooze verachting aan. „Zeker, Koning -Knolraap!” schimpte hij. „Als je voeten er vuil van worden, zal Harmen -ze wel schoonlikken!” - -Padde gromde wat.—Zwijgend, nu en dan een blik in de kloof werpend, -gingen de jongens voort. En.....! ze hadden nog geen half uur geloopen, -of van deze zijde der kloof daalde een ruwe, door de natuur gevormde -trap af! In alle omzichtigheid en vergezeld van honderd waarschuwingen -en raadgevingen van Padde, die met zijn hoofd schuin uit zijn -draagstoel hing, klauterden de jongens omlaag in de heerlijke koelte. -Hun eerste werk was, van hun handen een bekertje te maken en gretig het -frissche, heldere bergwater op te slurpen. - -En toen werd beraadslaagd wat er nu gebeuren moest. Wanneer de jongens -door de kloof hun tocht wilden vervolgen, moesten ze door het riviertje -waden! Nu, alles beter dan daar boven in de gloeiende zon te tippelen! -Hier was ook plantengroei; verderop scheen het zelfs alsof ze zich door -de overhangende struiken baan zouden moeten breken. Maar zouden ze een -droge plek vinden om den nacht door te brengen? - -Kom! Ze namen Padde op en vervolgden hun weg, nu door de kloof. Het -ging beter dan ze verwacht hadden. Wel lagen in het water steenen, die -vervelend drukten in de voetholten, maar ze waren alle door het water -afgerond en hadden geen scherpe kanten. Weldadig deed het aan toen de -jongens zich door het overhangende groen heenwerkten: er zaten geen -stekels aan de twijgen, en de bladeren waren frisch en zacht. - -Op een grooten, platten bergsteen legden ze Padde een oogenblikje neer -en namen een bad. Ook Joppie deed ditmaal mee: hij was toch al -kletsnat. - -Na een uurtje gingen ze weer verder, en zie! hier liep langs het water -een paadje! Dat maakte het loopen vrij wat lichter! - -Langzaam-aan begon het te schemeren, zoodat de jongens naar een plaats -moesten uitkijken waar ze den nacht konden doorbrengen. - -„We zullen maar ergens aan de kant gaan liggen!” zei Harmen. - -Het was niet erg aanlokkelijk. Aarzelend hielden de anderen stil en -keken de nu in de schemering wonderlijk geheimzinnige kloof door. „Als -we nog eens door liepen tot aan de bocht?” vroeg Hajo. - -Zonder veel hoop liepen de jongens nog even door en..... en geloofden -hun oogen niet! Als een gordijn hingen een paar bladerrijke takken -neer, en toen ze die terzijde schoven, stonden ze voor een prachtig, -zandig plekje, ter zijde van het water. De rotswanden waren hier geheel -begroeid; met geurige bloemen overdekte boompjes hingen vertrouwelijk -over dit knusse kamertje in de natuur, en daaronder stonden in den wand -zachtgroene varens. - -„Dâ’s andere koek!” riep Harmen. - -Padde rekte zich den hals uit. „Ga opzij! Ik kan niets zien!” - -„Jawel, radjah Boendersteel!” zei Harmen. „Kan uwes zoo beter zien?” - -„Ja.—Wat ligt daar voor een beest?! Een..... een krokodil!” - -„Wáár.....?!” - -„Daar, onder die boom met die roode bloemen!” - -Harmen snelde toe. En zie..... daar rende, met slangachtige -lichaamswendingen, een enorm groote hagedis weg. Het beest schoot, daar -hem geen andere uitweg bleef, tusschen Harmen’s beenen door en deed hem -door een geduchten zwaai met den staart in het zand ploffen. Nu wilde -Hajo het dier den weg versperren, maar het wierp zich op; een -geel-witte buik glansde Hajo tegen, en toen onze vriend haastig -terzijde sprong, scheerde een zware poot met lange, scherpe nagels hem -rakelings langs het gelaat. Met een plons stortte het dier zich in het -water, dat hoog opspatte..... en was verdwenen. - -De jongens waren beduusd. „Een bijawak.....!” stamelde Dolimah. - -„Was het geen krokodil?” vroeg Rolf. - -„Neen”, zij Dolimah, „het was maar een bijawak, maar een heel groote! -Hij rooft veel kippen en eieren!” - -„Laat hem naar de weerlicht loopen!” pruttelde Harmen, die weer -overeind gekrabbeld was. „Kom, jongens, ’t is hier fijn, da’s vast!” En -de jongens namen het idyllische plekje voor den nacht in bezit. Een bed -van varens was gauw gemaakt; Dolimah slaagde er in, een paar droge -takjes vuur te doen vatten. Veel dood hout was er niet te vinden, -ofschoon genoeg boomen daarboven de kloof overwelfden,—de regen zou het -wel hebben weggespoeld. Ze moesten dus maar groen hout branden, dat -verbazend knapte, maar tenslotte toch vlam vatte. - -„Tja!” zei Harmen, „we hebben het niet voor het uitzoeken en van de -lucht kunnen we niet leven, dus..... hou je maar klaar, ouwe jongen!” -Harmen had het tegen het biggetje. „Dat je het niet lollig vindt, zie -ik zoo wel aan je snoet, maar..... je moet maar denken: beter goed -gebraje, als half gaar gekookt!” - -„Chrrrrr.....!” knorde het arme diertje. - -„Geduld!” zei Harmen. En hij begon op een vlakken steen zijn mes te -wetten. De krulstaart wachtte met slaperige, halfdichte oogjes, - -Dolimah vertelde met zachte, trage stem van een bijawak, die in haar -dorpje gevangen was en gedood. Droomend luisterden de jongens. Het vuur -was gaan smeulen, gaf nauwelijks meer wat glans af. Maanlicht viel nu -door de bladeren. Roerloos, als zilveren orgelpijpen, stonden de -stralen bundels. In een ervan daalde, zachtkens wiegelend, een dood -blad omlaag, wentelend om het steeltje. - -Harmen’s mes was nu gewet en blonk. „Kom!” zei onze koksmaat, overeind -springend en wat hout op het vuur gooiend, zoodat het spoedig weer -oplaaide. „Kom jij nou maar eens bij Harremen, ouwe heer, hij zal je -niks doen.” - -„Harmen”, zei Rolf een weinig geprikkeld, „dat dat beestje geslacht -moet worden, spreekt vanzelf, maar ik wou, dat je er die redevoeringen -nu maar bij achterwege liet. En ga er wat mee op zij, dat Dolimah het -niet ziet.” - -Harmen staarde Rolf met grenzelooze verbazing aan. „Zeker, Majesteit!” -stamelde hij toen, want Harmen’s gedachten schenen zich vandaag in -vorstelijke kringen te vermeien, „uwes heeft maar te bevelen!—Hier, -mormel!” zei hij minder eerbiedig tegen het arme krulstaartje, dat er -toch wel het allerminst schuld aan had. „’k Zou anders weleens willen -weten, wie zulke zaakjes moest opknappen, als Harmen het niet deed!” - -„Ik!” zei Rolf kortaf. - -„’k Hoor het je zeggen!” hoonde Harmen. „Neen, wees maar blij, dat -Harremen zich over je ontfermt, stom dier, want zij zouden je samen -liever doodpesten, dan je even een ritsje te geven! Ja, als je uit de -kombuis komt! Dan staan ze met hun petje klaar! Ze denken zeker, dat je -vanzelf de pan bent ingevlogen.....” En Harmen ging met zijn -beschermeling grommend den hoek om. - -Maar toen hij even later met een reeds gevild biggetje terugkeerde, was -hij zijn gramschap vergeten. „Daar heb je mosjeu!” riep hij vergenoegd -uit. „We hebben er voor morgen ook nog zat aan. Is ’t geen mooi -portretje? Hij zei nog, dat z’n pootjes het lekkerst bennen—nou, geef -m’n spies dan maar eens hier, Hajo, dan zullen we eens kijken of hij de -waarheid heeft gesproken!” - -Den rooden weerschijn van de oplaaiende vlammen tegen het naakte -bovenlichaam, stond Harmen zijn biggetje te braden; hij scheen een ware -duivel, zooals hij grinnikend de speer, met aan het uiteinde de -sissende, vetdruipende bout, in de vlammen draaide. - -Grotesk nabootsend elke beweging, stond zijn schaduw fantastisch-groot -tegen den kalen rotswand aan de overzijde. - - - - - - - - -DEN DANS ONTSPRONGEN - - -Al vroeg in den volgenden ochtend werden de zwervers wakker door het -verwoed gekrijsch van een paar dozijn kleine apen, die den rotswand aan -de overzijde op en af snelden, met handen en voeten zich klemmend aan -de steenpunten. Ook in de boomen daarboven krioelde het. Onze vrienden -schenen midden in een apenkolonie te zijn verzeild. - -De zon was er nog niet. Tegen den licht-grauwen hemel gloeiden een paar -roodgrijze wolkjes. In het Zuiden trokken kalongs voorbij in de -richting van de kust. Traag, nog trager dan ’s avonds, wanneer ze op -plundertocht uitgaan, vlogen de reusachtige vleermuizen, nu verzadigd, -achter elkaar aan naar hun dag-slaapplaatsen terug. De vlucht -verbreedde zich: nu streken er ook recht over de hoofden der knapen -heen. Maar eindelijk sloten ze minder dicht aaneen. Nog een paar -achtergebleven schrok-ops, die van de vruchten niet konden -scheiden!—voorbij was de stoet. - -Nu kwamen van het Westen, in tegenovergestelde richting, zwarte wolken -aandrijven. Onheilspellend doemden ze achter den rotswand aan de -overzijde op, maar, recht boven de kloof gekomen, gingen de koppen -gloeien, en het was, als aarzelden ze verder te gaan. Van achteren -echter stuwden de anderen op, en zoo schoof allengs een zware, zwarte -wand over de kloof, die nu iets van een langen, griezeligen grafkelder -kreeg. - -De jongens lagen achterover op hun bed van varens en staarden half -wakker naar boven. Alles was duister en geheimzinnig: die zwarte -lijkdoek hoog boven de kloof, de grijze rotswand voor hen, waartegen nu -en dan een licht buikje van een aap glansde, die donkere boomen daar -heel in de hoogte..... Het schuimende water schitterde hel op uit al -die donkerte, en het geruisch scheen sterker te worden, naarmate de -druk in de natuur de andere geluiden verstommen deed. De aapjes -krijschten nu niet meer, sprongen zwijgend, haastig op en neer, soms -vanaf een rotspunt als boosaardige duiveltjes de jongens aanloerend met -vinnige oogen, of den bek opensperrend, dat de hoektanden geheel bloot -kwamen. - -Geheel onverwachts, alsof er plots een reusachtige dievenlantaren -geopend werd, sloeg een valsch goud licht van onderen tegen de zwarte -wolken op. En het werd nog stiller. Het ruischen van het water kreeg -zoo’n macht over de jongens, dat het hun toescheen, of ze nooit iets -anders gehoord hadden en zij ook nooit meer iets anders hooren zouden; -in den ban daarvan lagen ze futloos neer, en hun gedachten konden zich -niet boven het ruischen uitwerken. - -Maar daar begon het uit den hemel te lekken. Warme regendroppels vielen -hun op het lichaam en wekten hen uit hun versuft luisteren. Terwijl het -apenvolkje met haastige sprongen naar hun nesten hoog in de boomen -vluchtte, richtte Rolf zich eensklaps op en keek den anderen verschrikt -aan. „Jongens! Het gaat regenen! En de rivier..... zal volloopen!!” - -Harmen, Hajo en Joppie waren in één sprong overeind. Ze moesten hier -weg, dat begrepen allen, en hals over kop werd alles bijeengepakt. De -overgebleven varkensbout was spoorloos verdwenen,—Harmen vond nog juist -even tijd den bijawak van den roof te verdenken en in het algemeen zijn -meening over bijawaks uiteen te zetten. Toen werd Padde opgenomen, en -voort ging het.....! - -„’t Zou niks lollig zijn als we verdronken!” meende Harmen. „Alle -moeite en kosten voor niks geweest, hè?” - -Uit de vallende droppen werd een regen. Langs beide rotswanden vloeide -het water omlaag. - -Na een half uur was het riviertje zooveel breeder geworden, dat het pad -aan den kant onder water stond. - -Joppie plaste met groote sprongen door het water, dat hem al bijna tot -aan de borst reikte. En plots dreef hij af, trachtte vergeefs tegen den -snellen stroom in te zwemmen, werd meegesleurd tot hij zich op een -hoogen steen in veiligheid wist te brengen. Met verschrikte oogen, -zacht jankend, wachtte hij de jongens op. - -„Als het water blijft stijgen, staat ons hetzelfde te wachten”, zei -Rolf bezorgd. - -„Waren we maar nooit in die smerige kloof gegaan!” jammerde Padde. „Ik -had al zoo iets gedacht!” - -De anderen luisterden niet naar Padde’s wijsheid achteraf. „Kom dan -maar hier, mormel!” zei Harmen en nam Joppie onder den arm. „Jij bent -ook een mensch!” Joppie begon Harmen’s gezicht met de tong schoon te -wasschen,—waartegen Harmen zich niet anders dan door een reeks -verwenschingen kon verweren, want hij had beide armen vol. - -Dolimah waadde zwijgend tusschen de anderen voort, nu en en dan angstig -omziend. - -De hemel werd minder donker; de regen nam in hevigheid af. Maar het -water steeg, steeg tergend zeker. Het reikte hun al boven de knieën, en -Padde’s draagstoel dompelde telkens onder, wanneer Hajo of Rolf in een -kuil trapte. Dan stak Padde vlug zijn hoofd op, om althans dat boven -water te houden. Gewoonlijk deed hij het te laat. - -Het ging er om spannen! Nog altijd rezen de meedoogenlooze steenen -wanden even steil en onbeklimbaar omhoog, en het water begon tot aan -den buik te reiken, zoodat Padde rechtop moest gaan zitten. - -„’k Heb zoo’n honger.....” klaagde Harmen. Geen der anderen leed in -deze hachelijke oogenblikken aan honger. - -Ze kwamen aan stroomversnellingen. Dat werd lastig. Onstuimig danste -het water tusschen de steenen voort. Terwijl ze voorzichtig trachtten, -Padde over de gevaarlijke plaats heen te helpen, gleed Rolf uit; -daardoor ontglipte de draagstoel aan Hajo’s vingers, en Padde ging -samen met Rolf kopje-onder. Ze kwamen weer boven, tolden in het water -voort. Rolf tornde tegen een grooten steen op, wist zich er op te -werken en zag verward naar de anderen rond. Padde dreef door, -ploeterend met armen en beenen.....!—Maar in hetzelfde oogen blik had -Hajo zich voorover in het water geworpen en zwom nu achter Padde aan, -met krachtige armslagen. Hij won terrein, kreeg den spartelenden Padde -bij zijn beenen te pakken, trok hem al zwemmende naar links, waar het -water het ondiepst was, kwam daar overeind te staan en hielp Padde ook -op de been. Hulpeloos en verschrikt, zich nog moeilijk staande houdend, -klemde Padde zich aan zijn makker vast. - -„Pak ons maar bij den arm, Padde!” zei Rolf, die hijgend kwam aan -waden. „Het loopt niet moeilijk met de stroom mee. De draagstoel is -weggedreven.” - -De angst in het hart, vervolgden de jongens hun tocht, Padde -strompelend en vallend, maar de anderen hielden hem stevig vast, al -liepen ze zelf ook al met knikkende knieën..... - -Ze kwamen een bocht om, en Harmen stootte een kreet uit..... de kloof -sloot zich van boven; het water stroomde een donkere grot in. Wat te -doen?! De jongens staakten ontzet hun loop. Nergens konden ze naar -boven; er was maar één uitweg..... „De grot in!” beval Rolf. - -„Ik durf niet.....!” snikte Padde. - -„Kom mee!” zei Rolf onverbiddelijk. - -En de jongens liepen de grot in. Dolimah aarzelde even; toen stuwde de -stroom haar vanzelf de grot in. Ook Joppie in Harmen’s armen was -benauwd.—„Ja, nou moet jij nog gaan gillen ook!” mopperde Harmen. „Dan -ga je meteen overboord, begrepen?” - -Joppie begreep. - -De boven- en zijwanden van de grot waren glinsterend-zwart van het -water, dat er langs neer vloeide, en hier en daar was de grot zoo laag, -dat de jongens er slechts met gebukt hoofd konden loopen. Overigens -scheen ze als vergaderzaal voor vleermuizen gebezigd te worden, die -rumoerig piepten bij het onverwachte bezoek. Maar de jongens merkten ze -nauwelijks op, schrikten hoogstens even, wanneer er hun een langs het -gelaat fladderde. Voort! Gejaagd, nu en dan het hoofd stootend in de -duisternis, strompelden ze door het water, den blik star vooruit, of -nog geen lichtschemering het einde der grot zou aankondigen. Padde kon -zich niet meer op den been houden, werd half gedragen. En Harmen was te -bewonderen om den leeuwenmoed waarmee hij Joppie nog torste, die toch -op den duur zeker geen vrachtje was waarmee te spotten viel. Werd de -kloof nog donkerder.....? Padde snikte, leunde zijn hoofd op Hajo’s -schouder en verzette nauwelijks meer zijn beenen, toen.....! - -„Licht!” riep Hajo. „Het wordt weer licht!!” - -Dat staalde de spieren. Hijgend, met opgetrokken schouders, als drukte -de duisternis op hen, ontvluchtten de jongens de griezelige, -angstwekkende grot met haar muffe lucht en haar vleermuizen. Ja! daar -was het einde! Daar was het daglicht weer, heerlijk daglicht! - -Ze kwamen de grot uitwaden, zagen om zich heen en haalden diep adem van -verlichting. De rotswanden waren spoorloos verdwenen, als weggetooverd -door een goede fee, en aan beide vlakke oevers stonden boomen. In een -plotselinge opwelling, met een vreugdesnik, wierpen de jongens zich -voorover, Rolf en Hajo met Padde aan de hand, en Harmen, die Joppie in -zijn nekvel voor zich uit hield, en zwommen naar den wal. - -Ze kropen aan den oever, hielpen Dolimah op den kant. Toen liepen ze -een eindje terug, wankelden tegen de helling der grot op, zochten een -zacht plekje en ploften neer. - -„Hè, Joppie, morremel, zou je nou niet eens: dankje, Harmen zeggen?” - -Joppie lag met den kop op de voorpooten. Hij zuchtte diep, krabbelde -naderbij en legde zich tegen Harmen’s dampende lichaam. - -Oververmoeid sliepen de jongens in. - -De regen plaste. - - - - - - - - -HARMEN EN PADDE OP DE VISCHVANGST - - -Toen de jongens ontwaakten, was het droog. En niet alleen dat. Een -stralend blauwe hemel stond als een koepel boven hun hoofd, en midden -daarin hing een kostbare gouden luchter: de zon. - -Opwekkende geuren wasemde de grond. De natte, glimmende boomen, de -zwartgeregende takken straalden weer felgroene plekken uit, en de lucht -was vol vogelgerucht en bonte wiekglanzen. - -Zie! daar kwam het stroompje de kloof uitdansen, holderdebolder over de -steenen, dat het water hoog opstoof, tintelend in alle kleuren nu de -zon er op scheen. De ingang der grot was feestelijk getooid met bloemen -en varens en zag er zoo lokkend geheimzinnig uit, dat je haast lust zou -krijgen er weer in te gaan. Brrr! - -Terwijl Dolimah met Padde bleef zitten, keken de anderen eens naar iets -als een pad uit, waarlangs ze hun weg zouden kunnen vervolgen. Maar -alles was met dicht struikgewas begroeid, en daar tusschen in stonden -als grimmige kampvechters de boomen te worstelen om licht en leven. Hoe -er door te komen? - -Harmen dacht voorloopig alleen maar aan zijn maag, vond enkele eetbare -vruchten en keerde daarmee terstond terug om een vuurtje te maken -waarin hij de vruchten kon poffen. Na veel moeite wist hij uit een paar -splinters een vlammetje te tooveren. „Hajo!” riep hij, „zou je voor de -kombuis niet eens een paar vette duiven kunnen proviandeeren? Ze zitten -hier zat; je moet ze maar fluiten!” - -Hajo kwam juist met Rolf aanloopen. „Ik heb nu geen tijd!” riep hij -opgewonden. „Rolf weet er wat op om naar zee te komen. We laten ons de -rivier afzakken! Met een vlot!” - -Harmen vergat de duiven, sperde aangenaam verrast zijn mond open. „Daar -heb je me voor!” bekende hij. En zonder talmen ging hij met zijn -makkers aan het werk. - -Ze kapten eerst een twintigtal stevige bamboes, die ze op een lengte -van vijftien voet terugbrachten, daarna nog evenveel stelen van tien -voet en maakten daaruit den onderbouw. Gelukkig tierde er welig -rotan,—waar was dat in het woud eigenlijk niet het geval? De jongens -ontdeden de buigzame, taaie stengels van de doornen en gebruikten ze om -de dwarse bamboes stevig over de andere te snoeren. - -Dolimah was komen kijken. „Bekin apah?” vroeg ze. „Wat wordt hier -gedaan?” - -„We maken een vlot om de rivier mee af te zakken!” - -Dolimah keek peinzend toe, terwijl de jongens hijgend over het -vlot-geraamte kropen en trokken en zwoegden, dat het zweet hun onder de -haren wegdroop. „De rivier gaat naar zee”, zei ze na eenig zwijgen. -„Alle rivieren gaan naar zee.” - -„Nu, dat willen we immers ook!” meende Rolf. - -„En dan?” vroeg Dolimah zacht. „Als u bij de zee is aangekomen.....?” - -„Dan varen we naar Bantem! We zullen wel ergens een boot vinden.” - -Dolimah zei niets meer, ging zwijgend bij Padde zitten. - -Na een paar uur was het geraamte voor het vlot gereed. Drie vaardige -scheepsjongens, die drie knoopen sloegen in den tijd, dat een landrot -nog nadacht hoe hij beginnen zou! Harmen liep de knoopen nog even af, -alsof ie de bootsman zelf was. „Als de boel gaat wrikken, is de schuit -geen pruim meer waard!” verzekerde hij vol vakkennis. - -„Nu moeten we eens aan een bovenbedekking gaan denken”, zei Rolf. „Als -we er eens half gespleten bamboetjes overheen bonden?” - -„Je kan er voor mijn part net op binden, wat je maar wilt”, verzekerde -Harmen. „Al wou je er acht dozijn ouderlingen op binden, met de neuzen -naar boven en de bijbel in de hand. Maar Harremen zal eerst eens zien -of er niks te bikken valt!” - -„We kunnen wat gaan visschen!” meende Padde vanaf zijn helling. - -Padde was soms toch snuggerder dan je dacht. Vooral in het oplossen van -etensproblemen. - -„Zou hier in het water visch zitten?” vroeg Hajo. - -„In het water eerder as op de boomen”, verzekerde Harmen. „Je kunt eens -een lijntje uitgooien, hè? En als ’t niet wil bijten, spuug je maar -eens in het water, dan komen ze. Ga daar maar in dat kreekje liggen, -Padde. Daar lig je goed.” - -„Hoe kom ik aan een simmetje?” vroeg Padde. - -„Had ik m’n broek nog maar”, zuchtte Harmen. „Daar zaten haakjes zat -in; ik kon m’n hand niet in m’n zak steken, of er bleven er een paar -aan m’n vingers hangen. ’k Heb altoos graag mogen visschen.” - -„Een bamboezen haakje is ook hard genoeg”, meende Rolf. - -„En ik heb nog wat pikdraad in m’n zak!” zei Hajo. - -„Hier d’r mee!” beval Padde, die kwam aansukkelen en al weer vrij -aardig ter been scheen te zijn. Visschen was altijd zijn -lievelingswerkje geweest. „Ziezoo. Gaan jullie maar door met het vlot, -dan zal ik voor een lekker maaltje visch zorgen.” - -„Laat mij eerst ’t goede plekkie zoeken”, zei Harmen. „Anders vang je -nog niks.” - -„Ik weet de goeie plekkies ook wel te vinden!” verzekerde Padde. - -„Ja, om te maffen”, schimpte Harmen. „Kom mee!” - -Terwijl Padde en Harmen ter vischvangst togen, Padde zich mopperend -verwerend tegen Harmen’s bazigheid, halveerden Hajo en Rolf dunne -bamboetjes en legden die met den bollen kant naar boven over het -vlotgeraamte. Met dunne, gespleten rotanstengels werden ze -vastgesnoerd. - -Het werkje vroeg veel tijd. Na een paar uren was pas de helft van het -vlot bekleed. „Kom”, zei Rolf, „de zon gaat al onder! Laten we eens -gaan kijken, wat de visscherij heeft opgeleverd!” - -„Padde kan het goed”, verzekerde Hajo. „Hij kwam altijd met de meeste -visch thuis.” - -„Nou, m’n maag kriebelt al!” zei Rolf. En beide vrienden begaven zich -naar de kreek waar Harmen en Padde zwijgend naar een bamboedobbertje -zaten te koekeloeren. Padde was kletsnat. - -„Wil ’t wat bijten?” vroeg Hajo. - -Eerst geen antwoord. Toen pruttelde Padde: „Als Harmen zijn vingers -maar thuis hield!” - -„Wil je ’t water weer invliegen?” vroeg Harmen. - -Padde zweeg, woest. - - - -Toen de beide visschers naar de kreek waren getogen, had Harmen eerst -een hengelstok gesneden, er een fijn „simmetje” aan gemaakt, met aan -het bamboehaakje een vette dauwpier, die ze uit den grond hadden -geklopt. „Ziezoo, nou nog een goed plekkie! Daar onder die boom lig je -goed: onder een boom lig je altijd goed”, zei Harmen. - -„Ik wil visschen”, verklaarde Padde. „Ik ben op de gedachte gekomen!” - -„Zien, dat je er weer afkomt”, raadde Harmen. „Jij kunt met je -knipoogen immers geeneens zien, of je tuk hebt?” - -„Misschien beter dan jij!” schimpte Padde verontwaardigd. „’k Ben al -eens met vijftien vette palingen thuis gekomen!” - -„Dan had je zeker een fuikje gelicht”, meende Harmen. „Nou, hou je -gemak maar, baron, we zullen hier eens netjes gaan liggen. Niet te diep -en tegen de kant,—daar zitten ze.” - -Er werd eenigen tijd gezwegen. Beide jongens tuurden naar den dobber, -Padde stug, jaloersch dat Harmen den hengel hield; Harmen vol rustig -vertrouwen, dat hij wel gauw „tuk” zou krijgen. - -Maar er kwam geen tuk. De dobber tolde wat rond, dreef langzaam tegen -het riet. Harmen trok hem weer wat van den kant, wierp een handjevol -zand en kiezel in het water. „Daar komen ze op af”, lichtte hij toe. - -„Of ze zwemmen er voor weg”, zei Padde. - -„’k Wou, dat jij ook maar wegzwom!” verzekerde Harmen. - -Zwijgen. Beide jongens tuurden naar den dobber, die weer langzaam tegen -den kant dreef. - -„Spuug eens in het water?” vroeg Harmen. „Om ze te lokken?” - -Padde spuwde een bijzonder verlokkende witte vlok op het water. - -„Spuug nog eens?” - -„’k Heb geen spuug meer”, zei Padde, onwillig om bij te dragen tot -Harmen’s succes. - -„Wat een vent!” smaalde Harmen. Hij schraapte zijn keel en spuwde -vijfmaal achtereen in verschillende richtingen over het water, dat de -visschen zelf waarschijnlijk niet wisten naar welken kant zij zich -gelokt voelden. „Weet je wáár visch zit?” vroeg Harmen. - -„Jawel”, zei Padde, „daarginds, waar de kreek in het riviertje loopt.” - -„Neen. Bij Lubbes, achter ’t dijkje, bij de molen van Stoppel.” - -„Zal ik niet weten!” zei Padde. „Wurmen zijn er ook zat. Laatst was ik -m’n bussie verloren, en toen moest ik daar versche wurmen zoeken. -Zooveel als je maar lustte, hoor!” - -„Je bussie verloren?” vroeg Harmen na eenig turend zwijgen, (de jongens -spraken met groote pauzen en staakten het gesprek zoodra er eenige -beweging in den dobber scheen te willen komen) „je bussie verloren? -Bewaar jij je wurremen in een bussie?” - -„En jij dan?” vroeg Padde. - -Pauze. Zwijgen. Turen. - -„In m’n mond natuurlijk”, zei Harmen. „Dan blijven ze lekker -versch.—Weet je wat me laatst overkomen is?” - -„Nou?” - -Lange pauze. - -„Toen is me zoo’n mormel in m’n strot gekro.....” - -Pauze. - -„In m’n strot gekro.....” - -Lange pauze. - -„In m’n strot gekropen, de sallemander! Van schrik slikte ik de anderen -ook nog in. ’k Had juist een reuze-tuk, anders had ik ’t natuurlijk wel -gemorken.—Laatst gooi ik in. Wip! schiet er een bleitje op, een klein -pest-dingetje. Maar meteen, dat ik ’m opsla, hap! zit er een snoek -boven op. Ik laat vieren.....” - -„Harmen! Je hebt tuk.....!” fluisterde Padde. - -Het dobbertje wipte even omhoog. Bleef weer stil liggen. Twee paar -oogen blikten star op het houten schijfje daar in het water. - -„Zal ik niet merken, als ik tuk heb!” smaalde Harmen na een diepen -zucht. „Nou, die snoek zat er dus bovenop, hè? Ik liet ’m vieren.....” - -Maar Harmen’s snoek verhaal had geen geluk: weer scharrelde het -dobbertje heen en weer en deed Harmen verstommen. - -„Haal op!” gilde Padde met onderdrukt geluid. - -Harmen schudde het hoofd zonder een oogenblik zijn blik van den dobber -af te wenden. „Hij zuigt ommers pas!” - -„Haal op!” raasde Padde. „Hij vreet je heele haak schoon!” - -„’t Is geen vreten”, verklaarde Harmen, koppig. „’t Is zuigen.” - -Lang zwijgen. Nu en dan roerde zich het dobbertje onmerkbaar. De oogen -deden pijn van het staren. Harmen had zijn snoek al zoover gevierd, -minstens tot China of Japan, dat hem tenslotte de lust verging, het -lang-dradige verhaal nog verder te vieren en hij den snoek dus maar -zwemmen liet.—Het dobbertje roerde zich thans in het geheel niet meer -en lag weer tegen het riet. - -„Wat een sagrijn was dat!” zei Harmen. „Zuigen maar, anders kon ie -niks.” - -„Wedden, dat ie je haak heeft schoongevreten?” stelde Padde voor. - -Harmen aarzelde nog even, haalde toen met een verwensching een -„schoonen” haak op. - -„Zie je nou wel?” vroeg Padde zegevierend. „Ik zag het wel, dat ie ’m -schepte! Als je hem had opgehaald, toen ik het je zei, hadden we hem -gehad.” - -„Vooruit, vang jij ’m dan!” smaalde Harmen en reikte Padde den -hengelstok. - -Padde zweeg, wurmde een pier aan den haak. „Ik ga daarginder liggen!” -verklaarde Padde. „Waar jij lag, is ’t een rotplekkie.” - -„Jij zoekt zeker weer naar ’t zeeziekvrije plekkie?” vroeg Harmen -hoonend. - -Zwijgen. De knapen waren op Padde’s uitverkoren plekje aangeland. Met -overleg peilde Padde de diepte van het water, ging toen een handbreedte -boven den grond „liggen”. De jongens wachtten eenigen tijd. In den -dobber viel nog geen beweging te bespeuren. - -„Op dat rotplekkie van mij had ik tenminste tuk”, merkte Harmen op. - -„Ik heb liever heelemaal geen tuk als zoo’n smerige tuk als jij hadt!” -verklaarde Padde. - -„Wat mankeerde er dan aan die tuk van mij?” vroeg Harmen beleedigd. - -„Nou, je hebt toch zelf gezien, dat ie alleen maar zoog?” - -„Wel allemachies!” stamelde Harmen. „En daarnet zei je.....” - -„’t Kan dáárom al geen goeie tuk geweest zijn”, zei Padde, „omdat je -veel te hoog lag. Die tuk van jou was zeker een katterige visch, die -naar boven ging om lucht te scheppen. Daarom beet ie ook zoo slecht!” - -„Toch wou je, dat je hem had, die katterige zuigvisch!” zei Harmen. - -Zwijgen. Turen. - -Eindelijk..... daar roert zich iets! Harmen grijpt, starend naar het -dobbertje, den hengel beet. - -„Laat je los?!” dreigt Padde. - -„Ssst! Ik help je alleen maar wat.” - -„Je zei, dat ik alleen mocht visschen!” - -„Nou goed dan, we visschen allebei alleen!” En Harmen rukte Padde den -hengel uit de handen. „Nou heb je je zin, gouwe pil! Visch nou maar -alleen.” - -Pats! Die had Harmen te pakken. Zijn wang zwol er van op. „Die is voor -jou!” verklaarde Padde ten overvloede. - -Harmens oogen rolden. Hij kon vanwege den tuk zijn hengel niet -loslaten, en daaruit maakte Padde wel wat voorbarig op, dat Harmen den -mep in dank aanvaard had en slechts zweeg omdat tranen van aandoening -hem de keel snoerden. Padde’s eigen gemoed was gelucht en daarmede zijn -boosheid geweken. „’t Is een groote!” fluisterde hij Harmen -vertrouwelijk toe. „Haal niet te vroeg op: ik zie aan je tuk, dat het -een groote is!” - -Harmen zweeg, staarde naar den dobber als naar een doodsvijand. - -Floep! daar schoot het dingske onder. Harmen sloeg op, trok een grooten -visch te voorschijn, maar halverwege wist de schrandere waterbewoner -zich nog juist van het haakje te bevrijden, plaste op echte -visschenmanier weer terug in zijn element, en de jongens hadden het -nakijken. - -„Veel te woest opgehaald!” stelde Padde vast. „Je hadt.....” - -Het was Harmen’s eigen schuld, dat hij niet meer vernam wat hij had -moeten doen om den visch aan den wal te lokken. Want nog vóór Padde had -uitgesproken, wierp Harmen den hengel neer, sprong op Padde toe, hief -hem half boven het hoofd en slingerde den armen, zich in het geheel van -geen schuld bewusten jongen achter den visch aan. Ellen hoog spatte het -water op; Padde ging kopje-onder, kwam weer boven, keek verward -tusschen zijn lange haren door, die voor zijn gelaat hingen, en -krabbelde toen naar den oever, waar hij in grimmig zwijgen vergeefs -naar een kleedingstuk zocht om uit te wringen. - -Ditmaal was het Harmen, die zijn gemoed gelucht voelde. „Ja, Padde, als -jij in het water gaat spartelen en alle visschen de stuipen op het lijf -jaagt, moeten we een ander plekkie zoeken!” verweet hij vriendelijk, -terwijl hij een verschen dauwpier een bamboezen ruggegraat schonk. „’k -Had ’m anders op een haartje, zeg! Zou het een karper zijn geweest?” - -Padde kookte inwendig nog. Bij gebrek aan beter was hij zijn haar gaan -uitwringen, dat daarna in Vesuvius-vorm op zijn hoofd bleef staan. „’t -Was geen karper!” snauwde hij. „’t Was een doodgewone rot-blei.” - -„Nou, jij kunt het weten!” zei Harmen. „Jij hebt hem van dichtbij -gezien, hè?” En Harmen begon te grinniken. „Kijk, zoo heb ik met Lange -Lijs nou ook gedaan, toen ie me dat snoekje afkaapte. Maar die trof het -niet zoo goed als jij: ’t was midden in de winter, weet je, en dan heb -ik liever soep als slootwater in m’n maag. Wasch jij je ’s winters? Ik -alleen als als ik vuil ben. Je krijgt er rimmetiek van!” - -Harmen liep een eindje de kreek om. Padde aarzelde even, wilde -teruggaan naar de anderen, maar zijn visschershart maakte hem zwak: hij -keerde om en ging triest en zwijgend bij Harmen zitten. - -Zoo troffen Hajo en Rolf hen. En zij schenen het geluk mee te brengen: -de dobber schoot weg; Harmen haalde op, en aan den haak spartelde een -groote, karperachtige visch. - -„Voorzichtig inhalen!” raadde Padde, in hooge mate opgewonden. En zoo -kwam de visch onder algemeene hoede op het droge! - -Een half uur later siste en knapte hij in de vlammen. Want toen Harmen -wat te braden had, won de kok het van den visscher, en Padde kon op -zijn eentje rustig doorhengelen. - -„Nou”, zei Harmen, „nou kunnen we gaan bikken! Vet zullen we er niet -van worden, maar als de maag maar weet, dat we ’m niet vergeten, is ie -al half tevreden, de slobber.” - -„Misschien vangt Padde er nog wat bij”, meende Hajo. - -„Laat ie maar oppassen”, zei Harmen, bezorgd. „Straks valt ie ’t water -nog in!” - -Maar even later kwam Padde met twee zware visschen aanzetten. - -„Die heb je zeker met je knipoogjes beduveld!” zei Harmen, pakte de -visschen aan en woog ze in de hand. „Samen wel acht pond!” verzekerde -hij. En de schubben stoven al in het rond, plakten hem op de polsen, in -het haar, op de wangen, in de wenkbrauwen, totdat Harmen tenslotte zelf -veel van een visch had. - -„Ze smaken fijn!” verklaarde hij, toen de visschen even later „op -tafel” kwamen. „Ze smaken net als..... fijne, dure visch, als.....” - -„Als zalm, bedoel je?” vroeg Rolf. - -„Dat ken. De schipper en de heeren hebben het gegeten, toen we -uitzeilden.” - -Rolf keek hem glimlachend aan. „Zeg, Harmen, hoe weet jij nou hoe die -visschen smaakten? Op dat afscheidsdiner was jij toch niet gevraagd?” - -„Nou, als je het nou weten wilt”, zei Harmen, „deze visch smaakt, -zooals die van de schipper rook!” - -Allen lachten. Harmen grinnikte er boven uit. - - - - - - - - -DOLIMAH’S HEIMWEE - - -Na het eten gingen de jongens genoegelijk bijeen zitten; zij waren over -hun dag tevreden. - -„Morgenochtend komen we met het dek wel klaar”, zei Rolf. „En dan -moeten we er nog een of ander roer aan zien te maken!” - -„En vóórop komt de kombuis!” riep Harmen uit. - -„En dan laten we het van stapel loopen!” zei Hajo. „Zou het gaan?” - -„Welja”, zei Rolf. „Als Padde ook een handje helpt.....” - -„Ja, als Padde helpt, krijgen we het zeker wel het water in!” hoonde -Harmen. - -„Weet je wat leuk zou zijn?” vroeg Hajo. „Als we er voor Dolimah een -roefje op bouwden!” - -Het meisje schrikte op, toen ze haar naam hoorde. - -„Waar denk je over?” vroeg Rolf. „Je bent de heele avond al zoo stil?” - -Dolimah zweeg even. Toen trilde het om haar mondje; ze wilde wat -zeggen, kwam niet uit haar woorden. Een groote traan welde in haar -oogen op. - -Harmen keek haar medelijdend aan. „Ze wil weer naar d’r -menscheneters-dorp terug”, zei hij. - -„Wil je naar je kampong terug, Dolimah?” vroeg Rolf zacht. - -Het meisje sloeg de lange wimpers neer en knikte zwijgend. - -Even zwijgen. De vroolijke stemming was met een slag verbroken. - -„Hoe wou je teruggaan?” vroeg Rolf met onvaste stem, maar, als een man, -de feiten nemend zooals ze nu eenmaal lagen. „Toch niet weer door de -kloof?” - -„Neen”, zei Dolimah. „Ik steek hier den stroom over en volg dan de -kloof aan den anderen kant. Saleiman heeft beloofd, mij verder te -brengen.” - -„En als je thuis komt, wat zal er dan met je gebeuren?” - -„Ik weet het niet. Ik durf er niet aan te denken.” - -Rolf keek peinzend voor zich uit,—wendde zich toen tot zijn makkers. -„Jongens, we..... we moeten haar terugbrengen.” - -„Goeie morrege.....!” stamelde Harmen. - -„Ja, het gaat er hier niet om, of we het plezierig vinden of niet”, zei -Rolf, plots driftig. „We kunnen haar niet alleen laten gaan! En als jij -er geen lust in hebt, blijf je maar hier.” - -„Geen lust.....!” schimpte Harmen. „Dat we haar niet aan haar lot -kunnen overlaten, nu ze ons eerst uit de knoei geholpen heeft, hoef je -Harremen niet te vertellen! Maar daarom hoef je nog niet te vragen, of -ik er zoo’n lust in heb.....!” Harmen’s stem versmoorde; dikke tranen -sprongen hem in de oogen, en hij sloeg met de vuist op den grond. - -Toen zei Padde zacht, met afgewend gelaat: „Ik ga niet mee.” - -„Spuit nommer elf!” schimpte Harmen driftig. „Scháám jij je niet!” - -Padde gaf geen antwoord, ademde diep. Tenslotte zei hij: „’k Zou wel -willen. Maar ik..... ik kan niet meer terug.” En plots uitbarstend in -snikken. „’k Wil naar m’n moeder!” - -„Oh! Daar moet er een naar z’n moetje! Zou je geen zuigdot meenemen?” -Maar Harmens stem klonk verdacht heesch. Juist alsof ook hij..... - -Dolimah had verschrikt toegezien wat haar woorden uitwerkten. „Ik wil -niet, dat u mee terug gaat!” stamelde ze. „Dat wil ik niet! Ik vind den -weg alleen.....!” - -Rolf schudde het hoofd. „We brengen je tot Saleiman, Dolimah.” - -„Oh, maar, dan..... dan ga ik niet weg! Dan blijf ik bij u!” - -„Wees niet onverstandig, Dolimah”, zei Rolf. „Je zou je het terugkeeren -nog maar moeilijker maken, want vandaag of morgen wordt je verlangen je -toch te sterk.” - -Dolimah vocht tegen haar tranen, begon toen zacht te snikken. - -„Tja, wat zullen we nou doen?” vroeg Harmen droefgeestig. - -Rolf haalde schouders op. „Vanavond kunnen we hier in geen geval weg. -We zullen morgenochtend eens zien.....” - -Zwijgend bleven de jongens zitten. Ze voelden wel, dat Dolimah’s -heengaan onvermijdelijk was. Wanneer ze morgen ook al besloten had, met -hen verder te trekken, dan zou toch het oogenblik komen, dat het -verlangen naar huis haar te machtig werd. Zij voelden het als hun -ridderplicht, haar terug te brengen, maar de gedachte, weer van zee af -te gaan, waar ze nu al zoo dicht bij moesten zijn,—dit land weer binnen -te dringen, dat hun nog even vreemd was als toen ze het voor het eerst -zagen en dat hun met den dag angstwekkender en meedoogenloozer scheen, -joeg hun een rilling door de leden. - -Maar allengs werden bij het gezang der krekels en het vriendelijk -ruischen van het bergstroompje die zwarte gedachten in slaap gewiegd. -Harmen stond op, gooide wat vochtig hout op het vuur om door den rook -de muskieten te verdrijven. Wacht maar: morgen zou Dolimah wel weer vol -moed zijn! Ze had haar verlangen naar huis nu uitgesproken, dat deed -een mensch goed! Ze zouden allemaal lief voor haar zijn, dan vergat ze -haar dorpje wel! En morgen zouden ze op het vlot een keurig roefje voor -haar bouwen, krek of zij de schipper was aan boord! - -Met die plannen sliepen de jongens in. - - - -Dolimah snikte nog lang. Stil lag het meisje; zachtkens vloeiden de -tranen haar over de wangen; slechts nu en dan ging er even een schok -door de tengere schoudertjes. - -Eindelijk had ze al haar opgekropt leed en verlangen uitgesnikt en kwam -ze tot rust. Ze hoorde, dat alle vier jongens sliepen. Duidelijk -onderscheidde ze Rolf en Hajo’s rustige ademhaling, Harmen’s gesnurk, -Padde’s kortademig geblaas. - -De maan kwam tusschen de boomen op. Ze was bijna vol. - -Rustig overdacht Dolimah nu wat haar te doen stond. En na eenig peinzen -had ze een besluit gevat. Voorzichtig stond ze op, spiedde even rond en -begaf zich toen naar den boschrand, waar witte bloemen glansden. Ze -plukte de mooisten, die ze vond, en kwam even later met de armen vol -bloemen terug. - -En nu volvoerde ze haar plan: ze legde naast Harmens gelaat een bloem -neer, zoo, dat de geur hem in den neus moest dringen. Na eenig weifelen -wien ze nu bedeelen zou, legde ze er een voor Padde neer en daarna voor -de anderen. - -De maan was een weinig geklommen en bescheen de slapenden. Dolimah keek -lang naar hen, van den een naar den ander en van den ander naar den -een, en haar oogen vulden zich weer met tranen. Toen deed de schorre -roep van een boschpauw haar uit haar mijmering wakker schrikken; ze -opende haar armen, dat de bloemen, die ze nog omklemde, aan de voeten -der jongens neervielen. - -„Zul je me geleiden, lieve, zoete maan?” vroeg Dolimah. „Zul je mij -voor booze geesten beschermen?” - -Ze trok haar sarong tot boven de knieën op en waadde, tastend met de -voeten, als een kleine water-fee door een ondiepe plaats van het -stroompje. Voor ze aan den overkant de helling opging, keek ze nog even -om naar de jongens. „Jou, lieve, goede Dajik, zal ik alles vertellen”, -prevelde Dolimah. - -Zacht snikkend kwam ze boven aan de helling, wierp nog een laatsten -blik achterom en volgde toen met haastige schreden de richting van de -grot. - -Boven haar stond een sterrenhemel; zij wandelde in een schatkamer, tot -aan den nok gevuld met diamanten, smaragden en robijnen..... - - - - - - - - -PADDE STUIT OP EEN MENSCHENETER - - -Toen de jongens den volgenden morgen merkten, dat ze te midden van -bloemen lagen en Dolimah’s slaapplaats verlaten zagen, begrepen ze. Ze -konden hun tranen niet bedwingen en schaamden er zich niet voor. - -„Wat moeten we doen?” vroeg Harmen. - -„Niets”, zei Rolf mat. „We kunnen haar toch niet meer inhalen.” - -De jongens zwegen even. „Wat een schat van een meid, hè?” viel Harmen -plots uit. „Om die bloemen hier neer te leggen!” - -Rolf haalde diep adem, als drukte hem iets op de borst. „We moeten hier -weg”, zei hij. „Ik..... ik houd het hier niet meer uit!” - -„Rolf!” snikte Padde. „Ik óók niet! Soms voel ik het ineens. Nu Dolimah -weg is.....” - -Met een ruk sprongen de jongens overeind. Vooruit! Niet meer getalmd! - -Verwoed gingen ze verder met den bouw van het vlot. Het was, of hun -strijd eensklaps grimmiger was geworden. Met opeengeklemde tanden -werkten ze. Zonder scherts. Zonder kleine kibbelarijen. Ze moesten -Bantem bereiken,—de handen ineen, jongens! Geef den moed niet op! Padde -ging weer visschen in de kreek, om leeftocht op te doen; Hajo hakte -rotankoorden voor het vlot; Harmen en Rolf spleten bamboetjes en -snoerden ze vast op het houten geraamte. - -De zon scheen; de vogels kwinkeleerden; de bloemen vouwden zich open -voor de kapellen. - -Tegen den middag kwam het vlot gereed. Achterin was een opening gelaten -om een bamboesteel door te steken, die als roer gebruikt zou worden. -„Ziezoo!” zei Rolf. „Nu moeten we het in het water zien te krijgen! Kom -je helpen, Hajo? En jij ook, Padde?” - -Met vereende krachten en na veel wrikken en duwen kregen ze het vlot -drijvend, meerden het met een paar rotankoorden aan den oever. Toen de -jongens aan boord sprongen, scheen het er nauwelijks iets door te -zinken. - -„Ziezoo, nu een paar sterke boomen om het te sturen”, zuchtte Rolf. -„Heb jij nog wat gevangen, Padde?” - -„Een heel zoodje”, zei Padde. „Ze zitten er wel, als je ze maar vangen -kunt.” - -„Wacht! Laten we het vuur niet vergeten!” riep Harmen. Voor op het dek -werd een laagje klei in de bamboe vastgestampt, en Harmen bracht een -paar brandende stukken hout over, waarmee hij een nieuw vuurtje -aanlegde. Toen hakten de jongens nog een paar bamboestelen af, om als -afzetboomen te gebruiken. - -„Alles klaar?” - -„Ja! Kom, Joppie!” - -Joppie sprong aan boord, en de kabels vlogen los. De jongens stuurden -naar het midden van de rivier; Harmen ging met een boom voorop staan, -Hajo en Rolf achterop, zoo hadden ze het vlot goed in bedwang. Padde en -Joppie zagen toe, of alles ging zooals het gaan moest. - -De stroom was sterk, maar gelukkig lagen er geen zware steenen in het -water. Per slot van rekening was het vlot toch maar met touwen -vastgeknoopt, en het zou er bedenkelijk uitzien, wanneer het in een -stevig vaartje tegen een bergsteen zou oprammen. - -Maar nu gleed het snel en veilig voort in de rivier, die zich bij een -bocht nog verbreedde. Zonnehitte zengde den jongens rug en schouders. - -Geen van hen had gelegenheid gehad, nog even om te zien en afscheid te -nemen van de plaats waar ze gisterenavond nog met Dolimah hadden -gezeten. Ze wilden immers ook niet omzien? Voorwaarts! Naar Bantem! -Naar de zee! - -De rivier bood een grootschen aanblik. Duizelingwekkend hoog rezen aan -den oever de stammen op, zoo zwaar, dat drie man ze nauwelijks -omspannen konden. Er waren allerlei kleuren stammen: met donker mos -begroeide en ook gladde, lichtgrijze stammen met schilfers, en -roodbruine stammen, diepgegroefd; dan groeide hier en daar een -waringin, onder welks machtige takken steltwortels stonden als pijlers -onder een brug. En tusschen al die zuilen, waar in grootschen val het -licht doorsloeg, hingen als feestelijke guirlanden de bloemranken der -slingerplanten. - -Bij een nieuwe bocht schoot het vlot onverwachts onder een boom door, -die geheel over het water hing. De jongens zagen geen kans meer de -vaart in te houden en wisten niet beter te doen dan maar vlug door de -takken te klauteren. Allen, ook Joppie, stonden weer op het vlot vóór -het geheel onder den boom was doorgegleden. Allen,—behalve Padde. Die -kwam te laat. Uit kameraadschap trok Harmen zich maar weer aan een tak -op. Het vlot gleed met de anderen voort. Dezen stuurden het naar den -kant en meerden het. - -Padde, verre van dankbaar voor Harmens hulpvaardigheid, ontving hem met -schimpscheuten. „Daar!” zei hij verwijtend, „daar gaat het vlot nou! -Kon jij ’t niet even tegenhouden?” - -„Ik geloof, dat jij het water weer in wilt, leelijke pepernoot!” schold -Harmen. „Alleen om jou te helpen ben ik in die boom geklommen! Ik stond -alweer een uur op het vlot!” - -„Ik wou, dat je d’r nog stond!” verzekerde Padde. „’k Heb die hulp van -jou niet noodig. Ik kom wel alleen aan wal.”—Padde snoof de lucht op. -„Vind je niet, dat ’t hier weer erg naar die vrucht stinkt, weet je -wel: die Hajo en Rolf hebben gegeten?” - -„’k Ruik hier niks”, zei Harmen. „Maar ’k mag lijden, dat ’t daar bij -jou zoo stinkt, dat je van katterigheid de boom uitrolt.—Wat heb je?” -vroeg Harmen verbaasd, toen hij zag, dat Padde met ontzette oogen naar -iets staarde. - -Geen antwoord. Harmen gluurde in de richting, die Padde’s starende blik -aanduidde en.....! Op een dikken tak, behagelijk achterover geleund, -zat een roodbruine, staartlooze aap, zoo groot als Harmen niet geloofd -had dat een aap ooit worden kon. Het dier, dat in den harigen arm een -geopende doerian klemde en daaruit smakelijk zat te eten, had den -kauwenden, angstwekkend menschelijken kop naar de jongens gekeerd, -alsof hij wilde zeggen: „Zoo, zijn jullie daar ook weer?” Hij hield -tusschen de vingers van zijn rechterhand een roomachtig stuk -doerian-vleesch. Een der korte pooten lag vadzig uitgestrekt. - -Het duizelde Harmen. - -Hij wilde „tabeh!” zeggen, slikte het woord echter weer in en staarde, -juist als Padde, betooverd naar den genoegelijk smakkenden mensch-aap. - -Plots scheen het dier vertoornd te worden; het liet de doerian in het -water plonzen, trok grimmig de bovenlip op, zoodat de zware tanden -bloot kwamen. Toen stootte het monster een diep, zwaar gebrul uit, -richtte zich in volle lengte op!..... en twee Hollandsche kwajongens -tuimelden achterover het water in. - -De aap klom traag en log langs zware takken omhoog tot in den kruin van -een boom. - -„Een orang-oetan!” riep Rolf, terwijl hij samen met Hajo de -drenkelingen op het vlot heesch. - -„Gchoskrimmeneel!” stamelde Harmen. - -En Padde’s tong was van den schrik nog verlamd. - -„Wou hij jullie wat doen?” vroeg Hajo. - -„Hij kwam een handje geven!” zei Harmen. - -Padde rilde. - -„’k Had hem nog wel even een mep kunnen verkoopen vóór ik naar beneden -dook!” hakte Harmen op. „Maar ik was bang, dat Padde het kind van de -rekening zou worden! Wil je wel gelooven, dat ik hem eerst voor een -vent hield?” - -Padde vond zijn spraak terug. „Was ’t dan geen vent?!” stamelde hij. -„Ik dacht..... een m-menscheneter!” - -„’n Menscheneter!” schimpte Harmen. „Een doodgewone rot-aap!” - -„Had ik dat geweten.....!” zuchtte Padde. - -„Nou, wat dan?” vroeg Harmen. „Had je hem dan je broek teruggevraagd?” - -„Kom, jongens! We moeten verder!” maande Rolf. - -Ze stootten het vlot weer van den wal en zakten de rivier af tot de zon -onderging en ze voor den nacht een geschikte „ankerplaats” hadden -gevonden. Terwijl de andere drie jongens hun krachten gingen wijden aan -de vervaardiging van nog enkele vischsnoeren, schrapte Harmen Padde’s -vangst van dien morgen schoon. - -Na den maaltijd gingen de zwervers als gewoonlijk nog even bijeen -zitten. Maar Dolimah’s afwezigheid schrijnde. Ze sprongen op, zochten -wat gras bijeen tot een hoofdkussen, gooiden hout op het vuur en legden -zich te rusten. Dicht bij het vuur, waar de muskieten niet zoo gonsden. - -Eerst laat sliepen ze in. Hun gedachten waren bij Dolimah. Hoe ver zou -ze al op weg zijn? Ze zagen haar tenger figuurtje eenzaam dwalen over -het in zonnebrand gloeiende plateau. Een lieven duit hadden ze er voor -over om te weten, of hun kleine, ontrouwe beschermheilige veilig en wel -bij Saleiman zou belanden. - -Hun hart schoot vol. In droef peinzen vielen ze in slaap. - - - -De morgen schonk nieuwe levensvreugde. Toen de jongens ontwaakten, hing -er nog een lichte nevel over het water; het was een weinig frisch. Maar -toen ze even ondergedompeld waren, geplast en geploeterd hadden, werden -ze lekker warm. Padde, die zijn vischtuig in orde had gemaakt met de -bedoeling voor een ontbijt te zorgen, verlangde rust om zich heen, en -de andere jongens gingen op het land wat speerwerpen. Harmen gooide het -minst zuiver van alle drie, maar hij haalde met zoo’n kracht uit, dat -de speer dwars door den stam van een grooten pisangboom vloog en in een -volgenden nog halverwege zitten bleef. - -Ze hadden honger gekregen, en die honger kon bevredigd worden dank zij -het feit, dat Padde in den tijd, dat de anderen zich lekker warm -gestoeid hadden, rillend op den kant van het vlot was gaan zitten en, -turend naar zijn dobber, kort achtereen vier ferme visschen op het dek -had laten spartelen. Schrappen, schoonmaken en braden was voor de -hongerige klanten het werk van een oogenblik. Het warme voedsel smaakte -op de nuchtere maag alsof het in de boter was gebakken. „Ze moeten van -het water in eenen in je maag zwemmen, dan zijn ze lekker!” lichtte -Harmen toe. - -Toen gooiden ze de kabels los en stuurden weer naar het midden der -rivier. - -De zon fonkelde al tusschen de boomen; het was nu heerlijk op het -water. Harmen begon te zingen; Hajo en Rolf stemden er mee in, en -Padde, die op het midden van het vlot met opgetrokken knieën languit -naar den hemel lag te staren, deed een zware bas na en trommelde met de -vuisten op het dek. Toen kon Joppie zijn zanglust ook niet meer -bedwingen. Met Harmens medewerking vloog hij overboord, krabbelde -druipend weer op het dek, begon zich uit te schudden, waarbij Padde met -een verwensching overeind wipte en zijn voet in krachtige aanraking met -Joppie’s zitvlak bracht. Dit waardeerde Joppie zoo, dat hij met -dankbaren oogopslag naar Padde toekroop en zijn voeten schoonlikte. -Toen was de vrede weer gesloten, en hij en Padde vleiden zich als twee -beproefde vrienden naast elkaar in het zonnetje. - -„Zoo’n vlot is je ware!” verzuchtte Padde. „Je komt vooruit en je doet -er niks voor. En ’t ligt hier nog wel zoo lekker als in die smerige -draagstoel van jullie. Daar hing zoo’n allerberoerdst luchtje aan!” - -De anderen vonden Padde wel wat ondankbaar. Maar ze konden hem dat nu -niet onder het oog brengen, daar ze tijdelijk geheel in beslag waren -genomen: de rivier maakte weer een bocht, en hier en daar lagen groote -steenen, die slechts met veel stuurmanskunst ontweken konden worden. - -„’k Wou, dat het maar weer eens ging regenen en het water wat steeg!” -zei Harmen. Maar meteen liet hij, krachtig duwend, het vlot naar den -wal koersen. „Ziezoo!” zuchtte hij, toen het veilig achter een zwaren -boom lag, „kijk nu die kant eens uit!” - -De anderen volgden met de oogen de richting. Tusschen de boomen, een -eind verder aan de overzijde, steeg een blauwig tuiltje rook op, en -toen de jongens scherp toekeken, zagen ze een atapen dak tusschen de -bladeren schemeren. - -Hoe er langs te komen zonder te worden opgemerkt? „Zullen we tot het -donker wachten?” vroeg Rolf. - -„En hier de heele dag zitten koekeloeren?” Harmen trok verachtelijk den -neus op. - -„Als we het vlot eens op z’n eentje voorbij lieten drijven?” vroeg -Hajo. „Dan zullen ze het niet zoo gauw opmerken! Ik ben alleen bang, -dat het te vroeg tegen de kant stoot, vóór het voorbij het dorp is, -bedoel ik.” - -„Dat kunnen we van te voren zien!” meende Rolf. „We zullen eens een -stuk hout in het water gooien en zien welke weg het neemt!” - -„Ja!” Allen, op Padde na, doorzagen Rolfs plan. Harmen wierp een stuk -hout een eindje de rivier in. De knapen volgden het met de oogen. Het -kwam tot aan het dorp, raakte daar in een zijstrooming, dreef dicht -langs den kant en bleef tenslotte steken. - -„Niet ver genoeg”, meende Rolf. „Gooi eens naar het midden van het -water?” - -Nu scheen het stuk hout den goeden weg te zullen nemen! Maar plots -schoot het in dezelfde zijstrooming als het vorige. De rivier -schitterde in het zonlicht; de oogen deden er pijn van. Harmen nam een -derde stuk hout en wierp het uit alle macht tot vlak aan den overkant -van de rivier. Dit scheen de plaats te zijn om het vlot af te stooten, -want, zoolang de oogen het stuk bamboe konden volgen, bleef het vrij -van den kant. „Nou, dan zijn we klaar!” zei Harmen verheugd, „we gaan -op het vlot naar de overkant, laten het daar afdrijven en volgen het! -Kom, Hajo, wij nemen samen de kant van de kampong, dan zie je nog eens -wat. Als jij met Padde deze oever afloopt, Rolf, hoeft er in geen geval -iemand over te zwemmen om het vlot weer op te pikken!” - -„Als jij langs die kampong moet, Harmen, gebeuren er ongelukken!” -meende Rolf. - -„Larie!” zei Harmen. „Ik ben zoo voorzichtig als m’n tante,—die loopt -den heelen dag met haar slaapmuts op, uit angst, dat ze ’m ’s avonds -vergeten zal.” - -„In elk geval wil ik bij je zijn!” stelde Rolf vast. „Ga jij met Padde -langs deze oever, Hajo.” - -Zoo werd de afspraak. Joppie besloot, na eenig aarzelen, bij Rolf en -Harmen zijn diensten aan te bieden. - -De laatsten sleepten het vlot een eind stroomopwaarts, zoodat het bij -het oversturen ongeveer op de plaats aanlandde waar het stuk bamboe -zijn reis begonnen was. - -„Als ze ’t nu maar niet inpalmen!” zuchtte Rolf. - -Harmen had in gepeinzen een oogenblik gezwegen. „Weet je wat?” zei hij. -„Ik ga mee! Om het weer los te binden, als die nikkers het soms ’ns -zouden kapen!” - -„Harmen.....?!” - -„Val niet van je stokkie! Ik ga er niet op zitten! Ik kruip er onder, -dan zien ze me niet!” - -„Daar heb je immers geen lucht?!” - -„Harremen heit geen lucht noodig”, stelde Harmen vast. „Het vlot ligt -hoog; als ik m’n kop tusschen de bamboes steek, heb ik lucht zat. Ga je -mee, Joppie?” Harmen stootte het vlot los, liet Joppie met een fermen -zwaai op het bamboezen dek verhuizen, sprong zelf in het water en dook -onder het vlot weg. „Ajuus!” klonk het even later onder het afdrijvende -gevaarte, en, om de plaats aan te duiden waar hij lag, spoot Harmen -door een spleet van het dek een straaltje water omhoog, zoodat Joppie, -die toch al in de war was, er verschrikt van achteruitsprong. - -Terwijl Rolf den vierpootigen schipper zag wegvaren, bekende hij zich -zelf, door Harmen overrompeld te zijn. Het gedurfde aan Harmen’s dwazen -inval had hem bekoord, en door het vlot na te springen en weer aan wal -te brengen zou hij nu het gevaar nog maar vergrooten. - -Joppie jammerde klagend. „Hou je bek, Joppie!” klonk het onder het -bamboezen dek. „Harremen is immers bij je?” - -Maar Joppie bleef droef gestemd. Hij snuffelde angstig langs alle -kanten het vlot af, ging tenslotte op zijn achterpooten zitten, sperde -den bek open en begon met omhooggeheven kop klagend en erbarmelijk te -gillen in één langgerekten toon, zooals alleen een Indische -kampong-gladakker in zijn droefste stemming gillen kan. - -Verre van rustig, volgde Rolf met de oogen het vlot. Zie, daar gleed -het langs het dorp en..... groote genade! achter de boomen aan den -oever stak een prauw vol naakte jongens de rivier in. Ze pagaaiden, -opgewonden schreeuwend, naar het vlot..... en sprongen er op. - - - - - - - - -BOENG VAN BAPAH-LOLEH - - -Vol goeden moed was Harmen „uitgezeild”. Hij hield de onderarmen over -twee bamboe-stelen, klemde de handen behagelijk ineen. Door de hooge -ligging van het dek had hij lucht genoeg. „’t Zal me benieuwen hoe het -zaakje afloopt”, zei Harmen. „Gebeuren doet er vast wat, als Joppie z’n -falie niet houdt!” - -Nu, daar leek het weinig op: Joppie jammerde onverdroten voort. „Dat is -zeker een hondenliedje!” dacht Harmen. „Zooiets als: varen varen over -de baren!—Zouden we het dorp al voorbij zijn?—Wacht, waarom houdt -Joppie ineens zijn bek dicht?” Harmen loerde door de spleten van het -dek. „Hij staat te kwispelstaarten, dat mormel!” Harmen spitste het -oor, ving stemmen op, hoorde het plassen van een spaan; er stootte iets -tegen het vlot, en, wip! daar sprong er een jongen op. Spiernaakt! En -Joppie, die sallemander, wrong zich in duizend bochten en likte het -bruine jog de enkels schoon! Hopla, daar sprong er nog een op het dek. -En nog een. In een ommezien stond het vlot vol bruine lichamen. „Nou”, -dacht Harmen, „nou zullen we eens kijken wat ze doen, die smerige -zeeschuimers! Zouwe ze tegen kietelen kunnen? Als ik m’n vinger maar -tusschen die bamboetjes kon doorwurmen, zou ik er eens een onder z’n -voeten kriebelen. Dan zou-d-ie raar springen!” En Harmen begon zachtjes -te grinniken. - -Maar zijn vroolijkheid nam een einde, toen allen plots aan den kant -kwamen staan waar Harmen lag. Voor onze koksmaat het wist, grinnikte -hij, inplaats van lucht, water naar binnen. Dat werd hem te kras. Hij -dook onder het vlot weg, klemde zijn handen om het boord, stak zijn -druipende haren en zijn hoofd, dat paars van benauwdheid geworden was, -uit het water op en brulde, woedend en verdrietig: „Potverrrrblomme!” -Het leek Folkert Berentsz. wel! - -Als aan het dek genageld, staarde de heele bruine compagnie daarboven -naar het gruwelijke watermonster. Toen vlogen ze met z’n allen naar den -anderen kant van het vlot en plonsden als kikkers het water in. - -En Harmen dook weer weg naar zijn oude plaatsje, waar thans weer -zooveel lucht was als Harmen maar inademen kon. - -En juist dat plotselinge verdwijnen weer versterkte de bruine gasten in -de meening, dat dit vlot van den duivel bezeten was. Ze werkten zich in -hun prauwtje—waar Joppie hen vriendelijk ontving—, pakten den -satanshond in zijn nek en deden hem met een zwaai weer op het behekste -vlot verhuizen, waar hij thuishoorde. Toen pagaaiden ze in allerijl -terug naar den wal. - -Harmen was van zijn woede en schrik bekomen en kon tevreden zijn over -den gang van zaken. Na verloop van tijd begon hij zich af te vragen hoe -ver hij nu al van het dorp zou zijn, en of de jongens het vlot gevolgd -zouden hebben. Hij dook weer even te voorschijn en loerde over het dek. -Ja! daar in de verte, bij de huisjes en het blauwe kolommetje rook, -stond de heele troep het vlot na te kijken. Joppie zat met den rug naar -Harmen gekeerd, staarde weemoedig stroomopwaarts. „Als ik die bocht om -ben, zien ze me niet meer”, dacht Harmen. Hij dook weer naar zijn -schuilplaats, en toen hij opnieuw te voorschijn kwam, was het dorpje -aan het oog onttrokken. Wip! Harmen zat weer op het vlot, werd -kwispelstaartend verwelkomd door Joppie en beantwoordde den groet vrij -levendig met zijn voet, zoodat Joppie schuw aan de andere zijde ging -zitten. - -„Nou, ik zal nog maar niet aanleggen!” zei Harmen. „Laten de anderen -maar een eindje loopen,—daar zullen ze niet van bederven.” En, -verbazend over zichzelf tevreden, ging hij zitten en staarde in de -bergen van groen aan de oevers. Hoe heerlijk warm was het! Harmen -luisterde naar het vogelgerucht, waarvan elk toontje helder afklonk -tegen de stilte, en ademde de geuren in, die over het water hingen. Zoo -ongeveer moest het er in het paradijs van Adam en Eva nu ook hebben -uitgezien,—dacht Harmen. Kijk die reiger daar eens statig staan te -visschen! Hoe blank was dat bepluimde lichaam tegen al het donkere -groen! Hoe sierlijk die lange, buigzame hals met dat kroontje van -veeren! Het dier stond in de schaduw, maar toch straalde het nog licht -uit, en in het water sidderde de heldere weerschijn. Harmen deed zijn -oogen dicht en droomde. ’t Was hier op Sumatra nu en dan toch ook wel -lollig! Hij zuchtte diep, zette de longen uit om eens een paar schepels -vol van die bedwelmend zoet-warme lucht in te ademen. - -Joppie kwam weer bij hem, en nu was Harmen verteederd,—sloot den hond -in zijn armen. - -Bons! Het vlot stootte tegen den wal. Harmen sprong overeind en legde -het vast. Het lag heerlijk in een schaduwrijke plek, te midden van -waterlelies. „Nou, ze zullen me wel vinden”, dacht onze vriend. Hij -strekte zich languit op het dek neer en sliep. - - - -Hajo en Padde waren uit de verte ooggetuige geweest van de uitwerking, -die Harmen’s onverwacht opduiken op de bende bruine kapers had. Harmen -wist toch niet wat hij maar verzinnen zou om den boel in de war te -sturen! Gelukkig was het ditmaal nog weer eens goed gegaan! - -Toen begonnen onze vrienden hun tocht, zich met moeite een weg banend -door het kreupelhout. Wat een leelijke dorens zaten overal! Ze kwamen -bij een dwarsweggetje, dat naar de rivier leidde. Na het even te hebben -afgespied, staken ze snel over en drongen weer door de struiken voort, -op eenigen afstand de rivier volgend. Nu en dan gingen ze naar den -oever om naar het vlot uit te zien, en toen ze tenslotte wat rook zagen -kringelen, maakten ze op, dat het Harmen’s vuurtje wel zou zijn. Zoo -was het dan ook, en het vlot lag aan dezen kant. „Ze vleiden zich naast -Harmen neer en wachtten spoedig eveneens slapend op Rolf’s komst. -Harmen snurkte, dat het vlot ervan schudde, en de doode bladeren van de -boomen vielen. Joppie hielp hem nog een handje. - -Maar ineens schrokken allen wakker. Wat was dat voor een gegil, daar -aan de overzijde.....?! - -Rolf had, na den wonderbaarlijk gelukkigen afloop van Harmen’s -zeeschuimers-avontuur, een smal, kronkelig paadje gevonden, dat naar -het dorp leidde. In alle voorzichtigheid volgde hij het, van struik tot -struik. Zie!—Rolf verborg zich vlug—daar kwam in loggen gang een -karbouw den hoek om, en boven op den grijzen kolos troonde een naakt -kereltje. Nog een karbouw volgde, den kop met de zware, naar achteren -gebogen horens laag geheven en eveneens op zijn breeden rug een -„katjong”. - -„Eh, Simin, weet jij wat Boeng van Bapah-Loleh zegt?” riep de achterste -ruiter. - -„Neen, maar het zal wel een leugen zijn”, antwoordde de ander. „Nu, wat -zegt hij?” - -„Dat hij wil gaan kijken waar het vlot gebleven is.” - -„Dat durft hij toch niet! Eens zei hij ook, dat hij een badak-gadjah -wilde zoeken en hem betooveren. Hij snijdt altijd op.” - -„Ja, maar nu is hij toch heusch gegaan om het vlot te zoeken! Hij heeft -gisteren de huid van een oelar belang gevonden. Met zoo’n djimat durft -hij alles—zei hij.” - -„En waarom is hij dan niet blijven staan, toen die geest uit het water -opdook?” - -De karbouwen gingen een nieuwe bocht om, en de stemmen der knaapjes -verdoften. - -Rolf kwam voorzichtig weer te voorschijn. „Die Boeng van Bapah-Loleh -zou nog veel kwaad kunnen stichten met zijn djimat!” dacht hij. „Daar -moeten we een stokje voor zien te steken!” - -Hij stond eensklaps voor een kokostuin. Tusschen de struiken door, zag -hij tot zijn verbazing, dat in een der boomen een vrij groote aap bezig -was, noten los te draaien en ze omlaag te werpen. Beneden stond een -Inlander en verzamelde de noten. „Dat is nog eens makkelijk!” dacht -Rolf. „Zoo’n afgerichte aap moesten wij ook hebben!” In een wijden boog -sloop de jongen het dorp om. Ergens was een man aan het grassnijden. -Een hond lag op een stapeltje hooi. Gelukkig merkten geen van beiden -onzen vriend op. - -„Ze zullen hier wel voornamelijk van de visscherij leven”, dacht Rolf, -toen hij weer bij de rivier stond, waar overal netten te drogen hingen. -Hij volgde nu weer een smal paadje langs den oever, ontdekte eindelijk -het vlot aan de overzijde, wilde zich door de struiken een weg naar den -oever banen.....! - -Daar stond, met den rug naar hem toe, een inlandsche knaap naar het -vlot te loeren. De bruine spion had niets hooren aankomen. - -„Eh, Boeng!” riep Rolf met luide stem, die echode in de stilte. - -De jongen zou niet méér geschrokken zijn, indien de bliksem naast hem -ware ingeslagen. Hij kromp ineen, wendde zich om en staarde wezenloos -den blanke tegenover hem in het gelaat. Toen wilde hij het op een -loopen zetten, maar Rolf haalde hem met een paar sprongen in en greep -hem stevig vast. Boeng beet, schopte en gilde, dat het een aard had. -„Diam! Stil!” morde Rolf. „Je ziet wel, dat tegen de blanken geen -djimat helpt, al is het ook een oelar belang!” - -„Ampoen! Vergeving!” smeekte Boeng. - -„Zul je staan blijven en luisteren naar wat ik je zeg?” - -„Saja, toean!” beloofde Boeng met bevende lippen. - -„Nu, dan.....” Rolf liet hem los, „dan ga je straks naar Bapah Loleh, -en je zegt hem dat jullie kampong in gevaar is. Stroomopwaarts zwerft -een bende djahats (roovers). Zeg eens na?” - -Bevend over al zijn leden, voldeed Boeng aan het verzoek. - -„Goed zoo. Zeg aan Bapah Loleh, dat de bende uit tachtig man bestaat en -goed bewapend is. Zul je het doen?” - -„Saja, toean.....” - -„Dan nog iets: is de zee hier ver vandaan?” - -„Niet ver, heer.....” - -„Hoe ver?” - -„Van zonsopgang tot duister, heer.....” - -„Zijn er nog meer kampongs aan den stroom?” - -„Nog een, heer. Een groote kampong. Dicht aan de zee.” - -Op dit oogenblik klonken van den oever de stemmen der andere jongens. -En vóór de arme Boeng wist wat er met hem gebeurd was, had Harmen hem -een beentje gelicht en de enkels met rotan samengesnoerd. „We nemen hem -mee!” zei Harmen. „Als ie in z’n kampong vertelt wat ie gezien heeft, -zijn we er bij!” - -„Wees niet bang”, zei Rolf. „Ik heb hem wijsgemaakt, dat stroopende -benden de kampong willen overvallen. Ze hebben nu wel wat beters te -doen dan ons na te zetten.” - -Harmen trok grinnikend den knoop weer los. „Ook goed!” - -Boeng sprong haastig overeind, keek schuw naar Harmen om en wilde -heengaan. - -„Wacht nog even, Boeng”, zei Rolf. „Heb je wel eens van Java gehoord? -En van Bantem?” - -Boeng knikte. „Ze komen van Bantem met koopwaar hier.” - -Rolf keek zijn vrienden aan. „Hoor jullie dat?! Jongens, Bantem kan -niet ver meer zijn!” - -„Nou, vooruit dan maar weer!” zei Harmen met een vreugdetrilling in -zijn stem. - -En overmoedig sprongen onze vrienden weer aan boord en stootten af. -Boeng maakte zich uit de voeten, rende als een haas, wien de honden op -de hielen zitten. - -De jongens stuurden het vlot naar het midden van den stroom. Naar -Bantem! Bantem was niet ver meer! - -Het was vrij laat geworden, en bij Harmen deed zich de honger geducht -voelen. „Zullen we eens aanleggen?” vroeg hij. „’k Heb zoo’n kriebel in -m’n maag.” - -„Laten we wachten tot de zon onder is”, zei Rolf. - -„Dan ben ik een lijk”, verzekerde Harmen. - -„Nu, als we gaan visch bakken, word je wel weer levend!” stelde Rolf -hem gerust. - -Zoo was het ook. Toen de jongens tegen schemeren het vlot meerden, en -een paar visschen zich lustig knappend in de vlammen wentelden, -herleefde Harmen uit zijn hongerdood. De jongens smulden aan de -heerlijke vischruggen, en Joppie vond de graten nog lekkerder. - -Na het eten gingen ze bijeenzitten en staarden in gedachten over het -donkere water. Ineens viel er een glans over, doordat de maan zich -ontsluierde. Nu was het, alsof de rivier, die daareven roerloos scheen -als een vijver, plots te stroomen begon. - -Het vlot lag diep weg in een duistere kom; de jongens hadden door een -zware loofpoort het uitzicht op de rivier, die nu vloeibaar zilver was. -Zou een van hen verbaasd zijn geweest, wanneer ze eensklaps een statig -Vikinger-schip met blanke, bolle zeilen en wijd uitwaaienden wimpel -voorbij zouden zien drijven achter die donkere poort? Of wanneer uit -het zilveren water elfjes zouden opstijgen en hand aan hand -rondzwierden in wonderlijken dans? Zie! op een lelieblad zat de -kikker-koning toe te zien, een gouden kroon op zijn blinkend groenen -kop; zijn geelwitte buik glom van de ridderorden. In het midden van den -dansenden kring rees nu de elfenkoningin op, in een van haar tengere, -statig geheven handjes een witte lelie, in de andere haar gouden -sceptertje en op haar roode haren een fijn gesmeed kroontje vol groene -steenen. De elfjes dansten; heur ijle gewaden zwierden omhoog en zonken -lichtglanzend, gespreid weer neer, en zóó luchtig drukten de kleine, -teere voetjes het watervlak, dat er niet meer dan drie pareltjes -opspatten. - -Ineens..... uit was het sprookje. De elfjes, de kikkerkoning zijn naar -hun vochtig rijk teruggekeerd, Harmen stoot zijn makkers aan: een -donker ding in het water koerst recht op het vlot af, waarop de jongens -zitten. Drie knobbels steken uit; het zwemmend gevaarte houdt nu en dan -stil, zoodat de lijnen, die het door het zilveren oppervlak kerft, -voorbij schieten en zich kruisen. Dan komt hij weer nader..... de -krokodil! Den adem ingehouden, zien de jongens toe. Geen van hen zegt -een woord. Joppie slaapt, geen kwaad vermoedend. - -De krokodil, aan het uiteinde van het vlot gekomen, is nu even niet te -zien, omdat het bamboezen dek vrij hoog boven het water uitsteekt. De -knapen, die in spanning, maar eigenlijk zonder een zweem van angst -hebben toegezien, voelen nu eensklaps onrust in zich opkomen. Waar is -het beest?! - -Onder het vlot?! Ze willen opspringen..... Maar daar schuift aan het -andere einde een platte monsterkop met groen-gele oogen en naar alle -zijden uitstekende, kromme tanden op het dek. En met de twee -voorpooten, die hoog naast den rug uitpuilen, tracht de krokodil zich -naar boven te werken. - -Met een sprong staan de jongens overeind, willen hun speren grijpen. -Maar de krokodil, die op het vlot een rustig ligplaatsje zocht om naar -de dansende elfjes uit te kijken, valt al, doodelijk verschrikt, met -een zwaren plons in het water terug. Zie! daarginds zwemt de rakker! Nu -verdwijnt hij achter de poort. - -„We moeten aan land gaan slapen”, zegt Rolf. „Hier op het vlot is het -niet veilig.” - -De jongens nemen Joppie in zijn nekvel, die zich, driekwart slapend, -laat vervoeren. Zwijgend treden ze in het stille woud, zoeken een eind -van den wal een zacht plekje op. Maar de muskieten beletten het -inslapen. ’t Is om er dol van te worden. Hijgend liggen de jongens op -den rug, na zich geheel met bladeren te hebben toegedekt. Boven hun -hoofd speelt de maan een griezelig spel met takken en twijgen. -Hoor.....! Wat klinkt daar in de verte? Ding-dang-dong-ding-kloeng..... - -Het dorp, waarvan Boeng sprak! Daar moesten ze vannacht nog langs zien -te komen! - -De jongens springen overeind, wrijven de jeukende muskietenbeten. „Kom, -Joppie!” zegt Harmen, en, voor de argelooze Joppie het weet, vliegt hij -al door de lucht en verhuist naar het vlot. Hij komt op vier pooten -terecht, zwikt door op zijn zitvlak, ziet met lodderige oogen rond, -tolt dan om..... en snurkt alweer. - -„’n Waaksch beestje!” prijst Harmen. - -Samen gooien ze het vlot los, sturen door de loofpoort heen naar het -midden van den stroom. Nu zien ze aan den rechteroever een lichtschijn -tusschen de boomen. Ze houden dus links van de rivier. - -Hier is schaduw. Telkens haakt het vlot in de waterplanten. „Padde, ga -jij voor het vuur zitten. En gooi er wat hout uit tot het -smeult!”—Padde aarzelt even, onwillig door slaap, dan kruipt hij van de -plaats, waar hij al was neergezonken, zuchtend naar het vuurtje. Joppie -sleept zich, te lui om op te staan, over het dek voort en legt zich -tegen Padde’s dijen. - -„Gooi er nou alles niet uit!” gromt Harmen tot Padde, die bezig is, het -heele vuur overboord te werken. „Wel allemachies! Als je er nou nog één -stuk uitgooit, vlieg je er achter aan! Begrepen?” - -Padde begrijpt, al is hij niet klaar wakker. - -De jongens doen hun best, met de stuurboomen zoo min mogelijk te -plonzen. De klanken van de muziek worden luider; hier op het water -buitelen ze van plezier over elkaar. -Ding-dong-dang-kloeng-ping-tok-dak-doeng-doeng..... - -„M’n fiool.....” zucht Harmen. „Van m’n eerste centen koop ik weer een -fiool! Bij Roeffies vader, weet je wel: dat zaakje van alles, achter de -kerk? Daar heb ik m’n vorige ook gekocht, en dat was een puike, -nietwaar, Hajo?” - -„Sssst!” - -„Een harde gulden heeft ie me gekost”, zei Harmen, zonder te luisteren. -„En de snaren toe.—Pas op met zeewater, zei de vent.” Harmens stem werd -bitter. „Pas op met zeewater. Jawel!” - -„Nou, en mijn mooie koffiemolen dan.....?” vroeg Padde. - -Hajo en Rolf konden—ondanks het hachelijke van het oogenblik, geen van -beiden hun lachen bedwingen. - -„Ja, lach maar”, gromde Padde. „Maar daarmee is de ellende begonnen! -Wie weet: als die koffiemolen niet overboord gevallen was.....” Padde -zweeg, zocht naar het verband tusschen zijn koffiemolen, die voor Texel -op zoo droevige wijze verongelukt was, en de latere rampen, die de -Nieuw-Hoorn geteisterd hadden. - -Harmen had zwijgend geluisterd. „Is er een koffiemolen overboord -gevallen?” vroeg hij. - -„Ja!” zei Padde, ingenomen met Harmens belangstelling. En fluisterend -(het vlot was geen honderd ellen van het dorp!) vertelde hij, hoe de -vork in den steel zat. - -Harmen knikte bedachtzaam het hoofd, toen Padde zijn gemoed gelucht -had. Daarop zei hij peinzend: „Ik geloof óók, dat het voor ons allemaal -het beste was geweest, wanneer jij achter je koffiemolen was -aangesprongen.” - -„Maar ik kan immers haast niet zwemmen!” - -„Dat weet ik wel”, stelde Harmen hem gerust. - -Padde dacht even over Harmens woorden na, tot hij den zin ervan gevat -had. Toen wendde hij het gelaat af en ging, het hoofd in de armen, -naast Joppie liggen. - -„Daar gaat er een grienen!” hoonde Harmen. „Afijn, ’t is schoon water; -als ’t wat anders was, zou ik zeggen: ’t is zonde.” - -Met een grimmigen kreet sprong Padde op Harmen af. Deze lichtte hem een -beentje, zoodat Padde op zijn zitvlak terecht kwam. Hij pakte Harmen -woedend bij de beenen, wilde hem omver rukken. Maar Rolf kwam -tusschenbeide. „Zijn jullie dol! Hier, nog vlak bij het dorp!” - -„Wat doet ie te beginnen!” siste Padde met tranen in zijn stem. - -„Weer wat nieuws!” merkte Harmen droogjes op. „Wie heeft me -aangevlogen? Hij heeft me in m’n kuiten gebeten, de smakker! Wacht -maar! Ik zal je morgen eens een uurtje te grazen nemen, en dan mag je: -dankje, Harmen! zeggen.” - -„’k Heb je niet gebeten!” snauwde Padde en ging, den rug naar hem toe, -bij het vuur zitten. - -„Welles!” zei Harmen giftig. - -„Nietes!” - -„Welles!” - -Zoo kwamen de jongens wonder boven wonder ongemerkt de kampong voorbij. -Nu durfden ze het vlot weer naar het midden van de rivier te sturen, in -den maneschijn. - -Padde’s drift bekoelde, en hij werd benauwd voor den dag van morgen en -in het bijzonder voor dat uurtje, waarvoor hij: dankje, Harmen! zou -mogen zeggen. Om medelijden te wekken, ging hij weer liggen en snikte -voort. - -En werkelijk werd Harmen hierdoor verteederd. „Kom, lig nou niet meer -te janken”, zei hij, terwijl hij zijn vuurtje aanblies. „Help me liever -een handje blazen!” - -Padde, blij, dat zich een gelegenheid tot verzoening voordeed, richtte -zich steunend op, snikte nog even na en blies toen door zijn tranen -heen. - -„Je spuugt meer als dat je blaast”, merkte Harmen op. „En alles in m’n -gezicht!” - -„Ik zal van de andere kant blazen”, beloofde Padde. - -„Alsjeblieft.”—Zoo bliezen ze in eendracht tot de vlammetjes weer -dartel speelden. - -„Nou, afijn”, zei Harmen, opstaande, „zul je dan geen schip meer in -brand steken?” - -Hajo en Rolf lachten, tenslotte Padde ook zoo half en half. Ietwat -verlegen nam Harmen zijn stuurboom weer op. „’k Zou er anders niks van -zeggen, maar hij hoeft me niet in m’n beenen te bijten. Als ie zegt: -Harremen, ik zal je niet meer in je beenen bijten!—zal ik ’m niks -doen.” - -„Ik heb je niet in je beenen gebeten”, zei Padde, die weer moed kreeg -nu de anderen lachten. - -„Je hebt me wèl in m’n beenen gebeten!” - -„Nietes.” - -„Wèlles!” - -„Ssst!” suste Rolf. - -Harmen zweeg, en Padde voelde zich overwinnaar. Hij nam Joppie in zijn -armen, en even later snurkten ze om het hardst. - -Na een half uur meerden de anderen het vlot in een holte van den oever, -geheel tusschen de waterplanten. - -„Padde! Word wakker! We gaan aan wal!” - -Geen antwoord. Padde was in diepen slaap. - -„Hei, Padde!” riep Harmen. „’n Krokodil!” - -Wip! stond Padde overeind. Ook Joppie krabbelde op z’n vier slaperige -pooten. „Waar?!” stamelde Padde. - -„In m’n neus”, zei Harmen. „Kom mee, we moeten aan land slapen.” - -En allen gingen aan wal, dekten zich met bladeren toe. - -De muskieten vierden feest. - - - - - - - - -JOPPIE DOET EEN ONTDEKKING - - -Toen Joppie den volgenden morgen een paar teugen van het frissche -rivierwater naar binnen wilde slobberen, spuwde hij alles weer uit, -duidelijk gebarend een innigen afkeer. „Wat zou hij hebben?” vroegen de -jongens zich af. Maar Harmen vloog overeind, wierp zich op het dek van -het vlot en stak de lippen in het water. „’t Is brak!” De vreugde -trilde door zijn schreeuw. - -De anderen snelden toe en dronken. En terwijl ze het slecht smakende -water weer uitspuwden, keken ze elkaar stralend van blijdschap aan. „’t -Is brak, jongens! We zijn bij de zee!”—Hajo wierp het vlot al los, en -Harmen pakte een boom om af te stooten, toen Rolf hen tegenhield. -„Jongens, laten we niets hals over kop doen! We moeten eerst zelf weten -wat we willen.” - -„Nou, dat weten we toch, pennelikker!” schold Harmen. „We willen naar -zee!” - -„Zonder zeilen? Zonder proviand?” - -„Wat.....? Wou jij dan soms met dit vlot in zee steken??” - -„Dat wou ik. Ik maak me sterk, dat we, bij niet al te slecht weer, wel -zee kunnen houden.” - -„Toe maar.....!” stamelde Harmen.—Maar het avontuur kittelde hem. Rolf -was toch zoo’n pennelikker niet als hij gedacht had. - -„En als er nou storm komt?” vroeg Padde. - -„Er komt geen storm”, zei Harmen opgewonden. - -„Zullen we dan maar dadelijk aan het werk gaan?” vroeg Hajo, wiens -oogen straalden. - -„Laten we eerst eens gaan kijken hoe ver we nog van de zee zijn”, -stelde Rolf voor. „Misschien vinden we ook nog wel een betere ligplaats -voor het vlot: we liggen hier zoo in ’t zicht! Laten we er voorloopig -maar vast wat takken op gooien!” - -Zoo deden de knapen, en toen het vlot goed aan het oog onttrokken was, -kapten ze zich een weg langs den oever om aan zee te komen. - -„We moeten het vlot nog flink wat versterken en verhoogen!” zei Rolf. -„Een mast is makkelijk te krijgen. Maar een zeil?” - -„Ik zal er een gappen!” beloofde Harmen. „Daar, in die kampong!” - -Hajo trok een bedenkelijk gezicht. „’t Is stelen, Harmen.” - -„Ja, ik steel ook niet graag, als de hond los is en de boer met een -knuppel achter het huis staat”, zei Harmen. „Maar de prauwen liggen -buiten het dorp, aan het water, en de zeilen hangen er los bij; ik heb -ze maar mee te nemen.—Kijk eens, jongens! Is dit geen mooi plekkie voor -het vlot?” De jongens stonden voor een aardig kreekje. Rondom groeide -bamboe,—dat trof dus ook mooi. - -„Zoodra het donker is, brengen we het vlot hier!” zei Rolf. „Dit -gedeelte van de rivier zal te druk bevaren worden om het er bij -klaarlichten dag op te kunnen wagen.” - -„Luister eens!” zei Hajo eensklaps. „Ik hoor..... de zee!” - -Toen baanden allen zich als dollen een weg tusschen het dichte gewas, -schramden zich, dat het bloed hun op de huid parelde, stonden eensklaps -hijgend stil en staarden..... - -Daar lag wijd en blauw de oceaan! Diep ademend snoven ze den frisschen, -zouten wind in; bedwelmend werkte op hen de zoetruischende muziek der -blinkende, schuimende branding. - -Zie, hoe de golven kwamen aanrollen! Ze braken in scherven, maar -vloeiden weer terug in de armen der zee, die nieuwe krachten schonk. En -bruischend, stoeiend rolden ze weer achter hun makkers aan, voerden -bonte steentjes en schelpen mee en legden ze als een offer op het -blanke zand. - -Lang stonden de jongens stil en lieten ontroerd hun blik weiden over -hun grooten, vertrouwden vriend. Hij zou hen op zijn sterke armen -veilig dragen. Hij zou hen naar Bantem en dan weer naar Holland -voeren.....—Ze liepen de branding in, zuchtten van diepgevoeld geluk. -Hoe vrij voelden ze zich weer met de wijde zee voor zich! - -„We zijn hier in een baai”, stelde Rolf vast. „Zoover je zien kunt, -loopt het strand in een boog. En dat kan ook heel goed: aan den -Zuidkant van Sumatra liggen twee groote baaien.” - -„En wanneer zouden we in Bantem kunnen zijn?” vroeg Hajo, Rolf in -spanning aanziend. - -„Als we de wind mee hebben..... misschien in een week.” - -De jongens moesten het even verwerken. In een week.....! In een week -zouden ze Bontekoe misschien de hand weer drukken?! Dat Bontekoe met -z’n zestig wakkere mannen allang in Bantem was aangekomen, stond wel -voor hen vast. „Maar..... dan mogen we toch wel voor twee weken -proviand mee nemen, Rolf!” - -„We zullen meenemen wat we maar machtig worden. Kijk eens om: -kokosboomen bij de vleet. Kom, jongens, aan het werk! We hebben den -heelen dag nog voor ons!” - -„Ik ga visschen!” beloofde Padde. - -„Leg een paar zethaken uit”, raadde Harmen. „Dan vang je nog paling -ook!” - -„Ik weet nog beter”, zei Padde. „Ik loop de holletjes aan de kant eens -af. Daar zitten ze. Als je je handen er maar van beide kanten insteekt: -dan kunnen ze hem niet smeren.” - -„’t Is anders zoo dom niet, ook een paar zethaken uit te leggen”, -meende Rolf. - -„Dat is zeker zoo dom nog niet!” beaamde Harmen. „Maar als je tegen -Padde: erwtesoep zegt, dan zeit Padde: rooie kool, En zeg je: rooie -kool, dan zegt Padde: boonen met spek.” - -Hajo was een kokosboom ingeklauterd en begon noten los te draaien. - -„We zullen onze opslagplaats maken bij het kreekje!” zei Rolf. „Hajo en -ik zorgen voor noten. Padde gaat visschen, en jij, Harmen, zou hout -kunnen kappen om het vlot te versterken,—dan schieten we flink op.” - -„Ja”, zei Harmen. „Ik zal dikke stelen uitzoeken! Zou Hajo nog niet wat -kunnen schieten? Dan hebben we nog wat anders dan visch en kokosnoten.” - -„Best”, zei Rolf. „Dan zorg ik wel alleen voor de noten.” - -Zoo scheidden de vrienden. - -Rolf klauterde den eenen boom na den anderen in, wierp de noten omlaag -en liet ze voorloopig maar liggen. Tenslotte dwongen hitte en -vermoeidheid hem, op te houden. Hij bond de noten bijeen en sleepte ze -naar de kreek. - -Harmen wilde juist met hakken beginnen. „Ik heb drie zethaakjes -uitgezet”, zei hij. „Vette pieren, dat hier in de grond zitten! -Allemaal blauwkoppen en nooit van die gele, uitgerokken dooie dienders -als bij ons achter de bleek, waar geen visch in bijt.” - -„Hak eens een jonge noot open?” vroeg Rolf. „Ik verga van dorst.” - -Harmen hakte met een fermen slag het bovenstuk van een bast af, zoodat -Rolf met de vingers de weeke plek onder den steel kon induwen en de -koele, flauw-zoete melk in zijn keel laten klokken. - -Harmen bediende zich zelf ook. „Lekker!” Hij smakte met de lippen, -begon toen opeens te grinniken. - -„Wat heb je?” vroeg Rolf, al half vroolijk. - -„Daarstraks stond ik me hier ziek te lachen!” lichtte Harmen toe. -„Padde was daarginds de holletjes aan ’t afzoeken. Hap! Had ie een -krabbetje aan z’n vinger hangen! Hij wou niet schreeuwen, omdat ie bang -was, dat ik er dan bij zou komen. Maar hij stond te dansen, en niet van -plezier!” - -Samen gingen de jongens naar Padde, die geduldig zat te visschen. „Al -wat gevangen, Padde?” - -„Al twee. Ze liggen daar in het gras.” - -„’t Is haast zonde van die mooie wurmen, als je er zulke pietertjes aan -vangt”, zei Harmen. „Zoek liever eens in de holletjes, Padde, daar -zitten groote.” - -„Och.....” meende Padde, „zoo krijg ik ze ook wel.” - -„Als je maar lang genoeg wacht”, zei Harmen. En, zich tot Rolf wendend: -„Zouden er hier in het water krabbetjes zitten, Rolf?” - -Padde verschikte een eindje en schraapte zijn keel. - -„Ja, ’k zou het anders niet vragen”, legde Harmen uit, „maar als Padde -de holletjes nog wil afzoeken, moet ie wat oppassen met die mormels! Ze -bijten gemeen!” - -Padde kleurde, keek grimmig naar zijn dobber. - -„Je hebt tuk!” zei Harmen.—Inderdaad: er zat leven in den dobber. Padde -sloeg op; een vischje ter lengte van een vinger spartelde aan den haak. -„Wallevisch!” stelde Harmen vast. - -„’k Wou, dat je nou maar ophoepelde!” schimpte Padde. - -„Geheel naar uwes bevelen”, verzekerde Harmen. En terwijl hij met Rolf -weer terugslenterde, stond Padde verdrietig op en legde een eindje -verder weer in. - -„’k Zal eerst maar van die dikke, gele stelen kappen”, zei Harmen. „Die -zijn het beste.” - -„Ja, daarvan zullen we er ook een paar nemen om ze met water te vullen! -Kom, ik ga maar weer eens een vrachtje noten halen.” - -Tegen middagtijd kwamen de jongens weer bijeen. Er lag al een geduchte -stapel noten; Padde had acht groote en twaalf kleinere visschen -gevangen, waarvan er een paar gebraden werden. Hajo kwam met twee -duiven terug. - -„Dat zet geen zoden aan de dijk”, meende Harmen. „Dan kan je vanmiddag -beter gaan visschen. En dan hangen we ze straks te drogen,—de jasjes -open, dat de wind er in blaast.” - -Rolf stond op. „Snijden jullie nog wat rotan voor de masttouwen en -zoo?” - -„Zekers, bootsman”, zei Harmen beleefd. - -En de arbeid werd voortgezet. Harmen zocht een mooie bamboe uit om dien -als mast te gebruiken, hakte een gaffel en een boom voor het zeil, dat -nog gekaapt moest worden. - -Toen ging hij de visschen schoonmaken, sneed ze open, spalkte er een -stokje tusschen, hing ze zoo, „met open jasjes”, aan een lijntje op en -legde daaronder een langwerpig vuurtje aan, zoodat de visch rondtolde -in den rook. - -Toen kwam Hajo aanhollen. „Trap dat vuur uit! Vlug!” - -„Ja, goeie morrege!” zei Harmen. - -„Vlug, Harmen! Er komt een prauw aan! Zoometeen zien ze de rook!” En -Hajo trapte het vuur uiteen, waarbij hij zich leelijk de voeten -brandde. „Heb je nu ooit, daar zit Padde nog te visschen!—Padde!” - -„Ssst! Ik heb tuk!” fluisterde Padde. - -Harmen snelde toe, pakte den ijverigen visscher in zijn nek en sleurde -hem mee. Een prauw kwam den stroom afzakken. Het was een klein hulkje -met een hoog, gelapt zeil er op. Voorin zat, met den rug naar den boeg, -een Inlander een net te ontwarren; in het midden lag iemand van wien -alleen de beenen te zien waren, hoog tegen den mast opgestrekt. De -derde Maleier zat aan het roer half te knikkebollen. - -Een eentonig, neuriënd gezang steeg uit de prauw op. - -„Als we ze eens aan de wal lokten en ze dan het zeil afkaapten?” vroeg -Harmen. „Wil ik eens fluiten?” - -„Harmen.....?!” - -„Nou, laat ik het maar niet doen ook”, zei Harmen. „’t Is een rotzeil, -dat zie ik van hier wel.” - -Hajo zuchtte verlicht op, oogde het schuitje na. „Ze gaan naar zee. ’t -Zijn visschers, zie je wel?” - -„Nou, ik zal maar weer op hetzelfde plekkie ingooien!” zei Padde. „’t -Is doodzonde van m’n tuk!” - -„Doe net, of je niet bent weggeloopen!” raadde Harmen. Hij stak zijn -vuurtje weer aan, en Hajo en Padde vischten. Ze hadden nu een gunstig -plaatsje gevonden, bij den ingang van de kreek. De eene visch na den -anderen liet zich door een „fijne” blauwkop verleiden, en er waren -kerels bij van wel een voet lengte, die de jongens slechts met veel -overleg aan wal kregen. - -Toen de schemering inviel, hadden ze voor langen tijd proviand: meer -dan honderd kokosnoten, stevig aaneengebonden in partijtjes van twaalf -stuks, en ruim zestig ferme visschen. Er waren kokers voor het -drinkwater, stapels rotan en bamboe voor de versterking van het vlot en -voor „het want”..... - -En nu maakten de jongens zich op om het vlot hier naar de kreek te -brengen. Ze namen de bamboekokers mee om ze hoogerop met zoet water te -vullen, en in optocht ging het langs het pad, dat ze zich dien morgen -hadden gebaand, weer naar het vlot. In een ommezien waren de takken -opgeruimd, en Harmen en Hajo stootten van wal. De lucht was vanavond -bewolkt,—dat kwam hun van pas! In het midden van de rivier vulden ze de -bamboekokers met water; ze konden de zware dingen nauwelijks meer -optillen. Een kwartier later koersten ze de kreek binnen. - -„Nou”, zei Harmen, „als jullie nou aan het vlot werken, ga ik even op -m’n zeiltje uit.” - -„Zul je geen rare dingen doen?” - -„Dat kan ik niet beloven”, zei Harmen. „Maar als jullie me weer zien, -heb ik een zeiltje bij me,—of ik zal pluimen krijgen en eieren leggen.” - -„Nou, kras dan maar op!” lachte Rolf. - -En Harmen kraste op. - - - - - - - - -HARMEN KAAPT EEN ZEILTJE - - -„Waarmee zullen we beginnen?” vroeg Rolf. „Kom, laten we eerst nog een -stelletje dikke bamboes onder het vlot door steken. Ze passen net mooi -in de gleuven van de andere bamboes! Straks snoeren we de heele zaak -stevig vast!” - -Het vlot rees merkbaar, toen er nog weer een stuk of tien lange, zware -bamboes onder waren geschoven. De jongens snoerden er rotankoorden -omheen, rukten ze danig vast,—dat werkje hadden ze aan boord van de -Nieuw-Hoorn geleerd. - -Ten slotte was het vlot wel een voet boven het wateroppervlak gestegen. - -„Nu is het voldoende”, meende Rolf. „Als we storm krijgen, worden we er -tòch afgeslagen, en het vlot is sterk genoeg om een stevig golfje te -verdragen. Laten we eens kijken hoe we de mast in het dek woelen. ’t -Lijkt me het beste, hem beneden in een lus te wringen, die we naar vier -zijden vast slaan. Maar dat doen we beter op zee! We zullen hem nu maar -op het vlot binden en wachten, of Harmen werkelijk slaagt met z’n -zeiltje”. - -„’k Ben er niets bang voor”, zei Hajo. „Maar als hij het heele dorp er -bij op de hielen heeft, zou het me ook niets verwonderen!” - -„In elk geval zouden we nu dadelijk kunnen vluchten”, meende Rolf. „Ga -je mee aan land? Padde slaapt,—hoor je hem snurken?” - -Harmen volgde het pad langs den oever. Hij bevond zich aan den kant van -het dorp, hoefde dus gelukkig niet over te zwemmen. Toen hij de -vroegere ligplaats van het vlot voorbij was, moest hij zich een weg -door het geboomte banen,—in den zwarten nacht een griezelig werkje, -waarbij Harmen’s bloed sneller klopte en het klamme zweet hem op de -polsen stond. - -Eindelijk kwam hij bij een weggetje, volgde het, en een half uurtje -later zag hij tusschen de boomen het dorp. Aan den oever lagen prauwen, -wel twintig bij mekaar, de zeilen om den mast gesjord. Hoe te naderen? -Alles was haast open terrein: de kampong lag dicht aan den oever. - -Harmen keek eens naar de lucht. Die was donker, maar tusschen de wolken -waren lichte plekken waar de maan telkens doorscheen. Daar,—nu was het -weer even licht! Wacht, zoometeen zou die zware wolk voorbij drijven; -daar zou Harmen partij van trekken. En toen de wolk, waar Harmen op -oogde, voor de maan schoof, kroop Harmen vlug als een rat naar de -naastbijzijnde prauw. - -Hijgend bleef hij zitten. Ziezoo: hier achter dat „sloepie” was hij -veilig! - -Welk zeil zou hij nemen? Daarginds lag er een los; die was makkelijk te -kapen. Vlug sloop hij er heen, trok het zeil naar zich toe, neusde het -af. „Hm!” knorde Harmen. „Berentsz. moest het niet in z’n vingers -krijgen. Afijn, we zullen het er maar mee doen.” En Harmen wilde zich -met zijn buit uit de voeten maken.—Verdikke! Daar kwam zoo’n sloeber -aanzetten! Wat kwam ie doen? Hij had een mes in z’n gordel zitten. -Harremen ook. - -De Inlander, die naderde, een lantaren in de hand, kwam recht op Harmen -af. Maar dichterbij gekomen, boog hij iets naar rechts af, zoodat -Harmen kon blijven zitten. Glurend langs den mast van het vaartuigje, -waarachter hij zich verborgen hield, zag onze vriend, dat de Inlander -aan een der prauwtjes wat morrelde en zijn lantaren op den grond zette. - -„Van die lantaren ben ik niet vies”, bekende Harmen zichzelf. „Die -kunnen we gebruiken! Weet je wat Harremen doet? Hij kruipt er naar toe, -blaast ’t licht uit, en is er meteen van tusschen. Met ’n zeil en ’n -lantaren!”—En terwijl de Inlander, die ter vischvangst scheen te willen -gaan, den mast opzette en zijn net nazag, sloop Harmen naar de -lantaren. Hè, daar was die lamme maan weer! Even wachten maar. Dat die -nou ook juist moest gaan schijnen, als Harmen..... kwam er nou nooit -een wolk voor? Ah! Eindelijk! - -Harmen sloop nader tot hij bij de lantaren was, en toen de Inlander -zich afwendde, blies Harmen ze uit. Maar als de drommel trok hij zijn -hoofd weer terug: de Inlander had gemerkt, dat de lantaren was -uitgegaan, bukte zich en hief ze grommend op. Toen hoorde Harmen, die -geheel in de schaduw teruggekropen was, vuur slaan en zag het -lichtschijnsel van de lantaren weer. Harmen deed zichzelf bittere -verwijten, dat hij niet ineens met de lantaren was weggehold vóór de -Inlander zich weer had omgewend. „Nou, ergens is het goed voor -geweest”, troostte Harmen zichzelf, „ik weet nu, dat ie een tondeldoos -heeft, die kan Harremen óók gebruiken. Weet je wat? Ik gooi m’n zeiltje -over hem heen,—dan heb ik hem!” En met meer haast dan voorzichtigheid -sloop Harmen naar z’n zeiltje. - -De Inlander hief het hoofd op, luisterde even, nam zijn lantaren en -liep op het geruisch af, dat hij vernomen had. Floep! Harmen zat onder -z’n zeil weggescholen. De Inlander zag hem niet, keerde weer terug, -zette de lantaren op den voorsteven van zijn prauwtje en begon het -lichte vaartuigje in het water te duwen. - -„Wacht, daar zal ik je bij helpen!” fluisterde Harmen. Hij richtte zich -op en sloop, het zeil voor zich uithoudend, geruischloos achter den -Maleier aan, die uit alle macht duwde en niets merkte van het dreigend -spook, dat in den duisteren nacht achter hem stond. - -De voorsteven van het prauwtje schoof het water in. Nu ging het duwen -sneller: de Inlander schoot plots vooruit. En in dezelfde seconde wierp -Harmen zich als een groote vleermuis op zijn rug, zoodat de prauw van -den wal werd gestooten en de Maleier voorover in het water sloeg, -Harmen bovenop hem. „Dat moest ik hebben!” hijgde Harmen. „Onder water -kan ie niet schreeuwen.” - -Wip! Harmen zwaaide zich om, drukte, zelf half in het water zittend, de -knieën forsch op de naar voren uitgestrekte armen van zijn slachtoffer. -Zijn eerste werk was, den man het mes uit den gordel te rukken en het -op het zand te werpen. Toen zwaaide hij zich weer om, trok het zeil als -een zak om ’s mans hoofd, werkte toen diens handen op den rug, omknelde -ze met ijzeren greep, duwde zijn rechtervuist in den mond van den -overvallene om hem het schreeuwen te beletten—en liet toen zijn -gevangene opstaan, waarvan de man een dankbaar gebruik maakte. - -Toen, op het strand, ontstond een nieuwe worsteling, waarbij Harmen het -niet gemakkelijk had, daar hij den man niet alleen in bedwang moest -houden, maar hem bovendien het schreeuwen moest beletten. Het zag er -een oogenblik leelijk voor onzen vriend uit: de Inlander beet hem als -een razend dier in de hand, dat Harmen zelf wel schreeuwen kon van -pijn. Verduiveld, zou een Hollandsche janmaat zich door zoo’n -nikker.....?! In stomme woede drukte Harmen den Maleier achterover, -bevrijdde zijn hand door den man met de andere vuist een paar geduchte -slagen toe te dienen. Daarop stopte hij hem een groote prop zeildoek in -den mond. „Daar lig je nou!” zei Harmen bitter en zijn bloedenden pols -aflikkend. „Bijten, hè, dat kun je? ’k Had je daarnet onder het water -moeten houden, dan had je zoo’n praats niet gehad!” - -Harmen trok zijn slachtoffer naar een prauw, snoerde hem met een touw, -dat in het bootje lag, polsen en enkels vast, zoodat de Inlander zich -niet van de prop bevrijden kon. Toen rolde hij hem geheel in de schaduw -van een prauw en raapte ’s mans mes op. - -„Ze hebben niks gemerkt”, stelde Harmen vast. „Nou wou ik maar, dat de -slaapkop zijn bootje niet zoover had weggeduwd.—Wacht! daar ligt het -ommers!” Het prauwtje was een eindje verder weer aan den kant -gestooten. De Maleier worstelde nog om los te komen, trachtte te -schreeuwen. - -„Stil maar, ik weet wel wat je zeggen wil”, troostte Harmen, sloop op -handen en voeten naar de prauw met de lantaren op den steven, kroop er -in, stootte van den wal en wierp het zeil uit. „Nou! Nou vaar ik als -een radjah!” Harmen grinnikte, keek met welbehagen naar den vroolijken -lichtschijn van de lantaren, voorop. „Ze zullen opkijken!” - -Een briesje deed het zeil bollen, en licht en bevallig gleed het -vaartuigje, gestuurd door Harmens vaardige hand, over het water. - -Een half uur later zwenkte Harmen de kreek binnen, meerde zijn prauw, -sprong aan den wal. „Sta op, jongens!” - -„Harmen....?! Volgen ze je?” - -„Niet dat ik weet. Maar we doen toch goed, onze biezen te pakken. ’k -Heb een heele prauw gekaapt!” - -„Een prauw? Doen we dan niet beter, met die prauw in zee te gaan?” -vroeg Padde. - -„Ja, goeie morrege!” zei Harmen verachtelijk. „Eén golf, en de heele -boel slaat om!” - -„Ja, ik geloof ook, dat het vlot wèl zoo stevig ligt!” meende Rolf. „En -we moeten ook niet meer stelen dan noodig is. Kom mee, jongens, aan ’t -werk!” - -Het zeil werd losgemaakt en op het vlot gegooid. Drinkwater was al aan -boord; de kokosnoten, de wapens, het vischtuig en de halfgedroogde -visch volgden. En gezamelijk duwden de jongens van wal. - -Ineens stokte Harmen, keek verschrikt naar den oever. „M’n zethaakjes, -jongens!” stamelde hij. En uit alle macht werkte hij het vlot weer -terug. - -„Maak dan voort!” - -Die raad was overbodig; Harmen holde met groote sprongen naar de plaats -waar hij de zethaken had uitgelegd. „’k Heb er al een!” gilde Harmen. -„Gommenikkie, wat een vet mormel! Kijk hem eens kronkelen! En hier! Zit -er ook een an! En aan m’n derde haak..... zit er ook een!! Jongens, we -blijven hier nog tot morgenvroeg! Eerder zoeken ze ons toch niet! En -dan heb ik er nog drie bij! Ik hou zoo razend van paling!” - -„Kom je, of kom je niet?” - -„Neen! Ik kom niet!” - -„Stoot af, Hajo”, beval Rolf. En zelf gaf hij het vlot een fermen zet. - -„Wacht!” schreeuwde Harmen, kwam toesnellen en belandde met een -geweldigen sprong aan boord. En tegen Rolf voer hij uit: „Je weet, dat -je in Bantem nog een pak slaag bij me te goed hebt, niet waar?” - -„Wie breng je mee?” vroeg Rolf. - -„Mezelf!” zei Harmen. Nijdig pakte hij een boom op en werkte mee om het -vlot naar het midden van de rivier te krijgen. - -De maan brak weer door. Zachtkens gleed het vlot voort. En zoo kwam het -op de plaats waar de boomen aan den oever zich openvouwden en aan beide -zijden het zeestrand blonk. - -„Jongens, nu de branding door! Padde, ga op het zeil zitten en hou -Joppie vast. Harmen, zorg jij voor de waterkokers en de rest, dan -zullen Hajo en ik.....” - -Het vlot werd hoog opgetild, smakte neer, dompelend in het schuim; een -andere zeeduivel zette er zijn rug onder; de bamboes kraakten; het -water vloog over de hoofden der jongens. Maar ze hielden zich schrap; -Rolf en Hajo duwden uit alle macht af in den ondiepen bodem, en plots -schoot het vlot smeuïg de branding weer uit, lag stil op de kalme -deining. - -„Een beste kast!” prees Harmen. „Zullen we hem doopen?” - -„Hij is al gedoopt!” lachte Rolf. - -„Maar een naam moet hij toch hebben”, meende Hajo. „Dolimah is een -mooie naam!” - -De jongens knikten zwijgend. Dolimah.....! Ze keken om naar het land, -dat ze nu gingen verlaten. Het strand, de bosschen, de bergen in de -verte, alles baadde in het maanlicht. - -En nu de jongens die groene bosschen, die bergen vaarwel zeiden, -voelden ze, dat ze daarmee ook voorgoed Dolimah verlieten, en het was -hun of er een stuk van hen werd afgerukt. In hun verbeelding zagen ze -Dolimah met Saleiman haar dorpje weer zoeken; Saleiman geheimzinnig -bespelend zijn betooverde bamboefluit; Dolimah zwijgend, angstig -denkend aan wat haar thuis wachtte. En tusschen de struiken gluurde het -kantjil met zijn vreesachtige oogen, de olifant, het stekelvarken, -booze en goede geesten. En allen lieten haar eerbiedig voorbijgaan, -alsof een prinsesje passeerde..... - -Een prinsesje, dat was Dolimah voor hen geweest. Een beschermheilige en -een kleine, wakkere raadgeefster. - -Het vlot was Dolimah gedoopt. Zou het hen dan niet veilig naar Bantem -brengen? Waterduivels, booze stormgeesten, weet het allen: dit vlot is -de Dolimah! - -Zachtkens dansend op de stille golven, dreef de Dolimah voort in de -zilveren oneindigheid van maan, sterren, wolken, zee en hemel. - - - - - - - - -IN VOLLE ZEE - - -„Nu, jongens, nu het zeil opgezet!” riep Rolf. Samen met Hajo begon hij -aan alle vier zijden van het vlot een rotankoord te binden. - -„Ik snap al wat jullie willen”, zei Harmen. „Nou zeker onder in de mast -een paar gaatjes, en daar de rotan doorhalen? Ik zal de gaatjes wel -even kappen!” - -„Denk er om, dat je ze niet te groot maakt!” - -„Laat dat maar aan Harremen over”, knorde onze vriend. „Hier, Padde, -pas jij op de palingen, en laat ze niet glippen, want dan draai ik je -nek om.” Harmen reikte Padde zijn drie troeteldieren, die nog aan de -snoeren van de zethaken waren samengebonden, en begon den mast gereed -te maken. „Weet je wat ik wou?” vroeg hij. „Dat we een katrolletje -hadden, dan konden we reven en hijschen.—Wacht, ik weet al wat: ik kap -boven in de mast nog een gaatje, dan halen we daar een rotansnoertje -door, en aan die rotan knoopen we de gaffel! Nietwaar?” - -„Als je maar zorgt dat de gaffel vrij draaien kan.” - -„Dat snapt een kind”, zei Harmen. - -Zoo kwam de mast te staan. Het „loopende touwwerk” liep gesmeerd, als -je er een beetje goed aan trok, en de mast stond werkelijk vrij stevig. - -„Nou, zullen we de lantaren nou ook nog hijschen?” vroeg Harmen. - -„Om er een prauw met Inlanders mee te lokken?” - -„Ik begrijp niet waarom die Maleiers allemaal zoo woest op ons zijn!” -zuchtte Harmen. En geeuwend voegde hij er aan toe: „’k Heb maf!” - -„Dan ga je maar slapen”, raadde Rolf aan. - -„Moet er dan niet een opblijven?” - -„Dat zal ik zijn.” - -„Waarom jij?” - -„Omdat jullie niets van sterren af weten.” - -„Jij wel?” - -„Ik wel.” - -„Welke koers vaar je?” gromde Harmen. - -„Noord-Oost.” - -„Waarom Noord-Oost?” - -„Omdat daar Bantem ligt.” - -„Hoe weet je dat?” - -„Ga nou maar slapen”, zei Rolf, „want je verveelt me.” - -Harmen smakte zich neer en snurkte. - -„Zullen we de waterkokers nog even tegen de mast binden?” vroeg Hajo. - -Rolf sprong op, en samen bonden de jongens ze vast. De boom was -gelukkig hoog genoeg, dat hij vrij zwaaien kon. „Ziezoo”, zei Rolf. „Ga -jullie nou maar slapen!” - -„Wek je me als het licht wordt?” vroeg Hajo. „Dan neem ik het stuur van -je over.” - -„Ik zal het doen.”—En terwijl de anderen zich op het dek legden, bleef -Rolf zwijgend zitten en waakte, den schoot van het zeil in de eene hand -en in de andere het roer, dat dank zij zijn lengte beter voldeed dan -men zoo denken zou. De jongen droeg er zorg voor, het Zuiderkruis recht -aan stuurboord te houden. Hoe langer je er naar keek, hoe wonderlijker -en hoe diepzinniger het scheen. Er woei landwind, juist genoeg om het -zeil te doen bollen. - -Mijmerend tuurde Rolf voor zich uit. Binnen weinige minuten was hij de -eenige, die waakte..... - -De anderen keken elkaar verrast aan, toen ze den volgenden morgen de -oogen opsloegen en rondom niets dan zee zagen, behalve dan, nu al ver -in het Westen, de blauwe bergketens van Sumatra. Stil genietend, lieten -ze den frisschen zeewind om hun hoofden waaien. - -„Ben je moe, Rolf?” - -„Nou, ik wil wel wat slapen. Hou maar Oost, of Noord-Oost; het komt er -niet zoo op aan.” - -„Wil je niet eerst nog wat bikken vóór je gaat maffen?” vroeg Harmen, -die zijn veete vergat nu Rolf den geheelen nacht voor hen gewaakt had. - -„’k Heb al een vischje gegeten”, zei Rolf. „Ik ga nu eerst maar wat -slapen.” Hij vleide zich op het dek neer en sliep haast oogenblikkelijk -in. - -„Ik zorg voor de bikkerij!” zei Harmen, kapte een paar kokosnoten open -en reikte de stukken rond. „Ziezoo! Als jij aan die kant een paaltje in -het dek wringt, Padde, doe ik ’t aan deze kant, en dan hangen we de -visch weer keurig te drogen!” - - - -Zoo gebeurde het. Een kwartier later hing op het „voorschip” het heele -partijtje visch in den wind te schommelen. „Jongens, ’t zal warm worden -vandaag!” meende Harmen. „We gaan zoometeen achterscheeps zitten, daar -hebben we schaduw van het zeil.” - -„Ja, ik stuur voorloopig maar pal in de zon!” lachte Hajo. - -„Stuur maar raak”, zei Harmen. „We komen d’r wel. Zou er nog wat hout -zijn voor m’n vuurtje? Om alles hebben we gedacht, alleen niet om hout -voor het vuur! Wacht, ik kan ook wel wat kokosbast nemen!”—Een kwartier -later vlamde, dank zij de tondeldoos, een ferm vuurtje op. „Nou, waar -zijn m’n palingen nou?” - -„In ’t water”, zei Padde. - -Harmen verbleekte. - -„Vastgebonden!” lichtte Padde haastig toe. „Ze zitten nog aan de -haakjes, voor aan het vlot.” - -Harmen sprong toe, haalde met een zucht de palingen binnen. „Ze konden -twintigmaal gekaapt zijn! Waarom heb je ze niet in het drinkwater -bewaard!” - -„Nog al lekker!” Padde trok zijn neus op. - -Harmen was grenzeloos verbaasd. „Maar, akelige buikspreker, uit -datzelfde water heb ik ze toch immers gevangen!” En Harmen gooide twee -der palingen in de kokers met drinkwater. „Zoo, deze eene zullen we -maar in de maag laten verhuizen! Hou jij hem eens vast, Padde, dan zal -ik hem stroopen. Kijk hem nou eens kronkelen! Ik ken geen beest, dat -zoo de smoor gezien heeft aan doodgaan, als een paling. ’t Is een -vette, jongens!”—En weemoedig liet Harmen er op volgen: „Zoo’n plekkie -vind ik in m’n leven niet meer! Als ik in Hoorn zoo’n plekkie wist, -ging ik nooit meer varen!” - -De paling smaakte heerlijk. „Zouden ze nou zelf weten hoe lekker ze -zijn?” vroeg Harmen, zich smakkend de vingers aflikkend. - -De jongens zetten zich achter op het vlot neer, in de schaduw van het -zeil en tuurden over het diepblauwe water, waarop geen schuimkop -glinsterde. „We zitten in een zijstrooming”, zei Harmen. „Dat voel ik -aan het schommelen.” - -„Dat zal de strooming al zijn van Straat Soenda!” - -„Ja, Pollepoenda”, dichtte Harmen. - -„Rolf heeft het toch gezegd”, vroeg Hajo, „dat we in Straat Soenda -zouden komen?” - -„Oh!” zei Harmen. „Als Rolf morgen zegt: Harmen krijgt schubben, dan is -het ook zoo! Hij is nooit in dit Chineezenland geweest en toch wil ie -alles weten. Luisteren naar ouweren”, Harmen sloeg zich op de borst, -„die wèl in Indië zijn geweest,—ho maar! ’k Zal een Arabier worden, als -dit Straat Soenda is.” - -„Nou, wat is het dan?” - -„Lig me niet te vervelen”, zei Harmen. „Kijk daar eens, jongens! Een -eilandje!” - -Hajo, Padde en Joppie sprongen overeind. Aan den Oostelijken -gezichtseinder doken vage omtrekken op. „Wat zullen we doen, Harmen?! -Er op aanhouden?” - -„Natuurlijk! ’t Ligt trouwens in de koers!” - -Zwijgend zagen de jongens toe, hoe allengs de omtrekken minder vaag -werden en van blauw in groen overgingen. De oogen deden tenslotte zeer -van het staren over het blinkende water. - -Tegen den middag waren ze zoo dichtbij gekomen, dat ze duidelijk de -boomen onderscheiden konden. De jongens stelden vast, dat het vlot nog -vrij veel gang maakte. Nu, alles was ook gunstig: de wind zat vlak in -het zeil! Nu en dan piepte de mast, en de rotankoorden, die naar den -achtersteven liepen, stonden strak als vioolsnaren. - -„We zullen aan land gaan!” zei Harmen. „’k Heb hout noodig voor het -vuur.” - -„Als we aan land gaan, komen we in gruzelementen op de rotsen terecht”, -voorspelde Hajo. - -Harmen wilde tegensputteren. Maar hij was zeeman genoeg om in te zien, -dat Hajo gelijk had. „Best, je zult je zin hebben!” knorde hij daarom. -„Maar als je denkt, dat ik m’n palingen rauw eet, vergis je je! Dan kap -ik nog liever een stuk van het vlot af!” Hij loerde in de bamboekokers. -„Ze zijn er nog, hoor, m’n palinkies! En fleurig! Terug jij!” Harmen -tikte er een op den kop, maakte van zijn handen een bekertje en dronk. -„’t Is warm!—Kijk die smerige wolken daar eens!” - -Hajo keek om. - -In het Westen doken achter de bergen vuilzwarte wolken op, ongevraagde -gasten, die norsch en onbeschaamd de blauwe feestzaal daarboven -binnentraden. - -„’k Zal er eens niezen!” zei Harmen, die met vochtige oogen en -ontzaggelijk dom gezicht naar boven keek. „Hatsjie.....!—Daar schrikken -ze misschien van, de wolken.” - -Maar de wolken schrokken niet. Over het geheele Westen staken ze hun -leelijke koppen op, en achter de koppen aan wrongen zich groezelige, -wanstaltige lichamen. - -Het eilandje, dat de knapen voorbijvoeren, baadde nog in zonnige -weelde. Het was heel klein,—kon wellicht in een half uur worden -omgeloopen. Hier en daar vielen de grijze, met mos beplekte rotsen -steil neer in het nog blauwe water, dat blank opschuimde. Langs de -rotsen sprongen kleine apen. - -Toen de knapen het eilandje voorbij waren en er nog eens naar omkeken, -stond het als een groot en kleurig brok erts te fonkelen tegen den -dreigend zwarten hemel daar in het Westen, en de zee achter het -eilandje scheen ook al met inkt gedrenkt; er kwamen witte schuimkoppen -op, verbaasde zeemonsters, die hun leelijke koppen met de rafelige, -kroezende haren uit het water opstaken om eens te zien waar die -plotselinge duisternis vandaan kwam. - -En zie! een zwarte schaduw gleed over het eilandje, roofde het zijn -bonte pracht, en, vóór de jongens het wisten, zaten ze zelf ook al in -het donker. Daar in het Oosten vluchtte een groene fonkeling. Het -zonnige eilandje lag nu als een sombere, met gruwelijke legenden -omsponnen rooversveste in den zilveren krans der branding. - -Hoor! daar kwam de wind! Hij rukte aan het zeil, dat de mast er van -piepte en het vlot een schok kreeg. Rolf werd wakker, sloeg verbaasd de -oogen op. - -„Rot-weer”, lichtte Harmen hem in. - -„En dat eilandje daar?!” - -„Kunnen we niet meer aankomen! We hadden daareven moeten landen, maar -Hajo eet de palingen liever rauw dan lekker gepoft!” - -„Er was te veel branding”, verklaarde Hajo. - -Een nieuwe windvlaag rukte aan den mast, en van achteren sloeg het -water op het dek. Nu klotste het onder het vlot. - -„Zouden we het zeil niet neerhalen?” vroeg Rolf. - -„Ben je gaar?” zei Harmen. „Hij loopt juist lekker. Kijken we eens een -zog maken?” En Harmen wreef zich vergenoegd de handen. „Krimmeneel, wat -zie jij witjes, Padde! Heb je weer verlet om ’t zeeziekvrije plekkie?” - -Op dit oogenblik, nog vóór Padde „knap maar!” had kunnen zeggen, rukte -de wind geweldig aan het zeil; de onderschoot glipte Hajo uit de -vingers, zoodat de boom met een zwaai naar voren uithaalde, een paar -maal heen en weer wrikte; toen sprong een linkerachtertouw los, en de -mast sloeg naar rechts over, bleef schuin hangen. - -„M’n palingen!” schreeuwde Harmen ontzet.—Deze schrandere dieren hadden -zich het schuin vallen van den mast ten nutte gemaakt door uit de -kokers te glijden, die mee overhelden. Harmen schoot toe, maar de -klappende boom van het zeil sloeg hem tegen de borst, zoodat hij op -zijn achterwerk belandde. En toen hij weer overeind was gekrabbeld, zag -hij nog juist, hoe de beide palingen, kronkelend over het dek, in het -water een goed heenkomen zochten..... en vonden. - -De tranen schoten onzen vriend in de oogen. „Daar gáán ze!” jammerde -hij. En zich woedend omkeerend: „Wie heeft die achterste rotan zoo -allerbelabberdst beroerd vastgeknoopt!” - -„’k Heb er een ouwe-wijvenknoop opgedaan.....” stamelde Padde. - -„Je bent zelf een oud wijf!” raasde Harmen. „Wat doe jij eigenlijk op -een schip!” - -„Wie zegt je, dat ik op een schip wou! ’k Zou bij m’n oom in de -bierbrouwerij!” - -„Kon ik je er maar heenboksen!” schreeuwde Harmen, nog met een spijtige -trilling in zijn stem, terwijl Padde weemoedig verzuchtte: „Dan weet -je, wat je hebt.....!” - -Rolf was opgesprongen, bond het zeil op. Hajo liep naar het voordek, -waar de losgeschoten rotan in de lucht slierde, en trok den mast weer -overeind. „Ziezoo, deze knoop laat niet meer los!” En hij rukte ook de -andere knoopen stevig aan. Het vlot gleed een oogenblik zoo schuin -tegen de helling van een golf op, dat ze zich allen aan iets -vastklemden om niet weg te glijden. Harmen bond de arme Joppie, die op -zijn schrale pooten te bibberen stond en met oogen vol angst rondkeek, -aan den mast. - -„Toch zit ik liever op dit vlot als met z’n zeventigen in een jol!” zei -Harmen. „Als je je maar goed vasthoudt.....” - -Meteen wierp Harmen zich schrap op het dek, de beenen uit mekaar, de -handen om de dekspijlen. Padde rolde tegen hem aan; Hajo en Rolf -sloegen neer en hielden zich aan den mast. Toen kwam het vlot weer -zoowat vlak te liggen, en Harmen kon zijn zin voleinden: „..... kan je -niks gebeuren!” - -Alle vier dropen van het water. Toen ze weer overeind krabbelden, begon -het te regenen: een dichte sluier streek over het eilandje achter hen -en onttrok het aan het oog, en van alle zijden kwamen regensluiers en -vouwden zich boven het vlot ineen. De regen ratelde op het dek, en zoo -zwaar drukte hij op het zee-oppervlak, dat het water terstond veel -kalmer werd. Waar de spokende duivels hun gladde, bultige ruggen nog -toonden, striemde hij ze, dat ze krompen van pijn. De wind worstelde -zich nog wat door den regen heen, zeeg toen hijgend, afgemat neer. - -De jongens zaten triest bijeen. - -„Hoe zullen we nou koers houden?” vroeg Harmen, spijtig, omdat zijn -vuurtje al weer uit was. „Je ziet geen zon, geen sterren.....” - -„Dan houden we koers op den wind”, stelde Hajo voor. „De wind links -achter houden.” - -„De wind, die er niet is”, gromde Harmen. „’n Mooie koers zal dat -worden!” - -Hajo en Rolf zetten het zeil op. Het bleef slap hangen, in vouwen en -rimpels. - -„Zullen we wat bikken?” vroeg Harmen. - -„Geef maar op”, zei Padde. - -„Wat wil uwes hebben?” vroeg Harmen. „Gebraje kip? Warme oliebollen?” - -Kauwend op een visch, waar het zeewater nog afdroop, zaten de jongens -in triest zwijgen bij mekaar op het stuurloos dobberende vlot. - -Zachtkens spon zich de schemering. - - - -In den nacht rukte de wind ineens weer aan het zeil. Rolf en Harmen -schrokken er wakker van. - -Het regende nog wat, bij vlagen. Ook de wind was niet meer dan een -vlaag geweest. Daarboven, hoog in de lucht, scheen hij vrij spel te -hebben, reed op de zwarte wolken en zweepte ze tot woesten galop. Er -glansden wat sterren door, als de fonkeling van stalen helmen. - -„Laat mij vannacht maar eens koers houden”, zei Harmen. „Ik neem koers -op de wolken.”—Hij stond loom overeind, rekte zijn verkleumde leden en -ging huiverend bij het roer zitten. - -„Er staat geen wind”, zei Rolf. „Dat was maar een vlaag, daareven.” - -„’k Zal eens fluiten! Dan komt de wind!” verzekerde Harmen. „Ga jij nou -maar maffen.” - -De zee was nog woelig en zwart, maar het vlot deinde regelmatig, in -breeden zwaai, zonder schokken. Langzaam-aan kwam er wat wind -aansluipen, legde zich in het zeil en stuwde het vlot voort door de -golven, die witte, schuimende wonden toonden. Het water vloeide over -het dek tot aan de plaats waar de andere jongens sliepen. Ze merkten -het niet. Maar Harmen knikte tevreden. „Er zit weer gang in de kast! ’k -Zal ’t zeil nog wat aanhalen, dat ik geen scheutje wind verlies!” - -Zoo, langzaam-aan, zwol de wind, en toen de morgen grauwde, stond hij -met gebolden rug in het zeil te duwen. Harmen hing, de armen over het -roer, te snurken als een pater. Maar koers hield hij,—dat kon Harremen -maffende nog wel, en zonder sterren! - - - - - - - - -JAVA - - -In wilde vaart joegen de wolken den ganschen dag. Eerst tegen den avond -werden ze trager en schenen zich ten slotte nog slechts met moeite -voort te slepen. Ze kregen vage omtrekken, werden minder zwart en -rukten niet meer in dichte gelederen op, zooals daarstraks. Hier en -daar stonden groote plekken blauw met helder fonkelende sterren. - -De wind sloeg naar het Zuiden om; nu bleven de wolken bedremmeld staan, -botsten tegen elkaar en vluchtten ten slotte als een kudde opgejaagde -schapen naar het Noorden. Een oogenblik later was er heinde en verre -niet een meer te bespeuren, en de hemel stond blank gepoetst als na de -groote schoonmaak.—„Morgen droog weer!” voorspelde Harmen en wreef zich -in de knuisten. - -„’k Had liever een bedekte lucht”, zei Rolf. - -„Harremen niet!” verzekerde Harmen. „Wacht maar: morgen hebben we weer -een vuurtje.” - -„’t Zal ook zonder vuur warm genoeg worden”, meende Rolf. - -„Wanneer zouden we Java nu zoowat in het zicht kunnen krijgen?” vroeg -Hajo. - -„Misschien zijn we al op de helft”, zei Rolf. „We hebben vandaag een -heel eind achter ons gelaten.” - -In spanning op den dag van morgen legden de jongens zich ter ruste. - -De ochtend was verrukkelijk. Er lag een blauwgrijze nevel op het water, -en in dat grijs stond de zon als een roode lampion. Eerst later werd ze -goud; nu liep over het water een gouden weggetje tot aan den -gezichtseinder, en de vochtige nevels weerkaatsten het zonlicht, zoodat -de lucht vol gouden schemeringen kwam. - -Harmen kon de verleiding niet weerstaan: plonsde in het frissche water. -„Ik kan ’t nauwelijks bijhouden!” pufte hij, toen hij achter adem weer -op het dek kroop. - -„Ga niet meer zwemmen, Harmen”, zei Rolf. „Je weet niet, of hier soms -haaien zitten.” - -„Die lusten me niet”, verzekerde Harmen. „Die lusten alleen maar -landrotten. Laatst.....” (Harmen begon te grinniken) „..... vongen ze -eens een haai en vroegen ’m op de man af, waarom ie meer van landrotten -hield.—De zeelui bennen me te zout, zei-d-ie,—en je weet van te vorens -nooit, of je bijgeval niet een por in je schoone vessie krijgt!—Weet je -wat Gerretje verteld heeft van een haai en van zoo’n uitgebakken bokkum -van een landrot? Afijn, laat ik het maar niet weer vertellen ook, want -’t is zoo allergemeenst gelogen, dat jullie er alle scheel van zouden -worden, en Joppie er bij. Ophakken is goed, maar je moet de lui niet -gaan voorliegen.—Hebben jullie ook zoo’n honger?” - -„Nou!” zei Padde. - -„Jou word niets gevraagd”, stelde Harmen vast. „De stukken visch zitten -je nog achter de kiezen! Jij hebt je ’s morgens nog niet behoorlijk -uitgerokken, of je zit al bij de proviand.” - -„’t Was maar een kleintje”, zei Padde. - -„Nou, jij bent ook maar een kleintje.—Blijf je er af met je vingers?!” - -Padde trok nijdig een paar visschen van het drooglijntje en deelde ze -rond. Toen zette hij zelf met een norsch gezicht zijn tanden in een -vischje. - -Harmen keek er grinnikend naar. „Je moest bij de drogist eens wat -pillen halen, dat je eens afleert om dadelijk altijd zoo woest te -worden”, zei hij. „Als ’n mensch: kurk zegt, versta jij d’r: schurk -uit.—En als je nou toch bij de drogist bent, vraag dan meteen een -zalfje, dat je niet overal zoo invliegt. Ik zie je nog in de kombuis -zitten buikspreken! ’k Dacht, dat ik een beroerte zou krijgen! En -Lijsken had geen adem meer.—’k Wil d’r uit! riep ie.—Komt dat uit m’n -buik? vraagt Padde. Toen je weg was, zei Lijsken:—Ik geloof, dat die -augurk ons nòg niet in de smiezen heeft!” Harmen tolde van plezier over -het dek en knabbelde, met opgetrokken knieën achterover liggend, aan -zijn visch. - -Padde stond met rollende oogen op, wilde met zijn visch naar het -voordek verhuizen. Maar plots stootte hij een kreet uit, staarde in het -water. Kort onder de oppervlakte flitste de witte buik van een haai. -Duidelijk zag Padde den driehoekigen muil. - -De anderen waren overeind gesprongen; Harmen greep een der speren en -stelde zich aan den rand van het vlot op. „Als ik hem die speer in z’n -bast kan gooien, zal ik het niet laten, jongens.....!” - -In spanning wachtten de knapen. Alle grapjes waren van de lucht; de -verbittering tegen den geheimzinnigen vijand, die met zijn -vraatzuchtigen muil de diepten der zee onveilig maakt, sloeg hen in -ban. Eensklaps dook het monster weer onder het vlot uit; een rilling -van afschuw voer den jongens door de leden. Harmen haalde de gevelde -speer ver naar achteren uit en slingerde het wapen uit alle macht naar -den haai. De knapen zagen, hoe de speer wegschoot in het lichaam. -Meteen wentelde de haai zich om; de gevlerkte staart dook uit de golven -op en klapte weer neer, dat het water den jongens om de ooren vloog. -Toen dook het dier in de diepte weg. - -„Die heeft ie te pakken!” hijgde Harmen. - -De jongens keken nog eenigen tijd uit, maar er kwam niets meer opdagen. -„Kom, laten we weer achter het zeil gaan”, zei Hajo. „’t Is hier in de -zon niet om uit te houden!” - -„Straks zal het zeil niet veel schaduw meer geven!” meende Rolf. -„Zeg..... kijk eens in die richting! Is dat niet.....?!” - -„Land!” riep Harmen uit. „Wéér een eilandje!” - -„Dat kan”, zei Rolf. „Straat Soenda ligt vol eilandjes! Daar landen we, -jongens! We hebben haast geen drinken meer aan boord!” - -Als ze nu maar konden landen, daar ging het om. Voorloopig moesten ze -nog een paar uur wachten vóór ze er waren, en allengs ging er een -gloeiende hitte boven het water hangen. De jongens hokten steeds -dichter bij de mast, naarmate de schaduw van het zeil kromp. Joppie -schikte telkens mee. Om de beurt namen ze de plaats bij het roer in. - -„Kom, zullen we eens wat gaan bikken?” vroeg Harmen, toen de zon zoowat -op haar hoogst stond, en de jongens op een rijtje onder den boom -gehurkt zaten. - -„Ik niet!” riep amechtig Padde, die de beurt bij het roer had. - -„Je hebt je buik zeker nog vol van vanmorgen”, zei Harmen. - -„Schei uit!” verzocht Padde. „Ik stik zoowat.” - -Harmen begon te grinniken. Maar in eens viel hij uit: „Haal dat roer -dan toch om, sufferd! Waar koers je heen?!” - -„Ik kan niets zien”, klaagde Padde. „Alles is zoo scherp voor mijn -oogen!” - -„Nou, kras dan maar op”, zei Harmen. „Ik zal het roer wel weer nemen! -Anders varen we nog naar ’t land van de Chineezen”. - -Maar spoedig hield ook hij het niet meer uit. „’k Word zoo flauw als -kinderpap!” mopperde hij. „’k Zou wel onder het vlot willen kruipen, -daar is het lekker koel.” - -„Ben je die haai van daar straks vergeten?” vroeg Rolf. - -„Die is naar Harremen niks nieuwsgierig meer”, verzekerde Harmen. Maar -hij bleef toch maar zitten. - -De wind bleef uit het Zuiden waaien, blies nu een zengende, van hitte -sidderende lucht voor zich uit, die de kelen schroeide. - -Harmen hield het aan het roer niet meer uit, en Hajo verving hem. Onze -koksmaat kroop in de schaduw, kapte een jonge kokosnoot open. Met -gulzige haast bracht hij de vrucht aan zijn lippen en liet het vocht in -zijn keelgat borrelen. - -In den namiddag, na elkaar om de beurt aan het roer te hebben afgelost, -kwamen de jongens bij het eiland. Voorloopig was er van landen echter -geen sprake: een hooge rotswand viel steil in de branding neer. De -jongens besloten rechts om te zwenken,—daar scheen de kust beter te -zullen worden. - -Hajo gooide het roer om en trok den schoot aan. Gelukkig,—aan deze -zijde nam de rotswand spoedig af; er volgde een smalle strandvlakte met -bosch, en plots een smalle kreek, waarvoor nagenoeg geen branding -stond, zoodat ze gerust konden binnenvaren. - -Maar nu..... bij het naderen van de kreek..... wat schoof daar, ver aan -den gezichtseinder, vaag en grijs achter de boomen te voorschijn.....?! - -„Java!!” schreeuwde Harmen. - -„Hoe weet je dat?!” - -„Zal ik niet zien!” De vreugdetranen braken door Harmen’s stem. „Die -twee bergen, met dat gat links ervan, dat is Java! ’k Heb het toch op -m’n vorige reis gezien?!” - -„Wat zullen we doen?!” vroeg Hajo, naar adem happend. - -Harmen sprong op het roer af, wilde het omrukken. - -Rolf voorkwam hem. „Harmen, we moeten éérst de kreek in!” - -„Laat je dat roer los?!” bulderde Harmen. - -„Luister dan toch!” viel Rolf driftig uit. „Al is dat dan ook Java, -daarom zijn we nog niet bij de anderen! We moeten morgen te drinken -hebben! Alle jonge noten zijn op.” - -„Maar morgenochtend zijn we immers aan de andere kust!” schreeuwde -Harmen. - -„Rolf heeft gelijk, Harmen”, zei Hajo. „Hier kunnen we landen; -daarginds ligt de kust misschien vol rotsen.” - -„Ja, laten we eerst aan land gaan, Harmen”, viel Padde zijn vriend Hajo -bij. - -„Als Joppie nou óók nog gaat janken, zijn we klaar!” schimpte Harmen -bitter. - -En zie: op het hooren van zijn naam, sperde Joppie zijn liefelijk -keelgat open en gaf luide zijn bijval te kennen. Vlak er op kreeg hij -er spijt van, ging met een blik vol wantrouwen zoo ver mogelijk van -Harmen zitten.—Intusschen was het vlot, na even gedanst te hebben, de -kreek binnengegleden. Ze bleek een broedplaats voor meeuwen te zijn en -was omzoomd door kokosboomen. - -„Kom, Harmen, zit niet meer te brommen!” zei Rolf. „Vanavond varen we -al weer uit!” - -„Ik heb geen haast!” snauwde Harmen. „Ik wou immers eerst niet eens mee -naar Bantem?” - -De jongens trokken het vlot half op het strand, waarbij de meeuwen hun -tsjiepend om de ooren vlogen. Er waren groote zilvermeeuwen, -zwartkopjes, kleine grijsjes, sterntjes, stormvogels..... - -„Wedden, dat ik eieren vind?” vroeg Harmen vertrouwelijk aan Hajo, -terwijl hij Rolf den rug hield toegekeerd. - -„Wilde je geen brandhout hebben?” vroeg Rolf, vriendelijk als altijd. - -„Eieren wil ik zoeken!” schreeuwde Harmen. - -„Nu, als je ze dan maar niet weer in je mond bewaart”, zei Rolf. - -Om dit antwoord moest Padde zoo verbazend grinniken, dat hij ervan -dubbel dreigde te slaan. „Ja, ’k heb het van Hajo gehoord!” proestte -hij. „Dat was ook niet snugger van je, zeg?” En Padde wrong zich, de -handen om z’n rond buikje, in allerlei bochten, om zijn vroolijkheid -kwijt te raken. „H-h-hij heeft de eieren in zijn m-m-mond gestopt!” -gierde Padde. „En toen knapte de tak! En toen.....” Padde liet zich -neerploffen en wentelde zich door het zand, „hi-hi-hi-hi, toen zijn de -eieren..... hi-hi-hi-hi-hi!” Hij weerde met de hand Joppie af, die -keffend om hem heensprong. „Toen zijn de eieren..... -hi-hi-hi-hi-hi-hi!” - -„Vooruit!” zei Harmen half lachend, half ongeduldig. „Moet ik je -kietelen?” - -„Hoe-oe-oe! Kietelen!” gilde Padde ontzet en vluchtte met groote -sprongen voor Harmen uit. Joppie sprong hem keffend om de beenen, -zoodat Padde dwars over hem heen in het zand sloeg en Harmen weer over -hem heen buitelde. - -„Kom, jongens!” lachte Rolf. „Laten we nu vlug wat noten gaan plukken!” - -Harmen sprong overeind, pletste met de handen op zijn zitvlak en schoot -een kokosboom in. „Reuze-noten, jongens! Hou je kop er maar eens onder, -Padde!”—En toen Padde er geen lust in toonde: „Joppie! Joppie! Kom er -eens bij Harremen?” Jankend van vreugdevolle opwinding, sprong Joppie -om den stam. Maar toen „Harremen” met noten begon te kegelen, droop -Joppie af, den staart tusschen de pooten. - -Hajo en Rolf zaten al in een anderen boom, en Padde maakte zich -verdienstelijk door de geplukte noten over het strand naar het vlot te -kegelen. Dat vond Joppie aardig: hij vloog holderdebolder achter de -rollende noten aan, trachtte ze vergeefs in den bek te nemen. - -De jongens plukten niets dan jonge noten; oude hadden ze nog genoeg; -het was hun om de melk te doen. Toen ze er naar hun zin genoeg hadden, -werd er brandhout gehakt. - -Rolf had ook een aantal zware palmbladeren afgekapt en sleepte ze naar -het vlot. „Daar vlechten we een zonnetent uit, jongens!” - -„Ziezoo, nou kunnen we dan toch gaan!” meende Harmen. - -En zoo staken ze weer in zee, door een dichten zwerm meeuwen gevolgd, -die eerst terugkeerde, toen de schemering inviel..... - -„Wie zal vannacht waken?” vroeg Rolf. - -„Ikke”, zei Harmen. - -„Of ik!” stelde Hajo voor. „Ik heb nog niet eenmaal gewaakt.” - -„Ik krijg maf!” merkte Padde op en geeuwde allerverschrikkelijkst. - -„Weet je wat”, zei Rolf. „We waken om de beurt. Eerst Harmen, dan ik en -dan Hajo.” - -„Nou, als er gewaakt moet worden.....” begon Padde aarzelend. - -„Help jij maar maffen”, zei Harmen, „dat doe je beter.” - -De avond was zeldzaam mooi. Toen de zon bloedrood in zee was -weggezonken, kwamen uit het Oosten de nachtnevelen aandrijven en -omsluierden het gebergte. - -„Zoometeen zie je er niks meer van!” pruttelde Harmen. „Dan moeten we -weer op de sterren koers houden!” - -Maar dat was niet noodig: toen de sterretjes ontstoken waren en te -tintelen begonnen, vluchtten de nevelen weer, en donker lagen de bergen -aan den Oostelijken gezichtseinder. - -Java.....! Java.....!! - - - - - - - - -HET EERSTE WEERZIEN - - -Wie er den volgenden morgen het hoogst sprong van plezier? Daar, -vlakbij, lag de kust! Java’s lachende, zonnige kust! De jongens keken -er naar, als betooverd. Dit, dit was nu Java, waarvan ze zooveel -wonderen gehoord hadden. Op dit groote, mooie eiland woonden de -vorsten, die onder gouden zonneschermen wandelden in hun lusthoven, -door breede lanen vol bloemengeur. Hun kleederen waren zwaar van -edelsteenen; zij droegen vlammende krissen met kostbare heften en..... -Wat had Vader Langjas hun onderweg nog niet alles verteld! - -De zon school nog achter de bergen, en de rotsen, die aan zee grensden, -en de zee zelf en de groene bosschen achter de rotsen stonden te -schemeren in een fijn, blauwgrijs waas. Hoe stil was het op het water, -hoe mild was de lucht. Dat zoete ruischen tegen de rotsen klonk zoo -feestelijk..... - -Zie! daar gluurde de zon boven de bergen uit; ineens schoten er -allerlei grillige, goudgekartelde vormen in de rotsen aan de kust, en -een blauwe schaduw sloeg in zee neer. Nu spiedde de zon nieuwsgierig de -berghelling af; eenzame boompjes richtten zich fier op,—trotsch, dat ze -een schaduw hadden, tien maal langer dan zij zelf. - -„’k Wou, dat ik wat versche visch had, om te braden!” zuchtte Harmen. - -„Ik kon wel eens inleggen”, zei Padde. „Gaan we niet aan land?” - -Rolf schudde het hoofd. „We varen de kust af, tot we op de Hollandsche -schepen stuiten.” - -Padde wierp zijn hengel uit en ging zitten koekeloeren in het heldere -water. „Kijk, daar zit een klein mormel om m’n haak te draaien”, zei -Padde. „Afblijven, beestje, ’k moet jou niet hebben.” Padde trok den -haak weg en gooide iets verderop weer in. Maar het „mormel” zat er al -weer bij, en toen Padde even later grimmig naar den anderen kant van -het vlot ging, volgde het hem ook daarheen. „Nou, als je dan zóó graag -opgehaald wilt worden.....!” zei Padde nijdig en sloeg op. Het vischje -was twee duim lang. - -„Geef hier!” zei Harmen. „’t Is beter als niets.” - -„Afblijven!” gebood Padde. „Ik heb hem gevangen om er weer mee te gaan -visschen.” - -Maar Harmen griste het diertje weg. „Eerst zal ik hem braden en opeten. -Dan mag je er mee doen wat je wilt.” - -Rolf en Hajo hadden wat gegeten en begonnen met hun zonnetent, maakten -eerst een dun geraamte van bamboe. - -„Laat je wat bladeren voor een nieuw rokje over?” vroeg Harmen. „Met -dat, wat ik nou aan heb, durf ik geen mensch meer onder de oogen te -komen. Jij mag ook noodig wat nieuws hebben, Padde!” - -„Ja, ’k loop voor schandaal”, gaf Padde toe. „Kom, ik zal meteen maar -beginnen!” Padde sprong overeind, legde z’n hengel neer. „Ik vang hier -toch niets.” - -En even later zaten de jongens zwijgend bijeen en werkten. - -Harmen, den roerstok in den arm gekneld, vlocht daarbij ijverig en -hield toch koers. Zoo volgden de knapen op vrij grooten afstand de -kust, die naar het Oosten afboog. - -„Een prauw!” riep Hajo eensklaps uit. „Daar komt een prauw aan!” - -Ja! Bij het ombuigen van een in zee uitloopende rots, was een zeil -opgedoken. Het was een groote prauw, en er zaten vijf Inlanders in. - -„Ze komen nu recht naar ons toe!” zei Rolf. - -„Laat ze maar komen!” zei Harmen driftig. „Wij zijn ook met z’n vijven! -Nietwaar, Joppie?” - -„Wouw!” gilde Joppie opgewonden. - -„Misschien is het alleen maar nieuwsgierigheid”, meende Rolf. - -„Valt er wat aan ons te zien?” vroeg Harmen. „Hier, Hajo, neem een -speer. En jij ook, Rolf!” - -„En ikke?” vroeg Padde bevend, met schorre stem. - -„Jij doet maar krek, of je d’r niet bij hoort”, raadde Harmen. - -Opgewonden wachtten de jongens de prauw af, bereid hun leven, zoo -noodig, duur te verkoopen. Maar toen het vaartuigje naderde en de -jongens de stomverbaasde, argelooze gelaatstrekken der Inlanders zagen, -lieten ze de wapens zinken. - -„Tabeh!” riep Harmen. - -Een gemurmel steeg uit de prauw op. De Inlanders reefden het zeil, -stuurden langs zij van het vlot, klemden er zich met de handen aan -vast. - -„Is dit Java?” vroeg Rolf en wees naar de kust. - -De Inlanders knikten, keken nog verbaasd van den een naar den ander. - -„En zijn hier ook ergens Hollandsche schepen?” - -De bruintjes wezen naar het Oosten. - -Rolf haalde diep adem. „Lagi djahoe?—Nog ver hier vandaan?” - -Ontkennend hoofdschudden. - -„Kunnen..... kunnen we er vandaag nog komen?” - -„Bissa, toean..... zeker, heer.” - -„Wat zeit ie?” vroeg Harmen. - -Rolf zaten de vreugdetranen in de keel. „Dat we..... we vandaag nog bij -de schepen komen!” - -Eerst keken de anderen hem aan, alsof ze hem niet begrepen. Toen steeg -uit Harmen’s keel een schorre snik. „Tabeh!” schreeuwde hij, trapte de -prauw van het vlot los en voerde een dollen rondedans uit, wijd -uitzwaaiend zijn bloote beenen. En dikke tranen rolden hem over de -wangen. „Hè, Padde, lollig varken?” - -Padde kreeg een grinnikbui, waarin hij bijkans stikte. „Harmen! Weet je -wat jij bent? Oók een lollig varken!” En de beide jongens vielen elkaar -in de armen, sloegen van de pret op het dek en buitelden gillend over -elkaar heen, tegen den mast aan, die ervan kraakte. Ook Joppie leek wel -dol geworden; hij sprong keffend om de jongens heen en begon Padde aan -zijn schortje te trekken,—tot hij ten slotte met zijn buit achterover -in het water plonsde. Rolf hielp hem weer op het dek. Nu ging Joppie op -zijn achterste zitten en gilde met open bek, den kop omhoog, zijn -opwinding uit. - -De Inlanders keken met wijd opengesperde oogen naar het gebeuren daar -op het vlot. „Mabok..... dronken!” stelden ze vast. - -Maar Harmen stond alweer nuchter op z’n beenen, rukte het roer om, -haalde den schoot aan. „’k Wou, dat ik vliegen kon!” zei hij, nog -hijgend. „Rolf, ik ben smoor van je!” - -Rolf kon zijn lachen niet weerhouden. „Als ze nou maar de waarheid -hebben gesproken!” - -„Jongens!” schreeuwde Harmen. „Leve Rolf! Leve de pennelikker!—’k Zou -je wel kunnen uitwringen van lol!—Hè, Joppie? Ouwe, uitgebakken -Chinees? Hou je snoet nou dicht, kammelejon!” En Harmen begon mee te -gillen: „Hauw! Au.....au.....auw! Oeh..... oeh..... wauw!” - -De anderen vielen om van plezier, en Padde stemde met Harmen in. Toen -werd het Joppie te kras; hij staakte zijn gejeremieer en keek verbaasd -en gevleid naar de twee jongens, die nog met het hoofd in den nek als -onvervalschte kamponggladakkers zaten te jammeren. Van louter schik gaf -Harmen Padde een geweldigen mep in het gezicht; Padde had een fermen -bloedneus, en Joppie was er ijlings bij om hem de wangen schoon te -likken. Met krachtloos geworden arm weerde Padde hem af. - -„Kom, jongens, nu het hoofd weer bij mekaar!” zei Rolf. „Ik zie nog -niets van die schepen, en we hebben nog een snikheete dag voor ons. Als -we over een uur de tent niet klaar hebben, zitten we in het barre -zonnetje, en daar heb ik weinig trek in.” - -Padde hield het hoofd achterover om zijn bloedneus te stelpen. - -„Wil ik je nòg een mep geven, om het gat weer dicht te slaan?” vroeg -Harmen. - -„Heb het hart er eens toe?” vroeg Padde. „Dan ga ik straks naar de -bootsman!” - -„Daar zul je geen plezier van beleven, leelijke klikspaan!” schold -Harmen. - -Toen begonnen ze allen te lachen. Hè, zooveel geluk in eens was niet te -omvatten! - -Een half uur later hadden ze een „zonnetent” van twee el in het -vierkant. Ze zetten de mat op vier staken neer; zoo konden ze er juist -mooi onder zitten. - -De middag kwam; de hitte werd haast onverdragelijk. Met trage tanden -aten de jongens een vischje. In slapen had niemand behalve Joppie dien -middag eenigen lust. Allen tuurden in Oostelijke richting over het -water naar den sidderenden horizon. - -Harmen en Padde waren met hun schortjes gereed, voelden zich net zoo -trotsch, als wanneer ze vroeger een nieuwe broek voor het eerst -aanhadden. Dat straks iemand er iets vreemds aan zou kunnen vinden, -kwam hun geen van beiden in den zin.—Harmen liet zich bewonderen. „Hè? -Dat is andere koek dan dat smerige rokkie van daarstraks! Valt het van -achteren ook goed?” - -„Puik!” prees Padde. „En bij mij?” Ook Padde draaide zich om. - -„Buk je eens wat?” vroeg Harmen. - -Padde bukte. Harmen haalde zijn hand naar achteren uit..... pats! Padde -vloog door de lucht naar de andere zijde van het vlot. „Hè! M’n hand -gloeit ervan!” grinnikte Harmen. - -„Lammeling!” schold Padde, overeind krabbelend. Maar meteen lachte hij -ook alweer. Wie kon er nog boos worden? - -In den namiddag werd het koeler; de lucht betrok. De jongens gingen -voor op het vlot zitten. Joppie en Padde hielden de wacht bij het roer. - -„Wat zit jij te koekeloeren, Hajo?” vroeg Rolf. - -Hajo zat al een minuut lang star voor zich uit te kijken. Hij -antwoordde eerst niet en zei toen, moeilijk sprekend: „Ik gelóóf..... -dat ik..... een schip zie!” - -„Waar?!!” - -Met bevende hand wees Hajo naar voren. „Onder die wolk daar, met die -spitse top.” - -De jongens waren overeind gesprongen, tuurden hijgend in Oostelijke -richting. Padde had het roer losgelaten en kwam, struikelend over een -rotan, naar voren. Spannend zwijgen..... - -Toen stootte Harmen een schreeuw uit. „Ik zie het!!” - -De anderen rekten hun halzen. - -„Ja!” riep Rolf uit. „Nu zie ik het ook! Jongens!!” - -Padde knipte zenuwachtig met zijn oogjes. „Onder die wolk?” vroeg hij. -En plots begon hij te schreien en driftig met de voeten te trappelen. -„Ik zie niks! Ik zie niks!!” - -„Kijk dan uit je doppen!” raadde Harmen. - -Padde sloeg zich met de vuisten tegen het gelaat en schreide: „Ik kijk -uit m’n doppen! Maar ik heb zulke..... zulke rot-oogen!”—En Padde’s -lichaam trilde even van smart. - -„Wacht maar, Padde”, troostte Rolf. „Zoometeen zie jij het ook en je -moet maar denken: we komen er allemaal tegelijk aan!”—En ook Hajo had -medelijden met Padde. „Hè, Padde?” vroeg hij. „Als we straks samen weer -aan boord klauteren?” - -„Hajo!” snikte Padde en viel zijn vriend om den hals. - -„Vooruit!” riep Harmen. „We schieten niet op! Waarom blaast de wind -niet wat harder!” - -„Heb maar geduld”, zei Rolf. „Straks krijgen we nog ruw weer! Zie eens, -wat een wolken!” - -„Wat heb ik aan wolken? Wind moeten we hebben!—Ziezoo! dat gaat een -betere kant uit”, prees Harmen, toen een sterke vlaag in het zeil sloeg -en het vlot een schokje voorwaarts gaf. Harmen laadde de armen vol -kokosnoten en wierp ze overboord. „Weg met die rommel! Dat scheelt in -de vaart! En van die mat maken we een fok!” - -De jongens plaatsten de zonnetent op het voordek. De wind was allengs -geheel naar het Westen omgezwaaid, zat nu prachtig in het zeil. Hij -scheen toe te nemen. - -„Voor mijn part gaat hij razen als de hond van Lubbes”, zei Harmen. - -Heel langzaam-aan werd het fletsblauwe omtrekje aan den Oostelijken -gezichtseinder duidelijker. Toen vervaagde het weer, omdat het water de -hitte van den dag ging uitdampen. De schuit lag voor anker; duidelijk -hadden de jongens de kale masten gezien. - -In het Westen was de zon vertroebeld in waterige, vuil-paarse wolken; -haar licht, daarstraks nog van het zuiverste goud, werd nu valsch van -kleur, en ten slotte verdween ze geheel. Daarop schenen de wolken -gewacht te hebben: daareven stonden ze druilend boven het water, maar -nu schoten ze eensklaps omhoog met zulk een onstuimigheid, dat ze -andere wolken meesleurden, die niets geen lust hadden in de wilde -jacht, zich dan ook weer losrukten en onderdompelden in de loodgrijze -bank boven de kim. - -„’n Vieze beweging daar!” zei Harmen. „Afijn, ’t brengt wind mee.....” - -Nu schoof ook de grijze bank omhoog en werd een trieste muur, die alles -in schemer hulde; een rosse schijn kwam in de lucht te hangen; op den -muur stonden eensklaps vlammende kanteelen. Daarachter lag een -duivelsveste. Groeterig grauwe heksen op bezemstelen vlogen er uit op -en reden naast elkaar, botsend met de ellebogen. Uit het Zuiden kwam -een leger grijze ratten aankruipen, knaagde aan de laatste lichte -plekjes van den hemel. - -Weer is er een aarzeling daarboven in de lucht. Het wordt stil; de -golven zwellen van achteren geheimzinnig aan en loopen over het dek -uit, nu het vlot haast niet meer vooruitkomt. Harmen raast en geeft er -Padde de schuld van, als het zeil ten slotte slap neervalt. Onrustig -zien de jongens omhoog. - -Zie! daar steekt de burchtheer zelf zijn rooden duivelskop achter den -muur op. „Wat heeft dat treuzelen te beduiden?!” Hoor! de zweep giert -over de ruggen der heksen en over het rattenheir. Nieuwe troepen komen -aan, te paard, dringen door tot in de voorste gelederen. - -Het zeil bolt met een slag uit; de mast buigt krakend door. In plaats -van van achteren te komen, schuiven de zwarte golven nu weer over het -voordek. - -Harmen wrijft zich de knuisten. „Nou gaat ie gesmeerd!” Maar eensklaps -betrekt zijn gezicht. „’k Ben maar voor één ding bang, jongens! Dat ze -daarginds met dit weer niet voor anker durven blijven liggen en van de -kust afzeilen!” - -De anderen weten geen antwoord. Allen zien het gevaar in. Ze hijschen -zwijgend de lantaren in den mast, want het zal over een half uur donker -zijn. Jongens, wat schiet het vlot door de golven! - -Eensklaps vliegen door een plotselingen rukwind de stukken hout het -smeulende vuurtje uit en tollen, even nog sissend, in de golven. En het -matten „fokzeil” suist draaiend de lucht in, slaat plots over den kop -en schiet in het water weg. - -„Wel, verduiveld!” roept Harmen spijtig uit en gaat na, of de mast en -het zeil goed vastzitten. - -Het vlot vaart zonder „fok” niet langzamer. Forsch dompelt het den kop -in de golven. - -„Licht!!” roept Hajo plotseling uit. - -„Ha!—Trek de schoot aan, Rolf! ’t Ligt bijna in de koers!” En Harmen -begint alvast te brullen: „Schip ahoy! Ahoy! Schip ahoy!!” - -Zóó snel vaart het vlot, dat het licht elk kwartier grooter en -helderder wordt. Daar, links, is nog een licht! En rechts nog een! -Houdt het middelste, jongens! - -Nu zijn ze er geen vijfhonderd ellen meer af. Duidelijk zien ze den -donkeren omtrek van een Oostinjevaarder. „Zullen we roepen, jongens?” -vraagt Harmen opgewonden. - -„Ja. Allemaal tegelijk. Een-twee-drie.....” - -„Schip ahoy!!” schreeuwen ze met hun vieren. Joppie gilt mee. - -„Nog eens! Een-twee-drie.....!” - -„Schip ahoy!!!” - -„Het ligt met de zijkant hier naar toe! We loopen er vierkant tegen -op!” - -„Goed zoo, maar haal het zeil omhoog! Anders varen we het vlot aan -splinters. Doe jij het, Hajo; ik moet het roer houd.....”—Met een -scherp geluid scheurt het zeil van den boom af; zwaar klappend in de -lucht rukt het den gaffel mee en vliegt als een witte meeuw weg.—„Zoo’n -rotzeil!” scheldt Harmen. - -„Ik zie menschen!” roept Rolf. „Ze laten stootballen neer! Jongens!!” - -Hoog ligt het schip, zacht deinend op den rumoerigen golfslag, die -klotst en botst onder den spiegel. Nu stoot het vlot tegen den houten -wand van den Oostinjevaarder. - -„’n Valreep!!” schreeuwt Harmen dringend omhoog. - -Boven schemeren vage koppen. Daar vliegt een touwladder overboord. Met -een wilden kreet grijpt Harmen het ding beet, wil er den voet inzetten, -bedenkt zich. „Padde, jij eerst! Nou, vooruit dan!!” En Harmen duwt hem -in het laddertje, geeft hem nog een zetje na. „Nu jij, Hajo! Geen -praatjes! Kerel dan toch.....!!—En nou jij, Rolf!” - -„Neen. Ik ga het laatst”, zegt Rolf, alsof hij al schipper is en zijn -bodem verlaten moet. „Maar hoe krijgen we Joppie mee?” - -Harmen weet raad. Hij grijpt Joppie, die deemoediger dan ooit is, in -het nekvel en, als een hondemoeder, draagt hij Joppie tusschen de -tanden den valreep op. - -Als laatste, even huiverend van geluk, verlaat Rolf het vlot. Zoo komt -hij boven, waar Harmen de haren uit zijn mond spuwt. - -Wie staat daar en sluit hen alle vier tegelijk, schreiend en lachend, -in zijn zevenmijls armen? - -Hilke Jopkins. - - - - - - - - -BIJ DE BRUINVISCH AAN BOORD - - -„Mijn jongens.....! Hajo! Rolf! Harmen! Padde, goeie sukkel, ik dacht, -dat jullie altemet naar de weerlicht waren!” En de tranen sprongen zoo -maar Hilke’s oogen uit. „Mannen, haal Bolle eens op!” - -Daar kwam Bolle al aanhollen. „Groote genade, jongens, zijn jullie daar -weer?!” Bolle veegde z’n vette handen aan zijn witten voorschoot af. -„Hoe hebben jullie ’m dat gelapt?” - -„Tja, Bolle”, zei Harmen, „als ik daarvan begin te vertellen, mag ik -eerst wel een bord bruine boonen met spek achter de kiezen hebben, -anders val ik onderweg van m’n stokje.” - -„’k Zal gauw wat klaarmaken!” verzekerde Bolle, aangedaan. „Lusten -jullie een bordje pap na?” - -„Schei maar uit, Bolle!” zuchtte Harmen. „Pap.....! Groote genade!” - -Bolle spoedde zich naar de kombuis. En Harmen schreeuwde hem na: „Denk -je om de basterdsuiker?” - -Hilke keek de jongens nog hoofdschuddend, de oogen vol tranen, aan. „Ik -kan het nog niet gelooven, jongens! Daar staan jullie weer in levende -lijve voor me en..... wat voor rokjes hebben jullie aan?” - -„Geef me er straks maar een broek van jou, Hilke”, zei Harmen. „Op wat -voor schuit sta ik?” - -„Je bent op de Nieuw-Zeeland, bij de Bruinvisch.” - -„Op die rotschuit?” vroeg Harmen. - -„Heila!” schreeuwden een paar mannen. „Zachies an!” - -„Vraag ik jullie wat?” informeerde Harmen. „Zeg, Hilke, waar is de -schipper? Onze schipper bedoel ik natuurlijk.” - -„Bontekoe heeft een nieuwe schuit: de Berger Boot. Die ligt een eind -verderop. Voor Batavia.” - -„En jij en Bolle zitten hier?! Jullie laten den ouwe toch niet -schieten?!” - -„Wat kunnen we anders doen?” vroeg Hilke. „Als de schipper niet -teruggaat.....?” - -„Nou valt m’n hoedje af!” zei Harmen. „Waar gaat ie dan heen?” - -„Weet ik het? Tegen de Chineezen bakkeleien.” - -„Ik doe mee!” stelde Harmen vast. „Ik laat de schipper niet in de -steek!” - -„Nou, ga nou maar eerst mee naar het logies”, suste Hilke. „Dan krijg -je een broek van me, en dan moeten jullie maar eens alles vertellen!” - -„Dat we met die gepolitoerde nikkers wat beleefd hebben, daar kun je -gif op nemen, Hilke!” verzekerde Harmen. - -„Jongens, we zullen eerst naar de kajuit moeten”, zei Rolf. - -„In m’n rokkie zeker?” vroeg Harmen. - -„De Bruinvisch is er niet!” gromde een der mannen. „Anders had ie -jullie al lang in de gaten!” - -„Is de stuurman dan aan boord?” - -„De opperstuur is met de Bruinvisch mee. En de onderstuur ligt in zijn -kooi. Was ie maar aan boord, de Bruinvisch, dan zouden we van de kust -afzeilen, want ’t is hier gevaarlijk liggen met dit weer. Maar als de -ouwe vannacht terugkomt en ie moet zich eerst groen zoeken voor ie de -kast vindt, raast ie morgen de zeilen van de mast.” - -„Hij is naar de Maegt van Dordregt bij Jan Coen op bezoek”, lichtte -Hilke toe. - -In optocht daalde men nu in het vooronder af,—eerst de jongens. „Alle -duivels, die hond, die jullie daar hebben.....” riep Hilke uit..... -„da’s immers geen ander mensch als.... als Joppie!” - -„Wauw!” gilde Joppie en vloog tegen Hilke op, die hem in zijn armen -ving. - -„Joppie! Zat je daarom zoo aan me te snuffelen! Heb jij dat heele -tochtje ook meegemaakt, ouwe jongen?—Kom, jullie moeten eerst wat -ordentelijks aan je lijf hebben! Hier, Harmen, pas die broek eens?” - -„Hij zou me wel eens wat lang kunnen wezen.....” weifelde Harmen. Zijn -veronderstelling werd gerechtvaardigd: de kniebroek, die Hilke hem -geoffreerd had, reikte hem tot op de enkels. „Nou, een broek is het”, -troostte Harmen zichzelf. „En ’k hoef er niet mee naar m’n meisje. We -zullen de pijpen eens wat omslaan!” - -Zoo deed Harmen. Ook Padde kreeg een broek: een goedhartige oome stond -hem een kleedingstuk af.—„Veel zaaks is het niet”, meende Padde. - -„Toch beter als zoo’n rokkie”, excuseerde de oome zich. - -Padde weifelde. „Kijk het zitvlak eens gesleten zijn!” - -„Wacht maar”, troostten de maats, „als je hier aan boord blijft, zal -het nog wel meer slijten! Juffer Driesteng ligt altijd klaar.” - -„Dacht je dan, dat ik op die smerige schuit wou blijven?” vroeg Padde. -Hij trok de broek aan; ze bleek om het middel wat nauw, maar Padde stak -een paar gaatjes in den boord, trok er een touwtje door,—toen paste ze -zoowat. - -„Nou”, zei Harmen, „nou moet je me eerst nog eens vertellen waar de -anderen zijn. Waar is de bootsman? En de Schele en Bokje en Gerretje en -Diede Doedes en.....” - -„De meesten zijn bij den schipper gebleven”, antwoordde Hilke. „Ik had -ook wel gewild, maar eh, Sijtje, snap je.....? Nou, en de Schele is -dood.” - -„D-dood?” stamelde Padde. - -„Dood”, zei Hilke triest. „Toen tegelijk met..... Wacht, dat weten -jullie natuurlijk niet: we zijn overvallen! Floorke en de Neus -en......” - -„Schei maar uit.....” zuchtte Harmen. „Wij hebben ze begraven, Hilke!” - -„Is ’t waarachtig.....?—Dat was me wat, jongens!—Nou, de Schele is dus -dood, hij kreeg een giftige pijl in z’n schouder; we hebben hem later -over boord moeten zetten. En Gerretje is getrouwd.” - -„Getr.....?! Wàt zeg je?” - -„Met een Javaansch meisje.” - -„En z’n meisje in Hoorn dan?” - -„Tja.....! Mij loopen de tranen ook over de wangen, als ik daaraan -denk! Hij zegt, dat ie geen aardigheid meer aan varen heeft, nou -Floorke er niet meer is.” - -„Wedden, dat ik ’m weer op een schip krijg?” vroeg Harmen. „Schamen -moest ie zich!” - -Daar kwam Bolle aanzetten met een pan bruine boonen en een kommetje vet -met uitgebakken stukjes spek er in. En de jongens smulden.....! Ze -lepelden dapper uit de groote pan; Bolle bracht nog wat mosterd,—dat -smaakte heel wat hartiger dan de zoutelooze rommel, dien ze al dien -tijd hadden moeten slikken! - -De schuit begon al aardig te dansen, maar de jongens merkten er niet -veel van; zelfs Padde had geen behoefte om naar het zeeziekvrije plekje -te gaan zoeken.—„Hè, Joppie, ouwe karkas?” vroeg Harmen, wiens wangen, -neus en kin blonken van het vet, „dat is wat anders als zoo’n half -gepekeld stukkie visch?” - -„Wat zul je daar een gelijk aan hebben!” antwoordde Joppie. „Krak!” En -hij brak met de tanden een groote spekkorst middendoor. - -Een groot bord pap besloot den koningsmaaltijd. Vol aandacht strooiden -de jongens er basterdsuiker over, en Padde gooide er zooveel in, dat de -pap heelemaal bruin werd. Maar Bolle keek vandaag zoo nauw niet. - -„Ziezoo”, zei Harmen, „als jullie me nou een pijpie en een blaadje -geeft en wat brand er in, zal ik jullie eens gaan vertellen wat we -alzoo beleefd hebben!” - -Zijn bescheiden wensch werd met bekwamen spoed ingewilligd, want allen -waren even nieuwsgierig om de lotgevallen der jongens te vernemen. - -„Nou, luisteren jullie?” vroeg Harmen, na gnuivend een paar trekken aan -z’n pijpje gedaan te hebben. En toen begon Harmen te vertellen. Te -vertellen.....!! De jongens hadden, samen met Joppie, heele kampongs -bestormd; Dolimah bleek tot achter de ooren op Harmen verliefd te zijn -geweest; het verhaal van den panter werd in zoo felle kleuren -opgedischt, dat den maats de rillingen over het lichaam liepen. Toen -Harmen merkte, dat de geschiedenis indruk maakte, deelde hij den panter -nog een wijfje en vijf volwassen jongen toe, mormels van heb ik jou -daar! Toen het hol eindelijk geheel van het pantergebroed gezuiverd -was, hadden twee reuzenslangen de arme zwervers in hun schuilplaats -belegerd. Maar Harmen knoopte de beide staartuiteinden van de -monsterachtig groote beesten met een dubbelen ouwewijvenslag aaneen, -zoodat ze voor hun leven lang aan elkaar geketend waren en.....!—Harmen -stokte. „Dat laatste was gelogen”, bekende hij onder de ongeloovige -blikken van alle kanten. „Laat Hajo het dan maar vertellen.” - -„Neen, vooruit, vertel maar door. Kun je het dan niet zonder liegen?” - -Harmen schudde ontkennend het hoofd. „In het begin wel, maar later niet -meer. En als ik aan jullie tronies zie, dat jullie het niet meer -gelooven, geloof ik het zelf ineens ook niet meer.—Vertel jij het maar, -Hajo!” - -Hajo nam Harmen’s taak over, maar Harmen viel hem telkens in de rede om -er een haaltje aan te maken en vroeg dan: „Niet waar, Rolf?” Voor Rolf -wat zeggen kon, ratelde Harmen al weer verder. - -Nu en dan sloeg Hilke Hajo op den schouder, dat zijn botten kraakten, -en zei, zegevierend rondkijkend: „Alsjeblieft, mannen, hier zien jullie -een Fries!” - - - -Zoo werd het elf uur. Toen eerst begaven de mannen zich ter ruste, -allen nog druk dooreenpratend over de avonturen van de helden van dien -dag, voor wie een paar fijne kooien waren vrijgemaakt. Terwijl de -kerels zich, schrap staande op beide beenen om niet om te slaan, -stonden uit te kleeden, klonk buiten plots een stem als een kanon. „De -Bruinvisch!” stamelden de maats en schoten haastig hun broeken weer -aan. Ook de jongens, die het met uitkleeden gemakkelijk hadden en al -hoog en droog in hun kooien lagen, vlogen overeind. - -„Blijf liggen!” raadde Hilke. „Jullie liggen immers goed? Als je bij -hem mocht aanmonsteren, zul je nog genoeg hollen,—’t is hier werken aan -boord! Kom, ik ga ook eens kijken wat er aan het handje is!” En Hilke -stapte met groote passen achter de anderen aan. - -Zwijgend zaten de jongens in het uitgestorven vooronder te luisteren -naar de donderende bevelen van den Bruinvisch. „Haal in de ankers! Zet -de fok op! Hel en weerlicht, als ik een uur later was gekomen, had de -kast aan gruzelementen gelegen!” - -Verdraaid! ze dansten flink,—dat was waar. Hoor! de ankerspillen -ratelden. Nu werd er zeker een zeil opgezet. Hoe de wind er in sloeg! -Pang!—Hilke kwam kletsnat weer binnen en schudde zich. „’k Heb door een -zeetje geloopen”, lichtte hij toe. „We steken eerst een eind van wal en -varen dan op Batavia aan, dan spreken jullie morgen de schipper meteen! -Kom, ik moet nog wat helpen! Slaap lekker, jongens!” En Hilke verdween -weer met een vriendelijken hoofdknik. - -„Dag, Hilke!”—Maar de jongens konden maar zoo niet inslapen. Zwijgend -lagen ze in hun kooien, stil-gelukkig in het heerlijke bewustzijn weer -bij vrienden te zijn. Morgen zouden ze Bontekoe de hand drukken,—die -lag met zijn schip voor Batavia..... was dat een eiland? Rolf had er -nooit van gehoord. En de schipper ging met de Chineezen bakkeleien? Wat -moesten zij dan doen? Ze wilden wel mee, maar..... Zou de schipper lang -in Indië blijven, vóór hij weer terugvoer naar..... naar -Hoorn.....?—Doet er niet toe! Ze kenden hun plicht en wisten waar hun -plaats was. Maar toch.....—De jongens zuchtten. Drommels, wat vloog de -lamp heen en weer; wat kraakten de masten! - -Bij groepjes kwamen de maats weer terug. De helft moest opblijven. De -Bruinvisch zelf ging ook niet ter kooie. Mijmerend dachten de jongens -er over na, wat Bontekoe eens van den Bruinvisch had gezegd: „Tòch een -goed zeeman!” - - - -Rolf was het langst wakker. Hij dacht aan het oogenblik, dat hij van -Hajo afscheid zou moeten nemen. Hun wegen zouden uiteenloopen,—daar was -Rolf nu zeker van. - - - - - - - - -AF- EN AANMONSTEREN - - -Toen de jongens den volgenden morgen wakker werden, huiverden ze van -genoegen. De zon scheen door de poorten aan bakboordzij; de storm, voor -zoover men dat nachtje stevig blazen storm mocht noemen, had -opgehouden,—al stampte de schuit ook nog wat. De oomes waren bezig hun -broeken aan te schieten en knikten hen van alle kanten toe. „Morrege!” - -„Morgen!” antwoordden de jongens. En Joppie sprong onder Hajo’s kooi -vandaan en wenschte ook goeden morgen met veel likken en -kwispelstaarten. - -„De Bruinvisch weet al, dat jullie d’r zijn!” zei een maat. „Hij heeft -de sloep zoowat kapoerus gevaren tegen jullie vlot: hij was niks -gemakkelijk, toen ie aan boord kwam! Hij zegt, dat jullie bij hem in -het lijkhuis moet komen.” - -„Het lijkhuis??” - -„De kajuit. Je zult het wel zien. Maar jullie hoefden pas te komen, als -je wakker was.” - -„Allicht”, zei Harmen, „we zijn geen slaapwandelaars.” - -De jongens maakten zich op naar de kombuis, waar Bolle hen met een kom -dampende koffie verwelkomde. Het was alles nog te mooi om te gelooven! -Bedachtzaam, volop genietend, slurpten ze het bruine vocht. - -„We gaan nou naar Batavia, hè, Bolle?” vroeg Hajo. „Is dat een -eilandje, of zoo?” - -„Wel neen,” zei Bolle. „Dat wordt een nieuwe stad, die nog geen jaar -bestaat. Terwijl wij op zee zaten, hebben ze hier gebakkeleid. Wat -vroeger: Jacatra heette, heet nou: Batavia. Stom-eenvoudig.” - -„Nou, ’t zal me benieuwen”, zei Harmen. „Laten we eerst maar eens naar -’t lijkhuis gaan, bij de Bruinvisch! ’t Ligt daar vol opgeblazen -krokodillen, zeggen ze.” - -En in optocht begaf het viertal zich naar de groote kajuit. Ze klopten -aan. - -„Binnen!!!” donderde een stem. - -Daar zat de Bruinvisch. De jongens keken naar zijn koperkleurigen kop -met de donkerroode wangen als van een rijpe bellefleur en de -weerbastige, kleine krulletjes,—en in gedachten zagen ze hem den -valreep weer opklauteren, statig gevolgd door den dorren koopman.... -toen, op de Nieuw-Hoorn.....! - -Hij zat rondom in de opgezette beesten. In een hoek stond een ietwat -houterige tijger met gele, glazen oogen,—die was heel wat makker dan -dien de jongens in Sumatra ontmoet hadden, al keek deze ook erg -grimmig, en al waren de zware hoektanden ook geheel ontbloot. Van de -lage zoldering der kajuit hing een albatros met wijd uitgestrekte -vleugels, net of hij nog vloog, en hij klemde een morsdoode visch in -den snavel. Half tusschen zijn vleugels door was een kalong -neergelaten; dan hingen dieper in de kajuit nog visschen: een -opgevulde, kleine haai,—kijk, daar in z’n vestje had ie een opstopper -gekregen! In een hoek hingen een zwaardvisch met half afgebroken -zwaard, een kolossale rog en een duivelsvisch. In een waas zagen de -jongens onder de tafel, waaraan de Bruinvisch zat, een krokodil met -groene oogen liggen. - -Aarzelend waren onze vrienden binnengetreden in dit tooverhol, waarin -de Bruinvisch troonde als een vervaarlijk heksenmeester. Joppie, die -hen overal volgde, had alle haren steil rechtop gezet en was ditmaal -buiten blijven staan. - -„Jullie hebt me vannacht met jullie vlot zoowat naar de weerlicht -geholpen!” bulderde de Bruinvisch vriendelijk. „Hoe heet jij?” - -„Van Kniphuyzen, schipper.” Verduiveld, wat een griezelige boel was het -hier! De maats hadden wel gelijk, het een lijkhuis te noemen! Daar, -boven op die kast, stond een zeeëgel; als pendant had ie een -koffervisch, en in het midden stond een aap, die juist bezig was, in -een tak te klimmen..... - -„En jij? Hoe heet jij?” bulderde de Bruinvisch Hajo welwillend te -gemoet. De houterige tijger beefde ervan; de staart van den aap trilde, -en in de kast viel iets. Verdikkeme, de Bruinvisch had boven zijn -bedstee een vampier gespijkerd. Zeker om lekker in te slapen! - -„Peter Hajo, schipper”, antwoordde de gevraagde. - -De Bruinvisch keek Rolf aan. - -„Rolf Romeijn, schipper.” - -„En ik ben Padde Kelemeijn van de Appelhaven”, lichtte Padde den -Bruinvisch in. - -„Vraag ik je wat?!” vroeg deze. En tot Rolf: „Ben jij die neef van -Bontekoe? Als je bij mij komt, ben je over een jaar volmatroos.” - -„Ik dank u, schipper. Maar ik wil bij mijn oom blijven.” - -„Word je soms voor stuurman opgeleid?” vroeg de Bruinvisch wrevelig. - -„Jawel, schipper.” - -„Hm!” De Bruinvisch gromde nog wat en gunde Rolf geen blik meer. „En -jullie?” wendde hij zich tot Hajo en Harmen. „’k Heb voor jullie ook -nog wel een plaatsje over.” - -Harmen keek nog in gedachten verzonken naar de kast. Op de benedenste -plank stond een kievit bij z’n nest met eitjes. Vier lagen er in. -Zouden die van hem zelf wezen of van een andere kievit? Kijk die -sperwer daar eens mooi staan, met z’n witte sokjes aan! En daar op die -bovenste plank stonden allerlei beesten in fleschjes. Slangen, kikkers, -hagedissen..... - -„Heila!” bulderde de Bruinvisch. „Versta je me niet?!” - -Harmen schrok op. „Eerst niet, schipper. Je spreekt zoo zachies.....” - -De Bruinvisch rolde met zijn oogen. „Ik vraag je, of je bij mij wilt -komen?” - -„Nou, schipper, daar moet ik nog eens een nachtje over slapen.....” -aarzelde Harmen. „’k Weet nog niet, of onze schipper me missen wil!” - -„Hij zal je in een glazen kastje zetten!” verzekerde de Bruinvisch. - -Harmen wees grinnikend op de hagedissen in de fleschjes. „Ik ben geen -salamander, schipper!” - -Er heerschte even zwijgen. De Bruinvisch scheen er over na te denken, -of hij Harmen zou laten kielhalen, op spiritus zetten of laten opvullen -en aan de zoldering hangen. „Als je op m’n monsterrol stond, onthaalde -ik je op juffer Driestreng!” viel hij tenslotte uit. - -Rolf vond het raadzaam, aan het onderhoud maar een einde te maken. -„Kunnen we gaan, schipper?” - -„Ja, ruk maar uit!” bulderde de Bruinvisch en stampte met den voet, dat -den houterigen tijger een der hoektanden uit den wreeden muil viel. De -Bruinvisch raapte den tand op, duwde hem weer in de holte, waar hij -thuis hoorde, en de jongens verlieten de kajuit. - -„Nou”, zei Harmen, „voor ik die gruwelkamer wéér in kom! Hè, Joppie? -Jij moest er ook niks van hebben!” - -„Hij wou ons graag aanmonsteren, hè?” grinnikte Padde. „Maar dat zat -hem niet glad!” - -Harmen keek Padde verbluft aan. „Tegen jou heeft ie toch alleen maar -gezegd: Ik vráág je niks!” - -Padde zweeg even. „Kletskoek!” zei hij toen. - - - -En zoo kwam de groote middag, jongens, dat onze vrienden aan boord van -de Berger-Boot, die op de reede van het pas gestichte Batavia voor -anker lag, hun schipper, hun allerbovenstebesten schipper weer de hand -drukten. En den braven Vader Langjas! Dat gaf me een blijdschap! De -tranen sprongen hun in de oogen, en Vader Langjas’ stem trilde ook, en -Bontekoe sloeg hun op de schouders, dat de botten kraakten. - -De jongens gingen mee naar de kajuit; daar kregen ze een stoel, net als -groote heeren, en Bontekoe liet koffie brengen met een plak koek en een -klontje er bij. Toen moesten de jongens vertellen. Schots en scheef -ging het, en Rolf hield er met moeite een beetje volgorde in. Harmen -weidde ditmaal niet uit: hij wou z’n schipper toch niet voorliegen! - -En toen ze honderd uit gepraat hadden, en de schipper en Vader Langjas -hun hadden verteld hoe de jol tenslotte op de reede van Bantem was -gekomen,—toen kwam Bontekoe met de vraag: „En, jongens, wat denken -jullie nou te doen?” - -Onze vrienden keken elkaar aan. Harmen verslikte zich in zijn koffie, -werd door Vader Langjas op den rug geklopt tot hij er weer bovenop was. -Toen zei hij: „Is ’t waar, schipper, dat je tegen de Chineezen gaat -bakkeleien?” - -Bontekoe glimlachte. „Voorloopig niet, Harmen! Maar ik vertrek de -volgende week naar Ternate en zal hier in de buurt nog wel een paar -jaar rondzwerven.” - -„Een paar jaar, schipper.....?!” - -„Zijne Excellentie de gouverneur-generaal heeft me op vijf jaren -voorbereid, jongens.” - -De jongens zuchtten. Ze hadden altijd gedacht, dat er boven hun -schipper niets hoogers meer bestond, en nu eensklaps hoorden ze, dat -ook de schipper iemand gehoorzamen moest.....! - -Bontekoe zag hun verbazing en glimlachte. „Ik raad jullie aan, jongens, -je bij schipper Pieter Thijsz. van Hoorn te laten aanmonsteren.” - -„De Bruinvisch!” verbeterde Harmen knorrig. „Als ik niet onder jou kan -varen, schipper, heb ik..... heb ik er geen aardigheid meer aan.” -Harmens stem trilde. Hij haalde diep adem, en een traan rolde over zijn -wang. „Wat had ik graag met jou weer teruggewild, schipper!” - -„Kom, Harmen!” beurde Bontekoe hem op. „Misschien sta je over tien jaar -nog wel eens als volle kok op mijn monsterrol.” - -„’k Hoop het te beleven, schipper.....!” griende Harmen. - -„Nou juist”, zei Bontekoe. „Jullie monsteren straks dus maar meteen -bij..... bij de Bruinvisch aan. Hij zal jullie wel meevallen! Straks -varen jullie nog liever onder hem dan onder schipper Bontekoe!” - -„Schipper!!” riepen de jongens. - -„In elk geval blijft jullie geen andere keus”, zei Bontekoe. „Wanneer -zal het volgende schip naar Holland teruggaan? Alles wat binnenloopt, -wordt vastgehouden, want hier is overal onrust sinds de verovering van -Jacatra.” De schipper wendde zich tot Hajo. „Jou wil ik nog wat zeggen, -Hajo. Jij hebt een goede kop. Je moest voor stuurman leeren.” - -„Schipper.....!!” stamelde Hajo. - -„Wil je ’t graag?” - -Het duizelde Peter Hajo. „Of ik het wil, schipper.....?!” - -„Dan zal ik je een brief meegeven voor de heeren van de Compagnie.” - -Dikke tranen schoten in Hajo’s oogen. „Ja..... jawel, schipper.” - -„En jij, Padde?” vroeg Bontekoe vroolijk aan den kleinen dikzak. „Wat -ga jij doen?” - -Padde knipte met zijn oogjes, wilde wat zeggen, maar slikte zijn -woorden weer in. Hij werd rood als een kreeft, zuchtte diep, haalde -toen de schouders op en keek naar den grond. Om zijn mondhoeken trilde -het; een traan spette op zijn grooten teen. - -„De Bruinvisch mot ’m niet”, lichtte Harmen toe. - -Een medelijdende glimlach verscheen op Bontekoe’s gelaat. „Hebben -jullie het hem op de man af gevraagd?” - -„Neen, schipper!” haastte Harmen zich. „We hebben immers nog niet bij -hem aangemonsterd!” - -„Nu, zie het dan eerst samen klaar te spelen, dat Padde meegaat!” zei -Bontekoe. „Desnoods zal ik er wel bij te pas komen.” - -„God zal het je loonen, schipper!” snikte Padde. - -Bontekoe wendde zich tot zijn neef, keek hem in de oogen. „En..... jij, -Rolf? Wat doe jij?” - -„Ik ga met u mee, oom”, zei Rolf zacht. „Dat spreekt immers vanzelf.” - -„Rolf.....!” stamelde Hajo. - -Bontekoe keek met een glimlach naar de beide vrienden. - -„De wereld is klein, jongens”, zei hij, vriendelijk-troostend. „Jullie -loopt mekaar weer tegen het lijf voor je er erg in hebt! Kom, nu moeten -we eens afrekenen!” - -„Afrekenen.....?!” Padde werd zenuwachtig, stootte Hajo aan. - -„Om het geleden verlies voor mijn mannen wat uit te wisschen, heeft de -Compagnie mij toegestaan, dubbele gage uit te betalen”, zei Bontekoe. - -Een rilling voer den jongens door de leden. - -Bontekoe liep naar z’n tafel. Trok een lade open. - -„Harmen van Kniphuyzen!” klonk het. „Over veertien maanden gage: -veertien maal vier is zes-en-vijftig, verminderd met drie gulden -aanmonsteringsgeld, vermeerderd met twee gulden voor tweede aankomst in -Oostinje,—maakt vijf-en-vijftig gulden!” - -Harmen kuchte, werd beurtelings bleek en rood en kwam gewichtig -toestappen. Kalm en waardig, maar met bevende handen, schoof hij de -stapeltjes zilver naar zich toe. „Bedankt, schipper!” zei hij norsch en -liet het geld in zijn broekzak glijden.—Maar rinkelend kwam het er bij -de pijpen weer uit en rolde naar alle zijden uit over den vloer. „Tja!” -stotterde Harmen, „dat komt: ’t is mijn broek niet! Ik kon niet weten, -dat er een gat inzit, nietwaar?” En met Padde’s hulp begon hij te -grabbelen. „Ik zal het maar in m’n hand houden!” stelde hij de anderen -gerust. - -„Peter Hajo!” riep Bontekoe. „Over veertien maanden gage, maakt -veertien maal drie, is twee-en-veertig..... Heb je aanmonsteringsgeld -gehad, Peter?” - -„Neen, schipper.....” - -„Ik kan het niet meer nazien omdat de meeste papieren verloren zijn -gegaan,” lichtte Bontekoe hen in. „Dus twee-en-veertig. Vermeerderd met -een gulden voor eerste aankomst in Oostinje, maakt drie-en-veertig. En, -wacht eens, Harmen, zou ik jou ook niet de gage van Lijsken Cocs -uitbetalen? Alsjeblieft: vijf-en-vijftig gulden. Geef het maar gauw aan -den schipper van de Nieuw-Zeeland af, voor je het verliest, Harmen!” - -„Jawel, schipper”, zei Harmen. „Vijf-en-vijftig gulden,—wat zal z’n -moeder blij zijn!” - -Bontekoe zag Harmen vriendelijk aan, knikte peinzend. Maar wie den -schipper kende, zag aan zijn gelaat, dat hij van die vreugde van -Lijsken’s moeder, wanneer Harmen haar het zakje met geld zou komen -brengen, nog zoo zeker niet was.....—„Padde Kelemeijn!” riep hij. - -Padde krabbelde ijverig overeind, de handen nog vol zilverstukken, die -hij voor Harmen bijeengegrabbeld had. - -„Geef op!” beval Harmen. „Anders komt het in de war.....” - -Bontekoe telde Padde’s gage uit. „Veertien maal drie is -twee-en-veertig.....” - -„Geen aanmonsteringsgeld ontvangen!” zei Padde. - -Bontekoe glimlachte. „Ja, dat herinner ik me. Jouw aanmonstering staat -me nog levendig bij. Dus: twee-en-veertig gulden, plus een gulden voor -eerste aankomst in Oostinje, maakt.....” - -„Drie-en-veertig gulden!” rekende Padde vlug uit. - -„Goed zoo”, prees Bontekoe. „Daar liggen ze.” - -Padde telde het geld na. „Een-twee-drie-vier..... drie-en-veertig. -Bedankt, schipper!” En op Harmens voorbeeld hield hij het geld in zijn -hand. - -„Wil jij je geld ook hebben, Rolf?” vroeg de schipper. - -„Houdt u het maar vast, oom!” zei Rolf. „Als u me maar wat geeft om -kleeren en een kist en zoo te koopen. Een gulden of vijftien.” - -„Hier zijn ze.—Zoo, wacht jullie nu nog even, dan zal ik die brief voor -Hajo schrijven.”—En terwijl de jongens zwijgend toekeken, nam Bontekoe -een vel papier en een blanke ganzeveer en schreef den brief. Tenslotte -zette hij er zwierig zijn handteekening onder, bestrooide den brief met -wit zand om den inkt te doen drogen. „Lees eens voor, Peter Hajo?” - -Hajo trad naderbij. „Aan de Heeren Bewindhebbers van.....” spelde hij. - -„Zoo. Dus je kunt wat lezen”, zei Bontekoe. - -„Rolf heeft het me geleerd, schipper!” - -De schipper zond zijn neef een welwillenden blik toe. Toen wendde hij -zich weer tot Hajo. „Denk er om: het moet nog vlotter gaan, hoor!” - -„Ja-jawel, schipper!” Hajo werd rood als een kool. - -Toen vouwde Bontekoe den brief dicht. „Geef hem straks aan den schipper -van de Nieuw-Zeeland af; anders is hij al vuil voor de heeren -bewindhebbers hem in handen hebben. De Bruinvisch.....” Bontekoe kon -een glimlach niet onderdrukken, „zal je nog wel zeggen wat je er mee -beginnen moet. Begrepen?” - -„Jawel, schipper!” zei Hajo, stralend. - -En toen kwam het afscheid. Harmen en Hajo grepen ieder een hand van hun -schipper. „Zoo eentje als jou krijgen we nooit weer terug, schipper!” -verzekerde Harmen met schorre stem. „Zoo’n beste, puike schipper! Waar, -Hajo?” - -Bontekoe scheen door Harmens spontane loftuitingen niet onaangenaam -getroffen. Hij lachte maar en klopte den jongens op den schouder -terwijl hij hen naar den valreep leidde. - -„Is dat Joppie niet?” vroeg hij. - -„Jazeker, schipper, dat is Joppie! Vooruit Joppie, je kent je schipper -toch nog wel?” - -„Wauw!” kefte Joppie. - -„Gaat hij mee naar Holland?” vroeg Bontekoe. - -Harmen knikte. „Hij gaat straks mee aanmonsteren bij de Bruinvisch! Hè, -Joppie?” - -Bontekoe lachte. „Hij zal Holland wel een koud landje vinden!” - -„Nou, hij gaat uit eigen wil mee”, verzekerde Harmen. - -„Jongens!” zei Bontekoe, „we zullen mekaar enkele jaren niet zien. -Groet Holland van me, gedraag je zooals ik dat van jullie gewend ben -en..... heb geluk op je weg!” - -„Dag, schipper, beste schipper! Van ’t zelfde, hoor!” - -’n Maat, die er bij stond te kijken, kreeg het te kwaad, hoewel hij er -volgens zijn eigen zeggen toch niets mee te maken had..... - - - -Met dezelfde jol, die hen al door zooveel gevaren geleid had, werden de -jongens weer naar de Nieuw-Zeeland gebracht. Harmen had in de -verwarring van het afscheid de guldens weer in zijn zak gestoken. -Wonder boven wonder waren ze niet in het water gevallen, maar juist in -de jol. Nu zat Harmen, nog grienend om het afscheid, zijn geld te -tellen, en Padde hielp hem er bij, omdat Harmen door het tranenfloers -alles dubbel zag. Bovendien was Harmen in het tellen lang geen held: -boven de tien ging het niet vlot meer. „Als er een in het water -gevallen is, duik ik net zoolang tot ik ’m weer heb!” zei hij triest. - -„Dat zul je toch zeker wel laten”, meende een der maats van de Berger -Boot. „De kust zit hier vol haaien!” - -„Zeg er eens”, zei Harmen, „pas jij op je jongste zusje, maar niet op -mij!” - -Hajo en Rolf zaten stilletjes achter in de jol. Beiden dachten aan het -komende afscheid..... - - - -Toen de schemering inviel, stonden de jongens weer in het „lijkhuis”, -waar het nu nog griezeliger was dan vanmorgen: van alle kanten loerden -duivelachtige koppen uit het duister; de glazen oogen glinsterden in -het licht van een kaars, die vóór den Bruinvisch op tafel stond. Daar -weer voor stond een regiment flesschen rooden wijn, waarvan er twee -leeggedronken, en een derde aangebroken was. Het kaarslicht gaf den -wijn zulk een helroode kleur, dat het wel scheen of de flesschen met -bloed gevuld waren. - -„Zoo-zoo!” zei de Bruinvisch met ietwat zware tong, terwijl hij zich -inschonk en er aandachtig naar keek hoe het kaarslicht den uit de -flesch klokkenden wijn fonkelen deed. „Komen jullie zoete broodjes -bakken?—Jou maak ik..... maak ik..... Hoe oud ben je?” - -De vraag was aan Peter Hajo gericht. „Vijftien geworden, schipper.” - -„Zoo”, zei de Bruinvisch, van achter de tafel een andere flesch met nog -donkerder wijn opdiepend, „zoo, ben je vijftien.” Hij had den kroes -half vol geschonken uit de eerste flesch en vulde hem nu uit deze -flesch bij. „Je ziet er uit als zeventien. Ik maak je..... maak je..... -lichtmatroos.” Toen stampte hij de flesch dicht en ledigde den kroes in -een enkele teug. - -De Bruinvisch bulderde in het geheel niet meer. Hij fluisterde! Met -schorre stem en achter alles wat hij zei tevreden knikkend. „Ja!” -prevelde hij telkens. „Ja!” - -„En jij daar!” dat was tegen Harmen. „Jij wordt volmatroos.” - -„Goeie morrege”, zei Harmen. „Ik ben altijd koksmaat geweest.” - -„Zoo”, zei de Bruinvisch, zich weer inschenkend uit de beide flesschen. -„Dan..... dan maak ik je..... maak ik je bijkok. Ja! En juffer -Driestreng ligt altijd klaar.” - -„En ik.....?” vroeg Padde angstig. „Wat word ik?” - -De Bruinvisch nam den kroes op om hem uit te drinken, maar zette hem -weer neer, keek Padde aan. „Wat jij wordt? Een vetzak, als je zoo -doorgaat. Jou kan ik niet gebruiken.” - -„Nou, schipper”, zei Harmen, „dan moet je schipper Bontekoe eens naar -hem vragen! Die heeft ’m nog eh..... apart aangemonsterd!—Kijk er eens, -schipper, vlug is ie niet en als hij ergens een ouwewijvenknoop in -slaat, trek je hem zóó los. Maar weet je waar ie goed voor is? Voor -botteliersmaat! Ga nou eens na, schipper, waarom hebben wij op de -Nieuw-Hoorn zoo’n ellende gehad? Omdat de botteliersmaat daar, die -stomme pijpekop, een brandende kaars bij een jenevervat heeft gezet. -Pats! de heele schuit aan flarden. Zooiets zal Padde niet gebeuren, -schipper!” - -Padde ademde diep, keek naar den kalong daarboven. - -„Schipper!” smeekte Hajo. „We zijn samen uitgevaren, schipper, en.....” - -De Bruinvisch keek Padde aan, toen Hajo, toen Harmen. Hij nam den kroes -weer op, maar ademde diep en zette hem weer neer, liet hem toen -moeilijk los, alsof hij er al zijn vingers apart van moest bevrijden. -De Bruinvisch schraapte zijn keel en bulderde weer op eens: „Wat was je -op de heenreis?!” - -De flesschen rammelden; de kaarsvlam flikkerde; de schaduwen dansten in -het vertrek. Maar den jongens was zijn gebulder welkom: zóó kenden ze -den Bruinvisch; zoo wisten ze wat ze aan hem hadden. Dat schorre -fluisteren van daareven had hen onzeker gemaakt en hen onaangenaam -beroerd. Intusschen was de vraag op zichzelf pijnlijk genoeg. Padde -kuchte, verbleekte. - -Maar Harmen sprong in de bres. „Hij was van alles, schipper! Hij kan -bieten schrappen, pannen uitkrabben, flesschen spoelen.....!” - -„Vooruit dan maar!” brulde de Bruinvisch. „Botteliersmaat! Nou -tevreden?” - -„Dank je wel, schipper”, zeiden de jongens uit een mond. - -Toen haalde Hajo zijn brief te voorschijn. „Schipper”, zei hij. -„Schipper Bontekoe heeft me een brief meegegeven, dat ik voor -stuurman.....” Hajo bloosde en slikte wat weg, „voor stuurman moet -worden opgeleid. En.....” - -„Zoo! Is het jou ook al in je bol geslagen!” gromde de Bruinvisch. „De -Compagnie zal nog eens schepen met niets dan stuurlui naar Jan Oost -zenden! Geef die brief maar hier: jij zou hem nog vuil maken!” De -Bruinvisch legde den brief voor zich op tafel en greep, reeds lezende, -zonder er naar te zien, den kandelaar om zich bij te lichten. Daarbij -stootte hij per ongeluk den kroes wijn om. De Bruinvisch verbleekte, -stond ineens overeind en veegde met zijn mouw den wijn van den brief. -Hajo sprong toe, trachtte vergeefs een stapel papieren, waar de kroes -tegen aan gevallen was, nog te redden. „Alles zeker nat geworden, hè?” -vroeg de Bruinvisch met schorre, fluisterende stem. „De heeren zullen -wel denken..... hm!” Met zijn zakdoek begon hij de papieren te betten. -Hajo hielp hem. „Bedankt.....” gromde de Bruinvisch. „Bedankt.....” - -Intusschen had Harmen zijn aandacht aan iets heel anders gewijd. Wat -stond daar op de onderste plank van de kast? Een..... een doodskop?! -Harmen zou hebben aangemonsterd op een schip, dat in de kajuit een -doodskop borg?! Nog starend naar dat bleeke ding met de zwarte -oogholten, het akelige neusgat en de glinsterend-witte tanden, sprak -Harmen kort en duidelijk z’n meening uit: „Schipper, als dat daar een -menschelijke doodskop is, ben ik je koksmaat niet meer!” - -De Bruinvisch keek van zijn werk op. En, een uitweg zoekend voor zijn -drift over de bemorste paperassen, bulderde hij stampvoetend: „Er uit! -Er uit, zeg ik je! Alle drie!” - -De jongens verdwenen met bekwamen spoed, vonden buiten Rolf en Joppie, -die vol belangstelling vroegen naar den uitslag van de aanmonstering. - -„Ik ga weer naar ’m terug”, zei Harmen. „Ik laat me niet aanmonsteren -op een schip met een doodskop! Daar waag ik m’n huid niet aan en -Joppie’s huid ook niet!” Harmen nam Joppie in z’n nekvel en koerste met -zijn stekelharigen kameraad de kajuit weer in. - -„Harmen?!”—Maar Harmen had de deur alweer achter zich gesloten. Er kwam -wat gebulder uit de kajuit,—toen werd het stil. - -Na een uurtje—de jongens waren met Hilke naar het voordek -geslenterd—kwam Harmen weer aanzetten, Joppie vriendelijk -kwispelstaartend voor hem uit. - -„Nou”, zei Harmen, z’n pijpje opdiepend en een handjevol tabak nemend -uit de doos, die Hilke hem offreerde, „nou, de Bruinvisch is met al z’n -gebulder zoo mak als een lammetje, en Harremen windt hem om dit....” -Harmen strekte zijn pink uit, „dit kleine vingertje! Die kop was niet -van een mensch; die was van een Arabier! Hij heeft me ook in de laden -laten kijken,—heerem’n tijd, wat zit daar allemaal voor een rommel in! -Nou, enne..... Joppie is ook aangemonsterd, en ik heb de Bruinvisch het -geld voor Lijsken’s moeder in bewaring gegeven.—Hè, Padde, daar hebben -we je mooi doorgesleept! Je had best eens: Dankje! mogen zeggen!” - -„Waarvoor?” vroeg Padde hooghartig. - -„Nou, als jij niet snapt: waarvóór, dan wil ik je toch één ding zeggen, -leelijke brandstichter!” viel Harmen uit. „De eerste maal, dat ik jou -wéér met een kaarsje de kelder zie ingaan, neem ik je bij je nek en -smijt je vierkant overboord; dan kun je aan de haaien vertellen wat -voor een gemeene vent Harremen is! Jij zou het zeker wel lollig vinden -om de Nieuw-Zeeland óók weer in de lucht te laten vliegen, maar daar -zal ik dan toch eens een stokje voor steken. Gesnapt?”—Harmen keerde -hem den rug toe en ging, nijdig trekkend aan z’n pijpje, naast Hilke -over de verschansing hangen, turend naar de lichtjes van den oever. - -Er werd wat gezwegen. Elk had zijn eigen gedachten. Padde was -pruttelend weggegaan om een sok te vragen van een der maats. Daarin -wilde hij zijn geld stoppen, en die sok met geld wilde hij zoo sekuur -verbergen, dat geen mensch ’m vinden kon. Hij had er al een mooi plekje -voor. Waar,—dat wilde hij niet zeggen. - -Harmen verbrak met een diepen zucht de stilte. „Morgen zal ik zien, of -ik een fiool op de kop tik! Een mooi zakmes wil ik ook hebben. En een -spiegeltje en een kam! En voor m’n moeder neem ik ook wat mee! En voor -m’n vader een paar krissen, die heb ik hem beloofd. En voor m’n meisje -koop ik wat van zilver, dat ze om kan hangen.” - -„Ik dacht, dat je deze keer geen meisje had”, zei Hilke. - -„Heb ik ook niet”, antwoordde Harmen. „We kregen ruzie, juist een dag -voor ik aan boord moest. Maar als ik drie dagen aan wal ben, zit ik er -toch weer aan!—’k Wil zuinig wezen, Hilke: van die vijftig guldens, of -hoeveel zijn het er,—nou ja, maar de helft moet ik er minstens van -overhouwen. Niet zooals de vorige keer, toen alles schoon opging. -Afijn, toen waren Gerretje en Floorke er bij, toen moest het wel -opgaan! Blij, dat ik de centen voor Lijsken’s moeder tenminste aan de -Bruinvisch heb afgegeven,—daar.....” Harmen deed een langen trek aan -zijn pijpje, „daar liggen ze veilig.” - -De oever zag er lokkend uit. Lichtjes fonkelden tusschen de palmen, en -de witte muren van pasgebouwde huizen glansden uit het donker op. -Rechts, in een kleinen inham, lagen op het strand Inlandsche -visschersprauwen, en een eindje het water in stond een huisje op palen, -waarin eenzaam een Inlander zijn net ophaalde. De visch schitterde als -zilver in het licht der opkomende maan. - -Het was stil op het water geworden. Branding stond hier haast niet. -Zie, daar, wat verder in zee, lag de Maeght van Dordregt, waar de -gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen zijn verblijf hield. Niet ver -daar vandaan lag de Neptunus, ook een mooie schuit en ferm bewapend. De -Morghenstar, een lichtgebouwde schoener, lag half over getalied,—werd -zeker schoongeschrobd. En daar, verder naar het Noorden, fonkelden de -lichtjes van de Berger-Boot, waar hun bovenste beste schipper zat. -Goeie reis, schipper! En pas maar op, als je nog eens tegen de -Chineezen moet bakkeleien.....! - -Toen luidde de etensbel. Ze aten bij lantarens op het open dek, want in -het vooronder stikte je. - -Zoemend dansten de muskieten hun om het hoofd. - - - - - - - - -MET GERRETJE NAAR LOA HOK SEN - - -Het was nog vroeg, toen de jongens den volgenden morgen met nog een -paar maats aan wal roeiden. De heete koffie was er best ingevallen, en -de zon scheen verrukkelijk. Ze meerden de sloep aan een houten kade, -sprongen aan wal en wisten niet waar ze het eerst naar moesten kijken -in het wirwar van bontgekleede Oosterlingen. Maar wie stond daar, -stralend van blijdschap, en drukte hen alle vier tegelijk in de -armen?—Gerretje! - -„’k Heb gisteren van Bolle gehoord, dat jullie weer aan boord waren!” -riep Gerretje in vervoering uit. „En als Bolle niet gelogen heeft, -sjonge-jonge, dan zijn jullie er raar doorgerold, zeg!” - -„Is het waar, dat je getrouwd bent?” vroeg Harmen. „Met een Javaansch -meisje?” - -„Nou, wat zou dat?” - -„Dat zou”, zei Harmen giftig, „dat jij je schamen moest! Met zoo’n lief -meisje in Hoorn!” - -„Nou, lig me nou niet te vervelen”, pruttelde Gerretje, half verlegen -en wrevelig. „Heb ik je dáárom afgehaald?” Hij leidde hen naar een -soort rijtuig, dat veel van een groote kist op wielen had. Er stonden -een paar broodmagere biekjes voor, en op den bok zat een Inlandsche -koetsier met op zijn hoofddoek een strooien hoed in den vorm van een -paddestoel. „Stap maar in, heeren!” noodigde Gerretje uit. - -Stomverbaasd keken de anderen hem aan. „Is ’t je in je bol geslagen?” - -„En als ik je nou toch zeg, dat dat rijtuig van mij is?” - -„Van jou?!” - -„Nou ja, van een vrind van me. Een Arabier! ’t Kan ook wel een Chinees -wezen.” - -„Heeft ie een staart?” vroeg Harmen. - -„Weet ik, of ie een staart of geen staart heeft!” zei Gerretje. „’k Heb -hem immers pas eenmaal gezien! Toen had ie een tulband op. Vooruit! -Stap in.” - -„Als d’r maar plaats genoeg is!” grinnikte Harmen, terwijl hij in het -krakende, verflooze voertuig stapte. - -„Plaats zat”, meende Gerretje. „We hebben er laatst met z’n zevenen in -gezeten. Moet die smerige gladakker ook mee?” - -„Dat is geen smerige gladakker”, zei Harmen verontwaardigd. „Dat is -Joppie.” - -„Wat?! Is die met jullie meegekomen?—Joppie! Ken jij Gerretje nog?” - -„Wauw!” kefte Joppie en sprong tegen Gerretje op. - -„Hij is me nog niet vergeten!” zei Gerretje. „Vooruit, lik je -grootmoeder, maar mij niet!” - -Onder groote belangstelling van Inlandsche kinderen en kleine -Chineesjes hadden de jongens zich in het voertuig geheschen. „Moet -Padde ook mee?” vroeg Gerretje. - -„Waarachtig!” zei Padde beleedigd. „Ik hoor d’r ook bij!” - -„Nou, dan moeten we die blauwe nikker maar naar beneden taliën”, meende -Gerretje. En vóór de koetsier, die slaperig naar de magere, met -zweepstriemen geteekende schoften der paardjes zat te turen, ergens op -verdacht was, had Gerretje hem van den bok getrokken. „Zeg maar, dat -toewan Gerretje de koedah’s zelf wel weerom zal brengen!” schreeuwde -toewan Gerretje den verbluften man toe. - -„Zou-d-ie dat verstaan?” vroeg Harmen. - -„Waarom niet? Hij is niet doof!” zei Gerretje. - -„Nou, dan zal ik de koers wel houwen!” bood Harmen aan. „Ik kan goed -met knollen omgaan!” - -„Met winterknollen uit het land van Lubbes bedoel je zeker!” hoonde -Gerretje. „Laat mij dat zaakje nou maar opknappen: ze zijn erg wild!” -Gerretje smakte met de tong. „Tschk! Vooruit!” - -„Heila!” waarschuwde Harmen. „Joppie en Padde moeten er nog in!” - -„Nou, ze loopen immers ook nog niet, de knollen?” vroeg Gerretje. „Je -moet ze eerst altijd even wakker maken. En dan een trap tegen d’r -achterwerk. Dan loopen ze.” - -Gerretje bleek goed op de hoogte te zijn: na enkele aanmoedigende -duwtjes hieven de rossinanten den kop op, vergewisten zich, dat Padde -op den bok zat naast Gerretje, en dat Joppie veilig geborgen lag -tusschen Harmen’s knieën; toen ratelde de wagen de kade af langs kleine -winkeltjes, waar de meest uiteenloopende zaken in bonte mengeling van -kleur lagen uitgestald. Voor de open deuren en vensters zaten werkende -Chineezen in hun wijde broeken en nauwsluitende jasjes,—voor zoover ze -geen bloot bovenlijf hadden. Ze droegen hun staart in een knoedeltje op -den kaalgeschoren bol, of als een snoer om het hoofd gewonden, of over -den schouder met het uiteinde in den zak..... - -„Heb je d’r verstand van?” vroeg Harmen hoofdschuddend. „Zeg, jongens, -als we hier vast eens wat kochten?” Hij tastte in den zak waar zijn -guldens zaten. „Straks verlies ik m’n geld nog vóór ik er wat voor -gekocht heb!” - -„Ben je gaar?” vroeg Gerretje. „We gaan eerst naar mijn huis! Vanmiddag -kunnen we wel inkoopen doen! En vanavond is het pasar malem! Dan gaan -we pret maken!” - -„Wat is dat: pasar malem?” - -„Zoowat als kermis.” - -„Fijn!” zei Padde. „En waar gaan we eten?” - -„Bij mij natuurlijk!” zei Gerretje. „Rijsttafel! Hilke komt ook! Wat -kijk jij zuur, Harmen?” - -„Nergens om”, zei Harmen. „Maar ik lust die blauwe kost niet.” - -Gerretje sperde zijn oogen wijd open, hield de teugels in. „Lus jij -geen rijsttafel?!” - -„’t Is me nog al lekker!” smaalde Harmen. „Weet ik wat ze er allemaal -in doen: gepiepte schorpioenen, gemalen kakkerlakken..... Vooruit, rij -door!” - -Padde rilde. „Ik lust ook geen rijsttafel, zeg!” - -„Jullie zijn stapelgek!” mopperde Gerretje. „’t Smaakt fijn! ’k Eet ’t -elke dag!” - -„Jij liever als Harremen!” zei Harmen. „Wat moet ik straks tegen je -vrouw zeggen? Juffrouw?” - -Gerretje bloosde. „Welnee, je zegt maar gewoon: Mina! Tja..... hoe ze -aan een Hollandsche naam komt, weet ik ook niet! Voor een dag of wat -vroeg ik haar: hoe heet je?—Mina, zei ze.—Kom, jongens, laten we de -kast maar weer eens op gang brengen! Die knollen vertikken het!” - -Harmen en Gerretje rolden samen het vehikel een eind vooruit; Gerretje -in een hand de teugels en de zweep en met allerlei klanken het -rossenspan aanmoedigend. Zoo kwam er weer gang in, en Harmen en -Gerretje sprongen „aan boord”. - -„’k Heb me in m’n leven nog niet zoo’n meneer gevoeld!” bekende Harmen, -behagelijk achterover leunend en z’n pijpje uitkloppend in de vlakke -hand. Maar de rugleuning schokte zoo, dat Harmen weer rechtop ging -zitten. - -Ze waren nu de kade af en uit het gekrioel van Inlanders en Chineezen, -die lasten droegen, hun prauwen meerden, of voor de winkeltjes op de -hurken inkoopen deden, of een „strootje” rookten, of een vrucht aten. - -De wagen rolde nu over een houten brug. Hol klonk het geratel der -wielen en het geklip-klap der hoeven. Beneden stroomde een rivier, die -haar bruin modderwater in zee loosde. „Hoe heet die kali nog maar -weer?” vroeg Harmen. - -„De tji Liwong!” lichtte Gerretje in. „Je kunt er nooit eens lekker -baaien, want ie zit vol kaaimans!” - -„Maar daarginds baden toch Inlanders?” - -„Nou ja”, zei Gerretje. „Die koffienikkers zie je in dat bruine water -niet zoo. Maar een blanke hebben ze direct in de smiezen.” - -„Een lekker landje!” smaalde Harmen. - -„Och..... ik mag er toch wel wezen!” - -„Nou ja”, zei Harmen. „Jij bent zelf al een halve Arabier, jij met je -Javaansche meissie!” - -„Begin je weer?” vroeg Gerretje. „Wacht maar, straks bij de rijsttafel -verleer je dat gebrom wel. We nemen er een neutje bij. Arak noemen ze -dat! ’t Is lekker zoet en toch hartig!” - -Bevangen, als in een droom, keken de andere jongens om zich heen. -Gerretje reed nu een breede laan in, met aan weerszijden hooge boomen. -Hier was het heerlijk, in de schaduw. - -„Nou, kun je ons nou niet eens een Javaansche radjah laten zien?” vroeg -Harmen. - -„Die loopen hier niet als kippen over straat”, zei Gerretje. „We komen -straks langs ’t fort Jakatra. Daarin hebben we vijf maanden lang tegen -die Papoea’s moeten bakkeleien. Zie je daar dat huis met die vijver er -voor? Dat is een Javaansche kerk.” - -„Een kerk?! En er zit niet eens een windwijzer op!” riep Harmen uit. - -„Nou ja”, zei Gerretje, „’t is ook maar net wat je een kerk wilt -noemen! Als de lui er binnengaan, trekken ze hun sloffen uit. En je -hoed mag je op je kop houwen! Dat ken toch nooit goed zijn?” - -„Ben je er wel eens ingegaan?” vroeg Harmen. „Niet? Wat een vent!” - -„Je wordt bedankt!” zei Gerretje. „Dan zat ik hier nou niet levend meer -op de bok!” - -Allengs werden allen stil,—kwamen onder de bekoring van den heerlijken -Indischen morgen, het vogelgerucht in de boomen, de zoete -bloemengeuren, die over den weg hingen. Een enkele maal kwamen ze een -paar vrouwen tegen in kleurige sarongs en lange „badjoe’s met mooie -spelden, een plat zonnescherm bevallig over den schouder houdend,—of -een grassnijder met niets dan een smal lendendoekje om, in snellen, -wiegelenden gang torsend zijn last van gesneden gras—of een Chineesch -koopman, een „klontong”, in de hand het met varkensblaas bespannen -trommeltje, waartegen, bij snelle draaiing, twee kogeltjes slaan en zoo -een roffel veroorzaken, die den komst van den klontong reeds van verre -aankondigt. - -Onze vrienden reden ook Inlanders achterop, die van de markt -terugkeerden en door hun vrouw, die enkele passen achter haar heer en -gebieder aanliep, de ingekochte kippen lieten vervoeren. De knapen -kwamen tot de ontdekking, dat Indië het land is, waar zelfs de -allerarmste nog een gevolg heeft,—al is het ook maar zijn vrouw. - -Zoo belandden de jongens bij het fort. Alle sporen van het maandenlange -beleg waren alweer weggewischt door de driftig uitbottende tropische -natuur. Overal struiken en bloemen..... - -Toen de jongens het fort voorbij waren, kwamen links van den weg wat -erven met kokossen, papaja’s, bananen- en pinang-boomen beplant, en -achter op de erven stonden bamboehuizen met verandah’s, waaraan -orchideeën hingen en stokjes met parkieten. In de boomen wemelde het -van kleine vogeltjes, die priet-priet! en tiep-tiep! riepen en in bonte -pakjes waren uitgedoscht. - -„Ziezoo!” zei Gerretje, terwijl hij de teugels inhield, zoodat de wagen -met een schok stilstond, „hier zijn we er! Nou zal ik jullie nog -vóórrijden!” - -„Over dat bruggetje.....?” vroeg Harmen, wantrouwend uit den wagen -loerend. Voor Gerretje’s erf liep een breede goot met een -bamboebruggetje er overheen. - -„Waar anders over? Ik ben er gisteren ook nog overgereden!—Tschk!” En -Gerretje begon de paarden te overreden het bruggetje op te stappen. - -Na veel moeite lukte het. Even tikkend met de hoeven, om de -betrouwbaarheid van den bamboezen bodem te onderzoeken, waagden de -dieren zich op de brug. Toen eensklaps een scherp gekraak; met een smak -zakten de achterwielen de goot in, en de twee paardjes hingen met de -voorpooten in de lucht. - -„Zoo! Nou liggen we voor anker!” mopperde Harmen. - -Gerretje, die schuin op den bok lag, werkte zich op den bovenwal. -„Hier, jongens!” riep hij. „Pak Gerretje maar bij de hand! ’n Bof, dat -er geen water in staat!” - -„Kijk me die knollen eens raar hangen!” zei Harmen, terwijl hij zich -door Gerretje uit den bak liet hijschen. „’t Lijkt wel of ze -steigeren!” - -„Nou, ’k heb je toch direkt gezegd, dat ze wild bennen! Kom, jongens, -sla eens een handje in de spaken; we zullen de wagen weer fijn op vlak -water zetten!”—En met z’n allen werkten ze den wagen uit de goot, -zoodat de vurige rossen weer op hun acht beenen kwamen te staan en -vertrouwelijk tegen elkaar aanleunden. „Stap maar weer in, heeren!” -noodigde Gerretje uit. „Als ik zeg: ik rij jullie voor!—dan rij ik -jullie ook voor.” - -En zoo gebeurde. Ze hielden nu stil voor het huis zelf. Het was geheel -uit bamboe. De open voorgalerij, waarin een tafeltje stond met een paar -rieten schommelstoelen, was aan de zijden afgesloten door palmen in -potten, en tusschen de stengels der palmen gluurden een paar bruine -kereltjes. - -„Wat zijn dat voor mormels?” informeerde Harmen. - -„Dat grut is allemaal met m’n vrouw meegekomen”, zei Gerretje, -geërgerd. „D’r moeder en d’r tantes en de heele mikmak! Dat is hier -altijd zoo: ik heb er naar gevraagd.” - -„Dus je zit zoo te zeggen al midden in je Arabische familie!” hoonde -Harmen. - -„Schei maar uit!” zuchtte Gerretje. „Als ik dat geweten had.....! Ze -liggen me de heele dag met z’n zeven-en-zeventigen aan m’n kop te -zaniken, en m’n duiten vliegen weg voor ik ze zelf gezien heb!—Ajo!” -viel hij tegen de joggies uit. „Pigi! Kras op! Lekas!” - -De bruine snoetjes verdwenen. - -„Je duiten?” vroeg Harmen. „Verdien je dan wat?” - -„Waarachtig! Eerst heb ik m’n gage uitbetaald gekregen: zes-en-tachtig -gulden: daar heb ik die stoelen en die tafel van gekocht. Waar de rest -gebleven is, zal de weerlicht weten. Nou ja, ’k heb ook nog onkosten -gehad met m’n trouwfeest. De muziek en de dansmeisjes en de hadji, om -te bidden,—dat wou m’n vrouw zoo. En nou geef ik les aan die Chinees, -die me die paarden en die rot-sjees heeft geleend. Hij wijst wat aan, -en dan zeg ik wat het in ’t Hollandsch is, en ik leer hem ook hoe hij -zich te gedragen heeft.—Neem plaats, heeren, dan zal ik die knollen in -de schaduw zetten, anders drogen ze uit.” - -En terwijl Gerretje de paarden trachtte te verleiden hem te volgen in -de schaduw van een hoogen tamarinde-boom, zetten de „heeren” zich -behagelijk neer in de schommelstoelen en keken eens rond. De bamboezen -wanden waren met een paar rare, maar fijngesneden poppen versierd; -achter in de voorgalerij hing een gordijn, dat de afsluiting van een -ander vertrek vormde. „Rooken, heeren?” vroeg Gerretje, terugkeerend, -en diepte uit zijn zak een bos „strootjes” op. - -„Wat moeten we daarmee doen?” vroeg Harmen, die verwachtte, dat hem -tabak zou worden aangeboden, en in afwachting daarvan z’n pijpje al -wilde uitkloppen. - -„Ze rooken hier geen pijpen”, lichtte Gerretje hem in. „Heb je ze die -strootjes niet zien dampen?” - -Weldra trokken Harmen en Gerretje dapper aan hun strootjes. „Ze bennen -lekker scherp!” prees Harmen. „Jammer, dat je d’r zoo gauw door bent!” - -„Dan steek je maar weer een andere op”, meende Gerretje. „De warong -(inlandsch winkeltje) ligt naast de deur.” - -Droomerig keken de jongens over het erf naar den weg met de hooge -kanarie-boomen, waaronder nu en dan een Inlander voorbij schoof. De -jolige vreugde, die daar straks in en om alles hing, had plaats gemaakt -voor plechtige middagstilte. In de boomen zweeg nu alles; de zoete -geuren in de lucht schenen nog zoeter en sterker te worden. - -„Nou”, zei Gerretje, „willen jullie nou eens met m’n vrouw kennis -maken? Je zegt maar gewoon: tabeh, Mina, hoor!” - -„Nou, haal ’r dan maar eens hier!” zei Harmen grinnikend. - -Gerretje maakte van zijn handen een misthoren. „Mina! Minááááh!” - -Geen antwoord. Achter op het erf begon een hond te jammeren, en uit het -vertrek, dat door een gordijn van de voorgalerij was afgesloten, klonk -eensklaps het gekakel van een kip. - -„Nou vraag ik je toch hoe dat mormel in m’n slaapkamer komt!” mopperde -Gerretje. Hij verdween, en onze vrienden hoorden hem mopperen: „Wat -moeten jullie daar?!—Ajo! Smeert ’m!” Drie Inlandsche knaapjes doken -achter het gordijn op, vluchtten met een angstigen blik op de „gasten” -door de voorgalerij den tuin in. De kip scheen moeilijker te -verdrijven. Gerretje raasde en tierde, en de kip kakelde. Maar -eindelijk kwam ze onder het gordijn door slippen, vluchtte met -klappende vleugels en gestrekte pooten gillend naar het achtererf, en -Gerretje verscheen met een soort bezem gewapend ten tooneele, veegde -zich het zweet van het voorhoofd. „M’n heele slaapkamer smerig en -overhoop! En die rakkers hebben er doerian zitten eten; ga er eens -binnen: je valt om van de stank!” - -„Niks nieuwsgierig”, verzekerde Harmen. „Nou, zou je vrouw niet thuis -zijn?” - -„Misschien is ze nog naar de pasar”, zei Gerretje. „’k Ruik niks van -braaien of zoo.—Gaan jullie eens mee, m’n tuin kijken?” - -De jongens stonden op en volgden Gerretje, die hen naar het achtererf -leidde. Hier was het een harrewar van vrouwen en kinderen, die verbaasd -en wantrouwend naar de gasten van „toewan Gerretje” loerden. - -„Zijn dat nou allemaal neefjes en nichtjes van je?” vroeg Harmen -grinnikend. - -„Schei je nou eens uit?” mopperde Gerretje. Hij stevende op een oud -vrouwtje af, dat op haar hurken kruiden zat te stampen. „Hé, opoe, waar -is Mina nou weer?” - -Het vrouwtje hief het oude hoofd met de dungezaaide, zilverwitte haren, -die in een knoedeltje waren samengebonden, op en keek naar Gerretje met -blinde oogen. „’Nga taoew..... Ik weet het niet.” - -„Wat heb ik nou aan m’n pet hangen?? En wanneer komt ze kembali?” - -Het oudje ging weer met stampen door. „Belon tentoe. Berengkali -bessok.....” - -„Wel allemachies!” stamelde Gerretje. „Nou zegt ze, dat Mina morgen pas -terugkomt. Daar heeft ze me niks van verteld!” - -„En..... waar gaan we nou eten?” vroeg Padde, ontsteld. - -Gerretje dacht even na. „Als ik maar centen had, zou ik zeggen: Kom, -jongens: Gerretje heeft centen; we gaan bami bikken bij -Loa-Hok-Sen!—Dat is een Chinees!” - -„O, nou weer Chineesch eten!” schimpte Harmen. „Wurmen en gedroogde -slangedarmen!” - -„Nou ja”, zei Gerretje. „We kunnen er ook rijsttafelen!” - -„Dan betalen we samen voor Gerretje!” stelde Hajo voor. „Wat jij, -Rolf?” - -„Kop dicht!” beval Harmen. „Ik zal betalen. Centen zat!” En Harmen -rammelde met de guldens in zijn broekzak. „Dan kan ik later nog eens -vertellen, dat ik twee stuurlui getrakteerd heb!” Harmen keek Hajo en -Rolf minachtend aan. - -„Stuurlui??” vroeg Gerretje. - -„Reuze-stuurlui”, zei Harmen. „Gewoon maat willen ze niet worden! Daar -zijn ze te fijn voor gebouwd!—Wat heb je daar voor een gemeene kat, -Gerretje?” - -„Poes? Kom er eens hier?” Gerretje lokte een gestreepte, veelkleurige -kat naar zich toe, die vol kale plekken zat en een gebroken staart had. -„Zie je wel, dat ie vier kleuren heeft? Wit, zwart, rood en geel! ’t Is -een heilige kat.” - -„Heilig?” vroeg Harmen. „Heeft ie soms gezworen nooit meer wat uit de -keuken te gappen?” - -Gerretje grinnikte. „Zie je die hoek in z’n staart? Dat hebben de -katten hier allemaal, en de katers loopen hier heelemaal zonder -staart,—alleen maar met een dikke knoop.” - -„’n Raar land!” meende Harmen, „waar de menschen mèt en de katten -zònder staart loopen!” - -Van het voorerf klonk een krachtige stem: „Spadah!” - -„Daar zul je Hilke hebben!” meende Gerretje, rukte een paar pisangs van -een boom en verdeelde ze. „Hier! Voor de knollen zullen we er ook een -paar meenemen.” - -Daar stond Hilke. In groot tenue, met een strooien hoed op. - -„Goed, dat je er bent, Hilke!” zei Gerretje. „We gaan bikken bij -Loa-Hok-Sen! Mina is er van door,—zeker weer een of andere ouwe tante -opzoeken.” Gerretje verdween achter het gordijn om even later met een -kruik terug te keeren. „Jandoedel gaat mee, jongens!” zei hij en sloeg -opgewonden op de kruik. - -„O, wacht even”, kalmeerde Hilke hem. „Als je je bedrinken wilt, bedank -ik voor je gezelschap!” - -„Kom, lig niet te preeken, ouwe heer!” zei Gerretje. „Ik ben geen -garnaal: ik lust wel eens wat anders als enkel zeewater.” Hij stopte de -flesch onder het bankje van den wagen. „Hoe krijgen we die lijkkoets -nou weer over dat kapotte bruggetje?” - -„Als we de knollen uitspannen, is het een kleinigheidje, ’m even over -die goot te wippen!” voorspelde Harmen.—En zoo was het ook: toen Hilke -zijn knuisten onder den bak zette, Harmen en Gerretje ieder een wiel -namen, en de jongens boven aan den boom trokken, schoot de wagen als -een veertje zoo licht tegen den straatberm op. Ze spanden de biekjes -weer in. - -„Da’s dàt!” zei Gerretje. „Hoe komen we er nou met z’n allen in?” - -„Padde gaat op een knol zitten”, stelde Harmen voor. „Dat staat fijn!” - -„Ik doe het niet”, zei Padde vastbesloten. - -„Nou, dan maar op het treeplankje”, meende Gerretje. - -„Jullie zijn mal”, zei Hilke. „Padde kan best op m’n knieën zitten!” - -„’n Lekker vrachtje!” zei Harmen—Maar Hilke bleef zijn woord gestand, -en toen even later het zwaarbeladen voertuig weer voortrolde, onder de -aanmoedigende kreten van Gerretje, draaide Harmen zich grinnikend om. -„Jongens, ’t lijkt wel weer als toen we met z’n zeventigen in de jol -zaten!” - -„Nou.....!!” - -De weg werd weer drukker; aan den kant stonden warongs en wandelende -winkeltjes. „Zie je daar aan bakboord dat huis?” vroeg Gerretje en wees -op een Chineesch gebouwtje met een doorgebogen dak, dat naar de zijden -in houten draken eindigde. „Daar moeten we zijn!” En Gerretje hield -stil voor Loa-Hok-Sen’s gastvrije woning en sprong van den bok. -„Heila!” schreeuwde hij. „Toean Gerretje is d’r weer!” - -Een onderdanig Chineesje kwam met vliegenden staart naar buiten snellen -en greep de paarden bij den toom. Onze vrienden stapten uit, keken nog -eens even naar het grappige dak en naar de lange vlaggen aan -weerszijden met de wonderlijke Chineesche letterteekens en bestegen -toen in optocht de trap van de open verandah. Boven ontving hen, -buigende, een ongeloofelijk dikke zoon van het Hemelsche Rijk: -Loa-Hok-Sen in eigen persoon. Het vette bovenlichaam was naakt, de -geweldige buik in een kort broekje gewrongen. In een allerzonderlingst -klinkend Maleisch, nasaal, zangerig, met lange uithalen en gedurig de r -als l uitsprekend, heette hij zijn gasten welkom. - -„Tabeh, baba!” zei Gerretje joviaal. - -„Tabeh, toewan bázál (besar).....!” En de Chinees schoof stoelen bij. - -„Ga zitten, heeren!” noodigde Gerretje uit. En tot den Chinees: „We -willen nassi! En lekas, hoor, want we hebben trek!” - -„Boewat balapah holang, toewan bázál.....?” - -„Wat leuter je nou nog?” voeg Gerretje. - -Rolf glimlachte. „Hij vraagt voor hoeveel menschen er eten moet komen!” - -„Nou, dat ziet ie toch!” meende Gerretje. „Ikke, dat is één: satoe, -Harmen en Hilke en Rolf, dat zijn er vier: ampat, en Hajo en Padde zijn -zes: anam! Anam orangs en voor Joppie, de andjing, ook wat. Gesnapt?” - -„Anam holang, toewan bázál?” - -Gerretje en alle anderen knikten, en de Chinees riep op hoogen giltoon -iets naar achteren. - -„Wat een taaltje, hè, dat Chineesch?” grinnikte Gerretje. - -„Nou!” zei Harmen. „Ha-tschji-tschja-tschjoe! ’t Lijkt wel, of ze -doorloopend niezen!” - -De Chinees wendde zich thans aarzelend tot Gerretje, dien hij voor den -leider van de bende hield, knikte vriendelijk een paar maal achtereen -en begon: „Toewan bázál, djangan máláh, toewan bázál; Loa-Hok-Sen -talaloe miskin; boewat ini Loa-Hok-Sen mintah sama toewan bázál: apa -toewan bázál ada..... ada doewit, toewan bázál? Djangan máláh.....” - -„Aha: doewit!—Laat eens kijken, Harmen, dat je centen hebt? Hij wil -boter bij de visch zien.” - -„Was daar dat lange smoesje voor noodig?” vroeg Harmen en rammelde met -zijn geld. - -„Oah! Soedah dingil, toewan bázál!” sprak de Chinees verblijd. En hij -waggelde naar achteren. - -„’t Lijkt wel een gemest varken!” grinnikte Harmen. - -Hajo, Rolf en Padde keken bevreemd en—vooral de laatste—niet zonder -wantrouwen rond. Goed, dat Gerretje hier wegwijs was!—„Gommennikkie!” -riep deze juist uit, „nou heb ik de arak in de wagen laten staan! M’n -kop er af, als die langstaarten er al niet aangezeten hebben!” En hij -snelde weg. - -In de verandah hing aan dikke zijden koorden een Chineesche lantaren, -beschilderd met letters en figuren. Harmen wees op een kralen gordijn. -„Daarachter liggen ze nou de heele dag te bidden voor een beeld met een -buik, nee maar.....!” - -„Misschien bidden ze wel, dat ze net zoo dik mogen worden”, meende -Padde. - -„’k Geloof het ook”, zei Harmen. „Als je er maar even aankomt, worden -ze al woest. En ze kunnen ook niet velen als je hun zoo eens aan de -staart trekt. Afijn, da’s met honden en katten krek zoo.” - -„Zou het bloeien, als je er een stukje afknipte?” vroeg Padde. - -„Onderaan niet”, legde Harmen uit, „bovenaan wèl.” - -Gerretje keerde terug, zette de kruik met een slag op tafel. „Ze hadden -’m nog niet gevonden! Kom, heeren, we zullen vóór den eten maar een -neutje nemen, dan smaakt die rommel straks nog ééns zoo lekker. Hilke, -jij bent de oudste, bedien je!” - -Maar de Fries weerde af. „Weg met die smerige arak!” - -„Smerige arak.....!” stamelde Gerretje verbluft. „Jij bent in jouw -koeienland zeker niks als melk en slootwater gewend! Kom, Harmen, jij -weet beter wat goed smaakt!” - -„Ik drink ook niet”, zei Harmen. „Straks tik ik een fiool op de kop, om -op te spelen, en dan wil ik recht op m’n beenen staan. Drink jij er -maar eens op, dat je een goeie landrot mag worden!” - -Gerretje antwoordde niet, bood met een grimmig gelaat den anderen aan. -Toen hij overal bot ving, nam hij een hartigen slok, stampte de kruik -dicht en zei: „’k Zou je bedanken op om die rot-schuit van jullie aan -te monsteren!” - -„Rot-schuit? Hij ligt als een meeuw op het water!” verzekerde Harmen, -die van een schip tot welks bemanning hij behoorde, geen kwaad kon -hooren. „Maar ik snap het al wel: de Bruinvisch lust zoo’n dronkelap -als jou natuurlijk niet.” - -Dat was kras. Gerretje verbleekte, rolde met z’n oogen, maakte een -beweging van Harmen te lijf te willen. „Dat zul je me waar maken!” - -„Nou, stil nou maar”, suste Hilke en trok hem weer op zijn stoel. -„Harmen meent het zoo slim niet. Maar ’t is ook flauw om je kameraden -in de steek te laten.—Kijk dáár eens een stelletje aankomen!” Hij wees -op een groepje Chineezen, die, allen dooreenzwetsend, de trap opkwamen, -om een tafeltje plaats namen, in het Chineesch iets naar achter -schreeuwden, van daar ook weer antwoord kregen en weer -doorredekavelden. - -Gerretje luchtte zijn verkropte woede. „Heila! Zullen jullie je gezicht -er eens houden, inktvisschen?—Als die kruik leeg was, kregen ze hem -naar den kop!—Kom.....!” En Gerretje ontkurkte de flesch weer. - -„Laat dat drinken nou, Gerretje!” zei Hilke driftig. - -Gerretje keek hem sarrend aan. „Waar bemoei jij je mee, boterboertje?” - -Hilke ademde diep. „Ik geef je de raad, die kruik weer dicht te doen. -Of anders.....!” - -„Wat anders? Ik zou weleens willen zien wie mij beletten zou, m’n eigen -Jandoedel te drinken!” - -„Nog eenmaal”, zei Hilke, z’n beide handen op tafel leggend. „Zet je -die kruik neer, ja, of.....!” - -„Neen!” riep Gerretje en bracht de kruik aan zijn mond. - -Toen griste Hilke ze hem met een rooden kop van drift uit de vingers en -sloeg ze met een fermen mep aan scherven. De arak vloeide over de -tafel. - -Met een vloek, hijgend van woede, sprong Gerretje overeind. En toen -kwam een leelijk ding voor den dag, waarmee de janmaats veel te haastig -zijn: de drie-duimsflikker. Maar in hetzelfde oogenblik was Harmen -toegesprongen, had Gerretje het mes ontworsteld. Het viel op den grond; -pats! Hilke’s voet stond er boven op. Gerretje sprongen de tranen in de -oogen. „Waarom sarren jullie me dan ook?” griende hij. En in een -nieuwen aanval van drift draaide hij zich om, trok een Chinees den -stoel onder het zitvlak weg en slingerde Hilke dit meubelstuk naar het -hoofd. Hilke, vlug als water, bukte zich; de stoel vloog tegen het -kralengordijn, viel in de achterkamer. Maar met een sissend geluid was -de Chinees (door Gerretje’s toedoen zoo onverwacht op den grond -verzeild) weer overeind gekrabbeld en gaf Gerretje een stomp in den -rug. - -Met een zwaai keerde Gerretje zich om, pakte hem om het middel, hief -hem op en wierp zijn spartelend slachtoffer op tafel, midden tusschen -de kakelende vrienden van het Chineesje. - -Zie, nu wilden die allen over Gerretje heen vallen, maar dan hadden ze -toch buiten diens vrienden gerekend, die nu, alle binnenlandsche -geschillen vergetend, zich als één man tegen den buitenlandschen vijand -keerden. Hilke deelde met zijn ongezouten jatten meppen uit, dat de -Chineesjes het in Peking hoorden donderen en allen tegelijk de trap -aftuimelden, achtervolgd door Joppie, die hun de flarden uit de broek -wilde happen. Op straat aangekomen, braakten ze een stortvloed van -zegewenschen uit. - -„Jawel! Tsjing-Pong-Tsjamalai!” schreeuwde Gerretje, de tranen in zijn -stem. „Kom er eens kembali, als je brani bent!” - -Maar de zonen van het Hemelsche Rijk maakten van Gerretje’s -uitnoodiging, om terug te keeren, geen gebruik; zoowel in het Chineesch -als in hun allerbelabberdst Maleisch den omstanders inlichtend over het -zonderlinge gedrag van de Hollandsche janmaats, spoedden ze zich voort -naar een anderen Loa-Hok-Sen, die hun even lekkere bami zou voorzetten. - -„Hier is je mes terug, Gerretje!” zei Hilke. - -Gerretje griste het weg: stak het in zijn riem. „Wat deed je ook aan -m’n arak!” - -Loa-Hok-Sen was intusschen met een schaal vol gerechten, die hij met -den rand in een plooi van zijn buik steunde, ten tooneele verschenen. -Met weemoedigen oogopslag overzag hij den toestand. „Oa..... ahah, -toewan bázá.....áál! Pigi mi..... áná, toewan bázál? Kassian sama -Loa-Hok-Sen, toewan bázál.....!” - -Harmen wierp hem met breed gebaar een gulden toe. „En hou nou je falie, -alsjeblieft!” - -Deze daad verteederde Loa-Hok-Sen weer zoo, dat de tranen hem bijkans -over de wangen rolden. Een reeks woorden van dank ontsnapte stamelend -aan zijn mond. - -„Vooruit, jongens”, zei Harmen, „vergeet de boel nou weer! We zijn toch -samen uit?” - -„Die fijne arak.....!” pruttelde Gerretje. - -„Toewan bázál maoe minoem álák?” vroeg de baba ijverig, de schaal -neerzettend. - -„Neen, waarachtig niet!” viel Harmen uit. „We hebben jouw stinkende -arak niet noodig!” - -„Nou, Gerretje, leg ons nou eens uit hoe we dat goedje moeten eten!” -zei Hilke. „Jij weet er beter mee overweg dan wij.” - -Gerretje gromde wat. Toen stak hij zijn hand uit. „Vooruit! De zaak is -vergeten.” - -Hilke sloeg zijn vuist in die van Gerretje. „Wij moeten toch geen -herrie maken, Gerretje! Daar zijn we toch te lang vrinden voor -geweest!” - -„Ik heb ook geen herrie gemaakt”, zei Gerretje. „Als jij m’n arak maar -niet.....” - -„Sssst!” suste Harmen. „Vertel eens, wat moeten we met die soep -beginnen?” - -„Dat is geen soep”, zei Gerretje, „dat is sajoer, die kaai je d’r over. -En dit hier is kroepoek, dat moet je er bij eten; ’t knapt fijn -tusschen je tanden. Die stukjes vleesch aan een stokje noemen ze -sesate; dat moet je er maar met je kiezen aftrekken, en dat zwarte -vleesch daar is deng-deng,—kan ik jullie ook aanbevelen. Nou, uit die -potjes moet je niet te veel nemen; daar brand je je keel maar aan. En -dat is pisang goreng, gebakken pisang. Nou, en van de rest weet ik de -naam ook niet. Wat zullen we er bij drinken? Wacht! Vruchtenat met -glibbertjes is fijn!—Hei, baba! Ajer boewah met eh, selase!” - -„Saja, toewan bázál.....!” - -En de maaltijd begon. De jongens hadden een stevigen eetlust opgedaan -en werkten als leeuwen! Of het smaakte? Ze hadden nooit gedacht, dat -die Chineezen zulk lekker eten konden maken! En toen die vruchten -daarna! Manggah, mangistan, ramboetan, doekoe..... zooveel ze maar -wilden. - -Eindelijk werden de molentjes stomp en maalden trager. - -Het werd stil op den weg. En heet, dat het was.....! - -„Kunnen we hier niet wat gaan maffen?” vroeg Harmen. - -„Waarom niet?” meende Gerretje. „Op de grond!” - -Toen rolden allen van hun stoelen af en dutten in. - - - - - - - - -DE PASAR MALEM - - -Toen onze vrienden wakker werden, was de grootste hitte voorbij. „Wat -zullen we doen?” vroeg Gerretje, zich uitrekkend en luidruchtig -geeuwend. „Voor de pasar is het nog te vroeg.” - -„Nou, dat is niks”, zei Harmen. „Dan gaan we eerst inkoopen doen. We -moeten broeken, hemden, sokken, een kist hebben, afijn: alle rommel, -die je noodig hebt.” - -„Dan gaan we naar toko Bombay!” zei Gerretje. - -„Wat is dat: tokobombee?” vroeg Harmen. „Zou ik daar ook een fiool -kunnen krijgen?” - -„Krijgen: nee. Koopen: ja”, meende Gerretje. „Ze hebben er van alles.” - -„Vooruit dan maar!” Harmen sprong overeind. - -Daar verscheen, beminnelijk glimlachend, de handen op zijn vetten buik, -Loa-Hok-Sen weer. „Tabeh, toewan bázál! Toewan bázál tidol bai?” - -„Hij komt om z’n duiten”, zei Gerretje. En tot den Chinees: „Brapa? -Hoeveel?” - -„Oa.....ah, toewan bázál.....!” stamelde de Chinees op dankbaren toon. -En tellend op de vingers, half zingend, begon hij een ellenlange -berekening, tot hij tenslotte een som van twee gulden bijeengezongen -had en vriendelijk de hand ophield. - -„Wat een afzetter!” raasde Gerretje. - -Maar Harmen tastte in zijn broekzak als een toovenaar in zijn schatkist -en wierp Loa-Hok-Sen vol zwier de guldens toe. Deze scheen, naar de -mate van zijn vreugde te oordeelen, nog niet op de helft gerekend te -hebben en begroef Harmen nu onder zegenwenschen. - -„Vooruit, lekas, patjakker!” beval Gerretje. „Haal de wagen en de -koedah’s hier!” - -Loa-Hok-Sen riep iets naar achteren, en even later kwam krakend de -wagen voor. De Chineesche gastheer boog zoo diep als zijn buik het maar -veroorloofde en was een en al glimlach; zelfs de plooien in zijn buik -schenen te glimlachen. Toen Joppie aan zijn nekvel binnen boord -geheschen was, ging de reis weer verder. Gerretje stuurde; Harmen -klapte met de zweep en weerde de aanvallende straathonden af; Joppie -was nauwelijks in bedwang te houden en kefte tot hij heesch was. Zijn -haren stonden overeind. - -Toko Bombay bleek een onoogelijk winkeltje te zijn, niet ver van de -haven. Met gebukt hoofd stapten de jongens het donker in.—„Jij mag je -wel dubbel vouwen, Hilke!” meende Harmen. - -In den winkel hing een bedwelmende geur van wierook, bloemen, -reukwaters. Zoo grauw het zaakje er van buiten uitzag, zoo kleurvol was -het er binnen: het leek wel een schatkamer. Schitterende, glanzende, -fonkelende dingen lagen op en naast elkaar gestapeld, en bij al dat -bonte, zonderlinge gedoe dook daar uit het halfduister een al even bont -en zonderling wezen op: de koopman uit toko Bombay. Hij droeg een -goudbestikt kalotje, een lang, grijswit hemd en daaroverheen een open -vestje vol figuren in gouddraad. Onder het hemd kwam een wijde broek -uit van dezelfde kleur, en de naakte voeten staken in zwart fluweelen -sandalen, die ook al glommen van het gouddraad. Met een lichte buiging -van het hoofd en een deftige armbeweging heette hij zijn gasten welkom -en wachtte zwijgend, hen schrander aanziend met zijn glinsterend-zwarte -kraal-oogen, hun wenschen af. - -„Tabeh, bang!” zei Gerretje. „Ja, jongens, wat willen jullie nou -koopen?” - -Ietwat bevangen keken de jongens rond. Wat een prachtige dingen! - -Harmen kreeg een waterpijp te pakken. „Wat is dat voor een ding?” vroeg -hij. - -„Dat is een pijp!” lichtte Gerretje in. „Zoo een heeft m’n vrind, die -ik les geef, ook thuis!” - -„En wat moeten ze dan met die slang er aan?” - -„Weet ik het?” vroeg Gerretje. „Misschien wel om die pijp op hun nek te -nemen, als ze verhuizen.” - -Padde begon zachtjes te grinniken. - -„Hij is gekocht!” riep Harmen. - -„Als je daaruit rookt, vallen ze dubbel!” meende Hilke vroolijk. - -„Als ze maar niet op mijn pijp vallen, vind ik het best”, zei Harmen, -de pijp voor zich terzijde zettend. „Kijk er eens een mooie kwasten -aanzitten! Nou moet ik nog een fiool hebben!” En hij duidde den koopman -zijn wensch door het hoofd schuin te leggen en met zijn armen door de -lucht te fiedelen. - -De man knikte, wendde zich om en riep iets in een scherp klinkende -taal. Een klein jongetje met matgele huidkleur en hetzelfde Oostersche -pakje aan dook uit het halfduister op en zette op de toonbank een -zwarte vioolkist neer. Toen verdween hij weer. - -De man opende de kist, lichtte het doekje op en..... - -Harmen rolden dikke tranen over de wangen. Zwijgend, zonder de handen -uit te steken, staarde hij naar het wonder daar voor hem. Toen lichtte -hij de viool met bevende handen uit de kist, haakte den strijkstok los. -„Nou, jongens.....” Harmen haalde diep adem, „wat zal ik spelen?” - -„Van die begrafenis.....” zei Hajo. - -„Wacht! ik weet al een mooi moppie!” riep Harmen uit. Harmen begon te -fiedelen, aanvankelijk nog aarzelend en beverig, maar allengs weer met -den ouden zwier, vol trillers en loopjes, of akelig droefgeestig -slepend van den eenen toon naar den anderen. - -„Verduiveld mooi!” prees Hilke. Rits! daar gleed de stok krassend uit. - -„Dat is nog ongewoonte!” verontschuldigde Harmen zich. - -„Mag ik ook eens even?” vroeg Hajo, zich verslikkend van opwinding. - -„Jawel”, zei Harmen genadig. „Straks mag je! Je moet eerst luisteren! -En geef Joppie eens een trap, dat ie ophoudt met z’n gegil!”—Joppie -werd tot kalmte gebracht, en nu wendde Harmen zijn krachten op de -„Begraffenis” aan. Voor den winkel bleef allengs een schare -belangstellenden staan. Harmen gloeide van trots en ondernam met -vingers en strijkstok de meest gedurfde toeren,—waarbij hij wel eens -den hals brak. - -Intusschen sloegen de anderen aan het inkoopen. Geen van hen ontkwam -aan de bekoring, die van al die wondere dingen uitging. Gerretje, die -zelf geen centen te verteren had, hielp den koopman door uit hoeken en -gaten glinsterende dingen op te diepen, het eene al mooier dan het -andere, en dit den in kooproes zwelgenden jongens voor den neus te -leggen, zoodat ze zich, nog voor ze aan den aankoop van een stevige -broek dachten, zich bijna al arm gekocht hadden aan bestikte muilen, -verzilverde reukdoosjes met mooie figuren er op, waaiers, ringen, -ivoren olifantjes, aardige poppetjes, zijden doeken, ponjaards, -armbanden..... Padde was juist aan het onderhandelen over een -beschilderd zonnescherm met fraai gesneden stok, toen Rolf eindelijk op -de goede gedachte kwam om eens te vragen wat een paar sterke -scheepskisten kostten. - -De man noemde den prijs en zei, dat ze in twee dagen gereed konden -zijn. - -„Wanneer zeilt de Nieuw-Zeeland uit?” vroeg Rolf den anderen. - -„Volgende week, als de wind goed is!” zei Harmen, zijn viool afleggend. -„’k Mag lijden, dat we lekker in de winter aankomen, ’t is mij nou lang -genoeg zomer geweest, hè, Joppie? En jou, Hilke? Hè? Wat zal ze blij -zijn, zeg!” - -„Schei d’r maar over uit!” zuchtte Hilke, eensklaps vuurrood wordend. - -„Met Kerstmis zijn we wel thuis”, meende Harmen. „Wat zullen we ’t -gezellig hebben, jongens! ’s Avonds bij het vuur een bakkie heete slemp -en vertellen van je reis.....!” - -Gerretje was stil geworden, en Harmen merkte het. „Ja, stommerik, daar -grijp jij naast! Laat jij je maar gaarstoven in dit nikkerland!—Z’n -kameraden in de steek laten—wat een vent!” - -„Hou je gezicht!” schold Gerretje. - -„Sssst!” suste Rolf. En tot den koopman: „Maak de kisten maar voor ons. -Vier stuks.” - -„Zeg hem, dat ie plaatjes over de hoeken slaat!” raadde Padde aan. - -Het was een zonderling groepje, dat zich een half uur later in het -rijtuig heesch. Harmen, onder een arm zijn viool, onder den anderen -zijn waterpijp, had een roode fez op met een zwarten kwast er aan, -droeg een pronkerige kris achter in den gordel en slofte voort op -goudbestikte sandalen. De anderen waren al even bepakt en bezakt met -kleur- en vormrijke voorwerpen. - -„Alles maar onder het bankje!” raadde Gerretje aan. - -„Goeie morrege!” zei Harmen. „Daar kan net m’n pijpie staan! En meer -niet.” - -„Nou”, meende Hilke, „dan nemen we de boel op schoot en brengen eerst -alles aan boord.” - -Zoo werd besloten. Harmen wipte op den bok, naast Gerretje; de anderen -gingen met de gekochte spullen binnen in den wagen zitten. En toen -alles goed was ondergebracht, nam Harmen z’n fiedel op en begon zoo -vurig te spelen, dat de paardjes er een gestrekten draf inzetten. - -„Kijk ze eens loopen!” zei Gerretje. „Ze zijn bang voor de muziek.” - -Achter in den wagen deelde Hajo zijn vriend Padde mee hoe hij zijn -schatten verdeelen zou. „De pop krijgt Antje; Maartje de waaier, en de -olifant is voor Doris. En die muilen geef ik aan m’n moeder! Zou het -echt goud zijn wat er op zit?” - -„Wat dacht jij dan?” vroeg Padde. En met een zucht liet hij er op -volgen: „Ik ben thuis met z’n tienen! En m’n ooms en tantes willen óók -wel wat hebben! Er eens kijken: voor Louwtje en Nelis en Heintje heb ik -wat; Margje krijgt dat poppetje. Vind je die doek niet mooi? Die is -voor m’n moeder voor ’s Zondags naar de kerk. En als ’t regent kan ze -er die paraplu nog bij opzetten,—wat zullen de lui kijken! Annetje -krijgt samen met Margje die pop, dan kunnen ze er om de beurt mee -spelen. Nou zit ik nog met Jan en Gijs! Als ik ze die dolk geef, -gebeuren er ongelukken.” - -Rolf had zwijgend, met afgewenden blik gezeten. Nu, keerde hij zich -bruusk om, duwde Padde een paar ivoren olifantjes in de hand. „Hier, -neem die maar, die..... die zullen ze wel leuk vinden!” - -Padde keek Rolf verbluft aan. „Dat meen je toch niet?” - -„Hier!” zei Rolf korzelig. „Neem dit poppetje maar mee voor..... voor -Annetje, dan hebben je zusjes er allebei een.” - -En hij trachtte den bevreemden blik der anderen te ontwijken. - -„Nou!!” riep Padde verblijd uit. „Daar boffen ze bij! Zeg, als je nou -toch aan het geven bent, heb je dan soms ook nog wat voor m’n ooms en -tantes?” - -„Padde!” berispte Hajo. - -„Nou, ’k maak immers maar een lolletje!” zei Padde. „Of denk je, dat ik -hem de spullen wil afhalen, die hij zelf gekocht heeft voor z’n..... -eh.” Padde zweeg opeens. - -De kar ratelde over de steenen, en de jongens werden dooreengeschud op -de houten banken. Harmen fiedelde onverdroten voort. - -Rolf was vuurrood geworden. - -„Ziezoo, jongens, we zijn er!” riep Gerretje. - -„Hoe komen we nou aan boord?” vroeg Hilke, z’n hoofd naar buiten -stekend. - -„Met een prauw! Daar ligt er al een met een zeil!” - -„En als de baas van het spul nou komt?” - -„Die komt niet”, zei Gerretje. „Laten Harmen en ik het zoodje maar even -aan boord brengen, want we kunnen niet met z’n allen in die smerige -prauw.—Leg die fiedel nou eindelijk eens af, Harmen!” - -Harmen staakte zijn spel, sprong de prauw in. - -Even later zeilden de beide janmaats weg naar de Nieuw-Zeeland. Harmen -fiedelde alweer. - -De anderen gingen een der warongs binnen, die aan de kade stonden, en -aten wat zoetigheden in pisangblad gevouwen. De zon gleed juist in zee -weg; de korte Indische schemering viel in. - - - -Het duurde wel een uur voor Gerretje en Harmen terugkeerden. Reeds van -verre klonk Harmen’s vioolspel weer over het water. De anderen -betaalden hun vertering en gingen naar buiten. - -De reede bood nu een aardigen aanblik. Overal werden prauwtjes -losgegooid; een paar inlanders sprongen er in, staken een flambouw op -de voorplecht en togen ter vischvangst. De weerschijn der lichten -hotsebotste over de golven. - -„Jongens, ik heb een nieuwtje!” riep Harmen al van uit de prauw. -„Gerretje heeft aangemonsterd bij de Bruinvisch!” - -„Dàt is nog eens verstandig!” prees Hilke. En de anderen lachten. - -„Vooruit, lig niet te zaniken!” gromde Gerretje, aan wal springend. „We -gaan naar de pasar malem!” - -„En m’n fiool gaat mee, jongens!” schreeuwde Harmen. „Bij kerremis -hoort muziek!” - -Opgewonden werkten allen zich weer in den wagen. Op naar de pasar -malem! - -Het was duister geworden; wel fonkelden al wat sterren, maar de maan -was nog in geen velden of wegen te bespeuren. De jongens reden de brug -weer over en toen de laan in van daarstraks. Hier, onder de hooge, -zware loofboomen was het zoo pikkedonker, dat je geen berm kon -onderscheiden. Maar verder op dansten de flambouwen van wandelende -winkeltjes, en op die licht-boeien stelde Gerretje zijn koers. Hij was -bij Harmen’s gefiedel gaan zingen, klapte met de zweep en gilde zijn -vreugde over zijn aanmonstering uit. „Hoei-oei-oei.....!” - -„Leve Gerretje!” brulde Harmen. - -„Hiep-hiep-hiep, hoera!!” riepen de anderen, en Gerretje zelf -schreeuwde het hardst. - -Zoo belandden ze bij de pasar malem. Ze staakten hun gezang toen het -marktgeroezemoes tot hen doordrong, en gluurden uit het rijtuig naar al -dat lichtgeflonker. - -„Zoo! Hier zullen we de kast meren!” stelde Gerretje voor. En toen de -kast gemeerd was, stapten allen uit en gingen de marktplaats op. Overal -tentjes, stalletjes met walmende oliepitjes en flambouwen, voorbij -schuivende gestalten in bonte baadjes en sarongs, grillige schaduwen -afwerpend naar drie, vier zijden tegelijk. Merkwaardig was, dat nergens -geschreeuwd of gezongen werd, of ruziegemaakt. De marktventers zaten -zwijgend, een strootje rookend, bij hun waren en spraken slechts eenige -woorden, wanneer een kooplustige bij hun stalletje bleef staan. „Wat -een dooie boel!” zuchtte Harmen. „’k Hoor nog geen draaimolen, ’k zie -geen paardespul,—niks.” - -Wacht, daar in de verte klonk lallend, brullend gezang. Janmaats! „Die -kant maar uit, jongens!” beval Harmen. Deze laatste had nog al bekijks, -met zijn roode fez, zijn kris en zijn viool. - -De jongens liepen door, vonden op het midden der marktplaats onder een -reusachtigen waringin het gezelschap zangers. Een kring Inlanders keek -meesmuilend toe. - -De maats brulden en tierden en klapten in de handen, en in hun midden -waren er twee aan het dansen met zonderlinge lichaamswendingen. - -„Schip ahoy!” schreeuwde Gerretje. „Wat halen jullie daar voor lol -uit?” - -„We zijn aan het dansen! Op z’n Javaansch! Heila, speel jij er eens wat -bij, zeg?” - -Harmen werd in hun midden geduwd, bij de „dansers”, en sloeg aan het -fiedelen. - -„Jongens!” schreeuwde Gerretje boven het gebrul en geloei der janmaats -uit, „Gerretje heeft weer aangemonsterd en centen zat!” En hij rammelde -met de pas ontvangen zilverstukken in zijn broekzak. - -„Leve Gerretje! Hoera!” brulde de schare. Een kreeg het met een -Inlander te kwaad, dien hij tegen het lijf viel. „Blauwe nikker!” -schold hij. „Ik zal je.....!” - -Hilke trok Rolf, Hajo en Padde met zich mee. „Laat ze schieten, -jongens, het wordt hier een bende. Ga met mij mee: daarginds kunnen we -ècht Javaansch zien dansen.” En Hilke ging voorop, wandelde als een -Goliath tusschen de klein gebouwde Inlanders en de lage tentjes door. - -De jongens verbaasden er zich over hoeveel verschillende rassen -Oosterlingen ze zagen. Bij een stalletje kochten ze een paar manggah’s -en dronken er groene limonade bij, vol glibbertjes. - -De inlanders waren in hun beste kleedij. Kinderen droegen zilveren -enkelbanden, en om de bruine vingertjes glansden ringen. De vrouwen -hadden heur zwart glanzend, geolied haar nog onberispelijker naar -achteren gekamd dan anders; de wrong lag nog sierlijker, bevalliger, en -er prijkten sneeuwwitte melati-bloempjes in, die een heerlijken, -sterken reuk verspreidden. De strak gevouwen hoofddoeken der mannen -stonden deftig op het bruine gelaat. Alom hing een zoete geur van -bloemen, lekkernijen, vruchten, vermengd met de lucht van kokerij, -visch, doerian en den walm der oliepitjes, die het geheel een -feestelijk, sprookjesachtig aanzien gaven. Boven al het gebabbel en -geroezemoes zegevierden daarginds Harmen’s vioolkunst en de zang der -janmaats. - -Zoo vonden de knapen de plaats waar gedanst werd, en wel een uur lang -staarden ze verwonderd, bevangen en droomend naar de wonderlijke -bewegingen der „ronggengs” (Javaansche danseressen). Zoo zouden ze hun -heele leven wel willen zien dansen. Wat een mooi, gouden helmpje droeg -die eene,—dat was zeker een koningin.....! Langzaam-aan wenden de -jongens ook aan het schijnbaar zoo eentonig tokkelen der gamelang; ze -voelden, dat de muziek één was met den dans, en dat de danseressen bij -elk nieuw wijsje weer andere wondermooie figuren tooverden..... - -Ze zagen dien avond ook nog een tooneelvoorstelling met poppen, die -grappige gezichten hadden en wonderlijk dunne armen, en er zat iemand -bij, die alles vertelde. Hu! dat was de duivel zeker! En dat daar de -koning! Jammer, dat ze haast niets verstonden! - -En van de „wajang-wong” dwaalden de jongens naar een plaats waar een -hanen-gevecht gehouden werd. Driftig, de borstveeren opgezet tot gouden -kurassen, vlogen de dieren tegen elkaar op en brachten elkaar bloedige -wonden toe met de stalen sporen, die men hun had aangebonden. Zwijgend -zaten de Inlanders toe te zien; er lagen hoopjes zilver bij, die er op -duidden, dat op de hanen werd gewed. - -De jongens voelden zich door het wreede spel afgestooten en gingen weer -verder. Wat was dit toch voor een eigenaardig volk, dat zooveel -beschaving te paren wist aan zoo laaghartige neigingen. - -Het was laat geworden, en onze vrienden besloten huiswaarts te keeren. -Bij tweeën, Hilke en Padde voorop, en achteraan Hajo en Rolf, -slenterden ze door de breede laan met de boomen. Nu en dan wandelde hun -in soepelen, snellen gang een lastdrager voorbij met een flambouw aan -zijn mand, schuw nog even naar hen omziend. - -„Nu, Hajo”, zei Rolf plotseling, „over een paar dagen is het -afgeloopen.....” - -Hajo haalde diep adem en keek naar boven, waar tusschen de boomtoppen -door de sterren fonkelden. Toen zei hij: „Rolf, ik weet niet, of ik je -ooit nog terugzie, maar vergeten zal ik je nooit! Jij bent..... jij -bent.....” Hajo kon niet meer uit z’n woorden komen. „Jij bent.....” - -„Een pennelikker”, zei Rolf met een half ondeugenden, half droevigen -glimlach. - -Hajo begon te snikken en omklemde Rolf’s arm. - -„Stil maar”, zei Rolf. „Als jij hier over een paar jaar weer terugbent -in Indië, monsteren we nog op hetzelfde schip aan en zeilen samen weer -naar Holland terug. Dat zal leuk zijn, hè?” - -„Nou.....!” - -„En dan ga ik op een scheepstimmerwerf werken; dat heb ik altijd al -gewild.” - -„Ja”, zei Hajo, „dat weet ik nog van toen, op de Italiaansche -Zeedijk.....! Had je toen wel gedacht, dat we nog eens zulke dikke -vrienden zouden worden?” - -Rolf knikte. „Ik zag je en meteen mocht ik je al lijden. Als ik je een -lamme vent gevonden had, zou ik je met vechten toen heel anders hebben -aangepakt. En Padde vond ik ook al dadelijk zoo’n gezellige sukkel. -Toen wij nog zouden gaan vechten, droeg hij m’n emmertje met bot al!” - -„Zeg, Rolf”, zei Hajo en kneep Rolf’s arm. „Misschien..... misschien -word ik nog wel eens stuurman” (Hajo sprak het woord haastig uit) „op -een schip, waarop jij schipper bent!” - -„Of jij wordt nog eens schipper op een schuit, die ik gebouwd heb! Ik -zal vast eens een model voor je uitzoeken. En als ik geen model vind, -dat me bevalt, ontwerp ik er zelf een.” - -Hajo was blijven staan. „Méén je dat, Rolf.....?” stamelde hij. „Zou ik -nog wel eens..... nog wel eens schipper kunnen worden?” - -„Waarom niet?” vroeg Rolf. „Als je maar aanpakt! Kijk zoo’n Bruinvisch -nou eens aan. Zou jij niet kunnen leeren wat hij geleerd heeft?” - -„Rolf.....?!” - -De jongens zwegen; Hajo moest nog eens rijpelijk overdenken wat Rolf -gezegd had. Hij, Peter Hajo, zou nog eens schipper kunnen worden?! -Schipper met een opper- en een onderstuurman, een bootsman onder zich? -Een eigen schip hebben, een eigen schip met een bemanning?! - -Schipper Hajo..... hoe zoet klonk het.—Daarvoor moest gewerkt worden. -Hard gewerkt, jaren lang. Welnu! Hajo zou werken, de tanden opeen. Hij -zou lezen en schrijven leeren, hij zou het eene boek na het andere -verslinden, regel na regel, tot hij het van buiten kende. Hij zou over -sterrenkaarten gebogen zitten, avond aan avond, tot er geen olie meer -in de lamp was; ’s nachts in bed zou hij berekeningen maken; hij zou -naar Zaandam loopen en naar Amsterdam, waar de groote scheepswerven -waren; hij zou wachten tot hij een man was en dan zijn baard laten -staan, net als schipper Bontekoe; nu, op deze reis al, zou hij op een -prik trachten uit te visschen wat de Bruinvisch zoo dagelijks deed,—of -het erg moeilijk was, schipper zijn..... - -Daar klonk in de verte Harmen’s fiedel weer. De jongens keken om en -zagen den wagen aankomen, die geducht zwaaide, naar het licht op den -bok te oordeelen. En toen de oomes weer bij Harmen’s gefiedel -instemden, hoorden de jongens, dat de arak het gewonnen had. - -„Zoometeen kantelen ze nog!” zei Rolf.—Daar leek het werkelijk veel op: -de wagen slingerde van den eenen wegberm tegen den anderen. - -„En m’n centen zijn op,—dat is me een strop! En m’n centen ben ik -kwijt,—wat een narigheid!” zong Gerretje boven allen uit. - -De jongens gingen eerbiedig een weinig terzijde. Gerretje klapte met de -zweep; Harmen zat naast hem te fiedelen. Binnenin lag de een bij den -ander op schoot; het was een wonder, dat de bodem het uithield. En een -der maats had zich achterste voren op een rossinant geslingerd, steunde -zich op den anderen paardenrug om niet te vallen en schreeuwde: „Hou -op! Ik val er af!” - -Maar Gerretje luisterde niet naar de smeekbeden van den onervaren -ruiter en zong onverdroten voort, dat zijn aanmonsteringscenten op -waren en dat hij dat zoo’n strop vond. En daarbij klapte hij lustig met -de zweep. - -Harmen merkte de jongens aan den wegkant op. „Oh, mannen, daar hebben -jullie de twee stuurlui ook!” De anderen letten niet zoo op de jongens, -maar, Hilke ontdekkend, riepen ze: „Kom er ook in, Hilke! Plaats zat!” - -Hilke wees het aanbod af. „Ik loop liever. Wachten jullie bij de -sloep?” - -„Ja, we zullen wachten!” schreeuwde Harmen en fiedelde weer voort. Zoo -zwaaide de wagen den weg af, tot ze bij een bocht uit het oog verdween. - -Hajo was uit zijn droom wakker geschud. „Wat heeft Harmen opeens?” - -„Harmen is jaloersch op die brief, die m’n oom je heeft meegegeven”, -zei Rolf. „Gisterenavond kwam hij bij me en vroeg, of lezen en -schrijven moeilijker dan vioolspelen was. Als het niet moeilijker was, -wou hij het leeren.” - -„En wat heb je gezegd?” - -„Dat, als hij net zoo goed kon lezen en schrijven, als hij nu viool -speelt,—hij er nog geen laars van kon. Toen was hij boos.” - -„Vind jij dan niet, dat hij erg mooi speelt?” vroeg Hajo verbaasd. - -Rolf glimlachte. „Gaat nog al. In de buitenlucht is het niet zoo -hinderlijk als binnen.” - -„Van die begrafenis is toch wel mooi.....” aarzelde Hajo. - -„’t Is er ten minste treurig genoeg voor”, zei Rolf. - -De jongens belandden bij de kade, waar de anderen reeds in de sloep -zaten en den tijd verdreven door in het bootje zoo heen en weer te -schommelen, dat het telkens water schepte. Boven stond de verlaten -wagen; de paardjes leunden droevig en slaperig tegen elkaar. Toewan -Gerretje had geen lust meer om ze thuis te brengen..... - -„Span ze dan ten minste uit!” gromde Rolf en bevrijdde de dieren van -het tuig. De paardjes maakten er een dankbaar gebruik van door terstond -weg te sukkelen, vermoedelijk naar hun stal..... - -„Wel verduiveld!” schold Gerretje met dubbele tong. „Daar lóópen ze, de -knollen! En als ik nou m-morgenochtend aan wal ga, zijn ze w-weg!” -Meteen plofte Gerretje weer om door het geschommel der anderen. Allen -gierden van de pret. - -„Hou nou op met dat schommelen!” mopperde Hilke. „Zoometeen kantelen we -nog.” - -„Juist lollig!” schreeuwden de maats. „D-dan zwemmen... hik! zwemmen we -wat!” - -„Je weet zeker niet, dat het hier vol haaien zit?” vroeg Rolf. - -„Jij bent zelf een haai!” schreeuwde Gerretje. „Wat doe je met je -vingers aan die k-knollen? Zijn die van jou, of zijn ze van..... hik! -van toewan Gerretje?” - -Rolf gooide samen met Hilke de sloep los. „Ziezoo, ga jij daar eens -weg: ik zal het roer wel nemen.” - -„Neen!” protesteerde de maat. „Ik hou het roer vast! Ik wil het roer -vasthouden!” En hij nam den roerstok als een zuigeling in zijn handen. - -„Laat los!” beval Rolf. - -„Waarom? Waarom zou ik het roer niet houden?” - -„Omdat je stomdronken bent.” - -„Wat?! Ik dronken? Ben ik dronken, jongens? Ik b-ben heelemaal niet -d-dronken!” - -„Laat maar los, Piet!” zei Harmen sarrend en schommelde heen en weer. -„We hebben nou twee stuurlui aan boord!” - -„Schei uit met dat schommelen!” riep Rolf driftig. „Of ik sla er op, -begrepen?” - -„Ja, schei uit, jongens! De stuurman vindt het ommers niet goed!” -treiterde Harmen. - -„Hou op met dat sarren, Harmen!” gromde Hilke. Hajo kookte van binnen. - -„Wat: stuurman?” vroeg een schommelende maat. „Wáár is een stuurman?” - -Harmen wees op Rolf. „Hij daar, de boekenwurm! Die is te fijn om met -gewone jongens in een sloep te zitten!” - -Rolf keek Harmen met verbeten drift aan. Harmen trok een leelijk -gezicht tegen hem. - -„Kom, gooi het zeil nou eens uit!” zei Hilke, geërgerd. - -„Dat mag je niet doen! Dat moet je eerst aan de stuurman vragen!” riep -Harmen. - -Rolf stond op. „Ik heb jullie niet noodig”, zei hij met trillende -lippen. „Ik zal zoo wel aan boord komen!” En meteen sprong hij het -water in, kwam weer boven en zwom van de kade weg, in de richting van -de lichtjes, daar ver in zee. - -Verbluft waren de maats. Zoo verbluft, dat ze nog niet begrepen wat er -gebeurd was, toen het boord van de sloep voor de tweede maal -neergedrukt werd en nog een jongenslichaam het water inplonsde. - -„Hajo.....!” schreeuwde Padde ontzet. - -Toen kregen Harmen en Hilke hun bezinning terug. De eerste legde zijn -viool neer, nam een roeispaan op, die in de sloep lag, en duwde van den -kant af. Hilke gooide het zeil los.—En vijf minuten later waren de -drenkelingen aan boord geheschen. - -Padde jammerde in één toon voort. „Zijn jullie nou razend? Rolf zei -immers zoo net nog, dat het water hier vol haaien zit.....!” - -Harmen keek met afgewend gelaat voor zich uit naar de Nieuw-Zeeland, -wier lichten steeds grooter werden. In fiedelen had hij geen lust meer. - -Rolf zat met druipende kleeren op een bankje, zwijgend, het hoofd diep -gebukt. - -Hajo schreide. En Hilke hield het stuur. - -Na eenig zwijgen herinnerde Gerretje zich weer, dat zijn centen op -waren en dat dit zoo’n strop was, en hij deelde het zingend iedereen -mee, die het maar hooren wilde. - -Zoo legde de sloep zich langszij van de Nieuw-Zeeland, en de maats -klauterden aan boord. Geen van hen viel den valreep af. Want zooveel -arak kan een Hollandsche janmaat niet door zijn keelgat gieten, dat hij -een touw loslaat, als hij het eenmaal in z’n handen heeft. Harmen -werkte zich op een onbegrijpelijke manier met Joppie èn z’n fiool naar -boven. - - - -Zwijgend trokken Hajo en Rolf dien avond hun natte kleeren uit en -gingen ter kooie. De meeste maats sliepen al. - -Harmen was dien avond gaan slapen zonder een mensch goeden nacht te -wenschen. Hij woelde geducht, en onverwachts stond hij in zijn -onderbroek voor Rolf’s kooi. - -„Ik kom je zeggen.....” zei hij, moeilijk ademhalend, „dat het me -spijt. ’k Heb het niet zoo kwaad gemeend, als jullie dacht, hoor. ’k -Ben ook niet nijdig op je, dat jij zoo knap bent, neen, ik was nijdig -op je, omdat ik zoo stom ben. Snap je?” - -„Waarom zou jij dom zijn?” vroeg Rolf. - -„Ik??” zei Harmen verbaasd. „Ik ben zoo stom als een kokosnoot! Waarom -geeft de schipper Hajo wèl een brief mee en mij niet? Omdat de schipper -denkt: Laat Harremen maar wat krassen voor de maats, daar.....” Harmen -snikte eensklaps, „..... daar is ie goed voor.—Afijn”, Harmen veegde -zijn tranen weg, „zoolang ik m’n fiool maar heb, is er met Harremen -niks aan ’t handje. Maar dan moet je niet zeggen, dat ik óók geen fiool -kan spelen!” - -Rolf glimlachte weer. „Als ik het maar eerst zoo kon als jij, zou ik al -blij zijn, hoor!” - -„’t Is niet gemakkelijk!” verzekerde Harmen. „Nietwaar, Hajo? Dat van -die begraffenis is verduiveld moeilijk!” - -Zoo was de vrede weer gesloten. Harmen ging nog niet dadelijk weer zijn -kooi in; hij sleepte de schatten, die hij vandaag had ingekocht, -bijeen, liet zijn viool nog eens bewonderen, toonde, dat er nog nergens -een barst in zat. - -En Padde toonde zijn schatten, verdeelde ze nog eens opnieuw. En Rolf -voelde zich blij, dat Padde’s broertjes en zusjes zoo blij zouden zijn -met wat Rolf Padde voor hen gegeven had. Al die mooie dingen waren zoo -mal in hun grove knuisten; het was net, of het sprookjesachtige er nu -af was, dat hun zoo bekoord had, toen ze ze in het halfduister van dat -eigenaardig geurende winkeltje hadden zien liggen te midden van duizend -andere vreemde dingen. In de matgele handen van dien Oosterling hoorden -ze thuis..... - -Nu, in Holland zouden ze alles wel mooi vinden. Als het maar uit Indië -kwam! - -„Ruik dat hout eens?” vroeg Padde, zijn vrienden den waaier reikend. - -„Lekker!” zeiden de anderen. - -En Harmen vulde zijn waterpijp, stopte er tabak in en rookte als een -echte Arabier: met gekruiste beenen! Alle jongens deden een trekje, en -de slapende maats gromden, dat ze niet zoo ginnegappen moesten, als een -ander mensch mafte. - -Maar de jongens waren traag in het scheiden. - -Een lange, lange scheiding stond hun nog te wachten. Nietwaar.....? - - - - - - - - -DE THUISKOMST - - -Den achtsten Maart van het jaar 1620 lichtte de Nieuw-Zeeland de -ankers, en den acht-en-twintigsten December van hetzelfde jaar liet zij -ze na een gunstige reis weer vallen op de zandige reede van Vlissingen. - -Met tranen in de oogen hadden onze vrienden Rolf vaarwel gewuifd, toen -een ferme Zuid-Oostenwind de zeilen bollen deed en de Nieuw-Zeeland -statig voortdreef van Java’s groene kust, en met tranen in de oogen -hadden ze den acht-en-twintigsten December in den vroegen morgen, -rillend van kou, in den grijzen nevel de duinen van Walcheren zien -schemeren. Daar stonden ze bij elkaar, den kraag van hun duffelsche -hoog opgezet, de handen en de polsen in den broekzak, Hajo en Harmen en -Hilke en Gerretje en Padde en honderd andere maats en zwetsten allen -dooreen en woven en schreeuwden, of bliezen zich in de handen. - -Zie, daar lag Vlissingen met zijn roode daakjes en zijn stompen toren, -waar de vlag uithing, omdat er een Oostinjevaarder, de Nieuw-Zeeland, -uit het verre menschenetersland was binnengeloopen, de ruimen vol -peper, kruidnagelen, koffie, tabak! Nu liep alles van de werkplaats -weg, de smid nog zwart van het roet, de bakker witbestoven, de -timmerman met zijn schaaf in de hand, en door de kleine vensters der -havenkantoren gluurden de klerken, kauwend op hun ganzeveeren. De -reeder, deftig in het zwart, met witten kraag en handschoenen, -vergezeld door de heeren van het kantoor, nam waardig in zijn sloep -plaats om zich aan boord te laten roeien. - -En de kwajongens? Nee, maar, de kwajongens! Alom klapperden hun -klompjes over de keien; ze kropen onder karren en paarden door, de -rakkers; ze baanden zich met de ellebogen een weg door de menschen en -voeren in volgepropte bootjes hals-over-kop naar den Oostinjevaarder. - -Grinnikend hingen de maats over de balie, zagen toe, welke van de -benden kleine zeeroovers met de lauweren zou gaan strijken: het eerst -bij den Oostinjevaarder te zijn aangekomen, het eerst hoera! -geschreeuwd te hebben, met de mutsen gezwaaid en gevraagd te hebben: -„Goeie reis gehad? Gooi eens wat Indisch naar beneden?” Daarvoor doken -ze desnoods in het ijskoude water, de bengels, die nu, trekkend aan de -riemen als dollemannen, naderbij kwamen. En daarginds, aan de kade! Zie -eens, wat een volk er toeliep! En wat een vlaggen er nu fonkelden in de -klare zon! - -Ja, jongens, ze waren weer in hun bovenste beste kikkerlandje! En al -die vlaggen, al dat volk, al die opwinding was voor hen! - -Of ze weer terug wilden naar de Oost? Voorloopig had niemand er trek -in! Nu, ja, ze kenden zichzelf wel: als ze weer een maand lang gehokt -hadden, met een pijp en een kop koffie bij den haard, en zoo lang over -hun reizen hadden opgesneden, dat ze zelf niet meer wisten, wat waar -gebeurd en wat gelogen was, en ze in hun verhalen vastraakten, zoodat -niemand hen meer geloofde; wanneer de volle zak gage, die ze meekregen, -een leege zak geworden was, dan werden ze sagrijnig, dan luisterden ze -naar het gezellig jammeren van den wind in de schouw, dan kregen ze -verlangst naar het vooronder en hun kameraden, dan gingen ze zoo er -eens naar de zee kijken, hoewel ze een maand geleden hadden gezworen, -haar nooit weer terug te willen zien, omdat ze ’t zoute water nou wel -zat waren, en..... verdikkoppe! een week later hadden ze weer -aangemonsterd voor Jan Oost. - - - -Maar nu de ankerpalen ratelden, zat de vreugde hun nog tot boven in de -keel. Straks zouden ze afmonsteren en, den zak vol blinkende daalders, -op den wal staan met hun aapjes en papegaaien, die, sinds het koud was, -in omwonden kooien in de kombuis hingen. Daar hongen ze lekker warm! - -Ook Joppie hokte in de kombuis, stelde niet het allergeringste belang -in Walcheren, Vlissingen, of in iets anders, dat koud was. - -Op het water krioelde het al van roeibootjes vol kwajongens, die hun -nek pijnigden met het naar boven kijken. „Hé, Lange!” schreeuwden ze -omhoog, „spreek jij eens Maleisch? Of ken je het niet eens?” - -„Papperalapoetje!” schreeuwde de „Lange” omlaag. - -De jongens rolden de boot haast uit van het lachen. „Nou, en wat -beteekent dat nou?” - -„Dat zeggen ze altijd, als ze je villen!” lichtte de „Lange” toe. - -Nieuw gegrinnik. „Nou, als ze jou zouden villen, hadden ze een heele -lap, zeg!” roept er een. „Papperalapoetje—Pas maar op je hoedje!” Alles -daar beneden giert van het lachen over dezen geestigen zet. - - - -Twee uur later begon de afmonstering. Harmen kwam in de kombuis, pakte -Joppie in zijn nekvel en schaarde zich in de rij wachtenden voor de -kajuit. - -„Wat moet dat?” jammerde Joppie, bibberend over al zijn leden. - -„We gaan afmonsteren, Joppie”, zei Harmen. - -En zoo kwamen de jongens aan de beurt en schoven met z’n drieën de -kajuit in; Joppie ook,—verdekt achter Harmens rug. - -Of de Bruinvisch tevreden was over zijn scheepsjongens? Eerst wendde -hij zich tot Harmen. „Jij gaat de volgende reis weer mee!” - -„Ik ga niet meer varen”, zei Harmen. - -„Dan ken ik je beter, dan je jezelf kent”, meende de Bruinvisch. - -„Nou”, zei Harmen, „ik zal een bruinvisch wezen, als ik me ooit weer op -zoo’n smerige Oostinjevaarder laat aanmonsteren.” - -Er was even stilte in de kajuit. De Bruinvisch keek met vervaarlijke -oogen naar Harmen’s gelaat, waarop niets dan bittere ernst te lezen -stond. „Hier! Neem je gage!” bulderde de Bruinvisch. - -„Dankje, schipper”, zei Harmen onderdanig. Om het geld te kunnen -opstrijken, moest hij Joppie loslaten. Dit wakkere dier zwikte op zijn -vier pooten door, ontwaarde den opgezetten tijger en zette alle haren -steil overeind. - -De Bruinvisch liet z’n oogen rollen. „Wat moet die hond hier in de -kajuit?!” - -„Afmonsteren en z’n gage halen”, verklaarde Harmen. En toen kon hij -zich opeens niet meer goed houden, begon te grinniken, streek haastig -het geld op en liet het in zijn broekzak glijden. „Nou, dag, schipper! -’t Ga je goed!” En Harmen verliet met bekwamen spoed de kajuit. Joppie -achter hem aan, den staart tusschen de pooten. - -De Bruinvisch hapte naar adem. „Nu jij!” wendde hij zich barsch tot -Hajo. „Ik zal je brief afgeven in Amsterdam en er nog een woordje bij -doen. Waar moet je heen? Naar Hoorn? Nou, dan ben je niet zoo ver af. -Hier is m’n adres, zie je, dat heb ik voor je opgeschreven! En Maandag -over een week kom je bij me, dan neem ik je mee naar de heeren van de -Compagnie. Begrepen?” - -Of Hajo het begrepen had! - -„Hoe ga je nu naar Hoorn? Loopen?” - -„Ja, schipper. Maar Harmen zei....” - -„Harmen?! Vraag ik je, wat Harmen zei? Je kunt tot Dordrecht met de jol -gaan,—die is voor het volk, dat die kant uit moet. En verder loop je -maar, dat is gezond. En laat je onderweg je geld niet afstelen: een -landrot is nooit te vertrouwen! Hier is ’t. Met wat je in bewaring hebt -gegeven, drie-en-zeventig gulden.—En nou jij!” Dat was tegen Padde. -„Waarom schipper Bontekoe jou nog apart heeft aangemonsterd, zal me -eeuwig een raadsel blijven. Weet je, wat jij bent? Een nietsnut! Een -landrot!” - -„Nou, ik wou ook nooit varen!” zei Padde, woest. „Ik wou bij m’n oom in -de brouwerij!” - -De Bruinvisch keek hem verbaasd aan. „En waarom ben je dan naar -Oostinje gegaan?” - -„Ik heb..... ik heb me verslapen!” - -„Hè??—Nou, dat je een slaapkop bent, heb ik gemerkt. Hier is je geld. -Vier-en-zestig guldens. Negen-en-dertig plus zeven-en-twintig.....” - -„Is zes-en-zestig en niet vier-en-zestig”, merkte Padde op. „Twee -gulden te min!” - -„Wat?!” De Bruinvisch sloeg aan het rekenen en bevond, dat Padde gelijk -had. „Hier dan!” pruttelde hij, z’n lade openend en nog twee gulden op -tafel werpend. „’k Dacht net, dat m’n boeken nu eindelijk klopten.....” - -Even later stonden de jongens buiten. „Daar wou hij me eventjes twee -guldens afvangen!” zei Padde verontwaardigd. „’k Zou er anders niks van -zeggen, maar die schippers verdienen genoeg! Nietwaar, Harmen?” - -„Nou!” viel Harmen hem bij. „De Bruinvisch krijgt meer gage dan wij met -z’n drieën, en hij heeft er niet half zooveel voor gedaan!” - - - -’s Middags voer de jol weg. Dat gaf me een afscheid tusschen de oomes! -Er vloeiden tranen..... emmers vol! Allen wisten, dat ze elkaar binnen -enkele weken weer terug zouden zien. Maar ze namen afscheid voor eeuwig -en wuifden, zoolang ze maar een muts konden zwaaien. - -De wind zat pal in het Noorden, zoodat de jol tusschen Walcheren en -Zuid-Beveland geducht laveeren moest. En het was zoo ijzig koud op het -water, dat allen in de holte van de boot dicht bijeen gingen zitten, ’n -zeiltje over de boorden gespannen. Tegen donker meerden ze de jol aan -den Zuiderdijk van Noord-Beveland, waar een boerendak opdook. Ze -klauterden met stijve beenen, slapende voeten en verkleumde vingers en -teenen tegen den dijk op en kropen allen bijeen op den warmen -hooizolder, die hun door den boer bereidwillig werd afgestaan. - -„Waar komen jullie weg?” vroeg de boer, hun met een kaars -voorgaand,—het laddertje op naar den zolder. - -„Van Batavia”, zei Padde. - -„Waar legt dat?” - -„Vlakbij, als je d’r eenmaal bent”, lichtte Harmen hem in. - -„Kom, Joppie!” En Joppie werd voor de zooveelste maal in z’n nekvel -gepakt. - -„Moet die hond mee op zolder??” vroeg de boer. - -„Waarachtig!” zei Harmen. „Die heeft al meer gezien dan vijftig -boerenkaaskoppen.” - -„Nou, ’t is een leelijk mormel”, gromde de boer. - -„Zeg hem dat eens in ’t Maleisch”, zei Harmen. „Dan vliegt ie je naar -de kuiten.” - -Toen waren allen boven; de boer klapte het luik dicht en trok de ladder -weg, zoodat de mannen opgesloten zaten. - -„Hij vertrouwt ons voor geen pruim tabak!” meende een oome. - -„Zou hier geen kippetje te graaien zijn voor Ouwejaarsavond?” vroeg -Gerretje, tastend langs de hanebalken. Daar fladderde een haan luid -kakelend weg. „Wat een mormel!” schold Gerretje. „Hij heeft me gepikt!” - -Hè, het was lekker warm hier op zolder! Zelfs Joppie ontdooide. De -mannen rolden zich in het hooi, genoten nog eens volop van het -bewustzijn, weer in hun eigen lief landje te zijn. Thuis moesten ze -weten, dat de jongens al weer binnen waren! Hoe zou het thuis zijn? -Toch alles goed? Een kleine ongerustheid, die in hun ziel sloop, werd -er weer uitgebezemd. En even later snurkten allen zoo, dat de boer en -zijn vrouw verbaasd hun neuzen boven de dekens uitstaken en zich -afvroegen, waarom de varkens vannacht zoo rumoerig zouden zijn. Biggen -op komst....? - -Al vroeg werden de janmaats weer wakker door het gekakel van een kip, -die wijd en zijd verkondde, dat ze, hoewel het winter was, voor den -boer toch nog een eitje had gelegd. Gerretje brak het open en dronk het -leeg. „Nog warm!” Anderen morrelden aan het luik, maar het zat van -onderen vast. Eindelijk kwam de boer en opende het. - -„Ook goeie morgen!” wenschten de maats het slaapdronken hoofd met de -bonte nachtmuts toe. - -„Wat zijn jullie vroeg!” mopperde de boer. „’t Is nog zoo koud!” - -„Heeft het gevroren?” - -„Nou! De pomp zal wel vastgevroren zijn!” - -„Heb je dan soms een bakkie heete koffie voor ons?” - -De boer gromde wat. „Kom nou maar eerst beneden!” - -„Die groote, witte kip heeft een ei gelegd”, zei Gerretje onder het -afdalen. - -„Ja. Dat is een beste!” knorde de boer, tevreden. „’k Zal het straks -wel halen.—Wat hebben jullie in die kooien?” - -„Jonge leeuwen”, lichtte Gerretje in. - -„Nou, jullie maakt er wat van!” grinnikte de boer. - -„Heb je niks te bikken, Hannes?” vroeg Harmen hem. - -„’k Heb nog wel een homp brood voor je”, zei de boer. „Die wou ik aan -de varkens geven, omdat ie zoo hard is.” - -Even later zaten allen te kauwen op het keiharde brood.—De vrouw van -den boer kwam ook, een norsch, dik wijf in nachtmuts en onderrok, en -ging zonder groeten koffie zetten, blazend in het vuur, alsof ze den -heelen oven wilde wegblazen en haar man en zijn gasten er bij. Op de -hoffelijkheden der galante oomes zei ze geen boe of ba. De boer was in -den stal gegaan. - -De koffie bleek slap te zijn en niet van de beste soort, maar warm was -ze,—dat scheelde al veel. Er waren maar twee koppen, zoodat de janmaats -ze maar lieten rondgaan. - -De boer kwam uit den stal terug en begon een lang verhaal over een koe -op te disschen, die hij van ’t voorjaar gekocht en van het najaar weer -verkocht had en waarop hij zoo’n schade had geleden. En dan had het van -het voorjaar zoo weinig geregend, en hij had den heeren van het -Waterschap eens even de waarheid gezegd, en hij had ook een neef bij de -Secretarie, en z’n wijf was zoo best, nooit ziek of zoo, en zijn zeug -had dertien biggen gekregen, waarvan hij er een verdronken had, omdat -dertien een ongeluksgetal was..... - -De oomes lieten hem zwammen, tot ze allen hun bakje koffie hadden -leeggelurkt. Toen stonden ze op. „Nou, Hannes”, zei Harmen en stak den -boer de hand toe. „Bedankt voor je rot-koffie, hoor!” - -De boer grinnikte. „Goeie reis!” - -„Vergeet je dat eitje niet van de zolder te halen?” riep Gerretje. - -„’k Zal er temet om gaan”, antwoordde de boer. - -En de janmaats staken weer van wal. Alles was in grijze morgennevelen -gehuld. De wind zat nog even beroerd in het Noorden en blies vinnig de -nevelen over het water, zoodat de maats roode oorlelletjes en -neuspunten kregen. Ze staken de breede Oosterschelde over. In het -midden was het zoo duivelsch koud, dat je adem bevroren op je lippen -sloeg. Joppie lag rillend in Harmen’s armen; de kooien met aapjes waren -in het bergplaatsje voor de proviand neergezet.—Nu zeilden de maats -tusschen Duiveland en Tholen het Mastgat in, de Zijpe door, toen om -Overflakkee het Volkerak door in het Hollandsch Diep. - -Bij de Dordtsche Kil wachtte hun een teleurstelling: het water was -bevroren. Tegen loopen zagen ze niet op, maar hoe moesten ze met hun -kisten aan? Ze meerden de jol voor een herberg en bespraken de zaak bij -een kroes warmen, Spaanschen wijn. - -„Ik wil jullie m’n slee wel verkoopen”, zei de waard, een leelijke, -schele kerel. - -„Is het ijs dan sterk genoeg?” - -„Daarstraks is er nog een op schaatsen uit Rotterdam gekomen”, zei de -waard. - -„Laat kijken je slee!” In optocht volgde het heele stelletje den waard, -die hun in een schuurtje een groote, groene bak-slee aanwees. - -„Wat moet die ouwe waschbak nog opbrengen?” vroeg Harmen. - -„’n Daalder.” - -„Je bedoelt zeker, als we jou en je heele kroeg er bij koopen?” - -De waard haalde de schouders op. „Niemand dwingt je, die slee te -koopen. Ik wil hem voor minder niet kwijt. Jullie kunt er je heele -rommel in laden!” - -„Vooruit!” zei Hilke. „Hij is gekocht!” - -Harmen pruttelde nog wat. „Afijn!” zei hij. „Weet je je wat, jongens? -Ik ga naar Dordt en zie in een oud roest-zaakje schaatsen op te -scharrelen. Dan trekken we de slee!—Hé, afzetter, leen me je schaatsen -even naar Dordt: ’k ben zóó weerom.” - -Grommend ging de waard de schuur weer in en gaf Harmen een paar -verroeste schaatsen. Harmen schoot ze, zuchtend van lol, aan, holde er -mee weg en sprong op het ijs. Daar maakte hij, om te toonen, dat hij -het schaatsen nog niet verleerd had, een kuitenflikker en begon toen -met ver naar voren gebogen rug, de handen in de zakken, tegen den wind -op te werken in de richting Dordrecht. - -De anderen gingen de herberg weer in, dronken nog een kroes wijn tegen -de kou. Ze werden doezelig en kregen slaap. De schemering viel alweer -in. - -„We moeten hier maffen”, meende Gerretje. „Of heeft er iemand lust, -vannacht in een wak te rijden?” Hij keek rond, maar toen er geen -liefhebbers voor het wak bleken te zijn, sloeg hij met den waard aan -het onderhandelen over den logiesprijs. Voor acht stuiver den man met -avondeten er bij en nog een „flapkanne” Spaanschen wijn werd de zaak -ten slotte beklonken. - -Tegen donker kwam Harmen weer aanscheren, een bos schaatsen over den -rug. „Daar word je lekker warm van!” riep hij, terwijl hij den dijk -opkrabbelde. En met zijn schaatsen nog aan de voeten sjouwde hij de -gelagkamer binnen. „’t Moet vannacht nog maar wat vriezen, jongens, -want ’t ijs kraakt als de weerlicht, en ’k heb er twee zien -doorzakken!” - -Terwijl de maats de schaatsen verdeelden en de roestige ijzers wat -aanzetten op den met zand bestrooiden vloer, kwam de waard met een -dampende pan watergruwelen aanzetten. - -Dat smaakte! De maats slobberden, als hadden ze een week gevast. - -„Je hebt ’t hem vlug gelapt, Harmen!” prees Gerretje. „Wat heb je nou -nog voor dat oud roest betaald?” - -„Oud roest?” vroeg Harmen beleedigd. „Als je een beetje rijden kunt, -heb je er het roest in twee slagen af. ’k Heb er drie stuivers per stuk -voor betaald.” - -„Toe maar, het kan niet op!” meende een zuinige oome. - -„Nou, je hoeft ze me niet weer af te koopen”, zei Harmen. „Loop jij dan -maar, als je dat liever doet.” - -„Kom!” susten de anderen. „Als jullie deining wilt maken, maak dan -deining tegen een landrot, dan doen we allemaal mee!” - -’s Avonds, bij de schouw nog wat gezelsend, speldden ze den boeren uit -den omtrek de meest gewaagde avonturen op de mouw. Toen de boeren laat -in den avond met een stuk in hun kraag huiswaarts keerden, duizelde het -hun zoo van tijgers, krokodillen, reuze-slangen en menscheneters, dat -er twee arm aan arm een sloot intuimelden. - -Gelukkig lag er keihard ijs op. - - - -Bij hanegekraai zaten de maats al in het beijzelde riet hun schaatsen -aan te binden. En met een homp brood in den tintelenden knuist reden ze -er op los,—een touw om het middel, waarmee ze de slee voorttrokken, die -als een veertje over het ijs vloog. Padde zat er met Joppie bibberend -in: voor hen had Harmen geen schaatsen meegebracht. - -Of het vannacht gevroren had! Het ijs was pikzwart met witte munten er -in. Als een wervelwind joeg het groepje janmaats voort, en bij de -eerste bocht zwaaide de slee al zoowat tegen de knoestige wilgen aan -den oever. Joppie’s haren rezen te berge, en Padde, wiens groen-blauw -gelaat van schrik paars werd, schreeuwde: „Heila! Kalm aan wat!” - -Maar de janmaats hoorden niets. Wat werden ze al lekker warm! Hoe -langer hoe doller ging het. - -In een klein half uur hadden ze Dordrecht bereden. Ze kochten een paar -versche brooden, warm uit den oven, en togen kauwend verder,—nu in de -richting Rotterdam. Bij den IJssel zwaaiden ze rechts om, en nog voor -den middag waren ze bij Gouda. - -Het was een prachtige, zonnige vriesdag, en op de Gouwe krioelde het -van de schaatsers.—„Hoe-oe!” schreeuwden de oomes al van verre, om zich -vrij baan te maken. Hand in hand zwierden ze over de ijsvlakte, en de -slee vloog al even lustig heen en weer. - -Ze hadden niet te klagen, dat de landrotten hun geen plaats lieten: -ieder, die het stelletje ongezouten kerels met hun slee aan den -gezichtseinder zag opduiken, ging bedachtzaam ter zijde en zag vroolijk -naar de dolle bende en naar den dikken, angstigen, verkleumden jongen -in de slee en den mageren, steilharigen hond, die het nu en dan -uitjammerde van verlangst naar zijn zonnig Sumatra. - -Ze volgden de Gouwe, de Aar, de Drecht en kwamen aan den Amstel. Daar -wuifden meisjes hun toe, en de oomes wuifden terug en schreeuwden -„Hoera!” omdat de levenslust er nu eenmaal uit moest. Verduiveld, nog -vóór de schemering zwierden ze met hun slee Amsterdam in! - -Gerretje had er nog een ouwe moei; die woonde aan den IJkant, en ze zou -Gerretje en zijn makkers gráág herbergen en onthalen. - -Na drie uur heen en weer sjouwen was de moei gevonden. Gerretje klopte -aan de lage deur. „We zullen het er van nemen, jongens”, zei hij. „Ze -is wat van de knibbelige kant, maar voor mij heeft ze een zwak!” - -Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk, toen ze het oude -wijfjes-kopje met het witkanten knipmutsje uit het bovenraam stak en -haar dierbaar familielid en zijn twintig makkers ontwaarde. „Wat moet -dat daar?” vroeg ze krijschend. - -„Goeien avond, moei!” wenschte Gerretje haar toe. „Kun je ons voor -vannacht bergen? Ik ben Gerretje, je neef. En dit zijn m’n vrinden.” - -De moei dacht even na. „Waar kom je vandaan?” vroeg ze toen. - -„Uit de Oost”, schreeuwde Harmen naar boven. „We komen regelrecht uit -de Oost, moei!” - -„Op schaatsen toch niet?!” - -„Ja zeker! Op schaatsen!” riep Gerretje. „Daar kunnen we je wat van -vertellen, moei!” - -„Nou”, zei de moei na een aarzeling, „jij mag binnenkomen, omdat je m’n -neef bent.” - -„En de anderen niet?” vroeg Gerretje weemoedig. „Denk er eens aan, -moei, wat een tocht we achter de rug hebben! Geef ons ten minste een -neutje; we zijn half bevroren.” - -„Ik heb niets in huis”, verklaarde de moei. „Maar verderop is ’t Vette -Varken,—daar kunnen jullie meteen slapen ook.” - -„Moei, wat ben je weer knibbelig”, klaagde Gerretje. „Laat mij nou er -eens zoeken: ik zal nog wel ergens een kruikje vinden! Kom, je bent er -zelf toch ook niet vies van?” - -„Ik zeg je, dat ik niets in huis heb!” zei de moei snibbig. - -„’t Is wèlles, ouwe tooverheks!” riep Gerretje driftig. - -Het raam sloeg dicht. Gerretje wilde de deur gaan bewerken, maar de -maats susten hem. „Kom, Gerretje, maak je niet giftig; laat ze met haar -neutje naar de weerlicht loopen!” - -„Heb je dáár nou een moei voor?” jammerde Gerretje droefgeestig. - -„Vooruit!” zei Harmen. „We gaan naar ’t Vette Varken. Harremen -betaalt!” - -Zoo toog men in optocht langs het kanaal naar de herberg, waar het -onderdak vrij duur bleek te zijn. Een paar maats wilden ’s nachts -doorrijden, maar de meesten hadden er geen trek in, zetten hun -gramschap tegen Gerrit’s knibbelige moei onder een borrel en wilden den -stamgasten hier ook eens wat op de mouw spelden. Maar ze werden door de -slimme Amsterdammers niet zoo grif geloofd: een was er bij, een -landrot, die misschien nog nooit in een roeibootje had gezeten en toch -ophakte, alsof hij z’n leven lang op Oostinje had gevaren: hij wist -alles op een prik, de leelijke kikker, en liet hen nauwelijks aan ’t -woord. - -Verdrietig, met gramschap in het hart, zochten de gebruinde maats, die -me daar even door zoo’n witgesteven pennelikker uit het veld waren -geslagen, hun logies op. - -„Er zit dooi in de lucht”, zei Hilke. „De wind is Zuid geworden.” - - - -Toen ze den volgenden morgen hun bol uit het dak venster staken, lagen -er groote plassen op het ijs. - -„Natte voeten!” meende Gerretje. „Afijn, over een paar uur zijn we -thuis!” - -Thuis....! dat woord ging er in! Ze zouden er vandaag eens een gangetje -inzetten! - -Padde keek bedenkelijk, toen hij dit plan vernam. „Als jullie nog -woester rijdt dan gisteren, loopt de boel verkeerd!” meende hij. - -„O! Dat zit de heele weg lekker in de slee en heeft nog praats ook!” -schimpten de oomes. - -Na de „vroegkost” met gloeiende koffie naar binnen geslurpt te hebben, -rekende Harmen met den waard af. Deze bleek hen flink geplukt te -hebben,—dat was zoo de gewoonte: janmaats keken toch niet op een -stuiver! - -„Gevaarlijk spul met die nattigheid!” meende de waard, het geld -opstrijkend. - -„Ja, jij zorgt wel, dat je droog blijft, duitendief!” viel Harmen -grimmig uit. - -En toen ging het er in dolle vaart weer op los. Zoo fel zwierden de -maats door het water, dat ze heelemaal nat werden. Er viel haast geen -schaatser te ontdekken. - -Toen gebeurde het. Bij het omzwenken, de Zaan op, namen ze de bocht te -kort; de slede botste tegen den kant, zeilde weer over het ijs uit, -zoodat de meest rechtsche schaatsers werden omgerukt,—sloeg toen tegen -den anderen wal, juist tegen het steigertje van een molen, en lag in -gruzelementen. Joppie was op den wal gesprongen; Padde liep een -geweldigen buil op; de kisten lagen over het ijs verspreid. - -„Wat een rot-slee!” schimpte Gerretje, die ook op zijn achterwerk -geslagen was en nu kwam aanstrompelen, de handen tegen zijn broek. „Heb -je je pijn gedaan, Padde?” - -„Nou en of!” klaagde de arme jongen, nog wit van schrik. - -De molenaar was naar buiten gekomen, een wollen doek om den hals, en -stond met de handen in de zakken naar het geval te kijken. -„Sjonge-jonge”, filosofeerde hij, „jullie hebt zeker wat woest gereden! -Moeten jullie naar Hoorn? Daar kun je op schaatsen niet komen.” - -„En waarom niet?” vroeg Gerretje uitdagend. „We sleepen ieder onze -eigen kist, jongens!” - -„Dan kun je meteen je doodkist wel meesleepen”, zei de molenaar. -„Verderop is het ijs vol wakken, en door het water zie je ze niet. Maar -weet je wat? Nemen jullie mijn wagen!” - -„En dan zeker betalen, dat we scheel zien!” meende Harmen. - -„Hoe kom je daarbij?” vroeg de molenaar. „Jullie rijden voor niks!” En -zich omwendend: „Jan! Span de wagen eens in!” - -„Ja, vader”, klonk het uit den molen. - -„Man!” stamelde Harmen in verrukking, „jij moest in een gouden -lijstje!” - -De molenaar grinnikte. „Pak je kisten maar op en ga mee naar binnen. -M’n vrouw heeft krentemik voor oud en nieuw.” - -„Drommels, ’t is de een-en-dertigste vandaag!” zei Hilke. - -„Nou, jullie kunt makkelijk thuis zijn vanavond”, meende de molenaar. - -„Wij niet meer”, zeiden een paar maats. „Wij moeten nog door naar -Enkhuizen.” - -„Ik kan de kar niet zoover missen”, zei de molenaar. „En morgenochtend -moet ik m’n jongen ook weerom hebben; die gaat met jullie mee om de kar -terug te brengen. Kan ie ergens onderdak, dat je weet?” - -„In ’t Sillevere Anker”, zei Harmen. „Op mijn kosten.” - -„Nou, kom dan maar binnen. Waar komen jullie eigenlijk vandaan?” - -„Uit Oostinje!” - -„Wat je zegt! En die hond?” - -„Die komt van Poeloepoeloepatsji”, zei Harmen. - -„Dan zal hij het nu wel koud hebben”, meende de molenaar. „Kijk hem -eens rillen!” - -En ze gingen den molen in. „Vrouw, ik breng je een stelletje Javanen -mee!” riep de molenaar gul. „Kom maar gerust: ze bijten niet, behalve -in je krentemik!” - -De vrouw, een goedlachsche, ou-bollige molenaarsgade, kwam met een -dampende krentemik binnen en scheen allerminst bevreesd voor de -„Javanen”.—„Lusten jullie boerenjongens op brandewijn?” vroeg ze. - -„Voor boerenmeisjes zijn we ook niet bang!” blufte Gerretje. - -„Stil jij!” schimpte Harmen. „Je bent met een menschenetersvrouw -getrouwd!” - -„Is dat waar?” vroeg de molenarin, die juist de krentemik aansneed. - -Gerretje was vuurrood geworden. „’k Zou jou je nek wel willen -omdraaien!” siste hij Harmen toe. - -„Dat meen je niet”, zei Harmen. - -Gerretje zocht naar een woedend antwoord, maar juist op dit oogenblik -zette de molenarin hem een dikke snede krentemik voor, en Gerretje -vergat zijn woede. „Ja-ha!” grinnikte de molenaar, „zoo doet ze met mij -ook: als ik nijdig ben, zet ze me wat lekkers voor de neus!” En hij -trommelde tevreden op zijn rond buikje. - -Jongens, de krentemik smaakte! Ze smolt in je mond! Daar nog -boerenjongens boven op, een stuk koek met suikerfiguren..... De -molenaar wist van uitpakken! Hij en zijn gezellig wijfje lachten maar, -en de maats voelden zich wonderwel thuis. - -„Kom, jongens”, zei Hilke, „als we vóór donker in Hoorn willen -zijn.....!” - -Maar hij moest een paar maal aandringen, voor de anderen opstonden. - -„Kijk!” zei Gerretje, aangedaan door het gastvrij onthaal, „die -papegaai is voor jou! Hij kan Potverblomme! zeggen, maar als je hem -pest, bijt ie.” - -Toen voelde Harmen zich geroepen om den molenaar als herinnering een -aapje te laten. Maar toen hij de kooi opende, lag het aapje stijf en -koud op den bodem. Ze werden er allen even stil van.—„Snap ik niet”, -zei Harmen. „Gisteren was ie nog zoo fleurig!” - -„Stom beest!” zei de molenaar meewarig.—Een der andere maats gaf hem -toen een aapje, dat nog niet dood was. „We zullen het bij het vuur -hangen”, stelde de molenaarsche voor. - -„Hoe dichter, hoe liever”, zei Harmen. „Dan denkt ie, dat ie in Java -is.” - -En toen klommen onze vrienden na veel handdrukken en nieuwjaarswenschen -in de kar. In het Westen trok een rosse sneeuwlucht op. „Heb je je goed -ingepakt, Jan?” vroeg de molenaar. - -„Ja, vader”, antwoordde een blozend, stil, goed gevuld joggie met -stroogele haren onder de pet, dat parmantig op den bok zat,—de teugels -in de hand. - -„En heb je een lantaren bij je? Voor straks, als het donker is?” - -„Ja, vader.” - -„En zit er olie in?” - -„Ja, vader.” - -„En heb je je brood bij je? En je beursje?” - -„Ja, moeder.” Bij elke bevestiging knikte het joggie—bleef droomerig -voor zich uitzien. - -„Jan denkt toch om alles!” prees de molenaar. - -En de wagen zette zich in beweging. De maats wuifden om het hardst en -schreeuwden hoera! De molenaar en zijn vrouw wuifden terug. - -Het begon zachtjes te sneeuwen; spoedig was de gastvrije molen als een -schim weggebleekt in het grijs. De maats zaten in de aanvankelijk erg -schokkende, maar ten slotte in de sneeuw haast geruischloos -voortrollende kar dicht bijeen,—Joppie tusschen hun knieën. Nog -vanavond zouden ze thuis zijn! Was het te bevatten? Padde en Hajo keken -elkaar stil gelukkig aan; Harmen tuurde zwijgend naar den bodem van de -kar. Eensklaps drukte hij Hajo een handvol guldens in de hand. „Doe jij -het liever”, zei hij en zuchtte. - -„Wat?” - -„Dat geld aan Lijsken’s moeder geven. Ze woont aan de Markt.” En toen -hij Hajo’s weifeling zag: „Toe, doe me die lol. Ga samen met je -moeder.....” - -„Kijk me dat ventje eens mennen!” prees een maat. - -Gerretje knikte. „Een beste jongen. En..... een zoete jongen!” - -„En die knol loopt ook met volle zeilen!” - -„Nou!” bevestigde Gerretje. „Laat mij er eens mennen, Janneman?” - -De jongen antwoordde niet, keek ook niet om, schudde alleen maar -ontkennend het hoofd. - -„Denk je, dat ik niet met knollen kan omgaan?” vroeg Gerretje. - -„Met deze niet”, zei het jongetje. - -Gerretje werd nijdig. „Vooruit, ga van de bok af!” - -„Gerretje!” berispte Hilke. „De jongen stuurt best.” - -„Dat zeg ik ook niet! Maar ik wil nou eens mennen. Vooruit, snotaap! De -bok af!” - -De jongen schudde weer het hoofd, zonder omkijken. - -„Wel verduiveld!” schold Gerretje. - -Nu keerde de jongen zich om, hield het paard in. „Als je me verveelt, -laat ik het paard staan, en dan kun je honderdmaal vort! roepen; hij -loopt toch alleen, als ik het wil.” - -„Hou je toch koest, Gerretje”, pruttelden de anderen ook. - -Gerretje bromde wat, zakte op den bodem van den wagen neer, keek -woedend voor zich uit. - -„Vort!” riep het kereltje op den bok. En het paard liep weer. - -De maats sloegen aan het zingen en wuifden met de mutsen, wanneer ze -door een dorpje reden. De sneeuw begon steeds dichter te vallen; de -wielen trokken al dieper voren in den witten weg, en zwart stonden de -knotwilgen langs de nu geelbruine sloten. - -„We krijgen nog veel meer!” meenden de maats. Toen ze zich schor -gezongen hadden, tuurden ze over de witte velden, en de wondere -schoonheid van vallende sneeuw drong vaag door tot in hun -varensgastenziel. - -Eindelijk..... zagen ze goed?!.... daar schemerde in het -Noord-Oosten..... een bekende omtrek..... de groote toren van Hoorn! - -Dol werden ze! Woest, razend van vreugde, begonnen ze in den wagen te -dansen, vielen in elkaars armen. „Hoera! Hiep-hiep-hiep hoera!! -Hoera!!!” - -En wuivend, zwaaiend, gillend en schreeuwend reden ze een kwartiertje -later de Westerpoort in. „We komen uit Indië!” riepen ze den verbaasden -straatgangers toe en hieven hun kooien met papegaaien en aapjes op. Zoo -hadden ze in een ommezien een groot gevolg. - -„Halt! Daar loopt m’n broer! Krelis! Hou dan toch stil! Krelis! Hou je -taai, jongens! Ik moet..... Krelis! Krelis!” En de oome was met zijn -kist en papegaai uit den wagen gesprongen, rende met groote sprongen op -z’n broer toe. De anderen zagen, terwijl ze weer voortdansten, -holderdebolder over de keien, hoe de broers elkaar in de armen -vielen..... - -Op de groote markt stopte de kar; allen sprongen er uit, drukten elkaar -de hand en sjouwden hun hebben en houwen door de sneeuw naar huis. - -Nu ze alleen waren, maakte de vreugde op hun gelaat voor een bezorgde -uitdrukking plaats. Zou thuis alles goed zijn.....?! - -Daar stond Hajo’s huisje! Was het zoo klein?? Hijgend rukte Hajo de -lage deur open en stortte zich naar binnen. „Moeder! Moeder!! -Moedertje!!!” - -Daar lag hij in haar armen. In de armen van zijn moedertje. En beiden -snikten en lachten en kusten elkaar en drukten elkaar aan het hart. Was -zijn moedertje zoo klein en zoo tenger?? - -Wat was ze zacht! - -Moeder! Moedertje van mij! - -„Peter! M’n jongen!” - -Zijn moeder nam zijn hoofd tusschen haar handen, wilde het bezien, maar -begon dan weer te schreien en te lachen en overdekte het met kussen -zonder een woord anders te kunnen zeggen dan: „Jongen! Mijn jongen! Ben -je daar weer? Hoe is het mogelijk? Mijn Peter.....” - -Uit de achterkamer waren de andere kinderen gekomen, verwonderd, met -hun houding niet goed raad wetend. Hajo sprong op en drukte hen aan het -hart en wist niet, waar hij het eerst heen moest kijken en wie hij het -eerst kussen moest. „Antje! Maartje! Wat groot zijn jullie geworden! O, -wat heerlijk! En Doris! Ken je mij niet meer? Ken je Peter niet meer?” -Hajo knielde voor Doris, die bedremmeld in een hoekje stond en Hajo met -groote oogen aankeek. - -„W-waar is de olifant?” vroeg Doris stamelend. - -Hajo kuste hem van alle kanten. „Hij kent me nog!! Hier, hier is je -olifant!” Hajo sprong op, keek in verrukking rond, viel zijn moeder -weer om den hals, die hem met stralende oogen aankeek, rukte toen zijn -kist open, gooide alles onderstboven. „Hier!” riep hij, terwijl de -dikke tranen hem over de wangen rolden. „Hier, Antje! Een pop voor jou! -Met Chineesche oogen,—is hij niet mooi? En een waaier! Voor jou, -Maartje! Ruik er eens aan: hoe lekker! Moedertje, ’k word voor stuurman -opgeleid! En later voor schipper! Hier! wie moet die armband hebben? En -kijk eens, Doris! Hé? Wat heb ik hier? Wat heb ik hier voor jou?”—Hajo -kroop op de knieën naar Doris toe, omvatte hem en hield hem een wit -ivoren olifantje voor den neus. „Kijk z’n slurf eens? En z’n tanden?” - -„En..... en de menscheneter?” vroeg Doris, met een blijde uitdrukking -op zijn rond kindergezichtje den „olifant” bekijkend. - -„De menscheneter? Hier is de menscheneter! Hau-auw!” En Hajo maakte een -menschenetersgezicht en hapte naar Doris, die schaterend van de pret -vluchtte en door Antje werd opgetild. Hajo sloot hen beiden in de -armen. „Antje! Wat ben je een meid geworden!” - -„Dacht je, dat ik altijd zoo klein bleef?” vroeg Antje. „Jij bent ook -groot geworden, zeg! Niet waar, moeder?” - -Moeder knikte, zonder nog te kunnen spreken. En toen Hajo zich weer in -haar armen wierp, snikte ze het weer uit. „M’n jongen..... wees niet -boos, dat ik nog huil! Ik ben zoo blij, dat je terug bent! Het is alles -zoo onverwachts gekomen. En..... Heb-heb je een goeie reis gehad?” - -„Terug wel, moedertje! Maar de Nieuw-Hoorn is vergaan!” - -„Verg.....?!!” - -„Ja! Door Padde’s schuld. ’k Heb geld bij me, moedertje! Kijk eens?!!” -Hij legde handen vol guldens in zijn moeders schoot. „Is het niet veel? -Twee-en-zeventig gulden en zeven stuivers! Hier heb ik nog meer geld, -maar dat is voor Lijsken’s moeder. Lijsken is onderweg aan de -scheurbuik.....!!” - -En toen begon Hajo te vertellen. Bij stukken en brokken. Van den brand -aan boord, den tocht met de jol, van Dolimah, den panter, Pa-Samirah, -het vlot, en dat hij bij den Bruinvisch in Amsterdam moest komen..... - -Onder zijn opgewonden, verward vertellen viel de klopper. Padde stond -aan de deur. - -„Padde!!!” - -En ook de brave dikzak werd door Hajo’s moeder omhelsd en gekust, en -hij zelf snikte, alsof Hajo’s moedertje ook de zijne was. - -„Jongen, wat heb jij je moeder een verdriet gedaan!” - -„’k Heb haar vijf-en-zestig gulden en zeven stuivers meegebracht”, zei -Padde. „Ze laat vragen, of jullie vanavond bij ons komen, Maartje -ook.—Dag Maartje! Wat zijn jullie allemaal groot geworden! Bij mij -thuis ook! ’k Heb er nog een zusje bijgekregen!” - -„En is thuis alles goed?” vroeg Hajo. - -„Best. Alleen m’n vader..... die is een half jaar geleden verdronken.” - -Er kwam even stilte in het vertrek. Padde haalde diep adem en kuchte. -„In de sloot achter de Zuidwal”, zei hij er toen achteraan. En plots, -het hoofd gebukt, en op een harden toon, die anders nooit over zijn -lippen kwam: „’t Is z’n eigen schuld. Hij was weer dronken. Die..... -die..... die dronkelap!” - -„Padde”, zei Hajo’s moeder zacht, „jij mag niet zoo over je vader -spreken.” - -Padde schudde driftig het hoofd. „Wat doet ie m’n moeder te slaan? En -het geld te verdrinken? En de meubels te verkoopen?” - -„Maar..... maar nu is hij toch dood, Padde.” - -Padde worstelde met iets. - -Hajo’s moeder stond met droeven glimlach op, nam Padde in haar armen en -kuste hem. „Zeg maar aan je moeder, dat wij komen.” - -En Padde ging, schreiende. - -„Nu, m’n jongen”, zei Hajo’s moeder, „nu moeten wij samen nog even uit. -Heb je..... heb je daar het geld van die gestorven vriend van je? We -gaan geen blijde boodschap brengen, m’n jongen, maar..... het moet.” Ze -ging naar de kast, sloeg een doek om. - -En even later stapte Hajo met zijn moedertje aan den arm de deur uit. -Dicht aaneengedrukt liepen ze door de besneeuwde straten. „Mijn jongen, -wat ben je groot geworden.....” verzuchtte zijn moeder. „Ik moet -heelemaal tegen je opzien!” - -„Maar ik ben ook al zestien, moedertje! Is de tijd niet gevlogen?” - -Zijn moeder glimlachte. „Niet..... niet altijd, Peter.” Toen werd ze -stil, en haar gedachten schenen afwezig. Hajo droeg het geld voor -Lijsken’s moeder in een zakdoek geknoopt. - -Het was gaan schemeren. De lichte vensters glansden neer op de sneeuw. -Uit de rossig-grijze lucht dwarrelde het maar voort. - -Bij de Waag zagen ze twee bekende gestalten: Harmen en Gerretje, hun -kist op den nek. Gerretje droeg bovendien Harmen’s waterpijp nog, en -Harmen klemde onder den linkerarm zijn dierbare viool. Joppie dribbelde -met opgetrokken pooten tusschen hen in. - -„Schip ahoy!” riep Hajo. - -De beide gestalten hielden stil. „Hallo, Hajo!” - -„Waar gaan jullie heen?” vroeg Hajo. „Zijn jullie al thuis geweest?” - -„Ja wel”, zei Harmen, met een aarzelen den blik op Hajo’s moeder, „maar -ze zijn verhuisd! Naar Alkmaar, zeggen de buren. Tja.....! We gaan nou -maar eerst naar ’t Sillevere Anker!” - -„Dit is nou Harmen, moeder!” zei Hajo trots. „Die heeft samen met mij -die panter..... weet je wel?” - -Hajo’s moeder stak Harmen de hand toe. „Harmen, ik dank je voor wat je -voor mijn jongen gedaan hebt! Voor alles, hoor, voor alles dank ik je!” - -Harmen werd verlegen. „’n Kleinigheid, juffrouw.....!—Afijn, ’t had -raar kunnen afloopen! Als je nou bedenkt, die arme Floorke.....! We -gaan z’n meisje in ’t Sillevere Anker nou zeggen, wat er met hem aan -het handje is.” - -„Arme meid”, zuchtte Gerretje. - -„Zeg dat wel”, viel Harmen hem op droefgeestigen toon bij. En met -afgewenden blik sloeg Harmen op zijn zwarte vioolkist en kuchte. „Hilke -is bij z’n meisje,—die was in haar nopjes!” - -„Nou! Ze drukten mekaar zoowat plat!” grinnikte Gerretje. - -„Kijk moeder, dat is nou Joppie! Die is ook mee door Sumatra geweest!” - -„Arm beest!” zei Hajo’s moeder, toen het dier bibberend tusschen -Harmen’s beenen kroop. - -„Hij zal er wel aan wennen!” stelde Harmen haar gerust. „Nou, dag, -juffrouw! Ajuus, Hajo!”—En het drietal spoedde zich over de verlaten -marktplaats voort naar ’t Sillevere Anker..... - - - -Lijsken’s moeder, een bleek, mager, klein vrouwtje met groote -lijdensoogen, nam stilzwijgend de zilveren guldens in ontvangst en borg -ze weg in een oude, gehavende kast. - -„Ik was er al bang voor.....” Dat was al wat ze zei. Toen Hajo’s moeder -haar kuste, schreide ze. - - - -Zoo vierden allen het Ouwe jaar nog in Hoorn. En de maats, die morgen -verder moesten, naar Enkhuizen, zaten bij hun makkers aan den haard en -hielpen opsnijden. - -Buiten viel de sneeuw altijd maar door; als een teedere moederhand -legde de sneeuw zich over het stadje..... er moesten vele schrijnende -wonden worden bedekt. - -Vertrouwelijk, als goede raadgevers, wandelden te middernacht twaalf -klokkeslagen over de sneeuw. - -Toen zochten de handen elkaar in diepgevoelde vreugde. - - - EINDE - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Geen der drie jongens vermoedde, dat ze een vogel hadden gevangen -waarover eeuwen later de geleerden elkaar nog in de haren zouden -vliegen. Het was de zoogenaamde „dodo”, die alleen op Réunion voorkwam -en thans geheel is uitgestorven,—dank zij het feit, dat de oomes, die -in den loop der jaren op Réunion landden, al deze „zwanen” met stokken -hebben doodgeslagen en toen opgepeuzeld..... - -[2] Met dit antwoord was Padde allen geleerden meer dan twee eeuwen -voor. Want eerst in de tweede helft der negentiende eeuw bewees de -groote Londensche natuurvorscher Sir Richard Owen in een beroemd -geworden skelet-onderzoek, dat de dodo tot de familie der duiven -behoorde. - -[3] Indien de maats wat beter met het zonderlinge leven der -zee-schildpadden bekend waren geweest, zouden ze geweten hebben, dat -die eigenaardige ronde bollen gras door de schildpadden zelf -vervaardigd worden en vergaard. Schildpadjagers van beroep zoeken die -„opslagplaatsen” en wachten daar, tot de gepantserde kolossen het -strand komen opkruipen. - -[4] Als het gaat regenen, vluchten de geiten! - Als het gaat regenen, dans ik graag! - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE SCHEEPSJONGENS VAN BONTEKOE *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
