diff options
Diffstat (limited to 'old/65682-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/65682-0.txt | 3207 |
1 files changed, 0 insertions, 3207 deletions
diff --git a/old/65682-0.txt b/old/65682-0.txt deleted file mode 100644 index 164883b..0000000 --- a/old/65682-0.txt +++ /dev/null @@ -1,3207 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 1: De Groote Onbekende, by -Kurt Matull - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Lord Lister No. 1: De Groote Onbekende - -Author: Kurt Matull - Theo Blakensee - -Translator: Felix Hageman - -Release Date: June 24, 2021 [eBook #65682] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: The Online Distributed Proofreading Team at - https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 1: DE GROOTE -ONBEKENDE *** - - - - LORD LISTER - GENAAMD RAFFLES - DE GROOTE ONBEKENDE. - - NO. 1 DE GROOTE ONBEKENDE. - - - - - - - - -DE GROOTE ONBEKENDE. - -EERSTE HOOFDSTUK. - -BELAAGDE ONSCHULD. - - -Het was tegen zes uur in den namiddag toen de rijke zijde-importeur -Lukas Brown zijn eersten boekhouder bevel gaf om de zaak te sluiten. - -De vensters van het gebouw, dat zich aan het Strand in Londen bevond, -zagen uit op dezen breeden verkeersweg en Mr. Brown kon door de -neergelaten jaloezieën het drukke gewoel der reuzenstad zien. - -Voordat zijn boekhouder het particuliere kantoor had verlaten, sprak -Mr. Brown tot hem: - -„Zend de nieuwe beambte, Miss Walton, bij mij. Ik moet haar spreken.” - -De boekhouder maakte een buiging, terwijl hij een ironisch lachje -trachtte te verbergen. - -Hij kende zijn chef en wist, wat een dergelijk onderhoud beteekende. - -Mr. Brown nam uit principe slechts jonge, onervaren meisjes in zijn -dienst, wier uiterlijk hem beviel. - -„Zijt gij over het werk van Miss Walton tevreden?” vroeg hij den -boekhouder. - -„Zeker”, antwoordde deze, „zij doet haar plicht uitstekend.” - -„Zoo, zoo”, sprak Mr. Brown, zijn vleezige handen wrijvende, „het doet -mij genoegen, dat te hooren! Zij is een buitengewoon mooi meisje. Dat -meisje kan, als ik mij haar lot aantrek, een goede toekomst hebben.” - -Weer maakte de boekhouder een buiging, om een glimlach te verbergen. - -Toen hij de kamer wilde verlaten, weerklonk van de straat het -geschreeuw van courantenjongens, die de nieuwste avondbladen aanboden -en die met luide stem den korten inhoud uitgalmden van het laatste -belangrijke nieuws, dat de courant behelsde: - -„Een nieuwe streek van Raffles!” schreeuwden zij. „Raffles, de groote -onbekende, roofde een kwart millioen juweelen!—Raffles! Raffles is -onvindbaar!” - -Mr. Brown zag hoe de voorbijgangers letterlijk vochten om de -nieuwsbladen. - -„Haal mij een avondblad!” beval hij zijn boekhouder, „dat is een gekke -geschiedenis met dien Raffles!” - -De boekhouder verdween en kwam na eenige minuten terug met de gevraagde -courant, welke de laatste daad van Raffles met groote letters -verkondigde. - -Haastig las Mr. Brown het artikel door, waarna hij tot zijn boekhouder -sprak: - -„Een buitengewoon mensch! Een dergelijke kerel heeft nog nooit bestaan! -Met groote geslepenheid houdt hij nu al wekenlang onze geheele -politiemacht bezig. Men is er nog niet in geslaagd, een enkel spoor van -den vent te vinden. Sherlock Holmes schijnt zich uit het openbare leven -terug te willen trekken en zonder dezen is onze zoo beroemde politie -een ouwe wijvenboel.” - -„Ja”, antwoordde de boekhouder, „die Raffles is een genie! En ik moet -eerlijk bekennen, dat ik respect voor hem heb! Hij moet een -buitengewoon talent bezitten, die koning der inbrekers. Een ware -Napoleon! En voor de rest ontegenzeggelijk een gentleman!” - -„Ik geloof, dat je gek bent, mijn waarde. Geheel Londen schijnt -aangetast te zijn door Raffles-koorts. Waar men komt, hoort men over -dien aristocratischen dief spreken!” Mr. Brown trok verachtelijk zijn -dikke lippen op. „Gij schijnt een eigenaardige opvatting te hebben -omtrent een gentleman!” - -„In ’t geheel niet, Mr. Brown”, antwoordde de boekhouder, „het is -immers een feit, dat deze onbekende inbreker het gestolene alleen -gebruikt om den armen uit Whitechapel of Eastend weldaden te bewijzen.” - -„De kerel is gek”, sprak Mr. Brown, „stapelgek! Hij deed verstandiger, -als hij het gestolene aanwendde voor betere doeleinden. Al was het maar -voor wijn, vrouwen en weelde. Dat gepeupel in Whitechapel en Eastend -zou mij geen penny waard zijn!” - -„Daarom zorgt Raffles daarvoor”, glimlachte de boekhouder. „Hij neemt -in plaats van de pennys, welke gij niet aan de armen geeft, banknoten -uit uw zak. Dat helpt beter.” - -Brown fronste toornig zijn wenkbrauwen en antwoordde op beleedigenden -toon: - -„Gij durft veel beweren, Mr. Thomas. Houd uw opmerkingen voor u. Als -gij niet zooveel jaren bij mij in betrekking waart, zou ik u dit zeer -kwalijk nemen. - -Maar—laat ons geen ruzie maken om dien Raffles. Het voornaamste is, dat -hij ons ongemoeid laat.” - -„Laten wij het beste ervan hopen! Ik geloof ook niet, dat gij genoeg -bezit, om een bezoek van Raffles te zullen krijgen”, vervolgde de -boekhouder. - -„Wat?!” riep Mr. Brown, „bezit ik niet genoeg?—Mijnheer, ik ben -millionnair!—Ik ben hofleverancier!” - -„Zooveel te beter voor Raffles, als hij komt!” - -„Zwijg! Gij maakt mij zenuwachtig”. - -De boekhouder sprak lachend: - -„Het zou mij zeer aangenaam zijn, als hij mij op onzichtbare wijze aan -eenige banknoten hielp, al kwamen zij dan ook niet uit uw kas, Mr. -Brown!” - -Deze richtte zijn korte, breede gestalte op en riep woedend uit: - -„Houd eindelijk uw flauwe aardigheden voor u. Gij zijt in staat, -iemands humeur totaal te bederven. De duivel moge dien Raffles halen! -Ik slaap toch al zoo onrustig, sinds die kerel op het tooneel is -verschenen; elken nacht droom ik, dat hij mijn brandkast heeft -geplunderd. Ik wil niets meer over hem hooren. Maar roep nu Miss -Walton!” - -De boekhouder verliet de kamer, terwijl Brown naar de brandkast liep, -die naast de schrijftafel stond, en de blinkende grendels en sloten -onderzocht. - -„Men zou er zenuwachtig van worden”, mompelde hij, „je zou zoo -langzamerhand gaan denken, dat die Raffles in een gesloten brandkast -zat.” - -Nogmaals probeerde hij de verschillende grendels, hij zette het -letterslot op een ander geheim woord en noteerde dit. - -Toen hij hiermee gereed was, kwam Miss Walton binnen. - -Zij was een jong meisje, zeer bescheiden gekleed, maar met een -bijzonder lieftallig en fijn gezichtje. - -Aarzelend bleef zij op den drempel staan. - -„Kom wat nader, lief kind”, lachte Brown en zijn kleine oogen gleden -langs haar gestalte. - -Hij trad op haar toe, vatte met zijn vleezige zwaar-beringde vingers -haar slanke hand en voerde het jonge meisje naar een Turkschen zetel. - -Deze vertrouwelijkheid maakte op Miss Walton den indruk, alsof een -griezelige spin over haar heenkroop en een onverklaarbare angst greep -haar aan. - -Brown zette zich in een stoel naast den hare, vatte wederom haar hand -en streelde die, terwijl hij het meisje teeder aankeek. - -Miss Walton werd bloedrood in het gelaat. - -„Wat hebt ge mooie handen! Die vingertjes zijn veel te teer om het ruwe -bureauwerk te doen; die zijn alleen geschikt om zijden rokken op te -houden en met briljanten versierd te zijn!” - -Het jonge meisje was te onervaren om te begrijpen, wat haar chef -bedoelde en hoewel het onaangename gevoel niet van haar week, waagde -zij het toch niet, haar hand terug te trekken. Zij meende, dat de -vijftigjarige man haar met vaderlijke welwillendheid tegemoet trad. - -Deze van zijn kant dacht, dat zij haar hand in de zijne liet rusten als -een teeken van toenadering en zich vooroverbuigend, kuste hij haar -vingers. - -Het meisje schrikte terug. - -Haar vrouwelijk instinct zei haar plotseling in welk gevaar zij zich -thans bevond. - -Haastig stond zij op en sprak: - -„Het is laat, Mr. Brown. Gij moet mij verontschuldigen, mijne zieke -moeder, die thuis wacht, zou ongerust worden als ik te lang wegbleef. -Ik moet nu gaan.” - -„Zoo laat is het nog niet”, antwoordde haar chef, „en uw moeder zal -uitstekende verpleging hebben en alles wat zij verlangt, als ge een -beetje vriendelijk tegen mij wilt zijn.” - -Miss Walton keek den chef met groote oogen aan, die opstond en haar -wederom naderde om opnieuw haar hand te vatten. - -Maar zij stiet hem terug. - -„Laat mij! Ik moet gaan!” - -„Niet zoo gauw, kleintje! Je kunt nog een uurtje met mij babbelen, dan -ben je nog vroeg genoeg thuis.” - -Hij wilde haar omvatten, maar zij week terzijde. - -„Laat mij gaan, of ik roep om hulp!” - -„O ho, je bent een kleine kat, maar je roepen zou tevergeefsch zijn, -want wij zijn alleen in het gebouw”. - -Miss Walton keek angstig om zich heen om een uitweg te ontdekken. - -Daar zag zij door een der vensters een slank gebouwden jongen man -staan, die van een krantenjongen het avondblad kocht. - -In een oogwenk was het meisje naar het venster gesneld en had dit -geopend. - -„Help mij alstublieft! Men beleedigt mij!” - -Verbaasd draaide de man zich om. - -Het meisje keek een oogenblik in een paar groote, zwarte oogen en zag -een donker, door de zon gebruind gelaat. - -De vreemdeling boog. - -„Ik kom onmiddellijk!” - -Miss Walton haalde verruimd adem. - -Met een van woede verwrongen gelaat stond Brown midden in de kamer en -riep met gebalde vuisten: - -„Zottin! Dat zal ik je betaald zetten!” - -Maar in hetzelfde oogenblik ook trad de vreemdeling binnen. - -„Wat wilt ge in mijn bureau? Dadelijk eruit of ik roep een -politieagent!” schreeuwde de koopman. - -Zonder hem met een antwoord te verwaardigen, wendde zich de vreemdeling -tot Miss Walton. - -„Waarmee kan ik u van dienst zijn? Ik hoorde, dat men het u lastig -maakt.” - -„Breng mij uit dit huis! Die man daar beleedigt mij!” - -De vreemdeling begreep terstond, wat gebeurd was. Hij sprak op -minachtenden toon tot hem: - -„Ellendeling!” - -„Ga heen!” herhaalde de aangesprokene. - -De vreemdeling keerde zich om en sprak tot Miss Walton: - -„Volg mij alstublieft!” - -Het jonge meisje knikte hem dankbaar toe en verliet met hem het -vertrek. - -„Ge zijt ontslagen!” riep de chef haar na. - -Haar redder glimlachte en bracht Miss Walton haar buiten, waar zij met -eenige woorden van dank afscheid van hem wilde nemen. - -„Het kan misschien van eenig nut zijn, als ik uw adres wist”, vroeg de -jonge man. - -Miss Walton gaf hem oogenblikkelijk haar visitekaartje. - -Toen boog hij tot afscheid. - -Het jonge meisje haastte zich huiswaarts en zag dus niet, dat de -vreemdeling in het bureau terugkeerde en de buitendeur achter zich -sloot. - -Secondenlang luisterde de indringer. - -Toen haalde hij een zwart masker uit den zak te voorschijn en sloop -door de verschillende lokalen naar Brown’s werkkamer. - -Deze wilde juist vertrekken. - -Hij had het heele voorval reeds vergeten en floot zachtjes een melodie -uit „Die lustige Witwe.” - -Plotseling bleef hij als verlamd staan, want vlak voor hem stond -eensklaps een gemaskerd persoon, die hem den loop van een revolver -voorhield. - -„Ik wil graag kennis met u maken,” sprak een dreigende stem. - -De koopman kon geen woord uiten. - -Zijn knieën sidderden—het werd hem zwart voor de oogen. - -„Volg mij!” beval de gemaskerde. - -Willoos gehoorzaamde Brown. - -Het tweetal ging naar een vertrek, dat achter in het gebouw was -gelegen: de kleedkamer der beambten. - -De gemaskerde opende een groote kleerkast en beval Brown daarin te -gaan. - -„Uw portefeuille, mijnheer”, beet hij den handelaar toe en deze -gehoorzaamde, blij, er zoo gemakkelijk af te komen. - -„Voor uw brandkast heb ik nu geen tijd, daar kom ik een volgenden keer -wel om!” - -De deur van de kast ging dicht en de onbekende verliet het vertrek. - -Toen hij weer in het kantoorlokaal was gekomen, opende hij de -portefeuille en nam er verscheidene banknoten uit. - -Daarop zocht hij eenige enveloppen, bedrukt met den naam der firma en -deed in ieder een bankbiljet. - -Aan de schrijftafel van Mr. Brown zette hij op iedere enveloppe: - - - „Voor een nuttig gebruik zendt u dit - - JOHN RAFFLES.” - - -Hij lachte zachtjes en sloot de enveloppe met een zegel, dat een -gekroond doodshoofd vertoonde. - -Hierop legde hij de brieven op de lessenaars der beambten. - -Van den verderen inhoud der portefeuille interesseerde hem slechts een -enkele brief, die door zekeren bankier James Gordon uit Oxford Street -aan Mr. Brown gericht was en luidde: - - - „Mijn waarde Mr. Brown, - - Ons laatste zaakje heeft een schitterende winst afgeworpen. De - wissels, die wij van dokter Walter kregen zijn eindelijk door hem, - nadat ik hem met het gerecht heb gedreigd, betaald. Ik heb u voor - tweehonderd pond gecrediteerd. Zend mij heel gauw iets dergelijks. - Zoo’n zaak is de moeite waard. - - Met beste groeten, uwe - - JAMES GORDON.” - - -„Dien man moet ik leeren kennen,” mompelde Raffles. - -Hij stak den brief in zijn zak en verliet het kantoor. - -Het kloppen en schreeuwen van den opgesloten koopman hoorde hij -weerklinken, lachte er eens hartelijk om en verdween tusschen de -menigte. - -Daar buiten ventten nog steeds de krantenjongens hun bladen, waarvan de -laatste daad van Raffles stond beschreven; zij vermoedden niet, dat -reeds een nòg latere streek was gepleegd. - - - - - - - - -TWEEDE HOOFDSTUK. - -EEN SCHURKACHTIGE BANKIER. - - -In zijn klein kantoortje in Oxford Street te Londen zat de bankier -James Gordon en telde groote geldsommen, die hij in verschillende -muntsoorten verdeelde, in rollen wikkelde en in zijn brandkast borg. - -Hij was een klein, mismaakt persoon, met pokdalig gelaat, dat duidelijk -de sporen droeg van gierigheid. - -De bankier had zoo juist zijn brandkast gesloten, toen er bescheiden -aan de deur werd geklopt. - -Met heesche stem riep hij: „binnen!” en een oude vrouw van omstreeks -vijftig jaren trad bescheiden en aarzelend binnen. Zij monsterde het -bureau. - -„Wat wilt ge?” vroeg hij op korten toon. - -„Neem mij niet kwalijk,” stamelde de vrouw, „ik heet Anny Walton en ik -las in een advertentie, dat gij geld leent.” - -„Zeker, dat is mijn zaak! Wenscht ge geld?” - -„Ja, ik verkeer in groote verlegenheid. Mijn man is verleden jaar -gestorven en mijn dochter heeft geen betrekking.” - -„Hebt ge borgen?” - -„Och, mijnheer,” antwoordde de oude vrouw op bevenden toon en tranen -vulden haar oogen, „ik heb nog maar een paar kleinigheden, maar dat zal -voor u niet genoeg borgstelling zijn.” - -Bankier Gordon liet een zacht gefluit hooren en lachte toen brutaal: - -„Denkt ge, dat ik gek ben? Dan zou heel Londen wel kunnen komen, heel -Whitechapel en Eastend, om geld van mij te leenen! Poeh! Hahaha!” - -De vrouw keek hem aan met angstig gelaat. - -„Mijnheer,” smeekte zij, „ik ben heel ziek en heb mij hierheen gesleept -om hulp te halen.” - -„Blijf liever thuis en houd mij niet op”, antwoordde de bankier op -ruwen toon. - -„Maar wat moet ik dan beginnen? Ik weet geen raad meer en geef u mijn -eerewoord, mister, dat ik dag en nacht wil werken, zoo gauw als ik weer -beter ben om u het geleende terug te betalen.” - -„Dan zal ik nog lang moeten wachten,” meende de bankier op drogen toon, -„zoo spreekt jelui allemaal als je honger hebt. Ik kan dat! Maar ge -hebt een dochter, zooals ge vertelt! Stuur die dan des nachts naar -Piccadilly Street, of, als ze daarvoor niet mooi genoeg is, stuur haar -dan naar Whitechapel, om er op de straat haar brood te verdienen.” - -De oude vrouw verbleekte, toen zij de namen van die Londensche wijken -hoorde, waar slechts de, demi-monde en de misdadigers hun handwerk -beoefenden. - -„Nooit!” riep zij uit, „gij hebt geen kinderen, mijnheer, anders zoudt -ge niet zoo spreken, dat is heel zondig van u!” - -Bankier Gordon haalde minachtend de schouders op. - -„Ga nu toch, ik kan uw gejammer niet langer hooren, ik heb te werken.” - -Moeizaam wankelde de vrouw naar de deur. - -In hetzelfde oogenblik kwam een jonge, elegante man binnen, die de oude -vrouw bij den arm vatte. - -„Blijf hier, juffrouw Walton. Ik hoorde toevallig, daar de deur niet -geheel gesloten was, het gesprek, dat hier gevoerd werd. Ik hoop u te -kunnen helpen.” - -De vrouw volgde hem aarzelend en ging in de kamer terug. - -Bankier Gordon was opgestaan en keek den binnentredende aan, die -elegant gekleed was. - -De vreemdeling van zijn kant deed met onverschillig gebaar zijn -parelgrijze handschoenen uit, nam zijn monocle uit het rechteroog en -stak een sigaret op. Den cilinderhoed had hij, als een bijzondere -uiting van onverschilligheid, niet afgenomen. Hij kon ongeveer dertig -jaren oud zijn; zijn gelaat had een trotsche, zelfbewuste uitdrukking -en zijn oogen schitterden overmoedig en keken vastberaden neer op -bankier Gordon. - -Deze was heel zenuwachtig geworden; hij wist niet, wat hij met dien -indringer doen zou. - -Te oordeelen naar de kostbare diamanten, die de gentleman aan de handen -droeg, kwam deze persoon geen geld leenen. - -Daar de vreemdeling geen aanstalten maakte tot spreken, maar met een -spottend lachje den rook van zijn sigaret den bankier in het gelaat -blies, vroeg eindelijk James Gordon: - -„Waarmee kan ik u van dienst zijn?” - -„Met heel veel”, antwoordde de vreemdeling, „ik kreeg uw adres -gisteravond tijdens een kort bezoek, dat ik bij mister Brown bracht. -Het is mij zeer aangenaam, kennis met u te maken!” - -Toen de bankier den naam van zijn handelsvriend hoorde, klaarde zijn -gelaat op. Hij boog hoffelijk, maakte met de hand een uitnoodigende -beweging tot plaats nemen en zei: - -„Met wien heb ik de eer?” - -De onbekende keek hem aan en antwoordde na een korte poos: - -„Mijn naam zal u wel bekend zijn. Ik heet—” hij wachtte een oogenblik -en sprak toen op langzamen, afgemeten toon: „John C. Raffles.” - -Als door een adder gestoken, sprong bankier Gordon van zijn stoel op en -tastte met zijn rechterhand naar een, onder een stapel papieren -verborgen revolver. - -„U bent Raffles?” vroeg hij stotterend van angst. „Raffles, van -wien—die—die—” - -„Juist”, viel de gentleman den bevenden bankier in de rede, „dezelfde, -dien ge meent, ik ben Raffles, de groote onbekende, de aartsdief, die -er een sport van maakt, onmenschelijke schurken op te sporen en te -beproeven met den roof, dien hij jelui bloedzuigers en woekeraars -afperst, datgene goed te maken, wat gij hebt gezondigd.”— — — - -”— —Maar eerst”, hij wendde zich tot mrs. Walton, die zwijgend neerzat, -„hoeveel geld hebt ge noodig, beste vrouw? Vijftig pond, misschien?” - -„Neen, neen!” stotterde deze, „met vijf pond was ik al geholpen!” - -„Ik ken uw dochter, mevrouw”, zei Raffles, „en het toeval heeft mij u -te hulp gevoerd; maar laat ons nu over zaken spreken.” - -Hij wendde zich tot Gordon. - -„Betaal die vrouw vijf pond!” - -De bankier wilde iets antwoorden, maar de vrees voor den onbekende -verlamde zijn tong en bevend ging hij naar de brandkast. - -Hij legde een banknoot van vijf pond op tafel. - -„Dat is voor u!” sprak Raffles tot de vrouw, „de bankier geeft het u -graag. Het is de fatsoenlijkste manier van zaken drijven, die hij ooit -bij de hand heeft gehad, want hij geeft u het geld zonder rente en laat -het u zoo lang behouden, totdat het u weer beter gaat. Hij is een braaf -mensch, deze bankier Gordon; en nu moet gij heengaan en mij met -mijnheer alleen laten.” - -Onder vriendelijke dankzegging verliet de ongelukkige vrouw het -vertrek. - -Nauwelijks had zij de deur achter zich gesloten, of Raffles sloeg een -anderen toon aan. - -„Ik ben werkelijk verheugd, den gemeensten woekeraar van geheel Londen -eindelijk te leeren kennen.—Nu beveel ik u”, bij deze woorden haalde -hij een revolver uit zijn pelsjas te voorschijn—„neem op dien stoel bij -den haard plaats en blijf daar zoo rustig zitten, alsof gij in de kerk -waart.” - -Met sidderende knieën begaf de bankier zich naar de hem aangewezen -plaats. Zonder zich te durven bewegen, zag hij, hoe John Raffles de -brandkast opende en daaruit een groot pakket wissels nam, die de -woekeraar van arme ongelukkigen had weten te bemachtigen en hoe hij dit -in zijn geel handtaschje wegborg. - -De bankier stiet een geluid uit als van een vastgebonden wild dier. - -Met een spotlachje keek Raffles hem aan en sprak: - -„Wat zegt u?— —Het spijt u zeker, dat ik u bevrijd van dezen -zondenlast? Gij moest mij liever dankbaar zijn, mijn waarde, dat ik -eindelijk weer een fatsoenlijk mensch van u maak. En voor de rest, als -gij iets van mij wenscht, kunt ge u tot de politie wenden. Maar.....” - -Hij lachte weer, stak een sigarette aan, sloot zijn tasch en vervolgde: - -„Ik denk, dat gij er niet op gesteld zijt, in aanraking te komen met de -politie, want deze mocht eens inzage van uw boeken willen nemen en dat -zou u uw vrijheid weleens kunnen kosten. Men zou u waarschijnlijk een -paar jaar achter de tralies zetten. Dat zou heel nuttig zijn, niet -alleen voor u zelf, maar ook voor de maatschappij, die dan voor eenigen -tijd bevrijd zou zijn van zulk een schandelijk insect! - -Ik zal in elk geval mijn plicht doen in dezen en het genoegen hebben, -de politie, zooals ik dat steeds gewend ben, te waarschuwen.” - -Vrees en haat stonden duidelijk te lezen op het gelaat van den bankier. - -„Gij zult de politie niet waarschuwen”, fluisterde hij met heesche -stem. „Welk nut zoudt gij daarvan kunnen hebben?” - -„Ik zei het u immers al”, antwoordde John Raffles, „het genoegen, de -maatschappij van u te bevrijden.” - -De bankier wierp zich op de knieën, hief de handen smeekend op en -kermde om genade. - -Maar de ander liet zich niet vermurwen. - -Met een blik vol afschuw keek hij naar den smeekeling en op -minachtenden toon sprak hij: - -„Gij zijt even lafhartig, als elke schurk. Maar ik ben zonder erbarmen, -zooals gij dat zijt geweest jegens de ongelukkigen, die zeker dikwijls -hier om medelijden hebben gesmeekt.” - -Daarop nam John Raffles een der boeken van den woekeraar, nam den -zwaren foliant met beide handen op en, terwijl hij hem met een -geweldigen slag op het hoofd van den bankier liet neerkomen, sprak hij: - -„Hier hebt ge nog een klein souvenir!” - -Gordon was door den slag bewusteloos op den bodem in elkaar gezonken; -John Raffles keek eenige seconden naar hem, daarop nam hij een klein -fleschje uit zijn zak, dat een verdoovend vocht bevatte, deed eenige -druppels hiervan op een zakdoek van den bankier en drukte deze op het -gelaat van den bewustelooze. - -Zachtjes sprak hij tot zichzelf: „Hij moet zoolang blijven liggen tot -de politie komt.” - -Daarop nam hij het kasboek en zijn taschje met de wissels en -schuldbrieven op en verliet het kantoor. - -Zorgvuldig sloot hij de deur van buiten met een sleutel af en gaf dezen -aan een liftjongen, terwijl hij tot dezen zei: - -„Mr. Gordon is voor een paar uur uitgegaan, hij verzocht mij, u dezen -sleutel te geven.” - -„In orde!” antwoordde de jongen, den sleutel bij zich stekend. - -Daarop verliet John Raffles het huis. - - - - - - - - -DERDE HOOFDSTUK. - -DE SCHRIK VAN SCOTLAND YARD. - - -De inspecteur van politie Baxter van de geheime afdeeling zat in zijn -werkkamer, die zich in Scotland Yard bevond, de schrik van alle -misdadigers. - -Hij stond aan het telegraaftoestel naast zijn schrijftafel en las met -gespannen aandacht de geheime berichten, die hem van de verschillende -politiebureaus werden toegezonden. - -Zenuwachtig liet de inspecteur de smalle, eindelooze papierstrook door -zijn vingers glijden. - -Plotseling werden zijn oogen grooter. Alsof hij een spook zag, zoo keek -hij naar het juist aankomende telegram. - -Zijn gelaat werd bleek, hij stiet een kreet van verbazing en woede uit, -daarop sprong hij naar zijn schrijftafel, drukte haastig op een -electrischen knop en na eenige seconden snelden meerdere geheime -beambten van zijn afdeeling de kamer binnen. - -„Wat is er gebeurd?” riep detectieve Tyler uit, een groote, -breedgeschouderde kerel. - -„Een spook! Het is meer dan gek!” riep de inspecteur opgewonden uit. -„Daar ontvang ik een raadselachtig telegram, afgezonden door John -Raffles, den kerel, die door den duivel zelf beschermd schijnt te -worden. Het is hem gelukt, een verbinding te krijgen met onzen geheimen -kabel. Die man schijnt met bovenaardsche machten in contact te staan. - -Nu bezitten wij geen geheime geleiding meer! Hij is nu in staat, onze -onderlinge telegrammen te controleeren. - -Dat is de dolste streek van dien Raffles, heeren! Overtuigt u zelf!” - -Nieuwsgierig verdrongen de beambten zich om den inspecteur Baxter en -staarden op de papierstrook van het morse-seinapparaat, waarop te lezen -stond: - -„inspecteur van politie baxter, scotland yard. veroorloof mij, u zoo -kort mogelijk, langs dezen weg, mede te deelen, dat ik in de -eerstvolgende vierentwintig uur de brandkast van lord edward lister zal -plunderen. ik zal zoo vrij zijn, u voortaan mijn plannen steeds langs -dezen weg mede te deelen. met de meeste hoogachting voor u en scotland -yard. raffles.” - -„Raffles!” herhaalden de beambten. - -„Ja, heeren”, riep Baxter, „deze John Raffles brengt mij in een -krankzinnigengesticht. Ik kan aan niets meer denken dan aan Raffles. De -couranten van het binnen- en buitenland drijven den spot met ons. De -brutaliteit van den onbekenden dief overtreft alle grenzen. Voortaan -zal hij ons zelfs aankondigen, welke misdaden hij van plan is, te -begaan.” - -„Hij wil het u gemakkelijk maken, inspecteur, het is een zeer beleefd -mensch!” meende detective Marholm, welke door de Londensche misdadigers -„De Kakkerlak” werd genoemd. - -Hij glimlachte spottend en maakte daardoor zijn chef nog woedender. - -Inspecteur Baxter sloeg met zijn vuist op de schrijftafel en riep met -toornig gelaat: „Gij amuseert u op een eigenaardige manier, detective -Marholm!” - -„Ik ontken niet”, antwoordde deze, „dat die geschiedenis mij vermaakt -en voor dien man heb ik respect!” - -„Gij behoeft geen respect voor hem te hebben. Ik wil mijn hoofd -verwedden, dat ik hem dezen keer vang.” - -„Wat heeft Sherlock Holmes u geantwoord?” vroeg Tyler. - -Het gelaat van den Engelschen politiebeambte kreeg een uitdrukking van -misnoegen bij het hooren van den naam van zijn wereldberoemden collega. - -„Hier ligt een brief Van Mr. Holmes over deze zaak en hij schrijft mij, -dat hij de misdaden van dezen man zoo vermakelijk vindt, dat hij hem -niet wil storen in zijn werk en er dus voor moet bedanken om Scotland -Yard de behulpzame hand te bieden.” - -„Dat wil zeggen,” sprak Tyler, „dat Sherlock Holmes den spot drijft met -Scotland Yard en ons wil toonen, hoe weinig wij zonder hem kunnen -uitrichten.” - -„De couranten hebben hetzelfde oordeel geveld,” zei detective Marholm. -„Sherlock Holmes heeft ons door zijn wereldberoemdheid onze goede -reputatie ontnomen.” - -„Deze John Raffles maakt me gek”, herhaalde inspecteur Baxter op -verdrietigen toon, „geheel Londen amuseert zich. Hoe mag de schurk er -wel uitzien?” - -In dit oogenblik belde de telefoon. - -Tyler ging naar het toestel, terwijl de anderen zwijgend wachtten. - -Plotseling begon de groote, breedgeschouderde man te sidderen, alle -kleur week uit zijn gelaat en zijn rechterhand zocht steun op de -schrijftafel. - -Verbaasd keken zijn collega’s hem aan. - -„Wat is er, Tyler?” vroeg Baxter. - -Deze wenkte hem te zwijgen, daarop riep hij op zenuwachtigen toon: -„Ja!” in de microfoon, legde den hoorn op het toestel en sprak gejaagd. - -„Wij moeten dadelijk naar het kantoor van den bankier James Gordon in -Oxford Street. De bankier ligt daar bewusteloos bij den haard. Uit de -brandkast zijn 3865 pond sterling gestolen.” - -„Wie gaf het bericht?” vroeg Baxter, die zich dadelijk gereed maakte om -te gaan. - -„Wie?” herhaalde Tyler, diep ademhalend—„de misdadiger zelf!” - -„Voor den duivel!” klonk het eenstemmig door het vertrek. - -„En de inbreker zendt u, inspecteur Baxter, zijn beste groeten,” -vervolgde Tyler, „en hij laat u weten, dat zijn naam is John Raffles!” - -Een ademlooze stilte volgde, maar na eenige seconden riep Baxter uit: - -„Voorwaarts, lui! Iedere seconde is kostbaar! Die man maakt mij -krankzinnig!” - -Eenige minuten later vloog een auto de groote poort van Scotland Yard -uit. Daarin zaten inspecteur Baxter en vier der handigste beambten van -Scotland Yard. - -Het doel was Oxford Street, het kantoor van James Gordon. - -In een kwartiertje hadden zij het huis bereikt, een groot gebouw, dat -veel kantoorlokalen bevatte. - -De portier bracht de politieambtenaren in de lift naar het kantoor van -James Gordon, dat op de vierde verdieping was gelegen. - -De deur was gesloten. - -In een deurspleet zat een visitekaartje, dat Baxter te voorschijn -haalde. - -Hij las: - -„Den sleutel van het kantoor heeft Jim, de liftjongen”. - -Deze werd terstond gehaald. - -Hij vertelde, terwijl hij den sleutel uit zijn broekzak te voorschijn -haalde, dat een heer hem dezen had gegeven om hem mister Gordon te -overhandigen, als hij er naar vroeg; hij had daarvoor een shilling -gekregen. - -„Hoe zag die heer er uit?” vroeg Baxter. - -„Hij was zoo groot als u,” antwoordde de lift-boy, „en droeg een -grooten, zwarten baard, een bruine jas, een bruinen hoed; hij stotterde -nogal erg”. - -„Welke kleur hadden zijn oogen?” - -„Dat weet ik niet. Die heer droeg een donker gekleurden bril”. - -Detective Marholm lachte luid. - -„Laat ons geen onnoodigen tijd verliezen”, drong Tyler aan. - -Baxter sloot de deur open en de heeren traden het kantoor binnen. - -Alles zag er zoo uit, als hun per telefoon was meegedeeld. - -Voor den kleinen schoorsteen lag de oude, 70-jarige bankier met -gesloten oogen. - -Een zoetelijke geur van chloroform vervulde het vertrek. - -Dank zij den bemoeiingen der politiemannen gelukte het, den -bewustelooze weer in het leven terug te roepen. - -Nauwelijks was hij in zooverre hersteld, dat hij kon spreken, toen hij -opstoof: - -„Wat wilt ge hier?” - -Deze vraag kwam zoo onverwacht, dat de detectives den bankier verbaasd -aankeken. - -„Ge zijt beroofd,” sprak Baxter en hij wees op de openstaande -brandkast. - -De bankier maakte een onverschillige handbeweging en vroeg: - -„Wie zijt ge?” - -Baxter en zijn mannen dachten, dat de bankier nog onder den invloed van -de chloroform verkeerde en detective Marholm sprak tot Baxter: - -„Laat den bankier nog een paar minuten met rust, opdat hij zijn -herinneringsvermogen kan terugkrijgen”. - -Over het spitse vogelgezicht van Gordon vloog een donkerroode gloed. - -Met scherpe stem vroeg hij nu: - -„Ik vraag u nogmaals, wat ge hier in mijn bureau te maken hebt. Wenscht -ge zaken met mij te doen?” - -Baxter deed zijn overjas open en liet zijn ambtspenning zien. - -Wij zijn politieambtenaren en kregen mededeeling, dat ge beroofd zijt.” - -„Wie vertelde u dat?” - -„De inbreker zelf,” antwoordde Baxter. - -„Ge zijt gek!” riep Gordon uit. „Ge zijt gek, ik weet toch beter dan -gij, wat er gebeurd is?” - -De detectives begrepen er niets van. - -„Wilt ge ons voor den mal houden?” vroeg Baxter boos. - -De bankier richtte zijn misvormde gestalte op, wees naar de deur en -snauwde: - -„Als ge niet dadelijk mijn bureau verlaat, zal ik van het naburige -politiebureau hulp inroepen. Ge hebt hier niets te zoeken! Ik heb u -niet noodig! Ga heen!” - -De detectives gingen, geheel uit het veld geslagen, naar de deur. - -Daar wendde Baxter zich nog eens om en zei: - -„Bedenk toch, wat gij doet, mijnheer, gij zijt overvallen en beroofd; -men heeft u 3865 pond ontstolen!” - -„Bemoei u met uw eigen aangelegenheden en niet met de mijne”, brulde de -bankier purperrood van woede. „Ik herhaal u, dat ik u niet riep—en nu -voor het laatst, ik verzoek u, mijn bureau te verlaten.” - -De beambten moesten dit bevel gehoorzamen. - -Toen zij zich weer buiten bevonden, keken zij elkaar aan, alsof zij aan -hun eigen verstand twijfelden. Een boosaardig, hoonend lachen klonk hun -van uit Gordons kantoor in de ooren. - -„Zoo iets is mij in mijn geheele leven nog niet gepasseerd,” sprak -Baxter eindelijk tot Tyler, „maar ik geloof, dat ik het zaakje wel zal -verklaren. De man is bestolen, de inbreker zelf deelt het ons mede, wij -vinden alles, zooals hij het ons beschrijft en de bestolene wijst ons -de deur.” - -Een boodschapsjongen kwam op dit oogenblik aangesneld en riep luid den -naam van inspecteur Baxter. - -„Hier!” antwoordde deze, „dat ben ik!” - -De jongen reikte hem een couvert over, waarop met groote letters den -naam van den inspecteur Baxter stond, aan het adres van bankier Gordon, -Oxford Street. - -Haastig scheurde de inspecteur het couvert open, waaruit een klein -briefje en een banknoot van tien pond te voorschijn kwam. - -„Voor uw bemoeiingen inzake mijn laatste inbraak zend ik u 10 pond en -ik hoop, dat gij dit bedrag voor een goed ontbijt zult besteden. -Raffles.” - -In onmachtige woede verscheurde Baxter het briefje, hij schaamde zich, -zijn beambten iets van den inhoud mede te deelen. - -„Laten wij nu naar Lord Lister rijden,” sprak hij tot de detectives, -„al moeten we ook geheel Scotland Yard op de been brengen, deze kerel -moet gevangen worden. Hij behoeft niet te gelooven, dat hij met den -duivel in gemeenschap staat!” - -Baxter zag het glimlachende gelaat van den „Kakkerlak” niet. - -Detective Marholm amuseerde zich zooals nog nooit te voren. - - - - - - - - -VIERDE HOOFDSTUK. - -EEN VRIEND DER ONGELUKKIGEN. - - -In de vestibule van de kleine deftige villa van Lord Lister, in het -Regent Park, had zich tegen den avond van dienzelfden dag een groote -menigte menschen van verschillenden stand en leeftijd verzameld. - -Allen hadden een telegram in de hand en spraken op fluisterenden toon -over den merkwaardigen inhoud van deze depêches, die alle denzelfden -tekst bevatten: - -„Kom dadelijk bij mij, ten einde op bevredigende wijze uwe zaken af te -doen met bankier Gordon. - -Lord Lister, Regent Street 2”. - -Een deur werd geopend. - -Een slanke jonge man van ongeveer 30-jarigen leeftijd betrad vanuit een -der binnenkamers van het huis de ruime vestibule: het was Lord Lister, -gevolgd door zijn jongeren particulieren secretaris, die een gevulde, -lederen portefeuille droeg. - -De aanwezigen keken uitvorschend den jongen Lord aan en vooral de -vrouwen, die zich ook daar bevonden, gevoelden dadelijk de grootste -sympathie voor hem. - -Een regelmatige, prachtig gebouwde gestalte en een frisch gelaat, -waarop tegelijkertijd trots en edelmoedigheid lagen uitgedrukt. Met een -welwillenden blik uit zijn groote, zwarte oogen keek hij naar de -aanwezigen en met zijn welluidende stem sprak hij: - -„Ik ontving hedenmiddag deze portefeuille van den bankier Gordon, met -het verzoek, aan de verplichtingen welke hij jegens u heeft, te -voldoen”. - -Er ontstond een pauze. - -Daarop naderde een oude man in wien men den vroegeren officier -herkende, Lord Lister en antwoordde: - -„Gij veroorlooft u waarschijnlijk een grap. Bankier Gordon heeft geen -verplichtingen jegens ons—het tegendeel is helaas waar!” - -„God moge dezen gemeensten woekeraar van geheel Londen vervloeken!” -riep een vrouw uit en een derde sprak op luiden toon: - -„Ik vloek het uur, waarin de noodzakelijkheid om mijn familie te redden -mij in de klauwen van dien bloedzuiger dreef en evenals mij is het -allen gegaan, die met hem in aanraking kwamen.” - -Met luide kreten betuigden de aanwezigen hun bijval. - -Lord Lister keek hen zwijgend aan. - -De meesten hadden sporen van zorg en kommer op het gelaat. - -Om de lippen van den edelman verscheen een fijn lachje, toen hij sprak: - -„Even als gij allen ken ik de reputatie van dezen woekeraar. De wet is -helaas niet in staat om dergelijke menschen te straffen. Zij zijn -echter veel grooter misdadigers dan die, welke in de gevangenissen -worden opgesloten, want zij weten hun schandelijk bedrijf uit te -oefenen onder bescherming van de wet. - -Daarom ook herhaal ik u, dat bankier Gordon verplichtingen jegens u -allen heeft, waaraan ik heden een einde zal maken! - -Hier, mijn vrienden, overhandig ik u allen de wissels en schuldbrieven, -die gij met uw hartebloed en zielsrust hebt onderteekend. - -God moge u ervoor bewaren, in de toekomst nog eens in de handen van -dergelijken schurk te vallen. - -Open de portefeuille, Charly!”...... - -Als in een droom stonden de ongelukkigen voor den jongen Lord. Het kwam -hun zoo onbegrijpelijk voor,—als een wonder van hoogerhand! - -Aarzelend namen zij de papieren in ontvangst, nauwkeurig bekeken zij de -onderteekeningen, als twijfelden zij aan de echtheid. - -Maar geen dwaling was mogelijk. - -Allen kregen hun schuldbrieven en wissels terug die zij den bloedzuiger -eens hadden gegeven. - -Een gevoel van oneindige dankbaarheid jegens den hun onbekenden -weldoener Lord Lister, maakte zich van hen meester. - -Maar toen zij hem de hand wilden drukken met tranen van dankbaarheid in -de oogen, was hij verdwenen. - -Alleen zijn secretaris stond nog op dezelfde plek en verzocht hun, naar -huis te gaan. - -Langzaam stroomde de vestibule leeg en spoedig heerschte groote rust in -de kleine villa. - - - -Bij den haard in zijn werkkamer zat Lord Lister in een gemakkelijken -fauteuil, de hem nooit ontbrekende sigarette te rooken. - -Zijn fijnbesneden gelaat, dat meestal een ernstige, melancholieke -uitdrukking had, blikte nadenkend in de vlammen. - -Dichtbij hem zat zijn particuliere secretaris en vriend Charly Brand. - -De werkkamer was eenvoudig, maar voornaam en elegant ingericht. - -Een breede schuifdeur leidde naar het slaapvertrek; links van deze deur -stond een oud-Hollandsche klok van meer dan manshoogte, terwijl zich -aan de rechterzijde een brandkast bevond. - -Een bediende trad binnen en overhandigde Lord Lister met een diepe -buiging de avondbladen. - -De eerste bladzijde reeds, welke de Lord opsloeg droeg in vette letters -het opschrift: - -Raffles aan den arbeid! - -Scotland Yard beetgenomen! - -De nieuwste daad van den beroepsdief! - -Een Londensch bankier, die niet wil weten, dat hij bestolen is! - -Lord Lister lachte zachtjes en gaf zijn vriend, nadat hij de berichten -had doorgezien, de couranten. - -Terwijl Charly Brand de sensatienieuwtjes las, bestudeerde de edelman -met gespannen aandacht het gelaat van zijn vriend; hij zag, hoe dit -verbleekte. - -De Lord stak een nieuwe sigarette aan. - -Toen hij een paar trekjes had gedaan, sprak Charly Brand: - -„Edward, in welke relatie sta jij met den bankier Gordon?” - -Lord Lister lachte opnieuw, daarop wierp hij de asch van zijn sigarette -in het haardvuur, haalde onverschillig de schouders op en antwoordde: - -„Ik? In eenige relatie? Hoe meen je dat?” - -„Ja, heb je gelezen, Edward, dat die man vanmiddag bestolen is? En -hijzelf ontkent het! Zoo iets geheimzinnigs heb ik nog nooit gehoord!” - -„Als ik Sherlock Holmes was, zou ik dat raadsel heel spoedig hebben -opgelost!” antwoordde Lord Listen - -„Hoe dan?” - -Charly Brand Keek zijn vriend in gespannen aandacht aan. - -„Heel eenvoudig,” sprak deze, „de bestolene heeft ongetwijfeld reden te -over om niet met de politie in aanraking te willen komen.” - -„Jij zoudt een uitstekend detective zijn geweest!” - -„Zeker,” stemde de Lord toe, „een jaar geleden, toen mijn gewone leven -mij begon te vervelen, dacht ik er over na of ik niet met Sherlock -Holmes zou gaan samenwerken. - -Na rijp beraad kwam ik echter tot de conclusie, dat het veel -interessanter moet zijn om, inplaats van den jager, het wild te zijn, -of liever gezegd: inplaats van detective misdadiger te wezen. - -Begrijp mij goed Charly, ik beschouw de zaak alleen uit een oogpunt van -sport. - -Zoo’n misdadiger moet de dubbele portie energie, slimheid en dergelijke -eigenschappen bezitten, als de detective. - -Hij staat alleen tegenover de groote massa”. - -„Als men je hoort spreken, Edward, zou men gelooven, dat jij veel -belang stelt in dien onbekenden Raffles!” - -„O ja, Raffles is geen misdadiger in de gewone beteekenis van het -woord, maar hij voert een voortdurenden strijd tegen die kapitalisten, -welke ondanks alle mogelijke wetten, de grootste woekeraars ter wereld -zijn en hij doet met het gestolene oneindig veel meer goed dan alle -Londensche weldadigheidsvereenigingen te zamen.” - -„Een merkwaardig mensch!” sprak Charly Brand nadenkend. - -Er werd geklopt en de oude kamerdienaar Fred trad binnen, zijn meester -op een zilveren blad een visitekaartje aanbiedend. - -Een trek van vreugde verscheen op het gelaat van den Lord. - -„Breng de dame hier!” sprak hij. „En jij, Charly, laat mij nu alleen. -Ik ben vanavond verhinderd nog met je samen te studeeren!” - -Charly Brand stond op, gaf zijn vriend een hand en nam afscheid. - -Toen hij de kamer had verlaten, trad een dichtgesluierde jonge dame -binnen. - -„Miss Walton, het verheugt mij, u te zien!” - -Met uitgestrekte handen begroette de Lord het jonge meisje. - -Galant drukte hij een kus op haar kleine, blanke hand, daarop sprak -hij: - -„Ik was zoo vrij, u te schrijven. Ik moest u terugzien en het doet mij -oneindig veel genoegen, dat gij gekomen zijt.” - -„Ik ben u veel dank verschuldigd,” antwoordde zij eenvoudig. Daarop -sloeg zij haar voile terug en vertoonde een wonderschoon gezichtje, -waaruit twee groote blauwe kinderoogen den jongen Lord aankeken. Een -zeldzaam contrast daarmede vormde het blauwzwarte haar. - -Lord Lister bood haar een stoel aan en nam tegenover haar plaats. - -„Ik heb uw hulp noodig”, sprak zij, terwijl haar schoone oogen zich met -tranen vulden. „Mijn moeder is ernstig ziek en haar laatste eigendommen -zijn verkocht. Ik heb op alle manieren geprobeerd, werk te krijgen. Gij -weet, hoe het mij in mijn laatste betrekking is gegaan. En zooals bij -Brown ging het overal, zoodat ik nu zonder eenige verdienste ben.” - -„Arm kind!” fluisterde Lord Lister, „ik ken dergelijke ellendelingen, -die gegeeseld moesten worden. Doch laten wij dit onverkwikkelijke -onderwerp liever laten rusten. Ik heb u geschreven omdat ik morgen voor -eenige maanden op reis ga, mijn lieve juffrouw, en het zou mij -aangenaam zijn als gij gedurende dien tijd een groot werk voor mij -wildet copieeren; hieraan hebt gij voor eenige maanden werk, dat gij in -uw eigen huis kunt verrichten, zoodat gij tegelijkertijd uw zieke -moeder kunt verplegen.” - -Hij ging naar een boekenkast en nam daaruit vijf dikke boeken over -wereldgeschiedenis. - -„Mijn bediende zal u deze hedenavond bezorgen en ik verzoek u, nu ik -toch voor onbepaalden tijd op reis ga, dit geld aan te willen nemen als -voorschot op uw honorarium.” - -Hij haalde een portefeuille uit zijn borstzak te voorschijn, nam een -enveloppe en deed daarin eenige banknoten. - -Daarna sloot hij de envelop en gaf haar met een hoffelijke buiging aan -het jonge meisje. - -Zij wilde zijn hand kussen, maar hij trok deze haastig terug en sprak -op vasten toon: - -„Neen juffrouw, dat mag niet! Ga naar huis om uw moeder te verplegen. -Als het honorarium u misschien bijzonder hoog voorkomt, dan deel ik u -bij dezen mede, dat ik steeds gewend ben, goede salarissen te geven.” - -Een dienaar trad binnen. - -„De politiecommissaris van Scotland Yard”, kondigde hij aan. - -„Baxter?” vroeg Miss Walton met een uitdrukking van angst op het -schoone gelaat. - -Lord Lister keek haar verbaasd aan. - -„Wat scheelt eraan, Miss Walton?” - -Bevend antwoordde zij: - -„Sta mij toe, dit huis te verlaten, voordat die man mij ziet! Hij is -een bloedverwant van mij, een koud, egoistisch mensch, die mij de deur -gewezen heeft, toen ik hem om hulp voor mijn moeder kwam smeeken.” - -„Een net mensch”, antwoordde Lord Lister op smalenden toon. - -Toen bemerkte hij, dat Miss Waltons oogen zich met tranen hadden -gevuld. Met een vriendelijk lachje trad hij op haar toe en streelde -haar zachtjes over het haar. - -Een behagelijk gevoel doorstroomde het jonge meisje. Lord Lister kwam -haar niet meer als een vreemde voor. - -„Hoe zal ik u danken?” fluisterde zij en haar oogen keken hem liefdevol -aan. - -Hij gevoelde, dat zij willoos al zijn wenschen zou hebben ingewilligd. - -Een oogenblik kwam het verlangen in hem op, het mooie jonge meisje in -zijn armen te sluiten en haar roode lippen te kussen. - -Zoo iemand, dan had hij daarop alle recht. - -Seconden lang keken zij elkander diep in de oogen en tusschen hen -beiden werden nauwe liefdesbanden geknoopt. - -Maar al spoedig kreeg Lord Lister alle zelfbeheersching terug. - -Hij boog zich voorover en drukte een zachten kus op het voorhoofd van -het schoone meisje. - -Toen sprak hij: - -„Ga nu naar huis, Miss Helene, misschien heb ik nog eens uw hulp -noodig!” - -Hij drukte het meisje de hand, schelde den kamerdienaar en zei dezen -Miss Walton door een zijgang het huis uit te brengen. - -Zijn gelaat werd ernstig. - -Hij ging zitten in zijn fauteuil en stak een sigaret op. Toen hij een -paar trekken gedaan had, schelde hij den dienaar opnieuw, klemde zijn -monocle in het oog en wachtte in onverschillige houding de komst van -commissaris Baxter van Scotland Yard af. - - - - - - - - -VIJFDE HOOFDSTUK. - -DE INBRAAK. - - -„Ik kom om u te beschermen”, sprak de commissaris, toen hij tegenover -Lord Lister stond. - -Een spotlach speelde om den mond van den gentleman, toen hij vroeg: - -„Om mij te beschermen? Dat is heel interessant. Ik wist waarlijk niet -dat ik bescherming noodig had. Zie ik daar misschien naar uit?” - -Hij rekte zijn fraai gebouwde, athletische gestalte, die een eind boven -die van den politieman uitstak. - -„’t Is ook niet voor uwe persoonlijke bescherming!” - -„Dat begrijp ik! Ik zou niemand raden, met mij te vechten! Ik heb -verscheidene prijzen in boksen en worstelen gewonnen en ben in mijn -club bekend als de beste vechter en schutter. Ik schiet u een halve -penny tusschen duim en wijsvinger weg.” - -„Ik zei u toch al, dat het niet om uw persoon, maar om uw bezittingen -gaat.” - -Lister wees naar zijn brandkast. - -„Mijn eigendom ligt daar uitstekend bewaard!” - -„Maar ondanks dat alles zal vandaag een gevaarlijk Londensch inbreker u -een bezoek brengen om te probeeren, uw eigendommen te rooven.” - -Lord Lister lachte luid. - -„Dat is grappig! Hoe weet ge, dat men bij mij wil inbreken?” - -„Scotland Yard hoort en weet alles! Wij zijn bekend als de beroemdste -rechercheurs der wereld!” - -„Zeer zeker!” lachte Lord Lister met lichten spot. - -Baxter merkte het op. - -Op ietwat zenuwachtigen toon sprak hij: - -„Uwe Lordschap schijnt met een beetje geringschatting op ons beroep -neer te zien sinds onze laatste mislukking met dien onbekenden -Raffles.” - -„Zeker”, antwoordde de gevraagde, „niemand zal ook kunnen beweren, dat -ge u daarbij heel roemrijk hebt gedragen.” - -„Dat geef ik toe, maar wij hebben hier ook met een bijzonderen inbreker -te doen en wonderlijk genoeg, worden wij in dezen strijd tegen den -onbekende niet geholpen door onzen genialen Sherlock Holmes. Deze zou -waarschijnlijk dien aartsschelm allang onschadelijk hebben gemaakt.” - -Lord Lister blies de rookwolkjes voor zich uit en sprak na eenigen -tijd: - -„Om op onze zaak terug te komen, zou de inbreker, die mij hedennacht, -zooals gij beweert, met een bezoek wil vereeren, een goeden slag slaan, -daar ik juist gisteren met beursspeculaties 20,000 pond sterling heb -verdiend en dit geld nog niet aan de Bank heb afgedragen. De eene helft -ligt daar in de brandkast, de andere helft is in mijn slaapkamer -weggeborgen onder mijn bed.” - -„Heel verstandig”, zei Baxter, „maar het is best mogelijk, dat de dief -alles weghaalt.” - -„Ook al goed!” beweerde de heer des huizes op onverschilligen toon, „ik -ben tegen inbraak en diefstal verzekerd en maak mij dus niets bezorgd. -Alle schade wordt mij vergoed.” - -„Voor mij en Scotland Yard is het aanhouden van den dief van het -grootste belang en ik verzoek u om mij en mijn beambten toe te staan, -dezen nacht uw huis te bewaken!” - -„Uitstekend”, knikte de Lord, „mijn woning is tot uw dienst. Het is nu -kwart voor acht, om acht uur heb ik een afspraak met een vriend. Mijn -kamerdienaar zal u voorzien van alles wat ge noodig hebt. Weet ge -misschien ook Mr. Baxter, wat dat voor een soort inbreker is, die mij -bestelen wil?” - -„Zeker, het is de beroemde Raffles.” - -„Raffles? Alle duivelsch! Dien kerel zou ik wel willen leeren kennen. -Ik zal mijn vriend schrijven dat ik vanavond verhinderd ben en ik zal u -gezelschap houden. Misschien gelukt het ons met elkander, den inbreker -eindelijk onschadelijk te maken.” - -„Uitstekend”, antwoordde Baxter. - -„Tenminste als hij komt”, beweerde de Lord. „Ik rijd nu dadelijk in -mijn auto naar den schouwburg om mijn vriend persoonlijk te zeggen, dat -ik vanavond niet vrij ben. Ik ben om tien uur weer hier.” - -„En ik zal mijn beambten waarschuwen”, sprak Baxter. Hij zag nog, hoe -Lord Lister naar zijn slaapkamer ging en daar van een fauteuil een -pelsjas nam. Toen verliet de commissaris de kamer. In de vestibule -wachtten vier beambten, dezelfden, waarmede hij destijds den bankier -Gordon had opgezocht. - -Zij beraadslaagden met elkander dat hij dien nacht in Lord Listers -studeerkamer zou blijven, twee der mannen posteerden zich in de -vestibule, een voor het huis, de vierde in een der bovenkamers. - -Op deze wijze was dus de villa zeer streng bewaakt. - -De inspecteur riep nu den kamerdienaar en ging met dezen naar de -studeerkamer. - -Lord Lister moest deze reeds verlaten hebben, daar het electrische -licht in beide kamers reeds was uitgedraaid. De detective draaide het -licht weer op. - -De beide mannen stonden vlak bij den schoorsteenmantel en gingen het -slaapvertrek nu doorzoeken. Een breede schuifdeur, die naar twee kanten -in den muur rolde, scheidde slaap- en studeerkamer. - -In de eerstgenoemde was slechts een klein venster, waarvoor ijzeren -tralies. Hier vandaan voerde links een kleine deur naar de badkamer. -Slaapkamer noch badkamer hadden een anderen uitgang en waren dus alleen -van de studeerkamer uit te bereiken. - -De rechercheur onderzocht alles nog eens nauwkeurig, lichtte de dekens -op, opende kasten en deuren, en nam de kleeren er uit om zich te -overtuigen, dat niemand was binnengeslopen. - -De kamerdienaar had grooten schik in al deze voorzorgsmaatregelen en -hij kon de opmerking niet bedwingen: „Ik geloof waarempel, dat gij -ieder stofje optilt.” - -„Dat geloof ik ook”, antwoordde Baxter met trotsch gebaar. „Ons ontgaat -zelfs geen vloo!” - -„Wenscht ge nog iets?” vroeg de dienaar en toen de rechercheur hierop -ontkennend antwoordde, verliet hij het studeervertrek. - -De rechercheur ging in den leunstoel bij den haard zitten en begon het -avondblad te lezen. Hij had daarvoor ongeveer een uur noodig, legde -toen de krant weg, haalde uit zijn zak een electrische -veiligheidslantaarn te voorschijn, overtuigde zich, dat deze goed in -orde was en zette haar op den schoorsteenmantel. - -Daarna onderzocht hij zijn pistool en stak het wapen in den -rechterjaszak om het terstond bij de hand te hebben. - -Het was doodstil in huis en geen geluid verried de aanwezigheid van de -detectives. In diepe duisternis gaapte de studeerkamer, maar al spoedig -raakten Baxter’s oogen aan die donkerte gewend en vaag begon hij de -voorwerpen te onderscheiden. De gelijkmatige slingerbeweging van de -groote klok was het eenige geluid, dat vernomen werd. Deze klok stond -tegen den muur, waar achter, naast de slaapkamer, de badkamer lag. - -Met zwaren slag verkondigde het uurwerk thans het tiende uur. - -Maar wat was dat? - -Baxter luisterde met ingehouden adem. Toen de klok ophield te slaan, -hoorde de detective uit de slaapkamer een zacht geluid, alsof er met -een stemvork op staal werd geslagen. - -De blik van den rechercheur doorboorde de duisternis en toen ontwaarde -hij naast het bed de flauwe omtrekken van een gestalte. - -Een oogenblik stokte zijn polsslag, bliksemsnel werkten zijn gedachten. -Hij geloofde eerst aan zinsbegoocheling. - -Het was immers onmogelijk, dat iemand de slaapkamer kon zijn -binnengedrongen, hij had alles onderzocht. - -Nu hoorde hij een ander geluid, alsof een ijzeren voorwerp met geweld -werd opengebroken. - -In een oogenblik had de rechercheur zijn pistool te voorschijn gehaald -en het electrische licht ontstoken. - -Bij wat hij nu zag, fonkelden zijn oogen van vreugde. - -„Eindelijk gesnapt”, doorflitste zijn brein. - -In de slaapkamer, bij de opengebroken geldkist, zag hij een man in -keurig avondtoilet, den cylinder op het hoofd, een zwart masker voor -het gelaat. - -„Halt!” riep Baxter op bevelenden toon, „of ik schiet.” - -Maar ook de gemaskerde hief zijn revolver op, zoodat Baxter genoodzaakt -was de lantaarn te dooven om den kogel te ontgaan. - -In hetzelfde oogenblik schoot hij. - -Hij had niet geraakt, want nu geschiedde iets ongedachts. - -De gemaskerde sprong naar de schuifdeur en sloot deze, voordat de -detective het kon beletten. - -Gewaarschuwd door de schoten stormden nu de detectives het vertrek -binnen. - -Baxter maakte weer licht. - -„Wij hebben hem! Eindelijk hebben wij den beruchten Raffles”, riep hij -uit, „daarbinnen zit hij als een muis in de val! Opgepast, mannen, de -revolver gereed! Voorwaarts!” - -Hij snelde naar de schuifdeur, de rechercheurs volgden. - -De deur werd opengeschoven. - -Eén oogenblik aarzelden allen. - -Het vertrek lag in duisternis gehuld en niets was er te zien, dan de -geopende ijzeren geldkist. - -De politiemannen doorzochten het bed, openden de kasten—niemand werd -gevonden. - -„Hij zal in de badkamer zijn”, riep detective Marholm en trachtte de -deur te openen. - -Zijn veronderstelling bleek juist te zijn, de deur was van binnen -gesloten met een ijzeren grendel, die men nu met vereende krachten -trachtte te forceeren. - -Eerst met groote moeite gaf de deur toe. - -Terwijl nu de rechercheurs in hun ijver op niets anders letten, werd -plotseling de deur van de groote, oud-Hollandsche klok in de -studeerkamer geopend en de gemaskerde man kwam daaruit te voorschijn. - -Het meubelstuk stond tegen den muur van de badkamer en had een kunstig -aangebrachte geheime deur. - -De klok had een ingang van uit de badkamer, die verborgen werd door de -schuifdeur, zoodra deze openstond. - -Een oogenblik keek de gemaskerde om den hoek naar de rechercheurs, -daarop wierp hij met een ruk bliksemsnel de schuifdeuren toe en sloot -deze met een grendel. Zoodoende was hij volkomen gevrijwaard voor de -politiemannen. - -Met ijzige kalmte ging hij nu naar de brandkast, die hij met een -geheimen sleutel opende, nam een pakket en was in het volgende -oogenblik uit de kamer verdwenen. - -Dit gebeurde in hetzelfde oogenblik, waarin de detectives, na wanhopige -pogingen de deur eindelijk openbraken. - -Toen zij de kamer binnenstormden, bleven zij ondanks hun hevige -opgewondenheid een oogenblik als verstomd staan. - -De deur van de brandkast stond wijd open en het inwendige daarvan zag -er zwart en leeg uit. - -„Alle duivelsch!” knarste Baxter, „dat is tooverij, de brandkast is -leeg! Maar wij moeten hem vangen!” beval de inspecteur en hij vloog -naar de kamerdeur. - -De detectives renden hem na. - -Maar toen hij de deur opende, stond hij tegenover Lord Lister en diens -vriend Charly Brand. - -„Hallo!” riep de gentleman, „goeden avond, heeren! Waarheen zoo haastig -Mr. Baxter?” - -„Hebt gij Raffles gezien?” riep deze uit. - -„Ik? Neen!” lachte de Lord, „ik kom juist uit de club om u bij het -vangen te helpen. Maar hebt gij hem misschien gezien?” - -„Uwe Lordschap spot met mij!” stoof de inspecteur op, „alle gekheid op -een stokje, ik heb hem inderdaad gezien, hij was in uw slaapkamer en -heeft uw kas beroofd.” - -„En verder?” vroeg de Lord op kalmen toon. „Hebt ge hem toen laten -ontsnappen?” - -Baxter antwoordde niet. - -Maar in zijn plaats sprak de Kakkerlak: „Ja, uw Lordschap, wij waren -zoo hoffelijk om hem met behulp van den inspecteur van politie te laten -ontkomen.” - -„Hou je mond!” schreeuwde Baxter woedend, „die man heeft een verbond -met den duivel gesloten, hij is niet te vangen. Hij is door die kamer -ontvlucht ondanks alle voorzorgsmaatregelen en scherpe bewaking. Toen -ik hem ontdekt had, gooide hij die schuifdeur dicht en toen ik met mijn -detectives daar in de kamer was en de deur naar de badkamer wilde -openen, bemerkte ik, dat hij zich in dat vertrek bevond en dat hij de -deur gegrendeld had.” - -„Een wonderlijk iemand!” lachte Lord Lister, „hij heeft dus een bad -genomen?” - -„Dat niet, uwe Lordschap,” meende detective Marholm, „maar het schijnt -toch, alsof hij door de buis van de waterleiding hierheen gekomen is, -want terwijl wij in de leege badkuip zochten, heeft hij hier heel kalm -de brandkast geopend en alles gestolen.” - -„Die man brengt mij nog in het gekkenhuis!” steunde Baxter. - -Lord Lister keek hem met een hoonlach aan, toen zijn secretaris -binnenkwam. - -Dezen verklaarde hij met korte woorden wat er gebeurd was en toen -overhandigde hij hem de polis van de maatschappij tegen diefstal en -inbraak, die hij in zijn portefeuille droeg. - -„Morgen vroeg kunt gij het bedrag voor mij innen”, sprak hij op uiterst -bedaarden toon. „En nu, mijne heeren, geef ik u den goeden raad om, als -Raffles weer eens van zijn plannen mededeeling doet, de zaak aan mij -over te laten. Want om een dief te laten stelen en ontsnappen, zooals -gij hebt gedaan, kan ik ook.” - -Met verlegen gebaar nam Baxter afscheid en verliet met zijn mannen het -huis. - -Lord Lister lachte hartelijk en sprak tot zijn vriend Charly: - -„Morgen gaan wij naar Berlijn, ik wil daar een oud vriend van mij -bezoeken.” - -„Ja, maar,” antwoordde Charly, „ik begrijp er niets van, had je -werkelijk 20,000 pond sterling in je brandkast?” - -„Neen,” antwoordde zijn vriend op kalmen toon, „niets dan een paar -pakjes onbetaalde rekeningen.” - -„Hm,” meende Charly Brand en zijn gezicht kreeg een eigenaardige -uitdrukking. „Ik begrijp er nog niets van!” - -„Wel, beste jongen”, riep Lord Lister uit, „begrijp je dan niet, dat -die onbetaalde rekeningen, die de politie liet stelen door een zekeren -jou niet onbekenden Raffles, door de verzekeringsmaatschappij op grond -van dezen diefstal met 20,000 pond sterling worden betaald? Er had -evengoed heelemaal niets in de brandkast kunnen zijn. De hoofdzaak is, -dat Baxter en de detectives onder eede moeten verklaren, dat mij -zooveel ontstolen is; en dat de maatschappij betalen moet! Zij had -anders immers geen reden van bestaan!” - -„Alle duivels!” steunde Charly Brand, „dat is een fameus idee! Maar hoe -kom jij aan dien Raffles?” - -Lord Lister nam een sigarette en stak die aan. Toen blies hij een -grooten kring in de lucht en sprak, terwijl een lachje zijn mondhoeken -vertrok: - -„Ja, beste jongen, dat behoef je nu niet te weten, het is mij -voldoende, dat jij mijn goede, trouwe Charly bent, die gelukkig niet -méér begrijpt dan wat hij begrijpen moet. - -Maar Raffles, mijn jongen, Raffles, dat is mijn ideaal!” - - - - - - - - -ZESDE HOOFDSTUK. - -BIJ „ZWARTE JACK”. - - -Bankier James Gordon had nadat de politiemannen hem hadden verlaten, -zijn kantoor gesloten en wandelde door Oxford Street in de richting van -den Tower. - -Onderweg nam hij een electrische tram, die hem naar Tower Bridge -bracht. - -Hier, waar de trotsche Tower ligt, is een stadsgedeelte, welks bewoners -de meest gevreesde en gevaarlijke misdadigers van Londen zijn. - -Een groote menigte kleine straatjes en stegen met ouderwetsche gevels, -kroegen en winkeltjes, was het toevluchtsoord voor het gespuis van de -Engelsche hoofdstad. - -In een van deze straten woonde mister Govern, een Iersch geldschieter, -bij de politie bekend onder den bijnaam „zwarte Jack”. - -De heilige Hermandad hield hem voor een der meest geslepen helers van -de hoofdstad, maar toch was het nooit gelukt, gestolen goed bij hem te -vinden. - -„Zwarte Jack” verstond meesterlijk de kunst om alles, wat gevaarlijk -was, te verbergen. - -Men vertelde van hem, dat hij verscheiden eigen huizen bezat en -aandeelhouder was in een groote zaak. - -Zijn winkel was gevuld met velerlei artikelen: tonnen met -scheepsbeschuit, zijden Amerikaansch spek, baren ruw goud, kleeren, -meubels en kisten, en alles vulde de kleine ruimte zóó, dat slechts een -smalle doorgang open bleef naar de vuile toonbank, waarachter „zwarte -Jack” van den morgen tot middernacht zijn klanten bediende. - -Bankier Gordon en „zwarte Jack” begroetten elkaar als twee oude -vrienden. - -Ontelbare vuile zaakjes hadden beide „mannen van eer” in den loop der -jaren met elkander verhandeld. - -Door middel van een geheime veer sloot de pandjesbaas van achter zijn -toonbank de winkeldeur. - -Hij deed dit steeds, als zijn vriend James Gordon voor zaken bij hem -kwam. - -Nadat hij zich dus gevrijwaard had voor onverwacht bezoek, bood hij den -bankier een sigaar. - -Gordon deed eenige trekjes en wendde zich daarna tot „zwarte Jack” om -dezen het verhaal te doen van de overrompeling door den genialen -Raffles. - -Woede en haat fonkelden uit de oogen van den bankier. - -Met gebalde vuisten riep hij: - -„Ik moet vandaag nog mijn eigendom terug hebben. Die schurk van een -Raffles zal weten, met wien hij te doen heeft.” - -De ander krabde zich eens achter de ooren. - -Toen, na lang nadenken sprak hij: - -„Voor den duivel! Ik heb altijd veel vertrouwen in onze zaken gehad en -je weet, dat ik er geen gewetenszaak van maak om iemand naar de andere -wereld te helpen. Maar nu—ik weet het niet, James, maar jij kiest je -een tegenstander, tegen wien nog niemand bestand is geweest; en -bovendien—wie is hij eigenlijk?” - -De Bankier boog zich naar het oor van zijn vriend en fluisterde: - -„Lord Lister!” - -De ander stiet een kreet van verbazing uit en vroeg: - -„Hoe weet je dat?” - -Gordon haalde een brief te voorschijn en gaf hem „zwarte Jack”. - -Deze las het opschrift. - -„Mister Lyon, Strand 2, Londen, per expresse bestelling.” - -„Dat is je geheim bureau”, sprak de pandjesbaas. - -„Zoo is het!” antwoordde de bankier, „het toeval bracht mij daar, -voordat ik hier kwam, om te zien, wat er met de post was aangekomen en -ik vond dezen brief. Lees hem maar.” - -Jack doorvloog den inhoud van het schrijven, dat luidde: - - - „Waarde Heer! - - Uit naam van bankier James Gordon moet ik u uw deposito’s met rente - terug betalen. Ik verzoek u, mij nog hedenavond te bezoeken. - - Lord Edward Lister. - - Regent Park.” - - -„Dat begrijp ik niet”, sprak Jack hoofdschuddend. - -„Maar ik!” riep James Gordon uit, „luister! Raffles nam al mijn wissels -en papieren van waarde, benevens mijn kasboek mede. Uit dat laatste -liet hij de adressen overnemen en hij schreef den lieden om hun de mij -ontstolen wissels terug te geven. Onder den naam Lyon heb ik geheime -relaties met de Engelsche Bank. Dit weet Raffles natuurlijk niet en hij -geloofde, dat Lyon ook een van mijn klanten was. Daarom schreef hij -dezen brief, zoodat het mij duidelijk is, dat Lord Edward Lister en -Raffles een en dezelfde persoon zijn.” - -„Drommels!” riep de pandjesbaas, „dat is het brutaalste stuk, waarvan -ik ooit hoorde.” - -„Wie heb je bij de hand?” vroeg Gordon. „Ik heb twee flinke inbrekers -noodig, die vanavond nog met mij mee naar dien schurk gaan om te -probeeren mijn eigendom terug te krijgen, voordat hij alles weggeeft!” - -„Dat begrijp ik niet”, mompelde Jack, „die kerel moet gek zijn om -alleen voor het genoegen van andere menschen te stelen. Maar ik zal je -dadelijk twee van mijn beste mannetjes bezorgen.” - -Hij nam de stop van een looden buis, die in den bodem leidde, riep een -paar woorden door de opening en luisterde aandachtig. - -Na eenigen tijd weerklonken als uit de verte drie doffe geluiden. - -„Ze zullen dadelijk komen”, sprak Jack tot zijn waardigen vriend, de -wonderlijke telefoon weer afsluitend. - -Eenige minuten verliepen. - -Daarop werd een zacht kloppen in een oude kast vernomen, die tegen een -der muren stond. - -Jack stond dadelijk op, sloot de ouderwetsche deur van het meubel open, -en door de kleeren, die in de kast hingen, kropen twee sujetten te -voorschijn met gevaarlijke tronies, die vol argwaan den bankier -aanzagen. - -Jack bracht de kleeren in de kast eerst weer in orde, sloot de deur -toen stevig en sprak tot Gordon: - -„Dit is mijn geheime uitgang naar den kelder! Die heeft al menigeen van -de galg gered als Scotland Yard hem zóó dicht op de hielen zat, dat -niemand meer een cent voor zijn leven zou hebben gegeven”. - -Daarop sprak hij tot de beide misdadigers: - -„Jongens, er is werk voor jelui!” - -„All right!” antwoordde de grootste van het tweetal, wiens gelaat hevig -verminkt was door een messnede, waardoor zijn halve neus was -weggenomen. - -Hij stond onder den inbrekersnaam „het varken” bekend. - -Zijn bondgenoot was een gevaarlijk misdadiger, „Halfoor” genaamd. - -Govern, aldus was de eigenlijke naam van „Zwarte Jack”, deed nog een -paar haaltjes aan zijn sigaar en sprak: - -„Jelui moet met dezen heer een brandkast kraken. Haalt de noodige -gereedschappen uit de schuur!” - -„Zoo!” lachte „het varken” met zijn grogstem, „maar zeg eerst eens, wat -er bij te erven valt! Krijgen we ook een mazzeltje of hij alleen?” - -„De inhoud is alleen voor dien heer, alles is zijn eigendom.” - -„Zoowat kennen we niet”, gromde Halfoor, „als wij een brandkast kraken -en gesnapt worden, gaan wij in de bajes. Mij dunkt, dat we ook wel een -duitje mogen hebben.” - -„Krijgen jullie ook”, stelde de pandjesbaas gerust en toen tot den -bankier: - -„Hoeveel krijgen ze voor hun werkje?” - -„Ik geloof, dat tien pond genoeg is!” - -Het Varken liet een langdurig gefluit hooren. - -Toen riep hij uit: - -„Tien pond? Daar breek ik de huisdeur nog niet voor open. Sla toe, -honderd pond!” - -De bankier trommelde zenuwachtig met zijn vingers op de vieze toonbank. - -„Nou! Geef asem!” zei Halfoor. „Ik ben niet van plan om in dien -vervloekten tocht hier verkouden te worden.” - -„Ik geloof niet”, beweerde Jack, „dat de prijs te hoog is voor de boys. -Ze zetten toch hun vrijheid op het spel.” - -„En we krijgen misschien nog een paar blauwe boonen ook”, voltooide het -Varken. „Die meneer schijnt niets van zaakies doen te weten.” - -„’t Is goed!” stemde eindelijk de bankier toe. - -„En geld bij de visch!” gebood Halfoor met brutaal gebaar. - -Aarzelend haalde de bankier een portefeuille te voorschijn en betaalde -het verlangde geld. - -De beide schurken hielden wantrouwend de banknoten tegen het licht, -voordat zij ze in hun zak lieten verdwijnen, knikten tevreden en -bromden: „All right!” - -Toen reikten zij den bankier joviaal de hand en gingen met hem heen. - -Van een zolderkamertje aan de Theems haalden zij hun -inbrekerswerktuigen, namen toen een huurrijtuigje en reden door de -straten van Londen naar Regent Park. - -In de buurt van het huis stegen zij uit den cab en slopen rondom de -villa om te zien van welken kant zij het best konden binnendringen. - -Ondanks hun scherp rondsnuffelen bemerkten zij niet, dat achter het -kreupelhout in den tuin twee mannen hurkten: detective Marholm en -brigadier Tyler. - -Baxter had dit tweetal daar achtergelaten en hun bevolen het huis -scherp te bewaken, daar, volgens zijn meening Raffles de villa nog niet -verlaten kon hebben. - -Met groote belangstelling sloegen de politiemannen de drie inbrekers -bij hun werken gade. - -De Kakkerlak wreef zich vergenoegd de handen en fluisterde den -brigadier toe: - -„Wij hebben ook meer geluk dan wijsheid! Alle duivels kerel, wij worden -morgen bevorderd. Als ik me niet vergis, klimt daar de door ons -gezochte bankier Gordon naar binnen.” - -„Dat is onmogelijk!” - -Brigadier Tyler keek nauwlettend toe. - -Eenige oogenblikken later knikte hij met het hoofd. - -„Je hebt gelijk, Marholm, ik zet tien pond tegen een penny, dat dat -James Gordon is!” - -„Vast en stellig!” fluisterde de detective, „en nu zult ge ook -begrijpen, Tyler, waarom die kerel, hoewel hij ongetwijfeld door -Raffles bestolen is, niets met ons te maken wou hebben. Hij was bang, -dat wij achter zijn streken kwamen.” - -„Zeker,” antwoordde Tyler, „dat is mij nu ook duidelijk....” - -„Kijk, nu zijn ze binnen!” viel Marholm hem in de rede. „Ze moesten -eens weten, dat de brandkast leeg is. Loop nu vlug naar de -dichtstbijzijnde telefoon, bij de vijfde lantaarn ginds, en bel -Scotland Yard”. - -„All right, Sir!” - -De detective was reeds in de aangegeven richting verdwenen. - -Er verliep een kwartiertje eer Tyler terugkwam. Nu slopen beide het -huis binnen langs denzelfden weg, dien de inbrekers genomen hadden. - -Alle mogelijke gedruisch zooveel mogelijk vermijdende, bereikten zij de -studeer- en slaapkamer van Lord Lister. - -Toen zij het studeervertrek wilden binnentreden, hoorden zij een luid: -„Halt, of ik schiet!” - -Een woest gebrul volgde, daarop weerklonken verschillende schoten. - -Zij drongen de studeerkamer binnen, maar in hetzelfde oogenblik, toen -zij de deur openstieten, liepen zij de vluchtende inbrekers tegen het -lijf. - -Detective Marholm greep het „Varken” beet en gaf hem bliksemsnel een -paar slagen met de vlakke hand tegen zijn slapen, zoodat de inbreker -verdoofd neerstortte. - -Het gelukte „Halfoor” intusschen, het venster te openen en naar buiten -te springen. - -„Goeden avond, heeren!” klonk het nu uit den mond van Lord Lister, die, -in een huisjasje gekleed midden in de kamer stond. „U ziet, dat men mij -voor den tweeden keer wilde bestelen”. - -Bij deze woorden had hij het electrische licht opgedraaid en bij het -schijnsel daarvan zagen de aanwezigen James Gordon neergehurkt bij de -brandkast. - -Tyler pakte hem beet en legde hem de handboeien aan. - -De van vrees sidderende woekeraar wierp een blik vol woede en haat op -den detective en Lord Lister. - -Daarop kwam een uitdrukking van helsche vreugde op zijn gelaat en op -Lord Lister wijzend, riep hij tot de detectives: - -„Heeren! Gij hebt daar een goede vangst gedaan!” - -„Zeker,” lachte Marholm, die „het Varken” nog altijd stevig vasthield. -„Dezen jongen zoeken wij al heel lang. Hij heeft minstens twintig jaar -te goed!” - -„Neen!” riep James Gordon uit, „ik bedoel hem niet maar dien heer!” - -Hij wees op Lord Lister: - -„Daar staat Raffles!” - -„Stapelgek!” lachte Tyler. - -En Marholm meende: „Gij wilt u zeker krankzinnig houden? Neen, -mijnheer, dergelijke streken kennen wij, daar vliegen wij niet in!” - -„Ik bezweer u, heeren!” krijschte de geboeide bankier opnieuw, terwijl -hij aan alle leden beefde, „neem dien man gevangen! Ik verzeker u, hij -is Raffles!” - -„Zwijg!” beet Tyler hem toe, „beleedig den persoon van zijn Lordschap -niet!” - -In dit oogenblik hield een patrouille van Scotland Yard halt voor het -huis. - -Bevelen weerklonken en na eenige oogenblikken was het huis gevuld met -detectives. - -Na een kort onderhoud tusschen detective Marholm en den inspecteur -Baxter gaf deze laatste bevel, den bankier naar Scotland Yard te -brengen. - -Nogmaals herhaalde de woekeraar zijn beschuldiging tegen Lord Lister en -bezwoer hij den inspecteur, zijn woorden te gelooven. - -Toen hij eindelijk zag, dat niemand zijn woorden geloofde, begon hij te -razen en te vloeken als een krankzinnige. - -Wanhopig sloeg hij met de armen om zich heen, steeds opnieuw -schreeuwende: „Daar staat Raffles! Daar staat Raffles!” - -„Voert hem weg!” beval Baxter kortaf, „hij wil ons laten gelooven, dat -hij gek is!” - -Vier sterke vuisten pakten hem beet en brachten Gordon buiten de kamer. - -De detectives volgden. - -In den tuin vonden zij „Halfoor” nog, die bij den sprong beide beenen -gebroken had en kermend in een boschje lag. - -Toen detective Marholm het laatst van allen in den patrouillewagen -steeg, zag hij aan een helder verlicht venster van de bovenste -verdieping het scherpe profiel van Lord Lister, die, terwijl hij hen -nakeek, een sigarette stond te rooken. - - - - - - - - -ZEVENDE HOOFDSTUK. - -IN SCOTLAND YARD. - - -Het was tegen tien uur den volgenden morgen toen een vertegenwoordiger -van de verzekeringsmaatschappij tegen inbraak en diefstal bij -inspecteur Baxter verscheen om bij dezen berichten in te winnen omtrent -de inbraak bij Lord Lister. - -„Het is onbegrijpelijk, mijnheer”, verklaarde deze laatste, „deze -Raffles houdt mij en de geheele wereld voor den gek. Voor mijn eigen -oogen pleegde hij den diefstal.” - -„Ongelooflijk”, antwoordde de vertegenwoordiger hoofdschuddend, „men -zou het voor onmogelijk houden, als gij het mij niet zelf verteldet. -Hebt gij het geld, dat men den Lord ontstal, zelf gezien?” - -„Ja”, bevestigde de inspecteur, „ik heb mij met mijn eigen oogen ervan -overtuigd, dat het aanwezig was.” - -„Een wanhopige zaak, dan blijft ons niets anders over dan te betalen.” - -„Dat zult gij zeker moeten doen”, meende Baxter beslist. - -„Wees dan zoo goed, deze verklaring te willen onderteekenen voor mijn -maatschappij.” - -Bij deze woorden nam de ambtenaar van de maatschappij een stuk uit zijn -portefeuille, dat hij den inspecteur ter teekening voorlegde en waarin -werd verklaard, dat het bedrag der gestolen som 20,000 pond bedroeg. - -Zonder aarzelen zette Baxter zijn naam er onder. - -Daarop nam de vertegenwoordiger afscheid. - -Nu liet de inspecteur den gevangen genomen bankier Gordon en diens -medeplichtigen bij zich komen. - -Ook de detectives verzamelden zich in het bureau van hun inspecteur en -de gevangenen werden binnengebracht. - -Nadat de noodige formaliteiten in acht waren genomen, begon het -verhoor. - -James Gordon, die wel inzag, dat hij op geen enkele manier de -gevangenis zou ontloopen, nam nu een houding aan als een vos, die in de -val geloopen is en vastberaden den vastgeklemden poot afbijt. - -Hij begon dus den inspecteur en den detectives te vertellen, wat hem -had bewogen, de inbraak bij Lord Lister te plegen en wat hem had -bewogen om niets van Raffles’ diefstal te vertellen. - -Als bewijsstuk vertoonde hij den brief van Lord Lister, denzelfden, -dien hij zijn vriend Govern had laten lezen. - -Groote opgewondenheid maakte zich meester van de politiebeambten. - -Het werd hun duidelijk, dat zij tegenover den grooten onbekende hadden -gestaan, tegenover den genialen Raffles en dat zij slechts hadden -behoeven toe te grijpen om de beste vangst te doen, die de beambten van -Scotland Yard ooit konden maken. - -„Waarom hebt ge dit niet eerder gezegd?” riep Baxter uit. „Gij weet -toch, dat er een belooning van 1000 pond staat op de gevangenneming van -Raffles.” - -„Ik heb het u immers herhaaldelijk gezegd, maar niemand wilde mij -gelooven”, antwoordde James Gordon. - -„Het is om gek te worden!” brulde de inspecteur, in zijn bureau heen en -weer loopende. Plotseling bedwong hij zijn woede en beval: - -„Voorwaarts! Laten wij een flink aantal van onze beste detectives -meenemen. Hij zal ons nu niet meer ontkomen. Wij zullen het vossenhol -omsingelen; nog heden moet de Lord in onze handen vallen!” - -„Laten wij het beste ervan hopen!” meende Marholm, „ik geloof echter, -dat het hol leeg zal zijn als wij er komen. Het zou ook jammer wezen, -als hij in onze handen viel. Wij kunnen nog veel interessante avonturen -met hem beleven! Ik begin pleizier in dien man te krijgen en er valt -heel wat van hem te leeren!” - -Baxter schreeuwde woedend: - -„Zwijg toch! Hoe hebt gij den moed om een spitsboef te bewonderen? Gij -zijt volkomen ongeschikt voor het beroep van detective!” - -„Dat betwijfel ik!” antwoordde Marholm en lachte sarcastisch, „want pas -hebt gij mij zeer vleiende dingen gezegd.” - -„Laat ons geen tijd verzuimen”, drong Tyler aan, „het wordt tijd, dat -wij Raffles pakken!” - -De detectives maakten zich nu gereed om Scotland Yard te verlaten. - -Onderweg sprak Marholm tot Baxter: - -„Gij twijfelt er aan, of ik wel een goed detective ben, maar ik wilde u -toch een kleine opmerking maken. Een uur geleden is een -vertegenwoordiger der maatschappij van verzekering bij u geweest. Mij -dunkt, dat het nuttig zou zijn om die maatschappij te waarschuwen, het -verzekerde bedrag voorloopig niet uit te betalen aan Lord Lister, alias -Raffles.” - -„Drommels!” riep Baxter uit, naar Scotland Yard terugsnellende, „gij -hebt gelijk, dat had ik bijna vergeten. Ik zal dadelijk telefoneeren.” - -Detective Marholm vergezelde hem naar het telefoontoestel en in het -volgende oogenblik was Baxter een ervaring rijker geworden, want hij -vernam, dat Raffles vlugger was dan hij en dat het bedrag reeds was -uitbetaald. - -Zenuwachtig ging de inspecteur, samen met Marholm, naar de wachtende -detectives terug en de wagen vloog in de richting van Regent Park. - -— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — - -Lord Lister bevond zich in dien tusschentijd, niet denkend aan het -gevaar, dat hem dreigde, in zijn studeerkamer en was bezig een grooten -koffer te pakken. - -Hij had daarin eenige kleedingstukken laten leggen door zijn -kamerdienaar, toen Charly Brand binnenkwam. - -Terwijl deze zijn jas en hoed neerlegde, bekeek zijn vriend nadenkend -den koffer. Na eenige oogenblikken sprak Lister tot zichzelf: - -„Ik zal den koffer toch niet verder laten pakken, het zou dwaas zijn, -hem mee te nemen.” - -Zijn secretaris, die deze woorden hoorde, zei: - -„Maar je hebt hem immers op reis noodig, je kunt toch niet zonder -kleeren reizen!” - -„Waarom niet?” antwoordde Lord Lister, „het zou maar ballast zijn. Ik -kan overal voor geld alles krijgen, wat ik noodig heb. Apropos, het -heeft nogal lang geduurd bij die verzekeringsmaatschappij. Maakten de -heeren bezwaren?” - -„Dat niet”, antwoordde Charly Brand. „Maar zij zonden een hunner -beambten naar Scotland Yard om informaties te halen bij inspecteur -Baxter. Deze waren overeenkomstig mijn mededeelingen en men betaalde -mij daarop met een zuur gezicht het verzekerde bedrag uit.” - -„Wel”, lachte Lord Lister, „de heeren willen liever ontvangen dan -betalen, feitelijk ook diefstal! - -Waar heb je het geld?” - -„Hier is het bedrag!” Bij deze woorden haalde Charly uit zijn zak een -pakje, dat 20 banknoten, ieder van duizend pond, bevatte. - -Lord Lister nam het geld, telde het na en stak het zorgvuldig in zijn -portefeuille. - -Een ironisch lachje speelde om zijn fijnbesneden lippen. - -„Zoo,” sprak hij, „dit zaakje, loonde de moeite wel! Nu zou die -onbekende Raffles werkelijk een flink bedrag bij mij kunnen komen -stelen.” - -„Een vermogen!” merkte zijn secretaris op, „het is werkelijk -noodzakelijk voor menschen met kapitaal om zich tegen diefstal te -verzekeren.” - -Lachend klopte zijn vriend hem op den schouder. - -„Charly”, sprak hij, „als men nu eens niets bezit?” - -„Dan behoeft men zich natuurlijk niet te verzekeren!” - -„Very well!” lachte Lord Lister, „dat is ook een opvatting! Maar ik -bijvoorbeeld—ik heb mij verzekerd voor het geval, dat ik nog eenmaal in -het bezit van geld zou komen. Mocht mij dit dan ontstolen worden, dan -was ik in elk geval gedekt.” - -„Hm”... kuchte de ander, „jij houdt er altijd je eigen philosofieën op -na, je doet me daarbij denken aan Sherlock Holmes. De hoofdzaak is, dat -je nu geld genoeg hebt voor een Europeesche reis.” - -„Daar zal ik nog eens over nadenken,” antwoordde Lord Lister, „mijn -voorgevoel zegt mij, dat ik voorloopig nog wel niet op het vasteland -zal komen. Ik geloof, dat er hier nog werk voor mij is en ik houd -Londen voor een stad, waar meer te beleven is dan in de heele wereld”. - -In dit oogenblik trad de kamerdienaar binnen en sprak: - -„Uwe Lordschap! Buiten staat een man, die er zeer onbetrouwbaar -uitziet.” - -„Zoo, zeker een beambte van de politie,” schertste de Lord. - -„Neen,” antwoordde de kamerdienaar, „dat denk ik niet, hij ziet er -daarvoor te haveloos en smerig uit.” - -„Laat hem maar even wachten!” - -De bediende boog en verliet het vertrek. - -Lord Lister dacht een oogenblik na en sprak daarop tot Charly Brand: - -„Hoor eens, mijn jongen; rijd naar het Victoria-station en wacht daar -op mij bij de courantenkiosk. Als ik mijn programma niet behoef te -veranderen, dan nemen wij den eerstvolgenden trein naar de haven.” - -„Waarom kan ik hier niet op je wachten?” vroeg Charly, „wij kunnen -immers samen naar het station rijden?” - -Lord Lister keek zijn jongen vriend ernstig in de oogen en sprak: - -„Charly, herinner jij je nog, hoe je een half jaar geleden bij mij bent -gekomen? Wij hadden elkaar twee jaar eerder leeren kennen en je -vertelde mij, dat er voor jou, als er geen redding opdaagde, niets -anders overbleef dan een revolverschot. Ik heb je toen je wapen -afgenomen en maakte je duidelijk, dat eereschulden geheel andere dingen -zijn dan lichtvaardige speelschulden en dat de heeren, die met jou in -frak en smoking gespeeld hadden, niet beter waren dan door den staat -beschermde bedriegers. - -Ik bewees je ook, dat een menschenleven een kostbaar iets is en dat men -het maar éénmaal kan vernietigen. - -Na al deze uiteenzettingen ben je in mij je ouderen, meer ervaren -vriend gaan zien en heb je je bij mij aangesloten. Je bent eenige jaren -jonger dan ik en ik beschouw je, nu je een half jaar bij mij bent, als -een beproefd kameraad; daarom wil ik geen geheim meer voor je hebben.” - -Hij deed een paar lange halen aan zijn sigarette en vervolgde: - -„Kijk eens, Charly, het geld, dat ik je vrijwillig gaf voor je -levensonderhoud en de bedragen, die ik voor mijzelf gebruik, evenals de -aalmoezen, die ik aan zoovele ongelukkigen reikte, komen alle van -hetzelfde onuitputtelijke kapitaal: mijn hersens.” - -Lord Lister zweeg en stak een nieuwe sigarette aan, terwijl Charly -Brand hem vol belangstelling gadesloeg. - -„Ik begrijp je niet volkomen,” sprak hij na een poosje, „je zei, -Edward, dat je met je hersens een vermogen verdient? Ik zie je echter -nooit werken. Zou je mij willen vertellen, op welke wijze je aan die -rijkdommen komt?” - -„O ja,” antwoordde zijn vriend, terwijl hij de asch van zijn sigarette -klopte. Daarop keek hij Charly weer aan en, vlak bij hem komend, -antwoordde hij: - -„Ik ben Raffles!” - -De jonge man staarde hem aan, alsof hij een spook voor zich zag. - -„Houdt je mij voor den gek, Edward?” vroeg hij op aarzelenden toon. - -„In ’t geheel niet,” antwoordde Lord Lister, „sinds een jaar ben ik de -persoon, die zijn best doet om onder het pseudoniem Raffles de -behoeftige lieden te wreken op de bezittende klasse.” - -„Ben jij het dus werkelijk?” vroeg Charly en nog steeds sprak twijfel -uit zijn woorden. - -„Op mijn eerewoord!” bevestigde Lord Lister. „Ik ben Raffles!” - -„Maar hoe kon je—Ik kan het nog niet begrijpen. Het klinkt als een -sprookje—hoe kwam je er toe?” - -„Heel eenvoudig,” luidde het antwoord: „Mijn vader en mijn moeder -werden door een van die voorname, schurkachtige Londensche -beursspeculanten geruïneerd, zoodat ik in mijn jeugd armoede geleden -heb. Mijn vader beroofde zich daarom van het leven, terwijl die rijke -ellendeling nog heden in zijn equipage met vier paarden door Londen -rijdt en een kasteel in Schotland bezit. Al zijn rijkdom heeft hij aan -het geld, dat hij mijn ouders ontstal, te danken. De wet kon mijn vader -helaas niet tegen dien schurk beschermen. - -En later heb ik een groote massa andere beursdieven en dergelijke -oplichters leeren kennen. Honderdduizenden moeten elken dag zwoegen -voor hen om hen te helpen, hun vermogen nog grooter te maken en krijgen -daarvoor als loon te weinig om te leven en te veel om te sterven, -terwijl hun uitzuigers in weelde genieten van het vette der aarde. - -Toen voelde ik mij geroepen om die groote massa te gaan wreken, om te -strijden tegen het gebroed; ik geef dat, wat ik hun ontsteel, met milde -hand aan de arme drommels terug en nu vraag ik jou, Charly, wil je mij -helpen in dezen zwaren strijd? Of voel je de kracht daarvoor niet in -je? Zeg het mij eerlijk en openhartig. Je weet, dat ik vóór alles van -waarheid houd!” - -Zonder aarzelen nam de jonge man de hem aangeboden hand in de zijne, -drukte deze vast en sprak: - -„Ja, Edward! Niets houdt mij terug! Wat het ook zij, ik wil je ter -zijde staan en alles doen, wat jij goed acht!” - -„All right!” knikte de Lord, „ik wist het! En luister nu: - -Op weg naar het Victoria-station kom je langs het Heilsleger, geef daar -een anonyme gift van 5000 pond af.” - -Hij nam het van Charly ontvangen geld uit zijn borstzak en overhandigde -het hem. - -„Verder”, vervolgde hij, „neem 5000 pond en geef die af bij de -administratie van het vondelingenhuis. De rest van het geld moet je -voor mij bewaren. Je moogt mijn naam nergens noemen, evenmin verlang ik -een kwitantie. En ga nu, mijn jongen, en wacht op mij, zooals ik het -met je heb afgesproken.” - -Charly stak het geld bij zich; zij reikten elkaar nogmaals de hand en -de nieuwe helper van den voornamen dief verliet het vertrek. - -Lord Lister keek hem eenige oogenblikken na, daarop belde hij zijn -kamerdienaar en beval dezen, den wachtende binnen te laten. - -Een tamelijk haveloos individu trad het vertrek binnen. Zonder te -wachten tot het hem werd aangeboden, nam de onbekende bezoeker plaats, -begon zijn pijp met tabak te stoppen en stak deze aan. - -Nadat hij eenige trekken had gedaan, schraapte hij zijn keel en spuwde -op ongegeneerde wijze op het kostbare tapijt. - -Lord Lister keek naar hem met de handen in de zakken van zijn pantalon. - -„Gij zijt niet in uw eigen huis, mijn vriend”, sprak hij eindelijk, „en -het is hier ook geen kroeg!” - -„Weet ik!” sprak, de onbekende kortaf met een stem, die heesch was van -de jenever. - -„Mooi!” merkte Lord Lister op, „dan verbaast het mij, dat gij mijn -tapijt aanziet voor de straatkeien. Wat is de reden van uw komst?” - -„Zaken”, was het antwoord. - -„Zaken?” herhaalde John Raffles, „ik zou niet weten, wat ik met u te -maken heb.” - -„Dat zult gij dadelijk hooren, luister maar: Ik heet Pitt Tom en ben er -voor bekend, dat ik verduiveld handig met mijn mes weet om te gaan. Ik -weet precies het plekje tusschen de derde en vierde rib te treffen. -Niemand kan mij dat verbeteren. Zal ik het u eens bewijzen?” - -Hij sprong op en stak zijn rechterhand in zijn broekzak, alsof hij -daaruit een mes te voorschijn wilde halen. - -Lord Lister bleef onbeweeglijk staan. - -„Aan mij hebt gij niets”, sprak hij minachtend. - -„Zoo”, antwoordde de vreemdeling, „ik wilde mij maar eens even aan u -voorstellen.” - -„Gij hebt zeker ook al gezeten?” vroeg de Lord plotseling. - -De gevraagde keek hem verbluft aan en antwoordde: - -„Ik? Wat zou je daaraan liegen!” - -Lister lachte. - -„Houdt u maar niet zoo groot, ik weet heel goed, dat ge een paar jaar -achter den rug hebt.” - -„Als gij het weet, vraag het mij dan niet meer. Maar ik was onschuldig! -Zoo iets kan elk fatsoenlijk mensch gebeuren; ik ben zoo onschuldig als -een pasgeboren kind. Men heeft mij niets kunnen bewijzen.” - -„Mooi, dat is dus afgedaan en vertel mij nu maar gauw, wat gij bij mij -wilt.” - -„Hm....! Ik zal het u in het kort uitleggen: ik had vannacht geen -onderdak en ging in een oude schuur in Tower Street overnachten. Toen -ik weer op wilde slaan, merkte ik, dat eenige mannen waren -binnengekomen, die daar iets zochten. Inbrekers waren het, geloof ik en -zij noemden uw naam.” - -„O, dus gij wildet mij komen vertellen, dat die mannen van plan waren -om bij mij te komen inbreken. Ik wensch hun veel geluk en om uw moeite -te beloonen, geef ik u tien pond.” - -De indringer rookte kalm door en spuwde, voordat hij zijn mond opende, -weer op het tapijt. - -„Om een bedrag van tien pond te verdienen, ben ik niet hier gekomen; ik -denk, dat mijn verdere mededeelingen, die uw eigen persoon betreffen, u -minstens 5000 pond waard zijn.” - -De Lord lachte hartelijk, zonder een woord te antwoorden. - -„Ik denk”, vervolgde de vreemdeling, „dat men met genoegen 5000 pond -uitgeeft voor een tijding, die 50,000 waard is, vooral als men zoo rijk -is als gij zijt. - -Ik geloof ook, dat er wel met u te redeneeren valt, als ik u zeg, dat -ik dingen weet over een zekeren Raffles, die u— — — —” - -„Het interesseert mij in ’t geheel niet”, was het kalme antwoord. „Ik -betaal geen spionnendiensten, houd uw berichten dus voor u en verlaat -nu mijn kamer.” - -De man stond bedaard op, klopte zijn pijp leeg in een aschbakje, stak -ze in zijn zak en haalde een jeneverflesch te voorschijn. Gretig zette -hij deze aan den mond en nam een langen teug, daarop reikte hij Lord -Lister de flesch toe, maar deze weigerde met een handbeweging en sprak: - -„Drink uw jenever zelf, ik ben gewend mijn eigen te gebruiken.” - -De ongenoode gast sloot de flesch weer en stak deze bij zich; daarop -mompelde hij: - -„Een gentleman zijt gij niet, anders zoudt gij met een collega -meedrinken.” - -Lord Lister lachte weer; de openhartigheid van dit verloopen sujet -amuseerde hem. - -„Dank je voor het compliment”, antwoordde hij, „maar ik bedank voor de -eer.” - -In de oogen van den vreemdeling verscheen een uitdrukking van grooten -haat. Hij begreep, dat hij niet tegen John Raffles was opgewassen, dat -deze hem zelfs bespotte. - -„Voor den duivel!” vloekte hij, „loop naar de hel, fijne schooier! Maar -de duivel moge ook mij halen, als ik mij door jou laat overbluffen. Je -glacéhandschoenen en gekleede jas maken geen indruk op mij. Maar nu -vraag ik je voor de laatste maal: geef je mij 5000 pond of niet?” - -Met een eenvoudig „Neen!” wees Lord Lister naar de deur. - -„All right!” sprak de onbekende, „dan zullen wij op een andere manier -met elkaar praten.” - -Bliksemsnel trok hij een breed dolkmes uit zijn jas te voorschijn en -met een tijgerachtigen sprong naderde hij Raffles. - -Maar deze had den aanval verwacht. - -Met een snelle armbeweging verhinderde hij den messteek van den -sluipmoordenaar, greep in het volgende oogenblik zijn jas beet en trok -hem, door de Japansche worstelkunst toe te passen, de mouwen aan beide -kanten over de armen, zoodat de man geheel weerloos was. - -In het volgend moment droeg de Lord hem als een veer naar de deur, -opende deze en wierp den man de deur uit. - -Vloekend en scheldend snelde de misdadiger de trappen af en het huis -uit. - -Lord Lister echter belde zijn kamerdienaar: - -„Luister eens, Fred,” sprak hij op kalmen toon, „ik ga voor langeren -tijd op reis en verzoek je, gedurende mijn afwezigheid het huis te -bewaken, totdat ik je bericht zend, wat er verder gebeuren zal.” - -„In orde,” antwoordde de bediende met een buiging, „wenscht Uw -Lordschap, dat de koffers gepakt worden?” - -„Neen, dank je, ik reis zonder bagage”. - -Fred maakte weer een buiging, toen in hetzelfde oogenblik de bel -weerklonk. - -Beiden luisterden even, waarop de kamerdienaar vroeg: - -„Ontvangt uw Lordschap nog bezoek?” - -„Jawel,” antwoordde zijn heer en Fred verliet de kamer om de deur te -openen. - -Na eenige minuten trad Miss Walton met een grooten ruiker bloemen -binnen. - -„Vergeef mij, dat ik bij u kom, Mylord,” sprak het jonge meisje met -haar lieve, zachte stem, „ik wilde u eenige bloemen aanbieden als dank -van mijn moeder en mij, voordat gij op reis gaat.” - -Zij bood hem met een vriendelijken glimlach een prachtig bouquet aan. - -„Bloemen?” vroeg John Raffles geroerd, „die zijn voor mij het mooiste, -wat er op de wereld bestaat”. - -„O, ik houd er ook zooveel van,” sprak Miss Walton verward. - -„Een bloem,” vervolgde Lord Lister, „herinnert mij altijd aan een mooie -vrouw,” hij keek met bewonderenden blik naar het blozende gezichtje van -zijn toehoordster en naar haar prachtige, donkere oogen. - -Hij vergat geheel en al, dat hij op het punt stond, zijn huis te -verlaten en dat hem elk oogenblik een groot gevaar dreigde, waarvoor -zijn instinct hem reeds had gewaarschuwd. - -Galant geleidde hij Miss Walton naar den fauteuil bij den schoorsteen. - -„Ik wil u niet lang ophouden,” sprak de jonge dame aarzelend, „ik zie, -dat gij uw koffer pakt en wil u niet storen. O, wat moet reizen toch -verrukkelijk zijn! Ik heb altijd verlangd, eens een groote reis te -kunnen maken, als het kon, naar het Zuiden, naar Italië!” - -„Zijt gij nog nooit buiten Londen geweest?” vroeg Raffles. - -„Neen, nooit, ik heb zelfs nog nooit de zee gezien. Wij waren daarvoor -te arm.” - -„Wat was uw vader, als ik vragen mag?” - -„Zee-officier. Hij is door een ongelukkig toeval in volle zee -verdronken. Ach, wij kunnen zelfs zijn graf niet bezoeken; hij ligt op -den bodem der zee. Mijn moeder kreeg een klein pensioen, maar door de -jarenlange ziekte der arme vrouw hebben wij zooveel geld moeten -opnemen, dat wij heelemaal achterop kwamen.” - -„En uw bloedverwant, die inspecteur van politie Baxter, is hij op de -hoogte van uw omstandigheden?” - -„Ja zeker,” antwoordde Miss Walton, „want hem hebben wij meer dan eens -om hulp gevraagd.” - -„Een hartelijke bloedverwant!” klonk het met een schamperen lach. „Op -welke wijze is hij familie van u?” - -„Hij is een stiefbroeder van mijn moeder. Ik vertelde u al, hoe -hardvochtig hij is”. - -„Hij is niet beter of slechter dan alle egoïsten en ik hoop, dat ik hem -eens zal kunnen beloonen, wat hij voor u deed!” - -Een kloppen van de deur werd vernomen, de oude kamerdienaar trad binnen -en meldde: - -„Uw Lordschap, de politiebeambten, die vannacht reeds hier waren, zijn -er weer.” - -Lord Lister dacht een oogenblik na, nam een nieuwe sigarette, stak deze -aan en lachte hardop. - -„Ik geloof,” sprak hij, „dat de heeren hier iets vergeten hebben.” - -„Iets vergeten?” vroeg Fred en keek onderzoekend de kamer rond. - -„Ja, mijn oude vriend,” lachte Raffles, „zij hebben namelijk vergeten, -den spitsboef mee te nemen, dien zij zochten.” - -„Is die dan nog hier?” - -De man keek met een onnoozel gezicht opnieuw om zich heen. - -De Lord schaterde en sloeg hem op den schouder, terwijl hij op -vertrouwelijken toon sprak: - -„Hij is nog hier, Fred, maar ik denk niet, dat het hun zal gelukken, -hem te vangen.” - -Daarop ging hij naar het venster en keek op straat. - -Hij floot zachtjes, toen hij een dozijn politiebeambten in uniform zag, -die juist bezig waren, het huis te omsingelen. - -„De vossenjacht neemt een aanvang,” mompelde hij, „laten zij hun geluk -maar beproeven!” - -Daarna wendde hij zich nog eens tot den bediende: - -„Luister eens goed, Fred, naar wat ik zeg: deze dame is mijn -secretaresse. Ik heb haar den koffer gegeven, Miss Walton zal ermee -mijn huis verlaten en gij moet ervoor zorgen, dat een rijtuig de dame -en haar bagage naar het station brengt. - -„Zeg den heeren, dat ik nog een kort onderhoud met mijn secretaresse -moet hebben en dat zij nog een minuut geduld moeten oefenen.” - -„Heel goed, uwe Lordschap!” - -De dienaar ging. - -Nauwelijks was de deur gesloten, of Lord Lister ging naar Miss Walton -toe en vatte haar handen: - -„Nu is het oogenblik gekomen, Miss Helene, dat ge mij kunt helpen. Ik -heb gisteren James Gordon beroofd van een menigte wissels en -schuldbekentenissen. Ik geloof, dat die man mij bij de politie heeft -verraden.” - -„Ge zijt een edel mensch, Lord Lister, ge hebt mijn moeder een grooten -dienst bewezen,” sprak het jonge meisje, „en ik gevoel mij gelukkig, -dat ik u kan helpen.” - -„Ge hebt al uw zelfbeheersching noodig, Miss Helene, een kleine -vergissing en ik ben verloren.” - -„Neen, neen, Lord Lister, ge kunt volkomen op mij rekenen, vrouwen zijn -goede bondgenooten!” - -Lord Lister nam haar hand en drukte er een kus op. - -Wederom werd aan de deur der kamer geklopt en de ruwe stem van Baxter -weerklonk: - -„Doe open, Lord Edward Lister, in naam der wet doe open!” - -„Dadelijk!” antwoordde de geroepene. - -Hij boog zich voorover en fluisterde: - -„Daar staat een koffer, die groot genoeg is om mij te verbergen, ik zal -mij erin verbergen om te vluchten. Gij moet den koffer naar -Victoria-station brengen en hem eerst weer in den coupé openen; daar -zien wij elkaar dan weer. - -„Hier hebt ge geld, daarvan kunt ge alles betalen, wat ge noodig hebt. -Als de politiemannen u ondervragen, moet ge zeggen, dat ge van plan -zijt, op reis te gaan en dat de koffer u behoort. Hebt ge mij begrepen, -Miss Walton?” - -„Zeker!” antwoordde het bevende meisje, maar John Raffles zag, dat het -frissche gelaat van het meisje door een zenuwachtige bleekheid werd -overtrokken. - -„Houd u goed!” fluisterde hij. - -„Dat zal ik!” - -Lord Lister snelde naar den koffer, maar nog voordat hij deze had -kunnen openen, werd de kamerdeur geopend en Baxter, Tyler, Marholm en -nog twee andere detectives stortten het vertrek binnen. - -Raffles was de laatste weg tot redding afgesneden. - -Maar met wonderbaarlijke kalmte trad hij de detectives tegemoet. - -Ondanks alle gevaar bleef hij volkomen meester van den toestand. - -Met vriendelijk gelaat spotte hij: - -„Goeden dag, heeren! Wat verschaft mij de eer van uw bezoek? Gaat -Raffles een nieuwen diefstal plegen?” - -„Neen”, antwoordde Baxter, „Raffles zal geen nieuwen diefstal meer -plegen, want ik verklaar u voor mijn gevangene!” - -„Zoo,” lachte de ontmaskerde, „dat is heel wonderlijk, om Raffles voor -gevangen te verklaren zonder hem te hebben gevangen!” - -„Wij hebben hem gevangen!” zei Baxter. - -„Dat is heel gelukkig! Ik feliciteer u!” - -„Dat is zeker gelukkig. En nu, Lord Lister, alias Raffles, in naam der -wet neem ik u gevangen!” - -Lord Lister keek den inspecteur der recherche een oogenblik met groote -oogen aan. - -Toen zei hij: - -„Dat is een kostelijke grap! Als ge er nog meer van die soort op na -houdt, raad ik u, redacteur van een humoristisch blad te worden!” - -„Ge hebt ons nu lang genoeg voor den mal gehouden!” stoof Baxter op. -„Kom, maak voort!” - -Lord Lister leunde met onverschillig gebaar, zonder eenig teeken van -zenuwachtigheid, tegen den schoorsteenmantel, en sprak met een beleefd -lachje: - -„Ik beklaag u, inspecteur Baxter!” - -„Hoezoo?” - -„Ik bedoel, dat u het ongeluk is beschoren u met mij bezig te moeten -houden!” - -„Dat zal gelukkig niet lang meer duren. Het is nu gedaan met uw -streken.” - -En rood van woede sprak Baxter tot de detectives: - -„Maakt kort proces!” - -„Halt!” riep de Lord. „Ge zult toch zeker deze dame, die mijn -secretaresse was, wel willen veroorloven dit huis te verlaten. Die -koffer behoort haar!” - -Baxter keek met onwillig gebaar naar Miss Walton en herkende haar eerst -nu. - -„Wat doe jij in dat roovershol?” schreeuwde hij zijn nicht toe. - -„Brood verdienen voor mijn moeder!” - -„Een mooie manier van brood verdienen! Je valt zeker wel in den smaak -van dien boef!” - -„Schurk!” donderde Lord Lister hem toe, „daarvoor zul je je straf niet -ontgaan!” - -Hij haalde een zilveren étui te voorschijn. - -„Ziet ge deze étui? Goede vrienden uit Sint Petersburg—nihilisten—gaven -ze mij om haar in tijden van gevaar te gebruiken. Het is een zakbom, -met dynamiet gevuld en altijd gereed voor gebruik. Wij gaan nu samen -een groote reis ondernemen, waarvan niemand terugkomt. Raffles vangt -men niet, mijnheer de inspecteur van politie en Raffles zal zich -veroorloven, u met hem mee te nemen!” - -In het volgende oogenblik hief hij de hand op om de bom naar de -beambten te slingeren. - -De detectives, die een oogenblik als verlamd van schrik stonden, lieten -plotseling alles in den steek en vlogen de kamer uit. - -„Redt u!” schreeuwde nu ook Baxter. - -Daar vloog het étui op het tapijt en sprong open—het was een -sigarettendoos!— - -Buiten weerklonken signaalfluitjes en geroep. - -Lord Lister echter keerde zich tot Miss Walton. - -„Mijn lot ligt in uw hand, Miss Helene! Doe alles, wat ik zeg!” - -Hij opende den koffer, sprong erin en deed het deksel dicht. - -Een paar seconden verliepen. - -Toen ging de deur voorzichtig open en door een kiertje gluurde Marholm -naar binnen. - -In het volgend oogenblik deed hij de deur heelemaal open en lachte luid -op, toen hij de sigaretten en de doos zag liggen. - -„Mijnheer Baxter, kom toch!” riep hij uit, „het dynamiet heeft geen -kwaad gedaan. Hij heeft ons weer eens voor het lapje gehouden. De bom -was een sigarettendoos!” - -De Kakkerlak had den grootsten schik in het geval, maar Baxter ging als -een gek te keer. - -„De schurk kan niet ontvlucht zijn! Ik ga hier niet vandaan, voordat ik -hem in dit vossenhol ontdekt had!” - -Woedend trommelde hij met zijn vingers op het deksel van den koffer. - -Toen vroeg hij Miss Walton: - -„Welken weg heeft hij genomen?” - -„Dat weet ik niet! Ik geloof, dat hij door die kamer verdwenen is. Maar -ik zou graag naar mijn moeder willen gaan!” - -Zij riep den bediende en wilde met hem den zwaren koffer uit de kamer -dragen. - -Marholm zag, dat de jonge dame alle moeite had, haar bagage te -versjouwen en hij riep eenigen politiemannen toe: - -„Draagt den koffer van de juffrouw in het rijtuig!” - -Miss Walton dankte hem met een bekoorlijk lachje en zij haalde verruimd -adem, toen de mannen den koffer voor haar de trap afdroegen. - -Intusschen was Baxter voortdurend bezig, alle hoekjes en gaatjes te -doorzoeken om Raffles te vinden en in dien tijd reed Miss Walton met -haar koffer naar het Victoria-station. - -Daar liet zij haar bagage naar een kamer brengen waar zij, zooals zij -den dienstmannen zeide, nog eens wilde overpakken. - -Nauwelijks was zij alleen, of zij opende den koffer en Lord Lister, -alias Raffles, sprong er behouden uit. - -Hij rekte zijn lichaam eens uit en wendde zich toen tot Miss Walton: - -„Ge zijt een dapper meisje, Miss Helene. Als ik niet voortvluchtig was, -zou ik beproeven of het mij niet mogelijk was, meer dan uw vriendschap -te verwerven. Ik hoop, dat ik heel gauw terug kan komen en dat ge mij -toestaat, u te mogen opzoeken!” - -Blozend boog Miss Walton het schoone hoofd, toen Raffles haar handen -greep. - -Even daarna was hij verdwenen. - -Op het perron, waar de trein naar Queenborough gereed stond, trof hij -Charly Brand. - -„Het is hoog tijd! Over vijf minuten gaat de trein!” riep hij uit. - -„All right, Charly,” antwoordde Raffles, „ik moet nog even naar het -telegraafbureau.” - -Daar zond hij een telegram naar zijn kamerdienaar. - -Toen zei hij tot Charly Brand: - -„Ik heb besloten om in Londen te blijven. Ik wil voor eenigen tijd een -villa in Westend huren.” - -Daarop verdween hij met zijn vriend in het gewoel der menigte. - - - -Baxter had intusschen den vloer laten opbreken in de studeerkamer om -alles te onderzoeken. - -Gaandeweg was hij in de badkamer gekomen en daar ontdekte hij al heel -spoedig den geheimen toegang tot de staande klok in de studeerkamer. - -Terzelfdertijd hoorde hij in de klok een zacht geritsel en een -triomfeerend lachje vloog over zijn gelaat. - -„Nou zit toch eindelijk de muis in de val! Wij hebben hem! Zijn -schuilhoek is ontdekt. Hij zit in de klok!” fluisterde hij. - -De politiemannen stelde zich op rondom de klok, toen eensklaps de deur -van het uurwerk openging en... detective Marholm door zijn collega’s -stevig in den kraag werd gegrepen. - -De Kakkerlak was op eigen houtje den boel eens gaan verkennen en had -ook den geheimen ingang ontdekt, waardoor hij in de klok was gekropen. - -De politiemannen zagen al heel gauw hun dwaling in en lieten hun -collega los. - -Marholm wreef zich de pijnlijke plekken, die hem de vuisten der -rechercheurs hadden bezorgd, maar toen moest hij ook al weer heel gauw -lachen om het verblufte gezicht van Baxter. - -Voordat deze nog iets kon zeggen, trad de kamerdienaar van den -voortvluchtige binnen en overhandigde den inspecteur een telegram: - -Baxter nam het en las: - - - „Inspecteur van recherche Baxter, ik feliciteer u met uw succes, - - John C. Raffles”. - - -En terwijl Baxter bijna een beroerte kreeg van woede, ging de Kakkerlak -de kamer uit en lachte, zooals hij nog nooit in zijn leven had gedaan. - - - - - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 1: DE GROOTE -ONBEKENDE *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
