summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/65599-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/65599-0.txt')
-rw-r--r--old/65599-0.txt23621
1 files changed, 0 insertions, 23621 deletions
diff --git a/old/65599-0.txt b/old/65599-0.txt
deleted file mode 100644
index a683f84..0000000
--- a/old/65599-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,23621 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of De Scheepsjongens van Bontekoe, by Johan
-Fabricius
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: De Scheepsjongens van Bontekoe
-
-Author: Johan Fabricius
-
-Release Date: June 12, 2021 [eBook #65599]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: The Online Distributed Proofreading Team at
- https://www.pgdp.net.
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE SCHEEPSJONGENS VAN BONTEKOE ***
-
-
-
-
- DE SCHEEPSJONGENS
- VAN BONTEKOE
-
-
- JOHAN FABRICIUS
- TEEKENINGEN VAN DEN SCHRIJVER
-
-
- H. P. LEOPOLD’S UITGEVERS MIJ.
- ’S-GRAVENHAGE
- MCMXXIV
-
-
-
-
-
-
-
-
- Aan mijn vader
-
-
-
-
-
-
-
-
-AAN DE HOLLANDSCHE JONGENS!
-
-
-„In ’t Jaer ons Heeren 1618, den 28. December, ben ick, Willem
-IJsbrantsz. Bontekoe van Hoorn, Tessel uytghevaren voor schipper, met
-het schip ghenaemt: Nieu-Hoorn, ghemant met 206 eters, groot omtrent
-550 lasten, met een Oosten-Wint.....”
-
-Zoo, m’n jongens, zet het „Journael” in van een der eerste, kranige
-„Schippers naast God”, die met hun wakkere mannen ons gezag in Indië
-vestigden. Elke kajuitsjongen uit de zeventiende eeuw had, als hij ook
-maar een beetje lezen kon, het verhaal in zijn scheepskist liggen bij
-z’n bijbeltje en zijn onderbroeken. En Potgieter dichtte op Bontekoe’s
-reis een reeks „liedekes”.
-
-Bontekoe heeft geen zilvervloot veroverd en ook geen tocht naar Chatham
-gemaakt. Hij volbracht zijn simpele opdracht (met een
-notedop-zeekasteel de Kaap te omzeilen) in rustig vertrouwen op
-God,—als alle schippers uit onze Gouden Eeuw, die op hun avontuurlijke
-zwerftochten naar het onbekende land door oud en jong werden nageoogd
-en benijd om de heldhaftige taak, die ze gingen vervullen. En Willem
-IJsbrantsz. Bontekoe zou waarschijnlijk evenals zijn kameraden geheel
-in de vergetelheid zijn geraakt, wanneer hij niet een reis had gemaakt
-zóó vol tegenslagen, als de geschiedenis onzer zeevaarders er wellicht
-geen andere telt.
-
-Maar hij was taai. Toen zijn schip op den Indischen Oceaan in brand
-vloog, verliet hij het niet, voor hij ermee de lucht insprong. En in
-een hulkje wist hij Batavia te bezeilen.
-
-
-
-Het leven van een Màn, jongens, gaat nooit zonder stormen voorbij. Hoe
-verder het land, dat je bezeilen wilt, hoe moeilijker en gevaarlijker
-de reis. Verlaat je schip niet, voor het onder je bezwijkt! Dan zal men
-later zeggen: „Hij voer door vele stormen, maar zijn reis werd een reis
-van Bontekoe!”
-
-
- JOHAN FABRICIUS
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD
-
-
- Deel I Bladz.
-
- Zeewind 1
- Een Vechtpartij 5
- Schipper Bontekoe 16
- Moeder 21
- Het groote afscheid 26
- Padde doet zijn vriend uitgeleide 41
- Op zoek naar den bottelier 55
- Reisavonturen 65
- Oudejaarsavond 76
- Storm 91
- Padde leert buikspreken 100
- Padde ziet door een mistkijker 115
- Rolf 121
- Maneschijn 129
- Padde heeft beet 131
- Windstilte 138
- Albatrossen 145
- De gevreesde vijand 154
- Een nachtelijke roeitocht 163
- De horen des overvloeds 174
- Vreemde beesten 186
- Ruilhandel 200
- De Neus schiet een musket af 212
- Brand! 227
- In de booten 239
- Haaien 246
- Joppie III 251
- Sumatra 257
- De dessah in 267
- Verlaten 282
-
-
- Deel II Bladz.
-
- De Zwervers 295
- Padde’s broek 301
- Een nest met katten 311
- „Tabeh!” 318
- Padde is zoek 326
- Dolimah 331
- De strijd om het hol 342
- De regen 354
- Si-Kampret 364
- Saleiman en zijn fluit 372
- Harmen vindt een geitje 380
- Pa-Samirah, de doekoen 389
- De vlucht 401
- De bijawak 409
- Den dans ontsprongen 415
- Harmen en Padde op de vischvangst 420
- Dolimah’s heimwee 430
- Padde stuit op een menscheneter 434
- Boeng van Bapah-Loleh 443
- Joppie doet een ontdekking 454
- Harmen kaapt een zeiltje 461
- In volle zee 468
- Java.....! 477
- Het eerste weerzien 484
- Bij de Bruinvisch aan boord 493
- Af- en aanmonsteren 499
- Met Gerretje naar Loa Hok Sen 514
- De pasar malem 531
- De thuiskomst 547
-
-
-
-
-
-
-
-
-EERSTE DEEL
-
-ZEEWIND
-
-
-„Satansche jongen, hou die bout vast!”
-
-„’k Hou ’m toch vast, baas?”
-
-„Noem je dat vasthouden? Jij zult nooit een goeie smid worden!”
-
-Peter Hajo zweeg even. „Wil ik ook niet”, pruttelde hij toen.
-
-„W-wat zeg je? Wil jij geen smid worden?!”
-
-„Nee, baas. ’k Wil naar zee.”
-
-Meester Wouter, de hoefsmid uit De IJzeren Man, liet den zwaren
-voornamer, dien hij juist had opgeheven, van verbazing een seconde lang
-in de lucht zweven. Toen dreunde een mokerslag; de vonken stoven
-meester en knecht om het gelaat. „Gekkenpraat!” zei de hamer in ijzeren
-taal.
-
-Peter Hajo keek zwijgend naar het roodgloeiende bout-einde.
-
-Hij verstond de taal van den voorhamer! Als hij in het halfdonker van
-den wintermorgen de rossig-schemerende smederij binnenkwam, had hij
-buiten al gehoord, hoe zijn baas gemutst was.
-
-„Zou je niet ereis trekken?” gromde meester Wouter. „Het vuur is zoowat
-uit! Op die manier zou ik de hamer platslaan, en de bout zou rond
-blijven!”
-
-„Hoe kan ik trekken, baas, als ik.....”
-
-„Ben jij ’n joffer, dat je die bout niet met één hand kunt vasthouden?”
-
-Peter Hajo was geen joffer. Hij klemde zijn rechtervuist om den bout,
-trok met de linker den blaasbalg, liet het niet merken, dat de slagen
-hem nu tot in de straffe spieren van zijn rug zeer deden. Een breede
-lach verscheen op zijn met roet overdekten jongenskop, toen hij vroeg:
-„En als ik m’n neus moet krabben, baas?”
-
-„Leg ’m maar op het aanbeeld, dan zal ik ’m met m’n hamer krabben! Wat
-moet je op zee! Haringvisschen? Om te verdrinken, zooals je vader, of
-door de Duinkerkers naar de galeien te worden gebracht?”
-
-„Ik wil met de walvischvaarders mee, baas. Maar.....” Peter Hajo slikte
-wat weg. „Jongens van veertien willen ze niet hebben! Je moet zestien
-wezen.—Visch jij maar stekelbaars, zeggen ze!”
-
-Baas Wouter meesmuilde.
-
-Maar zijn gelaat betrok, toen zijn booze vrouw de smidse binnenstoof en
-snauwde: „Ben je doof? D’r is al driemaal volk geroepen in de winkel,
-en m’n bieten staan aan te branden!”
-
-De hoefsmid uit De IJzeren Man keek verbluft naar de deur, die alweer
-met een slag dichtgevallen was, zette toen grommend den voornamer neer.
-Peter Hajo bleef alleen,—tuurde in de vlammen van den oven.
-
-„Kom maar eens terug, als je zestien bent.....”—Over twee jaar! Alsof
-hij niet het werk van een zestienjarigen jongen zou kunnen doen! Hij
-zètte het allen zestienjarigen jongens in Hoorn om dien bout vast te
-houden zooals hij dat daareven had gedaan! Was er één bij, die hem
-aandurfde? Had hij Peer den Vos geen pak slaag gegeven als hij in z’n
-leven niet had gehad,—omdat hij (zonder het te vragen!) in de bijt was
-gaan visschen, die Peter Hajo in het ijs had gekapt? Peer den Vos, die
-wel een hoofd grooter was dan hij!
-
-’t Was een gemeene streek om hem als landkikker te laten rondspringen,
-hem, die, toen hij nauwelijks loopen kon, de touwen, die de
-binnenzeilende visschers zijn ouderen vrienden toewierpen, al met een
-echten zeemansknoop om de meerpalen sloeg; hem, die zich op z’n vijfde
-jaar stiekum in vaders botter had verscholen en mee ter haringvangst
-was gegaan!
-
-Hoe snakte hij er naar op zee te zwalken zonder een streepje land
-mijlen in den omtrek; hoe snakte hij er naar de wijde wereld te zien en
-met echte zeebeenen terug te komen en op te snijden net als die
-bruingebrande pikbroeken, die met Jan Pieterszoon Coen naar den Oost
-waren getogen en nu de waarheid spraken of logen, juist als het hun
-inviel, zonder dat een landrot zeggen kon: „Je zuigt uit je duim!”—De
-Oost....! daar was voorloopig heelemáál geen kans op. Misschien later,
-als hij eerst een paar reizen met een walvischvaarder had gemaakt; als
-het vel van zijn handen was gesprongen door het zout; als de traanlucht
-in z’n haar en in z’n kleeren hing,—misschien zouden ze hem dan willen
-meenemen. Jandosie! Peter Hajo zag een beeld opdoemen van bergen,
-fladderende papegaaien, dansende wilden, van apen, tijgers,
-krokodillen.....
-
-Weg was het beeld.
-
-Daar stond Peter Hajo, leerling in de hoefsmederij De IJzeren Man. Daar
-lag de bout, dien hij zoo meteen weer moest vasthouden; daar hing de
-balg..... Twee jaren nog zou hij tusschen grauwe wanden en smerige
-ruitjes den blaasbalg moeten trekken en bouten vasthouden. Twee jaren
-zou hij, in plaats van den zeewind, die hem het bloed deed bonzen,
-ijzerlucht en den stank van geschroeide paardehoeven moeten opsnuiven.
-Peter Hajo, „wilde” Hajo: een meeuw in een kooi, een haai in een
-boerensloot.....
-
-Stil! Wat hoorde hij daar? Buiten, op straat, kwam zingend een troepje
-jongens voorbij.
-
-
- „Hou zee! Hou zee!
- De wind blaast van de ree!
- De wind blaast in de rokken!
- Wie wil er thuis nog hokken?
- Hou zee! Hou zee!”
-
-
-Peter Hajo wist, dat ze in de haven zouden gaan botkloppen. En hij?
-Hij.....!!
-
-
-
-Toen meester Wouter eenige oogenblikken later de smederij weer
-binnenkwam, zette hij groote oogen op.
-
-„Satansche jongen!” mompelde hij. Grimmig pakte hij den bout op; de
-hamer viel met het geweld van een donderslag op het gloeiende ijzer.
-
-Peter Hajo was verdwenen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN VECHTPARTIJ
-
-
-Buiten heerschte December.
-
-Onze jeugdige held trok de muts over de ooren, stak zijn handen en
-polsen in den zak, klemde de armen tegen het lijf en draafde zoo’n
-beetje, om warm te worden. In de zeventiende eeuw was een winter nog
-een winter!
-
-Spoedig had hij de zingende jongens in het oog. Daar had je „Lange
-Leen”, die natuurlijk weer de leider van den troep zou zijn. Peter Hajo
-zou hem, zoodra de gelegenheid zich voordeed, eens ongezouten
-aframmelen, want Leen keek altijd zoo minachtend op je neer en zou zich
-op den duur wat te veel gaan verbeelden.
-
-En dan was Padde er ook bij, die goeiige dikzak, die altijd met z’n
-oogjes knipte en nu natuurlijk weer de netten en den emmer dragen
-moest.
-
-Padde was Hajo’s schaduw; volgde hem bij al zijn schelmenstreken op den
-voet. Hij was het, die Hajo’s heldendaden ruchtbaar maakte en hem
-tegenover iedereen verdedigde, wanneer Hajo er zelf niet was om dat te
-doen. Honderdmaal was het gebeurd, dat Padde, die niet zoo hard kon
-loopen als de omstandigheden soms vereischten, in de vingers van een
-nijdigen boer of nachtwacht was terechtgekomen en Hajo dan den
-volgenden dag met bitter verwijt op zijn builen, schrammen en blauwe
-plekken wees.
-
-Maar als Hajo weer appelen ging „rapen” in den tuin van het Sinte
-Clarensklooster, was Padde bij hem en kroop hijgend en blazend over
-muurtjes en heggen, tot groot ongenoegen van zijn moeder, die hem
-daarna met haar groote, harde handen bont en blauw sloeg,—wanneer ze er
-niet te moe voor was. Want Padde had zeven jongere broertjes en
-zusjes.....
-
-„Hajo!” riep Padde verheugd, toen hij zijn held zag aankomen. „Ik
-dacht, dat je in De IJzeren Man stond!”
-
-„’t Werd me er te warm!” zei Hajo. „En Wouter was zoo aan het hameren,
-dat ik al maar door aan botkloppen moest denken. Waar gaan jullie het
-doen?”
-
-„In de Karperkuil”, was het antwoord.
-
-„Zou je ’t niet liever eens in moeders waschtobbe probeeren? Weet je,
-wáár bot zit? Tegen de Italiaansche Zeedijk aan!”
-
-„Juist!” bevestigde Padde.
-
-„Wel”, zei Lange Leen, „gaan jullie dan naar de Italiaansche Zeedijk.
-Geef die bijl hier, Padde. Wij gaan naar de Karperkuil.”
-
-Peter Hajo bleef rustig. „Van wie is die emmer?” vroeg hij.
-
-„Van mij”, zei Padde. „En dit eene net is ook van mij.”
-
-„Top. Leg de rest neer. Een bijl hebben we niet noodig, want ik heb er
-nog een bijt.”
-
-Padde ontdeed zich van twee netten, die hem nog over den schouder
-hingen, en gaf den bijl aan Langen Leen.
-
-„Laat ze maar loopen, jongens!” zei deze.
-
-„Wedden, dat er in de heele Karperkuil geen onnoozel botje zwemt?”
-vroeg Padde, terwijl hij met Hajo heenging.
-
-„Wacht even!” riepen toen Schouwen Doedes en nog een paar jongens. „Wij
-gaan ook mee!”
-
-„Als je ’t maar laat”, dreigde Hajo. „Nou heb ik jullie niet meer
-noodig.”
-
-Hajo en Padde liepen de Korenmarkt over en daarna de Veermanskade langs
-met haar hooge pakhuizen en deftige patricierswoningen. Juist wilden ze
-bij den Hoofdtoren rechts afslaan, den Italiaanschen Zeedijk op, toen
-een Friesche tjalk de haven kwam binnenzeilen. Haastig snelden ze toe
-om haar te helpen vastleggen. Het scheelde maar een haartje, of Padde
-werd door het touw in het water getrokken, wat hij nog slechts kon
-voorkomen door aan boord te springen, waar hij voor de voeten van een
-gezelschap deftige heeren terechtkwam. Verlegen krabbelde hij overeind.
-
-De heeren lachten en begaven zich aan wal. Hajo groette hen vol ontzag.
-
-„Wie waren dat?” vroeg hij aan schipper Blok, den eigenaar van de
-tjalk.
-
-„Wel”, zei Blok, „die met die baard, da’s schipper Bontekoe.”
-
-„Natuurlijk. Maar de anderen?”
-
-„Die bennen alle vijf van de Oost-Indische Compagnie. Die magere is uit
-Enkhuizen, en die dikke met z’n wijde handschoenen komt uit Zeeland. Ik
-heb ze met de Hoornsche Zon”, Blok wees op z’n tjalk, „naar Texel
-motten brengen en weer halen ook. Daar leit de Nieuw-Hoorn, weet je?”
-
-„De Nieuw-Hoorn?”
-
-„De schuit van schipper Bontekoe, die naar Oostinje gaat. Je zou ’m es
-moeten zien! Tweehonderd koppen aan boord!”
-
-Hajo keek peinzend de deftig gekleede heeren na, die juist een
-oogenblik stilstonden voor Bontekoe’s woonhuis op de Veermanskade.
-„Zeg, Blok”, vroeg hij, „wijs me nou eens, hoe groot de Nieuw-Hoorn
-is.”
-
-Blok trok een ernstig gezicht, spoog zoo er eens voor zich heen en mat
-met zijn oogen den grond af. „Zie je dat paaltje?”
-
-„Dat daar?”
-
-„Krek d’r naast. Zoo lang is-t-ie vast wel van ’t galjoen tot de
-spiegel.”
-
-„En ligt-ie goed, Blok?”
-
-„Zoo vast as ’n kanonnier!” En de schipper ging met zijn beide zoons de
-zeilen inrollen.
-
-Padde had er zwijgend bij staan luisteren, pakte nu zijn emmertje weer
-op, en de beide jongens vervolgden hun weg. „Die sprong in de tjalk
-viel niet mee!” verzekerde Padde. „’t Was wel drie el!”
-
-Maar Hajo gaf geen antwoord.
-
-Zoo kwamen de jongens op den Italiaanschen Zeedijk. Er lag een breede
-strook ijs.
-
-Plotseling bleef Hajo stilstaan. Padde schoot gedachteloos nog een
-eindje door. Toen hield hij stil en keek verbaasd om. De blik in Hajo’s
-oogen duidde op onweer.
-
-„Kijk eens, Padde”, zei Hajo langzaam en wees voor zich uit. „Wat zie
-je daar op het ijs?”
-
-„Hemeltje!” zei Padde, „daar is er een aan het botkloppen.”
-
-„Juist!” bevestigde Hajo. „Er is er een in mijn bijt aan het botkloppen.
-Ken jij hem? Ik niet.”
-
-Padde begon opgewonden te blazen. „In onze bijt! Nee, wie het is, kan
-ik niet zien. Ik zie niet zoo goed als jij.” En Padde’s oogengeknip
-onderstreepte deze verklaring.
-
-„Kom mee”, beval Hajo.
-
-Padde stelde voor zichzelf vast, dat het weer een spannende middag kon
-worden.
-
-Samen stevenden ze op den roekeloozen botklopper af.
-
-Het was een netgekleede jongen, die, een emmertje naast zich, energiek
-met een bijl op het ijs klopte, ten einde de door de koude verdoofde
-bot te wekken en naar de bijt te lokken, waarin het verraderlijke net
-hing. De jongen was zoo in zijn werk verdiept, dat hij niet merkte wat
-hem boven het hoofd hing.
-
-Padde kon zijn verontwaardiging niet langer verkroppen: toen ze den
-dijk afgingen, rende hij op den ijverigen klopper toe. Maar vlak bij
-hem gekomen, had hij het ongeluk uit te glijden; hij plofte achterover
-op het ijs—dat weinig meegaf!—en richtte zich verbouwereerd overeind.
-
-De jongen keek op. Zijn ernstig gelaat nam een meewarige uitdrukking
-aan. „Ja, het ijs is hier glad”, zei hij.
-
-„Wat doe jij hier!” voer Padde uit, terwijl hij weer op zijn korte
-beentjes krabbelde.
-
-„Botkloppen”, antwoordde de jongen. „Heb je je bezeerd?”
-
-„Botkloppen?” schreeuwde Padde. „Ik zal je helpen!”
-
-De jongen keek Padde bevreemd aan. Toen zei hij: „Waar je nu staat is
-het niet meer noodig! De bot zal daar al wel erg geschrokken zijn.”
-
-Padde hapte naar adem. Daar hij de rechte woorden niet vond om zijn
-gemoed te luchten, trapte hij het emmertje om, dat bij den vreemden
-knaap stond. De bot sprong overal op het ijs rond.
-
-Toen tintelde er iets in de oogen van den onbekenden jongen. Hij sprong
-uit zijn knielende houding overeind met een snelheid, die door Padde
-half met jaloezie, half met schrik werd waargenomen, stelde zich
-vierkant voor zijn aanrander en zei kalm en vriendelijk: „Doe die bot
-weer in de emmer alsjeblieft.”
-
-„Ik zal jou in de emmer doen en in de bijt gooien!” beloofde Padde.
-
-„Dat is goed”, antwoordde de jongen. „Maar zoek eerst de bot bij
-mekaar. Een—twee.....”
-
-Toen kwam Hajo. „Halt! Laat m’n vrind met rust!”
-
-De jongen mat zijn nieuwen tegenstander van het hoofd tot de voeten,
-iets wat Hajo nooit goed zetten kon, vooral niet, wanneer hij, die het
-deed, er zoo keurig uitzag als deze onbekende jongen.
-
-„Goeie middag”, zei de vreemdeling vriendelijk.
-
-„Waar woon je?” klonk het grimmig uit Hajo’s mond.
-
-„Ik kom uit Alkmaar.”
-
-„Zoo, dus je wist niet, dat dit mijn bijt is.”
-
-„Jouw bijt??” vroeg de jongen. En onschuldig liet hij er op volgen: „En
-als het ijs nou weer smelt...., blijft de bijt dan van jou?”
-
-Dat was te veel. „Kom mee naar de dijk”, zei Hajo kortaf. „Ik wil met
-je vechten.”
-
-Padde glom van blijde verwachting. „Nou zul je eens wat beleven,
-mannetje!”
-
-De jongen luisterde er niet naar. „Ik ga met je mee”, zei hij tot Hajo.
-„Maar eerst moet die dikzak.....” En langzaam kwam hij op Padde af, die
-druk met z’n oogjes knipte. „Een—twee —dr.....!”
-
-„Zoek ze maar even bij mekaar, Padde”, zei Hajo.
-
-Toen bukte Padde zich. „Ik doe het, omdat ik gauw wil zien hoe jij ’m
-aframmelt, Hajo!” verklaarde hij.
-
-Peter Hajo en de nette, onbekende jongen begaven zich naar den dijk. En
-twintig passen achter hen aan volgde hijgend en blazend Padde, met aan
-een arm zijn eigen emmer en aan den anderen den emmer met bot.
-
-Zoo belandden ze op den verlaten dijk. Padde zette zijn leegen emmer
-omgekeerd neer en ging zitten.
-
-„Begin maar”, zei Padde.
-
-De twee doodsvijanden hadden zich tegenover elkaar gesteld. Hajo’s
-oogen fonkelden; zijn lenig lichaam kromde zich voor den sprong. De
-ander wachtte rechtop, met de rust van een beer, den aanval af.
-
-„Pak hem, Hajo!” riep Padde. „Met één douw leg je ’m.”
-
-Maar Hajo had Padde’s raad niet afgewacht: was toegesprongen.
-
-De onbekende jongen bleek even stevig als kalm te zijn: hij ving Hajo
-op, en deze had het alleen aan zijn weergalooze vlugheid te danken, dat
-hij niet werd neergedrukt.
-
-Padde was van opwinding van zijn emmertje gesprongen.
-
-„Je wint het, Hajo! Hij is zoo stijf als een stokvisch!”
-
-Maar „wilde” Hajo, de schrik van het vredige plaatsje Hoorn, had zijn
-man gevonden! Na een bangen, minutenlangen strijd stonden ze nog juist
-zoo als ze waren begonnen. Dat wil zeggen: Hajo nu rood als een
-gekookte kreeft, de onbekende jongen in het minst niet opgewonden.
-
-„Zoo schieten we niet op”, hijgde Hajo. „Laten we even rusten en dan
-weer beginnen.”
-
-De ander liet onmiddellijk zijn armen zinken. En terwijl Hajo zich
-amechtig op het emmertje zette, dat Padde hem eerbiedig afstond, liet
-de vreemde jongen een onderzoekenden blik over zijn kleeren gaan,
-klopte zich het zand van de broek.
-
-„Verduiveld jammer, dat je hem hebt losgelaten, Hajo”, meende Padde.
-„Binnen twee tellen had-ie op z’n rug gelegen!”
-
-„Hou je gezicht!” gromde Hajo.
-
-De jongen uit Alkmaar keek welwillend naar zijn tegenstander. „Ben je
-smid?” vroeg hij.
-
-Hajo veegde onwillekeurig met de mouw over zijn zwart gezicht. „Jij
-bent zeker pennelikker, hè, dat je je zoo opdirkt.”
-
-„Ik ben scheepsjongen”, was het antwoord.
-
-Dat werkte. Hajo sprong overeind. „Scheepsjongen?!”
-
-„Is het zoo gek, als iemand scheepsjongen is?” vroeg de ander verbaasd.
-
-Hajo maakte een onwillige beweging. „Ik zou het niet willen wezen!”
-schimpte hij, met iets weeks in zijn stem.
-
-„Waarom niet?”
-
-„Daarom niet!”
-
-„We hebben het hier best”, verklaarde Padde. „Hij wordt smid, en ik kom
-bij m’n oom in de bierbrouwerij, dan weet je wat je hebt. Speel jij
-maar voor aap op die smerige schuit van jou.”
-
-Hajo maakte zijn gezicht erg onverschillig. „Je bent zeker bij de
-walvischvaart, hè?”
-
-„Nee”, was het antwoord. „Ik ga met de Nieuw-Hoorn naar Oostinje.”
-
-„Dacht ik niet, dat je zoo’n peperdief was?” riep Padde.
-
-„Hoe..... hoe oud ben je?” vroeg Hajo.
-
-„Ik ben veertien.”
-
-„Veertien?! Wie..... wie heeft je aangenomen?”
-
-„Schipper Bontekoe zelf.”
-
-„Zoo”, schimpte Hajo. „Dan is je vader zeker zelf naar de schipper
-gegaan om voor zoontjelief een plaatsje te vragen?”
-
-De vreemde jongen keek even voor zich uit, den zeedijk af. „Ik heb mijn
-vader nooit gekend”, zei hij toen.
-
-Hajo werd vuurrood, wilde zich zelf wel een klap om de ooren geven.
-
-De jongen uit Alkmaar keek Hajo onderzoekend aan. Toen merkte hij op:
-„Jij zegt, dat je niet varen wilt. Maar je meent het niet.”
-
-„Welles”, gromde Hajo.
-
-„Maar waarom dan toch niet? Je ziet en hoort toch duizend dingen waar
-je anders nooit achter zou komen! En moeten we ons daarginds door de
-Spanjaarden en Portugeezen alles voor de neus laten wegkapen? Later
-word ik reeder en bouw schepen voor de groote vaart; ik wil.....!”
-
-Hajo sprong met een ruk overeind. Het hoofd afgewend, sloeg hij, zonder
-een woord te spreken, de richting van den Westerdijk in.....
-
-De toekomstige reeder keek hem stomverbaasd na.
-
-En Padde voer uit: „Hij heeft je toch gezegd, dat hij niet varen wil?
-Wat doe jij er dan aan een stuk over door te wauwelen? Of denk je, dat
-’t zoo lollig is die kletspraat aan te hooren, als je zelf in de
-smederij moet staan?” Hij pakte zijn emmer op en zei dreigend: „Wee je
-gebeente, als ik je wéér eens tegenkom!” En grommend en brommend
-sukkelde Padde achter Hajo aan.
-
-De onbekende jongen keek het tweetal even na. Een glimlach speelde om
-zijn lippen, toen hij zijn emmer beetpakte en den dijk opging, in de
-richting van de Veermanskade.....
-
-Hajo en Padde liepen den Westerdijk af, de poort door, daarna weer
-verder. Hajo voorop, Padde een halve schrede achter hem aan.
-
-Het was dien dag stil weer geweest, maar nu, tegen den avond stak de
-wind op.
-
-In Hajo’s binnenste stormde het. Padde wilde olie op de golven doen en
-begon te schelden op den onbekenden jongen. „Hij met z’n reederij! Met
-die schepen bedoelt hij zeker klompen met een mast er in!”
-
-Hajo antwoordde niet. Zijn grijze oogen tuurden ver voor zich uit, de
-zee over. Hij hoorde niet, wat Padde zei; hij zag de blanke, krijschend
-opvliegende meeuwen en ook de grijze kraaien niet, die krassend
-vluchtten op forschen wiekslag.
-
-Wat Hajo hoorde,—dat was de taal der zee! De zee sprak met Peter
-Hajo....., de zee, die lokte en bedwelmde, de zee, die zijn ziel
-verteren deed van onbevredigd verlangen. „Peter .....”, fluisterde de
-zee hem in het oor, „Peter....., Peter....., kom, Peter....., kom dan
-toch! Ik ben oneindig, Peter....., niemand kent me, Peter....., als je
-wist, Peter, wat voor verre, vreemde landen....., als je het geheim van
-den storm kende....., als je wist wat er schuilt in mijn peillooze
-diepten.....! Peter.....! Peter.....?!”
-
-Padde hijgde en blies en begon langzamer te loopen.
-
-Hajo merkte het, keerde zwijgend om. Nu ging het tegen den wind in;
-Hajo trok zich de muts van het hoofd, liet den zouten wind door zijn
-blonde haren vliegen.
-
-Padde waagde een nieuwe poging. „Laat die vent maar naar zee gaan! Wij
-hebben ’t hier best, hè, Hajo?” Maar toen hij geen antwoord kreeg, gaf
-hij het op.
-
-Zoo kwamen de jongens bij het vallen der duisternis weer de poort
-binnen. Hajo stevende in de richting van den Hoofdtoren.
-
-„Gaan we nog niet naar huis?” vroeg Padde.
-
-„Ga jij maar.”
-
-„Ik blijf bij je.”
-
-Bij den Hoofdtoren sloeg Hajo links om, de Veermanskade op, hield stil
-voor het woonhuis van schipper Bontekoe, stapte de stoep op, liet den
-zwaren klopper vallen.
-
-Sprakeloos bleef Padde staan.
-
-
-
-De dienstbode deed open, keek wantrouwend naar den wel onverwachten,
-maar haar lang niet onbekenden gast.
-
-„Is de schipper thuis?” vroeg Hajo. „Ik wil hem spreken.”
-
-„Jij??” vroeg de dienstbode.
-
-Padde vond zijn spraak terug. „Laat hem binnen!” schreeuwde hij. „Als
-je niet wil, dat ik morgen je emmers wéér omtrap!”
-
-„Stil, Padde!” zei Hajo. En tegen de dienstbode: „Zeg den schipper, dat
-ik mee naar den Oost wil. Toe, alsjeblieft.....”
-
-De dienstbode bleek een week hart te hebben. Ze was zoojuist van plan
-geweest de deur voor Hajo’s neus dicht te gooien, maar nu weifelde ze
-een oogenblik. „Mee naar den Oost?? Jij mee naar den Oost??”
-
-Toen riep van boven uit het huis een jongensstem: „Laat hem binnen,
-Aagje!”
-
-Hajo voer een rilling door het lichaam. Die stem..... was dat
-niet.....?!
-
-Hij werd binnengelaten. Maar toen hij zijn klompen buiten had neergezet
-en op zijn kousen op den dikken vloermat stond van het deftige portaal
-met z’n koperen luchter, was het tot Hajo’s begrip doorgedrongen, dat
-zijn laatste kans verkeken was. De jongen, met wien hij had gevochten,
-woonde hier in huis!
-
-
-
-Ook Padde, daarbuiten, had de stem herkend. Hij schold en tierde, dat
-het een aard had, en wachtte op het oogenblik, dat Hajo de deur zou
-worden uitgegooid. Toen dat niet gebeurde, ging Padde verbaasd op de
-stoep zitten en mijmerde wat voor zich heen.
-
-Het was stil op straat en volslagen donker geworden. Het licht van de
-huizen aan de overzijde der kade spiegelde zich zacht glanzend in het
-ijs; Padde kon aan den ganschen hemel geen enkel sterretje ontdekken.
-In de verte jankte ergens een hond; een schaatser kwam,
-kritsch-kratsch, de gracht af en..... Hé, was dat daarbinnen de stem
-van schipper Bontekoe niet?
-
-Weg was de stem weer. „Arme Hajo”, dacht Padde. „Arme vriend Hajo!”
-Maar die jongen uit Alkmaar kreeg van Padde op z’n ziel, papperlepap,
-dat stond vast!—Wat woei hier een tocht! Weer huilde de hond, nu veel
-dichterbij. Het lang aangehouden gejammer scheen eindeloos in den
-stillen, donkeren winteravond. Padde huiverde.
-
-Hoe laat zou het eigenlijk al zijn? Hij kon op z’n vingers natellen,
-dat hij laat genoeg zou thuiskomen om een pak slaag van zijn moeder op
-te loopen. „Ik heb het verdiend”, bekende hij zichzelf met een zucht.
-„Ze slaat hard, maar ze heeft groot gelijk, dat ze me slaat. Laten
-andere jongens hun moeder ook met eten wachten? Zou Harmen Lijsjens het
-doen? Of Thijs Veermanszoon, of Klaas van de Lage Dijk? Neen, nietwaar?
-En Hein van het Hazenpad? Zou Hein van het Hazenpad ooit wel eens een
-broek hebben gescheurd, behalve dan die keer, dat hij van Hajo een pak
-rammel heeft gekregen? Ik durf wedden, dat zijn moeder niets dan
-plezier van hem beleeft.—Zou ik naar huis gaan?”
-
-Padde richtte zich vastbesloten op. Maar mismoedig plofte hij weer
-neer. „’t Gaat niet”, zuchtte hij. „Zie je, zoo ben ik nou. Ik kan zoo
-moeilijk naar huis, als ik een vrind heb. Dat is bij vader net zoo, en
-daarom loopt hij van de eene kroeg naar de andere, en moeder zal wel
-denken: Padde? Padde gaat dezelfde kant op.”
-
-Een magere keeshond kwam de kade afdrentelen. Padde riep hem bij zich
-en streelde hem den kop. „Ben jij die muzikant van daareven? Je hebt
-heel mooi gezongen, hoor! Als ik wat voor je had, zou ik je ’t geven.”
-
-De hond likte zijn hand en besnuffelde zijn broekzak.
-
-„Drommels”, zeide Padde. „Dat is waar ook; jij hebt toch een echte
-hondenneus, beestje!” En hij diepte uit zijn zak een stuk brood op.
-„Kun je mooi zitten?”
-
-Zenuwachtig blaffend sprong het dier om Padde’s hooggeheven hand.
-
-„Luister dan tenminste even, Keesje! Kijk, voor dit stuk brood heeft
-m’n moeder moeten werken, weet je? Dat kan jou niet schelen, hè? Jij
-denkt: brood is brood en..... hap!—Laat me uitspreken, Keesje. Als ik
-groot ben, zie je, als ik in de bierbrouwerij ben van m’n oom,—nog even
-geduld!—dan wil ik—stil!—dan wil ik hard werken, om m’n moeder zooveel
-brood te kunnen geven..... als ze maar hebben wil! Ziezoo, daar is je
-brood!” En Padde zag toe hoe de keeshond het brood in een ommezien
-verwerkte. „Je hebt het eten nog niet verleerd”, zei hij, „al lijkt het
-me, dat je het niet vaak doet.”
-
-Padde richtte het hoofd op, toen hij in de richting van de herberg: De
-Drij Coninghen het lallend gezang van een paar dronken mannen vernam.
-Een traan welde in zijn oogen op. „Dag, Hajo”, zei hij zachtjens, „Dag,
-beste vriend, Hajo!” En tegen den hond, die zich bibberend tegen zijn
-dijen had gevleid: „Ik moet weg, Keesje. Vader komt thuis. Maar als hij
-m’n moeder of m’n zusjes en broertjes wil slaan, krijgt hij met mij te
-doen. Dat..... dat verzeker ik je.”
-
-Padde stond op, liet zich door den keeshond een pootje geven en spoedde
-zich langs de donkere straten naar huis.....
-
-
-
-
-
-
-
-
-SCHIPPER BONTEKOE
-
-
-Van terugkeeren was geen sprake meer: Hajo zat in de val. De dienstbode
-leidde hem door een breede, donkere gang in een deftige kamer. Daar
-moest hij maar wachten. En Hajo wachtte in het zweet zijns aanschijns.
-Hij keek vol ontzag naar de zware, gladgewreven eikenhouten meubelen;
-naar het glimmend gepoetste koper bij de indrukwekkende schouw; naar de
-in gouden lijsten gevatte teekeningen van schepen, waarbij er ook waren
-als een visch in mootjes gesneden, zoodat je er binnen in kon kijken;
-naar de zwaar fluweelen overgordijnen, en naar het fraaie tapijt dat
-brandde onder zijn sokken. „Wat moet jij hier, indringer!” riep alles
-hem toe. „Raak ons niet aan: je zou ons smerig maken. En wat ruik je
-naar paardehoeven!” De groote spiegel aan den wand lispelde hem in het
-oor: „Had jij je haren niet er eens kunnen kammen? Wat zie je er vies
-en zwart uit!”
-
-Hajo begon zich met de mouw van zijn jas aan een reinigingsproef te
-onderwerpen—zonder gunstigen uitslag. De mouw was ook zwart.
-
-Zou hij stilletjes wegloopen? De gang door en dan vlug de deur uit?
-Maar hij verwierp het plan even snel als het was opgekomen: men zou
-denken, dat hij iets had gestolen, en hem naloopen en roepen: „Houdt
-den dief!” Het bloed steeg Hajo naar de wangen.
-
-Hajo zat in de val. Hopeloos. Zoometeen zou de schipper
-binnenkomen—Hajo zag zijn statige figuur al!—en zeggen: „Jij, smerig
-manneke, jij wou mij spreken?? Jij, kwajongen, wou den gezagvoerder van
-de Nieuw-Hoorn spreken?! Pak je weg, galgebrok! Ik heb zoo juist het
-een en ander over je gehoord! ’t Is fraai, hoor!”
-
-En wat zou hij moeten antwoorden? „Schipper, hij vischte in mijn bijt?”
-De deur uit jagen liet hij zich niet! Hij zou op z’n dooie gemak de
-gang doorloopen en buiten z’n klompen aantrekken of er niets was
-gebeurd.
-
-Zou de schipper nog lang wegblijven? Hajo haalde diep adem. Hoe kwam
-het, dat hij zoo benauwd was? Z’n heele lichaam kriebelde,—natuurlijk
-omdat hij nog warm was van dat onzinnige sjouwen! Wat zou hij zeggen
-als de schipper binnenkwam? „Goeien avond, schipper?” Zoo, zonder erg?
-Hajo kromp even ineen, toen hij weer een blik in den spiegel wierp. ’t
-Was erbarmelijk zooals hij er uitzag. Van den anderen kant scheen de
-monsterachtig groote linnenkast voorover te willen vallen om hem te
-verpletteren.
-
-Arme Peter Hajo! Hij had wel kunnen grienen. Hij en grienen!
-
-Toen naderde buiten in de gang een zware tred. De deur opende zich:
-schipper Willem IJsbrantsz Bontekoe, gezagvoerder van den
-Oostinje-vaarder Nieuw-Hoorn, kwam het vertrek binnen.....
-
-„Goeien avond, jongeman!” zei de schipper vriendelijk. „Ik hoor, dat je
-me wat te vragen hebt?”
-
-Die vriendelijkheid was erger dan een pak slaag. Alles duizelde om
-Peter Hajo. Wat was dat nu? De schipper zette hem niet de deur uit?
-Stond hem zelfs welwillend te woord? Of school er een adder in het
-gras? Onmogelijk! In de klare oogen van den zeeman vond hij niets, dat
-op dubbelzinnigheid duidde.
-
-„Schipper”, stamelde hij, „schipper..... ik zou..... ik wil.....
-ik.....”
-
-Een glimlach verscheen op het gebruinde gelaat van den grooten man. „Ik
-had uit een verhaal van mijn neef opgemaakt, dat je vrij welbespraakt
-was”, zei hij.
-
-Daar had je het! Dus toch! Hajo’s kin beefde. Maar hij zei geen woord.
-
-De schipper kreeg medelijden. „Wel”, zei hij, „dan zal ik het woord
-maar doen. ’t Is goed. Je gaat mee.”
-
-„Mee.....?” stotterde Hajo, die het laatste stukje grond onder de
-voeten verloor.
-
-„Mee naar den Oost”, zei de schipper. „Met de Nieuw-Hoorn.”
-
-Hajo begon te trillen als een riet. „Nieuw-Hoorn.....” stamelde hij.
-„Oost.....?!”
-
-„Precies”, zei de schipper glimlachend. „Je schijnt me vlug van begrip.
-En ik hoor van mijn neef, dat je een paar stevige knuisten hebt en je
-de kaas niet van je brood laat eten. Dat zijn eigenschappen, die ik bij
-m’n volk noodig heb.”
-
-„Schipper!!” En Hajo maakte een beweging om Bontekoe’s handen te
-grijpen.
-
-Deze werd even verrast door zijn uitbarsting. „Wil je zóó graag mee?”
-
-Toen gebeurde iets wat Hajo in geen jaren overkomen was: Hajo griende.
-
-„Zoo-zoo”, zei schipper Bontekoe. „Je heet Hajo, hè?”
-
-„Jawel, schipper. Peter Hajo.”
-
-„Zoon van Harmen Hajo?”
-
-„Jawel, schipper. Maar vader is.....”
-
-„Ik weet het”, zei schipper Bontekoe. „Diezelfde nacht zijn er nog drie
-andere botters vergaan.” Hij zweeg een oogenblik en zei toen langzaam,
-zonder Hajo aan te zien: „Jouw vader, Peter Hajo, was een wakker man.
-Ik verwacht van zijn zoon hetzelfde.” Toen vroeg hij plots: „Je moeder
-vindt het toch wel goed, dat.....”
-
-„O, die vindt het best, schipper!”
-
-„Wat vindt die best? Dat je haar verlaat? Dat je weggaat?”
-
-„Ja zeker, schipper!”
-
-Bontekoe kon een glimlach niet onderdrukken.
-
-Maar zijn gelaat stond weer ernstig, toen hij vroeg: „Wat was je aan
-den wal, Peter Hajo?”
-
-„Smidsknecht, schipper.”
-
-„Tevoren nog wel eens wat anders gedaan?”
-
-„Jawel, schipper. Drogistenjongen in De Gouden Gaper.”
-
-„Beviel je dat niet?”
-
-„Nee, schipper.” En Hajo kneep het er angstig uit: „’k Ben er
-weggestuurd, schipper.....”
-
-„Zóó?? Hoe kwam dat zoo?”
-
-Hajo beet zich op de lippen. Hij kon den schipper toch niet zeggen, dat
-hij zoethout had gesnoept en de kat van den ouden drogist pillen had
-ingegeven om haar het muizenvangen te leeren?
-
-De schipper wilde hem helpen. „Ben je nog wel eens in een ander vak
-geweest?”
-
-„Jawel, schipper!” zei Hajo, blij, dat hij uit den brand was.
-„Loodgieter.”
-
-Bontekoe zette groote oogen op. „En..... eh..... dáárvoor?”
-
-„Metselaar, schipper.”
-
-„En tevoren??”
-
-Hajo moest even nadenken. „Ik geloof.....”
-
-„Breek je hoofd maar niet, Peter Hajo. Ik zie wel, dat je al heel wat
-hebt meegemaakt. Overal weggestuurd?”
-
-Hajo knikte. Met oogen, waarin de angst te lezen stond, volgde hij den
-schipper, die in gedachten verzonken het vertrek op en neer stapte.
-„Schipper”, kreunde Hajo, „ik zal..... ik wil..... ik beloof.....”
-
-Met een ruk keerde Bontekoe zich om en keek Hajo recht in het gelaat.
-Hajo voelde, dat die oogen dwars door z’n baadje heenzagen. En juist
-daarom doorstond hij den blik.
-
-„Luister, Peter Hajo”, zei de schipper. „Als je moeder geen bezwaren
-heeft, meld je dan morgen bij schipper Blok in de Jeroensteeg en zeg
-hem, dat je overmorgen met de Hoornsche Zon meegaat naar Texel, waar de
-Nieuw-Hoorn op goeden wind wacht.”
-
-„Jawel, schipper.....!!” Het klonk als een juichkreet. En met zijn
-roetknuisten veegde Hajo zich haastig over het gelaat, dat straalde van
-onmetelijk geluk..... en blonk van tranenvocht.
-
-„Doe dat niet”, raadde Bontekoe. „Je zult er heelemaal als een Moriaan
-gaan uitzien.”
-
-Hajo trok snel, als op heeterdaad betrapt, de vuisten weg. „Schipper,
-ik zal altijd.....”
-
-„Daar twijfel ik niet aan, Peter Hajo. Kwajongens zijn goed voor de
-wal; op een Oostinjevaarder hebben we mannen noodig. Als je moeder geen
-bezwaren maakt, sta je van morgen af op mijn scheepslijst. Denk er om,
-dat van de bemanning van de Nieuw-Hoorn geen kwaad woord gezegd mag
-kunnen worden, en dat in de groote mast een vlag wappert, die we
-tegenover de heele wereld moeten hooghouden. Verstaan?”
-
-„Verstaan, schipper”... Verdikkoppe, dat kwam er kranig uit!
-
-En toen een groot oogenblik: schipper Bontekoe, gezagvoerder van de
-Nieuw-Hoorn, stak den scheepsjongen Peter Hajo de hand toe. Hajo voelde
-het door al zijn leden trillen. De hand van zijn schipper!
-
-
-
-Bij de voordeur, in de gang, wachtte hem de jongen, die vanmiddag in
-zijn bijt had gevischt. „Ik heet Rolf”, zei deze. „We moeten maar goeie
-vrinden worden, want aan boord is mijn oom niet mijn oom, maar de
-schipper, en ik scheepsjongen; dat snap je!”
-
-„Ben je dan niet nijdig op me?” stamelde Hajo.
-
-„Nijdig??” vroeg Rolf. En zijn gelaat stond ernstig als altijd, toen
-hij er op liet volgen: „Dacht je dan, dat ik er jou in had laten
-visschen, als ’t mijn bijt was geweest?”
-
-
-
-
-
-
-
-
-MOEDER
-
-
-In het kleine, armoedige huisje in de Bagijnesteeg wachtte Peter’s
-moeder.
-
-Drie jaar geleden, in de nog in aller geheugen levende najaarsstormen
-van het jaar 1615, was de botter van haar man vergaan, en Peter’s vader
-en oom waren verdronken. Vrouw Hajo bleef met vier kinderen achter:
-Peter, twee meisjes, Antje en Maartje, nu twaalf en tien jaar oud, en
-Doris, die destijds nauwlijks loopen kon. Het was voor de
-zwaargetroffen weduwe een heele taak om, naast haar dagelijksch werk in
-huis, met naaien genoeg te verdienen om zich en haar kinderen te kunnen
-voeden en kleeden. Maar ze sloeg er zich door.
-
-Een groote zorg was het voor haar daarenboven, dat haar oudste jongen
-voor galg en rad dreigde op te groeien. Peter haalde van den vroegen
-morgen tot den laten avond kattekwaad uit; dagelijks kwamen klachten
-binnen, dat hij de heele buurt onveilig maakte. Haar man was de
-goedheid zelf geweest en kwam er niet gauw toe zijn kinderen te slaan,
-maar Peter had er hem verscheidene malen toe gebracht.
-
-Op zijn twaalfde jaar had Peter den wensch te kennen gegeven om te gaan
-varen. Van dien dag af had zijn moeder in ’t geheel geen rustig
-oogenblik meer. Ze trachtte op alle manieren hem in iets anders plezier
-te doen krijgen. Hij kwam eerst bij een schoenmaker in de leer, waar
-hij het drie volle weken uithield. Toen werd hij weggestuurd. Een
-leerlooier ontfermde zich over hem, maar werd er slecht voor beloond:
-den tweeden dag poetste Peter de plaat, omdat hij den stank van de
-looierij niet prettig vond. De leerlooier wilde evenmin Peter terugzien
-als Peter den leerlooier, en onze vriend belandde bij een slager. De
-eerste dagen, toen hij alleen maar vleesch behoefde rond te brengen,
-was alles botertje tot den boom: Peter zwierf met zijn vleeschmand aan
-den arm urenlang de haven rond. Toen kwam de dag, dat hij voor de
-eerste maal zou helpen bij het slachten van een koe. Onze Peter hield
-zich goed, maar toen het bloedige werk was afgeloopen, sloop hij met
-een kwaad geweten door sloppen en stegen naar huis. ’s Nachts deed hij
-geen oog dicht en den volgenden morgen weigerde hij kort en goed, weer
-naar de slagerij te gaan.
-
-De bokkingrookerij volgde. Peter verklaarde, als hij daar bleef, zelf
-tot een bokking te zullen worden gerookt en liep weg.
-
-Ook voor timmerman bleek hij niet in de wieg te zijn gelegd, evenmin
-voor metselaar, loodgieter of drogist. Eindelijk kwam hij in de
-smederij van meester Wouter. Daar was hij nu al een half jaar!
-
-Zijn moeder, die zich al met de gedachte verzoend had, dat haar Peter
-naar zee zou gaan—op het land wilde hij immers niet deugen?—voelde haar
-hoop weer opleven. Zou het nu eindelijk goed gaan? Haar zorgen bleven
-talrijk genoeg: Peter scheurde op onverklaarbare wijze zijn kleeren tot
-zelfs zijn muts toe, brak elk oogenblik wat en bezorgde haar
-doorloopend onrust, maar dat alles vergaf ze hem graag, wanneer hij nu
-maar eindelijk eenig blijk gaf, een bruikbaar mensch te willen worden.
-
-Was Peter Hajo ineens veranderd? Allerminst. De zaak lag eenvoudig zoo,
-dat de smederij hem van alle bedrijven op het land het minst afstootte
-en hij besloten had het zoo lang te harden, tot zich een gelegenheid
-zou voordoen het ruime sop te kiezen.
-
-Nu en dan had Peter Hajo zelfs wel schik aan het smidsbedrijf! Hij kon
-bij het balgtrekken de heele wereld vergeten, wanneer hij in de
-rossig-blauwe, onrustig lekkende vlammen tuurde, die tegen de piepende,
-krakende, knetterend barstende houtblokken een grimmigen veldtocht
-voerden. Steeds sneller trok Hajo den balg aan; steeds wilder dansten
-de lange vuurduivels. Ze grepen het weerlooze hout van alle kanten aan,
-omslopen het, wrongen zich listig met hun lenige lichamen tusschen de
-spleten door en staken honend de tongen uit, wanneer hun list gelukt
-was. Bezijden het tochtgat, waarboven de groote helroode vlammen
-oplaaiden, speelden kleine, blauwe duiveltjes krijgertje op zwarte,
-verkoolde lijken. Hajo was als in boeien geslagen. Dat leger roodrokken
-behoorde hem toe; hij kon ze tot dolle driestheid aanvuren; op zijn
-bevel bestegen ze hun rossen en vielen loeiend aan, klauterden over de
-muren van hout en grepen den ijzeren bout bij de keel, die star,
-onwrikbaar hun dollen aanval wachtte. Maar zie, daar begon de bout al
-te gloeien, meester Wouter legde hem op het aanbeeld, hief den hamer
-op; met een donderslag kwam het stalen blok neer; de vonken spatten uit
-den bout. Sa! Hou vast! Boem! Hoor het dreunen! Zoo werd de bout
-overwonnen.
-
-En dan van den zomer! Toen de boeren met hun jonge paarden waren
-gekomen, die voor het eerst beslagen zouden worden! Sapperloot, daar
-moesten de beestjes niets van hebben. En wat een wonder! Peter Hajo zou
-zich ook niet laten welgevallen, dat men hem van die gloeiende ijzers
-aanspijkerde. Ze beten en sloegen—je moest op je tellen passen!
-
-Als de boer, wien het paard behoorde, naar de markt was en baas Wouter
-even den rug had gekeerd, maakte Hajo van de gelegenheid gebruik om,
-floep! met een fikschen sprong op den paardenrug te wippen. Dan kwam
-het op vasthouden aan! Hajo greep met z’n vuisten in de manen, trok de
-beenen naar achter om niet gebeten te worden, en dan .. dan schaterde
-hij het uit. „Zie, dat je me er afkrijgt!” Ha-ha-ha! Hij lag maar zóó
-niet op den grond! Sapperdekriek: als hij zat, zat hij ook!
-
-
-
-Maar Peter Hajo’s moeder lachte niet dien avond, dat ze op haar oudsten
-zoon wachtte. Een uur geleden was de hoefsmidsvrouw uit De IJzeren Man
-bij haar geweest en had met haar schelle stem gezegd: „Al is m’n man
-dan een sul, ik ben het niet! Ik zal er voor zorgen, dat die strop van
-een jongen niet weer over m’n drempel komt! Nu is het met m’n goedheid
-afgeloopen!”
-
-Peter’s moeder had niets geantwoord.....
-
-Zwijgend was er gegeten; moeders gedruktheid werkte terug op de
-kinderen.
-
-Toen Antje, Maartje en Doris naar bed waren, was moeder met haar
-naaiwerk bij den haard gaan zitten. Ze zei tegen zichzelf, dat ze heel
-boos was op haar Peter, omdat hij van zijn werk was weggeloopen en zich
-zoo weinig aan zijn moeder stoorde, dat hij met eten niet thuis kwam en
-haar liet wachten, avond aan avond, terwijl hij kattekwaad uithaalde.
-Ze zou hem vragen, of zij het aan hem verdiend had, dat hij haar leven
-zoo vergalde, en of hij ook wist hoe vader op dit oogenblik wel over
-hem zou denken.
-
-Zou het wat helpen? Peter was licht ontroerd; ze wist, dat hij ondanks
-alles zielsveel van zijn moeder hield en geheel te goeder trouw
-beterschap zou beloven. Maar zou hij zijn belofte kunnen houden? Zou
-hij—aangenomen, dat baas Wouter hem toch nog weer bij zich nam—over een
-week niet opnieuw wegloopen?
-
-„De zee zit hem in het hoofd”, zuchtte ze. De zee—dat zou tenslotte
-toch nog het eenige zijn. Daar kon hij niet wegloopen als het hem in
-den zin kwam; daar heerschte onverbiddelijk strenge tucht; daar zou
-zijn teugellooze zin tot avonturen bevrediging vinden. Maar dat had nog
-den tijd. Welke schipper zou een veertienjarigen jongen aannemen?
-
-En dan.....! Peter’s moeder beet zich op de lippen, naaide met bevende
-handen verder.
-
-Buiten sloeg de torenklok. Zeven uur al! Waar zou hij toch zoo lang
-blijven? Haar „boosheid” maakte plaats voor onrust. Groote God, hij zou
-toch niet onder het ijs liggen?!—Dwaasheid! Was het niet honderdmaal
-gebeurd, dat hij haar had laten wachten?—Maar de gedachte liet haar
-niet los en folterde haar. Tenslotte werd ze zoo onrustig en
-opgewonden, dat ze haar werk terzijde moest leggen.
-
-Ze wachtte en wachtte.....
-
-Zou ze eens in de steeg gaan zien of hij er aankwam? Ze stond op. Wel,
-als ze nu toch ging kijken, kon ze meteen wel even een doek omslaan en
-naar de haven doorloopen. Haar besluit was genomen. Maar toen ze
-opstond, meende ze ineens..... Snel keerde ze op haar schreden terug,
-ging weer zitten, nam haar naaiwerk op en deed alsof ze heelemaal niet
-had willen uitkijken. Ziezoo, nu zou ze nog ééns probeeren..... Met
-kloppend hart zat ze in haar stoel, gebogen over haar werk.
-
-Toen werd de deur opengerukt; haar jongen stortte naar binnen, wierp
-zich in haar armen en snikte: „Moeder! Moeder! Ik ga naar zee!!”
-
-Dat werkte! Peters moeder werd er heelemaal bleek van. Ze klemde haar
-armen om zijn hoofd en overdekte het met kussen. „M’n jongen! Mijn
-jongen! Hoe is..... is dat zoo op eens.....”
-
-„Schipper Bontekoe..... Nieuw-Hoorn..... Texel..... Oostinje.....”
-bracht Peter er uit. „Ik zal alles vertellen!”
-
-„Goed, m’n jongen”, zei moeder. En terwijl ze met groote oogen staarde
-naar de buitendeur, die nog wijd openstond, herhaalde ze toonloos: „Dat
-is goed.....—Doe nu de deur dicht, Peter.”
-
-En ze liet Peter’s hoofd los en wankelde naar de kast, waar zijn koud
-geworden eten te wachten stond.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HET GROOTE AFSCHEID
-
-
-Reeds vroeg in den volgenden morgen klopte Padde tegen de ruitjes van
-het kleine huisje in de Bagijnesteeg. Hajo deed hem open en bazuinde
-zijn vriend het groote nieuws tegemoet.
-
-Padde sloeg er haast van achterover. „Heere m’n tijd, hoe moet het nou
-met mij?”
-
-„Vraag of je ook mee mag”, stelde Hajo weifelend voor.
-
-„Ik mee??” riep Padde. „Denk je dan, dat ik mee wil?! Ik ga toch in de
-bierbrouwerij van m’n oom? Dan weet je wat je hebt!”
-
-Hajo vertelde alles, wat zich had afgespeeld, sinds hij Padde had
-verlaten. „En morgen ga ik met de Hoornsche Zon naar Texel, Padde!”
-
-„Onmogelijk!” riep Padde ontzet uit. „Ze zullen een dagje moeten
-wachten!”
-
-„Waarom is het onmogelijk?” vroeg Hajo.
-
-„Waarom??” Padde spalkte zijn oogjes open. „Je moeder moet toch een
-uitzet naaien, en je moet hier ook nog van de heele stad afscheid
-nemen!”
-
-„M’n moeder is vannacht aan m’n uitzet begonnen”, zei Hajo. „En dat
-afscheidnemen in de stad is binnen een uur bekeken.”
-
-„Dat zal je niet meevallen!” verzekerde Padde. „Vooruit, trek je
-klompen aan: we beginnen dadelijk!” En hij ging op zijn vingers
-natellen, van wie Hajo zoo al afscheid zou moeten nemen.
-
-„Ik moet ook even naar schipper Blok, om te zeggen.....”
-
-„Groote Genade!” stamelde Padde. „Ik heb al zeven-en-dertig menschen,
-waar je heen moet! Ben je klaar?”
-
-„Ik kom!” Hajo ging naar de achterkamer, waar moeder druk met naaiwerk
-bezig was. Hij kuste haar innig en ging met Padde mee.
-
-„Luister goed”, zei Padde. „Ik heb altijd gedaan wat jij wou, en daar
-heb ik geen spijt van. Maar vandaag ben ik de baas. Jij bent veel te
-veel van streek om zelf alles te regelen. Ik ben kalm, dat zie je wel,
-dat ik kalm ben, en daarom zal ik het doen. Ik zou voor geen schelling
-willen, dat je er met afscheid nemen eentje oversloeg, en ik later de
-praatjes moest hooren.”
-
-Hajo liet zich, voor het eerst in zijn leven, door Padde leiden. Zijn
-oogen straalden het overgroote geluk uit, dat zoo onverwacht op hem was
-neergedaald.
-
-„Naar baas Wouter!” beval Padde. En hij sloeg de richting van de
-smederij in.
-
-„’t Is niet goed met de baas”, stelde Hajo vast, toen hij den
-korzeligen hamerslag vernam, waarin niets van het blijde rythme lag,
-dat het hebben kon, wanneer de baas in een goeie bui was.
-
-„Hij zal van z’n lieve Leentje wel weer eens op z’n tabernakel hebben
-gekregen”, meende Padde. Hij opende de deur der smederij, stapte naar
-binnen. „Morgen, Wouter! We komen afscheid nemen!”
-
-Meester Wouter liet den hamer zinken. „Satansche jongen!” was al wat
-hij zei.
-
-„Wees niet boos op me, baas, dat ik gisteren.....”
-
-„Hij gaat naar den Oost”, zei Padde. „’t Is de vraag of hij ooit zal
-terugkomen.”
-
-„Naar den Oost?” vroeg Wouter, plots met een trilling in zijn stem.
-„Jij, Hajo?”
-
-„Ja, baas.”
-
-„Met de Nieuw-Hoorn!” zei Padde. „Heb je geen oude kist, Wouter? Om als
-scheepskist te gebruiken, zie je? Daarvoor zijn we gekomen.”
-
-Wouter had Hajo zijn zwarten smidsknuist toegestoken. „Ik ben niet
-boos, hoor! Waarachtig niet! Wil je wel gelooven..... hm! En een kist
-heb ik ook wel voor je. Waarachtig wel! Ik zal er banden omslaan, dan
-kan-ie tegen een stootje.”
-
-„Zou je over de hoeken ook geen plaatjes leggen?” stelde Padde voor.
-
-„Komt in orde”, zei baas Wouter.
-
-Hajo wilde hem bedanken. „Baas, ik......”
-
-„Sssst!” gromde Wouter. „Schreeuw niet zoo! Als m’n vrouw het
-hoorde..... nou, dan waaide er wat voor je!—Zeg... eh, als jullie de
-kist straks komt halen, loop dan achterom en niet langs de voordeur. ’t
-Is maar, zie je.....”
-
-Padde knipte met z’n oogjes. „Gesnapt, Wouter. Als ze ons met die kist
-zag loopen..... nou, dan waaide er wat voor je hè?”
-
-„’t Is alleen om de stoep”, gromde Wouter. „Die wordt zoo smerig van al
-dat geloop.”
-
-De knapen gingen heen. En de voor zijn stoep zoo bezorgde smid oogde
-het tweetal na. Toen dwaalde zijn blik even door de leege werkplaats en
-hechtte zich op de verlaten plaats onder den blaasbalg. „Satansche
-jongen!” mompelde hij. Hij snoof even, veegde zich over de wangen, hief
-grimmig den hamer op en liet de smidse dreunen.
-
-„Naar schipper Blok”, beval Padde.
-
-Ze liepen langs het raadhuis, den Rooden Steen over, lieten de Waag
-links liggen en gingen het Groote Oost af. Het was nog niet heelemaal
-licht; de straten waren leeg, op een enkele melk- of turfkar na.
-
-Zoo kwamen ze in de Jeroensteeg bij schipper Blok’s bescheiden woning
-aan. Padde liet met een gewichtig gebaar den klopper vallen.
-
-Er werd niet opengedaan.
-
-„Daar kon hij nog wel eens spijt van hebben!” meende Padde. „Een van de
-manschappen van de Nieuw-Hoorn in de kou te laten wachten!” Hij wilde
-met den klopper juist een roffel slaan, toen er een knip werd
-weggeschoven, de deur half geopend, en door den kier een hand met een
-melkkan verscheen. „Vier maatjes, Kobus”, klonk een vrouwenstem.
-
-„Knap maar!” gromde Padde en trok Hajo weer mee. „Kom, dan gaan we nu
-maar eerst naar Truitje Cannegieter. Daar zijn ze al lang op, want haar
-vader moet om zes uur op het werk zijn. Meisjes zijn geweldig op
-afscheidnemen gesteld!”
-
-Truitje Cannegieter woonde in de Leliestraat. De jongens moesten dus
-weer dwars de stad door, langs het Gouw en dan de Turfhaven over.
-
-Truitje, een lichtblond, blozend meiske met een kort, rood lijfje en
-een blauw baaien rok, was al ijverig bezig het straatje voor de
-huisdeur te schrobben. „Zoo!” riep ze vroolijk, toen ze het
-onafscheidelijk tweetal zag naderen. „Waar gaan jullie naar toe?”
-
-„Naar Oostinje”, zei Padde. „Nou ja: ik natuurlijk niet. Ik kom in de
-bierbrouwerij van m’n oom, dan weet je wat je hebt. Maar Hajo gaat met
-de Nieuw-Hoorn mee. Tegen de wilden vechten.”
-
-„Oh!” riep Truitje. „Is het heusch? En breng je een aapje voor me mee?”
-
-„Je krijgt een papegaai”, beloofde Padde.
-
-„Als ik er een machtig kan worden.....” weifelde Hajo.
-
-„Je hebt ze maar te grijpen”, verzekerde Padde. „Maar achter de kop,
-want ze bijten! Een andere vraag is, of jij wel levend terug zult
-komen, Hajo.....”
-
-„Ja, wees maar voorzichtig!” ried Truitje moederlijk aan.
-
-„Je kunt zoo voorzichtig zijn als je wilt, Truitje”, zei Padde, „maar
-voor je er op verdacht bent, heb je een giftige pijl in je lever.”
-
-„Wat griezelig!” stamelde Truitje, verbleekend.
-
-„Griezelig is het goeie woord”, verzekerde Padde. „Die wilden daar
-springen van de eene boom op de andere, net eekhoorns. Het eenige wat
-je er tegen doen kunt is ze er uit te schudden. En dan al die slangen,
-tijgers, olifanten en krokodillen! In de boomen hangen noten als
-kanonskogels, die geregeld op je kop vallen, als je er onder gaat
-slapen!”
-
-„Hoe weet je dat allemaal?” vroeg Truitje ontzet.
-
-„Dat heeft dronken Roeltje me zelf verteld. Moet je hem eens over de
-menscheneters hooren! Ze staan met zùlke messen klaar om je levend te
-villen. Jongens van veertien zijn het lekkerst, zeggen ze.”
-
-„Onzin!” zei Hajo. „Je duwt ze maar een paar kralen of gepoetste duiten
-in de hand, en ze denken er niet meer aan je een haartje kwaad te doen!
-Gewoonlijk willen ze je dan met de dochter van zoo’n
-menscheneteropperhoofd laten trouwen.”
-
-„Dat zou je toch zeker nóóit doen?” vroeg Truitje.
-
-„Nooit!” zei Padde. „Hij laat zich liever levend verslinden. Ga eens
-kijken, Truitje, of je bij geval wat kralen voor ons hebt. ’t Gaat om
-z’n leven, dat begrijp je.”
-
-„Kralen??”
-
-„Nou ja, alle ouwe rommel is goed. Lapjes, rinkelbellen, wat je maar
-missen kunt. Zoek maar goed; wij zullen wel wachten. Want daarvoor zijn
-we gekomen.”
-
-Toen Truitje naar binnen was gegaan, wendde Padde zich tot Hajo: „Zie
-je nou, dat je voor het afscheidnemen wel een dag of wat noodig zult
-hebben?”
-
-„Op die manier wel”, lachte Hajo.
-
-„Het is de eenige goeie manier”, stelde Padde vast.
-
-„Ik wou, dat ik maar vast op de Nieuw-Hoorn zat, Padde!” En Hajo kneep
-zijn vriend in den arm, zuchtte van blijde spanning.
-
-Padde zweeg en keek voor zich uit.....
-
-Een ander meisje kwam uit de voordeur, Truitje’s twintigjarige zuster
-Sijtje, even frisch, blozend en stevig als haar jongere zusje. Ze hield
-iets onder haar schort verborgen. Na een snellen blik achteruit in het
-voorhuis te hebben geworpen, wenkte ze Hajo. „Kom eens even hier,
-Peter?”
-
-„Ja”, zei Padde en deed een schrede voorwaarts.
-
-„Nee, ik moet Peter hebben.”
-
-Padde bleef grommend staan. En Hajo werd naar binnen geloodst. Achter
-de deur hield het meisje hem staande en fluisterde: „Je gaat met de
-Nieuw-Hoorn mee, hè?”
-
-Hajo knikte.
-
-„Nou, daar is ook een Fries aan boord! Hij heet Hilke. Hilke Jopkins!
-Die moet je dit maar geven, wil je?” En Sijtje haalde van onder haar
-helder boezelaartje een paar enorme, paars-wollen handschoenen te
-voorschijn.
-
-„Sokken?” informeerde Hajo.
-
-„Handschoenen!” zei het meisje, ietwat beleedigd.
-
-„Ze zijn zoo reusachtig groot.....”
-
-„Vind je? Ja,..... och, hij is heelemaal nogal groot! En met
-handschoenen, dat weet je ook wel, is het beter te groot dan te klein.
-En vind jij het dan soms mooi, als een man van die kleine handjes
-heeft, net als een meisje? Ik vind het gewoon afschuwelijk. En jij?”
-
-„Ik ook”, verzekerde Hajo.
-
-„Nou”, vervolgde Sijtje, tevreden. „Zeg hem dan maar, dat ze nog niet
-klaar waren, toen hij hier was, anders had ik ze hem dadelijk
-meegegeven. En..... eh, als je kunt, zorg er dan voor, dat hij wat
-voorzichtig is, wil je? Hilke is altijd zoo vreeselijk onvoorzichtig.”
-
-„Ik zal er voor zorgen”, beloofde Hajo.
-
-Sijtje keek hem liefkoozend aan. „Hier!” fluisterde ze, terwijl ze uit
-een zak onder haar rokken een zeer, zeer rijk gekleurde das opdiepte,
-„die is voor jou, beste jongen. Ik heb ’m eigelijk voor Hilke gehaakt,
-zie je, als hij terugkomt, maar nou is ie voor jou.” Ze zuchtte even.
-„Ik heb toch tijd genoeg om nog een andere te haken.....—Kom hier,
-kereltje, dan zal ik je de das omstrikken.” En vol aandacht en zorg
-knoopte ze de das om Hajo’s hals; beide eindjes waren op een halven
-duim even lang, en de das hing precies in het midden.
-
-„Je bent een lieve meid, Sijtje”, verzekerde Hajo.
-
-„Malle jongen! Zeg Hilke, dat ie me eens schrijft. Zul je ’t doen?”
-
-„Ja, Sijtje.”
-
-„En dat ie gauw terugkomt. Zul je?”
-
-„Ja, Sijtje.”
-
-„En zeg ’m, dat.....” Op het onverwachtst begonnen Sijtje’s lippen te
-beven.
-
-„Ik zal ’t ’m zeggen”, beloofde Hajo.
-
-Toen gebeurde weer iets, wat niemand verwachten zou: Sijtje nam Hajo’s
-blonden kop in haar handen en zoende den verbouwereerden knaap op beide
-wangen, dat het klapte. „Ga nou maar”, fluisterde ze haastig, toen in
-de gang voetstappen klonken.
-
-Buiten brak Hajo bijkans den hals over Padde, die op z’n knieën voor
-den deurkier lag. „’n Schat van ’n meisje!” verzekerde Padde met
-eenigszins schorre stem.
-
-„Wat?! Heb je geluisterd?!”
-
-„En alles gezien! Vergeet die handschoenen niet te geven! En let ’n
-beetje op Hilke. Dat laatste zeg je ’m natuurlijk niet!”
-
-„Wat?”
-
-„Dat ze je gezoend heeft.—Laat me die das eens kijken? Alsjeblieft,
-vijf kleuren! Die das is met liefde gebreid, Hajo!”
-
-Truitje kwam terug met een verfomfaaide pop, een half kapotte
-rinkelbel, een koperen, ineengedeukte vogelkooi, een verroesten
-koffiemolen, een mombakkes en een verzameling gekleurde kraaltjes.
-Schuchter omziend, knipte ze het touwtje door, waarmee een
-handwerkschaartje aan haar hals was bevestigd. „Hier, neem dit ook maar
-mee. Ik zal wel zeggen, dat ik het verloren heb.”
-
-Padde was in de wolken. Hij ging zorgvuldig na, in welken staat de
-verschillende kostbaarheden verkeerden, liet de rinkelbel rammelen en
-Hajo het mombakkes opzetten. Toen hij den koffiemolen ontdekte, sprong
-hij een el hoog de lucht in. „Truitjelief, jij bent nog er eens ’n
-meid! Een koffiemolen! Ga nou maar gerust naar de wilden, Hajo! Met een
-koffiemolen bij je, hoef je nooit bang te zijn! Ik ken hoopen lui, die
-aan een koffiemolen hun leven te danken hebben. En die zeggen allemaal:
-Naar Oostinje? Best! Maar niet zonder koffiemolen!”
-
-„Zou ik alles op het schip mogen brengen?” vroeg Hajo weifelend.
-
-„Wat dacht je dan?!” zei Padde verontwaardigd, „’n Menschenleven is
-geen kleinigheid!”
-
-„Vooruit dan maar! Dan kan ik in die kooi meteen Gerrit meenemen!”
-
-Gerrit was een tamme torenkraai, die al twee jaar lang lief en leed met
-Hajo deelde.
-
-„Nou, we moeten weg!” zei Padde.
-
-„Ja. Ik dank je wel, hoor, Truitje! En ik zal nog er eens om je denken,
-als ik zoo’n zwartjeshoofdman die pop in z’n vingers douw”.
-
-„Praat me er niet van, Peter!” zuchtte het meiske. „Goeie reis, hoor,
-en kom me maar levend terug.”
-
-Padde kon slecht tegen hartroerende tooneelen: een dikke traan biggelde
-over zijn wang en bleef aan zijn kin hangen, want Padde had beide armen
-vol en zag geen kans, den traan weg te vegen. „Nou naar Jansje Bezem”,
-zei hij met gebroken stem.
-
-„Wéér een meisje?” vroeg Hajo.
-
-Padde keerde zich verbaasd om. „Wou je soms van jongens kralen los
-krijgen?”
-
-„Maar heb je dan nòg niet genoeg?”
-
-„Ik begin pas!—Juist zulke kleinigheden redden je leven, Hajo! Vraag ’t
-maar aan Roeltje! Kralen, knoopen..... hemeltje, knoopen hebben we nog
-niet! Denk er om, dat je die in elk geval meekrijgt!”
-
-Jansje Bezem woonde in de Hanekamsteeg, en dus moesten onze beide
-vrienden opnieuw de heele stad door.
-
-„Had je ’t met afscheidnemen niet wat handiger in kunnen pikken?” vroeg
-Hajo. „We sjouwen op die manier driemaal meer dan noodig is.”
-
-„Breng me niet in de war”, zei Padde. „Ik heb genoeg aan m’n hoofd.”
-
-„Nou, maar ik vertik het langer. Ik moet niets van al die meisjes
-hebben!”
-
-„Wat? Van Jansje Bezem niet?!”
-
-„Van Jansje Bezem heelemáál niets.”
-
-„Hoe is ’t mogelijk!” zei Padde. „’t Is een schat van een meisje!”
-
-„Zoo. ’t Kan, maar ik heb er nooit wat van gemerkt. Wel, dat ze snibbig
-is en nooit haar mond houdt.”
-
-„Als je eens wist, wat een ezel je bent”, zuchtte Padde. „Waarachtig,
-je màg Jansje Bezem niet overslaan!”
-
-„Nu, voor mijn part dan. Maar ik wil eerst naar Doove Nelis, daar zijn
-we nu toch vlak in de buurt.”
-
-Padde haalde de schouders op en volgde Hajo grommend naar het kleine
-huisje van Doove Nelis, een ouden zeerob, die in z’n goeie dagen met
-Willem Barendts op Nova Zembla had overwinterd, later doof was geworden
-en in Hoorn zijn laatste jaren sleet te midden van scheepjes in
-flesschen en duizend-en-een reisherinneringen. Hoe vaak had Hajo niet
-z’n tijd vergeten, als Doove Nelis aan het vertellen was?—Van Doove
-Nelis wilde Hajo in de eerste plaats afscheidnemen.
-
-De ouwe baas stond juist op het punt om zijn gewone morgenwandelingetje
-langs de dijken en de haven te maken. Maar toen de jongens
-binnenkwamen, trok hij zijn jas weer uit en zei Grietje, zijn
-goedmoedige huisvrouw, koffie te zetten.
-
-Hajo gebruikte de handen als spreektrompet en schreeuwde Doove Nelis
-zijn groote plan in het oor.
-
-„Dat mag ik hooren!” zei Nelis, terwijl hij vergenoegd met zijn hoofd
-knikte. „Zoo zoo, met schipper Bontekoe! Een puik schipper!
-
-Een beste, brave ouwe!—Varen, m’n jongens, dà’s het mooiste wat er is.
-Daar kè-je met landrotten niet over klesse; dat moet je voelen, hè? Als
-je op je schuit staat en je kijkt zoo eens schuins langs je bezaansmast
-en je zegt zoo losweg: Makker, zeg je, wat voor weer steekt er achter
-’t zeil? of: bootsman, wat dacht-ie, wanneer zouden we weer d’r eens
-land voor de boeg krijgen?..... wat je dan voelt, dat weet alleen een
-zeeman. Varen, jongens, dat mot in je bloed zitten, dat kè-je niet
-leeren. Je moet het ruiken of er ergens riffen of banken liggen; je
-moet het ruiken of je kan uitvaren of niet. En, jongens, je moet meer
-van je schuit houwen as van jezelf! Als er een storm staat, dat je meer
-zeewater as soep binnenkrijgt, moet je niet denken: Heer in den hoogen
-hemel, red mij! Nee! Dan moet je denken: Genade voor m’n schuit! Dan
-ben je een varensgast! .. Zie je, als je zoo midden op de oceaan
-dobbert en je zit ’s avonds wat te kletsen over je wijf en je kinders,
-hè, nou, en in ’t vooronder leggen me die apen van jongens van d’r lui
-meissies te zingen, zie je..... dat moet je voelen. Daar ken je met
-landrotten niet over klesse.....”
-
-Hajo liet z’n oogen dwalen, luisterde zwijgend: hij was al op den
-oceaan.
-
-„En de zeeziekte?” riep Padde. „Wat doe je tegen zeeziekte?”
-
-Doove Nelis gromde wat en was niet erg spraakzaam meer.
-
-„Kom”, zei Padde daarom, „we moeten verder.”
-
-De jongens stapten op; Hajo nam met tranen in de oogen afscheid van
-zijn ouden vriend. Bij de deur duwde Grietje Padde een fleschje in de
-hand, waarin zich een soort olie bevond. „Hier, Padde, bewaar jij het
-maar voor hem. Het is ’t beste middel tegen zeeziekte.”
-
-Padde sloeg een gat in de lucht. „Groote genade, Hajo! Dat is me een
-pak van het hart!” En hij borg het fleschje zorgvuldig onder zijn pet.
-
-De knapen vervolgden hun weg naar Jansje Bezem in de Hanekamsteeg. Was
-het gedachteloosheid van Padde, toen hij op het Groote Oost, inplaats
-van recht door te loopen, de Bottelsteeg insloeg naar de Appelhaven,
-waar hij woonde? Ze waren al twintig passen de steeg in, toen Hajo
-stilhield. „Waar gaan we naar toe, Padde?”
-
-Padde trok een verwonderd gezicht. „Naar Jansje Bezem! Waar anders
-heen?”
-
-„Dan maken we nu een omweg.”
-
-„Zou je denken?”
-
-„Ik denk het niet; ik weet het. En jij weet het net zoo goed als ik,”
-
-„Mij best”, zuchtte Padde. En met een martelaarsgezicht maakte hij
-rechtsomkeert. Maar twee huizen verder hield hij weer stil en greep
-Hajo bij den arm. „Zeg..... eh, Hajo....! Nou we tòch eenmaal hier
-zijn, kunnen we eigenlijk ook wel even langs mijn huis loopen, vind je
-niet? ’t Is nog geen tien passen om!”
-
-„Maar wat zouden we er moeten doen?”
-
-„Dat vraag je nog? Natuurlijk afscheid nemen van mijn moeder!”
-
-„Zou die er erg op gesteld zijn?”
-
-Padde slikte iets weg. „Nou, en òf ze er op gesteld zal zijn!”
-
-Hajo weifelde.
-
-„Je hoeft niet”, verzekerde Padde, ietwat beleedigd. „Ik zal je niet
-dwingen! ’t Laat mij natuurlijk ijskoud, dat snap je wel, nietwaar? Dat
-kun je op je vingers natellen, hè?”
-
-Hajo aarzelde nog even, sloeg toen de richting van de Appelhaven in.
-
-Padde’s gelaat straalde.
-
-Zijn moeder, een groote, bleek uitziende vrouw, was bezig de smalle
-gang te dweilen, die naar haar huisje en nog enkele andere krotten
-voerde, welke een gemeenschappelijke bleek en een groentetuintje
-hadden. Vóór op straat wierpen een paar zusjes en broertjes van Padde
-elkaar met modder.
-
-„Blijf daar!” riep Padde’s moeder haar oudsten zoon toe, toen hij met
-Hajo het gangetje wilde binnengaan. „Vóór het eten kom je me niet in
-huis. En dan je smerige klompen uit. Begrepen?”
-
-Padde kuchte en schoof Hajo voor zich. „Peter gaat naar Oostinje,
-moeder. Met de Nieuw-Hoorn! Schipper Bontekoe heeft hem dadelijk
-aangenomen! Hij komt afscheid nemen!”
-
-„Wacht daar dan maar even”, zei de vrouw. En zwijgend werkte ze voort.
-
-„Goed, moeder”, antwoordde Padde snel. „We zullen wel even..... we
-zullen wachten”. En tegen Hajo verklaarde hij, terwijl hij hem weer
-meetrok: „We hebben nu den tijd! Als ik geweten had, dat we zoo gauw
-ergens een koffiemolen zouden opduikelen..... En dat middeltje tegen de
-zeeziekte! Jansje Bezem geeft ons wel knoopen. O, heertje, zooveel we
-maar hebben willen! Trouwens—ze is met dat gangetje in twee tellen
-klaar. Geschrobd is ie al, hè, en dweilen, nou, dat is in een
-ommezientje bekeken. Wil ik je eens vertellen hoe dronken Roeltje aan
-een koffiemolen z’n leven heeft te danken?”
-
-Hajo knikte half luisterend met het hoofd.
-
-Maar Padde kon niet meer aan het woord komen, want z’n broertjes en
-zusjes hingen hem al om den hals. „Rijden!” schreeuwden de kleuters.
-„Hop, paard!” En Padde galoppeerde en sloeg met de achterpooten als een
-vurige hengst.
-
-Toen kwam zijn moeder naar voren. Ze veegde zich de haren voor het
-gezicht weg, stopte Hajo een in een rooden zakdoek geknoopt bundeltje
-in de handen, keek hem streng aan en zei met haar zware stem: „Geef dat
-aan je moeder. Zeg haar ook, dat ik morgen een uurtje kom helpen, want
-ze zal het druk hebben met je uitrusting.”
-
-„Morgen gaat hij al weg, moeder”, zei Padde.
-
-„Dan kom ik vanmiddag. Nu heb ik geen tijd. Ben je door Wouter
-weggestuurd?”
-
-De beide knapen schudden eenstemmig ontkennend het hoofd. „Wouter
-timmert zelfs nog een kist voor hem!” zei Padde. „Met ijzeren banden,
-en plaatjes om de hoeken!”
-
-„Dat valt me mee van een galgebrok als jij bent”, zei de vrouw tot
-Hajo. „Je moeder is veel te goed voor je geweest. Op zee zullen ze je
-wel beter leeren!”
-
-„Ik zal zorgen, dat ik geen slaag krijg”, antwoordde de jongen.
-
-Padde’s moeder keek even op van de kordaatheid, waarmee dat er uitkwam.
-Een schaduw van een glimlach gleed langs haar stroeve mondhoeken. „We
-zullen zien of je woord houdt! Wees zuinig op je goed en spaar wat je
-verdient voor je moeder.”
-
-Hajo beet de lippen opeen. „Zou ik tòch gedaan hebben”, zei hij.
-
-Maar Padde’s moeder had het alweer te druk om Hajo nog te woord te
-kunnen staan,—nu met het herstellen van de orde onder de kleinen,
-tusschen wie een huil- en vechtpartij was ontstaan. Ze tilde den
-hoofdschuldige bij zijn ooren van den grond op en droeg hem naar het
-turfhok om hem op te sluiten. In het voorbijloopen knikte ze Hajo toe.
-„Ik hou je aan je woord!” riep ze. „Goeie reis!”
-
-Padde trok zijn vriend ter zijde. „Laat eens kijken?” vroeg hij, op het
-roode bundeltje wijzend.
-
-Hajo knoopte het los. Er zaten een broek en een paar sokken in.
-
-Padde betastte de voorwerpen eerbiedig. „Dat is mijn nieuwe broek”, zei
-hij. „Zondag zou ik ’m voor het eerst aankrijgen. ’n Mooie stof, hoor!
-En ijzersterk. En die sokken heeft ze van den herfst gebreid.”
-
-Hajo werd er ietwat verlegen onder. „Jouw broek?” vroeg hij.
-
-„Ja. Net als die sokken. Die waren anders ook voor mij geweest. Maar
-da’s niks, hoor: ze breit wel weer nieuwe.”
-
-„Maar moet ik die zakdoek ten minste niet.....?”
-
-„Teruggeven? Welnee! ’t Is vaders zakdoek voor de kerk. Nou ja, daar
-gaat hij toch nooit naar toe, want als ie Zaterdagsavonds
-thuiskomt.....” Padde’s stem trilde. „Vooruit!” zei hij, „we gaan naar
-Jansje Bezem!”
-
-
-
-Toen de jongens tegen den middag weer in de Bagijnesteeg aanlandden,
-waar moeder met het eten wachtte, bleek duidelijk, dat de Hoornsche
-meisjes, hoe ondeugend Hajo dan ook mocht wezen, hem toch niet door
-menscheneters wilden laten verslinden. Als Hajo op staanden voet een
-uitdragerij had begonnen, zou zijn fortuin zijn gemaakt.
-
-Met een stralend gezicht zette hij een prachtige, sterke kist voor zijn
-moeder neer. „Van Wouter gekregen! ’t Is een èchte scheepskist! En dit
-is van Padde’s moeder, kijk eens hoe mooi! Van middag komt ze zelf om
-met m’n uitzet te helpen”.
-
-Moeder knikte, terwijl ze het bundeltje losknoopte. Ze wilde nog wat
-antwoorden, maar kwam niet goed uit haar woorden.
-
-
-
-’s Avonds, toen de kinderen naar bed waren gebracht, zei moeder:
-„Peter, je moet afscheid nemen van je broertje en je zusjes, want
-morgen ga je weg, vóór ze wakker zijn.” Haar stem was rustig en werkte
-kalmeerend op Hajo’s verwarde gedachten. Hij ging naar de achterkamer,
-waar Doris en Maartje en Antje sliepen, boog zich over hun bedstee en
-beloofde papegaaien en kokosnoten, apen, tijgers, jonge olifanten en
-menscheneters in een kooi te zullen meebrengen. En bij elke belofte
-biggelden hem heete tranen over de wangen. Hij kuste de zachte kopjes
-en kwam met onvaste schreden in de voorkamer terug, waar hij zijn
-moeder in den stoel bij den haard zag zitten. Ze lachte hem vriendelijk
-toe.
-
-„Kom eens bij me zitten, Peter”, zei ze. „We zullen voor het laatst
-eens wat praten, hè? Heel kalm, als verstandige menschen. Want er zijn
-een paar dingen, die even moeten worden geregeld.—Kijk, hier is de
-sleutel van je kist. Aan een touwtje, zie je wel? Buk je hoofd eens,
-Peter, dan zal ik hem om je hals hangen. Zoo..... nu kun je hem niet
-verliezen. En hier is een zakje waarin ik drie guldens heb genaaid,
-voor het geval, dat je in verlegenheid mocht komen. Hang het onder je
-hemd als je straks gaat slapen. ’t Is niet zoo heel veel, Peter,
-maar..... maar.....”
-
-„Moedertje”, snikte Hajo, „wat moet ik met al dat geld doen! Jij hebt
-het zoo noodig! Jij moet het gebruiken voor Maartje en Antje en Doris
-en ook voor jezelf. Ik verdien toch geld?”
-
-„Stil!” zei moeder. „Als het schip..... als je schipbreuk mocht
-lijden..... dat zakje kun je niet verliezen en..... Vaders bijbeltje
-heb ik ook in je kist gedaan en een lokje haar van ons allemaal. Dan
-heb je tenminste iets wanneer je aan ons denken wilt.—Over twee jaar
-kom je pas terug. Je zult dan een groote, sterke jongeman zijn
-geworden, die héél wat meer heeft gezien dan vader of ik. Al dien tijd,
-Peter, zal ik..... zal ik rustig wachten en vast vertrouwen, dat alles
-goed gaat. En, Peter, van mij, als je ooit eens verdrietige
-oogenblikken hebt, zeg dan maar gerust, zeg dan altijd maar gerust:
-mijn moedertje denkt aan mij..... Beloof je me dat, Peter?”
-
-„Moedertje!” kermde Hajo.
-
-„Dan is het goed, m’n jongen. En nu moet je naar bed gaan. want het is
-goed, dat je morgen een flinke nachtrust achter de rug hebt.” Ze sloeg
-haar armen om hem heen.
-
-En Peter Hajo, scheepsjongen op den Oostinjevaarder Nieuw-Hoorn, liet
-zich, tegen zijn moedertje gedrukt, als een heel klein jongetje naar
-bed brengen.
-
-Hij kleedde zich uit, zonder zich bewust te zijn, dat hij het deed.
-Maar door de wolk van grauw, die voor zijn oogen hing, schitterde heel
-ver weg iets bonts en vreemds, dat zijn hart deed zwellen van opwinding
-en blijdschap.....!
-
-Zijn moeder ging stil, om de kinderen niet te doen wakker schrikken,
-naar de voorkamer. Ze leunde tegen den haard en bleef een oogenblik
-staan met al de kalmte, waarover een moeder beschikt, als ze daar juist
-afscheid genomen heeft van haar jongen, die naar den Oost gaat.
-
-Toen begonnen haar schouders te beven, en ze borg het hoofd in de
-handen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-PADDE DOET ZIJN VRIEND UITGELEIDE
-
-
-Om negen uur in den morgen van den acht-en-twintigsten December 1618
-zou de Friesche tjalk De Hoornsche Zon den schipper Willem IJsbrantsz
-Bontekoe naar den Oost-injevaarder Nieuw-Hoorn brengen, die voor Texel
-op gunstigen wind lag te wachten om uit te zeilen.
-
-Ruim zeven uur dien zelfden ochtend, toen de duisternis nog om de haven
-hing, kwamen twee jongens bepakt en bezakt de Veermanskade afhollen in
-de richting van de aanlegplaats.
-
-„Ik kan niet meer”, hijgde de dikste van de twee. „Loop jij door, Hajo,
-jij mag in geen geval te laat komen.”
-
-„Maar ’t is nog veel te vroeg, Padde! ’t is nog lang geen negen uur!”
-
-Padde wilde hem verwijten, dat hij overstuur was, maar verslikte zich.
-
-Zoo kwamen ze bij den Hoofdtoren. „We zijn de eersten!” riep Hajo.
-
-Padde sukkelde hijgend en blazend in een drafje voort tot hij bij de
-tjalk was aangeland. Daar zette hij den omvangrijken last, dien hij
-torste, neer, ging op de gedeukte kooi van Truitje Cannegieter
-zitten—tot groot ongenoegen van Gerrit, die onrustig op zijn stokje
-heen en weer dribbelde en verwijtend door de tralies gluurde—en veegde
-zich het zweet van het gelaat. „Ziezoo”, zei hij. „Nu kan die smerige
-tjalk zonder jou niet meer wegzeilen”.
-
-„Laten we zoolang op en neer loopen”, stelde Hajo voor.
-
-„Loopen?! Heb ik vanmorgen nog niet genoeg geloopen?”
-
-„Maar je vat kou, Padde, als je daar blijft stilzitten!”
-
-„Dan kruip ik in m’n bed. ’k Heb toch niks beters te doen, als jij er
-niet meer bent.” En Padde bleef zitten en keek weemoedig naar De
-Hoornsche Zon, die zachtjes deinde op den kalmen golfslag.
-
-Hajo bleef nog een tijdje staan, ging toen naast Padde zitten. Hij
-trachtte met zijn oogen den grauwen morgennevel te doorboren. Van heel
-uit de verte drong het loeien van een misthoorn tot hem door. Dan werd
-het weer stil, op het zachte klotsen van het water na.
-
-Die rust om hem heen deed Hajo goed: in gedachten nam hij nog eens
-afscheid van zijn moeder en beloofde haar, zich als een man te zullen
-gedragen. Hij begon nu als scheepsjongen; over een paar jaar kon hij
-matroos zijn en later..... wie weet of hij niet nog eens als..... ja,
-’t kòn toch, nietwaar?..... als bootsman een reis ging maken! Bootsman
-Hajo! Wat zou zijn moeder trotsch zijn! „Heb je ’t gehoord?” zouden de
-menschen zeggen. „Als jongen twaalf ambachten dertien ongelukken, en
-nou.... wie had dat gedacht!.... bootsman Hajo!”
-
-Hajo hoorde naast zich een licht geronk. „Padde! Slaap je?”
-
-Eerst geen antwoord. Toen steunde Padde diep, geeuwde hartgrondig en
-huiverde. „Dacht je dan, dat ik vannacht een oog heb dichtgedaan?”
-
-Daar kwam schipper Blok met zijn twee zoons aanzetten. „Jullie zijn
-vroeg genoeg!” riep hij onzen beiden vrienden lachend toe. En op de
-vogelkooi en al wat er om heen lag wijzend, vroeg hij: „Moet die rommel
-allemaal mee?”
-
-„Dat is geen rommel!” voer Padde uit.
-
-„Goed, dan is ’t geen rommel”, zei Blok gul. „Gooi het maar achter in
-de bak. Maar de bootsman van de Nieuw-Hoorn zal je zien aankomen! Die
-is lang niet mak!”
-
-„Die bootsman zal wel beter weten wat er voor een Oostinje-reis noodig
-is!” verzekerde Padde.
-
-„Nou, ’t zal me benieuwen”, zei Blok. Hij sprong in de tjalk en begon
-met de hulp van zijn zoons en Hajo den mast op te zetten. „Oostenwind”,
-zei hij. „Tot Enkhuizen is het opwerken. Dan zijn we d’r gauw.”
-
-Kwart voor negenen kwam Rolf aanstappen met een kist onder den arm.
-Hajo holde hem tegemoet, en de jongens drukten elkaar de hand.
-
-„Rolf!” zei Hajo, „’t spijt me nog, dat ik je voor pennelikker heb
-uitgemaakt!”
-
-„Ja”, zei Padde, die er ook bij was gekomen. „Ik heb gezegd, dat ik je
-zou aframmelen als ik je weer tegenkwam, maar dat trek ik terug.”
-
-„Knip jij altijd zoo met je oogen?” vroeg Rolf.
-
-„Knap maar”, zei Padde. En Rolfs kist besnuffelende, vroeg hij: „Is dat
-alles wat je meeneemt?!”
-
-„Het is genoeg”, meende Rolf.
-
-„Heere m’n tijd”, zei Padde. „Je bent al net zoo overstuur als Hajo!”
-
-Het was allengs geheel licht geworden. En eindelijk, toen negen bronzen
-slagen galmden uit den toren van de groote kerk, en het tegelijk in den
-Sint-Anthonius helder te kleppen begon, kwam een gezelschap heeren, met
-Bontekoe in hun midden, het havenhoofd afwandelen.
-
-„Dezelfden als eergisteren, Padde!” fluisterde Hajo.
-
-„Die doen mijn oom tot Texel uitgeleide”, zei Rolf. „Die lange met dat
-bleeke gezicht is koopman Rol; die gaat mee naar Indië. Om voor de
-Compagnie zaken te doen.” En evenals Hajo en Padde, welke laatste zelfs
-een soort buiging maakte, trok hij zich eerbiedig de muts van het
-hoofd.
-
-„Goeden morgen, mannen!” wenschte Bontekoe hun met gulle
-zeemanshartelijkheid toe. Hij liet een monsterenden blik over zijn
-beide kranige scheepsjongens gaan en schonk den kleinen, dikken,
-buigenden Padde een welwillenden glimlach. Daarna gingen de heeren
-vroolijk koutend de loopplank over naar de tjalk. Rolf drukte Padde de
-hand en sprong aan boord. De zoons van schipper Blok gooiden de touwen
-los, waarmee de tjalk vastlag.
-
-Voor Hajo en Padde was het oogenblik van afscheid gekomen. De oogen vol
-tranen stonden ze tegenover elkaar en zochten naar woorden.
-
-„Hajo.....!”
-
-„Padde.....!”
-
-„Hajo..... beste Hajo.....!”
-
-„Padde..... beste, goeie Padde.....!”
-
-Hajo durfde niet langer talmen. Hij wendde zich verward, snel af en
-ging de loopplank over.
-
-De plank werd ingetrokken.
-
-Met een gelaat, waarin de wanhoop zich spiegelde, stond Padde aan den
-kant en zag toe, hoe de tjalk zich van den wal losmaakte. Toen, op het
-laatste oogenblik, zette hij met een kreet af en sprong....!
-
-Blok ving hem op en heesch hem binnen boord. Padde was met zijn voeten
-in het water terechtgekomen.
-
-„Hajo!” snikte de arme jongen, terwijl hij het water uit z’n klompen
-liet loopen. „’t Gáát niet.....! Ik breng je tot Texel.”
-
-Bontekoe had met een zijdelingschen blik Padde’s acrobatentoer
-waargenomen. „Daar heb je me waarachtig die zelfde springer weer!” riep
-hij. „Wat moet er met hem gebeuren, Blok?”
-
-Blok was de kwaaiste niet. Hij wist, dat Hajo en Padde onafscheidelijke
-vrienden waren. „Laat ’m maar meegaan”, antwoordde hij lachend. „Dan
-kan hij meteen de Nieuw-Hoorn eens zien! Die is wel ’n kijkje waard!”
-
-Maar toen Padde zijn bezinning terug had gekregen, sloeg hem de schrik
-om het hart. Waar zou dat op uitdraaien, als hij weer thuiskwam?!
-„Heila!” riep hij een paar visschers toe, die bezig waren hun botter
-ijsvrij te kappen. „Zeg jullie aan m’n moeder, dat ik even ben
-meegegaan naar Texel?”
-
-De visschers grinnikten. „Ze slaat je beide beenen stuk”, zei er een.
-
-„Dan ken je m’n moeder slecht!” riep Padde spijtig, terwijl een paar
-dikke tranen in zijn oogen sprongen. En toen de visschers meesmuilend
-de schouders ophaalden, schreeuwde de de arme jongen hun woedend toe:
-„Bovendien! Zijn het jouw beenen?!”
-
-De tjalk zeilde den ijsgang door en kwam in vrij water. Bontekoe stapte
-op Padde toe. „Wil jij later ook gaan varen?”
-
-Padde schudde vol onverholen afschuw het hoofd. „Ik kom in de
-bierbrouwerij van m’n oom! Dan weet je wat je hebt.”
-
-Bontekoe mat Padde glimlachend van het hoofd tot de voeten. „Je hebt
-groot gelijk, hoor. ’n Best vak!” En Bontekoe zette zich bij de heeren,
-die achter in de tjalk hadden plaats genomen.
-
-„Ik voel me nou al beroerd van dat ellendige schommelen”, verklaarde
-Padde, toen hij bij Rolf, die voorin zat, belandde. En slechts de
-overtuiging, dat zijn vriend het later nòg noodiger zou hebben,
-weerhield hem om uit Grietjes fleschje te proeven.
-
-„Je voeten zullen wel koud zijn”, zei Rolf.
-
-Padde voelde het als een verwijt. „Spring jij ’ns zoo’n end!” gromde
-hij.
-
-Hajo zat bij den mast en keek met nog vochtige oogen naar de flauwer
-wordende omtrekken van het stadje, dat zachtkens in de sluiers van den
-nevel wegzonk. Toen kwam suizend de boom aanscheren: het zeil werd
-omgegooid. Hajo bukte bliksemsnel het hoofd en voelde zich weer in de
-werkelijkheid verplaatst.
-
-Tot Enkhuizen moest er gelaveerd worden; daarna verliep de vaart
-vlotter. Ze kregen nu den golfslag aan stuurboordzij, zoodat de tjalk
-geducht heen en weer zwaaide, en het Padde slecht te moede werd. Zijn
-oogen verfletsten; hij werd akelig bleek. „Ik wou, dat ik maar dood
-was”, verklaarde hij.
-
-„Wil je wat uit Grietjes fleschje?” vroeg Hajo.
-
-Er was een oogenblik van heftigen tweestrijd in Padde. Maar zijn goede
-inborst zegevierde. „Je denkt toch niet, dat ik zeeziek ben?” vroeg
-hij. „Dat fleschje helpt me niks. Ik ben wat beroerd, omdat ik vannacht
-geen oog heb dichtgedaan; dat is alles.” En om te bewijzen, dat dat
-„alles” was, boog hij zich snel overboord, om zich eerst na geruimen
-tijd nog veel bleeker om te draaien.
-
-Het was zonnig weer. Een blauwe lucht. De Oostenwind hield staag aan.
-
-„Als het zoo blijft, varen we nog vanmiddag uit”, zei Bontekoe tot de
-andere heeren. „Wat denk jij van den wind, Blok?”
-
-„Dat ie mooi is uitgeschoten en goed vast zit, schipper!”
-
-Een uur later kwam Texel in het zicht. De gele duinen blonken in het
-zonlicht; hier en daar schitterde een rood dak, en..... en.....!
-
-„De Nieuw-Hoorn!!!” schreeuwde Hajo, terwijl hij met de hand naar voren
-wees. „Padde!” En hij greep zijn makker bij den arm en duidde hem
-opgewonden een vlekje met een paar rechtopstaande lijntjes. „Padde dan
-toch! Kijk, Padde!!”
-
-„Ik zie niks”, beweerde Padde. „M’n oogen doen zeer van den slaap. Maar
-ik zal..... ik zal je uitrusting halen”. En Padde wankelde naar de
-plaats, waar Hajo’s kist en ruilmateriaal geborgen waren.
-
-„Er ligt er nog een!” riep Rolf. „Daar, links er van!”
-
-„D’r liggen d’r drie”, zei Blok. „Maar de middelste moeten we hebben.”
-
-Bontekoe zag intusschen vol belangstelling toe, hoe Padde bezig was
-Hajo’s hebben en houwen naar voren te sleepen. „Van wie is dat alles?”
-vroeg hij.
-
-„Van Hajo, schipper.”
-
-„Wel-wel! Roep jij Peter Hajo eens even hier?”
-
-Padde rook onraad. „’t Is om te ruilen, schipper. Tegen de wilden!”
-
-„Als je in m’n dienst stond, zou ik je voor dat tegenspreken in het
-eindje touw laten bijten”, zei Bontekoe.
-
-Toen haastte Padde zich om ’s schippers bevel op te volgen.
-
-„Hou je taai”, fluisterde Rolf Hajo in het oor. „Hij is heelemaal niet
-kwaad.”
-
-Maar Hajo voelde zich allesbehalve „taai”, toen hij voor den schipper
-stond.
-
-„Is dat jouw uitrusting, Peter Hajo?” De stem klonk onheilspellend.
-
-„Ja-jawel, schipper.”
-
-„Wat wou je met dat alles doen??”
-
-„Inruilen, schipper.....”
-
-„Wou jij op eigen houtje handeldrijven en de Compagnie benadeelen?”
-
-„Handel drijven, schipper.....?”
-
-Padde was weer naderbij gekomen. „’t Is om z’n leven te redden,
-schipper.....”
-
-Bontekoe keek verwonderd op. „Ik spreek met hem en niet met jou.”
-
-Padde begreep er niets van. „’t Is m’n vrind, schipper.”
-
-„Pak je weg, of je gaat overboord!” fluisterde Blok den dapperen Padde
-toe.
-
-Dat werkte. Padde keerde subiet om en ging naar Rolf, al pruttelend
-over de tegenwerking, die Hajo ondervond.
-
-Bontekoe liet een onderzoekenden blik over het rommeltje gaan. „Wat wou
-je met die kraai doen? Ook inruilen?”
-
-„Nee, schipper. Dat is Gerrit. Die gaat..... die gaat voor de
-gezelligheid mee.....”
-
-„Voor de gezelligheid. Zoo-zoo. Hoe kom je aan Gerrit?”
-
-„Uitgehaald, schipper. Toen ie nog jong was.”
-
-„Ka!” schreeuwde Gerrit.
-
-De heeren konden hun vroolijkheid niet verbergen, en Hajo schepte moed.
-„’t Nest zat in de galmgaten van de Sint-Anthonis, schipper. De koster
-heeft er niets van gemerkt.”
-
-„Hoeveel jongen zaten er in?” vroeg Bontekoe.
-
-„Drie, schipper.”
-
-„Drie? Gewoonlijk heeft ’n kraai er vier, hè?”
-
-„Jawel, schipper, deze ook. Maar ik had er een uitgehaald.”
-
-Bontekoe beet zich op de lippen. „Nu, ’t valt me tenminste mee, dat je
-er drie hebt laten zitten. Is ’t daar goed mee afgeloopen?”
-
-„Jawel, schipper. Schouwen Doedes heeft er een van, en Klaas van den
-Hoogen Dijk had er twee, maar eentje heeft zich aan een pier verslikt.
-’k Had ’m ’t nest verkocht. Maar Gerrit is de slimste, schipper! Hij
-verstaat alles! En wegvliegen doet-ie ook niet meer.”
-
-„Is hij zoo tam?”
-
-„Ja, schipper. Ik heb ’m gekortwiekt.”
-
-De heeren begonnen te lachen. „Kijk eens, Peter Hajo”, zei Bontekoe,
-„als mijn bootsman Folkert Berentsz. je met zoo’n inboedel aan boord
-ziet stappen, gooit hij jou mèt Gerrit in de Noordzee. Daarom is het ’t
-beste, dat je hem zegt: de schipper vraagt of er een plekje voor vrij
-is.—Verstaan?”
-
-„Jawel, schipper!” Hajo glunderde.
-
-„Snij dan maar uit.”
-
-Dat deed Hajo. Zijn hart woog licht als een veertje, toen hij naar
-voren ging.
-
-Ook Padde was opgetogen en stak zijn vreugde over den gunstigen uitslag
-niet onder stoelen of banken. Maar Hajo luisterde niet naar hem, keek
-zijn oogen uit naar de Nieuw-Hoorn, die grooter en grooter werd. Hoe
-trotsch hief het schip zijn hoogen steven uit het groen-grijze water!
-Langzamerhand kon Hajo de gebeeldhouwde figuren van den fraaien spiegel
-onderscheiden, het rank uitgebouwde galjoen, de dreigende
-geschutpoorten met de ronde vuurmonden.....
-
-Boem! Boem! Twee blanke wolkjes stegen aan weerszijden van het schip
-op, en in hetzelfde oogenblik wandelde langs een lijntje een bonte doek
-naar het topje van den grooten mast: de vlag der Oost-Indische
-Compagnie! Blok liet zich niet onbetuigd en hiesch den Hoornschen
-Eenhoorn. Hajo rilde van opwinding. Hij had een haast onweerstaanbaren
-drang om luid: Hoera! te schreeuwen en te gaan dansen op den planken
-vloer. Dat was nu zijn schip! Dat was het schip, dat hem door duizend
-gevaren en avonturen heen zou brengen naar het groote droomland.....
-Indië!
-
-Een half uur later legde De Hoornsche Zon zich tegen de Nieuw-Hoorn
-aan. Een touwladder werd omlaag geworpen; de heeren klommen naar boven.
-Daarna volgde Hajo, achter hem Padde, om te helpen dragen, en ten
-slotte Rolf.
-
-„Vang je me, als ik val?” riep Padde klagend omlaag. En toen, een
-hartverscheurenden kreet slakend: „M’n koffiemolen!!”
-
-Een plons duidde aan, dat de koffiemolen te water was geraakt. Met
-bevallige schommelbewegingen zonk hij de diepte in.
-
-„Ka!” riep Gerrit verschrikt.
-
-En Rolf zei, bedaard als altijd: „Ik heb hem haast op mijn hoofd
-gekregen.”
-
-„Terug!” jammerde Padde. „Hajo moet de koffiemolen meehebben!”
-
-„Hij is gezonken”, antwoordde Rolf op een graftoon. „Je zult er naar
-moeten duiken. Vooruit, schiet op, anders val jij ook nog op m’n
-hoofd.”
-
-Al jeremieerend vervolgde Padde de klimpartij. Zoo kwamen ze boven,
-waar een stelletje janmaats hen met hoongelach ontving. „Groentjes!”
-werd er geroepen. „Ik ruik landrotten!—Een kraai!”
-
-„We zijn met z’n drieën,” zei Rolf. „Als ze een vinger uitsteken, slaan
-we er op.”
-
-Hajo beet de tanden opeen.
-
-En Padde schreeuwde: „Vooruit! Wijs ons waar we heen moeten!”
-
-Allen begonnen te proesten. Maar een goedige kok met wit voorschoot en
-een blozend gelaat kwam op de jongens toe en zei: „Laat ze maar lachen.
-Ze meenen het zoo kwaad niet. Kom mee, ik zal jullie naar ’t vooronder
-brengen.”
-
-„Dat zou ik ook denken!” mopperde Padde.
-
-Zoo kwamen ze, na een trapje te zijn afgedaald, in de slaapplaats voor
-het volk. „Hier, deze matten zijn vrij,” zei de kok. „Ja, de beste
-plaatsen zijn natuurlijk weg; je hebt hier nogal eens kans op een
-zeetje. Maar dat went wel, hoor. Stop die rommel maar gauw weg, voor de
-bootsman ’t ziet! Maar waar moeten we met die kraai heen? Die hou je op
-den duur onmogelijk verborgen.”
-
-„Ka!” bevestigde Gerrit.
-
-„Hoeft ook niet”, zei Padde. „De schipper kent ’m.”
-
-„Dat scheelt een duit op een stuiver”, verklaarde de kok. „Hier is een
-spijker, hang daar de kooi maar zoolang aan op. Ziezoo,—nou kun je het
-verder wel vinden. Ik heet Bolle. Ja, ik heet eigenlijk anders, maar de
-maats noemen me Bolle, omdat ik met Kerstmis en nieuwe jaar altijd van
-die lekkere bollen bak, zeggen ze. Dat treffen jullie dus net. Ja, ik
-zelf lust ze niet, hoor!”
-
-„Waarom niet?” vroeg Padde.
-
-„Omdat ik me er tegen heb gegeten. Op een kaperschip. Dat zal ik jullie
-weleens vertellen. En Maleisch zal ik je ook leeren. Stom-eenvoudig.
-Ajer is water, kapal is schip, en wat je niet weet, dat blijft zoo.” En
-Bolle verdween met een vriendelijken hoofdknik. „Zie maar gauw, dat je
-die rommel wegkrijgt! Als Berentsz. ’t ziet.....!”
-
-De jongens bleven alleen en keken in het rond.
-
-„Die kok moet je te vrind houden, Hajo!” raadde Padde. „Ik zou die
-bollen ook weleens willen proeven.”
-
-„Om van de schrik over de koffiemolen te bekomen?” vroeg Rolf.
-
-Padde zuchtte. „Praat me er niet van! Je zult zien, dat de reis
-verkeerd afloopt. Die Berentsz. schijnt ook een kwaaie te zijn!”
-
-„Er is hier niet veel frissche lucht,” stelde Rolf vast. En hij gooide
-een luik open.
-
-Padde jammerde nog wat door over zijn koffiemolen. Eindelijk werd hij
-er moe van, geeuwde ontzagwekkend en zuchtte: „Daar zitten we nou. Daar
-heb ik verkleumde voeten voor opgehaald en den heelen nacht voor wakker
-gelegen, om hier te zitten zonder koffiemolen! Kom, ik ga ’t schip eens
-bekijken. Gaan jullie mee naar boven?”
-
-„Zoometeen”, was Rolf’s antwoord. „Peter en ik moeten eerst ons boeltje
-nog wat schikken, en ik voor mij eet ook even m’n boterham op.”
-
-Op het woord „boterham” keek Padde om. „Ja-ja”, zuchtte hij en aarzelde
-met weggaan.
-
-Rolf begreep. „Hier, Padde, neem jij dit.” En hij duwde hem een pakje
-boterhammen in de hand.
-
-„En jij dan?” vroeg Padde, het papier openvouwend.
-
-„Ik heb in m’n kist nog genoeg.”
-
-Padde zette z’n tanden in het brood. „Mm! Rookvleesch! Die moeder van
-jou heeft het goed met je voor, zeg!”
-
-Hij, noch Hajo merkte op, dat Rolf zich plotseling afwendde.
-
-Padde geeuwde nog eens hartgrondig en vervolgde: „Ik zal toch maar vast
-naar boven gaan. De lucht is hier nog altijd even beroerd.” En hij
-wankelde het trapje op, stootend tegen een deurpost.....
-
-Een kwartier later wilden Rolf en Hajo hem volgen. Maar ze hadden hun
-neus nog niet buiten de deur gestoken, toen een zware stem hun
-toebulderde: „Donder en bliksem! Loopen jullie nou al te luibuizen?!
-Daar staat een schrobber! Water is d’r zat, kijk maar om je heen. En
-jij, alsjeblief, een zwabber! Wat hij schrobt, zwabber jij. Verstaan?”
-
-„En wat moet ik schrobben, bootsman?”
-
-„Donder en bliksem! Wàt je schrobben moet?! Het schip moet je
-schrobben! Wou jij de zee schrobben? Je begint bij ’t achterste
-boevenet en eindigt met ’t galjoen en de boegspriet. Als ik straks nog
-een smerig plekje vind, word je allebei gekielhaald. Vort! Aan het
-werk!” En Folkert Berentsz., bootsman op den Oostinjevaarder
-Nieuw-Hoorn, vervolgde zijn gevreesden ommegang.
-
-Hajo pakte den schrobber en sloeg verwoed aan het werk.
-
-Maar Rolf mat met zijn oogen de geduchte oppervlakte van het schip en
-zei toen, terwijl hij Hajo meevoerde: „We zullen ons vandaag tot het
-achterdek bepalen. Het is onmogelijk om in één middag het heele schip
-te schrobben,—en dat weet donder en bliksem ook wel.”
-
-
-
-Terwijl de beide jongens schrobden en zwabberden, dat het rondom
-spatte, ging schipper Bontekoe na, of alles voor de uitreis gereed was.
-De wind beloofde Oost te zullen blijven, en de schipper stuurde een
-paar booten naar den wal om versch water te halen. Rolf zag, hoe het
-aan boord geheschen werd. „We gaan vandaag weg,” zei hij tot Hajo. „Nog
-vlugger dan ik dacht.”
-
-„Maar hoe weet je, dat we weggaan?”
-
-„We nemen water in. Dat is altijd het laatste wat er gebeurt.”
-
-Hajo keek rond. „Waar zou Padde zitten? Ik zie hem nergens.”
-
-„Hij zal naar z’n koffiemolen visschen”, meende Rolf vroolijk. „Wacht,
-daar komt Blok aan.—Heb jij Padde soms gezien, Blok?”
-
-„Jawel, die ligt onder in de tjalk te snurken. Ik ga zoometeen weg,
-maar ik zou ’m maar kalm op één oor laten. Anders gaat ie nog mee naar
-Oostinje!”
-
-„Ja-ha!” lachte Rolf. „Dat zou voor de bierbrouwerij van z’n oom een
-schadepostje zijn.”
-
-„En, jongens?” vroeg Blok. „Kennen jullie de bootsman al zoowat?”
-
-„Nou!” zei Rolf. „Beter dan hij mij kent.”
-
-Blok schudde met vroolijken spot het hoofd. „Da’s andere koek dan bij
-Wouter ’n beetje in ’t vuur blazen en ’s avonds appelen rapen in ’t
-Sinte Clarens, hè?” En lachend daalde hij weer den valreep af naar de
-tjalk.
-
-De jongens zetten hun werk weer voort.
-
-Hajo boende van heb-ik-jou-daar! Elk plekje, dat hij had geschrobd,
-bekeek hij met voldoening. Dat plekje kende hij, en het kende hem.
-
-Hajo was bezig een innige vriendschap te sluiten met de Nieuw-Hoorn!
-
-
-
-Een poos later greep Rolf zijn makker bij den arm. „Daar.... gaat de
-tjalk!”
-
-Hajo staarde met groote oogen naar het wegzeilend vaartuigje, dat Rolf
-hem wees. Toen snelde hij naar de verschansing en zag, dat De Hoornsche
-Zon inderdaad was weggevaren. „Padde!” schreeuwde hij. „Dag, Padde!!!”
-En met den grooten, rooden zakdoek, dien Padde’s moeder hem gegeven
-had, wuifde hij uit alle macht, terwijl de tranen hem over de wangen
-biggelden. „Dag, Padde!! Padde!!!”
-
-Hij merkte het niet, dat het op het benedendek rumoeriger werd; het
-heen en weer hollen der maats hoorde hij niet, noch het klapperen der
-ankerpallen en het verwarde stemmengeroezemoes achter en om en beneden
-hem. „Dag, Padde!! Padde!” riep hij. En hij wuifde, wuifde al maar
-door.
-
-Toen dreunde het onder de planken vloer onder zijn voeten: donderende
-kanonschoten deden zijn ooren daveren; een wolk van rook omhulde het
-schip. Half bedwelmd wendde Hajo zich om. In het want en op de ra’s
-krioelde het van janmaats; de zeilen werden losgegooid en sloegen
-klappend uit in den wind, tot gebruinde knuisten ze hadden vastgesjord;
-een machtig: Hoera!!! steeg op uit twee honderd kelen.
-
-Hajo hield zich vast aan het want; haalde diep adem.
-
-De Nieuw-Hoorn stak in zee.
-
-
-
-Droomend hingen Rolf en Hajo over de verschansing en tuurden naar het
-grijze streepje land, dat smaller en smaller werd. Zwijgend blikten ze
-over de wijde, groenige watervlakte, rondom het schip gemarmerd door
-het schuim. Een paar meeuwen dwaalden om de masten, met kalmen,
-geluidloozen wiekslag.
-
-Toen..... hoorden ze achter zich een licht gedruisch. Ze wendden zich
-om en..... en..... zagen vanuit het gat van het vooronder het bleeke,
-van slaap vertrokken gelaat verschijnen van Padde, die stotterend
-vroeg: „Wat..... wat was dat met die kanonnen, Hajo?”
-
-
-
-
-
-
-
-
-OP ZOEK NAAR DEN BOTTELIER
-
-
-Aan de zware, eikenhouten tafel in de groote scheepskajuit van de
-Nieuw-Hoorn zaten schipper Bontekoe en koopman Rol tegenover elkaar. De
-eerste bestudeerde ingespannen een groote zeekaart en mat met een
-passer enkele afstanden. De koopman liet zijn oogen gaan over lange
-cijferreeksen, maakte nu en dan een aanteekening en verdiepte zich in
-nieuwe tabellen met cijferreeksen.
-
-Stilte in het vertrek. Stilte, die volkomen paste bij de waardige,
-haast plechtige stemming in dit heiligdom: de kajuit van den schipper!
-
-Plotseling hieven beide heeren het hoofd op: voor den ingang van de
-kajuit was een tumult ontstaan. „Laat me er door!” schreeuwde een stem.
-„Ik wil de schipper spreken. Laat me er door, zeg ik je!” Op hetzelfde
-oogenblik werd de deur opengerukt, en een jongen van geen vijf Friesche
-turven hoog stormde het vertrek binnen, op den voet gevolgd door den
-waardigen, reeds grijzenden scheepsbarbier, in de wandeling „Vader
-Langjas” genaamd.
-
-De vermetele binnendringer—wie was het anders dan Padde?—staarde met
-oogen, waarin de ontzetting lag uitgedrukt, in het strenge gelaat van
-Bontekoe. „Meneer..... de tjalk is weg!”
-
-„Schipper! Die drommelsche aap van een jongen..... hm!” gromde de
-barbier verontwaardigd en naar adem happend.
-
-„Ga jij je gang maar, Vader Langjas”, zei Bontekoe. „Ik zal met den
-jongeman wel even afrekenen.”
-
-„Ik zal gaan, schipper. Maar die drommelsche kwajongen... hm!” En
-grimmig sloot Vader Langjas de deur achter zich.
-
-Padde viel voor den schipper op de knieën. „Schippertjelief, keer om!
-O, alsjeblief.....!”
-
-„Sta jij eens op,” zei Bontekoe op een toon, die weinig goeds
-voorspelde.
-
-Padde kroop weer overeind; zijn oogen zwommen in tranen. „Schippertje,
-toe.....!”
-
-„Vertel jij mij eens kort en duidelijk waarom je niet op de tjalk zit!
-En geen uitvluchten, alsjeblieft.”
-
-„Ik ben in slaap gevallen, schippertje! Vannacht heb ik geen oog
-dichtgedaan.....”
-
-„Wat drommel, was dan in de tjalk gaan slapen!”
-
-„Dat heb ik gedaan, schippertje! Maar die schommelde zoo
-verschrikkelijk, en toen ben ik weer aan boord gegaan. O, hemeltje,
-toen al die kanonnen in eens.....!”
-
-„Die kanonnen heb je dus gehoord?!”
-
-„Jawel, schipper, maar ik dorst niet naar buiten te komen, met al die
-kanonnen! Ik dacht..... ik dacht, dat er Duinkerkers.....!” En Padde’s
-verwilderde oogen vulden zich opnieuw met angst voor die geduchte
-piraten.
-
-„Aap van een jongen, was toch voor den dag gekomen; dan had je nog
-terug gekund!”
-
-„En nou niet meer, schipper?!” Het klonk als een noodkreet.
-
-Bontekoe wist niet goed wat hij er aan had. „Hoe zit het nou eigenlijk!
-Sta je me hier voor ’t lapje te houden? Biecht nou maar eerlijk op hoe
-de vork in de steel zit. Wilde je met je vriend mee?”
-
-Padde’s oogen dreigden uit de kassen te vallen. „Mee naar Oostinje??!”
-stamelde hij. De arme jongen greep zich in de haren. „Ik ga toch in de
-bierbrouwerij van m’n oom?!—O, schippertje, schippertjelief, keer om,
-in ’s hemelsnaam.....!” En opnieuw zonk Padde voor Bontekoe’s voeten
-neer en trachtte zijn handen te grijpen.
-
-Bontekoe zag in, dat hij zich vergist had. Hij deed een paar passen
-door het vertrek en vroeg toen: „Jij heet Padde, hè?”
-
-„Padde Kelemeijn, schipper. Van de Appelhaven.”
-
-„Luister goed, Padde Kelemeijn. We zullen je hier aan boord een werkje
-verschaffen, want ledigheid is ’s duivels oorkussen. En als je goed
-aanpakt, en we mochten toevallig een schip ontmoeten, dat weer naar
-Holland gaat, dan zullen we je daar op zien over te zetten.”
-
-„Wanneer zou dat zijn, schipper?”
-
-„Dat kan vandaag nog gebeuren, en ’t kan ook nog wel drie maanden
-duren.”
-
-„Drie maanden.....” herhaalde Padde toonloos.
-
-„Maak je geen zorgen,” troostte Bontekoe. „Je bent hier goed onderdak,
-en je moeder zal, als ze je behouden terugziet, veel te blij zijn om
-nog aan slaan te denken.”
-
-Padde sprong overeind. „M’n moeder slaat me nooit, schipper!”
-
-„Je hebt anders alle recht op een flink pak op je broek,” was
-Bontekoe’s meening. „Maar we zullen eens even naar een geschikte
-bezigheid voor je zoeken. Kun je klimmen?”
-
-„Klimmen, schipper?”
-
-„Ja. In een touw bijvoorbeeld.”
-
-„O..... nee, schipper. In een touw niet.”
-
-„Op een ladder wel?” vroeg Bontekoe.
-
-„Op een ladder wel!” haastte Padde zich vol ijver te verklaren.
-
-Bontekoe wierp den koopman een vroolijken blik toe. „Dan zullen we een
-botteliersmaat uit je maken. Meteen een goede voorbereiding voor de
-bierbrouwerij! Vraag maar aan de maats, of ze je de bottelier even
-willen wijzen, en zeg hem, dat je hem helpen moet. Begrepen?”
-
-„Jawel, schipper.....”
-
-„Goed zoo. De deur is achter je.”
-
-„Jawel, schipper.....” Padde bleef staan.
-
-„Ben je nog niet weg?”
-
-„Schipper..... schippertje.....” Padde’s oogjes knipten smeekend, „zou
-je nou heusch niet even terug willen zeilen?”
-
-Dat was te kras. Bontekoe maakte een beweging, die Padde aanleiding
-gaf, met zooveel spoed de kajuit te verlaten, dat hij buiten de deur
-een dikken, blozenden, vriendelijken, eenigszins scheelzienden man
-pardoes omver liep. „Kijk uit je oogen!” snauwde Padde.
-
-De man krabbelde sprakeloos van verwondering weer overeind.
-
-En Padde vervolgde grimmig zijn weg. Een lange, schrale janmaat met
-rood haar en groene, glazige oogen als van een visch werd het eerst
-door hem aangeklampt.
-
-„Waar is de bottelier?!”
-
-De kerel keek Padde van uit de hoogte aan. „De bottelier? Drie maal ’t
-schip rond, de vierde hoek van ’t zeil om, en dan aan ’t vijfde touwtje
-trekken, dan komt ie.”
-
-„Wil je op je ziel hebben?” vroeg Padde.
-
-De vent begon te grinneken als een geit.
-
-Padde snoof en brieschte en pakte een ander bij z’n jas. „Waar is de
-bottelier?!”
-
-De maat, een ineengedoken, stevig kereltje met slimme oogjes, keek van
-zijn werk—het inleggen van een touw—op. „Wat kan ik verdienen, als ik
-je ’m wijs?”
-
-„Ik zal aan de schipper vertellen wat een lamme kerels jullie zijn!”
-verzekerde Padde.
-
-„Dat verandert,” zei de man. „Luister goed! De bottelier is vast op ’t
-schip: ik heb ’m vóór twee reizen nog gezien. Loop maar ’n eindje door,
-dan zul je ’m wel vinden. ’t Is zoo’n lange, magere, korte, dikke
-kerel.”
-
-Padde was alweer verder, beproefde zijn geluk bij een drietal janmaats,
-die over de verschansing hingen en pruimden.
-
-„De bottelier?” vroeg de grootste, die een scheef gezicht en daarin een
-half dicht oog bezat. „Weet je wat je vooral niet vergeten mag, als je
-de bottelier zoekt?”
-
-„Nou?” vroeg Padde weifelend.
-
-„Wel verduiveld, nou ben ik het zelf vergeten!” zei de vent.
-
-„Heb jij je eene oog ook vergeten?” vroeg Padde. Toen sprong hij
-haastig ter zijde.
-
-Padde klaagde zijn nood bij een trouwhartigen, baardigen zeerob, die
-aan het smeren van een ankerspil zijn zorgen wijdde. „Ja, ze zullen je
-wel leelijk voor de mal houden!” zei deze, terwijl hij zijn klare oogen
-medelijdend op den nieuwbakken botteliersmaat richtte. „Je moet
-rekenen: je bent een groentje, hè? Maar ik zal je den bottelier wijzen,
-hoor, heb maar ’n oogenblikje geduld. Die spil moet eerst even geolied
-worden. Help maar ’n handje, dan gaat het gauwer.”
-
-„Graag!” zei Padde, blij, dat hij den trouwhartigen, vriendelijken
-zeerob een wederdienst kon bewijzen.
-
-„Je bent een brave jongen”, verklaarde deze. „Hier is olie. Smeer maar
-raak.”
-
-En Padde smeerde, tot de spil en hij zelf om het meest glommen.
-
-„Goed zoo!” prees de trouwhartige zeerob. „Je zult het gauw
-leeren.—Ziezoo, nou deze spil ook nog maar even.”
-
-Padde was alweer aan het werk. De lof, die de ervaren zeerob aan zijn
-smeer-talent had toegezwaaid, prikkelde Padde: hij smeerde nu zoo
-aandachtig en ijverig, dat hij niet merkte, hoe zijn kameraad er maar
-met de handen in de zakken bij was gaan zitten, een vroolijk wijsje
-tusschen de tanden floot en goedkeurend met het hoofd knikte.
-
-Toen de spil gesmeerd en Padde achter adem was, zei de trouwhartige
-zeerob: „Ik verzeker je, dat ik het zelf niet beter had kunnen doen.
-Kom, nou de spil van het plecht-anker.”
-
-Padde keek sip. „En de bottelier?” vroeg hij.
-
-„Plicht gaat voor, jongen,” verklaarde de trouwhartige zeerob. „Eerst
-nog even de spil van het plecht-anker!”
-
-„Maar ga je dàn heusch met me mee?” vroeg Padde.
-
-„Ja. Als ik eerst in de fok ook nog wat geklaard heb.....”
-
-„En wanneer zou dàt afgeloopen zijn?” vroeg Padde weifelend.
-
-„Dat hangt er vanaf”, zei de trouwhartige zeerob. „Als jij me helpt,
-zijn we in een stevig uurtje klaar. Maar anders gaat m’n heele middag
-er mee heen.”
-
-Padde’s oogen schoten vol tranen; hij wendde zich af en begon te
-snikken.
-
-„Ja..... plicht gaat voor,” zei de trouwhartige zeerob. En hij pakte
-zijn pot met smeer op en begaf zich in de richting van de plecht.
-
-Padde bleef staan, de wanhoop in het hart. Hij voelde zich van de heele
-wereld verlaten en wenschte, dat de Nieuw-Hoorn vandaag nog met met man
-en muis zou vergaan. Hij snikte hoe langer hoe luider, en hoe meer hij
-snikte, des te ontzettender vond hij zijn eigen toestand.
-
-Maar onverwachts werd hij op den schouder getikt. Hij wendde zich om en
-zag in het blozende gelaat van den schelen dikzak, dien hij, uit de
-kajuit komende, omver geloopen had.
-
-„Wat scheelt er aan, kereltje?” vroeg de man vriendelijk.
-
-Maar Padde had zijn vertrouwen in de menschheid verloren. „Gaat je geen
-spaan aan!” gromde hij. „’k Heb niks.”
-
-„Maar als je niks mankeert, waarom sta je dan te grienen?” vroeg de
-man.
-
-Padde haalde de schouders op. „Jij bent zeker ook gekomen, om me voor
-de gek te houden, hè? Ja, trek maar geen gezicht alsof je niet weet,
-dat ik de bottelier zoek. Jullie kunt knappen!”
-
-„De bottelier? Zoek je de bottelier? Wel, da’s merakel: ik ben de
-bottelier!”
-
-Padde kon een kreet niet onderdrukken. „Is ’t heusch?! Hou je me niet
-voor de gek?”
-
-„Welneen-ik,” zei de dikkert. „Dat verzeker ik je, hoor, dat ik de
-bottelier ben.”
-
-Padde vloog hem om den hals. „Ik moet je helpen! De schipper heeft het
-gezegd!”
-
-„Wel, da’s merakel, ik had de schipper juist om een jongen voor de
-bottelarij......” De man stokte, deed een paar passen terug en staarde
-Padde aandachtig aan. „Wel, da’s een merakel”, fluisterde hij. „Da’s
-nou waarachtig ’n groot merakel. Je lijkt..... je lijkt op m’n jongen.”
-
-„Is die hier ook op ’t schip?” vroeg Padde.
-
-De schele dikzak wilde wat zeggen, maar slikte het weer weg en schudde
-ontkennend het hoofd.
-
-„Waar is ie dan?” vroeg Padde.
-
-De bottelaar kuchte, legde zijn hand op Padde’s schouder en gaf toen
-het zonderlinge antwoord: „D’r staan..... d’r staan nog wel twintig
-kruiken, die allemaal moeten worden gespoeld. Kom..... kom jij maar
-mee, kereltje.”
-
-
-
-Ook Gerrit doorleefde dien eersten namiddag aan boord stoere
-oogenblikken. Terwijl hij in het schemerdonker van het vooronder in
-zijn kooi zat te overpeinzen, dat hij voor een doodgewone torenkraai
-toch een merkwaardig bewogen leven had, kwamen drie mannen
-binnenstappen.
-
-„Alsjeblieft!” zei een van hen, een forsche kerel, die een weinig mank
-ging. „Daar ligt het zoodje!” En hij sleurde Hajo’s „ruilhandel” te
-voorschijn. „Wat zullen we er mee doen? Ze moeten gepest worden, dat
-staat vast: groentjes moeten gepest worden.”
-
-„Gepest worden,” bevestigde de tweede, een kerel met een door de pokken
-geschonden gelaat.
-
-„Hè-hè-hè!” grinnikte de derde, een ietwat gebogen manneke.
-
-„Wat we kunnen doen,” zei de manke, „is: de heele rommel zoek maken.”
-
-„Zoek maken!” riep de pokdalige.
-
-„Hi-hi-hi!” grinnikte de kleine.
-
-„Ka!” riep Gerrit.
-
-De drie mannen schrokken; de kleine verslikte zich. Toen begon de manke
-te lachen. „Wel verduiveld!” riep hij. „Die kraai zullen we de nek
-omdraaien!”
-
-„Nek omdraaien!” stelde de pokdalige voor.
-
-De manke ging naar de kooi en trachtte den bewoner ervan te grijpen.
-Maar Gerrit was zoo vlug als een goed opgevoede torenkraai maar zijn
-kan.
-
-„’n Aardig beessie”, verzekerde de manke.
-
-„Pik!” zei Gerrit en hakte met z’n snavel.
-
-„Als ik ’t mormel in m’n vingers krijg!” dreigde de kerel vloekend. En
-hij kreeg het in zijn vingers en sleurde zijn glanzend-zwarten
-gevangene naar buiten. „Zoo, maak nou je testament maar!”
-
-Maar terwijl Gerrit daarmee bezig was, klonken er buiten voetstappen.
-De mannen hielden zich koest.
-
-Hajo kwam het vooronder binnen, zag met een oogopslag den rommel op den
-grond, en merkte, dat de manke iets verborgen hield. „Wat heb je daar!”
-zei hij, terwijl hij zich resoluut voor den kerel plaatste.
-
-„Dat raakt je niet!”
-
-„Ka!” schreeuwde Gerrit.
-
-Het bloed steeg Hajo naar het hoofd. „Laat los die kraai! Hij is niet
-van jou.”
-
-„Van jou dan zeker! Laat de bootsman ’m maar niet zien!”
-
-„Laat hem los!” dreigde Hajo.
-
-„Ik zal ’m voor je oogen z’n nek omdraaien,” verklaarde de manke.
-
-Toen gebeurde het. Hajo greep de kooi van den wand en smakte ze in
-blinde drift den kerel op het hoofd. Het kon niet mooier: de oude,
-vermolmde bodem begaf zich, en de kooi kwam om ’s mans nek te hangen.
-Hij moest den luid schreeuwenden Gerrit loslaten om zich van het
-koperen tralienet te verlossen. Daarbij raasde en tierde hij als een
-bezetene. „Ik zal je, kleine salamander!”
-
-En terwijl Gerrit met haastige sprongen, half fladderend een goed
-heenkomen zocht, stond Hajo met gebalde vuisten, bevend van opwinding,
-den aanval van den manke af te wachten.
-
-Deze liet zich niet lang onbetuigd. Nauwelijks had hij zich van de kooi
-bevrijd, of hij kwam schuimbekkend op den scheepsjongen af. Een
-verwoede worsteling, vol belangstelling gadegeslagen door de twee
-anderen, volgde.
-
-En juist toen Hajo, ondanks zijn weergalooze vlugheid, dreigde te
-bezwijken onder het ruw geweld van den veel sterkeren janmaat, kwam
-Folkert Berentsz. het vooronder binnen. Zien en handelen was voor den
-wakkeren zeeman één. De manke voelde zich stevig in het nekvel gegrepen
-en liet verbouwereerd zijn tegenstander los.
-
-„Donder en bliksem! Sta je hier met een scheepsjongen te vechten?!”
-
-„’n Mooie scheepsjongen!” gromde de manke, terwijl zijn losgeraakt
-boezeroen weer in de broek stopte en z’n pols aflikte, die geschaafd
-was. „’n Mooie scheepsjongen! De salamander heeft die kooi op m’n kop
-stukgeslagen!”
-
-De gevreesde bootsman richtte z’n oogen dreigend op Hajo.
-
-„Hij wou m’n kraai de nek omdraaien, bootsman!”
-
-„Ka!” riep Gerrit.
-
-„Je kraai?? Wat doe jij hier met een kraai?!!”
-
-„De schipper kent hem”, zei Hajo.
-
-„Kijk hier eens, bootsman!” klonk het uit den mond van den manke. „Kijk
-eens wat een rommeltje dat heerschap bij zich heeft!”
-
-„Donder en bliksem.....,” stotterde Berentsz.
-
-„De schipper weet er van, bootsman, en laat vragen.....”
-
-„De schipper, de schipper, de schipper.....!” gromde Berentsz. „’n
-Mooie boel tegenwoordig! Toen ik scheepsjongen was.....!!—Jij,
-Boutjens, kunt in elk geval op een nacht in ’t schavuitengat rekenen!”
-snauwde hij den manke toe. „En jou, jongeman, zal ik in de gaten
-houden. En je kraai ook! Donder en bliksem!”
-
-Weg was de bootsman.
-
-Hajo zocht zijn inboedel bij mekaar, raapte de kooi op en trachtte er
-den bodem weer in te duwen.
-
-De drie mannen verlieten mokkend en scheldend het vooronder.
-
-Hajo ademde diep. Hij ging op de kist zitten, die baas Wouter hem had
-meegegeven, steunde het hoofd in de handen en staarde voor zich uit
-langs de lange rij kribben.
-
-Het geluk, het onmetelijke, verblindende geluk, waarvan de weerschijn
-daarstraks nog in zijn oogen schitterde, was vertroebeld. Vol weemoed
-dacht Hajo aan baas Wouter, aan zijn broertje, zijn zusjes en aan.....
-„Als je ooit eens verdriet hebt, zeg dan maar gerust: Mijn moedertje
-denkt aan mij.....”—Moeder..... Moedertje!
-
-Hajo sprong overeind, liep een paar passen op en neer en snelde toen
-naar buiten.
-
-Het was allengs duister geworden.
-
-De frissche zeelucht deed Hajo goed; met volle teugen snoof hij ze op.
-Hij leunde over de verschansing en keek naar het blanke schuim, dat
-wegscheerde langs den boeg, en naar de lichtende koppen op de donkere
-golven. Er was geen maan; een handvol bleeke sterren lag verdwaald over
-het uitspansel.
-
-Allengs kwam Hajo weer tot rust. Hij luisterde naar het zuchten van den
-wind, het klapperen van een losgewerkten hoek van een der fokzeilen,
-het gekreun der golven, die smartelijk scheurden onder den scheepsboeg,
-naar het eentonig gezang der roergangers:
-
-
- „Wie heeft er nooit dat schip gezien
- Met zeuven zwarte masten?
- Zwart zijn de zeilen; zwart is het want;
- Aan boord staan vreemde gasten!
- Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.....!
-
- Een duivel zit op het galjoen;
- De dood staat aan het roer;
- In de kombuis blaast in het vuur
- Een zwarte duivelsmoer!
- Hi-ho! Hi-ho! Hi-ho-ho.....!”
-
-
-„Hallo!” klonk het achter Hajo. En daar stond Rolf. „Hallo, Hajo! Ik
-zoek je overal! Waar was je ineens gebleven?”
-
-Hajo vertelde zijn wedervaren.
-
-„We zijn met z’n beiden”, zei Rolf, toen Hajo had uitverteld. „Wie het
-een van ons lastig maakt, krijgt er met twee te doen!”
-
-Daar kwam Padde aansukkelen.
-
-„Hallo, Padde!” riep Rolf uit, „zien we jou ook eindelijk? De schipper
-zal wel ’n hartig woordje met je hebben gesproken?”
-
-„’k Ben botteliersmaat,” zuchtte Padde. „Hij wil niet meer terug.
-Hemeltje, wat zal m’n moeder zeggen! En dat allemaal door die ellendige
-kanonnen!”
-
-„Als die niet hadden geschoten, sliep je nou nog”, wierp Rolf in het
-midden.
-
-„Was ’t maar waar,” klaagde Padde. „Ik val om van de maf”.
-
-„Ik doe een voorstel, Padde!” zei Rolf. „We sluiten een driemanschap.
-We hebben dezelfde vrienden en dezelfde vijanden en helpen mekaar
-altijd en overal. Hand er op?”
-
-„Waarachtig!” zei Padde.
-
-En de jongens klapten de handen stevig ineen.
-
-Toen luidde met heldere slagen een klok.
-
-„De etensbel!” riep Padde.
-
-„Hoe weet je dat?”
-
-„Nou, waar zouden ze anders voor bellen dan om te eten?”
-
-„Vooruit dan maar!” zei Rolf.
-
-En zoo begaf het driemanschap, met Padde ditmaal als leider, zich arm
-in arm naar het vooronder, waar de kok en zijn gezellen hijgend en
-blazend de dampende ketels eten naar binnen torsten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IN ’T VOORONDER
-
-
-Er mochten onder de bemanning van de Nieuw-Hoorn lamme kerels
-rondloopen, in doorsnee waren het ronde, gezellige lui, die, als het
-noodig was, werkten als paarden, voor den duivel niet bang waren en
-lachen konden, dat de wanden van het vooronder daverden.
-
-Dien eersten middag bij het eten maakten de drie „groentjes” al een
-stuk of wat vrinden. Daar had je—behalve de brave, deftige Vader
-Langjas, die den maaltijd met een gebed opende en sloot—Zwarte Gijs en
-Diede Doedes en Floorke en Gerretje en Steven Duffel en de Neus en.....
-en Harmen! De koksmaat Harmen van Kniphuyzen, een paar jaar ouder dan
-Hajo en Rolf, was eigenlijk een dichter.
-
-Als je tegen Harmen zei: „Goeie morgen!” antwoordde hij: „’k Zal d’r
-voor zorgen.” Als je hem vroeg: „Maak je ’t goed?” kon je er staat op
-maken, dat hij zijn gezicht tot een grijns vertrok en antwoordde: „Kijk
-maar naar m’n snoet!” Hij klom als een aap, zwom als een rat, liep als
-een hert, had de spieren van een vol-matroos en sneed op als....!
-
-Die laatste eigenschap kwam ’s avonds al aan het licht, toen het volk
-in het vooronder ging zitten gezelsen. Mannetje naast mannetje zaten ze
-aan de lange tafels, tegen elkaar gedrukt als haringen in een ton. Er
-waren er ook, die dadelijk na het eten in hun kooi neervielen; enkelen
-snurkten, dat het een aard had. Hier en daar werden de speelkaarten
-voor den dag gehaald, of een potje bier gedronken. Rooken, dat ze
-deden! Een half uur na het eten kon je je overbuur nauwelijks meer in
-den nevel onderkennen. En de tabak was niet altijd van de beste, lang
-niet! Er moest er wel eens eentje de pijp uit den mond worden
-getrokken, omdat de „geur” voor de anderen onverdragelijk werd. De
-janmaat voelde zich beleedigd, smeet groote woorden in het rond, sloeg
-met de vuist op tafel, dat de potten bier er van rinkelden, en..... en
-lachte dan weer met de anderen mee.
-
-„Speel eens wat?” riep er een uit z’n kooi. „Kniphuyzen, speel ’ns
-wat!”
-
-„Ja! Spelen!” bulderden tien anderen.
-
-En de koksmaat Harmen van Kniphuyzen haalde z’n fiedel, wipte op tafel
-en streek er op los. Het was er wel eens flink naast; de viool was ook
-geen echte Stradivarius, maar dat deed tot de gezelligheid geen
-afbreuk. De „oomes” (zoo noemden de scheepsjongens de boven hen
-gestelde matrozen) stampten met de voeten en zongen:
-
-
- „Oranje boven en blauw onder!
- Wie ’t anders meent
- Dien haalt de donder!”
-
-
-Gerrit dribbelde onrustig op zijn stokje heen en weer, knipte zijn
-oogen dicht tegen de rook.
-
-„Ik zal jullie wat vertellen, waarvan je, sapperloot, zult opkijken!”
-schreeuwde „de Neus”,—een dik manneke met een fraai gekrulde snor en
-een neus als een bevroren aardappel.
-
-„Als je liegt, hap ik je neus af!” dreigde Zwarte Gijs, de smid.
-
-„Die zou, sapperloot, smaken!” verzekerde de Neus.
-
-„Vooruit, vertellen! Vertellen!!”
-
-„Luister!” zei de Neus. „Op m’n vorige reis hadden we een
-ziekentrooster aan boord: Vader Jonas! Hij was vroom, sapperloot! en
-als we voor anker lagen, had hij geen rust, voor hij de wilden had
-bekeerd.
-
-Zoo lagen we dan weer eens met averij voor een eilandje. De zwartjes
-kwamen al gauw opdagen, en Vader Jonas aan ’t bekeeren! Als ’t ’m bij
-een gelukt was, hing hij de vent een nummer om de hals. De anderen
-werden zeker jaloersch op dat nummer, want in een ommezientje gaven ze
-zich allemaal voor de bekeering op.
-
-Eentje was Vader Jonas’ lieveling, een botmagere wilde, die was niet
-van hem af te slaan. Vader Jonas had ’m Paulus gedoopt. Goed. De
-barbier gaat kruiden zoeken en vraagt Vader Jonas om hem een
-betrouwbare wilde mee te geven.
-
-—Dan moet je Paulus nemen, zegt Vader Jonas.
-
-Goed, Paulus en de barbier gaan aan wal. Effen later komt Paulus
-aanrennen en zeit met veel grimassen, dat de barbier door een krokodil
-is opgebikt. Groote herrie! Vader Jonas zweert bij hoog en laag, dat
-Paulus onschuldig als een lammetje is. Nou, bij de lijkdienst bad
-Paulus voor twee!”
-
-„Wat een schurk!”
-
-„Stil! Je weet immers nog niks!”
-
-„Goed! De volgende dag is er een vrind van me verdwenen. We zoeken elk
-muizenholletje af. Niks te vinden.
-
-—Sapperloot, wat wordt me die Paulus dik! zeg ik zoo tegen Vader Jonas.
-
-—Neus, zegt Vader Jonas,—Paulus is ’n Christenmensch!—Over Paulus kon
-ie niks hooren!
-
-Een uurtje later gaan ze samen weg.—Waar ga je naar toe, Vader Jonas?
-vraag ik.
-
-—Paulus heeft me gevraagd zijn ouwe vader te willen bekeeren. De arme
-man kan niet meer loopen.
-
-—Wil ik even met je meegaan? ’t Is hier zoo’n raar land!
-
-—Paulus is bij me, Neus!
-
-—Juist daarom,—zeg ik.
-
-Vader Jonas werd nijdig en liep met Paulus door. Ik zag ’m nog tusschen
-de boomen verdwijnen. Wil je wel gelooven, dat ik die middag niks om
-m’n gemak was?
-
-En jawel, hoor! Daar komt me Paulus anzeilen, zwaait met armen en
-beenen en maakt dezelfde grimassen als de vorige keer!
-
-—Smeerlap! schreeuw ik en ik grijp ’m bij z’n nummer,—jij hebt Vader
-Jonas opgebikt!—En ik schud ’m door mekaar, dat ie overgeeft. En wat
-spuwt ie ’t eerst uit? Hè? De trouwring van Vader Jonas! Die had ie in
-de haast mee ingeslikt!”
-
-„Ja....., gevaarlijk goed, die menscheneters!” verzekerde Harmen van
-Kniphuyzen. „M’n broer en ik zijn op de vorige reis ook zoowat
-opgepeuzeld.”
-
-„Vertel op!”
-
-„M’n broer is ’n kemiekeling, zie je, die kan nou van alles. Hij kan
-een knoop in z’n oor leggen, z’n oogen als knikkers laten ronddraaien
-en twee kanten tegelijk uitspuwen. Zakkenrollen kan ie! Nee maar! En
-van een rattenvanger heeft ie buikspreken geleerd.
-
-Nou, we waren aan land gegaan, om de scheurbuik!—Kom er eens mee,
-Harmen, zegt m’n broer—dan gaan we een maatje honing halen. Die koers
-uit moet ergens een nest zitten, want ik zie er al maar bijen heen
-vliegen.
-
-Hij was verzot op honing, m’n broer. En ik dacht: laat ’k ’m z’n zin
-maar geven. Maar ik was niks op m’n gemak, daar zoo met z’n beidjes
-alleen in de wildernis. En wel ja, in een ommezientje waren we door de
-menscheneters omsingeld.
-
-Schreeuwen, dat ze deden! Ze trokken ons de kleeren uit, en m’n broer
-zei nog tegen me:—Harm, jij hadt eerst je enkels weleens mogen
-wasschen!
-
-—Klaas, zei ik,—hoe kun je nou nog lolletjes staan verkoopen!
-
-Nou, we werden in een bootje gezet, en toen maar de rivier op, jongens!
-Klaas en ik moesten ook roeien! Met zoo’n stok met platte schijven aan
-’t eind!”
-
-„Pagaaien!” werd er geroepen.
-
-„Zal ik niet weten! ’k Was nijdig als een spin, want een van die
-houtskoolkoppen had m’n rooie das, die m’n vorige meisje voor me
-gebreid had, om z’n luizebos gebonden!—Klaas! zei ik,—als we de
-roeistokken er eens opnamen en ze er de kiezen mee uitsloegen?
-
-—Ben je stapel? vroeg Klaas.—Dan zouden we er ieder acht op ons boekje
-moeten nemen!
-
-Tegen donker kwamen we aan het menschenetersdorp. Nou, we werden met
-gejuich ontvangen! En weet je wat Klaas deed? Die lachte maar en
-zwaaide met z’n armen.—’k Zal je vinden, schavuitenbende! riep hij.
-Nou, dat verstonden ze natuurlijk niet, maar ze keken d’r wel raar van
-op, dat Klaas zoo in z’n nopjes was.
-
-We werden voor de radjah gebracht! Hij had een stuk been door z’n neus,
-en op z’n kop een Zuid-Wester,—die had ie opgetuigd met kraaltjes en in
-het midden een spiegeltje. Achter ’m zaten zijn vrouwen; de jongste
-leek sprekend op m’n meisje van twee..... van drie jaar geleden. Nou
-ja, alleen d’r oogen!
-
-Moet je hooren wat Klaas deed! Hij maakte eerst een fijne buiging voor
-de radjah; toen legde hij zijn ooren in de knoop en liet z’n oogen
-rollen. Meteen zie ik, dat ie de radjah het spiegeltje van z’n
-Zuid-Wester grist. Maar de radjah zelf merkte niks. Die schreeuwde wat
-in het Polopoeloesch of zoo, en toen kwam er een kerel met zóó’n mes
-aanzetten, zeker een toovenaar! En toen sjorden ze mij aan een paal!
-
-Maar meteen viel Klaas op z’n knieën, kuste de voeten van die
-menscheneterkoning, en toen klonk het als uit den grond:—Peper en
-notenmuskaat!—Klaas was aan ’t buikspreken!
-
-Nou, dat had je moeten zien! De kerels keken mekaar aan, of ze van
-lotje waren getikt. Klaas stond op, drukte op z’n buik en spuwde de
-radjah pardoes z’n spiegeltje in het gezicht. Toen maakte hij een
-geluid als van rommelende donder, trok een kromme lijn door de lucht;
-dat was de bliksem; en drukte zijn vinger op de mopneus van die
-radjah.—Ziezoo! zei Klaas,—nou zul je ’t wel gesnopen hebben!
-
-Nou, òf ze ’t gesnapt hadden! De toovenaar sneed de touwen los, waarmee
-ik vast gesjord stond, en de radjah wilde er van tusschen gaan. Maar
-Klaas greep ’m bij z’n Zuid-Wester, pakte met de andere hand de
-toovenaar bij z’n kladden en duwde ze voor zich uit naar dat bootje,
-die..... die.....”
-
-„Kano!” werd er geroepen.
-
-„Natuurlijk de kano! Het heele dorp stond ons aan te gapen. De
-toovenaar wees op Klaas en schreeuwde wat in ’t Polopoeloesch, en toen
-stoven ze allemaal achteruit. De radjah stapte in de kano, de toovenaar
-ook, en ik en Klaas gingen keurig achterin zitten.—Ziezoo, heeren, zei
-Klaas,—leg maar eens in! Nou, de koning en de toovenaar pagaaiden, dat
-we om het half uur zweet moesten baliën! Toen we thuis waren, stak
-Klaas die radjah zijn voeten toe en liet ze hem kussen.—O, zoo!
-zei-d-ie.—En nou kunnen jullie wel weer ophoepelen. Besjoer!
-
-En temet draait ie zich om en zegt:—Harm, zegt ie,—weet je wat we nou
-nog vergeten hebben?”
-
-„De honing!” riep Padde uit.
-
-„Krek”, zei Harmen. „We zijn omgekeerd en met de heele muts vol honing
-teruggekomen.”
-
-„En de wilden hadden jullie de kleeren afgenomen?” merkte Rolf op.
-
-„Zoo nauw moet je niet kijken!” zei Harmen beleedigd. „Anders zou je
-nooit er eens iets kunnen vertellen!”
-
-„Ja, en je hebt je gezicht te houwen, als Kniphuyzen vertelt!”
-
-„Mannen, ik heb nog wat beters!” riep een heel lange janmaat met
-vlasblond haar, helderblauwe oogen, groote, uitstaande ooren, en met
-handen..... nee maar! Hajo kon er niet naar kijken zonder aan de
-handschoenen van Sijtje te denken. Ze boden een ruime gelegenheid tot
-tatoeëring, en dat had de eigenaar ook ingezien: het eene anker prijkte
-naast het andere; op de polsen waren harten met een pijl aaneengesmeed,
-en hoogerop zeilden driemasters over wild bewogen baren. Hajo had er
-een drommelsch ontzag voor. Dàt was nog er eens ’n zeeman! Stil! Hij
-wou goed luisteren naar de wijsheid, die dit beankerde wonder zou
-verkondigen!
-
-„Twee reizen geleden, ik was op De Gouden Leeuw,” begon de verteller,
-„waren we geland bij een rivier, die zoo vol krokodillen zat, dat je de
-een naast de ander kon zien liggen. Nou, ik was net als hier de eenige
-Fries aan boord, hè, en de maats lagen daar nog wel ereis over te
-mieren.—Worden in jouw koeienland de kinderen altijd zoo aan de ooren
-getrokken? vroegen ze dan wel, of:—Wat hebben jullie Friezen een kleine
-handjes! en meer van dat kinderachtige geleuter.—Vooruit dan! zei ik
-zoo, toen ’t me weer eens de keel uithing.—Als jullie Hollanders dan
-zulke kerels bent, steek dan ereis zonder boot die rivier over!
-
-—Doe jij het eerst! zeiden de maats.
-
-—Ik durf wel, zei ik.—Ik steek er op z’n Friesch over!—Nou, ik nam een
-flinke aanloop en.....”
-
-„En??”
-
-„Jullie weet: ik spring als de beste.—Nou, ik ben dan van de eene
-krokodil op de andere gesprongen! En voordat de beestjes wisten wat er
-aan ’t handje was, stond ik aan de overkant!”
-
-„Verduiveld sterk!” verklaarden de maats.
-
-„’t Is gelogen,” stelde Padde ronduit vast.
-
-„Spuit nommer elf geeft ook water,” zei Harmen. „Luister, mannen, ik
-heb nog heel wat anders beleefd, en als ik je dat vertel, mag je je
-muts wel vastsjorren, want je haren zullen te bergen rijzen! We waren
-eens met z’n vijven in het oerwoud en terwijl we zoo onder een boom
-lagen uit te blazen, zei een van m’n vrinden:—Harm, zei-d-ie,—speel er
-eens ’n deuntje!
-
-Goed, ik haal m’n viool voor den dag en speel.
-
-—Nog ’n moppie! zei m’n vrind.
-
-Best, ik streek er al weer op los. Maar wat zag ik me daar?! Een stuk
-of vijf koningstijgers, een handvol leeuwen en een slordige twintig
-reuzenslangen zaten me in een kringetje aan te gapen. De muziek had ze
-aangetrokken! M’n vrinden lagen half te maffen en merkten niks.
-
-—Doorspelen, dacht ik.—Doorspelen, da’s het eenige!—En ik speelde en
-speelde....
-
-—Komt er nooit een eind aan dat moppie? vroegen m’n vrinden.
-
-—Hebben jullie er last van? vroeg ik nijdig.
-
-—Daar niet van, zeiden ze. En ze draaiden zich nog eens lekker om.
-
-Na een uur of vier spelens begon ik moe te worden en..... ja..... als
-een mensch moe is! Toen kwam er ook wel eens ’n valsch toontje, hè?
-Maar ik kon merken, dat beesten verstand van muziek hebben, hoor, want
-ze trokken een gezicht of ze een zeere kies hadden. Toen schoot er een
-lichtstraal in m’n kersepit! Dat was de uitkomst! Weet je wat ik deed?
-Ik begon me daar eventjes valsch te spelen, valsch.....!!
-
-En ja hoor! Met de staart tusschen de pooten gingen de monsters er van
-door!
-
-Ik was nat van ’t zweet, en m’n armen leken wel lood. Maar..... we
-waren gered!”
-
-„En je vrinden, zeiden die niets toen je zoo valsch speelde?” vroeg
-Hajo, die na de wonderbaarlijke redding een diepen zucht had geloosd.
-
-„Och..... ze hadden er niet zoo opgelet”, zei Harmen.
-
-„Nou heb ik nog een verhaal!” riep Rolf. „Er was eens een schip vol
-matrozen! Toen kwam er een groote walvisch, die sperde zijn bek open en
-slikte.....”
-
-„Een walvisch kan geen schip inslikken!”
-
-„Nou, hij spuwde het ook gauw weer uit.”
-
-„Omdat ’t ’m te hard was?”
-
-„Neen. Omdat hij misselijk werd van de leugens, die z’n keel
-binnenspoelden.”
-
-„Sapperloot.....!” stamelde de Neus.
-
-En de anderen sloegen met de vuist op tafel. „Daar zul je voor boeten,
-mannetje!”
-
-Maar ze meenden het niet. In hun hart hadden ze schik aan Rolfs
-vrijmoedigheid: van bloode jongetjes moesten ze niets hebben.
-
-Buiten galmden vier glazen. Tien uur! De oomes stonden op, kropen in
-hun kooien. De olie in de lamp scheen opgebrand; de vlam werd schraal;
-de walm sloeg dik tegen de zoldering.
-
-Hajo zocht den langen Fries op. „Heet jij soms Jopkins?” vroeg hij na
-een aarzeling. „Hilke Jopkins?”
-
-„Dat ben ik, ja.”
-
-„Dan moet ik je wat geven van.....”
-
-„Van.....?” Hilke sperde zijn oogen open en greep Hajo bij den arm.
-
-„Ja!” fluisterde Hajo. „Van Sijtje.”
-
-„Laat kijken!” zei Hilke, diep ademhalend.
-
-„Ga je even mee naar buiten?” vroeg Hajo. „Daar zien de anderen het
-niet!”
-
-Zwijgend stond de janmaat op. En Hilke Jopkins, die als „oome” duizend
-mijlen boven den nieuwbakken scheepsjongen stond, volgde Hajo gedwee
-het trapje op naar het dek. Eerbiedig betastte hij de handschoenen, die
-Hajo hem daar gaf. „Verdorie,” mompelde hij. „Verdorie.....!”
-
-„Ze zei, dat je haar eens schrijven moest, en dat je voorzichtig moest
-zijn, en ze wou nog wat zeggen, maar toen begon ze te huilen.”
-
-„Verdorie.....!” Hilke schudde het hoofd. „Die handschoenen zitten me
-gegoten, zie je wel?”
-
-„Ik heb ’n das van haar gekregen,” zei Hajo.
-
-„Laat kijken?”
-
-Hajo overreikte hem Sijtjes kleurvol geschenk.
-
-„Verdorie.....!” prees Hilke.
-
-„Alleen voor Zondagen!!” zei Hajo.
-
-„Dat begrijp ik!—Zeg, Hajo.....? Wat moet je hebben voor die das?”
-
-Hajo voelde een trilling in Hilke’s stem. „Die das is niet te koop,”
-zei Hajo.
-
-„Dat snap ik! Voor een ander is ie niet te koop! Maar voor mij toch
-wel?”
-
-„Daar,” zei Hajo, „daar heb je ’m voor niks.”
-
-„Verdorie.....!” was al wat Hilke antwoordde. Hij liefkoosde de das
-tusschen de vingers en greep Hajo’s hand. „Kerel, als je me nog eens
-noodig hebt.....!”
-
-„Zeg, Hilke?” vroeg Hajo. „Zou je..... zou je misschien.....?”
-
-„Waarachtig! zeg op: wat is er?”
-
-Hajo wees op Hilke’s handen. „Zou je mij soms ook een anker of een
-schip, of wat je maar het makkelijkst is.....?”
-
-Hilke stroopte zijn mouw op. „Zoek maar uit! Een driemaster? Of zoo
-een, met die kanonnen? Ik kan alles, en je voelt er niets van. Heb je
-een meisje?”
-
-„Neen,” bekende Hajo, verlegen. „Moet dat?”
-
-„Welnee. Maar dan had ik je een paar harten geprikt. Zooals op m’n
-hand.”
-
-„Dat is ook wel mooi”, weifelde Hajo.
-
-„Ja, maar dan moet je een meisje hebben!” zei Hilke. „D’r zijn lui, die
-haar naam er inzetten: Geertruida of Katherina of zoo. Maar..... eh, ’t
-gaat er nooit meer uit, zie je? Zooals ik ’t heb, zonder naam, is
-het..... is het altijd goed, hè?”
-
-Hajo begreep het maar half. „Zeg, Hilke,” vroeg hij, „wanneer kun je
-het doen?”
-
-„Over een dag of wat,” beloofde Hilke. „Als de eerste drukte voorbij
-is.”
-
-„Fijn!” zei Hajo. „Zeg, weet je, dat ik ook nog Friesch bloed in me
-heb?”
-
-Hilke sloeg de handjes ineen. „Een Fries?! Jij?”
-
-„Moeder is van Friesland.”
-
-„Als ik het niet dacht! Een kerel als jij.....! ’k Zal je de knoopen
-ook leeren! Een boeren- en een Turksche knoop, een visscher-, trompet-,
-muil- en ankersteek, een ouwe wijvenknoop..... Nooit van gehoord?”
-
-Hajo sloeg van eerbied bijna tegen den grond,—schudde ontkennend het
-hoofd.
-
-„Nog nooit van een ouwe wijvenknoop gehoord??! Wacht dan!”—En Hilke
-haalde de das van Sijtje uit zijn broekzak, greep de beide einden.....
-
-„Dat is zonde!” meende Hajo. „Dan leer je ’t me morgen maar.”
-
-„Je hebt gelijk,” bekende Hilke. „Ja, dat komt: jij bent een Fries, hè,
-en dan.....!” Zorgvuldig streek hij de das weer glad en liefkoosde ze
-met de oogen. „Brave meid!” mompelde Hilke met schorre stem. Toen zei
-hij haastig: „Nou, ajuus, hoor! ’t Is al laat.”
-
-„Wel te rusten!” was Hajo’s antwoord. En terwijl de scheepsjongen van
-de Nieuw-Hoorn nog even bleef staan, in gelukkige overpeinzingen over
-de naaste toekomst, spoedde de lange Fries zich met zijn schat voort.
-Hajo zag, hoe hij zich diep bukken moest, om het hoofd niet te stooten
-tegen de lage deur van het vooronder.....
-
-Daar kwam Rolf aan. „Zullen we gaan slapen, Hajo?”
-
-„Die..... die over die krokodillen is gesprongen, zal een anker op m’n
-arm prikken!” fluisterde Hajo zijn makker opgewonden toe.
-
-„Zoo?” vroeg Rolf. „Laat het hem dan een beetje hoog doen. Op je
-bovenarm, of zoo.”
-
-„Maar dan zie je er niets van!”
-
-„Juist daarom.”
-
-Hajo keek zijn vriend verwonderd aan. „Vind je een anker niet mooi? Wil
-ik liever ’n schip nemen? Hilke kan alles. Kijk maar eens naar z’n
-handen.”
-
-Rolf glimlachte. „Ik heb ze gezien. Maar weet je, dat die rommel er
-nooit uitgaat?”
-
-„En is dat dan erg?”
-
-„Het kan wel eens lastig zijn. Je weet van te voren niet wat er nog uit
-je groeit!”
-
-„Uit mij??”
-
-„Ja, uit jou.”
-
-Hajo pruttelde wat. „Nou, vooruit dan maar....,” zuchtte hij, onwillig.
-
-„Heel verstandig,” prees Rolf. „Ga je mee?”
-
-Hajo liet zich gezeggen. En hij riep Padde, die nog bij tafel zat, toe:
-„Padde! Sta op! We gaan naar kooi!”
-
-Hé, dat klonk nog er eens: kooi inplaats van bed!
-
-Maar Padde hoorde het niet. Met het hoofd in de handen was hij,
-zittend, in slaap gevallen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-OUDEJAARSAVOND
-
-
-Of de jongens aan het werk werden gezet? Nee maar! Smeren, boenen,
-zwabberen was het wachtwoord. En wanneer de bootsman hun een enkele
-maal eens een oogenblikje had gelaten om uit te blazen, wisten de oomes
-wel „een mooi werkje voor een scheepsjongen”. Padde viel er natuurlijk
-buiten: die had een leventje als een volwassen bottelier. Hij sliep een
-gat in den dag, at met toewijding, spoelde wel eens een kruik om en
-babbelde urenlang met den braven bottelier. Het was van het begin af
-aan gewoonte geweest, dat de schele bottelier het werk deed, en Padde
-zijn korte beentjes liet schommelen, zittend op een leeg tonnetje als
-een koning op zijn troon.
-
-„Wil ik soms even helpen, Schele?” vroeg Padde wel eens, wanneer de
-dikke bottelier amechtig blies van ’t lange bukken.
-
-„Blijf jij maar zitten, m’n jongen,” was het antwoord. „’k Ben zóó
-klaar.”
-
-Maar Hajo moest voor alles opdraaien. Waar hij ook zijn vriendelijk
-gezicht vertoonde, overal had men een werkje voor hem. Als hij den
-barbier tegen het lijf liep, vroeg deze: „Zeg er eens, vriendje, ben
-jij niet drogistenjongen geweest?”
-
-„In De Gouden Gaper, Vader Langjas.”
-
-„Och, help me dan even met het stampen van kruiden, wil je?”
-
-En Hajo stampte. Maar buiten hoorde hij Zwarten Gijs al razen: „Waar
-zit me die blikslagersche smidsjongen! Hij moet krammetjes voor me
-slaan!”
-
-Of Steven Duffel, de bakker, liet hem deeg kneden. Of Hajo moest
-planken zagen voor Diede Doedes, den timmerman.
-
-Zijn loon bestond meestal uit de woorden: „Je mag me nòg ’ns helpen!”
-of uit een draai om z’n ooren, wanneer hij iets verkeerd had gedaan.
-
-Om den haverklap werd hij bij z’n kraag gegrepen en door een janmaat
-het want ingestuurd om iets te „klaren”. En als hij dan bij het zware
-werk op de bovenste fokke-ra stond te balanceeren met negen kansen op
-de tien om omlaag te storten, riep de „oome” van beneden: „Ja, breek je
-nek maar: ’t is morgen toch Zondag!”
-
-Maar wat veel goed maakte? Als Hajo, een paar emmers ijskoud water in
-de verkleumde vingers en een zwabber onder den arm, met een echt
-zeemansloopje het dek oversjouwde, of boende en schrobde, dat alles wit
-van ’t schuim zag, kon het zoo in eens gebeuren, dat de schipper achter
-hem stond en vroeg: „Valt het nogal mee, Peter?”
-
-Dan kreeg Hajo het, ondanks de Decemberkoude, warm onder z’n doorweekt
-baadje; hij rukte z’n muts af en zei: „Vàst wel, schipper!”
-
-En de groote man knikte goedkeurend.
-
-De bescheiden grijns, die zich dan op Hajo’s gelaat vertoonde, was
-onbetaalbaar. Z’n oogen tintelden; hij wreef verlegen de polsen tegen
-z’n broek.
-
-Werken wilde Hajo, maar daarom lustte het hem nog niet, voor alle oomes
-Hansje-m’n-knecht te spelen! Hij rook het op tien pas afstand, of ze
-hem bij de kladden wilden nemen; hoe onschuldiger een oome zich
-voordeed, hoe minder Hajo hem vertrouwde; de oome stak z’n vingers uit
-en meende Hajo bij z’n broek te hebben, maar Hajo had dit kleedingstuk
-juist bijtijds in veiligheid gebracht!
-
-Rolf..... dien lieten ze wat meer met rust. Hij was altijd zoo kalm,
-dat hij ook den ouderen achting afdwong. Ze zeiden hem weleens: „Doe
-dit of dat!” maar hem, zooals Hajo, ongezouten in zijn nekvel
-pakken,—daar kwamen ze toch niet toe.
-
-Bolle, de kok, gaf Hajo in het schaftuur Maleische les. Rolf zat er ook
-bij en schreef alles op. Want Rolf kon schrijven,—een kunst, die onder
-de janmaats weinig beoefend werd.
-
-„Kijk”, zei Bolle, terwijl hij met toegeknepen oogen de dampende
-aardappelen omschudde. „Kijk: besie is ijzer, en toekang is..... is
-man. Nou, wat is nou: smid?”
-
-„Besie toekang!” meende Hajo. „IJzer-man!”
-
-„Nou ben je d’r krek naast!” zei Bolle. „Smid is: toekang besie!” En
-Bolle had schik, dat Hajo er in was gevlogen. „Verder maar weer! Orang
-is mensch, en orang-orang is menschen. Je hebt niks anders te doen als
-het woord tweemaal te zeggen. Stom-eenvoudig. Poehoen is boom! Wat is
-nou een bosch?”
-
-„Oetan”, zei Rolf.
-
-„Mmm? Drommels ja, dat is waar ook. Ja dat komt: jij schrijft alles op,
-en ik..... M’n boonen!” riep hij en snelde, in zijn haast een
-koksjongen omver loopend, naar den grooten ketel, die wat verderop te
-vuur stond. „Morgen wéér ’n uurtje!” riep hij zijn leerlingen toe. „Zie
-maar eerst, dat je dat allemaal onthoudt!”
-
-Bolle had reden om niet al te gul te zijn met zijn wijsheid. Want, als
-alle wijsheid, had ook de zijne haar grenzen.
-
-Hajo besloot reeds den eersten avond aan boord, zich op het vioolspel
-te werpen. Hij klampte Harmen aan, het muzikale wonder van de
-Nieuw-Hoorn.
-
-Deze was door het aanzoek gevleid. „Ik zal je het leeren”, zei Harmen,
-„maar je moet niet denken, dat ’t in knoopslag gaat; je mag blij zijn,
-als je ’t in een maand behoorlijk kent.”
-
-„Ik zal m’n best doen!” beloofde Hajo.
-
-„Dat schéélt natuurlijk ’n paar zeilen!” gaf Harmen toe.
-
-„Zeg Harmen,” vroeg Hajo, „moet hier geen snaar zitten?”
-
-„Nou ja,” zei Harmen. „D’r hebben d’r drie aan gezeten. Maar die eene
-piepte zoo; toen heb ik ’m er maar afgetrokken.”
-
-„En wat doe je met die zwarte houtjes?”
-
-„Die zijn om de zaak wat an te taliën. Maar ik wurm er liever niet te
-veel aan, anders knappen ze me nog, de snaren. Ach, geen mensch weet
-natuurlijk op een prik, hoe stijf je ze moet aantrekken. Dat doet ieder
-op zijn manier en al naar ’t uitvalt, hè?” Met zwierig gebaar legde
-Harmen de viool tegen zijn borst en kraste er op los.
-
-„Mag ik nu eens?” vroeg Hajo met van spanning onzekere stem.
-
-„Als je d’r maar voorzichtig mee bent,” zei Harmen.
-
-Nou, dat was Hajo wel! Hij durfde het wonderlijke doosje nauwelijks aan
-te vatten. Angstig waagde hij een streek.
-
-„Je leert het vàst”, verzekerde Harmen.
-
-„Zou je denken?”
-
-„Natuurlijk! Als je zoo nu en dan eens een toontje niet weet, sla je
-dat eenvoudig over, hè? Dat doe ik ook; dat doet iedereen, en geen
-mensch, die er wat van merkt. Geef hier: ik zal je ’n begrafenis
-voorspelen.”
-
-„Pràchtig.....!” zuchtte Hajo, toen het uit was.
-
-Dat deed Harmen’s kunstenaarshart goed. „Nou, je gaat je gooi maar”,
-zei hij gul. „Maar laten de anderen ’t niet hooren, zoolang je ’t niet
-kent, want ze zouden m’n viool op je kop in stukken slaan, en dan heb
-ik nog geen nieuwe.”
-
-Hajo koos voor zijn studies een verlaten plekje. Padde was zijn
-bewonderend toehoorder, en samen zaten ze den ganschen avond bij een
-affuit, Padde slaperig voor zich uit turend.
-
-„Merakel.....!” zei Padde, wanneer Hajo een onzekere melodie met een
-gevoelvollen triller had besloten. „Zeg....., Hajo?”
-
-„Mm?”
-
-„M’n moeder moest ons hier eens zien zitten!”
-
-„Ja!” zuchtte Hajo, terwijl hij de viool liet zinken. En zijn oogen
-dwaalden.....
-
-Ook Rolf besteedde zijn avonden nuttig. Hij had zich met Vader Langjas
-bevriend en kreeg van dezen de vergunning om wat te bladeren in een
-paar dikke boeken, welke de barbier in z’n kooi had staan. Het was
-rustig in Vader Langjas’ kamertje; Rolf las met opeen geklemde lippen
-en gefronst voorhoofd. Binnen vier-en-twintig uur stond hij dan ook
-bekend als „de boekenwurm”. Maar intusschen..... ook hierdoor won Rolf
-aan achting.
-
-Gerrit had een goed leventje! De maats stopten hem van alles toe, zelfs
-tabak, en bemoeiden zich veel meer met hem dan hij verdiende. Want
-Gerrit beloonde allen met hooghartige onverschilligheid en liet zich
-alleen door Hajo streelen.
-
-Gerrit was niet het eenig levend beest aan boord. Lijsken Cocs, een
-bleek, tenger koksjongetje, met oogen waarin zoo op het eerste gezicht
-tien pond onschuld lag uitgewogen, had een Genueesch biggetje, een wit
-diertje met bruine vlekken. Het kon „een reis om de wereld” maken, die
-hierin bestond, dat het bij z’n meester in den hals kroop en er bij de
-broekspijp weer uit tuimelde. Om het die reis een weinig te
-vergemakkelijken, trok Lijsken zijn toch al niet erg omvangrijken buik
-zoo ver mogelijk in. Het diertje heette Job en had zich de gewoonte
-eigen gemaakt, om, vóór het z’n bakje eten kreeg, te „bidden”, de
-voorpootjes tegen elkaar gedrukt, de ronde oogjes gesloten, mummelend
-met zijn konijnensnuitje.
-
-Job en Gerrit moesten met elkaar kennismaken; dat sprak vanzelf, en het
-geschiedde in de kombuis. „Ka!” schreeuwde Gerrit, toen hij Job
-ontwaarde.
-
-Het marmotje zei niets, ging op z’n achterpootjes zitten, snuffelde en
-gluurde en dribbelde haastig rond—zonder eigenlijk veel uit te voeren.
-
-Gerrit lei z’n kop schuin, loerde met zijn schrandere oogen, wette zijn
-snavel op den planken vloer, plukte zich forsch in veeren en
-schreeuwde, overtuigd van eigen voortreffelijkheid: „Ka!”
-
-„Kan ie anders niks?” vroeg Lijsken. „Joppie, kom er eens bij de baas?”
-
-Job kwam ijlings aangedribbeld, klauterde langs Lijsken’s toegestoken
-arm omhoog, verdween pardoes in ’s meesters kraag. Lijsken zei:
-„Killekillekie!”, trok zijn buik in, en Job tuimelde op den grond.
-
-Gerrit wipte haastig op zij, uitte zijn verwondering in een vragend
-uitgesproken: „Ka?!”
-
-Ook Job scheen wat beduisd en scharrelde in een nauw kringetje om
-Gerrit heen. Deze draaide zichzelf bijkans den hals om,—verloor den
-zonderlingen toerist geen seconde uit het oog. „We krijgen storm!”
-verzekerde Lijsken. „Als Joppie krek als een tol in ’t rond draait,
-gaat ’t stormen. Als ie op z’n rug gaat liggen, komt d’r windstilte.”
-
-„Nou, ik hoop maar, dat er storm komt!” zei Hajo.
-
-Lijsken keek hem met groote oogen aan. „Jij hebt zeker nog nooit een
-storm meegemaakt!”
-
-„Jij wel?”
-
-„Nou! Ik ben met m’n vader bij de walvischvaart geweest!”
-
-„En waar is je vader nou?”
-
-„Dood. Aan de scheurbuik.” Lijsken’s gelaat nam een
-ouwe-mannetjes-uitdrukking aan. „Ze zijn thuis nog met z’n vijven. En
-m’n moeder is niet sterk! ’k Heb ’n broer, maar die is nog te klein. En
-alles is zoo duur tegenwoordig!” Lijsken begon voor zich heen te
-fluiten. „Wat zul je d’r aan doen? Hier, hij”—dat was Job—„hij heeft
-m’n vader nog gekend. Nietwaar, Joppie?”
-
-„Mijn vader is verdronken,” zei Hajo.
-
-Lijsken schudde peinzend het hoofd. „Met z’n hoevelen zijn jullie?”
-
-„M’n moeder, m’n zusjes Antje en Maartje en dan m’n broertje Doris.”
-
-„Hoe oud?”
-
-„Antje is twaalf, Maartje.....”
-
-„Je broer, bedoel ik.”
-
-„Doris is vijf.”
-
-Lijsken floot veelbeteekenend. „Te jong, hè?”
-
-„Te jong??”
-
-„Om te verdienen. ’t Is lam, hoor, voor je moeder.”
-
-Toen veranderde plotseling de uitdrukking op zijn gelaat. „Weet je wat
-óók beroerd is? Als je ’n puist op je zitvlak hebt, en je moet paard
-rijje!” En grinnekend pakte Lijsken zijn viervoetig lotgenootje op.
-„Kom jij maar bij de baas, Joppie!”
-
-
-
-Op oudejaarsmorgen zeilde de Nieuw-Hoorn Pleimuiden voorbij. Padde zag
-het, met weemoedige gedachten vervuld, weer achter den gezichtseinder
-wegzinken. Hij was zoo in zijn overpeinzingen verdiept, dat hij er
-niets van merkte, hoe een paar janmaats naderden, op Padde wezen en tot
-elkaar zeiden: „Zullen we hèm nemen? Lijsken is wat te mager.”
-
-En pats! daar hadden ze Padde bij z’n kraag.
-
-„Laat me los!” schreeuwde de arme jongen. „Ik ben botteliersmaat!”
-
-„Daar zullen we je niet om vermoorden,” zeiden de maats. „Kom maar eens
-netjes mee.”
-
-Padde werd naar het vooronder gesleept, waar de oomes hem in een
-kleurige, met papieren bloemen beplakte japon heschen en hem een pruik
-opzetten van geel vlas, waaronder een krans vergeetmenietjes was
-gevlochten.
-
-„Wat moet dat!” jammerde Padde.
-
-„Je bent het nieuwe jaar,” zeide de oomes. „En de bootsman zal het ouwe
-jaar zijn. Wees maar blij toe: we krijgen spekpannekoek en warme
-bollen.”
-
-Warme bollen.....! Padde begon er iets van te begrijpen.
-
-„Loop eens ’n paar passen,” bevalen de oomes. „En kleine stappen, want
-je bent een meisje. We zullen je vanavond wel zeggen, als je voor den
-dag moet komen. En dan maar knikken en lachen,—drommels, we moeten je
-nog met meel insmeren! En dan strooi je maar blommetjes rond; in die
-mand bennen d’r zat; die moet je over je arm nemen. Ziezoo, en dan zeg
-je maar..... moet ie wat zeggen?—Wacht daar loopt Harmen
-juist.....—Harmen! Een versie voor ’t nieuwe jaar!”
-
-„Wacht maar even,” zei Harmen. En na eenig nadenken begon hij, terwijl
-de oomes vol bewondering het hoofd schudden:
-
-
- „Het nieuwe jaar is daar
- En wenscht u altegaar
- Een voorspoedig jaar!
- Het schip van Willem IJsbrantsz. Bontekoe
- Gaat..... gaat.....”
-
-
-„Gaat naar Oostinje toe!” viel een der maats in. „Dat rijmt! Gaat naar
-Oostinje toe!”
-
-„’t Rijmt wel,” zei Harmen, „maar ’t is geen nieuwtje! We weten
-allemaal wel, dat de Nieuw-Hoorn naar Oostinje gaat. Je moet in een
-versje wat zeggen, dat iedereen weet, en waar ze toch verbaasd van
-staan te kijken. Wacht, ik heb al wat!” En Harmen dichtte:
-
-
- „Het schip van Willem Bontekoe
- Gaat zonder scha naar Oostinje toe!
- Met rijkdom, peper en geluk belaan
- Komen we weer in Texel aan!”
-
-
-„’t Is mooi!” verklaarden de oomes. „Vooruit, zeg het na, aap van ’n
-jongen!”
-
-„Ik..... ik ken er geen woord meer van”, bekende Padde.
-
-„Luister dan, rekel! Zeg ’t hem nog eens even voor, Harmen?”
-
-„Als ik ’t zelf nog maar zoo op ’n prik ken.....” weifelde de
-nieuwjaarsdichter.
-
-„Nou, dan maak je maar weer ’n ander vers”, zeiden de oomes. „Laat de
-boekenwurm het opschrijven, dan staat ’t op pampier. Wee je gebeente,
-als je ’t vanavond niet kent! En lachen, begrepen?”
-
-„Jawel.”
-
-„Jawel: wàt?!”
-
-„Jawel, meneer.....”
-
-De oomes begonnen te grinniken.
-
-„Je bent zoo groen als gras,” stelde Harmen vast. „Kom, trek die
-soepjurk maar uit, dan gaan we de boekenwurm opzoeken.”
-
-En grimmig liet de arme Padde zich meevoeren.
-
-
-
-Het heele schip was in rep en roer. Lampions en slingers prijkten in de
-kajuit en het vooronder; een vleeschpot werd met zorg van binnen en van
-buiten verguld: hij moest als koets dienen, wanneer het nieuwe jaar
-straks door vier janmaats zou worden aangesleept.
-
-Er was verschil van meening over de vraag of er vijf dan wel tien warme
-bollen per man zouden worden verstrekt; de kok zweeg er over als het
-graf, en de koksmaats likten zich het pannekoekbeslag van de vingers.
-
-Padde zwoer bij hoog en laag, dat hij een groote taart had gezien,
-zwart van de krenten! En Harmen fluisterde, dat er na het eten krieken
-op brandewijn en trommelkoek zouden worden rondgediend. Alsjeblief, dat
-was maar eventjes alles!
-
-De bootsman vergat dien dag, het om de ooren der scheepsjongens te
-laten donderen en bliksemen, zóó nam de drukte hem in beslag. Kwaje
-tongen beweerden, dat hij wat van streek was, omdat hij ’s avonds een
-toespraak moest houden, en Hajo was stomverbaasd, den gevreesden
-bootsman „verekskuus!” te hooren stamelen, toen hij hem in de haast pal
-tegen den buik rende. Hij had op een draai om z’n ooren gerekend.
-
-Het eten overtrof alle verwachtingen. Eerst boonen met spek en een kan
-schuimend bier, toen rijstebrei met een schep basterdsuiker er over, en
-ten slotte werd onder groot tumult de taart van Padde binnengedragen,
-met brandewijn begoten en door den bootsman aangestoken; de vlammen
-sloegen haast tegen de zoldering. Hajo en Padde hadden zoo iets nooit
-gezien; de laatste stond doodsangsten uit, dat de taart heelemaal zou
-opbranden, en een paar oomes morden, dat ’t zonde was, den brandewijn
-op die manier de wereld uit te helpen.
-
-Maar de taart smaakte best, en toen de schipper met koopman Rol eens
-even in het vooronder kwam kijken, of de mannen niet teleurgesteld
-waren, nam het hoera-gebrul geen einde.
-
-De avond bracht nieuwe verrassingen. Harmen van Kniphuyzen, zwart als
-een Moriaan, kwam binnen, gevolgd door zwartjes met groote zakken,
-waaruit ze oliebollen rondstrooiden. Er waren er bij met zout gevuld;
-dat gaf aanleiding tot spuwen, mopperen en klappen uitdeelen. En de
-Morianen ruimden niet zonder blauwe plekken het veld.
-
-Toen werd voor de deur van het vooronder een kanon opgesteld, geladen
-en..... met een plof ging het schot af. Allen waren achter banken en
-kooien weggekropen, maar haastten zich nu—een enkele zelfs wat bleek om
-den neus!—om naar de suikerboonen te grabbelen, waarmee de kanonloop
-tot de monding gevuld was geweest.
-
-Padde kreeg dien avond geen slaap. Telkens wanneer in den fok de glazen
-werden afgeteld, kromp hij even ineen, en toen het elf uur was, spoedde
-hij zich naar de plaats waar hij zich verkleeden moest.
-
-Berentsz. stond in Oudejaarskleedij en studeerde met Harmen, die nog
-duidelijk sporen van z’n Moriaanschap vertoonde, zijn toespraak in.
-„Eindelijk!” schold de bootsman, wien het zweet van de slapen gutste.
-„Haal als de drommel de kerels, die m’n sleep moeten dragen!—Dus: de
-Hollandsche vlag zal..... zal wapperen van..... van.....”
-
-„De transen van het nieuw verworven rijk,” zei Harmen voor.
-
-„Wat zijn dat: transen?”
-
-„Weet ik ook niet,” bekende Harmen. „Maar in elk behoorlijk vers komt
-het voor.”
-
-„Zul je me helpen, Harmen, als ik niet verder kan?” smeekte Donder en
-Bliksem, deemoedig als een getemde leeuw.
-
-„’k Sta ommers geen twee pas van je af, bootsman!”
-
-Ja-ja, ’t was me een opwinding, dien oudejaarsavond!
-
-Om kwart voor twaalven werden de maats op het dek gecommandeerd en aan
-weerszijden opgesteld, zoodat er een vrije gang in het midden bleef.
-Die gang voerde naar een tegen het achterhuis gebouwde verhevenheid,
-waarop vier met guirlandes versierde stoelen stonden. Het was lekker
-koud; de maats sloegen den kraag van hun „duffelsche” op, staken de
-polsen in de zakken weg en bliezen en trappelden om warm te blijven.
-
-Er hingen nu brandende lampions in de ra’s, en het bontgekleurde licht
-danste over de gebruinde koppen en verlichtte de zeilen van onder-op,
-die rood, blauw en oranje getint tegen den donkeren hemel afstaken. ’t
-Was dekselsch mooi.
-
-Daar kwamen de schipper, de koopman en de stuurman Jan Piet van Hoorn
-de kajuit uit.
-
-„Stilte!” gebood Vader Langjas.
-
-Ineens hoorde je niets dan het klotsen der golven en het zuchten van
-den wind. Rechtop stonden de kerels; tweehonderd gespierde knuisten
-rukten een muts omlaag.
-
-Dat beviel Bontekoe. Terwijl de beide andere heeren met strakken ernst
-plaats namen, verscheen op ’s schippers gelaat een breede,
-jongensachtige glimlach; hij knikte even, alsof hij zeggen wilde: „Goed
-zoo!”
-
-Zie je, dat ging den oomes in ’t hart. Dat was het waarom ze hun
-schipper zoo dekselsch graag mochten lijden! Bij dien goedkeurenden
-glimlach strekten de halzen zich nog meer, en de mondhoeken vertrokken
-zich nog forscher. Schipper Bontekoe? Een puik schipper!
-
-Er werd onder de maats gemompeld, gelachen en „Sssst! Daar Komt-ie!”
-geroepen. En zie: daar verscheen achter de kombuis een eerbiedwaardig
-grijsaard. Een lange, witte mantel met gouden sterren hing van zijn
-schouders en werd door vier sleepdragers opgehouden. De grijsaard
-schreed met z’n gevolg tusschen de vroolijke maats door, maakte een
-diepe buiging voor de heeren, die van hun zetels opstonden en
-terugbogen, leunde moeizaam op zijn staf en begon met eenigszins
-onvaste stem: „Schipper..... hm!”
-
-„Sscht! Stilte!”
-
-„Schipper, ik ben..... hm! het oude jaar, en ik ben..... ik ben hier
-gekomen om..... hm! om afscheid van je te nemen, van jou en van de
-koopman en van de opperstuur en van al de brave jongegezellen en
-huisvaders, die..... hm! die het vaderland, d’rlui vrouwen en d’rlui
-kinders hebben vaarwel gezegd om..... hm! om de vlag van de
-Oostinjische Compagnie te laten..... te laten wapperen van de..... van
-de.....”
-
-„Van de transen.....” vulde de voorste sleepdrager zachtjes aan.
-
-„Van de transen van het nieuwverworven rijk! Waarmee ik maar zeggen
-wil, dat..... dat ik mag lije, schipper, dat jij en wij allemaal een
-puike reis zullen hebben; dat de Nieuw-Hoorn met..... met rijke buit
-belaje weer in het vaderland mag terugkeeren, schipper, bij vrouw en
-kinders. En dat het nieuwe jaar jou, schipper en ons allemaal en ook de
-koopman en ook de opperstuur, die..... die aan je zijde zitten,
-voorspoed mag brengen, en dat, om ’t nou maar eens voor de vuist weg te
-zeggen, schipper, dat we in ’t nieuwe jaar geen ouwe koeien meer uit de
-sloot moeten halen en niet lamenteeren over wat er dit jaar verkeerd is
-gebeurd; dat we wat voor mekaar over moeten hebben; dat we niet bang
-moeten zijn, de handen uit te steken als ’t noodig is; dat we alle
-herrie vergeten en vergeven moeten; dat we kerels van stavast moeten
-zijn, van één zin en één hart! Zie je, schipper, dat wensch ik!”
-
-„Zoo hoor ik je graag spreken, vadertje,” zei Bontekoe. Hij kwam op den
-grijsaard toe en drukte hem de hand. „Mag ik je uit naam van de heele
-bemanning bedanken?”
-
-„Dat mag je, schipper!” zei het Ouwejaar. „Waarachtig, dat mag je!” En
-hij begon te snuiven.
-
-De schipper leidde hem op de verhevenheid en bood hem de plaats aan
-zijn rechterzijde aan. De vier sleepdragers verdwenen met den looppas.
-
-„Vooruit, de kuip in!” beval Harmen Padde, die achter de kombuis in vol
-ornaat te wachten stond. „Wat?! Sta je te grienen?!”
-
-„Harmen!” snikte Padde. „Ik heb alles gehoord wat..... wat de bootsman
-zei!” En hij begon met zijn bebloemde mouw z’n gezicht te bewerken.
-
-„Je ziet er uit als een beest!” riep Harmen ontzet uit. „Lieve help,
-ben je zoo’n spons? Hier met je gezicht!” En Harmen smeerde er een
-vingerdik meel op. „Als we stilhouden, stap je uit en zegt m’n vers op!
-Vergeet het strooien niet en denk er om: lachen!”
-
-En Padde werd vrij onzacht in de kuip geduwd.
-
-„Kunnen we trekken?” vroegen de anderen.
-
-„Wachten tot ze gaan schieten!” beval Harmen.
-
-Padde werd bleek om z’n neus. „Gaan ze schieten?!”
-
-„Alle kanonnen! Zoodra ’t twaalf uur slaat. Ter eere van ’t nieuwe
-jaar.”
-
-„Ter eere van mij.....?!”
-
-Daar sloeg het al in den fok. Een-twee-drie-vier-vijf-zes.....
-
-Padde stopte de ooren toe.
-
-Boem! Het schip dreunde. Boem! Boem! Boem!
-
-„Méé!” schreeuwde Harmen. En tegen Padde: „Vooruit! Strooien en
-lachen!” En met z’n vieren sleepten ze de vergulde vleeschkuip, met
-Padde er in, tusschen de maats door, die het nieuwe jaar met
-hoera-gebrul begroetten.
-
-En Padde strooide. Het lachen lukte maar half. Voor den troon, waarop
-de schipper, het ouwejaar en „de heeren” zaten, hield zijn zegewagen
-stil. Padde krabbelde uit de diepe kuip.
-
-„Sscht!” werd er geroepen. „Hij mot een versie zeggen!”
-
-Padde keek schuchter om; Harmen gaf hem een duwtje. „Schipper.....!”
-begon Padde, en zijn mond begon te trillen, „schipper.....!”
-
-„Ik ben het nieuwe jaar!” fluisterde Harmen grimmig.
-
-„Ik ben..... ik heb..... ik heb daareven alles gehoord wat de bootsman
-zei, schipper, en.....!”
-
-Toen redde Harmen den hopeloozen toestand. Hij sprong naast Padde,
-greep zijn hand en begon:
-
-
- „Wij zijn het nieuwe jaar!
- We brengen niets als voorspoed maar!
- We zullen je naar Oostinje leiden,
- De compagnie met winst verblijden!
- De mannen, nimmer lui of moe,
- Roepen.....”
-
-
-Hij wendde zich tot de maats, zwaaide met den blooten onderarm, die nog
-pikzwart was van zijn Moriaan-schap, en uit aller mond daverde het:
-„Leve schipper Bontekoe!”
-
-De oorlam werd binnengebracht. Voor de heeren en voor het Ouwejaar was
-er wijn; de jongens mochten zeewater drinken,—zooveel ze maar wilden.
-
-„Mannen!” zei Bontekoe, „ik ledig dit glas op jullie aller welzijn! Ik
-weet, dat jullie allen hier door hetzelfde voornemen bezield bent als
-ik: de Nieuw-Hoorn behouden naar Oostinje en weer naar huis te
-brengen!”
-
-„Ja! Leve de schipper! Leve Bontekoe! Leve de Nieuw-Hoorn!”
-
-„Zingen!” riep het Ouwejaar.
-
-„Ja! Zingen! Leve de bootsman!”
-
-En zwaar en diep, alsof het opsteeg van den bodem der zee, klonk het
-mooie, oude Wilhelmus. De oogen der mannen glinsterden. Een groot
-gevoel welde uit hun harten op.
-
-„Den Vaderlandt gethrouwe, blijf ick tot in den doet.....”
-
-En toen verdween Bontekoe met het Ouwejaar onder luid gejuich in de
-kajuit, en de oomes spoedden zich naar het warme vooronder.
-
-Hier duurde de pret nog lang na. Harmen kwam met z’n fiedel op de
-proppen; de oomes zongen en zwetsten en sloegen met de vuist op tafel.
-
-„’t Zal een voorspoedige reis worden!” verzekerden ze elkaar.
-
-Het zal een voorspoedige reis worden.....
-
-Zoo dachten ze allemaal.
-
-
-
-
-
-
-
-
-STORM
-
-
-Den eersten Januari 1619 passeerde de Nieuw-Hoorn den Zuid-Westhoek van
-Engeland; de wind was Oost; de koers werd Zuid-West ten Zuiden gesteld.
-
-„’t Lijkt wel of de wind draait”, zei Hajo tot Rolf, terwijl ze samen
-op het eindje van een ra zaten.
-
-„Hij loopt naar ’t Zuiden”, stelde Rolf vast. „Geef dat strengetje
-eens?”
-
-„Daar. Help je mij even trekken?—Zeg, ’t is ook net of de wind sterker
-wordt.”
-
-„Dat lijkt zoo, omdat we hoog zitten”, meende Rolf.
-
-Maar Hajo vergiste zich niet. De wind nam toe en flink ook. Eerst wist
-hij zelf niet, waar hij zich zou huisvesten, blies dan voor, dan
-achter; je kon er geen zeil naar stellen. Maar tegen den middag nam hij
-een besluit: hij nestelde zich in het Zuiden en bleef daar zitten. De
-Nieuw-Hoorn ging stampen als een paard, dompelde snuivend den kop in de
-baren. Padde werd akelig bleek.
-
-„Ben je niet lekker?” vroeg Harmen hem meewarig. „Ja, de eerste keer
-ruw weer.....! Vraag de bootsman maar ’ns waar het zeeziekvrije plekkie
-is.”
-
-„Het zeeziekvrije plekje??”
-
-„Weet je dat niet? Elk schip heeft ’n zeeziekvrij plekkie! Als de
-bootsman niet weet waar ’t is, loop dan maar even bij de schipper aan.
-Die moet ’t weten, hè?”
-
-Padde besloot te gaan zoeken. Maar voor hij den bootsman lastig viel,
-klampte hij eerst op goed geluk den Neus aan.
-
-„’t Zeeziekvrije plekkie? Wel sapperloot, dan heb je niets anders te
-doen als hier en daar ’ns op je rug te gaan liggen. En dan kijk je naar
-je voeten. Gaan die op en neer, dan ben je verkeerd. Maar als ’t schip
-beweegt, en je voeten liggen stil, dan heb je ’t goeie plekkie te
-pakken.”
-
-Padde was dankbaar voor den nieuw verworven raad, en overal waar hij
-zonder gevaar van uitgelachen te worden proefnemingen kon doen, strekte
-hij zich neer.
-
-„Wat is dat? Ben je dood?” riep een stem.
-
-Padde krabbelde, zoo snel zijn loodzware beenen het veroorloofden,
-overeind, en zag in de vriendelijke oogen van Floorke, wiens rond
-gelaat met sproeten was bezaaid en onder wiens muts harde, vuurroode
-haarstoppels te voorschijn sprongen.
-
-„Ik zoek wat”, zei Padde onhandig.
-
-„En ga je dan op je rug liggen??”
-
-„Och,” was Padde’s alleronverschilligst antwoord, „ik zoek zoo voor de
-aardigh-h-heid eens naar het zeeziekvrije plekje.”
-
-Er tintelde iets in Floorke’s oogen. „Als je ’t noodig hebt, loop dan
-maar even bij me an; dan zal ik je wel vertellen waar het zeeziekvrije
-plekkie is.”
-
-„Zeg op!”
-
-„Waarom? Je bent nou toch nog niet zeeziek?”
-
-Padde lachte hartelijk. „St-t-tel je voor! Maar ik wil ’t toch wel
-w-weten.”
-
-„Nou, als je d’r op stáát! Klim dan maar ’ns in de groote mast. De
-bovenste ra moet je in.”
-
-„Dat lieg je toch?”
-
-„Liegen??? Ga zelf nou ’ns na: waar komt de beweging vandaan? Van ’t
-water en de golven, nietwaar? Nou, waar heb je er dan de minste last
-van? Zoo ver mogelijk van ’t water af. En waar is dat? In ’t topje van
-de groote mast!”
-
-Daar viel niet veel tegen in te brengen. Padde ging naar den grooten
-mast en zette een voet in het want. Maar toen hij voelde, hoe het
-schudde en trilde, en toen hij zag, hoe het winpeltje daar heel in de
-hoogte heen en weer zwiepte, verklaarde hij, dat Floorke de gemeenste
-leugenaar was, dien hij ooit had ontmoet, en dat Padde Kelemeijn er
-waarachtig de vent niet naar was, om zich voor het lapje te laten
-houden!
-
-Verdrietig gestemd, dat hij de wereld zoo vol leugen en bedrog vond,
-liep hij Hajo tegen het lijf.
-
-„’t Zal wel op storm uitdraaien!” meende deze gewichtig.
-
-„Zeg, Hajo.....” Padde sloot even de oogen, „als ik ’ns wat uit het
-fleschje..... wat gaat die schuit te keer!..... uit ’t fleschje van
-Grietje dronk? Schaadt ’t niet, ’t baat ook niet.”
-
-„Heb je daar trek in?” vroeg Hajo, weifelend.
-
-„T-trek! ’t Is g-geen snoepgoed!”
-
-„Vooruit dan maar. ’t Zit onder in m’n kist.”
-
-„Mispoes!” zei Padde. En met een zwakke poging om zegevierend te
-kijken, haalde hij het fleschje uit zijn zak. „Ik dacht: je kunt nooit
-weten! Brrr..... wat gaat dat schip.....!” En Padde hield zich vast aan
-een onderzeil; zijn knieën knikten. „Maak je ’t even open, Hajo?”
-
-Ook deze voelde iets van onpasselijkheid in zich opkomen, toen hij den
-olie-achtigen inhoud van het fleschje zag. Met afgewend gelaat
-ontkurkte hij het.
-
-Padde scheen inderdaad weinig „trek” te hebben. Hij moest al zijn moed
-bijeentrommelen en neus en oogen dichtknijpen, vóór hij een klokje in
-zijn mond goot.
-
-„Voel je je nou beter?” vroeg Hajo.
-
-„Veel b-b-beter,” verzekerde Padde.
-
-„Neem nog wat”, raadde Hajo aan.
-
-Padde begon te kokhalzen.
-
-Toen nam Hajo een kordaat besluit: hij slingerde het fleschje
-overboord.
-
-„D-doodzonde,” jammerde Padde.
-
-
-
-Den vierden Januari liep de wind naar het Zuid-Westen om en werd zoo
-hevig, dat de marszeilen moesten worden ingenomen. In den nacht bleek
-het noodzakelijk, ook de fok in te nemen. Het schip liep Westwaarts
-over, met één zeil.
-
-Padde viel op het dek niet meer te bespeuren: de Schele had hem bij
-zich genomen en vertroetelde hem als een zuigeling. Hajo was ook niet
-vrij meer van zeeziekte. Rolf scheen er nog weinig last van te hebben.
-Hij steunde Hajo vaak, wanneer ze samen het want werden ingestuurd, en
-liep daardoor zelf honderdmaal gevaar, uit het hevig slingerende
-touwwerk te vallen.
-
-Tegen den avond van den volgenden dag barstte de storm los. Job had
-goed gezien.
-
-De golven ramden met donderend geweld de krakende scheepswanden; wolken
-kokend schuim stoven tot over de hoogste ra’s. Het woelde en bruiste in
-de donkere watermassa; duivelsche machten spookten op den bodem der zee
-en schopten de Nieuw-Hoorn heen en weer.
-
-Met holle, wijd open oogen lagen onze vrienden dien nacht en
-luisterden..... luisterden.....!
-
-De lantaren in de slaapplaats van het volk slingerde angstwekkend heen
-en weer en wierp grillige, levende schaduwen door het vertrek. Slechts
-enkele mannen konden in slaap komen; de meesten lagen wakker; sommigen
-kreunden in benauwde droomen.
-
-De Nieuw-Hoorn werd hoog in de lucht geheven, sidderde in al haar
-voegen en tuimelde de diepte weer in.
-
-„Bê-ja! Ga daar maar liggen!” trachtte een maat boven het oorverdoovend
-gekraak uit te schreeuwen.
-
-Hajo sloot de oogen, drukte de armen stijf tegen de wanden van zijn
-nauwe krib. Jongens, wat zwaaide die lamp! Door zijn dichte oogleden
-heen zag hij het licht als razend heen en weer vliegen. Een-twee,
-een-twee, hopsasa!—Als de Nieuw-Hoorn eens verging?! Als de golven.....
-hoor ze mokeren! ’t Leek de smederij van Wouter wel!..... Als de golven
-het schip eens uiteenrukten en brullend..... hoor! hoor toch eens
-aan!..... en brullend hun buit verdeelden als jongens een zak knikkers?
-Hier, golf, daar heb jij een kist; weg er mee! Jij neemt die kerel voor
-je rekening, jij die mast, jij die scheepsjongen; golf, loop niet te
-nietsdoen, pak de bootsman bij z’n vodden.....!—Als ze eens met z’n
-tweehonderd met Gerrit en de schipper en de kist van baas Wouter werden
-opgenomen in de kille, zilte armen der zee en rondtolden in de zwarte
-diepten vol geheimen, waar zeegedrochten hen aanloerden met felle,
-groene oogen en dan bliksemsnel toeschoten, den afschuwelijken muil
-openden.....! Hoor het kraken der beenderen.....! Het water drong hem
-in neus en mond en..... Moeder! Moedertje! O, God.....!!
-
-Hajo veegde zich het zweet van de slapen. Angst en opwinding maakten
-koortsig.
-
-Rolf sprong overeind. „Ik ga buiten eens kijken!” riep hij zijn makker
-toe. Hij werd van de eene kooi naar de andere gesmeten, klemde zich aan
-alles vast om niet te vallen.
-
-„Zeg de zee gedag van me!” schreeuwde Harmen hem toe. Ergens schoot er
-een in een lach, die onwelluidend door het rumoer heenklonk.
-
-Rolf kwam weer terug, tot op het hemd doorweekt. Doodmoe plofte hij
-neer.
-
-„Wat is ’t voor weertje?” vroeg Harmen, schreeuwend om zijn geestigheid
-te doen verstaan.
-
-Een dreinende, schorre stem begon te brullen:
-
-
- „En als de maat ’n schipper heeft,
- Een oorlam en een lief,
- Dan lacht de maat, dan zingt de maat,
- Dan kent de maat geen grief!
- Van troeladiee, van troeladia.....”
-
-
-In eens.....! met een kreet sprongen de kerels overeind.... een
-donderslag.....! de deur van het vooronder werd versplinterd; door het
-weggeslagen paneel perste zich het water en spoot knallend tegen den
-voorwand van het volks-logies. Vlak er op, vóór men wist wat er aan den
-hand was, werd de deur geheel opengerukt; de bootsman stormde met een
-waggelende lantaren naar binnen, tot aan zijn knieën wadend in het
-water. „Alle hens aan dek!”
-
-„Hulp! Meer hulp!” klonk een vage roep van buiten.
-
-Toen kon men merken, dat de mannen van de Nieuw-Hoorn er wezen mochten:
-ze sprongen overeind, stonden schrap op hun beenen, dat er, voor den
-duivel, geen wrikken aan was! Ze trokken met een ruk hun broek op,
-haalden den riem aan, een-twee! en renden achter de zwaaiende lantaren
-van den bootsman aan naar buiten.
-
-Laat komen wat komen wil! Hier staan tweehonderd mannetjesputters, niet
-bang voor den duivel en z’n moer!
-
-Daarbuiten een chaos van lichamen in den zwarten nacht. Proesten en
-snuiven, een wild klappend zeil, zwiepende stengen, gekraak, geknars,
-schreeuwende stemmen door het loeien van den storm heen: „We zinken! De
-boegpoorten staan open!!!”
-
-Van het achterdek naderen ijlings zwarte gestalten met een licht, dat
-plotseling uitdooft. Een paar worden er over het dek geveegd en tegen
-de verschansing gekwakt.
-
-Ineens: schipper Bontekoe!
-
-„Schipper!! Het ruim loopt vol! De boegpoorten zijn ingeslagen!!”
-
-„Wat drommel, dan spijker je ze weer dicht! Berentsz!”
-
-„Schipper!”
-
-„Met twintig man naar het ruim!”
-
-Weg was Berentsz, een paar dozijn mannen op de hielen.
-
-„Schipper! Het vooronder staat vol water!”
-
-„Haal de putsen dan op!”
-
-Van alle kanten werden de emmers aangesleept. Maar vóór de kerels aan
-het baliën sloegen, vermorzelden ze met koevoeten de scheepskisten, die
-in het vooronder heen en weer dansten en hun de schenen stuksloegen.
-Toen werd een dubbele rij gevormd; de putsen gingen van man tot man.
-Een enkele keer sloegen de maats door het stampen en zwaaien met puts
-en al tegen den grond; als katten krabbelden ze weer overeind, en een
-half uur later was het vooronder droog. Toen kwamen de mannen, die in
-het ruim waren gestuurd, ook weer boven: de boegpoorten waren
-verzekerd. Ze hadden er dubbele deuren over gespijkerd.
-
-Alle zeilen waren ingenomen, maar nu tolde het schip zoo, dat de heele
-boel aan flarden dreigde te gaan. Twintig kerels zetten, de tanden
-opeengeklemd, het zeil weer bij. Dat stutte het slingeren wat.
-
-Flauw van afmatting ploften de mannen in hun vochtige kooien neer.
-
-De storm joeg een ijskouden regen voor zich uit, die kletterend tegen
-het dek sloeg, de grens tusschen zee en lucht uitwischte.
-
-Het schip koerste Westwaarts.
-
-In het Oosten schemerde een trieste morgen door het regengordijn.
-
-
-
-De storm woedde. Dag na dag. Met roodgezwollen neus en oogen liepen de
-maats rond. Al hun kleeren waren doorweekt; de regen wisselde af met
-scherpen hagel, die vinnig de huid striemde.
-
-Drie dagen na de nachtelijke paniek streken groote vluchten meeuwen
-over het schip, worstelend tegen den storm. Bij troepen kwakten ze, ten
-doode vermoeid, tegen het want, tuimelden met lamgeslagen vleugels op
-het dek. Men vermoedde de nabijheid van land, maar kon door golven,
-regen en wolken schuim geen twintig ellen voor zich uit zien.
-
-Het zeil werd omgegooid; men helde Oostwaarts over. De storm bleef in
-denzelfden hoek zitten, rukte woedend aan masten en zeilen. En als een
-bende hongerige wolven vielen de golven over het schip heen. Ze hijgden
-en sidderden van vernielzucht; de vlokken schuim vlogen hun van het
-natte lichaam; ze rolden over elkaar heen en betwistten elkaar den
-buit, ze beukten, kletsten, kermden en huilden.....
-
-Vier dagen later, in den namiddag van den twaalfden Januari, behaalde
-de storm een overwinning. Het was een seconde lang stil geweest; toen
-volgde een windstoot, die als een kanonschot tegen den boeg knalde; het
-volk in het vooronder sprong overeind en luisterde.....! Een
-doordringend gekraak; weer een seconde lang stilte, en de storm raasde
-voort.
-
-De maats snelden naar buiten, liepen elkaar haast omver.
-
-„De groote mast ligt om!!!”
-
-De breuk bevond zich op vijf vadem boven het dek. De schipper stond er
-bij, een schaar janmaats om hem heen, gereed elk bevel op te volgen.
-
-„Laat de steng zakken!” riep Bontekoe.
-
-Als eekhoorns vlogen de kerels het nu slaphangende want in, klemden
-zich vast met voeten en tanden, de oogen dichtgeknepen tegen den regen.
-Met hun verstijfde vingers werkten ze de steng los, lieten haar door
-het marsgat zakken. „Hou vast, mannen!”
-
-De zware steng gleed omlaag. Zou de mast nog blijven staan?
-
-In groote spanning zagen de mannen beneden naar het werk, dat hun
-makkers daarboven verrichtten in den zwiependen, draaienden, krakenden
-mast. Een diepe zucht: de steng zakte. „Houdt! Houdt de steng!!”
-
-Men liet het ondereind door het dek schieten; met touwen werd de steng
-tegen de mastbreuk gewoeld. Voorloopig was het gevaar geweken.
-
-„Pah!” zei de storm en rukte nijdig. Maar de mast hield stand.
-
-
-
-Hajo was door zijn zeeziekte heen. Ook zijn angst was verdwenen. Het
-ging nu al zoo lang goed..... Als een echte pikbroek liep hij op het
-hevig slingerende schip rond; zijn beenen gingen al aardig rond staan;
-hij voelde zich trotsch en manlijk, omgeven door het gevaar; hij spuwde
-het zout uit zijn rauwe keel en snoof en niesde.
-
-Rolf liet zich door het weer niet meer beletten zijn studies voort te
-zetten.
-
-Op een goeien dag gaf de storm het op. Een paar stuiptrekkingen, een
-diepe, diepe zucht, en onmachtig viel hij neer. Het water kalmeerde
-niet zoo gauw.
-
-Maar allengs verloren de golven toch hun vernielende kracht, en den
-twintigsten Januari was het mooi, stil weer. ’t Werd ook minder koud:
-men voelde het Zuiden al.
-
-Een heerlijke rust daalde op de Nieuw-Hoorn neer. Zingend hingen de
-oomes hun natte plunje te drogen. De handen in de zakken keken ze ’ns
-naar de blauwe lucht en stelden vast, dat het er wel naar uitzag, of
-het weertje nog ’n daggie zoo blijven zou. Ze rookten, lachten en
-spuwden weer; hun levenskracht was niet geschokt.
-
-In een stevig dichtgesjord houten doosje werd een lijkje aan den schoot
-der golven toevertrouwd. Met ongeoefende hand stond er op geschilderd:
-
-
- Joppie
- †
- 19 fan Loumaant 1619
- Hij het sin eige Doot voorspelt
- En is gestorfe as een Helt
-
-
-Lijsken Cocs stond er bij te grienen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-PADDE LEERT BUIKSPREKEN
-
-
-Er was werk genoeg aan den winkel! Het heele schip lag overhoop; overal
-zwierven stukken touw en lappen gescheurd zeil; het zout had zich
-ingevreten in koper- en ijzerwerk.
-
-De maats werkten als leeuwen om alles weer op orde te brengen. Ze
-poetsten, olieden en schrobden, dat het een aard had, en trachtten hun
-stukgeslagen kisten weer fatsoen te geven. Het was een gehamer en
-geklop van belang. Maar alles ging vol goeden moed, en de oomes zongen
-er een liedeke bij.
-
-Eerst nu leerden de jongens, wat werken was! De viool en de boeken
-schoten er bij in.
-
-Men maakte van het gunstige weer gebruik om den grooten mast nog meer
-te versterken. De schipper leidde zelf het werk. „De mast heeft ’t
-koud!” zeiden de maats. „Hij heeft er zijn duffelsche bij
-aangetrokken!” En ze wezen op de driedubbele touwlaag, die om de
-mastbreuk was gewoeld. Het want werd getalied, tot het weer zat „als
-een muur”. De schipper liet het groote marszeil uit den mast halen en
-het in de plaats van het grootzeil stellen. Waar vroeger de groote
-steng gezeten had, zette men nu de bramsteng op en voerde er het
-bramzeil aan. Dank zij die maatregelen en een voorspoedigen
-Zuid-Oostenwind, kon de Nieuw-Hoorn weer vrij snel varen. De koers werd
-gesteld op de Canarische eilanden,—Zuidwest ten Zuiden.
-
-Hajo had met Hilke voor dezen morgen een afspraak getroffen betreffende
-de levering van een anker op zijn bovenarm.
-
-Want na lang weifelen was tot een anker besloten.
-
-„Nou”, zei Hilke, toen ze het zich in het vooronder gemakkelijk hadden
-gemaakt, „stroop nou maar ’ns netjes je mouw op. Dan zullen we in een,
-twee tellen een fijn ankertje in je arm prikken! ’t Is zonde en jammer,
-dat je ’t op je bovenarm wil hebben. Afijn, daar ben je een Friesche
-dwarskop voor.” En terwijl hij aan het prikken sloeg, vroeg hij: „Weet
-je wel wat het beteekent?”
-
-„Een anker? Nou, je legt er een schip mee vast.”
-
-„Dat weet m’n neus ook. Ik zal het je maar zeggen: een anker beteekent:
-hoop.”
-
-„Hoop?? Hoop op wat?”
-
-„Nou, op wat maar. Dat je goed in Oostinje mag komen, en dat ’t schip
-niet vergaat.”
-
-„En komt het uit?”
-
-„Wat bedoel je?”
-
-„Nou, als je nou zoo’n anker op je..... au!—nee, ’t was niks, hoor!—op
-je arm laat prikken, en je denkt er bij: ik hoop dit, of ik hoop
-dat..... komt ’t dan uit wat je hoopt?”
-
-„De een zegt van wel, en de ander zegt van niet. Maar kwaad kan ’t
-nooit. En ’t staat goed, hè? De meisjes zien het graag. Ze zijn er gek
-op. De linker is ’t mooist, vind je niet?”
-
-„Ja! De linker is..... au!..... is prachtig.”
-
-„Ik zal je nog eens wat veel mooiers laten kijken”, zei Hilke. Hij trok
-zijn hemd open en liet een meisjeskopje zien, dat op zijn borst
-prijkte. Hilke’s borst was stevig behaard, maar het schilderij
-behoorlijk schoon geschoren. „Zie je? Da’s met twee kleuren! ’t Gezicht
-rood en de oogen blauw. ’t Was moeilijk, hoor! En ik moet doorloopend
-met ’t mes er overheen, om ’t schoon te houden. Vind je, dat het op
-Sijtje lijkt? De neus is ’t sprekend; zeg nou zelf!”
-
-„Ja, de neus wel!”
-
-„En dan te denken, dat m’n vorige meisje er heelemaal niet op leek! En
-’t moest juist haar portret zijn. Hou je arm goed stil, dan zijn we in
-een wip Maar.”
-
-Een uur later prijkte het hoopvolle symbool in twee kleuren op Hajo’s
-bovenarm. Het anker was blauw, en er kronkelde zich in helder rood een
-endje touw omheen.
-
-Glimmend van trots en voldoening bezag Hajo het kunstwerk.
-
-„Ziezoo!” zei Hilke, tevreden over zijn werk. „Zeg nou eens eerlijk:
-heeft het pijn gedaan?”
-
-„’k Heb niets gevoeld, hoor! En ik dank je wel!”
-
-„Leuter niet,” weerde Hilke af. „En tegen de tijd, dat je..... afijn,
-als je nog eens ’n paar harten op je arm wilt hebben..... altijd graag
-van dienst, hoor!”
-
-
-
-Reeds vroeg in den volgenden morgen—de oomes lagen nog achterover in
-hun kooien hun sokken aan te trekken—stormde Harmen opgewonden het
-vooronder binnen.
-
-„Mannen! Een zeil in ’t zicht!”
-
-Dat sloeg in. De kerels sprongen overeind, renden op bloote voeten en
-in onderbroeken naar het dek. In twee tellen was het vooronder
-uitgestorven.
-
-Slechts één neus stak nog ergens boven de dekens uit. Het was die van
-Padde. Met versufte oogen lag de arme jongen in zijn kooi. „Een zeil in
-’t zicht.....! Zou hij nu naar huis kunnen gaan?!” Padde huiverde van
-spanning. „Naar huis.....! Zou zijn moeder boos zijn? Zou ze naar hem
-verlangen? Of zou ze blij zijn, dat ze hem..... hm! dat ze hem kwijt
-was?”—Dàt geloofde Padde niet! Hij durfde gerust teruggaan. Maar.....
-Hajo verlaten! Hajo aan vraatzuchtige kannibalen overleveren?—Het ging
-niet.
-
-Zou Indië nog ver zijn? ’t Kon haast niet: ze waren nu al zoo lang op
-weg. Als hij eens meeging—tot Oostinje—en dan dadelijk terugkeerde? Als
-hij de heele reis meemaakte, zou hij een aardig zakduitje naar huis
-brengen! Dan zou zijn moeder vàst blij zijn, als ze hem terugzag. En
-z’n oom zou zoo’n flinke kerel graag in de brouwerij nemen! Hij zou
-Padde smeeken om bij hem te komen: Padde, een jongen als jij, de
-brouwerij kermt er om!
-
-Ook de schipper zou hem niet graag missen, dat had Padde wel gemerkt!
-
-Hajo kwam binnensnellen. „Padde! Kom toch kijken! Een schip!”
-
-„Ja, dat zul jij wel lollig vinden!” zei Padde bitter.
-
-„Ja! Da’s leuk!”
-
-„Dus je wilt me kwijt zijn?!”
-
-„Kwijt? Jou kwijt.....??” Hajo barstte in lachen uit—wat Padde’s
-onderlip nog een duim deed zakken.—„Oh, Padde! Het schip is achter ons.
-’t Gaat dezelfde kant op!”
-
-Padde loosde tegen wil en dank een zucht. Maar meteen gromde hij:
-„Jammer! Ik had graag teruggewild.” Hij schoot zijn broek aan, eerst
-verkeerd, en ging met Hajo mee.
-
-Maar bij de deur bleef Padde staan en greep zijn makker bij den arm.
-„’t Zullen.....?! Zeg, Hajo! ’t Zullen toch geen Duinkerkers zijn?!”
-
-Hajo was even verrast. „Duinkerkers! Hoe kom je daar nou bij? Maar als
-’t zoo is, nou, dan zullen we ons niet als snijboonen in het vat laten
-stampen!”
-
-„Je zult wat!” zei Padde, bibberend als een rijkelui’s hondje. „De
-slampam..... pampers zouden nog in staat zijn om te gaan sch-schieten!”
-
-„Nou, wij hebben óók kanonnen aan boord!”
-
-„Ik moet niets van ka-kanonnen hebben,” verklaarde Padde.
-
-
-
-Schipper Bontekoe scheen de zaak luchthartiger te bekijken dan onze
-botteliersmaat. Hij liet de Nieuw-Hoorn op de lij werpen, zoodat de
-zeilen slap neervielen en het andere schip gelegenheid had, den
-Oostinjevaarder in te halen.
-
-Het verre zeil werd grooter; bleek eveneens een driemaster te zijn.
-Daar dribbelde een vlag langs den grooten mast omhoog. In spanning
-keken de maats uit, tot de wind het bonte doek zou open slaan en de
-teekening te zien zou zijn.
-
-„De Compagnies-vlag!”
-
-„Ja!!” Allen brulden het uit. „De Compagnies-vlag!!!”
-
-Men antwoordde. Vroolijk koutend hingen de maats over de balie. Hoelang
-was het geleden, dat ze voor het laatst iets anders dan lucht en water
-hadden gezien?
-
-Maar Padde bleef wantrouwend. „Dat zegt niets, die vlag!” verzekerde
-hij. „Die smerige zeeschuimers zorgen altijd wel een fatsoenlijke vlag
-aan boord te hebben. En juist als je nergens meer op verdacht bent,
-beginnen ze in eens te schie.....”
-
-Het laatste woord bleef hem in de keel steken. Padde werd zoo bleek als
-een gesteven hemd en staarde met groote oogen naar.....! Uit den
-zijwand van het vreemde schip buitelde een helderwit wolkje te
-voorschijn. „Boem!” zei het toen. En haast op hetzelfde oogenblik
-donderde het onder den planken vloer, waarop Padde’s voeten rustten: de
-Nieuw-Hoorn beantwoordde het schot. Lang voordat de rook was
-opgetrokken, had Padde al een goed heenkomen gezocht in het vooronder.
-
-En de oomes, die zijn beschouwingen over zeeschuimers meesmuilend
-hadden aangehoord, sloegen nu bijna dubbel van het lachen.—Padde had
-blijkbaar nooit van saluutschoten gehoord!
-
-Een kwartier later kon men de menschen onderscheiden. Een daverend:
-Hoera! steeg uit beide schepen op, en er werd met mutsen en doeken
-gezwaaid. Op het vreemde schip liet men de trap neer; een jol werd te
-water gelaten; eenige mannen stapten er in en de jol koerste in de
-richting van de Nieuw-Hoorn.
-
-Het was een kalme zee, maar toch, drommels, wat ging me dat ding op en
-neer! Hoepla, weg was ie achter een vette golf, ingeslikt door een
-wallevisch. „Bah!” zei de walvisch, „ik lus je niet. Dobber jij maar
-voort, jol!” Kijk, daar lag ie op ’n handbreed water, krek een meeuw.
-Weg gleed ie weer in een wieg van twee golven. Suja, suja, popje! Je
-werd al katterig, als je er alleen maar naar keek.
-
-Bontekoe liet de scheepstrap zakken; dan werd er vlug een looper gelegd
-van de trap naar de groote kajuit; de schipper en de koopman kwamen
-naar buiten en wachtten aan de verschansing.
-
-De jol was nu vlakbij. Er waren zes roeiers in, stevige maats; op het
-achterbankje zaten twee heeren, die zoo op het eerste gezicht de
-grootste tegenstelling vormden, welke men zich maar denken kon. De een
-was groot, bleek en mager, had een dor gezicht en sluik, blond haar; de
-ander was klein, gezet, verweerd en verbrand als een oud stuk zeil, en
-onder zijn schipperssteek sprongen weerbarstige, bruine krulletjes te
-voorschijn.
-
-Nauwelijks had de jol de scheepstrap bereikt, of de vreemde schipper
-was er al op gesprongen en als een eekhorentje naar boven gewipt.
-Statig volgde de ander.
-
-„Welkom!” zei Bontekoe hartelijk, terwijl hij den vroolijk-uitzienden
-gast zijn gebruinde hand toestak. „Welkom op de Nieuw-Hoorn, heeren!
-Mijn naam is Bontekoe, en dit is de heer Rol.”
-
-„Pieter Thijsz. van Amsterdam, schipper op de Nieuw-Zeeland,” stelde de
-ander zich voor op een toon, alsof hij met zwaar weer door een
-misthoren toeterde. „Ik ben verheugd, met u kennis te maken! Ik heb,
-sinds we eind December Vlissingen verlieten, geen zeil meer gezien!
-Drommels, wat een hondeweer! Hebt u averij gehad? Wij zijn er met Gods
-hulp goed doorgezeild!”
-
-Ook de ander, de koopman aan boord van de Nieuw-Zeeland, stelde zich
-voor.
-
-„Laat ons binnengaan, heeren,” opperde Bontekoe. „Ik heb nog ’n glas
-goeden wijn.”
-
-„Dat zal de stemming niet bederven!” bulderde de kleine lachend.
-
-Bontekoe en de vreemde schipper bleken al spoedig eensgezind: ze namen
-mekaar onder den arm en gingen vroolijk koutend de kajuit binnen.
-
-Met afgemeten passen volgden de beide kooplieden, in hoffelijk, bedaard
-gesprek.
-
-Toen de kajuitdeur dicht was, zetten de oomes een boom op met de mannen
-in de jol.
-
-„Hoy!”
-
-„Hoy!”
-
-„Averij gehad?”
-
-„Mast gekraakt.”
-
-„Lieg je toch?”
-
-„M’n kop zal over de balie in ’t water rollen, als ik lieg. Kom maar
-eens kijken!”
-
-„Ik durf de jol niet uit. Als de ouwe in eens terugkomt.....!”
-
-„Hè-jullie ’n goeie ouwe?”
-
-„Gangetje! We noemen ’m de bruinvisch, hè? En als ie in de kajuit
-fluistert, moet je in ’t vooronder je ooren nog dichtstoppen, als je
-niet doof wil worden. Maar hij is gul met ’n oorlam.”
-
-„Ja. En ook met juffer driestreng!” riep een ander uit de jol.
-
-„Wat doe jij ook met ’n stuk in je pet op wacht te komen!” schetterde
-de eerste.
-
-„Maak geen deining,” schreeuwden de oomes boven. „’t Is nog zoo vroeg
-op de dag!”
-
-„Waar bemoei jullie je mee?” klonk het uit de jol.
-
-„Wil ik je eens op je kop spuwen?”
-
-„Kun je niets beters?”
-
-„Jawel!” schreeuwde Harmen. „Ik zal jullie eens ’n raadsel opgeven!
-Kunnen jullie goed raaien? Of zijn jullie zoo stom als je d’r uitziet?”
-
-„Hou jij je maar stil!” klonk het van beneden. „We kunnen door je
-neusgaten in je hersens koekeloeren! ’t Is daar een leege boel, hoor!”
-
-„Voldoende om jullie met z’n allen te bedotten!” verzekerde Harmen. „Ik
-kan de wind laten draaien!”
-
-„Hoe doe je dat?”
-
-„Je gaat zoo staan, dat je de wind in je nek voelt, dan kijk je
-tusschen je beenen door, en je hebt ’m pal in je gezicht!”
-
-„Kinderachtig!” verklaarden de zes man in de jol.
-
-„Stil!” zei Harmen. „Ik heb nog een raadsel: Als d’r zes man in een jol
-zitten, wie is er dan de lolligste?”
-
-„Weten we niet. Zeg op!”
-
-„Wel,” verzekerde Harmen, „ik zou het waarachtig ook niet weten! Jullie
-zien er alle zes even flauw uit.”
-
-„Kom er ’ns beneje!”
-
-„Ik mag niet van m’n moeder!”
-
-De oomes van boven hielden hun buiken vast.
-
-
-
-Op dat oogenblik kwamen de heeren de kajuit weer uit. „Tot vanmiddag
-dus!” bulderde de kleine schipper van de Nieuw-Zeeland. „Ik heb nog een
-oude Tocayer staan. U zult merken, dat u bij een fijnproever te gast
-is!” Hij keek een oogenblik naar den grooten mast. „Zoo zal hij wel
-weer tegen een stootje kunnen!”
-
-„Zoodra we voor anker liggen, nemen we hem nog eens wat beter onder
-handen,” verzekerde Bontekoe.
-
-„Waar dacht je te landen? Op de Kaapverdische?”
-
-„Ja, tegen dien tijd zullen we wel versch water moeten innemen.”
-
-„Dan landen wij er ook.”
-
-De schippers sloegen de handen ineen. En met vluggen pas daalde de
-„bruinvisch” de trap af, gevolgd door den langen, dorren koopman. De
-roeiers in de jol sprongen overeind, alsof er spelden in de banken
-zaten.
-
-Bontekoe merkte het op. „Je hebt er de wind onder, vadertje!” mompelde
-hij. „Al zal ’t endje touw er weleens bij te pas komen!”
-
-Toen wendde hij zich tot zijn mannen. „Kinderen, we varen in compagnie
-met de Nieuw-Zeeland! Het schip heeft geen averij gehad en zeilt dus
-makkelijker dan wij.—Wat zei jij daar, Floorke?”
-
-Floorke vertrok zijn mond tot een grijns. „We geven ze geen duimbreed
-voor, schipper!”
-
-Bontekoe glimlachte. „Zoo denk ik er ook over!—Heb je wat op je lever?”
-vroeg hij, toen hij zag, dat Floorke aan zijn buikriem frommelde.
-
-Floorke haalde de schouders op, knipoogde tegen zijn makkers.
-
-„Nou?”
-
-„Ze zeggen, dat de bruinvisch gul is met ’n oorlam, schipper.”
-
-Bontekoe verstond den wenk. „Vooruit dan maar!” zei hij, heimelijk pret
-hebbend om den bijnaam van zijn collega. „Haal dan maar een oorlam.
-Maar dan ook de handen uit de mouwen! Begrepen!”
-
-Of ze het begrepen! Als hazen renden ze naar den bottelier. „Leve de
-schipper!”
-
-En Floorke werd op de schouders genomen.
-
-Glimlachend keek Bontekoe hen na. „’t Zijn kinderen”, zei hij tot den
-koopman, die naast hem stond, „en als kinderen moet je ze behandelen.”
-
-Rol haalde de schouders op. „Men kan de teugel ook weleens al te vrij
-laten, mijn waarde!”
-
-Bontekoe’s blik verduisterde zich. „Ik moet vrinden om mij heen
-hebben”, zei hij toen kortaf. „Met slaven begin ik niets.”
-
-Er kwamen genoegelijke dagen. De wind bleef uit denzelfden hoek waaien;
-het weer was onveranderlijk mooi; elken dag werd het warmer. Met kunst
-en vliegwerk slaagde de bemanning van de Nieuw-Hoorn er in, het andere
-schip bij te blijven.
-
-Den drie-en-twintigsten Januari werd er aan stuurboord-zijde nòg een
-zeil gezien! Bij nadering bleek het ’t schip Enkhuizen te zijn, dat
-haast tegelijk met de Nieuw-Hoorn was uitgezeild, met bestemming naar
-de kust van Coromandel. De schipper was een kalm en waardig man: Jan
-Jansz. van Enkhuizen.
-
-De drie schepen voeren nu gezamelijk verder. Beurt om beurt brandden ze
-’s nachts het seinlicht, waarnaar de andere twee hun koers hadden te
-richten. Er zat iets allergezelligst in: zoo met z’n drieën in
-compagnieschap te varen. De reis scheen een pleiziertocht te zullen
-worden. De schippers bezochten elkaar geregeld en brachten hun tijd in
-prettig kouten door.
-
-Men passeerde de Canarische eilanden zonder er een in ’t zicht te
-krijgen.
-
-Een school dolfijnen kwam de Nieuw-Hoorn te gemoet, begeleidde het
-schip dagenlang, lustig spelend om den boeg. En de zon wierp een
-paarsen glans op de donker-gemarmerde ruggen, die bij vieren, vijven
-tegelijk uit een groene golf opdoken en smeuïg weer weggleden,—met de
-kantige rugvin een goud-tintelend pluimpje water opscherend.
-
-Het werd zoo warm, dat de mannen in het bloote bovenlijf gingen loopen.
-Niettemin gutste het zweet van hun ruggen. Padde klaagde steen en been.
-
-„Wat scheelt er aan?” vroeg Harmen van Kniphuyzen, toen hij den armen
-dikzak mistroostig op zijn kooi zag zitten.
-
-„’k Zal ’n regenwurm zijn, als ik er iets van snap”, verklaarde Padde
-grimmig. „’t Is nog midden in den winter en ik smelt van hitte.”
-
-„Wat zul je dan straks wel zeggen, als we bij de menscheters zijn!”
-beklaagde Harmen hem. „Daar vallen de vruchten gestoofd van de boomen.”
-
-Padde haalde zijn neus op. „’n Mooi land! Waar je moet buikspreken en
-de drommel zal weten wat nog meer, als je niet levend verslonden wilt
-worden!”
-
-Op het woord „buikspreken” lichtte er iets in Harmen’s oogen. Hij dacht
-even na en zei toen: „Ja, je moet er wat voor over hebben! ’t Heeft wel
-’n maand geduurd, vóór ik ’n behoorlijk mondjevol kon buikspreken.”
-
-Padde keek op. „Kun jij buikspreken?”
-
-„Dat heb ik je toch verteld?”
-
-„Neen, dat was je broer.”
-
-„Nou ja, daar heb ik ’t natuurlijk van geleerd. Weet je wat moeilijk
-is? Maleisch buikspreken.”
-
-„Kun je dat ook?” vroeg Padde jaloersch.
-
-Harmen maakte een bescheiden gebaar. „Met sommige woorden heb ik nog
-weleens last. Bijvoorbeeld: poerlapoetoespoerwerpedjopakapoet. ’t Zit
-’m vast op al die p’s, hè?”
-
-„Spreek ’ns buik?” vroeg Padde.
-
-„Ik heb pas gegeten! Maar kom bij me in de kombuis, als de vaten
-gespoeld zijn. Dan hebben we het er rustig; ik zal het jou ook leeren,
-als je wilt.”
-
-Padde bloosde van vreugde. „Zou ik het kunnen?”
-
-„Voor iemand met jouw buik is ’t een kleinigheidje”, verzekerde Harmen.
-
-„Harmen”, zei Padde, „ik vind ’t verduiveld aardig van je.....”
-
-Harmen maakte een afwerend gebaar. „Als je zoo samen op een schip zit,
-leer je wat voor mekaar overhebben. Tot straks dus!” En hij verliet het
-vooronder.
-
-Een half uur later maakte Padde zich op om naar de kombuis te gaan. Hij
-vond er Harmen in druk gesprek verwikkeld met Lijsken Cocs. „Da’s
-vroeg!” riep Harmen hem toe. Hij wees stiekum met den duim naar Lijsken
-en gaf Padde een veelbeteekenend knipoogje.
-
-Padde begreep. Hij verliet de kombuis weer, slenterde wat rond. Toen
-hij weer in de kombuis kwam, stond Harmen al op hem te wachten.
-„Ziezoo”, zei Harmen, „dat papjongetje heb ik even afgepoeierd. Hij
-heeft met onze buiksprekerij niets te maken. We zullen hier maar gaan
-zitten!” En Harmen wipte behendig op een grooten, ijzeren ketel. „Wat
-wil je, dat ik zeg?”
-
-„Nou, zeg maar wat.”
-
-Harmen sloot zijn mond potdicht, draaide angstwekkend met de oogen,
-trapte van inspanning met zijn beenen tegen den grooten ketel, waarop
-hij zat. En toen klonk het dof en gedempt, alsof het geluid uit den
-grond opsteeg: „Ik ben koksmaat.”
-
-Harmen slaakte een zucht van verlichting.
-
-„Merakel”, stamelde Padde. „Zeg nog eens wat?”
-
-„Al moest ik al de boeken van het ouwe en nieuwe achter mekaar
-opnoemen!” blufte Harmen. Hij rolde weer met zijn oogen, trapte van
-louter inspanning tegen den ketel, en somber klonk het uit de diepte:
-„Ik heb blond haar.”
-
-„Merakel”, zei Padde. „Maar..... eh, je hebt toch geen blond haar?”
-
-„Weet m’n buik dat?” vroeg Harmen verwijtend.
-
-Padde moest toegeven, dat zijn aanmerking onredelijk was geweest. „Ik
-dacht, dat je je buik kon laten zeggen wat je maar wou”, excuseerde hij
-zich.
-
-„Is ook zoo”, zei Harmen. „Ik zal ’m nou ’ns laten zeggen: Ik heb
-bruine oogen!”
-
-„Ja, laat ’m dat eens zeggen!”
-
-Harmen sloot den mond, trapte tegen den ketel. „Ik heb blauwe oogen!”
-klonk het.
-
-„Wil je wel gelooven, dat ik m’n buik wel een opstopper zou willen
-geven?” vroeg Harmen op luidruchtigen toon. „Hij moet het zeggen! Ik
-heb bruine oogen!” En Harmen trapte verwoed tegen den ketel. In
-spanning wachtten de knapen op wat er komen zou. Het duurde lang.
-Eindelijk klonk het: „Ik zal zeggen waar ik lol in heb.”
-
-Harmen wipte van den ketel af, schreeuwde luid: „Ik zal m’n buik straks
-eens inwrijven. Stevig inwrijven!—Nou, probeer jij het nou eens,
-Padde!”
-
-„Zeg dan eerst hoe ik het moet aanleggen, Harmen!”
-
-„Stom-eenvoudig, Padde. Je haalt diep adem, wacht tot je het benauwd
-krijgt, en dan denk je: Ik wil wat zeggen zonder m’n mond open te doen!
-Dan komt het vanzelf.”
-
-Padde beproefde het. Toen hij blauw van benauwdheid was, legde Harmen
-zijn oor tegen Padde’s buik. „Hou vol, Padde! Ik hoor al wat smoezen!”
-
-„Pfff!” zuchtte Padde.
-
-„Je zult te veel gegeten hebben,” meende Harmen. „Die bruine boonen
-zitten natuurlijk leelijk in den weg! Je doet ’t beste, om eens een dag
-of wat heelemaal niet te eten. Zul je er om denken?”
-
-Padde beloofde het, aarzelend.
-
-„Je bent een verstandige jongen”, verklaarde Harmen. „Ga nou maar ’ns
-op die ketel zitten. Misschien, dat je er dan meer van terechtbrengt.”
-
-Padde liet zich op den grond neerploffen. „Ik zit al”, zei hij.
-
-Harmen was even verbouwereerd. „Op de ketel, heb ik gezegd.”
-
-„Ik zit hier ook goed”, stelde Padde hem gerust.
-
-„Wie weet het nou beter: jij of ik?” vroeg Harmen. „Ik laat je niet
-voor niks op die ketel zitten! Dat is voor..... voor het geluid! Net
-als bij ’n viool, daar zit ook ’n kastje onder,—dan klinkt ’t beter.”
-
-Hoepla! daar zat Padde al op den ketel. „Wat moet ik zeggen, Harmen?”
-
-„Nou, zeg maar: ik heet Lijsken Cocs.”
-
-„Maar ik heet toch niet.....?”
-
-„Daarom kun je ’t toch wel zeggen?!”
-
-Padde kneep mond en oogen dicht, trapte, naar Harmens voorbeeld, met de
-voeten tegen den ketel. „Hatsjie!” klonk het uit de diepte.
-
-„Dat is het begin!” riep Harmen verblijd uit.
-
-Padde keek stomverbaasd omlaag. „Kwam dat uit m’n buik??”
-
-„Waar anders uit?” vroeg Harmen. „Uit je Zondagsche pet?”
-
-Padde spande zich opnieuw in. Toen hij paars in het gelaat was
-geworden, klonk het: „Ik schei er mee uit! Ik krijg het benauwd!”
-
-„Je bent een geboren buikspreker!” verklaarde Harmen opgewonden. Maar
-tegelijk trachtte hij hem, na hem van den ketel geduwd te hebben, met
-zachten drang de kombuis uit te werken.
-
-Padde stribbelde tegen. „Ik vind het verduiveld aardig van je”, zei
-hij, „dat je me wilt leeren buikspr.....” Toen stokte Padde en
-verbleekte.
-
-Een onzichtbare, geheimzinnige kracht duwde het deksel omhoog van den
-ijzeren ketel, waarop Harmen en Padde hadden gezeten, en, als een
-duivel uit een doosje, wipte..... Lijsken Cocs er uit te voorschijn!
-
-„Zoo, mannetje, heb je ons afgeluisterd!” snauwde Harmen. „Morgen gaan
-we ergens anders zitten, Padde!”
-
-Padde knikte aarzelend.
-
-Maar met twijfel in het gemoed kwam hij even later bij Hajo, die op het
-voordek bezig was met het verzolen van een paar kolossale schoenen.
-
-„Doe je daar?” vroeg Padde.
-
-„Lappen.”
-
-„Voor wie?”
-
-„Voor Jopkins.”
-
-„Is ’t waar, wat je zegt?”
-
-Hajo keek verwonderd op. „Waarom zou ’t niet waar zijn?”
-
-Padde haalde de schouders op, beet zich op de lippen. Zijn kin beefde.
-
-„Wat heb je?” vroeg Hajo.
-
-„Niks.”
-
-„Waarom huil je dan?”
-
-„Ik huil niet.”
-
-„Wel waar.”
-
-„Nietes.....”
-
-Even pauze.
-
-Toen vroeg Padde met onzekere stem: „Hajo, jij bent toch m’n vrind, hè?”
-
-„Ja, natuurlijk!”
-
-„Jij liegt me toch niet voor, hè?”
-
-„Dat weet je wel beter, Padde.”
-
-Padde ging naast Hajo zitten. „Nou, dan kan me de rest ook niets
-bommen. Als ik maar weet, dat wij vrinden zijn!” Met vochtige oogen
-blikte Padde voor zich uit.
-
-„Zeg, Padde!” zei Hajo, „Als we over een jaar of twee in Hoorn
-terugkomen met een zak vol guldens,—wat zullen onze moeders opkijken!”
-
-„Hajo!”
-
-„Padde!”
-
-De vrinden keken elkaar in de glinsterende oogen.
-
-Padde haalde de handen uit zijn broekzakken. „Kan ik je helpen, Peter?”
-
-„Met die schoenen? Dat kan ik wel alleen af.”
-
-„Nou, ik mag dat spijkertje toch wel even voor je vasthouden?”
-
-„Goed. Hou dan maar vast.” En Hajo hief den hamer op, mikte met de
-zekerheid van een ervaren schoenlapper. Met een kreet trok Padde zijn
-vingers terug.
-
-„Doet ’t pijn?” vroeg Hajo verschrikt.
-
-Padde likte zich een bloeddruppel van den vinger. „’t Doet ’n
-verduivelde pijn! Maar ’t kan me niets schelen, hoor! Als ik maar weet,
-dat wij vrinden zijn!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-PADDE ZIET DOOR EEN MISTKIJKER
-
-
-Op een morgen bleef Hajo verrast staan, toen hij, nog slaapdronken, het
-vooronder uit kwam stappen en zich buiten in een puts wilde wasschen.
-Om masten, touwen en zeilen hing een fijn waas. Het achterschip was nog
-slechts als een vage omtrek te zien. „Mist.....!” mompelde Hajo,
-terwijl hij de vochtige lucht opsnoof.
-
-Nou, òf het mistte! Als je over de verschansing hing, keek je in een
-grijze massa zonder begin of einde: water en lucht waren één geworden.
-„Oei.....! Oeiiiiii.....!” Dat waren de mist-toeters van de Enkhuizen
-en de Nieuw-Zeeland. Bootsman Berentsz. was met twee janmaats bezig een
-groote, holle lantaarn in de fok te hijschen. Toen ze boven hing, leek
-ze net een bleeke citroen.
-
-„Oejoejoeiiii.....!”
-
-De oomes pruttelden. Beweerden, dat je om het uur je longen wel uit
-mocht baliën; dat ze liever kieuwen hadden, als de visschen, en.....
-dat was het ergste: dat er van een landing op de Kaapverdischen wel
-geen sprake zou zijn, om de eenvoudige reden, dat je met dit weer
-evengoed kon zoeken naar Berentsz.’ roodbaaien onderbroek, die op een
-vorige reis van het drooglijntje overboord was gewaaid, als naar een
-eiland.
-
-De jongens moesten beurtelings op den misthoren toeteren. De oomes
-beweerden: daar kreeg je een mooie stem en zoenlippen van.
-
-Harmen bleek een meester! Die toeterde heele liedjes, draaide
-intusschen rond, en als het liedje uit was, stond hij weer juist zoo,
-als toen hij begonnen was.
-
-„Ik zie jou nog eens in een paardenspel optreden,” merkte Rolf op.
-
-„Heb je al eens ’n misthoren op je kop gehad?” informeerde Harmen.
-
-Rolf schudde het hoofd. „Nog nooit. Doe het eens.....?”
-
-Harmen trok smalend zijn neus op. „’k Zal wel oppassen! ’t Neefie van
-de schipper, hè?”
-
-„De schipper zal ik er niet bij halen,” zei Rolf, plotseling driftig.
-
-„Hoei-hoe-hoei! M’n Amsterdamsche moei heit ’n varken en ’n koei!”
-toeterde Harmen. Toen hij den daarbij behoorenden ommedraai had
-volbracht, zag hij Rolf nog juist in de barbiershut verdwijnen. „Daar
-lóópt ie, de boekenwurm! Als het ’n ander was, had ie al lang op z’n
-ziel gehad.”
-
-Daar kwam Padde aandrentelen, aangetrokken door Harmen’s mistzangen.
-
-„Goeie morgen, Padde!” riep Harmen verblijd uit.
-
-Maar Padde kon zoo in eens niet weer vriendelijk zijn. „Mm!” zei hij.
-„Is dat ’n misthoren?”
-
-„Ja, een misthoren..... of mistkijker, zooals je wilt.”
-
-„Mist-kijker? Kun je er dan mee door de mist kijken??”
-
-„Als door een druppel water,” verzekerde Harmen. „Nietwaar, Lijsken?”
-
-„Waar zou het woord: mist-kijker anders vandaan komen?” vroeg Lijsken.
-
-Maar Padde vloog er niet in. „Houden jullie ’n ander voor de gek!”
-schimpte hij.
-
-„Voor de gek houden??” vroeg Lijsken in hoogste verbazing.
-
-Harmen tuurde aandachtig door den horen. „Daar gaat juist de
-Nieuw-Zeeland!” riep hij uit. „Voor de kombuis zit de kok met drie
-oomes te kaarten!”
-
-„Mag ik ook eens kijken?” vroeg Lijsken.
-
-„Alsjeblief, Lijsken.” En Harmen stond bereidwillig den horen af.
-
-Lijsken keek in de richting, die Harmen hem aanwees. „Verdikke, wat
-heeft me die kok ’n klavers in z’n knuisten!” riep hij geestdriftig
-uit. „Klaverkoning, aas, boer en zes kleintjes!”
-
-„Geef hier”, zei Padde.
-
-„Zeg er eens, kun je ’t niet wat vriendelijker vragen?”
-
-„Geef hem de kijker nou maar, Lijsken”, vergoelijkte Harmen.
-
-Padde’s wensch werd ingewilligd. „Ik zie niks!” verklaarde de
-botteliersmaat.
-
-„Snap ik niks van”, zei Harmen. „Heb je je andere oog wel dicht
-gedaan?”
-
-„Moet dat?”
-
-„Dat snapt toch een kind!”
-
-„Had dat dan eerder gezegd!” gromde Padde. En hij bedekte met de eene
-hand het oog, dat niet door den toeter gluurde.
-
-Toen werd tusschen Harmen en Lijsken een snelle blik gewisseld. De
-beide veelbelovende knapen zetten tegelijkertijd hun voet achter
-Padde’s hielen en..... een-twee-drie.....! Padde lag achterover op het
-dek te spartelen.
-
-„Wat een windstoot was dat!” riep Lijsken uit.
-
-„’k Sloeg er bijna van om!” verzekerde Harmen luidruchtig.
-
-En toen ze Padde aankeken, begonnen ze beiden te grinniken.
-
-Maar in de oogen van den bedrogene sluimerden wraakplannen. Hij zwaaide
-woedend zijn toeter en wilde overeind krabbelen.....!
-
-Toen gebeurde er iets onverwachts! Een grauw, monsterachtig-groot
-gevaarte schoof rakelings langs het galjoen; boven een verward
-stemmengeroezemoes uit schetterde een schorre misthoren. „Het roer!
-Gooi het roer om!” schreeuwde iemand. Tegelijkertijd flitste een
-lichtschijnsel uit den mist op. Dan plotseling een zeil-omtrek, een
-scherp gekraak van hout—weg was alles weer.
-
-Padde was van schrik weer achterovergetuimeld. De andere twee knapen
-stonden te trillen op hun beenen.
-
-De donderstem van Folkert Berentsz. wekte hen uit hun verbijstering.
-„Wat hier en daar! ’t Scheelde twee el, of we waren in de Enkhuizen
-geloopen! Zet ik jullie daarvoor te toeteren! Donder en bliksem!” En
-Lijsken en Harmen kregen ieder een schop onder het zitvlak. Padde zat
-en bleef er daardoor vrij van. Harmen griste hem den misthoren uit de
-handen. „Hoe-hoe-hoei!” schetterde hij. Ditmaal zonder liedje.
-
-De bootsman was weer weg.
-
-„Als ie ’t de schipper vertelt, worden we gekielhaald!” verzekerde
-Lijsken, z’n broek wrijvend.
-
-Maar Folkert Berentsz. was geen klikspaan. Hij hield er zonder den
-schipper den wind wel onder.
-
-
-
-De bottelier hoorde hoofdschuddend het verhaal aan, dat Padde hem over
-het geval opdischte. „’t Is merakel! Hier, drink wat, m’n jongen. Dat
-spoelt de schrik weg.”
-
-„Ik heb nog nooit wijn gedronken....”, aarzelde Padde.
-
-„Merakel. Proef dan maar gauw eens.”
-
-Padde nam voorzichtig een slokje.
-
-„Nou?”
-
-„Je wordt er lekker warm van!”
-
-„En de schrik? Die is nou zeker weg?”
-
-Als antwoord nam Padde nog een teug.
-
-„Je zult nog een fijnproever worden, jij!” grinnikte de Schele. „Nou,
-dan ben je bij mij goed onderdak!”
-
-„Ja-ha!” En Padde dronk dapper het heele kannetje leeg. „Geef me nog
-maar wat, Schele!”
-
-De bottelier schonk hoofdschuddend het kannetje weer vol. „Pas jij maar
-op! Als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan!”
-
-„Geen nood!” blufte Padde.
-
-„La-la-la-la!” zei de Schele met vaderlijken trots. „Hoor dat eens
-aan!”
-
-Maar terwijl Padde onversaagd doordronk, betrok het gelaat van den
-braven bottelier. „Ik heb je nooit van Gertje gesproken, hè?” vroeg hij
-na een diepen zucht. „Dat was m’n eenigst kind. God hebbe z’n ziel.—Met
-Maart zou ie nou veertien zijn geworden.” De bottelier staarde peinzend
-voor zich uit. „Op een avond kwam ie hoestend thuis. Dat was November
-van ’t jaar 17.—Hoest je, m’n jongen? vroeg ik.—Ja, vader, zei-d-ie. Ik
-hoor z’n stem nog.—Heb je ’t benauwd, als je hoest? vroeg ik.—Ja,
-vader, zei-d-ie. ’s Nachts bleef ik natuurlijk bij hem waken, hè? M’n
-vrouw was toen al vier jaar dood; ik was kastelein in De Lustige
-Landman, bij Alkmaar. Ik gaf Gertje elk uur een heete omslag. En warme
-kruiken en wijn: dat helpt tegen de hoest. De volgende morgen moest en
-zou-d-ie gaan schaatsen. Ik hield m’n hart vast.—Zou je ’t wel doen,
-m’n jongen? vroeg ik.—Vader, zei-d-ie, ik weet zelf ’t beste wat goed
-voor me is!—Hij wist wat ie wilde, zie je; dat heb ik nooit van mezelf
-kunnen zeggen. Ik deed altijd wat anders dan ik van plan was. Als ik
-Gertje afhaalde bij meester Knol..... ik liet ’m leeren, zie je?.....
-dan kocht ik onderweg snoepballetjes voor hem om hem te verrassen, en
-voor ik bij Meester Knol was, had ik ze zelf allemaal al opgekauwd.
-Weet jij eigenlijk wat je wilt?”
-
-„Jawel”, zei Padde geeuwend. „Ik kom in de bierbrouwerij van m’n oom,
-dan weet je wat je hebt.”
-
-„Zie je”, zei de bottelier, „zoo was Gertje nou ook. Die wist op een
-prik wat hij wilde, en iets anders deed hij niet. Nou..... ’s avonds
-was hij er erg aan toe! M’n hart zat als ’n steen in m’n lijf! En toen
-ik drie nachten aan z’n bed gezeten had..... toen.....” De bottelier
-kon niet best meer uit z’n woorden komen. Hij sloeg de hand op de knie
-en kuchte.
-
-Padde zat met lodderige oogen voor zich uit te turen.
-
-„Heb je geluisterd, Padde?”
-
-„Jawel! Ik heb woord voor woord..... hik!”
-
-„En wat zeg je d’rvan?”
-
-Padde geeuwde. „M-merakel, Schele.....!”
-
-De bottelier stond zuchtend op en zocht de frissche lucht.
-
-
-
-Toen hij een poosje later terugkwam, vond hij Padde snurkend tegen een
-vaatje liggen. Hij tilde hem op en legde hem in zijn eigen kooi. Toen
-keek hij den jongen lang in het gezicht. „Dezelfde neus, dezelfde kin
-en oogen! Gertje sliep ook altijd met open mond.....”
-
-De bottelier legde z’n dikke hand op Padde’s voorhoofd en kuste het.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ROLF
-
-
-De bedoeling was om Sint-Anthoni aan te doen en daar water in te nemen.
-Maar door den steeds dichter wordenden mist, gepaard met een fijnen
-regen, kon men het eiland niet in ’t zicht krijgen. Derhalve werd de
-koers gesteld op Ilje del May en Ilje del Foege, die eveneens deel
-uitmaken van de Kaapverdische groep. De wind zwaaide luimig; men moest
-laveeren en verloor het verband met de andere Oostinjevaarders; de
-misthorens klonken nog een enkele maal, heel ver weg.
-
-Lang en eentonig waren de dagen. Uren achtereen lagen de oomes in hun
-kooi te kaarten. Hajo was met Rolfs hulp bezig een brief aan zijn
-moeder te schrijven. Zoodra ze een schip tegenkwamen, wilden ze hem
-afgeven.
-
-„Kun jij niet schrijven??” had Rolf gevraagd, toen Hajo zijn hulp
-inriep.
-
-„Ik kan wel wat lezen”, haastte Hajo zich te verklaren, terwijl hem het
-bloed naar de wangen steeg. „Padde kan heelemáál niet lezen of
-schrijven.”
-
-„Wou jij je dan met Padde vergelijken?”
-
-„Als ik maar iemand wist, die.....”
-
-„Ik zal het je leeren”, zei Rolf. En met zijn gewone energie pakte hij
-de zaak aan.
-
-Padde zat er bij, terwijl Hajo zijn bruine knuist over het papier liet
-wandelen, dat er onder deze bewerking niet schooner op werd. Rolf
-stuurde kalm en zeker Hajo’s ganzeveer in de goede richting, en Hajo
-zuchtte van inspanning.
-
-„Wat schrijf je nou allemaal?” vroeg Padde eerbiedig. Geduldig wachtte
-hij, tot Hajo hem twee minuten later ten antwoord gaf: „Breng me niet
-in de war, Padde!”
-
-Padde zweeg. Maar per slot van rekening is een mensch geen doofpot.
-Toen Hajo weer met zwier een punt achter een zin had gezet, waagde
-Padde de schuchtere vraag: „Kun je alles schrijven wat je maar wilt?”
-
-„Alles!” verzekerde Hajo.
-
-Dat moest Padde even verwerken. „Kun jij nou ook schrijven, dat ’t
-mist..... enne, dat je op de viool leert spelen?”
-
-„Wat dacht jij dan?”
-
-„Nou, ik dacht..... alleen maar de groeten en zoo, en ik kom gauw
-terug.”
-
-„Kijk”, zei Hajo, „dat komt nou van je geklets! Nou maak ik weer ’n
-vlak!”
-
-„Ook erg.....”, meende Padde, „da’s al wel twintig maal gebeurd. Wat is
-dat oogje met dat streepje er aan?”
-
-„Een p”, zei Hajo gewichtig.
-
-„Wat is dat: een pee?”
-
-„Nou, da’s een p, hè? Ik zal maar zeggen: P van Padde.”
-
-„Lieg je toch?” Padde begon te grinniken. „Zeg, dit is zeker óók een
-pee, hè?”
-
-„Dat is een b”, zei Hajo.
-
-„Een d”, verbeterde Rolf.
-
-„O, ja, een d”, bevestigde Hajo.
-
-Padde schudde het hoofd. „Pee, bee, dee.....! Die dee is toch ook ’n
-oogje met ’n streepje er aan?”
-
-„Ja, maar daar zit het aan de andere kant!”
-
-„Da’s nou maar krek hoe je de brief houdt!” zei Padde. Hij greep Hajo’s
-inktslagveld, tot ontzetting der beide veldheeren, stevig beet en zei,
-terwijl hij het omdraaide: „Alsjeblieft, nou is het dan toch wèl ’n
-pee!”
-
-Hajo verloste zijn in gevaar gebrachten brief en vroeg nijdig: „Wou jij
-een brief op de kop lezen?”
-
-„Op m’n kop??”
-
-„De kop van de brief, bedoel ik.”
-
-„Heeft een brief dan een kop?”
-
-„Meer dan jij”, verzekerde Rolf.
-
-„Knap maar!” gromde Padde. En hij verdween, danig uit z’n humeur.
-
-
-
-Toen de briefschrijvers een uur later de barbiershut verlieten, vonden
-ze Padde tegen den mast, met wazige oogen voor zich uitblikkend in den
-grauwen mist.
-
-„Padde! Wat zit je daar?! Je zult kou vatten!”
-
-„Hoplala-tralala!” lalde Padde met de vingers op het dek trommelend.
-„Ik heb ged-danst voor de oomes! Boven op de..... hik! B-boven op de
-tafel!”
-
-„Hij ijlt!” zei Hajo verschrikt.
-
-Rolf legde zijn hand op Padde’s slapen. „We zullen hem optillen en in
-zijn bed brengen.”
-
-Maar daar wilde Padde niets van weten. „Blijf van me af, b-boekenwurm!”
-
-Hajo aarzelde. Maar een blik uit Rolfs oogen was hem voldoende om Padde
-stevig onder den arm te nemen. Rolf greep hem met een fiksche beweging
-bij de beenen.
-
-Padde worstelde uit alle macht om vrij te komen. Toen het niet lukte,
-klaagde hij op huilerigen toon: „Hajo, help me, die leelijke..... hik!
-pennelikker op z’n gezicht te komen!”
-
-„Je bent ziek, Padde! We zullen je onder de wol stoppen!”
-
-„Neen, ik wil d-dansen voor de oomes! Ik wil..... hik!”
-
-Ondanks zijn verzet werd Padde naar het botteliershok gebracht en daar
-met behulp van den Schele in bed gelegd. „De jongen bibbert van de
-koorts!” jammerde de bottelier, geheel overstuur. „We zullen hem gauw
-wat wijn geven!”
-
-„Ah!” mompelde Rolf. En kortaf, dreigend volgde: „Als je dat doet,
-vertel ik alles aan de schipper!”
-
-De bottelier keek Rolf aarzelend in het strakke gelaat. Hij pruttelde
-wat, maar ging niet naar de kast om wijn te halen.
-
-„Kom, Hajo”, zei Rolf. „Hij moet slapen, dat is alles.” En Rolf trok
-zijn vriend met zich mee. „Padde is dronken”, zei hij, toen hij buiten
-was.
-
-„W-wat zeg je?!”
-
-„Kom mee”, was Rolfs antwoord. „Ik wil even met je praten.”
-
-Sprakeloos liet Hajo zich naar de barbiershut leiden. Vader Langjas was
-er niet.
-
-„Vertel me eens”, begon Rolf, „is het de eerste maal, dat Padde.....?”
-
-„Ja! Vast!”
-
-„Dan is de bottelier er schuld aan”, zei Rolf.
-
-„Wat een schurk!” viel Hajo uit.
-
-„De Schele denkt niet verder dan tot op de bodem van zijn pint”, zei
-Rolf. „Dat is alles. Dus je hebt nooit eerder gemerkt, dat Padde.....”
-
-„Neen! Maar..... Ik zal je iets zeggen. Maar laat je niet merken, dat
-je ’t weet?”
-
-„Als ik ’t niet noodig vind, neen.”
-
-„Zijn vader was elke avond dronken.”
-
-Rolf fronste de wenkbrauwen. Hajo voelde op dat oogenblik weer, hoeveel
-rijper en verstandiger Rolf was. Een vaag vermoeden kwam in hem op, dat
-Rolf al veel verdriet moest hebben gehad. Zwijgend wachtte Hajo.
-
-„Voorloopig zullen we doen of we niets hebben gemerkt”, besliste Rolf.
-„En zoodra ik er een goede gelegenheid voor zie, neem ik hem onder
-handen. Zooiets moet ineens goed gebeuren.” Beiden zwegen.
-
-Een vraag, die Hajo vanmorgen bij het briefschrijven al had willen
-stellen, kwam nu, zonder dat hij zich van de aanleiding rekenschap kon
-geven, weer boven en brandde hem op de lippen. Eindelijk kwam het er
-uit: „Zeg, Rolf..... schrijf jij niet aan je moeder?”
-
-Rolfs schouders trokken even. „Mijn moeder leeft niet meer”, zei hij
-kort en stroef.
-
-Hajo was op Rolfs antwoord voorbereid. „Is ze al lang dood?” vroeg hij
-zacht.
-
-„Ze is in Maart van het vorig jaar overleden.”
-
-„En heb je nu heelemaal niemand, die.....?”
-
-„Mijn oom”, zei Rolf.
-
-„Ja, maar, je vader.....? Je zei toen op den Italiaanschen Zeedijk.....
-weet je nog?”
-
-„Mijn vader is twaalf jaar geleden naar Oostinje gegaan”, zei Rolf.
-„Hij voer als schipper onder Pieter Both; in 1615 is zijn schip vergaan
-op de kust van Celebes. Maar het bericht kregen we het vorig jaar pas.
-Van de bemanning was niets bekend. Mijn moeder was toch al wat zwak.
-Vijf weken later stierf ze.”
-
-„Zeg..... Rolf”, fluisterde Hajo, „is dat Selee-Seleebes erg groot? Er
-gebeuren toch wel meer dingen, waarover je later verbaasd staat, niet
-waar?”
-
-Rolf scheen heftig met iets te kampen. Toen haalde hij de schouders op,
-als om het hopelooze van Hajo’s veronderstelling aan te duiden, en zei,
-met afgewend gelaat en in een poging om luchthartig te schijnen: „Laten
-we ons maar niets wijsmaken!”
-
-Toen stond hij op, nam een boek van het medicijnkastje en ging naast
-Hajo, die vergeefs naar woorden van troost zocht, bij tafel zitten, de
-handen tegen de slapen gedrukt, de oogen star op de letters gevestigd.
-
-„Oe-hoe-hoeiiiii.....!” gilde buiten de misthoren.
-
-
-
-Den volgenden morgen was de mist iets minder dicht; de wereld werd weer
-wijder.
-
-Padde kwam laat boven water. Hij drentelde rond en had geen behoefte om
-Hajo op te zoeken. In het schaftuur kwam Padde de barbiershut binnen,
-twintig tellen nadat de barbier ze verlaten had. Hij vond er Rolf
-alleen.
-
-„Waar is Vader Langjas?” vroeg Padde.
-
-„Gaat net naar de kajuit. Als je vlug loopt, haal je ’m nog in.”
-
-Maar Padde bleef staan. „We krijgen gauw land, hè?”
-
-„Ja.”
-
-„Ben je aan het lezen?”
-
-„Ja.”
-
-„Wat staat er in die boeken?”
-
-„Hoe je zieke menschen genezen kunt.”
-
-„Staat dat ook in boeken?? Ik dacht, dat de barbier ’t vanzelf kon.”
-
-„Dan dacht je verkeerd”, stelde Rolf vast, onverstoorbaar verder
-lezend.
-
-„Is lezen moeilijk?”
-
-„Neen.”
-
-„Schrijven zeker wel?”
-
-„Neen.”
-
-Padde dacht even na. „Zeg..... eh, Rolf?—Rolf.....? Wil je voor
-mij..... ook een brief schrijven?”
-
-Rolf keek op. „Aan je moeder?”
-
-„Ja.”
-
-Rolf had uit de tafellade een vel papier genomen. Hij sleep een
-ganzeveer aan, doopte die in den inktpot. „Wat moet ik schrijven?”
-
-Padde was door Rolfs snel handelen overrompeld. Hij wipte opgewonden op
-het tafeltje, schommelde met zijn korte beentjes. „Ja! Wat zal ik nou
-schrijven?”
-
-„Zeg maar eerst wat er boven moet staan. Lieve moeder? Of.....?”
-
-„Neen.....”, weifelde Padde. „Schrijf maar: waarde moeder. Dat staat
-beter.”
-
-Rolfs pen vloog over het papier met een snelheid, die Padde’s mond van
-verbazing deed openvallen. „Staat het er al?? Nou, schrijf dan
-maar..... dat ’t mijn schuld niet is, dat ik ben meegegaan.”
-
-„Dat schrijf ik niet. Want dat is een leugen. ’t Is wèl jouw schuld!”
-
-„Hè?? Ik ben toch in slaap gevallen?”
-
-„Juist. En dat is jouw schuld. Jij had niet in slaap mogen vallen.”
-
-Dat ging Padde boven de pet. „Schrijf dan maar, dat ik er spijt van
-heb. En dat ik hoopen geld zal meebrengen.”
-
-Rolf keek verbaasd op.
-
-„Wat kijk je? Ik verdien toch zeker evenveel als Hajo en jij? Of is dat
-soms niet veel! M’n moeder zal niet weten wat ze ziet!”
-
-Rolf keek droomerig voor zich uit. „Hou je veel van je moeder, Padde?”
-
-„Nou en of! Nou! En zij van mij ook, hoor! Als de lui zeggen..... daar
-moet je geen woord van gelooven van wat de lui zeggen; dat doe ik ook
-nooit. Zeg, schrijf maar, dat Oostinje niet zoo ver is! En: ik kom gauw
-terug. Zeg maar, dat ze Louwtje en Margje en Annetje en Nelis en
-Heintje en Jan en Gijs..... Hoeveel zijn dat er? Zeven? Dat klopt.
-Moeder, ik en vader zijn er drie. Samen tien.”
-
-„Zijn jullie met z’n tienen thuis?”
-
-„Neen, dertien. Maar drie zijn gestorven. Aan de koorts, begrijp je?”
-
-„Wat moet er onder staan?”
-
-„Nou: Padde natuurlijk.”
-
-Rolf weifelde. „Zou je niet liever schrijven: „een innige kus, of.....”
-Rolf bloosde en vervolgde haastig: „en dan heb je je vader vergeten te
-groeten.”
-
-Padde schudde het hoofd. „Doe ik niet”, zei hij. En na lang en diep
-nadenken: „Schrijf er maar onder: je trouwe zoon Padde Kelemeyn!”
-
-Rolf glimlachte. „Zullen we dat: Kelemeyn er maar niet af laten? Je
-moeder weet wel, dat je Kelemeyn heet!”
-
-„Ze weet ook wel, dat ik Padde heet! Afijn, laat het er maar af.”
-
-Rolf was met den brief klaar. „Wil ik je hem nu eens voorlezen?”
-
-Padde begon te grinniken. „Da’s me nog nooit gebeurd!” En niet zonder
-zelfingenomenheid zette hij zich in postuur om te luisteren.
-
-
-„Waarde moeder”, las Rolf, „het spijt me, dat ik, zonder het te willen,
-met Hajo mee naar Oostinje ben gegaan en jou verlaten heb. Ik zal het
-geld, dat ik als botteliersmaat van de Nieuw-Hoorn verdien, sparen en
-aan jou afgeven. Oostinje kan zoo ver niet weg zijn, moeder, dat ik jou
-vergeet. Groet Louwtje, Gijs, Annetje, Nelis, Margje, Heintje en Jan
-van me.
-
-
-Je trouwe zoon Padde.”
-
-
-Padde had de tranen in de oogen. „Merakel”, fluisterde hij. „Zou m’n
-moeder er dat nou ook allemaal zoo uit kunnen halen? Lezen kan ze
-natuurlijk niet, hè? Maar ze zal er mee naar de meester gaan.”
-
-„Nou, dan leest die haar alles wel voor.”
-
-„Rolf”, zei Padde aangedaan, „’t Spijt me dat ik je altijd.... —Wil je
-er nog even onderschrijven: groeten aan..... aan Jansje Bezem?”
-
-Rolf keek Padde glimlachend aan, en deze werd vuurrood.
-
-„’t Staat er”, zei Rolf. En toen keek hij Padde diep in de oogen. „Nu
-schiet me te binnen, dat je nòg iets vergeten hebt, Padde. Je hadt er
-bij moeten schrijven: Lieve moeder, ik ga tegenwoordig dezelfde kant op
-als vader. Gisteren was ik dronken.”
-
-Padde begon te beven als een riet. „Niet doen, Rolf! Dat niet
-schrijven.....!!”
-
-„Maar ’t is toch zoo?”
-
-„Ik zal nooit meer drinken, Rolf! Geen druppeltje!” En Padde begon te
-schreien.
-
-„Dat is dus afgesproken”, zei Rolf. „Hier is je brief, Padde.”
-
-Padde greep Rolfs hand. „Beste, beste Rolf.....!”
-
-En met zijn brief in de vuist wankelde hij de hut uit.
-
-Toen Rolf alleen was, nam hij, als in gedachten verzonken, een vodje
-papier, dat op het tafeltje lag, en krabbelde er spelenderwijze een
-woord op. Hij keek er mijmerend naar. Plotseling trilde er iets om zijn
-lippen; hij sprong met een ruk overeind en snelde naar buiten.
-
-Toen Vader Langjas een oogenblik later terugkeerde en, ordelijk als hij
-was, het vodje in de prullenmand wilde werpen, scheen hij door iets
-getroffen te worden. Hij mompelde wat, keek naar de open deur, legde
-daarna het stukje papier weer zorgvuldig neer op de plek, waar hij het
-gevonden had.
-
-Wat kon Vader Langjas, het toonbeeld van orde, ertoe bewogen hebben,
-dat stukje papier niet de plaats toe te wijzen waar het behoorde: in de
-prullenmand?
-
-Er stonden maar zes fijngeteekende lettertjes op. Samen vormden ze het
-woordje:
-
-
-
-
-
-
-
-
-MANESCHIJN
-
-
-„Land! Land in ’t zicht!!”
-
-Uit alle hoeken en gaten kwamen de oomes naar buiten. Speelkaarten,
-dominosteenen en pijpen in de hand, leunden ze over de verschansing en
-tuurden naar den blauwgrijzen omtrek aan stuurboordzij.
-
-Bontekoe stond met Rol en den opperstuurman op het middendek. „’t Zal
-Ilje del Foege zijn”, meende de laatste.
-
-„Dunkt mij ook”, zei Bontekoe. „We zullen een ankerplaats zoeken en
-morgen ververschingen opdoen. De zee moet op deze hoogte ook nogal
-vischrijk zijn. Daar zullen we gebruik van maken!”
-
-Er werd gepeild. Het lood raakte, na geheel gevierd te zijn, nog geen
-grond. Van het anker uitwerpen kon geen sprake zijn. Bontekoe besloot
-de kust af te zeilen, tot er een baai gevonden werd.
-
-Geleidelijk waren de vochtige plooien van den grijzen mistsluier
-teruggeweken; de zon brak door, begon de naakte ruggen der oomes weer
-te schroeien. Het was de laatste week nog heeter geworden.
-
-Bij het spinnen der schemering vond men een baai. Twee zware
-steenruggen schoven een mijl in zee, beloofden beschutting. Het water
-was diepblauw en haast rimpelloos. Maar men wierp opnieuw tevergeefs
-het dieplood uit,—het raakte geen grond. Bontekoe besloot het er op te
-wagen, den nacht drijvende door te brengen. Men borg alle zeilen.
-
-Er kwam een avond om niet weer te vergeten. De mist was nu geheel
-gevlucht; de maan, koningin van den nacht, troonde te midden van haar
-ganschen hofstoet van veelkleurige sterren en zond haar vorstelijk
-licht in milden overvloed uit over de grillig gevormde rotsen. Hoog
-boven de rotsen uit, die nietig werden bij zijn Grootheid, stond, als
-een eenzaam priester, verstard in eeuwig gebed, één enkele berg.
-
-Meeuwen wierpen zich krijschend van de rotsen op en cirkelden in wijde
-kringen om de Nieuw-Hoorn. Doch allengs verdwenen ze weer uit de lucht,
-en op het eentonig geruisch der golven na, die nimmer slapen, werd het
-stil.
-
-Dien avond kwam Harmen er toe, z’n fiedel weer eens voor den dag te
-halen. En de oomes zongen:
-
-
- „Dat meissie vroom, waarvan ik droom,
- Dat meissie van Enkhuizen,
- Dat lacht zoo lief, dat kent geen grief,
- Dat meissie van Enkhuizen!”
-
-
-En Bolle sloeg van louter leut z’n witte knuisten op z’n witten broek,
-dat het meel er af stoof. En de Neus klopte z’n pijpje in de vlakke
-hand uit, en Hilke Jopkins keek naar de sterren.
-
-Hajo leunde zwijgend over de verschansing.
-
-Rolf zat in de barbiershut, gebogen over een kaart van de Kaapverdische
-eilanden.
-
-Padde had een lijntje met spek door een geschutpoort gegooid en
-wachtte, of er een visch in wou bijten.
-
-
-
-Als een groote wieg deinde de Nieuw-Hoorn op het water. Je kon er een
-slaapliedje bij zingen.
-
-In de baai dobberde een groote, gouden vlek.
-
-De spiegeling der maan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-PADDE HEEFT BEET
-
-
-Of de maats den volgenden morgen uit hun kooi konden komen! De zon zat
-nog half in ’t water, toen er al een stelletje oomes in baaien
-onderbroeken over de verschansing hing. Als je goed keek, zag je op de
-rotsen een bokje springen. Het was eb; er lag een flinke lap strand
-bloot, en in de waterkuilen kon Harmen zonder mistkijker, maar wel met
-een weinig verbeeldingskracht, kreeften en garnalen zien zwemmen. Padde
-liep het al om den mond: garnalen was zijn lievelingskostje!
-
-’s Avonds zouden ze weer weggaan; dus moesten overdag de handen uit de
-mouw! Ze zouden vandaag die ouwe kast van een Nieuw-Hoorn eens
-opknappen, dat geen schoonmoeder er kwaad van kon zeggen! Na de
-vroeg-kost werd de jol neergelaten, die ververschingen moest opdoen en
-wat visch zien machtig te worden.
-
-„Wie er mee wou?”
-
-Allemaal wel!
-
-„Ja, maar het eiland is Spaansch!”
-
-„Laat de Spekken maar komen!”
-
-„Er mag niet gevochten worden.”
-
-„En als zullie beginnen?”
-
-„Dan sla je er ook op. Nogal glad”, zei Donder-en-bliksem.
-
-Er werd geloot, wie mee zou gaan. Hajo wist met z’n Vreugde geen raad,
-toen Rolf en hij beiden een lang strootje trokken.
-
-Met dertig andere varensgasten daalden ze de touwladder af. Vóór in de
-jol lagen musketten en vischtuig.
-
-„Zul je ’t niet vergeten, Klaas?”
-
-„Wàt, Hein?”
-
-„Je neus weerom te brengen!”
-
-„Denk om de garnalen!” schreeuwde Padde.
-
-„Kannibalen?”
-
-De spanen plasten in het water. Een-twee; een-twee.
-
-„Jongens”, zei Berentsz., die bij het roer zat, „we halen vóór de
-branding het net door het water. Als we een flink zoodje visch vangen,
-gaan we niet aan land. De Spekken zullen ons al lang in de kijker
-hebben.”
-
-„Ik heb net zin in een robbertje, bootsman!”
-
-„Dan maak je maar ’n robbertje met de groote mast!” raadde Berentsz.
-aan.
-
-Op het strand doken boomen met slank-gebogen stammen en waaiervormige
-kruinen uit den lichten morgennevel op: palmen!
-
-„Javaansche bloemkolen, Hajo!” zei Floorke, die al drie reizen naar
-Indië had gemaakt.
-
-Hajo keek wantrouwend de anderen aan. Maar alle oomes roeiden zwijgend
-verder en knikten ernstig. Toen zei Hajo: „Ik hield het voor knolraap,
-maar dat kan ook wel komen, omdat Floorke er met z’n hoofd voor zat.”
-
-Grinnikend haalden de oomes het net te voorschijn en wierpen het achter
-uit. Al roeiende trok men het achter de boot aan.
-
-„Zou er al wat in zitten? ’t Is net of ’t zwaarder roeit!”
-
-„Haal maar eens op!” zei Berentsz.
-
-Alles kroop naar achteren. De boeg schoot de lucht in.
-
-„Trekkèèèè!”
-
-In eens spalkten de oomes de oogen open. Er zat een groote zeeschildpad
-in het net.
-
-„Wat ’n raar beessie!”
-
-„Haal hem binnen en leg hem op z’n rug! Nou, pak hem maar gerust: je
-zult hem niet bezeeren.”
-
-„Zou-d-ie niet bijten?”
-
-„Bijten? We zullen vanmiddag in hèm bijten! En er een fijn soepje van
-koken! Hoepla!”
-
-De schildpad lag op den rug, bewoog hulpeloos haar dikke zwempooten.
-
-„Ik zou hem wel voor m’n moei mee willen nemen! Krijg ik hem,
-bootsman?”
-
-„Als de soep klaar is. Gooi het net maar weer uit, jongens!—Heila! Wat
-is dat!”
-
-Van de strandzijde klonk een scherpe knal, en aan bakboord plonsde iets
-in het water.
-
-„De Spekken!! Ze smijten met boonen!”
-
-Aller oogen richtten zich naar het strand, waar zich een groepje mannen
-verzameld had. „Geef mij eens ’n musket! Ik schiet op honderd el een
-vlieg z’n voorpoot af!”
-
-Weer een knal en een plons.
-
-„Aan de riemen! Ze schieten ons nog door de kleeren! En ’k zit krap in
-m’n stopgaren!”
-
-„Wacht even, ik ben nog aan ’t laden!” pruttelde de scherpschutter. Het
-laden van een musket was een werkje, dat tijd, ervaring en overleg
-vroeg.
-
-Weer een schot. Een kogel floot den mannen over het hoofd.
-
-Toen was de oome, die op honderd ellen een vlieg verminken kon, gereed.
-Grimmig legde hij aan.—Een donderslag; de schutter vloog door den schok
-bijkans met musket en al de jol uit.
-
-Maar van het strand klonk een luide gil. Een der Spanjaarden liet zijn
-wapen vallen en stortte achterover in het zand. De anderen zochten een
-haastig heenkomen achter een boschje.
-
-„Schei uit met die grapjes, Klaas! En pak de riemen op: we zitten vlak
-voor de branding!”
-
-Een schot van den wal; de jol trilde even, en uit den bodem spoot een
-fonteintje op. „Au! M’n poot! Au! Au!”
-
-„Stop het lek!” Het werd met touwpluisel gestopt.
-
-De jammerende maat nam zijn voet in de handen. „Ze hebben m’n teen
-kapot geschoten!”
-
-„Met Sinterklaas krijg je ’n nieuwe!” troostte Berentsz. „Roeien,
-jongens! Een-twee; een-twee.....”
-
-Spoedig was men buiten schot.
-
-„Willen we hier het net weer eens uitgooien, bootsman?”
-
-„Vooruit maar”, zei Berentsz. „Waar is het?”
-
-Algemeen gegluur onder de banken. „Het net is weg!”
-
-Floorke begon te ginnegappen.
-
-„Heb jij het weggestopt, beroerde kerel?”
-
-„’t Hangt nog achter de boot!” zei Floorke. „D’r zal nou wel visch zat
-in zitten!”
-
-Dat had de opwinding ’m gedaan. Ieder was vergeten, dat het net in het
-water hing. Het werd ingehaald. Groote vreugde, toen het vol glanzende,
-spartelende visch bleek te zitten.
-
-Maar de gewonde maat deelde niet in de blijdschap. Hij had z’n hemd
-uitgetrokken en was met Rolfs hulp aan het verbinden van zijn voet
-geslagen.
-
-De anderen letten er nauwelijks op. Het waren ruwe klanten, die
-varensgasten uit de zeventiende eeuw.
-
-
-
-Aan boord was zoo gehamerd en gezaagd, dat niemand het schieten had
-gehoord.
-
-In het ruim lagen nog stengen; ze werden door de achterpoorten aan dek
-geheschen. Een spier van veertien palm werd overlangs doorgezaagd, en
-die beide helften woelde men, met nog twee andere stengen, om de
-mastbreuk. Nu kon men de steng, die voorloopig den mast versterkt had,
-weer hijschen en het grootzeil voeren. Het was een lust er naar te
-kijken! De mast leek wel een zware pijler uit de Sint-Anthonis. Nu
-mocht de storm weer blazen.
-
-Men was juist aan het taliën van het want, toen de boot terugkwam. De
-vangst overtrof alle verwachtingen. Bolle liet de gekieuwde
-waterbewoners lustig knappen in de pan; de meeningen over zijn
-schildpadsoep liepen zeer uiteen, maar de meesten smulden er in.
-Verdikke, men kon merken, dat er dien dag gewerkt was: er werden me wat
-bruine boonen achter de kiezen gedouwd! De gewonde maat, die nu door
-Vader Langjas naar alle regelen der kunst verbonden was, deed in
-eetlust voor niemand onder, en Padde trachtte in een berg schelvisch
-zijn teleurstelling over de garnalen te vergeten.
-
-
-
-Een uur na het eten klonk tusschendeks een angstig geschreeuw: „Hulp!
-Hulp!!”
-
-Alles stormde naar beneden. Daar vond men Padde half uit een
-geschutpoort hangen. Een kabel, die om een pin geslagen was, liep strak
-gespannen naar buiten; in het water werd er woedend aan gerukt. En
-Padde trok aan dezen kant.
-
-„Ik..... pf! ik heb beet! Help ’ns ’n handje! Ik kan ’m alleen..... pf!
-niet binnen krijgen!”
-
-De maats stonden paf. „Binnen krijgen! Als het touw niet om die pin
-zat, had ie jou al lang buiten gekregen!”
-
-Twee mannen sloegen hun knuisten om het touw. „Trekken! Hoy-hay!
-Hoy-hay!” Nog een paar oomes staken hun armen uit de geschutpoort. Er
-kwam beweging in den kabel: men won. Het touw werd van de pin bevrijd
-en alles trok mee.
-
-„Zou ’t een zeevarken wezen?”
-
-„Trekkèèèèè.....”
-
-Een glimmend zwarte monsterkop schemerde in het water, dat, door
-machtige staartklappen opgezweept, alle kanten uitgolfde.
-
-„’n Haai!!!”
-
-Nu werden plots de trekken der oomes stroef en hard. Nu was het geen
-spelletje meer!
-
-„Hoe krijgen we ’m binnen? Wacht! Ik zal ’m van het dek een harpoen in
-z’n bast gooien,—dan halen we hem over het hek!”
-
-„Gauw dan!” Een dozijn oomes stormde naar het dek.
-
-„Wat zou-d-ie wegen? Drie honderd pond? Hou vast, mannen!”
-
-Toen schoten de trekkende oomes achteruit, rolden in een kluwen van
-armen en beenen dooreen.
-
-Beneden in het water plonsde het. En met een hartgrondige verwensching
-keken de oomes naar een gebroken stuk touw, dat ze in de hand hielden.
-
-Padde zuchtte. „Daar heb ik nou de heele dag voor zitten koekeloeren!
-Waar bemoei jullie je ook mee? Als je mij stiekum m’n gang had laten
-gaan.....”
-
-Toen moesten de oomes weer lachen.
-
-
-
-De arme jongen zocht troost bij den bottelier. Deze was aan het tappen;
-Padde stak een kaars aan en daalde in den kelder af.
-
-„Voorzichtig-aan, m’n jongen!” waarschuwde de Schele, toen Padde zijn
-kaars op een brandewijnvaatje plaatste. „Je zou brand maken!”
-
-„Brand?” vroeg Padde. „Dat goedje kan toch niet branden? ’t Is toch
-nat?”
-
-„Nat is het. Maar waarom zouden ze het brandewijn noemen, als ’t niet
-branden wou?”
-
-„Kom, Schele”, zei Padde, „laten we nou maar naar boven gaan, anders
-vertel je me zoometeen nog, dat de zee in brand vliegt, als er een z’n
-pijp buiten boord uitklopt!”
-
-De Schele begon te grinniken. Maar toen ze samen het keldergat
-uitkropen, ontsnapte een zware zucht aan zijn boezem. „Merakel! Gertje
-kon net zulke grapjes maken.....”
-
-
-
-Dien avond koos de Nieuw-Hoorn weer zee. De koers werd recht op de
-evennachtslijn gesteld.
-
-Onze vrienden hingen over de verschansing en tuurden naar het land, dat
-langzaam wegzonk. De lucht en het water waren goud van de ondergaande
-zon, de berg en de rotsen diepblauw.
-
-Hajo voelde zich beklemd. In zijn ziel trilde de smartkreet na, dien de
-gevallen Spanjaard had uitgestooten. Hajo vond, dat de vorm van het
-eiland aan een graf deed denken.
-
-Als een witte lijkkrans lag de branding er omheen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-WINDSTILTE
-
-
-Nauwelijks had Bolle den volgenden morgen vroeg-kost geschaft, of Diede
-Doedes kwam vertellen, dat hij achter in de lij twee zeilen zag. De
-maats brandden zich de lippen in hun haast om hun kommetje gloeiende
-koffie leeg te slurpen.
-
-De marszeilen werden bijgezet en de koers gesteld op de beide schepen.
-Bij nadering bleken het de Nieuw-Zeeland en de Enkhuizen te zijn. Dat
-was een verrassing! Men groette drie maal met de vlag, en ook aan boord
-van de andere schepen scheen men opgetogen over het weerzien.
-
-Bontekoe beval de jol te water te laten. De opperstuurman en hij
-daalden de ladder af; de maats wierpen de riemen uit en roeiden naar de
-Nieuw-Zeeland.
-
-„Zijn jullie ook aan land geweest?” schreeuwden ze naar boven, toen „de
-heeren” in de kajuit waren.
-
-„Ja! We wouden op Ilje del May water innemen. Maar de Spekken hebben
-geschoten! Twee van ons zijn er an gegaan. Lange Harm en IJsbrants
-Dircksz. met de sproeten.....!”
-
-
-
-De schepen koersten gezamelijk weer Zuidwaarts. Maar op een kwaden
-morgen vielen de zeilen slap neer; stillekes dobberden ze op het
-rimpellooze water; de hitte deed het pek in de dekspleten smelten.
-
-De maats wisten van verveling geen raad. Overal was het even broeierig;
-het hout brandde onder je voeten. In de kombuis liepen de koksmaats met
-gloeiende koppen heen en weer. Geen pijp smaakte je meer. Drinken,—dat
-was het eenige, wat nog een oogenblik verkwikking gaf.
-
-De schipper liet allerlei spelen houden; de prijzen bestonden uit
-appels en peren, die nog in het ruim lagen opgestapeld. Verjoppie,
-daarvoor wilden de kerels nog wel een paar keer het dek op en neer
-rennen, of turfrapen, of den kruiwagen duwen! Een oome laadde onder
-groot gejuich den Schele op zijn wagen.....
-
-Den halven dag lagen ze in den Atlantischen Oceaan te spartelen, de
-oomes; ze sprongen van de boegspriet het water in, doken onder het
-schip door, plasten en ploeterden en klommen dan langs de touwladder
-weer omhoog. Maar vijf minuten later waren ze weer even verhit als te
-voren. Ze vervelden om het hardst. Den oome, die bij Ilje del Foege een
-teen had verloren, werd door een of ander geheimzinnig zeemonster een
-tweede teen afgebeten. Er werd lang over geredekaveld, of het een haai,
-of iets anders zou zijn geweest. De gebeten oome zei, dat de duvel er
-achter stak: twee teenen achter mekaar!
-
-Om verdere ongelukken te voorkomen, liet Bontekoe het grootzeil
-tusschen de onderste ra van de fok en den grooten mast binden. Het werd
-met water gevuld en leverde een gezellig zwembad. Nu was het zeil ten
-minste ergens goed voor. Natuurlijk waren er weer van die grapjassen,
-die, als je rustig in ’t bad je pijpje lag te rooken, van onderen met
-spelden door het zeil prikten.....!
-
-De jongens werden beziggehouden. Terwijl de oomes geen hand uitstaken,
-moesten zij poetsen; poetsen en poetsen. Zwabberen en schrobben hoorde
-er ook bij. Als de zon al niet zoo beroerd glom, had Berentsz. ze ook
-die vast nog laten oppoetsen.
-
-„’k Mag lijen, dat de zon niet valt”, verzuchtte Floorke.
-
-„En waarom niet?” was het loome antwoord.
-
-„’k Leg er pal onder”, zei Floorke. De oomes waren te lui om te
-grinniken.
-
-Op een morgen ving Harmen aan een lijntje met spek een grooten
-kabeljauw. Toen werden allen door hengel-koorts aangetast. Achter elke
-geschutspoort lagen een paar oomes te koekeloeren. Voor den pechvogel,
-die geen lijntje had weten machtig te worden, bleef niets over dan
-langs de ijverige hengelaars te loopen en te vragen: „Al beetgehad?”
-
-„Neen”, was dan het grimmige antwoord.
-
-„En jij?”
-
-„Wat?”
-
-„Al beetgehad?”
-
-„Neen.”
-
-„En jij, Smirtjens? Al beetgehad?”
-
-„Bijna.”
-
-„Ga eens wat dieper liggen.”
-
-„Heb ik al gedaan.”
-
-„Wat hooger dan.”
-
-„Heb ik ook al gedaan.”
-
-„Wat doe je daar de heele dag te zitten, als je toch niks vangt?”
-
-„Jij zou ook wel een lijntje willen hebben, hè?”
-
-„Ik? Ik zal wel oppassen!”
-
-„Ja. Opkrassen. Doe dat maar.”
-
-Toen de bootsman het moe werd om den heelen dag achter de poetsende
-jongens aan te zitten, brak ook voor deze arme verschoppelingen een
-tijd van onbeperkte vrijheid aan.
-
-Rolf maakte er een dankbaar gebruik van door bij Vader Langjas, die
-goed Maleisch sprak, voort te bouwen op de fundamenten, door Bolle
-gelegd. De barbier kreeg steeds meer schik aan zijn ijverigen leerling;
-hij stond versteld over de kennis, die Rolf in zoo korten tijd uit de
-boeken over heelkunde had geput, bracht hem wat op de hoogte met den
-stand en het wezen van sterren en planeten; leerde hem een gradenboog
-maken. Rolf nam op als een spons, ja, bracht den deftigen barbier soms
-leelijk in het nauw door meer te willen weten dan Vader Langjas hem
-vertellen kon.
-
-„Ja, jongen”, zei deze dan, „voorloopig kan ik nog niet dieper met je
-op de zaak ingaan!” Maar terwijl hij de logische, eenvoudig gestelde
-vragen trachtte te omzeilen, voelde hij drommels goed, dat de heldere
-oogen van zijn leerling doordrongen tot in de engste hoekjes van zijn
-weten. Dan voelde Vader Langjas zich overwonnen. Hij zuchtte en zei met
-een zalvend gezicht: „Het gebied der wetenschap is oneindig, Rolf. Wij,
-menschen”—de nadruk op het woordje: wij—„zijn maar stofjes in het
-heelal. Wij kunnen de goddelijke wonderen der natuur aanschouwen, doch
-bevatten kunnen wij ze niet, Rolf.” Maar tegelijkertijd moest hij
-zichzelf bekennen, dat hij dat alles weleens graag vergat: Vader
-Langjas was gewend voor een alwetend man door te gaan!
-
-Hajo speelde viool, en het ging Harmen als Vader Langjas: zijn leerling
-groeide hem boven het hoofd. „Kun je er de wind niet mee lokken, Hajo?”
-vroeg Rolf in het voorbijgaan. „Je leert het al uitstekend, hoor!”
-
-Hajo hield op met fiedelen. „Vind je?” Een goedkeuring uit Rolfs mond
-was hem meer waard dan de overdreven loftuitingen van tien volwassen
-oomes.
-
-Padde was het ditmaal bij uitzondering met Rolf eens. Vooral als Hajo
-erg langzaam en met trillers speelde, knikte hij ontroerd. „Ja-ja”, zei
-hij dan. Verder verklaarde hij onomwonden, dat een schip een nutteloos
-ding is, wanneer er geen wind staat.
-
-Niemand sprak hem tegen.
-
-
-
-„Foeiiiiit.....!” Een windstoot! Heerlijk verfrisschend. De oomes
-liepen joelend heen en weer, gooiden het water uit het grootzeil,
-spanden het op en hoopten twintig knoopen in het uur te maken. Floep!
-weg was de wind weer.
-
-De oomes gaven den moed nog niet op! „Wacht maar!” troostten ze elkaar.
-„Dat was het begin! Straks komt er wel meer.”
-
-Maar er kwam niet meer. Een enkele maal, na uren van volkomen
-windstilte, deed een enkel tochtje het water rimpelen. Na zoo’n korte
-verfrissching drukte de hitte nog meer dan te voren. Het grootzeil werd
-weer zwembad. Oef.....!
-
-
-
-Drie dagen later kwam uit het Oosten een groote, donkere wolk
-aandrijven. Ze wierp een zwarte schaduw voor zich uit over het water,
-verduisterde binnen een uur den ganschen hemel. Doodsche stilte.
-
-Spanning bij de schepelingen. „Een windhoos!” werd er gefluisterd.
-Ondanks het halfduister broeide er een hitte, die den adem benam.
-
-In eens..... een windstoot.....! Nog een! Nog een! De zeilen rukten aan
-de touwen, vielen klapperend weer neer, rukten opnieuw, dat de ra’s er
-van piepten, vielen luimig weer neer.....—Daar kletterde een regen, zoo
-hevig, dat allen doornat waren, vóór ze het wisten. De waterstralen
-daverden op het hout, dat ’t hooren je verging; er waren honderd
-trommelaars in de weer.
-
-De maats gierden van de pret. In bakken, zeilen en pannen werd het
-water opgevangen. Je hadt maar iets op te houden en ’t was al vol. De
-oomes trokken hun broeken uit en liepen als Adams rond, stoeiend,
-gillend. „Fijn is-t-ie, hè?”
-
-Rrrrrt! Met een krachtigen roffel besloot de regen. Ineens. Geen
-druppeltje viel er meer. De zon drong weer te voorschijn. Wat even te
-voren gedropen had van het water, was in enkele oogenblikken kurkdroog.
-
-Stilte. Volslagen stilte. Brandende zonnestralen vielen loodrecht op
-het schip.
-
-In den namiddag herhaalde zich de grap.
-
-Den volgenden dag driemaal. Maar bij dat al schoot men geen vadem op.
-
-Eindelijk begon het weliswaar gestadig te waaien, maar de wind tolde in
-het rond, of hij dronken was. Men was zonder ophouden in de weer met
-het omgooien van de zeilen.
-
-Wonderlijk waren de nachten. Dan scheen de wereld een tot berstens toe
-gevulde schatkist. Het goud der sterren droop in het water, dat zelf
-als vloeiend goud was. Het schuim, dat opspatte voor den boeg, was
-louter zilver; milliarden edelsteenen stoven alle zijden uit. Sterren
-werden van links naar rechts gekegeld,—lieten een gloeiend spoor na.
-
-De maan scheen het wonderlijk geheim van dit alles doorgrond te hebben:
-rustig glansde zij tusschen al het bont gedwarrel.
-
-Hajo kon er ’s avonds niet toe komen om naar bed te gaan; het spel der
-sterren nam hem geheel in beslag; hij voelde zich in een
-sprookjeswereld verplaatst, in een doolhof van wonderlijke
-gebeurtenissen, waaruit geen ontkomen meer mogelijk was. Daar, in het
-Noorden, moest Holland liggen en Hoorn en de Bagijnesteeg..... Was het
-mogelijk?
-
-Drie, zes, acht sterren tuimelden dooreen. Weer een! En daarginds.....
-vier tegelijk!
-
-Rolf en Padde stonden mijmerend naast hem.
-
-„Hajo.....” vroeg Padde, „hoe zou de evennachtslijn er uitzien?”
-
-„Misschien wel een lijn van vuur..... of zoo iets”, zei Hajo.
-
-„’t Is hier allemaal vuur!”
-
-Hajo keek peinzend voor zich uit. „Zeg, Rolf, hoe komt dat..... kijk
-eens! wat een sterren daar vallen!..... hoe komt dat..... met die
-vallende sterren?”
-
-„Die vallen eigenlijk niet. Die veranderen alleen maar van plaats
-en.....”
-
-„Dat kun je ook zeggen, als je een dakpan op je kop krijgt, dat ie van
-plaats veranderd is!”, meende Padde. „Kijk daar eens! Daar vallen er
-zes tegelijk!”
-
-De knapen zwegen en tuurden voor zich uit.
-
-Na een uur verbrak Padde het zwijgen. „Dat alles moest m’n moeder nou
-eens kunnen zien! En m’n zusjes en broertjes!”
-
-Hajo voelde een prop in z’n keel.
-
-En Rolf stelde voor, om te gaan slapen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ALBATROSSEN
-
-
-Na drie eindelooze weken van onophoudelijk laveeren kwam de dag, dat
-men de linie zou passeeren. De oomes, die de reis al vaker hadden
-gemaakt—dat waren verreweg de meesten!—deden geheimzinnig. Om twaalf
-uur in den middag verwachtte men een voornamen gast: Neptunus in eigen
-persoon zou uit zee opduiken en de Nieuw-Hoorn een bezoek brengen. Een
-half uur lang zou hij het bevel over het schip in handen nemen, onder
-zijn genadig toezicht de nieuwelingen laten doopen en dan, met zijn
-gevolg, weer in het zilte nat onderduiken.
-
-Het middendek werd versierd met de guirlandes, die reeds op
-Oudejaarsavond zulke goede diensten hadden verricht. Tegen den grooten
-mast timmerde men een troon voor den machtigen zeegod en plaatste er
-een groote kuip water voor. Waartoe die diende, mochten de „groentjes”
-voorloopig nog niet weten. Daarom maakten eenige janmaats zich op om
-hen in het vooronder op te sluiten. Harmen nam Padde voor zijn
-rekening. Terwijl hij hem gevankelijk wegvoerde, schilderde hij hem in
-sombere kleuren zijn naaste toekomst voor. Padde jammerde hemel en
-aarde bijeen; de anderen lieten zich lachend opsluiten. Maar bij de
-meesten was het de vroolijkheid van dien bekenden boer, die kiespijn
-had.
-
-„Kom, Padde, schreeuw niet zoo! ’t Zal wel meevallen!”
-
-„Meevallen?! Als je driemaal gekielhaald en een uur met je hoofd onder
-water wordt gehouden?”
-
-Het sloeg acht glazen. De deur van het vooronder werd ontsloten.
-
-Buiten wachtte den groentjes een dubbele rij oomes, die hen met
-papieren klappers naar de verhooging dreven, waar de oude grijze
-Neptunus reeds zat, omgeven door zijn ganschen hofstoet. De schipper en
-de opperstuurman zaten aan zijn zijde. Neptunus droeg een waardigen,
-met papieren visschen beplakten mantel, en in zijn hand klemde hij een
-vervaarlijken drietand, waaraan een stokvisch was gespietst. Zijn
-dienaren hadden een mombakkes voor met spitsen, langen neus en groote,
-groene vissche-oogen. In hun roode haren was nog zeewier verward. Een
-van hen wachtte met een groote schaar bij de ton water, om de groentjes
-kaal te knippen. Hij droeg de roodbaaien onderbroek van Harmen van
-Kniphuyzen. De anderen stonden met volle putsen gereed om te „doopen”.
-
-Er werd niet getalmd. Zonder erbarmen pakten Neptunus’ dienaren de
-groentjes in hun nekvel, duwden ze stuk voor stuk in de ton,
-verfrischten ze ten overvloede nog met een puts water. Toen werden ze
-door den roodgebaaiden lakei van vorst Neptunus van hun haardos
-bevrijd. De vlokken stoven in het rond; pijnlijke kreten der
-slachtoffers deden vermoeden, dat de schaar weleens uitglipte. Toen
-alle groentjes behoorlijk kaal waren en het water hun uit de kleeren
-droop, verhief Neptunus zich met koninklijk gebaar van zijn zetel en
-sprak: „Haal me de bottelier er eens op!”
-
-Daar kwam de Schele al aan, nog rood van het tappen. „Wat is er van je
-bevelen, Majesteit?”
-
-„Dat je de kerels een oorlam schenken moet, bottelier!”
-
-„Leve koning Neptunus!” brulden de oomes.
-
-„De groentjes ook, Majesteit?” vroeg de Schele.
-
-„Donder en bliksem!” sprak Zijne Majesteit, „er bennen geen groentjes
-meer, Schele!”
-
-„Tot je orders, Majesteit!” En de Schele verdween, voortgedreven door
-een stelletje ijverige oomes.
-
-„Zou jij de bottelier niet er eens ’n handje helpen?” vroeg Koning
-Neptunus aan Padde, die niet ophield met jammeren over de mishandeling,
-die hij had ondergaan.
-
-„Helpen?! Om die beroerde kerels een oorlam te bezorgen?! ’k Zou nog
-liever!” schreide Padde.
-
-„Zeg er eens, manneke!”—het was Bontekoe, die sprak—„Durf jij tegen
-Koning Neptunus op te staan?!”
-
-„Koning Neptunus! Dat donder en bliksemen heeft ie dan toch van de
-bootsman!”
-
-„Donder en bliksem.....!” stamelde Neptunus.
-
-De oomes lachten. En Padde trok er grimmig tusschen uit.
-
-Daar kwam de Schele met zijn helpers terug, een paar vaatjes bier voor
-zich uit schoppend. Met hoera-gebrul werden ze (de vaatjes)! ontvangen
-en geopend. En toen hieven de maats de kroezen op, dronken op de
-gezondheid van Neptunus, den schipper, den bootsman, op de linie, op
-Holland en op Java, op de Nieuw-Hoorn, de behouden thuiskomst,
-gunstigen wind en verder op alles, waar maar op gedronken kon worden.
-Neptunus bleek, na in den loop der eeuwen dagelijks zeewater te hebben
-moeten slikken, ook niet wars van een hartversterking: hij doopte
-bedachtzaam zijn grauwe snor in een kroes.
-
-De vaatjes raakten leeg. De oomes keken sip. Maar tot troost werd er
-afgekondigd, dat allen in de kombuis twee appelflappen mochten halen.
-
-Die smaakten!
-
-En toen kwam het afscheid. Neptunus drukte den schipper de hand, gaf
-hem het gezag over de Nieuw-Hoorn weer plechtig over en liet zich in
-triumf uitgeleide doen naar de valreep. Hij wenschte allen voor de
-laatste maal goede reis en dook met zijn dienaren weg in het water.
-
-Een kwartier later kwam de bootsman Folkert Berentsz. met natte haren,
-juist als had ook hij een linie-doop ondergaan, het dek opstuiven.
-„Donder en bliksem!” voer hij uit. „Wat heeft die rommel daar te
-beteekenen?! Weg er mee! Waar zitten me die apen van jongens? Vooruit!
-Zwabberen!!”
-
-
-
-De wind was Zuid-Oost. De koers werd gesteld boven de Abriolhos, een
-groep lage, rotsachtige eilanden op de kust van Brazilië. Bij de
-Abriolhos komende, stilde de wind echter, zoodat men vreesde, de
-eilanden niet te zullen kunnen omzeilen: de stroom zou de drie schepen,
-wanneer de wind geheel ging liggen, recht op de eilanden doen stooten,
-en ze zouden er vast zitten, tot het den wind geliefde te gaan blazen.
-Neen, als ze de eilanden niet omzeilden, zag het er slecht uit, want op
-de Abriolhos zou niets te halen zijn en men verlangde naar versch
-voedsel. Te lang gepekeld vleesch eten leverde gevaar op: de
-Oostinje-vaarders hadden veel met scheurbuik te kampen.
-
-Maar in den nacht werd de wind weer sterker, en op het kantje af lukte
-het, de eilanden te omzeilen: men streek er zoo dicht langs, dat men
-met het bloote oog de rotsen in het maanlicht zag verrijzen. Het volk
-werd vergast op een flap-kanne Spaanschen wijn voor iedere tafel van
-acht man.
-
-Nu werd de steven gericht naar een groep kleine eilandjes: Tristan
-d’Acunhe. Maar men kreeg ze niet te zien. De wind sloeg om naar het
-Noord-Westen. Toen stelde men de koers op Kaap de Goede Hoop, ten einde
-daar te ververschen. Het was nog wel een geducht eind, maar de wind
-zwol gedurig aan en zat mooi achter in ’t zeil. Als dolfijnen schoten
-de boegen door het water; de oomes waren vol goeden moed.
-
-Toen onze vrienden op een middag bijeenzaten, wees Hajo eensklaps met
-de hand naar boven. „Kijk eens, wat een groote meeuwen!” Daar kwamen,
-heel hoog in de lucht, uit het Zuiden een aantal witte vogels
-aanzweven. Hun vlucht moest verbazend snel zijn, want ze namen
-zienderoogen in grootte toe. Maar zonderling: de lange, smalle vleugels
-schenen zich nauwelijks te bewegen. „Albatrossen!” riep Rolf uit. „Dan
-zijn we dicht bij de Kaap!” Op het voordek begonnen een paar oomes te
-schreeuwen: „Albatrossen! We naderen de Kaap!!” Al het volk liep te
-zamen, schreeuwde opgewonden dooreen.
-
-Het waren machtige dieren. Er zweefden nu al een dozijn hoog om de
-Nieuw-Hoorn, en uit het Zuiden kwamen er nog steeds. Ze schenen niet te
-vliegen, ze dreven op hun enorme vleugels, waaraan nauwelijks eenige
-beweging te bespeuren viel.
-
-Terwijl onze knapen vol spanning toekeken hoe majestueus de albatrossen
-kwamen aanzeilen door de wolken, hoe snel en sierlijk zij zich lieten
-vallen, wanneer ze in het water een prooi ontdekten; hoe ze, ondanks
-hun grootte, vol gratie en zonder de geringste inspanning weer opstegen
-van het watervlak, hun prooi vast omsloten in de sterke klauwen,—was op
-het achterdek een ander drietal met een zonderling werkje in de weer.
-De Manke, die op den dag van de uitvaart Gerrit den hals had willen
-omdraaien, sneed een stukje hout van een handbreed te lang, overtrok
-het met reuzel, bond het houtje aan een lange lijn en wierp die toen
-overboord.
-
-„Nou zullen we eens afwachten!” zei de manke.
-
-„Afwachten”, bevestigde zijn pokdalige kameraad.
-
-„Of ze fijnproevers zijn! Hehehe!” grinnikte de kleine, Schieltjens
-Blauw.
-
-Met drieën, vieren tegelijk schoten de vogels uit groote hoogte op het
-lokaas af. De behendigste hapte toe..... en was gevangen. De mannen
-vloekten van genoegen. Met z’n drieën trokken ze de lijn binnen. Dat
-viel niet mee! Het dier klapte met de vleugels, vloog van het water op
-en wilde de wolken weer in. Maar de overmacht was te groot: met
-uitgerekten hals, den bloedenden bek wijd open, werd het omlaag
-getrokken. Hulpeloos tuimelde het op het dek, sloeg wild met de
-reusachtige vleugels.
-
-„Kom er eens hier! Kom eens kijken!” brulde de pokdalige.
-
-Van alle kanten kwamen de oomes aanzetten. „Wat een prachtig beest!”
-
-Boutjens (zoo heette de manke) was door de algemeene belangstelling
-gestreeld. „Wacht nou maar eens even! Dan zul je wat zien!” Hij trok
-zijn mes, plaatste zich achter den vogel, die, als vermoedde hij het
-nieuwe gevaar, met een smartelijken roep schuw ineendook. Toen liet
-Boutjens zich plotseling met de knieën op de beide gespreide vleugels
-vallen en sneed het dier met een snelle beweging den strot door. „Had
-je niet gedacht, hè?” grinnikte hij, terwijl hij weer overeind sprong
-en zijn bebloede handen en polsen aan zijn broek afveegde.
-
-Grootsch en tragisch was het, te zien hoe het prachtige dier zich de
-smetteloos blanke veeren rood verfde in zijn wilde worsteling met den
-dood. Boutjens sprong, met de anderen, haastig ter zijde om een slag
-van den machtigen vleugel te ontloopen.
-
-„Kun je het vleesch eten?” vroeg Hajo, wien het moeite kostte, den
-manke niet te lijf te vliegen. Boutjens keek gemelijk op, toen hij
-Hajo’s stem herkende. Hij spuwde op het dek en keerde den jongen zonder
-antwoord te geven den rug toe.
-
-„Eten?” zei een der oomes. „Wel neen. Het vleesch smaakt sterk.”
-
-„We vangen ze zoo maar. Voor de aardigheid”, blufte de pokdalige.
-
-„Zoo”, zei Hajo. „Maar als je nu het hart hebt er nog een te
-vangen.....” Hajo’s vuisten balden zich.
-
-De manke stootte een ruwen lach uit; men voelde er zijn haat doorheen.
-
-Hajo werd bij den arm gegrepen. Het was Rolf. „Ga met mij mee, Hajo.
-Wees niet onverstandig. We zullen hun plannen op een andere manier
-verhinderen.” En hij trok Hajo met zich mee naar de groote kajuit.
-
-Boutjens keek hen met donkeren blik na. „Ze gaan naar de schipper! Ik
-zou ze graag de nek omdraaien, maar je moet nog voorzichtig zijn, dat
-je je vingers niet brandt!”
-
-„Kom, Boutjens”, zei Schieltjens Blauw. „Laten we nog er eens
-ingooien!”
-
-Toen stond Padde voor hen. „Als jullie het doet, krijg je van mij op je
-ziel!”
-
-Boutjens was verbluft. „Wat zeg je?! Rakker!”
-
-„Ik zeg, dat, als je het hart hebt nog een van die mooie beesten te
-vermoorden, je dan van mij op je falie krijgt! Versta je dat,
-dierenbeul?” Dikke tranen schoten pardoes uit Padde’s knippende oogjes;
-zijn stem beefde van aandoening.
-
-„Daar staat er een te grienen om ’n beetje bloed!” hoonde Boutjens.
-„Wat ’n papjoggie!”
-
-Maar meteen had hij van het papjoggie een klap op z’n wang te pakken,
-die lang niet voor de poes was. „Dat is één!” riep Padde. „En dat is er
-nog een!”
-
-Vloekend en razend kwam Boutjens op Padde af. En, gelukkig voor den
-botteliersmaat, namen de oomes hem in bescherming. Zelf wilde Padde
-zijn voordeel daarbij niet inzien. „Laat me los! Hij zal op z’n ziel
-hebben!”
-
-„Ja, laat hem los!” siste Boutjens. „Hij vraagt er toch zelf om?” Maar
-toen de maats niet op zijn voorstel ingingen, wendde hij zich tot zijn
-twee getrouwen. „We zullen er maar geen woord aan vuil maken. Hier met
-de reuzel! We zullen nog eens ingooien.”
-
-„Schei er mee uit, Manke!” raadden de oomes.
-
-„En waarom?” vroeg Boutjens. „Vorige reis heb ik er wel ’n dozijn
-gevangen! ’t Zijn mooie beessies!”
-
-„Laat me los!” jammerde Padde. „Ik wil de schurk.....!”
-
-Daar kwam Hilke Jopkins aanstevenen. Zonder een woord te zeggen, rukte
-hij Boutjens het tuig uit de handen en stak het in den broekzak. „Bevel
-van den schipper: er mogen geen albatrossen gevangen worden.”
-
-„O, is ie gaan klikken!” zei de manke met verbeten woede. „’k Zal hem!”
-
-Maar toen legde de lange Fries een van z’n handjes op Boutjens’
-schouder. „In gemoede”, zei hij, terwijl de manke onder zijn greep
-ineenkromp, „je blijft van hem af!”
-
-Met een verwensching verdween Boutjens in het vooronder.
-
-Den volgenden morgen vond hij een groote klomp zout in zijn koffie. Met
-een kreet van afschuw spuwde hij het zwarte vocht weer uit.
-
-Harmen van Kniphuyzen had medelijden met hem. „’n Ongelukje”, zei hij.
-„Kom maar eens hier, dan zal ik je betere inschenken. ’k Heb hier nog
-een keteltje vol staan, eigenlijk voor de schipper!” En welwillend
-glimlachend goot hij Boutjens’ kom weer vol. Maar de duvel speelde er
-mee: de tweede kop was zoo mogelijk nog zouter dan de eerste! En
-Boutjens spuwde en foeterde, dat het een aard had.
-
-
-
-Dien middag kreeg men de Kaap in ’t zicht. Maar de vreugde hierover was
-niet zoo groot, als ze had kunnen zijn. Want de wind woei zoo stijf uit
-het Westen, dat men onmogelijk aan land kon gaan. De zee werd steeds
-woeliger; de schepen dansten geducht.
-
-Er werd scheepsraad gehouden op de Nieuw-Zeeland. Na lang mikken en
-meten besloot men door te zeilen. Al het volk was nog gezond; er
-heerschte voorloopig ook nog geen watergebrek. Den twaalfden Mei—dus
-vier-en-een-halve maand na het vertrek uit Holland—omzeilde men de
-Kaap, boog daarna om naar het Noord-Oosten. Tot Terre de Natal toe
-hield men het land in ’t zicht. Het was mooi weer; men onderscheidde
-duidelijk de talrijke rotsplateau’s en de hooge kegels van het
-Drakengebergte, welks toppen vaak tot in de wolken reikten.
-
-De Enkhuizen was bestemd om naar de kust van Coromandel te gaan. Daarom
-leek het den schipper het best, het kanaal van Mozambique te
-doorzeilen, ten einde te ververschen op de Comorische eilanden,
-westelijk van Madagascar’s noordpunt. Bontekoe en Pieter Thijsz. van de
-Nieuw-Zeeland namen afscheid van den gezagvoerder van de Enkhuizen; de
-heeren dronken een glas wijn op de behouden aankomst van alle drie
-schepen. Een uur later zond de Enkhuizen drie saluutschoten over het
-water, die prompt beantwoord werden, en week van de twee andere
-Oostinje-vaarders af. De zeilen werden kleiner en blanker. Toen viel de
-schemering in en onttrok ze aan het oog.
-
-Droomerig keek Hajo het licht-grijze schimmetje na. Naar de kust van
-Koromandel..... was dat nog weer iets anders dan Oostinje? Het scheen
-even ver en geheimzinnig. Hoe wijd moest de wereld zijn! In Hajo kwam
-een stille bewondering voor den schipper, die midden in onbekende zeeën
-zijn collega’s vaarwel zei en dapper, in vertrouwen op God en op zijn
-kompas, met z’n paar honderd kerels en z’n mooi getuigd schip naar het
-verre, vreemde land toog, waar wellicht geen blank gezicht hem zou
-verwelkomen. „Goeie reis.....!” zei Hajo zacht.
-
-Bontekoe en Pieter Thijsz. stelden hun koers Zuidelijk om Madagascar.
-
-
-
-Op een middag hing de vlag van de Nieuw-Zeeland halfstoks.
-
-„’n Dooie”, zeiden de maats van de Nieuw-Hoorn tot elkaar, terwijl ze
-over de verschansing er naar hingen te kijken. Tegen den avond hoopte
-zich op het middendek van de Nieuw-Zeeland wat volk bij mekaar. Er werd
-een psalm gezongen. Plechtig klonk het geluid van die vele diepe
-mannenstemmen over het water. Toen werd een plank met een overdekt
-lichaam er op over de verschansing geschoven. Het lichaam gleed in het
-water, zonk onmiddellijk weg in de diepte. Twee kanonschoten,—en de
-vlag schoot weer de hoogte in.
-
-Maar twee dagen later..... hing ze opnieuw halfstoks! Toen begrepen de
-mannen van de Nieuw-Hoorn, dat men aan boord van de Nieuw-Zeeland
-kampte met een meedoogenloozen vijand: de scheurbuik!
-
-Den dag daarop bracht Pieter Thijsz. een bezoek bij Bontekoe. De
-Bruinvisch was geërgerd en prikkelbaar door den slechten toestand op
-zijn schip en werd zeer heftig, toen hem bleek, dat Bontekoe zijn koers
-twee streken Noordelijker dacht te stellen, dan hem, Pieter Thijsz.,
-goed scheen. Rood van drift stevende hij de kajuit uit, baande zich
-hardhandig een weg door een groepje verblufte maats, die al ’n tijdje
-naar zijn gebulder hadden staan luisteren. „Vaar waarheen je wilt!”
-schreeuwde hij. „Voor mijn part naar de hel!”
-
-Bontekoe was kalm, zooals zijn mannen dat van hem gewend waren. „Ieder
-zijn overtuiging, makker! Ik wensch je goede reis.”
-
-„Het zal me verwonderen, hoelang ik op de reede van Bantam moet
-wachten, voor de Nieuw-Hoorn binnenzeilt!” donderde Pieter Thijsz. hem
-toe.
-
-„Ik zal je het wachten aangenaam maken, door je, dadelijk bij je
-aankomst, met de jol een vaatje Tocayer te laten brengen!” was
-Bontekoe’s vriendelijk antwoord.
-
-De oomes stootten mekaar aan. „Die zit”, mummelde Floorke.
-
-„Goeie reis!” snauwde de Bruinvisch. Toen vloog hij als een kat de
-valreep af.
-
-De mannen in de jol beneden sprongen nog sneller overeind dan anders.
-Ze stootten af en roeiden, als was hun leven er mee gemoeid. Maar
-Pieter Thijsz. ging het nog niet vlug genoeg: hij greep een der riemen,
-duwde den maat, die er aan zat, zonder veel praatjes op zij en roeide,
-dat de spaan knarste.
-
-De oomes van de Nieuw-Hoorn grinnikten. „Wat een rare!”
-
-Bontekoe kon evenmin een glimlach onderdrukken. „Tòch een kranig
-schipper, mannen!” zei hij.
-
-De oomes waren vereerd door Bontekoe’s vertrouwelijkheid. En Floorke,
-die vond, dat hij bij Bontekoe wel een potje breken kon, zei, terwijl
-hij zich achter zijn oor in de roode haarstoppels krabde: „Maar je moet
-geen ruzie met ’m krijgen, schipper: juffer Driestreng ligt altijd
-klaar! Nee..... ik heb jou liever, hoor!” En toen hij vermoedde, dat
-hij nu wellicht wat al te vrijmoedig was geweest, keerde hij zich om
-naar zijn makkers en zei: „Nou? Wat jullie, jongens?”
-
-De oomes keken lachend naar het gelaat van Bontekoe, dat hen uitdagend
-aanzag.
-
-„Nou?” vroeg Floorke. „Nou?!”
-
-„Leve Bontekoe! Leve de schipper!” brulde de heele troep.
-
-De kerels in de jol daarginds hielden van verbazing de riemen stil.
-Toen plaste Pieter Thijsz. den zijnen nijdig weer in het water. De
-maats schrikten op, trokken met een ruk de riemen weer aan, zwijgend
-glurend naar de Nieuw-Hoorn.
-
-In Bontekoe’s oogen fonkelde iets; zijn gelaat werd een weinig rood.
-Maar een glimlach om zijn mond verraadde, dat de onverwachte hulde hem
-niet onaangenaam had getroffen. „Vooruit!” riep hij. „Haal de bottelier
-dan maar op! Want daarom is het jullie toch te doen.”
-
-Nieuw gebrul. Van het voordek kwamen ook maats aanhollen. Ze roken, dat
-er wat aan ’t handje was. Floorke was de man! Verdraaid, die wist
-overàl een oorlam uit te slaan!
-
-
-
-Maar na het eten maakte de vreugde plaats voor een algemeene
-gedruktheid. Uit gewoonte ging het volk ook dien avond weer op het dek,
-onder den lichtenden sterrenhemel gezelsen, maar het gesprek vlotte
-niet. Zwijgend luisterden ze naar het ruischen van het boegwater.
-
-Er waren dien namiddag drie man ziek geworden.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE GEVREESDE VIJAND
-
-
-In enkele dagen tijds steeg het aantal zieken tot vijftien. Het was
-daar in het vooronder een gekreun en gekerm, dat niemand er ’s nachts
-van slapen kon. En elken dag kwamen er zieken bij. Vader Langjas greep
-zich met de handen in het haar, verzon allerlei drankjes, die
-verlichting zouden kunnen schenken. Soms hielp het ook wel wat, vooral
-dank zij de troostrijke voorspiegelingen, waarmee het uitreiken gepaard
-ging. Maar van werkelijke genezing kon natuurlijk geen sprake zijn,
-zoolang de oorzaak van de ziekte niet was weggenomen: gebrek aan versch
-voedsel.
-
-Lijsken Cocs was er het ergst aan toe. Zijn licht-blauwe, nu flets
-geworden oogen lagen diep, heel diep in de kassen; zijn spits neusje
-werd met den dag spitser, en het zweet parelde in zijn stroo-blonde
-haren. „’k Ga d’r an”, zuchtte hij. „Eerst m’n vader, toen Joppie.....
-wij kunnen in onze familie niet tegen de scheurbuik, weet je?” Lijsken
-zweeg, verraadde door een smartelijk vertrekken van den mond, dat hij
-pijn leed.
-
-„Heb je pijn?” vroeg Harmen, die bij Lijsken’s kooi zat.
-
-Lijsken schudde ontkennend het hoofd. En met schorre stem zei hij, op
-zorgelijken toon: „’t Is lam voor m’n moeder, dat ik d’r an ga! Want ik
-had ’r van deze reis ’n mooie cent kunnen thuis brengen....”
-
-
-
-Den volgenden dag hing de vlag halfstoks. Lijsken’s tengere
-jongenslichaam werd in een zak genaaid en, onder het zingen van een
-psalm, plechtig aan de golven toevertrouwd. De kanonnen wenschten den
-kleinen, blonden koksmaat goede reis naar het oord, waar hij geen pijn
-meer voelen zou.
-
-Bontekoe betaalde aan Harmen van Kniphuyzen de volle gage van zijn
-overleden vriend uit. Harmen kende Lijsken’s moeder en zou het haar
-geven. Grienend borg Harmen het geld in een zakje.
-
-De gedruktheid nam met den dag toe. Er waren nu reeds acht-en-twintig
-zieken. En dubbel zooveel anderen klaagden over moeheid in de beenen.
-Velen liepen rond met blauwe kringen onder de oogen, vale gezichten en
-kleurlooze lippen. Toen er op een dag vijf tegelijk in hun kooi moesten
-blijven, durfde Bontekoe niet verder zeilen. En tot groote vreugde der
-zieken in het vooronder werd de steven gewend naar Madagascar, waar men
-hoopte te kunnen ververschen. Diede Doedesz., die zich ook al lam
-voelde, klom niettemin om het uur in het kraaiennest om met zijn
-beproefde oogen naar land uit te zien. Den vierden morgen na het wenden
-van den steven, rezen achter den gezichtseinder bergen op.
-
-„Land! Land voor de boeg!!” Groote opgewondenheid. De zorgen woeien zoo
-maar de poorten uit.
-
-In den namiddag naderde men het land; het zag er aanlokkelijk uit. De
-bergen waren met wouden begroeid, en het geheel maakte den indruk van
-vruchtbaar te zijn. Maar nu de moeilijkheid: hoe te landen? Zoo ver het
-oog reikte, was nergens een baai of inham, geschikt om de Nieuw-Hoorn
-te bergen. Toch zette men de boot uit. Terwijl de Nieuw-Hoorn voor de
-kust op en neer zeilde, voer de schipper met dertig stevige maats en
-evenveel geladen musketten weg.
-
-Maar toen men met de boot wilde landen, bleek de branding te sterk te
-zijn. Terwijl men nog beraadslaagde, wat nu te doen, kwamen op het
-strand naakte, bruine kerels aanloopen, die in luide kreten hun
-verrassing uitten en toen staan bleven, de hand boven de wenkbrauwen,
-om beter te kunnen zien.
-
-Floorke bood aan, naar land te zwemmen. Hij knoopte z’n broek stevig
-vast, snoof zoo er eens en sprong het water in. Als een haai schoot hij
-door de golven. Tweemaal sloeg de branding hem terug; de derde maal
-zette Floorke zijn tanden op mekaar en wist er zich doorheen te
-worstelen. Zijn broek boette hij er bij in: even naakt als de zwartjes
-plofte hij aan land neer. „Heila!” riep Floorke hijgend den verbaasden
-inboorlingen toe, die tusschen zich en dit witte, roodharige monster
-een behoorlijken afstand schenen te willen bewaren. „Toenggoe er eens
-even! Zou je bij geval kunnen zeggen, waar de kapal voor anker kan
-gaan? Jullie verstaan toch Maleidsch?”
-
-De monden der inboorlingen sperden zich wijd open. Mooi gebouwde kerels
-waren het: groot, zwart als houtskool, wollig, dicht haar en van boven
-tot onder getatoeëerd met sterren en bloemenmotieven. Een kwam er met
-groote, elastische schreden op Floorke af, legde hem zijn zwarte hand
-op den schouder en wees naar het Zuiden. Hij zei iets, waar Floorke
-geen spier van verstond, wees toen op de Nieuw-Hoorn en toen weer naar
-het Zuiden.
-
-„’k Heb je al in de gaten, kameraad!” zei Floorke verheugd. „In ’t
-Zuiden landen, hè? Hebben jullie ook wat te bikken? Makan?” En Floorke
-maakte een beweging van kauwen en den mond volproppen. Het resultaat
-was, dat de zwartjes allen begonnen te lachen.
-
-„Lach, als je gekielhaald wordt!” gromde Floorke. Hij liep het water
-weer in, stortte zich in de branding.
-
-„En?” vroegen z’n makkers, terwijl ze hem in de boot heschen.
-
-„In ’t Zuiden..... pf! kunnen we landen..... pf! En m’n broek..... pff!
-ben ik kwijt.”
-
-„Kon je de menschen verstaan, Floorke?”
-
-„Best, schipper. Ik versta alle talen.”
-
-„En hoe zagen ze er uit?”
-
-„Zwart als ’n laars, schipper, en besneje als de ebbenhouten kast van
-m’n moei!” Floorke’s oogen richtten zich groot, met sprakelooze
-verontwaardiging naar het strand. „Wel sakkerloot! Daar loopt er een
-met mijn broek aan!” En Floorke wilde pardoes weer overboord springen.
-
-Maar de maats hielden hem tegen. En Bontekoe zei lachend: „Ik zal je
-geld voor een nieuwe broek geven, Floorke.”
-
-„Zoo’n beste broek!” zuchtte Floorke.
-
-
-
-Naar het Zuiden! Men voer dicht langs de kust, dagen lang, zonder een
-baai te ontdekken. De stemming in het vooronder zakte weer geducht. De
-oomes verloren het vertrouwen in Floorke’s talenkennis; Floorke zelf
-schold op de „nikkers”, die hem zijn broek en zijn eer geroofd hadden.
-Het aantal zieken klom tot boven de veertig.
-
-Padde kreeg het druk met het verplegen van den Schele, die zich ook
-niet voelde, zooals het wezen moest. Onze drie jonge vrienden zelf
-waren nog gezond.
-
-Op een morgen was het land uit het gezicht verdwenen. Men zeilde
-Zuidwaarts tot op negen-en-twintig graden, maar toen zich nog steeds
-geen land, laat staan Floorke’s ankerplaats vertoonde, wendde men den
-steven weer en voer in Noord-Oostelijke richting tot op zeventien
-graden. Van daaruit werd de koers gesteld op de zeestraat tusschen
-Mauritius en Réunion, ten einde een van die beide eilanden aan te doen.
-
-In die dagen had men den tweeden doode: Boutjens. De maats hadden zich
-ook tijdens zijn laatste dagen weinig om hem bekommerd; het was Hajo
-geweest, die hem elken morgen de warme koffie bracht en ’s nachts,
-wanneer hij Boutjens hoorde kreunen, was opgestaan om een kroes water
-voor hem te halen. Aanvankelijk keerde Boutjens zich grommend af,
-wanneer Hajo naderde, en hij dronk pas, wanneer hij wist, dat de jongen
-hem niet meer bespieden kon. Maar den avond vóór zijn dood tastte hij
-met zijn vermagerde vingers naar Hajo’s handen en vroeg met zwakke,
-schorre stem: „Waarom..... waarom doe je dat?”
-
-„Omdat je hier niet één vriend hebt, die je verpleegt”, zei Hajo.
-
-„Dan is het goed”, zuchtte Boutjens. „Ik dacht, dat je....!” En
-Boutjens begon te huilen. „’k Heb zoo’n pijn, al dagenlang, en ze laten
-me maar schreeuwen. Van morgen is de barbier bij me geweest en hij
-heeft me over God en over de Hemel gesproken;—nou weet ik, dat ’t met
-me gedaan is. Onder in m’n kist..... ik bedoel natuurlijk m’n
-scheepskist.....” Boutjens stokte even „Als ik van m’n kist praat, zie
-ik ’n doodkist voor me, maar daar grijp je op zee natuurlijk naast!
-Onder in m’n scheepskist ligt een plank. Die kun je optillen; daar
-heeft niemand verdacht op, zie je? Nou, onder die plank liggen dertien
-zilveren guldens. Die geef ik jou; niemand anders mag er met z’n
-vingers aankomen. Pas vooral op, dat Schieltjens Blauw het niet in de
-gaten krijgt, want da’s een schurk.”
-
-Boutjens kreunde en zweeg eenigen tijd, hijgend van vermoeidheid.
-Langzaam-aan werd zijn adem weer rustiger; hij sloot de oogen en
-murmelde: „Wie z’n zonden berouwt..... is geen schurk.”
-
-Toen men hem den volgenden morgen overboord liet glijden, zag men onder
-water den witten buik van een grooten haai glinsteren; met een ruk werd
-Boutjens’ lichaam in de diepte gesleurd. Een kreet van afschuw steeg op
-uit de groep mannen, die juist hun psalm beëindigd hadden.
-
-Toen den volgenden dag Zwarte Gijs, de brave smid, op dezelfde droevige
-wijze van zijn talrijke kameraden afscheid nam, schoten drie haaien
-toe. Hun instinct leidde hen op den goeden weg.....
-
-Zwarte Gijs liet in Enkhuizen twee dochtertjes na. In overleg met den
-schipper besloot Hajo het geld, dat hij van Boutjens had geërfd, voor
-de arme meisjes ter zijde te leggen.
-
-Ook de volgende dag vroeg zijn offer. Ditmaal deed men alles in stilte,
-om de zieken in het vooronder niet onnoodig te herinneren aan..... wat
-hun misschien allen te wachten stond.
-
-Na twee dagen kreeg men het Oost-einde van Réunion in het zicht, liet
-het schip dicht langs den wal loopen en peilde. Eerst op veertig vadem
-diepte raakte het lood grond: de kust was dus zeer steil. Niettemin
-besloot Bontekoe het anker te laten vallen.
-
-Met bonzend hart vernamen de zieken in het vooronder het klapperen van
-de ankerspillen en daarna den zwaren plons in het water. Eindelijk!! Ze
-kwamen uit hun kooien het dek op kruipen en smeekten den schipper, aan
-land te worden gezet.
-
-Bontekoe keek weifelend naar z’n arme kerels. Op deze steile kust kon
-de Nieuw-Hoorn licht afdrijven, en dan zou men van de helft van het
-volk gescheiden zijn. „Moed, mannen!” zei hij daarom. „We zullen de
-boot eens aan land sturen, om te zien, of er wat te halen valt!”
-
-Terwijl de gezonde maats met het uitzetten van de jol bezig waren,
-besprak Bontekoe in de kajuit met den koopman het verzoek van de
-zieken. Rol verzette zich met hand en tand tegen het aan land brengen
-van de zieken op een plaats, waar geen ankergrond was. En ofschoon
-Bontekoe gebaarde, het niet met hem eens te zijn, moest hij zichzelf
-bekennen, dat Rol gelijk had.
-
-Een kwartier later voer Bontekoe met twintig maats aan wal. Ze trokken
-de boot een eindje het strand op, om te voorkomen, dat de opkomende
-vloed haar zou wegsleuren, en begonnen hun onderzoekingstocht. Zelfs de
-hooggespannen verwachtingen van Floorke, die reeds van verre allerlei
-heerlijkheden meende te ontdekken, werden nog overtroffen. Vijftig
-ellen het strand op stonden verspreide boomgroepen, in welker schaduw
-zij honderden en nog eens honderden groote schildpadden vonden. Het
-bosch achter de boomgroepen weergalmde van vogelgekrijsch. Opgewonden
-baanden de mannen zich een weg door ellenhooge varens, kwamen toen op
-een zonnige open plek met hoog gras, dat aan een zijde geheel was
-platgetreden. In de verte klonk gestamp van hoeven; het scheen een
-kudde runderen te zijn, die zich uit de voeten maakte. De maats liepen
-in de schaduw van hooge boomen de open plek rond, gluurden overal
-tusschen de stammen door, het loof in, waar schreeuwende parkieten
-lustig om twijgjes duikelden. Hoenders vlogen met veel gedruisch voor
-de voeten der oomes op en scharrelden tusschen wilde ananas-planten met
-lak-roode hart-bladeren kakelend in het struikgewas weg. Groote,
-blauw-grijze houtduiven gluurden door de takken omlaag en drukten in
-een zacht: roekoe.....! verwondering uit over de onbekende twee-voeters
-daar beneden. Het kostte den maats weinig moeite de argelooze dieren
-met stokken vleugellam te slaan. Met ananassen, schildpadden en duiven
-voor de kombuis keerde de jol naar het schip terug.
-
-De zieken lagen op het dek te wachten. Toen ze zagen, wat hun makkers
-van het land meebrachten, smeekten ze Bontekoe opnieuw met gevouwen
-handen, hen toch aan wal te willen zetten. Bontekoe beraadslaagde met
-den koopman, of hij het wagen mocht.
-
-Rol schudde het hoofd. „Als vertegenwoordiger van de heeren
-bewindhebbers moet ik me ten stelligste verzetten tegen een
-waaghalzerij, waarbij het slagen van de heele reis op het spel wordt
-gezet!” verzekerde hij.
-
-Bontekoe luisterde met nauw verholen drift. „Als vader van mijn maats
-kan ik er niet toe komen, de arme kerels voor de haaien te gooien!” zei
-hij toen. „En als de heeren bewindhebbers zich dat niet kunnen
-voorstellen, moeten ze zelf maar eens als schipper een reisje naar de
-Oost maken!”
-
-Rolf boog het hoofd. „Ik wensch vast te stellen, dat ik me verzet heb.”
-
-„Wil je ’t op schrift hebben?” vroeg Bontekoe schamper. En hij ging
-naar de zieke oomes. „Jongens, help mekaar maar in de jol; ik zal je
-aan land laten zetten.”
-
-„Leve de schipper! Hoy! Hoera!! Leve de ouwe!!”
-
-Of de kerels gauw in de boot waren! Bontekoe liet hun een zeil
-meegeven, om daarvan een tent op te slaan, verder twee gezonde
-koksmaats, olie, azijn, potten om in te koken, wapens en gerei. De
-schipper stapte zelf met een dozijn roeiers in de jol om hen weg te
-brengen. Hij wilde de vreugde der arme kerels mee beleven.
-
-Ze wisten van blijdschap geen raad. De tranen stonden hun in de oogen,
-toen ze in het zachte gras bijeenkropen. „We voelen ons al weer half
-gezond, schippertje!”
-
-De andere maats begonnen een nieuwen onderzoekingstocht, nu in een
-andere richting. Men ving een kleine tweehonderd houtduiven, reeg de
-vette dieren aan lange stokken en braadde ze voor zieken en gezonden.
-Een feestelijke aanblik: al die knappende vuurtjes in de schemering.
-Voorloopig, zoolang men niet wist, wat dit eiland herbergde, werd voor
-alle zekerheid een wacht uitgezet.
-
-Aan boord zat men ook niet stil. Enkele schildpadden, door de maats
-meegenomen van hun eerste landing, werden gekookt met gedroogde
-pruimen, die nog in het ruim lagen. Dat smaakte! De oomes aten, tot ze
-zat waren, smookten een pijpke, keken naar de sterren en vonden de
-wereld nog zoo onherbergzaam niet.
-
-Drie uren na zonsondergang keerde de schipper met zijn gezonde mannen
-terug. Bontekoe beval de boot niet in te halen: hij wilde er dien
-zelfden nacht een eind de kust mee afvaren, om voor het schip een
-ankerplaats te zoeken.
-
-Rolf klampte zijn oom aan. „Mogen we mee, oom? Hajo en ik?”
-
-„Deden jullie niet beter, naar kooi te gaan?”
-
-„Wij slapen toch niet, oom, zoolang de Nieuw-Hoorn nog geen kooi
-heeft!”
-
-„Nou, vooruit dan maar!” zei Bontekoe glimlachend.
-
-„Mag ik u bedanken, oom?”
-
-Bontekoe liet een welwillenden blik over zijn neef gaan. „Wat heb je
-gedurende de reis zooal uitgevoerd? Geluierd?”
-
-„Jawel, oom!”
-
-„Dacht ik al. De barbier zal wel opgesneden hebben. Hoeveel woorden
-Maleisch ken je?”
-
-„Tjoemah sedikit sadjah, toewan. Tetapi saban hari saja adjar.”
-
-„Mm.—Wijs me op deze sterrenkaart de Tweelingen eens aan?”
-
-„Dat is Castor, oom, en dat is Pollux.”
-
-„Wijs ze me nou eens aan den hemel?”
-
-„Kan ik niet, oom.”
-
-„En waarom niet, domoor?”
-
-„Omdat we hier alleen de Zuidelijke sterrenhemel zien, oom.”
-
-„Goed. Maar waarom noemen ze ze de Tweelingen?”
-
-„Weet ik niet, oom. U wel?”
-
-„Neen, aap van een jongen, ik ook niet.”
-
-Rolf trok een zedig gelaat. „Kan ik gaan, oom?”
-
-„Ja, kras maar op!”
-
-
-
-Hajo sprong drie el in de lucht, toen Rolf hem vertelde, dat hij mee
-mocht. „En de schipper gaat ook mee, zeg je?!”
-
-„Ja zeker.”
-
-„O, Rolf! Rolf!!” Hajo maakte een rondedans, waarop een Zoeloe
-jaloersch zou zijn.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN NACHTELIJKE ROEITOCHT
-
-
-Slechts het regelmatig plassen der riemen en het milde ruischen der
-branding, die nauwelijks een branding was, vulden de nachtstilte. Geen
-veegje wind; van zeilen kon geen sprake zijn. De kust werd moerassig;
-slechts hier en daar blonk tusschen laag gewas en rottende
-plantenslingers een stuk zand. Zonder klotsen schoof het deinende water
-tegen het land op. Even geruischloos zonk het weer terug.
-
-Een enkele maal school de maan achter wat wolken. Dan schenen de
-steltboomen daar verder op den oever donkere rotsmassa’s, die dreigend
-overhelden, of ze kropen als monsterachtige, veelpootige larven over
-het zand, en de grillig gevormde wortels, die zich in groezelig wirwar
-voortkronkelden tot aan den boord van het water, werden venijnige
-slangen, dreigden elk wezen, dat zich in hun bereik waagde, te zullen
-omstrikken en wurgen.
-
-Men kwam aan een klein riviertje. Vergeefs trachtten de maats het op te
-roeien: een wirwar van waterplanten spande zich voor den boeg en schoof
-de boot weer achteruit. Aan de oevers massale, vreemdsoortige boomen;
-de takken omstrengelden elkaar over het water heen. Zoo dicht was het
-loof, dat men er geen duimbreed van den hemel door kon zien; de rivier
-scheen als uit een donkere bergkloof te stroomen. Hier en daar
-dwarrelden vuurvliegjes rond; enkele maats meenden in de boomen een
-paar lichtende oogen te zien. Een luipaard? Bontekoe liet er op goed
-geluk een schot op lossen. De uitwerking er van was verbijsterend: het
-klonk als duizend musketschoten; het bosch weergalmde van doordringend
-gekrijsch, vleugelgeklapper, brekende takken..... en naast de boot dook
-een gekartelde staart uit het water op, glinsterend in het maanlicht,
-en sloeg zwiepend weer neer, dat het water alle zijden uit spatte.
-
-„Een kaaiman”, zei de schipper en leunde over den bootrand.
-
-De maats waren kletsnat. „Verduiveld, ik dacht.....!”—„Ja, dat dacht ik
-ook!” En de humor zegevierde alweer. „’k Had ’m best bij z’n staart
-kunnen pakken!” roept de lolligste.
-
-„Nou, en dan?”
-
-„In ’t hondenhok leggen tegen de landloopers!”
-
-„Komaan, mannen, weer verder!” maant de schipper.
-
-Zwijgend roeien de maats weer door. Verduiveld, ’t is broeierig! Het
-zweet druppelt van borst en schouders. Een-twee, een-twee.....! plassen
-de riemen. Een groote vogel glijdt als een schim over het water, stoot
-in het voorbijvliegen een klagenden roep uit.
-
-Allengs komen de ruwe varensgezellen onder den indruk van de
-wonderen-zwangere stemming van den tropennacht. Ze zingen niet, ze
-praten niet, ze luisteren beklemd naar den heet-hijgenden adem der
-stilte.
-
-„Ssst!” fluistert Hilke Jopkins, die voorin zit. „Hou eens even in!” En
-als de maats de riemen laten zinken, wijst hij op iets donkers, dat in
-het water drijft.
-
-„’n Boomstam”, meenen de maats.
-
-„’k Zal eens kittelen, die boomstam!” zegt Hilke. „Dan zul je een
-boomstam eens beenen zien maken. Haal de boot eens een slag om? Maar
-kalm aan! Mag ’t, schipper?”
-
-Bontekoe knikt; de maats halen de boot om en sturen haar geruischloos
-naar den „stam.” Hilke gaat op de plecht staan, heft in zijn lange
-armen een spaan op en.....! Gekraak, hoog opspattend water, in het rond
-vliegende stukken hout. Hilke klemt in zijn knuisten het laatste eindje
-van een versplinterde roeispaan. De stam drijft nog,—is een heusche
-stam.
-
-„Verdorie.....!” stamelt Hilke. „Ik dacht, dat ’t een krokodil was!”
-
-„Had ’t hem even gevraagd!” honen de maats. En Floorke meent:
-„Misschien is het een slapende krokodil! Die beestjes hebben een
-huid.....! Je kunt er vijf zagen op verknoeien, voor ze wat voelen!
-Waar, schipper?”
-
-Bontekoe glimlacht. „Verder, mannen!”
-
-De oomes hebben schik en roeien nu, alsof het een wedstrijd gold.
-
-„Een oorlam voor jullie allemaal, als je dat drie uur volhoudt!” lacht
-Bontekoe.
-
-„Makkelijk te verdienen, schipper!—Kijk, Hilke, daar drijft weer wat!
-Zou je niet.....?”
-
-Hilke moppert wat. Zwijgend trekt men de riemen door het water.
-
-Ineens aarzelen de maats. In de verte gromt het. Dof. Geheimzinnig. Dan
-is het weer stil.
-
-„Wat was dat?”
-
-„Sssst!” Opnieuw rommelt het. Een windvlaag koelt de bezweete ruggen
-der oomes zoo snel af, dat ze onwillekeurig huiveren. „Onweer!”
-
-Niemand heeft bij het ingespannen roeien opgemerkt, dat de lucht aan
-een zijde geheel met roet overtrokken is. Daar schuift juist een dikke
-wolk voor de maan.
-
-„Wat zullen we doen, schipper?”
-
-„Aan je oorlam denken!”
-
-Pats! zeggen de riemen alweer. Een paar vogels fladderen met veel
-misbaar uit de waterplanten aan den oever op.
-
-Het wordt steeds donkerder. Korte windvlagen snellen voorbij, doen de
-bladeren der boomen geheimzinnig ruischen. „Hoe-hoe.....!” zucht de
-eene windvlaag. „Hi-hai!” spot de andere. Geesten dwalen door de lucht.
-Daar, onder die wortelnetten, hokken ze; ze fluisteren met elkaar als
-de jol voorbijglijdt. Duister wordt het, angstwekkend duister. De maats
-wachten, gejaagd roeiend, in innerlijke onrust op wat komen gaat.
-
-Flits!
-
-Hemel en aarde vliegen in brand. De zwarte wolken van daareven zijn nu
-oogenverblindend goud, de stammen der boomen glanzende saffieren. In
-hetzelfde oogenblik ratelt een slag, die de boot doet trillen; ’t water
-schijnt zich te splijten; de maats grijpen zich aan de banken vast en
-zien elkaar in de verschrikte, wijdgeopende oogen. Dan vlucht de
-donder, gromt heel in de verte grimmig na. En als een vonnis slaat een
-regen neer, die een zondvloed is. In lange, dikke pijpen schiet het
-water omlaag.
-
-De maats schreeuwen dooreen; niemand, die een ander verstaat. Hoeft ook
-niet. Allen weten, dat in korten tijd de boot zal zijn volgeregend.
-„Naar de wal!” Dat is de gedachte, die hen beheerscht. Ze roeien als
-dollemannen; dan, als wortels en planten het onmogelijk maken, duwen ze
-met de riemen heftig af in den ondiepen grond. Ze springen aan wal,
-trekken de jol half op het land.
-
-Dan hollen de kerels naar een reusachtigen boom en schuilen, nog wat
-beteuterd, onder het bladerdak bijeen. Boven hun hoofden dreunt het
-oorverdoovend concert van den fel neerslaanden regen. En ze staan er
-nog geen vijf tellen onder, of het water heeft zich al een doortocht
-gebaand, stroomt in goten en gootjes langs den machtigen stam omlaag,
-vormt watervalletjes van blad op blad en stroomversnellingen langs de
-schuine, harige takken. Wat zou het voor een boom zijn? De bladeren
-zijn taai als leer en dik genoeg om er schoenzolen van te snijden.
-
-De maats krijgen schik in al dat dreunen, daveren, trommelen, spetten,
-knarsen en piepen in duizend tonen; de kitteling van de dikke, vallende
-druppen brengt hen in een roes. Ze trekken de kleeren uit, laten het
-heerlijk verfrisschende water op de bloote huid kletsen en maken van
-louter plezier malle sprongen en rondedansen. De regen schenkt
-levenskracht aan boomen en planten; waarom dan niet aan een
-Hollandschen janmaat?
-
-Rrrrèng!!! Verblindend licht, een slag, bestemd om de aarde te
-splijten. De grond siddert onder de zweepstrieming; door het
-regengeweld mengt zich het kermen van scheurend hout. Takken worden
-links en rechts weggeslingerd, en uit een zwaren loofboom, twintig
-passen van den boom waaronder de schipper nog met den bootsman staat,
-ontvouwt zich..... is de duivel in het spel?..... een zwarte
-sluiergedaante. Eén gedaante? Het zijn duizend, honderdduizend
-dooreenkrioelende gedaanten, die zich, al tuimelend, schreeuwend van
-elkaar losmaken en alle richtingen uitfladderen. Ze hebben den vorm van
-vleermuizen, maar hun vlerken zijn zoo lang als Hilke’s armen.
-„Kalongs!” schreeuwen de maats, die in Indië zijn geweest, hun
-bibberende makkers toe. „Vliegende honden!”
-
-De boom, die nu blijkt geheel kaalgevreten te zijn, is van top tot stam
-gespleten. De witte scheur lekt als een schrale, bleeke vlam den
-inkt-zwarten hemel in. Groote stukken bast liggen overal in het rond.
-En op den grond wemelt een zwarte hoop krijschende dieren dooreen,
-vergeefs trachtend op te vliegen; wanneer er zich een, vlerkenklappend,
-uit den hoop tracht los te maken, grijpen tien anderen hem met de
-tanden beet. Floorke pakt er een achter den kop en houdt hem
-zegevierend omhoog. Woedend spert het beest den bek open, slaat met de
-vlerken.
-
-Intusschen rommelt het nog slechts in de verte. In het Westen teekenen
-zich grillig gekartelde bliksemflitsen scherp af tegen de donkere
-lucht, gloeien een oogenblik na als vuurpijlen en verbleeken dan
-ineens.
-
-Plots houdt de regen op. Geen druppeltje valt er meer; slechts onder de
-boomen spettert het nog. De maats kennen dat spelletje der tropen nu
-langzamerhand.—Aandachtig bezien ze Floorke’s buit. „Laat eens vliegen,
-Floorke?”
-
-Floorke werpt het dier de lucht in. Onzeker fladdert het weg, dreigt
-aanhoudend over bakboord te zullen slaan: waarschijnlijk is een der
-vlerken gewond. Het fladdert het strand nog over, tuimelt dan in het
-water, krijscht en slaat hulpeloos met de vlerken. Een donkere gedaante
-schiet toe, spert een afschuwelijken muil vol scherpe tanden open en
-sleurt den kalong de diepte in. „Een verschrikkelijk land!” is de
-verzuchting der maats.
-
-De dieren onder den boom zijn voor het meerendeel dood of gewond. Hajo
-vindt er een, die met uitgestrekte, halfverschroeide vlerken op den rug
-ligt; het heeft op de borst een jong zitten, dat zoo stevig zijn
-nageltjes in moeders vacht gegraven heft, dat het Hajo niet lukt, het
-beestje los te maken. Hij roept Rolf bij dit zonderlinge geval.
-
-„Dat doen onze gewone vleermuizen ook, Hajo! Ze dragen hun jongen met
-zich mee.”
-
-Hajo krabt zich achter de ooren. „Nu begrijp ik eindelijk, waarom ik
-nooit.....!”
-
-„Heb je soms naar de eieren gezocht?” vraagt Rolf.
-
-„Jawel!” zegt Hajo. „En gevonden ook. Maar toen ik ze door een kip liet
-uitbroeden, kwamen er jonge eenden van!”
-
-Rolf lacht en Hajo ook.—„We moeten verder, mannen!” klinkt Bontekoe’s
-stem.
-
-De boot wordt gekeerd en weer in zee geduwd. Verfrischt en uitgerust
-springen de maats er in, stooten van den wal en heffen de riemen op.
-Hoe harder men roeit, hoe vlugger de kletsnatte pakken zullen drogen!
-De hemel wordt weer helderder; hier en daar gluren gele en witte
-sterren tusschen de wolken door.
-
-Onder vroolijk gekout roeit men een uur achtereen. De zandstrook langs
-de kust wordt allengs breeder.—In het Oosten begint de lucht zich te
-verven. Oranje, karmijn, violet, alle kleuren druipen dooreen. Een
-groote wolk slaat in brand; de vlammen lekken langs den onderkant. Op
-het land laten vogelstemmen zich hooren. Krijschen, gillen, fluiten
-kondigt den morgen aan. En ineens barst het zonnegoud te voorschijn; de
-stralenbundels schieten alle kanten uit, kaatsen verblindend tegen de
-wolken. De dauw, die over het water hing, trekt weg; het rumoer op het
-land zwelt aan tot een oorverdoovend geschetter. Grijze, blauwe, roode,
-zwarte, groene vogels fladderen om en in de boomtoppen.
-
-Het zal niet zoo drukkend heet worden als de vorige dagen: het onweer
-heeft de lucht gezuiverd. De kerels worden hoe langer hoe opgewekter en
-zingen een liedeke met het steeds weerkeerende refrein:
-
-
- „Slaet den Speck op sienen neck!
- „Slaet op den trom! Riekeldebom!”
-
-
-De feestelijke morgen drupt als balsem in de ziel der mannen en doet
-alle leed vergeten.
-
-En in eens, na een begroeide bocht te zijn omgeroeid, komt men in een
-prachtige zandbaai! Het lood vliegt overboord. Allen vreezen, dat hier
-voor de Nieuw-Hoorn geen water genoeg zal staan..... maar de lijn
-schiet al maar door en..... verduiveld! vijf-en-dertig vadem is het
-hier nog diep! Men roeit de baai met forsche slagen binnen, een baai
-zoo goddelijk mooi, dat het hart der oomes licht als een veertje wordt.
-Hier zal de schuit veilig liggen! „Wat zeggen jullie van die baai,
-jongens?”
-
-„Om in je zak mee naar huis te nemen, schipper!”
-
-De maats roeien naar den oever, slepen de jol een eind het strand op en
-tijgen op weg, in vreugdevolle afwachting van de duizend-en-een
-wonderen, die ze te zien zullen krijgen.
-
-De eerste vondst is een groot binnenwater, tien scheepslengten verder
-het strand op. Het is geheel doorschijnend; de zon doet den helderen
-bodem blinken. „Wedden, dat ’t zoet water is?” vraagt Floorke. Hij bukt
-zich, drinkt en spuwt vol afkeer alles weer uit.
-
-„Zeker brak, hè?” informeeren de anderen.
-
-„Hoe kom je er bij?” zegt Floorke „’t Water smaakt fijn. Proef maar
-eens.”
-
-„Neen, als het zoo lekker is, willen we het jou niet afhalen,”
-verzekeren de oomes.
-
-Wat verderop beginnen er een paar te schreeuwen. „Gommenikkie, wat een
-visch! Wel honderd!”
-
-Allen hollen er heen. „Waar zijn ze nou?”
-
-„Weg natuurlijk!” is het spijtige antwoord. „Als jullie ook zoo
-stampen.....!”
-
-„Hoe zagen ze er uit, Gevert?” vraagt de schipper.
-
-„Bruin, schipper! Met lange streepies. En van onderen wit, waar,
-Rooie?”
-
-„Ze bennen wel een el lang!” verzekert „Rooie”.
-
-„Daar gaat er weer een!” Met snelle, sierlijke wendingen schiet een
-visch voorbij, die vrij juist aan Geverts en Rooie’s gezamelijke
-omschrijving beantwoordt. De rug heeft een mooien staalglans, en nu het
-dier zich even op zij werpt, flitst een zilveren buik. Floorke stapt
-voorzichtig het water in, gaat voetje voor voetje op een visch toe, die
-iets verderop in het water staat, roerloos als een snoek..... Floep!
-Weg is onze waterbewoner.
-
-„Je hadt ’m zout op z’n staart moeten leggen!” grinniken de oomes.
-
-„Praat me niet van zout!” gromt Floorke, terwijl hij nog eens spuwt.
-„Wat was het voor een visch, schipper?”
-
-„Het leek me een harder toe”, zegt Bontekoe. „We zullen straks, als de
-Nieuw-Hoorn geborgen is, eens een net door het water halen!”
-
-Men loopt het binnenwater om. Het is wel een kwartier lang gaans.
-
-„Heila! Kijk daar eens!” Verbluft staan de kerels stil. Uit de boschjes
-aan den overkant komt deftig, met afgemeten schreden, een roze-roode
-vogel stappen. Hij staat bijna een el hoog op de pooten, torst op een
-langen, dunnen, hoekig gebogen hals een zwaren, krommen snavel. Nog
-twee komen te voorschijn, dan wel een dozijn, half fladderend, met
-groote, luchtige schreden. Alle blijven onverwachts staan, wenden de
-koppen in de richting der schepelingen en stooten in een schorren kreet
-verwondering uit, waarop de zonderlinge, roze steltgangers bij
-tientallen tegelijk de boschjes uitkomen en, als ze Bontekoe en zijn
-mannen ontdekt hebben, al even verbaasd zijn. Maar lang duurt bij de
-meeste de verwondering niet. Ze plukken zich ijverig de veeren, waarbij
-ze hun hals in allerzonderlingste bochten wringen, schrijden waardig
-het strand over en, bij het brakke binnenwater gekomen, steken ze er
-even onversaagd hun kop in als Floorke daarstraks. Maar in het visschen
-zijn ze gelukkiger: hier en daar heeft er al een iets spartelends in
-den snavel.
-
-„Flamingo’s!” zegt Bontekoe.
-
-De vogels doen nauwelijks een poging tot vluchten als de mannen—na de
-bocht geheel omgeloopen te hebben—naderen. Ze loopen kalmpjes, met
-statig poot-opheffen, een eindje het water in, gunnen zich daarbij den
-tijd om onderweg een vischje te pikken en het, met opgerichten snavel,
-door den langen hals te doen glijden. Hajo besluit er een mee te nemen,
-voor Doris. Maar wat zou hij het beest te eten moeten geven?
-
-„Vischjes, garnalen, krabbetjes.....”, meent Rolf.
-
-„Nou”, zegt Hajo, „we gaan er mee naar de haven, dan kan hij zelf
-vangen, wat hij wil. Wat zullen de jongens opkijken! Ze zullen denken,
-dat ik hem zelf heb rood geverfd!”
-
-Men verlaat het strand. Ook hier liggen aan den boschrand, in de
-schaduw der boomen, tallooze groote schildpadden. „Er wonen hier vast
-geen menschen”, meent Hilke. „Anders zouden de dieren wel schuwer
-zijn!”
-
-Zonder veel moeite baant men zich een weg door het lage hout.
-Orchideeën hangen aan de stammen; heur sierlijke bloemen glanzen in het
-halflicht onder het loof wonderlijk mooi tegen het donkere hout. De
-meest zonderlinge gewassen groeien dooreen: er zijn sterk behaarde
-struiken met groote, saprijke bessen; lage boompjes, die, in plaats van
-op een stam, op wel vijftig stelten staan; de vruchten zitten als
-druivetrossen bijeen. En overal tusschen de boomen schieten hooge
-varens op, die hun bladeren, als groote handen met lange, spitse
-vingers, den oomes beschermend boven het hoofd houden. Duizenden
-kleine, bontgekleurde vogeltjes hangen schommelend aan de
-vruchtentrossen, wippen fladderend en duikelend van twijg op twijg,
-zonder hun keeltje ook maar een oogenblik rust te gunnen. Er zijn er
-met heel lange, sierlijke staarten; er zijn andere, die een dikken bef
-om den hals dragen als deftige raadsheeren; er zijn er met dunne,
-spitse snavels, wel zoo lang als het heele lichaampje, en weer andere
-met een zwierigen kuif op den kop, echte minstreels en verbazend met
-zichzelf ingenomen.
-
-Heel dit kleine volkje legt een haast en een ijver aan den dag, alsof
-er in de wereld niet anders te doen valt dan honing snoepen! En niet
-één laat zich in z’n hoogst gewichtigen arbeid ook maar in het geringst
-door de komst der oomes storen. De papegaaien met hun vlam-roode
-staarten draaien nieuwsgierig den kop en krijschen hartverscheurend.
-Soms vliegt er in eens een vlucht schetterend op en pakt met heidensch
-kabaal de biezen.
-
-Men komt aan een smal, snel vlietend stroompje, dat van de bergen
-Zuidwaarts in zee uitloopt. Het water is helder en smaakt heerlijk. De
-mannen loopen den oever een eindje langs en zien dikke palingen over
-den bodem kruipen! En plots slaan allen van verrassing de handen ineen,
-als een koppel vette ganzen, die van plan zijn een bad te nemen,
-giegegaggelend uit de struiken komt zetten. „We gaan hier nooit weer
-weg, schipper!” roepen de maats opgewonden.
-
-De Neus heeft een gans beet gepakt en het schreeuwende dier zonder veel
-omslag den nek omgedraaid. Voor de kombuis! Maar dan moet hij vlug
-maken, dat hij wegkomt, want de makkers van het blank gepluimde
-slachtoffer komen sissend, waggelend, met kleppende vlerken en wijd
-opengesperden bek op hem af.
-
-Ook de andere maats springen bedachtzaam ter zijde. „Mannen!” zegt
-Bontekoe, „we zullen nu terugkeeren en het schip in de baai brengen.
-Het zal hier zoo ongeveer vijf mijl vandaan liggen; we kunnen vanmiddag
-hier dus weer terug zijn en nog voor een goed maal zorgen.”
-
-En zoo keeren de maats weer om naar het strand, waar de flamingo’s,
-wier getal intusschen tot honderden is aangegroeid, hen schreeuwend
-welkom heeten.
-
-„Nou zul je eens wat zien!” voorspelt Floorke. Hij schreeuwt, klapt in
-de handen en rent zoo op de vogels af, die thans verschrikt de vleugels
-openen. En de oomes krijgen zoo iets wonderlijk moois te zien, dat hun
-monden ervan openvallen. Het is een veld vol pioenrozen in knop, dat
-eensklaps al zijn roze-roode kelken opent en als een heerlijke
-bloemenweelde ten hemel stijgt.
-
-„Heb ik te veel gezegd?” bluft Floorke.
-
-Maar de maats antwoorden niet, staren sprakeloos naar boven, tot de
-halzen hun pijn doen. Dan springen ze in de boot en roeien weg.
-
-Naar de zon te oordeelen, kan het een uur of acht in den ochtend zijn.
-Er is wat wind gekomen; tot groote vreugde van allen kan het zeil
-geheschen worden. Het blanke doek bolt danig; men hijscht uit louter
-plezier de vlag, die in het achterkastje ligt opgeborgen. In de
-allergemakkelijkste houdingen, die ze maar bedenken kunnen, liggen de
-oomes door mekaar, brullen telkens van pret, wanneer de boom over hun
-hoofden scheert, laten hun vingers door het frissche, stralend blauwe
-water slieren, spreken opgewonden over hun avonturen van den verloopen
-nacht en over wat straks komen gaat. En ze jammeren in koor hun
-gansche, uitgebreide répertoire scheepsliedjes uit—het eene nog
-treuriger dan het andere.
-
-Want vroolijk zingen doet een Hollandsche janmaat, wanneer hij wat
-verzetten moet. Gaat alles voor den wind, zooals op dien heerlijken
-morgen, dan is geen wijsje hem treurig genoeg.
-
-
-
-Zeven uren later lag de Nieuw-Hoorn aan beide ankers veilig gemeerd in
-de baai, die zwijgend, maar met algemeene stemmen: de Flamingo-baai was
-gedoopt.
-
-De zon brandde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE HOREN DES OVERVLOEDS
-
-
-Dat werd een feest! Je hoefde de handen maar uit te steken, en je hadt
-wildbraad zooveel je maar wilde, jongens! Zes man gingen er met den
-zegen op uit en trokken dien door het brakke binnenwater. In een
-ommezien hadden ze het net vol.
-
-Harmen, Rolf en Hajo gingen naar het riviertje, waarin het van vette
-paling wemelde. Voorzichtig liep Hajo het water in om ze te grijpen,
-maar de dieren glipten hem tusschen de vingers door.
-
-„Ik weet beter!” zei Harmen. „We trekken onze hemden door het water!”
-Hij trok z’n hemd uit, legde er een stevigen knoop in.
-
-„Je mag er nog wel een paar knoopen in leggen”, meende Rolf.
-
-„Vanwege die paar scheurtjes?” vroeg Harmen geringschattend en
-stekelig. „Geef me jouw hemd ook, Hajo. Dan doen we er dat overheen!”
-
-Bereidwillig stond Hajo zijn hemd af. Toen was er geen doorgang meer
-voor het kleinste palinkje. En met veel succes werd het „net” door het
-beekje getrokken. Harmen had de pijpen van zijn broek om z’n kuiten
-dichtgebonden, ten einde dit nuttige kleedingsstuk als bewaarplaats
-voor de palingen te kunnen aanwenden. „Ze bijten niet!” stelde hij zijn
-makkers gerust, terwijl hij de kronkelende, glibberige dieren weg liet
-glijden. Eindelijk spande de broek aan alle zijden en deinde
-geheimzinnig op en neer. „’n Rot gevoel!” bekende Harmen.
-
-Andere maats waren ter duivenvangst getogen. De mooie, grijsblauwe
-vogels werden zonder de geringste moeite bij dozijnen buitgemaakt. Het
-was hartroerend te zien, hoe de makkers der arme gevangenen hun leven
-waagden om ze te bevrijden. Ook de papegaaien en de parkieten kwamen
-dapper voor hun soortgenooten op, vlogen krijschend om de hoofden der
-mannen heen, die een kromsnavel hadden weten te bemachtigen. Een enkele
-oome werd dan ook wel eens benauwd en liet zijn prooi weer los. Ze
-konden zoo gemeen bijten!
-
-Padde was te opgewonden om zich tot een enkel ding te kunnen bepalen.
-Hij verscheen overal ten tooneele waar zijn hulp niet verlangd werd,
-liep boos weg, wanneer hem daarop gewezen werd, kwam weer terug en
-bepaalde zich overigens tot aanmerkingen maken op wat anderen deden.
-Intusschen bleef hij voorzichtig als een ekster, steeds gereed in een
-boom te springen, wanneer zijn ongelukkig gesternte hem in de buurt van
-een leeuw of koningstijger zou voeren, en hij ontweek elken stam,
-waarachter zich een menscheneter verdekt zou kunnen hebben opgesteld,
-
-„Wat doen jullie daar?” vroeg hij aan de maats, die de opdracht hadden
-om de leege watertonnen uit het riviertje te vullen.
-
-„Water innemen! Om de tanden te poesse! Help maar ’n handje!”
-
-„Nemen jullie nou al water in?? We gaan toch nog lang niet weg!”
-
-„De bootsman heeft ’t gezegd. Voor de rest hebben wij d’r niks mee te
-maken.”
-
-„De bootsman is stapelgek”, verzekerde Padde.
-
-De oomes keken bij die vermetele woorden uit den mond van dat
-botteliersmaatje, dat nauwelijks droog achter de ooren was, verbaasd
-op. Padde stak de borst vooruit om te laten zien, dat hij er de vent
-niet naar was, een eens gesproken woord terug te nemen.
-
-„Zeg dat eens waar de bootsman bij staat? Ik heb je nog nooit zien
-aframmelen.”
-
-„Je hebt de bootsman zeker óók nog nooit zien aframmelen?” vroeg Padde.
-Toen draaide hij zich hooghartig om. Met open mond keken de oomes hem
-na.
-
-Padde toog naar het strand, waar een stelletje maats bezig was met het
-vangen van schildpadden, een weinig spannende jacht, daar de logge
-reuzen niet de geringste poging tot vluchten deden, er zich toe
-bepaalden kop en pooten in de hoornen vesting onder te brengen. Men
-keerde ze met stokken om en sleepte ze weg naar de plaats waar Bolle de
-kombuis had opgeslagen.
-
-Padde besloot om op z’n eentje aan het werk te tijgen. Maar terwijl hij
-het zware dier, dat hij zich als slachtoffer had uitgezocht, trachtte
-om te wentelen, ontdekte Padde onder den schildpad een gat in het zand,
-en in dat gat lagen tallooze kogelronde eitjes, zoo groot als die van
-een duif. Onze botteliersmaat begon te schreeuwen als een mager varken.
-„Kom eens hier! Kom eens kijken!!”
-
-De maats renden toe en waren even verbaasd als Padde. Maar Gerretje,
-een oome met een langen hals en daarop een rond hoofd als een kegelbal,
-had al tweemaal Bantam en Sumatra gezien, griste zonder veel omhaal van
-woorden de eieren uit het gat en borg ze in zijn muts.
-
-„Geef hier!” riep Padde. „Die eieren zijn van mij!”
-
-„Blijf er nog maar wat bij wachten,” ried Gerretje hem aan. „Hij legt
-er nog wel net zooveel bij!” Gerretje’s bewering klonk wat kras, en ze
-was het ook.
-
-Padde geloofde er geen duit van. En om dat te bewijzen gaf hij
-Gerretje, die zich juist grinnikend boog over het laatste handje-vol
-eieren, een fermen slag op de volle muts. Toen spoedde hij zich haastig
-voort, terwijl Gerretje raasde en tierde en zich de klodders eierstruis
-uit nek, ooren en oogen trachtte te werken. Boos en verdrietig was
-Padde. Hij nam zich voor, bij den schipper zijn beklag te doen.
-
-Maar terwijl de arme jongen nog overal naar Bontekoe zocht en op
-behoorlijke zeemansmanier door de oomes van het kastje naar den muur
-werd gestuurd, zag hij schuin tegen een boom een pot staan. Er waren
-kerven in den stam aangebracht en daaruit droop een dik, wit vocht
-omlaag, juist in den pot. Het zag er niet onsmakelijk uit. Padde rook
-eerst eens, doopte toen vol vertrouwen duim en wijsvinger in den pot en
-likte ze af. Het vertrouwen werd beloond: Padde stelde vast, dat de
-witte, dikke vloeistof erg zoet was, en daar Padde alles wat zoet was
-lekker vond, doopte hij nogmaals zijn vingers in den pot en, al
-likkende en slikkende, groeide in hem onwrikbaar het plan, om niet te
-rusten, vóór de bodem van den pot aan het daglicht onthuld was.
-
-Maar onverwachts regende het harde noten op zijn hoofd en schouders, en
-uit de hoogte, van onder de lange, gevederde bladeren van den gekerfden
-suikerpalm, schreeuwde de Neus: „Beroerde kerel, dat je bent!”
-
-Padde blikte, star van schrik, omhoog. Eerst toen hij zeker wist, dat
-het slechts de Neus en geen menscheneter was, die zich daar onder het
-bladerdak verscholen had, vond hij zijn kalmte terug. „D’r is voor geen
-duit smaak aan!” verklaarde hij.
-
-„Blijf er dan af met je gap-jatten!”
-
-„Als je nog een woord zegt, trap ik de heele boel om!” verzekerde
-Padde. En om te bewijzen, dat hij niet gauw in zijn schulp kroop, stak
-Padde pardoes zijn heele vuist in den pot.
-
-„Wel sapperloot.....!” was al wat de Neus er nog kon uitbrengen.
-
-Padde ging, al likkend, zijns weegs. Ja, zoozeer was hij in dien zoeten
-arbeid verdiept, dat hij niet eens merkte, hoe een groote wesp,
-eveneens aangetrokken door den geur van het palmvocht, zich onder tegen
-zijn hand zette. Maar plotseling voelde Padde een hevigen steek; hij
-slingerde het gevleugelde monster van zich af, schreeuwde, of hij
-vermoord werd, en stak bijkans zijn hand in den mond om de pijn weg te
-zuigen. Maar het gekwetste lichaamsdeel zwol op als een varkensblaasje.
-
-Padde’s stemming daalde tot levensmoeheid. Ten slotte zocht en vond hij
-vergetelheid in het bergstroompje. Hij vulde zijn mond met water, ging
-toen op zijn rug drijven en speelde walvisch door zijn vingers op de
-lippen te leggen en het water door een spleetje omhoog te spuiten. Hij
-wilde ook duiken, sprong van een overhangenden tak het water in, maar
-kwam onzacht neer op zijn maag. Daarom gaf hij het zwemmen op.
-
-Een half uur later kon men hem met een paal zien sjouwen met een bordje
-er aan, waarin letters waren gegrift. „Lees dat eens, Vader Langjas!”
-zei hij, terwijl hij den barbier, die kruiden aan het zoeken was, het
-bordje onder den neus duwde.
-
-De barbier zette, verrast, zijn bril op. „Ick, Adriaen Maertsz. Block,
-commandeur van.....!—Dat zullen we de schipper eens laten zien! Hoe kom
-je er aan, Padde?”
-
-„Gevonden!” zei Padde. „Ik dacht wel, dat het letters waren; daar heb
-je een pee, zie je wel? Nou, wat staat er nou op?”
-
-„Wel, vrindje, hier staat.....”—en Vader Langjas zette zijn bril
-recht—„hier staat, dat Adriaen Maertsz. Block in het jaar onzes Heeren
-1612 met dertien schepen op dit zelfde eiland is geweest. Hij heeft op
-de kust eenige manschappen verloren, doordat een paar sloepen in de
-branding zijn stukgeslagen. Je hebt natuurlijk wel van Adriaen Maertsz.
-Block gehoord?”
-
-„Jawel”, zei Padde. „De schipper van de Hoornsche Zon heet Blok.”
-
-„Zoo.....” weifelde Vader Langjas. „’t Is een admiraal, weet je? Op de
-Afrikaansche kust heeft hij met dezelfde dertien schepen, waarvan hij
-hier spreekt, een Spaansche vloot verslagen.”
-
-„Merakel!” verklaarde Padde. „En dan te bedenken, dat hij nou met z’n
-smerige tjalk als beurtschipper vaart op Stavoren!”
-
-
-
-Men hield dien middag een feestmaaltijd. Duiven en ganzen werden aan
-het spit gebraden en daarbij met schildpadvet bedropen, zoodat ze
-glommen en mooie bruine korstjes kregen. Bolle bereidde voor zichzelf
-een flamingo, waarvan hij alleen de dikke vleezige tong, die den
-ganschen ondersnavel vult, verorberde. Naar Bolle’s gezicht en zijn
-genoegelijk smakken en vinger aflikken te oordeelen, moest een
-flamingo-tong een bijzondere lekkernij zijn; veel maats namen zich
-voor, om den volgenden dag ook eens zoo’n rood gepluimden gast bij den
-staart te pakken. Palingen en andere visschen zwommen eerst in sissend,
-pruttelend vet en daarna in de hongerige magen der avonturiers. Een
-berg van heerlijke vruchten lag opgestapeld om er den maaltijd mee te
-besluiten, en bovendien had Harmen een geweldige pudding gemaakt van
-meel, met schijfjes ananas, kokosmelk en bessensaus.
-
-Tijdens den maaltijd, die driemaal langer duurde dan anders, viel de
-schemering in. Het licht der lustig dansende vlammen der spitvuren werd
-als een feestelijke oproep verstaan door een leger gevleugelde
-insecten: uit hoeken en gaten kwamen ze aansnorren, en ze zoemden zoo
-lang boven de vlammen, tot ze er met verschroeide vlerkjes in
-tuimelden.
-
-Men sloeg tenten op voor den nacht. Hajo, Rolf en Padde hadden samen
-ook een stuk zeildoek weten te veroveren, spreidden dekens uit op den
-grond, verhoogden het hoofdeinde van hun leger met zacht gras en
-voelden zich in een paleis.
-
-De oomes, die hun tent klaarhadden, staken een pijpje op en keken naar
-de sterren. Harmen haalde zijn „fiool” en speelde om beurten met Hajo,
-en de oomes wisten haast niet, wie mooier speelde.
-
-Zoo kwam de nacht. Hier en daar verdwenen er al in hun tent; het lachen
-en praten verstomde; Hajo en Padde, die bij mekaar waren gekropen,
-hoorden niets meer dan het tsjirpen van tallooze krekels, het snorren
-van een nachtvlinder, een enkel krijsch-geluid daar ver weg in het
-bosch, verstervend in duizend echo’s.....
-
-Rolf had uit een stukje blik, een tinnen kroes, wat schildpadvet en een
-wollen draad uit zijn sok een lamp samengesteld en bestudeerde bij het
-walmende lichtje de torren, kevers en vlindertjes, die hij in den loop
-van den middag voor dat doel gevangen had.
-
-Hajo kauwde op een grashalmpje, de handen onder het hoofd gesteund, de
-oogen gesloten. Padde lag op zijn rug naar de maan te turen.
-
-„Hajo?” vroeg Padde zacht. „Hoelang zijn we nou al uit Hoorn weg?”
-
-„Hoelang? Een..... een half jaar zoowat.”
-
-„’n Half jaar.....!” zuchtte Padde. „Ik zie me nog op Gerrits kooi op
-den steiger zitten! Waar is Gerrit nou?”
-
-„Daar, vlakbij; ik heb hem op de onderste tak van die boom
-gezet.—Gerrit!”
-
-„Ka!” schreeuwde Gerrit verschrikt en slaapdronken. Hij maakte even een
-beweging, als wilde hij van den tak fladderen, waarop hij zat, bedacht
-zich toen wijselijk, keek zijn meester weemoedig aan, slikte iets weg
-en borg resoluut zijn zwarten kop weer tusschen de veeren.
-
-„Wel te rusten”, zei Hajo.
-
-Padde staarde afwezig voor zich uit. „Ik zie me nog op Gerrits kooi
-zitten”, herhaalde hij. „’t Was zoowat bij de twintigste paal van de
-hoofdtoren af.—Zeg, Hajo, zou jij de weg nog op een prik kennen, als we
-terugkomen?”
-
-„Stel je voor! In ’t pikkedonker nog wel! Padde.....! Willen we eens
-een wandeling..... door Hoorn maken? Hè?”
-
-Padde begon te grinniken. „Mij best! Hoe gaan we? Van de Appelhaven
-uit?”
-
-„Neen, we zijn in de Bagijnesteeg! ’t Is avond; we hebben al gegeten en
-jij bent het zoldervenster uitgeklommen, de goot door, toen over het
-kippenhok en door het hofje naar buiten.”
-
-„Wat gaan we doen?” vroeg Padde opgewonden. „Appels rapen? In ’t
-Sinte-Clarens?”
-
-„Ja! We gaan eerst het Gerritsland af!”
-
-„Daar heb ik nog vijf knikkerkuiltjes!” zei Padde. „Daar spelen de
-anderen nu mooi weer mee! De knikkertijd is net begonnen.”
-
-„Nou, laat ze maar knikkeren, hè Padde? Die tijd hebben wij gehad.”
-
-„Natuurlijk!” zei Padde. „Hoogstens tollen, dat zou ik nog weleens
-willen doen.”
-
-„Ja. Tollen is leuk”, gaf Hajo toe.—„Nou, we loopen om de Groote Kerk.
-Zouden de steigers er nog staan?”
-
-„Vast! De Groote Kerk, da’s net als met de toren van Babel,—die komt
-nooit af.”
-
-„Nou, zouden we dan liever niet wat in de steigers klimmen, in plaats
-van naar ’t Sinte-Clarens? Sproeten-Harm klimt je toch niet na!”
-
-„’k Heb juist zoo’n trek in appels!” zei Padde, die een afkeer van
-klimmen had.
-
-„Vooruit dan maar! Zou de poffertjeskraam van Geert Oliekoek en Mietje
-Majoorske nog bij de kerk staan?”
-
-Hajo bootste een krijschende vrouwenstem na: „’n Duit ’n oliekoek,
-jongens! Geert heit ze zelf gebakken!”
-
-„Hè-hè-hè!” grinnikte Padde, terwijl hij z’n dik buikje vasthield.
-„Hè-hè-hè!”
-
-„Ach, ’t is toch ’n arm, zwak menschje”, zei Hajo. „Ik had vaak met
-haar te doen!”
-
-„Dat dacht je maar, dat ze niet sterk is!” meende Padde. „Vraag Geert
-maar eens; die loopt altijd met builen!” Padde trok z’n beenen in,
-sloeg er de handen omheen en zei: „Vrouwen zijn tangen.”
-
-„Wat een onzin!”
-
-„Onzin? Denk maar eens aan Wouters vrouw, die lieve Leentje!”
-
-„Goed”, moest Hajo toegeven. „Maar als je nou weer m’n moeder
-neemt.....!”
-
-„De goeien niet te na gesproken!” zei Padde. „Mijn moeder is ook een
-beste, hoor!”
-
-„Nou juist! En mijn zusjes zeker niet! Antje! En Maartje! En Truitje!
-En Sijtje!”
-
-„Meisjes zijn altijd lief”, verzekerde Padde. „Maar later worden ze
-tangen. Ik ken d’r maar eentje, die haar leven lang ’n beste meid zal
-blijven!”
-
-„Wie dan? Truitje Cannegieter?”
-
-„Die?! Die wordt een helleveeg.”
-
-„Als jij maar geen helleveeg wordt! Wie bedoel je dan? Lotje
-Scheelzwam?”
-
-„Praat me dáár niet van”, zei Padde. „Als die eenmaal getrouwd is, kun
-je ze met een tang in het vuur houden, onder water stoppen, weer
-uitwringen en op de bleek over een lijntje te drogen hangen, en dan zal
-ze nog haar groote mond niet houden! Raai maar niet, want je weet toch
-niet, wie ik bedoel.”
-
-Maar Hajo gaf het niet op. „Jansje Bezem dan soms? Uit de
-Hanekamsteeg?”
-
-Padde werd vuurrood. „Laten we maar weer doorloopen!” stotterde hij.
-„We moeten nou de Botermarkt over!”
-
-„Ik heb je in de gaten”, meende Hajo.
-
-Padde blies als een kalkoensche haan. „Gaan we nou, nee of ja!”
-
-„Goed”, zei Hajo lachend. „En dan de Gouw en de Turfhaven langs.—Nou,
-dan zijn we bij het klooster. Kijk jij eens, of er een nachtwacht in de
-buurt is?”
-
-„Wel neen! Je hoort Joris op een kwartier afstands al aankomen. Hij zal
-wel ergens maffen!”
-
-„Nou, ga dan maar op m’n rug staan! Kun je?”
-
-„Ik zit al”, zei Padde. „Ziezoo, nou zit ik op het muurtje en spring de
-tuin in. Verdikte, wat zijn de appels dit jaar groot! En vol, dat de
-boomen zitten!”
-
-„Ik ben al bij je, Padde! Ziezoo, nou maar voorzichtig-aan.”
-
-„Mmm! Wat zijn ze lekker!” Padde smakte met de lippen.
-
-„Eten kunnen we ze straks wel, Padde! Hoeveel heb je er al?”
-
-„Mijn zakken zijn al stampvol.”
-
-„De mijne ook! Ga maar weer op m’n rug staan, dan piepen we ’m!”
-
-„Ik zit al weer op het muurtje. Allemachies, daar komen Joris en Kale
-Dries aan!”
-
-„Verjoppie! Zoo, hoepla, ik ben er ook al overheen. Loopen, Padde!
-Loopen!” En de beide jongens stampten met de voeten op den grond, om
-aan te duiden hoe hard ze vluchtten. „Loopen! Ze krijgen ons nooit!
-Hoor je Kale Dries razen en schelden?—Ziezoo, nou geven ze het op.”
-
-„Was me dat sjouwen.....” zuchtte Padde. „Wat doe je nou met je appels,
-Hajo?”
-
-„Ik bewaar er een paar voor Doris en m’n zusjes.”
-
-„Dat doe ik ook. Ze krijgen er allemaal twee. ’t Moeilijke is voor mij
-om de appels in huis te smokkelen zonder dat m’n moeder het merkt! Ze
-zit natuurlijk nog te naaien, hè?”
-
-„Ja”, zei Hajo in nadenken. „Zeg, Padde..... wat breng jij voor je
-moeder mee?”
-
-„Ikke? Een kleedje voor Zondags op tafel; het onze is op de hoeken zoo
-gesleten,—je zult het ook wel gezien hebben. En een koperen test wil ik
-koopen, zoo een als we vroeger in de stoof hadden vóór vader ’m.....!
-Denk je, dat ik voor m’n vader wat meebreng? Nog geen knoop voor z’n
-broek. Maar Margje en Annetje moeten een nieuw schort hebben, en m’n
-moeder ook, want ze heeft vreeselijk het land aan die gestopte Rommel.
-’k Zal zien of ik er een met ’n randje kan krijgen, net als vrouw
-Schimmel uit De Gouden Gaper draagt. Nou, en een voetenzak heeft m’n
-moeder ook noodig, als ze ’s winters zit te naaien. Ze zal er voor
-zichzelf nooit een maken, weet je? En drie jaar geleden heeft ze het
-slotje van haar bloedkoralen kettinkje, dat ze altijd voor de kerk
-omhad, verloren. ’t Was echt zilver! Ik weet niet of ik genoeg zal
-hebben voor een nieuw slotje. Ik mag het lijden! Nou, en dan zijn de
-gordijnen zoo gerafeld, weet je, ’t is een schande voor de buren, en in
-de mooie kast zitten wormen. Zou je ze niet, de sallemanders?—Wat koop
-jij voor je moeder?”
-
-„’t Mooiste, wat ik zie! Misschien wel een nikkelen olifant om aan de
-lamp te hangen! Of een glazen bol met een landschap of een zeegezicht
-er in. Voor Doris breng ik een flamingo en een aap mee!”
-
-„Nutteloos goed”, meende Padde. „Weet je wat je moeder hoognoodig
-heeft? ’n Doordeweeksche rok!”
-
-„Natuurlijk”, haastte Hajo zich te verklaren, „’n rok neem ik ook mee.
-Liefst een met zilverdraad bestikt, zooals die dame, weet je wel, uit
-dat paardenspel? Zeg, Padde, ik zie ons samen al weer in Hoorn
-terugkomen! Jij met je zilveren slotje en ik met m’n olifantje voor de
-lamp en m’n apen en m’n flamingo! Ik ga regelrecht naar huis! En jij?”
-
-„Ik zeker niet?!” En Padde zuchtte diep.
-
-Er heerschte lang stilzwijgen. Plotseling viel het Hajo op, dat Rolf
-gedurende hun heele gesprek gezwegen had. Hij schoof wat naar hem toe.
-„Laat eens kijken je torretjes, Rolf?”
-
-Rolf knikte zwijgend. Maar plotseling keek hij met verschrikte oogen
-naar de insecten, die hij vóór zich op zijn helder witten zakdoek had
-neergezet, en bedekte ze snel met de handen.
-
-Te laat: Hajo had reeds gezien. Op den zakdoek lagen niets dan
-uitgetrokken pootjes en vlerkjes en mismaakte, in een kringetje
-rondkruipende lichaams-stompjes. „Waarom heb je dat gedaan, Rolf?”
-vroeg Hajo zacht en verbaasd.
-
-Rolf was bloedrood geworden. „Ik heb het..... gedachteloos gedaan.....”
-stotterde hij. „Ik heb naar jullie geluisterd en.....” Rolf keek met
-opeengeperste lippen een anderen kant uit; een groote traan blonk in
-zijn oogen.
-
-Toen bekroop Hajo een warm gevoel van medelijden. Hij legde zijn arm om
-Rolfs schouder en zocht naar woorden om zijn makker van het smartelijk
-eenzaamheidsgevoel te bevrijden, waaronder hij leed.
-
-Maar Padde had de verminkte diertjes nu ook gezien.
-
-„Neen maar!” zei hij verontwaardigd. „Die arme beestjes de vleugels uit
-te trekken! Ze moesten jou eens zoo te grazen nemen!”
-
-„Laat me!” siste Rolf. Hij duwde Padde heftig en ruw ter zijde, sprong
-op, schudde zijn zakdoek met een gebaar van afschuw uit en verdween met
-groote schreden tusschen de boomen.
-
-Padde vond zijn spraak terug, na Rolf even verbouwereerd te hebben
-nagekeken. „Leelijke dierenbeul!” schold hij. En toen tot Hajo: „Eerst
-die beestjes martelen en dan mij een stomp geven! ’n Mooie vrind heb
-jij! Kom, laten we maar gaan slapen!”
-
-„Ga jij maar”, zei Hajo. „Ik blijf nog even op.”
-
-„Wou je soms nog op ’m wachten ook?!”
-
-„Ga nou maar, Padde.”
-
-Padde werd nijdig als een spin. „Besjoer!” zei hij vinnig. En hij
-verdween in de tent.
-
-Hajo wachtte. Duizend dingen spookten hem door het hoofd. Nu, in dezen
-geheimzinnigen tropennacht vol sterrenglans en krekelzang, geloofde
-Hajo voor het eerst in zijn leven den vollen omvang van zijn geluk te
-beseffen. Hij beloofde zichzelf, zijn moeder nooit weer verdriet te
-berokkenen. En voor Rolf wilde hij altijd een goed kameraad zijn.
-
-Toen een tak kraakte, schrikte hij uit zijn overpeinzingen op. Hij zag
-tot zijn verwondering, dat allen reeds in hun tenten waren verdwenen en
-de kampvuurtjes nog slechts smeulden. Daar stapte Rolf uit het groen te
-voorschijn, wilde zich met gebukt hoofd naar de tent begeven.
-
-„Rolf!” riep Hajo zachtkens en sprong overeind.
-
-Rolf hield zijn schreden in, zag Hajo met groote, verbaasde oogen aan.
-„Ben je nog niet gaan slapen?”
-
-„Ik heb op jou gewacht.”
-
-Rolf bleef roerloos staan. Zijn in het maanlicht toch al bleek glanzend
-gelaat scheen nog bleeker te worden. Hij kwam op Hajo toe, drukte hem
-zwijgend de hand.
-
-„Kom”, zei hij toen. „’t Is al laat.”
-
-
-
-
-
-
-
-
-VREEMDE BEESTEN
-
-
-De volgende dag bracht tal van avonturen.
-
-’s Morgens namen onze vrienden een heerlijk verfrisschend zeebad.
-Poedelnaakt dansten ze de zware rollers te gemoet, die in forsche
-wenteling tegen het strand opliepen, wierpen zich in de holte van zoo’n
-ombollende golf, schoten er fiksch onderdoor en kwamen met druipende
-haren weer boven, als ze nog juist den tijd hadden, adem te scheppen
-voor het onderduiken in een nieuwe golf, die met hoog opgerichten kop,
-als een menner, de voorgaande voor zich heen joeg.
-
-En toen de knapen uitgeplast en uitgedanst waren, ploften ze in het
-mulle zand neer, lieten zich door de zon drogen en bruinbakken en
-maakten berekeningen omtrent den duur van de verdere reis. „Over een
-half jaar zijn we er”, schatte Hajo.
-
-„Over drie maanden”, meende Rolf.
-
-Padde echter sprong onverwachts overeind en staarde Hajo en Rolf met
-groote oogen aan. „’n Aardbeving!” stamelde hij.
-
-„’n Wat??”
-
-„’n Aardbeving! Ik heb duidelijk gevoeld, dat de grond onder me
-bewoog!”
-
-„’t Zal wel verbeelding zijn geweest, Padde.”
-
-„Dan is m’n neus ook verbeelding!” Alles behalve overtuigd vleide Padde
-zich weer neer. „Hoelang de reis nog duurt?” vroeg hij na eenig
-zwijgen. „Ik denk.....” Maar wederom wipte hij, zoo mogelijk nog
-sneller dan daareven, overeind, en staarde met groote oogen naar de
-plek, waar hij gelegen had. Daar vond iets allermerkwaardigst plaats:
-het zand spleet, brokkelde en..... een klein, vaalzwart kopje kwam om
-een hoekje kijken! Een paar zwarte, stompe liliputterpootjes werkten
-het zand verder op zij en daarna vertoonde zich.....
-
-„’n Jonge zeeschildpad!” riep Rolf.
-
-Het was een alleraardigst beestje: niet veel grooter dan een okkernoot,
-en het schildje was nog geheel week. Hulpeloos zwaaiend met de logge,
-kleine zwempootjes, draaide het al maar het stompe kopje met de twee
-glinsterende, wereldwijze kraal-oogjes en het gerimpelde, magere,
-leerachtige oudemannetjeshalsje, als wilde het dat van het lichaampje
-afschroeven.
-
-Kijk, daar kwam nog een kopje uit het zand gluren! En nòg een! De
-jongens wierpen het nest (wat zou het anders zijn?) open. Neen maar,
-het krioelde van die beestjes!
-
-„Ik neem er ’n paar mee naar Holland!” riep Hajo.
-
-„Laten we ze eens tellen”, stelde Rolf voor. Zoo deden de knapen en
-kwamen tot honderd-en-dertig eieren en acht-en-twintig jonge
-schildpadjes, half of geheel uit het ei. „Je hadt nog wat moeten
-blijven zitten, Padde!” vond Rolf. „De helft is nog niet uitgebroed!”
-
-„Ja-ha!” grinnikte Padde. „Maar als ik nou later in Holland vertel, dat
-ik schildpadden heb uitgebroeid, moet je niet denken, dat iemand er een
-woord van gelooft!”
-
-„Dat is dan ook niet heelemaal waar”, zei Rolf. „Je hebt de zon alleen
-maar wat geholpen.”
-
-Padde keek verbaasd op. „De zon?!”
-
-„Wie dacht je dan, dat ze zou uitbroeden? De ouden laten zich aan de
-eieren niets gelegen liggen! Ze graven een gat, leggen daar de eieren
-in, krabben het dan dicht en verdwijnen weer in het water. De zon moet
-de rest maar doen!”
-
-„Hela! Wat gaan daar voor beesten!” riep Hajo uit, terwijl hij op een
-viertal lompe, grauw-grijze vogels duidde, die zich log in de schaduw
-der boomen voortbewogen. Ze hadden kleine vleugeltjes, waarmee ze zich
-onmogelijk van den grond zouden kunnen verheffen, en zulke korte
-pootjes, dat hun vette buik haast over het zand sleepte. De jongens
-sprongen op en snelden er heen. Zonder veel moeite vingen ze er een; de
-andere vogels maakten zich schommelend uit de voeten. Hajo omklemde met
-beide handen den ongemeen zwaren en krachtigen snavel, waarmee het dier
-hoogstwaarschijnlijk geducht zou kunnen hakken.
-
-„’n Zwaan!” meende Padde.
-
-„Dat kan niet”, zei Rolf. „Dit dier heeft geen zwemvliezen.”
-
-„’n Zwaan zeker wèl!” merkte Padde op.
-
-„Ja, natuurlijk!” lachte Rolf.
-
-Het dier werd nauwlettend bekeken. Het lichaam was belangrijk grooter
-dan dat van een zwaan, dik en rond en getooid met een onnoozel klein
-staartje, dat, evenals de hulpelooze vleugels, een geelgrijze kleur
-had. De bovensnavel was voor een groot deel met een gerimpelde huid
-overtrokken en eindigde in een haakvormige punt. De korte, sterke
-pooten liepen in vier teenen uit; het dier had een krop, en het
-merkwaardigste was wel een groote huidplooi om den kop, waarin het
-bijkans den heelen snavel kon terugtrekken. [1]
-
-„We gaan er mee naar de barbier!” besliste Rolf. En met vereende
-krachten en de noodige voorzichtigheid (vanwege den geduchten snavel!)
-werd de zware vogel opgetild en vervoerd.
-
-„’n Dodo”, zei Vader Langjas.
-
-En toen stelde Rolf een vraag, welke Padde in hoogste verbazing bracht:
-„Tot welke familie zou hij behooren?”
-
-„Ik ken ’n achternichie van hem!” grinnikte Padde. „De lamme houtduif
-van Geert Oliekoek! Die heeft óók een krop!” [2]
-
-Een paar maats waren naderbij gekomen. Zij kenden slechts twee families
-in de dierenwereld. De eerste familie was die welke je opeten kon, de
-tweede die, „waar geen smaak aan was”, en des dodo’s ongelukkig
-gesternte deelde hem bij de eerste familie in.
-
-Een paar uur later draaide hij, geplukt en schoongemaakt, aan het spit.
-
-
-
-De helft der maats trok dien morgen op onderzoekingstochten uit. En ook
-onze vrienden besloten, het land wat verder binnen te dringen. De
-zonnewijzer, die den vorigen dag op het strand was aangebracht, wees
-nog geen acht uur, toen het wakkere drietal er op uit toog. Ze besloten
-het riviertje stroomopwaarts te volgen, liepen mannetje na mannetje
-langs den smallen oever. Het lage gewas aan den oever ging over in
-hooge en dichte bamboebosschen; steeds weelderiger werd het woud en
-steeds donkerder; lianen, tot onuitwarbare netten verstrikt, versperden
-veelal den weg; de onderste einden slierden in het snel stroomende
-water.
-
-Eenmaal gingen de knapen door een lange loofpoort.
-
-De lucht was er heet en vochtig en ademde den zoeten geur van duizenden
-orchideeën, welker stille pracht bedwelmde. Zwijgend gingen de jongens
-een oogenblik zitten. Het water dampte. Als een eeuwenoud vertelsel,
-nog door geen menschelijk oor opgevangen, klonk het plassen van het
-water tegen de groote, blauw-grijze bergsteenen; een enkele maal schoot
-het er ruischend overheen; dan was het, alsof de koning uit het
-verhaaltje zijn stem deed hooren. De planten, de boomen en bloemen
-luisterden er naar, bogen zich ver over tot het stroompje, om elk
-gefluisterd woord op te vangen. Waterplanten lieten zich mijmerend
-wiegen; hun groote, witte bloemen glansden als het gelaat van bleeke,
-booze prinsessen.....
-
-Verder maar weer! De knapen wrongen zich door lianen, waadden plassend
-in het heldere water. Stil werd het woud, beangstigend stil, als dat
-behekste woud, dat duizend jaar lang zwijgen moest, omdat een doode tak
-in ’t vallen de koningin der elfen had verpletterd. „Hier ben ik!” zong
-het stroompje forsch en jubelend van overmoed, nu het zijn stem zoo
-luid en klaar weergalmen hoorde in de stilte. „Wie dorstig is, hij kome
-en lave zich aan mij! Ik kom van ver, ik ga naar ver, ik heb geen rust,
-geen rust..... Weg, domme steenen, die uit ijverzucht, dat jullie niet
-onsterfelijk bent en vrij als ik, mijn weg versperren wilt! Och, arme,
-goede boomen, die gedoemd bent om te sterven, waar je bent ontstaan,
-och, hoe beklaag ik jullie!—Vriendelijk-stille bladeren, en jullie,
-reine, smettelooze bloemen, die met open kelken luistert naar mijn
-avonturen, kom, stort je in mijn armen! Ik zal je voeren ver van hier,
-heel ver.....”
-
-Hajo voelde, hoe het bloed hem sneller door de aderen joeg. Een
-teugellooze drang tot trekken en avonturen ontwaakte in hem.
-
-Een enkele maal kwamen de jongens bij een open plek; dan lichtte hun
-een ongekende bloemenweelde tegen. Kleurige vlinders ter grootte van
-een hand en tallooze bonte vogeltjes fladderden in en om de verlokkende
-kelken. En vóór hen schemerden, tusschen het geboomte door, diep-paarse
-bergen.
-
-De knapen voelden het aan hun beenen, dat ze den ganschen weg gestegen
-hadden. Bij een dwarsbeekje gekomen, besloten ze dat te volgen. Ze
-kropen tusschen stammen en boomvarens,—stonden onverwachts voor een
-grooten vijver, waarboven een dichte damp hing.
-
-„’n Heete bron!” riep Rolf uit.
-
-„Heet??” vroegen Hajo en Padde en staken hun hand in het water. Maar
-terstond trokken ze hun vingers er weer uit. „Het is kokend!”
-
-„Komt dat zoo maar uit de grond?” vroeg Padde wantrouwend.
-
-„Dat moet wel”, zei Hajo. „Nergens stroomt iets binnen, en daar aan de
-overkant voert de vijver tòch water af.”
-
-„De bodem is hier vulkanisch”, verklaarde Rolf. „Daarom is het water
-zoo heet.”
-
-„Vulkanisch?? Wat beteekent dat?”
-
-„Dat beteekent, dat, als je hier graaft, je ten slotte op vuur zou
-stuiten.”
-
-Padde werd wit om zijn neus. „Maar dan staan we hier..... boven de
-hel!!”
-
-„Ja”, zei Rolf, „pas maar op, dat je er niet in valt.”
-
-„Dan ben je in een ommezientje gekookte kreeft!” verzekerde Hajo met
-een vroolijkheid, die hij alleen aan Rolfs kalmte ontleende.
-
-„Zullen we hier maar liever niet weer weggaan?” vroeg Padde.
-
-„Laten we eerst eens wat eieren zien machtig te worden!” stelde Rolf
-voor. „Ik val om van den honger. Jullie niet? En nesten zullen hier
-genoeg zijn.”
-
-In eens voelde Padde ook zijn maag. Zuchtend gaf hij toe.
-
-De jongens liepen den vijver eens rond, en al spoedig ontdekte Hajo’s
-jagersoog enkele duivennesten. Hij klom er bij en keerde, na driemaal
-op een nest met jongen te zijn gestuit, terug met twee witte eitjes,
-die tegen het licht bekeken en versch bevonden werden.
-
-Hajo zat alweer in een anderen boom. Ditmaal was hij nog gelukkiger. In
-drie nesten lagen schoone eieren; hij vond bovendien nog een vierde
-nest, waarvan hij de eieren liet liggen, omdat ze, toen hij ze in de
-half gesloten hand tegen het licht hield, bebroed bleken. De schoone
-borg hij op—in iederen zak een, en vier in z’n mond—en kwam met bolle
-wangen beneden aan. Intusschen had ook Rolf een paar nesten ontdekt en
-ontpopte zich nu als een goed klauteraar. Padde bood aan, de wacht bij
-de eieren te houden, terwijl Hajo en Rolf zochten.
-
-„Natuurlijk! Laat Padde maar op de eieren passen!” riep Rolf van boven.
-„Maar ga er niet op zitten, Padde, anders krioelt het straks van jonge
-duifjes, net als bij die schildpadjes vanmorgen!”
-
-
-
-Toen enkele oogenblikken later Rolf en Hajo met hun buit op den grond
-belandden, zagen ze Padde een eindje verder met den rug naar hen toe
-door het loof gluren, zich voorzichtig omwenden en de vingers op de
-lippen leggen. Ze slopen naar hem toe en ontdekten, na eenig vergeefsch
-turen in de door Padde aangeduide richting, een merkwaardig,
-hagedisachtig beest, dat zijn ronden, dikken staart stevig om een tak
-gekneld hield en door zijn donkergroene kleur bijkans niet van zijn
-omgeving te onderscheiden was. De groote, kantige kop hing met een
-scherpen hoek, als ware het een helm, over een dunnen, verschrompelden
-hals. Een blauwe, met donkerbruine puntjes bespikkelde keelzak hing als
-een baard onder kin en hals. Langs het krachtige lichaam, dat door een
-hoogen, gekartelden kam iets draakachtigs had, liep een band van
-roodbruine vlekken. De oogen van dit armlange beest puilden sterk uit,
-waren geheel, op de pupil na, overtrokken met een prachtig rood en
-groen ooglid, en loerden, ganschelijk en onafhankelijk van elkaar,
-rusteloos rond. Voor op den neus prijkten twee hoorn-achtige knobbels.
-
-Doodstil zat het dier. Behalve de oogen was er niets, dat bewoog.
-
-„Wacht maar eens!” fluisterde Padde. „Dan zul je lachen!”
-
-En de vrienden wachtten met haast evenveel geduld als het kameleon—want
-dat was het dier natuurlijk, dat Padde’s belangstelling had gaande
-gemaakt.
-
-Daar kwam een kleine kever aanzoemen. Zwart, met gele sterretjes op de
-schilden. Hij danste lustig snorrend in het rond, kietelde Hajo eens
-onder de kin, bracht daarna een bezoek aan het kameleon. Dat wil
-zeggen: hij zag het heele kameleon niet; noch merkte hij er iets van,
-hoe twee boosaardige, rooflustige oogen al zijn bewegingen bespiedden.
-Heel de belangstelling van den vroolijken, geelgespikkelden bezoeker
-ging uit naar een groote, roode bloem, vier handpalmen vóór den
-knobbelneus van den onbeweeglijken, groenen draak. De laatste draaide
-beide oogen zoo ver naar voren, dat ze uit den kop dreigden te zullen
-rollen, mat den afstand, opende langzaam, heel langzaam den bek.....
-Padde stootte zijn vrienden aan; zijn oogen puilden haast even ver uit
-als die van het kameleon.....!—Het was al geschied. Een tong, haast
-half zoo lang als het geheele lichaam, schoot bliksemsnel naar het
-argelooze torretje, vloog weer terug, alsof het aan een veertje zat;
-toen een korte beweging van de kaak..... Spoorloos verdwenen was de
-geel-zwarte bloemenvriend.
-
-Het kameleon had zich bij dat alles doodstil gehouden. En terwijl Hajo
-en Rolf nog verrast naar de bloem keken, waarop het torretje gezeten
-had, dwaalden de kleine oogjes van den geheimzinnigen sluipmoordenaar
-al weer rond, belust op nieuwen buit.
-
-Padde grinnikte zacht en kneep Hajo blauwe plekken.
-
-Weer een torretje! Ditmaal een goudgroen, wispelturig torretje. Het
-stelt zich aan, alsof het een verbazende haast heeft, vliegt van links
-naar rechts, strijkt overal neer—zelfs op een der knobbels op den kop
-van het kameleon, vliegt terstond weer op, bedenkt zich, gaat weer
-elders zitten, vliegt toch maar weer weg. Een goed torrenkenner zal al
-begrepen hebben, dat het goud-glanzend heertje bij al z’n schijnbare
-drukte een nietsnut en een leeglooper is. Floep! Daar dwarrelt het weer
-rond.
-
-Geen enkel beweginkje ontgaat aan den spiedenden blik van het kameleon.
-Het torretje schijnt van plan, een oogenblikje te verwijlen op een
-zonbeschenen blad. Het tilt de dekschildjes op, spreidt de dunne
-vleugeltjes, die er onder zitten, een oogenblik in het zonnetje, dat er
-allerlei kleuren in toovert; klapt dan de dekschilden weer toe en
-wandelt als een deftige meneer met jaspanden in een kringetje het blad
-rond. Het kameleon loert. Het blad is laag, de afstand groot. Daarom
-heel voorzichtig een pasje terug! De lange, typische pootjes, die in
-slechts twee vingers uitloopen, worden een voor een omlaaggebracht. Ook
-de staart wordt iets verlaagd, maar oogenblikkelijk weer vastgeklemd.
-Ziezoo, nu schijnt de hoogte goed te zijn! De bek opent zich.....
-Hoepla! De jaspanden vliegen los; het torretje snort haastig een
-oogenblik rond, zet zich een el hooger op een ander blad en kijkt in
-diepzinnige overpeinzingen naar een gaatje, door een ander torretje in
-het blad geboord. Het kameleon bijt zijn teleurstelling weg: een
-rechtschapen kameleon geeft den moed nimmer op. Getuigt zijn gansche,
-stilzittend bestaan niet van een rotsvast vertrouwen op zijn goed
-gesternte? Daarom: voorzichtig een pasje naar boven! Nog een pasje! Nog
-een! Het torretje bestudeert het bladopeningetje aan alle zijden,
-schijnt er maar half mee ingenomen, maar steekt geen hand uit om er
-iets aan te veranderen. Het kameleon slikt van opwinding. Zoo zou de
-afstand wel goed zijn! Langzaam den bek open..... Hoepla! Het torretje
-besluit zich niet langer te ergeren over het slechte werk van anderen
-en danst weer in het rond om twee el lager opnieuw te belanden. Flits!
-Des kameleons oogen richten zich in de diepte. Komaan, dan maar weer
-naar beneden! Pasje voor pasje. Is zoo de afstand goed? Me dunkt van
-wel. En dus..... In een onberispelijke spiraal zwiert het torretje,
-over het hoofd van het kameleon heen, tusschen de boomen weg.
-
-Grimmig, maar zonder door een enkele beweging zijn teleurstelling lucht
-te geven, blijft de groene roofridder zitten. Aha! Daar kiemt nieuwe
-hoop in zijn kameleonnehart! Uit een groote bloem komt log en traag een
-roodzwart kevertje kruipen, zet af en snort pardoes, zonder de
-allergeringste gratie, in een andere bloem, geen vier duim van zijn
-belager af. Deze wacht met half geopenden bek op het oogenblik, dat de
-zespootige lummel weer voor den dag zal komen. Te drommel, dat duurt
-lang: hij schijnt daar in dat bloemenhart heel wat te doen te hebben!
-
-Wie zou er met meer spanning op de komst van den bloemenvorscher hebben
-gewacht: de jongens of het kameleon? Eindelijk, eindelijk kwam de
-langverbeide, likte zich de gepantserde pootjes schoon en krabbelde
-bedachtzaam naar buiten, ten einde een goed afzetpunt te vinden. Het
-kameleon maakte zijn aanstalten.....
-
-Toen zweefde langzaam een jongenshemd door de lucht en bewoog zich in
-de richting van ’s kameleons hals. En in hetzelfde oogenblik, dat de
-lange tong uitschoot en het torretje gevankelijk wegvoerde, omsloten
-Rolfs vingers den bandiet vlak achter den driehoekigen kop. Het dier
-stiet een schor geluid uit. En, tot Padde en Hajo’s grenzelooze
-verbazing..... veranderde het van kleur! De blauwbruine vlekkenband
-langs de zijden van het lichaam verbleekte tot een blauwig wit; de
-blauwe keelzak en de mondranden werden citroengeel!
-
-Maar Rolf liet zich niet afschrikken. Hij had met de linkerhand het
-achterlichaam gepakt en trachtte het dier van den tak te lichten.
-„Drommels”, zei Rolf, „hij houdt zich stevig vast! We zullen hem met
-tak en al moeten meenemen!”
-
-Hajo wierp zich op de knieën en sneed met zijn zakmes den tak af.
-
-„Prachtig!” zei Rolf. „Maar hoe krijgen we hem nu op het schip?”
-
-„Hier!” zei Padde ijverig. En hij trok zijn hemd uit. „Daar stoppen we
-hem in!”
-
-„Hij moet mee naar Holland!” riep Hajo opgewonden. „Dan kan hij vliegen
-vangen; daar zit de kamer bij ons ’s zomers vol van!”
-
-„We zullen hem straks eerst eens aan Vader Langjas laten zien”, zei
-Rolf vroolijk. „’t Is een kameleon, maar ik ben benieuwd wat voor een
-soort!”
-
-„Wou je z’n heele familie weer weten?” vroeg Padde.
-
-Rolf lachte. „Heb je ’m zien verkleuren, toen ik hem pakte?”
-
-„Ja!” zei Hajo. „Hoe kwam dat?”
-
-„Als jij me het zegt, weet ik het ook! Kom, laten we onze eieren maar
-eens gaan oppeuzelen! We hebben er twee dozijn. Eerst gaan we ze koken.
-In de heete bron!”
-
-„Ja!”
-
-Hajo vlocht met zijn handige vingers een netje uit ’n paar lange,
-smalle bladeren, deed er de eieren in, knoopte het netje boven dicht,
-liet het in ’t water zakken en stak onder den knoop een takje, dat hij
-in den wal vastduwde. Ziezoo, nu maar afwachten.
-
-In den tijd, dat Rolf en Padde aan den oever lagen, in afwachting dat
-de eieren hard zouden worden, had Hajo een nieuw avontuur. Terwijl hij,
-onvermoeid speurder als hij was, zoekend in de boomen loerde, viel zijn
-blik op een witte streep vuil, hoog tegen een stam. Onze vriend zou
-Peter Hajo niet zijn, als hij niet terstond begrepen had, dat zich
-daarboven een nest moest bevinden. Daar ontdekte hij het al: een meer
-dan vuist-groote holte in den stam. Een spechtennest kon het niet zijn;
-daar was het gat te groot voor. Zie! daar verscheen voor de opening een
-kop met krommen snavel; een papegaai kroop naar buiten en vloog weg.
-
-Tien tellen later zat Hajo in den boom en loerde vol spanning in de
-holte. Daar doken in het halfdonker broederlijk bijeen twee zeldzaam
-leelijke mormels, de zwarte kop en snavel onevenredig groot tegenover
-het droevig-kale lichaampje. Zonder aarzelen pakte Hajo er een beet,
-waarbij zijn vingers in vrij onzachte aanraking kwamen met den snavel;
-hij trok zijn gevangene naar het daglicht en daalde er mee omlaag. „Die
-zullen we eens netjes grootbrengen, jongens!”
-
-De knapen uitten hun verbazing over een zóó leelijken jongen vogel.
-„Zou hij al voedsel nemen?”
-
-„Voedsel nemen? M’n duim er bij, als ik niet oppas!—Kom maar eens hier,
-ouwe jongen!” En met paaien en zoete woordjes wist Hajo den naakten
-kromsnavel een stuk banaan in den bek te duwen.
-
-„Wat zal Gerrit blij zijn met z’n gezelschap!” meende Hajo.
-
-„En ik zal hem wel leeren praten!” beloofde Padde.
-
-Rolf vischte de eieren op. Ze waren nog wel niet geheel gekookt, maar
-smaakten best. Alleen het zout ontbrak.
-
-Het werd tijd om terug te gaan. Zoo togen de jongens weer op weg,
-plasten opgewonden babbelend plannen smedend voor de opvoeding van hun
-papegaai, langs het heldere riviertje. Tegen de schemering kwamen ze
-weer bij het kamp. Men was druk aan het braden en bakken.
-
-„Waar is Vader Langjas?” vroeg Rolf.
-
-„Blommetjes plukken! Allemachies, moet dat een papegaai worden? Hein,
-kom eens kijken! Wat een rare, kale sallemander! Wat zit er in dat
-hemd?”
-
-„’n Beest met zóó’n tong!” grinnikte Padde. „Als je hem knijpt, wordt
-ie geel van sagrijn!”
-
-„Laat kijken?”
-
-„Op je gezicht”, zei Padde. „Als hij wegloopt, zijn we hem kwijt.”
-
-Vader Langjas was bezig met het onderzoeken van plantjes en bloemetjes.
-Hij had de gewoonte om in elk vreemd land uit onbekende kruiden
-drankjes te brouwen, die hij met ware doodsverachting het eerst aan
-eigen lijf beproefde: als hij zich een enkele maal ziek voelde,
-beschouwde hij het als een eerezaak om uitsluitend door middel van
-nieuwe, zelfbedachte medicijnen te genezen. Daardoor was hij gewoonlijk
-tweemaal zoo lang ziek als een ander, maar dat had hij voor de goede
-zaak over: Vader Langjas koesterde de stille hoop, nog eens
-wereldberoemd te zullen worden door het ontdekken van een drankje, dat
-alle kwalen kon genezen. Edoch, groote geleerden vinden zelden het
-vertrouwen, dat ze verdienen: als onze ijverige barbier van zijn
-onderzoekingen weer aan boord terugkeerde, toonden de maats zich
-huiverig de medicijnen te slikken, die Vader Langjas hun met een
-stortvloed van aanbevelingen ter hand stelde. „Ik heb het immers zèlf
-geprobeerd!” klaagde Vader Langjas, verdrietig onder het weinige
-vertrouwen, dat hij ontmoette. En dan dronken de maats uit medelijden
-het fleschje maar leeg.
-
-„Wel, vriendjes”, zei Vader Langjas, terwijl hij zich oprichtte en zijn
-bril recht zette, „jullie komt juist gelegen! Ben je bang voor
-spinnen?”
-
-„Wie is er nou bang voor een spinnetje?” vroeg Padde.
-
-„Kom dan eens mee!” noodigde de barbier uit. „Och, wat heb je daar een
-aardig beestje, Hajo. Zeker ’n grijze roodstaart?”
-
-„’t Stomme dier heeft nog geen veer op z’n lijf!” smaalde Padde.
-
-„Maar hebben jullie de ouden dan niet gezien?”
-
-„De eene papegaai is groen, en de andere rood, net naar ’t uitvalt!”
-verzekerde Padde. „Onze buren—weet je wel, Hajo?—hebben een witte poes,
-en de jongen ervan, van de poes, zijn rood met zwarte vlekken. En de
-keeshond van Dobbes, de slager? Z’n vader was een bullenbijter en z’n
-jonkies zijn pukkies met dassenpooten. Waar, Hajo?”
-
-„Ja, ’t is waar”, gaf Hajo aarzelend toe.
-
-Vader Langjas schudde het hoofd over Padde’s beweringen, die hij niet
-kon weerleggen. „Dat is heel wat anders”, meende hij.
-
-„Neen, dat is precies hetzelfde”, zei Padde.
-
-„Kom!” stelde Hajo voor, „laten we nou eens naar de spin gaan kijken.”
-
-„Ga maar mee”, zuchtte de barbier. „Ik heb er mijn hoed voorloopig even
-op gelegd, want ik wilde hem liever door een van jullie laten pakken.
-Ik wil wel bekennen, dat ik er wat huiverig voor was. ’t Is een groote,
-hoor! Denk er om!”
-
-„Ik durf een hooiwagen over m’n tong te laten loopen!” blufte Padde.
-
-„Nu, je moet het zelf weten”, zei de barbier. „Hier zit hij, onder m’n
-hoed.”—Vader Langjas’ hoofddeksel was rondom met steenen bezwaard; de
-barbier scheen zijn gevangene voor een gevaarlijk uitbreker te houden!
-
-Padde legde de steenen terzijde. „Ik zal hem maar met m’n linkerhand
-pakken”, zei hij, „want m’n rechter is nog altijd dik van die smerige
-wesp!”
-
-„Doe dat, kereltje. Maar denk er om, hoor: voorzichtig!”
-
-Padde lichtte een tipje van den hoed op, schoof er bedachtzaam zijn
-hand onder, tastte rond in den bol. Maar plotseling kregen zijn oogen
-een uitdrukking van hoogste ontzetting, en met een hartverscheurenden
-kreet trok Padde zijn hand terug. Aan zijn pink bengelde een harig
-monster met een rossig lichaam, zoo groot als een kippen-ei. Vol
-afschuw slingerde Padde het beest van zijn pink en stak toen haastig
-dit lichaamsdeel in zijn mond.
-
-„Ja-ja”, zei Vader Langjas verschrikt, „daar vreesde ik al voor! Die
-vogelspinnen hebben leelijke wapens! Ga mee, dan zullen we er een
-zalfje op smeren.”
-
-„Knap jij met je spinnen en je zalfjes!” voer Padde uit, verachtend
-alle wetten van tucht.
-
-„Maar kereltje”, zei de deftige barbier, verlegen zijn bril recht
-zettend, „ik heb je toch te voren gezegd, dat het een groote spin was?
-Ik vond haar, terwijl ze bezig was, dit arme vogeltje te dooden.” Vader
-Langjas tilde zijn hoed op en toonde een mooi, blauw vogeltje, dat met
-uitgestrekte pootjes en bebloed borstje in het gras lag.
-
-Een paar maats waren op Padde’s gegil komen aanloopen. „Wat is er?”
-
-„Ze hebben m’n pink afgebeten!” jammerde Padde. „Dat heeft hij me
-gelapt!”
-
-De maats keken verbaasd naar Vader Langjas, die bleek en rood tegelijk
-werd en met zijn bedeesde houding weinig van een menscheneter had.
-„Laat kijken je pink?” vroegen ze Padde, die het „afgebeten”
-lichaamsdeel nog altijd in z’n mond hield.
-
-„Die pink is van mij!” zei Padde. „En niet van jou.”
-
-„De pink is niet afgebeten!” stamelde Vader Langjas. „Het is een
-onschuldige beet. De spin is niet giftig; het is er een van de
-familie.....”
-
-„Knap jij met je heele familie, pillendraaier!” schreeuwde Padde. En
-hij ging heen, met sprakelooze verbazing nagekeken door de oomes. Tien
-pas verder vond Padde het noodig, zich nog eens om te draaien, de borst
-in de lucht, en te schreeuwen: „Akelige giftmenger! Ik zal je nog wel
-er eens vinden! Denk er maar om, dat ik jou ditmaal óók van te voren
-gewaarschuwd heb!” En Padde verdween tusschen het geboomte.
-
-„’n Zonderling karakter”, stamelde Vader Langjas.
-
-Rolf kon zijn vroolijkheid niet onderdrukken. „Laat hem maar loopen,
-Vader Langjas! En kijkt u maar liever eens wat ik hier heb!” Rolf
-knoopte behoedzaam het hemd los.
-
-De barbier boog zich en gluurde door de opening. Wat hij zag, deed hem
-al zijn zorgen weer vergeten. Blij als een kind, riep hij uit: „’n
-Panterkameleon! We zullen hem op brandewijn zetten!”
-
-De maats sloegen bijkans tegen den grond. „Groote Griebus!” verzuchtte
-een kleine, magere maat met een neus, die meer van een biet dan van een
-waskaars had. „Op brandewijn?! Ik wou, dat ik óók een kammelejon was!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-RUILHANDEL
-
-
-Padde verklaarde ronduit, dat hij het hier een beestachtig land vond en
-per slot van rekening nog meer van de zee hield. Voor zijn part voeren
-ze op staanden voet verder.
-
-Maar Padde moest zijn varensdrang nog drie volle weken geweld aan doen.
-Men teerde het schip van binnen en van buiten, zette alle poorten open
-en besprengde de planken vloer met azijn,—alles om een gezonde,
-frissche lucht in de Nieuw-Hoorn te krijgen. Terwijl een groot deel der
-bemanning zich zingend met dit werkje bezighield, waren anderen aan het
-drogen van visch, die ze aan lange lijnen in de zon hingen; verder had
-men de handen vol met het inleggen van ganzen in azijn en met het aan
-boord hijschen van levende schildpadden, waarvoor op het dek een groote
-bak zeewater werd geplaatst. Als voedsel voor deze dieren verzamelde
-men talrijke bollen zeegras, welke op het strand voor het grijpen
-lagen. [3]
-
-Harmen, Hajo en Rolf maakten zich verdienstelijk door een groot hok te
-timmeren voor de gekortwiekte ganzen en duiven, die nu nog overal het
-dek bevuilden.
-
-Gerrit keek aanvankelijk sprakeloos, ontzet en met van verbazing schuin
-gelegden kop naar het kale gedrocht, dat zijn meester hem tot
-gezelschap had beschoren. Waarschijnlijk om eens te onderzoeken van wat
-voor stof zijn nieuwe kameraad vervaardigd was, begon hij er mee, hem
-een stevigen pik toe te deelen. Maar dat kwam hem duur te staan: tot
-straf hield Hajo hem even onder water,—iets waaraan Gerrit geweldig het
-land had. Hij beschouwde den indringer als den schuldige aan deze
-onderdompeling, draaide hem vol minachting den staart toe en plukte
-zich met een overkropt gemoed de natte veeren terecht, toen hij zag,
-dat Hajo het naakte monster allerlei lekkere brokjes voorhield.
-
-Dankbaar was het beestje niet: het vertikte ’t, den snavel te openen.
-En Hajo zag er ook geen kans toe: het resultaat na lang wikken was, dat
-onze vriend een fermen beet opliep.
-
-„Als hij maar eerst honger krijgt!” troostte Hajo zich zelf. „Morgen
-zal hij wel anders praten!” Hij stopte beide vogels in de koperen kooi,
-ten einde ze aan elkaar te doen wennen. Doch daar Hajo vreesde, dat er
-aan de vriendschap een al te duidelijke wederzijdsche uiteenzetting
-vooraf zou kunnen gaan, schoof hij een plankje tusschen de toekomstige
-levensgezellen. Gerrit, verwend door het vrije leven van den laatsten
-tijd, stak den kop tusschen de veeren telkens wanneer zijn meester
-naderde. En de jonge roodstaart blikte met wezenlooze oogen rond en
-hield den bek zoo stevig dicht, als verdacht hij er Hajo van, hem
-vergift te willen toedienen.
-
-„Je moet slim zijn”, raadde Harmen. „Kietel hem eens onder z’n buik, en
-als ie dan woest wordt en z’n bek open doet om te bijten, douw je er
-gauw een pisang in!”
-
-„’t Helpt toch niets!” zuchtte Hajo. „Als hij morgen nog niet vreet,
-breng ik hem terug. Ik had anders al een naam voor hem. Ik wou hem
-Joppie noemen. Net als..... weet je wel?”
-
-Harmen knikte. „Of ik ’t weet.....!”
-
-In den namiddag begon het diertje zacht te kreunen,—zoo om het half uur
-een droevig geluidje. Hajo kon het niet aanhooren en besloot z’n
-„papegaai” den volgenden morgen weer terug te brengen. Maar..... ook
-Gerrit was er door getroffen! Toen Joppie voor de eerste maal kreunde,
-haalde Gerrit beduusd zijn halfverslapen kop uit de veeren en luisterde
-minuten lang. Toen stak hij zijn kop weer weg en wilde zijn dommeling
-voortzetten. Even later herhaalde zich het spelletje. Nog eens. Gerrit
-raakte overstuur, sprong wat in zijn kooi rond en wilde een slokje
-water nemen om zich moed in te drinken, toen Joppie opnieuw kreunde.
-Gerrit verslikte zich in zijn lafenis, begon aan een lange
-overpeinzing. Als Gerrit aan het peinzen sloeg, viel hij gewoonlijk
-spoedig in slaap, maar ditmaal kwam hij, al peinzende, tot een besluit.
-Hij wette zijn snavel, draaide den hals een weinig los, zette zich
-schrap en gaf een fermen mep tegen het plankje. Verdikke, dat zat
-stevig vast! Nog maar eens! Daar vloog een splintert je weg. Gerrit
-begon schik in de zaak te krijgen. Hij hakte, wette zijn snavel weer
-eens, hakte onvermoeid. En eindelijk..... Ka! riep Gerrit. De jongens,
-die al in hun tent lagen, hoorden het.
-
-„Gerrit krijgt het op z’n zemelen”, meende Padde.
-
-Maar Hajo ging eens kijken. Vlak er op kwam hij al weer terug,
-opgewonden, met een stralend gelaat. „Kom eens gauw! Gerrit voert hem!”
-
-De knapen kropen naar buiten en geloofden hun oogen niet. Gerrit stak
-door een gat, dat op geheimzinnige wijze in het planken schotje gekomen
-was, zijn zwarten snavel en reikte Joppie een stukje banaan. „Hap!” zei
-Joppie en liet het door zijn keelgat schieten. Hajo stond te springen
-van plezier. „Dàt is me nog er eens een kraai!”
-
-„We kunnen nu het plankje wel wegnemen”, meende Rolf.
-
-Maar hier was Hajo op bekend terrein. „Daarmee zouden we alles weer
-bederven!” riep hij uit. „Gerrit denkt natuurlijk, dat Joppie een jonge
-kraai is! Het is juist goed, dat hij hem niet zien kan!”
-
-„Dan zal hij wel raar opkijken, als je op ’n goeien dag het schot
-wegneemt, als Joppie zich zelf bedienen kan en dan natuurlijk ook al
-flink in z’n papegaaienveeren steekt!” lachte Rolf.
-
-„Gommenikkie nou!” grinnikte Padde.
-
-
-
-Zoo groeide Joppie, door Gerrit met teedere zorgen omringd, tot een
-wolk van een papegaai op. Joppie scheen ook van zijn kant
-belangstelling te koesteren voor zijn trouwen verzorger: hij gluurde
-door het gat en begon er aan te knagen. En op een goeden morgen vonden
-de jongens ze als twee ouwe vrienden naast elkaar op Gerrits stokje,
-net bruid en bruidegom: Joppie in fleurig grijs en rood, verliefd zijn
-kop draaiend, Gerrit ernstig, bedaard in zijn stemmig zwart. Toen zette
-Hajo de kooi open.
-
-Met een vreugdekreet wipte Gerrit naar buiten. Joppie volgde hem op den
-voet, plofte met veel vleugelmisbaar en geschreeuw op den grond. Maar
-Gerrit, wiens gekorte vleugels al lang waren aangegroeid, gaf vliegles,
-en Joppie bleek een goed leerling, al zou hij nooit zoo bevallig en vol
-zwier weten neer te strijken als een Hollandsche torenkraai. Zag je
-Joppie, dan zag je Gerrit; zag je Gerrit, dan zag je Joppie. Ze deelden
-al wat eetbaar was: bananen, bessen..... Alleen voor wurmen toonde
-Joppie een innigen afkeer: zelfs de fijnste en vetste blauwkop, dien
-Gerrit offreerde, was niet in staat hem te doen toehappen. Gerrit
-spalkte van verbazing den snavel open, schudde zijn wijzen bol en nam
-den wurm alleen voor zijn rekening.
-
-Eindelijk kwam de dag van vertrek. De watervaten werden binnen boord
-gehaald, de zeilen weer aan de kale ra’s geslagen. Een tamboer ging aan
-land en trommelde van heinde en ver het volk bijeen. De zieken waren
-genezen—op zeven na, die met bedroefde gezichten aan boord kwamen.
-
-Tegen vier uur in den middag ratelden de ankerspillen. Langzaam zeilde
-de Nieuw-Hoorn de baai uit, aandachtig nagekeken door een rozerood
-eskadron flamingo’s.
-
-Men hoopte morgen, nog voor zonsopgang, Mauritius te bezeilen.
-
-De wind was gunstig.
-
-
-
-Maar den volgenden morgen wachtte een teleurstelling: men had den koers
-niet zuiver genomen; het eiland lag boven den wind, en men kon er naar
-kijken, maar aankomen niet. Wat nu te doen? Bontekoe durfde de groote,
-onafgebroken reis door den Indischen Oceaan niet aan, zoolang niet al
-het volk gezond was. Er werd besloten, den koers te richten naar het
-eilandje Sante Marie, dat vlak bij Madagascar, tegenover de groote
-Antongil-baai ligt. De zeilen werden omgehaald; vol spanning zag men de
-toekomst tegemoet.
-
-Het weer bleef gunstig; de zee lichtte ’s nachts, alsof ze louter vuur
-was, en overdag was de hemel zoo lokkend blauw, dat de bruinvisschen,
-om er ook wat van te zien, ellen hoog uit het water opsprongen.
-
-Na een kleine week zeilens kreeg men Sante Marie in het zicht. Men voer
-Westelijk het eiland om; het schietlood wees zes tot zeven en acht
-vadem. Zoo helder was het water, dat men den bodem zien kon. Tegen den
-middag werd een geschikte ligplaats gevonden aan de binnenzijde van het
-eiland, op twaalf tot dertien vadem goeden ankergrond. En nauwelijks
-had men de zeilen ingebonden, toen van de vlakke kust drie prauwtjes
-naderden vol bruine lichamen! De maats beijverden zich uit hun kisten
-spiegeltjes en kralen, lepels, messen met koperen heft en allerlei
-andere snuisterijen op te diepen. Toen snelden ze weer het dek op, de
-zakken vol ruilmateriaal.
-
-Intusschen waren de prauwtjes vlak bijgekomen. Er steeg een heidensch
-kabaal uit op; ieder der roeiers scheen zich admiraal over de geheele
-vloot te voelen en deelde naar alle zijden bevelen uit, die niemand
-opvolgde. De roeiers zaten met het gelaat naar den voorsteven en, in
-plaats van twee riemen, hadden ze in hun bruine knuisten slechts één
-aan weerszijden afgeplatte spaan, die ze beurtelings links en rechts
-door het water trokken.
-
-Floorke luchtte z’n „vloeiend” Maleisch weer. „Heila!” riep hij,
-„hebben jullie eten? Makan? Nassi? Klappa? Pisang?”
-
-„Koeklekoe!” schreeuwden de inboorlingen en hielden manden met kippen
-omhoog.
-
-„Zie je wel, dat ze me verstaan?” zei Floorke, terwijl hij zegevierend
-omkeek.
-
-Bontekoe was uit de kajuit gekomen en keek glimlachend naar de
-luidruchtige bruintjes. „Gooi maar eens een touw uit, jongens, en haal
-zoo’n sinjeur naar boven.”
-
-Een touw vloog over de verschansing. Als snoeken schoten de prauwtjes
-er op af. En toen werd er om gevochten, wie het eerst naar boven zou
-gaan. Ten slotte wist een der bruintjes zich, na twee schreeuwende
-makkers in het zilte nat te hebben ondergedompeld, vast te grijpen, en
-werd toen ook maar meteen door de oomes naar boven getrokken, want
-voorloopig bedankte men er voor, het heele schip vol van die gasten te
-hebben.
-
-Het was een prachtig gebouwde kerel, die op het dek sprong. Geheel
-naakt, op een kleedje om het middel na, zwart, gekroesd haar, een
-matte, olijfkleurige huid, de borst en schouders getatoeëerd. Hij keek
-een oogenblik met grenzeloos verbaasde oogen rond en begon toen te
-lachen. Floorke diepte een spiegeltje op en hield het den bruinen gast
-voor den neus. De lach verstomde om ’s mans gelaat; hij gluurde achter
-het spiegeltje, toen weer er in, vond het daarop raadzaam wat uit de
-buurt te gaan en bespiedde wantrouwend Floorke’s grijnzend bakkes. „Kun
-je krijgen!” zei Floorke. „Maar dan moet je ons makan geven!” En
-Floorke maakte heftige kauwbewegingen. Toen kwam Padde met Truitje’s
-rinkelbel aanzetten en tooverde daarmee weer een glimlach op het bruine
-gelaat. De mond viel van bewondering open; een rij tanden van het
-zuiverste ivoor vertoonde zich, gevat in rozerood tandvleesch, en de
-zwarte, glinsterende oogen wierpen begeerige blikken op de mooi
-opgepoetste rinkelbel. „Kun je krijgen!” zei Padde, naar Floorke’s
-voorbeeld. „Maar dan moet ik makan hebben!” En ook Padde sloeg aan het
-kauwen.
-
-De man boog zich over de verschansing tot zijn makkers over, wier
-gedachtenwisseling allengs tot een werkelijk heidensch tumult was
-aangegroeid. Toen ze zijn bol zagen verschijnen, zwegen allen als met
-een tooverslag, want niemand wilde een woord missen van wat hun in deze
-zaak meer ervaren kameraad hun zou mededeelen. Hij had heel wat op z’n
-lever. De klanken rolden als een waterval uit zijn mond; hij
-schreeuwde, alsof zijn heele stam potdoof was en praatte bovendien nog
-met armen, beenen en vingers. Toen hij zijn redevoering geëindigd had,
-diende men hem met dezelfde breedsprakigheid van antwoord. Daarop
-werden mandjes en korven omhooggeheven, begeleid door een gebulk, dat
-aan het loeien van een koe deed denken. Van den wal naderden nieuwe
-prauwtjes, beladen met meloenen, appelen en rijst. Zoo snel werden ze
-door het water gejaagd, dat het schuim wel een el hoog langs den boeg
-opscheerde.
-
-De oomes lieten een lijntje neer. Hun gast op het dek lichtte een en
-ander luidruchtig en breedvoerig toe, en na lang redekavelen werd een
-mand met enkele eetwaren—waaronder een vastgebonden, schreeuwende,
-witte haan—aan het lijntje gebonden. Men haalde de lijn in, maar de
-bewoner van Sante Marie nam onmiddellijk een beschermende houding over
-de mand aan en maakte een gebaar, dat aan duidelijkheid niets te
-wenschen overliet: eerst betalen!
-
-„Hier zijn al vaker blanken geweest!” merkte Bontekoe glimlachend op.
-„Kom, nu zullen we eens gaan loven en bieden!” En hij liet Hilke een
-paar tinnen lepels halen. Die vielen in den smaak! Zonder lang talmen
-bood onze bruine vriend in ruil voor de lepels de geheele mand aan.
-
-„We zullen straks aan land gaan en eens zien, wat we daar vinden”, zei
-Bontekoe. Toen begaf hij zich met den koopman en den opperstuurman naar
-de kajuit. De maats kenden hun ouwe; ze wisten wel, waarom hij hen
-thans alleen liet: Bontekoe gunde zijn jongens wel een ongestoord
-pretje; hij wist, dat allen er naar hunkerden om aan het handeldrijven
-te slaan. En de heeren hadden hun hielen dan ook nog niet gelicht, of
-de oomes trachtten hun koperen knoppen, schroeven, oude tinnen deksels,
-opgepoetste duiten en kralen aan den man te brengen. Al gauw zag je den
-een met een mand kippen wegsjouwen, den ander de armen vol
-meloenen.....
-
-Toen de eerste kooplust, die zijn oorzaak eerder vond in de verveling
-der laatste dagen dan in werkelijke behoefte, gebluscht was, besloten
-de oomes tot een pretje. Ze wierpen het touw, waarlangs hun bezoeker
-naar boven was geklauterd, weer over de verschansing, wachtten, tot er
-zich een half dozijn zwartjes had ingewerkt, en trokken het toen buiten
-het bereik der anderen,—een daad, die de achtergeblevenen met oprechte
-verontwaardiging vervulde. Een, die juist nog het slipje grijpen kon,
-viel door den ruk van het onverwachts optrekken als een rijpe kokosnoot
-omlaag, boven op de hoofden van zijn makkers.
-
-De anderen waren als aapjes naar boven geklauterd. Ze grinnikten; hun
-bewegelijke tong stokte een oogenblik; ze wisselden een enkel woord,
-stootten mekaar aan en schenen alles wat ze zagen, vrij bespottelijk te
-vinden. En toen hun het eerst aan boord gekomen makker de rinkelbel,
-waarvan hij intusschen de gelukkige bezitter was geworden, deed
-rammelen, lieten allen hun mond openvallen, luisterden met glanzende
-oogen en maakten bewegingen, als wilden ze gaan dansen. De bootsman
-liet den Schele een groote schaal Spaanschen wijn brengen en voor hen
-neerzetten. Dat zouden ze wel lusten!
-
-Maar de zwartjes waren wantrouwend. Er werden heel wat woorden aan
-gewijd, vóór er een bij de schaal neerknielde, haar voorzichtig
-betastte en daarop zijn lippen in het vocht doopte. Hij keek
-blij-verwonderd weer op, smakte met de tong en stak toen onvervaard
-weer zijn mond, ja, zijn neus er bij, in den zoeten drank. Dat was het
-teeken voor de anderen. Ze sprongen aan alle kanten om de schaal,
-duwden elkaar op zij, knorrend als varkens voor een trog, smakkend en
-slurpend.
-
-„Je reinste zwijnetroep!” meenden de maats, en enkelen schonken
-grinnikend bij, toen de schaal leeg werd. Geen der zwartjes wilde
-daarbij op zij gaan,—bevreesd zijn goede plaats te zullen verliezen. En
-de schenkende oomes hadden werk om tusschen de gekroesde bollen een
-gaatje te vinden, waardoor ze den wijn konden gieten.
-
-Eindelijk hield de bootsman het voor welletjes. De drinkebroers likten
-het laatste druppeltje uit de schaal, keken elkaar met blinkende oogen
-aan en begonnen toen te lachen, te lachen, dat de tranen hun over de
-wangen biggelden! Ja, ze moesten zich aan elkaar vastklemmen om van al
-het lachen niet op het dek te ploffen. Hun vroolijkheid werkte
-aanstekelijk: slechts weinige oomes bleven zuur kijken over het
-verkwisten van den wijn. En toen de mannen, wier wijsheid in de kan
-lag, elkaar om het middel pakten en schreeuwend, duimknippend
-rondhosten, moesten de oomes zich den buik vasthouden.
-
-
-
-Tegen de schemering ging men met beide booten aan land. Op het vlakke
-strand wachtte een groep van wel honderd inboorlingen met runderen en
-schapen en manden met kippen, fazanten, boschhoenderen, duiven,
-kleurige vruchten.....
-
-Een levendige handel begon. Floorke ruilde zijn knipmes in tegen
-vijftig kippen, waarvoor hij wel een hokkie zou timmeren, een mooi
-hokkie, dat onder z’n kooi kon staan. En elken dag zou hij eitjes en
-kip eten. Bolle kocht voor een spiegeltje en een duveltje-in-een-doosje
-een zware melkkoe voor de kombuis. Ook Harmen deed geen slechten koop:
-hij ruilde een paar koperen knoopen tegen een mand fijne meloenen en
-twee dozijn fazanten.
-
-De Nieuw-Hoorn beloofde een tweede arke Noachs te zullen worden.
-
-De barbier kocht voor een opgepoetst brillemontuur den ganschen
-medicijn voorraad en de bezweringswerktuigen van een toovenaar op, die
-met den glasloozen bril op zijn bruinen neus stellig niet aan ontzag
-bij zijn stamgenooten inboette en overtuigd was met behulp van dit
-geleerd uitziende brilgeraamte alle ziekten en kwade geesten te zullen
-verdrijven. Rolf nam een der inboorlingen, die zijn waren reeds aan den
-man gebracht had, ter zijde en wees vragend op het kleedje, dat deze om
-het middel droeg.
-
-„Lamba”, zeide man aarzelend.
-
-„Lamba”, zei Rolf hem na, haalde een leitje uit zijn zak en schreef het
-woord op. Toen ontdeed onze jonge vriend zich van zijn gordelriem en
-legde dien voor den inboorling neer. Deze bekeek vol aandacht den
-blinkenden gesp van den riem, bond toen na eenige aarzeling het
-vezeltouw los, dat zijn lamba ophield, en stond het kleedingstuk aan
-Rolf af. Met een vragend gezicht nam de inlander den riem aan, wreef
-den gesp tegen de bruine wangen en stelde daarop vergeefsche pogingen
-in het werk om zich den riem om het middel te bevestigen. Rolf hielp
-hem een handje, deed het hem zoo vaak voor, tot hij zichzelf bedienen
-kon. Uit dankbaarheid knoopte het zwartje Rolf den lamba om, en de
-oomes schudden van den lach.
-
-Ook Hajo deed dien middag een zeer voordeeligen ruil. Hij zette
-Truitje’s schaartje om in een grooten, sterken boog met een mooi
-besneden, gevulden pijlenkoker. De nieuwe eigenaar van het schaartje
-knipte wat hij maar knippen kon: zijn nagels, zijn haren, zijn
-wenkbrauwen..... En ook Hajo verheugde zich in zijn koop. Hij plaatste
-op het strand een schijf: een op een stok geprikten meloen, en deed
-enkele dagen lang niets anders dan schieten. De bewoners van Sante
-Marie vielen bijkans om van verbazing, dat een witte man zoo slecht met
-pijl en boog omging. Maar Hajo zette door, gunde zich nauwelijks tijd
-tot eten. En den derden dag zat schot op schot. Toen ging hij als een
-echte inboorling met pijl en boog op jacht en kwam met drie
-boschhoentjes terug, die dubbel zoo lekker smaakten als gewone
-gekochte, tamme kippen,—al waren die misschien wat minder taai.
-
-Padde bejammerde in lange weeklachten zijn koffiemolen, die voor Texel
-door het zilte nat was opgeslokt. Padde zou er thans, naar zijn
-overtuiging, wonderen mee hebben verricht.
-
-Alles bij elkaar scheen het eiland echter niet zoo heel veel op te
-leveren, wat niet te verwonderen was, want na een smalle strandzone
-klom de bodem steil, in enge terrassen omhoog en ging spoedig in een
-kaal, onvruchtbaar bergplateau over.
-
-Enkele minuten gaans het land in lag te midden van kokosboomen een
-dorpje. De uit bamboe gevlochten wanden der lage, met bladeren
-afgedekte hutten hadden maar één doorgang. Bij nadere beschouwing bleek
-alles even smerig te zijn; de grond onder en rond de huizen was één
-mestvaalt. In de modder speelden poedelnaakte peuters vertrouwelijk met
-honden en aapjes. Maar toen de oomes binnen de palmen-omheining traden,
-ontstond er in die kleine, vreedzame wereld een ware paniek. De aapjes
-zochten ijlings hun heil in de boomen; de honden sloten zich aaneen en
-keften woedend tegen de oomes, daarbij echter een afstand bewarend, die
-een duidelijk licht wierp op hun aangeboren voorzichtigheid; de
-kinderen vluchtten de huizen in. En een, die nog wat klein was om zich
-zelfstandig uit de voeten te maken, bleef met verschrikte oogen, een
-modderkluit in beide bruine knuistjes, zitten en zette een keel op,
-alsof heel Sante Marie in gevaar was. Een der vluchtende kereltjes kwam
-haastig terug, tilde, met een schuwen blik naar de oomes, zijn
-hulpeloos kameraadje van den grond en verdween er mee, zoo vlug zijn
-beenen hem dragen konden.
-
-Geen enkele vrouw liet zich zien; de deuren werden haastig
-gesloten,—slechts hier en daar gluurden verschrikte gezichten.
-
-„Jammer!” zei Floorke. „Ik had ook de vrouwen wel graag eens gezien.”
-
-„Heb dan nog even geduld”, zei Harmen, „ik ben temet weer terug!” En
-hij maakte beenen in de richting van de booten. De maats begrepen nog
-wel niet wat Harmen in zijn schild voerde, maar in elk geval besloten
-ze even te wachten. Harmen was zoo’n rare! Je wist nooit, waarmee hij
-nog op de proppen kwam.
-
-Daar kwam Harmen terug..... met z’n fiedel! En nu herhaalde zich de
-geschiedenis van den Hamelschen rattenvanger. Nauwelijks trippelden de
-eerste klanken de lucht in, of hier en daar opende zich voorzichtig,
-heel voorzichtig een deur, en een donker meisjeskopje gluurde naar den
-fiedelaar. De zwartjes, die rond de oomes stonden, konden hun beenen
-niet stilhouden; ze begonnen om den muzikant heen te dansen, knipten
-met duim en vingers, of klapten, heupenwiegelend, in de handen. Daar
-kwamen de vrouwen en meisjes, al even primitief gekleed als de mannen,
-schoorvoetend naar buiten. En achter moeders rok, juist als alle andere
-kinderen op de wereld, de poedelnaakte dreumesen met hun slanke
-ruggetjes en kogelronde buikjes; ze sperden den mond zoo ver open, dat
-men er een vuist in stoppen kon.
-
-Harmen fiedelde! „Beginnen jullie vast te dansen!” riep hij den oomes
-toe, „dan doen de meissies het vanzelf!”
-
-De oomes dansten. Ze sloegen de handen ineen, maakten samen met de
-grinnikende inboorlingen een kring rond de groep vrouwen en meisjes,
-die ingesloten waren, vóór ze het wisten, en toen hosten de janmaats
-zoo wat rond, met groote sprongen. Bij Harmens melodie zongen ze:
-
-
- „Zeg, nonnetjes, wilt ge gaan dansen?
- Wij zullen u geven een ei!”
-
-
-Daar trachtte een meisje te ontvluchten. Maar ze had een gevaarlijke
-plaats gekozen! Toen ze onder Floorke en Gerretje’s armen door wilde
-hollen, pakten de beide jongens van stavast haar bij de hand, en ze
-moest mee dansen, of ze wilde of niet! De andere meisjes hadden schik
-en trachtten nu ook te vluchten. Verdikkoppe, nou had Floorke, die
-geluksvogel, aan z’n andere hand óók al ’n meissie! Harmen werd het te
-machtig: hij duwde Hajo de viool in de handen en rustte niet, vóór ook
-hij aan beide zijden een aardig meisje had en meedanste op de wijsjes,
-die Hajo nu aan het instrument ontlokte.
-
-Padde stond ter zijde, zonder te vermoeden, dat er juist een
-samenzwering tegen hem op touw werd gezet: de Neus en Gerretje, die
-elkaar bij de hand hielden, lieten plotseling los, en Padde stond
-midden in den kring. Beschaamd wilde hij zich een uitweg banen, maar nu
-greep Harmen hem beet, en zoo danste Padde tegen wil en dank mee,
-tusschen Harmen en een allerliefst Sante Mariesch meisje.....
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE NEUS SCHIET EEN MUSKET AF
-
-
-Er werd besloten, dat de groote boot onder leiding van den schipper
-zelf naar Madagascar zou oversteken, ten einde eens te onderzoeken, of
-daar nog geen goede voorraad vruchten zou zijn op te slaan, want alles
-bij mekaar had men toch nog geen versch voedsel genoeg aan boord om den
-grooten overtocht te mogen wagen. Daar de tweede stuurman eveneens zou
-meegaan, en de opperstuurman met koorts te kooi lag, was het aan
-Folkert Berentsz. om gedurende ’s schippers afwezigheid het bewind te
-voeren op de Nieuw-Hoorn. Dat zag er niet malsch uit voor de jongens!
-Want er was dagenlang niet gepoetst, en de bootsman zou stellig bij
-Bontekoe’s terugkeer de Nieuw-Hoorn blinkend gepoetst en geschrobd
-willen afleveren.
-
-„Jongens”, zei Harmen, „we moeten er ons zien uit te draaien, anders
-loopt het mis.”
-
-„Hoe: mis?” vroeg Padde.
-
-„Wel, de bootsman wil van de schuit een porselein-kastje maken. Door ’t
-lange liggen is er mos aan de kiel gekomen; dat mogen wij er met een
-pennemesje weer afkrabben, en de poorten uitpulken en de ankers
-poetsen, tot ze glimmen als vischhaken! En weet je, wat ie jou wil
-laten doen?”
-
-„Nou?” vroeg Padde.
-
-„Zal je niet meevallen!” verzekerde Harmen. „Op het topje van de groote
-mast ligt stof, wel een vinger dik, dat moet jij er met je tong
-aflikken! En je moet met een lantarentje het grootzeil afzoeken of er
-motten in zitten, en als je er een vindt, moet je hem levend vangen en
-aan de bootsman geven, dan kan die hem laten kielhalen.”
-
-„Jawel!” schimpte Padde. „Ik zal me door de bootsman laten negeren! Ik
-sta vlak onder de bottelier!”
-
-„Ja, veel plezier!” dichtte Harmen. „En de bottelier staat vlak onder
-de bootsman. En als de bootsman diksi zegt, kun jij stof aflikken en
-motten vangen. Neen, we moeten zien klaar te spelen, dat de schipper
-ons meeneemt in de boot!—Nou, afijn, kom maar eens mee, jongens, ik zal
-wel zoo kletsen, dat ie toegeeft!”
-
-Zoo togen de vier kameraden in optocht naar de groote kajuit. Bontekoe
-was er alleen. Dat trof! Want geen der veelbelovende knapen had het erg
-op den koopman begrepen.
-
-„Wat komen jullie doen?”
-
-„Schipper”, begon Harmen met een ernstig gelaat, „we hebben er eens
-over nagedacht en..... hm! we hebben hier morgen aan boord tòch niets
-te doen..... eh, geloof ik, en daarom..... hm!”
-
-Er tintelde iets in Bontekoe’s oogen. „Moeten jullie alle vier mee?”
-
-„Alle vier!” haastte Padde zich te verklaren.
-
-Harmen geloofde, dat hij zijn zaak gewonnen had. „Weet je, waarom Padde
-mee moet, schipper? Omdat we wel eens op menscheneters zouden kunnen
-stuiten!”
-
-Padde verbleekte.
-
-„En als dat dan eens gebeurde?” vroeg Bontekoe met innerlijke pret.
-
-„Wel, schipper, wie van ons zouden ze er uitpikken? Padde natuurlijk!
-En wij loopen allemaal vrij!”
-
-„Wá-blief?” stamelde Padde.
-
-„Nou, gráág of niet!” zei Harmen. „Als jij liever wilt poetsen.....?”
-
-„Vooruit dan maar!” zei Bontekoe. „Dus morgen vroeg alle vier klaar bij
-de jol!”
-
-„Ik ga niet mee!” zei Padde vastbesloten.
-
-Harmen gaf hem een stomp. „Ben je stapel?! Bevel van de schipper!”
-fluisterde hij, grinnikend.
-
-„Ik zal wel poetsen!” jammerde Padde.
-
-
-
-Den volgenden dag bij zonsopgang vertrok de jol, en de jongens gingen
-mee!
-
-Het was een morgen uit duizend: een droge, milde Oostenwind maakte het
-mogelijk het zeil te voeren. Zachtjes wiegend op een kalmen golfslag,
-koerste de jol in Westelijke richting. De oomes pruimden, rookten,
-gaven mekaar raadsels op, hakten op over hun hachelijke avonturen.
-Heerlijk was de morgenlucht. Harmen zette geurige koffie; slurpend,
-smakkend, met verzuchtingen van zaligheid werden de kommetjes geledigd.
-
-In den middag kwam Madagascar in het zicht, een blauwgroen streepje aan
-den Westelijken gezichtseinder; later breidde de streep zich uit,
-onafzienbaar wijd. Grijze gevaarten, die men tot nu toe voor wolken had
-gehouden, bleken bergen te zijn. Een gele strook in de branding duidde
-op een rivier, die in zee uitkwam. Daarop werd de koers gesteld, en in
-den avond had men de branding doorworsteld en de jol gemeerd.
-
-Men nam de wapens mee en zocht in de vallende duisternis een half uur
-ver den omtrek af. Geen spoor van menschen.
-
-Vlak tegen het strand begon het woud. Een net van lianen, steltwortels
-en doornstruiken met stekels, groot en scherp als de nagels uit een
-tijgerklauw, ontzegde den toegang. Ineens, zonder overgang, de
-ontzagwekkende, meedoogenlooze, stomme strijd van het tropische
-oerwoud: boomkolos naast boomkolos. Worstelend om licht, trachten elke
-boom en plant in hun schaduw te verstikken wat zich rondom bevindt.
-Woudreuzen staan kruin aan kruin, als onoverwinlijke heerschers. Hier,
-in dit rijk van den sterkere, is zwakte een schuld, waarop de doodstraf
-staat, en kracht is recht.
-
-Maar ook sluwheid weet er zich te handhaven. Sluw zijn de
-woekerplanten, die, wel bewust, dat eigen grootheid hen niet dragen
-kan, zich hechten aan de sterke reuzen en, listig kronkelend, zich
-voedend met het krachtige bloed dier reuzen, hun wegen vinden naar het
-licht, daarboven.
-
-Raven zitten in de boomen; ze cirkelen met dreigend en naargeestig
-krassen om de toppen, of hokken in lange rijen zwijgend bijeen, als
-trieste, zwartgerokte gasten in een doodenhuis. Onder de takken door
-fladderen vleermuizen; zij kennen de verborgen gangen in het donkere
-woud, ze duiken weg en komen weer te voorschijn, onverwachts, met
-luimig vlerkenspel, als duiveltjes uit een heksengraf.
-
-De maan breekt door. Over het water komen de avondnevelen: ijle,
-wonderlijke gestalten in lange, bleeke, wuivende gewaden. Zij voeren
-bij het harpspel der golven een sluipenden, geheimzinnigen dans uit.
-
-Zwijgend, eenigszins beklemd, drentelen de oomes weer naar de jol. Dan
-worden haastig, zonder veel spreken, een paar tenten opgeslagen voor
-den nacht.
-
-In het Oosten licht iets rossigs tegen de wolken,—dat is de weerschijn
-van het vuur, dat de bij de Nieuw-Hoorn achtergebleven maats hebben
-ontstoken, in geval de lui van de jol nog denzelfden nacht mochten
-willen terugkomen. Het is ganschelijk overbodig, dat de oomes hier als
-antwoord óók een vuur ontsteken; maar ze kunnen het toch niet laten;
-het doet zoo goed, te weten, dat daarginds nog meer vrienden zijn en
-dat daar hun bovenste-beste schuit ligt, die toegetakelde kast, die met
-haar opgelapten grooten mast voor den drommel bij goeien wind nog twee
-knoopen méér maakte dan elke andere kast, en die hen allemaal, jongens
-van de compagnie, zou terugvoeren naar dat beroerde kikkerland, waar
-het toch zoo deksels gezellig kon zijn, waar je, in plaats van
-oerwouden, geraniums in een potje, hè-hè-hè! voor je venster had
-staan,—naar dat half ondergeloopen lapje grond, waar je met hard malen
-en ferme baggerlaarzen nog net doorheen kon modderen; naar dat
-boter-en-kaaslandje, waar je moei en je meissie kousen voor je breiden,
-je zoenden en een fijn bakkie koffie voorzetten uit den ouwen gebarsten
-koffiepot, die boven het vuur zoo lekker knussies roezemoezen kon.
-
-Zuchtend sliepen de oomes in.
-
-
-
-Maar den volgenden morgen waren ze herboren! Even een bad, dan een
-gloeiend bakkie op je nuchtere maag, een beetje stoeien, de tenten
-ingepakt, een stuk rogge achter je kiezen, en zingend en kauwend
-tegelijk roeiden ze de jol de rivier op. De monding was breed, wel
-tweehonderd ellen, en in het midden liep een diepe vaargeul. Maar
-allengs werd de rivier smaller, en groote, verspreid liggende steenen
-bemoeilijkten de vaart. De oever begon te stijgen, werd rotsachtig. De
-zware, donkere loofboomen begonnen langzamerhand geheel te
-overheerschen, drongen het lichtgroen, wuivend gebladerte der palmen
-terug.
-
-Tusschen steile steenen wanden gleed nu de jol stroomopwaarts. Hoog in
-de lucht omstrengelden elkaar de boomen van beide oevers. Aan
-vooruitstekende steenpunten hadden zich planten gehecht, welker
-bloemrijke stelen in sierlijken val omlaaghingen. Zwaluwen scheerden
-rusteloos heen en weer door de kloof, luid, doordringend tsiep-tsiep!
-roepend, waarschijnlijk uit bezorgdheid voor hun nestjes, waarvan de
-plaats door een streep vuil makkelijk te raden viel, al waren de
-hangmatachtige, grijze vogelhuisjes zelf ook handig aan het oog
-onttrokken. Hagedissen schoten in zig-zaglijnen tegen de loodrechte
-wanden omhoog. Hier en daar hing aan een rotspunt een geelgrijs
-bijennest, aan den onderkant omzoemd door een dichten zwerm.
-
-Pats! Een paar steenen of noten—wat waren het?—plasten in het water. De
-maats keken op. Waar kwamen die dingen vandaan? Wie had ze geworpen?
-Pats! Een nieuwe laag. Twee kletterden in de boot neer,—het waren
-noten. Wat bewoog zich daarboven, heel hoog, in de takken? „Apen!”
-meenden de maats. „Ze willen ons meppen!”
-
-Pats! Een nieuwe laag. Padde kreeg een noot op zijn gezicht, juist toen
-hij angstig omhoog keek. ’n Ferme bloedneus,—dat was gelukkig alles.
-Gerretje laadde een musket met ganzeschroot, mikte en knapte af. Het
-schot dreunde oorverdoovend in die nauwe kloof. Uit hoeken en gaten
-tuimelden vleermuizen, tolden piepend van den eenen wand tegen den
-anderen. Steentjes, door den plotselingen luchtdruk losgeraakt,
-kletsten het water in. Maar het schot had doel getroffen. Den kop naar
-beneden, een langen, geringden pluimstaart als een vlag omhooggestoken,
-suisde een aapje omlaag, viel tien ellen voor de boot in het water. Een
-roze sneeuwval van teere bloesems dwarrelde neer en dekte aapjes graf.
-De maats grepen het diertje, toen de stroom het aan de jol
-voorbijvoerde. Drie, vier gaten in het lichte, zachte borstje toonden,
-hoe bitter goed het schot was aangekomen. Het kopje was zilver-wit van
-kleur; een zwarte vlek lag om de nu gesloten oogjes.
-
-In de boomen daarboven waren intusschen de andere notenwerpers van hun
-ontsteltenis over het schot bekomen: het regende weer noten. De Neus,
-die een noot tegen zijn wang gekregen had, waarbij zijn oor leelijk
-gekwetst was, pakte op zijn beurt grimmig een musket.
-
-„Laat dat, Neus! Hoe meer je schiet, hoe beroerder we er aan toe zijn!”
-
-Maar de Neus wilde niets hooren. Hij laadde het musket, drukte af.....
-Boem!
-
-Toen gebeurde iets ontzettends. De steenen wand van den linker oever
-vertoonde in eens over de geheele hoogte een scheur; er kwam beweging
-in; een scherp gekraak,—toen zakte de wand voorover, kwam tegen den
-anderen wand te staan, brak doormidden en stortte donderend, vlak
-achter de jol, in de rivier. De boot kwam na in schuine richting omhoog
-te te zijn geslingerd, een eind verder weer neer en werd in hetzelfde
-oogenblik bedolven onder het loof van een zwaren boom, die door de
-vallende steenlaag was neergerukt. Wonder boven wonder werd het
-vaartuigje in zijn tuimeling niet verpletterd.
-
-Lijkwit, tot op het hemd doorweekt, zaten de maats in de jol, de beide
-handen om het boord geklemd. „Daar hadden we slechter kunnen afkomen”,
-meende Bontekoe lakoniek.
-
-Een paar maats vonden hun spraak terug en begonnen den Neus de huid vol
-te schelden. Deze zat rondom in het dichte gebladerte, een bloesemkroon
-om de slapen, die hem een feestelijk aanzien verleende. Maar zijn
-stemming was volstrekt niet feestelijk; wezenloos, met de ontzetting
-nog in de oogen, staarde hij naar zijn makkers.
-
-„Het is een losse wand geweest”, stamelde Rolf.
-
-„Laten we onder de boom zien weg te komen”, raadde Bontekoe. „Zoometeen
-gaan we hier kopje-onder!”
-
-Zoo was het. Door de plotselinge stremming wies het water zienderoogen.
-En daar de boot onder den boom gekneld zat, moest ze wel volloopen!
-
-Alle handen aan het werk! De maats kapten met bijlen en messen een
-uitweg voor de jol, die na veel gewurm vrijkwam.
-
-Binnen weinige minuten zou het water over den rotswand een geduchten
-val vormen.
-
-„Hoe straks terug te komen?!”
-
-„We zitten als ratten in een val”, stotterde Floorke.
-
-„Doorroeien!” beval Bontekoe. „Misschien vinden we hoogerop een
-zijrivier, die ook in zee uitloopt.”
-
-Verdraaid, dat was zoo mal nog niet! Als ze een zijrivier vonden, waren
-ze klaar! Pats! de riemen scheerden alweer over het water. Eén
-voordeel: nu het water was opgeloopen, roeide het vrij wat lichter. En
-de apen waren ze kwijt! De kwelgeesten schenen den schrik te pakken te
-hebben.
-
-Wanneer zou er eens een eind komen aan die hooge, beklemmende wanden,
-die slechts op een musketschot schenen te wachten om voorover te vallen
-en een stel arme janmaats te laten verongelukken? Bij elke bocht
-hoopten ze het einde van de kloof te zien. En ten slotte..... daar
-daalden de oevers, en onmiddellijk verbreedde zich het waterbed. De
-oomes ademden diep op.
-
-In de kloof was het koel geweest, maar hier voelden de mannen de hitte
-weer geducht. De jol werd naar den kant, onder de schaduw der
-ontzaglijke boomen geroeid, en puffend zetten de maats zich neer op een
-groote rotssteenbank. De Neus wilde zijn zonde van daarstraks weer
-goedmaken, ging aan den oever wat hout sprokkelen. In een oogwenk had
-hij wat licht brandbare takken bijeen, en nu werd op de bank, met
-behulp van een paar kleine steenen, een oventje gebouwd, waarop Harmen
-zijn koffieketel plaatste. Rolf en Gerretje sleepten een net een
-eindweegs langs den oever, waarbij ze een aardig partijtje visch
-vergaarden, die gebakken werd in kokosolie. Toen de hongerige magen
-gestild waren, zette men den tocht weer voort.
-
-Aanvankelijk hield men het midden van den stroom, maar spoedig dwong de
-brandende zon de mannen de schaduw op te zoeken, al had men daar ook
-meer last van steenen. Merkwaardig stil was het woud. Soms krijschten
-papegaaien, of verscheurde een onbekende dierenroep de stilte. Maar de
-stilte sloot zich weer, vlak na het geluid, en van den weeromstuit werd
-er in de jol ook gezwegen.
-
-Allengs werd de rivier nauwer; men kon thans in het midden varen: de
-boomen van beide oevers sloten hun kruinen over het water aaneen.
-
-Een paar kleine herten stoven verschrikt weg, het gewei achter in den
-nek. Steeds zwaarder welfden de bladerenmassa’s zich over de nauwe
-rivier. Hier hing schemerlicht; de zon kon nergens doordringen. De jol
-schoof onder een boom door, waarvan de takken door het water sleepten;
-aan de twijgen bengelden groote, groene vruchten; de onderste waren
-door de visschen beknaagd.
-
-Harmen proefde er een. Ze was saprijk en heerlijk zoet. Toen plukten de
-maats wat er maar te plukken viel.
-
-Toen de jol onder den vruchtboom uitschoof, lichtte den maats op eens
-weer de volle zon tegen; in breeden val sloeg het goud door een opening
-van het bladerendak neer. En zie: badend in dat hemelsche licht stond
-een boom, zoo zielsverrukkend mooi, dat de oomes geen woorden vonden om
-hun bewondering te uiten. Hij was met sneeuwwitten bloesem overdekt en
-ademde een bedwelmend zoeten geur uit. Koesterend gleed het warme licht
-over het blanke bloemkleed, en tooverachtig dwarrelden vlinders en
-bonte, glanzende kevertjes in het goud.
-
-De bewonderende uitroepen gingen echter spoedig in verwenschingen over,
-toen bleek, dat die prachtige boom een haast onoverkomelijken
-hinderpaal vormde in den waterweg. Nergens was een doorgang te vinden.
-Er met den bijl een hakken? Dat zou weer een half uur ophouden.
-
-Hajo werd door Bontekoe uitgezonden om de rivier hoogerop eens te gaan
-verkennen. Na zich met zijn lenig jongenslichaam door de nieuwe
-hindernis heengedrongen te hebben, zag hij, dat de rivier verderop
-steeds meer dichtgroeide.
-
-Men hield krijgsraad. Er zat niets anders op dan maar weer terug te
-roeien en—hoe, dat wist niemand nog!—de jol heen te helpen over den
-waterval, die door den gevallen rotswand ontstaan was.
-
-Ook iets anders baarde zorg. In het Westen begon de lucht te betrekken.
-Vooraan kwamen een paar donkere wolken, als ruiters op verkenning;
-daarna een zwarte drom, staag aanrukkend.
-
-„Een regenboog!” riep een oome. Daar stond hij, fel en valsch tegen het
-zwart. Maar meteen schoof een loodkleurige wolk voor de zon; verschrikt
-schoten de gouden stralen ter zijde uit, boorden in het groezelig
-grauw, verfletsten, en ook de regenboog bleekte weg.
-
-Nu werd alles in schemer gehuld. Men voelde de hitte toenemen, een
-broeierige hitte, die het ademen moeilijk maakte. De maats spanden, in
-afwachting van den komenden regen, een zeil over de jol. Het zweet
-droop hun van de schouders.
-
-Kom, bleef het onweer nu nog lang uit? De spanning prikkelde; de heele
-natuur verlangde naar den eersten, bevrijdenden donderslag. Daar kwam
-hij! Vlak op het weerlicht, dat alles in ’t vaalgroen zette. Papegaaien
-krijschten.
-
-Daar ratelde de tweede slag; als kon het geluid niet meer sterven, zoo
-lang weerklonk het in het woud en rommelde het in de verte na. Flits!
-Boem! Driemaal achtereen. Hoor de demonen razen! Ze zitten elkaar na,
-daar in die zwarte wolkenwereld; ze klauteren op hun duivelsrossen en
-slingeren bliksemstralen rond. Hoor het razen van de trommen, het
-schelle bonzen der strijdbekkens! Daar komen ze, nieuwe, zwarte
-drommen; ze stuiven voorwaarts, botsen opeen. Valt aan! Hu, rossen,
-valt aan!! Rondom grauwen en grommen en grimmig geweld!
-
-Dan..... de bevrijding! Daar klettert hij neer, de forsche, ruischende
-regen, bevruchtend en heilbrengend. Jubelend davert hij in de bladeren,
-lachend spet hij in het water en roert het, tot de bruine modder naar
-boven wentelt.
-
-Voorbij..... Met een diepen zucht kruipen de maats onder het zeil weg,
-rekken de verstijfde leden en ademen uit volle borstkas. Vol nieuwen
-moed pakken ze de riemen op en vangen den terugtocht aan.
-
-
-
-Verwonderlijk snel ging het nu, met den stroom mee; om vier uur was men
-weer bij de kloof. Hier werd de jol gemeerd. Langs beide oevers zou een
-dozijn maats de boot volgen met een stuk of wat stevige touwen, en zoo,
-van boven uit, hoopte men de jol over de hindernis te kunnen tillen. De
-schipper zou met Floorke en nog een handvol fiksche maats aan boord
-blijven.
-
-Men nam afscheid. De oomes aan de beide oevers klauterden langs de
-rotsen omhoog, en de jol schoot met z’n kleine, dappere bemanning de
-kloof binnen. De stroom versnelde zich nu weer verbazend; er moest heel
-wat stuurmanskunst worden aangewend om een ongeluk te voorkomen. En bij
-de plaats des onheils gekomen, scheelde het maar een haartje, of alles
-was nog misgeloopen. Had men voor enkele uren nog stroomopwaarts
-geroeid, nu zou daar geen denken meer aan zijn; zoo had de regen het
-stroompje doen zwellen. Met groote snelheid dreef de jol in de
-richting, waar donderend watergeweld den val aankondigde; men trachtte
-de vaart te stutten door de riemen als boomen te gebruiken.....
-vergeefs! De haren rezen den kerels te berge.
-
-Floorke, handig als de drommel zelf, zette zich in het dansende
-vaartuigje schrap, sloeg fiks een lus in een touw, wierp het als een
-lasso om een vooruitstekende rotspunt, wikkelde toen met een
-bliksemsnellen slag het einde van het touw om de roerpin. Een knoop er
-op, waar geen landrot wat van snapte, en de jol bleef met een ruk
-liggen. Een zware zucht steeg op uit aller borst. Met Floorke kon je
-uit visschen gaan. Er werd nog een touw om de rots geslagen, voor het
-geval de eerste zou afbreken. Daarna wachtte men zwijgend—het geraas
-van den waterval maakte elk onderhoud onmogelijk—op de komst der
-anderen.
-
-Dezen hadden vrij wat meer tijd noodig om vooruit te komen en zeker
-niet minder moeilijkheden te overwinnen. Het was een eindeloos
-klauteren, een staag voortworstelen door struikgewas en boomstammen, en
-nu en dan moest men zelfs van den eenen boom in den anderen
-overklimmen. Een escorte half-apen begeleidde hen daarbij, hield zich
-den buik vast bij de stumperige klimpartij dier witte monsters. De
-takken waren nog glibberig van den regen; om den haverklap gleed een
-oome uit en kwam wonder boven wonder zonder gebroken hals of beenen in
-de doornen terecht. De maats gingen tot den maatregel over, dien men in
-de bergen toepast: een gemeenschappelijk touw verbond hen. Als er nu
-weer een viel, bleef hij aan zijn riem hangen. Hilke aan den
-linkeroever, en aan den rechter de Neus, die ook niet voor een klein
-geruchtje vervaard was, wierpen zich als voormannen op; aan hen de taak
-om met een bijl de versperrende lianen weg te kappen.
-
-Daar de partijen beide het eerst wilden aankomen, werd er niet gerust.
-En zoo kwamen de mannen vrijwel gelijktijdig bij de jol. De touwen
-werden omlaag geworpen en reikten krap aan. Met fikschen slag trokken
-de kerels in de boot ze onder de kiel door, zoodat de jol in een
-schommel kwam te hangen.
-
-„Alles klaar?” De oomes sloegen hun knuisten om de touwen; langzaam
-werd de kabel, die door Floorke om den rotspunt was geslagen, gevierd;
-twee dozijn gespierde oomes tilden de jol op, droegen haar over de
-gevaarlijke plaats en lieten haar met kleine rukjes zakken, tot ze weer
-op het water lag. Oef.....! dat was goed gegaan.
-
-De touwen werden nu om een stam geslagen, en mannetje na mannetje liet
-zich weer in de jol glijden, tot allen beneden waren. Toen liet men de
-touwen los, en de jol gleed weer voort in den bruisenden stroom. Van
-den linkeroever lieten zich vlak achter de maats aan een paar half-apen
-langs het touw omlaag slieren en bungelden nu krijschend, aan één arm
-en één voet heen en weer. Daarop verloor men, bij een bocht, de zoo
-moeilijk overwonnen hindernis uit het oog.
-
-Even later schoot de jol de kloof uit en dreef weer voort tusschen
-vlakke, wijde oevers. De mannen zagen nu, dat de zon al achter de
-bergen zat. En bij het naderen der riviermonding viel de duisternis in.
-De maan was vol, maar school telkens achter donkere wolken. Dan openden
-zich rondom griezelige spelonken. Uit den hemel drupte zwarte inkt
-omlaag: het regende weer wat.
-
-Heimwee bekroop de maats, heimwee naar hun schip, naar hun makkers,
-naar het vooronder, naar het gevoel weer een veiligen Hollandschen
-bodem onder de voeten te hebben. Hoewel de lucht er dreigend uitzag,
-voelde geen der mannen lust om aan land te overnachten: bij de monding
-der rivier gekomen, zetten ze zwijgend den mast op, heschen het zeil en
-stuurden in zee.
-
-De wind sloeg bij vlagen door, zoodat het zeil luimig rukte en de jol
-sterk en onverwacht deed hellen. Men hield den kop van het vaartuigje
-zooveel mogelijk recht in de golven, wat gelukkig niet moeilijk viel,
-want wind en stroom kwamen uit het Noorden, en men was op den heentocht
-geducht naar het Zuiden afgezakt. Maar de zee was al even luimig als de
-wind: telkens kwam, vóór men er op verdacht was, een zware golf, die de
-jol hoog op haar armen tilde en weer in de diepte kwakte, zoodat de
-oomes in een ommezien doornat waren.
-
-Steeds woeliger werd de zee; steeds heftiger drukten de windstooten in
-het zeil.
-
-Hopla! De jol schepte water. Baliën! Gelukkig had men putsen
-meegenomen. Verjoppie, daar dreigde het stuurboord voor de tweede maal
-onder water te schieten; de mannen lieten zich naar bakboord
-overvallen; de mast kraakte onder den hevigen druk.
-
-„Zullen we reven, stuurman?” vroeg Bontekoe.
-
-„Me dunkt, we kunnen het nog wel even houden, schipper!”
-
-De maats hadden schik. Laat het zeil maar op; de jol lag vast genoeg;
-ze zouden wel zorgen, dat-ie niet kiepte. Hoe gauwer thuis, hoe liever!
-Ze hebben de putsen klaar om te baliën,—jongens van stavast, wà-blief?
-Kennen de zee als moeders waschtobbe. Hei! wat schoot de jol door de
-golven! Hoe smeuïg doopte-d-ie, bij het afglijden van zoo’n gladden
-golfrug, z’n neus in den volgenden!
-
-Op eens.....! Aan bakboordzij een hooge, donkere muur; de jol werd
-weggezogen, tegelijkertijd overkruifde haar van achteren een andere
-golf; een witte mantel van schuim werd hoog over de jol zwierig
-uitgeworpen,—toen kregen de arme kerels, die van schrik overeind
-gevlogen waren, de volle lading binnen. „Baliën!” Ze voelden nog bodem
-onder de voeten; de jol dreef dus, al lagen de boorden zoowat met het
-water gelijk. Hijgend en vloekend van angst hoosden de kerels. Wie geen
-puts had, wierp met handen en mutsen het water terug. Bontekoe greep
-een vaatje olie en goot dat aan bakboordzijde leeg. Daarna spande hij
-samen met Hilke, terwijl de anderen nog druk aan het baliën waren, een
-zeiltje over de plecht, om het water af te weren. En toen het hoozen
-gedaan was, werd ook het gedeelte achter den mast overspannen, slechts
-vrijlatend een plaats voor den man aan het roer. „Als we nou kiepen,
-kunnen we zeggen: samen uit, samen thuis!” meende een oome.
-
-„Het vuur!” riep de stuurman. De maats gluurden onder het zeiltje door
-en zagen den rossen schijn. Dat gaf moed!
-
-Een golf van heb-ik-jou-daar mepte op het zeil. De oomes hadden schik.
-Als het zeiltje er niet geweest was, nou! Ze sjorden het voor alle
-zekerheid met nog een paar touwen vast. Hopsa! Kon men ergens ter
-wereld lustiger dansen dan op zee? De leut was er bij de kerels niet
-meer uit te krijgen. Ze dreinden daar onder hun zeiltje alle deuntjes,
-die ze kenden. Binnen een uur zouden ze veilig op één oor liggen!
-
-Maar de pret dreigde leelijk verstoord te worden. Een windvlaag drukte
-het zeil zoo ver neer, dat de jolboord onderdook, en het water over de
-geheele breedte naar binnen stroomde. De maats verstomden, voelden, dat
-de jol nog verder overhelde.....! Snel als de gedachte trok de Neus z’n
-mes en sneed met een forschen ruk het strakgespannen ondertouw door,
-waaraan de boom met het zeil uit alle macht trok. De boom sloeg weg,
-beukte in het water; het zeil rukte woedend, vloog in flarden. Maar de
-jol richtte zich overeind, al stond ze ook weer half vol water. De
-maats spanden hun rug tegen het zeiltje, dat de touwtjes knapten, en—in
-koortsige haast hoozende—scholden ze den Neus uit voor al wat leelijk
-is. Want bij een ongeluk behoort een zondebok.
-
-Ditmaal was de Neus minder beteuterd: hij was terecht overtuigd, de jol
-en al zijn makkers voor een wissen ondergang behoed te hebben.
-
-Nu, roeien dan maar! De golfslag werd minder hevig: ze naderden land.
-Daar dook de verlichte Nieuw-Hoorn al achter een waterrug op! Moed,
-jongens!
-
-Een half uur later zagen ze gestalten op het dek. „Ahoy!” riepen de
-oomes, staken de lantaren aan en zwaaiden er mee. De wacht in ’t
-kraaiennest antwoordde. De maats voelden zich al weer thuis. „Blij toe,
-jongens!”
-
-„Nou!” In de kombuis werd licht opgestoken. Beste, brave Bolle! Ze
-roeiden naar de lijzijde, grepen de touwen, die hun werden toegeworpen,
-sloegen ze door de hijschpinnen.
-
-Toen klauterden ze stuk voor stuk langs de valreep omhoog.
-
-„Daar zijn we weer!”
-
-„En? Hoe hebben jullie ’t gehad?”
-
-„’n Fijn tochie! De Neus heit half Maddegasker an puin geschoten.”
-
-„Is ’t waar, Neus?”
-
-„Op je gezicht! Als ik er niet was geweest, waren ze met z’n allen naar
-de haaien gedoken!”
-
-In optocht, met knikkende knieën, begaven de teruggekeerde oomes zich
-naar de kombuis, waar ze trillend van welbehagen de gloeiende koffie
-opslurpten, die Bolle ondanks het late uur voor hen had opgezet, toen
-de wacht hen in zee had gesignaleerd. De natte kleeren van ’t lijf,
-droog ondergoed aan en onder de wol. Hè!
-
-Ze snurkten.....! ’t Was bij de varkens af,—vond een maat, die twee
-dagen lang gepoetst had en daarbij alle levensvreugde was kwijtgeraakt.
-
-
-
-De koopman ontving Bontekoe gekleed in de kajuit. „En heeft de tocht
-wat opgeleverd?” vroeg hij.
-
-Eerst nu kwam Bontekoe tot het besef, dat de tocht geheel vruchteloos
-was geweest. In zijn vreugde over den gelukkigen afloop na al de
-gevaren, die hen hadden gedreigd, was hem dat gansch en al door het
-hoofd gegaan. Nu ineens stond hij voor de nuchtere vraag, wat de tocht
-had opgeleverd.
-
-„Een nat pak kleeren”, was zijn antwoord.
-
-„Daar heeft de Compagnie niet veel aan!” meende koopman Rol
-glimlachend.
-
-„De Compagnie!” Hoe langer de Nieuw-Hoorn op reis was, hoe dieper zich
-in Bontekoe onbewust het gevoel geworteld had, dat het schip van hèm
-was en van z’n tweehonderd kerels, die er elken dag hun leven voor veil
-hadden. Hij voelde zich, ook nu weer na die korte worsteling met de
-zee, heer en meester op de Nieuw-Hoorn. En de koopman, de bloedlooze
-rekenaar, die voor geen avontuur in gloed te zetten was, die stille
-potkijker, dien hij, schipper Bontekoe, voor den duivel, nog als
-lichtmatroos niet zou kunnen gebruiken, zwamde over „de Compagnie!”
-
-Straks, als de schuit veilig gemeerd op de reede van Bantem lag, dan
-kwam „de Compagnie” aan het woord, dan kon Rol koopen en verkoopen, tot
-hij al zijn boeken had volgekrast. Maar de taak om de Nieuw-Hoorn
-veilig daarheen te brengen, was voor hèm, Willem IJsbrantsz. Bontekoe,
-op dit oogenblik nog: naast God schipper op zijn schip!
-
-„De Compagnie!” herhaalde hij driftig, draaide den verbluften Rol
-vierkant den vierkanten zeemansrug toe en ging ter kooie.
-
-
-
-
-
-
-
-
-BRAND!
-
-
-Den negenden dag, dat de Nieuw-Hoorn voor Sante-Marie lag, waren allen
-genezen. En men ging welgemoed onder zeil, vertrouwende, dat de
-voorraad versch voedsel toereikend zou zijn. Men koerste eerst
-Zuid-Oostwaarts tot op 33° en wendde den steven daarna Noord-Oost naar
-Straat Soenda.
-
-Het waren mooie, stille dagen. De maats hadden de handen vol met het
-onderhoud van het pluimvee. Maar heel hun leven hadden de oomes niet
-zooveel eitjes gepeuzeld.
-
-Padde werd in den loop der weken zelf zoo rond als een ei. Men ried hem
-wat beweging aan. Zuchtend besloot Padde het werkje over te nemen, dat
-tot nu toe de Schele altijd had verricht, namelijk ’s middags met een
-vaatje in den kelder te gaan en dat vol te pompen, ten einde den
-volgenden morgen allen oomes een half „mutseke” te kunnen verstrekken.
-
-Joppie kreeg spreeklessen. Een kreet van blijde verrassing ging onder
-de oomes op, toen hij duidelijk verstaanbaar: Hajo! krijschte. Maar nu
-bleek, dat Joppie al niet veel beter was dan de menschen: ook hij
-stelde zijn kennis in dienst van het booze. Hij riep zijn meester den
-ganschen dag, liefst barsch, bevelend, zooals Berentsz. het deed, dan
-weer lokkend, vleiend, of angstig, opgewonden, als wilde hij zeggen:
-Kerel, je bent me toch niet overboord gevallen?—Zoo kwam Hajo soms
-buiten adem aanhollen om te vragen wat de bootsman van hem wou, en vond
-dan, in plaats van een grimmigen Folkert Berentsz., een
-allervriendelijksten Joppie, die hem den kop toestak om gekrauwd te
-worden. Alle maats, die den leergierigen vogel hun naam wisten in te
-pompen, kregen er spijt van als haren op het hoofd.
-
-Joppie leerde ook zijn eigen naam en toonde in het uitspreken ervan een
-groote mate van zelfingenomenheid. De maats wisten niet waar ze bleven
-van het lachen, wanneer Joppie zijn naam in alle toonaarden, den een
-nog vleiender en liefelijker dan de andere, uitgalmde.
-
-Gerrit was tevreden over zijn pleegkind. Hij had aanvankelijk wel wat
-raar tegen den krommen snavel en de bonte pluimage van den jongen
-„torenkraai” aangekeken, maar nu herkende hij in de wijze, waarop
-Joppie: Ka! kon zeggen, toch duidelijk een rasgenoot.
-
-Toen de oomes vonden, dat Joppie meer dan wijs genoeg was, nam Padde de
-taak over om Joppie’s leergierigheid te bevredigen.
-
-„Vooruit!” zei Padde, „zeg nou eens: Padde Kelemeijn!”
-
-Joppie keek hem pienter aan. „’t Is een merakel!” meende het dier toen.
-
-„Vooruit!” mopperde zijn leermeester. „Padde Kelemeijn! Zeg het dan,
-stommeling!”
-
-Joppie hield z’n kop schuin, luisterde vol aandacht. Toen keek hij
-Padde trouwhartig aan en schetterde: „Stommeling!”
-
-„Je bent zelf een stommeling!” gromde Padde, die rood werd van drift.
-
-„Kletskoek”, verklaarde de vogel en keek luchthartig naar boven.
-
-Padde staarde het dier met opengespalkte oogen sprakeloos aan, keerde
-zich toen om en nam zich voor, geen woord meer aan het mormel te
-verspillen.
-
-
-
-Zoo kwam een dag, die den mannen van de Nieuw-Hoorn lang heugen zou: de
-negentiende November van het jaar 1619.
-
-Naar gewoonte begaf Padde zich in den namiddag naar den kelder, daalde
-met zijn kaars het korte trapje af en plaatste het licht op een volle
-ton, om de handen vrij te hebben voor het pompen.
-
-
- „Mallemallemootje,
- Zeven in een bootje;
- Mallemallemootje, mallemallemoer,
- Zes aan de riemen en een aan het roer!”
-
-
-zong Padde, blijgemoed pompende. Het vaatje was vol; Padde bevrijdde
-met zwierigen greep de kaars, die hij op de ton had vastgesmolten. Toen
-viel—kon het ongelukkiger?—het gloeiend eindje der kaarsepit in het
-spongat; de brandewijn daarbinnen vatte vuur; de duigen scheurden met
-een doffen knal uiteen, en de brandende vloeistof dekte ineens den
-geheelen kelderbodem. Met een schreeuw vloog onze botteliersmaat het
-laddertje op, zag twee putsen water staan, waarmee Hajo en Rolf aan het
-dekschrobben waren, greep de putsen en keerde ze boven het luik uit.
-
-„Padde! Wat is er?!”
-
-De arme dikzak wilde wat stamelen, maar het was niet meer noodig: het
-sissen, knetteren en de wolk verdampt water, die uit het luik opsloeg,
-zeiden genoeg.
-
-„Brand! Brand!!!”
-
-Dat werkte. Van alle kanten kwamen de maats met verschrikte gezichten
-aanhollen, sommigen al met volle putsen. „Wáár is de brand?!”
-
-„In de kelder!!” Angst en opwinding trilden door aller stem. In razende
-haast zocht men naar putsen. Heele plassen water werden door het luik
-geworpen.
-
-Folkert Berentsz. klauterde, nadat men wel een honderd emmers water had
-leeggeworpen, den kelder in en kon daar gelukkig geen brand meer
-ontdekken. Intusschen had Bontekoe zich naar het ruim gehaast, waar,
-zooals hij terecht vermoedde, plassen brandend vocht den bodem dekten.
-Hij riep om putsen. Na een tiental te hebben leeggegoten, scheen ook
-daar de brand gebluscht.
-
-Een zucht van verlichting ging op, toen men hoorde, dat de smidskolen
-niet door het vuur waren aangetast. Nog hijgend van opwinding, besprak
-men het gevaar, dat gedreigd had. Als de brand tot in den kruitkelder
-was doorgedrongen.....
-
-„Padde!” werd er geroepen. „In de kajuit komen!”
-
-De arme jongen trilde over al zijn leden. Ongemerkt wist hij door een
-luik in het ruim te glippen. Daar was het stikdonker; tastend daalde
-hij het steile trapje af. Beneden gekomen, wankelde hij naar een hoop
-touw, ging zitten, borg het hoofd in de handen en schreide,
-schreide.....
-
-Stil! Wat hoorde hij daar?! Met bonzend hart luisterde Padde. Hij
-durfde de oogen haast niet te openen in dit griezelig donker. Krak!
-Knaps! Kritsch! Klappertandend richtte Padde het hoofd op. Was het een
-koortsschim? Daar, aan den anderen kant van het ruim, laaiden groote
-vlammen op! Een zwavelige lucht drong Padde in den neus. Groote
-God.....! De kolen brandden.....!!
-
-Met een schreeuw vloog Padde naar de ladder. „De kolen...! De
-k-kolen!!!
-
-Een nieuwe paniek. „De kolen?! Branden de kolen?!!”
-
-Een paar kloeke maats zijn het eerst weer het ruim in, gewapend met
-putsen water, die ze hijgend leegkletsen over de brandende kolen. Gesis
-van heb-ik-jou-daar; gele zwaveldampen barsten uit den gloeienden berg
-te voorschijn, en in een oogwenk is de lucht in het ruim zoo benauwend,
-dat men het er geen twee minuten kan uithouden.
-
-Maar de kerels zijn taai. Altijd opnieuw dalen ze met volle putsen
-langs het smalle laddertje in het ruim af, banen zich een weg in het
-verpeste zwavelhok, werpen het water over de kolen en zoeken tuimelend,
-vloekend, met betraande oogen den weg terug naar het laddertje.
-Hoevelen vinden den weg? Hoevelen zakken bedwelmd, reeds half verstikt
-ineen, na in radeloozen angst heen en weer gerend te zijn?
-
-Bontekoe leidt zelf het werk,—tot zijn stem versmoort, en hij wankelend
-de ladder op vlucht. Maar een minuut later is hij weer beneden. „Moed,
-jongens!”
-
-Men kapt gaten in het tusschendek, werpt ontzaggelijke hoeveelheden
-water in het ruim. Zou het helpen? De planken bodem onder de voeten
-wordt steeds heeter; de maats springen als zandvlooien rond, moeten om
-den haverklap hun half verschroeide voetzolen koelen in de putsen
-water, die ze aandragen.
-
-Zou men het kruit overboord werpen? De kans om in deze streken een
-Spaansch schip te ontmoeten is bedenkelijk groot. Zonder kruit aan
-boord zou men verloren zijn. Nu, met het wegwerpen van het kruit dan
-maar tot het uiterste gewacht.
-
-Hou vast, mannen!
-
-
-
-Maar er waren verraders. Wetende, dat de jol en de sloep achter het
-schip aansleepten, (de jol was sinds het vertrek van Sante-Marie nog
-niet binnengehaald, en de sloep was daareven uitgezet, omdat ze bij het
-bluschwerk in den weg stond) hadden enkelen het voor raadzaam gehouden
-zich overboord te laten glijden, naar de jol of de sloep te zwemmen en
-zich onder de banken te verbergen. De koopman, die juist naar de kajuit
-ging om in elk geval reeds zijn voornaamste papieren bijeen te binden,
-zag juist een kerel de jol inkruipen. „Wat heeft dat te beteekenen!”
-schreeuwde hij.
-
-„Kom ook in de booten, Koopman!” riepen de maats. „Temet vliegt de
-heele kast aan gruzelementen!”
-
-„Als jullie niet terugkomt, waarschuw ik de schipper!” riep Hein Rol
-driftig.
-
-„Dan kappen wij de touwen door!”
-
-„Schurken!” was Rol’s verontwaardigd antwoord.
-
-„Ga je mee of niet?” werd er uit de jol geroepen.
-
-De koopman weifelde even, maakte een onwillig gebaar. „Ik kom!” riep
-hij toen norsch. En hij spoedde zich naar de kajuit om zijn paperassen.
-
-Want kostbaarder dan zijn eer, waren hem zijn papieren.
-
-Toen hij zich langs een touw in de jol had laten glijden, kapten de
-maats de booten vrij. „Roeien jullie weg?!” vroeg Rol verschrikt.
-
-„Neen, waarachtig niet, we zullen in de buurt blijven om te helpen.
-Maar zoo meteen vliegt de boel aan stukken, dan moeten wij buiten schot
-zijn.”
-
-De koopman zweeg, keek met bezorgd gelaat naar het schip, waaruit een
-vuil-gele rook opwervelde, die masten en touwen aan het oog onttrok.
-„’t Is gekkenwerk om nog aan blusschen te denken!” zei hij, om zijn
-geweten gerust te stellen. En hij blies zich in de bleeke handen, die
-geschaafd waren door het omlaagglijden langs het touw.
-
-
-
-Op het schip vochten de anderen. Met toegeknepen oogen gaven de mannen
-elkaar de volle putsen over. Hou vast, jongens!!
-
-Daar kwam de barbier aanhollen. „Schipper! De booten zijn weg!!”
-
-De mannen zijn verlamd van schrik. „De booten weg?!!” Alles vliegt naar
-de verschansing. Daar drijven de booten!! Een stomme woede maakt zich
-van de verlatenen meester.
-
-„Schipper! Wat nou??!”
-
-Zóó hebben de mannen hun schipper nog nooit gezien. Het open
-zeemansgelaat is plots vertrokken van toorn en smart. „Haal de zeilen
-om, mannen! We zullen ze onder de kiel stroopen!”
-
-Smart over de wonde, die hun makkers hun geslagen hebben, doet de maats
-het want invliegen en, tastend in den groezeligen rook, met
-opeengeklemde tanden de zeilen krap zetten. Zoo koerst men recht op de
-booten af.
-
-Daar schijnt het dreigend gevaar vermoed te worden. De kerels roeien
-als dollen, steken drie scheepslengten voor de Nieuw-Hoorn over, den
-boeg in den wind, zoodat ze niet achtervolgd kunnen worden.
-
-„Wel, laat hun geweten hen dan straffen!” roept de schipper. „Nu het
-kruit maar overboord, mannen! De schuit drijft nog! Als we er
-aangaan,—dan met z’n allen!”
-
-„Leve Bontekoe!!!” brullen de oomes, al is het alleen maar om den
-laffen kameraden daarginds te laten hooren, dat er nog kerels zijn, die
-niet in de booten kruipen, als de schuit in gevaar is. Grimmig pakken
-ze met hun verweerde knuisten de tonnetjes kruit, werpen ze van man tot
-man en zoo overboord. Op Bontekoe’s bevel laten de maats, die met
-timmergerei weten om te gaan, zich over de verschansing zakken, om
-onder het zee-oppervlak gaten in den scheepswand te boren. De schipper
-wil het ruim een paar vadem vol laten loopen en zoo den brand van
-onderen blusschen. Maar vergeefs zet men de boren in het hout: de wand
-zit vol ijzerwerk. Dan maar weer met putsen aan het werk!
-
-Hoei!! De vlammentongen lekken al uit een der luiken. Dat is de duivel,
-die er uit loert! Smijt hem den kop in!
-
-In koortsige opwinding komen de mannen met water aandragen.
-
-Maar hoogerop laait de vlam, en vreemd..... het kraken, knetteren,
-barsten, piepen houdt op. Zachtjes loeiend steekt het vuur een lange,
-roode tong uit de luiken.
-
-„De olie brandt!!!”
-
-Met verlamming geslagen laten de oomes de armen zinken; dikke tranen
-rollen den gebruinden kerels over de wangen.
-
-„Water!” roept een stem.
-
-Flang! daar gaan de putsen weer rond. Al gietende en de voeten
-koelende, grienen de oomes als kinderen. Maar opgeven? Ho maar!
-Hollandsche jongens, wâ-blief?! Grienen kan geen kwaad: tranen zijn ook
-water en helpen blusschen. Met hun bloote pooten staan ze schrap op het
-gloeiend heete dek.
-
-
-
-Een der dapperste voorwerkers, die koppig, oogen en lippen saamgeperst,
-in rook en damp te ploeteren stond..... was Padde.
-
-Hij boette zijn schuld.
-
-
-
-En men werkte. De wanhoop in het hart,—maar men werkte. Tot.....! Met
-verdoovend gekraak begaf zich het achterdek, en gillend stortte een
-handvol wakkere vrienden in de vuurzee. Hei!!! Hoe stoven de vonken tot
-hoog boven de masten uit! En de vlammen sloegen tegen de ra’s op,
-grepen de zeilen aan en zonden de blanke vleugels van de Nieuw-Hoorn
-verzengd, wijd uitlaaiend omhoog. De gescheurde kabels vielen slap neer
-in den vuurgloed en dienden duizend kleine vlammetjes tot ladder.
-
-De vlag moest veroverd worden! Op, vlammen! Haalt het neer, dat
-dartele, bonte doekske!
-
-Daar reet een vlam het omlaag en roofde het zijn kleuren. Danst nu,
-vlammen! Danst; de vlag is ons, danst, danst!
-
-Hajo, Rolf en Padde stonden bij den grooten mast. Verderop begon het
-dek door te buigen; er schoten bruine schroeivlekken in..... Toen
-sleurde Rolf zijn beide makkers naar de verschansing. „Het water in!”
-siste hij tusschen de tanden. De verbouwereerde knapen volgden
-klakkeloos het bevel op.
-
-Velen waren Rolf nagesneld en ook pardoes in zee gesprongen. Anderen
-hadden, verlamd van schrik, niet zoo snel een besluit kunnen vatten en
-zonken nu weg in de vlammen.
-
-Toen gebeurde het. Een ontzettende slag, een helsch gekraak, een
-prikkelend-scherpe lucht, versmoorde kreten, angstig geloei van het
-vee..... Het kruit had vlam gevat.
-
-Een nieuwe ontploffing! De Nieuw-Hoorn scheurde uiteen; masten,
-planken, menschen, dieren en brokstukken ervan vlogen de lucht in.
-Sissend, krakend, hoog opstuwend de kolommen zwarte rook en gouden
-vonken, kantelden de brokstukken van het gescheurde schip weer tegen
-elkaar en..... zonken in de golven weg.
-
-De mannen in de boot keken rillend toe.
-
-Was het mogelijk?! Was de Nieuw-Hoorn, hun prachtig schip, vergaan?!
-Die zwarte wolk tegen den bloedrooden avondhemel..... was dat alles,
-wat er van restte?!—Neen! Daar dreven op het water stukken mast,
-kisten, balken, en op die stukken mast, die kisten en balken klemden
-zich levende wezens. Te hulp! De handen aan de riemen!!
-
-
-
-Van onze drie Hoornsche vrienden was het Hajo, die het eerst zijn
-bezinning terugvond. Hij zag den bezaansmast drijven en werkte zich er
-op. Snel denkend en handelend, wierp hij Padde, die zich aan een
-langzaam volloopende houten bak had vastgeklemd, een masttouw toe.
-Padde zag het, tastte er naar, maar vond het niet. Hajo trok het touw
-in en wierp het opnieuw. Ditmaal wist Padde het te grijpen, liet zich
-naar zijn makker trekken en pakte hem kreunend bij de knieën.
-„Hajo..... o, God, Hajo.....!”
-
-„Klim op de mast!”
-
-„Ik kan niet meer.....!”
-
-Met inspanning van alle krachten wist Hajo zijn vriend schrijlings op
-den mast te krijgen. Snikkend leunde Padde het hoofd tegen Hajo’s
-schouder.—Nu Rolf! Groote God, waar zou Rolf zijn! In radeloozen angst
-keek Hajo rond. Verderop, buiten zijn bereik, worstelden een paar maats
-met de golven. Hier en daar werkten zich in de schemering gestalten op
-stengen, planken, tonnen of brokken mast. „Rolf! Rolf!! Rolf!!!”
-
-„Hajo!”
-
-Goddank! Rolf had zich op een mastkorf gered.—Waar waren de booten? Te
-ver om ze te beroepen. In de halve duisternis was het niet mogelijk te
-zien, of ze hier vandaan, dan wel hier naar toe roeiden. „Boot ahoy!
-Ahoy!”
-
-„Hajo.....!” kermde Padde.
-
-„Moed, Padde!” Hajo sloot zelf even de oogen om wat rust te vinden.
-Langzaam vloeiden de tranen over zijn wangen. Toen hij de oogen
-opsloeg, was de jol tot op een vijftig voet genaderd. Dichterbij kon ze
-niet komen door de vele, zware brokstukken, die overal ronddreven. Hajo
-mat den afstand tot de jol. Zou hij het halen? „Blijf hier zitten,
-Padde! Hou je goed vast!”
-
-„O, God, Hajo..... je gaat toch niet weg? Hajo.....?!”
-
-Hajo beet de lippen opeen, liet zich van den mast glijden en zwom in de
-richting van de jol. Maar onderweg werden zijn armen zwaar als
-lood.....
-
-Daar werd hem een touw toegeworpen. Hij greep het en liet zich naar de
-jol trekken. „Neen!” hijgde hij, toen de oomes hem binnen boord wilden
-halen, „ik rust maar even. Geef me het..... het touw mee..... ik
-wil..... ik.....” Zijn oogen sloten zich; zijn handen lieten den
-jolboord los; men kon hem nog net bijtijds grijpen en binnen boord
-halen.
-
-Toen sprong Bokje, de trompetter, met een loodlijn overboord, zwom naar
-Padde en liet zich samen met hem terugtrekken. Een tweede maat ging het
-water in en redde den Neus. Floorke kwam proestend, op eigen kracht
-aanplassen en begon den kerels in de jol de huid vol te schelden. Maar
-toen hij ze een voor een hun huid zag wagen om den haaien een
-drenkeling te ontrooven, zakte zijn gramschap weer een weinig. Men
-roeide de plaats rond, waar de Nieuw-Hoorn was ondergegaan. Ten slotte
-geloofde men alle drenkelingen te hebben opgepikt. Velen verloren het
-bewustzijn terstond, wanneer ze in de boot waren getrokken; anderen
-lagen nog van opwinding te schreien. Maar de schipper?! Waar was de
-schipper!!
-
-Daar verscheen Harmen’s kop aan bakboord. Hij liet zich in de jol
-trekken, spuwde een golf zeewater uit, wees verderop. „De sch.....
-schipper!” Toen begaven zich zijn krachten.
-
-Men zag in de door Harmen aangeduide richting in het duister een
-wrakstuk drijven en daarop een gedaante. De jol werd zoo dicht mogelijk
-naar den drenkeling toegeroeid; Bokje, de beste zwemmer van allen,
-sprong weer met een lijn overboord, en, ja, even later kwam hij met den
-schipper terug, die in de jol getild en achter in de roef werd
-neergelegd. Goddank! „Geef ons raad, schipper! Wat moeten we doen?!”
-
-Met matte stem ried Bontekoe aan, dezen nacht nog bij het wrak te
-blijven en den volgenden morgen wat levensmiddelen op te hengelen, die
-overal ronddreven. Hevige pijnen deden hem spoedig het bewustzijn
-verliezen. Men roeide nog eens om de ongeluksplek heen, maar vond in
-het duister geen menschelijk wezen, dood of levend, meer. Toen haalde
-men de riemen in, om den morgen af te wachten.
-
-Maar met de verschrikking voor oogen valt wachten moeilijk. Zij, die
-van vermoeidheid waren ingeslapen, werden met een gevoel van onrust
-weer wakker.
-
-„Laten we wegroeien!” zeiden ze. „Waarom roeien we niet weg?”
-
-De anderen schudden het hoofd. „We moeten morgen wat eten opvisschen.
-Met het beetje brood, dat we hebben, houden we het geen dag uit.”
-
-Maar de vragers waren niet tevredengesteld. „Wat hebben we aan eten,
-als de zee gaat aanloopen en de jol aan stukken slaat? Nu is het goed
-weer; laten we naar land zoeken!”
-
-„We moeten wachten! Bevel van de schipper!”
-
-Dan werd er een tijdje gezwegen.—Maar een nacht is lang. Een kwartier
-later begon de onrust weer. „Laten we toch wegroeien! We zullen wel een
-paar dagen vasten! Misschien hebben we morgen al land. We zijn immers
-niet ver meer van Sumatra!”
-
-„We moeten wachten. De schipper heeft het gezeid.”
-
-„Nou ja.....”
-
-„Wat: nou ja?! Ben jij soms een van die gluiperds, die er tusschen uit
-zijn gegaan?”
-
-„Als wij dat niet gedaan hadden, waren jullie met z’n allen voor de
-haaien geweest!”
-
-„Toch was het smerig!”
-
-„Weet je, wat ik smerig vind? Dat jullie er ons onderdoor wouden
-halen!”
-
-„Dat was je verdiende loon geweest!”
-
-„Maar het zat jullie toch niet glad, hè?”
-
-„Kom”, zeurt een ander, „maak geen herrie! Laten we nou wegroeien!”
-
-„Neen”, koppen een paar oomes, „de schipper heeft gezegd: neen.”
-
-Nieuw zwijgen. De minuten kruipen.
-
-
-
-Ineens vloekt er een oome, steekt de riemen uit en begint te roeien. En
-daarmee is de ban verbroken, die van ’s schippers woord uitging. Allen,
-die nog macht over hun lichaam hebben, grijpen een riem.
-
-Waarheen? Naar land! Waar ligt dat? Niemand, die het weet. Maar het
-roeien drukt de onrust den kop in. Roeien, jongens! Roeien! Niemand
-houdt het stuur.
-
-Enkelen worden wakker, ontwakend uit een nachtmerrie. „Waar zijn we?!”
-
-„In de jol.”
-
-„In de jol?” Even zwijgen. De vrager schijnt zijn herinnering wakker te
-roepen. „En waar gaan we nou heen?”
-
-„Naar Sumatra.”
-
-„Waar legt dat?”
-
-„Vlak bij. Pas maar op, straks val je er nog over!”
-
-Zwijgen. Stug roeien de kerels voort.
-
-„Hein”, vraagt er een met zwakke stem, „was jij dat, Hein?”
-
-„Ja, Kalle. Waar lig je?”
-
-„Voorin.—’k Heb zoo’n pijn.....”
-
-„’t Zal wel klaren, Kalle. Ik heb een verbrande poot.”
-
-„Hou hem in het water.—Zouwen we ver van land zijn, Hein?”
-
-„Ben je gek? Morgen, als het licht is, zien we ’t misschien wel. Wacht
-maar, Kalle, als ’t licht is, morgen.....!”
-
-De roeiers zuchten, halen de riemen aan.
-
-Platsch!—Platsch!—Platsch!
-
-
-
-
-
-
-
-
-IN DE BOOTEN
-
-
-Eindelijk klaart de morgen. Men tracht met de moede oogen den
-ochtendnevel te doorboren, die over het water hangt. Nergens land te
-zien.....—Ook de sloep is uit het gezicht verdwenen.
-
-Grienend laten de oomes de riemen zinken. Nu eerst voelen allen hoe
-afgemat ze zijn. Als de zon opgaat, is er geen een meer wakker.
-
-Stuurloos dobbert de jol op den stillen golfslag. Een heerlijk blauw
-uitspansel welft zich boven de onafzienbare watermassa.
-
-In den middag ontwaken enkelen. De slaap heeft verkwikking geschonken;
-de kerels voelen hun hoop weer opleven: de schipper is aan boord en zal
-wel goeden raad geven. Fluisterend, als waren ze in de stilte rondom
-voor hun eigen stemmen bang, bespreken ze den ondergang van hun
-prachtige schuit en het verlies van al hun schatten. De een had nog
-vijf vette ganzen gehad; die dobberden nou stellig ook ergens rond! Een
-ander had zijn mes verloren, z’n puike, fijne messie, dat ie verleden
-Zaterdag nog zoo lekker had aangezet. Zou je niet spinnijdig worden op
-dien beroerden botteliersmaat met z’n kaarsje? En z’n vrind Nelis was
-ook naar de weerlicht. Z’n vrind Nelis, waarmee-d-ie al wel door een
-dozijn schipbreuken goed was heengerold. Z’n mes en z’n vrind weg!
-
-Allengs werden allen wakker. Men wekte den schipper. „Wat moeten we
-doen, schipper? We zien het wrak niet meer en ook geen land.”
-
-„Zijn jullie dan toch van het wrak weggeroeid?”
-
-„Ja, schipper, we dachten.....”
-
-„Dat was verkeerd. Is er een zeil in de jol?”
-
-Men zocht onder de plecht en de banken. „Neen, schipper, geen stukkie
-zeil.”
-
-„Trek dan de hemden uit en maak er een zeil van.”
-
-Men sloeg vol vertrouwen aan het werk. De schipper zou hen wel naar
-Sumatra brengen! De stootballen werden binnen boord gehaald en tot
-garen uitgeplozen. Toen men voldoende meende te hebben, trokken de
-maats de hemden uit en begonnen ze aaneen te naaien tot twee zeilen.
-
-De barbier ging den toestand der gewonden na. Haast allen hadden zich
-min of meer de voetzolen verbrand. Eerst werd de schipper behandeld,
-die twee hoofdwonden had. Vader Langjas kauwde iets van het weinige
-brood, dat de eerste vluchtelingen inderhaast hadden meegesleept, tot
-een papje en legde dit op de kwetsuren. Ook de andere gewonden werden
-aldus behandeld. Rolf had een brandwond aan het been, die gedurende den
-nacht leelijk was opgeloopen en den braven barbier, die vaderlijke
-gevoelens voor Rolf koesterde, bezorgd zijn grijzen bol deed schudden.
-
-Men telde met z’n hoevelen men in de boot zat en kwam tot het getal
-zes-en-veertig. In de sloep konden hoogstens tachtig man zijn geborgen.
-En dus de anderen.....!
-
-Tegen de schemering waren de zeilen klaar. Men richtte den mast op, die
-in de jol lag, en haakte er den boom en de gaffel in. Een opgestoken
-roeispaan diende voor fok. Toen de beide masten stonden en de „zeilen”
-waren bevestigd, wendde men den steven Noord-Oostelijk. De bedroevend
-kleine voorraad brood werd bijeengelegd, en allen kregen er een
-vingerdikke snede van. Het was onrustbarend te zien, hoe zelfs het
-uitdeelen van een zoo geringe hoeveelheid den voorraad slinken deed.
-
-Padde had den heelen dag door geslapen. Toen hij ’s avonds ontwaakte
-van het lawaai, dat met het oprichten van den mast gepaard ging, borg
-hij terstond het hoofd weer in de armen weg en hield zich, angstig,
-slapende.
-
-Hajo was, als alle anderen, weer vol goeden moed, rekende er stellig
-op, dat, nu ze in de goede richting zeilden, morgen wel land in ’t
-zicht zou komen.
-
-Rolf, die de laatste paar maanden dagelijks de reis op de kaart gevolgd
-had, zag den toestand minder rooskleurig in. De pijn aan zijn been
-stemde hem ook niet vroolijker en maakte hem koortsig.
-
-Zoo viel de duisternis in, ving alles in haar wijde armen.
-
-
-
-Te middernacht maakt Gerretje een heidensch spektakel. „Land! Land!!”
-Alles vliegt overeind. „Waar is land?!”
-
-Aan bakboord, ver weg, pinkt een lichtje. Een dolle vreugde maakt zich
-van de schipbreukelingen meester. Men gooit de zeilen om, grijpt naar
-de riemen. Dat licht kan niet anders dan land zijn: midden op zee
-groeien geen lampjes als paddestoelen in een wei, wâblief? ’t Zou een
-wallevisch kunnen wezen met een lichie op z’n knikker! Neen, jongens,
-land is het! Floorke ziet al bergen. Morgen zullen ze onder de
-kokosboomen wandelen. Roeien, jongens!!
-
-Maar de bergen vervagen en stijgen als wolken omhoog. En in het lichtje
-komt beweging; het schijnt op en neer te gaan.....! Enkelen weifelen in
-het roeien, als vreezen zij hun angstig voorgevoel bewaarheid te zien.
-Dat lichtje daarginds is geen land! maar een hulkje met
-schipbreukelingen.....
-
-„De sloep.....!”
-
-De schrijning der teleurstelling wordt verzacht door vreugde over het
-weerzien. De sloep voert eveneens twee zeilen: lichtgrijze vlekjes. Men
-gooit de riemen weer neer en wacht de sloep af;—waarom verder van den
-juisten koers af te wijken?
-
-„Sloep ahoy!”
-
-„Ahoy!”
-
-Namen van vrienden worden heen en weer geroepen. Kreten van blijdschap,
-wanneer twee makkers elkaars stemmen herkennen.
-
-„Hebben jullie eten?”
-
-„Drie twee-ponds brooden. En jullie?”
-
-„Niets.”
-
-„Groote griebus! Welke koers varen jullie?”
-
-„Heelemaal geen koers. En jullie?”
-
-„Wij varen op de sterren. We hebben de schipper bij ons.”
-
-„De schipper?! Hóór je, mannen, de schipper is in de jol!! Schipper,
-ben jij daar? Leve de schipper, mannen!” Een schor, instemmend gebrul.
-„Wanneer zullen we aan land zijn, schippertje? Morgen al?”
-
-„Moed, mannen! Vertrouw op Gods Goedheid!”
-
-„Amen”, zeggen een paar vrome oomes.
-
-
-
-Gezamelijk werd de tocht voortgezet; de jol gaf de richting aan. Maar
-al spoedig bleek, dat de sloep achterbleef. Men greep naar de riemen en
-haalde de jol weer in. „Schippertje, neem ons over! We zullen mekaar
-verliezen! Neem ons over, dan zetten we alle zeilen op de jol en varen
-nog ééns zoo vlug. Toe, schippertje.....”
-
-Maar de oomes in de jol verzetten zich. „De jol is voor zooveel man te
-klein, schipper!” En toen de maats uit de sloep zich aan den jolboord
-vastklemden, stieten de anderen de sloep met ruw geweld terug.
-
-Een jammerklacht steeg op onder de verschoppelingen. „Schipper! Niemand
-van ons kan op de sterren varen! Moeten we dan om zeep gaan?”
-
-Maar de oomes in de jol kenden geen erbarmen. „Als we jullie met z’n
-zes-en-twintigen overnemen, zijn we allemaal voor de haaien!”
-
-Zuchtend grepen de arme kerels naar de riemen. De olielantaren werd op
-de jol overgebracht, zoodat men er zich in de sloep naar richten kon.
-
-Langzaam werd het licht. De mannen tuurden naar alle zijden over het
-watervlak.
-
-„Zie jij wat, Doedesz.?”
-
-„Net zooveel als jullie.”
-
-Allen zuchtten. Enkele oomes luchtten hun smart door Padde met
-verwijten te overstelpen. De arme jongen begon te snikken, en een paar
-anderen, in de eerste plaats zijn beide vrienden, namen hem in
-bescherming.
-
-Rolf voelde zich wat verlicht; zijn been stak hem veel minder, en met
-een gelukkig gezicht legde Vader Langjas een nieuw papje op de wond.
-Ook de kwetsuren der anderen lieten zich gunstig aanzien.
-
-Men ging dien dag aan het werk om den koers iets juister te kunnen
-stellen, kraste te dien einde in het hout van de plecht een kaart van
-de eilanden Sumatra en Java en Straat Soenda,—alles op het geheugen.
-Den middag vóór het ongeluk had Bontekoe vijf-en-een-halven graad
-Zuiderbreedte bevonden; het bestek op de kaart wees toen negentig
-mijlen tot de kust. Van dat punt uit stelde men zijn koers. Drommels,
-had men maar een kwadrant!
-
-„Heeft niemand een passer?” vroeg Bontekoe.
-
-„Daar vraag je zoowat, schipper”, antwoordde Teunis Sijbrandt, de
-kistenmaker. En hij diepte uit zijn broekzak een passer op. „’t Is
-boffen: meest legt ie op m’n tafel!”
-
-„Geef hier!” zei Bontekoe verheugd. „Dan zullen we eerst eens ’n
-gradenboog snijden!”
-
-Zoo gebeurde. Men trok in een plankje een zoo groot mogelijken
-kwartcirkel, mat daarin alle graden uit en bracht daarna den wijzer
-aan. Den volgenden middag nam men er, zoo goed en zoo kwaad als het
-ging, hoogte mee en stelde den koers op Sumatra.
-
-Zoo zeilde men verder, overdag koers en hoogte nemend op de zon, en ’s
-nachts op de sterren. Den derden dag was het brood op. Den dag te voren
-had ook de dorst zich reeds geducht doen gevoelen. Maar men bleef vol
-hoop. De wind zat achter in ’t zeil; de zee bleef kalm.
-
-Den dag daarop doemden zwarte wolkgevaarten aan den gezichtseinder op.
-Geweldig schreden ze nader, den ganschen hemel als pad nemend. De maats
-kenden die wolken! In opgewonden vreugde werden de zeilen horizontaal
-gespannen. Pik-zwart was nu het gewelf; het scheen den mannen, dat ze
-in een grooten, donkeren kelder zaten. De zee, die dagenlang een
-felblauwen hemel teruggekaatst had, slurpte al die zwartheid gretig
-op,—leek wel een modderpoel.
-
-Daar kletterde de regen neer.
-
-De levenskracht ontwaakte weer; de harten zwollen. In een oogwenk was
-het zeil vol. Men kon nu de twee vaatjes vullen, die als bergplaats
-voor het brood hadden gediend.
-
-Een koude nacht volgde. De maats bibberden in hun doorweekte kleeren.
-
-Maar den volgenden morgen schroeide de zon ze in een ommezien droog en
-deed de huid vervellen.
-
-Snikheet werd het. De zee was glad als een spiegel. Waar zich te bergen
-voor de gloeiende zon? De dorst deed zich weer gevoelen. Bontekoe sneed
-de neuzen van zijn schoenen af en liet allen een „beker” vol uit de
-vaatjes geven. Daarmee was drie-vierde van den voorraad op, want men
-moest deelen met de makkers in de sloep, die niets hadden om het water
-te bergen.
-
-Vreeselijke dagen volgden. Als een verschrompeld stukje leer zat de
-tong in den mond; keel en verhemelte schroeiden; het ontberen van
-voedsel bracht krampen in de ingewanden teweeg. Telkens wanneer de
-morgen grauwde, hoopte men land te ontwaren. Telkens weer nieuwe
-teleurstelling, wanneer men niets dan zee zag, zoover het oog reikte.
-
-Harmen vond het noodig, den kerels wat moed in te blazen. Bij gebrek
-aan z’n fiedel, die in de vlammen een einde had gevonden, kwam hij met
-een van zijn gewaagde „verhalen” op de proppen.
-
-„Ik zal jullie vertellen, hoe het m’n oom gegaan is, jongens! Die heeft
-een tapperij voor zeelui,—voor landrotten tapt ie niet. Z’n leven lang
-heeft-ie gevaren, van z’n tweede tot z’n acht-en-zestigste.
-Zeven-en-twintig reizen heeft-ie gemaakt, waarvan drie-en-dertig met
-schipbreuk! En overal goed afgekomen behalve een krab op z’n wang en
-da’s van het baardscheren. Hij zat eens vast op een rif in de
-Chineesche zee, waar de visschen en de menschen staarten an d’rlui
-knikker hebben. Goed, d’r komt een storm, de schuit vliegt aan flarden,
-z’n zes-en-veertigste schipbreuk; m’n oom en de bottelier zijn de
-eenigsten, die in de sloep komen. Eten aan boord? Geen spiering!
-Hongerlijje maar! Toen ze zeven-en-tachtig dagen niks gegeten hadden,
-zei de bottelier: „’k Zou wel een hapje lusten!”—„En ik”, zei m’n oom.
-„’k Zou jou wel lusten”, zei de bottelier. „Ik jou ook wel”, zei m’n
-oom. Goed, ze krijgen verschil van meening. „Als jij mij jouw beenen
-geeft, zal ik jou m’n Zondagsche pet geven”, zei de bottelier. „Jawel”,
-zei m’n oom, „je kunt er een por met m’n mes bij krijgen.”—„In je mes
-hap ik niet”, zei de bottelier. „Nou, laten we d’r dan om loten!” zei
-m’n oom. Ze smijten de steenen. Allebei acht. Nog er eis! Wéér gelijk!
-En weer!! Na dertien-en-een-halve dag zei m’n oom: „Vooruit, ik heb
-geen aardigheid meer aan speulevaren. Snij me maar aan mootjes! Groet
-m’n wijf en neem m’n gouwe ring maar voor de moeite.” Temet, dat ie
-zich omkeert om niet te zien, hoe de-n-ander ’m zal afmaken, ziet ie,
-dat de sloep..... op het strand zit! „Land!!” roept ie. Hadden ze me
-daar al elf dagen aan land gelegen en er door al dat dobbelen niks van
-gemerkt! Wat zeg je me daarvan?”
-
-„Mooi!” zeiden de oomes.
-
-Toen viel het zwijgen weer in.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HAAIEN
-
-
-Zonder dat iemand iets merkte, streek een gast tusschen de
-schipbreukelingen neer. Eerst toen hij er was, voelde men zijn
-aanwezigheid. De mannen hoorden hem in hun eigen matte, schorre stem en
-zagen hem in elkaars fletse oogen.
-
-Wanhoop heette de gast.
-
-Wanneer een maat iets meende te ontdekken, wat land zou kunnen zijn,
-greep men in koortsige haast de riemen en trok ze hijgend door het
-water. Dan week de gast, geruischloos als hij gekomen was. Maar als
-even later het „land” zich weer in lucht en water oploste, kwam de
-indringer terug. De mannen ontweken elkaars blik, om hem maar niet te
-zien, en zij zwegen, om door hun stem elkander niet te verraden, dat
-hij er weer was. Beklemmend was het zwijgen; het snoerde de ziel toe.
-Als er iemand kuchte, schrokken de anderen even en spitsten het oor, of
-er wat volgen zou.
-
-„Wat wou je zeggen?” vroeg een oome.
-
-„Ik? Niets. Waarom?”
-
-„Wel, je kuchte, en toen dacht ik: hij wil zeker wat zeggen.”
-
-„Neen, ik hoestte zoo maar.”
-
-„Nou, ik dacht het ook alleen maar.”
-
-Dan viel het zwijgen weer in.
-
-
-
-Op een middag groote opschudding. Uit het Oosten kwamen meeuwen
-aanvliegen, wel dertig, die krijschend om de booten cirkelden en er nu
-en dan zoo laag overheen streken, dat men ze bijkans grijpen kon. In de
-sloep lag een roestige degen,—daarmee ging Hilke op de plecht staan, en
-onder heesch gebrul wist hij er een mee vleugellam te slaan. En zoo had
-men er, toen het duister was, vijf weten te vangen. De vogels werden
-geplukt en verdeeld. Met van begeerte trillende handen namen de oomes
-het luttel brokske vleesch, dat hun was toegedacht. Ze kauwden er over,
-zoolang het maar ging, en zogen halsstarrig aan de merglooze
-vogelbeentjes. In de hoop, dat ze morgen de andere vogels ook nog buit
-zouden maken, gingen de oomes den nacht in.
-
-Maar toen het eerste licht schemerde, waren de meeuwen weg.
-
-Toch was er hoop ontkiemd. En door de eerlijke verdeeling der kleine
-vangst over sloep en jol was het gevoel van saamhoorigheid weer
-versterkt: men besloot, ondanks het gevaar, dat er aan verbonden was,
-de makkers uit de sloep nu toch maar in de jol op te nemen. Want de
-olie in de lantaren was sinds lang opgebrand en daarmee de kans om ’s
-nachts uiteen te geraken weer belangrijk vergroot. Men kon nu ook den
-mast en de zeilen van de sloep overnemen en zeilde bijgevolg met een
-grooten mast, een fok, een bezaan en een blind zeil. Toen tegen den
-avond de wind toenam, merkte men tot algemeene vreugde, dat de jol,
-ondanks haar zwaardere belasting, sneller voer.
-
-Vreemd, men rekende nooit met de mogelijkheid van ’s middags of ’s
-avonds land te krijgen. Dat werd alleen ’s morgens, bij zonsopgang
-verwacht. Overdag scheen het, als schoot men in het geheel niet op: er
-was niets, dat men naderbij zag komen of verdwijnen, en de horizon
-bleef altijd gelijk. Slechts de wolken trokken voorbij, maar die kwamen
-van achter en verdwenen weer ver vooruit, zoodat men het gevoel had van
-terug te blijven.
-
-Maar ’s nachts! Je hoorde het klotsende water, door den boeg op zij
-geworpen; voelde den wind aan het zeil trekken, en achter je zag je in
-de donkere watermassa de lange, lichte streep, die er op duidde, dat er
-voortgang in de kast zat! Wie weet, of ze nou al niet land voor den
-boeg hadden; wie weet, of ze morgenochtend niet vlak voor hun oogen de
-boomen zouden zien oprijzen..... Was dat het ruischen der branding al
-niet?!
-
-Dan kwam de langverbeide ochtendklaarte.—Zee. Niets dan zee.
-
-Sedert vijf dagen hadden de oomes geen druppel water meer over de
-lippen gehad.
-
-Achter de boot schaarde zich een afschuwwekkend gevolg. Toen een oome
-den eersten witten haaienbuik in het water zag flitsen, slaakte hij een
-kreet van schrik en walging. Een enkele maal stiet een maat met een
-huivering den degen in het water, en allen rilden van lol, wanneer een
-roode bloedschemering verraadde, dat de stoot doel had getroffen.
-
-Het vreeselijkst van al deed de dorst zich gelden. Men kauwde op
-sleutels en musketkogels, om het dorre verhemelte nog wat speeksel af
-te scheiden.
-
-Toen gebeurde weer iets, dat den moed herleven deed. Een school
-vliegende visschen dook, waarschijnlijk uit vrees voor de haaien, vlak
-voor de boot op. Maar met vieren, vijven tegelijk tuimelden ze tegen de
-zeilen en vielen den ijverig grabbelenden oomes ten buit. Ze werden
-rauw verslonden, smaakten fijner dan de fijnste zalm.
-
-En men dobberde weer verder.
-
-Den eersten December—den twaalfden dag, dat men in de booten
-was!—begonnen enkele maats, ondanks Bontekoe’s en Vader Langjas’
-waarschuwingen, zeewater te drinken. Daar het den dorst niet leschte,
-zwolgen ze maar door, tot de maag haar weerzin ervoor te kennen gaf en
-alles weer naar buiten wierp,—tot het geluk der oomes, die anders
-stellig ziek zouden zijn geworden. Nu brandde hun keel meer dan ooit,
-en hun dorst was nog toegenomen. De tranen rolden den armen kerels over
-de wangen.
-
-Floorke had zich een snee in den bovenarm gegeven en zoog zich het
-bloed uit.
-
-Vader Langjas, uit wiens oogen alle levenskracht geweken was, stelde
-voor, de jol lek te stooten en zich met z’n allen te laten zinken.
-
-„En dan de haaien tot voedsel dienen?” vroeg Bontekoe.
-
-Daar had geen enkele oome trek in. En met nieuwe bezieling, vast
-besloten om, zoolang er nog een vonkje leven in hun uitgehongerd karkas
-zat, het niet als haaienvoedsel te laten dienen, keken de mannen weer
-uit, naar het Oosten.....
-
-De haaien waren geduldig,—verlieten de jol niet.
-
-Allengs zakte de moed weer. Een paar maats begonnen te schreien,—wilden
-zich overboord werpen.
-
-„Wat drommel”, zei Bontekoe driftig, met schorre stem, „als die stomme
-dieren de moed niet opgeven, zullen wij het dan doen?”
-
-Maar bij sommigen was het laatste restje levensmoed gebroken. Het zou
-wel niet voor de eerste maal zijn, dat deze haaien een jol met
-schipbreukelingen volgden; ze zouden wel weten wat ze deden!—Met holle,
-koortsige oogen tuurden ze in het water, krompen ineen, wanneer daar
-beneden iets donkers voorbij schoot.....
-
-„Hajo”, kreunde Padde. „ik kan niet meer, Hajo! Ik wil liever dood
-gaan.”
-
-Hajo zocht naar bemoedigende woorden. Maar woorden, dat bleven het.
-Padde voelde de holheid ervan en verloor zijn laatste aasje moed, nu
-hij merkte, dat ook zijn vriend de wanhoop nabij was.
-
-Bontekoe ging het als Hajo. Hij moest zijn zeventig groote kinderen
-troosten—en zocht zelf naar troost.....
-
-Rolf zei niets, staarde uren lang naar den Oostelijken horizon. Het
-kwam op volhouden aan. Volhouden.
-
-Den volgenden dag regende het! In zenuwachtige haast, gepaard met
-driftige, ruwe uitroepen, spanden de oomes het bezaanszeil en het
-blinde zeil boven de boot, vulden de beide vaatjes weer, verzamelden
-het water verder in schoenen, leeren mutsen, en slurpten gulzig uit het
-zeil. Toen kropen allen weer in de holte van de jol bijeen om wat
-warmte te zoeken. Hun kleeren waren doorweekt, en een vochtige
-morgenkilte hing boven het water. De lucht was troosteloos grijs, en
-hoewel de maats nu weer tijdelijk van hun vreeselijksten kwelgeest
-bevrijd waren, staarden ze onder het zeil door met hun blauw-omrande
-oogen triest in den dikken regen-nevel, en het doffe zwijgen der
-laatste week viel weer in.
-
-Een schorre kreet.....
-
-
-
-„Land!!”
-
-Als versteend blijven allen zitten, de oogen wijd open, angst en
-twijfel in het gelaat. Men durft haast niet opstaan en zich overtuigen.
-Wie zou nu nog een teleurstelling kunnen dragen?
-
-Maar de man aan het roer is zeker van zijn zaak. „Land!! Land voor den
-boeg!!” De tranen sidderen door zijn stem.
-
-Dan krabbelen allen met hun verstijfde ledematen overeind, steken hun
-koppen onder het zeil door en.....!! Daar, aan den Oostelijken
-gezichtseinder.....!!! Enkelen gillen hun blijdschap uit, anderen
-staren sprakeloos of stil schreiend naar het grijs-blauwe streepje in
-de grijs-blauwe verte.
-
-
-
-Met alle man zette men hijgend en vloekend de zeilen weer bij. Zoo werd
-langzaam-aan het streepje land grooter. Men onderscheidde bergvormen,
-de lichte streep der branding, daarachter groene bosschen. Sumatra kon
-het niet zijn: het was een eilandje, waarvan men den geheelen omtrek
-overzien kon. Maar Bontekoe wist, dat Westelijk van Sumatra, dicht op
-de kust, een rij eilanden liggen. Daar moest dit er een van zijn.
-
-Toen men het eilandje naderde, bleek de zee geducht aan te loopen.
-
-„We moeten een landingsplaats zoeken!” zei Bontekoe.
-
-„We kunnen hier toch landen, schipper? Je zult zien, dat alles
-goedgaat! Nietwaar, jongens?!”
-
-„Ja-zeker!” brulde de heele schaar.
-
-Maar hier werd de schipper weer de schipper. „Zullen we nu op het
-laatste oogenblik alles bederven? Zeg op: wie heeft jullie naar land
-gevoerd? Heeft de Neus dat soms gedaan? Of jij, Floorke? Of Gerretje,
-of Hilke?”
-
-„Neen, schipper, dat heb jij gedaan.”
-
-„Geloof me dan ook, als ik jullie zeg, dat we hier nooit heelhuids door
-de branding komen. We moeten een betere plek zoeken.”
-
-Hij werd gehoorzaamd. Men voer het eiland om en vond aan de binnenzijde
-een kreek. Men roeide ze in, liet de dreg vallen, klom, zoo goed en
-kwaad de leden het nog veroorloofden, de boot uit, waadde door het
-ondiepe water.
-
-Schreiend kusten de arme kerels het strand.
-
-
-
-
-
-
-
-
-JOPPIE III
-
-
-Toen de mannen over hun eerste en hoogste uiting van blijdschap heen
-waren, kropen enkelen het strand over naar het bosch.
-
-Er groeiden overal kokosboomen, en de noten lagen voor het grijpen op
-den grond. De meeste waren in den val gebroken; die kon men met de
-handen verder splijten. En dan de tanden in het witte vleesch
-gezet.....! Toen de maats zooveel vruchten naar binnen hadden gewerkt,
-dat er geen stukje meer in wilde, verlangden allen naar rust, naar
-niets anders dan rust. Ze sleepten wat dor gras en bladeren aan. En
-toen.....! Hè! Hoelang was het geleden, dat ze zich voor het laatst
-behoorlijk hadden kunnen uitstrekken, en dan nog wel op zoo’n zacht
-leger en zonder den hongerdood voor oogen! Nu zou verder alles ook wel
-goed gaan! De schipper was bij hen en kende den weg! Met een oneindig
-dankbaar gevoel sliepen allen in.
-
-Maar weinige uren later werd de een na den ander met hevige buikkrampen
-wakker. De ingewanden bleken niet tegen zooveel voedsel opeens bestand
-te zijn. Allen kropen bijeen en klaagden over hun onverdragelijke
-pijnen.
-
-„Gevert! Ik ga d’r an! Gevert! O, God, m’n buik.....”
-
-„Was ik maar thuis, bij m’n wijf! Die wist er wel raad op.... Doris!”
-
-Toen zakte de pijn weer. De mannen sliepen nog een paar uren en werden
-eindelijk door de zon gewekt.
-
-Ze stond boven de baai, en het hemelsche goud vloeide in het water
-neer. Rappe strandloopertjes trippelden op hooge pootjes heen en weer;
-meeuwen streken zwierig door het schuim der branding, of wiegden zich
-op het zacht deinende water in de baai. Allerlei bontgepluimde vogels
-schetterden en floten en kwinkeleerden in de hooge, statige boomen; in
-de wuivende kronen der kokossen voerden grijsbruine klapperratten hun
-gedurfde luchttoeren uit.
-
-De mannen voelden hun krachten herleven. Ze lagen daar in het reeds
-warme zand, boven zich de stralende zon, die spoedig al te heet zou
-worden. Zwijgend, stil genietend, luisterden ze naar het concert van de
-branding.
-
-Bontekoe liet een gezamelijk gebed houden. Men zong een paar psalmen.
-Zelden hadden de oomes met een dieper gevoel van dankbaarheid gebeden
-dan op dien wonderlijk schoonen morgen aan het strand van dat
-Sumatraansche kust-eilandje.
-
-Daarna ging men eens op verkenning uit. Een groep toog naar het Zuiden,
-het strand langs, een andere groep naar het Noorden.
-
-In den namiddag kwamen ze terug met niets dan kokosnoten, bananen en
-enkele andere, onbekende vruchten. Menschen hadden ze niet gezien. Maar
-zij, die naar het Noorden waren getogen, hadden een grappig avontuur
-gehad.
-
-Ze hadden een vlerk-prauwtje gevonden, waaruit ze hadden opgemaakt, dat
-het eilandje bewoond moest zijn, al zagen ze dan ook geen sterveling.
-Ze hadden het bootje, dat slechts twee man bergen kon, eens in zee
-geduwd, maar toen ze er voor de grap met z’n drieën in waren gaan
-zitten, hadden de half vergane planken zich begeven, en de spelevarende
-gasten waren kopje-onder gegaan. Wat met dit zonnetje niet zoo slim
-was.
-
-Bij de plaats, waar het prauwtje lag, ging een paadje het woud in. Men
-liep het binnen, in ganzenmarsch, omdat er voor twee naast elkaar geen
-plaats was. Hilke voorop!
-
-Nauwelijks hadden ze het pad ingeslagen, of voor hen uit, vlak bij,
-begon een hond te janken. In alle omzichtigheid werd nu de tocht
-voortgezet. Spoedig zag men tusschen de dikke bamboestelen een open
-plek schemeren en in het midden daarvan een bouwvallig huisje op hooge
-palen, aan een waarvan een magere hond was vastgebonden, die
-allerafgrijselijkst te keer ging. Overigens zag het huisje er nogal
-vreedzaam uit: een paar duiven vlogen van het dak op, en toen kwam
-zelfs een duif uit het lage huisdeurtje fladderen, zoodat het heele
-gebouwtje meer op een til dan op een menschelijke woning geleek.
-Weifelend betraden de maats de open plek.
-
-Toen de hond zijn gasten zag opdagen, staakte hij zijn Jobsiaansche
-jeremiades, jankte vreugdevol, ging van opwinding op zijn achterpooten
-staan en verhing zich daardoor bijkans in den strik om zijn hals. En
-toen de oomes hem den smerigen, stekeligen kop krauwden, kreunde hij
-zacht van geluk, kwispelstaartte en draaide dankbaar het achterlijf.
-
-Een gekorven kokos-stam stond schuin tegen het huisje op,—scheen als
-„trap” te hebben dienst gedaan. „’t Lijkt wel een kipperen”, meende
-Floorke, terwijl hij naar boven balanceerde. „Blijf jij nou
-beneden!”—dat was tegen Gerretje, die volgen wou—„We kunnen er met z’n
-tweeën niet op: ’t is geen marremeren trap!” „Wat zie je?” vroegen ze
-van beneden, toen Floorke naar binnenkroop.
-
-„Pah!” gromde Floorke en spuwde luidruchtig. „’k Heb een spin in m’n
-mond!”
-
-„Kun je wat zien, of is het donker?”
-
-„Donker? ’t Dak is zoo lek als de Zuid-Westenwind! Maar d’r is niks te
-zien! ’n Paar gebarsten potten! Wacht, daarachter is nog een kamertje,
-geloof ik.”
-
-„Ga daar ’ns kijken?” En toen Floorke geen haast maakte, smaalden ze:
-„Of durref je niet?”
-
-„’t Is ijs van één nacht, die vloer”, aarzelde Floorke. „Je kijkt d’r
-zóó doorheen.”
-
-„Wat een vent!” hoonde Gerretje van omlaag. „Kom terug, dan zal ik gaan
-kijken!”
-
-„Als je d’r trek in hebt, vooruit maar”, zei Floorke en klauterde naar
-beneden.
-
-Gerretje’s gelaat drukte thans twijfel uit. Hij wist wel, dat Floorke
-niet voor een klein geruchtje vervaard was. Als die zei: „’t Is vuil!”
-dan was ’t ook vuil. Maar eens gezegd bleef gezegd. Hij klauterde
-behendig de „loopplank” op, zooals hij zei, en overzag, boven
-aangekomen, het terrein. „Dunnetjes is ’t!” moest hij toegeven.
-
-„Oh!” stelde Floorke beneden vast.
-
-„Weet je wat ik doe?” zei Gerritje. „Ik spring er overheen! Daar ginds
-is wéér een dikke bamboe!”
-
-„Ja, laat je niet kisten, Gerretje!” riepen de maats. „Je botten zijn
-betaald!”
-
-Gerretje zette af, van een-twee-dr.....! Een heidensch gekraak. De
-„trap” sloeg neer, kletste in de modder, die alle zijden uitspatte, en
-het huisje viel keurig netjes om, de vier ontwortelde palen in de
-lucht, zoodat de hond, die aan een der palen gebonden was, met
-uitpuilende oogen in de lucht kwam te bengelen. En het dak scheurde
-open, en daaruit buitelde, als een Sinterklaasverrassing..... Gerretje.
-
-De maats zakten bijkans ineen van plezier. Floorke sneed haastig den
-hond los, die daarop half flauw op den grond tuimelde en het als zijn
-eerste plicht beschouwde, Floorke’s bloote voeten schoon te likken.
-Gerretje krabbelde met een vrij krasse bewering tegen de Sumatraansche
-huizenbouw overeind en veegde de handen aan zijn broek af.
-
-„Laten we er het zwijgen maar toe doen!” stelde Floorke voor. En
-terwijl er een paar in het omgevallen huisje snuffelden en veel stof,
-spinnen en kakkerlakken vonden, liepen de anderen de open plek eens
-rond en ontdekten een smal pad, echter zóó verwilderd, dat men zich
-slechts met den bijl een doortocht zou kunnen banen.
-
-Men besloot terug te keeren en nam den hond als krijgsbuit mee.
-Uitgelaten van vreugde sprong het beest tegen zijn bevrijders op, die
-intusschen de meest fantastische veronderstellingen te berde brachten
-over den samenhang van de vergane prauw, het wrakke huisje en den
-uitgemergelden hond.
-
-Zoo kwam men met een levende ziel méér bij de jol aan. De mannen, die
-onder leiding van Folkert Berentsz. waren uitgegaan, vertelden,
-eenigszins jaloersch op den vierpootigen buit der anderen, een slang te
-zijn tegengekomen, zoo dik, dat ze hem met z’n vijven niet omspannen
-konden. Hij had gesist, dat je er koud van werd. Padde wou hem bij z’n
-staart pakken—nietwaar, Padde?—toen ie er van tusschen ging, de boomen
-wegdrukkend als grashalmen.
-
-Maar toen wist Floorke te vertellen van een krokodil, wiens staart ze
-uit het bosch hadden zien steken, en toen ze het eiland half waren
-omgeloopen, hadden ze aan den anderen kant zijn kop gevonden, een
-merakel klein koppie, niet grooter dan de Nieuw-Hoorn..... destijds.
-Gerretje had z’n kop voor een kloof aangezien, want het toeval wilde,
-dat de krokodil juist gaapte. Gerretje was er in geloopen en had nog
-gezeid: „Jongens, wat is de grond hier slappies!”—Die grond was
-natuurlijk de tong van die krokodil geweest. Nou, en in eens had het
-mormel z’n bek dichtgeslagen, en Gerretje zat in het pikkedonker.
-Tusschen de tanden was hij er weer uitgekropen, waar Gerretje?
-
-Maar toen had Harmen nog heel wat anders te vertellen! Hij had er over
-willen zwijgen, maar nu Floorke zóó begon, zou Harmen zijn broek ook
-eens in ’t zonnetje hangen! Nou, ze hadden me dan een beestje gevonden,
-zoo op het eerste gezicht een regenwurm. De Schele had het bij zich
-gestoken voor Vader Langjas, maar ineens was het in zijn zak begonnen
-te praten. „Schele”, had het gezegd, „scháám jij je niet?” Toen had de
-Schele het beest weggegooid; het had in zuiver Maleisch: trima kassi
-banjak! gezeid en was toen in zee weggezwommen,—had, met een blad boven
-z’n kop als blind zeil, tegen den wind in gelaveerd.
-
-Tegen zulke avonturen voelde Floorke zich niet meer opgewassen. „Laat
-je duim eens kijken?” zei hij smalend tot Harmen. „Je zult ’m wel
-heelemaal plat gezogen hebben.”
-
-Harmen grinnikte, toonde z’n duim.
-
-Men laadde de jol met kokosnoten en bananen, borgde vruchten onder de
-plecht, in het achterkastje, boven op het roefje ... het leek wel, of
-de jol ter markte toog. Een riviertje was niet gevonden, zoodat men de
-vaatjes maar met kokosmelk vulde.
-
-Den tijd, dien de mannen bezigden om te proviandeeren, maakte de
-magere, stekelige hond zich ten nutte door een groote boschrat te
-vangen en die in gulzige haast te verorberen. Toen hij in de gaten
-kreeg, dat de mannen van plan waren in zee te steken, vroeg hij op
-hondenmanier om meegenomen te worden. Hij scheen met de zee vertrouwd
-te zijn.
-
-De maats willigden zijn verzoek in. Ze klopten hem vertrouwelijk op z’n
-bottige flanken, stelden vast, dat je z’n ribben tellen kon, dat z’n
-ooren allergemeenst lang en steil waren, dat z’n vel bij den vilder
-geen duit zou opbrengen, maar dat hij, naar z’n oogen te oordeelen, een
-rondborstige natuur had.
-
-Hij werd ook gedoopt.
-
-„Joppie” noemden ze hem—want driemaal is scheepsrecht.
-
-In de schemering verliet de jol het land. Verder maar weer! De maats
-waren vol moed. Hier konden ze toch niet blijven, en de schipper zei,
-dat ze binnen twee dagen Sumatra voor den boeg zouden krijgen. Dus nog
-maar eens het lijf gewaagd! Het gevoel van onrust, dat hen
-overmeesterde, toen ze het eilandje in de duisternis zagen wegzinken,
-werd dapper weggeslikt.
-
-Joppie hief als afscheidsgroet een erbarmelijk gehuil aan, dat uit de
-verte door apengekrijsch beantwoord werd. De oomes stelden hem voor de
-keus: over boord te vliegen of met z’n gegil op te houden. Joppie
-verkoos het eerste, werd door Hilke bij z’n nekvel ferm in het water
-ondergedompeld, schudde toen z’n natte, steile haren uit, zocht daarop
-achter in de roef het beste plekje op en sluimerde zuchtend in, tot
-Folkert Berentsz. hem deed verhuizen, omdat hij daar liggen wou. Toen
-namen een paar oomes Joppie als hoofdkussen,—waarvan ze later geduchte
-spijt en kriebel kregen.
-
-De maan kwam op, mild, vriendelijk als een moederoog, wakend over de
-zeventig brave jongens in de jol.
-
-Een groote zwerm kalongs streek hoog over de jol in Oostelijke richting
-voorbij, zwijgend,—als schaduwen.
-
-Alom stilte. Stilte.
-
-
-
-
-
-
-
-
-SUMATRA
-
-
-Aan den paarlemoeren hemel kwamen gouden schemeringen; een paar
-opstijgende wolkjes kregen gouden randjes aan den onderkant; toen dook
-de zon zelf in een rozerood jurkje uit het water op. Later trok ze haar
-dagkleed aan, en de hemel werd blauw, fel-blauw, tot hij ten slotte
-onvermengd kobalt was.
-
-Drie blinkend-witte meeuwen vlogen tsjiepend om de jol, doken in
-sierlijken val naar een vischje. Joppie kefte tegen de gevleugelde
-metgezellen, tot een bad hem weer wat tot kalmte bracht. Hij wilde nu
-wat op z’n staart gaan knabbelen,—welke staart echter tot Joppie’s
-verwondering niet zoo maar als een worst in de lucht hing, maar
-integendeel stevig aan zijn achterlijf bleek te zitten en lang niet
-makkelijk met de tanden te grijpen viel,—reden waarom Joppie zóó vlug
-rondtolde, dat hij tegen alle oomes aanbotste. Eindelijk had Joppie
-zijn staart te pakken, en er daalde rust in de jol.
-
-Bontekoe had goed voorspeld: ’s middags kwam Sumatra in het zicht,—een
-lange streep land, die langzaam-aan tot een machtigen wand van
-diep-paarse bergen werd, waarachter een groote kerel te smoken zat en
-dikke, witte wolken over den ganschen hemel blies.
-
-Men besloot voorloopig de kust maar af te zeilen, om zoo spoedig
-mogelijk Straat Soenda en daarna Bantem te bereiken. Er was nog geen
-gebrek aan eten.
-
-Zoo koerste men in Zuid-Oostelijke richting. De zon ging helder onder.
-De wind sloeg geheel naar het Noorden om, zoodat men het niet beter
-wenschen kon.
-
-De maan kwam op, eerst bleek, allengs aangloeiend tot zilver en den
-ganschen hemel vullend met haar wonderlijk licht. Sterretjes pinkten in
-alle kleuren; het was, alsof er van daarboven een zachte, zoete muziek
-omlaag zweefde.
-
-Een prauwtje! Badend in het maanlicht danste het hulkje op de golven.
-Een eenzame visscher stond er rechtop in, verdiept in zijn werk, zoodat
-hij de jol niet zag naderen. In wijden zwaai wierp hij zijn net uit,
-dat stillekes in het water viel. De man was bijna geheel naakt; het
-maanlicht omlijnde zijn slanke schouders. Als een kroon stond hem een
-zwierig gestrikte hoofddoek in het haar.
-
-Plots bemerkte hij de jol, trok vlug het net binnen boord en pagaaide
-in zijn rank vaartuigje weg. Luchtig danste het over de hooge branding.
-„Sobat! Sobat kras!” schreeuwde Floorke. Maar de inboorling scheen van
-die dikke vriendschap niets te gelooven.
-
-Den volgenden dag raakten de noten op, en men moest nieuwen voorraad
-zien op te doen. Het ging er dus om, een inham te vinden. Daar de wind
-nu echter naar het Zuid-Oosten was omgeloopen, moest men laveeren en
-raakte daarbij telkens op zoo grooten afstand van de kust, dat men
-licht een geschikte ingang ongezien voorbij zou kunnen zeilen. Daarom
-werd besloten, dat vier of vijf man het strand zouden afloopen en
-waarschuwen, zoodra ze op een baai zouden stuiten. Hilke, Floorke,
-Harmen, Hajo en Rolf knoopten hun broek wat steviger aan en wipten
-overboord. Goede zwemmers als allen waren, wisten zij zich proestend en
-snuivend door de stoere branding heen te werken. En met het
-geruststellende gevoel van terstond weer het ruime sop te kunnen
-kiezen, indien inboorlingen het hun lastig mochten maken, volgden zij
-het strand, dat aan de landzijde was begrensd door boomen en ellenhoog
-gras daartusschen. Zwermen meeuwen vlogen nu en dan op.
-
-Allengs werd het strand smal en modderig; hier en daar stonden de
-boomen zelfs met den voet in het water, en het wemelde van
-slijkspringertjes.
-
-Onze vrienden baanden zich nu een weg door het hooge gras, waarin ze
-geheel kopje onder gingen. Hilke, die vooropliep, verstijfde van
-schrik, toen vlak voor zijn voeten een aap wegsprong en zich langs een
-paar hangende lianen in een grooten loofboom werkte, van waar hij den
-oomes in apentaal een reeks verwenschingen naar het hoofd slingerde. De
-grond voor Hilke’s voeten was opengerukt, en een paar planten lagen met
-de wortels naar boven. Zonderling was, dat iets boven de wortels kleine
-boontjes zaten, die zich te voren blijkbaar onder den grond hadden
-bevonden, want er zat nog aarde aan. Floorke veegde een boontje aan
-zijn broek af. „Zou je ze kunnen eten?”
-
-„Waarachtig!” meende Hilke. „Als die aap er voor naar beneden komt om
-ze uit de grond te wurmen.....!”
-
-Aarzelend stak Floorke het boontje in den mond. „Aan die schil is niet
-veel smaak”, verklaarde hij. „Maar die pitjes, die er in zitten, zijn
-best!”
-
-De anderen proefden nu ook eens. Hilke bekeek de kleine, ovale blaadjes
-van het plantje en merkte na eenig rondkijken, dat er overal volop
-groeide. Allen propten de zakken vol boontjes, en Floorke koos er een
-naam voor: apenootjes.
-
-Na een uur loopens vonden onze vrienden een rivier. Fluks de broeken
-uit en als seinvlaggen gebruikt! In de jol verstond men den wenk: de
-koers werd recht op de aangeduide plaats gesteld. Maar naderende,
-bemerkte men, dat vóór de monding der rivier een zandbank lag, die
-weliswaar niet boven het water uitstak, maar zoo’n hevige branding
-veroorzaakte, dat landen een gewaagde zaak scheen. Bontekoe durfde de
-verantwoording niet aan,—vroeg den maats zelf, wat ze wilden.
-
-„Landen!” klonk het uit één mond.
-
-„Wel”, zei Bontekoe, „dan waag ik er mijn huid ook aan. We zijn al door
-zooveel heen gerold! Smijt maar vier riemen uit, en aan elke riem twee
-man. Ik hou het roer. De rest klaar om te baliën!”
-
-Men stuurde recht op de woelende, schuimende watermassa aan.
-
-Toen kwamen er een paar spannende oogenblikken. De jol werd hoog
-opgenomen, neergekwakt; terstond volgde een zware roller en wierp ze
-half vol. Met schoenen, handen, mutsen en de twee vaatjes werd het
-water gehoosd, en de maats aan de riemen trokken als dollen. Daar sloeg
-een tweede roller achter over de jol. Het boord stak geen handbreed
-meer boven het water uit. De tanden opeengeklemd, werkten de oomes in
-razend tempo. Een derde golf stortte gelukkig achter de boot neer; een
-wolk van schuim vloog den kerels over het hoofd. Ze waren de branding
-uit.
-
-Steeds voorthoozende, legden ze eerst aan den linkeroever aan, namen
-onze vijf vrienden op en staken daarna naar den rechteroever over, waar
-de jol aan beide dreggen gemeerd werd. Toen gingen ze aan wal.
-
-De oevers van het riviertje waren dichtbegroeid. Waar de jol gemeerd
-lag, schoten de stammen van kokos- en betelpalmen op en dichte
-bamboebosschen, welker lange, smalle bladeren veelstemmig ruischten,
-wanneer er een koeltje langs streek. Dan tintelden ze van het zonlicht.
-
-De schipbreukelingen keken eens rond, wat er hier aan proviand te
-vinden zou zijn. Floorke wees den schipper de boontjes, die ook hier
-rijkelijk tierden. Bontekoe proefde de „apennootjes” en vermoedde, op
-den olie-achtigen smaak afgaand, dat ze wel zeer voedzaam zouden zijn.
-Hij gaf den maats order, zooveel mogelijk te verzamelen. In kleine
-groepjes snuffelden de mannen den omtrek af. Harmen en Padde, die
-samen, al zoekende en peuzelende, waren afgedwaald, stonden, vóór ze
-het wisten..... voor een vuurtje!
-
-„Allemachies!” stamelde Padde.
-
-En Harmen lag al op z’n knieën en blies er in, wat hij maar blazen kon.
-Vuur! Dat konden ze gebruiken! Hilke, de eenige, die een vuurslag in
-zijn zak gehad had, was zoo dom geweest, het in de sloep te laten
-liggen toen hij met de anderen in de jol was overgestapt. „Hout!” riep
-Harmen, al blazende. „Droog hout!” Nu, hout lag overal voor het
-grijpen. En dank zij Harmen’s gezonde longen, sloegen de vlammen
-spoedig weer uit het smeulende vuurtje op.
-
-„Wat ligt daar?” vroeg Padde, wijzend naar een paar hoopjes tabak op
-een stuk pisangblad.
-
-Als antwoord griste Harmen een handvol weg en stak het in zijn zak.
-Toen begon hij te schreeuwen: „Hei! Holla! Ho! Hier is wat te zien!”
-Padde gilde opgewonden mee.
-
-Daar kwamen de maats aanhollen. En op het gezicht van de twee schatten:
-vuur en tabak! sprongen ze van de pret. Gnuivend diepten ze hun pijpjes
-uit den broekzak op. De tabak werd eerlijk verdeeld. Al was er niet
-veel, allen zouden toch een fijn trekje kunnen doen.
-
-„Jij hebt je zakken natuurlijk stikvol!” verweet Gerretje aan Harmen.
-
-Harmen’s gelaat drukte een en al verbazing uit. „Hoe kan dat?? M’n
-zakken zitten vol noten! Kijk maar!” En Harmen gaf er met de vlakke
-hand een klap op.
-
-„Ook een bewijs!” smaalde Gerretje.
-
-„Harmen heeft de tabak gevonden!” suste Hilke. „Allicht, dat ie wat
-meer krijgt.”
-
-„’k Wed, dat ie wel een pond in z’n zak heeft gestoken!” pruttelde
-Gerretje. „Zie z’n zakken maar eens uitpuilen! Ze zullen nog barsten!”
-
-„En jij d’rbij!” verklaarde Harmen.
-
-De mannen legden nog een paar vuurtjes aan. Toen hurkten ze om de hoog
-oplaaiende vlammen en zogen, stil genietend, aan hun pijpjes, tot de
-tabak op was,—behalve bij Harmen, die nog steeds dikke rookwolken de
-lucht inblies. Daarna verdiepten ze zich in gissingen omtrent de
-bewoners van dit land, die stellig in overhaaste vlucht de tabak hadden
-achtergelaten. Zouden ze den armen zwervelingen vijandig gezind zijn?
-Wat drommel, zorgen kwamen altijd nog vroeg genoeg!
-
-Maar toen de avond daalde, met bedekte lucht, maakte langzaam-aan een
-innerlijke onrust zich van de schipbreukelingen meester. Als de wilden
-hen vannacht eens in grooten getale en gewapend zouden overvallen? Een
-enkele maal deed een avondkoeltje het gras ruischen; de lange halmen
-bogen zich tot elkaar over en fluisterden. Den oomes klonk het als de
-sluipende voetstap van sluwe, bloeddorstige wilden. Wat was dat voor
-een bruin, levend wezen in dien loofboom? Een groote aap? In de verte
-plots een vogelroep. Boven de zee kwamen de kalongs weer aandrijven,
-ware spookgedaanten, wanneer ze, na een oogenblik tegen een groezelige
-roetwolk verdoezeld te zijn geweest, ineens weer opdoken. De maats
-hurkten allengs bijeen om het grootste vuur, keken met glanzende oogen
-in de vlammen en wierpen er stukken droog hout op. Pookt de vlammen
-maar aan, jongens! Dat doet de onrust vluchten.....
-
-Bontekoe besloot wachten uit te zetten. „Vrijwilligers?” Hajo en Rolf
-gaven zich als eersten op. Ze kregen de opdracht, de eerste paar uren
-van den nacht de rivier te bewaken.
-
-De beide vrienden togen naar hun post. Maar ze waren nog geen tien pas
-op weg, toen hijgend en blazend Padde achter hen aan kwam hollen. „Ik
-ga ook mee”, verklaarde hij.
-
-Moedig stapten de knapen het donkere bosch in. Padde liep achteraan,
-bibberend over al zijn leden, en hield Hajo bij de broek.
-
-Zoo kwamen ze bij de rivier. Nu een goed uitkijkpunt te vinden! Hajo
-wist raad: een zware boom was schuin over het water gegroeid,—daar
-zouden ze inklimmen. „Kom, ga je mee, Padde?”
-
-„Ik blijf beneden.”
-
-„Maar daar kun je niets zien!”
-
-„Ook nergens voor noodig”, vond Padde. „Als ze mij óók maar niet zien!”
-
-„Nou, blijf dan beneden”, zei Rolf, „dan kun je je door de krokodillen
-laten weghalen.”
-
-„Krokodillen?!” stamelde Padde. Zwijgend klauterde hij haastig achter
-Rolf aan.
-
-Inderdaad: van hier hadden de knapen een prachtig uitzicht. De rivier
-was nergens dichtgegroeid, lag open en bloot te glanzen onder den
-nachtelijken hemel. Onze vrienden kozen een mooien, ronden tak om op te
-zitten. Ziezoo, nu zouden ze het wel een heele poos uithouden!
-
-Maar ze hadden buiten die kleine kwelgeesten gerekend, die het
-onmogelijk maken, zonder beschutting den nacht in een tropisch oerwoud
-door te brengen: de muskieten! Het was om er dol van te worden, zoo
-zoemden ze je om de ooren. Zzzzzúúúú..... zzzzzinnng.....
-zzzzzoeoeoeoe..... Padde sneed een twijgje met loof af en zwaaide en
-sloeg er mee, dat hij er bijkans den boom door uittuimelde. Maar het
-hielp wel, en de anderen volgden zijn voorbeeld.
-
-Ineens, beneden hen, brekende takken, gestamp en gesmak in den weeken
-modderbodem.....Onwillekeurig grepen de vrienden zich aan elkaar vast.
-Daar boog het gras ter zijde, en een donker, harig beest met twee
-zware, rondgebogen slagtanden, kwam zachtjes knorrend te voorschijn,
-waadde, zonder rond te zien, het water in, vol welbehagen slurpend.
-Daar kwam er nog een uit het gras naar voren, gevolgd door twee, vijf,
-acht, elf jonge, knorrende vierpooters, die zich gillend van
-vreugdevolle opwinding in de modder wentelden en daarna ook het water
-inliepen, slurpend, niezend en knorrend. Wilde varkens!
-
-Ademloos keken de knapen toe. De biggetjes hadden een in de lengte
-gestreepte huid,—een grappig gezicht. De knapen waren zoo door het
-familie-bad der krulstaarten in beslag genomen, dat geen van hen de
-roering in het water bespeurde, daar verderop......
-
-Eensklaps stiet een der biggetjes een smartkreet uit. Toen smoorde het
-water zijn gil, en het beestje werd door een onzichtbare macht
-weggesleept. Angstig schreeuwend vluchtten zijn broers en zusjes in
-onbeholpen sprongen den oever op. Maar de ouden stoven met woedend
-snuiven en blazen naar de plaats, waar het jong in de diepte was
-gesleurd. Terwijl het wijfje daar bleef staan, zwom het mannetje nog
-een eind door, draaide zoekend rond en keerde ten slotte met een
-klagend geluid naar zijn wijfje terug,—waarop ze beiden weer naar den
-oever baggerden en grommend tusschen het gras verdwenen, de jongen
-achter het wijfje aan. In hun haast en opwinding botsten de biggetjes
-tegen mekaar op, vlogen over den kop, met den snuit de modder in. Maar
-knorrend en gillend stormden ze weer voort, zich geducht reppend en
-vinnig slaand met de korte achterpootjes, dat de kluiten aarde met een
-wijden boog in het water kletsten. Toen werd het weer stil.
-
-De jongens ademden diep op. Foei! wat staken de muskieten! Van den
-grond stegen drie vuurvliegjes op, dwarrelden omhoog en doken weg in de
-boomkronen. Een kikker ratelde en kreeg van den anderen oever antwoord.
-Brèkèkèkèkèrrrrrr..... Een watervogel vloog eensklaps, met heidensch
-misbaar, uit het oeverriet op, tuimelde tegen de takken van den boom,
-waarin de jongens zaten, plofte half verdoofd in de rivier neer, zocht
-toen, vleugelklappend, de pooten door het water slierend, een
-schuilplaats in een anderen bundel riet, waar hij doodstil zitten
-bleef. Toen een eentonig, klagend geluid, als het zacht neuriën van een
-half vergeten wijsje. Inlanders zeggen, dat de krokodillen zingen, om
-hun prooi in het water te lokken.....
-
-Toen kwamen Hilke en Harmen de jongens aflossen. Zwijgend, half
-droomend gingen ze naar het kamp terug, legden zich bij een der vuren
-neer en sliepen in.
-
-De nacht verliep rustig.
-
-
-
-Verkwikt stonden allen den volgenden morgen op. Juist hadden ze het
-ontbijt naar binnen gespeeld: kokosmelk met gepofte apenootjes, warm
-uit het vuur! toen er drie inlanders uit Zuidelijke richting langs het
-strand kwamen aanloopen. De barbier, Bolle en Floorke, beroemd om hun
-vloeiend Maleisch, werden hun te gemoet gezonden. Floorke gespte zich,
-als teeken van waardigheid, den roestigen degen om en gebaarde zich als
-leider van de deputatie.
-
-Zoo ontmoetten de twee groepjes elkaar. De inlanders waren licht van
-huidskleur en maakten een beschaafden indruk. Ze droegen fraaie doeken
-in het sluike, glanzend zwarte haar; het naakte bovenlichaam had geen
-tatoeage, en om de heupen vouwde zich een soort rok met mooie figuren.
-Onbevreesd, ook niet zoo erg verbaasd keken ze den maats in de oogen en
-groetten in het Maleisch.
-
-Floorke nam terstond het woord. „Hebben jullie eten? Makan? We zullen
-betalen! Bajar!”
-
-„Ada makanan, toean”, was het bevestigende antwoord.
-
-„Makanan apa?” vroeg Bolle.
-
-Wat voor eten? Een der Maleiers somde op: „Nassi, kambing, ajam-ajam,
-ikan, boewah.....”
-
-„Goed, breng maar hier. Wat is dit voor een land? Negeri apa ini?”
-informeerde de barbier.
-
-„Negeri Lampong, toean”, was het antwoord.
-
-„Aha! De Zuidelijkste provincie van Sumatra! Dat is mooi!—Mana negeri
-Djawa?”
-
-Waar Java lag? De Maleiers wezen de kust af, in Zuid-Oostelijke
-richting.
-
-„Dat klopt!” zei Vader Langjas verheugd. En in het Maleisch vertelde
-hij, hoe ze hun schip hadden verloren en nu de reede van Bantem
-zochten.
-
-Bantem was nog ver, verzekerden de inboorlingen, en er lag een zee
-tusschen. Daarop togen ze heen, beloofden spoedig met voedsel te zullen
-terugkeeren.
-
-Intusschen zamelde Bontekoe het geld der maats bijeen. Hier gold het:
-botje bij botje leggen; uit mutsen en voeringen kwam het geld te
-voorschijn, en ten slotte lagen er tachtig realen van achten. Zouden de
-inlanders weten, wat geld was? Bontekoe meende van wel: er zouden op
-deze kust wel genoeg handelsschepen komen, waar ze het geld weer kwijt
-konden.
-
-De inlanders kwamen met z’n twintigen terug, met pluimvee, rijst,
-vruchten en twee geiten.
-
-Bontekoe, verheugd over het uitzicht: na weken van de bitterste
-ontberingen eindelijk weer eens een smakelijken maaltijd te genieten,
-was het spoedig met hen over den prijs eens.
-
-En in zeldzaam opgewekte stemming werd het maal bereid. Bolle, met
-Harmen als helper, had zich nog nooit in zooveel belangstelling en
-raadgevingen mogen verheugen. Allen wilden proeven: „of het al gaar
-was”, en Bolle deelde met een houten, zelfgesneden lepel links en
-rechts meppen uit.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE DESSAH IN
-
-
-Na het eten, dat zelfs Padde’s verwachtingen nog verre overtrof,
-overlegden de schipbreukelingen, hoe ze nog aan wat meer proviand voor
-de reis zouden komen. Van een zoo vreedzame bevolking zou wel alles
-zijn los te krijgen wat men voorloopig noodig had. De inlanders zeiden,
-dat een uur varens de rivier op een dorp lag; daar besloot Bontekoe
-zich eens heen te te laten roeien.
-
-Hij liet zijn neef bij zich roepen. „Rolf, jij mag mee, als mijn tolk.
-De inlanders zullen ons straks zelf met een prauw de rivier oproeien.”
-
-„Wat leuk, oom! Mag Hajo mee?”
-
-Bontekoe keek zijn neef glimlachend aan. „Jullie houdt mekaar altijd
-bij de broek, geloof ik! Heb je Jan, dan heb je Piet! Nou, vooruit dan
-maar.”
-
-Stralend pakte Rolf zijn biezen.
-
-Tien tellen later stond Harmen bij den schipper.
-
-„Wat heb je op je lever?”
-
-„Ik.....” Harmen slikte, „ik heb nog nooit in zoo’n Maleisch sloepie
-gezeten, schipper!”
-
-„Maar als ik jou ook nog meeneem, zullen ze daarginds denken, dat ik
-met een jol vol kinderen ben aangekomen!”
-
-Harmen verbleekte. „Kinderen, schipper.....?! ’k Word met Maart
-zestien!”
-
-„Uitgerukt!” klonk het antwoord, dat echter lachend gegeven werd.
-
-Verbluft trok Harmen zich terug. Maar Rolf, die het gesprek op eenigen
-afstand gevolgd had, gaf hem een ribbestoot. „Je mag mee!” fluisterde
-Rolf.
-
-Harmen keek hem weifelend aan. „Nou..... voor mijn part, zeg! Als de
-prauw er is, spring ik er in. Maar als de schipper me de beenen
-stukslaat, komen de kosten voor jou!”
-
-Daar kwam een prauw de rivierbocht omscheren, handig zwenkend tusschen
-de steenen. Voor- en achterin zat een Maleier met een spaan in de
-handen. Ze meerden de prauw, en Bontekoe nam er met zijn drie flinke
-geleiders in plaats. Harmen keek met een scheel oogje naar den
-schipper,—gereed om er zoo noodig vlug als de weerlicht nog uit te
-wippen. Maar Bontekoe scheen hem niet op te merken. Juist hadden de
-twee Maleiers hun prauw van den wal afgestooten, toen Padde buiten adem
-kwam aanhollen.
-
-„Wat moet dat?!” riep Padde. „Waar gaat dat naar toe?”
-
-Hajo schaamde zich een weinig over Padde’s optreden, dat al van bar
-weinig eerbied voor des schippers tegenwoordigheid getuigde. Maar hij
-wilde zijn vriend het antwoord toch niet schuldig blijven. „Inkoopen
-doen voor de kombuis, Padde!”
-
-„Ik ga mee”, zei Padde. „Leg maar even an.”
-
-„Waarachtig niet”, klonk het uit Bontekoe’s mond. „Je gaat niet mee!”
-
-„Ik ga wel mee”, verklaarde Padde.
-
-Bontekoe zette groote oogen op.
-
-„Zwem maar achter de prauw aan!” grinnikte Harmen. Weinig vermoedde
-hij, dat zijn raad tot gevolg zou hebben.... Pats! daar sprong Padde
-pardoes het water in en ploeterde naar de prauw. Samen met Hajo en Rolf
-heesch Bontekoe den roekeloozen botteliersmaat binnen boord.
-„Blikslagersche jongen!” mopperde de schipper, „wil jij je door een
-kaaiman laten verslinden?!”
-
-„Ik wil met m’n vrind mee”, hijgde Padde.
-
-Bontekoe wist niet zoo gauw wat te zeggen. En Padde scheen er ook
-weinig belang in te stellen. Hij zette zich op den bodem van het
-vaartuigje neer en wrong nijdig zijn muts buiten boord uit.
-
-„Vooruit! Roei op!” beval Bontekoe den Maleischen roeiers. Onmiddellijk
-sloegen de Maleiers de spanen in het water: of ze het begrepen, al was
-het bevel ook in zuiver Hollandsch gesteld!
-
-Aanvankelijk werd er gezwegen. Bontekoe keek met een half oogje naar
-Padde, die, zonder de anderen met een blik te verwaardigen, grimmig met
-het uitwringen van zijn kleeren doorging.
-
-De inlanders werkten de prauw de bocht om; Hajo en Harmen bewonderden
-in stilte de vaardigheid, waarmee ze de gevaarlijke punten wisten te
-omsturen. Enkele korte roepen waren den roeiers voldoende
-verstandhouding.
-
-Een drukkende hitte lag nu reeds op het water. Hoe zou het vanmiddag
-wel worden?
-
-Allengs verbreedde de rivierbedding zich; de boomen stonden ook niet
-meer vlak aan het water, maar waren er van gescheiden door een veld
-grijze bergsteenen. De lichte palmen aan den oever maakten plaats voor
-donkere loofboomen, hooger dan een kerk. Wonderlijk speelden daarboven
-de zonnestralen op de roerlooze bladeren en op de bonte bloemen der
-slingerplanten.
-
-Groote, bruine apen volgden de prauw; aan loshangende lianen slingerden
-zij zich van den eenen boom in den anderen. Een oud apen-mannetje
-bewoog zich met groote sprongen over het steenen bed aan den oever,
-siste, nam een aanvallende houding aan, wierp met keitjes naar de prauw
-zonder zich te laten afschrikken door de verwenschingen, die de beide
-inlanders hem naar het hoofd slingerden. Kleurige vogels fladderden van
-tak op tak, streken in prachtigen val neer, een langen staart achter
-zich aan. Wanneer er een over een zonneplek gleed, schitterde een helle
-vlam, kort, terstond weer doovend.
-
-Men kwam langs enkele huisjes, half achter de boomen verborgen. Een
-paar vrouwen waren met het wasschen van kleeren bezig. Zij hadden een
-rok („sarong,” zei Rolf) boven de borst dichtgeknoopt en sloegen het
-waschgoed op een grooten steen. Naakte kindertjes met dikke
-rijstbuikjes zaten elkaar in het water na en plasten, dat het een aard
-had. De meisjes hadden het haar in een knoedeltje opgebonden, de
-jongens waren kaalgeschoren, op een gitzwarten lok, vóór op hun ovaal
-bolletje, na.
-
-Groote verbazing onder de kleinen, toen de prauw naderde! Een paar
-kereltjes kozen het hazenpad; anderen bleven met open mond staan, de
-oogen zoo wijd als de zee.
-
-De vrouwen merkten de prauw nu ook op. Ze staakten het werk en uitten
-in een kreet haar verwondering: „Tjobah.....!” Het feit, dat er twee
-inlanders, die ze kenden, in de prauw zaten, scheen haar gerust te
-stellen. En toen het vaartuigje voorbijgleed, overstelpten ze de
-roeiers met vragen. Dezen gaven geen antwoord. „Diam! Mond houden!”
-morde de achterste slechts. De kinderen wilden de prauw volgen, maar de
-vrouwen riepen de bengels terug.
-
-Verderop stonden de boomen weer vlak aan het water, de rivier geheel
-overwelvend. Hier werd het heerlijk koel. In het groene schemerlicht
-daarboven slingerden de apen zich aan loshangende lianen heen en weer
-en schudden krijschend de takken.
-
-Er kwamen weer huisjes met kinderen, geiten, kippen en honden er onder,
-er op, er in, er omheen. Daarna kokostuinen met bamboezen omheiningen.
-De jongens waren paf over de rapheid, waarmee een knaapje daarginds
-zich in een der boomen werkte: hij liep tegen den stam op!
-
-Bij een primitief huisje, waaronder een paar booten lagen, legden de
-Maleiers ten slotte aan. En Bontekoe sprong met zijn gevolg aan wal. De
-inlanders als gidsen voorop, sloegen ze een kronkelpaadje in, met aan
-beide zijden dichte, groene bamboebosschen. Toen voerde de weg over een
-dijkje tusschen twee vijvers door, waarin visschen heen en weer
-schoten. Kikkers plonsden bij vieren, vijven tegelijk van het aarden
-walletje het water in, en aan de overzijde stond een grijze reiger te
-visschen. De inlanders wierpen een steen naar het dier, waarop het in
-een boom streek, vast besloten zijn maaltijd voort te zetten, zoodra
-die lastige menschen hun hielen hadden gelicht.
-
-Weer een bocht om, en men was bij het dorp. Het lag er alleraardigst,
-omzoomd door een strook gras, waarop een paar buffels, vervaarlijke
-kolossen met zware horens, vreedzaam graasden, en een aantal kleine
-bruine dreumesen speelden. Toen ze de vreemden zagen, verborgen ze zich
-ijlings achter de buffels, loerden met groote oogen tusschen de pooten
-door. Om het dorp bevond zich een aarden, met bloemen overdekte wal,
-waarop een schutting van dikke, gespitste bamboestokken was geplaatst.
-Het pad voerde naar een doorgang, waarvoor een man gehurkt te soezen
-zat. Een speer stond achter hem.
-
-De Maleiers riepen hem bij zijn naam. Hij schrikte op, krabbelde schuw
-overeind, vol wantrouwen de vreemdelingen aanziend, en sloeg tweemaal
-op een houten blok, dat naast hem hing. Intusschen wenkte de voorste
-Maleier Bontekoe en de zijnen, om hem verder te volgen. Ze kwamen nu op
-een soort voorplein van gestampte aarde, waarop ’t krioelde van
-pluimvee.
-
-Rechts achter de poort waren, in de schaduw van een groepje pisang- en
-papajaboomen, een viertal jonge meisjes met het stampen van rijst in de
-weer. Het mooie, glanzend-zwarte haar lag sierlijk, in een kleine
-wrong, achter in den hals, en er staken een paar fleurige bloempjes in.
-Het bovenlijf was onbedekt, maar om het middel droegen ze een kleurig
-kleedje, dat tot over de knieën reikte. Terwijl ze aanhoudend werk
-hadden om de diefachtige kippen weg te jagen, die een graantje kwamen
-pikken, stampten ze, neuriënd, met lange stokken in houten kommen,
-waarvan er vier naast elkaar waren gehouwen in een scheepvormig stuk
-hout, dat op den grond stond. Toen de meisjes onze vrienden zagen,
-slaakten ze een lichten kreet.
-
-„Tabeh!” zei Harmen vriendelijk.
-
-„Tabeh, toean.....” stamelde een der meisjes. En een paar kwieke
-haantjes vielen op de onbehoede rijst aan.
-
-Aan de andere zijde van het plein lag het eigenlijke dorp. En terwijl
-de blanke bezoekers het pleintje overstaken, kwamen uit enkele woningen
-al inlanders aanzetten: dat zou de slag op het houten blok wel hebben
-uitgewerkt. Op eenigen afstand bleven ze staan.
-
-Harmen groette naar alle kanten. Maar op zijn vriendelijkste „tabeh”
-kreeg hij slechts een onverstaanbaar gemompel terug. Alle huizen waren
-op hooge, sterke palen gebouwd. Sommige hadden een balkon en drie, vier
-tralievensters. En hoe kunstig waren de bamboezen wanden gevlochten!
-Daar zaten allerlei figuren in! En dan dat kleurige snijwerk onder de
-spitse daken! Onder de meeste huizen hing in rotankoorden een prauw, en
-er was geen enkele woning, waarbij aan den zijkant niet een paal met
-een kooi was aangebracht, waarin een kleine, grijze duif koekeloerde.
-Alom scharrelde pluimvee rond. Een paar jonge haantjes oefenden zich in
-het kraaien en mengden hun schorre, onzekere stemmen met het
-zelfingenomen gekakel van hennen, die luid verkondigden, dat ze
-daareven een ei hadden gelegd. Het was alweer juist hetzelfde als in
-het Sante-Mariesch dorpje: tusschen deuren- en vensterspleten gluurden
-angstige gezichten van vrouwen en meisjes, en ook hier krioelde het van
-kleine, naakte dreumesen, die, op de komst der vreemdelingen, hals over
-kop de vlucht namen.
-
-Zoo, met een schare Maleiers op de hielen, belandden ze bij een huis,
-dat het grootste en fraaiste van alle was en dus wel het dorpshoofd zou
-toebehooren. Hun leider verzocht hen een oogenblik te wachten: de
-bewoner van het huis zou zich dadelijk vertoonen.
-
-Harmen zette zijn verbroederingspogingen voort. Hij bleef maar knikken
-en „tabeh!” roepen. En ten slotte scheen hij veld te winnen. Enkele
-inlanders riepen den anderen wat toe; daarop werd er gemeesmuild.
-„Aha!” dacht Harmen, „ik schiet op!” En onverwachts maakte hij een
-prachtige luchtbuiteling. In het maken van een dergelijke toer was
-Harmen rijp voor het paardespel, en ook ditmaal miste ze haar
-uitwerking niet. Eerst een oogenblik van verbaasd zwijgen, toen
-algemeen gelach. Er waren op den achtergrond nu ook vrouwen en meiskes
-opgedoken, wier vroolijkheid aanstekelijk werkte. Juist maakte Harmen
-nog eens dezelfde buiteling, maar nu achterstevoren, toen in de veranda
-van het groote huis een Inlander verscheen, fraai gekleed in langen
-lendenrok, jasje en hoofddoek. In een breeden, goudbestikten buikgordel
-stak achter den rug een eigenaardig gevormd steekwapen met sierlijke
-greep.
-
-Op zijn verschijnen heerschte oogenblikkelijk stilte onder de
-verzamelde inlanders, en terwijl hij, nog verbaasd naar Harmen ziend,
-die verlegen zijn broek optrok, langzaam en plechtig de trap van het
-bordes afdaalde om de vreemdelingen te begroeten, gingen allen
-eerbiedig achteruit en hurkten op eenigen afstand neer, de handen in
-den schoot. Bontekoe en de jongens voelden, dat ze hier bij een ander
-volk terecht waren gekomen dan bij de zwartjes op Sante-Marie! Ze
-besloten in beleefdheid niet onder te doen: Bontekoe maakte een
-buiging, een voorbeeld, dat door onze Hoornsche vrienden kranig werd
-nagevolgd, op Padde na, die met zijn houding geen raad wist en daarom
-maar kuchte en met de mouw zijn neus schoonveegde.
-
-Hierop boog het dorpshoofd ook een weinig, heette den vreemdelingen
-welkom in bewoordingen, die meer begrepen dan verstaan werden, en
-verzocht den vreemdelingen, zijn gast te willen zijn. Rolf, die het
-best Maleisch sprak, dankte het dorpshoofd voor zijn vriendelijk
-aanbod. Hierop begaf hun gastheer zich weer naar boven, met hoffelijk
-gebaar Bontekoe en de zijnen noodend hem te volgen. Zoo deden zij.
-Roerloos bleven buiten de inlanders gehurkt toezien.
-
-Op het bordes hadden enkele vrouwen en meisjes tegen den wand plaats
-genomen. Het dorpshoofd gaf een wenk, waarop ze oprezen en zes matjes
-op den vloer spreidden. Vriendelijk noodigde hij zijn gasten, plaats te
-nemen. Bontekoe en de jongens gaven er gehoor aan en zetten zich met
-opgetrokken knieën op de matjes neer. De Inlander was ook gaan zitten,
-kruiste de beenen onder het lichaam. Een nieuwe wenk, en de meisjes
-zetten een koperen schaal neer, waarop enkele aardige, met grillige
-figuren besneden kommetjes stonden. In een ervan lag een noot, in een
-ander een krans van groene bladeren, in een derde witte kalk, in een
-vierde weer wat anders..... De jongens keken er met groote oogen naar.
-Wat moesten ze daarmee beginnen?
-
-De Inlander legde enkele bladeren tot een matje ineen, nam iets uit de
-verschillende kommetjes, vouwde de bladeren dicht, stak die toen in den
-mond en maakte tot zijn gasten een uitnoodigend gebaar.
-
-„Nadoen!” zei Bontekoe tot zijn dapperen.
-
-„Moet je ’t slikken?” vroeg Hajo weifelend.
-
-„Ik slik het niet”, zei Harmen; „ik ga liever gewóón dood.”
-
-„Je moet het kauwen”, zei Bontekoe. „Het is een betelpruim.”
-
-En zoo goed en kwaad als het ging, maakten de schipper en de jongens
-hun pruim terecht en staken haar daarna dapper in den mond, op Padde
-na, die maar weer z’n neus schoonwreef. Het goedje smaakte bitter.
-
-Al dien tijd heerschte er zwijgen. Bontekoe raadde Rolf door een wenk,
-dien de beleefde inlander gebaarde niet te merken, met spreken te
-wachten, tot hun gastheer het woord genomen had. Eindelijk was het
-zoover. Het dorpshoofd wenkte de meisjes om de schalen weg te nemen en
-wendde zich tot Bontekoe: „Mag ik u vragen, heer, van waar gij komt?”
-
-Rolf vertelde zoo goed en kwaad als het ging hun wedervaren, en dat ze
-hier op Sumatra geland waren om wat eten in te koopen voor de verdere
-reis.
-
-Het dorpshoofd antwoordde, dat hij zelf hun tot zijn spijt niets te
-koop kon bieden, maar dat er in het dorp stellig wel menschen zouden
-zijn, die etenswaren konden leveren. Daarop verklaarde hij, dat hij het
-zich een groote eer zou rekenen, indien zijn gasten zoometeen bij den
-maaltijd zouden willen aanzitten en verder den nacht bij hem
-doorbrengen.
-
-Het slapen moest Rolf afslaan, omdat, zooals hij zei, de haast om bij
-hun makkers in Bantem te komen hen verhinderde hier lang te vertoeven.
-Maar den maaltijd zouden zij gaarne aanvaarden.
-
-Daarna wendde Rolf zich tot zijn oom en bracht het gesprek over.
-
-Harmen was nadenkelijk geworden. „Ik vertrouw hem voor geen pruim
-tabak”, zei hij plots. „Wat ik je brom: ’t is een blinde klip! Hij
-kijkt me te geniepig! ’k Zal Louwtje Laurenszoon heeten, als er geen
-gif in het eten zit!”
-
-Rolf keek Harmen aarzelend aan.
-
-„Een gast is hier in Indië heilig!” zei Bontekoe. Maar ook hij voelde
-Harmen’s wantrouwen mee. Er zat in al die hoffelijke manieren iets
-beklemmends,—een rond zeeman wist niet goed, wat ie er aan had. En
-tegelijk met een zweem van argwaan kwam in hem een gevoel van spijt op,
-dat hij, in plaats van de vier jongens, niet een dozijn onbehouwen
-maats had meegenomen.....
-
-Hajo vond hun gastheer een buitengewoon vriendelijk man. Je moest niet
-achter alles wat zoeken!
-
-En Padde kon zijn oogen maar niet afwenden van het meisje, dat hem
-daarstraks de betelschaal had gereikt. Het kopje vormde een prachtig
-ovaal; de oortjes, lipjes, het neusje waren fijner dan Padde ze ooit
-gezien had; de sierlijk gebogen, smalle wenkbrauwen, de donkere,
-glanzende oogen, half versluierd achter de lange wimpers, de prachtige
-haarval, waarin een zilveren gesp en een paar sneeuwwitte bloempjes
-waren gestoken, het fijne halsje, dat zoo wonderlijk mooi in de
-schouderlijn overging; de tengere armen, handjes en vingertjes, het
-zonderlinge, kleurige kleedje, de ranke enkels, elk met een zilveren
-band! Padde vergat de heele wereld. Net een plaatje! vond hij.
-
-Maar het meisje had ook voor den braven botteliersmaat belangstelling.
-Nu en dan wierp ze hem van onder haar lange wimpers een schuwen blik
-toe.
-
-Dan werd Padde rood als een kool en keek vlug een anderen kant uit.
-
-De gastheer stelde voor, het dorp eens te bezien; intusschen kon men
-hier het eten opdienen. Gretig nam Rolf het voorstel aan, blij,
-eindelijk van de zittende houding en het betelkauwen verlost te zijn.
-Nauwelijks waren ze het trapje afgedaald, of onze vrienden maakten van
-de gelegenheid gebruik, zich van hun betelpruim te ontdoen.
-
-De kring hurkende inlanders opende zich terstond in de richting,
-waarheen het dorpshoofd zijn gasten geleidde. Kindertjes liepen in een
-drafje toe en gluurden van ter zijde de „witte” menschen aan, zich
-eerst weer schuchter terugtrekkend, wanneer een van de vreemde gasten
-een blik op hen liet vallen.
-
-„Stampt men in uw land de rijst, zooals wij het hier doen?” vroeg het
-dorpshoofd, toen ze een plek naderden waar weer vier meisjes met dat
-werk bezig waren, doch nu verlegen ophielden.
-
-„In ons land groeit geen rijst”, antwoordde Rolf.
-
-Het dorpshoofd keek vol verbazing zijn gasten aan. „Tjobah.....!” En
-ook onder de omstaande inlanders werd gemurmeld.
-
-„Mogen we het stampen eens zien?” vroeg Rolf vroolijk.
-
-„Wel zeker!” haastte zich het wellevende dorpshoofd te verklaren. En
-hij wenkte de meisjes nader te komen en hun arbeid voort te zetten.
-Schuchter, met neergeslagen oogen, voldeden ze aan het verzoek.
-
-Zij stelden zich aan beide zijden van het stampblok op, namen den
-houten stok en begonnen op een kort en zacht uitgesproken bevel van een
-van hen te stampen. Al spoedig merkten Bontekoe en de zijnen op, dat er
-in een bepaalde maat gestampt werd. De leidster zei weer een woord, en
-nu wisselden plotseling alle vier de maat. Als vanzelf begonnen de
-deerntjes te neuriën, eerst heel zacht, toen wat vrijer uit, en bij
-elke maatwisseling zetten ze ook terstond een ander wijsje in. En alles
-rondom was zoo vredig; de lucht hing vol zoeten bloemengeur, de zon was
-zoo koesterend.....
-
-„Alleraardigst!” riep Bontekoe uit.
-
-Het was, als verstonden de ijverige stampsters hem, want ze bloosden
-onder den lof; de jongste giechelde even, waarop ook de anderen haar
-vroolijkheid een oogenblik botvierden. Een oude vrouw, die gehurkt bij
-het blok was gaan zitten, berispte ze met krijschende stem; de meiskes
-wierpen elkaar en ook den omstanders een oogje toe en kozen ditmaal een
-bijzonder vroolijke maat,—ondanks het kijven der oude, die thans met
-een mandje, dat veel van een omgekeerden hoed had en met ongepelde
-rijst was gevuld, bij het stampblok neerhurkte. Met vluggen greep
-griste ze tusschen twee stooten door met haar magere, gerimpelde hand
-de rijst uit de kommen, wierp ze in een leeg mandje en gooide daarna de
-kommen weer vol ongepelde rijst.
-
-Terwijl de meisjes met stampen doorgingen, leidde het dorpshoofd zijn
-gasten weer verder.
-
-Rolf vroeg naar den naam der grijze duiven in de kooien. „Boeroeng
-perkoetoet”, luidde het antwoord. Onze vrienden verbaasden zich over de
-juiste klanknabootsing: ze hoorden nu duidelijk in den roep van den
-vogel het woord: perkoetoet!
-
-Ze hielden stil bij een ouden man, die met het versieren van een deur
-bezig was. Niets dan een kort mesje was zijn werktuig: daarmee—en met
-eindeloos geduld!—had hij vogels, visschen en boomen in fraaie lijnen
-uit het hout getooverd. De oude houtsnijder glimlachte vol bescheiden
-vreugde, toen de vreemdelingen zijn werk bewonderden.
-
-„Kan ik ook”, zei Harmen. „Heb jullie mijn tabaksdoos al eens gezien?”
-
-Een strenge blik van den schipper hield hem ervan terug, dit zeldzame
-kunstwerk, waarop twee aaneengesmede harten prijkten, voor den dag te
-halen.
-
-Na den rondgang door het dorp te hebben gemaakt, kwam men weer bij de
-woning van het dorpshoofd, waar intusschen het eten was opgediend. Een
-groote mat lag op den vloer, en daarop prijkte een keur van gerechten,
-alle in stukken pisangblad gewikkeld. Men zette zich op matjes rond den
-„disch”. Er was rijst met scherpsmakende vischjes, gekruide kip,
-allerlei vruchten, waarbij vooral een groene vrucht met heerlijk
-sappig, oranje vleesch en een groote pit onze vrienden in verrukking
-bracht. Het eten was zoo gepeperd, dat men er de tranen van in de oogen
-kreeg. „Toch lekker”, vonden de jongens. Alleen Harmen was zijn
-wantrouwen nog niet geheel kwijt, aarzelde bij elk nieuw gerecht, dat
-men hem aanbood.
-
-„Smaakt het jou niet?” vroeg Bontekoe.
-
-„Als ik maar zeker wist, dat er geen gif inzat, zou je me eens zien
-eten, schipper!” verklaarde Harmen.
-
-Zijn makkers lachten. „We hebben anders nog geen meelij met je! Als je
-dat allemaal opeet.....!”
-
-De soep werd tot hun verbazing over de rijst geschept! Dan waren er
-allerhande koekjes en geconfijte vruchten, en na het eten werd er
-gegiste palmwijn rondgediend.
-
-Daarna stonden onze vrienden op om nu eens ernstig op zoek te gaan naar
-proviand voor de jol! Ze hadden verrukkelijk gegeten en bedankten het
-dorpshoofd voor zijn gastvrijheid. En nu Harmen geen buikkrampen of
-iets dergelijks voelde, week ook bij hem, als bij de anderen, het
-laatste restje wantrouwen.
-
-Rolf vroeg den inlanders, die nog steeds in grooten kring voor het huis
-zaten, of niemand van hen iets te koop kon bieden.
-
-„Kippen!” riep er een. „Twee geiten!” luidde het uit een anderen hoek.
-„Rijst! Rijst en kippen!”
-
-Kippen bleken in overvloed te koop te zijn. Bontekoe kocht wat rijst en
-pluimvee op en liet het naar de jol zenden. Daarna volgde men den
-inlander, die twee geiten te koop had. Maar ter plaatse gekomen, bleken
-de „geiten” nog geen maand oud te zijn. En het dochtertje van den man
-huilde zoo, toen zij merkte wat haar vader met de lustige
-speelkameraadjes van plan was, en zijn vrouw kijfde hem zoo de huid
-vol, dat hij maar van zijn plan tot verkoop afzag.
-
-Op dat oogenblik kwam zijn buurman zeggen, dat hij een buffel te koop
-had. Dat zou zoden aan den dijk zetten! En onze vrienden volgden den
-man, die hen het dorp uitleidde. Daar graasde zijn buffel, een mooi,
-jong beest met een paar geduchte horens.
-
-Rolf opende de onderhandelingen. Men werd het eens op vijf-en-een-halve
-real van achten. Maar hoe nu den stier naar de jol te krijgen? „Als we
-het die nikker laten doen, zien we het beest nooit!” meende Harmen.
-
-„We zullen het zelf doen”, zei Rolf. En den Maleier vroeg hij: „Is er
-een weg naar het strand?”
-
-„Zeker, heer, langs de rivier loopt een weg.”
-
-„Wel”, zei Harmen, „ga jij dan met de kano terug, schipper, dan slaan
-wij het mormel een touwtje om z’n hals en brengen het netjes naar de
-jol.”
-
-Dat scheen ook Bontekoe het beste. „Nu, gaan jullie je gang dan maar.
-Tot over een paar uur dus!”
-
-„Jawel, schipper!”
-
-Bontekoe ging naar de woning van het dorpshoofd.
-
-„Nou”, zei Harmen den inlander, „haal jij nou er eens als de weerlicht
-een stukkie talie!”
-
-De man raapte een stuk rotan van den grond op.
-
-„Best, kassie maar aan saja”, zei Harmen. „Dan zal ik hem dat lusje
-even om z’n hals leggen!” Harmen, die al eens vaker een koe bij de
-horens had gepakt, stapte op den grazenden kolos af.
-
-Maar deze sprong haastig een paar passen terug en keek dreigend onzen
-vriend aan, die van zijn kant een en al innemendheid was en als een
-verleidelijk lokaas den strik voor zich uithield. „Kom dan?” vroeg
-Harmen vriendelijk, „kom dan, ouwe jongen?” Maar de buffel kwam
-niet,—zoodat Harmen tot list overging. Hij maakte van den rotan een
-lasso en wierp dien, na alleronschuldigst nog een paar duim genaderd te
-zijn, den buffel om de horens.
-
-Het dier sprong achteruit, sleurde Harmen mee. Maar deze hield vast.
-Toen een korte aarzeling, en het beest boog snuivend den zwaren nek en
-stormde met gevelde horens op den onversaagden koksmaat af. In dit
-hachelijk oogenblik maakte Harmen den sprong, waaraan hij het te danken
-had, dat hij vijftig jaar later aan zijn kleinkinderen het
-buffelavontuur nog in geuren en kleuren kon voorschilderen. Terwijl hij
-er eigenlijk nog over na dacht, hoe hij zich het best uit de voeten kon
-maken, hadden zijn armen en beenen het werk al verricht: hij greep, den
-doodsangst in de oogen, met zijn gespierde knuisten de horens beet,
-zette geweldig af en..... sprong haasje-over!
-
-„Tjobah.....!” stamelde de inlander. De anderen voelden een koude
-rilling door de leden gaan. De buffel stoof door tot aan de omheining
-van het dorp; daar bleef het dier staan, de horens gebogen voor een
-nieuwen aanval.
-
-„Vooruit!” riep Rolf den inlander driftig toe. „Tangkep!”
-
-De man keek schuw op. „Oah toean, ’nga brani, toean.....”
-
-„Wat zeg je? Durf je niet? ’t Is toch jouw stier?”
-
-„Mijn stier, heer? Ik heb hem u toch verkocht? Dan is hij toch niet
-meer van mij?”
-
-„Wat zeit ie?” vroeg Harmen.
-
-„Hij heeft ons een koopje geleverd! Hoe krijgen we het beest in ’s
-hemelsnaam mee?”
-
-„Wachten, tot ’t donker is”, meende Harmen. „Dan draai ik ’m stiekum
-een touwtje om z’n pooten. En dan slapen we vannacht bij de radjah!”
-
-„Onmogelijk! Dan is het nog beter, zonder buffel terug te gaan.”
-
-„De schipper zal ons zien aankomen!” smaalde Harmen. „En hij zal nòg
-eens jongens meenemen! Neen, hij heeft gezeid, dat we hem de stier
-moeten brengen, nou, dan moeten we hem de stier ook brengen. Over een
-uur is het al donker.—En dan krijgen we je wel, hè, dikkop?”—Dat
-laatste ging tegen den stier.
-
-Rolf weifelde. „Vooruit dan maar!” zei hij ten slotte. Hij had per slot
-van rekening ook niet veel lust om zonder den stier in het kamp terug
-te keeren. De schipper zou zich wel ongerust maken, maar morgen
-helderde zich immers alles op.
-
-En de knapen togen naar het dorpshoofd, dat hen weer allervriendelijkst
-ontving en hun een klein huisje aanbood, hetwelk naast het zijne stond
-en voor de herberging van gasten diende. Hij liet de knapen een
-oogenblik alleen, keerde vriendelijk glimlachend terug en zei, dat
-alles voor hen werd gereedgemaakt. Opnieuw liet hij palmwijn brengen,
-verzekerde, dat hij het zich een eer rekende, de zonen van een schipper
-der Compagnie te herbergen. En toen een inlander hurkend kwam
-mededeelen, dat het nachtleger voor de gasten gereed was, vroeg hij
-hun, of ze lust gevoelden even met den dienaar mee te gaan, ten einde
-hun onderdak voor dezen nacht in oogenschouw te nemen. Zoo volgden de
-jongens, vroolijk koutend en verrukt over den palmwijn en hun
-hartelijken gastheer, den inlander naar het huisje.
-
-Ze klommen, Harmen vooraan, een laddertje op, dat naar de kamer voerde,
-traden met gebukt hoofd de lage deur binnen en kwamen zoo in een
-donkere ruimte. Padde kroop als laatste naar binnen.
-
-„Sakkerju”, zei Harmen, „’t is donker; we hadden wel een
-dievenlantarentje mee mogen brengen!”
-
-Op dat oogenblik werden ze beetgegrepen, ondanks hun woedend verzet
-gekneveld—en in het duister alleen gelaten.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VERLATEN
-
-
-„Zie je wel, dat ie een blinde klip was!” jammerde Harmen.
-
-„We moeten ons bevrijden”, zei Rolf.
-
-„Goeie morgen! ’k Lig als een oester zoo vast! En jij, Padde?”
-
-„O, God, Harmen!”
-
-„Ik kan me wel wat draaien”, zei Hajo.
-
-„Ah!” zei Rolf. „Draai hier eens naar toe, dan zal ik zien, of ik met
-m’n tanden.....”
-
-„Dan kun je lang knabbelen”, meende Harmen. „’t Is een rotanknoop! Ik
-wou, dat ik m’n mes maar uit m’n broek kon halen, dan sneed ik jullie
-in drie tellen los.”
-
-„Dan waren we nog het dorp niet uit!” klaagde Padde.
-
-„Heb je mij wel eens zien knokken?” was Harmen’s schampere vraag. „Ik
-neem vijftig van die Arabieren voor mijn rekening, en als ik woest ben
-dubbel zooveel.”
-
-„Wat zouden ze met ons willen?” vroeg Hajo.
-
-„Levend opeten”, troostte Harmen. „Gepeperd bij de rijst.”
-
-Padde begon te schreien. De anderen zwegen. Doffe woede maakte zich van
-hen meester. „Als ze bij de jol wisten hoe het met ons staat, zouden ze
-ons wel bevrijden!” zei Hajo.
-
-„Loop er effe heen”, raadde Harmen.
-
-Buiten gonsden stemmen. Rolf spitste de ooren. „Brapa?” ving hij op.
-„Toedjoe poeloeh!”
-
-„Zeventig!” Dat was ongeveer het getal schipbreukelingen! Tegen hun
-makkers werd stellig ook iets in het schild gevoerd! En wat zou er met
-den schipper zijn gebeurd?!
-
-„Die is goed bij de jol aangekomen”, meende Rolf. „Al die
-vriendelijkheid diende alleen maar om ons wantrouwen in slaap te sussen
-en vannacht ongemerkt het kamp te kunnen besluipen. Ze zouden ons ook
-wel vrij hebben laten gaan, maar toen we hier toch wilden slapen,
-hebben ze ons maar meteen opgesloten.”
-
-„Die smerige buffel!” schold Harmen. „Had ik ’m maar dadelijk een
-lussie om z’n pooten geslagen!”
-
-„Konden we in het kamp maar waarschuwen!” verzuchtte Rolf.
-
-Hajo beet van drift de tanden opeen. „Opgesloten en gebonden!!”
-
-Stil werd het buiten, merkwaardig stil. Nu en dan ritselde iets in het
-dak van bladeren, waarschijnlijk een hagedisje. Een paar muskieten
-zoemden door het vertrek. Iemand neuriede een zacht, zangerig
-deuntje.....—Plotseling doordringend kindergeschrei met het gillen van
-drie, vier honden, in een eindeloozen klaagtoon hun hondeleed
-uitjammerend. Dan een paar hooge vrouwenstemmen. Door een spleetje in
-het dak dwarrelde een streep maanlicht, schoof geleidelijk het vertrek
-door.
-
-Hoe laat zou het al zijn? Middernacht? Werd het al morgen? Een gekko
-begon in langen, geheimzinnigen toon te ratelen: Krrrrrr! Krrrrrr! En
-dan helder en luid: „Tòkeh.....! Tòkeh.....!”
-
-Harmen trachtte het na te bootsen, bracht het spoedig een heel eind.
-„Tòkeh.....!”
-
-Padde snikte er doorheen.
-
-Toen..... kraakte er iets op het laddertje. Lichte, vlugge schreden. De
-deur piepte, de dunne vloer boog een weinig door. „Toean.....!” zei een
-zachte meisjesstem.
-
-De knapen voelden hun harten bonzen. „Apa?” vroeg Rolf.
-
-De binnengekomene knielde, zocht naar den strik, die Rolfs hand
-omsloot, wrong hem met veel moeite los. „Nu kunt u de anderen ook
-bevrijden”, fluisterde ze gejaagd. „Er zijn geen mannen in het dorp. Ga
-de poort uit, dan linksom, het kleine weggetje in,—daar zal men niet
-zoeken.” Ze sloop weer weg, het laddertje af.
-
-De knapen hadden geen aansporing tot vlug handelen noodig. Rolf knoopte
-in driftige haast Hajo’s handen los; samen bevrijdden ze daarop Harmen
-en Padde.
-
-„Wat een schat!” zuchtte Padde. „Groote griebus, da’s vast die eene
-geweest, met dat fijne koppie!”
-
-Toen de handen vrij waren, kon elk zichzelf van den rotan verlossen,
-die de voeten snoerde. Met hun nog stijve beenen, bibberend van
-opwinding, lieten ze zich van het laddertje glijden, beraadslaagden
-welken kant ze uit moesten. Spoedig hadden ze de richting naar de poort
-vastgesteld, en nu ging het sluipende van huis tot huis. De lichte
-erven werden zoo snel mogelijk overgestoken, gebruik makende van elke
-schaduwvlek, die de bananen-, papaja- en djamboeboomen boden. De
-prauwen, die onder de huizen hadden gehangen, waren alle verdwenen. Zou
-het nog mogelijk zijn, in het kamp te waarschuwen?
-
-Ze kwamen bij het voorplein en wilden dit juist in alle haast
-oversteken, toen Harmen op een slapende kip trapte. Kakelend vloog het
-beest weg en deed een paar andere kippen, die op de nok van een dak
-sliepen, met veel misbaar omlaagfladderen. Tot overmaat van ramp begon
-een dozijn kamponghonden in koor te jammeren. Als de weerlicht sprong
-Harmen in het struikgewas, dat het pleintje begrensde. De anderen
-volgden hem op de hielen, drukten zich zoover mogelijk in het
-gebladerte weg en wachtten klappertandend. De deur van het huisje,
-waarbij zij zich bevonden, werd geopend, en een vrouw keek naar buiten,
-het haar loshangend, een doek haastig over de borst geslagen. „Si-apa?”
-klonk het een beetje angstig uit haar mond. „Wie is daar?”
-
-Geen antwoord. Ook aan den overkant werd een deur geopend. „Eh, Niti?
-Apalah?”
-
-„Tiada taoe! Ajam-ajam! Ik weet het niet! Het waren kippen!” De deur
-werd weer gesloten, en ook aan den overkant verdween de gedaante.
-
-Toen alles rustig was, gaf Rolf het teeken van verder gaan.
-Vliegensvlug staken ze alle vier tegelijk het voorplein over en doken
-weg tegen den aarden buitenwal. Harmen sloop vooruit om te zien of de
-poort bewaakt werd. De anderen zouden wachten tot hij een teeken gaf.
-Hij gleed geruischloos onder de bananen- en papajaboomen door, waar het
-rijstblok nog stond, en gluurde om een hoekje van de poort. Den rug
-naar hem toe, zat een inlander gehurkt te neuriën,—een eentonig, nasaal
-wijsje. Harmen dacht na, of hij de anderen zou wenken, ten einde
-gezamelijk den man te overvallen. Maar nu was de kans goed: Harmen zou
-het zaakje alleen wel even opknappen! Voorzichtig dus een pasje nader,
-den adem ingehouden! Nog een pasje, volkomen geluidloos..... De
-inlander richtte het hoofd op, staakte zijn neuriën; het was, alsof ook
-hij den adem inhield. Wat zijn dat toch voor eigenaardige oogenblikken,
-waarin men niets ziet of hoort, maar toch voelt, dat zich in de
-buurt.....! Langzaam wendde de man het hoofd.
-
-Dat was voor Harmen het teeken. Als een kat sprong hij toe, greep met
-beide knuisten den poortwachter bij den strot, drukte hem uit alle
-macht neer en werkte zijn bottige knieën op de van schrik uitgespreide
-armen van den overvallene.
-
-Een gesmoorde kreet,—dat was alles geweest. De inlander, razend van
-angst en benauwdheid, trapte met de beenen en trachtte vergeefs zijn
-armen onder Harmen’s knieën weg te trekken en zijn kapmes te grijpen,
-dat hem in den gordel stak. Maar met woeste kracht drukte Harmen de
-knieën omlaag: er viel geen ontkomen aan. De spartelingen van den
-poortwachter werden zwakker; ten slotte vielen de beenen slap neer.
-Toen liet Harmen onmiddellijk los, huiverde, legde zijn hoofd op ’s
-mans borst en luisterde of het hart nog klopte. „Goddank.....” kwam het
-zacht over zijn lippen. Daarop wilde hij de anderen wenken. Maar dezen
-waren al toegesneld. „Dood.....?!” vroeg Rolf, terwijl Hajo en Padde
-met verschrikte oogen naar het lichaam van den poortwachter staarden.
-
-„Van z’n stokkie gevallen”, lichtte Harmen in. „Neem z’n kapmes! En die
-spies kunnen we ook gebruiken!”
-
-De jongens namen kapmes en speer en snelden het pad af naar de rivier.
-Ze waren overtuigd, dat ze te laat zouden komen om hun vrienden te
-waarschuwen. Maar niemand wilde het erkennen. Loopen, jongens,
-loopen.....! In eens stonden ze voor de rivier. Alle booten weg!—Dan
-maar het pad langs het water gevolgd! Harmen voorop. Loopen!
-
-Nu en dan boog het pad van de rivier af, maar spoedig zagen de knapen
-tot hun geruststelling den zilverglans van het water weer tusschen het
-geboomte. Loopen! Loopen!
-
-Ze kwamen langs een huisje. Nu gold het: voorzichtig zijn! Goddank!
-geen hond blafte. Verder maar weer! Wat was dat? Stemmen? Jawel, daar
-kwamen prauwen van het strand terug! Drie, vier, zes.....! Zouden de
-inlanders zijn gevlucht? Of zou de schipper met de jol..... o, Hemel,
-mèt de jol!? in zee gestoken zijn? Van onder de dichte schaduw der
-oeverboomen loerden de jongens, of in een der prauwen ook een bekend
-gezicht was. Van Bolle, den Schele, Hilke, Floorke, Gerretje, den Neus,
-of een der zeventig anderen.....
-
-Op de voorste prauw was een matten tent geplaatst,—de prauw van het
-dorpshoofd natuurlijk, dien sluwen verrader, die het eerst niet aan
-vriendelijkheid had laten ontbreken, om later des te veiliger zijn slag
-te slaan! Andere prauwen volgden. De roeiers schenen in hooge mate
-opgewonden: spraken allen zoo dooreen, dat Rolf er geen woord van kon
-opvangen. In geen der prauwen zat een kameraad! Wat drommel, Bontekoe
-en zijn mannen zouden wel van zich hebben afgebeten!
-
-De jongens holden voort. Zouden ze straks weer bij hun vrienden zijn?
-
-In het voorbijsluipen zagen ze onder een huisje een kleine prauw
-hangen. Een hond was nergens te bespeuren en dus.... In alle
-omzichtigheid werd de gevaarlijke roof volbracht, de prauw uit de
-rotankoorden gelicht, naar den oever gedragen, te water gelaten, en de
-jongens zetten er zich in. Met rappe vingers grepen ze de spanen, die
-op den bodem lagen, en stuurden naar het midden.
-
-Nu ging de tocht vlugger. Ze hoefden weinig meer te doen dan de boot
-recht te houden, zoo sterk was de stroom. De boomen aan den oever
-gleden als beelden uit een kijkspel voorbij.
-
-Nu, stilzittende, voelden de jongens, dat een nacht op het water ook in
-Indië vrij kil kon zijn. Of deed de opwinding hen rillen? Elke minuut
-leefde de hoop, hun makkers weer te zien, meer op. Zoometeen zouden ze
-alles vernemen wat er gebeurd was, en ook zij zouden hun avonturen
-vertellen: van den buffel, waarmee Harmen zoo fiksch haasje-over had
-gespeeld, van dat lieve meisje, dat bij hen gekomen was. En samen
-zouden ze lachen om dat sluwe dorpshoofd, dat nu het nakijken had! En
-dan zouden ze weer in zee steken, vol goeden moed. Java was immers niet
-ver meer!
-
-De prauw gleed de bocht om, die de knapen den vorigen nacht uit hun
-boom bespied hadden,—Hajo herkende haar aan de steenen, die ze slechts
-door handig zwenken omgaan konden. Tot zee toe overzagen ze nu de
-rivier.....
-
-De jol was verdwenen.
-
-
-
-Met bonzend hart meerden de jongens de prauw op de plaats, waar nog een
-der twee dreggetjes, met een doorgekapt touw er aan, in het zand lag.
-En daar..... op het strand..... Wie lag daar? Floorke! Doorstoken van
-alle kanten, in krampachtige houding, star blikkend in den nachtelijken
-sterrenhemel. Het bloed was hem in het roode, stoppelige haar geloopen,
-zijn mond stond half open, zoodat zijn witte tanden glinsterden in het
-maanlicht. Vol afgrijzen sloegen de jongens de handen voor het gelaat.
-
-„Dood!” stamelde Harmen. En Padde schreide: „Daar.... nog een! En
-dáár.....!!”
-
-De tweede doode, al even afschuwelijk verminkt als de arme Floorke, lag
-voorover in het zand, dat in een grooten kring was roodgeverfd. Harmen
-en Rolf beurden hem huiverend op; het was de Neus.—En de derde, die met
-gespreide beenen in het zand zat, zoodat men nog een oogenblik zou
-kunnen denken, dat hij leefde, als niet het slap naar voren gevallen
-bovenlichaam het vreeselijke tegendeel had doen vermoeden, bleek
-niemand anders te zijn dan de pechvogel, die voor Ilje del Foege door
-de Spanjaarden gewond was. Rillend, met stomheid geslagen, stonden onze
-vrienden bij de dooden.
-
-„Ontzettend!” kermde Hajo.
-
-„En wij?!” schreeuwde Harmen met schorre stem. „Wat moet er van ons
-worden?!”
-
-Hij kreeg geen antwoord. Padde was schreiend ineengezakt; Rolf stond
-stroef, ontstellend bleek, naar den dooden Floorke te staren; Hajo,
-radeloos, keek afwisselend zijn makkers aan.
-
-„Dáár!” schreeuwde Harmen en hij wees met de hand naar het Zuiden, waar
-tegen den donkeren water-horizon een klein, grijs vlekje
-wegschemerde..... de jol! Hij rukte zich den broek van de beenen,
-zwaaide er wild mee en trachtte met heesche stem de branding te
-overschreeuwen. „Kameraaje! Kamerááje!!” Hij balde de vuist, en de
-smart, zich uitend in snijdenden hoon, trilde door zijn roep:
-„Kameraaje!!” Toen braken de tranen door zijn stem, en hij plofte in
-het zand neer, snikkend en vloekend.
-
-Padde kroop op zijn knieën naar Hajo en steunde zich tegen zijn vrind.
-„O, God, Hajo.....”
-
-Ook Hajo rolden dikke tranen over de wangen. Maar hij liet het hoofd
-nog niet hangen. „Wij volgen!” riep hij uit. „Wij volgen met de prauw!”
-
-Harmen vloog overeind. „De prauw!”—Maar met groote oogen staarde hij
-naar de plaats waar de prauw..... gelegen hàd! Ze was er niet meer.
-„Had ’m dan vastgebonden!” viel Harmen woedend uit. „Kijk, daar, daar
-gaat ie! Wacht....!” En Harmen wilde in zee loopen.
-
-Rolf hield hem tegen. „Je komt te laat, Harmen. Zie maar.....” En
-Harmen, die zich met alle geweld, trappend en schreeuwend trachtte los
-te maken uit Rolfs stevigen greep, wendde den blik en zag, hoe de prauw
-in de branding raakte, hoog werd opgetild, onder een overslaande golf
-schoot en zonk. „’t Zou ons niets geholpen hebben”, zei Rolf.
-
-„Wat dàn!” huilde Harmen. „Ons laten slachten? Krimmeneele, dat moest
-m’n meisje weten!” En Harmen begon hartstochtelijk te huilen, zonder
-het gelaat in de handen weg te bergen.
-
-„We loopen naar Straat Soenda”, zei Rolf. „We hebben onze beenen toch?
-Van daar steken we over naar Bantem.”
-
-„Straat Soenda legt naast de deur!” schreeuwde Harmen, zich in het zand
-werpend.
-
-„Ik ga met je mee, Rolf”, zei Hajo, met moeite zijn tranen bedwingend.
-„Ik geef het niet op!”
-
-Rolf knikte. „Goed. Maar we moeten voortmaken. Ze zullen ons al
-zoeken.”
-
-„Ik blijf hier liggen!” schreide Harmen. „Ik wil hier doodgaan!” En hij
-woelde zijn gelaat in het zand, kromde van wanhoop het lichaam.
-
-„Geef me het kapmes”, beval Rolf. „We zullen..... we zullen ze
-begraven.”
-
-Toen sprong Harmen overeind en begon, terwijl de tranen hem van de
-wangen drupten, het zand uit te steken. Rolf en Hajo hielpen met de
-handen. Zoo groeven ze een breeden kuil.
-
-„Leg Floorke in het midden”, zei Harmen met gesmoorde stem. „En de Neus
-aan z’n rechterzij. En kijk eerst, of ie z’n mes nog in z’n broek heeft
-zitten. Dat heeft ie..... dat heeft ie nou niet meer noodig, en wij
-kunnen het gebruiken. Hier is het; pak-aan. En nou de beenen recht. Hè,
-Floor? Moest je zóó aan je end komen?” En toen Rolf en Hajo het zware
-lichaam van den derden maat links van Floorke in den kuil gelegd
-hadden, nam Harmen de armen vol zand en ging hardop grienend aan
-Floorke’s voeten staan. „Nou smijten we zand op je! Had jij gisteren
-nog niet gedacht, hè, dat Harmen zand op jou zou smijten!” Hij liet met
-gesloten oogen het zand op Floorke’s doode lichaam vallen. En van nu
-aan hielp hij in koortsigen ijver het graf dichtwerpen.
-
-„Dat is gebeurd”, zei Rolf met matte stem. „Nu moeten we hier weg.”
-
-„Waarheen?” „vroeg Harmen.
-
-„Naar Bantem”, antwoordde Rolf. „Ik zal het vinden.”
-
-Harmen haalde met bitteren spot de schouders op.
-
-„Ik ga niet mee!” dreinde Padde. „Wij blijven hier, waar, Harmen?”
-
-Rolf lette er nauwelijks op. „Klaar, Hajo?”
-
-„Jij gaat mee, Padde!”
-
-„Ik ga niet mee!” siste Padde.
-
-Hajo werd wit van drift. „Wil jij je moeder niet weer terugzien?!”
-
-Padde krabbelde zacht snikkend overeind. „M’n moeder, Hajo.....!”
-
-„En jij gaat ook mee, Harmen!” beval Hajo. „Rolf kent de weg.”
-
-„Wat je zeg!” dichtte Harmen.
-
-„Laat hem, Hajo”, zei Rolf achteloos. „Met lammelingen begin je toch
-niets.”
-
-Harmen sprong met een verwensching op de been, snoof z’n tranen weg,
-trok z’n broek op en zei: „Meegaan zal ik! Maar voor dat woord:
-lammelingen krijg je op je ziel, zoodra je ons in Bantem hebt
-gebracht!”
-
-Rolf hoorde het niet. „Kom!” zei hij. „We zullen voorloopig het strand
-volgen.”
-
-Zwijgend trok het trieste groepje het strand langs in Zuid-Oostelijke
-richting. Dag, Floorke, beste Floorke! Dag Neus! Je kameraden zullen
-je, sapperloot! niet vergeten, hoor! En jij, Steven, arme
-ongeluksvogel, rust zacht, alle drie.....
-
-Slenterend liepen de jongens voort, Harmen en Padde achteraan. Naar
-Bantem gingen ze. Naar Bantem.....! Hoever was het hier vandaan? Er lag
-nog een zee tusschen.....
-
-Maar Rolfs wil en overtuiging werkten langzamerhand ook op de anderen.
-Wat drommel, ze waren toch met z’n vieren,—als je Padde niet meetelde:
-drie fiksche Hollandsche jongens, allen met een zakmes gewapend en
-bovendien in het bezit van een kapmes en een speer, waarmee ze als het
-er op aankwam..... nou! Bovendien bestond nog de kans, dat ze verderop
-de jol weer vonden, die misschien opnieuw aan land zou gaan. En als dat
-niet het geval was, nou, dan zouden ze de Compagnie eens laten zien,
-wat voor scheepsjongens zij in haar dienst had!
-
-Achter hen klonk een scherp geblaf. Doodelijk verschrikt wendden allen
-zich om. Daar kwam een hond aanhollen, niets dan een hond, de tong als
-een lap uit den bek.
-
-„Joppie!”
-
-Zoo was het. Dol van vreugde, sprong het dier tegen de jongens op.
-
-„Dat is de vijfde van ons verbond!” zei Rolf. „Ga je mee naar Bantem,
-Joppie?”
-
-„Wouw! Waf! Wouw!” blafte Joppie. Dat is hondentaal. Het wil zeggen:
-Nou en of!
-
-En zoo togen ze ge-vijven de onbekende toekomst tegemoet. Ze volgden
-het strand, tot achter de bergen de morgen gloorde.
-
-Toen strekten ze hun doodelijk vermoeide ledematen in het zand uit—en
-sliepen!
-
-
- EINDE VAN HET EERSTE DEEL
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE DEEL
-
-DE ZWERVERS
-
-
-De zon en de vogels wekten de knapen. Ze voelden zich uitgerust, en met
-het helder licht herwonnen ze weer hun jongens-durf.
-
-Ze namen een bad, lieten zich een half uur bakken in het mulle zand.
-Daarop klauterde Harmen in een klapperboom, draaide een paar jonge
-noten los,—dat was hun ontbijt. Hajo zocht intusschen geschikt hout
-voor een boog: hij wilde er zichzelf een snijden. Met Harmens veroverd
-kapmes hakte hij, een eindje in het bosch, een geduchten bamboesteel
-af, die hem zoowel den boog als de pijlen moest leveren. Zijn buit met
-moeite voortslepend, keerde hij terug. Allen besloten nu een boog voor
-zich te snijden. Hajo had er immers ook mee leeren schieten?
-
-Bij het ontbladeren van den steel merkten de jongens eens hoe scherp de
-lange, smalle bladeren waren: ’t was net of er fijngestampt glas op
-zat. Door het goed verdeelen der „knoopen” in het hout, kreeg de
-boogsteel een gelijke spanning; daarop versterkten onze vrienden hem
-door een korter stuk en snoerden er een strook bamboeschil omheen,—het
-sterkste touw, dat men zich denken kan. Ook de boogpees werd van
-hetzelfde materiaal vervaardigd. De pijlen waren eenvoudig genoeg te
-maken: daar de nerven van dit hout precies evenwijdig loopen, kostte
-het den jongens weinig moeite om uit een enkel lid bamboe een handvol
-mooie, lange pijlen te splijten, die slechts nog wat bijgeslepen
-hoefden te worden. Voor de punt werd de harde knoop in het hout
-genomen.
-
-Terwijl Hajo, Rolf en Padde hun pijlen al over het strand lieten
-snorren, vervaardigde Harmen een paar pijlen voor „zwaarder wild”. Hij
-verheugde zich namelijk in het bezit van een paar ferme duimnagels, die
-hij met de punt naar buiten in dunne bamboerietjes wist te woelen.
-
-Ziezoo: pijl en boog hadden ze nu. En de speer van den poortwachter was
-een geducht wapen; er zaten weerhaken aan, en Rolf vermoedde, dat de
-punt bovendien vergiftigd zou zijn. Maar één speer was voor hen vieren
-niet genoeg, en zoo werden er uit een paar jonge bamboes en enkele
-stevige Hollandsche zakmessen nog drie samengesteld. Zoo uitgerust
-durfden ze het wel tegen heel Sumatra opnemen! Toen er een meeuw
-voorbijscheerde, snorden vier pijlen hem om het lijf, en Padde’s pijl
-vloog er zoo dicht langs, dat een blank veertje omlaag dwarrelde.
-
-Dit was de eerste en tevens laatste maal, dat Padde’s pijlschoten voor
-iemand of iets anders dan voor hemzelf en zijn drie kameraden
-gevaarlijk werden. „Potverdikkie!” stamelde de gewezen botteliersmaat,
-„ik wist zelf niet, dat ik zoo goed schieten kon!” Ook de anderen
-stonden paf. Maar toen bij een tweeden aanval op een meeuw Padde’s pijl
-dwars door Hajo’s weelderigen krullendos flitste, zakte hun bewondering
-wat. Harmen maakte korte metten, griste Padde den boog uit de handen,
-brak hem op z’n knie middendoor. „Da’s geen speelgoed voor jou!”
-verklaarde hij.
-
-„Kletskoek!” schreeuwde Padde woedend.
-
-„Harmen heeft gelijk”, zei Rolf. „Je bent er veel te onvoorzichtig
-mee.”
-
-„Wie heeft daarnet die veer d’r af geschoten?” vroeg Padde schamper.
-
-„’t Geluk is met Jan Stomkop”, verzekerde Harmen.
-
-„Kom, geen ruzie”, zei Rolf. „We moeten verder.”
-
-En de jongens stapten weer op. Joppie ongewapend voorop, de staart als
-een vlag omhoog gestoken, en Padde sloot de rij, met een gezicht als
-een oorwurm, de handen in de zakken, en de speer als een bezem onder
-den arm, zoodat de punt door het zand sleepte.
-
-„Kijk, Padde eens ’n zog maken!” lachte Harmen en wees op het lijntje,
-dat de speer in het strand getrokken had, „je zou denken, dat er een
-admiraals-schoener voorbijgezeild was!”
-
-Padde zweeg even, dacht over een antwoord na; vond er geen.
-
-Na een paar uren begonnen honger, hitte en dorst de jongens te kwellen,
-en er werd rust genomen. Puffend klom Harmen in een klapperboom om weer
-een paar noten machtig te worden. Maar, nauwelijks boven gekomen, stiet
-hij een kreet van verrassing uit. „Een kreeft!”
-
-„Boven in een boom? ’t Zal een groote tor zijn”, meende Rolf.
-
-Harmen deed een veelpootig ding door de lucht vliegen. Het plofte in
-het zand neer en trachtte haastig een heenkomen te vinden. Maar Hajo
-greep het stevig achter den kop en de geweldige scharen. Het was een
-kreeft! En zelfs een zeer groote: het gevlekte lichaam mat haast een
-halve el. „Dat heb ik nog nooit gehoord: een kreeft, die in een boom
-klimt!” zei Rolf. „Wat zou hij er doen??”
-
-„Noten gappen!” riep Harmen van boven uit den boom.
-
-„Maar hoe krijgt ie zoo’n ding open?” vroeg Hajo. Rolf raapte van den
-grond een half verrotte kokosnoot op. „Kijk, hier heeft de steel
-gezeten en daaromheen zijn de bastvezels weggerukt. Ik denk, dat het
-beest met zijn scharen de steel doorknaagt; soms splijt de noot dan
-natuurlijk al in het vallen. In elk geval schijnt de kreeft te weten,
-dat de harde binnenbast juist onder de steel week is, want hier, deze
-noot.....”—Rolf raapte een tweede op—„is op dezelfde plaats
-opengeboord. Kijk, met de scharen graaft hij het vleesch uit! Je moet
-je maar weten te behelpen!—Vinden jullie het geen mooi dier?”
-
-„En fijn in de pan!” schreeuwde Harmen van boven, terwijl hij weer een
-noot losdraaide.
-
-„Maar we hebben geen vuur”, zei Hajo.
-
-„We eten hem rauw, met kokosnoot!” riep Harmen. Hij liet zich zakken,
-kwam op de anderen toe en brak, na met zijn kapmes den kreeft van zijn
-geduchte scharen ontdaan te hebben, zonder veel omhaal de schaal open.
-„Haal jij me nou eens een stukkie pisangblad!” beval hij Padde. En toen
-Padde met een stuk versch pisangblad was komen aandraven (wanneer er
-wat te eten viel, had Padde altijd haast!) lichtte Harmen met vaardige
-hand het teere, witte vleesch uit de schaal, schrapte daarover een
-kokosnoot en begon het een en ander op te peuzelen onder luid smakken
-en uitroepen als: „Gommennikkie, wat fijn! Net krentemik!”
-
-„Geef mij een stukkie?” vroeg Padde.
-
-„Daar!” zei Harmen gul.
-
-„Fijn!” verzekerde Padde, zich de vingers aflikkende.
-
-„Willen jullie niet eens proeven?” wendde Harmen zich tot de anderen.
-
-Toen lieten ook dezen zich verleiden. Harmens gerecht (wat was het
-anders dan de bekende „palmroover” der tropen?) bleek zoo wondergoed te
-smaken, dat de jongens besloten goed uit te kijken, of ze niet wéér van
-die uitgeplukte noten onder een boom vonden liggen.
-
-Verder maar weer! Met wat kokosmelk hadden ze de kelen gesmeerd, en zoo
-kwam Harmen op de gedachte om wat te zingen,—dat liep lekkerder.
-Terwijl de zon al begon te zakken, zongen ze met z’n vieren
-oud-Hollandsche liedjes, die het hart goed deden. Zelfs Joppie deed
-mee!
-
-Dik was Joppie niet,—zou het ook wel nooit worden. Maar hij zorgde ook
-wel, dat hij niet verhongerde. Zoo nu en dan verdween hij, ijverig
-snuffelend, tusschen het geboomte; de knapen hoorden een kort, scherp
-geblaf, en wanneer ze toesnelden, zich met moeite een weg banend door
-de lianen, vonden ze Joppie grommend knabbelen op een rat of een
-muisje. Ook torren, kevers, hagedissen, wurmen, vliegen waren hem
-welkom, en als hij zich nu en dan in de keuze van zijn spijs vergiste,
-kwam het er een half uur later vanzelf weer uit.
-
-Tegen de schemering bereikten de jongens een kleine baai. Het water was
-er stil en doorschijnend, en onwillekeurig ploften onze vrienden neer
-om de zon er in te zien wegzinken. Stil zaten ze bijeen en tuurden naar
-de roode schijf. „Nu wordt het in Holland dag”, zei Rolf.
-
-Holland! Dat was alles, wat ze er van opvingen. De stemming der knapen
-werd week. In het verre ruischen der branding hoorden ze klanken, die
-herinnerden aan.... Ze zouden er wat voor geven om in de gezellige
-huiskamer, met z’n allen om tafel, weer eens mee te mogen schransen uit
-moeders dampende pan bieten, dan nog wat te zitten op de bank voor het
-huis, de voorbijgangers goeien avond te zeggen—je kende ze immers
-allemaal?—en dan, wanneer het donker was, de deur op de knip te
-schuiven, het gewicht van de klok op te trekken en, na elkaar goeien
-nacht gezegd te hebben, achter de bedsteegordijnen, de dekens over het
-hoofd, weg te duiken in den met ganzeveeren gestopten bultzak, waarin
-in den loop der jaren een kuil was gekomen zoo fijn, dat je hem voor
-geen anderen ter wereld wilde ruilen.
-
-„Weet je, wat ’t bij mij is?” vroeg Harmen. „Als ik weg ben, heb ik
-verlangst naar huis, en als ik thuis ben, zie ik toch maar zoo gauw
-mogelijk weer weg te komen. Ach ja, m’n moeder is natuurlijk ook altijd
-blij, als ik ’t gat weer uit ben! Nietwaar? Zoo’n eter over de vloer!
-M’n vader is op de lijnbaan, hè, daar zit ’m de kneep: hij verdient
-niet genoeg. Da’s te zeggen: wel genoeg, maar niet als ik er nou nog
-bijkom! De eerste twee dagen is alles best. Maar dan zegt m’n vader al
-gauw: „Dat je centen meebrengt, Harmen”, zegt ie, „is best. Maar als je
-je moeder de ooren van het hoofd vreet, gaan de centen gauw weer op!”
-Nou, dan ga ik liever naar ’t Sillevere Anker, niet waar, daar krijg je
-alles op krediet, en als je weer van de reis terugkomt, mag je betalen.
-En bedriegen doen ze je niet: alles staat op een leitje, dan kun je ’t
-zelf lezen. ’k Heb lezen kunnen leeren, van Joris, de binder, maar mijn
-vader zegt: „Van lezen, daar bederven de menschen van!”
-
-Allen zwegen; niemand had naar Harmen geluisterd. Alleen Joppie was,
-terwijl de anderen voor zich uittuurden, kwispelstaartend op Harmen
-afgekomen en tegen zijn dijen gaan liggen. Harmen nam hem in de armen,
-legde hem in zijn schoot. „Als ik aan ’t Sillevere Anker denk”, ging
-Harmen zuchtend door, „dan moet ik meteen ook weer aan Floor denken.
-Die had verkeering met de dochter, een beste meid, van hou-vast en erg
-op netjes. Denk je, dat ze van een ander wat weten wou? Goeie morgen!
-Floor voor en Floor na! En nou te bedenken.....!” Er blonk een traan in
-Harmen’s oogen. „Ik zal haar zeggen, dat ie tenminste recht leit. Omdat
-ze zoo op netjes is, weet je?”
-
-Onverwachts wierp Harmen Joppie weg, sprong overeind en ademde diep op.
-„Vooruit! We zullen voor vannacht er eens een knus huissie maken!”
-
-Daar voelden allen wat voor. Tegen den boschzoom staken ze hun speren
-schuin in den grond, verbonden ze kruiselings, legden er een vijfden
-stok overheen, vervaardigden met behulp van een paar dwarshouten en
-enkele groote pisangbladeren de zijwanden, spreidden gras op den bodem
-uit en legden zich toen te slapen, opgetogen over hun prachtige woning.
-
-Maar een uur later hadden allen het zoo warm, dat ze stuk voor stuk de
-tent uitkropen.
-
-Den volgenden morgen vonden ze daar, in allerbehagelijkste houding op
-het zachte gras, snurkend en poeffend van zaligheid..... Joppie.
-
-
-
-
-
-
-
-
-PADDE’S BROEK
-
-
-Een tooverstaf had de natuur gewekt uit haar grijzen schemer. Heinde en
-verre lichtte de morgen op in bonte kleuren. De vogels schetterden bij
-honderden tegelijk.
-
-Daar was de zon gekomen van achter de dieppaarse bergen, die, nu zij er
-een oogje op vallen liet, blonken van het goud.
-
-„Goeden morgen!” zei de zon.
-
-De jongens sprongen in de baai, ze doken, spartelden, pletsten elkaar
-het koele, heldere water om de hoofden, zwommen om het hardst tot aan
-de branding..... In eens begon Padde te schreeuwen en danste met groote
-sprongen door het water naar de plaats waar de kleeren lagen.
-
-Wat was er gebeurd? Terwijl zij plasten en ploeterden, was uit de
-boomen een compagnie apen „schuchter” neergedaald. De vermetelste onder
-hen was pasje voor pasje de achtergelaten kleedingsstukken
-genaderd,—zonder zich ook maar een enkele van de bewegingen der
-zwemmende jongens te laten ontgaan. Toen was Padde, die het gevaar het
-eerst ontdekte, begonnen te schreeuwen; de aap had op goed geluk iets
-uit den hoop kleeren weggepakt en vluchtte nu met groote sprongen naar
-den naastbijzijnden boom, in een van zijn achterpooten ontvoerend.....
-Padde’s blauwgespikkelde broek!
-
-Maar Joppie was door Padde’s gegil uit zijn zoete droomen gewekt en
-wist op het oogenblik, dat de kleerendief met zijn buit in den boom
-wilde schieten, het andere einde van de broek te pakken. Het aapje
-kreeg terstond hulp van zijn makkers, die met vereende krachten aan de
-broek rukten. Joppie zag in, den strijd te zullen verliezen, en loerde
-angstig naar Padde, die, zoo vlug als zijn dikke beentjes het
-toelieten, kwam aanhollen. De anderen waren te ver om nog tijdig het
-slagveld te bereiken. De tanden grimmig vastgeslagen in een der
-blauwgespikkelde broekspijpen, liet Joppie zich van den grond
-omhoogtrekken. In Padde’s knippende oogjes lichtte de hoop, zijn
-dierbaar kleedingstuk nog te kunnen redden.....
-
-Op dat oogenblik viel Joppie met een kreet van pijn en een halve
-broekspijp op zijn staart, en onder een oorverdoovend vreugdegegil
-vloog het stelletje apen met het veroverd vaandel de boomen in. Padde’s
-eerste werk was, Joppie met zijn blooten voet een schop tegen het
-achterwerk toe te dienen, daarna raapte hij het blauwgespikkelde
-restantje op, zag, dat het net groot genoeg voor een neusdoek was, en
-ontving zijn makkers met een stortvloed van verwenschingen.
-
-Harmen vond het geval zoo erg niet. „Meissies zijn er hier toch niet in
-de buurt!” troostte hij.
-
-Maar Padde was niet te troosten. „Als ik m’n broek niet terug krijg,
-doe ik geen stap meer!” dreigde hij. „Of dacht je, dat ik zóó in Bantem
-wil aankomen?”
-
-Harmen wist raad. „Jij krijgt je broek terug, Padde! Laat mij m’n
-gangetje maar d’r eens gaan!” En terwijl de anderen, met twijfel in het
-gemoed, toezagen, begon Harmen zijn sluw krijgsplan, dat tot herovering
-van Padde’s broek moest leiden. Hij opende met een woest
-krijgsgeschreeuw. Het had uitwerking: de bruine roovers daar in de
-boomen beantwoordden het op even luidruchtige wijze.
-
-„Is dat de oorlogsverklaring?” vroeg Rolf.
-
-„Ssst!” zei Harmen. „Ze moeten alles nadoen, wat ik doe!” Hij sprong in
-de lucht, zwaaide met de armen en kwam achterste voren weer neer. Boven
-werd aan de takken gerukt, opgewonden gekrijscht, en enkele apen
-sprongen op een anderen tak over.
-
-„Goed zoo!” juichte Harmen. „In tien tellen heb je ’m, Padde!” Daarop
-hief hij zijn eigen broek in de lucht en wierp haar met een gebaar van
-innigen afkeer weer op den grond.
-
-„Chrrr!” zei de aap, die den buit bewaakte. En hij klemde de broek nog
-iets steviger vast.
-
-„Mislukt.....!” bekende Harmen. „Ik dacht, dat hij de broek nu ook zou
-weggooien. Affijn, Padde, dan smeer je je maar met modder in; dan
-denken de lui, dat je óók een Arabier bent.”
-
-„Ik wil m’n broek terug!” snauwde Padde. „Ik wil niet voor gek loopen!”
-
-Harmen fronste in diep gepeins de wenkbrauwen. „Nou heb ik ’t!” riep
-hij uit. „In tien tellen, Padde!” Harmen sneed een dunne, taaie rotan
-af, maakte er een lus in. „’k Heb niet voor niks konijnen gestroopt!”
-zei hij. „Geef me je broek even, Hajo?”
-
-„Waar heb je die voor noodig?” vroeg Hajo.
-
-„Als lokaas. Kijk, de lus hang ik hier neer; ik ga daarginder staan met
-eene eind in mijn fikken. Nou leg ik de broek onder de lus en als er
-dan een z’n jatten doorsteekt om de broek te gappen, is ie er bij.”
-
-„Maar hoe weet je, dat je nou juist de aap met Padde’s broek vangt?”
-
-„Wel, dat is de brutaalste; die zal er wel weer als de kippen bij
-zijn!”
-
-„Maar kun je er niets iets anders voor nemen dan mijn broek?” vroeg
-Hajo weifelend.
-
-Harmen was beleedigd. „Wat kan er nou mee gebeuren? Niks! Wie z’n
-fikken door de lus steekt, is er meteen bij!”
-
-„Ja, maar, als ie nou.....”
-
-„Goed! Goed! Goed!” viel Harmen uit. „Als jij er het lef niet voor
-hebt, zal ik m’n eigen broek nemen! Neen, nou wil ik de jouwe niet eens
-meer!” En grimmig nam Harmen zijn broek op en legde haar tusschen twee
-zware wortels,—den strik er bovenop. Daarna verschool hij zich met de
-anderen achter een dikken boom, de rotan in de hand, gereed zijn slag
-te slaan.
-
-In de boomen werd vergaderd over een mogelijk veroveren van dit nieuwe,
-lokkende voorwerp. Allen waren overtuigd, dat er gevaar aan verbonden
-was, maar juist dat prikkelde hun rooversgemoed. Ze daalden neer tot
-kort boven de plaats waar de broek lag. Joppie vermoedde nieuw
-gevaar,—werd met moeite in bedwang gehouden.
-
-Daar klauterde een aap geheel omlaag, bleef met den staart aan een tak
-boven de broek hangen, slingerde zoowat heen en weer, de vingers over
-de lus slierend, spiedde aarzelend alle kanten uit. De aap, die Padde’s
-broek geroofd had en de dierbare, blauwgespikkelde lap nog steeds in
-den linker achterpoot omklemd hield, zat mijmerend op een tak en scheen
-in het gevaarlijke spelletje ditmaal niet den geringsten lust te
-hebben. Harmen vergat, dat ze er al zeer weinig nut van zouden hebben,
-indien hij een anderen aap ving dan juist dien met de broek. Harmen’s
-eer stond op het spel; Padde’s broek kon hem geen zier meer schelen.
-Hij loerde, loerde.....
-
-De hangende aap nam, na lang door zijn makkers te zijn aangevuurd, ten
-slotte een kloek besluit. Hij greep toe; Harmen trok den strik dicht,
-en het aapje was gevangen. In dit oogenblik wipte vliegensvlug het
-mijmerende heertje met Padde’s broek in den linker-achterpoot omlaag,
-greep met den rechter-achterpoot Harmen’s „lokaas” en vloog met beide
-trofeeën krijschend tegen den stam op. Paf stond Harmen, zóó paf, dat
-de rotan uit zijn hand glipte, en de gevangen aap met strik en al
-achter zijn makkers aan vluchtte. Toen barstte Harmen in jammerklachten
-los. Hij voelde zich het slachtoffer van eigen edelmoedigheid; hij had
-zich van zijn laatste kleedingstuk ontdaan om zijn naaste te helpen. En
-nu? Daar stond Harmen, grooter dan hij geboren was, maar overigens net
-zoo.
-
-Voor nieuwe proefnemingen wilde niemand zijn broek leenen. Er moest dus
-raad geschaft worden. En er werd raad geschaft. Hajo vlocht voor de
-beide broekloozen een rokje van lang gras, dat door een rotangordel kon
-worden opgehouden. Zuchtend trok eerst Harmen en daarna ook Padde zijn
-nieuwe kleedingstuk aan. Harmen zag er uit als een echte menscheneter!
-Hij verzoende zich met zijn lot, voerde met lans en hakmes een woesten
-krijgsdans uit, waarbij de apen daar in de boomen hem krijschend
-aanvuurden.
-
-Toen raadde Rolf aan, den tocht voort te zetten. De jongens braken de
-tent af en wierpen de stokken en bladeren in het struikgewas, om zoo
-min mogelijk sporen achter te laten. Ze volgden het smalle strand, dat
-de baai begrensde, maar, aan den overkant gekomen, stonden ze
-onverwachts voor een pad, dat het land invoerde. Zouden ze het inslaan?
-Rolf vond het veiliger het strand te volgen, zoolang dat mogelijk was.
-Zoo bedwongen ook de anderen hun nieuwsgierigheid. Maar nauwelijks
-hadden ze de baai geheel omgeloopen, of het strand hield op; steile,
-kale rotsen liepen ver in zee uit en sloten als een granieten deur den
-weg af. Er zat niets anders op dan toch maar het pad te nemen. Onze
-vrienden liepen de baai dus weer ten halve om en sloegen het boschpad
-in.
-
-Daar de zon danig was gaan steken, deed de schaduw in het pad heerlijk
-koel aan. De jongens vermoedden, dat het weggetje naar een dorp zou
-voeren, waren dus wat voorzichtig. Bij een bocht ging er een vooruit en
-gluurde om een hoekje, aleer de anderen volgden. Zoo gebeurde het, dat
-Hajo, die ditmaal vooruit was gegaan, zijn makkers duidde, zich snel te
-verbergen. Terwijl dezen in een bamboeboschje wegdoken, Joppie haastig
-meetrekkend, drukte hij zichzelf tegen een kokosstam achter een met
-witte bloemen overdekten struik.
-
-Daar kwamen twee kleine, naakte kereltjes den hoek om slenteren. Dat is
-te zeggen: de een was niet geheel naakt, droeg op de hoogte van zijn
-maag aan een koordje een ruitvormig lapje, uit vele en veelkleurige
-stukjes doek samengesteld,—een kleedingstuk, waarvan onze vrienden
-vergeefs de doelmatigheid trachtten in te zien. Beiden hadden een
-klein, rond bamboekooitje in de hand, met een schuifdeurtje; Rolf
-hoorde hen tegenover elkaar opsnijden over de vechtkunst hunner, in hun
-kooitjes opgesloten, krekels.
-
-„Djangkrik njang saja lebi besar!” zei de eene.
-
-„Jouw djangkriek grooter? Wat dan nog? Njang saja lebi brani! De mijne
-is dapperder!”
-
-„Njang saja maoe menang! De mijne zal het winnen!”
-
-„O neen, de mijne! Njang saja!” Daarop hurkten de knaapjes neer, zetten
-de kooitjes tegen elkaar, trokken de schuifdeurtjes open, plukten een
-grashalmpje en moedigden daarmee hun krekels tot den strijd aan.
-„Kirrrr! Kirrrrr!” klonk het uit de houten gevangenisjes. Zóó waren de
-jeugdige dierenkwellers in hun krekeltoernooi verdiept, dat geen van
-beiden merkte hoe Hajo uit het struikgewas trad, en hoe ook de andere
-zijde van het pad werd afgesloten door witte menschen, nog wel met
-speren en bogen gewapend. Doch eensklaps sloeg het kereltje met den lap
-op z’n maag de oogen op en tuimelde van schrik over den grond. De ander
-wilde het op een loopen zetten, bemerkte, dat ze van beide zijden waren
-ingesloten, en wierp zich toen op zijn knietjes. „Ampoen! Vergeving
-....!”
-
-Rolf trachtte de dreumesen wat op hun gemak te brengen. „Djangan
-takoet! We zullen je niets doen! Je hoeft ons alleen maar te vertellen
-waar deze weg heenvoert.”
-
-„Minta ampoen, toean besar, minta ampoen..... Vergeving, groote
-heer.....!”
-
-Rolf hernieuwde zijn pogingen om den knaapjes duidelijk te maken, dat
-ze niet van plan waren hen te slachten en op te peuzelen. En zoo kwam
-hij na veel moeite van de bevende kereltjes te weten, dat de weg naar
-een dorp voerde, maar dat ze bij een beekje een zijweg zouden vinden,
-die ver, heel ver het bosch inging.....! Met hun bruine armpjes wezen
-ze in Oostelijke richting.
-
-„Prachtig!” zei Rolf. „Ik dank jullie.” Daarna boog hij zich over de
-twee kooitjes, die nog in het gras lagen, en vroeg den mannekes, den
-wedstrijd voort te zetten. Aanvankelijk nog schuchter, voldeden ze aan
-het verzoek, maar, al porrende met hun grashalmpjes, vergaten ze de
-gansche wereld, tot ten slotte de djangkriek, die wel niet het grootst,
-maar het meest „brani” was, een schitterende overwinning behaalde. Als
-de beste vrienden ter wereld namen de zwervers van de poedelnaakte
-wereldburgers afscheid.
-
-Een paar honderd ellen verder kwamen ze bij het beekje. Een kokosstam
-deed als brug dienst. De knapen balanceerden er over en vonden aan den
-anderen kant het zijpad, dat langs het beekje liep. Ze sloegen het in.
-Hier kwinkeleerden duizend vogels, jaagden in bevalligen tuimel achter
-vlinders en waterjuffers aan. Een enkele maal schoot ritselend iets weg
-tusschen het oevergras; dan kwam Joppie in de weer!
-
-Na een uur boog het pad van het beekje af. De jongens besloten de
-laatste gelegenheid, die zich voorloopig voor een bad bood, niet
-onbenut te laten. Heerlijk frisch was het water; onze vrienden gingen
-op den zandigen bodem zitten en plasten naar hartelust.
-
-Ook Joppie moest er aan gelooven. Ondanks zijn gillend verzet werd hij
-ondergedompeld en met zand schoongeschrobd. „Nou?” vroeg Harmen. „hoe
-voel je je nou, zonder al die vlooien?” Joppie glipte, den staart
-tusschen de pooten, den oever op en keek Harmen weemoedig aan.
-
-Na het bad ploften de jongens op den oever neer en dommelden in.
-
-Toen de drukkende middaghitte wat afnam, ontwaakten ze met de
-ontdekking, dat ze een stevigen honger hadden. Ze zagen in den omtrek
-niets eetbaars, haalden den riem dus maar een gaatje aan en vervolgden
-hun weg. Maar plotseling ontdekte Rolf een boom met tallooze van die
-groene vruchten, die hun bij het dorpshoofd zoo goed hadden gesmaakt:
-manggah!
-
-Omhooggeklauterd en plukken, jongens! Het sap liep hun over de kin, en
-het duurde geruimen tijd, vóór onze vrienden bij Padde en Joppie
-terugkeerden, die beneden wachtten. Padde was er niet bekaaid
-afgekomen: de anderen hadden hem manggah’s in overvloed toegeworpen:
-het oranjekleurige vruchtvleesch zat hem tot achter de ooren.
-
-Verder! Het pad begon te stijgen, kronkelde zich tusschen steile, met
-hooge varens begroeide wanden voort; ze liepen door een droge
-rivierbedding, die steeds dieper werd; sinds lang lag het pad in de
-schaduw van den rechterwand; de linker, die in de volle zon stond, bood
-een verbijsterenden aanblik van tropischen rijkdom. Wondermooi geschikt
-lagen de varenschermen; daartusschen fonkelden tallooze roode bloemen
-en fladderden vlinders en vogeltjes,—het was als uit een sprookje.
-
-Urenlang stegen de knapen: ze voelden het aan hun beenen. Hoog boven
-hun hoofden omstrengelden twee boomen elkaar over de kloof heen. Nog
-iets verderop liep het pad een schemering van groen binnen.
-
-Hajo liep te droomen. Het was hem, of deze weg naar een wonderland zou
-voeren, naar de verborgen schatkamers der tropennatuur, naar
-heiligdommen, die geen menschelijk oog aanschouwen mocht. Hoe stil werd
-het! Geen vogel roerde zich. Je hoorde je eigen adem; hoe warm en
-vochtig was de lucht hier; hoe sterk rook je de bloemen.....
-
-Ineens stonden onze vrienden op een plateau, met hooge loofboomen
-begroeid; de wanden waren verdwenen; de knapen konden van hun hoogte
-vrijuit den omtrek overzien. Niets dan groene en met bloemen overdekte
-boomkruinen. Hè, je ademde nu weer vrij! Padde plofte neer, zei geen
-stap meer te kunnen verzetten. En de anderen vleiden zich naast hem in
-het gras.
-
-Een zware, zwarte vogel, die een geweldigen snavel voor zich uitdroeg,
-vloog met kleppend wiekengedruisch over hun hoofden.
-
-„Die mag z’n ribbekast weleens laten smeren!” meende Harmen. „Hij piept
-als een verroeste koffiemolen!”
-
-„Een koffiemolen.....!” zuchtte Padde.
-
-„’t Was een neushoornvogel”, zei Rolf lachend.
-
-Ze sliepen in, werden een uurtje later weer wakker. Verder, jongens!
-
-De zon was al een flink eind gedaald; het werd nu gelukkig wat koeler.
-Als ganzen achter elkaar volgden ze het smalle pad. Harmen liep zingend
-vooraan. De anderen floten mee:
-
-
- „Daar komen de Spekken!
- Rom-rom.
- Ze willen ons nekken!
- Rom-rom.
- Slaat op den trom!!
- Ze willen ons nekken!
- De Spekken!
-
- Trek nu van leer!
- Rom-rom.
- Stelt u te weer!
- Rom-rom.
- Sluit u in drom!!
- Sla ze op hun bekken!
- De Spekken!”
-
-
-Op eens stonden de jongens voor een ravijn.
-
-Prachtig was het uitzicht over de zee van groen, waarin juist de zon
-wegzonk. Ook het plateau zelf, waarop de knapen stonden, was
-aangrijpend schoon. Ontzaggelijke boomen, geheel met orchideeën en
-slingerplanten overdekt, rezen forsch uit den groenen mosbodem;
-tusschen de wortels zou men een hut kunnen bouwen. Stekelige lianen
-hingen van de takken neer; tegen de stammen op stonden als eere-pajongs
-de breedgekroonde varens.
-
-Hier dachten de jongens den nacht door te brengen. Ze maakten een hoog
-en zacht bed van varens—wat veerde dat!—en gingen toen bijeenzitten op
-den rand van het plateau. Het ravijn lag nu in een blauw waas gehuld.
-Daarachter stond rood en majesteitelijk de avondlucht. Trallerend als
-een Hollandsche leeuwerik, zwierde een vogeltje uit het ravijn op,
-hooger, al maar hooger, om de zon nog even te groeten. En ja, daar
-schitterde het eensklaps in helle kleuren op. „Dag, zon! Ben jij daar
-nog? Ik dacht het wel!” Dan dwarrelt het weer omlaag, glijdt in de
-schaduw terug, een vallend herfstblad.
-
-De hemel verbleekte; de schemering spon haar eerste draden. Hoe stil
-werd het!—De jongens kenden de tropen al genoeg om te weten van hoe
-geringen duur die stilte zijn zou. Zoometeen zouden de krekels gaan
-tsjirpen in duizend hoeken en gaten. Geheimzinnige kreten zouden
-eensklaps de stilte verjagen, en dan zou de nacht komen aansluipen, als
-de dood in zijn zwarten mantel, zwaar ademend van moordlust. En ineens
-zat ie boven op je en haalde met zijn knokige, vaalwitte knuisten een
-glinsterend mes te voorschijn. Dan stolde het bloed je in de aderen;
-met een schreeuw zou je den gruwelijken kerel van je willen afwerpen.
-Maar je handen zaten als met schroeven vast; de adem stokte je in de
-keel.....!
-
-Flakkerdeflak! Piiiiiiep!
-
-„’n Vleermuis”, hakkelde Harmen.
-
-Het laatste roze wolkje was aschvaal geworden; hier en daar begon een
-sterretje te tintelen; de maan kwam op. Waar haar stralen den grond
-roerden, stegen lange, witte spoken op, wentelden zich zuchtend omhoog.
-Toen zetten de krekels in, ontelbare fijne stemmetjes. Harmen stond op.
-„’t Is me hier een land!” gromde hij. „We komen d’r nooit weer uit.”
-
-Langzaam rezen de anderen overeind, voelden een kille windvlaag over
-het plateau strijken. In de boomen kreunde en zuchtte het. Met moeite
-hun angst overwinnend, traden de jongens het duister in en zochten hun
-leger op. Ze kropen zoo dicht mogelijk bij mekaar.
-
-„’t Veert fijn, hè, Hajo?” vroeg Harmen met heesche stem.
-
-„Ja, ’t veert fijn”, zei Hajo.
-
-Ze zouden er iets liefs voor hebben gegeven, een deken over de ooren te
-kunnen trekken. Nu hoorden ze de boomen boven hun hoofd een
-samenzwering houden om over de vermetele indringers ineen te storten en
-hen te verpletteren; ze hoorden den sluipenden gang van den tijger; ze
-voelden langs hun wangen den ijzigen adem van giftslangen; de kille,
-geschubde lichamen streken langs hun naakte schouders. Ook de hangende
-lianen bleken eensklaps slangen te zijn, die zich geluidloos omlaag
-lieten glijden en hen beloerden, wiegelend met den kop, waarin twee
-groen-gouden oogen fonkelden.....
-
-Ten slotte sliepen de doodelijk vermoeide jongens in.
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN NEST MET KATTEN
-
-
-Den volgenden morgen joeg de zon alle muizenissen lachend voor zich
-uit! De griezelige boomen prijkten weer in bonte schoonheid; kleine
-vogeltjes schommelden lustig aan de orchidee-kelken en vulden de lucht
-met hun vroolijk gesnaper. Het eerste gevoel, waarmee de jongens
-ontwaakten, was dat van bevrijding.
-
-Maar vlak er op volgde een ander gevoel: dat van een leege maag!
-Drommels, ze moesten wat eten zien te vinden, anders vielen ze van de
-graat! Ze hadden gisteren vrijwel niets dan vruchten gegeten; dat
-smaakte wel lekker, maar een Hollandsche jongen kon er toch niet op
-leven! Terwijl Hajo met zijn pijl en boog tegen de duiven te velde
-trok, die overal huisden op den rand van het plateau, greep Harmen
-speer en hakmes en beloofde met een wild varken te zullen terugkeeren.
-Rolf ging ongewapend op ontdekking uit, en Padde en Joppie begeleidden
-Hajo. Er was afgesproken, dat allen zoowat over een uur terug zouden
-zijn.
-
-Hajo en Joppie slopen, door Padde op eenigen afstand gevolgd, door de
-varens. Daar de kans groot was, dat een pijl in de lianen zou blijven
-hangen, mocht onze jager slechts dan schieten, wanneer hij werkelijk
-trefkans had. Want hier groeide nergens bamboe voor nieuwe pijlen.
-
-Het eerste schot was al bar gelukkig: een duif, belangrijk grooter dan
-de eveneens geelgrijze „perkoetoet”, (haar roep klonk meer als:
-tekoekoerrr.....) tuimelde neer, den pijl in de borst. Even later trof
-Hajo opnieuw, maar ditmaal dwarrelden er slechts wat veertjes omlaag,
-en de duif vloog weg. De pijlen waren te licht: een ijzeren punt zou
-beter hebben voldaan. Weliswaar had Hajo in zijn koker ook een vijftal
-pijlen met een spijker als punt, maar er was besloten deze zwaardere
-projectielen voor bijzondere gevallen te bewaren. Wacht, daar zag Hajo
-op een lagen tak weer zoo’n groote duif zitten. Hij mikte zorgvuldig en
-schoot het dier.
-
-Maar nu begonnen de vogels argwaan te koesteren en maakten elkaar dat
-in duiventaal duidelijk, zoodat Hajo niets meer onder schot kreeg. Nu,
-twee vette duiven was ook al heel wat; hij zou zien, er nog wat eieren
-bij machtig te worden. Op goed geluk klauterde hij in een boom en vond
-twee nesten bij mekaar; in een ervan zaten twee jongen, al heelemaal in
-de veeren, dus blijkbaar op het punt van uitvliegen. Toen Hajo’s bol
-zich vertoonde, rezen de twee soezende dikzakken (weinig jonge vogels
-worden door de ouden zoo lang gevoerd als jonge duiven!) met van schrik
-wijd opengesperde oogen overeind en wilden uit het nest opfladderen.
-Maar Hajo legde snel de hand op het nest en stopte de jongen in zijn
-broekzak. Ziezoo, nu kon hij de eieren in het andere nest wel laten
-liggen! Beneden gekomen, liet hij Padde zijn buit zien, en de jagers
-keerden tevreden huiswaarts.
-
-Rolf was ongewapend uitgegaan. Langzaam wadend door de varens, keek hij
-naar de duizend wonderen om hem heen, bukte zich over een goudgroenen
-kever, of bewonderde een groote, gevlekte orchidee, of volgde een
-rooden vlinder, die de verwoede aanvallen trachtte te ontduiken van een
-langsnavelig lilliput-vogeltje, niet half zoo groot als de vlinder,
-dien het naar het leven stond. Bij dat al vergat Rolf, dat hij
-eigenlijk een geduchten eetlust had,—de natuurvriend won het van den
-mensch.
-
-Eensklaps trad Rolf met een kreet van bewondering achteruit. Was het
-hier dan toch een tooverland? Voor zijn voeten lag op den grond een
-bloem, zoo groot als Rolf in zijn leven niet gedacht had, dat een bloem
-worden kon. Men kon er wel in slapen! Ze scheen op den wortel van een
-liaan te groeien, die nog enkele knoppen torste, in vorm en kleur
-herinnerend aan een groote bloemkool. De geopende bloem was
-vleeschkleurig, wit bespikkeld; om een grooten nap in het midden
-schaarden zich vijf dikke bloembladeren. Toen Rolf zich bukte om ze
-beter te bezien, vloog een dichte zwerm insecten gonzend uit den nap
-op, en een sterke, onaangename, bedorven geur steeg hem in den neus.
-Lekker ruiken deed de bloem alles behalve! De insecten, die er op
-afkwamen, zouden ook wel aaskevertjes en mestvliegen zijn. Rolf tilde
-een der zware kelkbladeren op. Het was kil in de hand. Wat jammer, dat
-Vader Langjas er niet van meegenieten kon!
-
-Toen Rolf eindelijk op de bloem was uitgekeken, vermoedde hij, dat het
-wel tijd voor terugkeeren zou zijn, en nu schoot hem te binnen, dat hij
-toch was uitgegaan om eten te zoeken! Drommels ja, hij voelde nu, dat
-hij geduchten honger had. Dan nog maar even gesnuffeld! Geen honderd
-pas verder bleef hij al staan voor een verbazend hoogen boom met
-gladden stam. Wat hingen daarboven voor groote, stekelige vruchten?
-Langs den gladden stam omhoogklimmen was onmogelijk. Rolf liep eens
-rond onder het kolossale bladerendak. Een dunnere boom kruiste zijn
-takken met die van den reus. Rolf werkte zich in dien boom, klom handig
-in den anderen over en sneed met zijn zakmes drie der vruchten af. Ze
-ploften dof neer in de varens. Toen balanceerde Rolf naar den kleinen
-boom terug en daalde weer af. Hij zocht de vruchten bijeen, maar kon er
-nog slechts twee vinden. Nu, daar had hij ook genoeg aan. Ze waren
-grooter dan een menschenhoofd en met dikke, kantige stekels bezet.—Zoo
-belandde Rolf, in iederen arm een der zware vruchten, op de plaats,
-waar Hajo en Padde vol toewijding bezig waren, de duiven te plukken.
-
-„Wat heb je daar voor vruchten?” vroeg Padde.
-
-„We zullen ze eens opensnijden! Is Harmen al terug?”
-
-„Nog niet. Kijk eens, wat ik heb?” Hajo wees op zijn duiven.
-
-„Die zien er mooi uit!” zei Rolf. „Jammer, dat we ze niet kunnen
-braden! ’t Zal me verwonderen wat Harmen meebrengt! Hij blijft lang
-weg!”
-
-„Ja..... hij zit achter grof wild aan! Zoometeen komt hij nog met een
-koningstijger aanzetten!”
-
-„Vast!” lachte Rolf. En met een ferme kruissnede opende hij een der
-vruchten. Brrrr! Er kwam een allesbehalve aanlokkelijke lucht uit, een
-lucht, die aan uien, bedorven kaas en rotte eieren herinnerde. Padde
-kneep zijn neus dicht, en Hajo keek Rolf vol twijfel aan. „Hij zal
-bedorven zijn, Rolf.”
-
-„Onmogelijk!” zei Rolf. „De bast is heelemaal gaaf, en kijk eens hoe
-mooi frisch het vleesch er uitziet!—Wacht! De barbier had het eens over
-een vrucht, die wel leelijk ruikt, maar toch goed smaken moet. ’t Zal
-een doerian zijn! Vooruit, ik wil hem eens proeven.”—De vrucht was door
-een geelwitte tusschenhuid in kamertjes verdeeld, en in elk daarvan
-lagen een paar vleezige, blanke pitten ter grootte van een eenden-ei.
-Met een moed, waarvoor Hajo en Padde hem in stilte bewonderden, stak
-Rolf zoo’n pit in den mond.
-
-„En.....??”
-
-„Lekker”, zei Rolf. „Het smaakt als noten met room! Proef ook eens?”
-
-Aarzelend, met toegeknepen neus, stak Hajo een pit in den mond en moest
-toegeven, dat de vrucht lang niet kwaad smaakte. Nu begonnen ze samen
-te peuzelen. „Neem ook eens wat, Padde!” raadde Hajo.
-
-„Dank je feestelijk”, zei Padde. En hij ging twintig pas verderop met
-het plukken van de duiven door,—beweerde, dat hij zelfs dáár nog omviel
-van den stank.
-
-Waar Harmen toch wel zoo lang bleef?
-
-Met lans en kapmes gewapend en daarbij in zijn bladerenrokje, was hij
-als een echte menscheneter dien kant uitgetogen waar het plateau
-langzaam tegen een berghelling opliep. Door lianen en stekelige
-rotanslingers had hij zich baan gebroken. Hij was door nauwe holletjes
-gekropen, over doode woudkolossen geklauterd, waarbij hij schrammen bij
-de vleet opliep en honderd maal wegzakte in het vermolmde hout. Een
-pauw fladderde voor hem op. Harmen greep naar den langen staart, greep
-mis, viel in de dorens, schold den pauw uit voor al wat leelijk was,
-raapte droefgeestig een veer op, die tusschen de struiken was blijven
-hangen en stak ze in zijn woeste, reeds geducht lang geworden haren.
-Hij kwam voor een bamboebosch te staan, hakte er met zijn kapmes op
-los, dat de stelen links en rechts neerzonken. Bij dit werkje viel hem
-een slangetje op den blooten schouder. Hij slingerde het kille
-monstertje van zich af. Brrrrr!
-
-En tenslotte was Harmen, al hakkende, gekomen bij de gedenkwaardige
-plek, waarvan hij later naar waarheid verklaarde, dat hij er van
-verbazing lans en kapmes had laten vallen. Tusschen hooge bamboestelen
-lag op mos en bladeren een drietal..... katten! Neen maar, dat had
-Harmen nou nóóit gedacht! De katten waren vrij groot, haast als honden;
-ze hadden een glanzend geel vel met zwarte dwarsstrepen; om den staart
-zaten zwarte ringen. Van die leuke poesjes wou Harmen er eentje
-meenemen, niet om te eten, alleen maar om te laten kijken! Wat speelden
-ze aardig! Ze lagen op de zijde en sloegen elkaar met de pootjes. Wat
-een dikke, zware pootjes voor zulke lieve beestjes! Met vluggen greep
-pakte onze vriend er een op. Kom, daarmee zou hij zijn vrienden eens
-verrassen!
-
-En opgewonden zocht Harmen naar den terugweg. Hij had de richting nog
-wel in het geheugen, maar de last, dien hij droeg, hinderde hem erg bij
-het kappen. In zijn linkerarm hield hij de poes, die zich niet in het
-geringst verzette, niks eenkennig dus, zooals die gemeene kater van
-Dobbes, die zijn nagels nooit kon thuishouden,—en in den gordel
-bungelde zijn lans als een lang slagzwaard achter hem aan. Eindelijk
-ontdekte hij tusschen de boomen zijn vrienden weer. „Hallo! ’k Heb wat,
-jongens! ’n Kat! Hou Joppie eens vast!” En voorzichtig, om zich nergens
-aan te verwonden, naderde Harmen tusschen het doornige struikgewas.
-„Alsjeblief! Daar heb je ’t beessie!”
-
-Joppie’s haren vlogen steil overeind.
-
-„Maar..... dat is een tijger!!” riep Rolf.
-
-Harmen keek hem verbluft aan. „Goeie morrege.....!”
-
-„Een jonge koningstijger!!”
-
-Toen verbleekte Harmen. „’n Jonge.....?! Groote Griebus! Dan heb ik
-voor een tijgerhol gestaan! Drie lagen er in! Drie koningstijgers!” En
-Harmen liet zijn „poes” met een rilling op den grond vallen. Naar
-kattenaard kwam het dier op z’n vier pooten terecht, blies en wilde
-beenen maken. Maar Rolf greep het beet. „We moeten hier als de drommel
-vandaan, vóór de ouden komen! Padde, neem de duiven op; Harmen, jij die
-groote vrucht; ik draag de tijger.”
-
-„Wat wou je met het mormel doen?!” vroeg Harmen ontzet.
-
-„Temmen!” zei Rolf. „Het dier is nog jong! Kom!”
-
-„Ja, dan nemen we hem mee naar Hoorn!” riep Hajo.
-
-„Of hij vreet ons over een maand alle vier op!” gromde Harmen. Hij
-raapte den doerian op, keek er met een wantrouwend gezicht naar.
-„Vooruit dan maar!”
-
-Padde nam met bevende handen de duiven op en volgde, een behoorlijken
-afstand bewarend tusschen zich en het geel-zwarte monster, dat Rolf in
-den arm had. Joppie bleef nog weer achter Padde. Zoo wilde de
-zonderlinge optocht het pad langs het ravijn weer verder volgen,
-toen..... Hajo stootte een kreet van ontzetting uit..... daar sprong
-uit de struiken, geen twintig passen van hen af.....!
-
-De jongens hoefden er niet naar te raden, wien ze voor zich hadden.
-Daar was hij, de wreede, trotsche keizer van het Indische woud, geheel
-onverwachts, terwijl de zon hoog aan den hemel stond; zijn oogen waren
-geen vuur; hij spuwde ook geen gif, was een dier als een ander, wendde,
-zelf blijkbaar verrast, zijn zwaren, stompen kop naar de jongens.....
-Dezen stonden verlamd van schrik, Harmen hief onwillekeurig den doerian
-op, als wilde hij zich daarmee verdedigen; Hajo vatte instinctief met
-beide handen zijn speer; Padde staarde wezenloos, met wijd open mond.
-
-Er was een aarzeling. Het dier trok de lippen op, ontblootte zijn
-forsche, driekantige hoektanden, gromde. Toen richtte hij plots zijn
-lichtgroene rooversoogen op Rolf—waarschijnlijk op het jonge dier, dat
-deze in de armen hield,—sloeg driftig den dikken, ronden staart over
-den grond, kroop een schrede achteruit, stootte een kort, schor gebrul
-uit, onheilspellend als geen ander geluid, dook ineen....! Rolf kreeg
-een ingeving, gaf er zonder aarzeling gehoor aan: hij slingerde met een
-fermen zwaai den tijger zijn jong toe.
-
-Hij had niet beter kunnen doen. De tijger greep het jonge dier met de
-tanden in den nek en sprong er in prachtigen, soepelen boog mee weg in
-het struikgewas. „Besjoer.....!” stamelde Harmen met nog lijkwitte
-lippen.
-
-Toen holden de knapen het pad af, zoo hard ze maar konden, Harmen
-vooraan, beenen makend als een beroepshardlooper; Padde als laatste,
-telkens angstig omziend en gillend: „Niet zoo vlug! Niet zoo vlug! Ik
-kan jullie niet bijblijven.....!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-„TABEH!”
-
-
-Pas een heel eind verder durfden ze hun vaart wat inhouden. „Zou hij
-ons volgen?” vroeg Hajo, naar adem happend.
-
-„Ik denk het niet”, hijgde Rolf. „Maar laten we toch maar zoo ver
-mogelijk zien weg te komen.”
-
-En de jongens liepen, liepen.....!—Er was een betoovering over het woud
-gekomen, sinds ze den heerscher ervan hadden leeren kennen. Die
-struiken, dat bamboebosch daar kon hem dus bergen.....!
-
-Verder! Verder maar.....! Eindelijk gingen ze zitten, druipend van het
-zweet.
-
-„Waar is Joppie?” vroeg Rolf. Joppie was verdwenen!
-
-„’n Held!” schimpte Harmen. „Als ie de tijger nou nog te lijf was
-gegaan!”
-
-„Waarom heb jij ’t eigenlijk niet gedaan?”
-
-„Ik? Als ie even langer was gebleven, had ie dit ding” (Harmen tilde
-den doerian op) „tegen z’n bast gekregen. Dan was ie van de stank wel
-weggeloopen!”
-
-„Nou, en ik dan?” zei Hajo. „Ik stond al met m’n lans klaar. Nietwaar,
-Padde?”
-
-„Je hadt ’m makkelijk kunnen doodsteken, als je maar gewild had!” viel
-Padde hem bij. „Ik had m’n handen vol, maar anders.....!” Allen lachten
-weer. „Knap maar”, zei Padde. „Daarstraks lachten jullie niet!”
-
-„Kom!” zei Rolf. „Laten we nog een uurtje doortippelen, maar nu
-kalm-aan.”
-
-„’k Heb zoo’n honger!” klaagde Harmen.
-
-„Straks plukken we de duiven verder”, zei Rolf. „Maar als je honger
-hebt, peuzel dan een stuk van die vrucht op.”
-
-„Daar zet ik geen tand in.”
-
-„Dan laat je het. Kom.....!” En de jongens liepen weer verder.
-
-„Kijk, daar loopt nog een pad!” zei Hajo ineens. „Het komt hier op uit,
-zie je wel?”
-
-„Ja! Het schijnt uit het binnenland te komen!”
-
-Even later stonden de jongens bij den tweesprong. Het andere pad was
-mul, en in den grond teekende zich de indruk van een kleinen, naakten
-voet af. „Het spoor is nog versch”, zei Hajo. „Het is een kindervoet!
-Misschien zijn we hier wel dicht bij een dessah.”
-
-„Best mogelijk”, meende Harmen. „Geef maar een duifje hier, Padde! D’r
-zijn er vier, voor elk een; Joppie loopt z’n deel mis.” En Harmen ging
-op den wegberm zitten plukken. De veeren stoven in ’t rond.
-
-Dapper peuzelde ieder daarna zijn duiveboutje op. Hajo en Rolf smulden
-ook nog aan den doerian; Padde en Harmen gingen boven den wind zitten,
-gaven af op menschen, die zulk een vies ruikend goedje wilden eten.
-
-Waar Joppie zoo lang bleef? Hij zou toch niet door den tijger.....? De
-knapen betrapten er zich op, dat ze in Joppie een kameraad zouden
-verliezen. „Joppie! Joppie.....!” Geen antwoord. Verder dus maar weer.
-Het pad werd steenachtig; hier en daar was het geducht klauteren. Aan
-de linkerzijde verhief zich een rotswand, dicht met struikgewas, varens
-en kleine palmen begroeid en door een leger apen opgevroolijkt: het
-duurde niet lang, of de doode takken suisden den jongens weer om de
-ooren, zoodat ze blij waren, toen het pad van den rotswand afweek.
-
-Eensklaps stonden ze voor een natuurlijke trap. Dat is te zeggen: was
-het wel mogelijk, dat de natuur die ellenbreede, bazalten treden zoo
-regelmatig had verdeeld? Aan beide zijden stonden bananen met trossen
-goudgele vruchten en overschaduwden de trap met hun groote, groene
-bladeren, en in de spleten tusschen de steenen glansde diep-groen mos
-met roode bloempjes. „’t Lijkt wel een trap van een oud kasteel!”
-vonden de jongens. Ze plukten een paar rijpe pisangs, maar de vruchten
-smaakten wrang. „’t Zijn wilde pisangs”, verklaarde Rolf.
-
-„’t Zijn rot-pisangs”, zei Harmen teleurgesteld.
-
-Hajo scheen naar iets te luisteren. „Hoor eens goed!”
-
-„Een waterval!” juichte Rolf. Toen snelden ze met groote sprongen de
-trap op, belandden hijgend op een plateau. In spanning van wat ze te
-zien zouden krijgen, snelden ze tusschen met mos en bloemen overdekte
-rotsen op het geruisch af, holden in hun haast zelfs ongemerkt een paar
-sinaasappelboompjes voorbij, liepen een palmenboschje om,—en stonden
-voor een meer.
-
-Het was bedwelmend. Aan de eene zijde van het meer steeg een steile
-rotswand op; heel in de hoogte ontsprong een stroompje; het zilverige
-water danste over de rotsen omlaag en viel zingend en schuimend in het
-stille meer, dat tusschen hooge, zacht fluisterende bamboeboschjes en
-wuivende waaierpalmen lag weggezonken. In het midden lag een met
-boomvarens en bloemen begroeid eilandje, in strakke lijnen zich
-spiegelend in het plechtig stille water, dat zich slechts daar roerde,
-waar de waterval schuimde. Vogels fladderden alom in de lage takken, in
-wonderlijke taal luide uitkwinkeleerend boven het watergeruisch. Aan
-den oever stond op één poot een reiger te visschen. Pik! daar dook de
-snavel weg, kwam met een spartelend, zilveren vischje weer boven, en de
-rimpels liepen ver over het water uit, stootten tegen de bladeren van
-een drijvende lelie en schoten in dwarse bogen terug. De reiger wierp
-het glinsterende vischje in de lucht en ving het in zijn opengespalkten
-snavel.
-
-„Ik ga hier nooit weer weg!” stamelde Hajo. ’t Was om er de tranen van
-in de oogen te krijgen, zoo mooi. De bodem van het heldere water lag
-vol bontgekleurde steenen. En wat schoot daar voorbij? Een vischrug!
-Dik als een arm!
-
-Lang duurde het niet, of de jongens zaten in het water; de reiger
-streek sierlijk op een lagen boomtak en keek peinzend toe. Hoe heerlijk
-koel en doorzichtig was het water; je kon met open oogen naar de
-prachtige steenen op den bodem duiken. Terwijl Padde wat bij den oever
-ploeterde en op de weinige kleeren en de wapens paste, zwommen de
-anderen naar het eilandje. Allen dommelden wat in; zij op hun eilandje;
-Padde boven op het goed, dat hem was toevertrouwd.....
-
-Toen de grootste hitte voorbij was, stonden de jongens hongerig op.
-Harmen stelde voor, wat te gaan visschen.
-
-„Ja!” riep Hajo. „Hengelstokken hebben we hier bij de vleet.
-Hengelstokken van de fijnste soort!”
-
-„Ik weet nog beter!” zei Rolf. „We schieten ze. Met pijl en boog!”
-
-Dat voorstel sloeg in! Onze vrienden doken weer onder en zwommen om het
-hardst naar den oever,—een wedstrijd, dien Hajo met een el voorsprong
-op de anderen won. Toen bliezen ze even uit en gingen gewapend weer het
-water in. Maar de jacht viel niet mee: de visschen verdwenen, wanneer
-de knapen naderden.
-
-Rolf vond er iets op. Terwijl Hajo en Harmen om het hardst achter de
-visschen aan zwommen, bleef hij, naar het voorbeeld van den reiger,
-doodstil staan op een ondiepe plaats, een gevelde lans in de hand.
-Spoedig zwom een groote visch voorbij. Rolf richtte en spietste met een
-gelukkigen stoot het dier aan zijn lans. Dit bleek achteraf nog de
-beste wijze van jagen: hij had spoedig vier zware dieren veroverd,
-terwijl Harmen en Hajo niets schoten. De jacht van deze schutters werd
-dan ook spoedig een spelletje. Ze trachtten, onder water duikende, op
-de bladeren der drijvende waterlelies te mikken en toen hun dat ging
-vervelen, klommen ze in de oeverboomen en sprongen van gedurfde hoogten
-het water in, waarbij ze nu en dan leelijk op de steenen terechtkwamen.
-
-Rolf had meer gespietst dan de jongens verorberen konden; Harmen sneed
-een visch in stukken en wierp die in het meer. Van alle zijden schoten
-de vroegere kameraden toe en vochten gulzig om den buit,—leverden een
-mooi kleurenspel van fonkelend wit, staalblauw, goudgroen.....
-
-Na het middagmaal dwaalden de jongens het plateau nog wat over, dat ze
-daarstraks slechts vluchtig hadden gezien; ze plukten wat
-sinaasappelen, die van buiten niet geheel rijp schenen, maar toch
-lekker zoet waren.
-
-Toen ze langzaam door de palmen weer terugkeerden, hield Rolf zijn
-makkers vast. „Kijk daar eens!”
-
-Wat ze zagen, was mooi als een droom. Twee herten en enkele reeën
-stonden te drinken, waarbij telkens de kop ver naar achteren geworpen
-werd, het gewei in den nek, en het water ter zijde langs de lippen naar
-buiten vloeide. De groote, vreesachtige oogen glansden. Wat waren de
-halzen mooi gebogen! Hoe sierlijk stonden de dieren op hun ranke
-pooten! Plotseling scheen er een onraad te speuren. Het snoof de lucht
-op, stootte een geluid uit als het blaffen van een hond. En..... wat
-klonk daarginds? De echo? De herten en reeën sprongen weg in het groen.
-
-De knapen staarden nog sprakeloos van bewondering naar de plaats, waar
-ze gedronken hadden.
-
-Ineens..... wie kwam daar snuivend aanhollen, de tong uit den bek?
-Joppie! Dat was de echo van daareven! Jankend van vreugde sprong de
-hond tegen zijn meesters op, draaide half dol in het rond, kermend en
-kwispelstaartend onder hun aanhaling en likkend waar hij maar likken
-kon. „Wouw! Wouw!”
-
-„We wisten wel, dat je ons niet in de steek zou laten!” zei Hajo. „Ga
-je mee, ouwe jongen?”
-
-Daar zei Joppie geen neen op! Maar nu zag hij restanten visch liggen.
-Hij vloog er op af, sloeg in zenuwachtige haast koppen en staarten en
-graten naar binnen, met een half oogje opziend, of de jongens bijgeval
-niet weggingen. Maar dezen wachtten geduldig tot alles op was en
-Joppie, na half gestikt te zijn, de laatste graat weer uitspuwde en
-meteen weer inslikte. Joppie snuffelde nog wat, vond niets meer.
-
-En de karavaan volgde het pad weer, vroolijk gestemd, dat ze nu allen
-samen waren. Tusschen de oeverpalmen door, wierpen ze een laatsten blik
-op het meer. Het was het mooiste, wat ze zich in hun leven herinnerden
-gezien te hebben. Nog wel een half uur lang hoorden ze, wanneer ze even
-stilstonden, het ruischen van den waterval.....
-
-De weg daalde, werd nauw en kronkelig. Harmen, die vooraan ging, liep
-telkens met het hoofd in een spinneweb. Het pad scheen zoo weinig
-gebruikt te worden, dat hier en daar de struiken het geheel versperden,
-en onze vrienden moesten zich met het lijf een weg banen. „Hé!” zei
-Harmen eensklaps. „Hier is iemand langs gekomen! Zie maar: deze tak is
-versch gebroken! Misschien wel dezelfde, waarvan we vanmorgen die
-voetstappen hebben gezien!”
-
-Zwijgend liepen de knapen zoo een paar uren achtereen, tot het ging
-schemeren, en aan een legerplaats gedacht moest worden. Ze kozen er
-weer een open plek voor, tusschen bamboebosschen. De grond was zacht.
-Merkwaardig was, dat ze vanavond niet zoo door die onbestemde vrees
-bevangen werden als gisteren voor het slapen gaan. Raakten ze met het
-oerwoud vertrouwd? Had de ontmoeting met den koningstijger dit gevaar
-iets van zijn beangstigende geheimzinnigheid ontnomen? Ze waren met z’n
-vieren, met lansen bewapend, en Joppie zou wel blaffen als er gevaar
-dreigde.....!
-
-Eensklaps richtte Hajo zich op. „Ik hoor wat!”
-
-De jongens luisterden. Door het krekelgetsjirp mengde zich een dof
-geluid als van een trommel. „Menschen!” fluisterde Hajo. „Ik hoor ook
-een fluit!”
-
-De knapen sprongen op. Mannetje na mannetje liepen ze langs het
-donkere, smalle pad op het geluid af.
-
-Eensklaps hield het bosch op, en aan de voeten der knapen strekte zich
-een wijd dal uit, in vijvers verdeeld. En in het midden, omringd door
-kokostuinen, lag een dorpje, waaruit een gele lichtschijn opstraalde.
-Hoe te naderen zonder gezien te worden? Het dal sidderde in blauwen
-maneschijn; de vijvers zogen het licht gretig in en straalden het weer
-uit. Kom! ze zouden maar op hun goed gesternte vertrouwen! Er scheen in
-het dorp feestgevierd te worden, en dan zou men wel niet zoo waakzaam
-zijn. Zoo daalden onze vrienden over een kronkelend dijkje de helling
-af.
-
-„Rijstvelden!” zei Rolf, op de vijvers wijzend. „Kijk maar, de halmen
-steken boven het water uit.”
-
-Harmen, die vooraan liep, stokte en bleef staan. Van het dijkje gleed
-een slang weg en kronkelde, den kop boven water, tusschen de jonge,
-groene halmen door. „Goed, dat ik er niet op getrapt heb!” zei Harmen
-verschrikt.
-
-„Is ’t hier niet prachtig?” vroeg Rolf. De jongens stonden weer even
-stil, lieten de oogen rondweiden over de sawah’s om hen heen, waarin
-milliarden sterren star te fonkelen stonden. Hoe wijd en groot was
-alles hier! Hoe klein voelde je je! Hoor! De muziek was luider
-geworden. Hoe luchtig en klaar klonken die fluittonen, en hoe weemoedig
-verstierven ze.
-
-Verder maar weer! Bij dozijnen plonsden de vette kikkers van het dijkje
-de sawah’s in, zwommen grappig weg en bleven met uitgestrekte
-achterpooten liggen, nieuwsgierig boven het water uitglurend. Zoo
-kwamen de jongens bij den eersten kokostuin; de slanke stammen en de
-lange, gebogen bladstelen glansden in het maanlicht.
-
-Voorzichtig! Pasje voor pasje slopen ze voort. Glurend langs een
-bamboeboschje konden ze de poort zien. Er stond een wachthuisje met
-weer zoo’n hangend, uitgehold stuk boomstam, maar van een waker was
-niets te bespeuren. Nu, waar zou die ook voor noodig zijn geweest? Het
-geheele dorp was immers op de been? De jongens doken vlug langs het
-bamboeboschje tegen den aarden buitenwal weg en konden nu door de
-spleten van de omheining naar binnen zien. De dessah-bewoners zaten in
-wijden kring op het voorplein gehurkt, en in het midden van den kring
-schreden dansers met potsierlijke bewegingen dooreen. Ze droegen op het
-hoofd gruwelijke monsterkoppen met wilde haren en groote glas-oogen, en
-het bovenlijf was bedekt door een ruimen mantel van lange bladeren.
-Rondom de dansers zaten met gekruiste beenen de muzikanten, die met de
-vlakke hand op eigenaardige, langwerpige trommels sloegen, welke dwars
-op de knieën lagen, of op houten fluiten bliezen. Een bespeelde een
-eensnarige viool, welke op den grond was geplaatst, en een ander sloeg
-beurtelings op twee bekkens. Daarachter zaten mannen met walmende
-flambouwen, en daar weer achter hurkten de omstanders, sloegen met de
-handen de maat.
-
-„Kermis!” fluisterde Padde.
-
-Harmen keek slechts naar den vioolspeler. „Hij kan er niks van! Fout!
-Wéér fout! Is dat nou spelen?” En even later kon hij het haast niet
-meer uithouden. „Zou ik naar binnen gaan? Om ze eens te laten hooren,
-hoe je spelen moet? Hou jij m’n speer zoo lang vast, Hajo, en m’n
-boog.”
-
-„Als je ’t maar laat!” dreigde Rolf.
-
-„Wat zullen ze me doen?” vroeg Harmen. „Ze zullen blij zijn, als ze er
-eens goed hooren spelen.”
-
-En even later begon hij weer te zeuren: „Ze hebben daarginds ook
-allerlei lekkere rommel staan..... Ruik maar eens!—En ik zou zoo
-drommelsch graag weer eens een fiool in m’n vingers hebben..... Hoelang
-heb ik nou al niet kunnen spelen? Hoor! Valsch! Wéér valsch!”
-
-Met een kordaat besluit wierp Harmen zijn wapens op den grond, sprong
-fideel de poort binnen en riep op een toon van: daar ben ik dan toch
-eindelijk! den vergaderden toe:
-
-„Tabeh!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-PADDE IS ZOEK
-
-
-De trommels zwegen; de dansers staakten hun dans; allen staarden met
-groote oogen naar den zonderlingen bezoeker in zijn rokje van gras.
-Daarop sprongen enkele mannen toe en grepen Harmen, die te laat op de
-gedachte kwam om er weer tusschen uit te gaan. Allen riepen dooreen.
-
-De jongens, die buiten alles hadden gezien, vluchtten, na Harmen’s
-wapens te hebben opgepakt, met Joppie in het bamboebosch. Vlak daarop
-snelden gewapende Inlanders langs hen heen, blijkbaar op zoek, of er
-nog meer blanken in de buurt waren. Maar onze vrienden werden niet
-opgemerkt, en de Inlanders keerden weer terug. Toen bedaarde het rumoer
-daarbinnen.
-
-„We moeten hem bevrijden”, zei Rolf. „Maar hoe?!”
-
-Padde begon jammerend zijn meening te uiten over menschen, die door hun
-waaghalzerijen ook anderen in gevaar brachten.
-
-„Hajo”, zei Rolf. „Jij ziet de poort van daar. Staat er een wacht
-voor?”
-
-„Neen! Ik zal kijken, wat ik binnen zie.” Hajo sloop naar de omheining,
-loerde door de spleten. „Het voorplein is leeg, en van achter de huizen
-komt licht.”
-
-„Volg me dan”, fluisterde Rolf. „Hier, Padde, pas jij op Joppie en de
-wapens!”
-
-„Wat gaan jullie beginnen?” jammerde Padde op gedempten toon. „Je komt
-hier toch terug, hè, Hajo?”
-
-„Ja zeker”, gromde Rolf. En Rolf en Hajo slopen weg, het halve dorp om,
-tot waar het licht door de spleten der omheining naar buiten straalde,
-en stemmengedruisch hun oor bereikte. Ze gluurden tusschen de bamboes
-door en zagen juist, dat Harmen, de handen op den rug gebonden, een
-trapje werd opgeleid naar een hutje. De deur werd achter hem gesloten;
-daarna schenen de Inlanders te vergaderen. De afstand was te groot om
-iets te kunnen opvangen uit het stemmengeroezemoes.
-
-„Wachten”, zei Rolf. „Zoolang ze daar zijn, kunnen we niets beginnen.”
-
-En zoo wachtten de jongens dus, gekweld door de muskieten. Eindelijk
-verspreidden de Inlanders zich in druk gekout en verdwenen in hun
-woningen.
-
-„Kom mee!” zei Rolf, „misschien vinden we een achterdeur; de poort zal
-nu wel bewaakt zijn.”
-
-Op dit oogenblik hadden de jongens, ondanks het hachelijke van het
-geval, moeite hun lachen te bedwingen: Harmen hief de eerste maten van
-het geuzenlied aan:
-
-
- „Slaet opten trommele, van dirredomdijne!
- Slaet opten trommele, van dirredomdoes!”
-
-
-Het deed in dezen Indischen maannacht vol krekelzang wel erg zonderling
-aan.
-
-Zijn vrienden begrepen, dat het niet Harmens lust tot trommelen was,
-die hem dit lied uit de ziel perste. Het moest hen aanduiden waar hij
-zat opgesloten!
-
-Zonder een ingang te vinden, slopen ze het dorp om. Zoo kwamen ze weer
-aan de poort, maar nu aan de andere zijde dan waar Padde en Joppie zich
-bevonden. Hajo gluurde om een hoekje. Een schildwacht hurkte thans,
-eentonig neuriënd, naast het huisje. Inlanders neuriën altijd, als ze
-’s nachts alleen buiten zijn; het verdrijft de booze gedachten, welke
-zich, in het kleed der duisternis gehuld, van ’s menschen ziel willen
-meester maken.
-
-Wat te doen? Den man overvallen? Hajo kreeg een inval: hij raapte een
-steentje op, wierp het weg over het hoofd van den waker. Ritselend viel
-het neer.
-
-De Inlander hief het hoofd.
-
-Doodsche stilte. Krekelzang. Heel in de verte de blaffende roep van een
-hert.
-
-Hajo wierp nog een steentje achter het eerste aan. Ditmaal werd het
-verlangde resultaat bereikt. De man greep zijn speer en begaf zich in
-de richting, van waar het geluid kwam. Hij had zijn rug nog niet
-gekeerd, of Rolf en Hajo schoven geruischloos voort in de schaduw van
-de omheining, slopen achter het wachthuisje door en glipten de poort
-binnen. Ze durfden het voorplein niet over te steken,—liepen het dus
-om, van boom tot boom.
-
-„Hoor eens.....!” zei Hajo opeens.
-
-De knapen hielden den adem in.
-
-„Ik hoor niets!”
-
-„Ik nu ook niet meer. Ik meende daareven.....”
-
-„Het zal Harmen zijn geweest. Luister maar eens: hij zingt nu van het
-Volendammer visschertje!”
-
-„Ja-ha!”
-
-Verder weer! Geen van beiden vermoedde iets van het bloedig drama, dat
-zich intusschen buiten de poort had afgespeeld.....
-
-Padde had onverwachts vlak voor zijn neus een steentje hooren
-neervallen. Waar kwam dat vandaan? Daar viel er nog een! En zie..... de
-waker stond op..... en kwam op Padde af! Met bonzend hart gluurde de
-jongen door de twijgen en zag, hoe de Inlander overal rondkeek en met
-zijn lans in het struikgewas porde. Padde kroop een eindje achteruit.
-De waker bleef doodstil staan, kwam toen recht op de plek af waar Padde
-zat en stak zijn lans met kracht tusschen de bamboes. Deze aanval was
-Joppie te machtig: hij bevrijdde zich met een gesmoord jankgeluid uit
-Padde’s greep en vloog den man naar de beenen. Met een verwensching
-trapte de Maleier den hond weg, sprong toe en.....! Padde had in
-radeloozen angst, zonder te weten wat hij deed, een lans naar voren
-gestoken. De lans kraakte; een doffe kreet; rochelen; de slag van een
-vallend lichaam....! Huiverend sprong Padde overeind, zag, hoe de
-Inlander, met de speerpunt diep in de borst, krimpend op den grond lag.
-Alles draaide voor Padde; hij borg het gelaat in de armen. Weg! Weg van
-hier! Weg! Weg!.....!
-
-En, met Joppie op de hielen, was Padde weggehold.....
-
-
- „Dat Volendammer Visschertje,
- Dat voer naar Zierikzee.....”
-
-
-zong Harmen.
-
-Sluipend van huis tot huis, waren Rolf en Hajo zijn schuilplaats
-genaderd.
-
-
- „Dat Volendamsche Visschertje,
- Dat voer naar Zierikzee.
- Bracht zeven varkens en een wijf,
- Een poez’lig wijf weer mee!
- Van z’n varkens kreeg die nooit geen spijt,
- Maar ’t wijf wou die weer kwijt.
- Weer kwijt, wéééér kwijt.....”
-
-
-Met een prachtigen uithaal besloot het lied.
-
-Zijn vrienden waren vlug onder het huisje weggekropen, waarin hij
-gevangen zat. „Harmen.....!”
-
-„Holla.....! Groote Griebus, als ik niet dacht, dat jullie...”
-
-„Sssst! Ik kom bij je!” Rolf klauterde vlug langs het laddertje omhoog.
-Gelukkig stond het aan de schaduwzijde. De deur zat met een rotan vast.
-Het mes er op...... rits! Krak..... krak.....! Stil, stomme
-deur!—„Harmen, waar lig je?”
-
-„Hier! Groote God, Rolf..... de schurken!”
-
-Rolf knielde, begon de boeien door te snijden.
-
-„Au!”
-
-„Los?”
-
-„Ja”
-
-„Kom dan!”
-
-Zachtjes schimpend daalde Harmen de ladder af.—„Hajo!”
-
-„Kom mee!” fluisterde Rolf.
-
-Even later waren de knapen het dorp weer door, langs de omheining het
-plein omgeslopen, stonden nu dicht bij de poort. Rolf raapte een
-steentje op, keilde dit over den bamboezen wand een flink eindje
-bezijden de poort. Niets roerde zich.
-
-„Wat doe je nou!” vroeg Harmen.
-
-„Ssst!” Rolf nam nog een steentje, ditmaal iets grooter, wierp het
-achter het andere aan.
-
-Doodsche stilte.
-
-„Misschien staat de wachter verderop!” zei Hajo.
-
-„Laten we hem smeren”, stelde Harmen voor. „Voor ie de lui op de been
-heeft, zijn we weg!”.
-
-Rolf sloop vooruit, de anderen volgden. Zoo kwamen ze de poort uit.
-Niets te zien! Wacht! Wat..... wie ligt daar?! Allen snellen toe. Een
-kreet van ontzetting, als ze het lijk van den waker overdekt met bloed
-op den grond vinden.
-
-„Padde.....?!” Hajo stort zich het struikgewas in.
-
-„Padde is verdwenen! Daar liggen de wapens nog.”
-
-Rolf knielt bij het lijk neer. „Dood!” fluistert hij.
-
-„Zou Padde met de lans.....?!”
-
-Rolf springt overeind. „Vlug! Weg van hier!”
-
-De andere twee volgen, Hajo radeloos over Padde’s verdwijnen.
-
-„Wacht even!” hijgt Harmen. Hij snelt terug, grist de wapens uit het
-struikgewas weg, neemt den Maleier speer en kris af. Dan snelt hij weer
-achter de anderen aan.
-
-„Rolf!” snikt Hajo. „Moeten we Padde niet.....?!”
-
-„We moeten hier weg!” beveelt Rolf. „Uit het dal weg! We kunnen ons
-hier niet verbergen. Ze zoeken ons straks en.....”
-
-Harmen bukt zich, raapt Padde’s schortje van den grond op.
-
-„Goddank!” zegt Rolf, „dan is hij de goeie kant uitgevlucht! Neem het,
-dat ze ’t niet vinden!”
-
-De jongens rennen langs een dijkje tusschen de terrasvormig oploopende
-sawah’s omhoog, glijden in de modder uit, krabbelen weer overeind en
-staan tenslotte hijgend aan de andere zijde van het in maanlicht
-gedrenkte dal.....
-
-
-
-
-
-
-
-
-DOLIMAH
-
-
-Hier loopt het pad weer het bosch in. Grillige schaduwen liggen over
-den grond. Honderdmaal struikelt Harmen, die vooraan loopt, over zware
-wortels. Hush..... wat springt daar voor een dier weg?!
-
-Voort! Voort! Hajo kan ten slotte niet meer, zinkt tegen de struiken.
-De tranen vloeien over zijn wangen. „Padde.....! Waar is Padde.....?”
-
-„Stil eens!” zegt Harmen. „Hoor jullie wat?!”
-
-Hajo bergt het gelaat in de armen om zijn hartstochtelijk snikken te
-smoren.
-
-„We moeten hier weg! Kom, Hajo,” dringt Rolf aan. „Hier is alles nog
-zoo open.” En hij steunt Hajo, die kreunend opstaat.
-
-Zoo strompelen de jongens voort, tot ze bij een plaats komen, waar de
-bodem zacht is en varens groeien. Voorzichtig, zorg dragend geen
-varen-stelen te knakken en zoodoende een spoor na te laten, waden ze er
-door. Als ze ver van den weg af zijn, zinken ze neer, hooren nauwelijks
-het driftig zingen der muskieten. Harmen valt meteen in slaap. Hajo
-snikt nog urenlang.
-
-De sterren verdwijnen al. De maan verbleekt. De krekels zwijgen.
-
-
-
-Met een schrikbeeld voor oogen werd Hajo het eerst van de drie weer
-wakker. „Padde! Waar is Padde!”
-
-De zon stond al hoog, glinsterde in de boomkruinen, daarboven. Alom
-schetterden de vogels. „Rolf.....! Word wakker! We moeten Padde
-zoeken!”
-
-„Ja.....” stamelde Rolf en richtte zich op.
-
-Ook Harmen werd wakker, rekte zich, geeuwde, krabde aan enkele roode
-muskietenbeten.
-
-„Waar zullen we zoeken?” vroeg Rolf na een oogenblik zwijgen.
-
-Hajo zocht naar een antwoord, maar vond er geen. Met tranen in de oogen
-blikte hij in het groen, rondom. Harmen wentelde zich op zijn buik,
-plukte een grashalmpje, kauwde er op en zuchtte. „Je kunt net zoo goed
-naar m’n viool gaan zoeken, die met de Nieuw-Hoorn kopje onder is
-gegaan!”
-
-„Padde moet gevonden worden”, zei Hajo met gesmoorde stem.
-
-„Ja.....” viel Rolf hem bij. „Natuurlijk moet hij gevonden worden. Dat
-spreekt vanzelf.”
-
-Zwijgen. Drukkend zwijgen. Hajo barstte plots weer in krampachtig
-snikken uit.
-
-Harmen sprong overeind, spuwde het grashalmpje uit, dat hij half had
-binnengekauwd, streek over zijn zitvlak en zei: „’k Ga eens op de weg
-kijken. Zien, of de sloebers ons gevolgd hebben.”
-
-Langzaam, het hoofd omlaag, waadde hij tusschen de varens door.
-
-
-
-Even later kwam Harmen met groote sprongen weer aanhollen; hij moest
-even naar lucht happen, vóór hij uit zijn woorden kwam: „Daarginder zit
-ie! Met Joppie en een zwart meisje! En vuur heeft hij ook!”
-
-De anderen sprongen overeind. „En..... en waarom is hij niet met je
-meegekomen??”
-
-„Hij heeft mij niet gezien!”
-
-„Ben je dan niet naar hem toegegaan?”
-
-„’k Zal daar in m’n bloote billen voor den dag komen!” schimpte Harmen
-verontwaardigd. En haastig schoot hij zijn „rokje” aan.
-
-„Kom mee!” zei Rolf. En de jongens ijlden achter Harmen aan. „Zie je
-daar die rook?” vroeg Harmen. „Bij die kokosboom? Daar zit ie met ’t
-zwarte meisje en z’n vuurtje, de smakker!”
-
-„Padde! Hallo, Padde!” riepen de jongens.
-
-„Wauw!” Daar kwam Joppie hen al te gemoet snellen, sprong gillend van
-vreugde tegen hen op.
-
-Maar Padde scheen over het weerzien allerminst verbaasd. „Zoo!” zei
-hij, trad in het kostuum waarin hij geboren was eenigszins schuchter
-naar voren, kuchte en vroeg: „Heb jullie mijn schortje soms?”
-
-„Hier!” zei Hajo. „Maar vertel op: hoe.....”
-
-Met een zucht schoot Padde zijn rokje aan. „Ziezoo!—Ja, ’t is dat
-meisje, weet je wel, van bij de radjah! Ze is ons nageloopen.
-Nietwaar?” wendde hij zich tot het meisje, dat met neergeslagen oogen
-tegen de struiken stond. „Jij wou met ons mee? Sama saja?—Ik kwam haar
-achterop! Vannacht, toen ik wegliep om.....” Padde huiverde.
-
-„Dus jij hebt hem doodgestoken?”
-
-„Is ie d-dood?” vroeg Padde stamelend. „Ik kon er niets aan doen. Hij
-kwam op me af.....!”
-
-De jongens zwegen, en Padde veegde met den onderarm over zijn neus.
-
-„Apa moenamah nja? Hoe heet je?” wendde Rolf zich tot het meisje.
-
-„Dolimah, toean.....” luidde het zachte antwoord.
-
-„’t Is dat lieve meisje, dat ons dat smerige goedje gaf, dat we kauwen
-moesten!” zei Padde. „Weet je ’t nog, Harmen?”
-
-„Nou!” zei Harmen. „’k Wist niet, wat ik liever had!”
-
-„Ze kon me dadelijk weer”, vervolgde Padde. „Nou, en toen heeft ze een
-vuurtje gemaakt, lekker! Moet je eens kijken, hoe ze dat doet! Met een
-paar houtjes! En wrijven maar! ’k Heb geslapen; ’k ben net weer
-wakker.”
-
-„En heb je er geen oogenblik over gedacht, waar..... wij bleven?” vroeg
-Rolf.
-
-„Nou, ik wist toch, dat jullie wel zouden komen!” meende Padde
-luchthartig. „Ik dacht: ze zullen wel zoeken.”
-
-Rolf knikte. „Zoo.” Toen wendde hij zich weer tot het meisje: „Dolimah,
-vertel me eens waarom je je dessah verlaten hebt.....?”
-
-„Ik was zoo bang! Loentar heeft gezien, dat ik ’s nachts ben
-opgestaan..... Loentar verklapt altijd alles.”
-
-„Wie is Loentar?”
-
-„Loentar is mijn broertje. Ik heb nog twee broertjes: Dajik en Oeng.
-Karidien is al groot. Hij is bijna een man en zoo sterk.....! En mijn
-zusters: Sitoe en Roeknini en Kartina zijn al getrouwd.”
-
-„En.....” Rolf aarzelde even, „wilde je nu met ons meegaan?”
-
-„Ik durf niet terug”, fluisterde het meisje.
-
-„Kun je in een andere kampong geen tehuis vinden?”
-
-Dolimah schudde het hoofd. „Ze zouden vragen wie ik ben, en me weer
-terugbrengen.....!”
-
-„En waar heb je in die dagen van geleefd?”
-
-„Ik heb niet gegeten. Ik was zoo bang. Ik heb geloopen, geloopen.....”
-Het meisje scheen plots ietwat duizelig te worden, streek met de hand
-over de oogen.
-
-„Wat heeft ze?” vroeg Harmen verschrikt.
-
-„Ze heeft al dien tijd niets gegeten!”
-
-„Groote griebus!” Harmen keek rond, dacht toen aan den kokosboom vlak
-bij hem en klom als een aap naar boven. „Hajo!” schreeuwde hij van uit
-de hoogte. „Schiet als de weerlicht een paar duiven!” Maar Hajo had de
-pees van zijn boog al gespannen. „Wat ik onder schot krijg, is er bij!”
-
-Rolf gooide bladeren bijeen tot een zacht leger. „Ga hier wat zitten”,
-zei hij tot het meisje, dat verlegen werd onder al die zorgen. „Je zult
-moe zijn.”
-
-Dolimah aarzelde. Maar toen Rolf haar naar de rustbank leidde, zonk ze
-met gesloten oogen zwijgend op de zachte bladeren neer.
-
-„Ziezoo!” zei Padde, die, om ook wat te doen, geheel overbodig in het
-vuur porde. En hij wees naar Harmen, die boven in den boom ijverig
-noten zat los te draaien. „Zie je? Hij haalt makan!”
-
-Daar kwam Harmen weer omlaagzakken, laadde de armen vol noten. „Da’s
-dat! Waar blijft Hajo met zijn duiven? Als die kampong niet zoo open en
-bloot lag, zou ik wat rijst voor haar gappen. En dan nam ik meteen voor
-mezelf wat beters mee als dat smerige rokkie, dat ik nou aanheb. ’t
-Lijkt wel, of ik moet optreden in ’t paardenspul!” Hij nam zijn kapmes
-op en spleet met een paar ferme slagen een noot open. „Alsjeblieft,
-lieve, kleine Dalo..... Dola..... hoe heet je?”
-
-„Dolimah”, zei het meisje na een verlegen aarzeling. Ze nam met haar
-fijne vingertjes het stuk kokos aan, dat Harmen offreerde, zette haar
-blanke tandjes in het blanke vruchtvleesch.
-
-„Wat een dot, hè?” zuchtte Harmen. „Hier, kleine snoes, Harremen is dol
-op je,—neem dit er nog bij.”
-
-„Geef op!” snauwde Padde, jaloersch. „Denk je, dat ze dat zóó kan eten?
-Dat moet eerst in stukjes!” Hij beproefde het met de handen te breken,
-werd rood van inspanning..... vergeefs.
-
-„Nou moet jij het met je smerige vingers eerst pikzwart maken!” schold
-Harmen, die anders toch zoo nauw niet keek. „Hier d’r mee, papjoggie!”
-En Harmen zette er zijn pootige vingers in. Knap! „Een schip in brand
-laten vliegen, dat kan ie, maar een nootje knappen, daar moet ie
-Harremen eerst bij roepen!”
-
-„Kletskoek!” schreeuwde Padde, en de tranen schoten hem in de oogen.
-
-Harmen grinnikte, kapte juist met een geweldige mep weer een kokosnoot
-in tweeën en loerde met een schuin oogje, of het meisje wel oplette,
-hoe mooi hij dat deed. Maar Dolimah liet juist een schuwen blik vol
-medelijden op Padde vallen, in wiens oogen zij een traan zag glanzen.
-Padde merkte het, veegde snel die sporen van on-mannelijke zwakte weg,
-snoof en keek een anderen kant uit.
-
-Daar kwam Hajo opgewonden uit de struiken. „Alsjeblieft!” riep hij en
-hield een kakelend boschhoen omhoog.
-
-„Geef hier!” beval Harmen. En het bevoelend, prees hij: „’n Mooi beest!
-Vet aan de borst!”
-
-„Ik trapte er haast bovenop!” zei Hajo.
-
-„’t Stomme dier!” zuchtte Harmen. En terwijl hij het den hals
-omdraaide, beval hij Padde, hout voor het vuur te zoeken, en Hajo droeg
-hij op, een puntigen stok te snijden om het er aan te braden. „Zoo, ben
-je dood, beessie? Hij zegt niks meer, dan zal ’t wel zoo wezen.” En
-meteen stoven de veeren ook al in ’t rond. In een ommezien was de
-mooie, gespikkelde, mollig bepluimde kip een kaal, geel monster
-geworden. Met verrassende vaardigheid sneed de vroegere koksmaat het
-open, spietste het „schoongemaakte” boschhoen, gooide de houtjes op het
-vuur wat op mekaar en zag even later met glinsterende oogen toe, hoe
-het boutje bruin werd, en het vet sissend in de vlammen droop. „Deze
-mag jij opeten, hè, Dolimaatje?” zei hij.
-
-„Daar heeft ze genoeg aan”, meende Rolf.
-
-„Oh! Wou jij d’r soms ook wat van!” schimpte Harmen. „Zie liever, dat
-je wat schiet!”
-
-„Dat is een goede gedachte”, zei Rolf opgeruimd. „Ga je mee, Hajo?” En
-de beide knapen vatten hun boog op en verdwenen tusschen de boomen.
-Joppie sprong om hen heen.
-
-„Het liefst heb ik boschkippen!” schreeuwde Harmen hun nog na.
-
-„Je hebt maar voor het kiezen!” zei Rolf.
-
-„Nou, een paar duiven vind ik ook goed! Als ze maar vet zijn.”
-
-Langzaam wandelde onze vrienden tusschen de boomen voort. „Leuk, hè?”
-zei Hajo.
-
-Rolf schrikte op. „Leuk?”
-
-„Dat dat meisje meegaat! Ik vind alles nu in eens veel prettiger!—Wat
-zullen de anderen opkijken, als we met haar in Bantem komen! En later
-in Hoorn!”
-
-Rolf liep peinzend naar den grond te kijken. „Ik geloof, Hajo”, zei hij
-tenslotte, „dat we haar moeten aanraden, toch maar naar huis terug te
-gaan.”
-
-„Waarom??” vroeg Hajo verschrikt.
-
-Rolf zweeg, en Hajo liet zijn lip hangen.
-
-Zonder iets onder schot te hebben gekregen, belandden onze vrienden
-weer in het kamp.
-
-„Platzak?” hoonde Harmen. „Nou, dan kunnen we met z’n vieren de kip
-afknabbelen: die is toch al pikzwart gebrand.”
-
-„De kip? Heeft Dolimah er niets van gegeten??”
-
-„Ze kan naar de pomp loopen!” zei Harmen grimmig. „’k Had een fijn
-boutje gebraden! Je wordt bedankt—zegt dat juffie—knabbel die rommel
-zelf maar op: ik zet er geen tand in.—Best—zei ik,—als jou dat niet
-fijn genoeg is, juffie, zal Harremen ’t wel.....” Harmen’s stem werd
-verdacht heesch „zal Harremen het wel voor je opkluiven.—En nou is ie
-pikzwart. Nou lust ik ’m ook niet meer.”
-
-Het meisje scheen te begrijpen waarover gesproken werd.
-
-„Ik mag het niet eten, heer,” wendde zij zich aarzelend tot Rolf. Deze
-keek haar even verbaasd aan. Toen begreep hij. „Ik denk, dat haar
-geloof het verbiedt”, zei hij tot zijn vrienden.
-
-„Zit ’m dáár de kneep!” verzuchtte Harmen. „Ze had het hier toch gerust
-kunnen doen! Geen mensch, die het ziet!” Hij sneed het aangebrande hoen
-in stukken. „Hier, Hajo, daar heb jij een poot. En voor jou, Padde,
-alsjeblieft, een stuk van de borst en een vleugeltje toe, en voor jou,
-pennelikker, neem aan, ’k ben je knechtje niet! ook een vleugel en een
-stuk borst. Zoo, dan schiet er voor Harremen nog een poot over en de
-bil, en voor Joppie—gris ’t niet uit m’n vingers, mormel!—hier, voor
-jou de ribbekast, dan kun je kluiven! Of lust jij ook alleen wat je mag
-eten van je geloof? Hè, sallemander, jij denkt: spek is spek, en hap!
-in m’n bek! niet waar?”
-
-Zoo dacht Joppie er werkelijk over. Grommend en grauwend begon hij er
-aan te knagen, dat de beentjes knapten als vischgraten.
-
-„Kijk hem eens smullen, de gannef!” zei Harmen, die zelf glom tot
-achter zijn ooren. „Zeg, Rolf, vraag nou eens aan Dolimah, wat ze dan
-wèl mag eten?”
-
-„Ik mag wel kip eten”, antwoordde het meisje op Rolfs vraag. „Maar
-alleen, als ze met het mes geslacht is.”
-
-„Wat een fratsen”, verklaarde Harmen, toen Rolf hem vertaalde, wat
-Dolimah gezegd had. „Zou je toch nog geen stukje nemen, hè, Dolimaatje,
-hè?” En Harmen offreerde haar vol verleiding het pootje, dat hij nog in
-de vetbesmeerde hand hield.
-
-Het meisje schudde glimlachend het hoofd. „Ik heb geen honger
-meer.....”
-
-En toen moest er eens aan opbreken worden gedacht! Harmen schopte
-morrend het vuur uiteen. „We moesten het op den rug kunnen meenemen!
-Vraag haar eens, hoe ze het gemaakt heeft?”
-
-„Heb jij dat vuurtje gemaakt, Dolimah?” vroeg Rolf.
-
-Het meisje knikte bevestigend, glimlachte verlegen. „Als u het noodig
-hebt, dan zal ik het wel voor u maken.”
-
-„Ja.....!” Rolfs gelaat nam een weifelende uitdrukking aan. „Is het
-werkelijk niet beter, dat je naar je dorp teruggaat?” vroeg hij zacht,
-na een korte aarzeling. En haastig voegde hij er aan toe: „Wij vinden
-het erg leuk, als je met ons meegaat! Maar we zijn bang, dat jij er
-later spijt van hebt.”
-
-Dolimah boog zwijgend het hoofdje. „Ik durf niet terug”, fluisterde ze
-in weer opkomenden angst. „Ik durf niet.....”
-
-Rolf maakte een beslist gebaar. „Dan ga je met ons mee!—Ben je nog
-moe?”
-
-„Neen”, zei het meisje verheugd, „ik ben niet moe!”
-
-„Ik zou weleens willen weten wat Rolf allemaal met haar afsmoest!”
-gromde Padde, alweer jaloersch.
-
-„Laat hem kletsen, Padde!” troostte Harmen. „Hij wil leftrappen met z’n
-Maleidsch!”
-
-„We hebben afgesproken, dat ze met ons meegaat!” zei Rolf vroolijk.
-„Kom, jongens, pak de rommel dan maar weer op. Als we de richting goed
-houden, moeten we in Bantem komen!”
-
-
-
-Opgewekt gingen ze verder, voelden zich nu heel andere kerels! Er was
-nu iets, dat hun steun, hun bescherming noodig had; ze moesten nu
-toonen, dat ze mannen waren!
-
-Drommels, Dolimah had het slechter kunnen treffen! Waren allen niet
-bereid, voor haar hun leven op het spel te zetten?
-
-Harmen ging voorop, keek telkens even om naar de kleine Dolimah en
-wierp haar een blik toe van: „Vertrouw maar gerust op mij: alles komt
-in orde!”
-
-Joppie liep parmantig, den staart in de lucht, nog weer voor Harmen
-uit, snuffelde uit plichtsbesef hier en daar, lichtte even het pootje
-op om een boom voor omvallen te behoeden en sjouwde weer voort na een
-blik naar achteren te hebben geworpen, die ook al scheen te zeggen:
-„Volg mij maar gerust! Als ik wat verdachts ruik, zal ik jullie wel
-waarschuwen!”
-
-Dolimah, met kleine, zachte, snelle schreden tusschen hen inloopend,
-werd steeds vertrouwelijker, wees hun onderweg allerlei. „Zie, dit is
-de ganjong! Daar kun je de wortels van eten. Maar ze moeten eerst
-geklopt en gezeefd worden! Ik zal van het meel wel eens koekjes maken,
-als ik maar iets heb om ze in te bakken! En dit is djamboe! Die zijn
-heerlijk. Proef maar eens!” En met haar rappe vingertjes plukte ze een
-glazige, doorschijnende vrucht af en reikte die aan Padde.—Deze keek er
-naar. Maar zonder veel omhaal griste Harmen ze hem uit de vingers en
-zette er de tanden in. „Fijn!” riep hij uit.
-
-Ze gingen weer verder. „Kijk”, zei het meisje na een half uurtje en
-wees op een klimplant met lange trossen groene bloemen, „daar staat
-gadoeng! Daar kun je de knol van eten.” Hajo rukte aan de plant, en
-inderdaad: er bleek een knol aan te zitten. „Nou, zij weet het!” prees
-Harmen opgetogen. „Met haar bij ons, zullen we niet verhongeren!”
-
-„Als de oogst mislukt is, eten we niets anders dan gadoeng”, zei het
-meisje.
-
-Zoo drentelde ze babbelend tusschen de jongens in, die vandaag maar
-voortliepen zonder zelf te merken, dat ze liepen. Maar Dolimah scheen
-moe te worden. „Nou, dan gaan we zitten!” zei Harmen, die anders nooit
-aan rusten dacht vóór hem de tong uit den mond hing. „Daarginds is een
-lichte plek, daar zit ’t fijn!” En hij baande met zijn stoere lichaam
-den anderen een weg door de struiken.
-
-Flits! daar schemerde iets roodbruins door de takken; met luchtige
-sprongen, als veerde de grond, danste een dwerghertje de open plek
-over, draaide even het kopje met de groote, glanzende oogen en stoof
-toen op zijn tengere pootjes weg.
-
-„Een kantjil!” zei het meisje opgetogen. „Het is het zwakste, maar ook
-het slimste van alle dieren! Weet u, dat het kantjil door zijn slimheid
-zelfs eens een grooten olifant op de vlucht heeft gejaagd?”
-
-„Hoe heeft hij dat klaargespeeld?” vroeg Rolf lachend.
-
-„Dat zal ik vertellen”, zei het meisje, en terwijl de jongens zich
-neerwierpen en soezend luisterden naar Dolimah’s zangerig stemmetje,
-begon ze: „In een bosch leefden de dieren vreedzaam bijeen tot er
-opeens een olifant kwam, die dadelijk begon de boomen om te schoppen.
-Daar schrokken de andere dieren leelijk van! Er was nog nooit een
-olifant in het bosch geweest, en ze vergaderden er over, hoe ze hem
-weer weg zouden krijgen. „Ik zal hem wegjagen!” zei de tijger. Nu, die
-praalt altijd. De olifant ving hem op zijn witte slagtanden, die rood
-waren, toen de tijger machteloos ter aarde viel. Nu durfde geen der
-dieren hem meer aan. „Ik zal hem wegjagen!” beloofde het kantjil. Toen
-lachten alle dieren hem uit. „Als hij jou ziet aankomen, loopt hij van
-angst al weg!” Maar het kantjil zei tot het stekelvarken: „Geef me een
-van je pennen!” „Wat wil je er dan mee doen?” vroeg het stekelvarken.
-„Hij wil er den olifant mee op de vlucht jagen!” lachten de anderen. Nu
-begon het stekelvarken te schudden van het lachen. „Trek me er dan maar
-een uit het lijf!” proestte hij. Terwijl de anderen lachten, en het
-stekelvarken even knorde van pijn, trok het kantjil het stekelvarken de
-langste en dikste pen uit, die het maar vinden kon. En daarmee huppelde
-het naar het bosch, waar de olifant huisde. „Wil jij weleens gauw
-maken, dat je wegkomt!” zei het kantjil. De olifant was juist bezig een
-paar boomen te ontwortelen. „Wat piept daar?” vroeg hij. „Een
-muisje?”—„Oh, ben je nog half blind ook!” zei het kantjil. „Dan mag je
-je zeker wel uit de voeten maken, vóór het kantjil komt!”—„Wie is dat:
-het kantjil?” vroeg de olifant, terwijl hij kalm een nieuwen boom begon
-kaal te eten. „Een beest, dat wel tweemaal zoo groot en zoo sterk is
-als jij!” zei het kantjil. „Dat is niet waar”, zei de olifant, „ik ben
-de grootste en sterkste van alle dieren.”—„Dat zou je wel willen!” zei
-het kantjil weer. „Als het kantjil komt, schudden de bergen, en als het
-in zee gaat om te baden, loopt het heele bosch onder water.” Van
-verbazing ging de olifant tegen een waringin-boom zitten, die met de
-wortels in de lucht omviel. „Je wilt me zeker wat wijsmaken!” knorde de
-olifant. „Wàt? Geloof je me niet?” vroeg het kantjil. „Neen, ik geloof
-je niet”, antwoordde de olifant. „Dan zal ik je eens wat laten zien!”
-zei het kantjil. En het hield den olifant de pen van het stekelvarken
-voor den neus. „Alsjeblieft! Zoo dik zijn z’n haren!” Nu zei de olifant
-niets meer; hij beefde over al zijn leden, stak de slurf in de lucht,
-liep trompettend weg, zoo hard hij maar kon, en is nooit meer
-teruggekomen in het bosch, waar dat verschrikkelijk groote en sterke
-kantjil huisde!”
-
-Dolimah zweeg. „Ziet u wel, hoe slim het kantjil is?” vroeg ze.
-
-Hajo had het verhaal maar half kunnen verstaan. Maar onder Dolimah’s
-vertellen scheen het hem, alsof de natuur hem vertrouwder werd.
-Wonderlijk mooi klonk dat zangerige stemmetje, het leek hem wel, alsof
-het kantjil zelf hem dat verhaaltje van slimheid en goedige domheid in
-het oor had gefluisterd. Hoe mooi was Indië, als je het zóó kende.....
-
-„Wat vertelde ze?” Vroeg Harmen, op een djamboe zuigend en wezenloos
-voor zich uitkijkend.
-
-Geen der jongens kon zoo spoedig de rechte woorden vinden om Harmens
-vraag te beantwoorden. En Harmen vroeg ook niet ten tweeden male, stak
-peinzend een nieuwe vrucht in den mond.
-
-De vogels in de boomen waren verstomd. Padde was in slaap gevallen en
-vulde met zijn zacht gesnurk de stilte.
-
-Zwaar drukte de middaghitte.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE STRIJD OM HET HOL
-
-
-Na een korten middagslaap stonden de zwervers vermoeid en onverkwikt
-op. Wat lag er in de lucht, dat hen zoo loom maakte? Bij de minste
-beweging parelde hun het zweet op het voorhoofd.
-
-Dolimah had niet geslapen: zij zat tegen een boomstam geleund en keek
-voor zich uit.
-
-„Je denkt zeker nog aan het kantjil?” vroeg Rolf.
-
-Het meisje zweeg even. Toen zei ze: „Als ik eenmaal denk, denk ik aan
-allerlei dingen. Ik denk er aan..... dat we nooit aan de zee zullen
-komen. Deze kant uit komt men nooit aan de zee. De zee is in het
-Westen, waar de zon ondergaat.”
-
-Rolf was even geschrokken. „Straat Soenda ligt toch in het Zuiden?”
-vroeg hij.
-
-„Jawel”, antwoordde Dolimah, „maar dat is zoo ver weg, dat men er toch
-nooit komt. Men wordt onderweg door de geesten betooverd, die in de
-oude waringin-boomen huizen. Overal zijn ze! In de bloemen wonen
-geesten, in de steenen en in de schelpen, in de stille meren, in de
-bergen, onder de watervallen..... Als ge ergens lang naar kijkt, maakt
-de geest, die er in woont, zich meester van uw ziel. En wie in de macht
-der geesten is, kan niet meer weg..... Ge zoudt aan het strand staan en
-met betraande oogen over het water turen,—maar als ge in uw prauw
-wegvaart, kwellen de geesten u, tot ge geen lust meer hebt te leven. En
-als ge niet spoedig terugkeert, sterft ge ook werkelijk.”
-
-Rolf haalde diep adem, wilde zich verzetten tegen een gevoel van
-beklemming, dat hem overmeesterde.
-
-„Ge zult nooit aan de zee komen”, ging Dolimah droomerig voort. „Eerst
-zult ge vol moed zijn, maar dan zult ge de dagen tellen. Er zullen
-bamboe-bosschen en djati-wouden komen, bergen en moerassen en wijde
-vlakten zonder schaduw. En ge zult de uren tellen, dan de boomen aan
-den weg, dan de steenen onder uw voeten, en eindelijk zult ge weenend
-gaan zitten,—dan hebben de geesten u overwonnen.....”
-
-Rolf zweeg een oogenblik. „Kom!” zei hij toen, lenig overeind
-springend, „we moeten verder!” Maar er zat onder zijn uiterlijke
-fermheid een aarzeling.
-
-Padde stond loom op. „’k Heb koppijn”, zei hij.
-
-„D’r zit broeiing in de lucht”, verklaarde Harmen. Zwijgend zochten
-onze vrienden het pad weer op, en verder ging het.
-
-Hajo hoorde wiekengerucht, ging er op af en schoot een duif.
-
-Harmen sneed het nog fladderende dier de keel af. „Nou mag ze ’t dan
-toch eten”, zei hij, terwijl hij zich het roode bloed van de vingers
-likte. De anderen wendden zich af: Harmen kon soms zoo ruw zijn.
-
-Hij zelf voelde er weinig van. „Die zullen we straks braaien!” zei
-Harmen. „Je braait anders zóó al wel. Zoo warm als ’t vandaag is!”
-
-Het begon donker te worden; de zon stond als een spet klaterend goud
-tusschen de zwarte wolken.
-
-„Laten we hier blijven”, stelde Harmen voor. „Als het straks regent,
-kunnen we geen vuur meer maken.”
-
-De anderen aarzelden nog even; Padde zonk terstond tegen den wegberm
-neer, hijgend, met gesloten oogen.
-
-Wat was dat?! Onweer? De grond dreunde; het was, of daar in de verte
-drommen ruiters galoppeerden. „Olifanten”, zei Dolimah. „Ze zijn ver
-weg.”
-
-„Nou, Dolimah, nou een vuurtje!” zei Harmen, die zich over het gedreun
-weinig zorgen maakte.
-
-Dolimah begreep, haalde uit haar sarong twee stukjes droge bamboe. In
-een ervan was een gat.
-
-„Maak je dáár vuur mee??” vroeg Rolf.
-
-„Ja, maar ik moet eerst nog wat droog bamboeschraapsel hebben, van
-binnen uit een ouden steel.”
-
-„Geef me je kapmes eens hier, Harmen”, zei Rolf. „Zij wil een vuurtje
-voor ons maken.”
-
-„’t Zal me benieuwen!” grinnikte Harmen opgewonden.
-
-Intusschen maakte Rolf zoo snel mogelijk de voorbereidselen. Dolimah
-legde het zaagsel, dat Rolf haar bezorgde, tot een hoopje, stak er een
-paar splinters in, zette het stukje bamboe met het gat er in op den
-grond en begon er verbazend snel het andere stukje bamboe in heen en
-weer te wrijven.
-
-„’k Zie nog niks”, zei Harmen.
-
-„Laat mij het maar doen”, stelde Rolf voor. „Ik zie nu hoe het moet.”
-Hij nam het instrumentje over en begon op zijn beurt uit alle macht te
-wrijven. Maar er kwam geen vuur. Wel droop onzen vriend het zweet van
-voorhoofd en polsen.
-
-„Schei maar uit met je gepruts”, zei Harmen. „Wedden, dat ik in tien
-tellen vuur heb?” Rolf reikte hem de houtjes, en Harmen begon te
-werken. De tien tellen waren spoedig verstreken. „’k Word er lam van!”
-hijgde Harmen.
-
-Het meisje zag glimlachend toe, hoe de jongens zich inspanden. „Laat
-mij nog eens?” vroeg ze. „Als mijn broertjes zagen, hoe slecht ik het
-doe, zouden ze me uitlachen!” En met vaardige hand wreef ze, minder
-heftig, maar veel vlugger dan de jongens, en zie..... daar vloog een
-vonkje van het droge, scherpe hout naar het schraapsel over. Nog een!
-Harmen wierp zich op de knieën, begon te blazen..... daar lekte een
-vlammetje op! Vlug, al blazende een paar splintertjes erbij, nu zou het
-Harmen niet meer uitgaan. „Hé, Padde, zit niet te maffen! Zoek hout bij
-mekaar!”
-
-Padde bleef zitten. „’k Heb koppijn”, gromde hij.
-
-„Ja, goeie morgen!” zei Harmen.
-
-Hajo zocht wat droog hout bijeen. En nu laaide een knetterend vuurtje
-op. Of ’t wou branden, die droge bamboe! Tevreden grinnikend, begon
-Harmen de duif te plukken.
-
-De hemel werd zoo donker, dat de stammen der boomen er licht tegen
-afstaken. Het was, als bogen de takken onder den zwaren druk: in de
-doodsche stilte rondom kraakte het onverwachts, of dwarrelde een
-twijgje omlaag. „Dat zijn de geesten”, verzekerde Dolimah zacht en
-ernstig. En met groote oogen zat ze te luisteren.
-
-Rolf en Hajo waren bezig, een bed van varens voor haar op te stapelen.
-
-„Voel eens, hoe het veert!” zei Rolf, toen het bed een el hoog geworden
-was.
-
-„Hoor!” zei Dolimah en hief haar vingertje. In de verte gromde het
-onweer.
-
-Flits! daar sloeg de wereld in lichtelaaie. Het zwarte dak daarboven
-werd in stukken en brokken gescheurd; onder de boomen vielen plots
-blauwgroene schaduwen, en de vlammen van Harmen’s vuurtje werden even
-neergedrukt.
-
-Padde stopte de ooren dicht..... daar daverde de slag, wentelde over de
-boomkruinen, tuimelde in een open plek omlaag als een schaatser in een
-bijt, spookte nu tusschen de stammen, deed de bladeren verontrust
-ruischen..... Stil was het weer. Dolimah zat met wijd open oogen op
-haar leger van varens als een prinsesje op haar troon. Harmen was met
-het plukken klaar, sneed de duif haastig open. Zijn mes glinsterde als
-het mes van een roover uit een sprookje. Padde lag, het hoofd in de
-armen, tegen een stam.
-
-Niemand sprak. Hajo en Rolf, die naast elkaar op het mos waren
-neergezonken, staarden, op den buik liggend, naar een groen kevertje,
-dat, klauterend over steentjes en grassprietjes, zich ijverig een weg
-baande. Wanneer het bliksemde, glansde het diertje ineens van het
-goud,—stokte zijn loop. Dan ratelde de donder, en het torretje dook
-ineen. Wanneer het weer stil was, roerde de gepantserde ridder zijn
-voelhorentjes, krabbelde overeind en strompelde weer verder tusschen
-takjes en blaadjes door het ontzaggelijke woud.....
-
-Was het verschil tusschen hen en dat torretje zoo groot? vroegen de
-jongens zich stilletjes af. Hoe eindeloos was hier alles, hoe klein en
-onmachtig waren zij.—Als je ergens lang naar kijkt, had Dolimah
-gezegd,—maken de geesten zich meester van je ziel.....—Geen
-droomelarijen! Wakker blijven!
-
-„Zoo”, zei Harmen, „als dát nou geen fijn boutje is, weet ik het niet!”
-En hij begon de duif te verdeelen. Maar Padde wilde niet hebben. „Wat
-zullen we nou beleven??” vroeg Harmen.
-
-Ook de anderen keken vreemd op. „Scheelt er wat aan, Padde?”
-
-„Knap maar”, zei Padde.
-
-Toen lekten dikke, warme druppels uit den hemel neer. Geheimzinnig
-tikten ze op de bladeren. Ping!—Pong!—Pang!—Ping!—Ping..... De bliksem
-laaide weer uit, vulde de lucht opeens met blauwig-lichtende diamanten.
-Toen sloeg de regen neer. De takken bogen onder den waterval, piepten
-en kraakten; bladeren dwarrelden omlaag en dreven weg in de beekjes,
-die zich vormden tusschen het drassige mos. Onder den boom, waar onze
-vrienden stonden, begon het ook te lekken; het vuurtje doofde sissend
-uit. Zouden ze verder gaan en een onderdak zoeken? Het trieste
-stelletje pakte speren en bogen op en plaste langs den nu modderigen
-weg; Padde droefgeestig en loom achteraan. Het weggetje was spoedig een
-goot geworden, waardoor het bruine water met groote bellen er op
-voortjoeg. En steeds meer water vloeide toe. Dolimah hield haar sarong
-hoog op; de regen deed haar schouders, hals en armen glanzen. Harmen
-kwam door dien opwekkend ruischenden regen weer in een tevreden
-stemming,—hij stapte met groote passen, dat het water alle zijden
-uitgolfde, en zong boven den regen uit:
-
-
- „Des winters als het reghent,
- Dan sijn de paetjes diep, ja diep,
- Dan komt dat lose vischertjen
- Vischen al inne dat riet, ja riet!
- Met sinen rijfstoc, met sinen strijcstoc,
- Met sinen lapsac, met sinen cnapsac,
- Met sine leere, von dirre dom deere,
- Met sine leere laersjes aen.....”
-
-
-Hajo en Rolf waren halverwege uit volle borst ingevallen, en Padde gaf
-Joppie een trap, toen deze, springend van berm tot berm om de jongens
-bij te blijven, hem voor de voeten kwam. Het water voerde bladeren en
-bloemen mee en twijgjes en stukjes schors. Dolimah ving de bloemen op,
-stak ze in heur zwart-glanzend haar, in haar sarong boven de borst en
-tusschen de vingers.
-
-„Wat een fijn juffie, hè?” schreeuwde Harmen.
-
-„Zing jij ook eens wat, Dolimah?” vroeg Rolf.
-
-„Ja!” zei Dolimah. En terwijl ze sierlijk haar sarong ophield en als
-een kleine koningin door het water schreed, zong ze:
-
-
- „Oedjan dateng, kambing lari!
- „Oedjan dateng, soekah menari!” [4]
-
-
-En ze stelde voor, een pisangblad boven het hoofd te houden als een
-pajong.
-
-In Harmen, Rolf en Hajo’s hart was alles licht; ze voelden zich halve
-boschmannetjes, toen ze met de groote bladeren boven het hoofd onder de
-glimmend-zwarte boomen doorgingen. Ze waren hier thuis in het woud,
-onder vrinden. Zouden ze verbaasd zijn, wanneer hun zoo meteen een
-tijger te gemoet zou stappen en in zuiver Maleisch zou vragen: „Waar
-komen jullie vandaan..... Dari mááááánah?” en: „Waar gaan jullie naar
-toe..... Pigi mááááánah?”
-
-„Tabeh!” zouden ze zeggen.
-
-Of wanneer er een kabouter een eindje met hen zou oploopen tot aan zijn
-hol, aan de andere zijde van den berm? Of wanneer ze een kantjil en een
-stekelvarken gearmd zouden tegenkomen, dikke vrinden nog vanwege het
-gezamelijk te velde trekken tegen den olifant? Of wanneer ze een boom
-zouden hooren fluisteren: „Help me uit de knoei,—die smerige, witte
-mieren zijn bezig me dwars door te zagen?”—Daar flitste de bliksem
-weer, scheurde het duister; een paar kokosboomen rezen vliegensvlug uit
-den grond op, spatten daarboven uiteen als zwarte inktvlekken op geel
-perkament. „Een kampong!” fluisterde Dolimah. „Waar klapperboomen
-staan, is een kampong in de buurt.”
-
-Onverwachts begon Padde achter hen te snikken. „’k Heb zoo’n koppijn!
-En m’n beenen zijn zoo moe.....”
-
-De jongens schrokken. „Je zult toch niet ziek worden, Padde?!”
-
-„Weet ik het?” vroeg Padde tusschen twee snikken in.
-
-„Dija sakit?” vroeg Dolimah. „Is hij ziek?”
-
-Rolf knikte. En tot de anderen zei hij: „Jongens, als we vlak bij een
-dorp zijn, kunnen we hier niet blijven! ’t Is nu donker; we moeten het
-zien te omsluipen.—Kun je heusch niet meer loopen, Padde?”
-
-„Gaan jullie maar door en laat mij hier maar liggen.....” snikte Padde.
-
-„Wat een onzin!” viel Hajo driftig uit. „Kom, Padde! Misschien ben je
-morgen weer zoo frisch als een hoentje!”
-
-„Ja..... misschien wel”, zei Padde droefgeestig.—En de jongens gingen
-weer verder.
-
-Ze bleken voor een omheinden kokostuin te staan. „Wacht even!” zei
-Harmen. Hij wipte over den bamboe-pagger en klauterde een schuinen
-kokosboom in. „Wat is die stam glad!” schreeuwde hij van boven.
-
-Weer bliksemde het. Langs de omheining zagen ze den omtrek van een paar
-puntige daken. De donder bulderde uit,—verstierf in het klagend loeien
-van een buffel, daarginds in het dorp.—Een nieuwe bliksemflits. Acht,
-tien, twaalf, veertien, vijftien huisjes op hooge palen. Hoe
-merkwaardig silhouetteerde Harmen daar boven tegen die onweerslucht!
-Was het niet net, of ze weer op zee zaten, en Harmen in een boozen
-nacht iets klaarde in den fok? Daar klauterde hij weer omlaag. „Vangen
-jullie?” riep hij van achter de omheining.
-
-Terwijl Hajo en Rolf werk hadden de noten op te vangen, die Harmen over
-den pagger kegelde, ging Dolimah bij Padde zitten. „Dimanah sakit?—Waar
-doet het pijn?” vroeg ze met haar lieve stemmetje.
-
-„Hier!” zei Padde verteederd en wees op zijn armen bol.
-
-„Biar-lah!” troostte het meisje. „Wacht maar: morgen zal ik kruiden
-voor je zoeken.”
-
-Padde knikte. „Verstaan doe ik je niet”, zei hij. „Maar lief ben je,
-da’s vast!” En met een wat vroolijker gezicht stond hij weer op.
-
-Het geweld van den nog steeds even machtig neerslaanden regen maakte
-het omsluipen der kampong gemakkelijk. Het was een klein dorpje, boven
-aan een helling van sawah’s en, naar de zijde vanwaar de jongens
-kwamen, grenzend aan den boschrand. Het was niet gemakkelijk om in den
-hevigen regen, die alles deed onderloopen, den weg langs de helling
-omlaag te vinden. Onophoudelijk gleden de jongens in de modder uit.
-Slechts Dolimah viel niet: ze scheen dit balanceeren over smalle
-sawahdijkjes wel gewend te zijn. Dat bewees ze ook door even later
-kalmpjes-weg over een boomstam te wandelen, die, bij wijze van brug,
-over een snelstroomend beekje was gelegd, waar het water van de sawah’s
-in uitvloeide. De jongens gingen er twee aan twee over en hielden
-elkaar goed vast, zoodat Harmen en Hajo tegelijk het water intuimelden.
-Joppie zat achter een vette rat aan, en de rat en hij gilden samen zoo,
-dat het van daarginds uit de kampong echode. Toen trad Joppie als
-overwinnaar uit het strijdperk en toonde het rattelijk, waaraan een
-lange, kale staart bungelde.
-
-Aan de andere zijde van het dal kronkelde het weggetje weer tusschen de
-boomen voort. „Kun je nog, Padde?”
-
-Padde bromde wat.
-
-Na wellicht twee uur loopen en waden door het maar altijd neerplassende
-water, kwamen ze weer op een plateau, grenzend aan een ravijn. „Hier
-zullen we maar blijven”, zei Rolf. „Een onderdak vinden we toch niet.”
-
-Padde zonk neer.
-
-„Ik wil eens langs het ravijn zoeken”, zei Harmen. „Ga je mee, Hajo?
-Hier, neem jij ook een speer mee!” En beiden togen den zwarten nacht
-in.
-
-Rolf en Dolimah gingen, ieder aan een kant, aan Padde’s zijde zitten.
-Een windvlaag streek over het plateau. „Heb je het koud, Padde?” vroeg
-Rolf bezorgd.
-
-Padde klappertandde.
-
-„Kom dan dicht tusschen ons in.”
-
-Onafgebroken stroomde de regen neer.
-
-
-
-Hajo en Harmen volgden den rand van het plateau. Aan hun voeten gaapte,
-onheilspellend zwart, het ravijn. „Wees voorzichtig, Harmen! Als je er
-in valt.....!”
-
-„Zal mij niet gebeuren!” verzekerde Harmen. Meteen zakte de grond onder
-zijn voeten weg; Hajo bleef star van ontzetting staan, maar Harmen wist
-zich net bijtijds aan een naar buiten stekenden wortel vast te grijpen,
-werkte zich naar boven en sprong weer op den beganen grond. „Daar ligt
-m’n speer!” schold hij. „Foetsji! Naar de haaien!”
-
-„Hè.....!” stamelde Hajo.
-
-„De grond is wat slappies van die smerige regen!” verklaarde Harmen. En
-zich aan den boom vasthoudend, die hem het leven had gered, leunde hij
-over den afgrond. „Alles zoo zwart als een pot teer! Is ’t niet zonde,
-zoo’n mooie spies!”
-
-Maar daar zette de bliksem het ravijn in het felste licht, en Harmen
-riep: „Ik zie hem! Geen tien el hier beneden!”
-
-„Nou, wat dan nog?” vroeg Hajo, ietwat geprikkeld.
-
-„Ik ga hem halen”, zei Harmen.
-
-„Als je ’t maar laat!”
-
-„Ja, ’k zal daar m’n mooie spies laten liggen, als ik hem zoo grijpen
-kan!”
-
-„Wil je je nek breken?”
-
-„Nee. Jij?” vroeg Harmen. „Daar zit ergens een boompje in de wand
-vast,—daar laat ik me op zakken!” En zonder Hajo’s verdere goedkeuring
-af te wachten, liet hij zich langs de wortels van een zwaren boom, die
-op den rand van het plateau stond, zakken.
-
-Van angst den adem inhoudend, wachtte Hajo boven. „Ziezoo”, hoorde hij
-eindelijk, „nou nog.....” Toen kraakte er wat, een plof.....! en
-Harmens stem klonk alweer: „Da’s nog vlugger dan ik dacht! ’k Zit op
-m’n spies!”
-
-„Kun je..... kun je weer boven komen?” vroeg Hajo.
-
-„Langs deze weg zoo best niet meer”, meende Harmen. „Die rot-boom is
-afgeknapt. Maar hier loopt een soortement weggetje. Dat kan ik eens een
-eindje opkruipen.”
-
-„Harmen, wat heb je gedaan!” zuchtte Hajo.
-
-„Nou, grien maar niet”, zei Harmen. „’k Zou er hier beneden maar nat
-van worden.”
-
-Weinig op zijn gemak stond Hajo te wachten. „Een best weggetje!” prees
-Harmen daar beneden. „Hier is ie wat minder, maar met m’n spies bij me
-kan ik me wel hou.....”—Daar tuimelde iets zwaars de diepte in.
-
-„Harmen.....?!”
-
-Even niets. Toen Harmens stem, hijgend: „Ik h-hang nog! Ik hang op m’n
-spies!” Een stilte. „Ziezoo, daar sta ik alweer!—Verduiveld, Hajo, daar
-zie ik een hol!”
-
-„Een hol?!”
-
-„Spreek ik Chineesch?”
-
-„Ga er niet in, Harmen!”
-
-„En waarom niet? ’t Is net wat we hebben moeten! Droog!”
-
-„Harmen! Harmen dan toch.....!”
-
-Harmen zweeg in zeven talen. Ook in het Chineesch.
-
-Eindelijk gaf hij weer teekenen van leven. „’k Ben er een eindje in
-gekropen!” zei hij.
-
-„En.....?!”
-
-„Er zit een beest in. Kom maar eens kijken: twee gloeiende oogen!”
-
-„Harmen! Kom boven!”
-
-„Kan ik niet beloven!” dichtte Harmen. „Kom jij liever beneden, dan ben
-ik tevreden. En neem jij ook je speer mee. Dan prikken we hem er aan.”
-
-„En als ’t nou eens een tijger was?!”
-
-„’t Is geen tijger”, zei Harmen, even beduusd.
-
-„Hoe weet je dat?”
-
-„Heit ie me zelf verteld.” En Harmen begon te grinniken. „Nou, kom je,
-of kom je niet?” riep hij daarop ongeduldig. „Spring maar gerust; ik
-zal je wel vangen.—Of dúrref je niet?”
-
-Dat was een gevaarlijke vraag. „Vang je me?” vroeg Hajo.
-
-„Natuurlijk! Ik zie je wel staan tegen de lucht aan; spring maar
-gerust. En hou de punt van je speer naar boven alsjeblieft, want die
-lust ik niet.”
-
-Hajo sprong.
-
-„Pijn gedaan?”
-
-„Vertel op: waar is het hol?”
-
-„Kom maar mee. Voorzichtig-aan, vooral daar waar je nou bent!” Harmen
-voorop, kropen de knapen tot aan een steenen hol met manshoogen ingang.
-„Blijf naast me en hou je spies klaar”, zei Harmen.
-
-Den adem ingehouden, met bonzend hart, kropen de jongens het hol
-binnen. Er hing een vunzige, warme lucht. Daar, in het donker, gloeiden
-twee starre, gele oogen. „Zie je wel?” fluisterde Harmen. „Hij doet
-niks.”
-
-Hajo wilde antwoorden, maar zijn keel zat toegeschroefd. Hij voelde
-zelf hoe hij beefde.
-
-„Nou.....” fluisterde Harmen. „Nou gaat ie beginnen! Ik zal hem mijn
-spies kedoo doen en als ie dan keet gaat schoppen, vang jij hem in de
-jouwe!”
-
-„Ja-a”, stotterde Hajo, verbouwereerd door Harmen’s koelbloedigheid.
-
-Toen richtte Harmen zich onverwachts half op, haalde zijn rechterarm,
-waarin hij zijn speer omklemd hield, ver naar achteren uit en zwaaide
-het wapen forsch naar voren, in de richting waar de starre, gele oogen
-gloeiden.—Een kort, schor gebrul. Een zwaar dier sprong overeind, het
-hout van de speer kraakte en brak.
-
-De worp had doel getroffen.
-
-Een bedorven lucht sloeg den jongens tegen het gelaat, verwarde hen.
-Instinctief omklemden beiden Hajo’s nog gevelde speer. De gewonde
-holbewoner dook blazend ineen, sprong toe..... recht in de
-lanspunt,—stootte een woesten kreet uit. De jongens voelden het zware
-gewicht op hun lans neerkomen, zagen vaag de gestalte van het dier
-gekromd om het lemmet, drukten met een schreeuw van opwinding het wapen
-nog meer naar voren, zoodat het dier in een boog terugsmakte in den
-hoek, waar het gelegen had.
-
-„Hou vast!” siste Harmen. En de jongens drukten hijgend, uit alle macht
-de speer in den hoek.
-
-Toen brak de speerschacht; de jongens tuimelden naar voren, voelden een
-heeten adem langs het gelaat strijken, vlogen met een rilling weer
-overeind, bonsden met de hoofden tegen den steenen bovenwand van het
-hol, dat ze haast het bewustzijn verloren en een rood waas voor oogen
-zagen. Beduusd, verward, wilden ze naar buiten vluchten, maar vonden
-door het floers voor hun oogen den uitgang niet.
-
-Het was ook niet meer noodig.
-
-Het dier had zich weer opgericht, toen Hajo’s lans brak en het niet
-meer tegen den grond drukte, maar meteen was het weer omgetold, sloeg
-met de klauwen in de lucht, brulde heesch, rochelde.....
-
-En terwijl de jongens zich nog, in een hoek gedrukt, stilhielden,
-verstomde het rochelen.
-
-„Hij is dood!” fluisterde Harmen. „Ik zal.....”
-
-„P-pas op, Harmen! Niet te dicht!”
-
-„A-als ie nou toch d-dood is!” pruttelde Harmen hijgend. Hij kroop naar
-het dier toe. „M-morsdood”, stelde hij vast. „Hier h-heb ik zijn
-staart! ’k Zal hem naar buiten sleepen.” En zwijgend, nog zwaar
-ademend, begon hij aan het lichaam te rukken. Toen werd hij allengs de
-oude Harmen weer. „Groote griebus, wat is ’t mormel zwaar! Help eens
-een handje, Hajo?”
-
-Samen sleepten de jongens, Hajo nog bevend over al zijn leden, het dier
-naar buiten.
-
-Het was een panter.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE REGEN
-
-
-„Hoe komen we nou weer bij de anderen?” vroeg Hajo.
-
-„We zullen dat weggetje maar eens verder opkruipen”, zei Harmen. „En
-dan mag ik lijden, dat we niet weer zoo’n mormel tegen het lijf loopen,
-want zonder m’n spies bij me, zou ik niet weten, wat ik tegen ’m zeggen
-moest.”
-
-„Ja”, zei Hajo bezorgd, „ze zijn gewoonlijk met z’n tweeën, hè?”
-
-Harmen grinnikte. „Nou zijn ze in elk geval niet meer met z’n
-tweeën!—Hierlangs, Hajo, en voorzichtig!”
-
-Zoo kropen ze voort, zich vasthoudend aan wortels en steenpunten. En na
-veel geklauter belandden ze met geschaafde handen en knieën weer op het
-plateau en zochten de anderen op, die triest bijeenzaten in den
-stroomenden regen. „Een fijn holletje gevonden!” schreeuwde Harmen. „Er
-lag een tijger in, maar die zegt niks. Waar, Hajo?”
-
-„Een tijger?!”
-
-„Een tijger met vlekkies! Maar ik en Hajo hebben ’m ferm bij z’n staart
-gepakt, en nou zegt ie geen ba meer en geen boe. Kom maar gauw mee. ’t
-Is er kurkdroog en lekker warm!”
-
-Rolf sprong overeind. „Kom, Padde! Harmen heeft een droog hol
-gevonden.”
-
-Padde richtte zich loom op en huiverde. „Is het hier ver vandaan?”
-
-„Vlak bij”, zei Harmen. En terwijl Hajo in geuren en kleuren het
-verhaal over den panter opdischte, begaf het heele troepje zich naar de
-plaats, waar Harmens speer in de diepte gevallen was. „Ziezoo, we zijn
-er”, zei Harmen. „Als het bliksemt, spring ik naar beneden.”—Meteen
-zette het weerlicht het dal alweer in hellen gloed; Harmen berekende
-vliegensvlug zijn sprong en dook de diepte in.
-
-„Harmen.....?!”
-
-„Ja, ’k leef nog”, klonk het van omlaag. „’k Ben op m’n billen
-gevallen! Spring maar, Hajo!”
-
-Hajo, die voor Harmen niet wilde onderdoen, nu Dolimah er bij was,
-sprong, en Harmen ving hem.
-
-„Nu ik”, zei Rolf. „Maar vang je eerst de noten op?”
-
-„Gooi ze maar naar beneden”, zei Harmen. „Maar niet allemaal tegelijk:
-ik hèb al een buil op m’n kop.”
-
-Een voor een gooide Rolf de noten omlaag. Harmen had katte-oogen: hij
-ving ze allemaal. „Nog meer?”
-
-„Neen. Nu kom ik-zelf.” En Rolf sprong in Harmen’s armen. „Nu jij,
-Padde!”
-
-„Springen?” vroeg Padde.
-
-„Nee, vliegen!” zei Harmen. „Kom maar: we vangen je met z’n drieën.”
-
-„En als ik nou te ver spring?!”
-
-„Dan springen we je na. Kom!”
-
-Padde aarzelde, gromde wat. Toen sprong hij.—„Au! O! Au!”
-
-„Gaat wel over”, troostte Harmen. „Denk je soms, dat ik zoo lekker
-gesprongen ben? M’n billen branden als helsche steen.—Nou, jij,
-Dolimaatje?”
-
-Na eenig aarzelen sprong het meisje omlaag. „’k Heb ’r!” riep Harmen
-verheugd. En voorzichtig zette hij haar neer. „Nou Joppie! Kom, gil
-niet als een mager varken! Joppie!”
-
-Piepend en jankend zocht Joppie langs den rand naar een geschikte
-plaats om af te dalen.
-
-„Hij durreft niet, de smakker!” smaalde Harmen. „Nou, dan moet ie maar
-boven blijven. Kom mee, jongens! En voorzichtig-aan! Er staat beneden
-niemand om je te vangen!”
-
-Zoo kropen ze naar het hol. „Zie je?” zei Harmen, „hier zijn we thuis!
-De hond ligt voor de deur, maar bijten doet-ie niet. Veeg je
-voeten,—d’r is pas gestoft.”
-
-Met een huivering stapten de jongens over den dooden panter. Er hing
-een doordringende bloedlucht in het hol. „Ja..... dat ’t hier lekker
-ruikt, heb ik niet gezegd”, verontschuldigde Harmen zich. „Maar droog
-is het hier! En warm!”
-
-Zwijgend zochten de anderen een zacht plekje op, stonden Dolimah de
-mooiste plaats af, het diepst in het hol.
-
-„Als er nou nog een tijger komen mocht, moet hij eerst over ons heen,
-vóór hij Dolimah kan wegslepen!” zei Hajo.
-
-Als er nog een tijger kwam.....—Met een vaag gevoel van onrust
-luisterden de jongens nog even naar den regen, daarbuiten. Hoe ver en
-vaag klonk het ruischen nu! Hierbinnen zaten ze droog; het vocht
-verdampte ook al uit hun kleeren. Daar bliksemde het weer. Door het
-paars-glanzende regenfloers zagen ze ver uit over het wijde dal. Voor
-de grot lag, als een op zijn post gestorven schildwacht, de panter. Een
-gebroken speerschacht stak uit zijn gevlekt lichaam omhoog.
-
-
-
-Buiten zong de regen eentonig voort. Het water was langs de stammen der
-boomen omlaaggevloeid, had het mos gedrenkt, en de wortels der
-woudreuzen hadden het uit alle macht ingezogen. Maar er was te veel,
-veel te veel. Op lage plaatsen vergaderde zich het water tot plassen,
-vormde beekjes, danste gulpend, spettend over de steenen, vloeide daar
-beneden in het ravijn samen, vulde een droge bedding, waarin het
-wegstroomde. Van alle zijden kwam het water toegevloeid, vormde een
-riviertje. Beekjes stortten zich uit in de bedding, die nu een
-schuimenden, sneljagenden vloed den weg wees. Het water wies en wies;
-steeds doller werd de vaart. Hier! Hier is water! Neem het op, rivier,
-het is voor jou! Hier! Hier is water in overvloed!—Van de hellingen
-komt het water, uit de zijdalen, en de regen zelf slaat ten overvloede
-nog roezend in den stroom; wel een vinger diep schieten de
-regendruppels in het bruine oppervlak; als een brandblaas bolt er een
-groote bel op; een andere druppel slaat er fel doorheen; op de bel bolt
-een nieuwe, en samen tollen ze als lustig-uitgelaten haasjes voort.
-
-Breeder wordt de stroom. Dieper. Sneller de vaart.
-
-Wat ligt daar? Een brug?! Hoe durft ze! Weg er mee!—Een paar rukken. De
-brug wordt opgenomen; de leuning slaat om in het water. Heisa! Leve het
-water! Leve de regen!—Het bliksemt. Een paar wolken rammen krakend
-opeen, breken, werpen hun waterlast omlaag. Rrrrang! daar slaat het
-neer. Golvend stuwt het water tegen de zijden der bedding op. Wat is
-dat? Een dijk? Die wil me in toom houden?!—Ga je weg, dijk?
-
-Neen!
-
-Dan zal ik je rammen! Hier, jij gaat mee, boompje! Ram dien dijk!—De
-boomstam stoot dof bonzend tegen den aarden, met bamboe versterkten
-wal.—Meer! Meer boomstammen! Balken! Planken! Steenen! Ramt den
-dijk!—De regen heeft schik in den dollen gast, kittelt hem in den rug.
-Vooruit! Galop! De regen doorweekt den grond; de wortels der
-oeverboomen glippen los onder de stuwing van den stroom; de boom slaat
-in het water neer, stuit op een anderen boom, die tegen den kant
-vastzat, bevrijdt hem rukkend en duwend, en samen drijven ze weg. Eerst
-langzaam. Dan sneller. Dan in dolle vaart. Ze tollen om, stuwen tegen
-elkaar op, over elkaar heen, rukken andere oeverboomen om.....
-
-De dijk zet zich schrap.
-
-De menschen in de dorpen worden wakker uit hun rustigen slaap, richten
-zich op hun baleh-baleh’s op. Hoor! Wat is dat voor een gekreun,
-gekraak, dat met elke minuut toeneemt, dreunend als horen-bassen het
-paukengeroffel van den regen overstemmend? Ze staan op, zoeken in
-koortsige haast hebben en houwen bijeen, drijven schreeuwend het vee
-tegen de hellingen op. Een roep gaat door het dorp, een roep, die allen
-in merg en been dringt:
-
-„Banjir!”
-
-Daar komt hij. Rukkend, wrikkend, bulderend, dat het tot in de bergen
-vernomen wordt. Daar..... bij een bocht.....! De dijk scheurt; een
-groot middenbrok wordt weggerukt; de kanten storten..... En ineens
-wordt het stil. De woede van den stroom is gebroken. Hij heeft zich uit
-zijn eigen gang, waarin een reus als hij zich niet keeren of wenden
-kon, bevrijd. Nu vloeit hij kalm en vult het heele dal.....
-
-Maar den landbouwer staan de tranen in de oogen. Wat blijft er van zijn
-sawah’s over? Zie, daar wankelt zijn huisje en drijft weg. En zijn vee,
-zoo dom als vee maar zijn kan, loopt in verwarring en radeloosheid
-recht het water in, den staart in de hoogte.
-
-En de regen valt, valt steeds maar voort in eentonigen zingzang,
-treiterend als een sater. Treiterend? Neen! Mild ruischend in het
-bewustzijn van zijn vruchtbrengende kracht. Kan hij er wat aan doen,
-dat de menschen dijkjes legden en den grond in rechte stukjes
-verdeelden, beangst dat zijn buurman iets meer zou nemen dan hem
-toekwam? Kan hij er wat aan doen, dat de menschen in huisjes gingen
-wonen, in plaats van onder den vrijen hemel, en dat ze den buffel zijn
-vrijheid namen en hem zoo dom en hulpeloos maakten, dat hij zich niet
-tijdig voor den banjir wist te redden?
-
-Dolimah werd wakker door het gebulder daar in de verte. „Banjir!”
-fluisterde ze. En gedachten aan huis vulden haar hoofdje. Angstig keek
-ze door de opening van het hol naar buiten, waar een waterige morgen
-schemerde.....
-
-
-
-Toen de jongens wakker werden, regende het nog. Joppie lag tusschen hen
-in te snurken,—scheen dus een weg te hebben gevonden. Erg mooi kon die
-weg niet zijn, te oordeelen naar het feit, dat Joppie tot achter zijn
-ooren vol modder zat.
-
-Onze vrienden kropen naar buiten om den panter te bezien. Daar, in den
-plassenden regen, lag de roover. Met den staart mee mat hij ruim twee
-ellen. Harmen’s speer was hem in de zijde gedrongen en kort bij de punt
-afgebroken. De andere speer, waarin hij was opgevangen, zat dwars door
-het lichaam, stak er achter het rechter schouderblad weer uit. De bek
-met de scherpe, hoekige tanden stond half open, was vol gestold bloed;
-de zware pooten lagen krampachtig van het lichaam gestrekt, en de
-gebroken oogen staarden den triesten hemel in, waaraan zelfs geen
-schemering van de zon te ontdekken viel.
-
-„We zullen hem maar in de diepte gooien”, stelde Hajo voor. „Dan zijn
-we hem kwijt.”
-
-„Dan zijn we hem zeker kwijt”, zei Harmen. „Daarom zullen we het dan
-ook maar niet doen. We zullen hem z’n jasje uittrekken: daar heeft ie
-maar last van, en wij kunnen zoo’n stukkie leer best gebruiken! Waar,
-Rolf?”
-
-„Al was het alleen al om op te slapen!” zei Rolf. „Daar dringt geen
-vocht door!”
-
-„Dan krijg je ook geen rimmetiek”, merkte Harmen op. „Weet je, waar ie
-ook best voor is? Om een broek uit te snijden. In dat rokkie van mij
-lijk ik wel een pias.”
-
-„Die zou je wel staan, zoo’n panter-broek”, lachte Rolf. „Kun je goed
-brullen?”
-
-Harmen brulde, dat het heele dal er van sidderde en Padde en Dolimah er
-in het hol geducht van schrokken.—„’t Is niets!” riep Rolf naar binnen,
-„Harmen krijgt het op z’n zenuwen!”
-
-Harmen staakte zijn gebrul. „Nou, we zullen mosjeu eens helpen”, zei
-hij. „Geef me je mes even, Rolf?”
-
-„Weet je, hoe je hem stroopen moet?” vroeg Rolf.
-
-Harmen nam werktuigelijk het mes, staarde Rolf met groote oogen aan.
-„’k Zal nog nooit een konijn gevild hebben!”
-
-„Ja, maar dit is geen konijn!”
-
-„Neen!” zei Harmen. „Een panter is geen konijn! Maar in ’t villen zal
-het toch wel gelijk blijven! Een rits om z’n achterpooten, een streep
-door ’t kruis.....” Grimmig trok hij den panter beide speerpunten uit
-het lichaam. „Kon ik z’n achterpooten maar ergens aan vast binden!”
-
-„We zullen hem naar boven sleepen”, zei Rolf. „Hier zou je nog met vel
-en al in het ravijn tuimelen.”
-
-Harmen gaf zwijgend toe.
-
-Toen de jongens het hol weer inkropen, maakte de lucht hen haast
-onpasselijk. „Zoodra de regen ophoudt, gaan we er uit!” zei Rolf. „Hoe
-voel jij je, Padde?”
-
-„’k Heb koppijn”, zei Padde flauw.
-
-„We hebben ook nog niet gebikt”, meende Harmen. „’k Val om van de
-honger.” Hij hakte een paar noten open, en allen—op Padde na—smulden,
-of ze veertien dagen hadden gevast. Rolf voelde Padde’s hoofd eens.
-Zijn gelaat werd zorgelijk. „Padde heeft koorts”, zei hij tot de
-anderen. „Geef me je pols eens, Padde?”
-
-Steunend reikte Padde hem de pols. „En..... wat heb ik?” vroeg hij
-angstig.
-
-Rolf moest tegen wil en dank weer glimlachen. „Ik denk, dat je kou hebt
-gevat, Padde. ’n Geluk, dat het hier ten minste warm is.” Rolf keek
-naar buiten. „Ik geloof niet, dat de regen gauw zal ophouden. Dan
-moeten we aan de lucht hier maar wennen.”
-
-„Wel ja”, zei Harmen. „Ik ruik er nou al niets meer van. Kom, Hajo, we
-gaan op wat eten uit, voor straks.”
-
-„Zullen jullie voorzichtig zijn?” vroeg Rolf.
-
-„We zullen mekaar aan ’t handje houden”, beloofde Harmen. „Neem je
-kapotte speer mee, Hajo, daar steken we wel even een nieuw eindje hout
-in. ’k Heb de mijne ook bij me.” En samen klauterden ze het paadje weer
-op.
-
-Boven aangekomen, was het eerste werk der jagers, een paar stevige
-bamboe-stengels te snijden en die in de ijzeren speerpunten te wringen.
-
-„Nu naar de kampong!” zei Harmen. „Zien wat er te graaien valt.”—En in
-den plassenden regen liepen de beide makkers het pad af naar het
-dorpje. Bij het dal gekomen, waar aan de overzijde de geelgrijze
-bamboe-huisjes met de donkerbruine daken stonden, omgeven door
-bananen-boomen met van den regen glimmend-groene bladeren, zagen de
-jongens, dat uit het beekje daar beneden een bruine, modderige rivier
-geworden was, en dat het bruggetje was weggespoeld. Ze besloten het dal
-om te loopen—trouwens de eenige manier om bij de kampong te komen—en
-baanden zich een weg langs den boschrand.
-
-Dat viel niet mee: zij verwondden zich de voeten aan wilde
-ananasplanten en schramden zich armen en borst aan de doornstruiken.
-Zoo duurde het wel een uur vóór ze bij den kokostuin kwamen. Door het
-ruischen van den regen heen klonk klagend, droefgeestig fluitspel.
-Harmen liet zich tegen de pagger vallen. „Wil je wel gelooven, dat ik
-nog geen muziek kan hooren, of ik denk aan m’n fiool?”
-
-„En ik dan?” vroeg Hajo en ging naast hem zitten. „Ik kon het ook al
-goed!”
-
-„Dat van die begraffenis kon je nog niet goed”, stelde Harmen vast.
-
-„Daar waren ook zooveel van die wipjes in!”
-
-„Dat is juist het treurige ervan”, verklaarde Harmen. „’t Heet niet
-voor niets: begraffenis! Of denk jij, dat een begraffenis zoo iets
-lolligs is? Misschien voor de lijk-anzegger,—die z’n broodje is ’t, hè?
-Maar voor de fermilie is zoo’n grapje duur genoeg! Je moet een natje en
-een droogje geven en.....” Harmen keek eens omhoog.—„Zou ik eens wat
-noten plukken?”
-
-„Harmen!! Ze zien je vast!”
-
-„’k Wou, dat ze blind waren”, zei Harmen. „Nou, misschien liggen er op
-de grond wat noten!” Harmen wipte op de schutting, maar liet zich weer
-neerploffen. „Er komt juist zoo’n nikker de tuin in!” fluisterde hij.
-
-Hajo gluurde door de omheining. „’t Is een jongetje! Hij is alleen.”
-
-„Zoo. Zouden ze het hooren in ’t dorp, als ’t mormel gaat gillen?”
-vroeg Harmen.
-
-„Wat wou je dan doen?!”
-
-„Niks. ’k Ga eens met hem praten.” En met een fermen sprong was Harmen
-de pagger over.
-
-Tegen Harmen’s verwachting in, begon het joggie niet te gillen. Het
-kereltje drukte zich met beide handjes tegen de pagger aan de
-overzijde, werd vaalbleek in het kleine, bruine gezichtje en maakte van
-zijn oogen rijksdaalders.
-
-„Tabeh!” zei Harmen. „Haal me eens als de weerlicht een paar noten!
-Makan! Daar!” En Harmen wees in de boomen en daarna op zijn maag. Het
-kereltje begreep. Bevend over al zijn leden, maar rap als een
-eekhorentje vloog het tegen een stam op, rustte halverwege even om zijn
-angst uit te hijgen en klauterde weer verder, de voetzolen plat tegen
-den bast. Kijk, nu zat hij boven, leek zelf wel een kokosnoot.
-
-De eerste vrucht tuimelde omlaag. „Goedzoo”, prees Harmen. „Vang ze
-maar op, Hajo en verberg ze tusschen de struiken. Later halen we wel op
-wat we nou niet kunnen dragen.” En hij begon de noten over de pagger te
-gooien.
-
-De boom, dien het ventje zich had uitgezocht, leverde ruim een dozijn
-noten op. Toen er onder de kruin niets meer te ontdekken viel, kwam het
-manneke aarzelend weer omlaag, en Harmen had slechts even te knikken,
-of de ijverige plukker wipte alweer een anderen boom in. „Dat mag ik
-zien”, zei Harmen. „Vang je, Hajo?”
-
-Hajo verborg de noten in een boschje. Toen er drie boomen kaalgeplukt
-stonden als lange, magere Lijzen, en het kereltje een vierden boom
-inschoot, vond Harmen het welletjes en wipte weer over de pagger. „Waar
-liggen ze, Hajo? Goed zoo, daar zal geen mensch ze vinden.”
-
-De noten vielen nog smakkend neer. „Hij zal de heele tuin leegplukken!”
-grinnikte Harmen. „’t Is een handig mormel, hoor, hij verstond me ook
-direkt. Kom, we nemen een paar noten onder de arm!”
-
-Een paar uur later kwamen ze weer op het plateau. Toen ze weer omlaag
-wilden springen, viel plots hun oog op..... een touwladder! „Daar hangt
-een valreep!” stotterde Harmen.
-
-„Hallo!” klonk het van omlaag. Rolf stond in den ingang der grot.
-
-„Hoe komt dat ding daar, Rolf??”
-
-„Bevalt ie jullie?”
-
-„Heb jij ’m gemaakt?!” stamelde Harmen vol eerbied. „Da’s nog eens
-werk! Hoe heb je ’m in mekaar geflanst?”
-
-„Dat zie je”, zei Rolf. „Stukjes bamboe, met rotan verbonden. Met die
-stok halen we de ladder ’s avonds binnen, dan valt geen mensch ons
-lastig.—Waar hebben jullie die noten vandaan?”
-
-„Heb ik voor me laten plukken”, grinnikte Harmen. „Waar of niet, Hajo?”
-En samen vertelden ze het avontuur.
-
-„Jij bent brutaal als de beul, Harmen!” zei Rolf. „Vandaag of morgen
-vlieg je er in.”
-
-Harmen trok een leep gezicht. „’t Is met Harremen als met een vlooi!
-Kom je d’r aan—wip! zegt ie. En de beet heb je te pakken!”
-
-„Hoe is het met Padde?” vroeg Hajo.
-
-Rolfs gelaat betrok. „Hij ijlt. Dolimah zoekt kruiden. Misschien helpen
-die.”
-
-Zwijgend, plots weer bedrukt, ging de jongens het hol binnen.
-
-De regen ruischte.
-
-
-
-
-
-
-
-
-SI-KAMPRET
-
-
-’s Middags togen de jongens aan het werk met den panter. Ze sloegen hem
-een paar dunne rotanstengels om de pooten en heschen het dier met hun
-drieën omhoog. Een vrachtje!
-
-En nu begon Harmen zijn vilders-werk. Na een half uur hijgen, mopperen
-en trekken, vloog hij met huid en al tegen den grond, en de panter hing
-naakt, met puilende oogen, te schommelen. „Mooier ben je er niet op
-geworden!” zei Harmen, terwijl hij overeind krabbelde en zijn zitvlak
-wreef. Hij sleepte het gevilde dier naar den rand van het ravijn en
-liet het in de diepte tuimelen. De panter buitelde potsierlijk over de
-steenen, gleed een oogenblik over een met varens begroeid stuk helling
-en sloeg weer over den kop, tot het ten slotte ergens hangen bleef.
-
-Harmen had het dier in zijn val nageoogd. Hij wendde zich nu om en
-zocht een verborgen plek tusschen de struiken, waar hij de huid
-uitspande, de binnenzijde boven. „Ziezoo”, prevelde Harmen, „laat nu
-het zonnetje maar schijnen.”
-
-Doch daar leek het nog weinig op! Altijd maar door dreven uit het
-Westen zware, grauwe wolken aan, schoven de vage randen ineen, werden
-in die samenvoeging groeterig zwart, stortten hun waterlast uit en
-vloeiden weer uiteen, dat er een lichte plek door schemerde, die de
-rest van den hemel nog triester en hopeloozer schijnen deed. De bergen
-in het Oosten, die bij zonsopgangen zoo heerlijk blauw konden afsteken
-tegen het goud van den hemel, of ’s avonds, wanneer de zon in zee
-wegzonk, rood te gloeien stonden tegen het paars van den komenden
-nacht, scholen nu achter het regengordijn. Als er een paar wolken
-braken en een blik op de bergen doorlieten, rezen de pieken zoo
-dreigend zwart op, dat hun aanblik beklemde.
-
-Harmen dwaalde op zijn eentje nog wat rond, vond niets van zijn gading.
-Met een grooten doren in zijn voet, dien hij er pas na lang peuteren
-met zijn zakmes weer uitkreeg, daalde hij den „valreep” af.
-
-In het hol was het al donker. Padde lag te ijlen en gaf zijn vrienden
-nergens antwoord op. Hoewel niemand er iets van verwachtte, trachtten
-ze vuur te maken met wat hout en kokos vezels, die ze in het hol te
-drogen hadden gelegd. Maar het was nog te vochtig. Toen gingen de
-jongens voor den ingang zitten, staarden zwijgend over het ravijn.
-
-Uit de diepte steeg de schemering op, kroop al over den rand aan de
-overzijde, die zich daareven nog scherp tegen de lucht afteekende,—nu
-er langzaam mee samenvloeide, zoodat de knapen tegen een hoogen,
-grauwen wand opkeken. Steeds dichter kwam de grauwe wand; er zat in die
-langzame nadering iets beklemmends. Nu konden ze nog twintig ellen voor
-zich uit zien, nu nog vijftien, nog twaalf, nog tien..... ’t Was net of
-je moeilijker ademde.....
-
-Een groote raaf werkte zich met loomen wiekslag door de duisternis,
-gleed laag over de hoofden der jongens voort en kraste. Toen schoof hij
-weg in den grauwen wand. Net een lijk-aanzegger, vond Harmen.
-
-Achter, in de duisternis van het hol, zat Dolimah bij Padde. Het
-hoofdje naar hem toegebogen, vertelde ze een oud sprookje van den regen
-en den rijstkorrel. Onder den invloed van haar zacht, zangerig
-stemmetje kalmeerde Padde en sliep in.
-
-
-
-Den volgenden dag regen, regen, regen.
-
-Rolf zocht samen met Dolimah in de buurt naar wat kruiden.
-
-„Ziet u dit plantje?” vroeg Dolimah. „Als je daar de stengels van eet,
-word je sterk! Het is de sidagori lelaki. En dat daar is de daoen
-tidoer-tidoeran! Als je niet slapen kunt, moet je daarvan een takje
-onder je hoofd leggen.—Maar ik ken maar weinig medicijnen. De doekoen
-kent ze allemaal! En de doekoen kan ook de booze geesten op de vlucht
-jagen.”
-
-Rolf luisterde met beide ooren. Van alles wat Dolimah vertelde, ging
-voor hem een groote bekoring uit.
-
-Harmen verveelde zich in het hol, trok er ’s middags met Hajo op uit.
-Ze volgden het pad nu eens in de andere richting, kwamen aan een
-zijweggetje. Harmen waadde het een eind in, hield stil en staarde
-aandachtig naar een plek grond, die boven het water uitstak.
-
-Hajo kwam er bij. In de bruine modder stonden diepe voetsporen geprent
-van een tweehoevig dier. „Zou het een hert zijn, Harmen?”
-
-„Wat dacht je dan?” vroeg Harmen. „Een duizendpoot?—Alsjeblieft!” En
-hij liet Hajo een bosje zijig haar zien, dat aan een doornstruik hing.
-„Dit is herte-haar en niets anders.”
-
-„Zeg, Harmen, zouden we het niet kunnen vangen?”
-
-„Daar zal ik nou eens over prakkizeeren”, zei Harmen, in diepe
-gedachten.
-
-Langzaam slenterden de jongens weer terug. Vóór ze de ladder afdaalden,
-sneed Harmen een paar dunne rotans af.
-
-De stemming in het hol was dien avond verre van rooskleurig. Padde’s
-voorhoofd en polsen bonsden koortsig; zijn adem was kort en hijgend.
-Rolf en Hajo staarden triest naar buiten in de grauwe regensluiers.
-Zelfs Joppie zat met een droevige uitdrukking in zijn glanzende
-honde-oogen aan den ingang van het hol, huiverde toen en ging naar
-binnen, waar hij zich met een diepen zucht neervleide, den kop onder
-Padde’s kin. Dolimah wreef op een platten steen wat kruiden tot een
-papje en legde dat den zieke op de borst. Harmen was de eenige, die er
-de vroolijkheid inhield en, tevreden neuriënd, weinig merkend van de
-trieste stemming der anderen, uit zijn rotanstengels een paar strikken
-vlocht.
-
-„Wat wil je strikken?” vroeg Rolf.
-
-„Kleine-kindervraag”, zei Harmen met een knipoogje naar Hajo: om er
-zijn mond over te houden.
-
-Rolf zweeg, ietwat geprikkeld.
-
-„Je zult het wel zien”, begon Harmen een paar minuten later.
-
-„Niets nieuwsgierig”, stelde Rolf hem gerust.
-
-Harmen gromde wat. Maar even later begon hij weer zachtjes te zingen.
-„Daar waren drie matroosjes.....”
-
-Het werd Hajo week om het hart bij die vaderlandsche wijsjes. En toen
-Harmen weer een strik klaar had, vol zelfvoldoening voor zich uithield
-en zei: „Steek er je kop eens door, Hajo, dan kan ik zien, of ie goed
-aantrekt!” kon Hajo geen antwoord geven. Hij stond op en ging naar
-Padde. „Padde.... Slaap je?”
-
-„Hajo!” snikte Padde. „Ik ben zoo ziek, Hajo......”
-
-Hajo ademde diep. „Flink zijn, Padde! Als de zon weer schijnt.....”
-
-„Die zie ik niet meer”, snikte Padde.
-
-„Stil toch!”—Hajo legde zich neer en sliep in. Maar in zijn slaap
-vloeiden de tranen hem over de wangen.
-
-Alom zong de regen. Soms scheen het ruischen iets minder te worden,
-ging in tikken over. Maar dan sloeg het water weer feller neer, en de
-hoop, dat morgen eindelijk de zon weer stralend aan de kim zou rijzen,
-werd, nauw ontkiemd, alweer vernietigd.—Allen legden zich nu te rusten.
-Maar midden in den nacht sprong Harmen overeind en wierp zijn kapmes
-naar een glinsterend ding, dat sissend, kronkelend over den grond, een
-goed heenkomen zocht. Joppie vloog, de haren steil overeind, tegen den
-achterwand.
-
-Een slang was het hol ingeslopen.
-
-
-
-Vermoeid stonden de jongens den volgenden morgen weer op: geen van
-allen had na de ontdekking van de nachtelijke bezoekster nog erg rustig
-geslapen. „Ja, die slang zocht hier natuurlijk de warmte”, zei Rolf.
-„Wat zou er tegen te doen zijn?”
-
-„Doodslaan”, stelde Harmen voor. „Dan krijgen ze de aardigheid er wel
-af.”
-
-De anderen keken bezorgd voor zich uit.
-
-Na een pover ontbijt van kokosnoten, gingen de jongens er weer op uit.
-Rolf wilde wat knollen en vruchten en eetbare wortels zoeken, en Hajo
-zou Harmen vergezellen bij het zetten van zijn strikken. Bij het
-zijweggetje gekomen, slaakte Harmen een kreet van verrassing. „Hij is
-er weer geweest! Kijk maar!” En Harmen wees op hoefsporen, die nog niet
-eens geheel vol water waren geloopen. „Geen minuut geleden is ie hier
-langs gekomen! Had ik m’n strikken maar een kwartiertje vroeger
-uitgezet,—dan zat ie er nou al in!”
-
-„Jammer!” zuchtte Hajo. „Hoe dacht je de strikken te hangen?”
-
-„Een voet of vijf van de grond”, zei Harmen. „Dan moet ie zelf weten of
-ie er in wil loopen!” En Harmen volbracht zijn strooperswerk met een
-vaardigheid, die vermoeden deed, dat hij dergelijke zaken al eens
-eerder had opgeknapt. „Ziezoo”, zei hij tevreden, „nou leg ik hier
-beneden ook nog een strikje, dan kan ie daar in trappen, als ie er
-aardigheid in heeft!”
-
-„Als ik zoo strikken zet”, begon Harmen in gedachten, terwijl de
-jongens weer terugslenterden, „dan moet ik ineens weer denken aan m’n
-strikkies achter de dijk bij Hoorn. Eenmaal had ik er zeven op een dag!
-’k Zal ’t nooit vergeten: ’t was herfst 1616, de zevende van
-Slachtmaand,—zeg nou eens, dat zeven geen geluksgetal is. Zeven vette
-konijnen, en Harremen centen op zak! De volgende dag een haas van
-twaalf pond, die had zich meteen doodgeloopen! Ja, je moet de loopjes
-kennen, hè? Een ander zet ook strikken en vangt er nog geen pier in!
-Lange Lijs heeft me eens een strikkie gelicht! De haas er keurig
-uitgelicht en ’t strikkie weer netjes recht gezet. Jawel! Goeie
-morrege! Op tien pas zei ik al: daar heeft me die uitgerokken
-pijpesteel van een Lijs met z’n wrattige gapjatten aangezeten! De heele
-grond onder de wol, en ’t strikkie netjes open, ja, Harmen is
-gaargestoofd! Ik heb hem zijn oogen dichtgeslagen en hem laten betalen
-voor een haas van twaalf en een half pond. Later zei Roeffie, dat hij
-m’n strik gelicht had. „Nou”, zei ik, „die uitgezemelde Lijs kan zoo’n
-pak op z’n falie toch best gebruiken, dan weet ie wat ie krijgt, als ie
-eens trek mocht hebben met z’n mottige fikken aan mijn strikkies te
-komen!” Van Roeffie kun je wat velen, nietwaar, maar als ik dat
-platgemangelde tronie van Lijs maar zie, word ik al kriebelig. Laatst
-ging ie met visschen vlak naast me liggen. „Ga je weg, hoepelstok!!”
-zeg ik. En hij smeert hem. Haalt ie me aan het andere eind van de sloot
-niet de snoek op, waar ik op lag te loeren?!—Nou, ik kom zoo eens
-achter hem staan. „Mooi snoekkie heb je daar!” zeg ik. „Nou!” zegt die
-kaaswurm. Meteen geef ik hem een douw, dat ie de sloot invliegt. „Dat
-heb jij gedaan!” zegt ie woest. „Kan ik me niet herinneren”, zeg ik.
-„Lijs, moet jij nou nog leeren, dat je met visschen niet naast een
-ander gaat liggen?”—„’k Lig toch immers ook niet naast je?” vraagt de
-slampamper. „Nee, nou niet”, zei ik, „maar die snoek heb je eerst bij
-mij weggehaald.”—„Bewijs dat eens”, zegt die lintwurm. „Dat hoef ik
-niet te bewijzen”, zeg ik, „zoo’n visch zwemt achter jou aan, omdat jij
-net zulke vissche-oogen hebt! Geef hier m’n snoek! En als je nog
-praatjes maakt, is het ineens uit met de vrindschap, begrepen?”—Nou,
-toen smeerde ie ’m, de zandlooper!”
-
-De jongens waren weer op het plateau aangeland. Rolf kwam hen tegemoet.
-„Heb jullie Dolimah gezien?”
-
-De verbaasde gezichten der twee anderen maakten elk antwoord overbodig.
-
-„Begrijp ik niets van”, zei Rolf. „Daareven kwam ik terug en vond Padde
-alleen. Misschien is ze wel weer op kruiden uit, maar dan snap ik niet,
-waarom ze me niet even heeft gewaarschuwd. Ik was hier toch in de
-buurt.....”
-
-
-
-Zwijgend, de handen om de knieën, zaten de jongens den ganschen middag
-voor in het hol en staarden naar buiten. Zou Dolimah hen werkelijk
-verlaten hebben? Dat zou vreeselijk zijn. Vol weemoed dachten ze aan
-Dolimah’s zangerig stemmetje, aan haar fijn kopje met de groote,
-glanzende oogen.....
-
-Na elk uur zakte hun moed. Dolimah was weg en daarmee alles wat hun in
-dit land nog lief was. Waren ze maar weer aan het strand! De zee kenden
-ze! Ze zouden in een prauw stappen en weg varen. Waarheen? Het deed er
-niet toe, maar weg, weg van dit land!
-
-Ineens.....! Wie was daar? De jongens vlogen naar buiten. Dolimah!
-Dolimah!!—En wien had ze bij zich? Daar stond een kereltje,—tenger, met
-groote, uitstaande ooren. In zijn wijd-opengesperde oogen lag namelooze
-verbazing uitgedrukt, toen hij de jongens zag. Hij maakte een beweging
-van het op een loopen te willen zetten.
-
-„Ikoet sadjah, Saleiman”, zei Dolimah.
-
-„Eh-eh, mari”, viel Rolf haar bij. „Djangan takoet..... Wees niet
-bang.”
-
-Het bruine kereltje, dat den trotschen naam: Saleiman voerde, aarzelde,
-snoof zoo er eens en daalde toen omzichtig, na zijn sarong naar binnen
-te hebben geslagen, het laddertje af.
-
-Mooi was Saleiman niet: zijn armen en beenen waren schraal en als uit
-donker hout gehakt, en zijn knieën en ellebogen schenen wel dikke
-knoesten in dat hout. Ook zijn ruggetje was hoekig en bottig, en voor
-de rest zat Saleiman van top tot teen vol litteekens.
-
-Rolf keek Dolimah met vragenden blik aan.
-
-„Saleiman is met me meegekomen om vuur te maken”, zei het meisje.
-
-De kleine, broodmagere vuurgod wrong bedeesd een paar houtjes uit zijn
-sarong en staarde Rolf met zijn groote kijkers allesbehalve gerust aan.
-
-De knapen bezagen het manneke nu plots met heel andere oogen en knikten
-hem vriendelijk toe. Alleen Joppie gromde wantrouwend tegen den
-bezoeker,—welk wantrouwen nog aangroeide toen hij Saleiman berook en
-deze hem met zijn mager, knokig been een schop toedeelde, die lang niet
-mis was en waarop Joppie bij zoo’n ventje niet gerekend had. Saleiman
-had het trouwens als vanzelf sprekend gedaan, zonder er een blik aan te
-verspillen, en de oogen, waarmee hij nog even schuchter als te voren
-Rolf in het gelaat keek, hadden zelfs niet geknipt.
-
-„En Saleiman heeft me beloofd, ons wat eten te brengen, niet waar,
-Saleiman?” vroeg Dolimah.
-
-„Eh-eh”, bevestigde Saleiman.
-
-„Nu, begin dan maar”, zei Dolimah.
-
-„Eh-eh.”—Saleiman bukte zich over de kokosvezels, die de jongens den
-vorigen dag nog vergeefs getracht hadden te doen ontvlammen, en begon
-te wrijven. Zijn neus raakte daarbij zoowat den grond en zijn al even
-mager en bottig zitvlak stak fier omhoog.
-
-Na een paar minuten hard werken begon Saleiman te blazen,—er waren dus
-vonken. „’k Zal helpen blazen!” riep Harmen en bukte zich naast
-Saleiman. Saleiman stokte; een seconde lang keken Saleiman en Harmen
-elkaar zwijgend in de oogen. Toen ging de eerste haastig weer door met
-wrijven. Daar sprongen de vonkjes ook al weer; Saleiman en Harmen
-bliezen elkaar bijkans weg, maar..... een vlammetje lekte uit de
-kokosvezels op! Blazen, jongens! Nog een stukje droge kokosbast er op;
-een wolkje blauwe rook steeg op tusschen de hoofden der blazers en
-bleef er als een zegekrans om hangen..... Er was vuur!
-
-De jongens keken er naar, alsof ze een schat hadden gevonden. Hè, wat
-een vroolijkheid brachten die oolijke vlammetjes op eens! Hou er je
-hand eens boven! Lekker warm, hè? Het hol was nu in eens tot in den
-versten hoek verlicht.
-
-„Dank je wel, Saleiman!”
-
-Uit deze woorden maakte Saleiman op, dat hij nu gerust kon opstappen.
-Hij stak de houtjes weer in zijn sarong, sloeg zijn gebatikt
-kleedingstuk naar binnen en klauterde het laddertje op.
-
-„Kom je morgen terug, Saleiman?” vroeg Dolimah.
-
-„Eh-eh”, beloofde Saleiman. En, na nog een schuwen blik naar achteren
-te hebben geworpen, spoedde hij zich in den plassenden regen voort.
-
-„Hoe kwam je dááraan??” vroeg Rolf aan Dolimah.
-
-Het meisje glimlachte. „Hij was met zijn vriendjes aan het spelen. Toen
-heb ik hem gevraagd, even met mij mee te gaan om vuur te maken. Ze
-zullen er allemaal over zwijgen.—Weet u hoe ze hem noemen?”
-
-„Saleiman heet hij toch?” vroeg Rolf.
-
-„Ja, maar ze noemen hem: Si-Kampret! De Vleermuis! Omdat hij zulke
-groote ooren heeft, net als een vleermuis. Maar dat wil hij natuurlijk
-niet hooren! „Hoe heet je?” vroeg ik hem. „Si-Kampret!” riepen de
-anderen. Maar hij zelf zei: „Saleiman.” Toen deed ik net, of ik de
-anderen niet hoorde.—Ja..... voor een meisje wil hij natuurlijk flink
-zijn!”
-
-„Eh-eh”, zei Rolf.
-
-En Dolimah lachte.
-
-
-
-
-
-
-
-
-SALEIMAN EN ZIJN FLUIT
-
-
-De jongens werden door een soort vuur-koorts bevangen: ze sleepten
-zooveel hout bijeen, als moest er een brandstapel worden opgericht. En
-toen in den ingang het vuur hoog oplaaide, gingen ze dieper in het hol
-gezelsen. Hè, hoe veilig voelde je je achter dien wand van vuur! Ook
-Padde werd door de behagelijke warmte verkwikt. Hijgend lag hij te
-staren naar de spookachtige schimmen tegen den achterwand van het hol.
-
-Dolimah keek droomend in de vlammen. Toen opeens begon ze weer te
-vertellen, en de jongens luisterden er naar zooals ze naar muziek
-zouden hebben geluisterd. „Behalve in de bergen, was er vroeger op de
-aarde geen vuur. De menschen wisten niet, hoe het op te wekken en
-kenden er de macht niet van. Nu was er eens een arme man, die zoo vroom
-leefde, dat de geesten medelijden met hem kregen. Hij sliep altijd op
-de steenen en offerde zijn laatste bete. Nu zeiden de geesten tot hem:
-„Omdat je zoo vroom bent geweest, zullen we je tot den rijksten van
-alle menschen maken. Wij zullen je het vuur geven.”—„Het vuur?” vroeg
-de vrome man verbaasd, „wat is dat?”—„Dat zul je wel zien”, antwoordden
-de geesten. „Je hebt niets anders te doen dan twee stukjes bamboe tegen
-elkaar te tikken—en er deze tooverspreuk bij te zeggen.” En de geesten
-noemden de tooverspreuk.—Nu, toen de man twee bamboetjes tegen elkaar
-getikt had en de spreuk had gezegd, vlogen de stokjes in brand. „Nu zie
-je wat vuur is”, zeiden de geesten. „Wend het ten goede aan: bereid er
-je eten mee en steek het aan wanneer de duisternis invalt,—dan vluchten
-de kwade gedachten.”—Verheugd keek de vrome man naar de vlam, die uit
-het hout opsloeg. „Hoe warm is hij! En hoe vroolijk! Kom, ik wil dit
-aan alle menschen laten zien!” En hij ijlde naar zijn kampong. Maar
-onderweg kwam hij zijn buurman tegen. Die was rijk en wilde hem, den
-arme, nauwelijks zien.—„Goeden dag, Dajik!” wenschte de vrome man hem
-toe. Maar de rijke antwoordde niet en ging zonder groeten voorbij.—Dat
-verbitterde den arme. En nu kwam hij op een booze gedachte. „Als deze
-bamboe branden wil”,—zoo dacht hij, „dan zal het huis van mijn rijken,
-trotschen buurman ook wel willen branden! Ik zal de vlam onder het
-atapen-dak houden.” En hij ijlde naar het groote, mooie huis van Dajik.
-Daar aangekomen, tikte hij haastig de bamboetjes tegen elkaar,.....
-maar ditmaal kwam er geen vuur.....! „Dat is waar ook”, dacht hij, „ik
-moet eerst de spreuk zeggen! Hoe luidt ze nog maar weer? Bismillah.....
-Was het niet: Bismillah..... en dan?” Hoe hij ook dacht, hij kon niet
-weer op de juiste woorden komen. „Dat is de straf voor mijn booze
-gedachten!” zei hij tot zichzelf. „Nu hebben de geesten mij de spreuk
-weer afgenomen, en ik ben even arm als voorheen.—Maar Dajik zal óók
-weten wat armoede beduidt! Ik wil vuur maken!” En hij begon het hout te
-wrijven, te wrijven.....! „Het wordt al warm!” dacht hij na een poos,
-„het vuur is stellig niet ver meer weg! Nu is het hout al zoo heet, dat
-ik het nauwelijks nog kan vasthouden. Hu! dat is werken! Ik ben nu al
-zoo moe, alsof ik den heelen dag gespit heb in mijn kleinen akker.
-Wacht..... daar is het vuur!”—Toen vloog een vonk uit de bamboe op zijn
-sarong; de sarong vatte vuur.....! En de man verbrandde.....—Maar de
-rijke had uit zijn venster gezien hoe de arme het vuur verkregen had.
-En hij beval zijn dienaar bamboe te wrijven tot er een vlam uitsloeg.
-Zoo leerden de menschen het geheim kennen. Maar de spreuk kent
-niemand.....”
-
-Dolimah had uitverteld.
-
-Het werd stil in het hol, nu Dolimah’s zoetvloeiend stemmetje
-verstierf. Harmen gooide nog flink wat hout op het vuur; het knapte en
-knetterde geducht; de vlammen lekten tot den bovenwand van het hol.
-Daarbinnen smoorde je van de warmte.
-
-„Toch lekker!” vonden de jongens. En weer wat hoopvoller, sliepen ze
-in.
-
-
-
-Den volgenden dag regende het bij vlagen. Maar de lucht bleef nog zoo
-grijs als een rattevel. Al vroeg in den morgen verscheen Saleiman met
-zijn vleermuisooren boven aan het laddertje.
-
-„Ben je daar al, Saleiman? Kom maar hier!” noodigde Dolimah uit.
-
-Saleiman toonde zijn schatten. Het waren: een gescheurde steenen pot,
-een klomp gekookte rijst in een pisangblad gevouwen, wat kruiden en een
-paar bananen.
-
-„Wat lief van je, Saleiman!” prees Dolimah hem. „Kom je morgen weer
-terug?”
-
-„Eh-eh”, beloofde Saleiman.
-
-„Heb je daar een soeling (inlandsche fluit uit bamboe) bij je?”
-
-Saleiman knikte.
-
-„Kun je er ook op spelen?”
-
-Instemmende hoofdknik van Saleiman.
-
-„Fluit er dan eens op?”
-
-Saleiman aarzelt, peutert in zijn neus.
-
-„Durf je niet?”
-
-Saleiman kleurt, wendt zich af en kijkt naar de lucht.
-
-„Durf je vanavond voor me te spelen, als het donker is?”
-
-„Eh-eh”, klinkt het uit Saleimans mond. En Saleiman gaat het laddertje
-weer op, de sarong netjes tusschen de beenen. Daar steekt zijn bol
-boven het plateau uit,—een bos rommelig haar op een schraal halsje. Ter
-zijde twee flap-ooren. Ze zijn doorzichtig.
-
-
-
-Harmen en Hajo begaven zich dien morgen vol verwachting naar hun
-strikken, en de teleurstelling was groot, toen er niets bleek te zijn
-ingeloopen.
-
-Toen ze in het hol terugkeerden, vonden ze Dolimah bezig te braden. Ze
-had uit vastgestampte aarde een fornuisje gemaakt, dat door het vuurtje
-daarbinnen allengs tot steen gebakken werd; daarop had ze den steenen
-pot geplaatst, waarmee Saleiman den grondslag voor het huisraad der
-zwervers had gelegd. Zoo kookte ze een soort soepje van allerlei
-kruiden, gooide er de rijst in, die nu groen-geel van kleur werd, sneed
-er een paar schijfjes banaan in en zette Padde het heele zaakje voor
-zijn neus.
-
-Maar de arme jongen kon er niets van binnenkrijgen.
-
-„Padde dan toch!” zei Hajo. „’t Ruikt zoo fijn! Jij doet maar niets dan
-drinken en je moet toch ook wat eten!”
-
-Padde greep Hajo’s hand. „Hajo.....!” En hij begon krampachtig te
-snikken. „Ik weet het wel: jullie wilt verder, en je moet om mij hier
-blijven.... ’k Wou, dat ik maar dood ging, Hajo,—dan konden jullie.....
-dan konden jullie.....” De tranen versmoorden Padde’s stem. „Jullie
-zijn allemaal zooveel sterker dan ik, jullie hebt meer fut; ik ben
-lastig voor jullie; ik ben jou ook altijd tot last geweest.....”
-
-„Wat een onzin, Padde!” gromde Hajo, wien de tranen nu ook in de keel
-schoten. „Jij bent niemand tot last en mij vast en zeker niet! Hoe vaak
-zijn we samen geen appelen gaan rapen in ’t Sinte Klarens? En denk je,
-dat ik maar half zoo’n lol zou hebben gehad, als jij niet bij me was
-geweest?”
-
-Padde kuste Hajo’s hand. „Hajo! Ja, dat is het hem ook: in dit land, in
-dit vreeselijke land hoor ik niet thuis. In Hoorn, daar moet ik wezen!
-Daar kan ik misschien nog wat verdienen voor m’n moeder en m’n zusjes
-en broertjes. Als m’n oom me nog wil hebben voor de bierbrouwerij.....
-’k Had ook zoo gehoopt wat geld mee naar huis te brengen, en nou is
-alles de lucht in.....”
-
-„Welneen, Padde!” zei Hajo. „Op de terugweg verdienen we wel weer geld,
-dan komen we toch niet platzak thuis. Als we maar eerst in Bantem zijn!
-Als Dolimah zoo aan het vertellen is, is het net, of we hier nooit weg
-zullen komen; dan wordt alles zoo groot, en je voelt je-zelf zoo klein
-en zoo vreemd in dit land..... Maar wij, Padde, wij verlaten mekaar
-niet, hoor! Samen uit, samen thuis!”
-
-„Hajo”, snikte Padde, „zooals jij is er maar één! Dat heb ik altijd
-gezegd, als die lamzakken wat op je aan te merken hadden. Lange Leen
-heb ik op z’n gezicht getimmerd!”
-
-„Nou, heb je nou weer wat moed?”
-
-„Ja, hoor!” zei Padde. „Wij komen er wel weer, hè?”
-
-„Wees daar maar gerust op!”
-
-
-
-Tegen de schemering kwam Saleiman weer. Ditmaal had hij nog meer weten
-te kapen: een paar eieren, nog een steenen potje, drie gedroogde
-visschen en acht maïskolven.
-
-„Doe het niet weer, Saleiman”, zei Dolimah. „Ik wil niet, dat ze het
-merken en je een dief noemen.”
-
-Saleiman keek beschaamd een anderen kant uit.
-
-„Heb je je soeling weer bij je?”
-
-„Eh-eh.”
-
-„Speel dan wat voor mij, wil je?”
-
-Saleiman knikte, hurkte omzichtig neer en haalde zijn fluit voor den
-dag. Het was een hol stuk bamboe met gaatjes er in gebrand; het
-mondstuk was gevormd door een der schotjes uit de bamboe, waarin een
-smalle spleet was gesneden. Saleiman keek schuchter om naar de jongens,
-die verbaasd wachtten op wat komen ging.
-
-„Ja, speel maar, Saleiman”, zei Rolf vriendelijk, de anderen manend te
-gaan zitten. Saleiman aarzelde nog even, snoof, keek in de grijze lucht
-en zette toen gewichtig, vol ernst de fluit aan zijn vooruitgestoken
-lippen.
-
-Daar kwam, als een verre roep van een nachtvogel, een langgerekte,
-nasale toon uit het instrument. Op den toon volgde een iets hoogere,
-even langgerekt en droefgeestig. Toen zonk de fluit weer even terug op
-den eersten toon, ging weer omhoog, liep met een weeken stap over den
-tweeden heen en zong den derden geheimzinnig uit, met een korten zucht
-na. Toen weer de diepte in, lang en klagend. En zoo geleidelijk weer
-omhoog met statige passen. In eens..... tiereliet! tiereliet!
-tiereliet! heel in de hoogte en verschrikkelijk valsch. Toch weer niet
-valsch..... kan een vogel valsch zingen, ook al schettert hij nog zoo
-hoog? Saleimans gezicht stond ernstig. Als bleeke stralen tooverde hij
-nu teedere roepen uit den nevel en..... hoor! een wijsje, zacht
-wiegend, vleiend..... een wijsje, maar toch zou geen der jongens het
-kunnen nafluiten. Zoo vlug liepen de tonen achter elkaar aan, dat je er
-geen van grijpen kon,—ze deden ook zoo nevelig aan en verstomden meteen
-weer. Toen een lange, droeve triller, een oolijk loopje omlaag en weer
-een doffe, eindelooze toon, waarin een trilling sidderde als een
-lichtveeg op een nachtelijk meer..... Saleiman hield op.
-
-„Was dat de maan?” vroeg Dolimah.
-
-„Eh-eh.” Saleiman keek peinzend in de regenlucht, waar zich allengs de
-nacht ging spinnen.
-
-„Kun je het beekje ook nafluiten?”
-
-„Eh-eh.”
-
-„En de krokodil? En de slang? Doe de slang eens na?”
-
-De kleine kunstenaar dacht even, bracht toen de fluit weer aan de
-lippen.
-
-Hoor! Daar komt de slang! Den platten kop opgericht, lispelend met de
-tong! Langzaam, met onverwachte, listige wendingen schuifelen de noten
-voort; Saleiman beweegt in de maat zijn mager ruggetje heen en weer.—De
-slang houdt stil. Lispelt even met het fijne, ingesneden tongetje, gaat
-nog een eindje voort, wendt een paar maal spiedend den kop, kronkelt
-dan langzaam ineen.....
-
-„Daarmee kun je de slangen lokken, niet waar, Saleiman?” vraagt
-Dolimah.
-
-„Eh-eh.”
-
-„Maak nu het vuur eens?”
-
-Saleiman richt zijn oogen in het vuur, brengt de fluit aan zijn lippen
-en..... hoor! daar dansen de vlammetjes al. Een windvlaag strijkt als
-een moede vogel in het ravijn neer, roert zich nog een weinig, doet de
-vlammen wat hooger oplaaien. De fluit volgt. Nu is het weer stil; de
-vlammen worden kalm. De fluit volgt.—En dan gaat Saleiman fantaseeren.
-Hij houdt zijn oogen star in het vuur gericht; zij puilen naar voren,
-en het oogwit blinkt uit het bruine gelaat op, dat van inspanning
-donkerder wordt. Saleiman toovert een woesten brand. Roode vlammen
-komen diep van onderen op, laaien omhoog, worden hel-geel en eindigen
-in een lange, kronkelende punt. Hoei.....! Hoei.....!
-Hoei.....!—Eindelijk houdt Saleiman op, hijgt, een triumfantelijken
-glimlach om de lippen. Dan, plots, slikt hij iets weg, kijkt schuchter
-naar zijn fluit.
-
-„Nu de twee vogels!” zegt Dolimah. „Ken je de twee vogels ook?”
-
-„Eh-eh.”
-
-Hoor! daar zingt de eene vogel al! Omlaag, omhoog, een kristalheldere
-triller, een lange, lokkende roep..... Er gaat een betoovering uit van
-dit magere, leelijke joggie met zijn flap-ooren en zijn litteekens.—Nu
-de andere vogel! Ojé, die wil den eersten nadoen..... maar het lukt
-niet! Hij krabbelt van de eene noot naar de andere, zwelt van
-eigenliefde als de triller hem zoowat gelukt, maakt er nog een fraai
-haaltje aan. Dan de lokroep aan het slot: schor en onzeker.
-
-Dolimah lacht. „Je kunt het goed, hoor! Wie heeft het je geleerd?”
-
-Saleiman zwijgt, kijkt naar boven en snuift.
-
-„Speel nu eens het allermooiste wat je kent, Saleiman?” vraagt Dolimah.
-
-Saleiman ziet Dolimah schuchter, aarzelend aan. Dan brengt hij de fluit
-aan de lippen, sluit de oogen. In zachten, droeven toon zet hij in;
-moeizaam slepen de tonen zich voort. Dan even een pauze, en plots
-klimmen de noten omhoog als om naar iets uit te zien. En nu volgt een
-teere, zoete melodie, met zachte, lichte schreden voortgaand, hooger,
-steeds hooger, tot in de wolken van Saleiman’s verbeeldingskracht.
-Saleiman houdt van dit wijsje, hij laat het weer vallen en dan weer
-klimmen, zooals om den wijnstok zich de ranken winden vol teere
-bloesem..... Dan plots stokt het wijsje in een schrillen toon, alsof
-een ruwe knaap het afsloeg. Saleiman laat de fluit zinken, haalt diep
-adem, brengt ze dan weer aan de lippen en zet weer in de droeve wijze
-van daarstraks in. Steeds weeker en zachter, tot eindelijk de laatste
-toon versterft..... Dan opent Saleiman de oogen en staart den hemel in.
-
-Dolimah vraagt zacht: „Wat was dat, Saleiman?”
-
-Saleiman zwijgt.—Een groote traan welt in zijn oogen op.
-
-„Nu, hoe heet het wijsje?” dringt Dolimah aan. „Heet het.....
-Saleiman?”
-
-Saleiman krabbelt haastig overeind.
-
-„Moet je weg?”
-
-Saleiman knikt met afgewend gelaat. Dan scharrelt hij uit zijn sarong
-een doosje op en schuift het open. Op den bodem zit een vuurvliegje
-gekleefd. Dat zal Saleiman onderweg tegen de booze geesten beveiligen.
-
-De jongens zien den kleinen flap-oor nu met gansch andere oogen
-vertrekken. Als hij zijn sarong omslaat om het laddertje te bestijgen,
-ritselt een slang tusschen de struiken omlaag, de helling van het
-ravijn af. „Eh, gagit!” roept Saleiman ontzet en vliegt met zijn
-soeling en dievenlantarentje omhoog.
-
-Harmen heeft een diepen zucht geslaakt. „Had ik m’n fiool maar, dan
-speelden we samen eens een moppie!” Maar geen der anderen loopt erg
-warm op dien wensch. Gelukkig merkt Harmen het niet.
-
-Joppie ligt in Padde’s armen te snurken. Hij wou daarstraks met de
-fluit instemmen, kreeg daarvoor van Harmen een schop, zocht, als
-gewoonlijk, in den slaap vergetelheid en vond ze ook.
-
-„Zullen wij nog wat bikken voor we gaan slapen?” vraagt Harmen. „Door
-die fluit heb ik alles vergeten: ik had de maïs willen poffen.”
-
-Niemand heeft eetlust.
-
-De jongens gooien flink wat hout op het vuur—en gaan slapen.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HARMEN VINDT EEN GEITJE
-
-
-Den volgenden morgen vloog Harmen met een schreeuw overeind: „De zon!
-De zon schijnt!!”
-
-Daar stond ze, al hoog boven de bergen. Laaiend goud. Haar koesterende
-warmte vulde het dal, waaruit de dampen opstegen. De gansche hemel was
-blauw gepenseeld, glansde nog van de natte verf. Over de boomen was een
-kwastje frisch groen gegaan; de bloemen stonden als gemorste spatjes
-rood en wit en geel en blauw op de struiken.—En hoor het schetteren in
-de boomen! Daar duikelen ze, de groene parkietjes met hun grijze kopjes
-en lichtgele, kromme snaveltjes; daar fladderen ze en koekeloeren ze,
-de bronsgroene glansduiven, de koekoekoerrr..... roepende tortels, de
-vruchtduiven met de parelgrijze onderkanten der vleugels en met de
-roodbruine manteltjes, waarover een purperglans ligt. Als ze van den
-eenen tak op den anderen fladderen, druppen er diamanten van de boomen.
-En een honingdiefje zwiert in een boog naar zoo’n vallend edelsteentje
-en vangt het in de vlucht.....
-
-Groote vlinders,—koninginnen! dwalen van bloem naar bloem, maken voor
-den kelk een révérence op vlindermanier—door het even neerslaan van de
-vleugels en het daarna statig weer rechtop zetten van die broze,
-kleurige, oneindig sierlijke dingskes—, spreken (om de bloem genoegen
-te doen) kwaad over andere bloemen, koketteeren met het zonlicht op hun
-wieken en kussen het gouden bloemenhart.
-
-Hoe weldadig brandt de zon op de natte kleeren! De jongens zitten voor
-het hol, in verrukking starend over het ravijn. Hoe prachtig zijn nu
-die groene hellingen met die groote, grijze steenvlekken, die gisteren
-nog zoo triest schenen. Nu staan ze vol kleur, en het groen rondom is
-vol afwisseling.—Hoe mooi is het nu ook op het plateau! Waar komt
-ineens al dat leven vandaan? Waar scholen al die vogels en vogeltjes,
-die nu de wereld vullen met hun zang en gesnaper? Waar scholen die
-bonte kevertjes en torren, die nu in groote, snel en sierlijk getrokken
-spiralen voortsuizen? Zie, daar zweeft een vliegend draakje onder de
-boomen door, de roode valschermen wijd open, den staart als een roer
-achter zich aan. Het diertje slaat plat tegen een stam neer en schiet
-omhoog.
-
-De jongens rekken zich in de zon. Ook de boomen rekken zich; het is
-alsof hun wortels zich straffer spannen en hun takken zich uitstrekken
-naar de zon. Ook de bloempjes, gisteren nog slap en met gebogen kopjes,
-rekken zich; het is een strijd wie de meeste kevertjes en vlinders
-lokt.
-
-Padde is naar buiten gekropen. De anderen schrikken als ze zien hoe
-bleek en mager zijn gezicht geworden is en hoe flets zijn oogen
-staan.—„Kom, ga wat in ’t zonnetje zitten, Padde! Het is nu nog best te
-verdragen. Is het niet lekker zoo?”
-
-„Fijn.....” zucht Padde. Dan sluit hij, vermoeid ademend, de oogen. Van
-verder trekken zal voorloopig nog geen sprake kunnen zijn.
-
-
-
-Hajo en Harmen gingen weer naar hun strik kijken, maar vonden nog
-steeds geen gevangen hert. „Als ik dáár wat van snap!” riep Harmen
-spijtig uit. Tegelijkertijd struikelde hij bijkans over een
-argusfazant, die krijgsgevangen was, vóór hij het zelf wist. Het was
-een haan, prachtig geteekend; de twee zwarte staartveeren maten wel
-anderhalve el.
-
-Toen ze thuiskwamen, was Rolf druk in de weer, het hol wat
-bewoonbaarder te maken. Hij sneed droog gras en bedekte er den bodem
-mee, die nu veerde als een mollig tapijt,—spande de panterhuid voor het
-hol op een paar stokken uit, zoodat ze een zonnetent vormde, waaronder
-Padde beschut lag en toch de vrije buitenlucht inademde.
-
-Rolf bewonderde de vangst. „De fazant zal een best middagmaal
-opleveren! En Dolimah zoekt wat vruchten en kruiden; daarvan zal ze ook
-wel weer iets fijns weten te koken; dan hebben we nog rijst, een paar
-gedroogde visschen, maïskolven, voor Padde twee eieren, potten om in te
-koken.....”
-
-Harmen sloeg zich van plezier op de knieën. Hè! die zon deed je ook zoo
-goed,—daar werd je weer een ander mensch van! Kijk, Harmens polsen en
-nek begonnen al te vervellen.
-
-„Als we hier toch nog wat moeten blijven, zullen we ook huisraad
-maken”, zei Rolf. „Wat zou jullie zeggen van een paar bankjes en van
-een tafel?”
-
-„Wel ja”, zei Harmen. „En een paar kasten in de muur, waarin ik ’s
-avonds m’n japon kan uithangen!” De laatste woorden waren galbitter
-uitgesproken.
-
-„’k Zal er voor zorgen”, beloofde Rolf glimlachend. „Help jij me
-vandaag een handje, Hajo?”
-
-„Nou”, zei Harmen, „dan ga ik er nog eens alleen op uit! Zien, of ik
-niet nog wat bij de pluimen kan pakken!” En met zijn speer gewapend,
-toog Harmen er op uit. De onrust zat hem in het bloed,—dat deed ’m de
-zon!
-
-Op goed geluk baande hij zich een weg. Rits! daar schoot een hagedis
-weg. En daar..... een soort patrijs dribbelde onder de lage struiken
-weg. Harmen liet zich voorover ploffen. Ja, goeie morgen! Schrammen in
-zijn gezicht, een doorn in zijn vingers. En de patrijs? ’t Nakijken had
-Harmen!
-
-Hij kwam aan een open plek. Hoe stil was het hier! Als in een kerk!
-Wacht, zat daar geen duiven-nest? Harmen wipte den boom in. Wel ja,
-meneer zat zelf op het nest! De duif merkte het naderend onraad,—vloog
-met veel misbaar op. „’t Werd tijd”, meende Harmen. „Als je nog even
-was blijven zitten..... twee eiers!” Zouden ze versch zijn? De duif had
-er al op gezeten.....!—Harmen bekeek de eitjes tegen het licht. „Ik
-gelóóf.....—Wel, laat ik ze straks even in het water leggen, dan weet
-ik het.” Hij borg de eieren in zijn mond en daalde met bolle wangen af.
-Kra.....ak! daar knapte een tak; Harmen greep zich net bijtijds aan een
-anderen, hing even in de lucht, sloeg toen zijn beenen weer om den
-stam, kotste een gelen vloed eierstruif omlaag.
-
-„Tòch bedorven!” gromde hij en belandde al spuwend weer op den beganen
-grond, rukte de eerste de beste vrucht af, die hij maar hangen zag—een
-groen, langwerpig vruchtje, dat onderaan in een punt eindigde—en hapte
-er in, om den smaak der vuile eieren althans kwijt te zijn. Maar de
-tranen sprongen onzen vroegeren koksmaat in de oogen, en vol afkeer
-spuwde hij het groene goedje uit.
-
-Spaansche peper!
-
-Stil! Wat hoorde hij daar? Een schaap?? Harmen drong omzichtig voort in
-de richting waar hij het geluid vernam. Daar.....! (tusschen de boomen
-glurend kon hij het zien) een geitje! En..... ’t zat vast! Aan een
-paaltje. En..... in een soort gangetje stond het! Aan beide zijden
-waren zware balken in den grond gedreven.—Als Harmen dáár wat van
-snapte..... een vastgebonden geitje hier in het bosch, waar het zoo te
-zeggen aan de tijgers was overgeleverd.....? Waar diende dat gangetje
-voor? En waarom was het touw zoo kort? Het diertje kon nauwelijks
-grazen!—Wacht! Het zou..... het zou toch geen tijgerval zijn? Juist!
-Daar zag Harmen tusschen het groen aan iederen kant een valdeur! Als de
-tijger binnenkwam om het geitje op te peuzelen, zeiden de deuren: klap!
-en de tijger zat veilig opgeborgen!
-
-„Mè-è-èh!” blaatte het arme geitje.
-
-„Stil maar, ik kom bij je!” beloofde Harmen medelijdend. „Harmen zal je
-niet door de tijgers laten verslinden, hoor! Wacht maar, je mag met
-Harremen mee naar het hol, en als de nood aan den man komt.....
-Sjonge-jonge, wat een dikke valdeuren! Als die dichtklappen.....! Nou,
-stil maar, ik kom al!”
-
-„Mè-è-è-èh!” begroette het geitje Harmen met een vreugdevolle trilling
-in de stem.
-
-„Goeie morgen!” zei Harmen. „Tja, kameraad, hoe kom ik nou bij je,
-zonder zelf in de fuik te zwemmen?—Wacht!” Harmen stak zijn lange speer
-naar voren en begon met het scherpe lemmet het touw door te zagen.
-Nietwaar? Zoo kon er niets gebeuren!
-
-Het geitje hielp, spande—waarschijnlijk uit angst voor de speer!—de
-rotan, waaraan het gebonden was. Maar toch ging het doorzagen uiterst
-langzaam.
-
-„Sta dan toch stil, sik! Je ziet immers zelf wel, dat ik er zoo nooit
-doorkom!” mopperde Harmen.
-
-„Mè-è-è-èh!” blaatte het geitje hulpeloos.
-
-„Ja, met mè-roepen komen we er niet!” verzekerde Harmen.
-
-„Mè-è-è-èh!” Het diertje zette zich schrap, rukte uit alle macht. Toen
-opeens vloog het met de kleine horen-knopjes tegen den houten zijwand.
-Het touw was gebroken.
-
-„Da’s mijn kop niet”, zuchtte Harmen voldaan. „Kom, sikkie?”
-
-Het geitje lag op de knieën tegen het houten beschot, krabbelde
-overeind en nam in zijn beduusdheid een aanvallende houding tegen
-Harmen aan, den kop gebogen, de horenstompjes geveld. Toen draaide het
-zich eensklaps om en wilde er met hupsche sprongetjes vandoor gaan.
-
-„Hier!” schreeuwde Harmen verontwaardigd, vloog uit zijn knielende
-houding achter het geitje aan. Maar, door de kooi snellend, zakte een
-der planken een weinig weg; Harmen struikelde; twee zware slagen
-volgden. En toen Harmen verward en nog niet begrijpend opkeek, waren de
-deuren dichtgevallen, en Harmen zat opgesloten.
-
-„Smerige sik!” schreeuwde Harmen met tranen in de stem het daar buiten
-voorthuppelende geitje na. „Daar wil ik hem helpen en.....!” In razende
-woede nam hij zijn speer op, slingerde haar uit alle macht in een der
-deuren. Er vloog een splintertje af; de speer sidderde en viel neer. De
-deuren waren van djati,—het hout, waarop zelfs de witte mieren vergeefs
-haar krachten beproeven.
-
-Rechtop stond Harmen, hijgend, met opeengebeten lippen. De tranen
-stroomden over zijn bruine wangen. Hij moest er uit, dat stond bij
-Harmen vast. Maar hoe? De wand was aan alle zijden wel vijf ellen hoog;
-de grond was, evenals de wanden, uit dikke planken gevormd, welker
-uiteinden onder den zijwand lagen, zoodat er van uitlichten geen sprake
-kon zijn. Harmen wierp zich op de knieën en begon in het hout te
-kerven. Maar na een half uur razend werken zag hij het hopelooze ervan
-in en wierp zich luid grienend, schokkend met het heele lichaam, in een
-hoek.
-
-Toen hij zoo’n beetje was uitgehuild en het hemzelf begon te vervelen,
-keek hij weer op. Hoe stil was het! Als hij eens ging schreeuwen?—„Hoy!
-Hèllep!” klonk Harmen’s schorre stem. Hoor hoe het geluid echode in het
-stille woud.
-
-Geen antwoord. Toen plots, heel uit de verte: „Mè-è-èèh!”
-
-De jongen schreeuwde opnieuw. Toen vlug achtereen om zijn eigen echo
-niet te hooren: hij was er bang voor. Eindelijk zweeg hij, heesch
-geschreeuwd. „Hoy.....” klonk het van alle zijden. „Hèllep!
-Op-ge-sloten.....”
-
-Harmen stopte de vingers in de ooren. Hij ging met den rug tegen een
-der deuren staan en duwde uit alle macht. Geen beweging te bespeuren.
-Tegen de andere deur! Zat al even wrikvast. Plots, in dolle woede,
-begon Harmen met de hielen te schoppen, dat ze paars en blauw geschaafd
-werden. „Ga je weg!” gilde hij.
-
-„Ga je weg-weg-weg-weg.....” klonk het van alle zijden.
-
-Harmen verbleekte, bleef met een huivering staan. Hij baadde in het
-zweet. De zon fonkelde tusschen de bladeren der bamboes boven zijn
-hoofd.
-
-Wacht! Hij zou de speer als polsstok gebruiken en met een fermen
-sprong.....! Kalm nu! Harmen ging aan het einde van de kooi staan, den
-rug tegen de deur om zijn aanloop zoo groot mogelijk te hebben. Daar,
-bij die spleet, zou hij de speerpunt planten en dan, met een geduchten
-afzet, boven op de andere deur belanden.
-
-Daar ging Harmen! Hij sprong, de handen om den top der speerschacht,
-zwaaide in wijden boog de lucht in.....!
-
-Toen brak de speerschacht, en met een doffen smak kwam Harmen weer op
-de planken terecht. Duizelend stond hij op, trachtte zich te grijpen,
-wankelde, sloeg weer neer en bleef liggen.....
-
-
-
-Toen hij eindelijk met een zwaar gevoel in zijn hoofd de oogen opsloeg,
-was het al laat in den middag, en de vogels, die daarstraks in de uren
-der grootste hitte gezwegen hadden, schetterden nu alle dooreen. Harmen
-was aanvankelijk verwonderd. Zeer verwonderd. Toen kwam onverwachts een
-vaag gevoel van onrust in hem op; hij greep met de handen naar zijn
-hoofd, trachtte zich iets te herinneren. Hij krabbelde overeind,
-duizelde weer, leunde met gesloten oogen tegen den wand, hoorde het
-vogelgerucht heel, heel ver weg. Toen werd het beter. Hij opende zijn
-oogen, zag de balken van zijn hok.
-
-Opgesloten zat hij. Aan zijn pijnlijke oogen voelde hij, dat hij
-gegriend had. Dat hielp dus niet veel. Straks, of anders morgen zouden
-ze wel komen, die smerige kannibalen, die de val hadden neergezet, en
-hem oppeuzelen. Harmen zuchtte; de zucht eindigde in een snik.
-
-„Hèllep!” schreeuwde hij. „Hèllep!”—Hijgend luisterde Harmen. De vogels
-in de buurt hielden verbaasd met hun geschetter op. Toen gingen ze weer
-door, overstemden de echo van Harmen’s roep.
-
-Harmen vond, dat alles zich tegen hem keerde. De boomen in hun
-harteloos zwijgen, de vogels in hun inhoudlooze schettering. Harmen nam
-de afgebroken speerschacht op en trachtte er een papegaai mee dood te
-gooien, die, zich vastklemmend met bek en pooten, langs een twijgje
-naar een langwerpige vrucht scharrelde. Verschrikt krijschend fladderde
-het dier weg.
-
-Harmen ging zitten, staarde op den wand tegenover zich. Zouden zijn
-vrienden hem zoeken? Harmen dacht eens na hoe ver hij wel van het hol
-was. Hij was in Westelijke richting gegaan; eerst had hij achter dien
-patrijs aangezeten; toen..... Al denkende, begon Harmen fantasieën te
-spinnen om alles wat er gebeurd was. Onwillekeurig zocht hij al hoe hij
-dit avontuur later zou kunnen opsmukken met allerlei tierelantijntjes.
-Een tijger was over den houten wand heen pardoes in het hok gesprongen
-en met Harmen een gevecht op leven en dood begonnen. Natuurlijk overwon
-Harmen, anders zou-d-ie het nou niet kunnen vertellen, nietwaar? Hij
-greep het monster bij z’n halsband, brak het de slagtanden uit. Toen
-was het zoo mak als een lammetje geworden. Het had Harmen een poot
-gegeven en gezeid: „Dat lap je ’m, Harmen!” Toen hadden ze samen ’t
-Javaansche volkslied gezongen, en.....—Harmen sprong op, haalde diep
-adem. Was het mogelijk, dat hij er zich nu mee bezig hield hoe hij
-later dit bitter ernstige geval met fraaie krulletjes zou opsieren? Had
-hij dan niets beters te doen? Ach, de wereld was een poppekast; de
-menschen wist zelf geen ernst van zotheid te onderscheiden.....
-
-Het was wel ver met Harmen gekomen, dat hij er de menschen en de wereld
-de schuld van gaf, dat hij, Harmen, zoo dom was geweest in een val te
-verzeilen, die niet eens voor hem was neergezet.
-
-De schemering viel in, en met haar sloop de angst in Harmen’s boezem.
-Zijn sterke verbeelding tooverde hem de gruwelijkste dingen voor. Hij
-kroop in een hoek, sloeg de handen voor de oogen.
-
-Toen hij ze weer opende, was het donker geworden. Maar boven de andere
-deur, aan de overzijde, keek de maan door de stelen der bamboe.
-Bleek,—nog zonder glans. Ze kalmeerde Harmen. Hij keek er lang naar,
-zuchtte.
-
-Toen begon Harmen te dichten, maakte er overeenstemmende gebaren bij,
-stelde zich met het gelaat naar de maan in de fraaiste houding op, die
-men zich maar denken kan.
-
-
- „Ik zit hier in een hokkie!
- Eerst viel ik van m’n stokkie,
- Maar nou is de maan
- Aan het schijnen gegaan.
- En, om me te verlichten,
- Sla ik wat aan het dichten.
- Ik heb een sik bevrijd
- En leef in eenzaamheid.....”
-
-
-De maan werd zilver. Krekels tsjirpten. Muskieten gonsden om Harmen’s
-hoofd.
-
-Rikketikketikketik! Een boomkikvorsch. Het krekel-concert nam gedurig
-in toonsterkte toe; steeds nieuwe muzikanten stemden in. Stillekes zat
-Harmen te luisteren naar den gewijden zingzang der Indische nachten,
-weerde nu en dan met de hand de muskieten af. Een vogelroep. Van de
-andere zijde antwoord. Een windvlaag deed de boomen zuchten.
-
-Plots spitste Harmen de ooren, richtte zich verschrikt overeind.
-Daarbuiten werkte zich..... een dier..... tegen den houten wand op!
-Rillend over het gansche lichaam, greep Harmen het stuk schacht met de
-speerpunt,—wachtte hijgend op wat komen ging.....
-
-Zie! Daar stak iets zwarts boven de palissade uit; een bruin gelaat met
-groote, verschrikte oogen en wijd uitstaande flapooren volgde, stond
-als een zwart portretje in de omlijsting der maan.
-
-Het was Saleiman.
-
-
-
-
-
-
-
-
-PA-SAMIRAH DE DOEKOEN
-
-
-Toen Harmen dien morgen zijn makkers verlaten had, sloegen Hajo en Rolf
-aan het vervaardigen van de meubels. Gemakkelijk ging het zeker niet
-met de gebrekkige werktuigen waarover de jongens beschikten!
-
-Na lang ploeteren stond er een tafel van bamboe. De jongens bekeken hun
-maaksel vol trots. „Wat zullen we nou maken, Rolf?”
-
-„Lepels”, zei Rolf. „En kommen en bekers en een kan...”
-
-Inderdaad: de bamboe leende zich voor alles. Bekers waren al eenvoudig
-genoeg te maken: de schotten in het hout dienden voor bodem, en met het
-mes werd de bovenkant netjes bijgesneden. Voor lepels namen ze halve
-kokosnoten: je haalde er de vezels af, wrong er een bamboetje in, en
-klaar was Kees!
-
-
-
-Terwijl Dolimah dien morgen kruiden en voedsel aan het zoeken was, kwam
-Saleiman aandrentelen, een kip onder den arm. „Dag, Dolimah!” zei hij
-schuchter en bleef op een afstand staan.
-
-„Eh, Saleiman?—Heb je nu toch weer gestolen?”
-
-Saleiman zweeg, keek Dolimah bedeesd aan.
-
-„Merken ze er niets van, dat je voor ons steelt?” vroeg Dolimah.
-
-„Jawel”, zei Saleiman, „maar ze denken, dat het een booze geest is. Er
-is er een in den klappertuin geweest en heeft Si-Karto gezegd, noten
-voor hem te plukken. En een tijger heeft Towikromo’s hond weggesleept.
-Ze hebben nu in het bosch, niet ver hier vandaan, de val weer
-klaargemaakt. En morgen gaan we kijken, of hij er al in zit, de
-roover.”
-
-„Zeg, Saleiman”, vroeg Dolimah, „hoe heet jullie doekoen?”
-
-„Onze doekoen heet: Pa-Samirah.”
-
-„Heeft hij goede tooverspreuken?”
-
-Saleiman knikte. „Hij Heeft zóó sterke rapals, dat je de muizen er mee
-de sawah’s kunt uitdrijven! En oude poesaka’s heeft hij, wel duizend
-jaar oud; daar is een kris bij, waarvoor alle spoken bang zijn.”
-
-„Dan is de doekoen zelf zeker ook al héél oud?” vroeg Dolimah.
-
-„Hij weet zelf niet meer hoe oud hij is!” bevestigde Saleiman trots.
-
-„Zeg, Saleiman.....”—Dolimah aarzelde een oogenblik—„zou je..... toe,
-beproef eens, of je hem hier kunt laten komen.”
-
-Saleimans oogen werden groot.
-
-„Zeg hem.....zeg hem, dat hij een panterhuid krijgt!”
-
-Saleiman boog het hoofd. „Ik zal het beproeven”, beloofde hij. En hij
-wilde zijn biezen pakken.
-
-„Eh, Saleiman”, vroeg Dolimah, „heb je daar een djangkrik bij je? Mag
-ik hem eens zien?”
-
-„Eh-eh”, zei Saleiman vereerd en hield het krekel-kooitje zóó, dat het
-licht door de tralietjes naar binnen viel. „Daarachter zit hij. Zie je
-hem wel?”
-
-„Oh, wat een groote! Hij kan zeker erg goed vechten?”
-
-„Als hij wil, wint hij het van alle djangkriks in de wereld”,
-verzekerde Saleiman. En met een halmpje begon hij het beest aan te
-vuren. „Krrrr! Krrrr! Kom eens voor het venster?—Ik geef hem niets dan
-droge rijst en Spaansche peper om hem vurig te houden.—Krrrr!—Hij is
-nog altijd schuw, omdat Sanip hem laatst een halmpje met trassi heeft
-toegestoken. Nu zit hem de stank nog in den neus. Sanip is altijd zoo
-valsch: als een ander een sterkeren krekel heeft, laat hij hem trassi
-ruiken, om hem schuw te maken.”
-
-„Wat een valschaard!” meende ook Dolimah.
-
-„Hij mag nu ook niet meer mee doen, als wij onze krekels laten
-vechten!” zei Saleiman.
-
-„Zijn verdiende loon”, was Dolimah’s oordeel. „Dus..... je denkt om den
-doekoen, Saleiman?”
-
-„Eh-eh”, beloofde Saleiman. En hij drentelde weg.
-
-
-
-„Hé, waar blijft Harmen?” vroeg Hajo, toen Dolimah met haar kruiden en
-Saleimans gediefde kip in het hol terugkeerde.
-
-„Laten wij maar vast beginnen het eten klaar te maken”, zei Rolf.
-„Harmen heeft een fijne neus, en als hij de lucht opsnuift.....!—We
-hebben vandaag de keus!”
-
-„En we hebben een tafel!” vulde Hajo aan. „En eetgerei! En potten om in
-te koken!”
-
-„En een hongerige maag,—dat helpt ook!” lachte Rolf. „Laten we de
-fazant maar eens plukken. ’t Is haast zonde, zoo’n mooi dier! Wat een
-prachtige veeren!”
-
-Dolimah blies het vuur in den oven aan en kookte voor Padde wat rijst
-in kokosmelk.
-
-Maar Padde weerde het af. Hij zag vuurrood in het gelaat; zijn oogen
-waren gezwollen. „Ik kan niet.....” kreunde hij.
-
-De jongens droegen hun makker in het hol. Daar was het koel, en Padde
-zuchtte, toen hij op het frissche leger van gras en varens lag
-uitgestrekt. „Zoo is het lekker.....!”
-
-„Misschien komt een doekoen”, zei Dolimah zacht.
-
-„Een doekoen.....??”
-
-„Saleiman zal vragen, of hij komen wil. Hij is heel oud en en wijs en
-kent alle ziekten.”
-
-Een warm gevoel voor Dolimah doortrilde beide jongens.
-
-„Ik heb hem het pantervel beloofd”, zei Dolimah. „Was dat goed.....?”
-
-„Prachtig zelfs!” prees Rolf. „Nu zal hij wel komen.”
-
-De jongens gingen den fazant plukken. Dolimah was in haar schik met het
-zelfvervaardigd huisraad, nam terstond alles voor haar „keuken” in
-bezit.
-
-Spoedig kon de fazant aan het spit. De kip kreeg een lang touw om haar
-poot en mocht „vrij” rondloopen. Verheugd begon zij naar wurmpjes te
-pikken, en, wanneer ze er een te pakken had, klapte ze met haar
-vleugels en zette zich met gestrekten hals schrap,—tot ze het
-glibberige, naakte slachtoffer geheel uit den grond had getrokken.
-Vanaf dat oogenblik kon het beestje alle hoop op een rooskleurige
-toekomst laten varen: het werd in stukjes gehakt of wel, naar gelang
-van zijn dikte, ineens verslonden.
-
-In de drukte van het koken en braden hadden de jongens den heelen
-Harmen vergeten. Maar nu ze hun „tafel” neerzetten, schrokken ze beiden
-tegelijk op. „Harmen is er nog niet!”
-
-Ook Dolimah keek hen onrustig aan.
-
-„Nu, Harmen loopt niet in zeven slooten tegelijk”, stelde Rolf zichzelf
-en Hajo gerust. „Hij zal zoo meteen wel komen! Laten wij maar vast gaan
-eten, anders wordt alles koud.”
-
-Met innerlijke onrust zetten de jongens zich aan den disch, die rijker
-was dan ze in maanden gewend waren geweest. Maar ze waren niet gestemd
-om Dolimah’s kookkunst vandaag te waardeeren zooals ze het verdiende.
-Toen de laatste hap binnen was, sprong Rolf overeind. „Kom mee, Hajo,
-we zullen den omtrek eens afzoeken!”
-
-De beide vrienden togen er op uit: ze hadden gezien in welke richting
-Harmen verdwenen was. Zich een weg banend door het dichte gewas, zaten
-ze in een ommezien onder de bloedige schrammen.
-
-„Harmen! Hààààrmen.....!”—Geen antwoord. Echo’s van alle zijden. Met
-een verbitterden slag kapte Rolf een rood, geringd palmstammetje
-middendoor. Een kleine slang schoot er ijlings langs omlaag en ritselde
-weg tusschen de struiken.
-
-„Het bosch is overal gelijk”, zuchtte Hajo. „Waar moeten we zoeken?”
-
-„Misschien is Harmen al lang weer thuis”, zei Rolf. „We zullen maar
-teruggaan.....”
-
-Het hol weer naderende, versnelden ze in hoopvolle verwachting hun
-gang. Maar Harmen was nog niet terug.....
-
-Dolimah keek hen vol onrust aan. „Uw vriend is zoo ziek!” fluisterde
-ze.
-
-Uit het hol kwam een gesmoorde kreet: „Brand! Brand!!”
-
-Verschrikt snelden de jongens naar binnen. „Padde! Wat heb je,
-Padde?”—Padde ademde kort en stootend; zijn mond was vertrokken; hij
-hield de gebalde vuisten onder de kin, en het zweet parelde hem op het
-vuurroode voorhoofd. „Brand!” gilde Padde en trok de knieën op.
-„Brand!!”
-
-Rolf knielde bij hem neer. „Word wakker, Padde! Je droomt!” En hij
-schudde Padde bij den schouder.
-
-De zieke sloeg de oogen op, keek er Rolf wezenloos mee aan.
-
-„Padde!” stamelde Hajo verschrikt.
-
-Padde staarde over zijn borst heen naar buiten. Toen begon hij plots
-weer te gillen en liet het hoofd met een smak achterover vallen.—Rolf
-bette Padde’s voorhoofd met water. Padde zuchtte, scheen een oogenblik
-iets rustiger. Toen begon hij plots hartstochtelijk te snikken. Zijn
-heele lichaam beefde; de tranen vloeiden over zijn wangen op de varens
-onder zijn hoofd. „Allemaal..... zijn ze sterk..... allemaal.....
-alleen ik niet!”
-
-Hajo bukte zich over zijn makker,—ook hem stonden de tranen in de
-oogen. „Wacht maar, Padde, wij blijven bij mekaar, hoor! Wij verlaten
-mekaar niet!”
-
-„Brand!” gilde Padde en stompte Hajo uit alle macht van zich af. En
-hijgend, gejaagd begon hij allerlei wartaal te spreken. „Dronkelap!
-Jij..... jij, dronkelap!”
-
-Radeloos keken Hajo en Rolf elkaar aan. Dolimah staarde zwijgend, met
-van schrik groote oogen, naar hen alle drie.
-
-In dit oogenblik..... kuchte er buiten iemand, en Dolimah stamelde: „De
-doekoen!”
-
-Voor den ingang van het hol, een donkere schim tegen de schemering,
-verscheen een oude Inlander, met een wit sikje en mager als een
-skelet.—De jongens wisten zoo gauw met hun houding geen raad. Rolf
-wilde wat zeggen, maar verslikte zich al in het eerste woord.
-
-Gelukkig wist Dolimah beter met den doekoen om te gaan. „Wij zijn blij,
-dat u gekomen is, goede Pa-Samirah! Gij zult ons wel uit den nood
-helpen. Tot in de verste dorpen wordt uw kunst geroemd!”
-
-Pa-Samirah knikte en spoog bedachtzaam een straal rood sirih-sap op de
-grijze steenen. „Waar is de zieke?”
-
-„Daarbinnen, Pa-Samirah.”
-
-„Waar is het pantervel?”
-
-„Ge staat er onder, goede Pa-Samirah.”
-
-De doekoen keek omhoog, knikte goedkeurend met het hoofd,—spoog nog
-eens vol aandacht. „Laat de blanken heengaan, en blijf jij hier, om mij
-te helpen”, beval hij met een schorre, krakende stem als van een ouden
-kruiwagen.
-
-Dolimah wenkte den jongens, heen te gaan. Aarzelend, zonder zelf
-eigenlijk goed te weten waarom ze het deden, gaven ze er gehoor aan.
-Buiten zagen ze pas, dat achter Pa-Samirah een joggie verdekt stond
-opgesteld, dat nu zijn biezen pakte. Aan zijn ooren herkenden ze hem,
-Si-Kampret!
-
-Beteuterd stonden de jongens buiten te wachten. Dolimah was bij den
-doekoen gebleven.
-
-„Zou het wel vertrouwd zijn, Rolf, dat we hem met Padde alleen laten?”
-
-„Dolimah is er immers bij?”
-
-Hajo zweeg. Meer dan ooit voelden de jongens zich vreemdelingen in dit
-groote land. De doekoen, Dolimah, Saleiman hoorden hier thuis, kenden
-de boomen, de bloemen, de dieren en..... en de geesten!—Geesten.....!
-Als Dolimah ervan sprak, voelden zij ineens, dat ze er waren. En nu was
-Pa-Samirah gekomen om uit Padde’s zieke lichaam de booze geesten te
-verdrijven.....! Wat was dat toch, dat merkwaardig gevoel van.....
-ontzag, dat hen daareven, vóór ze het zelf wisten, het hol had doen
-verlaten, op een wenk van een klein meisje, om plaats te maken voor dat
-verschrompelde, spuwende mannetje met een stem als een oud molenrad?
-Hij beheerschte ze, de geesten! Pa-Samirah beheerschte ze! Zij,
-Hollandsche kwajongens, voelden zich zoo klein worden, dat een
-muizeholletje nog te groot voor hen was. Saleiman, „Si-Kampret!”
-verstond ook alles wat hun vreemd was. Hij kende de ziel van het vuur,
-den wind, den regen, het beekje, en dieren verstonden hem, tot de slang
-toe, die, onweerstaanbaar aangetrokken, tegen de helling van het ravijn
-was opgekronkeld om te luisteren naar Si-Kamprets fluittonen.....
-
-Onverwachts klonk Padde’s gillende stem weer uit het hol. Hajo wilde
-toesnellen, maar Dolimah verscheen voor de opening. „Stil!” fluisterde
-ze. „De doekoen is bezig!”
-
-Maar Hajo kon zich niet meer in bedwang houden en trad het hol binnen.
-
-De oude doekoen, die gehurkt bij Padde zat, wendde prevelend het hoofd.
-En een blik in die oude, lichtlooze oogen, die zich star, schijnbaar
-zonder te zien, op hem richtten, was voldoende om Hajo te doen
-terugdeinzen. Langzaam prevelend, allengs overgaand in neuriën, keerde
-de doekoen het hoofd weer af. De oude nek leek wel een verschrompelde
-wortel.
-
-Bevangen keerde Hajo naar Rolf terug.
-
-„Wat heb je gezien?” vroeg deze.
-
-Hajo haalde, wezenloos voor zich uitstarend, de schouders op. „Ik weet
-het niet.....” zei hij, als in diepe gedachten.
-
-Het schreeuwen in het hol verminderde. Onafgebroken klonk het eentonig,
-klankloos neuriën van den ouden man. Na een tijd, die een eeuwigheid
-scheen, kwam Dolimah op de teenen naar buiten en fluisterde: „De
-geesten zijn al op de vlucht! Ik heb kruiden gewreven, die de doekoen
-me gaf. Geduld....!” Toen verdween ze weer.
-
-Rolf en Hajo gingen naast elkaar zitten, staarden zwijgend in den
-zilveren nacht. Uit het hol kwam de rosse schijn van het vuurtje. Nu en
-dan vloog er een schaduw door de lucht, de schaduw van Dolimah, die
-voor het vuur langs liep. En eindelijk..... ze wisten zelf niet, hoe
-lang ze zoo wel bijeengezeten hadden, kwam, als een oude berggeest, de
-doekoen naar buiten.
-
-Dolimah volgde. „Hij slaapt rustig!” zei ze met een vreugdetrilling in
-haar stem.
-
-Weer voelden de jongens de aarzeling van daarstraks. Wat weerhield er
-hen van, de handen van hun redder te grijpen? Op de teenen gingen ze
-naar binnen. Padde sliep; zijn ademhaling was lang en geregeld. De
-roode koortskleur was weg.
-
-Buiten stond de wonderman, die dit bewerkt had, op zijn panterhuid te
-wachten. Terwijl Hajo haar haastig ineenrolde, trachtte Rolf woorden
-van dank te vinden. Maar wanneer hij in het oude, afgeleefde,
-glanslooze gelaat keek, stokten de woorden hem in de keel.
-
-De doekoen spoog langzaam, vol aandacht, een straal donkerrood
-sirih-sap uit,—in het licht der vlammen leek het bloed. Slap hingen de
-mondhoeken, de onderlip lag op de oude skelet-kin en onthulde een
-tandeloozen mond; de grijze wenkbrauwen waren door het gerimpelde
-voorhoofd hoog opgetrokken; zijn geheele huid zat vol roestvlekken.
-Zwijgend nam hij de panterhuid onder den arm, sloeg zijn sarong naar
-binnen en klom de touwladder op. Boven gekomen, leek hij tegen het
-maanlicht wel een vogelschrik. Dolimah deed hem uitgeleide.
-
-„Begrijp jij er iets van, Rolf?” vroeg Hajo.
-
-„Geen laars”, antwoordde Rolf. „De drommel zal weten hoe hij..... maar,
-zeg, Hajo! Harmen is nog niet terug!”
-
-„Dat is waar ook.....!!” stotterde Hajo. „Dat had ik heelemaal
-vergeten!” En verschrikt keken de jongens elkaar aan.
-
-
-
-Toen Si-Kampret zijn plicht vervuld had, spoedde hij zich voort in de
-overtuiging dat hij de rest veilig aan de krachtige rapals en ontzag
-inboezemende poesaka’s van Pa-Samirah mocht overlaten. Plotseling
-vernam hij een klagend geblaat. Verwonderd liep hij er op af en
-stond..... voor een geitje! „Tjoba.....!” stamelde Saleiman. Hij greep
-het, keek vol verbazing naar een afgescheurden rotanstrik om den hals
-van het diertje. „Het is het geitje uit de tijgerval.....!”
-
-Saleiman dacht even na; toen was zijn besluit genomen. Wat er ook met
-de val gebeurd mocht zijn; Saleiman moest er het zijne van hebben. Zou
-er een of andere geest in het spel zijn? Nu, Saleiman had om zijn
-bruine vingertjes een djimat zitten, waartegen de boschgeesten toch
-niets konden uitrichten, zelfs de meest kwaadaardige niet! En Saleiman
-toog op pad. Den rechten weg naar de val kende hij niet; hij moest
-eerst weer een eindweegs den weg naar het dorp volgen en dan in
-schuinsche richting weer omkeeren. Maar Saleiman had geen zolen te
-verslijten; de zijne werden hoe langer hoe dikker naarmate hij er meer
-op liep, en de maan scheen zoo mooi.....
-
-Alom zongen de krekels, en de krekel in Saleiman’s kooitje raadde met
-luider stemme zijn vrienden daarbuiten aan, om zich goed verborgen te
-houden wanneer ze zoo’n jongetje als Saleiman in de buurt zagen.
-Saleiman liep er over te denken, hoe fijn het zijn zou, wanneer hij
-alle krekels, die hij nu hoorde, ja, alle krekels van de wereld in een
-bamboekooitje had: hij zou de kleintjes aan zijn vrienden geven, en de
-grooten zou hij zelf houden. Maar ze waren zoo lastig te vinden; vooral
-de goede kampvechters liepen het hardste weg.....
-
-Saleiman dacht er ook over na wat hij morgen weer voor Dolimah gappen
-zou. Ma-Satia had altijd zooveel eieren,—daarvan kon ze er best een
-paar missen. En Niti had op haar dak deng-deng te drogen, daar zou
-Saleiman ook een stukje weghalen. En Si-Amat had zooveel rijst, wel een
-heele loemboeng vol,—daar hadden de glateks al zooveel van gegeten, dat
-het niet zou hinderen, wanneer Saleiman er ook nog een handje van
-kaapte. Tevreden neuriënd liep Saleiman voort.
-
-De maan stond achter hem en al neuriënde richtte onze vriend zijn blik
-op de loopende schaduw voor zich. Zijn toch al gedrongen lichaampje
-leek in dien schim, die met potsierlijke beentrekkingen voortstapte,
-nog gedrongener. Ter zijde van het hoofd staken twee zwarte vlekken
-uit.
-
-Saleiman hield op te neuriën. Droevig en met iets grimmigs om den mond,
-staarde hij naar de mismaakte gestalte daar voor hem op den grond.—Een
-vleermuis fladderde onder de boomen door, over den weg, en de beide
-schaduwen streken over elkaar. Saleiman zond haar een verwensching na
-en ging onder de boomen loopen, waar de maan niet kwam.—Als hij in de
-val een tijger vond, zou hij..... zou hij hem met een puntige bamboe
-steken tot hij brulde van pijn. Hij zou buiten eerst een vuurtje maken
-en daar de punt van de bamboe in laten gloeien en den tijger dan het
-vlammende einde in den muil steken en in de neusgaten en in de oogen!
-„Si-Kampret!” Allemaal noemden ze hem: „Si-Kampret!” Al voortgaand,
-begon hij zachtjes te snikken.
-
-Maar allengs kwam onze vriend weer tot blijder gedachten. Dolimah zei
-altijd: „Saleiman!” Zij had het natuurlijk wel gehoord, dat de anderen:
-„Si-Kampret!” geschreeuwd hadden, en toch zei ze altijd Saleiman tegen
-hem. Wacht: straks zou hij nog wat op zijn soeling spelen, dan vergat
-hij alles. En zijn djangkrik was lekker de sterkste van allemaal! Hij
-zou hem nog meer Spaansche peper geven en wel oppassen voor Sanip met
-zijn smerige trassi!
-
-Saleiman was weer bij de plaats gekomen waar hij moest terugloopen. Nu
-scheen de maan hem vol in het gezicht en haar stralen daalden zachtkens
-in Saleiman’s ontvankelijk zieltje. Hij werd trotsch en dapper en liep
-rechtop.
-
-Zat daar geen uiltje in den boom? Ja! Het gluurde hem aan. Saleiman
-raapte een steen op en wierp. Een lichte slag; het uiltje tuimelde
-beduusd omlaag, en Saleiman greep het achter den kop. Onder het bekje
-bloedde het.
-
-„Goed gegooid”, prees Saleiman zichzelf. „Ik zal muizen voor je vangen,
-jonge muisjes uit de nesten onder de galangans. En een kooitje zal ik
-voor je maken, een klein kooitje voor jou alleen, want anders pik je
-mijn glateks en mijn kentilan nog met je scherpen snavel!”
-
-Het uiltje siste, sperde den bek half open en keek Saleiman met zijn
-starre, gele spleetoogen aan.
-
-„Misschien ben je wel een booze geest”, zei Saleiman. „Maar ik heb toch
-mijn djimat, en in elk geval ben je een domme geest om je van dien tak
-te laten gooien!”
-
-Zijn gevangene in de hand omsloten, kwam hij bij de dichtgeslagen val.
-Saleiman legde het uiltje met gebonden pootjes op den grond, wist zich
-langs een stam, die naast de kooi groeide, tegen den wand op te werken
-en keek over den rand.
-
-Van verbazing viel hij weer omlaag.
-
-„Saleiman!” schreeuwde Harmen van binnen. „Waar zit je? Hier, hak een
-bamboe om en steek hem naar binnen!” En Harmen gooide zijn mes naar
-buiten, zoodat Saleiman het haast op zijn bol kreeg.
-
-Maar Saleiman had al een plan gevat. Hij klauterde weer in den boom,
-sneed een rotan af, ontdeed dien van de dorens, knoopte het boveneind
-stevig om een tak en wierp het ondereinde in de val. In een ommezien
-werkte Harmen er zich in en sprong van de palissade op den beganen
-grond, toen Saleiman nog trachtte zonder scheur in zijn sarong af te
-dalen.
-
-Harmen zuchtte diep, streek over zijn zitvlak, zag het gebonden uiltje
-liggen en raapte het op. „Is ie van jou?” vroeg hij, toen hij zag, dat
-Saleiman er weifelend naar keek. „Alsjeblieft! ’k Zal je niets
-afhalen.” Hij reikte Saleiman het uiltje en nam hem het mes uit de
-handen. „Lekker bot geworden, zeg! Ajuus en..... eh, trimah kassi,
-hoor! Bedankt!”
-
-En Harmen spoedde zich voort, met moeite een weg banend door de dichte
-struiken.
-
-Maar hij werd moe en bleef aarzelend staan. Waar was hij nog maar weer
-vandaan gekomen? Het zweet brak hem uit. Zou de zaak nou weer scheef
-gaan? Woest brak Harmen zich baan. Hij had daar straks de maan aan
-bakboord gehad,—die koers zou hij dus maar houden.—En eindelijk.....
-ja! Daar schemerde het weggetje tusschen de boomen. Sterk als een reus
-worstelde Harmen zich voort. Ziezoo, nu was hij er! Zoo op het eerste
-gezicht herkende Harmen het pad niet. Aan een zijde bamboe, aan de
-andere zijde zwarte zuilen met rafelige, woeste kronen tegen de bleeke
-lucht.
-
-Wacht! Harmen dook in de struiken weg: daar, vlakbij, kwam iets aan!
-Een Maleier! En..... en..... wat hield hij onder den arm, glanzend in
-den lichtval van de maan? Harmen snoof van woede: het was het
-pantervel!
-
-De man stond stil. Hoekig en bottig en als met een knuppel schots en
-scheef geslagen vlekte de gestalte tegen het maanlicht. „Si-apah?”
-vroeg de Maleier.
-
-„Ikke”, zei Harmen. Hij sprong naar voren, sloeg den Inlander tegen den
-grond, ontrukte hem het pantervel en snelde er mee weg in de richting,
-vanwaar de Maleier gekomen was. Immers: daar moest het hol zijn! Want
-dat de kerel de huid gestolen had stond voor Harmen vast.
-
-Hij belandde op het plateau, liet zich langs het laddertje omlaag
-glijden, kwam op zijn achterwerk beneden, krabbelde weer op en stapte
-het hol binnen.
-
-„Harmen.....?!”
-
-Harmen snoof, wierp de huid voor zich neer op den grond. „Alsjeblieft,
-daar hebben jullie de huid terug! Is er nog wat te bikken?”
-
-Met groote oogen staarden de anderen hem aan.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE VLUCHT
-
-
-„Zoo gauw mogelijk onze biezen pakken,” zuchtte Rolf, toen Harmen zijn
-heldhaftig avontuur had opgedischt. En hij legde hem in twee woorden
-uit hoe de vork in den steel zat. „De doekoen zal de zaak niet op zich
-laten zitten!”
-
-„Wat een akelige giftmenger!” gromde Harmen, die zich inderhaast over
-het fazantenboutje ontfermd had, dat voor hem bewaard gebleven was.
-„Hoe moeten we nou met Padde aan?”
-
-„We dragen hem.”
-
-„Goeie morrege!”
-
-„Het moet. We spannen de panterhuid tusschen twee stokken,—dan hebben
-we een baar. Vooruit, jongens!” En hij legde Dolimah vlug even den
-toestand uit.
-
-Hajo en Harmen togen aan het werk, hakten aan den anderen kant van het
-plateau, waar de bamboebosschen stonden, twee stelen van gelijke lengte
-af, knoopten er met rotan de huid tusschen. Rolf maakte uit een der
-bamboes, die daarstraks nog voor de „zonnetent” dienden, een „pikolan”,
-om het huisraad en de levende proviand er aan te vervoeren. „Zijn
-jullie klaar?” vroeg hij. „Dan moet Padde naar boven!”
-
-Daar kwam in het maanlicht een kereltje aanhollen: Saleiman! Hijgend
-vloog hij op de jongens af. „De doekoen is boos, en nu zijn ze met
-velen, met velen op weg hier naar toe!”
-
-„Daar heb je het al”, stamelde Rolf.
-
-Harmen vloog het laddertje af, het hol in, nam Padde op.
-
-„Hou je goed vast, Padde? Ik zal je naar boven dragen!”
-
-Geen antwoord. Padde’s hoofd hing slap neer naast dat van Harmen.
-
-Met behulp der anderen droeg onze pootige vrind den slapenden Padde de
-ladder op en vleide hem op de baar. Hajo legde den zieke nog wat zachte
-varens onder het hoofd,—toen tilde hij samen met Rolf de baar op.....
-en daar ging het heen!
-
-Saleiman voorop, den pikolan op den schouder, den arm er overheen
-geslagen en met ietwat gebogen knieën voortschrijdend in den soepelen,
-snellen gang van den lastdragenden inlander. „Ikoet Sadjah”, zei hij
-bemoedigend, terwijl hij den weg insloeg, die van het dorp wegleidde,
-„volg mij maar.....”
-
-Zoo deden ze. Dolimah en Harmen torsten de wapens. Joppie had gedurende
-het verblijf in het hol een lui en droefgeestig bestaan gevoerd, maar
-nu de tocht weer verder ging, kwam er ook in Joppie weer leven, en met
-fier opgerichten staart dribbelde hij nog weer voor Saleiman uit. Het
-was een zonderlinge karavaan daar in het maanlicht.....
-
-Plots hoorden ze, links voor zich uit, het gillen van een of ander
-dier. Verschrikt hielden ze hun gang in,—behalve Joppie, die met
-gestrekten hals en slap hangende ooren vooruit stoof.
-
-„Tjelleng!” stelde Saleiman vast. „Een wild varken.....”
-
-Maar Harmen verstond het niet. „M’n hert!” riep hij in vervoering uit.
-En met groote sprongen rende hij achter Joppie aan, holde een bocht om,
-met beide armen de takken en twijgen afwerend. Wat was dat? De bovenste
-strik hing nog onberoerd, en aan den ondersten rukte uit alle macht een
-wild biggetje. Keffend en grommend sprong Joppie er omheen.
-
-„Een varken.......!!” mompelde Harmen, teleurgesteld. „Kom hier,
-mormel, dan zal ik je helpen.”
-
-Maar de kleine gevangene scheen van Harmens hulp weinig goeds te
-verwachten, rukte aan den rotan om zijn hals, dat hij bijna stikte.
-Harmen greep het diertje, bevrijdde het van den rotanstrik, bond met
-een slag de achterpooten samen. „Ziezoo, nou mag je met Harremen mee!”
-
-De anderen waren er nu ook bij gekomen. „Laat eens kijken je hert?”
-vroeg Rolf, glimlachend ondanks de weinig rooskleurige omstandigheden.
-
-„Een hert is het niet”, zei Harmen. „Maar aan het spit is ie toch beter
-dan een bijbel met gouden slotje!—Blijf af, Joppie!”
-
-En de knapen gingen weer voort, nu en dan stilhoudend om te luisteren,
-of hun vervolgers hun al op de hielen zaten. Na een tijdje wisselde
-Harmen met Hajo als drager, en later loste Hajo Rolf af. Padde sliep
-nog even rustig.
-
-„Ben jij nog niet moe, Dolimah?” vroeg Rolf. „Anders rusten we even.”
-
-Saleiman keek ontsteld.
-
-Dolimah wendde zich tot hem. „Moeten we nog verder, Saleiman?”
-
-„Eh-eh!”
-
-„Hoever nog?”
-
-„Niet ver meer. Dan kunnen ze niet meer volgen.”
-
-En de stoet ging voort.—Het bosch hield op; de grond werd rotsachtig.
-Hier en daar nog wat struiken, dat was alles. En eensklaps stonden de
-jongens voor een kloof. In de diepte schitterde een stroompje. Aan de
-andere zijde strekte zich een kale vlakte uit, heel ver weg begrensd
-door in maanlicht gedrenkte bergen. Er lag een roerlooze rust over. De
-lucht glinsterde van sterren.
-
-„Zie!” en Saleiman wees met zijn bruine armpje rechts de kloof af.
-„Daar is de brug.”
-
-Waar de kloof het smalst was, hing een soort rotan-hangmat. Moest dat
-een brug voorstellen?
-
-„Als ge over de brug zijt, moet ge ze loskappen!” zei Saleiman.
-
-Zijn raad was overbodig: allen hadden hetzelfde al gedacht.—Nu stonden
-ze voor de brug. Zou ze wel vertrouwd zijn? Toen Harmen er een paar
-passen op deed, zwiepte ze geducht door.
-
-Dolimah zag zijn aarzeling. „De brug is sterk”, verzekerde ze.
-
-„We zullen het er maar op wagen!” zei Harmen. „Als we met z’n allen het
-water in vliegen, kan je tenminste niet zeggen, dat we van dorst
-gestorven zijn!”
-
-„Jij blijft nu zeker hier, Saleiman?” vroeg Rolf.
-
-„Ja! Hij zou immers niet meer terug kunnen, als we de brug kappen!”
-antwoordde Dolimah.
-
-Rolf keek haar even aan. „En jij ook niet, Dolimah....!”
-
-Saleiman toonde plots groote belangstelling, staarde met wijd open
-oogen naar Dolimah.
-
-„Ik kan immers tòch niet terug.....” zei het meisje zacht.
-
-Toen kwam Saleiman met een vraag, die men van zoo’n schuchter kereltje
-niet verwachten zou en die hij er dan ook met onvaste stem uitbracht:
-„Waarom niet, Dolimah?”
-
-„Oh!” zei Dolimah, hem lief en verrast aankijkend, „het is al zóó ver
-naar mijn kampong, Saleiman.”
-
-„Ik wil je er brengen, Dolimah!” beloofde Saleiman haastig.
-
-Dolimah bleef hem lief, met droeve oogen aanzien. „Ik dank je,
-Saleiman! Ik dank je voor alles..... maar ik kan niet terug.”
-
-Saleiman zei niets meer,—hield het hoofdje rechtop. Een traan blonk in
-zijn groote oogen.
-
-De anderen gingen de brug over. Het was met Padde’s baar moeilijk
-balanceeren. Dat die brug ook zoo zwaaide!—Toen ze aan den overkant
-waren, kapte Harmen de hoofdstrengen los. Daar viel de vloer uit de
-brug, sloeg in wijden boog tegen den anderen wand; een paar bamboes
-gleden er uit en schoten als pijlen in den stroom daar beneden. De weg
-was afgesneden!
-
-Aan den overkant stond Saleiman in het maanlicht. Hij scheen schraler
-en magerder dan ooit: het was alsof men door hem heen kon zien, en zijn
-ooren leken nog grooter dan anders.
-
-„Dag, Saleiman!”
-
-Geen antwoord. Eerst toen de knapen zich hadden omgekeerd en, koers
-nemend op de sterren, in Zuidelijke richting hun weg vervolgen wilden,
-riep Saleiman: „Tot nieuwe maan, Dolimah..... tot het begin der poeasah
-(vastenmaand) zal ik iederen avond..... hier wachten.....!”
-
-„Maar ik zal niet komen, Saleiman.....” antwoordde Dolimah.
-
-Saleiman zweeg. Zoolang de jongens in den maannacht de plaats konden
-zien waar de brug gehangen had, zoolang ook zagen ze Saleiman staan,
-eenzaam en star als een beeldje.
-
-Nu de angst voor vervolging voorbij was, voelden ze hoe moe ze waren.
-De voeten deden pijn van de scherpe steenen.
-
-Bij een paar struiken legden ze zich neer en sliepen in onder den met
-sterren bezaaiden hemel.
-
-
-
-Den volgenden morgen bij het ontwaken scheen de zon hun recht in het
-gezicht. De knapen keken eens om zich heen. Geen vogel, geen vlinder,
-geen eekhorentje, alles starre, levenlooze steen. Daar, ver voor uit,
-de blauwe bergen.
-
-Padde sliep nog altijd. Ze dekten hem met varens het gezicht af tegen
-de zon.
-
-Verder maar weer! Ze aten een handjevol rijst met gedroogde visch,
-pakten hun boeltje op. Het biggetje kwam nu met de pootjes naar beneden
-in den pikolan te hangen en trachtte in de lucht weg te zwemmen.
-
-Hajo en Rolf namen de baar voor hun rekening. „Drommels, hij slaapt
-vast!” zei Rolf, tevreden, dat Padde nog altijd zoo rustig ademhaalde
-en er niets van merkte, toen ze hem opnamen.
-
-„Ja, die doekoen is een duivelskunstenaar!” meende Hajo. „We hebben hem
-voor zijn diensten slecht genoeg beloond!”
-
-„Sjonge-jonge, ’t zal warm worden vandaag”, verzekerde Harmen
-luidruchtig. De anderen keken eens omhoog,—aan den hemel viel geen
-wolkje te bespeuren. Nu stond de zon nog niet hoog, en niettemin
-brandde ze al geducht.
-
-Dolimah was dien morgen erg stil. Ze neuriede niet, zooals anders
-wanneer ze met de jongens meetrippelde.
-
-„Je bent zoo stil, Dolimah?” vroeg Rolf. „Denk je ergens aan?”
-
-Het meisje schudde, opgeschrikt uit overpeinzingen, het hoofd. Maar na
-eenigen tijd zei ze uit zichzelf, de oogen naar den grond gericht: „Ik
-denk er aan wat mijn zusjes en broertjes nu doen. Ze zullen nu al wel
-gebaad hebben in de rivier, en Dajik en Oeng zijn met Karidien mee in
-de velden om te ploegen met onze karbouwen. Straks, als de bibit uit de
-kweekbedden naar de sawah wordt overgeplant, helpen wij ook. En later
-weer, om de gèdèngs te binden..... nu, ja, Kartina niet: die kan zoo
-mooi batikken, dat ze niets anders doet en nooit meegaat in de sawah.”
-Dolimah zuchtte. „Dajik, mijn jongste broertje, zal bedroefd zijn, dat
-ik weg ben. Hij houdt van alle menschen en ook van alle dieren en
-vogels. En van de boomen houdt Dajik, en van de bloemen; hij kent ze
-alle. En van mooie steenen houdt hij en van de wolken..... toen hij
-heel klein was en ik hem soms op mijn armen droeg, was hij al zoo.....”
-Dolimah staarde peinzend naar de bergen in de verte, zei toen
-eensklaps: „Als..... als ik ooit weer in mijn dorp terugkwam, zou Dajik
-zeggen: Ik wist het wel.....”
-
-De zon begon zoo te steken, dat de jongens duizelig en onwel werden en
-zich met gloeiende hoofden en kloppende slapen onder een paar eenzame
-struiken neerlegden, er zorg voor dragend, dat vooral Padde zooveel
-mogelijk schaduw had. De lucht trilde van hitte; wanneer onze zwervers
-liggend over de vlakte staarden, zagen ze de berg-omtrekken sidderen.
-
-Geen van de jongens had lust in eten. Met een droge keel sliepen ze in.
-
-Toen ze ontwaakten, was het iets minder heet geworden. Harmen stond op,
-werkte de kip los van den pikolan, sneed haar de keel af en sloeg aan
-het plukken.
-
-Dolimah wist na eenige moeite een vuurtje te doen ontvlammen; de kip
-werd gebraden en was heerlijk malsch.
-
-Wat verkwikt, zetten de jongens den tocht weer voort. Padde sliep nog
-altijd, zoodat Harmen er hem van verdacht, dat hij zijn oogen maar
-dichthield om niet te hoeven loopen.
-
-Er scheen aan het rotsplateau geen einde te zullen komen: de bergen
-waren nog even ver als vanmorgen. Hoog in de lucht cirkelde een
-adelaar. Ze liepen tot de schemering door, in de hoop een zachteren
-bodem te vinden om vannacht op te slapen. Vergeefs. Alles steen en nog
-eens steen. En mocht de bodem overdag zoo gloeiend heet zijn, dat de
-jongens er hun voeten haast aan brandden, nu was hij kil en leverde
-allesbehalve een lekker bed op.
-
-Harmen maakte een groot vuur. Door den rossen schijn gelokt, kwamen
-vleermuizen aanfladderen, en, stillekes bijeenhokkend, volgden de
-jongens met de oogen het grillig wiekenspel.
-
-„Saleiman heeft gezegd”, begon Dolimah onverwachts, „dat met nieuwe
-maan de poeasah begint. Dan is er feest in ons dorpje. En Dajik zal
-vragen: Waar is Dolimah? Weet ze niet, dat het poeasah is?” Er trilde
-iets in Dolimah’s stem.
-
-De jongens hadden nauwelijks verstaan wat Dolimah zei; ze hadden nu
-geen lust zich tot luisteren in te spannen. Maar allen hoorden er in
-wat ook hen vanavond weer sterker dan ooit kwelde.....
-
-„Ze heeft verlangst”, zei Harmen.—De anderen zwegen, knikten even.
-
-Maar opeens wees Hajo met de hand naar het Westen. „Kijk daar eens!
-Meeuwen!”
-
-Verrast keken de anderen om: de klank van het woord had in hen allen
-een gevoelige snaar geroerd. Meeuwen.....! Daar, ver in het Westen,
-zweefden ze, maakten hun avondvlucht. Als peinzend sloegen ze, zwierend
-door de kalme lucht, nu en dan even met de vleugels, wenschten elkaar
-in het voorbijgaan goeden nacht. Stil! Als je den adem inhield, hoorde
-je het. „Tsjie......iep!” Een kwam er nader, achten aaneenrijgend tot
-een langen keten, en met zijn vleugel wenkte hij de jongens.
-„Tsjiep!..... de zee is er nog! Ze laat groeten en vraagt.....tsjiep!
-waar jullie blijven!” Nog eens wenkte de meeuw, toen dreef ze weer
-weg..... tsjiep.....!
-
-De nacht was sluipend nader geschreden en had zijn met diamanten
-gevoerden mantel wijd over den hemel uitgeworpen. De blankgevederden
-boden van de zee verschimden.
-
-Maar in de harten der knapen hadden ze een groote blijdschap
-achtergelaten. De zee! Daar in het Westen, niet veraf, was de zee! Nu
-voelden ze hoe vaak ze er naar verlangd hadden wanneer ze, beklemd door
-den muur van groen rondom, zwijgend bijeengezeten hadden. Soms waren
-ze, er naar snakkend om weer eens vrijuit te ademen, vol verbeten woede
-tegen dat groen voorwaarts gedrongen, wegkappend de bloemen, takken,
-wortels, slingerplanten, en wanneer ze er tenslotte hijgend bij
-neerzonken, waren ze door een nieuwen muur omsloten, even beklemmend en
-onverbreekbaar als de vorige. En terwijl ze tusschen het geboomte
-geesten spottend hoorden fluisteren, hadden ze in ’t verborgen, zonder
-het elkaar te laten merken, van verlangen naar huis gesnikt, dat de
-tranen hun over de bruine wangen stroomden.....
-
-Maar nu..... had de zee zich weer aangemeld! Nu, morgen vroeg, zouden
-ze niet meer naar het Zuiden, maar naar het Westen loopen, nietwaar,
-Rolf? Ze zouden den blik weer vrijuit laten zwieren, de frissche, zoute
-lucht weer met volle teugen opsnuiven!
-
-Morgen naar het Westen! Morgen naar de zee! Soms streek een windvlaag
-over het plateau, schonk den jongens een zoete verbeelding van ver,
-vaag branding-ruischen en voerde in het wijken hun zielen mee, als een
-terugvloeiende golf de schelpjes, die op het strand zijn aangespoeld.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE BIJAWAK
-
-
-Toen ze al vroeg in den volgenden ochtend de draagbaar weer oppakten,
-ontwaakte Padde en keek verbaasd, met matten oogopslag naar boven.
-„W-wat zal ik n-nou beleven.....?” stamelde hij.
-
-„Padde.....?! Ben je weer beter? Hoe voel je je?”
-
-„Best. ’k Heb zoo fijn geslapen. Maar ik voel me nog..... zoo moe.
-Dragen jullie me?”
-
-„We zullen je later alles vertellen, als je weer heelemaal beter bent!
-We gaan nou naar zee, Padde! Naar ’t Westen, dan is het niet ver!”
-
-Padde glimlachte. „Nou, ik vind het best, zeg! Ik zal blij zijn, als ik
-de zee weer zie!”
-
-En genoegelijk liet hij zich voortdragen. „’t Is me hier ’t zonnetje
-wel! Ik zal maar een takje boven m’n kop houden, dan heb ik er niet
-zoo’n last van.” En tegen Harmen: „Nou mag jij wel weer eens een eindje
-dragen, Harmen! Kijk Hajo eens zweeten op zijn rug!”
-
-„Als we je om de tien passen zouden overtakelen, lagen we in een
-ommezien allemaal op de lij!” meende Harmen.
-
-„Om de tien passen!” smaalde Padde. „Hoe lang draag jij nou al wel,
-Hajo? Toch minstens een uur?”
-
-„Ik kan nog best!” gromde Hajo, wrevelig over Padde’s ongewenschte
-deelneming in zijn lot.
-
-„Ja, dat zie ik aan je rug!” hoonde Padde. „’t Lijkt wel of er pas
-gezwabberd is! Vooruit, Harmen, wees niet zoo kinderachtig! Jij loopt
-toch maar niks te doen!”
-
-„Goeie morrege: niks doen!” gromde Harmen. En, plots grinnikend, voegde
-hij er aan toe, duidend op het biggetje aan zijn pikolan: „’k Dráág
-ommers al een varken?”
-
-Padde zocht grimmig naar een vlijmscherp antwoord. Hij vond er geen.
-
-Maar spoedig was Padde de beleediging weer vergeten. Hij begon zachtjes
-te fluiten, de oogen dicht tegen de zon. „’k Lig hier fijn!” stelde hij
-de anderen gerust. „Als in een koets! Jij bent de palfrenier, Rolf! En
-Harmen is het paard. Hu, paard!” Padde smakte met de tong.
-
-Harmen, die nu toch Hajo’s taak had overgenomen, keerde zich om. „Zeg
-er eens, jij ligt daar zoo’n lawaai te schoppen: kun je nog niet
-loopen?”
-
-Padde keek sip. „’k Zal eens kijken!” zuchtte hij en richtte zich op.
-Maar alleen die beweging kostte hem al zooveel inspanning, dat hij
-lijkwit, met gesloten oogen, weer achterover viel. Harmen zag, dat het
-niet geveinsd was. „Nou, vooruit dan maar weer.....” zuchtte hij.—En
-Rolf berispte: „Je moet stil blijven, Padde, en ook niet fluiten! Hoe
-gauwer je beter bent, hoe prettiger het voor ons allemaal is.”
-
-„Knap maar.....” prevelde Padde.
-
-Onverwachts vertoonde zich voor hun oogen een breede scheur in de
-rotsen, en, naderende, hoorden ze, dat in de diepte een beekje
-stroomde, waarschijnlijk hetzelfde als waarover de rotan-brug gelegen
-had. Ook hier was de kloof onheilspellend diep en van er overheen te
-komen geen sprake. Nu, als ze het beekje maar volgden, kwamen ze
-vanzelf aan zee!
-
-Uit de diepte steeg een aangename koelte op. Ook het heldere stroompje
-daarbeneden lokte; de kokosnoten, die ze vooral ter wille van de melk
-meevoerden, waren bijna op!
-
-„’t Zou daar in de schaduw beter zijn dan hierboven”, meende Rolf,
-terwijl hij over den rand keek. „Misschien kunnen we verderop ergens
-omlaagklauteren!”
-
-„Ja, laten we nog wat doorloopen!” stelde Padde uit zijn draagstoel
-voor. „Misschien vinden we nog een goeie plek!”
-
-Harmen keek hem met grenzelooze verachting aan. „Zeker, Koning
-Knolraap!” schimpte hij. „Als je voeten er vuil van worden, zal Harmen
-ze wel schoonlikken!”
-
-Padde gromde wat.—Zwijgend, nu en dan een blik in de kloof werpend,
-gingen de jongens voort. En.....! ze hadden nog geen half uur geloopen,
-of van deze zijde der kloof daalde een ruwe, door de natuur gevormde
-trap af! In alle omzichtigheid en vergezeld van honderd waarschuwingen
-en raadgevingen van Padde, die met zijn hoofd schuin uit zijn
-draagstoel hing, klauterden de jongens omlaag in de heerlijke koelte.
-Hun eerste werk was, van hun handen een bekertje te maken en gretig het
-frissche, heldere bergwater op te slurpen.
-
-En toen werd beraadslaagd wat er nu gebeuren moest. Wanneer de jongens
-door de kloof hun tocht wilden vervolgen, moesten ze door het riviertje
-waden! Nu, alles beter dan daar boven in de gloeiende zon te tippelen!
-Hier was ook plantengroei; verderop scheen het zelfs alsof ze zich door
-de overhangende struiken baan zouden moeten breken. Maar zouden ze een
-droge plek vinden om den nacht door te brengen?
-
-Kom! Ze namen Padde op en vervolgden hun weg, nu door de kloof. Het
-ging beter dan ze verwacht hadden. Wel lagen in het water steenen, die
-vervelend drukten in de voetholten, maar ze waren alle door het water
-afgerond en hadden geen scherpe kanten. Weldadig deed het aan toen de
-jongens zich door het overhangende groen heenwerkten: er zaten geen
-stekels aan de twijgen, en de bladeren waren frisch en zacht.
-
-Op een grooten, platten bergsteen legden ze Padde een oogenblikje neer
-en namen een bad. Ook Joppie deed ditmaal mee: hij was toch al
-kletsnat.
-
-Na een uurtje gingen ze weer verder, en zie! hier liep langs het water
-een paadje! Dat maakte het loopen vrij wat lichter!
-
-Langzaam-aan begon het te schemeren, zoodat de jongens naar een plaats
-moesten uitkijken waar ze den nacht konden doorbrengen.
-
-„We zullen maar ergens aan de kant gaan liggen!” zei Harmen.
-
-Het was niet erg aanlokkelijk. Aarzelend hielden de anderen stil en
-keken de nu in de schemering wonderlijk geheimzinnige kloof door. „Als
-we nog eens door liepen tot aan de bocht?” vroeg Hajo.
-
-Zonder veel hoop liepen de jongens nog even door en..... en geloofden
-hun oogen niet! Als een gordijn hingen een paar bladerrijke takken
-neer, en toen ze die terzijde schoven, stonden ze voor een prachtig,
-zandig plekje, ter zijde van het water. De rotswanden waren hier geheel
-begroeid; met geurige bloemen overdekte boompjes hingen vertrouwelijk
-over dit knusse kamertje in de natuur, en daaronder stonden in den wand
-zachtgroene varens.
-
-„Dâ’s andere koek!” riep Harmen.
-
-Padde rekte zich den hals uit. „Ga opzij! Ik kan niets zien!”
-
-„Jawel, radjah Boendersteel!” zei Harmen. „Kan uwes zoo beter zien?”
-
-„Ja.—Wat ligt daar voor een beest?! Een..... een krokodil!”
-
-„Wáár.....?!”
-
-„Daar, onder die boom met die roode bloemen!”
-
-Harmen snelde toe. En zie..... daar rende, met slangachtige
-lichaamswendingen, een enorm groote hagedis weg. Het beest schoot, daar
-hem geen andere uitweg bleef, tusschen Harmen’s beenen door en deed hem
-door een geduchten zwaai met den staart in het zand ploffen. Nu wilde
-Hajo het dier den weg versperren, maar het wierp zich op; een
-geel-witte buik glansde Hajo tegen, en toen onze vriend haastig
-terzijde sprong, scheerde een zware poot met lange, scherpe nagels hem
-rakelings langs het gelaat. Met een plons stortte het dier zich in het
-water, dat hoog opspatte..... en was verdwenen.
-
-De jongens waren beduusd. „Een bijawak.....!” stamelde Dolimah.
-
-„Was het geen krokodil?” vroeg Rolf.
-
-„Neen”, zij Dolimah, „het was maar een bijawak, maar een heel groote!
-Hij rooft veel kippen en eieren!”
-
-„Laat hem naar de weerlicht loopen!” pruttelde Harmen, die weer
-overeind gekrabbeld was. „Kom, jongens, ’t is hier fijn, da’s vast!” En
-de jongens namen het idyllische plekje voor den nacht in bezit. Een bed
-van varens was gauw gemaakt; Dolimah slaagde er in, een paar droge
-takjes vuur te doen vatten. Veel dood hout was er niet te vinden,
-ofschoon genoeg boomen daarboven de kloof overwelfden,—de regen zou het
-wel hebben weggespoeld. Ze moesten dus maar groen hout branden, dat
-verbazend knapte, maar tenslotte toch vlam vatte.
-
-„Tja!” zei Harmen, „we hebben het niet voor het uitzoeken en van de
-lucht kunnen we niet leven, dus..... hou je maar klaar, ouwe jongen!”
-Harmen had het tegen het biggetje. „Dat je het niet lollig vindt, zie
-ik zoo wel aan je snoet, maar..... je moet maar denken: beter goed
-gebraje, als half gaar gekookt!”
-
-„Chrrrrr.....!” knorde het arme diertje.
-
-„Geduld!” zei Harmen. En hij begon op een vlakken steen zijn mes te
-wetten. De krulstaart wachtte met slaperige, halfdichte oogjes,
-
-Dolimah vertelde met zachte, trage stem van een bijawak, die in haar
-dorpje gevangen was en gedood. Droomend luisterden de jongens. Het vuur
-was gaan smeulen, gaf nauwelijks meer wat glans af. Maanlicht viel nu
-door de bladeren. Roerloos, als zilveren orgelpijpen, stonden de
-stralen bundels. In een ervan daalde, zachtkens wiegelend, een dood
-blad omlaag, wentelend om het steeltje.
-
-Harmen’s mes was nu gewet en blonk. „Kom!” zei onze koksmaat, overeind
-springend en wat hout op het vuur gooiend, zoodat het spoedig weer
-oplaaide. „Kom jij nou maar eens bij Harremen, ouwe heer, hij zal je
-niks doen.”
-
-„Harmen”, zei Rolf een weinig geprikkeld, „dat dat beestje geslacht
-moet worden, spreekt vanzelf, maar ik wou, dat je er die redevoeringen
-nu maar bij achterwege liet. En ga er wat mee op zij, dat Dolimah het
-niet ziet.”
-
-Harmen staarde Rolf met grenzelooze verbazing aan. „Zeker, Majesteit!”
-stamelde hij toen, want Harmen’s gedachten schenen zich vandaag in
-vorstelijke kringen te vermeien, „uwes heeft maar te bevelen!—Hier,
-mormel!” zei hij minder eerbiedig tegen het arme krulstaartje, dat er
-toch wel het allerminst schuld aan had. „’k Zou anders weleens willen
-weten, wie zulke zaakjes moest opknappen, als Harmen het niet deed!”
-
-„Ik!” zei Rolf kortaf.
-
-„’k Hoor het je zeggen!” hoonde Harmen. „Neen, wees maar blij, dat
-Harremen zich over je ontfermt, stom dier, want zij zouden je samen
-liever doodpesten, dan je even een ritsje te geven! Ja, als je uit de
-kombuis komt! Dan staan ze met hun petje klaar! Ze denken zeker, dat je
-vanzelf de pan bent ingevlogen.....” En Harmen ging met zijn
-beschermeling grommend den hoek om.
-
-Maar toen hij even later met een reeds gevild biggetje terugkeerde, was
-hij zijn gramschap vergeten. „Daar heb je mosjeu!” riep hij vergenoegd
-uit. „We hebben er voor morgen ook nog zat aan. Is ’t geen mooi
-portretje? Hij zei nog, dat z’n pootjes het lekkerst bennen—nou, geef
-m’n spies dan maar eens hier, Hajo, dan zullen we eens kijken of hij de
-waarheid heeft gesproken!”
-
-Den rooden weerschijn van de oplaaiende vlammen tegen het naakte
-bovenlichaam, stond Harmen zijn biggetje te braden; hij scheen een ware
-duivel, zooals hij grinnikend de speer, met aan het uiteinde de
-sissende, vetdruipende bout, in de vlammen draaide.
-
-Grotesk nabootsend elke beweging, stond zijn schaduw fantastisch-groot
-tegen den kalen rotswand aan de overzijde.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DEN DANS ONTSPRONGEN
-
-
-Al vroeg in den volgenden ochtend werden de zwervers wakker door het
-verwoed gekrijsch van een paar dozijn kleine apen, die den rotswand aan
-de overzijde op en af snelden, met handen en voeten zich klemmend aan
-de steenpunten. Ook in de boomen daarboven krioelde het. Onze vrienden
-schenen midden in een apenkolonie te zijn verzeild.
-
-De zon was er nog niet. Tegen den licht-grauwen hemel gloeiden een paar
-roodgrijze wolkjes. In het Zuiden trokken kalongs voorbij in de
-richting van de kust. Traag, nog trager dan ’s avonds, wanneer ze op
-plundertocht uitgaan, vlogen de reusachtige vleermuizen, nu verzadigd,
-achter elkaar aan naar hun dag-slaapplaatsen terug. De vlucht
-verbreedde zich: nu streken er ook recht over de hoofden der knapen
-heen. Maar eindelijk sloten ze minder dicht aaneen. Nog een paar
-achtergebleven schrok-ops, die van de vruchten niet konden
-scheiden!—voorbij was de stoet.
-
-Nu kwamen van het Westen, in tegenovergestelde richting, zwarte wolken
-aandrijven. Onheilspellend doemden ze achter den rotswand aan de
-overzijde op, maar, recht boven de kloof gekomen, gingen de koppen
-gloeien, en het was, als aarzelden ze verder te gaan. Van achteren
-echter stuwden de anderen op, en zoo schoof allengs een zware, zwarte
-wand over de kloof, die nu iets van een langen, griezeligen grafkelder
-kreeg.
-
-De jongens lagen achterover op hun bed van varens en staarden half
-wakker naar boven. Alles was duister en geheimzinnig: die zwarte
-lijkdoek hoog boven de kloof, de grijze rotswand voor hen, waartegen nu
-en dan een licht buikje van een aap glansde, die donkere boomen daar
-heel in de hoogte..... Het schuimende water schitterde hel op uit al
-die donkerte, en het geruisch scheen sterker te worden, naarmate de
-druk in de natuur de andere geluiden verstommen deed. De aapjes
-krijschten nu niet meer, sprongen zwijgend, haastig op en neer, soms
-vanaf een rotspunt als boosaardige duiveltjes de jongens aanloerend met
-vinnige oogen, of den bek opensperrend, dat de hoektanden geheel bloot
-kwamen.
-
-Geheel onverwachts, alsof er plots een reusachtige dievenlantaren
-geopend werd, sloeg een valsch goud licht van onderen tegen de zwarte
-wolken op. En het werd nog stiller. Het ruischen van het water kreeg
-zoo’n macht over de jongens, dat het hun toescheen, of ze nooit iets
-anders gehoord hadden en zij ook nooit meer iets anders hooren zouden;
-in den ban daarvan lagen ze futloos neer, en hun gedachten konden zich
-niet boven het ruischen uitwerken.
-
-Maar daar begon het uit den hemel te lekken. Warme regendroppels vielen
-hun op het lichaam en wekten hen uit hun versuft luisteren. Terwijl het
-apenvolkje met haastige sprongen naar hun nesten hoog in de boomen
-vluchtte, richtte Rolf zich eensklaps op en keek den anderen verschrikt
-aan. „Jongens! Het gaat regenen! En de rivier..... zal volloopen!!”
-
-Harmen, Hajo en Joppie waren in één sprong overeind. Ze moesten hier
-weg, dat begrepen allen, en hals over kop werd alles bijeengepakt. De
-overgebleven varkensbout was spoorloos verdwenen,—Harmen vond nog juist
-even tijd den bijawak van den roof te verdenken en in het algemeen zijn
-meening over bijawaks uiteen te zetten. Toen werd Padde opgenomen, en
-voort ging het.....!
-
-„’t Zou niks lollig zijn als we verdronken!” meende Harmen. „Alle
-moeite en kosten voor niks geweest, hè?”
-
-Uit de vallende droppen werd een regen. Langs beide rotswanden vloeide
-het water omlaag.
-
-Na een half uur was het riviertje zooveel breeder geworden, dat het pad
-aan den kant onder water stond.
-
-Joppie plaste met groote sprongen door het water, dat hem al bijna tot
-aan de borst reikte. En plots dreef hij af, trachtte vergeefs tegen den
-snellen stroom in te zwemmen, werd meegesleurd tot hij zich op een
-hoogen steen in veiligheid wist te brengen. Met verschrikte oogen,
-zacht jankend, wachtte hij de jongens op.
-
-„Als het water blijft stijgen, staat ons hetzelfde te wachten”, zei
-Rolf bezorgd.
-
-„Waren we maar nooit in die smerige kloof gegaan!” jammerde Padde. „Ik
-had al zoo iets gedacht!”
-
-De anderen luisterden niet naar Padde’s wijsheid achteraf. „Kom dan
-maar hier, mormel!” zei Harmen en nam Joppie onder den arm. „Jij bent
-ook een mensch!” Joppie begon Harmen’s gezicht met de tong schoon te
-wasschen,—waartegen Harmen zich niet anders dan door een reeks
-verwenschingen kon verweren, want hij had beide armen vol.
-
-Dolimah waadde zwijgend tusschen de anderen voort, nu en en dan angstig
-omziend.
-
-De hemel werd minder donker; de regen nam in hevigheid af. Maar het
-water steeg, steeg tergend zeker. Het reikte hun al boven de knieën, en
-Padde’s draagstoel dompelde telkens onder, wanneer Hajo of Rolf in een
-kuil trapte. Dan stak Padde vlug zijn hoofd op, om althans dat boven
-water te houden. Gewoonlijk deed hij het te laat.
-
-Het ging er om spannen! Nog altijd rezen de meedoogenlooze steenen
-wanden even steil en onbeklimbaar omhoog, en het water begon tot aan
-den buik te reiken, zoodat Padde rechtop moest gaan zitten.
-
-„’k Heb zoo’n honger.....” klaagde Harmen. Geen der anderen leed in
-deze hachelijke oogenblikken aan honger.
-
-Ze kwamen aan stroomversnellingen. Dat werd lastig. Onstuimig danste
-het water tusschen de steenen voort. Terwijl ze voorzichtig trachtten,
-Padde over de gevaarlijke plaats heen te helpen, gleed Rolf uit;
-daardoor ontglipte de draagstoel aan Hajo’s vingers, en Padde ging
-samen met Rolf kopje-onder. Ze kwamen weer boven, tolden in het water
-voort. Rolf tornde tegen een grooten steen op, wist zich er op te
-werken en zag verward naar de anderen rond. Padde dreef door,
-ploeterend met armen en beenen.....!—Maar in hetzelfde oogen blik had
-Hajo zich voorover in het water geworpen en zwom nu achter Padde aan,
-met krachtige armslagen. Hij won terrein, kreeg den spartelenden Padde
-bij zijn beenen te pakken, trok hem al zwemmende naar links, waar het
-water het ondiepst was, kwam daar overeind te staan en hielp Padde ook
-op de been. Hulpeloos en verschrikt, zich nog moeilijk staande houdend,
-klemde Padde zich aan zijn makker vast.
-
-„Pak ons maar bij den arm, Padde!” zei Rolf, die hijgend kwam aan
-waden. „Het loopt niet moeilijk met de stroom mee. De draagstoel is
-weggedreven.”
-
-De angst in het hart, vervolgden de jongens hun tocht, Padde
-strompelend en vallend, maar de anderen hielden hem stevig vast, al
-liepen ze zelf ook al met knikkende knieën.....
-
-Ze kwamen een bocht om, en Harmen stootte een kreet uit..... de kloof
-sloot zich van boven; het water stroomde een donkere grot in. Wat te
-doen?! De jongens staakten ontzet hun loop. Nergens konden ze naar
-boven; er was maar één uitweg..... „De grot in!” beval Rolf.
-
-„Ik durf niet.....!” snikte Padde.
-
-„Kom mee!” zei Rolf onverbiddelijk.
-
-En de jongens liepen de grot in. Dolimah aarzelde even; toen stuwde de
-stroom haar vanzelf de grot in. Ook Joppie in Harmen’s armen was
-benauwd.—„Ja, nou moet jij nog gaan gillen ook!” mopperde Harmen. „Dan
-ga je meteen overboord, begrepen?”
-
-Joppie begreep.
-
-De boven- en zijwanden van de grot waren glinsterend-zwart van het
-water, dat er langs neer vloeide, en hier en daar was de grot zoo laag,
-dat de jongens er slechts met gebukt hoofd konden loopen. Overigens
-scheen ze als vergaderzaal voor vleermuizen gebezigd te worden, die
-rumoerig piepten bij het onverwachte bezoek. Maar de jongens merkten ze
-nauwelijks op, schrikten hoogstens even, wanneer er hun een langs het
-gelaat fladderde. Voort! Gejaagd, nu en dan het hoofd stootend in de
-duisternis, strompelden ze door het water, den blik star vooruit, of
-nog geen lichtschemering het einde der grot zou aankondigen. Padde kon
-zich niet meer op den been houden, werd half gedragen. En Harmen was te
-bewonderen om den leeuwenmoed waarmee hij Joppie nog torste, die toch
-op den duur zeker geen vrachtje was waarmee te spotten viel. Werd de
-kloof nog donkerder.....? Padde snikte, leunde zijn hoofd op Hajo’s
-schouder en verzette nauwelijks meer zijn beenen, toen.....!
-
-„Licht!” riep Hajo. „Het wordt weer licht!!”
-
-Dat staalde de spieren. Hijgend, met opgetrokken schouders, als drukte
-de duisternis op hen, ontvluchtten de jongens de griezelige,
-angstwekkende grot met haar muffe lucht en haar vleermuizen. Ja! daar
-was het einde! Daar was het daglicht weer, heerlijk daglicht!
-
-Ze kwamen de grot uitwaden, zagen om zich heen en haalden diep adem van
-verlichting. De rotswanden waren spoorloos verdwenen, als weggetooverd
-door een goede fee, en aan beide vlakke oevers stonden boomen. In een
-plotselinge opwelling, met een vreugdesnik, wierpen de jongens zich
-voorover, Rolf en Hajo met Padde aan de hand, en Harmen, die Joppie in
-zijn nekvel voor zich uit hield, en zwommen naar den wal.
-
-Ze kropen aan den oever, hielpen Dolimah op den kant. Toen liepen ze
-een eindje terug, wankelden tegen de helling der grot op, zochten een
-zacht plekje en ploften neer.
-
-„Hè, Joppie, morremel, zou je nou niet eens: dankje, Harmen zeggen?”
-
-Joppie lag met den kop op de voorpooten. Hij zuchtte diep, krabbelde
-naderbij en legde zich tegen Harmen’s dampende lichaam.
-
-Oververmoeid sliepen de jongens in.
-
-De regen plaste.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HARMEN EN PADDE OP DE VISCHVANGST
-
-
-Toen de jongens ontwaakten, was het droog. En niet alleen dat. Een
-stralend blauwe hemel stond als een koepel boven hun hoofd, en midden
-daarin hing een kostbare gouden luchter: de zon.
-
-Opwekkende geuren wasemde de grond. De natte, glimmende boomen, de
-zwartgeregende takken straalden weer felgroene plekken uit, en de lucht
-was vol vogelgerucht en bonte wiekglanzen.
-
-Zie! daar kwam het stroompje de kloof uitdansen, holderdebolder over de
-steenen, dat het water hoog opstoof, tintelend in alle kleuren nu de
-zon er op scheen. De ingang der grot was feestelijk getooid met bloemen
-en varens en zag er zoo lokkend geheimzinnig uit, dat je haast lust zou
-krijgen er weer in te gaan. Brrr!
-
-Terwijl Dolimah met Padde bleef zitten, keken de anderen eens naar iets
-als een pad uit, waarlangs ze hun weg zouden kunnen vervolgen. Maar
-alles was met dicht struikgewas begroeid, en daar tusschen in stonden
-als grimmige kampvechters de boomen te worstelen om licht en leven. Hoe
-er door te komen?
-
-Harmen dacht voorloopig alleen maar aan zijn maag, vond enkele eetbare
-vruchten en keerde daarmee terstond terug om een vuurtje te maken
-waarin hij de vruchten kon poffen. Na veel moeite wist hij uit een paar
-splinters een vlammetje te tooveren. „Hajo!” riep hij, „zou je voor de
-kombuis niet eens een paar vette duiven kunnen proviandeeren? Ze zitten
-hier zat; je moet ze maar fluiten!”
-
-Hajo kwam juist met Rolf aanloopen. „Ik heb nu geen tijd!” riep hij
-opgewonden. „Rolf weet er wat op om naar zee te komen. We laten ons de
-rivier afzakken! Met een vlot!”
-
-Harmen vergat de duiven, sperde aangenaam verrast zijn mond open. „Daar
-heb je me voor!” bekende hij. En zonder talmen ging hij met zijn
-makkers aan het werk.
-
-Ze kapten eerst een twintigtal stevige bamboes, die ze op een lengte
-van vijftien voet terugbrachten, daarna nog evenveel stelen van tien
-voet en maakten daaruit den onderbouw. Gelukkig tierde er welig
-rotan,—waar was dat in het woud eigenlijk niet het geval? De jongens
-ontdeden de buigzame, taaie stengels van de doornen en gebruikten ze om
-de dwarse bamboes stevig over de andere te snoeren.
-
-Dolimah was komen kijken. „Bekin apah?” vroeg ze. „Wat wordt hier
-gedaan?”
-
-„We maken een vlot om de rivier mee af te zakken!”
-
-Dolimah keek peinzend toe, terwijl de jongens hijgend over het
-vlot-geraamte kropen en trokken en zwoegden, dat het zweet hun onder de
-haren wegdroop. „De rivier gaat naar zee”, zei ze na eenig zwijgen.
-„Alle rivieren gaan naar zee.”
-
-„Nu, dat willen we immers ook!” meende Rolf.
-
-„En dan?” vroeg Dolimah zacht. „Als u bij de zee is aangekomen.....?”
-
-„Dan varen we naar Bantem! We zullen wel ergens een boot vinden.”
-
-Dolimah zei niets meer, ging zwijgend bij Padde zitten.
-
-Na een paar uur was het geraamte voor het vlot gereed. Drie vaardige
-scheepsjongens, die drie knoopen sloegen in den tijd, dat een landrot
-nog nadacht hoe hij beginnen zou! Harmen liep de knoopen nog even af,
-alsof ie de bootsman zelf was. „Als de boel gaat wrikken, is de schuit
-geen pruim meer waard!” verzekerde hij vol vakkennis.
-
-„Nu moeten we eens aan een bovenbedekking gaan denken”, zei Rolf. „Als
-we er eens half gespleten bamboetjes overheen bonden?”
-
-„Je kan er voor mijn part net op binden, wat je maar wilt”, verzekerde
-Harmen. „Al wou je er acht dozijn ouderlingen op binden, met de neuzen
-naar boven en de bijbel in de hand. Maar Harremen zal eerst eens zien
-of er niks te bikken valt!”
-
-„We kunnen wat gaan visschen!” meende Padde vanaf zijn helling.
-
-Padde was soms toch snuggerder dan je dacht. Vooral in het oplossen van
-etensproblemen.
-
-„Zou hier in het water visch zitten?” vroeg Hajo.
-
-„In het water eerder as op de boomen”, verzekerde Harmen. „Je kunt eens
-een lijntje uitgooien, hè? En als ’t niet wil bijten, spuug je maar
-eens in het water, dan komen ze. Ga daar maar in dat kreekje liggen,
-Padde. Daar lig je goed.”
-
-„Hoe kom ik aan een simmetje?” vroeg Padde.
-
-„Had ik m’n broek nog maar”, zuchtte Harmen. „Daar zaten haakjes zat
-in; ik kon m’n hand niet in m’n zak steken, of er bleven er een paar
-aan m’n vingers hangen. ’k Heb altoos graag mogen visschen.”
-
-„Een bamboezen haakje is ook hard genoeg”, meende Rolf.
-
-„En ik heb nog wat pikdraad in m’n zak!” zei Hajo.
-
-„Hier d’r mee!” beval Padde, die kwam aansukkelen en al weer vrij
-aardig ter been scheen te zijn. Visschen was altijd zijn
-lievelingswerkje geweest. „Ziezoo. Gaan jullie maar door met het vlot,
-dan zal ik voor een lekker maaltje visch zorgen.”
-
-„Laat mij eerst ’t goede plekkie zoeken”, zei Harmen. „Anders vang je
-nog niks.”
-
-„Ik weet de goeie plekkies ook wel te vinden!” verzekerde Padde.
-
-„Ja, om te maffen”, schimpte Harmen. „Kom mee!”
-
-Terwijl Padde en Harmen ter vischvangst togen, Padde zich mopperend
-verwerend tegen Harmen’s bazigheid, halveerden Hajo en Rolf dunne
-bamboetjes en legden die met den bollen kant naar boven over het
-vlotgeraamte. Met dunne, gespleten rotanstengels werden ze
-vastgesnoerd.
-
-Het werkje vroeg veel tijd. Na een paar uren was pas de helft van het
-vlot bekleed. „Kom”, zei Rolf, „de zon gaat al onder! Laten we eens
-gaan kijken, wat de visscherij heeft opgeleverd!”
-
-„Padde kan het goed”, verzekerde Hajo. „Hij kwam altijd met de meeste
-visch thuis.”
-
-„Nou, m’n maag kriebelt al!” zei Rolf. En beide vrienden begaven zich
-naar de kreek waar Harmen en Padde zwijgend naar een bamboedobbertje
-zaten te koekeloeren. Padde was kletsnat.
-
-„Wil ’t wat bijten?” vroeg Hajo.
-
-Eerst geen antwoord. Toen pruttelde Padde: „Als Harmen zijn vingers
-maar thuis hield!”
-
-„Wil je ’t water weer invliegen?” vroeg Harmen.
-
-Padde zweeg, woest.
-
-
-
-Toen de beide visschers naar de kreek waren getogen, had Harmen eerst
-een hengelstok gesneden, er een fijn „simmetje” aan gemaakt, met aan
-het bamboehaakje een vette dauwpier, die ze uit den grond hadden
-geklopt. „Ziezoo, nou nog een goed plekkie! Daar onder die boom lig je
-goed: onder een boom lig je altijd goed”, zei Harmen.
-
-„Ik wil visschen”, verklaarde Padde. „Ik ben op de gedachte gekomen!”
-
-„Zien, dat je er weer afkomt”, raadde Harmen. „Jij kunt met je
-knipoogen immers geeneens zien, of je tuk hebt?”
-
-„Misschien beter dan jij!” schimpte Padde verontwaardigd. „’k Ben al
-eens met vijftien vette palingen thuis gekomen!”
-
-„Dan had je zeker een fuikje gelicht”, meende Harmen. „Nou, hou je
-gemak maar, baron, we zullen hier eens netjes gaan liggen. Niet te diep
-en tegen de kant,—daar zitten ze.”
-
-Er werd eenigen tijd gezwegen. Beide jongens tuurden naar den dobber,
-Padde stug, jaloersch dat Harmen den hengel hield; Harmen vol rustig
-vertrouwen, dat hij wel gauw „tuk” zou krijgen.
-
-Maar er kwam geen tuk. De dobber tolde wat rond, dreef langzaam tegen
-het riet. Harmen trok hem weer wat van den kant, wierp een handjevol
-zand en kiezel in het water. „Daar komen ze op af”, lichtte hij toe.
-
-„Of ze zwemmen er voor weg”, zei Padde.
-
-„’k Wou, dat jij ook maar wegzwom!” verzekerde Harmen.
-
-Zwijgen. Beide jongens tuurden naar den dobber, die weer langzaam tegen
-den kant dreef.
-
-„Spuug eens in het water?” vroeg Harmen. „Om ze te lokken?”
-
-Padde spuwde een bijzonder verlokkende witte vlok op het water.
-
-„Spuug nog eens?”
-
-„’k Heb geen spuug meer”, zei Padde, onwillig om bij te dragen tot
-Harmen’s succes.
-
-„Wat een vent!” smaalde Harmen. Hij schraapte zijn keel en spuwde
-vijfmaal achtereen in verschillende richtingen over het water, dat de
-visschen zelf waarschijnlijk niet wisten naar welken kant zij zich
-gelokt voelden. „Weet je wáár visch zit?” vroeg Harmen.
-
-„Jawel”, zei Padde, „daarginds, waar de kreek in het riviertje loopt.”
-
-„Neen. Bij Lubbes, achter ’t dijkje, bij de molen van Stoppel.”
-
-„Zal ik niet weten!” zei Padde. „Wurmen zijn er ook zat. Laatst was ik
-m’n bussie verloren, en toen moest ik daar versche wurmen zoeken.
-Zooveel als je maar lustte, hoor!”
-
-„Je bussie verloren?” vroeg Harmen na eenig turend zwijgen, (de jongens
-spraken met groote pauzen en staakten het gesprek zoodra er eenige
-beweging in den dobber scheen te willen komen) „je bussie verloren?
-Bewaar jij je wurremen in een bussie?”
-
-„En jij dan?” vroeg Padde.
-
-Pauze. Zwijgen. Turen.
-
-„In m’n mond natuurlijk”, zei Harmen. „Dan blijven ze lekker
-versch.—Weet je wat me laatst overkomen is?”
-
-„Nou?”
-
-Lange pauze.
-
-„Toen is me zoo’n mormel in m’n strot gekro.....”
-
-Pauze.
-
-„In m’n strot gekro.....”
-
-Lange pauze.
-
-„In m’n strot gekropen, de sallemander! Van schrik slikte ik de anderen
-ook nog in. ’k Had juist een reuze-tuk, anders had ik ’t natuurlijk wel
-gemorken.—Laatst gooi ik in. Wip! schiet er een bleitje op, een klein
-pest-dingetje. Maar meteen, dat ik ’m opsla, hap! zit er een snoek
-boven op. Ik laat vieren.....”
-
-„Harmen! Je hebt tuk.....!” fluisterde Padde.
-
-Het dobbertje wipte even omhoog. Bleef weer stil liggen. Twee paar
-oogen blikten star op het houten schijfje daar in het water.
-
-„Zal ik niet merken, als ik tuk heb!” smaalde Harmen na een diepen
-zucht. „Nou, die snoek zat er dus bovenop, hè? Ik liet ’m vieren.....”
-
-Maar Harmen’s snoek verhaal had geen geluk: weer scharrelde het
-dobbertje heen en weer en deed Harmen verstommen.
-
-„Haal op!” gilde Padde met onderdrukt geluid.
-
-Harmen schudde het hoofd zonder een oogenblik zijn blik van den dobber
-af te wenden. „Hij zuigt ommers pas!”
-
-„Haal op!” raasde Padde. „Hij vreet je heele haak schoon!”
-
-„’t Is geen vreten”, verklaarde Harmen, koppig. „’t Is zuigen.”
-
-Lang zwijgen. Nu en dan roerde zich het dobbertje onmerkbaar. De oogen
-deden pijn van het staren. Harmen had zijn snoek al zoover gevierd,
-minstens tot China of Japan, dat hem tenslotte de lust verging, het
-lang-dradige verhaal nog verder te vieren en hij den snoek dus maar
-zwemmen liet.—Het dobbertje roerde zich thans in het geheel niet meer
-en lag weer tegen het riet.
-
-„Wat een sagrijn was dat!” zei Harmen. „Zuigen maar, anders kon ie
-niks.”
-
-„Wedden, dat ie je haak heeft schoongevreten?” stelde Padde voor.
-
-Harmen aarzelde nog even, haalde toen met een verwensching een
-„schoonen” haak op.
-
-„Zie je nou wel?” vroeg Padde zegevierend. „Ik zag het wel, dat ie ’m
-schepte! Als je hem had opgehaald, toen ik het je zei, hadden we hem
-gehad.”
-
-„Vooruit, vang jij ’m dan!” smaalde Harmen en reikte Padde den
-hengelstok.
-
-Padde zweeg, wurmde een pier aan den haak. „Ik ga daarginder liggen!”
-verklaarde Padde. „Waar jij lag, is ’t een rotplekkie.”
-
-„Jij zoekt zeker weer naar ’t zeeziekvrije plekkie?” vroeg Harmen
-hoonend.
-
-Zwijgen. De knapen waren op Padde’s uitverkoren plekje aangeland. Met
-overleg peilde Padde de diepte van het water, ging toen een handbreedte
-boven den grond „liggen”. De jongens wachtten eenigen tijd. In den
-dobber viel nog geen beweging te bespeuren.
-
-„Op dat rotplekkie van mij had ik tenminste tuk”, merkte Harmen op.
-
-„Ik heb liever heelemaal geen tuk als zoo’n smerige tuk als jij hadt!”
-verklaarde Padde.
-
-„Wat mankeerde er dan aan die tuk van mij?” vroeg Harmen beleedigd.
-
-„Nou, je hebt toch zelf gezien, dat ie alleen maar zoog?”
-
-„Wel allemachies!” stamelde Harmen. „En daarnet zei je.....”
-
-„’t Kan dáárom al geen goeie tuk geweest zijn”, zei Padde, „omdat je
-veel te hoog lag. Die tuk van jou was zeker een katterige visch, die
-naar boven ging om lucht te scheppen. Daarom beet ie ook zoo slecht!”
-
-„Toch wou je, dat je hem had, die katterige zuigvisch!” zei Harmen.
-
-Zwijgen. Turen.
-
-Eindelijk..... daar roert zich iets! Harmen grijpt, starend naar het
-dobbertje, den hengel beet.
-
-„Laat je los?!” dreigt Padde.
-
-„Ssst! Ik help je alleen maar wat.”
-
-„Je zei, dat ik alleen mocht visschen!”
-
-„Nou goed dan, we visschen allebei alleen!” En Harmen rukte Padde den
-hengel uit de handen. „Nou heb je je zin, gouwe pil! Visch nou maar
-alleen.”
-
-Pats! Die had Harmen te pakken. Zijn wang zwol er van op. „Die is voor
-jou!” verklaarde Padde ten overvloede.
-
-Harmens oogen rolden. Hij kon vanwege den tuk zijn hengel niet
-loslaten, en daaruit maakte Padde wel wat voorbarig op, dat Harmen den
-mep in dank aanvaard had en slechts zweeg omdat tranen van aandoening
-hem de keel snoerden. Padde’s eigen gemoed was gelucht en daarmede zijn
-boosheid geweken. „’t Is een groote!” fluisterde hij Harmen
-vertrouwelijk toe. „Haal niet te vroeg op: ik zie aan je tuk, dat het
-een groote is!”
-
-Harmen zweeg, staarde naar den dobber als naar een doodsvijand.
-
-Floep! daar schoot het dingske onder. Harmen sloeg op, trok een grooten
-visch te voorschijn, maar halverwege wist de schrandere waterbewoner
-zich nog juist van het haakje te bevrijden, plaste op echte
-visschenmanier weer terug in zijn element, en de jongens hadden het
-nakijken.
-
-„Veel te woest opgehaald!” stelde Padde vast. „Je hadt.....”
-
-Het was Harmen’s eigen schuld, dat hij niet meer vernam wat hij had
-moeten doen om den visch aan den wal te lokken. Want nog vóór Padde had
-uitgesproken, wierp Harmen den hengel neer, sprong op Padde toe, hief
-hem half boven het hoofd en slingerde den armen, zich in het geheel van
-geen schuld bewusten jongen achter den visch aan. Ellen hoog spatte het
-water op; Padde ging kopje-onder, kwam weer boven, keek verward
-tusschen zijn lange haren door, die voor zijn gelaat hingen, en
-krabbelde toen naar den oever, waar hij in grimmig zwijgen vergeefs
-naar een kleedingstuk zocht om uit te wringen.
-
-Ditmaal was het Harmen, die zijn gemoed gelucht voelde. „Ja, Padde, als
-jij in het water gaat spartelen en alle visschen de stuipen op het lijf
-jaagt, moeten we een ander plekkie zoeken!” verweet hij vriendelijk,
-terwijl hij een verschen dauwpier een bamboezen ruggegraat schonk. „’k
-Had ’m anders op een haartje, zeg! Zou het een karper zijn geweest?”
-
-Padde kookte inwendig nog. Bij gebrek aan beter was hij zijn haar gaan
-uitwringen, dat daarna in Vesuvius-vorm op zijn hoofd bleef staan. „’t
-Was geen karper!” snauwde hij. „’t Was een doodgewone rot-blei.”
-
-„Nou, jij kunt het weten!” zei Harmen. „Jij hebt hem van dichtbij
-gezien, hè?” En Harmen begon te grinniken. „Kijk, zoo heb ik met Lange
-Lijs nou ook gedaan, toen ie me dat snoekje afkaapte. Maar die trof het
-niet zoo goed als jij: ’t was midden in de winter, weet je, en dan heb
-ik liever soep als slootwater in m’n maag. Wasch jij je ’s winters? Ik
-alleen als als ik vuil ben. Je krijgt er rimmetiek van!”
-
-Harmen liep een eindje de kreek om. Padde aarzelde even, wilde
-teruggaan naar de anderen, maar zijn visschershart maakte hem zwak: hij
-keerde om en ging triest en zwijgend bij Harmen zitten.
-
-Zoo troffen Hajo en Rolf hen. En zij schenen het geluk mee te brengen:
-de dobber schoot weg; Harmen haalde op, en aan den haak spartelde een
-groote, karperachtige visch.
-
-„Voorzichtig inhalen!” raadde Padde, in hooge mate opgewonden. En zoo
-kwam de visch onder algemeene hoede op het droge!
-
-Een half uur later siste en knapte hij in de vlammen. Want toen Harmen
-wat te braden had, won de kok het van den visscher, en Padde kon op
-zijn eentje rustig doorhengelen.
-
-„Nou”, zei Harmen, „nou kunnen we gaan bikken! Vet zullen we er niet
-van worden, maar als de maag maar weet, dat we ’m niet vergeten, is ie
-al half tevreden, de slobber.”
-
-„Misschien vangt Padde er nog wat bij”, meende Hajo.
-
-„Laat ie maar oppassen”, zei Harmen, bezorgd. „Straks valt ie ’t water
-nog in!”
-
-Maar even later kwam Padde met twee zware visschen aanzetten.
-
-„Die heb je zeker met je knipoogjes beduveld!” zei Harmen, pakte de
-visschen aan en woog ze in de hand. „Samen wel acht pond!” verzekerde
-hij. En de schubben stoven al in het rond, plakten hem op de polsen, in
-het haar, op de wangen, in de wenkbrauwen, totdat Harmen tenslotte zelf
-veel van een visch had.
-
-„Ze smaken fijn!” verklaarde hij, toen de visschen even later „op
-tafel” kwamen. „Ze smaken net als..... fijne, dure visch, als.....”
-
-„Als zalm, bedoel je?” vroeg Rolf.
-
-„Dat ken. De schipper en de heeren hebben het gegeten, toen we
-uitzeilden.”
-
-Rolf keek hem glimlachend aan. „Zeg, Harmen, hoe weet jij nou hoe die
-visschen smaakten? Op dat afscheidsdiner was jij toch niet gevraagd?”
-
-„Nou, als je het nou weten wilt”, zei Harmen, „deze visch smaakt,
-zooals die van de schipper rook!”
-
-Allen lachten. Harmen grinnikte er boven uit.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DOLIMAH’S HEIMWEE
-
-
-Na het eten gingen de jongens genoegelijk bijeen zitten; zij waren over
-hun dag tevreden.
-
-„Morgenochtend komen we met het dek wel klaar”, zei Rolf. „En dan
-moeten we er nog een of ander roer aan zien te maken!”
-
-„En vóórop komt de kombuis!” riep Harmen uit.
-
-„En dan laten we het van stapel loopen!” zei Hajo. „Zou het gaan?”
-
-„Welja”, zei Rolf. „Als Padde ook een handje helpt.....”
-
-„Ja, als Padde helpt, krijgen we het zeker wel het water in!” hoonde
-Harmen.
-
-„Weet je wat leuk zou zijn?” vroeg Hajo. „Als we er voor Dolimah een
-roefje op bouwden!”
-
-Het meisje schrikte op, toen ze haar naam hoorde.
-
-„Waar denk je over?” vroeg Rolf. „Je bent de heele avond al zoo stil?”
-
-Dolimah zweeg even. Toen trilde het om haar mondje; ze wilde wat
-zeggen, kwam niet uit haar woorden. Een groote traan welde in haar
-oogen op.
-
-Harmen keek haar medelijdend aan. „Ze wil weer naar d’r
-menscheneters-dorp terug”, zei hij.
-
-„Wil je naar je kampong terug, Dolimah?” vroeg Rolf zacht.
-
-Het meisje sloeg de lange wimpers neer en knikte zwijgend.
-
-Even zwijgen. De vroolijke stemming was met een slag verbroken.
-
-„Hoe wou je teruggaan?” vroeg Rolf met onvaste stem, maar, als een man,
-de feiten nemend zooals ze nu eenmaal lagen. „Toch niet weer door de
-kloof?”
-
-„Neen”, zei Dolimah. „Ik steek hier den stroom over en volg dan de
-kloof aan den anderen kant. Saleiman heeft beloofd, mij verder te
-brengen.”
-
-„En als je thuis komt, wat zal er dan met je gebeuren?”
-
-„Ik weet het niet. Ik durf er niet aan te denken.”
-
-Rolf keek peinzend voor zich uit,—wendde zich toen tot zijn makkers.
-„Jongens, we..... we moeten haar terugbrengen.”
-
-„Goeie morrege.....!” stamelde Harmen.
-
-„Ja, het gaat er hier niet om, of we het plezierig vinden of niet”, zei
-Rolf, plots driftig. „We kunnen haar niet alleen laten gaan! En als jij
-er geen lust in hebt, blijf je maar hier.”
-
-„Geen lust.....!” schimpte Harmen. „Dat we haar niet aan haar lot
-kunnen overlaten, nu ze ons eerst uit de knoei geholpen heeft, hoef je
-Harremen niet te vertellen! Maar daarom hoef je nog niet te vragen, of
-ik er zoo’n lust in heb.....!” Harmen’s stem versmoorde; dikke tranen
-sprongen hem in de oogen, en hij sloeg met de vuist op den grond.
-
-Toen zei Padde zacht, met afgewend gelaat: „Ik ga niet mee.”
-
-„Spuit nommer elf!” schimpte Harmen driftig. „Scháám jij je niet!”
-
-Padde gaf geen antwoord, ademde diep. Tenslotte zei hij: „’k Zou wel
-willen. Maar ik..... ik kan niet meer terug.” En plots uitbarstend in
-snikken. „’k Wil naar m’n moeder!”
-
-„Oh! Daar moet er een naar z’n moetje! Zou je geen zuigdot meenemen?”
-Maar Harmens stem klonk verdacht heesch. Juist alsof ook hij.....
-
-Dolimah had verschrikt toegezien wat haar woorden uitwerkten. „Ik wil
-niet, dat u mee terug gaat!” stamelde ze. „Dat wil ik niet! Ik vind den
-weg alleen.....!”
-
-Rolf schudde het hoofd. „We brengen je tot Saleiman, Dolimah.”
-
-„Oh, maar, dan..... dan ga ik niet weg! Dan blijf ik bij u!”
-
-„Wees niet onverstandig, Dolimah”, zei Rolf. „Je zou je het terugkeeren
-nog maar moeilijker maken, want vandaag of morgen wordt je verlangen je
-toch te sterk.”
-
-Dolimah vocht tegen haar tranen, begon toen zacht te snikken.
-
-„Tja, wat zullen we nou doen?” vroeg Harmen droefgeestig.
-
-Rolf haalde schouders op. „Vanavond kunnen we hier in geen geval weg.
-We zullen morgenochtend eens zien.....”
-
-Zwijgend bleven de jongens zitten. Ze voelden wel, dat Dolimah’s
-heengaan onvermijdelijk was. Wanneer ze morgen ook al besloten had, met
-hen verder te trekken, dan zou toch het oogenblik komen, dat het
-verlangen naar huis haar te machtig werd. Zij voelden het als hun
-ridderplicht, haar terug te brengen, maar de gedachte, weer van zee af
-te gaan, waar ze nu al zoo dicht bij moesten zijn,—dit land weer binnen
-te dringen, dat hun nog even vreemd was als toen ze het voor het eerst
-zagen en dat hun met den dag angstwekkender en meedoogenloozer scheen,
-joeg hun een rilling door de leden.
-
-Maar allengs werden bij het gezang der krekels en het vriendelijk
-ruischen van het bergstroompje die zwarte gedachten in slaap gewiegd.
-Harmen stond op, gooide wat vochtig hout op het vuur om door den rook
-de muskieten te verdrijven. Wacht maar: morgen zou Dolimah wel weer vol
-moed zijn! Ze had haar verlangen naar huis nu uitgesproken, dat deed
-een mensch goed! Ze zouden allemaal lief voor haar zijn, dan vergat ze
-haar dorpje wel! En morgen zouden ze op het vlot een keurig roefje voor
-haar bouwen, krek of zij de schipper was aan boord!
-
-Met die plannen sliepen de jongens in.
-
-
-
-Dolimah snikte nog lang. Stil lag het meisje; zachtkens vloeiden de
-tranen haar over de wangen; slechts nu en dan ging er even een schok
-door de tengere schoudertjes.
-
-Eindelijk had ze al haar opgekropt leed en verlangen uitgesnikt en kwam
-ze tot rust. Ze hoorde, dat alle vier jongens sliepen. Duidelijk
-onderscheidde ze Rolf en Hajo’s rustige ademhaling, Harmen’s gesnurk,
-Padde’s kortademig geblaas.
-
-De maan kwam tusschen de boomen op. Ze was bijna vol.
-
-Rustig overdacht Dolimah nu wat haar te doen stond. En na eenig peinzen
-had ze een besluit gevat. Voorzichtig stond ze op, spiedde even rond en
-begaf zich toen naar den boschrand, waar witte bloemen glansden. Ze
-plukte de mooisten, die ze vond, en kwam even later met de armen vol
-bloemen terug.
-
-En nu volvoerde ze haar plan: ze legde naast Harmens gelaat een bloem
-neer, zoo, dat de geur hem in den neus moest dringen. Na eenig weifelen
-wien ze nu bedeelen zou, legde ze er een voor Padde neer en daarna voor
-de anderen.
-
-De maan was een weinig geklommen en bescheen de slapenden. Dolimah keek
-lang naar hen, van den een naar den ander en van den ander naar den
-een, en haar oogen vulden zich weer met tranen. Toen deed de schorre
-roep van een boschpauw haar uit haar mijmering wakker schrikken; ze
-opende haar armen, dat de bloemen, die ze nog omklemde, aan de voeten
-der jongens neervielen.
-
-„Zul je me geleiden, lieve, zoete maan?” vroeg Dolimah. „Zul je mij
-voor booze geesten beschermen?”
-
-Ze trok haar sarong tot boven de knieën op en waadde, tastend met de
-voeten, als een kleine water-fee door een ondiepe plaats van het
-stroompje. Voor ze aan den overkant de helling opging, keek ze nog even
-om naar de jongens. „Jou, lieve, goede Dajik, zal ik alles vertellen”,
-prevelde Dolimah.
-
-Zacht snikkend kwam ze boven aan de helling, wierp nog een laatsten
-blik achterom en volgde toen met haastige schreden de richting van de
-grot.
-
-Boven haar stond een sterrenhemel; zij wandelde in een schatkamer, tot
-aan den nok gevuld met diamanten, smaragden en robijnen.....
-
-
-
-
-
-
-
-
-PADDE STUIT OP EEN MENSCHENETER
-
-
-Toen de jongens den volgenden morgen merkten, dat ze te midden van
-bloemen lagen en Dolimah’s slaapplaats verlaten zagen, begrepen ze. Ze
-konden hun tranen niet bedwingen en schaamden er zich niet voor.
-
-„Wat moeten we doen?” vroeg Harmen.
-
-„Niets”, zei Rolf mat. „We kunnen haar toch niet meer inhalen.”
-
-De jongens zwegen even. „Wat een schat van een meid, hè?” viel Harmen
-plots uit. „Om die bloemen hier neer te leggen!”
-
-Rolf haalde diep adem, als drukte hem iets op de borst. „We moeten hier
-weg”, zei hij. „Ik..... ik houd het hier niet meer uit!”
-
-„Rolf!” snikte Padde. „Ik óók niet! Soms voel ik het ineens. Nu Dolimah
-weg is.....”
-
-Met een ruk sprongen de jongens overeind. Vooruit! Niet meer getalmd!
-
-Verwoed gingen ze verder met den bouw van het vlot. Het was, of hun
-strijd eensklaps grimmiger was geworden. Met opeengeklemde tanden
-werkten ze. Zonder scherts. Zonder kleine kibbelarijen. Ze moesten
-Bantem bereiken,—de handen ineen, jongens! Geef den moed niet op! Padde
-ging weer visschen in de kreek, om leeftocht op te doen; Hajo hakte
-rotankoorden voor het vlot; Harmen en Rolf spleten bamboetjes en
-snoerden ze vast op het houten geraamte.
-
-De zon scheen; de vogels kwinkeleerden; de bloemen vouwden zich open
-voor de kapellen.
-
-Tegen den middag kwam het vlot gereed. Achterin was een opening gelaten
-om een bamboesteel door te steken, die als roer gebruikt zou worden.
-„Ziezoo!” zei Rolf. „Nu moeten we het in het water zien te krijgen! Kom
-je helpen, Hajo? En jij ook, Padde?”
-
-Met vereende krachten en na veel wrikken en duwen kregen ze het vlot
-drijvend, meerden het met een paar rotankoorden aan den oever. Toen de
-jongens aan boord sprongen, scheen het er nauwelijks iets door te
-zinken.
-
-„Ziezoo, nu een paar sterke boomen om het te sturen”, zuchtte Rolf.
-„Heb jij nog wat gevangen, Padde?”
-
-„Een heel zoodje”, zei Padde. „Ze zitten er wel, als je ze maar vangen
-kunt.”
-
-„Wacht! Laten we het vuur niet vergeten!” riep Harmen. Voor op het dek
-werd een laagje klei in de bamboe vastgestampt, en Harmen bracht een
-paar brandende stukken hout over, waarmee hij een nieuw vuurtje
-aanlegde. Toen hakten de jongens nog een paar bamboestelen af, om als
-afzetboomen te gebruiken.
-
-„Alles klaar?”
-
-„Ja! Kom, Joppie!”
-
-Joppie sprong aan boord, en de kabels vlogen los. De jongens stuurden
-naar het midden van de rivier; Harmen ging met een boom voorop staan,
-Hajo en Rolf achterop, zoo hadden ze het vlot goed in bedwang. Padde en
-Joppie zagen toe, of alles ging zooals het gaan moest.
-
-De stroom was sterk, maar gelukkig lagen er geen zware steenen in het
-water. Per slot van rekening was het vlot toch maar met touwen
-vastgeknoopt, en het zou er bedenkelijk uitzien, wanneer het in een
-stevig vaartje tegen een bergsteen zou oprammen.
-
-Maar nu gleed het snel en veilig voort in de rivier, die zich bij een
-bocht nog verbreedde. Zonnehitte zengde den jongens rug en schouders.
-
-Geen van hen had gelegenheid gehad, nog even om te zien en afscheid te
-nemen van de plaats waar ze gisterenavond nog met Dolimah hadden
-gezeten. Ze wilden immers ook niet omzien? Voorwaarts! Naar Bantem!
-Naar de zee!
-
-De rivier bood een grootschen aanblik. Duizelingwekkend hoog rezen aan
-den oever de stammen op, zoo zwaar, dat drie man ze nauwelijks
-omspannen konden. Er waren allerlei kleuren stammen: met donker mos
-begroeide en ook gladde, lichtgrijze stammen met schilfers, en
-roodbruine stammen, diepgegroefd; dan groeide hier en daar een
-waringin, onder welks machtige takken steltwortels stonden als pijlers
-onder een brug. En tusschen al die zuilen, waar in grootschen val het
-licht doorsloeg, hingen als feestelijke guirlanden de bloemranken der
-slingerplanten.
-
-Bij een nieuwe bocht schoot het vlot onverwachts onder een boom door,
-die geheel over het water hing. De jongens zagen geen kans meer de
-vaart in te houden en wisten niet beter te doen dan maar vlug door de
-takken te klauteren. Allen, ook Joppie, stonden weer op het vlot vóór
-het geheel onder den boom was doorgegleden. Allen,—behalve Padde. Die
-kwam te laat. Uit kameraadschap trok Harmen zich maar weer aan een tak
-op. Het vlot gleed met de anderen voort. Dezen stuurden het naar den
-kant en meerden het.
-
-Padde, verre van dankbaar voor Harmens hulpvaardigheid, ontving hem met
-schimpscheuten. „Daar!” zei hij verwijtend, „daar gaat het vlot nou!
-Kon jij ’t niet even tegenhouden?”
-
-„Ik geloof, dat jij het water weer in wilt, leelijke pepernoot!” schold
-Harmen. „Alleen om jou te helpen ben ik in die boom geklommen! Ik stond
-alweer een uur op het vlot!”
-
-„Ik wou, dat je d’r nog stond!” verzekerde Padde. „’k Heb die hulp van
-jou niet noodig. Ik kom wel alleen aan wal.”—Padde snoof de lucht op.
-„Vind je niet, dat ’t hier weer erg naar die vrucht stinkt, weet je
-wel: die Hajo en Rolf hebben gegeten?”
-
-„’k Ruik hier niks”, zei Harmen. „Maar ’k mag lijden, dat ’t daar bij
-jou zoo stinkt, dat je van katterigheid de boom uitrolt.—Wat heb je?”
-vroeg Harmen verbaasd, toen hij zag, dat Padde met ontzette oogen naar
-iets staarde.
-
-Geen antwoord. Harmen gluurde in de richting, die Padde’s starende blik
-aanduidde en.....! Op een dikken tak, behagelijk achterover geleund,
-zat een roodbruine, staartlooze aap, zoo groot als Harmen niet geloofd
-had dat een aap ooit worden kon. Het dier, dat in den harigen arm een
-geopende doerian klemde en daaruit smakelijk zat te eten, had den
-kauwenden, angstwekkend menschelijken kop naar de jongens gekeerd,
-alsof hij wilde zeggen: „Zoo, zijn jullie daar ook weer?” Hij hield
-tusschen de vingers van zijn rechterhand een roomachtig stuk
-doerian-vleesch. Een der korte pooten lag vadzig uitgestrekt.
-
-Het duizelde Harmen.
-
-Hij wilde „tabeh!” zeggen, slikte het woord echter weer in en staarde,
-juist als Padde, betooverd naar den genoegelijk smakkenden mensch-aap.
-
-Plots scheen het dier vertoornd te worden; het liet de doerian in het
-water plonzen, trok grimmig de bovenlip op, zoodat de zware tanden
-bloot kwamen. Toen stootte het monster een diep, zwaar gebrul uit,
-richtte zich in volle lengte op!..... en twee Hollandsche kwajongens
-tuimelden achterover het water in.
-
-De aap klom traag en log langs zware takken omhoog tot in den kruin van
-een boom.
-
-„Een orang-oetan!” riep Rolf, terwijl hij samen met Hajo de
-drenkelingen op het vlot heesch.
-
-„Gchoskrimmeneel!” stamelde Harmen.
-
-En Padde’s tong was van den schrik nog verlamd.
-
-„Wou hij jullie wat doen?” vroeg Hajo.
-
-„Hij kwam een handje geven!” zei Harmen.
-
-Padde rilde.
-
-„’k Had hem nog wel even een mep kunnen verkoopen vóór ik naar beneden
-dook!” hakte Harmen op. „Maar ik was bang, dat Padde het kind van de
-rekening zou worden! Wil je wel gelooven, dat ik hem eerst voor een
-vent hield?”
-
-Padde vond zijn spraak terug. „Was ’t dan geen vent?!” stamelde hij.
-„Ik dacht..... een m-menscheneter!”
-
-„’n Menscheneter!” schimpte Harmen. „Een doodgewone rot-aap!”
-
-„Had ik dat geweten.....!” zuchtte Padde.
-
-„Nou, wat dan?” vroeg Harmen. „Had je hem dan je broek teruggevraagd?”
-
-„Kom, jongens! We moeten verder!” maande Rolf.
-
-Ze stootten het vlot weer van den wal en zakten de rivier af tot de zon
-onderging en ze voor den nacht een geschikte „ankerplaats” hadden
-gevonden. Terwijl de andere drie jongens hun krachten gingen wijden aan
-de vervaardiging van nog enkele vischsnoeren, schrapte Harmen Padde’s
-vangst van dien morgen schoon.
-
-Na den maaltijd gingen de zwervers als gewoonlijk nog even bijeen
-zitten. Maar Dolimah’s afwezigheid schrijnde. Ze sprongen op, zochten
-wat gras bijeen tot een hoofdkussen, gooiden hout op het vuur en legden
-zich te rusten. Dicht bij het vuur, waar de muskieten niet zoo gonsden.
-
-Eerst laat sliepen ze in. Hun gedachten waren bij Dolimah. Hoe ver zou
-ze al op weg zijn? Ze zagen haar tenger figuurtje eenzaam dwalen over
-het in zonnebrand gloeiende plateau. Een lieven duit hadden ze er voor
-over om te weten, of hun kleine, ontrouwe beschermheilige veilig en wel
-bij Saleiman zou belanden.
-
-Hun hart schoot vol. In droef peinzen vielen ze in slaap.
-
-
-
-De morgen schonk nieuwe levensvreugde. Toen de jongens ontwaakten, hing
-er nog een lichte nevel over het water; het was een weinig frisch. Maar
-toen ze even ondergedompeld waren, geplast en geploeterd hadden, werden
-ze lekker warm. Padde, die zijn vischtuig in orde had gemaakt met de
-bedoeling voor een ontbijt te zorgen, verlangde rust om zich heen, en
-de andere jongens gingen op het land wat speerwerpen. Harmen gooide het
-minst zuiver van alle drie, maar hij haalde met zoo’n kracht uit, dat
-de speer dwars door den stam van een grooten pisangboom vloog en in een
-volgenden nog halverwege zitten bleef.
-
-Ze hadden honger gekregen, en die honger kon bevredigd worden dank zij
-het feit, dat Padde in den tijd, dat de anderen zich lekker warm
-gestoeid hadden, rillend op den kant van het vlot was gaan zitten en,
-turend naar zijn dobber, kort achtereen vier ferme visschen op het dek
-had laten spartelen. Schrappen, schoonmaken en braden was voor de
-hongerige klanten het werk van een oogenblik. Het warme voedsel smaakte
-op de nuchtere maag alsof het in de boter was gebakken. „Ze moeten van
-het water in eenen in je maag zwemmen, dan zijn ze lekker!” lichtte
-Harmen toe.
-
-Toen gooiden ze de kabels los en stuurden weer naar het midden der
-rivier.
-
-De zon fonkelde al tusschen de boomen; het was nu heerlijk op het
-water. Harmen begon te zingen; Hajo en Rolf stemden er mee in, en
-Padde, die op het midden van het vlot met opgetrokken knieën languit
-naar den hemel lag te staren, deed een zware bas na en trommelde met de
-vuisten op het dek. Toen kon Joppie zijn zanglust ook niet meer
-bedwingen. Met Harmens medewerking vloog hij overboord, krabbelde
-druipend weer op het dek, begon zich uit te schudden, waarbij Padde met
-een verwensching overeind wipte en zijn voet in krachtige aanraking met
-Joppie’s zitvlak bracht. Dit waardeerde Joppie zoo, dat hij met
-dankbaren oogopslag naar Padde toekroop en zijn voeten schoonlikte.
-Toen was de vrede weer gesloten, en hij en Padde vleiden zich als twee
-beproefde vrienden naast elkaar in het zonnetje.
-
-„Zoo’n vlot is je ware!” verzuchtte Padde. „Je komt vooruit en je doet
-er niks voor. En ’t ligt hier nog wel zoo lekker als in die smerige
-draagstoel van jullie. Daar hing zoo’n allerberoerdst luchtje aan!”
-
-De anderen vonden Padde wel wat ondankbaar. Maar ze konden hem dat nu
-niet onder het oog brengen, daar ze tijdelijk geheel in beslag waren
-genomen: de rivier maakte weer een bocht, en hier en daar lagen groote
-steenen, die slechts met veel stuurmanskunst ontweken konden worden.
-
-„’k Wou, dat het maar weer eens ging regenen en het water wat steeg!”
-zei Harmen. Maar meteen liet hij, krachtig duwend, het vlot naar den
-wal koersen. „Ziezoo!” zuchtte hij, toen het veilig achter een zwaren
-boom lag, „kijk nu die kant eens uit!”
-
-De anderen volgden met de oogen de richting. Tusschen de boomen, een
-eind verder aan de overzijde, steeg een blauwig tuiltje rook op, en
-toen de jongens scherp toekeken, zagen ze een atapen dak tusschen de
-bladeren schemeren.
-
-Hoe er langs te komen zonder te worden opgemerkt? „Zullen we tot het
-donker wachten?” vroeg Rolf.
-
-„En hier de heele dag zitten koekeloeren?” Harmen trok verachtelijk den
-neus op.
-
-„Als we het vlot eens op z’n eentje voorbij lieten drijven?” vroeg
-Hajo. „Dan zullen ze het niet zoo gauw opmerken! Ik ben alleen bang,
-dat het te vroeg tegen de kant stoot, vóór het voorbij het dorp is,
-bedoel ik.”
-
-„Dat kunnen we van te voren zien!” meende Rolf. „We zullen eens een
-stuk hout in het water gooien en zien welke weg het neemt!”
-
-„Ja!” Allen, op Padde na, doorzagen Rolfs plan. Harmen wierp een stuk
-hout een eindje de rivier in. De knapen volgden het met de oogen. Het
-kwam tot aan het dorp, raakte daar in een zijstrooming, dreef dicht
-langs den kant en bleef tenslotte steken.
-
-„Niet ver genoeg”, meende Rolf. „Gooi eens naar het midden van het
-water?”
-
-Nu scheen het stuk hout den goeden weg te zullen nemen! Maar plots
-schoot het in dezelfde zijstrooming als het vorige. De rivier
-schitterde in het zonlicht; de oogen deden er pijn van. Harmen nam een
-derde stuk hout en wierp het uit alle macht tot vlak aan den overkant
-van de rivier. Dit scheen de plaats te zijn om het vlot af te stooten,
-want, zoolang de oogen het stuk bamboe konden volgen, bleef het vrij
-van den kant. „Nou, dan zijn we klaar!” zei Harmen verheugd, „we gaan
-op het vlot naar de overkant, laten het daar afdrijven en volgen het!
-Kom, Hajo, wij nemen samen de kant van de kampong, dan zie je nog eens
-wat. Als jij met Padde deze oever afloopt, Rolf, hoeft er in geen geval
-iemand over te zwemmen om het vlot weer op te pikken!”
-
-„Als jij langs die kampong moet, Harmen, gebeuren er ongelukken!”
-meende Rolf.
-
-„Larie!” zei Harmen. „Ik ben zoo voorzichtig als m’n tante,—die loopt
-den heelen dag met haar slaapmuts op, uit angst, dat ze ’m ’s avonds
-vergeten zal.”
-
-„In elk geval wil ik bij je zijn!” stelde Rolf vast. „Ga jij met Padde
-langs deze oever, Hajo.”
-
-Zoo werd de afspraak. Joppie besloot, na eenig aarzelen, bij Rolf en
-Harmen zijn diensten aan te bieden.
-
-De laatsten sleepten het vlot een eind stroomopwaarts, zoodat het bij
-het oversturen ongeveer op de plaats aanlandde waar het stuk bamboe
-zijn reis begonnen was.
-
-„Als ze ’t nu maar niet inpalmen!” zuchtte Rolf.
-
-Harmen had in gepeinzen een oogenblik gezwegen. „Weet je wat?” zei hij.
-„Ik ga mee! Om het weer los te binden, als die nikkers het soms ’ns
-zouden kapen!”
-
-„Harmen.....?!”
-
-„Val niet van je stokkie! Ik ga er niet op zitten! Ik kruip er onder,
-dan zien ze me niet!”
-
-„Daar heb je immers geen lucht?!”
-
-„Harremen heit geen lucht noodig”, stelde Harmen vast. „Het vlot ligt
-hoog; als ik m’n kop tusschen de bamboes steek, heb ik lucht zat. Ga je
-mee, Joppie?” Harmen stootte het vlot los, liet Joppie met een fermen
-zwaai op het bamboezen dek verhuizen, sprong zelf in het water en dook
-onder het vlot weg. „Ajuus!” klonk het even later onder het afdrijvende
-gevaarte, en, om de plaats aan te duiden waar hij lag, spoot Harmen
-door een spleet van het dek een straaltje water omhoog, zoodat Joppie,
-die toch al in de war was, er verschrikt van achteruitsprong.
-
-Terwijl Rolf den vierpootigen schipper zag wegvaren, bekende hij zich
-zelf, door Harmen overrompeld te zijn. Het gedurfde aan Harmen’s dwazen
-inval had hem bekoord, en door het vlot na te springen en weer aan wal
-te brengen zou hij nu het gevaar nog maar vergrooten.
-
-Joppie jammerde klagend. „Hou je bek, Joppie!” klonk het onder het
-bamboezen dek. „Harremen is immers bij je?”
-
-Maar Joppie bleef droef gestemd. Hij snuffelde angstig langs alle
-kanten het vlot af, ging tenslotte op zijn achterpooten zitten, sperde
-den bek open en begon met omhooggeheven kop klagend en erbarmelijk te
-gillen in één langgerekten toon, zooals alleen een Indische
-kampong-gladakker in zijn droefste stemming gillen kan.
-
-Verre van rustig, volgde Rolf met de oogen het vlot. Zie, daar gleed
-het langs het dorp en..... groote genade! achter de boomen aan den
-oever stak een prauw vol naakte jongens de rivier in. Ze pagaaiden,
-opgewonden schreeuwend, naar het vlot..... en sprongen er op.
-
-
-
-
-
-
-
-
-BOENG VAN BAPAH-LOLEH
-
-
-Vol goeden moed was Harmen „uitgezeild”. Hij hield de onderarmen over
-twee bamboe-stelen, klemde de handen behagelijk ineen. Door de hooge
-ligging van het dek had hij lucht genoeg. „’t Zal me benieuwen hoe het
-zaakje afloopt”, zei Harmen. „Gebeuren doet er vast wat, als Joppie z’n
-falie niet houdt!”
-
-Nu, daar leek het weinig op: Joppie jammerde onverdroten voort. „Dat is
-zeker een hondenliedje!” dacht Harmen. „Zooiets als: varen varen over
-de baren!—Zouden we het dorp al voorbij zijn?—Wacht, waarom houdt
-Joppie ineens zijn bek dicht?” Harmen loerde door de spleten van het
-dek. „Hij staat te kwispelstaarten, dat mormel!” Harmen spitste het
-oor, ving stemmen op, hoorde het plassen van een spaan; er stootte iets
-tegen het vlot, en, wip! daar sprong er een jongen op. Spiernaakt! En
-Joppie, die sallemander, wrong zich in duizend bochten en likte het
-bruine jog de enkels schoon! Hopla, daar sprong er nog een op het dek.
-En nog een. In een ommezien stond het vlot vol bruine lichamen. „Nou”,
-dacht Harmen, „nou zullen we eens kijken wat ze doen, die smerige
-zeeschuimers! Zouwe ze tegen kietelen kunnen? Als ik m’n vinger maar
-tusschen die bamboetjes kon doorwurmen, zou ik er eens een onder z’n
-voeten kriebelen. Dan zou-d-ie raar springen!” En Harmen begon zachtjes
-te grinniken.
-
-Maar zijn vroolijkheid nam een einde, toen allen plots aan den kant
-kwamen staan waar Harmen lag. Voor onze koksmaat het wist, grinnikte
-hij, inplaats van lucht, water naar binnen. Dat werd hem te kras. Hij
-dook onder het vlot weg, klemde zijn handen om het boord, stak zijn
-druipende haren en zijn hoofd, dat paars van benauwdheid geworden was,
-uit het water op en brulde, woedend en verdrietig: „Potverrrrblomme!”
-Het leek Folkert Berentsz. wel!
-
-Als aan het dek genageld, staarde de heele bruine compagnie daarboven
-naar het gruwelijke watermonster. Toen vlogen ze met z’n allen naar den
-anderen kant van het vlot en plonsden als kikkers het water in.
-
-En Harmen dook weer weg naar zijn oude plaatsje, waar thans weer
-zooveel lucht was als Harmen maar inademen kon.
-
-En juist dat plotselinge verdwijnen weer versterkte de bruine gasten in
-de meening, dat dit vlot van den duivel bezeten was. Ze werkten zich in
-hun prauwtje—waar Joppie hen vriendelijk ontving—, pakten den
-satanshond in zijn nek en deden hem met een zwaai weer op het behekste
-vlot verhuizen, waar hij thuishoorde. Toen pagaaiden ze in allerijl
-terug naar den wal.
-
-Harmen was van zijn woede en schrik bekomen en kon tevreden zijn over
-den gang van zaken. Na verloop van tijd begon hij zich af te vragen hoe
-ver hij nu al van het dorp zou zijn, en of de jongens het vlot gevolgd
-zouden hebben. Hij dook weer even te voorschijn en loerde over het dek.
-Ja! daar in de verte, bij de huisjes en het blauwe kolommetje rook,
-stond de heele troep het vlot na te kijken. Joppie zat met den rug naar
-Harmen gekeerd, staarde weemoedig stroomopwaarts. „Als ik die bocht om
-ben, zien ze me niet meer”, dacht Harmen. Hij dook weer naar zijn
-schuilplaats, en toen hij opnieuw te voorschijn kwam, was het dorpje
-aan het oog onttrokken. Wip! Harmen zat weer op het vlot, werd
-kwispelstaartend verwelkomd door Joppie en beantwoordde den groet vrij
-levendig met zijn voet, zoodat Joppie schuw aan de andere zijde ging
-zitten.
-
-„Nou, ik zal nog maar niet aanleggen!” zei Harmen. „Laten de anderen
-maar een eindje loopen,—daar zullen ze niet van bederven.” En,
-verbazend over zichzelf tevreden, ging hij zitten en staarde in de
-bergen van groen aan de oevers. Hoe heerlijk warm was het! Harmen
-luisterde naar het vogelgerucht, waarvan elk toontje helder afklonk
-tegen de stilte, en ademde de geuren in, die over het water hingen. Zoo
-ongeveer moest het er in het paradijs van Adam en Eva nu ook hebben
-uitgezien,—dacht Harmen. Kijk die reiger daar eens statig staan te
-visschen! Hoe blank was dat bepluimde lichaam tegen al het donkere
-groen! Hoe sierlijk die lange, buigzame hals met dat kroontje van
-veeren! Het dier stond in de schaduw, maar toch straalde het nog licht
-uit, en in het water sidderde de heldere weerschijn. Harmen deed zijn
-oogen dicht en droomde. ’t Was hier op Sumatra nu en dan toch ook wel
-lollig! Hij zuchtte diep, zette de longen uit om eens een paar schepels
-vol van die bedwelmend zoet-warme lucht in te ademen.
-
-Joppie kwam weer bij hem, en nu was Harmen verteederd,—sloot den hond
-in zijn armen.
-
-Bons! Het vlot stootte tegen den wal. Harmen sprong overeind en legde
-het vast. Het lag heerlijk in een schaduwrijke plek, te midden van
-waterlelies. „Nou, ze zullen me wel vinden”, dacht onze vriend. Hij
-strekte zich languit op het dek neer en sliep.
-
-
-
-Hajo en Padde waren uit de verte ooggetuige geweest van de uitwerking,
-die Harmen’s onverwacht opduiken op de bende bruine kapers had. Harmen
-wist toch niet wat hij maar verzinnen zou om den boel in de war te
-sturen! Gelukkig was het ditmaal nog weer eens goed gegaan!
-
-Toen begonnen onze vrienden hun tocht, zich met moeite een weg banend
-door het kreupelhout. Wat een leelijke dorens zaten overal! Ze kwamen
-bij een dwarsweggetje, dat naar de rivier leidde. Na het even te hebben
-afgespied, staken ze snel over en drongen weer door de struiken voort,
-op eenigen afstand de rivier volgend. Nu en dan gingen ze naar den
-oever om naar het vlot uit te zien, en toen ze tenslotte wat rook zagen
-kringelen, maakten ze op, dat het Harmen’s vuurtje wel zou zijn. Zoo
-was het dan ook, en het vlot lag aan dezen kant. „Ze vleiden zich naast
-Harmen neer en wachtten spoedig eveneens slapend op Rolf’s komst.
-Harmen snurkte, dat het vlot ervan schudde, en de doode bladeren van de
-boomen vielen. Joppie hielp hem nog een handje.
-
-Maar ineens schrokken allen wakker. Wat was dat voor een gegil, daar
-aan de overzijde.....?!
-
-Rolf had, na den wonderbaarlijk gelukkigen afloop van Harmen’s
-zeeschuimers-avontuur, een smal, kronkelig paadje gevonden, dat naar
-het dorp leidde. In alle voorzichtigheid volgde hij het, van struik tot
-struik. Zie!—Rolf verborg zich vlug—daar kwam in loggen gang een
-karbouw den hoek om, en boven op den grijzen kolos troonde een naakt
-kereltje. Nog een karbouw volgde, den kop met de zware, naar achteren
-gebogen horens laag geheven en eveneens op zijn breeden rug een
-„katjong”.
-
-„Eh, Simin, weet jij wat Boeng van Bapah-Loleh zegt?” riep de achterste
-ruiter.
-
-„Neen, maar het zal wel een leugen zijn”, antwoordde de ander. „Nu, wat
-zegt hij?”
-
-„Dat hij wil gaan kijken waar het vlot gebleven is.”
-
-„Dat durft hij toch niet! Eens zei hij ook, dat hij een badak-gadjah
-wilde zoeken en hem betooveren. Hij snijdt altijd op.”
-
-„Ja, maar nu is hij toch heusch gegaan om het vlot te zoeken! Hij heeft
-gisteren de huid van een oelar belang gevonden. Met zoo’n djimat durft
-hij alles—zei hij.”
-
-„En waarom is hij dan niet blijven staan, toen die geest uit het water
-opdook?”
-
-De karbouwen gingen een nieuwe bocht om, en de stemmen der knaapjes
-verdoften.
-
-Rolf kwam voorzichtig weer te voorschijn. „Die Boeng van Bapah-Loleh
-zou nog veel kwaad kunnen stichten met zijn djimat!” dacht hij. „Daar
-moeten we een stokje voor zien te steken!”
-
-Hij stond eensklaps voor een kokostuin. Tusschen de struiken door, zag
-hij tot zijn verbazing, dat in een der boomen een vrij groote aap bezig
-was, noten los te draaien en ze omlaag te werpen. Beneden stond een
-Inlander en verzamelde de noten. „Dat is nog eens makkelijk!” dacht
-Rolf. „Zoo’n afgerichte aap moesten wij ook hebben!” In een wijden boog
-sloop de jongen het dorp om. Ergens was een man aan het grassnijden.
-Een hond lag op een stapeltje hooi. Gelukkig merkten geen van beiden
-onzen vriend op.
-
-„Ze zullen hier wel voornamelijk van de visscherij leven”, dacht Rolf,
-toen hij weer bij de rivier stond, waar overal netten te drogen hingen.
-Hij volgde nu weer een smal paadje langs den oever, ontdekte eindelijk
-het vlot aan de overzijde, wilde zich door de struiken een weg naar den
-oever banen.....!
-
-Daar stond, met den rug naar hem toe, een inlandsche knaap naar het
-vlot te loeren. De bruine spion had niets hooren aankomen.
-
-„Eh, Boeng!” riep Rolf met luide stem, die echode in de stilte.
-
-De jongen zou niet méér geschrokken zijn, indien de bliksem naast hem
-ware ingeslagen. Hij kromp ineen, wendde zich om en staarde wezenloos
-den blanke tegenover hem in het gelaat. Toen wilde hij het op een
-loopen zetten, maar Rolf haalde hem met een paar sprongen in en greep
-hem stevig vast. Boeng beet, schopte en gilde, dat het een aard had.
-„Diam! Stil!” morde Rolf. „Je ziet wel, dat tegen de blanken geen
-djimat helpt, al is het ook een oelar belang!”
-
-„Ampoen! Vergeving!” smeekte Boeng.
-
-„Zul je staan blijven en luisteren naar wat ik je zeg?”
-
-„Saja, toean!” beloofde Boeng met bevende lippen.
-
-„Nu, dan.....” Rolf liet hem los, „dan ga je straks naar Bapah Loleh,
-en je zegt hem dat jullie kampong in gevaar is. Stroomopwaarts zwerft
-een bende djahats (roovers). Zeg eens na?”
-
-Bevend over al zijn leden, voldeed Boeng aan het verzoek.
-
-„Goed zoo. Zeg aan Bapah Loleh, dat de bende uit tachtig man bestaat en
-goed bewapend is. Zul je het doen?”
-
-„Saja, toean.....”
-
-„Dan nog iets: is de zee hier ver vandaan?”
-
-„Niet ver, heer.....”
-
-„Hoe ver?”
-
-„Van zonsopgang tot duister, heer.....”
-
-„Zijn er nog meer kampongs aan den stroom?”
-
-„Nog een, heer. Een groote kampong. Dicht aan de zee.”
-
-Op dit oogenblik klonken van den oever de stemmen der andere jongens.
-En vóór de arme Boeng wist wat er met hem gebeurd was, had Harmen hem
-een beentje gelicht en de enkels met rotan samengesnoerd. „We nemen hem
-mee!” zei Harmen. „Als ie in z’n kampong vertelt wat ie gezien heeft,
-zijn we er bij!”
-
-„Wees niet bang”, zei Rolf. „Ik heb hem wijsgemaakt, dat stroopende
-benden de kampong willen overvallen. Ze hebben nu wel wat beters te
-doen dan ons na te zetten.”
-
-Harmen trok grinnikend den knoop weer los. „Ook goed!”
-
-Boeng sprong haastig overeind, keek schuw naar Harmen om en wilde
-heengaan.
-
-„Wacht nog even, Boeng”, zei Rolf. „Heb je wel eens van Java gehoord?
-En van Bantem?”
-
-Boeng knikte. „Ze komen van Bantem met koopwaar hier.”
-
-Rolf keek zijn vrienden aan. „Hoor jullie dat?! Jongens, Bantem kan
-niet ver meer zijn!”
-
-„Nou, vooruit dan maar weer!” zei Harmen met een vreugdetrilling in
-zijn stem.
-
-En overmoedig sprongen onze vrienden weer aan boord en stootten af.
-Boeng maakte zich uit de voeten, rende als een haas, wien de honden op
-de hielen zitten.
-
-De jongens stuurden het vlot naar het midden van den stroom. Naar
-Bantem! Bantem was niet ver meer!
-
-Het was vrij laat geworden, en bij Harmen deed zich de honger geducht
-voelen. „Zullen we eens aanleggen?” vroeg hij. „’k Heb zoo’n kriebel in
-m’n maag.”
-
-„Laten we wachten tot de zon onder is”, zei Rolf.
-
-„Dan ben ik een lijk”, verzekerde Harmen.
-
-„Nu, als we gaan visch bakken, word je wel weer levend!” stelde Rolf
-hem gerust.
-
-Zoo was het ook. Toen de jongens tegen schemeren het vlot meerden, en
-een paar visschen zich lustig knappend in de vlammen wentelden,
-herleefde Harmen uit zijn hongerdood. De jongens smulden aan de
-heerlijke vischruggen, en Joppie vond de graten nog lekkerder.
-
-Na het eten gingen ze bijeenzitten en staarden in gedachten over het
-donkere water. Ineens viel er een glans over, doordat de maan zich
-ontsluierde. Nu was het, alsof de rivier, die daareven roerloos scheen
-als een vijver, plots te stroomen begon.
-
-Het vlot lag diep weg in een duistere kom; de jongens hadden door een
-zware loofpoort het uitzicht op de rivier, die nu vloeibaar zilver was.
-Zou een van hen verbaasd zijn geweest, wanneer ze eensklaps een statig
-Vikinger-schip met blanke, bolle zeilen en wijd uitwaaienden wimpel
-voorbij zouden zien drijven achter die donkere poort? Of wanneer uit
-het zilveren water elfjes zouden opstijgen en hand aan hand
-rondzwierden in wonderlijken dans? Zie! op een lelieblad zat de
-kikker-koning toe te zien, een gouden kroon op zijn blinkend groenen
-kop; zijn geelwitte buik glom van de ridderorden. In het midden van den
-dansenden kring rees nu de elfenkoningin op, in een van haar tengere,
-statig geheven handjes een witte lelie, in de andere haar gouden
-sceptertje en op haar roode haren een fijn gesmeed kroontje vol groene
-steenen. De elfjes dansten; heur ijle gewaden zwierden omhoog en zonken
-lichtglanzend, gespreid weer neer, en zóó luchtig drukten de kleine,
-teere voetjes het watervlak, dat er niet meer dan drie pareltjes
-opspatten.
-
-Ineens..... uit was het sprookje. De elfjes, de kikkerkoning zijn naar
-hun vochtig rijk teruggekeerd, Harmen stoot zijn makkers aan: een
-donker ding in het water koerst recht op het vlot af, waarop de jongens
-zitten. Drie knobbels steken uit; het zwemmend gevaarte houdt nu en dan
-stil, zoodat de lijnen, die het door het zilveren oppervlak kerft,
-voorbij schieten en zich kruisen. Dan komt hij weer nader..... de
-krokodil! Den adem ingehouden, zien de jongens toe. Geen van hen zegt
-een woord. Joppie slaapt, geen kwaad vermoedend.
-
-De krokodil, aan het uiteinde van het vlot gekomen, is nu even niet te
-zien, omdat het bamboezen dek vrij hoog boven het water uitsteekt. De
-knapen, die in spanning, maar eigenlijk zonder een zweem van angst
-hebben toegezien, voelen nu eensklaps onrust in zich opkomen. Waar is
-het beest?!
-
-Onder het vlot?! Ze willen opspringen..... Maar daar schuift aan het
-andere einde een platte monsterkop met groen-gele oogen en naar alle
-zijden uitstekende, kromme tanden op het dek. En met de twee
-voorpooten, die hoog naast den rug uitpuilen, tracht de krokodil zich
-naar boven te werken.
-
-Met een sprong staan de jongens overeind, willen hun speren grijpen.
-Maar de krokodil, die op het vlot een rustig ligplaatsje zocht om naar
-de dansende elfjes uit te kijken, valt al, doodelijk verschrikt, met
-een zwaren plons in het water terug. Zie! daarginds zwemt de rakker! Nu
-verdwijnt hij achter de poort.
-
-„We moeten aan land gaan slapen”, zegt Rolf. „Hier op het vlot is het
-niet veilig.”
-
-De jongens nemen Joppie in zijn nekvel, die zich, driekwart slapend,
-laat vervoeren. Zwijgend treden ze in het stille woud, zoeken een eind
-van den wal een zacht plekje op. Maar de muskieten beletten het
-inslapen. ’t Is om er dol van te worden. Hijgend liggen de jongens op
-den rug, na zich geheel met bladeren te hebben toegedekt. Boven hun
-hoofd speelt de maan een griezelig spel met takken en twijgen.
-Hoor.....! Wat klinkt daar in de verte? Ding-dang-dong-ding-kloeng.....
-
-Het dorp, waarvan Boeng sprak! Daar moesten ze vannacht nog langs zien
-te komen!
-
-De jongens springen overeind, wrijven de jeukende muskietenbeten. „Kom,
-Joppie!” zegt Harmen, en, voor de argelooze Joppie het weet, vliegt hij
-al door de lucht en verhuist naar het vlot. Hij komt op vier pooten
-terecht, zwikt door op zijn zitvlak, ziet met lodderige oogen rond,
-tolt dan om..... en snurkt alweer.
-
-„’n Waaksch beestje!” prijst Harmen.
-
-Samen gooien ze het vlot los, sturen door de loofpoort heen naar het
-midden van den stroom. Nu zien ze aan den rechteroever een lichtschijn
-tusschen de boomen. Ze houden dus links van de rivier.
-
-Hier is schaduw. Telkens haakt het vlot in de waterplanten. „Padde, ga
-jij voor het vuur zitten. En gooi er wat hout uit tot het
-smeult!”—Padde aarzelt even, onwillig door slaap, dan kruipt hij van de
-plaats, waar hij al was neergezonken, zuchtend naar het vuurtje. Joppie
-sleept zich, te lui om op te staan, over het dek voort en legt zich
-tegen Padde’s dijen.
-
-„Gooi er nou alles niet uit!” gromt Harmen tot Padde, die bezig is, het
-heele vuur overboord te werken. „Wel allemachies! Als je er nou nog één
-stuk uitgooit, vlieg je er achter aan! Begrepen?”
-
-Padde begrijpt, al is hij niet klaar wakker.
-
-De jongens doen hun best, met de stuurboomen zoo min mogelijk te
-plonzen. De klanken van de muziek worden luider; hier op het water
-buitelen ze van plezier over elkaar.
-Ding-dong-dang-kloeng-ping-tok-dak-doeng-doeng.....
-
-„M’n fiool.....” zucht Harmen. „Van m’n eerste centen koop ik weer een
-fiool! Bij Roeffies vader, weet je wel: dat zaakje van alles, achter de
-kerk? Daar heb ik m’n vorige ook gekocht, en dat was een puike,
-nietwaar, Hajo?”
-
-„Sssst!”
-
-„Een harde gulden heeft ie me gekost”, zei Harmen, zonder te luisteren.
-„En de snaren toe.—Pas op met zeewater, zei de vent.” Harmens stem werd
-bitter. „Pas op met zeewater. Jawel!”
-
-„Nou, en mijn mooie koffiemolen dan.....?” vroeg Padde.
-
-Hajo en Rolf konden—ondanks het hachelijke van het oogenblik, geen van
-beiden hun lachen bedwingen.
-
-„Ja, lach maar”, gromde Padde. „Maar daarmee is de ellende begonnen!
-Wie weet: als die koffiemolen niet overboord gevallen was.....” Padde
-zweeg, zocht naar het verband tusschen zijn koffiemolen, die voor Texel
-op zoo droevige wijze verongelukt was, en de latere rampen, die de
-Nieuw-Hoorn geteisterd hadden.
-
-Harmen had zwijgend geluisterd. „Is er een koffiemolen overboord
-gevallen?” vroeg hij.
-
-„Ja!” zei Padde, ingenomen met Harmens belangstelling. En fluisterend
-(het vlot was geen honderd ellen van het dorp!) vertelde hij, hoe de
-vork in den steel zat.
-
-Harmen knikte bedachtzaam het hoofd, toen Padde zijn gemoed gelucht
-had. Daarop zei hij peinzend: „Ik geloof óók, dat het voor ons allemaal
-het beste was geweest, wanneer jij achter je koffiemolen was
-aangesprongen.”
-
-„Maar ik kan immers haast niet zwemmen!”
-
-„Dat weet ik wel”, stelde Harmen hem gerust.
-
-Padde dacht even over Harmens woorden na, tot hij den zin ervan gevat
-had. Toen wendde hij het gelaat af en ging, het hoofd in de armen,
-naast Joppie liggen.
-
-„Daar gaat er een grienen!” hoonde Harmen. „Afijn, ’t is schoon water;
-als ’t wat anders was, zou ik zeggen: ’t is zonde.”
-
-Met een grimmigen kreet sprong Padde op Harmen af. Deze lichtte hem een
-beentje, zoodat Padde op zijn zitvlak terecht kwam. Hij pakte Harmen
-woedend bij de beenen, wilde hem omver rukken. Maar Rolf kwam
-tusschenbeide. „Zijn jullie dol! Hier, nog vlak bij het dorp!”
-
-„Wat doet ie te beginnen!” siste Padde met tranen in zijn stem.
-
-„Weer wat nieuws!” merkte Harmen droogjes op. „Wie heeft me
-aangevlogen? Hij heeft me in m’n kuiten gebeten, de smakker! Wacht
-maar! Ik zal je morgen eens een uurtje te grazen nemen, en dan mag je:
-dankje, Harmen! zeggen.”
-
-„’k Heb je niet gebeten!” snauwde Padde en ging, den rug naar hem toe,
-bij het vuur zitten.
-
-„Welles!” zei Harmen giftig.
-
-„Nietes!”
-
-„Welles!”
-
-Zoo kwamen de jongens wonder boven wonder ongemerkt de kampong voorbij.
-Nu durfden ze het vlot weer naar het midden van de rivier te sturen, in
-den maneschijn.
-
-Padde’s drift bekoelde, en hij werd benauwd voor den dag van morgen en
-in het bijzonder voor dat uurtje, waarvoor hij: dankje, Harmen! zou
-mogen zeggen. Om medelijden te wekken, ging hij weer liggen en snikte
-voort.
-
-En werkelijk werd Harmen hierdoor verteederd. „Kom, lig nou niet meer
-te janken”, zei hij, terwijl hij zijn vuurtje aanblies. „Help me liever
-een handje blazen!”
-
-Padde, blij, dat zich een gelegenheid tot verzoening voordeed, richtte
-zich steunend op, snikte nog even na en blies toen door zijn tranen
-heen.
-
-„Je spuugt meer als dat je blaast”, merkte Harmen op. „En alles in m’n
-gezicht!”
-
-„Ik zal van de andere kant blazen”, beloofde Padde.
-
-„Alsjeblieft.”—Zoo bliezen ze in eendracht tot de vlammetjes weer
-dartel speelden.
-
-„Nou, afijn”, zei Harmen, opstaande, „zul je dan geen schip meer in
-brand steken?”
-
-Hajo en Rolf lachten, tenslotte Padde ook zoo half en half. Ietwat
-verlegen nam Harmen zijn stuurboom weer op. „’k Zou er anders niks van
-zeggen, maar hij hoeft me niet in m’n beenen te bijten. Als ie zegt:
-Harremen, ik zal je niet meer in je beenen bijten!—zal ik ’m niks
-doen.”
-
-„Ik heb je niet in je beenen gebeten”, zei Padde, die weer moed kreeg
-nu de anderen lachten.
-
-„Je hebt me wèl in m’n beenen gebeten!”
-
-„Nietes.”
-
-„Wèlles!”
-
-„Ssst!” suste Rolf.
-
-Harmen zweeg, en Padde voelde zich overwinnaar. Hij nam Joppie in zijn
-armen, en even later snurkten ze om het hardst.
-
-Na een half uur meerden de anderen het vlot in een holte van den oever,
-geheel tusschen de waterplanten.
-
-„Padde! Word wakker! We gaan aan wal!”
-
-Geen antwoord. Padde was in diepen slaap.
-
-„Hei, Padde!” riep Harmen. „’n Krokodil!”
-
-Wip! stond Padde overeind. Ook Joppie krabbelde op z’n vier slaperige
-pooten. „Waar?!” stamelde Padde.
-
-„In m’n neus”, zei Harmen. „Kom mee, we moeten aan land slapen.”
-
-En allen gingen aan wal, dekten zich met bladeren toe.
-
-De muskieten vierden feest.
-
-
-
-
-
-
-
-
-JOPPIE DOET EEN ONTDEKKING
-
-
-Toen Joppie den volgenden morgen een paar teugen van het frissche
-rivierwater naar binnen wilde slobberen, spuwde hij alles weer uit,
-duidelijk gebarend een innigen afkeer. „Wat zou hij hebben?” vroegen de
-jongens zich af. Maar Harmen vloog overeind, wierp zich op het dek van
-het vlot en stak de lippen in het water. „’t Is brak!” De vreugde
-trilde door zijn schreeuw.
-
-De anderen snelden toe en dronken. En terwijl ze het slecht smakende
-water weer uitspuwden, keken ze elkaar stralend van blijdschap aan. „’t
-Is brak, jongens! We zijn bij de zee!”—Hajo wierp het vlot al los, en
-Harmen pakte een boom om af te stooten, toen Rolf hen tegenhield.
-„Jongens, laten we niets hals over kop doen! We moeten eerst zelf weten
-wat we willen.”
-
-„Nou, dat weten we toch, pennelikker!” schold Harmen. „We willen naar
-zee!”
-
-„Zonder zeilen? Zonder proviand?”
-
-„Wat.....? Wou jij dan soms met dit vlot in zee steken??”
-
-„Dat wou ik. Ik maak me sterk, dat we, bij niet al te slecht weer, wel
-zee kunnen houden.”
-
-„Toe maar.....!” stamelde Harmen.—Maar het avontuur kittelde hem. Rolf
-was toch zoo’n pennelikker niet als hij gedacht had.
-
-„En als er nou storm komt?” vroeg Padde.
-
-„Er komt geen storm”, zei Harmen opgewonden.
-
-„Zullen we dan maar dadelijk aan het werk gaan?” vroeg Hajo, wiens
-oogen straalden.
-
-„Laten we eerst eens gaan kijken hoe ver we nog van de zee zijn”,
-stelde Rolf voor. „Misschien vinden we ook nog wel een betere ligplaats
-voor het vlot: we liggen hier zoo in ’t zicht! Laten we er voorloopig
-maar vast wat takken op gooien!”
-
-Zoo deden de knapen, en toen het vlot goed aan het oog onttrokken was,
-kapten ze zich een weg langs den oever om aan zee te komen.
-
-„We moeten het vlot nog flink wat versterken en verhoogen!” zei Rolf.
-„Een mast is makkelijk te krijgen. Maar een zeil?”
-
-„Ik zal er een gappen!” beloofde Harmen. „Daar, in die kampong!”
-
-Hajo trok een bedenkelijk gezicht. „’t Is stelen, Harmen.”
-
-„Ja, ik steel ook niet graag, als de hond los is en de boer met een
-knuppel achter het huis staat”, zei Harmen. „Maar de prauwen liggen
-buiten het dorp, aan het water, en de zeilen hangen er los bij; ik heb
-ze maar mee te nemen.—Kijk eens, jongens! Is dit geen mooi plekkie voor
-het vlot?” De jongens stonden voor een aardig kreekje. Rondom groeide
-bamboe,—dat trof dus ook mooi.
-
-„Zoodra het donker is, brengen we het vlot hier!” zei Rolf. „Dit
-gedeelte van de rivier zal te druk bevaren worden om het er bij
-klaarlichten dag op te kunnen wagen.”
-
-„Luister eens!” zei Hajo eensklaps. „Ik hoor..... de zee!”
-
-Toen baanden allen zich als dollen een weg tusschen het dichte gewas,
-schramden zich, dat het bloed hun op de huid parelde, stonden eensklaps
-hijgend stil en staarden.....
-
-Daar lag wijd en blauw de oceaan! Diep ademend snoven ze den frisschen,
-zouten wind in; bedwelmend werkte op hen de zoetruischende muziek der
-blinkende, schuimende branding.
-
-Zie, hoe de golven kwamen aanrollen! Ze braken in scherven, maar
-vloeiden weer terug in de armen der zee, die nieuwe krachten schonk. En
-bruischend, stoeiend rolden ze weer achter hun makkers aan, voerden
-bonte steentjes en schelpen mee en legden ze als een offer op het
-blanke zand.
-
-Lang stonden de jongens stil en lieten ontroerd hun blik weiden over
-hun grooten, vertrouwden vriend. Hij zou hen op zijn sterke armen
-veilig dragen. Hij zou hen naar Bantem en dan weer naar Holland
-voeren.....—Ze liepen de branding in, zuchtten van diepgevoeld geluk.
-Hoe vrij voelden ze zich weer met de wijde zee voor zich!
-
-„We zijn hier in een baai”, stelde Rolf vast. „Zoover je zien kunt,
-loopt het strand in een boog. En dat kan ook heel goed: aan den
-Zuidkant van Sumatra liggen twee groote baaien.”
-
-„En wanneer zouden we in Bantem kunnen zijn?” vroeg Hajo, Rolf in
-spanning aanziend.
-
-„Als we de wind mee hebben..... misschien in een week.”
-
-De jongens moesten het even verwerken. In een week.....! In een week
-zouden ze Bontekoe misschien de hand weer drukken?! Dat Bontekoe met
-z’n zestig wakkere mannen allang in Bantem was aangekomen, stond wel
-voor hen vast. „Maar..... dan mogen we toch wel voor twee weken
-proviand mee nemen, Rolf!”
-
-„We zullen meenemen wat we maar machtig worden. Kijk eens om:
-kokosboomen bij de vleet. Kom, jongens, aan het werk! We hebben den
-heelen dag nog voor ons!”
-
-„Ik ga visschen!” beloofde Padde.
-
-„Leg een paar zethaken uit”, raadde Harmen. „Dan vang je nog paling
-ook!”
-
-„Ik weet nog beter”, zei Padde. „Ik loop de holletjes aan de kant eens
-af. Daar zitten ze. Als je je handen er maar van beide kanten insteekt:
-dan kunnen ze hem niet smeren.”
-
-„’t Is anders zoo dom niet, ook een paar zethaken uit te leggen”,
-meende Rolf.
-
-„Dat is zeker zoo dom nog niet!” beaamde Harmen. „Maar als je tegen
-Padde: erwtesoep zegt, dan zeit Padde: rooie kool, En zeg je: rooie
-kool, dan zegt Padde: boonen met spek.”
-
-Hajo was een kokosboom ingeklauterd en begon noten los te draaien.
-
-„We zullen onze opslagplaats maken bij het kreekje!” zei Rolf. „Hajo en
-ik zorgen voor noten. Padde gaat visschen, en jij, Harmen, zou hout
-kunnen kappen om het vlot te versterken,—dan schieten we flink op.”
-
-„Ja”, zei Harmen. „Ik zal dikke stelen uitzoeken! Zou Hajo nog niet wat
-kunnen schieten? Dan hebben we nog wat anders dan visch en kokosnoten.”
-
-„Best”, zei Rolf. „Dan zorg ik wel alleen voor de noten.”
-
-Zoo scheidden de vrienden.
-
-Rolf klauterde den eenen boom na den anderen in, wierp de noten omlaag
-en liet ze voorloopig maar liggen. Tenslotte dwongen hitte en
-vermoeidheid hem, op te houden. Hij bond de noten bijeen en sleepte ze
-naar de kreek.
-
-Harmen wilde juist met hakken beginnen. „Ik heb drie zethaakjes
-uitgezet”, zei hij. „Vette pieren, dat hier in de grond zitten!
-Allemaal blauwkoppen en nooit van die gele, uitgerokken dooie dienders
-als bij ons achter de bleek, waar geen visch in bijt.”
-
-„Hak eens een jonge noot open?” vroeg Rolf. „Ik verga van dorst.”
-
-Harmen hakte met een fermen slag het bovenstuk van een bast af, zoodat
-Rolf met de vingers de weeke plek onder den steel kon induwen en de
-koele, flauw-zoete melk in zijn keel laten klokken.
-
-Harmen bediende zich zelf ook. „Lekker!” Hij smakte met de lippen,
-begon toen opeens te grinniken.
-
-„Wat heb je?” vroeg Rolf, al half vroolijk.
-
-„Daarstraks stond ik me hier ziek te lachen!” lichtte Harmen toe.
-„Padde was daarginds de holletjes aan ’t afzoeken. Hap! Had ie een
-krabbetje aan z’n vinger hangen! Hij wou niet schreeuwen, omdat ie bang
-was, dat ik er dan bij zou komen. Maar hij stond te dansen, en niet van
-plezier!”
-
-Samen gingen de jongens naar Padde, die geduldig zat te visschen. „Al
-wat gevangen, Padde?”
-
-„Al twee. Ze liggen daar in het gras.”
-
-„’t Is haast zonde van die mooie wurmen, als je er zulke pietertjes aan
-vangt”, zei Harmen. „Zoek liever eens in de holletjes, Padde, daar
-zitten groote.”
-
-„Och.....” meende Padde, „zoo krijg ik ze ook wel.”
-
-„Als je maar lang genoeg wacht”, zei Harmen. En, zich tot Rolf wendend:
-„Zouden er hier in het water krabbetjes zitten, Rolf?”
-
-Padde verschikte een eindje en schraapte zijn keel.
-
-„Ja, ’k zou het anders niet vragen”, legde Harmen uit, „maar als Padde
-de holletjes nog wil afzoeken, moet ie wat oppassen met die mormels! Ze
-bijten gemeen!”
-
-Padde kleurde, keek grimmig naar zijn dobber.
-
-„Je hebt tuk!” zei Harmen.—Inderdaad: er zat leven in den dobber. Padde
-sloeg op; een vischje ter lengte van een vinger spartelde aan den haak.
-„Wallevisch!” stelde Harmen vast.
-
-„’k Wou, dat je nou maar ophoepelde!” schimpte Padde.
-
-„Geheel naar uwes bevelen”, verzekerde Harmen. En terwijl hij met Rolf
-weer terugslenterde, stond Padde verdrietig op en legde een eindje
-verder weer in.
-
-„’k Zal eerst maar van die dikke, gele stelen kappen”, zei Harmen. „Die
-zijn het beste.”
-
-„Ja, daarvan zullen we er ook een paar nemen om ze met water te vullen!
-Kom, ik ga maar weer eens een vrachtje noten halen.”
-
-Tegen middagtijd kwamen de jongens weer bijeen. Er lag al een geduchte
-stapel noten; Padde had acht groote en twaalf kleinere visschen
-gevangen, waarvan er een paar gebraden werden. Hajo kwam met twee
-duiven terug.
-
-„Dat zet geen zoden aan de dijk”, meende Harmen. „Dan kan je vanmiddag
-beter gaan visschen. En dan hangen we ze straks te drogen,—de jasjes
-open, dat de wind er in blaast.”
-
-Rolf stond op. „Snijden jullie nog wat rotan voor de masttouwen en
-zoo?”
-
-„Zekers, bootsman”, zei Harmen beleefd.
-
-En de arbeid werd voortgezet. Harmen zocht een mooie bamboe uit om dien
-als mast te gebruiken, hakte een gaffel en een boom voor het zeil, dat
-nog gekaapt moest worden.
-
-Toen ging hij de visschen schoonmaken, sneed ze open, spalkte er een
-stokje tusschen, hing ze zoo, „met open jasjes”, aan een lijntje op en
-legde daaronder een langwerpig vuurtje aan, zoodat de visch rondtolde
-in den rook.
-
-Toen kwam Hajo aanhollen. „Trap dat vuur uit! Vlug!”
-
-„Ja, goeie morrege!” zei Harmen.
-
-„Vlug, Harmen! Er komt een prauw aan! Zoometeen zien ze de rook!” En
-Hajo trapte het vuur uiteen, waarbij hij zich leelijk de voeten
-brandde. „Heb je nu ooit, daar zit Padde nog te visschen!—Padde!”
-
-„Ssst! Ik heb tuk!” fluisterde Padde.
-
-Harmen snelde toe, pakte den ijverigen visscher in zijn nek en sleurde
-hem mee. Een prauw kwam den stroom afzakken. Het was een klein hulkje
-met een hoog, gelapt zeil er op. Voorin zat, met den rug naar den boeg,
-een Inlander een net te ontwarren; in het midden lag iemand van wien
-alleen de beenen te zien waren, hoog tegen den mast opgestrekt. De
-derde Maleier zat aan het roer half te knikkebollen.
-
-Een eentonig, neuriënd gezang steeg uit de prauw op.
-
-„Als we ze eens aan de wal lokten en ze dan het zeil afkaapten?” vroeg
-Harmen. „Wil ik eens fluiten?”
-
-„Harmen.....?!”
-
-„Nou, laat ik het maar niet doen ook”, zei Harmen. „’t Is een rotzeil,
-dat zie ik van hier wel.”
-
-Hajo zuchtte verlicht op, oogde het schuitje na. „Ze gaan naar zee. ’t
-Zijn visschers, zie je wel?”
-
-„Nou, ik zal maar weer op hetzelfde plekkie ingooien!” zei Padde. „’t
-Is doodzonde van m’n tuk!”
-
-„Doe net, of je niet bent weggeloopen!” raadde Harmen. Hij stak zijn
-vuurtje weer aan, en Hajo en Padde vischten. Ze hadden nu een gunstig
-plaatsje gevonden, bij den ingang van de kreek. De eene visch na den
-anderen liet zich door een „fijne” blauwkop verleiden, en er waren
-kerels bij van wel een voet lengte, die de jongens slechts met veel
-overleg aan wal kregen.
-
-Toen de schemering inviel, hadden ze voor langen tijd proviand: meer
-dan honderd kokosnoten, stevig aaneengebonden in partijtjes van twaalf
-stuks, en ruim zestig ferme visschen. Er waren kokers voor het
-drinkwater, stapels rotan en bamboe voor de versterking van het vlot en
-voor „het want”.....
-
-En nu maakten de jongens zich op om het vlot hier naar de kreek te
-brengen. Ze namen de bamboekokers mee om ze hoogerop met zoet water te
-vullen, en in optocht ging het langs het pad, dat ze zich dien morgen
-hadden gebaand, weer naar het vlot. In een ommezien waren de takken
-opgeruimd, en Harmen en Hajo stootten van wal. De lucht was vanavond
-bewolkt,—dat kwam hun van pas! In het midden van de rivier vulden ze de
-bamboekokers met water; ze konden de zware dingen nauwelijks meer
-optillen. Een kwartier later koersten ze de kreek binnen.
-
-„Nou”, zei Harmen, „als jullie nou aan het vlot werken, ga ik even op
-m’n zeiltje uit.”
-
-„Zul je geen rare dingen doen?”
-
-„Dat kan ik niet beloven”, zei Harmen. „Maar als jullie me weer zien,
-heb ik een zeiltje bij me,—of ik zal pluimen krijgen en eieren leggen.”
-
-„Nou, kras dan maar op!” lachte Rolf.
-
-En Harmen kraste op.
-
-
-
-
-
-
-
-
-HARMEN KAAPT EEN ZEILTJE
-
-
-„Waarmee zullen we beginnen?” vroeg Rolf. „Kom, laten we eerst nog een
-stelletje dikke bamboes onder het vlot door steken. Ze passen net mooi
-in de gleuven van de andere bamboes! Straks snoeren we de heele zaak
-stevig vast!”
-
-Het vlot rees merkbaar, toen er nog weer een stuk of tien lange, zware
-bamboes onder waren geschoven. De jongens snoerden er rotankoorden
-omheen, rukten ze danig vast,—dat werkje hadden ze aan boord van de
-Nieuw-Hoorn geleerd.
-
-Ten slotte was het vlot wel een voet boven het wateroppervlak gestegen.
-
-„Nu is het voldoende”, meende Rolf. „Als we storm krijgen, worden we er
-tòch afgeslagen, en het vlot is sterk genoeg om een stevig golfje te
-verdragen. Laten we eens kijken hoe we de mast in het dek woelen. ’t
-Lijkt me het beste, hem beneden in een lus te wringen, die we naar vier
-zijden vast slaan. Maar dat doen we beter op zee! We zullen hem nu maar
-op het vlot binden en wachten, of Harmen werkelijk slaagt met z’n
-zeiltje”.
-
-„’k Ben er niets bang voor”, zei Hajo. „Maar als hij het heele dorp er
-bij op de hielen heeft, zou het me ook niets verwonderen!”
-
-„In elk geval zouden we nu dadelijk kunnen vluchten”, meende Rolf. „Ga
-je mee aan land? Padde slaapt,—hoor je hem snurken?”
-
-Harmen volgde het pad langs den oever. Hij bevond zich aan den kant van
-het dorp, hoefde dus gelukkig niet over te zwemmen. Toen hij de
-vroegere ligplaats van het vlot voorbij was, moest hij zich een weg
-door het geboomte banen,—in den zwarten nacht een griezelig werkje,
-waarbij Harmen’s bloed sneller klopte en het klamme zweet hem op de
-polsen stond.
-
-Eindelijk kwam hij bij een weggetje, volgde het, en een half uurtje
-later zag hij tusschen de boomen het dorp. Aan den oever lagen prauwen,
-wel twintig bij mekaar, de zeilen om den mast gesjord. Hoe te naderen?
-Alles was haast open terrein: de kampong lag dicht aan den oever.
-
-Harmen keek eens naar de lucht. Die was donker, maar tusschen de wolken
-waren lichte plekken waar de maan telkens doorscheen. Daar,—nu was het
-weer even licht! Wacht, zoometeen zou die zware wolk voorbij drijven;
-daar zou Harmen partij van trekken. En toen de wolk, waar Harmen op
-oogde, voor de maan schoof, kroop Harmen vlug als een rat naar de
-naastbijzijnde prauw.
-
-Hijgend bleef hij zitten. Ziezoo: hier achter dat „sloepie” was hij
-veilig!
-
-Welk zeil zou hij nemen? Daarginds lag er een los; die was makkelijk te
-kapen. Vlug sloop hij er heen, trok het zeil naar zich toe, neusde het
-af. „Hm!” knorde Harmen. „Berentsz. moest het niet in z’n vingers
-krijgen. Afijn, we zullen het er maar mee doen.” En Harmen wilde zich
-met zijn buit uit de voeten maken.—Verdikke! Daar kwam zoo’n sloeber
-aanzetten! Wat kwam ie doen? Hij had een mes in z’n gordel zitten.
-Harremen ook.
-
-De Inlander, die naderde, een lantaren in de hand, kwam recht op Harmen
-af. Maar dichterbij gekomen, boog hij iets naar rechts af, zoodat
-Harmen kon blijven zitten. Glurend langs den mast van het vaartuigje,
-waarachter hij zich verborgen hield, zag onze vriend, dat de Inlander
-aan een der prauwtjes wat morrelde en zijn lantaren op den grond zette.
-
-„Van die lantaren ben ik niet vies”, bekende Harmen zichzelf. „Die
-kunnen we gebruiken! Weet je wat Harremen doet? Hij kruipt er naar toe,
-blaast ’t licht uit, en is er meteen van tusschen. Met ’n zeil en ’n
-lantaren!”—En terwijl de Inlander, die ter vischvangst scheen te willen
-gaan, den mast opzette en zijn net nazag, sloop Harmen naar de
-lantaren. Hè, daar was die lamme maan weer! Even wachten maar. Dat die
-nou ook juist moest gaan schijnen, als Harmen..... kwam er nou nooit
-een wolk voor? Ah! Eindelijk!
-
-Harmen sloop nader tot hij bij de lantaren was, en toen de Inlander
-zich afwendde, blies Harmen ze uit. Maar als de drommel trok hij zijn
-hoofd weer terug: de Inlander had gemerkt, dat de lantaren was
-uitgegaan, bukte zich en hief ze grommend op. Toen hoorde Harmen, die
-geheel in de schaduw teruggekropen was, vuur slaan en zag het
-lichtschijnsel van de lantaren weer. Harmen deed zichzelf bittere
-verwijten, dat hij niet ineens met de lantaren was weggehold vóór de
-Inlander zich weer had omgewend. „Nou, ergens is het goed voor
-geweest”, troostte Harmen zichzelf, „ik weet nu, dat ie een tondeldoos
-heeft, die kan Harremen óók gebruiken. Weet je wat? Ik gooi m’n zeiltje
-over hem heen,—dan heb ik hem!” En met meer haast dan voorzichtigheid
-sloop Harmen naar z’n zeiltje.
-
-De Inlander hief het hoofd op, luisterde even, nam zijn lantaren en
-liep op het geruisch af, dat hij vernomen had. Floep! Harmen zat onder
-z’n zeil weggescholen. De Inlander zag hem niet, keerde weer terug,
-zette de lantaren op den voorsteven van zijn prauwtje en begon het
-lichte vaartuigje in het water te duwen.
-
-„Wacht, daar zal ik je bij helpen!” fluisterde Harmen. Hij richtte zich
-op en sloop, het zeil voor zich uithoudend, geruischloos achter den
-Maleier aan, die uit alle macht duwde en niets merkte van het dreigend
-spook, dat in den duisteren nacht achter hem stond.
-
-De voorsteven van het prauwtje schoof het water in. Nu ging het duwen
-sneller: de Inlander schoot plots vooruit. En in dezelfde seconde wierp
-Harmen zich als een groote vleermuis op zijn rug, zoodat de prauw van
-den wal werd gestooten en de Maleier voorover in het water sloeg,
-Harmen bovenop hem. „Dat moest ik hebben!” hijgde Harmen. „Onder water
-kan ie niet schreeuwen.”
-
-Wip! Harmen zwaaide zich om, drukte, zelf half in het water zittend, de
-knieën forsch op de naar voren uitgestrekte armen van zijn slachtoffer.
-Zijn eerste werk was, den man het mes uit den gordel te rukken en het
-op het zand te werpen. Toen zwaaide hij zich weer om, trok het zeil als
-een zak om ’s mans hoofd, werkte toen diens handen op den rug, omknelde
-ze met ijzeren greep, duwde zijn rechtervuist in den mond van den
-overvallene om hem het schreeuwen te beletten—en liet toen zijn
-gevangene opstaan, waarvan de man een dankbaar gebruik maakte.
-
-Toen, op het strand, ontstond een nieuwe worsteling, waarbij Harmen het
-niet gemakkelijk had, daar hij den man niet alleen in bedwang moest
-houden, maar hem bovendien het schreeuwen moest beletten. Het zag er
-een oogenblik leelijk voor onzen vriend uit: de Inlander beet hem als
-een razend dier in de hand, dat Harmen zelf wel schreeuwen kon van
-pijn. Verduiveld, zou een Hollandsche janmaat zich door zoo’n
-nikker.....?! In stomme woede drukte Harmen den Maleier achterover,
-bevrijdde zijn hand door den man met de andere vuist een paar geduchte
-slagen toe te dienen. Daarop stopte hij hem een groote prop zeildoek in
-den mond. „Daar lig je nou!” zei Harmen bitter en zijn bloedenden pols
-aflikkend. „Bijten, hè, dat kun je? ’k Had je daarnet onder het water
-moeten houden, dan had je zoo’n praats niet gehad!”
-
-Harmen trok zijn slachtoffer naar een prauw, snoerde hem met een touw,
-dat in het bootje lag, polsen en enkels vast, zoodat de Inlander zich
-niet van de prop bevrijden kon. Toen rolde hij hem geheel in de schaduw
-van een prauw en raapte ’s mans mes op.
-
-„Ze hebben niks gemerkt”, stelde Harmen vast. „Nou wou ik maar, dat de
-slaapkop zijn bootje niet zoover had weggeduwd.—Wacht! daar ligt het
-ommers!” Het prauwtje was een eindje verder weer aan den kant
-gestooten. De Maleier worstelde nog om los te komen, trachtte te
-schreeuwen.
-
-„Stil maar, ik weet wel wat je zeggen wil”, troostte Harmen, sloop op
-handen en voeten naar de prauw met de lantaren op den steven, kroop er
-in, stootte van den wal en wierp het zeil uit. „Nou! Nou vaar ik als
-een radjah!” Harmen grinnikte, keek met welbehagen naar den vroolijken
-lichtschijn van de lantaren, voorop. „Ze zullen opkijken!”
-
-Een briesje deed het zeil bollen, en licht en bevallig gleed het
-vaartuigje, gestuurd door Harmens vaardige hand, over het water.
-
-Een half uur later zwenkte Harmen de kreek binnen, meerde zijn prauw,
-sprong aan den wal. „Sta op, jongens!”
-
-„Harmen....?! Volgen ze je?”
-
-„Niet dat ik weet. Maar we doen toch goed, onze biezen te pakken. ’k
-Heb een heele prauw gekaapt!”
-
-„Een prauw? Doen we dan niet beter, met die prauw in zee te gaan?”
-vroeg Padde.
-
-„Ja, goeie morrege!” zei Harmen verachtelijk. „Eén golf, en de heele
-boel slaat om!”
-
-„Ja, ik geloof ook, dat het vlot wèl zoo stevig ligt!” meende Rolf. „En
-we moeten ook niet meer stelen dan noodig is. Kom mee, jongens, aan ’t
-werk!”
-
-Het zeil werd losgemaakt en op het vlot gegooid. Drinkwater was al aan
-boord; de kokosnoten, de wapens, het vischtuig en de halfgedroogde
-visch volgden. En gezamelijk duwden de jongens van wal.
-
-Ineens stokte Harmen, keek verschrikt naar den oever. „M’n zethaakjes,
-jongens!” stamelde hij. En uit alle macht werkte hij het vlot weer
-terug.
-
-„Maak dan voort!”
-
-Die raad was overbodig; Harmen holde met groote sprongen naar de plaats
-waar hij de zethaken had uitgelegd. „’k Heb er al een!” gilde Harmen.
-„Gommenikkie, wat een vet mormel! Kijk hem eens kronkelen! En hier! Zit
-er ook een an! En aan m’n derde haak..... zit er ook een!! Jongens, we
-blijven hier nog tot morgenvroeg! Eerder zoeken ze ons toch niet! En
-dan heb ik er nog drie bij! Ik hou zoo razend van paling!”
-
-„Kom je, of kom je niet?”
-
-„Neen! Ik kom niet!”
-
-„Stoot af, Hajo”, beval Rolf. En zelf gaf hij het vlot een fermen zet.
-
-„Wacht!” schreeuwde Harmen, kwam toesnellen en belandde met een
-geweldigen sprong aan boord. En tegen Rolf voer hij uit: „Je weet, dat
-je in Bantem nog een pak slaag bij me te goed hebt, niet waar?”
-
-„Wie breng je mee?” vroeg Rolf.
-
-„Mezelf!” zei Harmen. Nijdig pakte hij een boom op en werkte mee om het
-vlot naar het midden van de rivier te krijgen.
-
-De maan brak weer door. Zachtkens gleed het vlot voort. En zoo kwam het
-op de plaats waar de boomen aan den oever zich openvouwden en aan beide
-zijden het zeestrand blonk.
-
-„Jongens, nu de branding door! Padde, ga op het zeil zitten en hou
-Joppie vast. Harmen, zorg jij voor de waterkokers en de rest, dan
-zullen Hajo en ik.....”
-
-Het vlot werd hoog opgetild, smakte neer, dompelend in het schuim; een
-andere zeeduivel zette er zijn rug onder; de bamboes kraakten; het
-water vloog over de hoofden der jongens. Maar ze hielden zich schrap;
-Rolf en Hajo duwden uit alle macht af in den ondiepen bodem, en plots
-schoot het vlot smeuïg de branding weer uit, lag stil op de kalme
-deining.
-
-„Een beste kast!” prees Harmen. „Zullen we hem doopen?”
-
-„Hij is al gedoopt!” lachte Rolf.
-
-„Maar een naam moet hij toch hebben”, meende Hajo. „Dolimah is een
-mooie naam!”
-
-De jongens knikten zwijgend. Dolimah.....! Ze keken om naar het land,
-dat ze nu gingen verlaten. Het strand, de bosschen, de bergen in de
-verte, alles baadde in het maanlicht.
-
-En nu de jongens die groene bosschen, die bergen vaarwel zeiden,
-voelden ze, dat ze daarmee ook voorgoed Dolimah verlieten, en het was
-hun of er een stuk van hen werd afgerukt. In hun verbeelding zagen ze
-Dolimah met Saleiman haar dorpje weer zoeken; Saleiman geheimzinnig
-bespelend zijn betooverde bamboefluit; Dolimah zwijgend, angstig
-denkend aan wat haar thuis wachtte. En tusschen de struiken gluurde het
-kantjil met zijn vreesachtige oogen, de olifant, het stekelvarken,
-booze en goede geesten. En allen lieten haar eerbiedig voorbijgaan,
-alsof een prinsesje passeerde.....
-
-Een prinsesje, dat was Dolimah voor hen geweest. Een beschermheilige en
-een kleine, wakkere raadgeefster.
-
-Het vlot was Dolimah gedoopt. Zou het hen dan niet veilig naar Bantem
-brengen? Waterduivels, booze stormgeesten, weet het allen: dit vlot is
-de Dolimah!
-
-Zachtkens dansend op de stille golven, dreef de Dolimah voort in de
-zilveren oneindigheid van maan, sterren, wolken, zee en hemel.
-
-
-
-
-
-
-
-
-IN VOLLE ZEE
-
-
-„Nu, jongens, nu het zeil opgezet!” riep Rolf. Samen met Hajo begon hij
-aan alle vier zijden van het vlot een rotankoord te binden.
-
-„Ik snap al wat jullie willen”, zei Harmen. „Nou zeker onder in de mast
-een paar gaatjes, en daar de rotan doorhalen? Ik zal de gaatjes wel
-even kappen!”
-
-„Denk er om, dat je ze niet te groot maakt!”
-
-„Laat dat maar aan Harremen over”, knorde onze vriend. „Hier, Padde,
-pas jij op de palingen, en laat ze niet glippen, want dan draai ik je
-nek om.” Harmen reikte Padde zijn drie troeteldieren, die nog aan de
-snoeren van de zethaken waren samengebonden, en begon den mast gereed
-te maken. „Weet je wat ik wou?” vroeg hij. „Dat we een katrolletje
-hadden, dan konden we reven en hijschen.—Wacht, ik weet al wat: ik kap
-boven in de mast nog een gaatje, dan halen we daar een rotansnoertje
-door, en aan die rotan knoopen we de gaffel! Nietwaar?”
-
-„Als je maar zorgt dat de gaffel vrij draaien kan.”
-
-„Dat snapt een kind”, zei Harmen.
-
-Zoo kwam de mast te staan. Het „loopende touwwerk” liep gesmeerd, als
-je er een beetje goed aan trok, en de mast stond werkelijk vrij stevig.
-
-„Nou, zullen we de lantaren nou ook nog hijschen?” vroeg Harmen.
-
-„Om er een prauw met Inlanders mee te lokken?”
-
-„Ik begrijp niet waarom die Maleiers allemaal zoo woest op ons zijn!”
-zuchtte Harmen. En geeuwend voegde hij er aan toe: „’k Heb maf!”
-
-„Dan ga je maar slapen”, raadde Rolf aan.
-
-„Moet er dan niet een opblijven?”
-
-„Dat zal ik zijn.”
-
-„Waarom jij?”
-
-„Omdat jullie niets van sterren af weten.”
-
-„Jij wel?”
-
-„Ik wel.”
-
-„Welke koers vaar je?” gromde Harmen.
-
-„Noord-Oost.”
-
-„Waarom Noord-Oost?”
-
-„Omdat daar Bantem ligt.”
-
-„Hoe weet je dat?”
-
-„Ga nou maar slapen”, zei Rolf, „want je verveelt me.”
-
-Harmen smakte zich neer en snurkte.
-
-„Zullen we de waterkokers nog even tegen de mast binden?” vroeg Hajo.
-
-Rolf sprong op, en samen bonden de jongens ze vast. De boom was
-gelukkig hoog genoeg, dat hij vrij zwaaien kon. „Ziezoo”, zei Rolf. „Ga
-jullie nou maar slapen!”
-
-„Wek je me als het licht wordt?” vroeg Hajo. „Dan neem ik het stuur van
-je over.”
-
-„Ik zal het doen.”—En terwijl de anderen zich op het dek legden, bleef
-Rolf zwijgend zitten en waakte, den schoot van het zeil in de eene hand
-en in de andere het roer, dat dank zij zijn lengte beter voldeed dan
-men zoo denken zou. De jongen droeg er zorg voor, het Zuiderkruis recht
-aan stuurboord te houden. Hoe langer je er naar keek, hoe wonderlijker
-en hoe diepzinniger het scheen. Er woei landwind, juist genoeg om het
-zeil te doen bollen.
-
-Mijmerend tuurde Rolf voor zich uit. Binnen weinige minuten was hij de
-eenige, die waakte.....
-
-De anderen keken elkaar verrast aan, toen ze den volgenden morgen de
-oogen opsloegen en rondom niets dan zee zagen, behalve dan, nu al ver
-in het Westen, de blauwe bergketens van Sumatra. Stil genietend, lieten
-ze den frisschen zeewind om hun hoofden waaien.
-
-„Ben je moe, Rolf?”
-
-„Nou, ik wil wel wat slapen. Hou maar Oost, of Noord-Oost; het komt er
-niet zoo op aan.”
-
-„Wil je niet eerst nog wat bikken vóór je gaat maffen?” vroeg Harmen,
-die zijn veete vergat nu Rolf den geheelen nacht voor hen gewaakt had.
-
-„’k Heb al een vischje gegeten”, zei Rolf. „Ik ga nu eerst maar wat
-slapen.” Hij vleide zich op het dek neer en sliep haast oogenblikkelijk
-in.
-
-„Ik zorg voor de bikkerij!” zei Harmen, kapte een paar kokosnoten open
-en reikte de stukken rond. „Ziezoo! Als jij aan die kant een paaltje in
-het dek wringt, Padde, doe ik ’t aan deze kant, en dan hangen we de
-visch weer keurig te drogen!”
-
-
-
-Zoo gebeurde het. Een kwartier later hing op het „voorschip” het heele
-partijtje visch in den wind te schommelen. „Jongens, ’t zal warm worden
-vandaag!” meende Harmen. „We gaan zoometeen achterscheeps zitten, daar
-hebben we schaduw van het zeil.”
-
-„Ja, ik stuur voorloopig maar pal in de zon!” lachte Hajo.
-
-„Stuur maar raak”, zei Harmen. „We komen d’r wel. Zou er nog wat hout
-zijn voor m’n vuurtje? Om alles hebben we gedacht, alleen niet om hout
-voor het vuur! Wacht, ik kan ook wel wat kokosbast nemen!”—Een kwartier
-later vlamde, dank zij de tondeldoos, een ferm vuurtje op. „Nou, waar
-zijn m’n palingen nou?”
-
-„In ’t water”, zei Padde.
-
-Harmen verbleekte.
-
-„Vastgebonden!” lichtte Padde haastig toe. „Ze zitten nog aan de
-haakjes, voor aan het vlot.”
-
-Harmen sprong toe, haalde met een zucht de palingen binnen. „Ze konden
-twintigmaal gekaapt zijn! Waarom heb je ze niet in het drinkwater
-bewaard!”
-
-„Nog al lekker!” Padde trok zijn neus op.
-
-Harmen was grenzeloos verbaasd. „Maar, akelige buikspreker, uit
-datzelfde water heb ik ze toch immers gevangen!” En Harmen gooide twee
-der palingen in de kokers met drinkwater. „Zoo, deze eene zullen we
-maar in de maag laten verhuizen! Hou jij hem eens vast, Padde, dan zal
-ik hem stroopen. Kijk hem nou eens kronkelen! Ik ken geen beest, dat
-zoo de smoor gezien heeft aan doodgaan, als een paling. ’t Is een
-vette, jongens!”—En weemoedig liet Harmen er op volgen: „Zoo’n plekkie
-vind ik in m’n leven niet meer! Als ik in Hoorn zoo’n plekkie wist,
-ging ik nooit meer varen!”
-
-De paling smaakte heerlijk. „Zouden ze nou zelf weten hoe lekker ze
-zijn?” vroeg Harmen, zich smakkend de vingers aflikkend.
-
-De jongens zetten zich achter op het vlot neer, in de schaduw van het
-zeil en tuurden over het diepblauwe water, waarop geen schuimkop
-glinsterde. „We zitten in een zijstrooming”, zei Harmen. „Dat voel ik
-aan het schommelen.”
-
-„Dat zal de strooming al zijn van Straat Soenda!”
-
-„Ja, Pollepoenda”, dichtte Harmen.
-
-„Rolf heeft het toch gezegd”, vroeg Hajo, „dat we in Straat Soenda
-zouden komen?”
-
-„Oh!” zei Harmen. „Als Rolf morgen zegt: Harmen krijgt schubben, dan is
-het ook zoo! Hij is nooit in dit Chineezenland geweest en toch wil ie
-alles weten. Luisteren naar ouweren”, Harmen sloeg zich op de borst,
-„die wèl in Indië zijn geweest,—ho maar! ’k Zal een Arabier worden, als
-dit Straat Soenda is.”
-
-„Nou, wat is het dan?”
-
-„Lig me niet te vervelen”, zei Harmen. „Kijk daar eens, jongens! Een
-eilandje!”
-
-Hajo, Padde en Joppie sprongen overeind. Aan den Oostelijken
-gezichtseinder doken vage omtrekken op. „Wat zullen we doen, Harmen?!
-Er op aanhouden?”
-
-„Natuurlijk! ’t Ligt trouwens in de koers!”
-
-Zwijgend zagen de jongens toe, hoe allengs de omtrekken minder vaag
-werden en van blauw in groen overgingen. De oogen deden tenslotte zeer
-van het staren over het blinkende water.
-
-Tegen den middag waren ze zoo dichtbij gekomen, dat ze duidelijk de
-boomen onderscheiden konden. De jongens stelden vast, dat het vlot nog
-vrij veel gang maakte. Nu, alles was ook gunstig: de wind zat vlak in
-het zeil! Nu en dan piepte de mast, en de rotankoorden, die naar den
-achtersteven liepen, stonden strak als vioolsnaren.
-
-„We zullen aan land gaan!” zei Harmen. „’k Heb hout noodig voor het
-vuur.”
-
-„Als we aan land gaan, komen we in gruzelementen op de rotsen terecht”,
-voorspelde Hajo.
-
-Harmen wilde tegensputteren. Maar hij was zeeman genoeg om in te zien,
-dat Hajo gelijk had. „Best, je zult je zin hebben!” knorde hij daarom.
-„Maar als je denkt, dat ik m’n palingen rauw eet, vergis je je! Dan kap
-ik nog liever een stuk van het vlot af!” Hij loerde in de bamboekokers.
-„Ze zijn er nog, hoor, m’n palinkies! En fleurig! Terug jij!” Harmen
-tikte er een op den kop, maakte van zijn handen een bekertje en dronk.
-„’t Is warm!—Kijk die smerige wolken daar eens!”
-
-Hajo keek om.
-
-In het Westen doken achter de bergen vuilzwarte wolken op, ongevraagde
-gasten, die norsch en onbeschaamd de blauwe feestzaal daarboven
-binnentraden.
-
-„’k Zal er eens niezen!” zei Harmen, die met vochtige oogen en
-ontzaggelijk dom gezicht naar boven keek. „Hatsjie.....!—Daar schrikken
-ze misschien van, de wolken.”
-
-Maar de wolken schrokken niet. Over het geheele Westen staken ze hun
-leelijke koppen op, en achter de koppen aan wrongen zich groezelige,
-wanstaltige lichamen.
-
-Het eilandje, dat de knapen voorbijvoeren, baadde nog in zonnige
-weelde. Het was heel klein,—kon wellicht in een half uur worden
-omgeloopen. Hier en daar vielen de grijze, met mos beplekte rotsen
-steil neer in het nog blauwe water, dat blank opschuimde. Langs de
-rotsen sprongen kleine apen.
-
-Toen de knapen het eilandje voorbij waren en er nog eens naar omkeken,
-stond het als een groot en kleurig brok erts te fonkelen tegen den
-dreigend zwarten hemel daar in het Westen, en de zee achter het
-eilandje scheen ook al met inkt gedrenkt; er kwamen witte schuimkoppen
-op, verbaasde zeemonsters, die hun leelijke koppen met de rafelige,
-kroezende haren uit het water opstaken om eens te zien waar die
-plotselinge duisternis vandaan kwam.
-
-En zie! een zwarte schaduw gleed over het eilandje, roofde het zijn
-bonte pracht, en, vóór de jongens het wisten, zaten ze zelf ook al in
-het donker. Daar in het Oosten vluchtte een groene fonkeling. Het
-zonnige eilandje lag nu als een sombere, met gruwelijke legenden
-omsponnen rooversveste in den zilveren krans der branding.
-
-Hoor! daar kwam de wind! Hij rukte aan het zeil, dat de mast er van
-piepte en het vlot een schok kreeg. Rolf werd wakker, sloeg verbaasd de
-oogen op.
-
-„Rot-weer”, lichtte Harmen hem in.
-
-„En dat eilandje daar?!”
-
-„Kunnen we niet meer aankomen! We hadden daareven moeten landen, maar
-Hajo eet de palingen liever rauw dan lekker gepoft!”
-
-„Er was te veel branding”, verklaarde Hajo.
-
-Een nieuwe windvlaag rukte aan den mast, en van achteren sloeg het
-water op het dek. Nu klotste het onder het vlot.
-
-„Zouden we het zeil niet neerhalen?” vroeg Rolf.
-
-„Ben je gaar?” zei Harmen. „Hij loopt juist lekker. Kijken we eens een
-zog maken?” En Harmen wreef zich vergenoegd de handen. „Krimmeneel, wat
-zie jij witjes, Padde! Heb je weer verlet om ’t zeeziekvrije plekkie?”
-
-Op dit oogenblik, nog vóór Padde „knap maar!” had kunnen zeggen, rukte
-de wind geweldig aan het zeil; de onderschoot glipte Hajo uit de
-vingers, zoodat de boom met een zwaai naar voren uithaalde, een paar
-maal heen en weer wrikte; toen sprong een linkerachtertouw los, en de
-mast sloeg naar rechts over, bleef schuin hangen.
-
-„M’n palingen!” schreeuwde Harmen ontzet.—Deze schrandere dieren hadden
-zich het schuin vallen van den mast ten nutte gemaakt door uit de
-kokers te glijden, die mee overhelden. Harmen schoot toe, maar de
-klappende boom van het zeil sloeg hem tegen de borst, zoodat hij op
-zijn achterwerk belandde. En toen hij weer overeind was gekrabbeld, zag
-hij nog juist, hoe de beide palingen, kronkelend over het dek, in het
-water een goed heenkomen zochten..... en vonden.
-
-De tranen schoten onzen vriend in de oogen. „Daar gáán ze!” jammerde
-hij. En zich woedend omkeerend: „Wie heeft die achterste rotan zoo
-allerbelabberdst beroerd vastgeknoopt!”
-
-„’k Heb er een ouwe-wijvenknoop opgedaan.....” stamelde Padde.
-
-„Je bent zelf een oud wijf!” raasde Harmen. „Wat doe jij eigenlijk op
-een schip!”
-
-„Wie zegt je, dat ik op een schip wou! ’k Zou bij m’n oom in de
-bierbrouwerij!”
-
-„Kon ik je er maar heenboksen!” schreeuwde Harmen, nog met een spijtige
-trilling in zijn stem, terwijl Padde weemoedig verzuchtte: „Dan weet
-je, wat je hebt.....!”
-
-Rolf was opgesprongen, bond het zeil op. Hajo liep naar het voordek,
-waar de losgeschoten rotan in de lucht slierde, en trok den mast weer
-overeind. „Ziezoo, deze knoop laat niet meer los!” En hij rukte ook de
-andere knoopen stevig aan. Het vlot gleed een oogenblik zoo schuin
-tegen de helling van een golf op, dat ze zich allen aan iets
-vastklemden om niet weg te glijden. Harmen bond de arme Joppie, die op
-zijn schrale pooten te bibberen stond en met oogen vol angst rondkeek,
-aan den mast.
-
-„Toch zit ik liever op dit vlot als met z’n zeventigen in een jol!” zei
-Harmen. „Als je je maar goed vasthoudt.....”
-
-Meteen wierp Harmen zich schrap op het dek, de beenen uit mekaar, de
-handen om de dekspijlen. Padde rolde tegen hem aan; Hajo en Rolf
-sloegen neer en hielden zich aan den mast. Toen kwam het vlot weer
-zoowat vlak te liggen, en Harmen kon zijn zin voleinden: „..... kan je
-niks gebeuren!”
-
-Alle vier dropen van het water. Toen ze weer overeind krabbelden, begon
-het te regenen: een dichte sluier streek over het eilandje achter hen
-en onttrok het aan het oog, en van alle zijden kwamen regensluiers en
-vouwden zich boven het vlot ineen. De regen ratelde op het dek, en zoo
-zwaar drukte hij op het zee-oppervlak, dat het water terstond veel
-kalmer werd. Waar de spokende duivels hun gladde, bultige ruggen nog
-toonden, striemde hij ze, dat ze krompen van pijn. De wind worstelde
-zich nog wat door den regen heen, zeeg toen hijgend, afgemat neer.
-
-De jongens zaten triest bijeen.
-
-„Hoe zullen we nou koers houden?” vroeg Harmen, spijtig, omdat zijn
-vuurtje al weer uit was. „Je ziet geen zon, geen sterren.....”
-
-„Dan houden we koers op den wind”, stelde Hajo voor. „De wind links
-achter houden.”
-
-„De wind, die er niet is”, gromde Harmen. „’n Mooie koers zal dat
-worden!”
-
-Hajo en Rolf zetten het zeil op. Het bleef slap hangen, in vouwen en
-rimpels.
-
-„Zullen we wat bikken?” vroeg Harmen.
-
-„Geef maar op”, zei Padde.
-
-„Wat wil uwes hebben?” vroeg Harmen. „Gebraje kip? Warme oliebollen?”
-
-Kauwend op een visch, waar het zeewater nog afdroop, zaten de jongens
-in triest zwijgen bij mekaar op het stuurloos dobberende vlot.
-
-Zachtkens spon zich de schemering.
-
-
-
-In den nacht rukte de wind ineens weer aan het zeil. Rolf en Harmen
-schrokken er wakker van.
-
-Het regende nog wat, bij vlagen. Ook de wind was niet meer dan een
-vlaag geweest. Daarboven, hoog in de lucht, scheen hij vrij spel te
-hebben, reed op de zwarte wolken en zweepte ze tot woesten galop. Er
-glansden wat sterren door, als de fonkeling van stalen helmen.
-
-„Laat mij vannacht maar eens koers houden”, zei Harmen. „Ik neem koers
-op de wolken.”—Hij stond loom overeind, rekte zijn verkleumde leden en
-ging huiverend bij het roer zitten.
-
-„Er staat geen wind”, zei Rolf. „Dat was maar een vlaag, daareven.”
-
-„’k Zal eens fluiten! Dan komt de wind!” verzekerde Harmen. „Ga jij nou
-maar maffen.”
-
-De zee was nog woelig en zwart, maar het vlot deinde regelmatig, in
-breeden zwaai, zonder schokken. Langzaam-aan kwam er wat wind
-aansluipen, legde zich in het zeil en stuwde het vlot voort door de
-golven, die witte, schuimende wonden toonden. Het water vloeide over
-het dek tot aan de plaats waar de andere jongens sliepen. Ze merkten
-het niet. Maar Harmen knikte tevreden. „Er zit weer gang in de kast! ’k
-Zal ’t zeil nog wat aanhalen, dat ik geen scheutje wind verlies!”
-
-Zoo, langzaam-aan, zwol de wind, en toen de morgen grauwde, stond hij
-met gebolden rug in het zeil te duwen. Harmen hing, de armen over het
-roer, te snurken als een pater. Maar koers hield hij,—dat kon Harremen
-maffende nog wel, en zonder sterren!
-
-
-
-
-
-
-
-
-JAVA
-
-
-In wilde vaart joegen de wolken den ganschen dag. Eerst tegen den avond
-werden ze trager en schenen zich ten slotte nog slechts met moeite
-voort te slepen. Ze kregen vage omtrekken, werden minder zwart en
-rukten niet meer in dichte gelederen op, zooals daarstraks. Hier en
-daar stonden groote plekken blauw met helder fonkelende sterren.
-
-De wind sloeg naar het Zuiden om; nu bleven de wolken bedremmeld staan,
-botsten tegen elkaar en vluchtten ten slotte als een kudde opgejaagde
-schapen naar het Noorden. Een oogenblik later was er heinde en verre
-niet een meer te bespeuren, en de hemel stond blank gepoetst als na de
-groote schoonmaak.—„Morgen droog weer!” voorspelde Harmen en wreef zich
-in de knuisten.
-
-„’k Had liever een bedekte lucht”, zei Rolf.
-
-„Harremen niet!” verzekerde Harmen. „Wacht maar: morgen hebben we weer
-een vuurtje.”
-
-„’t Zal ook zonder vuur warm genoeg worden”, meende Rolf.
-
-„Wanneer zouden we Java nu zoowat in het zicht kunnen krijgen?” vroeg
-Hajo.
-
-„Misschien zijn we al op de helft”, zei Rolf. „We hebben vandaag een
-heel eind achter ons gelaten.”
-
-In spanning op den dag van morgen legden de jongens zich ter ruste.
-
-De ochtend was verrukkelijk. Er lag een blauwgrijze nevel op het water,
-en in dat grijs stond de zon als een roode lampion. Eerst later werd ze
-goud; nu liep over het water een gouden weggetje tot aan den
-gezichtseinder, en de vochtige nevels weerkaatsten het zonlicht, zoodat
-de lucht vol gouden schemeringen kwam.
-
-Harmen kon de verleiding niet weerstaan: plonsde in het frissche water.
-„Ik kan ’t nauwelijks bijhouden!” pufte hij, toen hij achter adem weer
-op het dek kroop.
-
-„Ga niet meer zwemmen, Harmen”, zei Rolf. „Je weet niet, of hier soms
-haaien zitten.”
-
-„Die lusten me niet”, verzekerde Harmen. „Die lusten alleen maar
-landrotten. Laatst.....” (Harmen begon te grinniken) „..... vongen ze
-eens een haai en vroegen ’m op de man af, waarom ie meer van landrotten
-hield.—De zeelui bennen me te zout, zei-d-ie,—en je weet van te vorens
-nooit, of je bijgeval niet een por in je schoone vessie krijgt!—Weet je
-wat Gerretje verteld heeft van een haai en van zoo’n uitgebakken bokkum
-van een landrot? Afijn, laat ik het maar niet weer vertellen ook, want
-’t is zoo allergemeenst gelogen, dat jullie er alle scheel van zouden
-worden, en Joppie er bij. Ophakken is goed, maar je moet de lui niet
-gaan voorliegen.—Hebben jullie ook zoo’n honger?”
-
-„Nou!” zei Padde.
-
-„Jou word niets gevraagd”, stelde Harmen vast. „De stukken visch zitten
-je nog achter de kiezen! Jij hebt je ’s morgens nog niet behoorlijk
-uitgerokken, of je zit al bij de proviand.”
-
-„’t Was maar een kleintje”, zei Padde.
-
-„Nou, jij bent ook maar een kleintje.—Blijf je er af met je vingers?!”
-
-Padde trok nijdig een paar visschen van het drooglijntje en deelde ze
-rond. Toen zette hij zelf met een norsch gezicht zijn tanden in een
-vischje.
-
-Harmen keek er grinnikend naar. „Je moest bij de drogist eens wat
-pillen halen, dat je eens afleert om dadelijk altijd zoo woest te
-worden”, zei hij. „Als ’n mensch: kurk zegt, versta jij d’r: schurk
-uit.—En als je nou toch bij de drogist bent, vraag dan meteen een
-zalfje, dat je niet overal zoo invliegt. Ik zie je nog in de kombuis
-zitten buikspreken! ’k Dacht, dat ik een beroerte zou krijgen! En
-Lijsken had geen adem meer.—’k Wil d’r uit! riep ie.—Komt dat uit m’n
-buik? vraagt Padde. Toen je weg was, zei Lijsken:—Ik geloof, dat die
-augurk ons nòg niet in de smiezen heeft!” Harmen tolde van plezier over
-het dek en knabbelde, met opgetrokken knieën achterover liggend, aan
-zijn visch.
-
-Padde stond met rollende oogen op, wilde met zijn visch naar het
-voordek verhuizen. Maar plots stootte hij een kreet uit, staarde in het
-water. Kort onder de oppervlakte flitste de witte buik van een haai.
-Duidelijk zag Padde den driehoekigen muil.
-
-De anderen waren overeind gesprongen; Harmen greep een der speren en
-stelde zich aan den rand van het vlot op. „Als ik hem die speer in z’n
-bast kan gooien, zal ik het niet laten, jongens.....!”
-
-In spanning wachtten de knapen. Alle grapjes waren van de lucht; de
-verbittering tegen den geheimzinnigen vijand, die met zijn
-vraatzuchtigen muil de diepten der zee onveilig maakt, sloeg hen in
-ban. Eensklaps dook het monster weer onder het vlot uit; een rilling
-van afschuw voer den jongens door de leden. Harmen haalde de gevelde
-speer ver naar achteren uit en slingerde het wapen uit alle macht naar
-den haai. De knapen zagen, hoe de speer wegschoot in het lichaam.
-Meteen wentelde de haai zich om; de gevlerkte staart dook uit de golven
-op en klapte weer neer, dat het water den jongens om de ooren vloog.
-Toen dook het dier in de diepte weg.
-
-„Die heeft ie te pakken!” hijgde Harmen.
-
-De jongens keken nog eenigen tijd uit, maar er kwam niets meer opdagen.
-„Kom, laten we weer achter het zeil gaan”, zei Hajo. „’t Is hier in de
-zon niet om uit te houden!”
-
-„Straks zal het zeil niet veel schaduw meer geven!” meende Rolf.
-„Zeg..... kijk eens in die richting! Is dat niet.....?!”
-
-„Land!” riep Harmen uit. „Wéér een eilandje!”
-
-„Dat kan”, zei Rolf. „Straat Soenda ligt vol eilandjes! Daar landen we,
-jongens! We hebben haast geen drinken meer aan boord!”
-
-Als ze nu maar konden landen, daar ging het om. Voorloopig moesten ze
-nog een paar uur wachten vóór ze er waren, en allengs ging er een
-gloeiende hitte boven het water hangen. De jongens hokten steeds
-dichter bij de mast, naarmate de schaduw van het zeil kromp. Joppie
-schikte telkens mee. Om de beurt namen ze de plaats bij het roer in.
-
-„Kom, zullen we eens wat gaan bikken?” vroeg Harmen, toen de zon zoowat
-op haar hoogst stond, en de jongens op een rijtje onder den boom
-gehurkt zaten.
-
-„Ik niet!” riep amechtig Padde, die de beurt bij het roer had.
-
-„Je hebt je buik zeker nog vol van vanmorgen”, zei Harmen.
-
-„Schei uit!” verzocht Padde. „Ik stik zoowat.”
-
-Harmen begon te grinniken. Maar in eens viel hij uit: „Haal dat roer
-dan toch om, sufferd! Waar koers je heen?!”
-
-„Ik kan niets zien”, klaagde Padde. „Alles is zoo scherp voor mijn
-oogen!”
-
-„Nou, kras dan maar op”, zei Harmen. „Ik zal het roer wel weer nemen!
-Anders varen we nog naar ’t land van de Chineezen”.
-
-Maar spoedig hield ook hij het niet meer uit. „’k Word zoo flauw als
-kinderpap!” mopperde hij. „’k Zou wel onder het vlot willen kruipen,
-daar is het lekker koel.”
-
-„Ben je die haai van daar straks vergeten?” vroeg Rolf.
-
-„Die is naar Harremen niks nieuwsgierig meer”, verzekerde Harmen. Maar
-hij bleef toch maar zitten.
-
-De wind bleef uit het Zuiden waaien, blies nu een zengende, van hitte
-sidderende lucht voor zich uit, die de kelen schroeide.
-
-Harmen hield het aan het roer niet meer uit, en Hajo verving hem. Onze
-koksmaat kroop in de schaduw, kapte een jonge kokosnoot open. Met
-gulzige haast bracht hij de vrucht aan zijn lippen en liet het vocht in
-zijn keelgat borrelen.
-
-In den namiddag, na elkaar om de beurt aan het roer te hebben afgelost,
-kwamen de jongens bij het eiland. Voorloopig was er van landen echter
-geen sprake: een hooge rotswand viel steil in de branding neer. De
-jongens besloten rechts om te zwenken,—daar scheen de kust beter te
-zullen worden.
-
-Hajo gooide het roer om en trok den schoot aan. Gelukkig,—aan deze
-zijde nam de rotswand spoedig af; er volgde een smalle strandvlakte met
-bosch, en plots een smalle kreek, waarvoor nagenoeg geen branding
-stond, zoodat ze gerust konden binnenvaren.
-
-Maar nu..... bij het naderen van de kreek..... wat schoof daar, ver aan
-den gezichtseinder, vaag en grijs achter de boomen te voorschijn.....?!
-
-„Java!!” schreeuwde Harmen.
-
-„Hoe weet je dat?!”
-
-„Zal ik niet zien!” De vreugdetranen braken door Harmen’s stem. „Die
-twee bergen, met dat gat links ervan, dat is Java! ’k Heb het toch op
-m’n vorige reis gezien?!”
-
-„Wat zullen we doen?!” vroeg Hajo, naar adem happend.
-
-Harmen sprong op het roer af, wilde het omrukken.
-
-Rolf voorkwam hem. „Harmen, we moeten éérst de kreek in!”
-
-„Laat je dat roer los?!” bulderde Harmen.
-
-„Luister dan toch!” viel Rolf driftig uit. „Al is dat dan ook Java,
-daarom zijn we nog niet bij de anderen! We moeten morgen te drinken
-hebben! Alle jonge noten zijn op.”
-
-„Maar morgenochtend zijn we immers aan de andere kust!” schreeuwde
-Harmen.
-
-„Rolf heeft gelijk, Harmen”, zei Hajo. „Hier kunnen we landen;
-daarginds ligt de kust misschien vol rotsen.”
-
-„Ja, laten we eerst aan land gaan, Harmen”, viel Padde zijn vriend Hajo
-bij.
-
-„Als Joppie nou óók nog gaat janken, zijn we klaar!” schimpte Harmen
-bitter.
-
-En zie: op het hooren van zijn naam, sperde Joppie zijn liefelijk
-keelgat open en gaf luide zijn bijval te kennen. Vlak er op kreeg hij
-er spijt van, ging met een blik vol wantrouwen zoo ver mogelijk van
-Harmen zitten.—Intusschen was het vlot, na even gedanst te hebben, de
-kreek binnengegleden. Ze bleek een broedplaats voor meeuwen te zijn en
-was omzoomd door kokosboomen.
-
-„Kom, Harmen, zit niet meer te brommen!” zei Rolf. „Vanavond varen we
-al weer uit!”
-
-„Ik heb geen haast!” snauwde Harmen. „Ik wou immers eerst niet eens mee
-naar Bantem?”
-
-De jongens trokken het vlot half op het strand, waarbij de meeuwen hun
-tsjiepend om de ooren vlogen. Er waren groote zilvermeeuwen,
-zwartkopjes, kleine grijsjes, sterntjes, stormvogels.....
-
-„Wedden, dat ik eieren vind?” vroeg Harmen vertrouwelijk aan Hajo,
-terwijl hij Rolf den rug hield toegekeerd.
-
-„Wilde je geen brandhout hebben?” vroeg Rolf, vriendelijk als altijd.
-
-„Eieren wil ik zoeken!” schreeuwde Harmen.
-
-„Nu, als je ze dan maar niet weer in je mond bewaart”, zei Rolf.
-
-Om dit antwoord moest Padde zoo verbazend grinniken, dat hij ervan
-dubbel dreigde te slaan. „Ja, ’k heb het van Hajo gehoord!” proestte
-hij. „Dat was ook niet snugger van je, zeg?” En Padde wrong zich, de
-handen om z’n rond buikje, in allerlei bochten, om zijn vroolijkheid
-kwijt te raken. „H-h-hij heeft de eieren in zijn m-m-mond gestopt!”
-gierde Padde. „En toen knapte de tak! En toen.....” Padde liet zich
-neerploffen en wentelde zich door het zand, „hi-hi-hi-hi, toen zijn de
-eieren..... hi-hi-hi-hi-hi!” Hij weerde met de hand Joppie af, die
-keffend om hem heensprong. „Toen zijn de eieren.....
-hi-hi-hi-hi-hi-hi!”
-
-„Vooruit!” zei Harmen half lachend, half ongeduldig. „Moet ik je
-kietelen?”
-
-„Hoe-oe-oe! Kietelen!” gilde Padde ontzet en vluchtte met groote
-sprongen voor Harmen uit. Joppie sprong hem keffend om de beenen,
-zoodat Padde dwars over hem heen in het zand sloeg en Harmen weer over
-hem heen buitelde.
-
-„Kom, jongens!” lachte Rolf. „Laten we nu vlug wat noten gaan plukken!”
-
-Harmen sprong overeind, pletste met de handen op zijn zitvlak en schoot
-een kokosboom in. „Reuze-noten, jongens! Hou je kop er maar eens onder,
-Padde!”—En toen Padde er geen lust in toonde: „Joppie! Joppie! Kom er
-eens bij Harremen?” Jankend van vreugdevolle opwinding, sprong Joppie
-om den stam. Maar toen „Harremen” met noten begon te kegelen, droop
-Joppie af, den staart tusschen de pooten.
-
-Hajo en Rolf zaten al in een anderen boom, en Padde maakte zich
-verdienstelijk door de geplukte noten over het strand naar het vlot te
-kegelen. Dat vond Joppie aardig: hij vloog holderdebolder achter de
-rollende noten aan, trachtte ze vergeefs in den bek te nemen.
-
-De jongens plukten niets dan jonge noten; oude hadden ze nog genoeg;
-het was hun om de melk te doen. Toen ze er naar hun zin genoeg hadden,
-werd er brandhout gehakt.
-
-Rolf had ook een aantal zware palmbladeren afgekapt en sleepte ze naar
-het vlot. „Daar vlechten we een zonnetent uit, jongens!”
-
-„Ziezoo, nou kunnen we dan toch gaan!” meende Harmen.
-
-En zoo staken ze weer in zee, door een dichten zwerm meeuwen gevolgd,
-die eerst terugkeerde, toen de schemering inviel.....
-
-„Wie zal vannacht waken?” vroeg Rolf.
-
-„Ikke”, zei Harmen.
-
-„Of ik!” stelde Hajo voor. „Ik heb nog niet eenmaal gewaakt.”
-
-„Ik krijg maf!” merkte Padde op en geeuwde allerverschrikkelijkst.
-
-„Weet je wat”, zei Rolf. „We waken om de beurt. Eerst Harmen, dan ik en
-dan Hajo.”
-
-„Nou, als er gewaakt moet worden.....” begon Padde aarzelend.
-
-„Help jij maar maffen”, zei Harmen, „dat doe je beter.”
-
-De avond was zeldzaam mooi. Toen de zon bloedrood in zee was
-weggezonken, kwamen uit het Oosten de nachtnevelen aandrijven en
-omsluierden het gebergte.
-
-„Zoometeen zie je er niks meer van!” pruttelde Harmen. „Dan moeten we
-weer op de sterren koers houden!”
-
-Maar dat was niet noodig: toen de sterretjes ontstoken waren en te
-tintelen begonnen, vluchtten de nevelen weer, en donker lagen de bergen
-aan den Oostelijken gezichtseinder.
-
-Java.....! Java.....!!
-
-
-
-
-
-
-
-
-HET EERSTE WEERZIEN
-
-
-Wie er den volgenden morgen het hoogst sprong van plezier? Daar,
-vlakbij, lag de kust! Java’s lachende, zonnige kust! De jongens keken
-er naar, als betooverd. Dit, dit was nu Java, waarvan ze zooveel
-wonderen gehoord hadden. Op dit groote, mooie eiland woonden de
-vorsten, die onder gouden zonneschermen wandelden in hun lusthoven,
-door breede lanen vol bloemengeur. Hun kleederen waren zwaar van
-edelsteenen; zij droegen vlammende krissen met kostbare heften en.....
-Wat had Vader Langjas hun onderweg nog niet alles verteld!
-
-De zon school nog achter de bergen, en de rotsen, die aan zee grensden,
-en de zee zelf en de groene bosschen achter de rotsen stonden te
-schemeren in een fijn, blauwgrijs waas. Hoe stil was het op het water,
-hoe mild was de lucht. Dat zoete ruischen tegen de rotsen klonk zoo
-feestelijk.....
-
-Zie! daar gluurde de zon boven de bergen uit; ineens schoten er
-allerlei grillige, goudgekartelde vormen in de rotsen aan de kust, en
-een blauwe schaduw sloeg in zee neer. Nu spiedde de zon nieuwsgierig de
-berghelling af; eenzame boompjes richtten zich fier op,—trotsch, dat ze
-een schaduw hadden, tien maal langer dan zij zelf.
-
-„’k Wou, dat ik wat versche visch had, om te braden!” zuchtte Harmen.
-
-„Ik kon wel eens inleggen”, zei Padde. „Gaan we niet aan land?”
-
-Rolf schudde het hoofd. „We varen de kust af, tot we op de Hollandsche
-schepen stuiten.”
-
-Padde wierp zijn hengel uit en ging zitten koekeloeren in het heldere
-water. „Kijk, daar zit een klein mormel om m’n haak te draaien”, zei
-Padde. „Afblijven, beestje, ’k moet jou niet hebben.” Padde trok den
-haak weg en gooide iets verderop weer in. Maar het „mormel” zat er al
-weer bij, en toen Padde even later grimmig naar den anderen kant van
-het vlot ging, volgde het hem ook daarheen. „Nou, als je dan zóó graag
-opgehaald wilt worden.....!” zei Padde nijdig en sloeg op. Het vischje
-was twee duim lang.
-
-„Geef hier!” zei Harmen. „’t Is beter als niets.”
-
-„Afblijven!” gebood Padde. „Ik heb hem gevangen om er weer mee te gaan
-visschen.”
-
-Maar Harmen griste het diertje weg. „Eerst zal ik hem braden en opeten.
-Dan mag je er mee doen wat je wilt.”
-
-Rolf en Hajo hadden wat gegeten en begonnen met hun zonnetent, maakten
-eerst een dun geraamte van bamboe.
-
-„Laat je wat bladeren voor een nieuw rokje over?” vroeg Harmen. „Met
-dat, wat ik nou aan heb, durf ik geen mensch meer onder de oogen te
-komen. Jij mag ook noodig wat nieuws hebben, Padde!”
-
-„Ja, ’k loop voor schandaal”, gaf Padde toe. „Kom, ik zal meteen maar
-beginnen!” Padde sprong overeind, legde z’n hengel neer. „Ik vang hier
-toch niets.”
-
-En even later zaten de jongens zwijgend bijeen en werkten.
-
-Harmen, den roerstok in den arm gekneld, vlocht daarbij ijverig en
-hield toch koers. Zoo volgden de knapen op vrij grooten afstand de
-kust, die naar het Oosten afboog.
-
-„Een prauw!” riep Hajo eensklaps uit. „Daar komt een prauw aan!”
-
-Ja! Bij het ombuigen van een in zee uitloopende rots, was een zeil
-opgedoken. Het was een groote prauw, en er zaten vijf Inlanders in.
-
-„Ze komen nu recht naar ons toe!” zei Rolf.
-
-„Laat ze maar komen!” zei Harmen driftig. „Wij zijn ook met z’n vijven!
-Nietwaar, Joppie?”
-
-„Wouw!” gilde Joppie opgewonden.
-
-„Misschien is het alleen maar nieuwsgierigheid”, meende Rolf.
-
-„Valt er wat aan ons te zien?” vroeg Harmen. „Hier, Hajo, neem een
-speer. En jij ook, Rolf!”
-
-„En ikke?” vroeg Padde bevend, met schorre stem.
-
-„Jij doet maar krek, of je d’r niet bij hoort”, raadde Harmen.
-
-Opgewonden wachtten de jongens de prauw af, bereid hun leven, zoo
-noodig, duur te verkoopen. Maar toen het vaartuigje naderde en de
-jongens de stomverbaasde, argelooze gelaatstrekken der Inlanders zagen,
-lieten ze de wapens zinken.
-
-„Tabeh!” riep Harmen.
-
-Een gemurmel steeg uit de prauw op. De Inlanders reefden het zeil,
-stuurden langs zij van het vlot, klemden er zich met de handen aan
-vast.
-
-„Is dit Java?” vroeg Rolf en wees naar de kust.
-
-De Inlanders knikten, keken nog verbaasd van den een naar den ander.
-
-„En zijn hier ook ergens Hollandsche schepen?”
-
-De bruintjes wezen naar het Oosten.
-
-Rolf haalde diep adem. „Lagi djahoe?—Nog ver hier vandaan?”
-
-Ontkennend hoofdschudden.
-
-„Kunnen..... kunnen we er vandaag nog komen?”
-
-„Bissa, toean..... zeker, heer.”
-
-„Wat zeit ie?” vroeg Harmen.
-
-Rolf zaten de vreugdetranen in de keel. „Dat we..... we vandaag nog bij
-de schepen komen!”
-
-Eerst keken de anderen hem aan, alsof ze hem niet begrepen. Toen steeg
-uit Harmen’s keel een schorre snik. „Tabeh!” schreeuwde hij, trapte de
-prauw van het vlot los en voerde een dollen rondedans uit, wijd
-uitzwaaiend zijn bloote beenen. En dikke tranen rolden hem over de
-wangen. „Hè, Padde, lollig varken?”
-
-Padde kreeg een grinnikbui, waarin hij bijkans stikte. „Harmen! Weet je
-wat jij bent? Oók een lollig varken!” En de beide jongens vielen elkaar
-in de armen, sloegen van de pret op het dek en buitelden gillend over
-elkaar heen, tegen den mast aan, die ervan kraakte. Ook Joppie leek wel
-dol geworden; hij sprong keffend om de jongens heen en begon Padde aan
-zijn schortje te trekken,—tot hij ten slotte met zijn buit achterover
-in het water plonsde. Rolf hielp hem weer op het dek. Nu ging Joppie op
-zijn achterste zitten en gilde met open bek, den kop omhoog, zijn
-opwinding uit.
-
-De Inlanders keken met wijd opengesperde oogen naar het gebeuren daar
-op het vlot. „Mabok..... dronken!” stelden ze vast.
-
-Maar Harmen stond alweer nuchter op z’n beenen, rukte het roer om,
-haalde den schoot aan. „’k Wou, dat ik vliegen kon!” zei hij, nog
-hijgend. „Rolf, ik ben smoor van je!”
-
-Rolf kon zijn lachen niet weerhouden. „Als ze nou maar de waarheid
-hebben gesproken!”
-
-„Jongens!” schreeuwde Harmen. „Leve Rolf! Leve de pennelikker!—’k Zou
-je wel kunnen uitwringen van lol!—Hè, Joppie? Ouwe, uitgebakken
-Chinees? Hou je snoet nou dicht, kammelejon!” En Harmen begon mee te
-gillen: „Hauw! Au.....au.....auw! Oeh..... oeh..... wauw!”
-
-De anderen vielen om van plezier, en Padde stemde met Harmen in. Toen
-werd het Joppie te kras; hij staakte zijn gejeremieer en keek verbaasd
-en gevleid naar de twee jongens, die nog met het hoofd in den nek als
-onvervalschte kamponggladakkers zaten te jammeren. Van louter schik gaf
-Harmen Padde een geweldigen mep in het gezicht; Padde had een fermen
-bloedneus, en Joppie was er ijlings bij om hem de wangen schoon te
-likken. Met krachtloos geworden arm weerde Padde hem af.
-
-„Kom, jongens, nu het hoofd weer bij mekaar!” zei Rolf. „Ik zie nog
-niets van die schepen, en we hebben nog een snikheete dag voor ons. Als
-we over een uur de tent niet klaar hebben, zitten we in het barre
-zonnetje, en daar heb ik weinig trek in.”
-
-Padde hield het hoofd achterover om zijn bloedneus te stelpen.
-
-„Wil ik je nòg een mep geven, om het gat weer dicht te slaan?” vroeg
-Harmen.
-
-„Heb het hart er eens toe?” vroeg Padde. „Dan ga ik straks naar de
-bootsman!”
-
-„Daar zul je geen plezier van beleven, leelijke klikspaan!” schold
-Harmen.
-
-Toen begonnen ze allen te lachen. Hè, zooveel geluk in eens was niet te
-omvatten!
-
-Een half uur later hadden ze een „zonnetent” van twee el in het
-vierkant. Ze zetten de mat op vier staken neer; zoo konden ze er juist
-mooi onder zitten.
-
-De middag kwam; de hitte werd haast onverdragelijk. Met trage tanden
-aten de jongens een vischje. In slapen had niemand behalve Joppie dien
-middag eenigen lust. Allen tuurden in Oostelijke richting over het
-water naar den sidderenden horizon.
-
-Harmen en Padde waren met hun schortjes gereed, voelden zich net zoo
-trotsch, als wanneer ze vroeger een nieuwe broek voor het eerst
-aanhadden. Dat straks iemand er iets vreemds aan zou kunnen vinden,
-kwam hun geen van beiden in den zin.—Harmen liet zich bewonderen. „Hè?
-Dat is andere koek dan dat smerige rokkie van daarstraks! Valt het van
-achteren ook goed?”
-
-„Puik!” prees Padde. „En bij mij?” Ook Padde draaide zich om.
-
-„Buk je eens wat?” vroeg Harmen.
-
-Padde bukte. Harmen haalde zijn hand naar achteren uit..... pats! Padde
-vloog door de lucht naar de andere zijde van het vlot. „Hè! M’n hand
-gloeit ervan!” grinnikte Harmen.
-
-„Lammeling!” schold Padde, overeind krabbelend. Maar meteen lachte hij
-ook alweer. Wie kon er nog boos worden?
-
-In den namiddag werd het koeler; de lucht betrok. De jongens gingen
-voor op het vlot zitten. Joppie en Padde hielden de wacht bij het roer.
-
-„Wat zit jij te koekeloeren, Hajo?” vroeg Rolf.
-
-Hajo zat al een minuut lang star voor zich uit te kijken. Hij
-antwoordde eerst niet en zei toen, moeilijk sprekend: „Ik gelóóf.....
-dat ik..... een schip zie!”
-
-„Waar?!!”
-
-Met bevende hand wees Hajo naar voren. „Onder die wolk daar, met die
-spitse top.”
-
-De jongens waren overeind gesprongen, tuurden hijgend in Oostelijke
-richting. Padde had het roer losgelaten en kwam, struikelend over een
-rotan, naar voren. Spannend zwijgen.....
-
-Toen stootte Harmen een schreeuw uit. „Ik zie het!!”
-
-De anderen rekten hun halzen.
-
-„Ja!” riep Rolf uit. „Nu zie ik het ook! Jongens!!”
-
-Padde knipte zenuwachtig met zijn oogjes. „Onder die wolk?” vroeg hij.
-En plots begon hij te schreien en driftig met de voeten te trappelen.
-„Ik zie niks! Ik zie niks!!”
-
-„Kijk dan uit je doppen!” raadde Harmen.
-
-Padde sloeg zich met de vuisten tegen het gelaat en schreide: „Ik kijk
-uit m’n doppen! Maar ik heb zulke..... zulke rot-oogen!”—En Padde’s
-lichaam trilde even van smart.
-
-„Wacht maar, Padde”, troostte Rolf. „Zoometeen zie jij het ook en je
-moet maar denken: we komen er allemaal tegelijk aan!”—En ook Hajo had
-medelijden met Padde. „Hè, Padde?” vroeg hij. „Als we straks samen weer
-aan boord klauteren?”
-
-„Hajo!” snikte Padde en viel zijn vriend om den hals.
-
-„Vooruit!” riep Harmen. „We schieten niet op! Waarom blaast de wind
-niet wat harder!”
-
-„Heb maar geduld”, zei Rolf. „Straks krijgen we nog ruw weer! Zie eens,
-wat een wolken!”
-
-„Wat heb ik aan wolken? Wind moeten we hebben!—Ziezoo! dat gaat een
-betere kant uit”, prees Harmen, toen een sterke vlaag in het zeil sloeg
-en het vlot een schokje voorwaarts gaf. Harmen laadde de armen vol
-kokosnoten en wierp ze overboord. „Weg met die rommel! Dat scheelt in
-de vaart! En van die mat maken we een fok!”
-
-De jongens plaatsten de zonnetent op het voordek. De wind was allengs
-geheel naar het Westen omgezwaaid, zat nu prachtig in het zeil. Hij
-scheen toe te nemen.
-
-„Voor mijn part gaat hij razen als de hond van Lubbes”, zei Harmen.
-
-Heel langzaam-aan werd het fletsblauwe omtrekje aan den Oostelijken
-gezichtseinder duidelijker. Toen vervaagde het weer, omdat het water de
-hitte van den dag ging uitdampen. De schuit lag voor anker; duidelijk
-hadden de jongens de kale masten gezien.
-
-In het Westen was de zon vertroebeld in waterige, vuil-paarse wolken;
-haar licht, daarstraks nog van het zuiverste goud, werd nu valsch van
-kleur, en ten slotte verdween ze geheel. Daarop schenen de wolken
-gewacht te hebben: daareven stonden ze druilend boven het water, maar
-nu schoten ze eensklaps omhoog met zulk een onstuimigheid, dat ze
-andere wolken meesleurden, die niets geen lust hadden in de wilde
-jacht, zich dan ook weer losrukten en onderdompelden in de loodgrijze
-bank boven de kim.
-
-„’n Vieze beweging daar!” zei Harmen. „Afijn, ’t brengt wind mee.....”
-
-Nu schoof ook de grijze bank omhoog en werd een trieste muur, die alles
-in schemer hulde; een rosse schijn kwam in de lucht te hangen; op den
-muur stonden eensklaps vlammende kanteelen. Daarachter lag een
-duivelsveste. Groeterig grauwe heksen op bezemstelen vlogen er uit op
-en reden naast elkaar, botsend met de ellebogen. Uit het Zuiden kwam
-een leger grijze ratten aankruipen, knaagde aan de laatste lichte
-plekjes van den hemel.
-
-Weer is er een aarzeling daarboven in de lucht. Het wordt stil; de
-golven zwellen van achteren geheimzinnig aan en loopen over het dek
-uit, nu het vlot haast niet meer vooruitkomt. Harmen raast en geeft er
-Padde de schuld van, als het zeil ten slotte slap neervalt. Onrustig
-zien de jongens omhoog.
-
-Zie! daar steekt de burchtheer zelf zijn rooden duivelskop achter den
-muur op. „Wat heeft dat treuzelen te beduiden?!” Hoor! de zweep giert
-over de ruggen der heksen en over het rattenheir. Nieuwe troepen komen
-aan, te paard, dringen door tot in de voorste gelederen.
-
-Het zeil bolt met een slag uit; de mast buigt krakend door. In plaats
-van van achteren te komen, schuiven de zwarte golven nu weer over het
-voordek.
-
-Harmen wrijft zich de knuisten. „Nou gaat ie gesmeerd!” Maar eensklaps
-betrekt zijn gezicht. „’k Ben maar voor één ding bang, jongens! Dat ze
-daarginds met dit weer niet voor anker durven blijven liggen en van de
-kust afzeilen!”
-
-De anderen weten geen antwoord. Allen zien het gevaar in. Ze hijschen
-zwijgend de lantaren in den mast, want het zal over een half uur donker
-zijn. Jongens, wat schiet het vlot door de golven!
-
-Eensklaps vliegen door een plotselingen rukwind de stukken hout het
-smeulende vuurtje uit en tollen, even nog sissend, in de golven. En het
-matten „fokzeil” suist draaiend de lucht in, slaat plots over den kop
-en schiet in het water weg.
-
-„Wel, verduiveld!” roept Harmen spijtig uit en gaat na, of de mast en
-het zeil goed vastzitten.
-
-Het vlot vaart zonder „fok” niet langzamer. Forsch dompelt het den kop
-in de golven.
-
-„Licht!!” roept Hajo plotseling uit.
-
-„Ha!—Trek de schoot aan, Rolf! ’t Ligt bijna in de koers!” En Harmen
-begint alvast te brullen: „Schip ahoy! Ahoy! Schip ahoy!!”
-
-Zóó snel vaart het vlot, dat het licht elk kwartier grooter en
-helderder wordt. Daar, links, is nog een licht! En rechts nog een!
-Houdt het middelste, jongens!
-
-Nu zijn ze er geen vijfhonderd ellen meer af. Duidelijk zien ze den
-donkeren omtrek van een Oostinjevaarder. „Zullen we roepen, jongens?”
-vraagt Harmen opgewonden.
-
-„Ja. Allemaal tegelijk. Een-twee-drie.....”
-
-„Schip ahoy!!” schreeuwen ze met hun vieren. Joppie gilt mee.
-
-„Nog eens! Een-twee-drie.....!”
-
-„Schip ahoy!!!”
-
-„Het ligt met de zijkant hier naar toe! We loopen er vierkant tegen
-op!”
-
-„Goed zoo, maar haal het zeil omhoog! Anders varen we het vlot aan
-splinters. Doe jij het, Hajo; ik moet het roer houd.....”—Met een
-scherp geluid scheurt het zeil van den boom af; zwaar klappend in de
-lucht rukt het den gaffel mee en vliegt als een witte meeuw weg.—„Zoo’n
-rotzeil!” scheldt Harmen.
-
-„Ik zie menschen!” roept Rolf. „Ze laten stootballen neer! Jongens!!”
-
-Hoog ligt het schip, zacht deinend op den rumoerigen golfslag, die
-klotst en botst onder den spiegel. Nu stoot het vlot tegen den houten
-wand van den Oostinjevaarder.
-
-„’n Valreep!!” schreeuwt Harmen dringend omhoog.
-
-Boven schemeren vage koppen. Daar vliegt een touwladder overboord. Met
-een wilden kreet grijpt Harmen het ding beet, wil er den voet inzetten,
-bedenkt zich. „Padde, jij eerst! Nou, vooruit dan!!” En Harmen duwt hem
-in het laddertje, geeft hem nog een zetje na. „Nu jij, Hajo! Geen
-praatjes! Kerel dan toch.....!!—En nou jij, Rolf!”
-
-„Neen. Ik ga het laatst”, zegt Rolf, alsof hij al schipper is en zijn
-bodem verlaten moet. „Maar hoe krijgen we Joppie mee?”
-
-Harmen weet raad. Hij grijpt Joppie, die deemoediger dan ooit is, in
-het nekvel en, als een hondemoeder, draagt hij Joppie tusschen de
-tanden den valreep op.
-
-Als laatste, even huiverend van geluk, verlaat Rolf het vlot. Zoo komt
-hij boven, waar Harmen de haren uit zijn mond spuwt.
-
-Wie staat daar en sluit hen alle vier tegelijk, schreiend en lachend,
-in zijn zevenmijls armen?
-
-Hilke Jopkins.
-
-
-
-
-
-
-
-
-BIJ DE BRUINVISCH AAN BOORD
-
-
-„Mijn jongens.....! Hajo! Rolf! Harmen! Padde, goeie sukkel, ik dacht,
-dat jullie altemet naar de weerlicht waren!” En de tranen sprongen zoo
-maar Hilke’s oogen uit. „Mannen, haal Bolle eens op!”
-
-Daar kwam Bolle al aanhollen. „Groote genade, jongens, zijn jullie daar
-weer?!” Bolle veegde z’n vette handen aan zijn witten voorschoot af.
-„Hoe hebben jullie ’m dat gelapt?”
-
-„Tja, Bolle”, zei Harmen, „als ik daarvan begin te vertellen, mag ik
-eerst wel een bord bruine boonen met spek achter de kiezen hebben,
-anders val ik onderweg van m’n stokje.”
-
-„’k Zal gauw wat klaarmaken!” verzekerde Bolle, aangedaan. „Lusten
-jullie een bordje pap na?”
-
-„Schei maar uit, Bolle!” zuchtte Harmen. „Pap.....! Groote genade!”
-
-Bolle spoedde zich naar de kombuis. En Harmen schreeuwde hem na: „Denk
-je om de basterdsuiker?”
-
-Hilke keek de jongens nog hoofdschuddend, de oogen vol tranen, aan. „Ik
-kan het nog niet gelooven, jongens! Daar staan jullie weer in levende
-lijve voor me en..... wat voor rokjes hebben jullie aan?”
-
-„Geef me er straks maar een broek van jou, Hilke”, zei Harmen. „Op wat
-voor schuit sta ik?”
-
-„Je bent op de Nieuw-Zeeland, bij de Bruinvisch.”
-
-„Op die rotschuit?” vroeg Harmen.
-
-„Heila!” schreeuwden een paar mannen. „Zachies an!”
-
-„Vraag ik jullie wat?” informeerde Harmen. „Zeg, Hilke, waar is de
-schipper? Onze schipper bedoel ik natuurlijk.”
-
-„Bontekoe heeft een nieuwe schuit: de Berger Boot. Die ligt een eind
-verderop. Voor Batavia.”
-
-„En jij en Bolle zitten hier?! Jullie laten den ouwe toch niet
-schieten?!”
-
-„Wat kunnen we anders doen?” vroeg Hilke. „Als de schipper niet
-teruggaat.....?”
-
-„Nou valt m’n hoedje af!” zei Harmen. „Waar gaat ie dan heen?”
-
-„Weet ik het? Tegen de Chineezen bakkeleien.”
-
-„Ik doe mee!” stelde Harmen vast. „Ik laat de schipper niet in de
-steek!”
-
-„Nou, ga nou maar eerst mee naar het logies”, suste Hilke. „Dan krijg
-je een broek van me, en dan moeten jullie maar eens alles vertellen!”
-
-„Dat we met die gepolitoerde nikkers wat beleefd hebben, daar kun je
-gif op nemen, Hilke!” verzekerde Harmen.
-
-„Jongens, we zullen eerst naar de kajuit moeten”, zei Rolf.
-
-„In m’n rokkie zeker?” vroeg Harmen.
-
-„De Bruinvisch is er niet!” gromde een der mannen. „Anders had ie
-jullie al lang in de gaten!”
-
-„Is de stuurman dan aan boord?”
-
-„De opperstuur is met de Bruinvisch mee. En de onderstuur ligt in zijn
-kooi. Was ie maar aan boord, de Bruinvisch, dan zouden we van de kust
-afzeilen, want ’t is hier gevaarlijk liggen met dit weer. Maar als de
-ouwe vannacht terugkomt en ie moet zich eerst groen zoeken voor ie de
-kast vindt, raast ie morgen de zeilen van de mast.”
-
-„Hij is naar de Maegt van Dordregt bij Jan Coen op bezoek”, lichtte
-Hilke toe.
-
-In optocht daalde men nu in het vooronder af,—eerst de jongens. „Alle
-duivels, die hond, die jullie daar hebben.....” riep Hilke uit.....
-„da’s immers geen ander mensch als.... als Joppie!”
-
-„Wauw!” gilde Joppie en vloog tegen Hilke op, die hem in zijn armen
-ving.
-
-„Joppie! Zat je daarom zoo aan me te snuffelen! Heb jij dat heele
-tochtje ook meegemaakt, ouwe jongen?—Kom, jullie moeten eerst wat
-ordentelijks aan je lijf hebben! Hier, Harmen, pas die broek eens?”
-
-„Hij zou me wel eens wat lang kunnen wezen.....” weifelde Harmen. Zijn
-veronderstelling werd gerechtvaardigd: de kniebroek, die Hilke hem
-geoffreerd had, reikte hem tot op de enkels. „Nou, een broek is het”,
-troostte Harmen zichzelf. „En ’k hoef er niet mee naar m’n meisje. We
-zullen de pijpen eens wat omslaan!”
-
-Zoo deed Harmen. Ook Padde kreeg een broek: een goedhartige oome stond
-hem een kleedingstuk af.—„Veel zaaks is het niet”, meende Padde.
-
-„Toch beter als zoo’n rokkie”, excuseerde de oome zich.
-
-Padde weifelde. „Kijk het zitvlak eens gesleten zijn!”
-
-„Wacht maar”, troostten de maats, „als je hier aan boord blijft, zal
-het nog wel meer slijten! Juffer Driesteng ligt altijd klaar.”
-
-„Dacht je dan, dat ik op die smerige schuit wou blijven?” vroeg Padde.
-Hij trok de broek aan; ze bleek om het middel wat nauw, maar Padde stak
-een paar gaatjes in den boord, trok er een touwtje door,—toen paste ze
-zoowat.
-
-„Nou”, zei Harmen, „nou moet je me eerst nog eens vertellen waar de
-anderen zijn. Waar is de bootsman? En de Schele en Bokje en Gerretje en
-Diede Doedes en.....”
-
-„De meesten zijn bij den schipper gebleven”, antwoordde Hilke. „Ik had
-ook wel gewild, maar eh, Sijtje, snap je.....? Nou, en de Schele is
-dood.”
-
-„D-dood?” stamelde Padde.
-
-„Dood”, zei Hilke triest. „Toen tegelijk met..... Wacht, dat weten
-jullie natuurlijk niet: we zijn overvallen! Floorke en de Neus
-en......”
-
-„Schei maar uit.....” zuchtte Harmen. „Wij hebben ze begraven, Hilke!”
-
-„Is ’t waarachtig.....?—Dat was me wat, jongens!—Nou, de Schele is dus
-dood, hij kreeg een giftige pijl in z’n schouder; we hebben hem later
-over boord moeten zetten. En Gerretje is getrouwd.”
-
-„Getr.....?! Wàt zeg je?”
-
-„Met een Javaansch meisje.”
-
-„En z’n meisje in Hoorn dan?”
-
-„Tja.....! Mij loopen de tranen ook over de wangen, als ik daaraan
-denk! Hij zegt, dat ie geen aardigheid meer aan varen heeft, nou
-Floorke er niet meer is.”
-
-„Wedden, dat ik ’m weer op een schip krijg?” vroeg Harmen. „Schamen
-moest ie zich!”
-
-Daar kwam Bolle aanzetten met een pan bruine boonen en een kommetje vet
-met uitgebakken stukjes spek er in. En de jongens smulden.....! Ze
-lepelden dapper uit de groote pan; Bolle bracht nog wat mosterd,—dat
-smaakte heel wat hartiger dan de zoutelooze rommel, dien ze al dien
-tijd hadden moeten slikken!
-
-De schuit begon al aardig te dansen, maar de jongens merkten er niet
-veel van; zelfs Padde had geen behoefte om naar het zeeziekvrije plekje
-te gaan zoeken.—„Hè, Joppie, ouwe karkas?” vroeg Harmen, wiens wangen,
-neus en kin blonken van het vet, „dat is wat anders als zoo’n half
-gepekeld stukkie visch?”
-
-„Wat zul je daar een gelijk aan hebben!” antwoordde Joppie. „Krak!” En
-hij brak met de tanden een groote spekkorst middendoor.
-
-Een groot bord pap besloot den koningsmaaltijd. Vol aandacht strooiden
-de jongens er basterdsuiker over, en Padde gooide er zooveel in, dat de
-pap heelemaal bruin werd. Maar Bolle keek vandaag zoo nauw niet.
-
-„Ziezoo”, zei Harmen, „als jullie me nou een pijpie en een blaadje
-geeft en wat brand er in, zal ik jullie eens gaan vertellen wat we
-alzoo beleefd hebben!”
-
-Zijn bescheiden wensch werd met bekwamen spoed ingewilligd, want allen
-waren even nieuwsgierig om de lotgevallen der jongens te vernemen.
-
-„Nou, luisteren jullie?” vroeg Harmen, na gnuivend een paar trekken aan
-z’n pijpje gedaan te hebben. En toen begon Harmen te vertellen. Te
-vertellen.....!! De jongens hadden, samen met Joppie, heele kampongs
-bestormd; Dolimah bleek tot achter de ooren op Harmen verliefd te zijn
-geweest; het verhaal van den panter werd in zoo felle kleuren
-opgedischt, dat den maats de rillingen over het lichaam liepen. Toen
-Harmen merkte, dat de geschiedenis indruk maakte, deelde hij den panter
-nog een wijfje en vijf volwassen jongen toe, mormels van heb ik jou
-daar! Toen het hol eindelijk geheel van het pantergebroed gezuiverd
-was, hadden twee reuzenslangen de arme zwervers in hun schuilplaats
-belegerd. Maar Harmen knoopte de beide staartuiteinden van de
-monsterachtig groote beesten met een dubbelen ouwewijvenslag aaneen,
-zoodat ze voor hun leven lang aan elkaar geketend waren en.....!—Harmen
-stokte. „Dat laatste was gelogen”, bekende hij onder de ongeloovige
-blikken van alle kanten. „Laat Hajo het dan maar vertellen.”
-
-„Neen, vooruit, vertel maar door. Kun je het dan niet zonder liegen?”
-
-Harmen schudde ontkennend het hoofd. „In het begin wel, maar later niet
-meer. En als ik aan jullie tronies zie, dat jullie het niet meer
-gelooven, geloof ik het zelf ineens ook niet meer.—Vertel jij het maar,
-Hajo!”
-
-Hajo nam Harmen’s taak over, maar Harmen viel hem telkens in de rede om
-er een haaltje aan te maken en vroeg dan: „Niet waar, Rolf?” Voor Rolf
-wat zeggen kon, ratelde Harmen al weer verder.
-
-Nu en dan sloeg Hilke Hajo op den schouder, dat zijn botten kraakten,
-en zei, zegevierend rondkijkend: „Alsjeblieft, mannen, hier zien jullie
-een Fries!”
-
-
-
-Zoo werd het elf uur. Toen eerst begaven de mannen zich ter ruste,
-allen nog druk dooreenpratend over de avonturen van de helden van dien
-dag, voor wie een paar fijne kooien waren vrijgemaakt. Terwijl de
-kerels zich, schrap staande op beide beenen om niet om te slaan,
-stonden uit te kleeden, klonk buiten plots een stem als een kanon. „De
-Bruinvisch!” stamelden de maats en schoten haastig hun broeken weer
-aan. Ook de jongens, die het met uitkleeden gemakkelijk hadden en al
-hoog en droog in hun kooien lagen, vlogen overeind.
-
-„Blijf liggen!” raadde Hilke. „Jullie liggen immers goed? Als je bij
-hem mocht aanmonsteren, zul je nog genoeg hollen,—’t is hier werken aan
-boord! Kom, ik ga ook eens kijken wat er aan het handje is!” En Hilke
-stapte met groote passen achter de anderen aan.
-
-Zwijgend zaten de jongens in het uitgestorven vooronder te luisteren
-naar de donderende bevelen van den Bruinvisch. „Haal in de ankers! Zet
-de fok op! Hel en weerlicht, als ik een uur later was gekomen, had de
-kast aan gruzelementen gelegen!”
-
-Verdraaid! ze dansten flink,—dat was waar. Hoor! de ankerspillen
-ratelden. Nu werd er zeker een zeil opgezet. Hoe de wind er in sloeg!
-Pang!—Hilke kwam kletsnat weer binnen en schudde zich. „’k Heb door een
-zeetje geloopen”, lichtte hij toe. „We steken eerst een eind van wal en
-varen dan op Batavia aan, dan spreken jullie morgen de schipper meteen!
-Kom, ik moet nog wat helpen! Slaap lekker, jongens!” En Hilke verdween
-weer met een vriendelijken hoofdknik.
-
-„Dag, Hilke!”—Maar de jongens konden maar zoo niet inslapen. Zwijgend
-lagen ze in hun kooien, stil-gelukkig in het heerlijke bewustzijn weer
-bij vrienden te zijn. Morgen zouden ze Bontekoe de hand drukken,—die
-lag met zijn schip voor Batavia..... was dat een eiland? Rolf had er
-nooit van gehoord. En de schipper ging met de Chineezen bakkeleien? Wat
-moesten zij dan doen? Ze wilden wel mee, maar..... Zou de schipper lang
-in Indië blijven, vóór hij weer terugvoer naar..... naar
-Hoorn.....?—Doet er niet toe! Ze kenden hun plicht en wisten waar hun
-plaats was. Maar toch.....—De jongens zuchtten. Drommels, wat vloog de
-lamp heen en weer; wat kraakten de masten!
-
-Bij groepjes kwamen de maats weer terug. De helft moest opblijven. De
-Bruinvisch zelf ging ook niet ter kooie. Mijmerend dachten de jongens
-er over na, wat Bontekoe eens van den Bruinvisch had gezegd: „Tòch een
-goed zeeman!”
-
-
-
-Rolf was het langst wakker. Hij dacht aan het oogenblik, dat hij van
-Hajo afscheid zou moeten nemen. Hun wegen zouden uiteenloopen,—daar was
-Rolf nu zeker van.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AF- EN AANMONSTEREN
-
-
-Toen de jongens den volgenden morgen wakker werden, huiverden ze van
-genoegen. De zon scheen door de poorten aan bakboordzij; de storm, voor
-zoover men dat nachtje stevig blazen storm mocht noemen, had
-opgehouden,—al stampte de schuit ook nog wat. De oomes waren bezig hun
-broeken aan te schieten en knikten hen van alle kanten toe. „Morrege!”
-
-„Morgen!” antwoordden de jongens. En Joppie sprong onder Hajo’s kooi
-vandaan en wenschte ook goeden morgen met veel likken en
-kwispelstaarten.
-
-„De Bruinvisch weet al, dat jullie d’r zijn!” zei een maat. „Hij heeft
-de sloep zoowat kapoerus gevaren tegen jullie vlot: hij was niks
-gemakkelijk, toen ie aan boord kwam! Hij zegt, dat jullie bij hem in
-het lijkhuis moet komen.”
-
-„Het lijkhuis??”
-
-„De kajuit. Je zult het wel zien. Maar jullie hoefden pas te komen, als
-je wakker was.”
-
-„Allicht”, zei Harmen, „we zijn geen slaapwandelaars.”
-
-De jongens maakten zich op naar de kombuis, waar Bolle hen met een kom
-dampende koffie verwelkomde. Het was alles nog te mooi om te gelooven!
-Bedachtzaam, volop genietend, slurpten ze het bruine vocht.
-
-„We gaan nou naar Batavia, hè, Bolle?” vroeg Hajo. „Is dat een
-eilandje, of zoo?”
-
-„Wel neen,” zei Bolle. „Dat wordt een nieuwe stad, die nog geen jaar
-bestaat. Terwijl wij op zee zaten, hebben ze hier gebakkeleid. Wat
-vroeger: Jacatra heette, heet nou: Batavia. Stom-eenvoudig.”
-
-„Nou, ’t zal me benieuwen”, zei Harmen. „Laten we eerst maar eens naar
-’t lijkhuis gaan, bij de Bruinvisch! ’t Ligt daar vol opgeblazen
-krokodillen, zeggen ze.”
-
-En in optocht begaf het viertal zich naar de groote kajuit. Ze klopten
-aan.
-
-„Binnen!!!” donderde een stem.
-
-Daar zat de Bruinvisch. De jongens keken naar zijn koperkleurigen kop
-met de donkerroode wangen als van een rijpe bellefleur en de
-weerbastige, kleine krulletjes,—en in gedachten zagen ze hem den
-valreep weer opklauteren, statig gevolgd door den dorren koopman....
-toen, op de Nieuw-Hoorn.....!
-
-Hij zat rondom in de opgezette beesten. In een hoek stond een ietwat
-houterige tijger met gele, glazen oogen,—die was heel wat makker dan
-dien de jongens in Sumatra ontmoet hadden, al keek deze ook erg
-grimmig, en al waren de zware hoektanden ook geheel ontbloot. Van de
-lage zoldering der kajuit hing een albatros met wijd uitgestrekte
-vleugels, net of hij nog vloog, en hij klemde een morsdoode visch in
-den snavel. Half tusschen zijn vleugels door was een kalong
-neergelaten; dan hingen dieper in de kajuit nog visschen: een
-opgevulde, kleine haai,—kijk, daar in z’n vestje had ie een opstopper
-gekregen! In een hoek hingen een zwaardvisch met half afgebroken
-zwaard, een kolossale rog en een duivelsvisch. In een waas zagen de
-jongens onder de tafel, waaraan de Bruinvisch zat, een krokodil met
-groene oogen liggen.
-
-Aarzelend waren onze vrienden binnengetreden in dit tooverhol, waarin
-de Bruinvisch troonde als een vervaarlijk heksenmeester. Joppie, die
-hen overal volgde, had alle haren steil rechtop gezet en was ditmaal
-buiten blijven staan.
-
-„Jullie hebt me vannacht met jullie vlot zoowat naar de weerlicht
-geholpen!” bulderde de Bruinvisch vriendelijk. „Hoe heet jij?”
-
-„Van Kniphuyzen, schipper.” Verduiveld, wat een griezelige boel was het
-hier! De maats hadden wel gelijk, het een lijkhuis te noemen! Daar,
-boven op die kast, stond een zeeëgel; als pendant had ie een
-koffervisch, en in het midden stond een aap, die juist bezig was, in
-een tak te klimmen.....
-
-„En jij? Hoe heet jij?” bulderde de Bruinvisch Hajo welwillend te
-gemoet. De houterige tijger beefde ervan; de staart van den aap trilde,
-en in de kast viel iets. Verdikkeme, de Bruinvisch had boven zijn
-bedstee een vampier gespijkerd. Zeker om lekker in te slapen!
-
-„Peter Hajo, schipper”, antwoordde de gevraagde.
-
-De Bruinvisch keek Rolf aan.
-
-„Rolf Romeijn, schipper.”
-
-„En ik ben Padde Kelemeijn van de Appelhaven”, lichtte Padde den
-Bruinvisch in.
-
-„Vraag ik je wat?!” vroeg deze. En tot Rolf: „Ben jij die neef van
-Bontekoe? Als je bij mij komt, ben je over een jaar volmatroos.”
-
-„Ik dank u, schipper. Maar ik wil bij mijn oom blijven.”
-
-„Word je soms voor stuurman opgeleid?” vroeg de Bruinvisch wrevelig.
-
-„Jawel, schipper.”
-
-„Hm!” De Bruinvisch gromde nog wat en gunde Rolf geen blik meer. „En
-jullie?” wendde hij zich tot Hajo en Harmen. „’k Heb voor jullie ook
-nog wel een plaatsje over.”
-
-Harmen keek nog in gedachten verzonken naar de kast. Op de benedenste
-plank stond een kievit bij z’n nest met eitjes. Vier lagen er in.
-Zouden die van hem zelf wezen of van een andere kievit? Kijk die
-sperwer daar eens mooi staan, met z’n witte sokjes aan! En daar op die
-bovenste plank stonden allerlei beesten in fleschjes. Slangen, kikkers,
-hagedissen.....
-
-„Heila!” bulderde de Bruinvisch. „Versta je me niet?!”
-
-Harmen schrok op. „Eerst niet, schipper. Je spreekt zoo zachies.....”
-
-De Bruinvisch rolde met zijn oogen. „Ik vraag je, of je bij mij wilt
-komen?”
-
-„Nou, schipper, daar moet ik nog eens een nachtje over slapen.....”
-aarzelde Harmen. „’k Weet nog niet, of onze schipper me missen wil!”
-
-„Hij zal je in een glazen kastje zetten!” verzekerde de Bruinvisch.
-
-Harmen wees grinnikend op de hagedissen in de fleschjes. „Ik ben geen
-salamander, schipper!”
-
-Er heerschte even zwijgen. De Bruinvisch scheen er over na te denken,
-of hij Harmen zou laten kielhalen, op spiritus zetten of laten opvullen
-en aan de zoldering hangen. „Als je op m’n monsterrol stond, onthaalde
-ik je op juffer Driestreng!” viel hij tenslotte uit.
-
-Rolf vond het raadzaam, aan het onderhoud maar een einde te maken.
-„Kunnen we gaan, schipper?”
-
-„Ja, ruk maar uit!” bulderde de Bruinvisch en stampte met den voet, dat
-den houterigen tijger een der hoektanden uit den wreeden muil viel. De
-Bruinvisch raapte den tand op, duwde hem weer in de holte, waar hij
-thuis hoorde, en de jongens verlieten de kajuit.
-
-„Nou”, zei Harmen, „voor ik die gruwelkamer wéér in kom! Hè, Joppie?
-Jij moest er ook niks van hebben!”
-
-„Hij wou ons graag aanmonsteren, hè?” grinnikte Padde. „Maar dat zat
-hem niet glad!”
-
-Harmen keek Padde verbluft aan. „Tegen jou heeft ie toch alleen maar
-gezegd: Ik vráág je niks!”
-
-Padde zweeg even. „Kletskoek!” zei hij toen.
-
-
-
-En zoo kwam de groote middag, jongens, dat onze vrienden aan boord van
-de Berger-Boot, die op de reede van het pas gestichte Batavia voor
-anker lag, hun schipper, hun allerbovenstebesten schipper weer de hand
-drukten. En den braven Vader Langjas! Dat gaf me een blijdschap! De
-tranen sprongen hun in de oogen, en Vader Langjas’ stem trilde ook, en
-Bontekoe sloeg hun op de schouders, dat de botten kraakten.
-
-De jongens gingen mee naar de kajuit; daar kregen ze een stoel, net als
-groote heeren, en Bontekoe liet koffie brengen met een plak koek en een
-klontje er bij. Toen moesten de jongens vertellen. Schots en scheef
-ging het, en Rolf hield er met moeite een beetje volgorde in. Harmen
-weidde ditmaal niet uit: hij wou z’n schipper toch niet voorliegen!
-
-En toen ze honderd uit gepraat hadden, en de schipper en Vader Langjas
-hun hadden verteld hoe de jol tenslotte op de reede van Bantem was
-gekomen,—toen kwam Bontekoe met de vraag: „En, jongens, wat denken
-jullie nou te doen?”
-
-Onze vrienden keken elkaar aan. Harmen verslikte zich in zijn koffie,
-werd door Vader Langjas op den rug geklopt tot hij er weer bovenop was.
-Toen zei hij: „Is ’t waar, schipper, dat je tegen de Chineezen gaat
-bakkeleien?”
-
-Bontekoe glimlachte. „Voorloopig niet, Harmen! Maar ik vertrek de
-volgende week naar Ternate en zal hier in de buurt nog wel een paar
-jaar rondzwerven.”
-
-„Een paar jaar, schipper.....?!”
-
-„Zijne Excellentie de gouverneur-generaal heeft me op vijf jaren
-voorbereid, jongens.”
-
-De jongens zuchtten. Ze hadden altijd gedacht, dat er boven hun
-schipper niets hoogers meer bestond, en nu eensklaps hoorden ze, dat
-ook de schipper iemand gehoorzamen moest.....!
-
-Bontekoe zag hun verbazing en glimlachte. „Ik raad jullie aan, jongens,
-je bij schipper Pieter Thijsz. van Hoorn te laten aanmonsteren.”
-
-„De Bruinvisch!” verbeterde Harmen knorrig. „Als ik niet onder jou kan
-varen, schipper, heb ik..... heb ik er geen aardigheid meer aan.”
-Harmens stem trilde. Hij haalde diep adem, en een traan rolde over zijn
-wang. „Wat had ik graag met jou weer teruggewild, schipper!”
-
-„Kom, Harmen!” beurde Bontekoe hem op. „Misschien sta je over tien jaar
-nog wel eens als volle kok op mijn monsterrol.”
-
-„’k Hoop het te beleven, schipper.....!” griende Harmen.
-
-„Nou juist”, zei Bontekoe. „Jullie monsteren straks dus maar meteen
-bij..... bij de Bruinvisch aan. Hij zal jullie wel meevallen! Straks
-varen jullie nog liever onder hem dan onder schipper Bontekoe!”
-
-„Schipper!!” riepen de jongens.
-
-„In elk geval blijft jullie geen andere keus”, zei Bontekoe. „Wanneer
-zal het volgende schip naar Holland teruggaan? Alles wat binnenloopt,
-wordt vastgehouden, want hier is overal onrust sinds de verovering van
-Jacatra.” De schipper wendde zich tot Hajo. „Jou wil ik nog wat zeggen,
-Hajo. Jij hebt een goede kop. Je moest voor stuurman leeren.”
-
-„Schipper.....!!” stamelde Hajo.
-
-„Wil je ’t graag?”
-
-Het duizelde Peter Hajo. „Of ik het wil, schipper.....?!”
-
-„Dan zal ik je een brief meegeven voor de heeren van de Compagnie.”
-
-Dikke tranen schoten in Hajo’s oogen. „Ja..... jawel, schipper.”
-
-„En jij, Padde?” vroeg Bontekoe vroolijk aan den kleinen dikzak. „Wat
-ga jij doen?”
-
-Padde knipte met zijn oogjes, wilde wat zeggen, maar slikte zijn
-woorden weer in. Hij werd rood als een kreeft, zuchtte diep, haalde
-toen de schouders op en keek naar den grond. Om zijn mondhoeken trilde
-het; een traan spette op zijn grooten teen.
-
-„De Bruinvisch mot ’m niet”, lichtte Harmen toe.
-
-Een medelijdende glimlach verscheen op Bontekoe’s gelaat. „Hebben
-jullie het hem op de man af gevraagd?”
-
-„Neen, schipper!” haastte Harmen zich. „We hebben immers nog niet bij
-hem aangemonsterd!”
-
-„Nu, zie het dan eerst samen klaar te spelen, dat Padde meegaat!” zei
-Bontekoe. „Desnoods zal ik er wel bij te pas komen.”
-
-„God zal het je loonen, schipper!” snikte Padde.
-
-Bontekoe wendde zich tot zijn neef, keek hem in de oogen. „En..... jij,
-Rolf? Wat doe jij?”
-
-„Ik ga met u mee, oom”, zei Rolf zacht. „Dat spreekt immers vanzelf.”
-
-„Rolf.....!” stamelde Hajo.
-
-Bontekoe keek met een glimlach naar de beide vrienden.
-
-„De wereld is klein, jongens”, zei hij, vriendelijk-troostend. „Jullie
-loopt mekaar weer tegen het lijf voor je er erg in hebt! Kom, nu moeten
-we eens afrekenen!”
-
-„Afrekenen.....?!” Padde werd zenuwachtig, stootte Hajo aan.
-
-„Om het geleden verlies voor mijn mannen wat uit te wisschen, heeft de
-Compagnie mij toegestaan, dubbele gage uit te betalen”, zei Bontekoe.
-
-Een rilling voer den jongens door de leden.
-
-Bontekoe liep naar z’n tafel. Trok een lade open.
-
-„Harmen van Kniphuyzen!” klonk het. „Over veertien maanden gage:
-veertien maal vier is zes-en-vijftig, verminderd met drie gulden
-aanmonsteringsgeld, vermeerderd met twee gulden voor tweede aankomst in
-Oostinje,—maakt vijf-en-vijftig gulden!”
-
-Harmen kuchte, werd beurtelings bleek en rood en kwam gewichtig
-toestappen. Kalm en waardig, maar met bevende handen, schoof hij de
-stapeltjes zilver naar zich toe. „Bedankt, schipper!” zei hij norsch en
-liet het geld in zijn broekzak glijden.—Maar rinkelend kwam het er bij
-de pijpen weer uit en rolde naar alle zijden uit over den vloer. „Tja!”
-stotterde Harmen, „dat komt: ’t is mijn broek niet! Ik kon niet weten,
-dat er een gat inzit, nietwaar?” En met Padde’s hulp begon hij te
-grabbelen. „Ik zal het maar in m’n hand houden!” stelde hij de anderen
-gerust.
-
-„Peter Hajo!” riep Bontekoe. „Over veertien maanden gage, maakt
-veertien maal drie, is twee-en-veertig..... Heb je aanmonsteringsgeld
-gehad, Peter?”
-
-„Neen, schipper.....”
-
-„Ik kan het niet meer nazien omdat de meeste papieren verloren zijn
-gegaan,” lichtte Bontekoe hen in. „Dus twee-en-veertig. Vermeerderd met
-een gulden voor eerste aankomst in Oostinje, maakt drie-en-veertig. En,
-wacht eens, Harmen, zou ik jou ook niet de gage van Lijsken Cocs
-uitbetalen? Alsjeblieft: vijf-en-vijftig gulden. Geef het maar gauw aan
-den schipper van de Nieuw-Zeeland af, voor je het verliest, Harmen!”
-
-„Jawel, schipper”, zei Harmen. „Vijf-en-vijftig gulden,—wat zal z’n
-moeder blij zijn!”
-
-Bontekoe zag Harmen vriendelijk aan, knikte peinzend. Maar wie den
-schipper kende, zag aan zijn gelaat, dat hij van die vreugde van
-Lijsken’s moeder, wanneer Harmen haar het zakje met geld zou komen
-brengen, nog zoo zeker niet was.....—„Padde Kelemeijn!” riep hij.
-
-Padde krabbelde ijverig overeind, de handen nog vol zilverstukken, die
-hij voor Harmen bijeengegrabbeld had.
-
-„Geef op!” beval Harmen. „Anders komt het in de war.....”
-
-Bontekoe telde Padde’s gage uit. „Veertien maal drie is
-twee-en-veertig.....”
-
-„Geen aanmonsteringsgeld ontvangen!” zei Padde.
-
-Bontekoe glimlachte. „Ja, dat herinner ik me. Jouw aanmonstering staat
-me nog levendig bij. Dus: twee-en-veertig gulden, plus een gulden voor
-eerste aankomst in Oostinje, maakt.....”
-
-„Drie-en-veertig gulden!” rekende Padde vlug uit.
-
-„Goed zoo”, prees Bontekoe. „Daar liggen ze.”
-
-Padde telde het geld na. „Een-twee-drie-vier..... drie-en-veertig.
-Bedankt, schipper!” En op Harmens voorbeeld hield hij het geld in zijn
-hand.
-
-„Wil jij je geld ook hebben, Rolf?” vroeg de schipper.
-
-„Houdt u het maar vast, oom!” zei Rolf. „Als u me maar wat geeft om
-kleeren en een kist en zoo te koopen. Een gulden of vijftien.”
-
-„Hier zijn ze.—Zoo, wacht jullie nu nog even, dan zal ik die brief voor
-Hajo schrijven.”—En terwijl de jongens zwijgend toekeken, nam Bontekoe
-een vel papier en een blanke ganzeveer en schreef den brief. Tenslotte
-zette hij er zwierig zijn handteekening onder, bestrooide den brief met
-wit zand om den inkt te doen drogen. „Lees eens voor, Peter Hajo?”
-
-Hajo trad naderbij. „Aan de Heeren Bewindhebbers van.....” spelde hij.
-
-„Zoo. Dus je kunt wat lezen”, zei Bontekoe.
-
-„Rolf heeft het me geleerd, schipper!”
-
-De schipper zond zijn neef een welwillenden blik toe. Toen wendde hij
-zich weer tot Hajo. „Denk er om: het moet nog vlotter gaan, hoor!”
-
-„Ja-jawel, schipper!” Hajo werd rood als een kool.
-
-Toen vouwde Bontekoe den brief dicht. „Geef hem straks aan den schipper
-van de Nieuw-Zeeland af; anders is hij al vuil voor de heeren
-bewindhebbers hem in handen hebben. De Bruinvisch.....” Bontekoe kon
-een glimlach niet onderdrukken, „zal je nog wel zeggen wat je er mee
-beginnen moet. Begrepen?”
-
-„Jawel, schipper!” zei Hajo, stralend.
-
-En toen kwam het afscheid. Harmen en Hajo grepen ieder een hand van hun
-schipper. „Zoo eentje als jou krijgen we nooit weer terug, schipper!”
-verzekerde Harmen met schorre stem. „Zoo’n beste, puike schipper! Waar,
-Hajo?”
-
-Bontekoe scheen door Harmens spontane loftuitingen niet onaangenaam
-getroffen. Hij lachte maar en klopte den jongens op den schouder
-terwijl hij hen naar den valreep leidde.
-
-„Is dat Joppie niet?” vroeg hij.
-
-„Jazeker, schipper, dat is Joppie! Vooruit Joppie, je kent je schipper
-toch nog wel?”
-
-„Wauw!” kefte Joppie.
-
-„Gaat hij mee naar Holland?” vroeg Bontekoe.
-
-Harmen knikte. „Hij gaat straks mee aanmonsteren bij de Bruinvisch! Hè,
-Joppie?”
-
-Bontekoe lachte. „Hij zal Holland wel een koud landje vinden!”
-
-„Nou, hij gaat uit eigen wil mee”, verzekerde Harmen.
-
-„Jongens!” zei Bontekoe, „we zullen mekaar enkele jaren niet zien.
-Groet Holland van me, gedraag je zooals ik dat van jullie gewend ben
-en..... heb geluk op je weg!”
-
-„Dag, schipper, beste schipper! Van ’t zelfde, hoor!”
-
-’n Maat, die er bij stond te kijken, kreeg het te kwaad, hoewel hij er
-volgens zijn eigen zeggen toch niets mee te maken had.....
-
-
-
-Met dezelfde jol, die hen al door zooveel gevaren geleid had, werden de
-jongens weer naar de Nieuw-Zeeland gebracht. Harmen had in de
-verwarring van het afscheid de guldens weer in zijn zak gestoken.
-Wonder boven wonder waren ze niet in het water gevallen, maar juist in
-de jol. Nu zat Harmen, nog grienend om het afscheid, zijn geld te
-tellen, en Padde hielp hem er bij, omdat Harmen door het tranenfloers
-alles dubbel zag. Bovendien was Harmen in het tellen lang geen held:
-boven de tien ging het niet vlot meer. „Als er een in het water
-gevallen is, duik ik net zoolang tot ik ’m weer heb!” zei hij triest.
-
-„Dat zul je toch zeker wel laten”, meende een der maats van de Berger
-Boot. „De kust zit hier vol haaien!”
-
-„Zeg er eens”, zei Harmen, „pas jij op je jongste zusje, maar niet op
-mij!”
-
-Hajo en Rolf zaten stilletjes achter in de jol. Beiden dachten aan het
-komende afscheid.....
-
-
-
-Toen de schemering inviel, stonden de jongens weer in het „lijkhuis”,
-waar het nu nog griezeliger was dan vanmorgen: van alle kanten loerden
-duivelachtige koppen uit het duister; de glazen oogen glinsterden in
-het licht van een kaars, die vóór den Bruinvisch op tafel stond. Daar
-weer voor stond een regiment flesschen rooden wijn, waarvan er twee
-leeggedronken, en een derde aangebroken was. Het kaarslicht gaf den
-wijn zulk een helroode kleur, dat het wel scheen of de flesschen met
-bloed gevuld waren.
-
-„Zoo-zoo!” zei de Bruinvisch met ietwat zware tong, terwijl hij zich
-inschonk en er aandachtig naar keek hoe het kaarslicht den uit de
-flesch klokkenden wijn fonkelen deed. „Komen jullie zoete broodjes
-bakken?—Jou maak ik..... maak ik..... Hoe oud ben je?”
-
-De vraag was aan Peter Hajo gericht. „Vijftien geworden, schipper.”
-
-„Zoo”, zei de Bruinvisch, van achter de tafel een andere flesch met nog
-donkerder wijn opdiepend, „zoo, ben je vijftien.” Hij had den kroes
-half vol geschonken uit de eerste flesch en vulde hem nu uit deze
-flesch bij. „Je ziet er uit als zeventien. Ik maak je..... maak je.....
-lichtmatroos.” Toen stampte hij de flesch dicht en ledigde den kroes in
-een enkele teug.
-
-De Bruinvisch bulderde in het geheel niet meer. Hij fluisterde! Met
-schorre stem en achter alles wat hij zei tevreden knikkend. „Ja!”
-prevelde hij telkens. „Ja!”
-
-„En jij daar!” dat was tegen Harmen. „Jij wordt volmatroos.”
-
-„Goeie morrege”, zei Harmen. „Ik ben altijd koksmaat geweest.”
-
-„Zoo”, zei de Bruinvisch, zich weer inschenkend uit de beide flesschen.
-„Dan..... dan maak ik je..... maak ik je bijkok. Ja! En juffer
-Driestreng ligt altijd klaar.”
-
-„En ik.....?” vroeg Padde angstig. „Wat word ik?”
-
-De Bruinvisch nam den kroes op om hem uit te drinken, maar zette hem
-weer neer, keek Padde aan. „Wat jij wordt? Een vetzak, als je zoo
-doorgaat. Jou kan ik niet gebruiken.”
-
-„Nou, schipper”, zei Harmen, „dan moet je schipper Bontekoe eens naar
-hem vragen! Die heeft ’m nog eh..... apart aangemonsterd!—Kijk er eens,
-schipper, vlug is ie niet en als hij ergens een ouwewijvenknoop in
-slaat, trek je hem zóó los. Maar weet je waar ie goed voor is? Voor
-botteliersmaat! Ga nou eens na, schipper, waarom hebben wij op de
-Nieuw-Hoorn zoo’n ellende gehad? Omdat de botteliersmaat daar, die
-stomme pijpekop, een brandende kaars bij een jenevervat heeft gezet.
-Pats! de heele schuit aan flarden. Zooiets zal Padde niet gebeuren,
-schipper!”
-
-Padde ademde diep, keek naar den kalong daarboven.
-
-„Schipper!” smeekte Hajo. „We zijn samen uitgevaren, schipper, en.....”
-
-De Bruinvisch keek Padde aan, toen Hajo, toen Harmen. Hij nam den kroes
-weer op, maar ademde diep en zette hem weer neer, liet hem toen
-moeilijk los, alsof hij er al zijn vingers apart van moest bevrijden.
-De Bruinvisch schraapte zijn keel en bulderde weer op eens: „Wat was je
-op de heenreis?!”
-
-De flesschen rammelden; de kaarsvlam flikkerde; de schaduwen dansten in
-het vertrek. Maar den jongens was zijn gebulder welkom: zóó kenden ze
-den Bruinvisch; zoo wisten ze wat ze aan hem hadden. Dat schorre
-fluisteren van daareven had hen onzeker gemaakt en hen onaangenaam
-beroerd. Intusschen was de vraag op zichzelf pijnlijk genoeg. Padde
-kuchte, verbleekte.
-
-Maar Harmen sprong in de bres. „Hij was van alles, schipper! Hij kan
-bieten schrappen, pannen uitkrabben, flesschen spoelen.....!”
-
-„Vooruit dan maar!” brulde de Bruinvisch. „Botteliersmaat! Nou
-tevreden?”
-
-„Dank je wel, schipper”, zeiden de jongens uit een mond.
-
-Toen haalde Hajo zijn brief te voorschijn. „Schipper”, zei hij.
-„Schipper Bontekoe heeft me een brief meegegeven, dat ik voor
-stuurman.....” Hajo bloosde en slikte wat weg, „voor stuurman moet
-worden opgeleid. En.....”
-
-„Zoo! Is het jou ook al in je bol geslagen!” gromde de Bruinvisch. „De
-Compagnie zal nog eens schepen met niets dan stuurlui naar Jan Oost
-zenden! Geef die brief maar hier: jij zou hem nog vuil maken!” De
-Bruinvisch legde den brief voor zich op tafel en greep, reeds lezende,
-zonder er naar te zien, den kandelaar om zich bij te lichten. Daarbij
-stootte hij per ongeluk den kroes wijn om. De Bruinvisch verbleekte,
-stond ineens overeind en veegde met zijn mouw den wijn van den brief.
-Hajo sprong toe, trachtte vergeefs een stapel papieren, waar de kroes
-tegen aan gevallen was, nog te redden. „Alles zeker nat geworden, hè?”
-vroeg de Bruinvisch met schorre, fluisterende stem. „De heeren zullen
-wel denken..... hm!” Met zijn zakdoek begon hij de papieren te betten.
-Hajo hielp hem. „Bedankt.....” gromde de Bruinvisch. „Bedankt.....”
-
-Intusschen had Harmen zijn aandacht aan iets heel anders gewijd. Wat
-stond daar op de onderste plank van de kast? Een..... een doodskop?!
-Harmen zou hebben aangemonsterd op een schip, dat in de kajuit een
-doodskop borg?! Nog starend naar dat bleeke ding met de zwarte
-oogholten, het akelige neusgat en de glinsterend-witte tanden, sprak
-Harmen kort en duidelijk z’n meening uit: „Schipper, als dat daar een
-menschelijke doodskop is, ben ik je koksmaat niet meer!”
-
-De Bruinvisch keek van zijn werk op. En, een uitweg zoekend voor zijn
-drift over de bemorste paperassen, bulderde hij stampvoetend: „Er uit!
-Er uit, zeg ik je! Alle drie!”
-
-De jongens verdwenen met bekwamen spoed, vonden buiten Rolf en Joppie,
-die vol belangstelling vroegen naar den uitslag van de aanmonstering.
-
-„Ik ga weer naar ’m terug”, zei Harmen. „Ik laat me niet aanmonsteren
-op een schip met een doodskop! Daar waag ik m’n huid niet aan en
-Joppie’s huid ook niet!” Harmen nam Joppie in z’n nekvel en koerste met
-zijn stekelharigen kameraad de kajuit weer in.
-
-„Harmen?!”—Maar Harmen had de deur alweer achter zich gesloten. Er kwam
-wat gebulder uit de kajuit,—toen werd het stil.
-
-Na een uurtje—de jongens waren met Hilke naar het voordek
-geslenterd—kwam Harmen weer aanzetten, Joppie vriendelijk
-kwispelstaartend voor hem uit.
-
-„Nou”, zei Harmen, z’n pijpje opdiepend en een handjevol tabak nemend
-uit de doos, die Hilke hem offreerde, „nou, de Bruinvisch is met al z’n
-gebulder zoo mak als een lammetje, en Harremen windt hem om dit....”
-Harmen strekte zijn pink uit, „dit kleine vingertje! Die kop was niet
-van een mensch; die was van een Arabier! Hij heeft me ook in de laden
-laten kijken,—heerem’n tijd, wat zit daar allemaal voor een rommel in!
-Nou, enne..... Joppie is ook aangemonsterd, en ik heb de Bruinvisch het
-geld voor Lijsken’s moeder in bewaring gegeven.—Hè, Padde, daar hebben
-we je mooi doorgesleept! Je had best eens: Dankje! mogen zeggen!”
-
-„Waarvoor?” vroeg Padde hooghartig.
-
-„Nou, als jij niet snapt: waarvóór, dan wil ik je toch één ding zeggen,
-leelijke brandstichter!” viel Harmen uit. „De eerste maal, dat ik jou
-wéér met een kaarsje de kelder zie ingaan, neem ik je bij je nek en
-smijt je vierkant overboord; dan kun je aan de haaien vertellen wat
-voor een gemeene vent Harremen is! Jij zou het zeker wel lollig vinden
-om de Nieuw-Zeeland óók weer in de lucht te laten vliegen, maar daar
-zal ik dan toch eens een stokje voor steken. Gesnapt?”—Harmen keerde
-hem den rug toe en ging, nijdig trekkend aan z’n pijpje, naast Hilke
-over de verschansing hangen, turend naar de lichtjes van den oever.
-
-Er werd wat gezwegen. Elk had zijn eigen gedachten. Padde was
-pruttelend weggegaan om een sok te vragen van een der maats. Daarin
-wilde hij zijn geld stoppen, en die sok met geld wilde hij zoo sekuur
-verbergen, dat geen mensch ’m vinden kon. Hij had er al een mooi plekje
-voor. Waar,—dat wilde hij niet zeggen.
-
-Harmen verbrak met een diepen zucht de stilte. „Morgen zal ik zien, of
-ik een fiool op de kop tik! Een mooi zakmes wil ik ook hebben. En een
-spiegeltje en een kam! En voor m’n moeder neem ik ook wat mee! En voor
-m’n vader een paar krissen, die heb ik hem beloofd. En voor m’n meisje
-koop ik wat van zilver, dat ze om kan hangen.”
-
-„Ik dacht, dat je deze keer geen meisje had”, zei Hilke.
-
-„Heb ik ook niet”, antwoordde Harmen. „We kregen ruzie, juist een dag
-voor ik aan boord moest. Maar als ik drie dagen aan wal ben, zit ik er
-toch weer aan!—’k Wil zuinig wezen, Hilke: van die vijftig guldens, of
-hoeveel zijn het er,—nou ja, maar de helft moet ik er minstens van
-overhouwen. Niet zooals de vorige keer, toen alles schoon opging.
-Afijn, toen waren Gerretje en Floorke er bij, toen moest het wel
-opgaan! Blij, dat ik de centen voor Lijsken’s moeder tenminste aan de
-Bruinvisch heb afgegeven,—daar.....” Harmen deed een langen trek aan
-zijn pijpje, „daar liggen ze veilig.”
-
-De oever zag er lokkend uit. Lichtjes fonkelden tusschen de palmen, en
-de witte muren van pasgebouwde huizen glansden uit het donker op.
-Rechts, in een kleinen inham, lagen op het strand Inlandsche
-visschersprauwen, en een eindje het water in stond een huisje op palen,
-waarin eenzaam een Inlander zijn net ophaalde. De visch schitterde als
-zilver in het licht der opkomende maan.
-
-Het was stil op het water geworden. Branding stond hier haast niet.
-Zie, daar, wat verder in zee, lag de Maeght van Dordregt, waar de
-gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen zijn verblijf hield. Niet ver
-daar vandaan lag de Neptunus, ook een mooie schuit en ferm bewapend. De
-Morghenstar, een lichtgebouwde schoener, lag half over getalied,—werd
-zeker schoongeschrobd. En daar, verder naar het Noorden, fonkelden de
-lichtjes van de Berger-Boot, waar hun bovenste beste schipper zat.
-Goeie reis, schipper! En pas maar op, als je nog eens tegen de
-Chineezen moet bakkeleien.....!
-
-Toen luidde de etensbel. Ze aten bij lantarens op het open dek, want in
-het vooronder stikte je.
-
-Zoemend dansten de muskieten hun om het hoofd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-MET GERRETJE NAAR LOA HOK SEN
-
-
-Het was nog vroeg, toen de jongens den volgenden morgen met nog een
-paar maats aan wal roeiden. De heete koffie was er best ingevallen, en
-de zon scheen verrukkelijk. Ze meerden de sloep aan een houten kade,
-sprongen aan wal en wisten niet waar ze het eerst naar moesten kijken
-in het wirwar van bontgekleede Oosterlingen. Maar wie stond daar,
-stralend van blijdschap, en drukte hen alle vier tegelijk in de
-armen?—Gerretje!
-
-„’k Heb gisteren van Bolle gehoord, dat jullie weer aan boord waren!”
-riep Gerretje in vervoering uit. „En als Bolle niet gelogen heeft,
-sjonge-jonge, dan zijn jullie er raar doorgerold, zeg!”
-
-„Is het waar, dat je getrouwd bent?” vroeg Harmen. „Met een Javaansch
-meisje?”
-
-„Nou, wat zou dat?”
-
-„Dat zou”, zei Harmen giftig, „dat jij je schamen moest! Met zoo’n lief
-meisje in Hoorn!”
-
-„Nou, lig me nou niet te vervelen”, pruttelde Gerretje, half verlegen
-en wrevelig. „Heb ik je dáárom afgehaald?” Hij leidde hen naar een
-soort rijtuig, dat veel van een groote kist op wielen had. Er stonden
-een paar broodmagere biekjes voor, en op den bok zat een Inlandsche
-koetsier met op zijn hoofddoek een strooien hoed in den vorm van een
-paddestoel. „Stap maar in, heeren!” noodigde Gerretje uit.
-
-Stomverbaasd keken de anderen hem aan. „Is ’t je in je bol geslagen?”
-
-„En als ik je nou toch zeg, dat dat rijtuig van mij is?”
-
-„Van jou?!”
-
-„Nou ja, van een vrind van me. Een Arabier! ’t Kan ook wel een Chinees
-wezen.”
-
-„Heeft ie een staart?” vroeg Harmen.
-
-„Weet ik, of ie een staart of geen staart heeft!” zei Gerretje. „’k Heb
-hem immers pas eenmaal gezien! Toen had ie een tulband op. Vooruit!
-Stap in.”
-
-„Als d’r maar plaats genoeg is!” grinnikte Harmen, terwijl hij in het
-krakende, verflooze voertuig stapte.
-
-„Plaats zat”, meende Gerretje. „We hebben er laatst met z’n zevenen in
-gezeten. Moet die smerige gladakker ook mee?”
-
-„Dat is geen smerige gladakker”, zei Harmen verontwaardigd. „Dat is
-Joppie.”
-
-„Wat?! Is die met jullie meegekomen?—Joppie! Ken jij Gerretje nog?”
-
-„Wauw!” kefte Joppie en sprong tegen Gerretje op.
-
-„Hij is me nog niet vergeten!” zei Gerretje. „Vooruit, lik je
-grootmoeder, maar mij niet!”
-
-Onder groote belangstelling van Inlandsche kinderen en kleine
-Chineesjes hadden de jongens zich in het voertuig geheschen. „Moet
-Padde ook mee?” vroeg Gerretje.
-
-„Waarachtig!” zei Padde beleedigd. „Ik hoor d’r ook bij!”
-
-„Nou, dan moeten we die blauwe nikker maar naar beneden taliën”, meende
-Gerretje. En vóór de koetsier, die slaperig naar de magere, met
-zweepstriemen geteekende schoften der paardjes zat te turen, ergens op
-verdacht was, had Gerretje hem van den bok getrokken. „Zeg maar, dat
-toewan Gerretje de koedah’s zelf wel weerom zal brengen!” schreeuwde
-toewan Gerretje den verbluften man toe.
-
-„Zou-d-ie dat verstaan?” vroeg Harmen.
-
-„Waarom niet? Hij is niet doof!” zei Gerretje.
-
-„Nou, dan zal ik de koers wel houwen!” bood Harmen aan. „Ik kan goed
-met knollen omgaan!”
-
-„Met winterknollen uit het land van Lubbes bedoel je zeker!” hoonde
-Gerretje. „Laat mij dat zaakje nou maar opknappen: ze zijn erg wild!”
-Gerretje smakte met de tong. „Tschk! Vooruit!”
-
-„Heila!” waarschuwde Harmen. „Joppie en Padde moeten er nog in!”
-
-„Nou, ze loopen immers ook nog niet, de knollen?” vroeg Gerretje. „Je
-moet ze eerst altijd even wakker maken. En dan een trap tegen d’r
-achterwerk. Dan loopen ze.”
-
-Gerretje bleek goed op de hoogte te zijn: na enkele aanmoedigende
-duwtjes hieven de rossinanten den kop op, vergewisten zich, dat Padde
-op den bok zat naast Gerretje, en dat Joppie veilig geborgen lag
-tusschen Harmen’s knieën; toen ratelde de wagen de kade af langs kleine
-winkeltjes, waar de meest uiteenloopende zaken in bonte mengeling van
-kleur lagen uitgestald. Voor de open deuren en vensters zaten werkende
-Chineezen in hun wijde broeken en nauwsluitende jasjes,—voor zoover ze
-geen bloot bovenlijf hadden. Ze droegen hun staart in een knoedeltje op
-den kaalgeschoren bol, of als een snoer om het hoofd gewonden, of over
-den schouder met het uiteinde in den zak.....
-
-„Heb je d’r verstand van?” vroeg Harmen hoofdschuddend. „Zeg, jongens,
-als we hier vast eens wat kochten?” Hij tastte in den zak waar zijn
-guldens zaten. „Straks verlies ik m’n geld nog vóór ik er wat voor
-gekocht heb!”
-
-„Ben je gaar?” vroeg Gerretje. „We gaan eerst naar mijn huis! Vanmiddag
-kunnen we wel inkoopen doen! En vanavond is het pasar malem! Dan gaan
-we pret maken!”
-
-„Wat is dat: pasar malem?”
-
-„Zoowat als kermis.”
-
-„Fijn!” zei Padde. „En waar gaan we eten?”
-
-„Bij mij natuurlijk!” zei Gerretje. „Rijsttafel! Hilke komt ook! Wat
-kijk jij zuur, Harmen?”
-
-„Nergens om”, zei Harmen. „Maar ik lust die blauwe kost niet.”
-
-Gerretje sperde zijn oogen wijd open, hield de teugels in. „Lus jij
-geen rijsttafel?!”
-
-„’t Is me nog al lekker!” smaalde Harmen. „Weet ik wat ze er allemaal
-in doen: gepiepte schorpioenen, gemalen kakkerlakken..... Vooruit, rij
-door!”
-
-Padde rilde. „Ik lust ook geen rijsttafel, zeg!”
-
-„Jullie zijn stapelgek!” mopperde Gerretje. „’t Smaakt fijn! ’k Eet ’t
-elke dag!”
-
-„Jij liever als Harremen!” zei Harmen. „Wat moet ik straks tegen je
-vrouw zeggen? Juffrouw?”
-
-Gerretje bloosde. „Welnee, je zegt maar gewoon: Mina! Tja..... hoe ze
-aan een Hollandsche naam komt, weet ik ook niet! Voor een dag of wat
-vroeg ik haar: hoe heet je?—Mina, zei ze.—Kom, jongens, laten we de
-kast maar weer eens op gang brengen! Die knollen vertikken het!”
-
-Harmen en Gerretje rolden samen het vehikel een eind vooruit; Gerretje
-in een hand de teugels en de zweep en met allerlei klanken het
-rossenspan aanmoedigend. Zoo kwam er weer gang in, en Harmen en
-Gerretje sprongen „aan boord”.
-
-„’k Heb me in m’n leven nog niet zoo’n meneer gevoeld!” bekende Harmen,
-behagelijk achterover leunend en z’n pijpje uitkloppend in de vlakke
-hand. Maar de rugleuning schokte zoo, dat Harmen weer rechtop ging
-zitten.
-
-Ze waren nu de kade af en uit het gekrioel van Inlanders en Chineezen,
-die lasten droegen, hun prauwen meerden, of voor de winkeltjes op de
-hurken inkoopen deden, of een „strootje” rookten, of een vrucht aten.
-
-De wagen rolde nu over een houten brug. Hol klonk het geratel der
-wielen en het geklip-klap der hoeven. Beneden stroomde een rivier, die
-haar bruin modderwater in zee loosde. „Hoe heet die kali nog maar
-weer?” vroeg Harmen.
-
-„De tji Liwong!” lichtte Gerretje in. „Je kunt er nooit eens lekker
-baaien, want ie zit vol kaaimans!”
-
-„Maar daarginds baden toch Inlanders?”
-
-„Nou ja”, zei Gerretje. „Die koffienikkers zie je in dat bruine water
-niet zoo. Maar een blanke hebben ze direct in de smiezen.”
-
-„Een lekker landje!” smaalde Harmen.
-
-„Och..... ik mag er toch wel wezen!”
-
-„Nou ja”, zei Harmen. „Jij bent zelf al een halve Arabier, jij met je
-Javaansche meissie!”
-
-„Begin je weer?” vroeg Gerretje. „Wacht maar, straks bij de rijsttafel
-verleer je dat gebrom wel. We nemen er een neutje bij. Arak noemen ze
-dat! ’t Is lekker zoet en toch hartig!”
-
-Bevangen, als in een droom, keken de andere jongens om zich heen.
-Gerretje reed nu een breede laan in, met aan weerszijden hooge boomen.
-Hier was het heerlijk, in de schaduw.
-
-„Nou, kun je ons nou niet eens een Javaansche radjah laten zien?” vroeg
-Harmen.
-
-„Die loopen hier niet als kippen over straat”, zei Gerretje. „We komen
-straks langs ’t fort Jakatra. Daarin hebben we vijf maanden lang tegen
-die Papoea’s moeten bakkeleien. Zie je daar dat huis met die vijver er
-voor? Dat is een Javaansche kerk.”
-
-„Een kerk?! En er zit niet eens een windwijzer op!” riep Harmen uit.
-
-„Nou ja”, zei Gerretje, „’t is ook maar net wat je een kerk wilt
-noemen! Als de lui er binnengaan, trekken ze hun sloffen uit. En je
-hoed mag je op je kop houwen! Dat ken toch nooit goed zijn?”
-
-„Ben je er wel eens ingegaan?” vroeg Harmen. „Niet? Wat een vent!”
-
-„Je wordt bedankt!” zei Gerretje. „Dan zat ik hier nou niet levend meer
-op de bok!”
-
-Allengs werden allen stil,—kwamen onder de bekoring van den heerlijken
-Indischen morgen, het vogelgerucht in de boomen, de zoete
-bloemengeuren, die over den weg hingen. Een enkele maal kwamen ze een
-paar vrouwen tegen in kleurige sarongs en lange „badjoe’s met mooie
-spelden, een plat zonnescherm bevallig over den schouder houdend,—of
-een grassnijder met niets dan een smal lendendoekje om, in snellen,
-wiegelenden gang torsend zijn last van gesneden gras—of een Chineesch
-koopman, een „klontong”, in de hand het met varkensblaas bespannen
-trommeltje, waartegen, bij snelle draaiing, twee kogeltjes slaan en zoo
-een roffel veroorzaken, die den komst van den klontong reeds van verre
-aankondigt.
-
-Onze vrienden reden ook Inlanders achterop, die van de markt
-terugkeerden en door hun vrouw, die enkele passen achter haar heer en
-gebieder aanliep, de ingekochte kippen lieten vervoeren. De knapen
-kwamen tot de ontdekking, dat Indië het land is, waar zelfs de
-allerarmste nog een gevolg heeft,—al is het ook maar zijn vrouw.
-
-Zoo belandden de jongens bij het fort. Alle sporen van het maandenlange
-beleg waren alweer weggewischt door de driftig uitbottende tropische
-natuur. Overal struiken en bloemen.....
-
-Toen de jongens het fort voorbij waren, kwamen links van den weg wat
-erven met kokossen, papaja’s, bananen- en pinang-boomen beplant, en
-achter op de erven stonden bamboehuizen met verandah’s, waaraan
-orchideeën hingen en stokjes met parkieten. In de boomen wemelde het
-van kleine vogeltjes, die priet-priet! en tiep-tiep! riepen en in bonte
-pakjes waren uitgedoscht.
-
-„Ziezoo!” zei Gerretje, terwijl hij de teugels inhield, zoodat de wagen
-met een schok stilstond, „hier zijn we er! Nou zal ik jullie nog
-vóórrijden!”
-
-„Over dat bruggetje.....?” vroeg Harmen, wantrouwend uit den wagen
-loerend. Voor Gerretje’s erf liep een breede goot met een
-bamboebruggetje er overheen.
-
-„Waar anders over? Ik ben er gisteren ook nog overgereden!—Tschk!” En
-Gerretje begon de paarden te overreden het bruggetje op te stappen.
-
-Na veel moeite lukte het. Even tikkend met de hoeven, om de
-betrouwbaarheid van den bamboezen bodem te onderzoeken, waagden de
-dieren zich op de brug. Toen eensklaps een scherp gekraak; met een smak
-zakten de achterwielen de goot in, en de twee paardjes hingen met de
-voorpooten in de lucht.
-
-„Zoo! Nou liggen we voor anker!” mopperde Harmen.
-
-Gerretje, die schuin op den bok lag, werkte zich op den bovenwal.
-„Hier, jongens!” riep hij. „Pak Gerretje maar bij de hand! ’n Bof, dat
-er geen water in staat!”
-
-„Kijk me die knollen eens raar hangen!” zei Harmen, terwijl hij zich
-door Gerretje uit den bak liet hijschen. „’t Lijkt wel of ze
-steigeren!”
-
-„Nou, ’k heb je toch direkt gezegd, dat ze wild bennen! Kom, jongens,
-sla eens een handje in de spaken; we zullen de wagen weer fijn op vlak
-water zetten!”—En met z’n allen werkten ze den wagen uit de goot,
-zoodat de vurige rossen weer op hun acht beenen kwamen te staan en
-vertrouwelijk tegen elkaar aanleunden. „Stap maar weer in, heeren!”
-noodigde Gerretje uit. „Als ik zeg: ik rij jullie voor!—dan rij ik
-jullie ook voor.”
-
-En zoo gebeurde. Ze hielden nu stil voor het huis zelf. Het was geheel
-uit bamboe. De open voorgalerij, waarin een tafeltje stond met een paar
-rieten schommelstoelen, was aan de zijden afgesloten door palmen in
-potten, en tusschen de stengels der palmen gluurden een paar bruine
-kereltjes.
-
-„Wat zijn dat voor mormels?” informeerde Harmen.
-
-„Dat grut is allemaal met m’n vrouw meegekomen”, zei Gerretje,
-geërgerd. „D’r moeder en d’r tantes en de heele mikmak! Dat is hier
-altijd zoo: ik heb er naar gevraagd.”
-
-„Dus je zit zoo te zeggen al midden in je Arabische familie!” hoonde
-Harmen.
-
-„Schei maar uit!” zuchtte Gerretje. „Als ik dat geweten had.....! Ze
-liggen me de heele dag met z’n zeven-en-zeventigen aan m’n kop te
-zaniken, en m’n duiten vliegen weg voor ik ze zelf gezien heb!—Ajo!”
-viel hij tegen de joggies uit. „Pigi! Kras op! Lekas!”
-
-De bruine snoetjes verdwenen.
-
-„Je duiten?” vroeg Harmen. „Verdien je dan wat?”
-
-„Waarachtig! Eerst heb ik m’n gage uitbetaald gekregen: zes-en-tachtig
-gulden: daar heb ik die stoelen en die tafel van gekocht. Waar de rest
-gebleven is, zal de weerlicht weten. Nou ja, ’k heb ook nog onkosten
-gehad met m’n trouwfeest. De muziek en de dansmeisjes en de hadji, om
-te bidden,—dat wou m’n vrouw zoo. En nou geef ik les aan die Chinees,
-die me die paarden en die rot-sjees heeft geleend. Hij wijst wat aan,
-en dan zeg ik wat het in ’t Hollandsch is, en ik leer hem ook hoe hij
-zich te gedragen heeft.—Neem plaats, heeren, dan zal ik die knollen in
-de schaduw zetten, anders drogen ze uit.”
-
-En terwijl Gerretje de paarden trachtte te verleiden hem te volgen in
-de schaduw van een hoogen tamarinde-boom, zetten de „heeren” zich
-behagelijk neer in de schommelstoelen en keken eens rond. De bamboezen
-wanden waren met een paar rare, maar fijngesneden poppen versierd;
-achter in de voorgalerij hing een gordijn, dat de afsluiting van een
-ander vertrek vormde. „Rooken, heeren?” vroeg Gerretje, terugkeerend,
-en diepte uit zijn zak een bos „strootjes” op.
-
-„Wat moeten we daarmee doen?” vroeg Harmen, die verwachtte, dat hem
-tabak zou worden aangeboden, en in afwachting daarvan z’n pijpje al
-wilde uitkloppen.
-
-„Ze rooken hier geen pijpen”, lichtte Gerretje hem in. „Heb je ze die
-strootjes niet zien dampen?”
-
-Weldra trokken Harmen en Gerretje dapper aan hun strootjes. „Ze bennen
-lekker scherp!” prees Harmen. „Jammer, dat je d’r zoo gauw door bent!”
-
-„Dan steek je maar weer een andere op”, meende Gerretje. „De warong
-(inlandsch winkeltje) ligt naast de deur.”
-
-Droomerig keken de jongens over het erf naar den weg met de hooge
-kanarie-boomen, waaronder nu en dan een Inlander voorbij schoof. De
-jolige vreugde, die daar straks in en om alles hing, had plaats gemaakt
-voor plechtige middagstilte. In de boomen zweeg nu alles; de zoete
-geuren in de lucht schenen nog zoeter en sterker te worden.
-
-„Nou”, zei Gerretje, „willen jullie nou eens met m’n vrouw kennis
-maken? Je zegt maar gewoon: tabeh, Mina, hoor!”
-
-„Nou, haal ’r dan maar eens hier!” zei Harmen grinnikend.
-
-Gerretje maakte van zijn handen een misthoren. „Mina! Minááááh!”
-
-Geen antwoord. Achter op het erf begon een hond te jammeren, en uit het
-vertrek, dat door een gordijn van de voorgalerij was afgesloten, klonk
-eensklaps het gekakel van een kip.
-
-„Nou vraag ik je toch hoe dat mormel in m’n slaapkamer komt!” mopperde
-Gerretje. Hij verdween, en onze vrienden hoorden hem mopperen: „Wat
-moeten jullie daar?!—Ajo! Smeert ’m!” Drie Inlandsche knaapjes doken
-achter het gordijn op, vluchtten met een angstigen blik op de „gasten”
-door de voorgalerij den tuin in. De kip scheen moeilijker te
-verdrijven. Gerretje raasde en tierde, en de kip kakelde. Maar
-eindelijk kwam ze onder het gordijn door slippen, vluchtte met
-klappende vleugels en gestrekte pooten gillend naar het achtererf, en
-Gerretje verscheen met een soort bezem gewapend ten tooneele, veegde
-zich het zweet van het voorhoofd. „M’n heele slaapkamer smerig en
-overhoop! En die rakkers hebben er doerian zitten eten; ga er eens
-binnen: je valt om van de stank!”
-
-„Niks nieuwsgierig”, verzekerde Harmen. „Nou, zou je vrouw niet thuis
-zijn?”
-
-„Misschien is ze nog naar de pasar”, zei Gerretje. „’k Ruik niks van
-braaien of zoo.—Gaan jullie eens mee, m’n tuin kijken?”
-
-De jongens stonden op en volgden Gerretje, die hen naar het achtererf
-leidde. Hier was het een harrewar van vrouwen en kinderen, die verbaasd
-en wantrouwend naar de gasten van „toewan Gerretje” loerden.
-
-„Zijn dat nou allemaal neefjes en nichtjes van je?” vroeg Harmen
-grinnikend.
-
-„Schei je nou eens uit?” mopperde Gerretje. Hij stevende op een oud
-vrouwtje af, dat op haar hurken kruiden zat te stampen. „Hé, opoe, waar
-is Mina nou weer?”
-
-Het vrouwtje hief het oude hoofd met de dungezaaide, zilverwitte haren,
-die in een knoedeltje waren samengebonden, op en keek naar Gerretje met
-blinde oogen. „’Nga taoew..... Ik weet het niet.”
-
-„Wat heb ik nou aan m’n pet hangen?? En wanneer komt ze kembali?”
-
-Het oudje ging weer met stampen door. „Belon tentoe. Berengkali
-bessok.....”
-
-„Wel allemachies!” stamelde Gerretje. „Nou zegt ze, dat Mina morgen pas
-terugkomt. Daar heeft ze me niks van verteld!”
-
-„En..... waar gaan we nou eten?” vroeg Padde, ontsteld.
-
-Gerretje dacht even na. „Als ik maar centen had, zou ik zeggen: Kom,
-jongens: Gerretje heeft centen; we gaan bami bikken bij
-Loa-Hok-Sen!—Dat is een Chinees!”
-
-„O, nou weer Chineesch eten!” schimpte Harmen. „Wurmen en gedroogde
-slangedarmen!”
-
-„Nou ja”, zei Gerretje. „We kunnen er ook rijsttafelen!”
-
-„Dan betalen we samen voor Gerretje!” stelde Hajo voor. „Wat jij,
-Rolf?”
-
-„Kop dicht!” beval Harmen. „Ik zal betalen. Centen zat!” En Harmen
-rammelde met de guldens in zijn broekzak. „Dan kan ik later nog eens
-vertellen, dat ik twee stuurlui getrakteerd heb!” Harmen keek Hajo en
-Rolf minachtend aan.
-
-„Stuurlui??” vroeg Gerretje.
-
-„Reuze-stuurlui”, zei Harmen. „Gewoon maat willen ze niet worden! Daar
-zijn ze te fijn voor gebouwd!—Wat heb je daar voor een gemeene kat,
-Gerretje?”
-
-„Poes? Kom er eens hier?” Gerretje lokte een gestreepte, veelkleurige
-kat naar zich toe, die vol kale plekken zat en een gebroken staart had.
-„Zie je wel, dat ie vier kleuren heeft? Wit, zwart, rood en geel! ’t Is
-een heilige kat.”
-
-„Heilig?” vroeg Harmen. „Heeft ie soms gezworen nooit meer wat uit de
-keuken te gappen?”
-
-Gerretje grinnikte. „Zie je die hoek in z’n staart? Dat hebben de
-katten hier allemaal, en de katers loopen hier heelemaal zonder
-staart,—alleen maar met een dikke knoop.”
-
-„’n Raar land!” meende Harmen, „waar de menschen mèt en de katten
-zònder staart loopen!”
-
-Van het voorerf klonk een krachtige stem: „Spadah!”
-
-„Daar zul je Hilke hebben!” meende Gerretje, rukte een paar pisangs van
-een boom en verdeelde ze. „Hier! Voor de knollen zullen we er ook een
-paar meenemen.”
-
-Daar stond Hilke. In groot tenue, met een strooien hoed op.
-
-„Goed, dat je er bent, Hilke!” zei Gerretje. „We gaan bikken bij
-Loa-Hok-Sen! Mina is er van door,—zeker weer een of andere ouwe tante
-opzoeken.” Gerretje verdween achter het gordijn om even later met een
-kruik terug te keeren. „Jandoedel gaat mee, jongens!” zei hij en sloeg
-opgewonden op de kruik.
-
-„O, wacht even”, kalmeerde Hilke hem. „Als je je bedrinken wilt, bedank
-ik voor je gezelschap!”
-
-„Kom, lig niet te preeken, ouwe heer!” zei Gerretje. „Ik ben geen
-garnaal: ik lust wel eens wat anders als enkel zeewater.” Hij stopte de
-flesch onder het bankje van den wagen. „Hoe krijgen we die lijkkoets
-nou weer over dat kapotte bruggetje?”
-
-„Als we de knollen uitspannen, is het een kleinigheidje, ’m even over
-die goot te wippen!” voorspelde Harmen.—En zoo was het ook: toen Hilke
-zijn knuisten onder den bak zette, Harmen en Gerretje ieder een wiel
-namen, en de jongens boven aan den boom trokken, schoot de wagen als
-een veertje zoo licht tegen den straatberm op. Ze spanden de biekjes
-weer in.
-
-„Da’s dàt!” zei Gerretje. „Hoe komen we er nou met z’n allen in?”
-
-„Padde gaat op een knol zitten”, stelde Harmen voor. „Dat staat fijn!”
-
-„Ik doe het niet”, zei Padde vastbesloten.
-
-„Nou, dan maar op het treeplankje”, meende Gerretje.
-
-„Jullie zijn mal”, zei Hilke. „Padde kan best op m’n knieën zitten!”
-
-„’n Lekker vrachtje!” zei Harmen—Maar Hilke bleef zijn woord gestand,
-en toen even later het zwaarbeladen voertuig weer voortrolde, onder de
-aanmoedigende kreten van Gerretje, draaide Harmen zich grinnikend om.
-„Jongens, ’t lijkt wel weer als toen we met z’n zeventigen in de jol
-zaten!”
-
-„Nou.....!!”
-
-De weg werd weer drukker; aan den kant stonden warongs en wandelende
-winkeltjes. „Zie je daar aan bakboord dat huis?” vroeg Gerretje en wees
-op een Chineesch gebouwtje met een doorgebogen dak, dat naar de zijden
-in houten draken eindigde. „Daar moeten we zijn!” En Gerretje hield
-stil voor Loa-Hok-Sen’s gastvrije woning en sprong van den bok.
-„Heila!” schreeuwde hij. „Toean Gerretje is d’r weer!”
-
-Een onderdanig Chineesje kwam met vliegenden staart naar buiten snellen
-en greep de paarden bij den toom. Onze vrienden stapten uit, keken nog
-eens even naar het grappige dak en naar de lange vlaggen aan
-weerszijden met de wonderlijke Chineesche letterteekens en bestegen
-toen in optocht de trap van de open verandah. Boven ontving hen,
-buigende, een ongeloofelijk dikke zoon van het Hemelsche Rijk:
-Loa-Hok-Sen in eigen persoon. Het vette bovenlichaam was naakt, de
-geweldige buik in een kort broekje gewrongen. In een allerzonderlingst
-klinkend Maleisch, nasaal, zangerig, met lange uithalen en gedurig de r
-als l uitsprekend, heette hij zijn gasten welkom.
-
-„Tabeh, baba!” zei Gerretje joviaal.
-
-„Tabeh, toewan bázál (besar).....!” En de Chinees schoof stoelen bij.
-
-„Ga zitten, heeren!” noodigde Gerretje uit. En tot den Chinees: „We
-willen nassi! En lekas, hoor, want we hebben trek!”
-
-„Boewat balapah holang, toewan bázál.....?”
-
-„Wat leuter je nou nog?” voeg Gerretje.
-
-Rolf glimlachte. „Hij vraagt voor hoeveel menschen er eten moet komen!”
-
-„Nou, dat ziet ie toch!” meende Gerretje. „Ikke, dat is één: satoe,
-Harmen en Hilke en Rolf, dat zijn er vier: ampat, en Hajo en Padde zijn
-zes: anam! Anam orangs en voor Joppie, de andjing, ook wat. Gesnapt?”
-
-„Anam holang, toewan bázál?”
-
-Gerretje en alle anderen knikten, en de Chinees riep op hoogen giltoon
-iets naar achteren.
-
-„Wat een taaltje, hè, dat Chineesch?” grinnikte Gerretje.
-
-„Nou!” zei Harmen. „Ha-tschji-tschja-tschjoe! ’t Lijkt wel, of ze
-doorloopend niezen!”
-
-De Chinees wendde zich thans aarzelend tot Gerretje, dien hij voor den
-leider van de bende hield, knikte vriendelijk een paar maal achtereen
-en begon: „Toewan bázál, djangan máláh, toewan bázál; Loa-Hok-Sen
-talaloe miskin; boewat ini Loa-Hok-Sen mintah sama toewan bázál: apa
-toewan bázál ada..... ada doewit, toewan bázál? Djangan máláh.....”
-
-„Aha: doewit!—Laat eens kijken, Harmen, dat je centen hebt? Hij wil
-boter bij de visch zien.”
-
-„Was daar dat lange smoesje voor noodig?” vroeg Harmen en rammelde met
-zijn geld.
-
-„Oah! Soedah dingil, toewan bázál!” sprak de Chinees verblijd. En hij
-waggelde naar achteren.
-
-„’t Lijkt wel een gemest varken!” grinnikte Harmen.
-
-Hajo, Rolf en Padde keken bevreemd en—vooral de laatste—niet zonder
-wantrouwen rond. Goed, dat Gerretje hier wegwijs was!—„Gommennikkie!”
-riep deze juist uit, „nou heb ik de arak in de wagen laten staan! M’n
-kop er af, als die langstaarten er al niet aangezeten hebben!” En hij
-snelde weg.
-
-In de verandah hing aan dikke zijden koorden een Chineesche lantaren,
-beschilderd met letters en figuren. Harmen wees op een kralen gordijn.
-„Daarachter liggen ze nou de heele dag te bidden voor een beeld met een
-buik, nee maar.....!”
-
-„Misschien bidden ze wel, dat ze net zoo dik mogen worden”, meende
-Padde.
-
-„’k Geloof het ook”, zei Harmen. „Als je er maar even aankomt, worden
-ze al woest. En ze kunnen ook niet velen als je hun zoo eens aan de
-staart trekt. Afijn, da’s met honden en katten krek zoo.”
-
-„Zou het bloeien, als je er een stukje afknipte?” vroeg Padde.
-
-„Onderaan niet”, legde Harmen uit, „bovenaan wèl.”
-
-Gerretje keerde terug, zette de kruik met een slag op tafel. „Ze hadden
-’m nog niet gevonden! Kom, heeren, we zullen vóór den eten maar een
-neutje nemen, dan smaakt die rommel straks nog ééns zoo lekker. Hilke,
-jij bent de oudste, bedien je!”
-
-Maar de Fries weerde af. „Weg met die smerige arak!”
-
-„Smerige arak.....!” stamelde Gerretje verbluft. „Jij bent in jouw
-koeienland zeker niks als melk en slootwater gewend! Kom, Harmen, jij
-weet beter wat goed smaakt!”
-
-„Ik drink ook niet”, zei Harmen. „Straks tik ik een fiool op de kop, om
-op te spelen, en dan wil ik recht op m’n beenen staan. Drink jij er
-maar eens op, dat je een goeie landrot mag worden!”
-
-Gerretje antwoordde niet, bood met een grimmig gelaat den anderen aan.
-Toen hij overal bot ving, nam hij een hartigen slok, stampte de kruik
-dicht en zei: „’k Zou je bedanken op om die rot-schuit van jullie aan
-te monsteren!”
-
-„Rot-schuit? Hij ligt als een meeuw op het water!” verzekerde Harmen,
-die van een schip tot welks bemanning hij behoorde, geen kwaad kon
-hooren. „Maar ik snap het al wel: de Bruinvisch lust zoo’n dronkelap
-als jou natuurlijk niet.”
-
-Dat was kras. Gerretje verbleekte, rolde met z’n oogen, maakte een
-beweging van Harmen te lijf te willen. „Dat zul je me waar maken!”
-
-„Nou, stil nou maar”, suste Hilke en trok hem weer op zijn stoel.
-„Harmen meent het zoo slim niet. Maar ’t is ook flauw om je kameraden
-in de steek te laten.—Kijk dáár eens een stelletje aankomen!” Hij wees
-op een groepje Chineezen, die, allen dooreenzwetsend, de trap opkwamen,
-om een tafeltje plaats namen, in het Chineesch iets naar achter
-schreeuwden, van daar ook weer antwoord kregen en weer
-doorredekavelden.
-
-Gerretje luchtte zijn verkropte woede. „Heila! Zullen jullie je gezicht
-er eens houden, inktvisschen?—Als die kruik leeg was, kregen ze hem
-naar den kop!—Kom.....!” En Gerretje ontkurkte de flesch weer.
-
-„Laat dat drinken nou, Gerretje!” zei Hilke driftig.
-
-Gerretje keek hem sarrend aan. „Waar bemoei jij je mee, boterboertje?”
-
-Hilke ademde diep. „Ik geef je de raad, die kruik weer dicht te doen.
-Of anders.....!”
-
-„Wat anders? Ik zou weleens willen zien wie mij beletten zou, m’n eigen
-Jandoedel te drinken!”
-
-„Nog eenmaal”, zei Hilke, z’n beide handen op tafel leggend. „Zet je
-die kruik neer, ja, of.....!”
-
-„Neen!” riep Gerretje en bracht de kruik aan zijn mond.
-
-Toen griste Hilke ze hem met een rooden kop van drift uit de vingers en
-sloeg ze met een fermen mep aan scherven. De arak vloeide over de
-tafel.
-
-Met een vloek, hijgend van woede, sprong Gerretje overeind. En toen
-kwam een leelijk ding voor den dag, waarmee de janmaats veel te haastig
-zijn: de drie-duimsflikker. Maar in hetzelfde oogenblik was Harmen
-toegesprongen, had Gerretje het mes ontworsteld. Het viel op den grond;
-pats! Hilke’s voet stond er boven op. Gerretje sprongen de tranen in de
-oogen. „Waarom sarren jullie me dan ook?” griende hij. En in een
-nieuwen aanval van drift draaide hij zich om, trok een Chinees den
-stoel onder het zitvlak weg en slingerde Hilke dit meubelstuk naar het
-hoofd. Hilke, vlug als water, bukte zich; de stoel vloog tegen het
-kralengordijn, viel in de achterkamer. Maar met een sissend geluid was
-de Chinees (door Gerretje’s toedoen zoo onverwacht op den grond
-verzeild) weer overeind gekrabbeld en gaf Gerretje een stomp in den
-rug.
-
-Met een zwaai keerde Gerretje zich om, pakte hem om het middel, hief
-hem op en wierp zijn spartelend slachtoffer op tafel, midden tusschen
-de kakelende vrienden van het Chineesje.
-
-Zie, nu wilden die allen over Gerretje heen vallen, maar dan hadden ze
-toch buiten diens vrienden gerekend, die nu, alle binnenlandsche
-geschillen vergetend, zich als één man tegen den buitenlandschen vijand
-keerden. Hilke deelde met zijn ongezouten jatten meppen uit, dat de
-Chineesjes het in Peking hoorden donderen en allen tegelijk de trap
-aftuimelden, achtervolgd door Joppie, die hun de flarden uit de broek
-wilde happen. Op straat aangekomen, braakten ze een stortvloed van
-zegewenschen uit.
-
-„Jawel! Tsjing-Pong-Tsjamalai!” schreeuwde Gerretje, de tranen in zijn
-stem. „Kom er eens kembali, als je brani bent!”
-
-Maar de zonen van het Hemelsche Rijk maakten van Gerretje’s
-uitnoodiging, om terug te keeren, geen gebruik; zoowel in het Chineesch
-als in hun allerbelabberdst Maleisch den omstanders inlichtend over het
-zonderlinge gedrag van de Hollandsche janmaats, spoedden ze zich voort
-naar een anderen Loa-Hok-Sen, die hun even lekkere bami zou voorzetten.
-
-„Hier is je mes terug, Gerretje!” zei Hilke.
-
-Gerretje griste het weg: stak het in zijn riem. „Wat deed je ook aan
-m’n arak!”
-
-Loa-Hok-Sen was intusschen met een schaal vol gerechten, die hij met
-den rand in een plooi van zijn buik steunde, ten tooneele verschenen.
-Met weemoedigen oogopslag overzag hij den toestand. „Oa..... ahah,
-toewan bázá.....áál! Pigi mi..... áná, toewan bázál? Kassian sama
-Loa-Hok-Sen, toewan bázál.....!”
-
-Harmen wierp hem met breed gebaar een gulden toe. „En hou nou je falie,
-alsjeblieft!”
-
-Deze daad verteederde Loa-Hok-Sen weer zoo, dat de tranen hem bijkans
-over de wangen rolden. Een reeks woorden van dank ontsnapte stamelend
-aan zijn mond.
-
-„Vooruit, jongens”, zei Harmen, „vergeet de boel nou weer! We zijn toch
-samen uit?”
-
-„Die fijne arak.....!” pruttelde Gerretje.
-
-„Toewan bázál maoe minoem álák?” vroeg de baba ijverig, de schaal
-neerzettend.
-
-„Neen, waarachtig niet!” viel Harmen uit. „We hebben jouw stinkende
-arak niet noodig!”
-
-„Nou, Gerretje, leg ons nou eens uit hoe we dat goedje moeten eten!”
-zei Hilke. „Jij weet er beter mee overweg dan wij.”
-
-Gerretje gromde wat. Toen stak hij zijn hand uit. „Vooruit! De zaak is
-vergeten.”
-
-Hilke sloeg zijn vuist in die van Gerretje. „Wij moeten toch geen
-herrie maken, Gerretje! Daar zijn we toch te lang vrinden voor
-geweest!”
-
-„Ik heb ook geen herrie gemaakt”, zei Gerretje. „Als jij m’n arak maar
-niet.....”
-
-„Sssst!” suste Harmen. „Vertel eens, wat moeten we met die soep
-beginnen?”
-
-„Dat is geen soep”, zei Gerretje, „dat is sajoer, die kaai je d’r over.
-En dit hier is kroepoek, dat moet je er bij eten; ’t knapt fijn
-tusschen je tanden. Die stukjes vleesch aan een stokje noemen ze
-sesate; dat moet je er maar met je kiezen aftrekken, en dat zwarte
-vleesch daar is deng-deng,—kan ik jullie ook aanbevelen. Nou, uit die
-potjes moet je niet te veel nemen; daar brand je je keel maar aan. En
-dat is pisang goreng, gebakken pisang. Nou, en van de rest weet ik de
-naam ook niet. Wat zullen we er bij drinken? Wacht! Vruchtenat met
-glibbertjes is fijn!—Hei, baba! Ajer boewah met eh, selase!”
-
-„Saja, toewan bázál.....!”
-
-En de maaltijd begon. De jongens hadden een stevigen eetlust opgedaan
-en werkten als leeuwen! Of het smaakte? Ze hadden nooit gedacht, dat
-die Chineezen zulk lekker eten konden maken! En toen die vruchten
-daarna! Manggah, mangistan, ramboetan, doekoe..... zooveel ze maar
-wilden.
-
-Eindelijk werden de molentjes stomp en maalden trager.
-
-Het werd stil op den weg. En heet, dat het was.....!
-
-„Kunnen we hier niet wat gaan maffen?” vroeg Harmen.
-
-„Waarom niet?” meende Gerretje. „Op de grond!”
-
-Toen rolden allen van hun stoelen af en dutten in.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE PASAR MALEM
-
-
-Toen onze vrienden wakker werden, was de grootste hitte voorbij. „Wat
-zullen we doen?” vroeg Gerretje, zich uitrekkend en luidruchtig
-geeuwend. „Voor de pasar is het nog te vroeg.”
-
-„Nou, dat is niks”, zei Harmen. „Dan gaan we eerst inkoopen doen. We
-moeten broeken, hemden, sokken, een kist hebben, afijn: alle rommel,
-die je noodig hebt.”
-
-„Dan gaan we naar toko Bombay!” zei Gerretje.
-
-„Wat is dat: tokobombee?” vroeg Harmen. „Zou ik daar ook een fiool
-kunnen krijgen?”
-
-„Krijgen: nee. Koopen: ja”, meende Gerretje. „Ze hebben er van alles.”
-
-„Vooruit dan maar!” Harmen sprong overeind.
-
-Daar verscheen, beminnelijk glimlachend, de handen op zijn vetten buik,
-Loa-Hok-Sen weer. „Tabeh, toewan bázál! Toewan bázál tidol bai?”
-
-„Hij komt om z’n duiten”, zei Gerretje. En tot den Chinees: „Brapa?
-Hoeveel?”
-
-„Oa.....ah, toewan bázál.....!” stamelde de Chinees op dankbaren toon.
-En tellend op de vingers, half zingend, begon hij een ellenlange
-berekening, tot hij tenslotte een som van twee gulden bijeengezongen
-had en vriendelijk de hand ophield.
-
-„Wat een afzetter!” raasde Gerretje.
-
-Maar Harmen tastte in zijn broekzak als een toovenaar in zijn schatkist
-en wierp Loa-Hok-Sen vol zwier de guldens toe. Deze scheen, naar de
-mate van zijn vreugde te oordeelen, nog niet op de helft gerekend te
-hebben en begroef Harmen nu onder zegenwenschen.
-
-„Vooruit, lekas, patjakker!” beval Gerretje. „Haal de wagen en de
-koedah’s hier!”
-
-Loa-Hok-Sen riep iets naar achteren, en even later kwam krakend de
-wagen voor. De Chineesche gastheer boog zoo diep als zijn buik het maar
-veroorloofde en was een en al glimlach; zelfs de plooien in zijn buik
-schenen te glimlachen. Toen Joppie aan zijn nekvel binnen boord
-geheschen was, ging de reis weer verder. Gerretje stuurde; Harmen
-klapte met de zweep en weerde de aanvallende straathonden af; Joppie
-was nauwelijks in bedwang te houden en kefte tot hij heesch was. Zijn
-haren stonden overeind.
-
-Toko Bombay bleek een onoogelijk winkeltje te zijn, niet ver van de
-haven. Met gebukt hoofd stapten de jongens het donker in.—„Jij mag je
-wel dubbel vouwen, Hilke!” meende Harmen.
-
-In den winkel hing een bedwelmende geur van wierook, bloemen,
-reukwaters. Zoo grauw het zaakje er van buiten uitzag, zoo kleurvol was
-het er binnen: het leek wel een schatkamer. Schitterende, glanzende,
-fonkelende dingen lagen op en naast elkaar gestapeld, en bij al dat
-bonte, zonderlinge gedoe dook daar uit het halfduister een al even bont
-en zonderling wezen op: de koopman uit toko Bombay. Hij droeg een
-goudbestikt kalotje, een lang, grijswit hemd en daaroverheen een open
-vestje vol figuren in gouddraad. Onder het hemd kwam een wijde broek
-uit van dezelfde kleur, en de naakte voeten staken in zwart fluweelen
-sandalen, die ook al glommen van het gouddraad. Met een lichte buiging
-van het hoofd en een deftige armbeweging heette hij zijn gasten welkom
-en wachtte zwijgend, hen schrander aanziend met zijn glinsterend-zwarte
-kraal-oogen, hun wenschen af.
-
-„Tabeh, bang!” zei Gerretje. „Ja, jongens, wat willen jullie nou
-koopen?”
-
-Ietwat bevangen keken de jongens rond. Wat een prachtige dingen!
-
-Harmen kreeg een waterpijp te pakken. „Wat is dat voor een ding?” vroeg
-hij.
-
-„Dat is een pijp!” lichtte Gerretje in. „Zoo een heeft m’n vrind, die
-ik les geef, ook thuis!”
-
-„En wat moeten ze dan met die slang er aan?”
-
-„Weet ik het?” vroeg Gerretje. „Misschien wel om die pijp op hun nek te
-nemen, als ze verhuizen.”
-
-Padde begon zachtjes te grinniken.
-
-„Hij is gekocht!” riep Harmen.
-
-„Als je daaruit rookt, vallen ze dubbel!” meende Hilke vroolijk.
-
-„Als ze maar niet op mijn pijp vallen, vind ik het best”, zei Harmen,
-de pijp voor zich terzijde zettend. „Kijk er eens een mooie kwasten
-aanzitten! Nou moet ik nog een fiool hebben!” En hij duidde den koopman
-zijn wensch door het hoofd schuin te leggen en met zijn armen door de
-lucht te fiedelen.
-
-De man knikte, wendde zich om en riep iets in een scherp klinkende
-taal. Een klein jongetje met matgele huidkleur en hetzelfde Oostersche
-pakje aan dook uit het halfduister op en zette op de toonbank een
-zwarte vioolkist neer. Toen verdween hij weer.
-
-De man opende de kist, lichtte het doekje op en.....
-
-Harmen rolden dikke tranen over de wangen. Zwijgend, zonder de handen
-uit te steken, staarde hij naar het wonder daar voor hem. Toen lichtte
-hij de viool met bevende handen uit de kist, haakte den strijkstok los.
-„Nou, jongens.....” Harmen haalde diep adem, „wat zal ik spelen?”
-
-„Van die begrafenis.....” zei Hajo.
-
-„Wacht! ik weet al een mooi moppie!” riep Harmen uit. Harmen begon te
-fiedelen, aanvankelijk nog aarzelend en beverig, maar allengs weer met
-den ouden zwier, vol trillers en loopjes, of akelig droefgeestig
-slepend van den eenen toon naar den anderen.
-
-„Verduiveld mooi!” prees Hilke. Rits! daar gleed de stok krassend uit.
-
-„Dat is nog ongewoonte!” verontschuldigde Harmen zich.
-
-„Mag ik ook eens even?” vroeg Hajo, zich verslikkend van opwinding.
-
-„Jawel”, zei Harmen genadig. „Straks mag je! Je moet eerst luisteren!
-En geef Joppie eens een trap, dat ie ophoudt met z’n gegil!”—Joppie
-werd tot kalmte gebracht, en nu wendde Harmen zijn krachten op de
-„Begraffenis” aan. Voor den winkel bleef allengs een schare
-belangstellenden staan. Harmen gloeide van trots en ondernam met
-vingers en strijkstok de meest gedurfde toeren,—waarbij hij wel eens
-den hals brak.
-
-Intusschen sloegen de anderen aan het inkoopen. Geen van hen ontkwam
-aan de bekoring, die van al die wondere dingen uitging. Gerretje, die
-zelf geen centen te verteren had, hielp den koopman door uit hoeken en
-gaten glinsterende dingen op te diepen, het eene al mooier dan het
-andere, en dit den in kooproes zwelgenden jongens voor den neus te
-leggen, zoodat ze zich, nog voor ze aan den aankoop van een stevige
-broek dachten, zich bijna al arm gekocht hadden aan bestikte muilen,
-verzilverde reukdoosjes met mooie figuren er op, waaiers, ringen,
-ivoren olifantjes, aardige poppetjes, zijden doeken, ponjaards,
-armbanden..... Padde was juist aan het onderhandelen over een
-beschilderd zonnescherm met fraai gesneden stok, toen Rolf eindelijk op
-de goede gedachte kwam om eens te vragen wat een paar sterke
-scheepskisten kostten.
-
-De man noemde den prijs en zei, dat ze in twee dagen gereed konden
-zijn.
-
-„Wanneer zeilt de Nieuw-Zeeland uit?” vroeg Rolf den anderen.
-
-„Volgende week, als de wind goed is!” zei Harmen, zijn viool afleggend.
-„’k Mag lijden, dat we lekker in de winter aankomen, ’t is mij nou lang
-genoeg zomer geweest, hè, Joppie? En jou, Hilke? Hè? Wat zal ze blij
-zijn, zeg!”
-
-„Schei d’r maar over uit!” zuchtte Hilke, eensklaps vuurrood wordend.
-
-„Met Kerstmis zijn we wel thuis”, meende Harmen. „Wat zullen we ’t
-gezellig hebben, jongens! ’s Avonds bij het vuur een bakkie heete slemp
-en vertellen van je reis.....!”
-
-Gerretje was stil geworden, en Harmen merkte het. „Ja, stommerik, daar
-grijp jij naast! Laat jij je maar gaarstoven in dit nikkerland!—Z’n
-kameraden in de steek laten—wat een vent!”
-
-„Hou je gezicht!” schold Gerretje.
-
-„Sssst!” suste Rolf. En tot den koopman: „Maak de kisten maar voor ons.
-Vier stuks.”
-
-„Zeg hem, dat ie plaatjes over de hoeken slaat!” raadde Padde aan.
-
-Het was een zonderling groepje, dat zich een half uur later in het
-rijtuig heesch. Harmen, onder een arm zijn viool, onder den anderen
-zijn waterpijp, had een roode fez op met een zwarten kwast er aan,
-droeg een pronkerige kris achter in den gordel en slofte voort op
-goudbestikte sandalen. De anderen waren al even bepakt en bezakt met
-kleur- en vormrijke voorwerpen.
-
-„Alles maar onder het bankje!” raadde Gerretje aan.
-
-„Goeie morrege!” zei Harmen. „Daar kan net m’n pijpie staan! En meer
-niet.”
-
-„Nou”, meende Hilke, „dan nemen we de boel op schoot en brengen eerst
-alles aan boord.”
-
-Zoo werd besloten. Harmen wipte op den bok, naast Gerretje; de anderen
-gingen met de gekochte spullen binnen in den wagen zitten. En toen
-alles goed was ondergebracht, nam Harmen z’n fiedel op en begon zoo
-vurig te spelen, dat de paardjes er een gestrekten draf inzetten.
-
-„Kijk ze eens loopen!” zei Gerretje. „Ze zijn bang voor de muziek.”
-
-Achter in den wagen deelde Hajo zijn vriend Padde mee hoe hij zijn
-schatten verdeelen zou. „De pop krijgt Antje; Maartje de waaier, en de
-olifant is voor Doris. En die muilen geef ik aan m’n moeder! Zou het
-echt goud zijn wat er op zit?”
-
-„Wat dacht jij dan?” vroeg Padde. En met een zucht liet hij er op
-volgen: „Ik ben thuis met z’n tienen! En m’n ooms en tantes willen óók
-wel wat hebben! Er eens kijken: voor Louwtje en Nelis en Heintje heb ik
-wat; Margje krijgt dat poppetje. Vind je die doek niet mooi? Die is
-voor m’n moeder voor ’s Zondags naar de kerk. En als ’t regent kan ze
-er die paraplu nog bij opzetten,—wat zullen de lui kijken! Annetje
-krijgt samen met Margje die pop, dan kunnen ze er om de beurt mee
-spelen. Nou zit ik nog met Jan en Gijs! Als ik ze die dolk geef,
-gebeuren er ongelukken.”
-
-Rolf had zwijgend, met afgewenden blik gezeten. Nu, keerde hij zich
-bruusk om, duwde Padde een paar ivoren olifantjes in de hand. „Hier,
-neem die maar, die..... die zullen ze wel leuk vinden!”
-
-Padde keek Rolf verbluft aan. „Dat meen je toch niet?”
-
-„Hier!” zei Rolf korzelig. „Neem dit poppetje maar mee voor..... voor
-Annetje, dan hebben je zusjes er allebei een.”
-
-En hij trachtte den bevreemden blik der anderen te ontwijken.
-
-„Nou!!” riep Padde verblijd uit. „Daar boffen ze bij! Zeg, als je nou
-toch aan het geven bent, heb je dan soms ook nog wat voor m’n ooms en
-tantes?”
-
-„Padde!” berispte Hajo.
-
-„Nou, ’k maak immers maar een lolletje!” zei Padde. „Of denk je, dat ik
-hem de spullen wil afhalen, die hij zelf gekocht heeft voor z’n.....
-eh.” Padde zweeg opeens.
-
-De kar ratelde over de steenen, en de jongens werden dooreengeschud op
-de houten banken. Harmen fiedelde onverdroten voort.
-
-Rolf was vuurrood geworden.
-
-„Ziezoo, jongens, we zijn er!” riep Gerretje.
-
-„Hoe komen we nou aan boord?” vroeg Hilke, z’n hoofd naar buiten
-stekend.
-
-„Met een prauw! Daar ligt er al een met een zeil!”
-
-„En als de baas van het spul nou komt?”
-
-„Die komt niet”, zei Gerretje. „Laten Harmen en ik het zoodje maar even
-aan boord brengen, want we kunnen niet met z’n allen in die smerige
-prauw.—Leg die fiedel nou eindelijk eens af, Harmen!”
-
-Harmen staakte zijn spel, sprong de prauw in.
-
-Even later zeilden de beide janmaats weg naar de Nieuw-Zeeland. Harmen
-fiedelde alweer.
-
-De anderen gingen een der warongs binnen, die aan de kade stonden, en
-aten wat zoetigheden in pisangblad gevouwen. De zon gleed juist in zee
-weg; de korte Indische schemering viel in.
-
-
-
-Het duurde wel een uur voor Gerretje en Harmen terugkeerden. Reeds van
-verre klonk Harmen’s vioolspel weer over het water. De anderen
-betaalden hun vertering en gingen naar buiten.
-
-De reede bood nu een aardigen aanblik. Overal werden prauwtjes
-losgegooid; een paar inlanders sprongen er in, staken een flambouw op
-de voorplecht en togen ter vischvangst. De weerschijn der lichten
-hotsebotste over de golven.
-
-„Jongens, ik heb een nieuwtje!” riep Harmen al van uit de prauw.
-„Gerretje heeft aangemonsterd bij de Bruinvisch!”
-
-„Dàt is nog eens verstandig!” prees Hilke. En de anderen lachten.
-
-„Vooruit, lig niet te zaniken!” gromde Gerretje, aan wal springend. „We
-gaan naar de pasar malem!”
-
-„En m’n fiool gaat mee, jongens!” schreeuwde Harmen. „Bij kerremis
-hoort muziek!”
-
-Opgewonden werkten allen zich weer in den wagen. Op naar de pasar
-malem!
-
-Het was duister geworden; wel fonkelden al wat sterren, maar de maan
-was nog in geen velden of wegen te bespeuren. De jongens reden de brug
-weer over en toen de laan in van daarstraks. Hier, onder de hooge,
-zware loofboomen was het zoo pikkedonker, dat je geen berm kon
-onderscheiden. Maar verder op dansten de flambouwen van wandelende
-winkeltjes, en op die licht-boeien stelde Gerretje zijn koers. Hij was
-bij Harmen’s gefiedel gaan zingen, klapte met de zweep en gilde zijn
-vreugde over zijn aanmonstering uit. „Hoei-oei-oei.....!”
-
-„Leve Gerretje!” brulde Harmen.
-
-„Hiep-hiep-hiep, hoera!!” riepen de anderen, en Gerretje zelf
-schreeuwde het hardst.
-
-Zoo belandden ze bij de pasar malem. Ze staakten hun gezang toen het
-marktgeroezemoes tot hen doordrong, en gluurden uit het rijtuig naar al
-dat lichtgeflonker.
-
-„Zoo! Hier zullen we de kast meren!” stelde Gerretje voor. En toen de
-kast gemeerd was, stapten allen uit en gingen de marktplaats op. Overal
-tentjes, stalletjes met walmende oliepitjes en flambouwen, voorbij
-schuivende gestalten in bonte baadjes en sarongs, grillige schaduwen
-afwerpend naar drie, vier zijden tegelijk. Merkwaardig was, dat nergens
-geschreeuwd of gezongen werd, of ruziegemaakt. De marktventers zaten
-zwijgend, een strootje rookend, bij hun waren en spraken slechts eenige
-woorden, wanneer een kooplustige bij hun stalletje bleef staan. „Wat
-een dooie boel!” zuchtte Harmen. „’k Hoor nog geen draaimolen, ’k zie
-geen paardespul,—niks.”
-
-Wacht, daar in de verte klonk lallend, brullend gezang. Janmaats! „Die
-kant maar uit, jongens!” beval Harmen. Deze laatste had nog al bekijks,
-met zijn roode fez, zijn kris en zijn viool.
-
-De jongens liepen door, vonden op het midden der marktplaats onder een
-reusachtigen waringin het gezelschap zangers. Een kring Inlanders keek
-meesmuilend toe.
-
-De maats brulden en tierden en klapten in de handen, en in hun midden
-waren er twee aan het dansen met zonderlinge lichaamswendingen.
-
-„Schip ahoy!” schreeuwde Gerretje. „Wat halen jullie daar voor lol
-uit?”
-
-„We zijn aan het dansen! Op z’n Javaansch! Heila, speel jij er eens wat
-bij, zeg?”
-
-Harmen werd in hun midden geduwd, bij de „dansers”, en sloeg aan het
-fiedelen.
-
-„Jongens!” schreeuwde Gerretje boven het gebrul en geloei der janmaats
-uit, „Gerretje heeft weer aangemonsterd en centen zat!” En hij rammelde
-met de pas ontvangen zilverstukken in zijn broekzak.
-
-„Leve Gerretje! Hoera!” brulde de schare. Een kreeg het met een
-Inlander te kwaad, dien hij tegen het lijf viel. „Blauwe nikker!”
-schold hij. „Ik zal je.....!”
-
-Hilke trok Rolf, Hajo en Padde met zich mee. „Laat ze schieten,
-jongens, het wordt hier een bende. Ga met mij mee: daarginds kunnen we
-ècht Javaansch zien dansen.” En Hilke ging voorop, wandelde als een
-Goliath tusschen de klein gebouwde Inlanders en de lage tentjes door.
-
-De jongens verbaasden er zich over hoeveel verschillende rassen
-Oosterlingen ze zagen. Bij een stalletje kochten ze een paar manggah’s
-en dronken er groene limonade bij, vol glibbertjes.
-
-De inlanders waren in hun beste kleedij. Kinderen droegen zilveren
-enkelbanden, en om de bruine vingertjes glansden ringen. De vrouwen
-hadden heur zwart glanzend, geolied haar nog onberispelijker naar
-achteren gekamd dan anders; de wrong lag nog sierlijker, bevalliger, en
-er prijkten sneeuwwitte melati-bloempjes in, die een heerlijken,
-sterken reuk verspreidden. De strak gevouwen hoofddoeken der mannen
-stonden deftig op het bruine gelaat. Alom hing een zoete geur van
-bloemen, lekkernijen, vruchten, vermengd met de lucht van kokerij,
-visch, doerian en den walm der oliepitjes, die het geheel een
-feestelijk, sprookjesachtig aanzien gaven. Boven al het gebabbel en
-geroezemoes zegevierden daarginds Harmen’s vioolkunst en de zang der
-janmaats.
-
-Zoo vonden de knapen de plaats waar gedanst werd, en wel een uur lang
-staarden ze verwonderd, bevangen en droomend naar de wonderlijke
-bewegingen der „ronggengs” (Javaansche danseressen). Zoo zouden ze hun
-heele leven wel willen zien dansen. Wat een mooi, gouden helmpje droeg
-die eene,—dat was zeker een koningin.....! Langzaam-aan wenden de
-jongens ook aan het schijnbaar zoo eentonig tokkelen der gamelang; ze
-voelden, dat de muziek één was met den dans, en dat de danseressen bij
-elk nieuw wijsje weer andere wondermooie figuren tooverden.....
-
-Ze zagen dien avond ook nog een tooneelvoorstelling met poppen, die
-grappige gezichten hadden en wonderlijk dunne armen, en er zat iemand
-bij, die alles vertelde. Hu! dat was de duivel zeker! En dat daar de
-koning! Jammer, dat ze haast niets verstonden!
-
-En van de „wajang-wong” dwaalden de jongens naar een plaats waar een
-hanen-gevecht gehouden werd. Driftig, de borstveeren opgezet tot gouden
-kurassen, vlogen de dieren tegen elkaar op en brachten elkaar bloedige
-wonden toe met de stalen sporen, die men hun had aangebonden. Zwijgend
-zaten de Inlanders toe te zien; er lagen hoopjes zilver bij, die er op
-duidden, dat op de hanen werd gewed.
-
-De jongens voelden zich door het wreede spel afgestooten en gingen weer
-verder. Wat was dit toch voor een eigenaardig volk, dat zooveel
-beschaving te paren wist aan zoo laaghartige neigingen.
-
-Het was laat geworden, en onze vrienden besloten huiswaarts te keeren.
-Bij tweeën, Hilke en Padde voorop, en achteraan Hajo en Rolf,
-slenterden ze door de breede laan met de boomen. Nu en dan wandelde hun
-in soepelen, snellen gang een lastdrager voorbij met een flambouw aan
-zijn mand, schuw nog even naar hen omziend.
-
-„Nu, Hajo”, zei Rolf plotseling, „over een paar dagen is het
-afgeloopen.....”
-
-Hajo haalde diep adem en keek naar boven, waar tusschen de boomtoppen
-door de sterren fonkelden. Toen zei hij: „Rolf, ik weet niet, of ik je
-ooit nog terugzie, maar vergeten zal ik je nooit! Jij bent..... jij
-bent.....” Hajo kon niet meer uit z’n woorden komen. „Jij bent.....”
-
-„Een pennelikker”, zei Rolf met een half ondeugenden, half droevigen
-glimlach.
-
-Hajo begon te snikken en omklemde Rolf’s arm.
-
-„Stil maar”, zei Rolf. „Als jij hier over een paar jaar weer terugbent
-in Indië, monsteren we nog op hetzelfde schip aan en zeilen samen weer
-naar Holland terug. Dat zal leuk zijn, hè?”
-
-„Nou.....!”
-
-„En dan ga ik op een scheepstimmerwerf werken; dat heb ik altijd al
-gewild.”
-
-„Ja”, zei Hajo, „dat weet ik nog van toen, op de Italiaansche
-Zeedijk.....! Had je toen wel gedacht, dat we nog eens zulke dikke
-vrienden zouden worden?”
-
-Rolf knikte. „Ik zag je en meteen mocht ik je al lijden. Als ik je een
-lamme vent gevonden had, zou ik je met vechten toen heel anders hebben
-aangepakt. En Padde vond ik ook al dadelijk zoo’n gezellige sukkel.
-Toen wij nog zouden gaan vechten, droeg hij m’n emmertje met bot al!”
-
-„Zeg, Rolf”, zei Hajo en kneep Rolf’s arm. „Misschien..... misschien
-word ik nog wel eens stuurman” (Hajo sprak het woord haastig uit) „op
-een schip, waarop jij schipper bent!”
-
-„Of jij wordt nog eens schipper op een schuit, die ik gebouwd heb! Ik
-zal vast eens een model voor je uitzoeken. En als ik geen model vind,
-dat me bevalt, ontwerp ik er zelf een.”
-
-Hajo was blijven staan. „Méén je dat, Rolf.....?” stamelde hij. „Zou ik
-nog wel eens..... nog wel eens schipper kunnen worden?”
-
-„Waarom niet?” vroeg Rolf. „Als je maar aanpakt! Kijk zoo’n Bruinvisch
-nou eens aan. Zou jij niet kunnen leeren wat hij geleerd heeft?”
-
-„Rolf.....?!”
-
-De jongens zwegen; Hajo moest nog eens rijpelijk overdenken wat Rolf
-gezegd had. Hij, Peter Hajo, zou nog eens schipper kunnen worden?!
-Schipper met een opper- en een onderstuurman, een bootsman onder zich?
-Een eigen schip hebben, een eigen schip met een bemanning?!
-
-Schipper Hajo..... hoe zoet klonk het.—Daarvoor moest gewerkt worden.
-Hard gewerkt, jaren lang. Welnu! Hajo zou werken, de tanden opeen. Hij
-zou lezen en schrijven leeren, hij zou het eene boek na het andere
-verslinden, regel na regel, tot hij het van buiten kende. Hij zou over
-sterrenkaarten gebogen zitten, avond aan avond, tot er geen olie meer
-in de lamp was; ’s nachts in bed zou hij berekeningen maken; hij zou
-naar Zaandam loopen en naar Amsterdam, waar de groote scheepswerven
-waren; hij zou wachten tot hij een man was en dan zijn baard laten
-staan, net als schipper Bontekoe; nu, op deze reis al, zou hij op een
-prik trachten uit te visschen wat de Bruinvisch zoo dagelijks deed,—of
-het erg moeilijk was, schipper zijn.....
-
-Daar klonk in de verte Harmen’s fiedel weer. De jongens keken om en
-zagen den wagen aankomen, die geducht zwaaide, naar het licht op den
-bok te oordeelen. En toen de oomes weer bij Harmen’s gefiedel
-instemden, hoorden de jongens, dat de arak het gewonnen had.
-
-„Zoometeen kantelen ze nog!” zei Rolf.—Daar leek het werkelijk veel op:
-de wagen slingerde van den eenen wegberm tegen den anderen.
-
-„En m’n centen zijn op,—dat is me een strop! En m’n centen ben ik
-kwijt,—wat een narigheid!” zong Gerretje boven allen uit.
-
-De jongens gingen eerbiedig een weinig terzijde. Gerretje klapte met de
-zweep; Harmen zat naast hem te fiedelen. Binnenin lag de een bij den
-ander op schoot; het was een wonder, dat de bodem het uithield. En een
-der maats had zich achterste voren op een rossinant geslingerd, steunde
-zich op den anderen paardenrug om niet te vallen en schreeuwde: „Hou
-op! Ik val er af!”
-
-Maar Gerretje luisterde niet naar de smeekbeden van den onervaren
-ruiter en zong onverdroten voort, dat zijn aanmonsteringscenten op
-waren en dat hij dat zoo’n strop vond. En daarbij klapte hij lustig met
-de zweep.
-
-Harmen merkte de jongens aan den wegkant op. „Oh, mannen, daar hebben
-jullie de twee stuurlui ook!” De anderen letten niet zoo op de jongens,
-maar, Hilke ontdekkend, riepen ze: „Kom er ook in, Hilke! Plaats zat!”
-
-Hilke wees het aanbod af. „Ik loop liever. Wachten jullie bij de
-sloep?”
-
-„Ja, we zullen wachten!” schreeuwde Harmen en fiedelde weer voort. Zoo
-zwaaide de wagen den weg af, tot ze bij een bocht uit het oog verdween.
-
-Hajo was uit zijn droom wakker geschud. „Wat heeft Harmen opeens?”
-
-„Harmen is jaloersch op die brief, die m’n oom je heeft meegegeven”,
-zei Rolf. „Gisterenavond kwam hij bij me en vroeg, of lezen en
-schrijven moeilijker dan vioolspelen was. Als het niet moeilijker was,
-wou hij het leeren.”
-
-„En wat heb je gezegd?”
-
-„Dat, als hij net zoo goed kon lezen en schrijven, als hij nu viool
-speelt,—hij er nog geen laars van kon. Toen was hij boos.”
-
-„Vind jij dan niet, dat hij erg mooi speelt?” vroeg Hajo verbaasd.
-
-Rolf glimlachte. „Gaat nog al. In de buitenlucht is het niet zoo
-hinderlijk als binnen.”
-
-„Van die begrafenis is toch wel mooi.....” aarzelde Hajo.
-
-„’t Is er ten minste treurig genoeg voor”, zei Rolf.
-
-De jongens belandden bij de kade, waar de anderen reeds in de sloep
-zaten en den tijd verdreven door in het bootje zoo heen en weer te
-schommelen, dat het telkens water schepte. Boven stond de verlaten
-wagen; de paardjes leunden droevig en slaperig tegen elkaar. Toewan
-Gerretje had geen lust meer om ze thuis te brengen.....
-
-„Span ze dan ten minste uit!” gromde Rolf en bevrijdde de dieren van
-het tuig. De paardjes maakten er een dankbaar gebruik van door terstond
-weg te sukkelen, vermoedelijk naar hun stal.....
-
-„Wel verduiveld!” schold Gerretje met dubbele tong. „Daar lóópen ze, de
-knollen! En als ik nou m-morgenochtend aan wal ga, zijn ze w-weg!”
-Meteen plofte Gerretje weer om door het geschommel der anderen. Allen
-gierden van de pret.
-
-„Hou nou op met dat schommelen!” mopperde Hilke. „Zoometeen kantelen we
-nog.”
-
-„Juist lollig!” schreeuwden de maats. „D-dan zwemmen... hik! zwemmen we
-wat!”
-
-„Je weet zeker niet, dat het hier vol haaien zit?” vroeg Rolf.
-
-„Jij bent zelf een haai!” schreeuwde Gerretje. „Wat doe je met je
-vingers aan die k-knollen? Zijn die van jou, of zijn ze van..... hik!
-van toewan Gerretje?”
-
-Rolf gooide samen met Hilke de sloep los. „Ziezoo, ga jij daar eens
-weg: ik zal het roer wel nemen.”
-
-„Neen!” protesteerde de maat. „Ik hou het roer vast! Ik wil het roer
-vasthouden!” En hij nam den roerstok als een zuigeling in zijn handen.
-
-„Laat los!” beval Rolf.
-
-„Waarom? Waarom zou ik het roer niet houden?”
-
-„Omdat je stomdronken bent.”
-
-„Wat?! Ik dronken? Ben ik dronken, jongens? Ik b-ben heelemaal niet
-d-dronken!”
-
-„Laat maar los, Piet!” zei Harmen sarrend en schommelde heen en weer.
-„We hebben nou twee stuurlui aan boord!”
-
-„Schei uit met dat schommelen!” riep Rolf driftig. „Of ik sla er op,
-begrepen?”
-
-„Ja, schei uit, jongens! De stuurman vindt het ommers niet goed!”
-treiterde Harmen.
-
-„Hou op met dat sarren, Harmen!” gromde Hilke. Hajo kookte van binnen.
-
-„Wat: stuurman?” vroeg een schommelende maat. „Wáár is een stuurman?”
-
-Harmen wees op Rolf. „Hij daar, de boekenwurm! Die is te fijn om met
-gewone jongens in een sloep te zitten!”
-
-Rolf keek Harmen met verbeten drift aan. Harmen trok een leelijk
-gezicht tegen hem.
-
-„Kom, gooi het zeil nou eens uit!” zei Hilke, geërgerd.
-
-„Dat mag je niet doen! Dat moet je eerst aan de stuurman vragen!” riep
-Harmen.
-
-Rolf stond op. „Ik heb jullie niet noodig”, zei hij met trillende
-lippen. „Ik zal zoo wel aan boord komen!” En meteen sprong hij het
-water in, kwam weer boven en zwom van de kade weg, in de richting van
-de lichtjes, daar ver in zee.
-
-Verbluft waren de maats. Zoo verbluft, dat ze nog niet begrepen wat er
-gebeurd was, toen het boord van de sloep voor de tweede maal
-neergedrukt werd en nog een jongenslichaam het water inplonsde.
-
-„Hajo.....!” schreeuwde Padde ontzet.
-
-Toen kregen Harmen en Hilke hun bezinning terug. De eerste legde zijn
-viool neer, nam een roeispaan op, die in de sloep lag, en duwde van den
-kant af. Hilke gooide het zeil los.—En vijf minuten later waren de
-drenkelingen aan boord geheschen.
-
-Padde jammerde in één toon voort. „Zijn jullie nou razend? Rolf zei
-immers zoo net nog, dat het water hier vol haaien zit.....!”
-
-Harmen keek met afgewend gelaat voor zich uit naar de Nieuw-Zeeland,
-wier lichten steeds grooter werden. In fiedelen had hij geen lust meer.
-
-Rolf zat met druipende kleeren op een bankje, zwijgend, het hoofd diep
-gebukt.
-
-Hajo schreide. En Hilke hield het stuur.
-
-Na eenig zwijgen herinnerde Gerretje zich weer, dat zijn centen op
-waren en dat dit zoo’n strop was, en hij deelde het zingend iedereen
-mee, die het maar hooren wilde.
-
-Zoo legde de sloep zich langszij van de Nieuw-Zeeland, en de maats
-klauterden aan boord. Geen van hen viel den valreep af. Want zooveel
-arak kan een Hollandsche janmaat niet door zijn keelgat gieten, dat hij
-een touw loslaat, als hij het eenmaal in z’n handen heeft. Harmen
-werkte zich op een onbegrijpelijke manier met Joppie èn z’n fiool naar
-boven.
-
-
-
-Zwijgend trokken Hajo en Rolf dien avond hun natte kleeren uit en
-gingen ter kooie. De meeste maats sliepen al.
-
-Harmen was dien avond gaan slapen zonder een mensch goeden nacht te
-wenschen. Hij woelde geducht, en onverwachts stond hij in zijn
-onderbroek voor Rolf’s kooi.
-
-„Ik kom je zeggen.....” zei hij, moeilijk ademhalend, „dat het me
-spijt. ’k Heb het niet zoo kwaad gemeend, als jullie dacht, hoor. ’k
-Ben ook niet nijdig op je, dat jij zoo knap bent, neen, ik was nijdig
-op je, omdat ik zoo stom ben. Snap je?”
-
-„Waarom zou jij dom zijn?” vroeg Rolf.
-
-„Ik??” zei Harmen verbaasd. „Ik ben zoo stom als een kokosnoot! Waarom
-geeft de schipper Hajo wèl een brief mee en mij niet? Omdat de schipper
-denkt: Laat Harremen maar wat krassen voor de maats, daar.....” Harmen
-snikte eensklaps, „..... daar is ie goed voor.—Afijn”, Harmen veegde
-zijn tranen weg, „zoolang ik m’n fiool maar heb, is er met Harremen
-niks aan ’t handje. Maar dan moet je niet zeggen, dat ik óók geen fiool
-kan spelen!”
-
-Rolf glimlachte weer. „Als ik het maar eerst zoo kon als jij, zou ik al
-blij zijn, hoor!”
-
-„’t Is niet gemakkelijk!” verzekerde Harmen. „Nietwaar, Hajo? Dat van
-die begraffenis is verduiveld moeilijk!”
-
-Zoo was de vrede weer gesloten. Harmen ging nog niet dadelijk weer zijn
-kooi in; hij sleepte de schatten, die hij vandaag had ingekocht,
-bijeen, liet zijn viool nog eens bewonderen, toonde, dat er nog nergens
-een barst in zat.
-
-En Padde toonde zijn schatten, verdeelde ze nog eens opnieuw. En Rolf
-voelde zich blij, dat Padde’s broertjes en zusjes zoo blij zouden zijn
-met wat Rolf Padde voor hen gegeven had. Al die mooie dingen waren zoo
-mal in hun grove knuisten; het was net, of het sprookjesachtige er nu
-af was, dat hun zoo bekoord had, toen ze ze in het halfduister van dat
-eigenaardig geurende winkeltje hadden zien liggen te midden van duizend
-andere vreemde dingen. In de matgele handen van dien Oosterling hoorden
-ze thuis.....
-
-Nu, in Holland zouden ze alles wel mooi vinden. Als het maar uit Indië
-kwam!
-
-„Ruik dat hout eens?” vroeg Padde, zijn vrienden den waaier reikend.
-
-„Lekker!” zeiden de anderen.
-
-En Harmen vulde zijn waterpijp, stopte er tabak in en rookte als een
-echte Arabier: met gekruiste beenen! Alle jongens deden een trekje, en
-de slapende maats gromden, dat ze niet zoo ginnegappen moesten, als een
-ander mensch mafte.
-
-Maar de jongens waren traag in het scheiden.
-
-Een lange, lange scheiding stond hun nog te wachten. Nietwaar.....?
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE THUISKOMST
-
-
-Den achtsten Maart van het jaar 1620 lichtte de Nieuw-Zeeland de
-ankers, en den acht-en-twintigsten December van hetzelfde jaar liet zij
-ze na een gunstige reis weer vallen op de zandige reede van Vlissingen.
-
-Met tranen in de oogen hadden onze vrienden Rolf vaarwel gewuifd, toen
-een ferme Zuid-Oostenwind de zeilen bollen deed en de Nieuw-Zeeland
-statig voortdreef van Java’s groene kust, en met tranen in de oogen
-hadden ze den acht-en-twintigsten December in den vroegen morgen,
-rillend van kou, in den grijzen nevel de duinen van Walcheren zien
-schemeren. Daar stonden ze bij elkaar, den kraag van hun duffelsche
-hoog opgezet, de handen en de polsen in den broekzak, Hajo en Harmen en
-Hilke en Gerretje en Padde en honderd andere maats en zwetsten allen
-dooreen en woven en schreeuwden, of bliezen zich in de handen.
-
-Zie, daar lag Vlissingen met zijn roode daakjes en zijn stompen toren,
-waar de vlag uithing, omdat er een Oostinjevaarder, de Nieuw-Zeeland,
-uit het verre menschenetersland was binnengeloopen, de ruimen vol
-peper, kruidnagelen, koffie, tabak! Nu liep alles van de werkplaats
-weg, de smid nog zwart van het roet, de bakker witbestoven, de
-timmerman met zijn schaaf in de hand, en door de kleine vensters der
-havenkantoren gluurden de klerken, kauwend op hun ganzeveeren. De
-reeder, deftig in het zwart, met witten kraag en handschoenen,
-vergezeld door de heeren van het kantoor, nam waardig in zijn sloep
-plaats om zich aan boord te laten roeien.
-
-En de kwajongens? Nee, maar, de kwajongens! Alom klapperden hun
-klompjes over de keien; ze kropen onder karren en paarden door, de
-rakkers; ze baanden zich met de ellebogen een weg door de menschen en
-voeren in volgepropte bootjes hals-over-kop naar den Oostinjevaarder.
-
-Grinnikend hingen de maats over de balie, zagen toe, welke van de
-benden kleine zeeroovers met de lauweren zou gaan strijken: het eerst
-bij den Oostinjevaarder te zijn aangekomen, het eerst hoera!
-geschreeuwd te hebben, met de mutsen gezwaaid en gevraagd te hebben:
-„Goeie reis gehad? Gooi eens wat Indisch naar beneden?” Daarvoor doken
-ze desnoods in het ijskoude water, de bengels, die nu, trekkend aan de
-riemen als dollemannen, naderbij kwamen. En daarginds, aan de kade! Zie
-eens, wat een volk er toeliep! En wat een vlaggen er nu fonkelden in de
-klare zon!
-
-Ja, jongens, ze waren weer in hun bovenste beste kikkerlandje! En al
-die vlaggen, al dat volk, al die opwinding was voor hen!
-
-Of ze weer terug wilden naar de Oost? Voorloopig had niemand er trek
-in! Nu, ja, ze kenden zichzelf wel: als ze weer een maand lang gehokt
-hadden, met een pijp en een kop koffie bij den haard, en zoo lang over
-hun reizen hadden opgesneden, dat ze zelf niet meer wisten, wat waar
-gebeurd en wat gelogen was, en ze in hun verhalen vastraakten, zoodat
-niemand hen meer geloofde; wanneer de volle zak gage, die ze meekregen,
-een leege zak geworden was, dan werden ze sagrijnig, dan luisterden ze
-naar het gezellig jammeren van den wind in de schouw, dan kregen ze
-verlangst naar het vooronder en hun kameraden, dan gingen ze zoo er
-eens naar de zee kijken, hoewel ze een maand geleden hadden gezworen,
-haar nooit weer terug te willen zien, omdat ze ’t zoute water nou wel
-zat waren, en..... verdikkoppe! een week later hadden ze weer
-aangemonsterd voor Jan Oost.
-
-
-
-Maar nu de ankerpalen ratelden, zat de vreugde hun nog tot boven in de
-keel. Straks zouden ze afmonsteren en, den zak vol blinkende daalders,
-op den wal staan met hun aapjes en papegaaien, die, sinds het koud was,
-in omwonden kooien in de kombuis hingen. Daar hongen ze lekker warm!
-
-Ook Joppie hokte in de kombuis, stelde niet het allergeringste belang
-in Walcheren, Vlissingen, of in iets anders, dat koud was.
-
-Op het water krioelde het al van roeibootjes vol kwajongens, die hun
-nek pijnigden met het naar boven kijken. „Hé, Lange!” schreeuwden ze
-omhoog, „spreek jij eens Maleisch? Of ken je het niet eens?”
-
-„Papperalapoetje!” schreeuwde de „Lange” omlaag.
-
-De jongens rolden de boot haast uit van het lachen. „Nou, en wat
-beteekent dat nou?”
-
-„Dat zeggen ze altijd, als ze je villen!” lichtte de „Lange” toe.
-
-Nieuw gegrinnik. „Nou, als ze jou zouden villen, hadden ze een heele
-lap, zeg!” roept er een. „Papperalapoetje—Pas maar op je hoedje!” Alles
-daar beneden giert van het lachen over dezen geestigen zet.
-
-
-
-Twee uur later begon de afmonstering. Harmen kwam in de kombuis, pakte
-Joppie in zijn nekvel en schaarde zich in de rij wachtenden voor de
-kajuit.
-
-„Wat moet dat?” jammerde Joppie, bibberend over al zijn leden.
-
-„We gaan afmonsteren, Joppie”, zei Harmen.
-
-En zoo kwamen de jongens aan de beurt en schoven met z’n drieën de
-kajuit in; Joppie ook,—verdekt achter Harmens rug.
-
-Of de Bruinvisch tevreden was over zijn scheepsjongens? Eerst wendde
-hij zich tot Harmen. „Jij gaat de volgende reis weer mee!”
-
-„Ik ga niet meer varen”, zei Harmen.
-
-„Dan ken ik je beter, dan je jezelf kent”, meende de Bruinvisch.
-
-„Nou”, zei Harmen, „ik zal een bruinvisch wezen, als ik me ooit weer op
-zoo’n smerige Oostinjevaarder laat aanmonsteren.”
-
-Er was even stilte in de kajuit. De Bruinvisch keek met vervaarlijke
-oogen naar Harmen’s gelaat, waarop niets dan bittere ernst te lezen
-stond. „Hier! Neem je gage!” bulderde de Bruinvisch.
-
-„Dankje, schipper”, zei Harmen onderdanig. Om het geld te kunnen
-opstrijken, moest hij Joppie loslaten. Dit wakkere dier zwikte op zijn
-vier pooten door, ontwaarde den opgezetten tijger en zette alle haren
-steil overeind.
-
-De Bruinvisch liet z’n oogen rollen. „Wat moet die hond hier in de
-kajuit?!”
-
-„Afmonsteren en z’n gage halen”, verklaarde Harmen. En toen kon hij
-zich opeens niet meer goed houden, begon te grinniken, streek haastig
-het geld op en liet het in zijn broekzak glijden. „Nou, dag, schipper!
-’t Ga je goed!” En Harmen verliet met bekwamen spoed de kajuit. Joppie
-achter hem aan, den staart tusschen de pooten.
-
-De Bruinvisch hapte naar adem. „Nu jij!” wendde hij zich barsch tot
-Hajo. „Ik zal je brief afgeven in Amsterdam en er nog een woordje bij
-doen. Waar moet je heen? Naar Hoorn? Nou, dan ben je niet zoo ver af.
-Hier is m’n adres, zie je, dat heb ik voor je opgeschreven! En Maandag
-over een week kom je bij me, dan neem ik je mee naar de heeren van de
-Compagnie. Begrepen?”
-
-Of Hajo het begrepen had!
-
-„Hoe ga je nu naar Hoorn? Loopen?”
-
-„Ja, schipper. Maar Harmen zei....”
-
-„Harmen?! Vraag ik je, wat Harmen zei? Je kunt tot Dordrecht met de jol
-gaan,—die is voor het volk, dat die kant uit moet. En verder loop je
-maar, dat is gezond. En laat je onderweg je geld niet afstelen: een
-landrot is nooit te vertrouwen! Hier is ’t. Met wat je in bewaring hebt
-gegeven, drie-en-zeventig gulden.—En nou jij!” Dat was tegen Padde.
-„Waarom schipper Bontekoe jou nog apart heeft aangemonsterd, zal me
-eeuwig een raadsel blijven. Weet je, wat jij bent? Een nietsnut! Een
-landrot!”
-
-„Nou, ik wou ook nooit varen!” zei Padde, woest. „Ik wou bij m’n oom in
-de brouwerij!”
-
-De Bruinvisch keek hem verbaasd aan. „En waarom ben je dan naar
-Oostinje gegaan?”
-
-„Ik heb..... ik heb me verslapen!”
-
-„Hè??—Nou, dat je een slaapkop bent, heb ik gemerkt. Hier is je geld.
-Vier-en-zestig guldens. Negen-en-dertig plus zeven-en-twintig.....”
-
-„Is zes-en-zestig en niet vier-en-zestig”, merkte Padde op. „Twee
-gulden te min!”
-
-„Wat?!” De Bruinvisch sloeg aan het rekenen en bevond, dat Padde gelijk
-had. „Hier dan!” pruttelde hij, z’n lade openend en nog twee gulden op
-tafel werpend. „’k Dacht net, dat m’n boeken nu eindelijk klopten.....”
-
-Even later stonden de jongens buiten. „Daar wou hij me eventjes twee
-guldens afvangen!” zei Padde verontwaardigd. „’k Zou er anders niks van
-zeggen, maar die schippers verdienen genoeg! Nietwaar, Harmen?”
-
-„Nou!” viel Harmen hem bij. „De Bruinvisch krijgt meer gage dan wij met
-z’n drieën, en hij heeft er niet half zooveel voor gedaan!”
-
-
-
-’s Middags voer de jol weg. Dat gaf me een afscheid tusschen de oomes!
-Er vloeiden tranen..... emmers vol! Allen wisten, dat ze elkaar binnen
-enkele weken weer terug zouden zien. Maar ze namen afscheid voor eeuwig
-en wuifden, zoolang ze maar een muts konden zwaaien.
-
-De wind zat pal in het Noorden, zoodat de jol tusschen Walcheren en
-Zuid-Beveland geducht laveeren moest. En het was zoo ijzig koud op het
-water, dat allen in de holte van de boot dicht bijeen gingen zitten, ’n
-zeiltje over de boorden gespannen. Tegen donker meerden ze de jol aan
-den Zuiderdijk van Noord-Beveland, waar een boerendak opdook. Ze
-klauterden met stijve beenen, slapende voeten en verkleumde vingers en
-teenen tegen den dijk op en kropen allen bijeen op den warmen
-hooizolder, die hun door den boer bereidwillig werd afgestaan.
-
-„Waar komen jullie weg?” vroeg de boer, hun met een kaars
-voorgaand,—het laddertje op naar den zolder.
-
-„Van Batavia”, zei Padde.
-
-„Waar legt dat?”
-
-„Vlakbij, als je d’r eenmaal bent”, lichtte Harmen hem in.
-
-„Kom, Joppie!” En Joppie werd voor de zooveelste maal in z’n nekvel
-gepakt.
-
-„Moet die hond mee op zolder??” vroeg de boer.
-
-„Waarachtig!” zei Harmen. „Die heeft al meer gezien dan vijftig
-boerenkaaskoppen.”
-
-„Nou, ’t is een leelijk mormel”, gromde de boer.
-
-„Zeg hem dat eens in ’t Maleisch”, zei Harmen. „Dan vliegt ie je naar
-de kuiten.”
-
-Toen waren allen boven; de boer klapte het luik dicht en trok de ladder
-weg, zoodat de mannen opgesloten zaten.
-
-„Hij vertrouwt ons voor geen pruim tabak!” meende een oome.
-
-„Zou hier geen kippetje te graaien zijn voor Ouwejaarsavond?” vroeg
-Gerretje, tastend langs de hanebalken. Daar fladderde een haan luid
-kakelend weg. „Wat een mormel!” schold Gerretje. „Hij heeft me gepikt!”
-
-Hè, het was lekker warm hier op zolder! Zelfs Joppie ontdooide. De
-mannen rolden zich in het hooi, genoten nog eens volop van het
-bewustzijn, weer in hun eigen lief landje te zijn. Thuis moesten ze
-weten, dat de jongens al weer binnen waren! Hoe zou het thuis zijn?
-Toch alles goed? Een kleine ongerustheid, die in hun ziel sloop, werd
-er weer uitgebezemd. En even later snurkten allen zoo, dat de boer en
-zijn vrouw verbaasd hun neuzen boven de dekens uitstaken en zich
-afvroegen, waarom de varkens vannacht zoo rumoerig zouden zijn. Biggen
-op komst....?
-
-Al vroeg werden de janmaats weer wakker door het gekakel van een kip,
-die wijd en zijd verkondde, dat ze, hoewel het winter was, voor den
-boer toch nog een eitje had gelegd. Gerretje brak het open en dronk het
-leeg. „Nog warm!” Anderen morrelden aan het luik, maar het zat van
-onderen vast. Eindelijk kwam de boer en opende het.
-
-„Ook goeie morgen!” wenschten de maats het slaapdronken hoofd met de
-bonte nachtmuts toe.
-
-„Wat zijn jullie vroeg!” mopperde de boer. „’t Is nog zoo koud!”
-
-„Heeft het gevroren?”
-
-„Nou! De pomp zal wel vastgevroren zijn!”
-
-„Heb je dan soms een bakkie heete koffie voor ons?”
-
-De boer gromde wat. „Kom nou maar eerst beneden!”
-
-„Die groote, witte kip heeft een ei gelegd”, zei Gerretje onder het
-afdalen.
-
-„Ja. Dat is een beste!” knorde de boer, tevreden. „’k Zal het straks
-wel halen.—Wat hebben jullie in die kooien?”
-
-„Jonge leeuwen”, lichtte Gerretje in.
-
-„Nou, jullie maakt er wat van!” grinnikte de boer.
-
-„Heb je niks te bikken, Hannes?” vroeg Harmen hem.
-
-„’k Heb nog wel een homp brood voor je”, zei de boer. „Die wou ik aan
-de varkens geven, omdat ie zoo hard is.”
-
-Even later zaten allen te kauwen op het keiharde brood.—De vrouw van
-den boer kwam ook, een norsch, dik wijf in nachtmuts en onderrok, en
-ging zonder groeten koffie zetten, blazend in het vuur, alsof ze den
-heelen oven wilde wegblazen en haar man en zijn gasten er bij. Op de
-hoffelijkheden der galante oomes zei ze geen boe of ba. De boer was in
-den stal gegaan.
-
-De koffie bleek slap te zijn en niet van de beste soort, maar warm was
-ze,—dat scheelde al veel. Er waren maar twee koppen, zoodat de janmaats
-ze maar lieten rondgaan.
-
-De boer kwam uit den stal terug en begon een lang verhaal over een koe
-op te disschen, die hij van ’t voorjaar gekocht en van het najaar weer
-verkocht had en waarop hij zoo’n schade had geleden. En dan had het van
-het voorjaar zoo weinig geregend, en hij had den heeren van het
-Waterschap eens even de waarheid gezegd, en hij had ook een neef bij de
-Secretarie, en z’n wijf was zoo best, nooit ziek of zoo, en zijn zeug
-had dertien biggen gekregen, waarvan hij er een verdronken had, omdat
-dertien een ongeluksgetal was.....
-
-De oomes lieten hem zwammen, tot ze allen hun bakje koffie hadden
-leeggelurkt. Toen stonden ze op. „Nou, Hannes”, zei Harmen en stak den
-boer de hand toe. „Bedankt voor je rot-koffie, hoor!”
-
-De boer grinnikte. „Goeie reis!”
-
-„Vergeet je dat eitje niet van de zolder te halen?” riep Gerretje.
-
-„’k Zal er temet om gaan”, antwoordde de boer.
-
-En de janmaats staken weer van wal. Alles was in grijze morgennevelen
-gehuld. De wind zat nog even beroerd in het Noorden en blies vinnig de
-nevelen over het water, zoodat de maats roode oorlelletjes en
-neuspunten kregen. Ze staken de breede Oosterschelde over. In het
-midden was het zoo duivelsch koud, dat je adem bevroren op je lippen
-sloeg. Joppie lag rillend in Harmen’s armen; de kooien met aapjes waren
-in het bergplaatsje voor de proviand neergezet.—Nu zeilden de maats
-tusschen Duiveland en Tholen het Mastgat in, de Zijpe door, toen om
-Overflakkee het Volkerak door in het Hollandsch Diep.
-
-Bij de Dordtsche Kil wachtte hun een teleurstelling: het water was
-bevroren. Tegen loopen zagen ze niet op, maar hoe moesten ze met hun
-kisten aan? Ze meerden de jol voor een herberg en bespraken de zaak bij
-een kroes warmen, Spaanschen wijn.
-
-„Ik wil jullie m’n slee wel verkoopen”, zei de waard, een leelijke,
-schele kerel.
-
-„Is het ijs dan sterk genoeg?”
-
-„Daarstraks is er nog een op schaatsen uit Rotterdam gekomen”, zei de
-waard.
-
-„Laat kijken je slee!” In optocht volgde het heele stelletje den waard,
-die hun in een schuurtje een groote, groene bak-slee aanwees.
-
-„Wat moet die ouwe waschbak nog opbrengen?” vroeg Harmen.
-
-„’n Daalder.”
-
-„Je bedoelt zeker, als we jou en je heele kroeg er bij koopen?”
-
-De waard haalde de schouders op. „Niemand dwingt je, die slee te
-koopen. Ik wil hem voor minder niet kwijt. Jullie kunt er je heele
-rommel in laden!”
-
-„Vooruit!” zei Hilke. „Hij is gekocht!”
-
-Harmen pruttelde nog wat. „Afijn!” zei hij. „Weet je je wat, jongens?
-Ik ga naar Dordt en zie in een oud roest-zaakje schaatsen op te
-scharrelen. Dan trekken we de slee!—Hé, afzetter, leen me je schaatsen
-even naar Dordt: ’k ben zóó weerom.”
-
-Grommend ging de waard de schuur weer in en gaf Harmen een paar
-verroeste schaatsen. Harmen schoot ze, zuchtend van lol, aan, holde er
-mee weg en sprong op het ijs. Daar maakte hij, om te toonen, dat hij
-het schaatsen nog niet verleerd had, een kuitenflikker en begon toen
-met ver naar voren gebogen rug, de handen in de zakken, tegen den wind
-op te werken in de richting Dordrecht.
-
-De anderen gingen de herberg weer in, dronken nog een kroes wijn tegen
-de kou. Ze werden doezelig en kregen slaap. De schemering viel alweer
-in.
-
-„We moeten hier maffen”, meende Gerretje. „Of heeft er iemand lust,
-vannacht in een wak te rijden?” Hij keek rond, maar toen er geen
-liefhebbers voor het wak bleken te zijn, sloeg hij met den waard aan
-het onderhandelen over den logiesprijs. Voor acht stuiver den man met
-avondeten er bij en nog een „flapkanne” Spaanschen wijn werd de zaak
-ten slotte beklonken.
-
-Tegen donker kwam Harmen weer aanscheren, een bos schaatsen over den
-rug. „Daar word je lekker warm van!” riep hij, terwijl hij den dijk
-opkrabbelde. En met zijn schaatsen nog aan de voeten sjouwde hij de
-gelagkamer binnen. „’t Moet vannacht nog maar wat vriezen, jongens,
-want ’t ijs kraakt als de weerlicht, en ’k heb er twee zien
-doorzakken!”
-
-Terwijl de maats de schaatsen verdeelden en de roestige ijzers wat
-aanzetten op den met zand bestrooiden vloer, kwam de waard met een
-dampende pan watergruwelen aanzetten.
-
-Dat smaakte! De maats slobberden, als hadden ze een week gevast.
-
-„Je hebt ’t hem vlug gelapt, Harmen!” prees Gerretje. „Wat heb je nou
-nog voor dat oud roest betaald?”
-
-„Oud roest?” vroeg Harmen beleedigd. „Als je een beetje rijden kunt,
-heb je er het roest in twee slagen af. ’k Heb er drie stuivers per stuk
-voor betaald.”
-
-„Toe maar, het kan niet op!” meende een zuinige oome.
-
-„Nou, je hoeft ze me niet weer af te koopen”, zei Harmen. „Loop jij dan
-maar, als je dat liever doet.”
-
-„Kom!” susten de anderen. „Als jullie deining wilt maken, maak dan
-deining tegen een landrot, dan doen we allemaal mee!”
-
-’s Avonds, bij de schouw nog wat gezelsend, speldden ze den boeren uit
-den omtrek de meest gewaagde avonturen op de mouw. Toen de boeren laat
-in den avond met een stuk in hun kraag huiswaarts keerden, duizelde het
-hun zoo van tijgers, krokodillen, reuze-slangen en menscheneters, dat
-er twee arm aan arm een sloot intuimelden.
-
-Gelukkig lag er keihard ijs op.
-
-
-
-Bij hanegekraai zaten de maats al in het beijzelde riet hun schaatsen
-aan te binden. En met een homp brood in den tintelenden knuist reden ze
-er op los,—een touw om het middel, waarmee ze de slee voorttrokken, die
-als een veertje over het ijs vloog. Padde zat er met Joppie bibberend
-in: voor hen had Harmen geen schaatsen meegebracht.
-
-Of het vannacht gevroren had! Het ijs was pikzwart met witte munten er
-in. Als een wervelwind joeg het groepje janmaats voort, en bij de
-eerste bocht zwaaide de slee al zoowat tegen de knoestige wilgen aan
-den oever. Joppie’s haren rezen te berge, en Padde, wiens groen-blauw
-gelaat van schrik paars werd, schreeuwde: „Heila! Kalm aan wat!”
-
-Maar de janmaats hoorden niets. Wat werden ze al lekker warm! Hoe
-langer hoe doller ging het.
-
-In een klein half uur hadden ze Dordrecht bereden. Ze kochten een paar
-versche brooden, warm uit den oven, en togen kauwend verder,—nu in de
-richting Rotterdam. Bij den IJssel zwaaiden ze rechts om, en nog voor
-den middag waren ze bij Gouda.
-
-Het was een prachtige, zonnige vriesdag, en op de Gouwe krioelde het
-van de schaatsers.—„Hoe-oe!” schreeuwden de oomes al van verre, om zich
-vrij baan te maken. Hand in hand zwierden ze over de ijsvlakte, en de
-slee vloog al even lustig heen en weer.
-
-Ze hadden niet te klagen, dat de landrotten hun geen plaats lieten:
-ieder, die het stelletje ongezouten kerels met hun slee aan den
-gezichtseinder zag opduiken, ging bedachtzaam ter zijde en zag vroolijk
-naar de dolle bende en naar den dikken, angstigen, verkleumden jongen
-in de slee en den mageren, steilharigen hond, die het nu en dan
-uitjammerde van verlangst naar zijn zonnig Sumatra.
-
-Ze volgden de Gouwe, de Aar, de Drecht en kwamen aan den Amstel. Daar
-wuifden meisjes hun toe, en de oomes wuifden terug en schreeuwden
-„Hoera!” omdat de levenslust er nu eenmaal uit moest. Verduiveld, nog
-vóór de schemering zwierden ze met hun slee Amsterdam in!
-
-Gerretje had er nog een ouwe moei; die woonde aan den IJkant, en ze zou
-Gerretje en zijn makkers gráág herbergen en onthalen.
-
-Na drie uur heen en weer sjouwen was de moei gevonden. Gerretje klopte
-aan de lage deur. „We zullen het er van nemen, jongens”, zei hij. „Ze
-is wat van de knibbelige kant, maar voor mij heeft ze een zwak!”
-
-Maar de moei keek allesbehalve vriendelijk, toen ze het oude
-wijfjes-kopje met het witkanten knipmutsje uit het bovenraam stak en
-haar dierbaar familielid en zijn twintig makkers ontwaarde. „Wat moet
-dat daar?” vroeg ze krijschend.
-
-„Goeien avond, moei!” wenschte Gerretje haar toe. „Kun je ons voor
-vannacht bergen? Ik ben Gerretje, je neef. En dit zijn m’n vrinden.”
-
-De moei dacht even na. „Waar kom je vandaan?” vroeg ze toen.
-
-„Uit de Oost”, schreeuwde Harmen naar boven. „We komen regelrecht uit
-de Oost, moei!”
-
-„Op schaatsen toch niet?!”
-
-„Ja zeker! Op schaatsen!” riep Gerretje. „Daar kunnen we je wat van
-vertellen, moei!”
-
-„Nou”, zei de moei na een aarzeling, „jij mag binnenkomen, omdat je m’n
-neef bent.”
-
-„En de anderen niet?” vroeg Gerretje weemoedig. „Denk er eens aan,
-moei, wat een tocht we achter de rug hebben! Geef ons ten minste een
-neutje; we zijn half bevroren.”
-
-„Ik heb niets in huis”, verklaarde de moei. „Maar verderop is ’t Vette
-Varken,—daar kunnen jullie meteen slapen ook.”
-
-„Moei, wat ben je weer knibbelig”, klaagde Gerretje. „Laat mij nou er
-eens zoeken: ik zal nog wel ergens een kruikje vinden! Kom, je bent er
-zelf toch ook niet vies van?”
-
-„Ik zeg je, dat ik niets in huis heb!” zei de moei snibbig.
-
-„’t Is wèlles, ouwe tooverheks!” riep Gerretje driftig.
-
-Het raam sloeg dicht. Gerretje wilde de deur gaan bewerken, maar de
-maats susten hem. „Kom, Gerretje, maak je niet giftig; laat ze met haar
-neutje naar de weerlicht loopen!”
-
-„Heb je dáár nou een moei voor?” jammerde Gerretje droefgeestig.
-
-„Vooruit!” zei Harmen. „We gaan naar ’t Vette Varken. Harremen
-betaalt!”
-
-Zoo toog men in optocht langs het kanaal naar de herberg, waar het
-onderdak vrij duur bleek te zijn. Een paar maats wilden ’s nachts
-doorrijden, maar de meesten hadden er geen trek in, zetten hun
-gramschap tegen Gerrit’s knibbelige moei onder een borrel en wilden den
-stamgasten hier ook eens wat op de mouw spelden. Maar ze werden door de
-slimme Amsterdammers niet zoo grif geloofd: een was er bij, een
-landrot, die misschien nog nooit in een roeibootje had gezeten en toch
-ophakte, alsof hij z’n leven lang op Oostinje had gevaren: hij wist
-alles op een prik, de leelijke kikker, en liet hen nauwelijks aan ’t
-woord.
-
-Verdrietig, met gramschap in het hart, zochten de gebruinde maats, die
-me daar even door zoo’n witgesteven pennelikker uit het veld waren
-geslagen, hun logies op.
-
-„Er zit dooi in de lucht”, zei Hilke. „De wind is Zuid geworden.”
-
-
-
-Toen ze den volgenden morgen hun bol uit het dak venster staken, lagen
-er groote plassen op het ijs.
-
-„Natte voeten!” meende Gerretje. „Afijn, over een paar uur zijn we
-thuis!”
-
-Thuis....! dat woord ging er in! Ze zouden er vandaag eens een gangetje
-inzetten!
-
-Padde keek bedenkelijk, toen hij dit plan vernam. „Als jullie nog
-woester rijdt dan gisteren, loopt de boel verkeerd!” meende hij.
-
-„O! Dat zit de heele weg lekker in de slee en heeft nog praats ook!”
-schimpten de oomes.
-
-Na de „vroegkost” met gloeiende koffie naar binnen geslurpt te hebben,
-rekende Harmen met den waard af. Deze bleek hen flink geplukt te
-hebben,—dat was zoo de gewoonte: janmaats keken toch niet op een
-stuiver!
-
-„Gevaarlijk spul met die nattigheid!” meende de waard, het geld
-opstrijkend.
-
-„Ja, jij zorgt wel, dat je droog blijft, duitendief!” viel Harmen
-grimmig uit.
-
-En toen ging het er in dolle vaart weer op los. Zoo fel zwierden de
-maats door het water, dat ze heelemaal nat werden. Er viel haast geen
-schaatser te ontdekken.
-
-Toen gebeurde het. Bij het omzwenken, de Zaan op, namen ze de bocht te
-kort; de slede botste tegen den kant, zeilde weer over het ijs uit,
-zoodat de meest rechtsche schaatsers werden omgerukt,—sloeg toen tegen
-den anderen wal, juist tegen het steigertje van een molen, en lag in
-gruzelementen. Joppie was op den wal gesprongen; Padde liep een
-geweldigen buil op; de kisten lagen over het ijs verspreid.
-
-„Wat een rot-slee!” schimpte Gerretje, die ook op zijn achterwerk
-geslagen was en nu kwam aanstrompelen, de handen tegen zijn broek. „Heb
-je je pijn gedaan, Padde?”
-
-„Nou en of!” klaagde de arme jongen, nog wit van schrik.
-
-De molenaar was naar buiten gekomen, een wollen doek om den hals, en
-stond met de handen in de zakken naar het geval te kijken.
-„Sjonge-jonge”, filosofeerde hij, „jullie hebt zeker wat woest gereden!
-Moeten jullie naar Hoorn? Daar kun je op schaatsen niet komen.”
-
-„En waarom niet?” vroeg Gerretje uitdagend. „We sleepen ieder onze
-eigen kist, jongens!”
-
-„Dan kun je meteen je doodkist wel meesleepen”, zei de molenaar.
-„Verderop is het ijs vol wakken, en door het water zie je ze niet. Maar
-weet je wat? Nemen jullie mijn wagen!”
-
-„En dan zeker betalen, dat we scheel zien!” meende Harmen.
-
-„Hoe kom je daarbij?” vroeg de molenaar. „Jullie rijden voor niks!” En
-zich omwendend: „Jan! Span de wagen eens in!”
-
-„Ja, vader”, klonk het uit den molen.
-
-„Man!” stamelde Harmen in verrukking, „jij moest in een gouden
-lijstje!”
-
-De molenaar grinnikte. „Pak je kisten maar op en ga mee naar binnen.
-M’n vrouw heeft krentemik voor oud en nieuw.”
-
-„Drommels, ’t is de een-en-dertigste vandaag!” zei Hilke.
-
-„Nou, jullie kunt makkelijk thuis zijn vanavond”, meende de molenaar.
-
-„Wij niet meer”, zeiden een paar maats. „Wij moeten nog door naar
-Enkhuizen.”
-
-„Ik kan de kar niet zoover missen”, zei de molenaar. „En morgenochtend
-moet ik m’n jongen ook weerom hebben; die gaat met jullie mee om de kar
-terug te brengen. Kan ie ergens onderdak, dat je weet?”
-
-„In ’t Sillevere Anker”, zei Harmen. „Op mijn kosten.”
-
-„Nou, kom dan maar binnen. Waar komen jullie eigenlijk vandaan?”
-
-„Uit Oostinje!”
-
-„Wat je zegt! En die hond?”
-
-„Die komt van Poeloepoeloepatsji”, zei Harmen.
-
-„Dan zal hij het nu wel koud hebben”, meende de molenaar. „Kijk hem
-eens rillen!”
-
-En ze gingen den molen in. „Vrouw, ik breng je een stelletje Javanen
-mee!” riep de molenaar gul. „Kom maar gerust: ze bijten niet, behalve
-in je krentemik!”
-
-De vrouw, een goedlachsche, ou-bollige molenaarsgade, kwam met een
-dampende krentemik binnen en scheen allerminst bevreesd voor de
-„Javanen”.—„Lusten jullie boerenjongens op brandewijn?” vroeg ze.
-
-„Voor boerenmeisjes zijn we ook niet bang!” blufte Gerretje.
-
-„Stil jij!” schimpte Harmen. „Je bent met een menschenetersvrouw
-getrouwd!”
-
-„Is dat waar?” vroeg de molenarin, die juist de krentemik aansneed.
-
-Gerretje was vuurrood geworden. „’k Zou jou je nek wel willen
-omdraaien!” siste hij Harmen toe.
-
-„Dat meen je niet”, zei Harmen.
-
-Gerretje zocht naar een woedend antwoord, maar juist op dit oogenblik
-zette de molenarin hem een dikke snede krentemik voor, en Gerretje
-vergat zijn woede. „Ja-ha!” grinnikte de molenaar, „zoo doet ze met mij
-ook: als ik nijdig ben, zet ze me wat lekkers voor de neus!” En hij
-trommelde tevreden op zijn rond buikje.
-
-Jongens, de krentemik smaakte! Ze smolt in je mond! Daar nog
-boerenjongens boven op, een stuk koek met suikerfiguren..... De
-molenaar wist van uitpakken! Hij en zijn gezellig wijfje lachten maar,
-en de maats voelden zich wonderwel thuis.
-
-„Kom, jongens”, zei Hilke, „als we vóór donker in Hoorn willen
-zijn.....!”
-
-Maar hij moest een paar maal aandringen, voor de anderen opstonden.
-
-„Kijk!” zei Gerretje, aangedaan door het gastvrij onthaal, „die
-papegaai is voor jou! Hij kan Potverblomme! zeggen, maar als je hem
-pest, bijt ie.”
-
-Toen voelde Harmen zich geroepen om den molenaar als herinnering een
-aapje te laten. Maar toen hij de kooi opende, lag het aapje stijf en
-koud op den bodem. Ze werden er allen even stil van.—„Snap ik niet”,
-zei Harmen. „Gisteren was ie nog zoo fleurig!”
-
-„Stom beest!” zei de molenaar meewarig.—Een der andere maats gaf hem
-toen een aapje, dat nog niet dood was. „We zullen het bij het vuur
-hangen”, stelde de molenaarsche voor.
-
-„Hoe dichter, hoe liever”, zei Harmen. „Dan denkt ie, dat ie in Java
-is.”
-
-En toen klommen onze vrienden na veel handdrukken en nieuwjaarswenschen
-in de kar. In het Westen trok een rosse sneeuwlucht op. „Heb je je goed
-ingepakt, Jan?” vroeg de molenaar.
-
-„Ja, vader”, antwoordde een blozend, stil, goed gevuld joggie met
-stroogele haren onder de pet, dat parmantig op den bok zat,—de teugels
-in de hand.
-
-„En heb je een lantaren bij je? Voor straks, als het donker is?”
-
-„Ja, vader.”
-
-„En zit er olie in?”
-
-„Ja, vader.”
-
-„En heb je je brood bij je? En je beursje?”
-
-„Ja, moeder.” Bij elke bevestiging knikte het joggie—bleef droomerig
-voor zich uitzien.
-
-„Jan denkt toch om alles!” prees de molenaar.
-
-En de wagen zette zich in beweging. De maats wuifden om het hardst en
-schreeuwden hoera! De molenaar en zijn vrouw wuifden terug.
-
-Het begon zachtjes te sneeuwen; spoedig was de gastvrije molen als een
-schim weggebleekt in het grijs. De maats zaten in de aanvankelijk erg
-schokkende, maar ten slotte in de sneeuw haast geruischloos
-voortrollende kar dicht bijeen,—Joppie tusschen hun knieën. Nog
-vanavond zouden ze thuis zijn! Was het te bevatten? Padde en Hajo keken
-elkaar stil gelukkig aan; Harmen tuurde zwijgend naar den bodem van de
-kar. Eensklaps drukte hij Hajo een handvol guldens in de hand. „Doe jij
-het liever”, zei hij en zuchtte.
-
-„Wat?”
-
-„Dat geld aan Lijsken’s moeder geven. Ze woont aan de Markt.” En toen
-hij Hajo’s weifeling zag: „Toe, doe me die lol. Ga samen met je
-moeder.....”
-
-„Kijk me dat ventje eens mennen!” prees een maat.
-
-Gerretje knikte. „Een beste jongen. En..... een zoete jongen!”
-
-„En die knol loopt ook met volle zeilen!”
-
-„Nou!” bevestigde Gerretje. „Laat mij er eens mennen, Janneman?”
-
-De jongen antwoordde niet, keek ook niet om, schudde alleen maar
-ontkennend het hoofd.
-
-„Denk je, dat ik niet met knollen kan omgaan?” vroeg Gerretje.
-
-„Met deze niet”, zei het jongetje.
-
-Gerretje werd nijdig. „Vooruit, ga van de bok af!”
-
-„Gerretje!” berispte Hilke. „De jongen stuurt best.”
-
-„Dat zeg ik ook niet! Maar ik wil nou eens mennen. Vooruit, snotaap! De
-bok af!”
-
-De jongen schudde weer het hoofd, zonder omkijken.
-
-„Wel verduiveld!” schold Gerretje.
-
-Nu keerde de jongen zich om, hield het paard in. „Als je me verveelt,
-laat ik het paard staan, en dan kun je honderdmaal vort! roepen; hij
-loopt toch alleen, als ik het wil.”
-
-„Hou je toch koest, Gerretje”, pruttelden de anderen ook.
-
-Gerretje bromde wat, zakte op den bodem van den wagen neer, keek
-woedend voor zich uit.
-
-„Vort!” riep het kereltje op den bok. En het paard liep weer.
-
-De maats sloegen aan het zingen en wuifden met de mutsen, wanneer ze
-door een dorpje reden. De sneeuw begon steeds dichter te vallen; de
-wielen trokken al dieper voren in den witten weg, en zwart stonden de
-knotwilgen langs de nu geelbruine sloten.
-
-„We krijgen nog veel meer!” meenden de maats. Toen ze zich schor
-gezongen hadden, tuurden ze over de witte velden, en de wondere
-schoonheid van vallende sneeuw drong vaag door tot in hun
-varensgastenziel.
-
-Eindelijk..... zagen ze goed?!.... daar schemerde in het
-Noord-Oosten..... een bekende omtrek..... de groote toren van Hoorn!
-
-Dol werden ze! Woest, razend van vreugde, begonnen ze in den wagen te
-dansen, vielen in elkaars armen. „Hoera! Hiep-hiep-hiep hoera!!
-Hoera!!!”
-
-En wuivend, zwaaiend, gillend en schreeuwend reden ze een kwartiertje
-later de Westerpoort in. „We komen uit Indië!” riepen ze den verbaasden
-straatgangers toe en hieven hun kooien met papegaaien en aapjes op. Zoo
-hadden ze in een ommezien een groot gevolg.
-
-„Halt! Daar loopt m’n broer! Krelis! Hou dan toch stil! Krelis! Hou je
-taai, jongens! Ik moet..... Krelis! Krelis!” En de oome was met zijn
-kist en papegaai uit den wagen gesprongen, rende met groote sprongen op
-z’n broer toe. De anderen zagen, terwijl ze weer voortdansten,
-holderdebolder over de keien, hoe de broers elkaar in de armen
-vielen.....
-
-Op de groote markt stopte de kar; allen sprongen er uit, drukten elkaar
-de hand en sjouwden hun hebben en houwen door de sneeuw naar huis.
-
-Nu ze alleen waren, maakte de vreugde op hun gelaat voor een bezorgde
-uitdrukking plaats. Zou thuis alles goed zijn.....?!
-
-Daar stond Hajo’s huisje! Was het zoo klein?? Hijgend rukte Hajo de
-lage deur open en stortte zich naar binnen. „Moeder! Moeder!!
-Moedertje!!!”
-
-Daar lag hij in haar armen. In de armen van zijn moedertje. En beiden
-snikten en lachten en kusten elkaar en drukten elkaar aan het hart. Was
-zijn moedertje zoo klein en zoo tenger??
-
-Wat was ze zacht!
-
-Moeder! Moedertje van mij!
-
-„Peter! M’n jongen!”
-
-Zijn moeder nam zijn hoofd tusschen haar handen, wilde het bezien, maar
-begon dan weer te schreien en te lachen en overdekte het met kussen
-zonder een woord anders te kunnen zeggen dan: „Jongen! Mijn jongen! Ben
-je daar weer? Hoe is het mogelijk? Mijn Peter.....”
-
-Uit de achterkamer waren de andere kinderen gekomen, verwonderd, met
-hun houding niet goed raad wetend. Hajo sprong op en drukte hen aan het
-hart en wist niet, waar hij het eerst heen moest kijken en wie hij het
-eerst kussen moest. „Antje! Maartje! Wat groot zijn jullie geworden! O,
-wat heerlijk! En Doris! Ken je mij niet meer? Ken je Peter niet meer?”
-Hajo knielde voor Doris, die bedremmeld in een hoekje stond en Hajo met
-groote oogen aankeek.
-
-„W-waar is de olifant?” vroeg Doris stamelend.
-
-Hajo kuste hem van alle kanten. „Hij kent me nog!! Hier, hier is je
-olifant!” Hajo sprong op, keek in verrukking rond, viel zijn moeder
-weer om den hals, die hem met stralende oogen aankeek, rukte toen zijn
-kist open, gooide alles onderstboven. „Hier!” riep hij, terwijl de
-dikke tranen hem over de wangen rolden. „Hier, Antje! Een pop voor jou!
-Met Chineesche oogen,—is hij niet mooi? En een waaier! Voor jou,
-Maartje! Ruik er eens aan: hoe lekker! Moedertje, ’k word voor stuurman
-opgeleid! En later voor schipper! Hier! wie moet die armband hebben? En
-kijk eens, Doris! Hé? Wat heb ik hier? Wat heb ik hier voor jou?”—Hajo
-kroop op de knieën naar Doris toe, omvatte hem en hield hem een wit
-ivoren olifantje voor den neus. „Kijk z’n slurf eens? En z’n tanden?”
-
-„En..... en de menscheneter?” vroeg Doris, met een blijde uitdrukking
-op zijn rond kindergezichtje den „olifant” bekijkend.
-
-„De menscheneter? Hier is de menscheneter! Hau-auw!” En Hajo maakte een
-menschenetersgezicht en hapte naar Doris, die schaterend van de pret
-vluchtte en door Antje werd opgetild. Hajo sloot hen beiden in de
-armen. „Antje! Wat ben je een meid geworden!”
-
-„Dacht je, dat ik altijd zoo klein bleef?” vroeg Antje. „Jij bent ook
-groot geworden, zeg! Niet waar, moeder?”
-
-Moeder knikte, zonder nog te kunnen spreken. En toen Hajo zich weer in
-haar armen wierp, snikte ze het weer uit. „M’n jongen..... wees niet
-boos, dat ik nog huil! Ik ben zoo blij, dat je terug bent! Het is alles
-zoo onverwachts gekomen. En..... Heb-heb je een goeie reis gehad?”
-
-„Terug wel, moedertje! Maar de Nieuw-Hoorn is vergaan!”
-
-„Verg.....?!!”
-
-„Ja! Door Padde’s schuld. ’k Heb geld bij me, moedertje! Kijk eens?!!”
-Hij legde handen vol guldens in zijn moeders schoot. „Is het niet veel?
-Twee-en-zeventig gulden en zeven stuivers! Hier heb ik nog meer geld,
-maar dat is voor Lijsken’s moeder. Lijsken is onderweg aan de
-scheurbuik.....!!”
-
-En toen begon Hajo te vertellen. Bij stukken en brokken. Van den brand
-aan boord, den tocht met de jol, van Dolimah, den panter, Pa-Samirah,
-het vlot, en dat hij bij den Bruinvisch in Amsterdam moest komen.....
-
-Onder zijn opgewonden, verward vertellen viel de klopper. Padde stond
-aan de deur.
-
-„Padde!!!”
-
-En ook de brave dikzak werd door Hajo’s moeder omhelsd en gekust, en
-hij zelf snikte, alsof Hajo’s moedertje ook de zijne was.
-
-„Jongen, wat heb jij je moeder een verdriet gedaan!”
-
-„’k Heb haar vijf-en-zestig gulden en zeven stuivers meegebracht”, zei
-Padde. „Ze laat vragen, of jullie vanavond bij ons komen, Maartje
-ook.—Dag Maartje! Wat zijn jullie allemaal groot geworden! Bij mij
-thuis ook! ’k Heb er nog een zusje bijgekregen!”
-
-„En is thuis alles goed?” vroeg Hajo.
-
-„Best. Alleen m’n vader..... die is een half jaar geleden verdronken.”
-
-Er kwam even stilte in het vertrek. Padde haalde diep adem en kuchte.
-„In de sloot achter de Zuidwal”, zei hij er toen achteraan. En plots,
-het hoofd gebukt, en op een harden toon, die anders nooit over zijn
-lippen kwam: „’t Is z’n eigen schuld. Hij was weer dronken. Die.....
-die..... die dronkelap!”
-
-„Padde”, zei Hajo’s moeder zacht, „jij mag niet zoo over je vader
-spreken.”
-
-Padde schudde driftig het hoofd. „Wat doet ie m’n moeder te slaan? En
-het geld te verdrinken? En de meubels te verkoopen?”
-
-„Maar..... maar nu is hij toch dood, Padde.”
-
-Padde worstelde met iets.
-
-Hajo’s moeder stond met droeven glimlach op, nam Padde in haar armen en
-kuste hem. „Zeg maar aan je moeder, dat wij komen.”
-
-En Padde ging, schreiende.
-
-„Nu, m’n jongen”, zei Hajo’s moeder, „nu moeten wij samen nog even uit.
-Heb je..... heb je daar het geld van die gestorven vriend van je? We
-gaan geen blijde boodschap brengen, m’n jongen, maar..... het moet.” Ze
-ging naar de kast, sloeg een doek om.
-
-En even later stapte Hajo met zijn moedertje aan den arm de deur uit.
-Dicht aaneengedrukt liepen ze door de besneeuwde straten. „Mijn jongen,
-wat ben je groot geworden.....” verzuchtte zijn moeder. „Ik moet
-heelemaal tegen je opzien!”
-
-„Maar ik ben ook al zestien, moedertje! Is de tijd niet gevlogen?”
-
-Zijn moeder glimlachte. „Niet..... niet altijd, Peter.” Toen werd ze
-stil, en haar gedachten schenen afwezig. Hajo droeg het geld voor
-Lijsken’s moeder in een zakdoek geknoopt.
-
-Het was gaan schemeren. De lichte vensters glansden neer op de sneeuw.
-Uit de rossig-grijze lucht dwarrelde het maar voort.
-
-Bij de Waag zagen ze twee bekende gestalten: Harmen en Gerretje, hun
-kist op den nek. Gerretje droeg bovendien Harmen’s waterpijp nog, en
-Harmen klemde onder den linkerarm zijn dierbare viool. Joppie dribbelde
-met opgetrokken pooten tusschen hen in.
-
-„Schip ahoy!” riep Hajo.
-
-De beide gestalten hielden stil. „Hallo, Hajo!”
-
-„Waar gaan jullie heen?” vroeg Hajo. „Zijn jullie al thuis geweest?”
-
-„Ja wel”, zei Harmen, met een aarzelen den blik op Hajo’s moeder, „maar
-ze zijn verhuisd! Naar Alkmaar, zeggen de buren. Tja.....! We gaan nou
-maar eerst naar ’t Sillevere Anker!”
-
-„Dit is nou Harmen, moeder!” zei Hajo trots. „Die heeft samen met mij
-die panter..... weet je wel?”
-
-Hajo’s moeder stak Harmen de hand toe. „Harmen, ik dank je voor wat je
-voor mijn jongen gedaan hebt! Voor alles, hoor, voor alles dank ik je!”
-
-Harmen werd verlegen. „’n Kleinigheid, juffrouw.....!—Afijn, ’t had
-raar kunnen afloopen! Als je nou bedenkt, die arme Floorke.....! We
-gaan z’n meisje in ’t Sillevere Anker nou zeggen, wat er met hem aan
-het handje is.”
-
-„Arme meid”, zuchtte Gerretje.
-
-„Zeg dat wel”, viel Harmen hem op droefgeestigen toon bij. En met
-afgewenden blik sloeg Harmen op zijn zwarte vioolkist en kuchte. „Hilke
-is bij z’n meisje,—die was in haar nopjes!”
-
-„Nou! Ze drukten mekaar zoowat plat!” grinnikte Gerretje.
-
-„Kijk moeder, dat is nou Joppie! Die is ook mee door Sumatra geweest!”
-
-„Arm beest!” zei Hajo’s moeder, toen het dier bibberend tusschen
-Harmen’s beenen kroop.
-
-„Hij zal er wel aan wennen!” stelde Harmen haar gerust. „Nou, dag,
-juffrouw! Ajuus, Hajo!”—En het drietal spoedde zich over de verlaten
-marktplaats voort naar ’t Sillevere Anker.....
-
-
-
-Lijsken’s moeder, een bleek, mager, klein vrouwtje met groote
-lijdensoogen, nam stilzwijgend de zilveren guldens in ontvangst en borg
-ze weg in een oude, gehavende kast.
-
-„Ik was er al bang voor.....” Dat was al wat ze zei. Toen Hajo’s moeder
-haar kuste, schreide ze.
-
-
-
-Zoo vierden allen het Ouwe jaar nog in Hoorn. En de maats, die morgen
-verder moesten, naar Enkhuizen, zaten bij hun makkers aan den haard en
-hielpen opsnijden.
-
-Buiten viel de sneeuw altijd maar door; als een teedere moederhand
-legde de sneeuw zich over het stadje..... er moesten vele schrijnende
-wonden worden bedekt.
-
-Vertrouwelijk, als goede raadgevers, wandelden te middernacht twaalf
-klokkeslagen over de sneeuw.
-
-Toen zochten de handen elkaar in diepgevoelde vreugde.
-
-
- EINDE
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Geen der drie jongens vermoedde, dat ze een vogel hadden gevangen
-waarover eeuwen later de geleerden elkaar nog in de haren zouden
-vliegen. Het was de zoogenaamde „dodo”, die alleen op Réunion voorkwam
-en thans geheel is uitgestorven,—dank zij het feit, dat de oomes, die
-in den loop der jaren op Réunion landden, al deze „zwanen” met stokken
-hebben doodgeslagen en toen opgepeuzeld.....
-
-[2] Met dit antwoord was Padde allen geleerden meer dan twee eeuwen
-voor. Want eerst in de tweede helft der negentiende eeuw bewees de
-groote Londensche natuurvorscher Sir Richard Owen in een beroemd
-geworden skelet-onderzoek, dat de dodo tot de familie der duiven
-behoorde.
-
-[3] Indien de maats wat beter met het zonderlinge leven der
-zee-schildpadden bekend waren geweest, zouden ze geweten hebben, dat
-die eigenaardige ronde bollen gras door de schildpadden zelf
-vervaardigd worden en vergaard. Schildpadjagers van beroep zoeken die
-„opslagplaatsen” en wachten daar, tot de gepantserde kolossen het
-strand komen opkruipen.
-
-[4] Als het gaat regenen, vluchten de geiten!
- Als het gaat regenen, dans ik graag!
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE SCHEEPSJONGENS VAN BONTEKOE ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.