summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/65682-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/65682-0.txt')
-rw-r--r--old/65682-0.txt3207
1 files changed, 0 insertions, 3207 deletions
diff --git a/old/65682-0.txt b/old/65682-0.txt
deleted file mode 100644
index 164883b..0000000
--- a/old/65682-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,3207 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 1: De Groote Onbekende, by
-Kurt Matull
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Lord Lister No. 1: De Groote Onbekende
-
-Author: Kurt Matull
- Theo Blakensee
-
-Translator: Felix Hageman
-
-Release Date: June 24, 2021 [eBook #65682]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: The Online Distributed Proofreading Team at
- https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 1: DE GROOTE
-ONBEKENDE ***
-
-
-
- LORD LISTER
- GENAAMD RAFFLES
- DE GROOTE ONBEKENDE.
-
- NO. 1 DE GROOTE ONBEKENDE.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DE GROOTE ONBEKENDE.
-
-EERSTE HOOFDSTUK.
-
-BELAAGDE ONSCHULD.
-
-
-Het was tegen zes uur in den namiddag toen de rijke zijde-importeur
-Lukas Brown zijn eersten boekhouder bevel gaf om de zaak te sluiten.
-
-De vensters van het gebouw, dat zich aan het Strand in Londen bevond,
-zagen uit op dezen breeden verkeersweg en Mr. Brown kon door de
-neergelaten jaloezieën het drukke gewoel der reuzenstad zien.
-
-Voordat zijn boekhouder het particuliere kantoor had verlaten, sprak
-Mr. Brown tot hem:
-
-„Zend de nieuwe beambte, Miss Walton, bij mij. Ik moet haar spreken.”
-
-De boekhouder maakte een buiging, terwijl hij een ironisch lachje
-trachtte te verbergen.
-
-Hij kende zijn chef en wist, wat een dergelijk onderhoud beteekende.
-
-Mr. Brown nam uit principe slechts jonge, onervaren meisjes in zijn
-dienst, wier uiterlijk hem beviel.
-
-„Zijt gij over het werk van Miss Walton tevreden?” vroeg hij den
-boekhouder.
-
-„Zeker”, antwoordde deze, „zij doet haar plicht uitstekend.”
-
-„Zoo, zoo”, sprak Mr. Brown, zijn vleezige handen wrijvende, „het doet
-mij genoegen, dat te hooren! Zij is een buitengewoon mooi meisje. Dat
-meisje kan, als ik mij haar lot aantrek, een goede toekomst hebben.”
-
-Weer maakte de boekhouder een buiging, om een glimlach te verbergen.
-
-Toen hij de kamer wilde verlaten, weerklonk van de straat het
-geschreeuw van courantenjongens, die de nieuwste avondbladen aanboden
-en die met luide stem den korten inhoud uitgalmden van het laatste
-belangrijke nieuws, dat de courant behelsde:
-
-„Een nieuwe streek van Raffles!” schreeuwden zij. „Raffles, de groote
-onbekende, roofde een kwart millioen juweelen!—Raffles! Raffles is
-onvindbaar!”
-
-Mr. Brown zag hoe de voorbijgangers letterlijk vochten om de
-nieuwsbladen.
-
-„Haal mij een avondblad!” beval hij zijn boekhouder, „dat is een gekke
-geschiedenis met dien Raffles!”
-
-De boekhouder verdween en kwam na eenige minuten terug met de gevraagde
-courant, welke de laatste daad van Raffles met groote letters
-verkondigde.
-
-Haastig las Mr. Brown het artikel door, waarna hij tot zijn boekhouder
-sprak:
-
-„Een buitengewoon mensch! Een dergelijke kerel heeft nog nooit bestaan!
-Met groote geslepenheid houdt hij nu al wekenlang onze geheele
-politiemacht bezig. Men is er nog niet in geslaagd, een enkel spoor van
-den vent te vinden. Sherlock Holmes schijnt zich uit het openbare leven
-terug te willen trekken en zonder dezen is onze zoo beroemde politie
-een ouwe wijvenboel.”
-
-„Ja”, antwoordde de boekhouder, „die Raffles is een genie! En ik moet
-eerlijk bekennen, dat ik respect voor hem heb! Hij moet een
-buitengewoon talent bezitten, die koning der inbrekers. Een ware
-Napoleon! En voor de rest ontegenzeggelijk een gentleman!”
-
-„Ik geloof, dat je gek bent, mijn waarde. Geheel Londen schijnt
-aangetast te zijn door Raffles-koorts. Waar men komt, hoort men over
-dien aristocratischen dief spreken!” Mr. Brown trok verachtelijk zijn
-dikke lippen op. „Gij schijnt een eigenaardige opvatting te hebben
-omtrent een gentleman!”
-
-„In ’t geheel niet, Mr. Brown”, antwoordde de boekhouder, „het is
-immers een feit, dat deze onbekende inbreker het gestolene alleen
-gebruikt om den armen uit Whitechapel of Eastend weldaden te bewijzen.”
-
-„De kerel is gek”, sprak Mr. Brown, „stapelgek! Hij deed verstandiger,
-als hij het gestolene aanwendde voor betere doeleinden. Al was het maar
-voor wijn, vrouwen en weelde. Dat gepeupel in Whitechapel en Eastend
-zou mij geen penny waard zijn!”
-
-„Daarom zorgt Raffles daarvoor”, glimlachte de boekhouder. „Hij neemt
-in plaats van de pennys, welke gij niet aan de armen geeft, banknoten
-uit uw zak. Dat helpt beter.”
-
-Brown fronste toornig zijn wenkbrauwen en antwoordde op beleedigenden
-toon:
-
-„Gij durft veel beweren, Mr. Thomas. Houd uw opmerkingen voor u. Als
-gij niet zooveel jaren bij mij in betrekking waart, zou ik u dit zeer
-kwalijk nemen.
-
-Maar—laat ons geen ruzie maken om dien Raffles. Het voornaamste is, dat
-hij ons ongemoeid laat.”
-
-„Laten wij het beste ervan hopen! Ik geloof ook niet, dat gij genoeg
-bezit, om een bezoek van Raffles te zullen krijgen”, vervolgde de
-boekhouder.
-
-„Wat?!” riep Mr. Brown, „bezit ik niet genoeg?—Mijnheer, ik ben
-millionnair!—Ik ben hofleverancier!”
-
-„Zooveel te beter voor Raffles, als hij komt!”
-
-„Zwijg! Gij maakt mij zenuwachtig”.
-
-De boekhouder sprak lachend:
-
-„Het zou mij zeer aangenaam zijn, als hij mij op onzichtbare wijze aan
-eenige banknoten hielp, al kwamen zij dan ook niet uit uw kas, Mr.
-Brown!”
-
-Deze richtte zijn korte, breede gestalte op en riep woedend uit:
-
-„Houd eindelijk uw flauwe aardigheden voor u. Gij zijt in staat,
-iemands humeur totaal te bederven. De duivel moge dien Raffles halen!
-Ik slaap toch al zoo onrustig, sinds die kerel op het tooneel is
-verschenen; elken nacht droom ik, dat hij mijn brandkast heeft
-geplunderd. Ik wil niets meer over hem hooren. Maar roep nu Miss
-Walton!”
-
-De boekhouder verliet de kamer, terwijl Brown naar de brandkast liep,
-die naast de schrijftafel stond, en de blinkende grendels en sloten
-onderzocht.
-
-„Men zou er zenuwachtig van worden”, mompelde hij, „je zou zoo
-langzamerhand gaan denken, dat die Raffles in een gesloten brandkast
-zat.”
-
-Nogmaals probeerde hij de verschillende grendels, hij zette het
-letterslot op een ander geheim woord en noteerde dit.
-
-Toen hij hiermee gereed was, kwam Miss Walton binnen.
-
-Zij was een jong meisje, zeer bescheiden gekleed, maar met een
-bijzonder lieftallig en fijn gezichtje.
-
-Aarzelend bleef zij op den drempel staan.
-
-„Kom wat nader, lief kind”, lachte Brown en zijn kleine oogen gleden
-langs haar gestalte.
-
-Hij trad op haar toe, vatte met zijn vleezige zwaar-beringde vingers
-haar slanke hand en voerde het jonge meisje naar een Turkschen zetel.
-
-Deze vertrouwelijkheid maakte op Miss Walton den indruk, alsof een
-griezelige spin over haar heenkroop en een onverklaarbare angst greep
-haar aan.
-
-Brown zette zich in een stoel naast den hare, vatte wederom haar hand
-en streelde die, terwijl hij het meisje teeder aankeek.
-
-Miss Walton werd bloedrood in het gelaat.
-
-„Wat hebt ge mooie handen! Die vingertjes zijn veel te teer om het ruwe
-bureauwerk te doen; die zijn alleen geschikt om zijden rokken op te
-houden en met briljanten versierd te zijn!”
-
-Het jonge meisje was te onervaren om te begrijpen, wat haar chef
-bedoelde en hoewel het onaangename gevoel niet van haar week, waagde
-zij het toch niet, haar hand terug te trekken. Zij meende, dat de
-vijftigjarige man haar met vaderlijke welwillendheid tegemoet trad.
-
-Deze van zijn kant dacht, dat zij haar hand in de zijne liet rusten als
-een teeken van toenadering en zich vooroverbuigend, kuste hij haar
-vingers.
-
-Het meisje schrikte terug.
-
-Haar vrouwelijk instinct zei haar plotseling in welk gevaar zij zich
-thans bevond.
-
-Haastig stond zij op en sprak:
-
-„Het is laat, Mr. Brown. Gij moet mij verontschuldigen, mijne zieke
-moeder, die thuis wacht, zou ongerust worden als ik te lang wegbleef.
-Ik moet nu gaan.”
-
-„Zoo laat is het nog niet”, antwoordde haar chef, „en uw moeder zal
-uitstekende verpleging hebben en alles wat zij verlangt, als ge een
-beetje vriendelijk tegen mij wilt zijn.”
-
-Miss Walton keek den chef met groote oogen aan, die opstond en haar
-wederom naderde om opnieuw haar hand te vatten.
-
-Maar zij stiet hem terug.
-
-„Laat mij! Ik moet gaan!”
-
-„Niet zoo gauw, kleintje! Je kunt nog een uurtje met mij babbelen, dan
-ben je nog vroeg genoeg thuis.”
-
-Hij wilde haar omvatten, maar zij week terzijde.
-
-„Laat mij gaan, of ik roep om hulp!”
-
-„O ho, je bent een kleine kat, maar je roepen zou tevergeefsch zijn,
-want wij zijn alleen in het gebouw”.
-
-Miss Walton keek angstig om zich heen om een uitweg te ontdekken.
-
-Daar zag zij door een der vensters een slank gebouwden jongen man
-staan, die van een krantenjongen het avondblad kocht.
-
-In een oogwenk was het meisje naar het venster gesneld en had dit
-geopend.
-
-„Help mij alstublieft! Men beleedigt mij!”
-
-Verbaasd draaide de man zich om.
-
-Het meisje keek een oogenblik in een paar groote, zwarte oogen en zag
-een donker, door de zon gebruind gelaat.
-
-De vreemdeling boog.
-
-„Ik kom onmiddellijk!”
-
-Miss Walton haalde verruimd adem.
-
-Met een van woede verwrongen gelaat stond Brown midden in de kamer en
-riep met gebalde vuisten:
-
-„Zottin! Dat zal ik je betaald zetten!”
-
-Maar in hetzelfde oogenblik ook trad de vreemdeling binnen.
-
-„Wat wilt ge in mijn bureau? Dadelijk eruit of ik roep een
-politieagent!” schreeuwde de koopman.
-
-Zonder hem met een antwoord te verwaardigen, wendde zich de vreemdeling
-tot Miss Walton.
-
-„Waarmee kan ik u van dienst zijn? Ik hoorde, dat men het u lastig
-maakt.”
-
-„Breng mij uit dit huis! Die man daar beleedigt mij!”
-
-De vreemdeling begreep terstond, wat gebeurd was. Hij sprak op
-minachtenden toon tot hem:
-
-„Ellendeling!”
-
-„Ga heen!” herhaalde de aangesprokene.
-
-De vreemdeling keerde zich om en sprak tot Miss Walton:
-
-„Volg mij alstublieft!”
-
-Het jonge meisje knikte hem dankbaar toe en verliet met hem het
-vertrek.
-
-„Ge zijt ontslagen!” riep de chef haar na.
-
-Haar redder glimlachte en bracht Miss Walton haar buiten, waar zij met
-eenige woorden van dank afscheid van hem wilde nemen.
-
-„Het kan misschien van eenig nut zijn, als ik uw adres wist”, vroeg de
-jonge man.
-
-Miss Walton gaf hem oogenblikkelijk haar visitekaartje.
-
-Toen boog hij tot afscheid.
-
-Het jonge meisje haastte zich huiswaarts en zag dus niet, dat de
-vreemdeling in het bureau terugkeerde en de buitendeur achter zich
-sloot.
-
-Secondenlang luisterde de indringer.
-
-Toen haalde hij een zwart masker uit den zak te voorschijn en sloop
-door de verschillende lokalen naar Brown’s werkkamer.
-
-Deze wilde juist vertrekken.
-
-Hij had het heele voorval reeds vergeten en floot zachtjes een melodie
-uit „Die lustige Witwe.”
-
-Plotseling bleef hij als verlamd staan, want vlak voor hem stond
-eensklaps een gemaskerd persoon, die hem den loop van een revolver
-voorhield.
-
-„Ik wil graag kennis met u maken,” sprak een dreigende stem.
-
-De koopman kon geen woord uiten.
-
-Zijn knieën sidderden—het werd hem zwart voor de oogen.
-
-„Volg mij!” beval de gemaskerde.
-
-Willoos gehoorzaamde Brown.
-
-Het tweetal ging naar een vertrek, dat achter in het gebouw was
-gelegen: de kleedkamer der beambten.
-
-De gemaskerde opende een groote kleerkast en beval Brown daarin te
-gaan.
-
-„Uw portefeuille, mijnheer”, beet hij den handelaar toe en deze
-gehoorzaamde, blij, er zoo gemakkelijk af te komen.
-
-„Voor uw brandkast heb ik nu geen tijd, daar kom ik een volgenden keer
-wel om!”
-
-De deur van de kast ging dicht en de onbekende verliet het vertrek.
-
-Toen hij weer in het kantoorlokaal was gekomen, opende hij de
-portefeuille en nam er verscheidene banknoten uit.
-
-Daarop zocht hij eenige enveloppen, bedrukt met den naam der firma en
-deed in ieder een bankbiljet.
-
-Aan de schrijftafel van Mr. Brown zette hij op iedere enveloppe:
-
-
- „Voor een nuttig gebruik zendt u dit
-
- JOHN RAFFLES.”
-
-
-Hij lachte zachtjes en sloot de enveloppe met een zegel, dat een
-gekroond doodshoofd vertoonde.
-
-Hierop legde hij de brieven op de lessenaars der beambten.
-
-Van den verderen inhoud der portefeuille interesseerde hem slechts een
-enkele brief, die door zekeren bankier James Gordon uit Oxford Street
-aan Mr. Brown gericht was en luidde:
-
-
- „Mijn waarde Mr. Brown,
-
- Ons laatste zaakje heeft een schitterende winst afgeworpen. De
- wissels, die wij van dokter Walter kregen zijn eindelijk door hem,
- nadat ik hem met het gerecht heb gedreigd, betaald. Ik heb u voor
- tweehonderd pond gecrediteerd. Zend mij heel gauw iets dergelijks.
- Zoo’n zaak is de moeite waard.
-
- Met beste groeten, uwe
-
- JAMES GORDON.”
-
-
-„Dien man moet ik leeren kennen,” mompelde Raffles.
-
-Hij stak den brief in zijn zak en verliet het kantoor.
-
-Het kloppen en schreeuwen van den opgesloten koopman hoorde hij
-weerklinken, lachte er eens hartelijk om en verdween tusschen de
-menigte.
-
-Daar buiten ventten nog steeds de krantenjongens hun bladen, waarvan de
-laatste daad van Raffles stond beschreven; zij vermoedden niet, dat
-reeds een nòg latere streek was gepleegd.
-
-
-
-
-
-
-
-
-TWEEDE HOOFDSTUK.
-
-EEN SCHURKACHTIGE BANKIER.
-
-
-In zijn klein kantoortje in Oxford Street te Londen zat de bankier
-James Gordon en telde groote geldsommen, die hij in verschillende
-muntsoorten verdeelde, in rollen wikkelde en in zijn brandkast borg.
-
-Hij was een klein, mismaakt persoon, met pokdalig gelaat, dat duidelijk
-de sporen droeg van gierigheid.
-
-De bankier had zoo juist zijn brandkast gesloten, toen er bescheiden
-aan de deur werd geklopt.
-
-Met heesche stem riep hij: „binnen!” en een oude vrouw van omstreeks
-vijftig jaren trad bescheiden en aarzelend binnen. Zij monsterde het
-bureau.
-
-„Wat wilt ge?” vroeg hij op korten toon.
-
-„Neem mij niet kwalijk,” stamelde de vrouw, „ik heet Anny Walton en ik
-las in een advertentie, dat gij geld leent.”
-
-„Zeker, dat is mijn zaak! Wenscht ge geld?”
-
-„Ja, ik verkeer in groote verlegenheid. Mijn man is verleden jaar
-gestorven en mijn dochter heeft geen betrekking.”
-
-„Hebt ge borgen?”
-
-„Och, mijnheer,” antwoordde de oude vrouw op bevenden toon en tranen
-vulden haar oogen, „ik heb nog maar een paar kleinigheden, maar dat zal
-voor u niet genoeg borgstelling zijn.”
-
-Bankier Gordon liet een zacht gefluit hooren en lachte toen brutaal:
-
-„Denkt ge, dat ik gek ben? Dan zou heel Londen wel kunnen komen, heel
-Whitechapel en Eastend, om geld van mij te leenen! Poeh! Hahaha!”
-
-De vrouw keek hem aan met angstig gelaat.
-
-„Mijnheer,” smeekte zij, „ik ben heel ziek en heb mij hierheen gesleept
-om hulp te halen.”
-
-„Blijf liever thuis en houd mij niet op”, antwoordde de bankier op
-ruwen toon.
-
-„Maar wat moet ik dan beginnen? Ik weet geen raad meer en geef u mijn
-eerewoord, mister, dat ik dag en nacht wil werken, zoo gauw als ik weer
-beter ben om u het geleende terug te betalen.”
-
-„Dan zal ik nog lang moeten wachten,” meende de bankier op drogen toon,
-„zoo spreekt jelui allemaal als je honger hebt. Ik kan dat! Maar ge
-hebt een dochter, zooals ge vertelt! Stuur die dan des nachts naar
-Piccadilly Street, of, als ze daarvoor niet mooi genoeg is, stuur haar
-dan naar Whitechapel, om er op de straat haar brood te verdienen.”
-
-De oude vrouw verbleekte, toen zij de namen van die Londensche wijken
-hoorde, waar slechts de, demi-monde en de misdadigers hun handwerk
-beoefenden.
-
-„Nooit!” riep zij uit, „gij hebt geen kinderen, mijnheer, anders zoudt
-ge niet zoo spreken, dat is heel zondig van u!”
-
-Bankier Gordon haalde minachtend de schouders op.
-
-„Ga nu toch, ik kan uw gejammer niet langer hooren, ik heb te werken.”
-
-Moeizaam wankelde de vrouw naar de deur.
-
-In hetzelfde oogenblik kwam een jonge, elegante man binnen, die de oude
-vrouw bij den arm vatte.
-
-„Blijf hier, juffrouw Walton. Ik hoorde toevallig, daar de deur niet
-geheel gesloten was, het gesprek, dat hier gevoerd werd. Ik hoop u te
-kunnen helpen.”
-
-De vrouw volgde hem aarzelend en ging in de kamer terug.
-
-Bankier Gordon was opgestaan en keek den binnentredende aan, die
-elegant gekleed was.
-
-De vreemdeling van zijn kant deed met onverschillig gebaar zijn
-parelgrijze handschoenen uit, nam zijn monocle uit het rechteroog en
-stak een sigaret op. Den cilinderhoed had hij, als een bijzondere
-uiting van onverschilligheid, niet afgenomen. Hij kon ongeveer dertig
-jaren oud zijn; zijn gelaat had een trotsche, zelfbewuste uitdrukking
-en zijn oogen schitterden overmoedig en keken vastberaden neer op
-bankier Gordon.
-
-Deze was heel zenuwachtig geworden; hij wist niet, wat hij met dien
-indringer doen zou.
-
-Te oordeelen naar de kostbare diamanten, die de gentleman aan de handen
-droeg, kwam deze persoon geen geld leenen.
-
-Daar de vreemdeling geen aanstalten maakte tot spreken, maar met een
-spottend lachje den rook van zijn sigaret den bankier in het gelaat
-blies, vroeg eindelijk James Gordon:
-
-„Waarmee kan ik u van dienst zijn?”
-
-„Met heel veel”, antwoordde de vreemdeling, „ik kreeg uw adres
-gisteravond tijdens een kort bezoek, dat ik bij mister Brown bracht.
-Het is mij zeer aangenaam, kennis met u te maken!”
-
-Toen de bankier den naam van zijn handelsvriend hoorde, klaarde zijn
-gelaat op. Hij boog hoffelijk, maakte met de hand een uitnoodigende
-beweging tot plaats nemen en zei:
-
-„Met wien heb ik de eer?”
-
-De onbekende keek hem aan en antwoordde na een korte poos:
-
-„Mijn naam zal u wel bekend zijn. Ik heet—” hij wachtte een oogenblik
-en sprak toen op langzamen, afgemeten toon: „John C. Raffles.”
-
-Als door een adder gestoken, sprong bankier Gordon van zijn stoel op en
-tastte met zijn rechterhand naar een, onder een stapel papieren
-verborgen revolver.
-
-„U bent Raffles?” vroeg hij stotterend van angst. „Raffles, van
-wien—die—die—”
-
-„Juist”, viel de gentleman den bevenden bankier in de rede, „dezelfde,
-dien ge meent, ik ben Raffles, de groote onbekende, de aartsdief, die
-er een sport van maakt, onmenschelijke schurken op te sporen en te
-beproeven met den roof, dien hij jelui bloedzuigers en woekeraars
-afperst, datgene goed te maken, wat gij hebt gezondigd.”— — —
-
-”— —Maar eerst”, hij wendde zich tot mrs. Walton, die zwijgend neerzat,
-„hoeveel geld hebt ge noodig, beste vrouw? Vijftig pond, misschien?”
-
-„Neen, neen!” stotterde deze, „met vijf pond was ik al geholpen!”
-
-„Ik ken uw dochter, mevrouw”, zei Raffles, „en het toeval heeft mij u
-te hulp gevoerd; maar laat ons nu over zaken spreken.”
-
-Hij wendde zich tot Gordon.
-
-„Betaal die vrouw vijf pond!”
-
-De bankier wilde iets antwoorden, maar de vrees voor den onbekende
-verlamde zijn tong en bevend ging hij naar de brandkast.
-
-Hij legde een banknoot van vijf pond op tafel.
-
-„Dat is voor u!” sprak Raffles tot de vrouw, „de bankier geeft het u
-graag. Het is de fatsoenlijkste manier van zaken drijven, die hij ooit
-bij de hand heeft gehad, want hij geeft u het geld zonder rente en laat
-het u zoo lang behouden, totdat het u weer beter gaat. Hij is een braaf
-mensch, deze bankier Gordon; en nu moet gij heengaan en mij met
-mijnheer alleen laten.”
-
-Onder vriendelijke dankzegging verliet de ongelukkige vrouw het
-vertrek.
-
-Nauwelijks had zij de deur achter zich gesloten, of Raffles sloeg een
-anderen toon aan.
-
-„Ik ben werkelijk verheugd, den gemeensten woekeraar van geheel Londen
-eindelijk te leeren kennen.—Nu beveel ik u”, bij deze woorden haalde
-hij een revolver uit zijn pelsjas te voorschijn—„neem op dien stoel bij
-den haard plaats en blijf daar zoo rustig zitten, alsof gij in de kerk
-waart.”
-
-Met sidderende knieën begaf de bankier zich naar de hem aangewezen
-plaats. Zonder zich te durven bewegen, zag hij, hoe John Raffles de
-brandkast opende en daaruit een groot pakket wissels nam, die de
-woekeraar van arme ongelukkigen had weten te bemachtigen en hoe hij dit
-in zijn geel handtaschje wegborg.
-
-De bankier stiet een geluid uit als van een vastgebonden wild dier.
-
-Met een spotlachje keek Raffles hem aan en sprak:
-
-„Wat zegt u?— —Het spijt u zeker, dat ik u bevrijd van dezen
-zondenlast? Gij moest mij liever dankbaar zijn, mijn waarde, dat ik
-eindelijk weer een fatsoenlijk mensch van u maak. En voor de rest, als
-gij iets van mij wenscht, kunt ge u tot de politie wenden. Maar.....”
-
-Hij lachte weer, stak een sigarette aan, sloot zijn tasch en vervolgde:
-
-„Ik denk, dat gij er niet op gesteld zijt, in aanraking te komen met de
-politie, want deze mocht eens inzage van uw boeken willen nemen en dat
-zou u uw vrijheid weleens kunnen kosten. Men zou u waarschijnlijk een
-paar jaar achter de tralies zetten. Dat zou heel nuttig zijn, niet
-alleen voor u zelf, maar ook voor de maatschappij, die dan voor eenigen
-tijd bevrijd zou zijn van zulk een schandelijk insect!
-
-Ik zal in elk geval mijn plicht doen in dezen en het genoegen hebben,
-de politie, zooals ik dat steeds gewend ben, te waarschuwen.”
-
-Vrees en haat stonden duidelijk te lezen op het gelaat van den bankier.
-
-„Gij zult de politie niet waarschuwen”, fluisterde hij met heesche
-stem. „Welk nut zoudt gij daarvan kunnen hebben?”
-
-„Ik zei het u immers al”, antwoordde John Raffles, „het genoegen, de
-maatschappij van u te bevrijden.”
-
-De bankier wierp zich op de knieën, hief de handen smeekend op en
-kermde om genade.
-
-Maar de ander liet zich niet vermurwen.
-
-Met een blik vol afschuw keek hij naar den smeekeling en op
-minachtenden toon sprak hij:
-
-„Gij zijt even lafhartig, als elke schurk. Maar ik ben zonder erbarmen,
-zooals gij dat zijt geweest jegens de ongelukkigen, die zeker dikwijls
-hier om medelijden hebben gesmeekt.”
-
-Daarop nam John Raffles een der boeken van den woekeraar, nam den
-zwaren foliant met beide handen op en, terwijl hij hem met een
-geweldigen slag op het hoofd van den bankier liet neerkomen, sprak hij:
-
-„Hier hebt ge nog een klein souvenir!”
-
-Gordon was door den slag bewusteloos op den bodem in elkaar gezonken;
-John Raffles keek eenige seconden naar hem, daarop nam hij een klein
-fleschje uit zijn zak, dat een verdoovend vocht bevatte, deed eenige
-druppels hiervan op een zakdoek van den bankier en drukte deze op het
-gelaat van den bewustelooze.
-
-Zachtjes sprak hij tot zichzelf: „Hij moet zoolang blijven liggen tot
-de politie komt.”
-
-Daarop nam hij het kasboek en zijn taschje met de wissels en
-schuldbrieven op en verliet het kantoor.
-
-Zorgvuldig sloot hij de deur van buiten met een sleutel af en gaf dezen
-aan een liftjongen, terwijl hij tot dezen zei:
-
-„Mr. Gordon is voor een paar uur uitgegaan, hij verzocht mij, u dezen
-sleutel te geven.”
-
-„In orde!” antwoordde de jongen, den sleutel bij zich stekend.
-
-Daarop verliet John Raffles het huis.
-
-
-
-
-
-
-
-
-DERDE HOOFDSTUK.
-
-DE SCHRIK VAN SCOTLAND YARD.
-
-
-De inspecteur van politie Baxter van de geheime afdeeling zat in zijn
-werkkamer, die zich in Scotland Yard bevond, de schrik van alle
-misdadigers.
-
-Hij stond aan het telegraaftoestel naast zijn schrijftafel en las met
-gespannen aandacht de geheime berichten, die hem van de verschillende
-politiebureaus werden toegezonden.
-
-Zenuwachtig liet de inspecteur de smalle, eindelooze papierstrook door
-zijn vingers glijden.
-
-Plotseling werden zijn oogen grooter. Alsof hij een spook zag, zoo keek
-hij naar het juist aankomende telegram.
-
-Zijn gelaat werd bleek, hij stiet een kreet van verbazing en woede uit,
-daarop sprong hij naar zijn schrijftafel, drukte haastig op een
-electrischen knop en na eenige seconden snelden meerdere geheime
-beambten van zijn afdeeling de kamer binnen.
-
-„Wat is er gebeurd?” riep detectieve Tyler uit, een groote,
-breedgeschouderde kerel.
-
-„Een spook! Het is meer dan gek!” riep de inspecteur opgewonden uit.
-„Daar ontvang ik een raadselachtig telegram, afgezonden door John
-Raffles, den kerel, die door den duivel zelf beschermd schijnt te
-worden. Het is hem gelukt, een verbinding te krijgen met onzen geheimen
-kabel. Die man schijnt met bovenaardsche machten in contact te staan.
-
-Nu bezitten wij geen geheime geleiding meer! Hij is nu in staat, onze
-onderlinge telegrammen te controleeren.
-
-Dat is de dolste streek van dien Raffles, heeren! Overtuigt u zelf!”
-
-Nieuwsgierig verdrongen de beambten zich om den inspecteur Baxter en
-staarden op de papierstrook van het morse-seinapparaat, waarop te lezen
-stond:
-
-„inspecteur van politie baxter, scotland yard. veroorloof mij, u zoo
-kort mogelijk, langs dezen weg, mede te deelen, dat ik in de
-eerstvolgende vierentwintig uur de brandkast van lord edward lister zal
-plunderen. ik zal zoo vrij zijn, u voortaan mijn plannen steeds langs
-dezen weg mede te deelen. met de meeste hoogachting voor u en scotland
-yard. raffles.”
-
-„Raffles!” herhaalden de beambten.
-
-„Ja, heeren”, riep Baxter, „deze John Raffles brengt mij in een
-krankzinnigengesticht. Ik kan aan niets meer denken dan aan Raffles. De
-couranten van het binnen- en buitenland drijven den spot met ons. De
-brutaliteit van den onbekenden dief overtreft alle grenzen. Voortaan
-zal hij ons zelfs aankondigen, welke misdaden hij van plan is, te
-begaan.”
-
-„Hij wil het u gemakkelijk maken, inspecteur, het is een zeer beleefd
-mensch!” meende detective Marholm, welke door de Londensche misdadigers
-„De Kakkerlak” werd genoemd.
-
-Hij glimlachte spottend en maakte daardoor zijn chef nog woedender.
-
-Inspecteur Baxter sloeg met zijn vuist op de schrijftafel en riep met
-toornig gelaat: „Gij amuseert u op een eigenaardige manier, detective
-Marholm!”
-
-„Ik ontken niet”, antwoordde deze, „dat die geschiedenis mij vermaakt
-en voor dien man heb ik respect!”
-
-„Gij behoeft geen respect voor hem te hebben. Ik wil mijn hoofd
-verwedden, dat ik hem dezen keer vang.”
-
-„Wat heeft Sherlock Holmes u geantwoord?” vroeg Tyler.
-
-Het gelaat van den Engelschen politiebeambte kreeg een uitdrukking van
-misnoegen bij het hooren van den naam van zijn wereldberoemden collega.
-
-„Hier ligt een brief Van Mr. Holmes over deze zaak en hij schrijft mij,
-dat hij de misdaden van dezen man zoo vermakelijk vindt, dat hij hem
-niet wil storen in zijn werk en er dus voor moet bedanken om Scotland
-Yard de behulpzame hand te bieden.”
-
-„Dat wil zeggen,” sprak Tyler, „dat Sherlock Holmes den spot drijft met
-Scotland Yard en ons wil toonen, hoe weinig wij zonder hem kunnen
-uitrichten.”
-
-„De couranten hebben hetzelfde oordeel geveld,” zei detective Marholm.
-„Sherlock Holmes heeft ons door zijn wereldberoemdheid onze goede
-reputatie ontnomen.”
-
-„Deze John Raffles maakt me gek”, herhaalde inspecteur Baxter op
-verdrietigen toon, „geheel Londen amuseert zich. Hoe mag de schurk er
-wel uitzien?”
-
-In dit oogenblik belde de telefoon.
-
-Tyler ging naar het toestel, terwijl de anderen zwijgend wachtten.
-
-Plotseling begon de groote, breedgeschouderde man te sidderen, alle
-kleur week uit zijn gelaat en zijn rechterhand zocht steun op de
-schrijftafel.
-
-Verbaasd keken zijn collega’s hem aan.
-
-„Wat is er, Tyler?” vroeg Baxter.
-
-Deze wenkte hem te zwijgen, daarop riep hij op zenuwachtigen toon:
-„Ja!” in de microfoon, legde den hoorn op het toestel en sprak gejaagd.
-
-„Wij moeten dadelijk naar het kantoor van den bankier James Gordon in
-Oxford Street. De bankier ligt daar bewusteloos bij den haard. Uit de
-brandkast zijn 3865 pond sterling gestolen.”
-
-„Wie gaf het bericht?” vroeg Baxter, die zich dadelijk gereed maakte om
-te gaan.
-
-„Wie?” herhaalde Tyler, diep ademhalend—„de misdadiger zelf!”
-
-„Voor den duivel!” klonk het eenstemmig door het vertrek.
-
-„En de inbreker zendt u, inspecteur Baxter, zijn beste groeten,”
-vervolgde Tyler, „en hij laat u weten, dat zijn naam is John Raffles!”
-
-Een ademlooze stilte volgde, maar na eenige seconden riep Baxter uit:
-
-„Voorwaarts, lui! Iedere seconde is kostbaar! Die man maakt mij
-krankzinnig!”
-
-Eenige minuten later vloog een auto de groote poort van Scotland Yard
-uit. Daarin zaten inspecteur Baxter en vier der handigste beambten van
-Scotland Yard.
-
-Het doel was Oxford Street, het kantoor van James Gordon.
-
-In een kwartiertje hadden zij het huis bereikt, een groot gebouw, dat
-veel kantoorlokalen bevatte.
-
-De portier bracht de politieambtenaren in de lift naar het kantoor van
-James Gordon, dat op de vierde verdieping was gelegen.
-
-De deur was gesloten.
-
-In een deurspleet zat een visitekaartje, dat Baxter te voorschijn
-haalde.
-
-Hij las:
-
-„Den sleutel van het kantoor heeft Jim, de liftjongen”.
-
-Deze werd terstond gehaald.
-
-Hij vertelde, terwijl hij den sleutel uit zijn broekzak te voorschijn
-haalde, dat een heer hem dezen had gegeven om hem mister Gordon te
-overhandigen, als hij er naar vroeg; hij had daarvoor een shilling
-gekregen.
-
-„Hoe zag die heer er uit?” vroeg Baxter.
-
-„Hij was zoo groot als u,” antwoordde de lift-boy, „en droeg een
-grooten, zwarten baard, een bruine jas, een bruinen hoed; hij stotterde
-nogal erg”.
-
-„Welke kleur hadden zijn oogen?”
-
-„Dat weet ik niet. Die heer droeg een donker gekleurden bril”.
-
-Detective Marholm lachte luid.
-
-„Laat ons geen onnoodigen tijd verliezen”, drong Tyler aan.
-
-Baxter sloot de deur open en de heeren traden het kantoor binnen.
-
-Alles zag er zoo uit, als hun per telefoon was meegedeeld.
-
-Voor den kleinen schoorsteen lag de oude, 70-jarige bankier met
-gesloten oogen.
-
-Een zoetelijke geur van chloroform vervulde het vertrek.
-
-Dank zij den bemoeiingen der politiemannen gelukte het, den
-bewustelooze weer in het leven terug te roepen.
-
-Nauwelijks was hij in zooverre hersteld, dat hij kon spreken, toen hij
-opstoof:
-
-„Wat wilt ge hier?”
-
-Deze vraag kwam zoo onverwacht, dat de detectives den bankier verbaasd
-aankeken.
-
-„Ge zijt beroofd,” sprak Baxter en hij wees op de openstaande
-brandkast.
-
-De bankier maakte een onverschillige handbeweging en vroeg:
-
-„Wie zijt ge?”
-
-Baxter en zijn mannen dachten, dat de bankier nog onder den invloed van
-de chloroform verkeerde en detective Marholm sprak tot Baxter:
-
-„Laat den bankier nog een paar minuten met rust, opdat hij zijn
-herinneringsvermogen kan terugkrijgen”.
-
-Over het spitse vogelgezicht van Gordon vloog een donkerroode gloed.
-
-Met scherpe stem vroeg hij nu:
-
-„Ik vraag u nogmaals, wat ge hier in mijn bureau te maken hebt. Wenscht
-ge zaken met mij te doen?”
-
-Baxter deed zijn overjas open en liet zijn ambtspenning zien.
-
-Wij zijn politieambtenaren en kregen mededeeling, dat ge beroofd zijt.”
-
-„Wie vertelde u dat?”
-
-„De inbreker zelf,” antwoordde Baxter.
-
-„Ge zijt gek!” riep Gordon uit. „Ge zijt gek, ik weet toch beter dan
-gij, wat er gebeurd is?”
-
-De detectives begrepen er niets van.
-
-„Wilt ge ons voor den mal houden?” vroeg Baxter boos.
-
-De bankier richtte zijn misvormde gestalte op, wees naar de deur en
-snauwde:
-
-„Als ge niet dadelijk mijn bureau verlaat, zal ik van het naburige
-politiebureau hulp inroepen. Ge hebt hier niets te zoeken! Ik heb u
-niet noodig! Ga heen!”
-
-De detectives gingen, geheel uit het veld geslagen, naar de deur.
-
-Daar wendde Baxter zich nog eens om en zei:
-
-„Bedenk toch, wat gij doet, mijnheer, gij zijt overvallen en beroofd;
-men heeft u 3865 pond ontstolen!”
-
-„Bemoei u met uw eigen aangelegenheden en niet met de mijne”, brulde de
-bankier purperrood van woede. „Ik herhaal u, dat ik u niet riep—en nu
-voor het laatst, ik verzoek u, mijn bureau te verlaten.”
-
-De beambten moesten dit bevel gehoorzamen.
-
-Toen zij zich weer buiten bevonden, keken zij elkaar aan, alsof zij aan
-hun eigen verstand twijfelden. Een boosaardig, hoonend lachen klonk hun
-van uit Gordons kantoor in de ooren.
-
-„Zoo iets is mij in mijn geheele leven nog niet gepasseerd,” sprak
-Baxter eindelijk tot Tyler, „maar ik geloof, dat ik het zaakje wel zal
-verklaren. De man is bestolen, de inbreker zelf deelt het ons mede, wij
-vinden alles, zooals hij het ons beschrijft en de bestolene wijst ons
-de deur.”
-
-Een boodschapsjongen kwam op dit oogenblik aangesneld en riep luid den
-naam van inspecteur Baxter.
-
-„Hier!” antwoordde deze, „dat ben ik!”
-
-De jongen reikte hem een couvert over, waarop met groote letters den
-naam van den inspecteur Baxter stond, aan het adres van bankier Gordon,
-Oxford Street.
-
-Haastig scheurde de inspecteur het couvert open, waaruit een klein
-briefje en een banknoot van tien pond te voorschijn kwam.
-
-„Voor uw bemoeiingen inzake mijn laatste inbraak zend ik u 10 pond en
-ik hoop, dat gij dit bedrag voor een goed ontbijt zult besteden.
-Raffles.”
-
-In onmachtige woede verscheurde Baxter het briefje, hij schaamde zich,
-zijn beambten iets van den inhoud mede te deelen.
-
-„Laten wij nu naar Lord Lister rijden,” sprak hij tot de detectives,
-„al moeten we ook geheel Scotland Yard op de been brengen, deze kerel
-moet gevangen worden. Hij behoeft niet te gelooven, dat hij met den
-duivel in gemeenschap staat!”
-
-Baxter zag het glimlachende gelaat van den „Kakkerlak” niet.
-
-Detective Marholm amuseerde zich zooals nog nooit te voren.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIERDE HOOFDSTUK.
-
-EEN VRIEND DER ONGELUKKIGEN.
-
-
-In de vestibule van de kleine deftige villa van Lord Lister, in het
-Regent Park, had zich tegen den avond van dienzelfden dag een groote
-menigte menschen van verschillenden stand en leeftijd verzameld.
-
-Allen hadden een telegram in de hand en spraken op fluisterenden toon
-over den merkwaardigen inhoud van deze depêches, die alle denzelfden
-tekst bevatten:
-
-„Kom dadelijk bij mij, ten einde op bevredigende wijze uwe zaken af te
-doen met bankier Gordon.
-
-Lord Lister, Regent Street 2”.
-
-Een deur werd geopend.
-
-Een slanke jonge man van ongeveer 30-jarigen leeftijd betrad vanuit een
-der binnenkamers van het huis de ruime vestibule: het was Lord Lister,
-gevolgd door zijn jongeren particulieren secretaris, die een gevulde,
-lederen portefeuille droeg.
-
-De aanwezigen keken uitvorschend den jongen Lord aan en vooral de
-vrouwen, die zich ook daar bevonden, gevoelden dadelijk de grootste
-sympathie voor hem.
-
-Een regelmatige, prachtig gebouwde gestalte en een frisch gelaat,
-waarop tegelijkertijd trots en edelmoedigheid lagen uitgedrukt. Met een
-welwillenden blik uit zijn groote, zwarte oogen keek hij naar de
-aanwezigen en met zijn welluidende stem sprak hij:
-
-„Ik ontving hedenmiddag deze portefeuille van den bankier Gordon, met
-het verzoek, aan de verplichtingen welke hij jegens u heeft, te
-voldoen”.
-
-Er ontstond een pauze.
-
-Daarop naderde een oude man in wien men den vroegeren officier
-herkende, Lord Lister en antwoordde:
-
-„Gij veroorlooft u waarschijnlijk een grap. Bankier Gordon heeft geen
-verplichtingen jegens ons—het tegendeel is helaas waar!”
-
-„God moge dezen gemeensten woekeraar van geheel Londen vervloeken!”
-riep een vrouw uit en een derde sprak op luiden toon:
-
-„Ik vloek het uur, waarin de noodzakelijkheid om mijn familie te redden
-mij in de klauwen van dien bloedzuiger dreef en evenals mij is het
-allen gegaan, die met hem in aanraking kwamen.”
-
-Met luide kreten betuigden de aanwezigen hun bijval.
-
-Lord Lister keek hen zwijgend aan.
-
-De meesten hadden sporen van zorg en kommer op het gelaat.
-
-Om de lippen van den edelman verscheen een fijn lachje, toen hij sprak:
-
-„Even als gij allen ken ik de reputatie van dezen woekeraar. De wet is
-helaas niet in staat om dergelijke menschen te straffen. Zij zijn
-echter veel grooter misdadigers dan die, welke in de gevangenissen
-worden opgesloten, want zij weten hun schandelijk bedrijf uit te
-oefenen onder bescherming van de wet.
-
-Daarom ook herhaal ik u, dat bankier Gordon verplichtingen jegens u
-allen heeft, waaraan ik heden een einde zal maken!
-
-Hier, mijn vrienden, overhandig ik u allen de wissels en schuldbrieven,
-die gij met uw hartebloed en zielsrust hebt onderteekend.
-
-God moge u ervoor bewaren, in de toekomst nog eens in de handen van
-dergelijken schurk te vallen.
-
-Open de portefeuille, Charly!”......
-
-Als in een droom stonden de ongelukkigen voor den jongen Lord. Het kwam
-hun zoo onbegrijpelijk voor,—als een wonder van hoogerhand!
-
-Aarzelend namen zij de papieren in ontvangst, nauwkeurig bekeken zij de
-onderteekeningen, als twijfelden zij aan de echtheid.
-
-Maar geen dwaling was mogelijk.
-
-Allen kregen hun schuldbrieven en wissels terug die zij den bloedzuiger
-eens hadden gegeven.
-
-Een gevoel van oneindige dankbaarheid jegens den hun onbekenden
-weldoener Lord Lister, maakte zich van hen meester.
-
-Maar toen zij hem de hand wilden drukken met tranen van dankbaarheid in
-de oogen, was hij verdwenen.
-
-Alleen zijn secretaris stond nog op dezelfde plek en verzocht hun, naar
-huis te gaan.
-
-Langzaam stroomde de vestibule leeg en spoedig heerschte groote rust in
-de kleine villa.
-
-
-
-Bij den haard in zijn werkkamer zat Lord Lister in een gemakkelijken
-fauteuil, de hem nooit ontbrekende sigarette te rooken.
-
-Zijn fijnbesneden gelaat, dat meestal een ernstige, melancholieke
-uitdrukking had, blikte nadenkend in de vlammen.
-
-Dichtbij hem zat zijn particuliere secretaris en vriend Charly Brand.
-
-De werkkamer was eenvoudig, maar voornaam en elegant ingericht.
-
-Een breede schuifdeur leidde naar het slaapvertrek; links van deze deur
-stond een oud-Hollandsche klok van meer dan manshoogte, terwijl zich
-aan de rechterzijde een brandkast bevond.
-
-Een bediende trad binnen en overhandigde Lord Lister met een diepe
-buiging de avondbladen.
-
-De eerste bladzijde reeds, welke de Lord opsloeg droeg in vette letters
-het opschrift:
-
-Raffles aan den arbeid!
-
-Scotland Yard beetgenomen!
-
-De nieuwste daad van den beroepsdief!
-
-Een Londensch bankier, die niet wil weten, dat hij bestolen is!
-
-Lord Lister lachte zachtjes en gaf zijn vriend, nadat hij de berichten
-had doorgezien, de couranten.
-
-Terwijl Charly Brand de sensatienieuwtjes las, bestudeerde de edelman
-met gespannen aandacht het gelaat van zijn vriend; hij zag, hoe dit
-verbleekte.
-
-De Lord stak een nieuwe sigarette aan.
-
-Toen hij een paar trekjes had gedaan, sprak Charly Brand:
-
-„Edward, in welke relatie sta jij met den bankier Gordon?”
-
-Lord Lister lachte opnieuw, daarop wierp hij de asch van zijn sigarette
-in het haardvuur, haalde onverschillig de schouders op en antwoordde:
-
-„Ik? In eenige relatie? Hoe meen je dat?”
-
-„Ja, heb je gelezen, Edward, dat die man vanmiddag bestolen is? En
-hijzelf ontkent het! Zoo iets geheimzinnigs heb ik nog nooit gehoord!”
-
-„Als ik Sherlock Holmes was, zou ik dat raadsel heel spoedig hebben
-opgelost!” antwoordde Lord Listen
-
-„Hoe dan?”
-
-Charly Brand Keek zijn vriend in gespannen aandacht aan.
-
-„Heel eenvoudig,” sprak deze, „de bestolene heeft ongetwijfeld reden te
-over om niet met de politie in aanraking te willen komen.”
-
-„Jij zoudt een uitstekend detective zijn geweest!”
-
-„Zeker,” stemde de Lord toe, „een jaar geleden, toen mijn gewone leven
-mij begon te vervelen, dacht ik er over na of ik niet met Sherlock
-Holmes zou gaan samenwerken.
-
-Na rijp beraad kwam ik echter tot de conclusie, dat het veel
-interessanter moet zijn om, inplaats van den jager, het wild te zijn,
-of liever gezegd: inplaats van detective misdadiger te wezen.
-
-Begrijp mij goed Charly, ik beschouw de zaak alleen uit een oogpunt van
-sport.
-
-Zoo’n misdadiger moet de dubbele portie energie, slimheid en dergelijke
-eigenschappen bezitten, als de detective.
-
-Hij staat alleen tegenover de groote massa”.
-
-„Als men je hoort spreken, Edward, zou men gelooven, dat jij veel
-belang stelt in dien onbekenden Raffles!”
-
-„O ja, Raffles is geen misdadiger in de gewone beteekenis van het
-woord, maar hij voert een voortdurenden strijd tegen die kapitalisten,
-welke ondanks alle mogelijke wetten, de grootste woekeraars ter wereld
-zijn en hij doet met het gestolene oneindig veel meer goed dan alle
-Londensche weldadigheidsvereenigingen te zamen.”
-
-„Een merkwaardig mensch!” sprak Charly Brand nadenkend.
-
-Er werd geklopt en de oude kamerdienaar Fred trad binnen, zijn meester
-op een zilveren blad een visitekaartje aanbiedend.
-
-Een trek van vreugde verscheen op het gelaat van den Lord.
-
-„Breng de dame hier!” sprak hij. „En jij, Charly, laat mij nu alleen.
-Ik ben vanavond verhinderd nog met je samen te studeeren!”
-
-Charly Brand stond op, gaf zijn vriend een hand en nam afscheid.
-
-Toen hij de kamer had verlaten, trad een dichtgesluierde jonge dame
-binnen.
-
-„Miss Walton, het verheugt mij, u te zien!”
-
-Met uitgestrekte handen begroette de Lord het jonge meisje.
-
-Galant drukte hij een kus op haar kleine, blanke hand, daarop sprak
-hij:
-
-„Ik was zoo vrij, u te schrijven. Ik moest u terugzien en het doet mij
-oneindig veel genoegen, dat gij gekomen zijt.”
-
-„Ik ben u veel dank verschuldigd,” antwoordde zij eenvoudig. Daarop
-sloeg zij haar voile terug en vertoonde een wonderschoon gezichtje,
-waaruit twee groote blauwe kinderoogen den jongen Lord aankeken. Een
-zeldzaam contrast daarmede vormde het blauwzwarte haar.
-
-Lord Lister bood haar een stoel aan en nam tegenover haar plaats.
-
-„Ik heb uw hulp noodig”, sprak zij, terwijl haar schoone oogen zich met
-tranen vulden. „Mijn moeder is ernstig ziek en haar laatste eigendommen
-zijn verkocht. Ik heb op alle manieren geprobeerd, werk te krijgen. Gij
-weet, hoe het mij in mijn laatste betrekking is gegaan. En zooals bij
-Brown ging het overal, zoodat ik nu zonder eenige verdienste ben.”
-
-„Arm kind!” fluisterde Lord Lister, „ik ken dergelijke ellendelingen,
-die gegeeseld moesten worden. Doch laten wij dit onverkwikkelijke
-onderwerp liever laten rusten. Ik heb u geschreven omdat ik morgen voor
-eenige maanden op reis ga, mijn lieve juffrouw, en het zou mij
-aangenaam zijn als gij gedurende dien tijd een groot werk voor mij
-wildet copieeren; hieraan hebt gij voor eenige maanden werk, dat gij in
-uw eigen huis kunt verrichten, zoodat gij tegelijkertijd uw zieke
-moeder kunt verplegen.”
-
-Hij ging naar een boekenkast en nam daaruit vijf dikke boeken over
-wereldgeschiedenis.
-
-„Mijn bediende zal u deze hedenavond bezorgen en ik verzoek u, nu ik
-toch voor onbepaalden tijd op reis ga, dit geld aan te willen nemen als
-voorschot op uw honorarium.”
-
-Hij haalde een portefeuille uit zijn borstzak te voorschijn, nam een
-enveloppe en deed daarin eenige banknoten.
-
-Daarna sloot hij de envelop en gaf haar met een hoffelijke buiging aan
-het jonge meisje.
-
-Zij wilde zijn hand kussen, maar hij trok deze haastig terug en sprak
-op vasten toon:
-
-„Neen juffrouw, dat mag niet! Ga naar huis om uw moeder te verplegen.
-Als het honorarium u misschien bijzonder hoog voorkomt, dan deel ik u
-bij dezen mede, dat ik steeds gewend ben, goede salarissen te geven.”
-
-Een dienaar trad binnen.
-
-„De politiecommissaris van Scotland Yard”, kondigde hij aan.
-
-„Baxter?” vroeg Miss Walton met een uitdrukking van angst op het
-schoone gelaat.
-
-Lord Lister keek haar verbaasd aan.
-
-„Wat scheelt eraan, Miss Walton?”
-
-Bevend antwoordde zij:
-
-„Sta mij toe, dit huis te verlaten, voordat die man mij ziet! Hij is
-een bloedverwant van mij, een koud, egoistisch mensch, die mij de deur
-gewezen heeft, toen ik hem om hulp voor mijn moeder kwam smeeken.”
-
-„Een net mensch”, antwoordde Lord Lister op smalenden toon.
-
-Toen bemerkte hij, dat Miss Waltons oogen zich met tranen hadden
-gevuld. Met een vriendelijk lachje trad hij op haar toe en streelde
-haar zachtjes over het haar.
-
-Een behagelijk gevoel doorstroomde het jonge meisje. Lord Lister kwam
-haar niet meer als een vreemde voor.
-
-„Hoe zal ik u danken?” fluisterde zij en haar oogen keken hem liefdevol
-aan.
-
-Hij gevoelde, dat zij willoos al zijn wenschen zou hebben ingewilligd.
-
-Een oogenblik kwam het verlangen in hem op, het mooie jonge meisje in
-zijn armen te sluiten en haar roode lippen te kussen.
-
-Zoo iemand, dan had hij daarop alle recht.
-
-Seconden lang keken zij elkander diep in de oogen en tusschen hen
-beiden werden nauwe liefdesbanden geknoopt.
-
-Maar al spoedig kreeg Lord Lister alle zelfbeheersching terug.
-
-Hij boog zich voorover en drukte een zachten kus op het voorhoofd van
-het schoone meisje.
-
-Toen sprak hij:
-
-„Ga nu naar huis, Miss Helene, misschien heb ik nog eens uw hulp
-noodig!”
-
-Hij drukte het meisje de hand, schelde den kamerdienaar en zei dezen
-Miss Walton door een zijgang het huis uit te brengen.
-
-Zijn gelaat werd ernstig.
-
-Hij ging zitten in zijn fauteuil en stak een sigaret op. Toen hij een
-paar trekken gedaan had, schelde hij den dienaar opnieuw, klemde zijn
-monocle in het oog en wachtte in onverschillige houding de komst van
-commissaris Baxter van Scotland Yard af.
-
-
-
-
-
-
-
-
-VIJFDE HOOFDSTUK.
-
-DE INBRAAK.
-
-
-„Ik kom om u te beschermen”, sprak de commissaris, toen hij tegenover
-Lord Lister stond.
-
-Een spotlach speelde om den mond van den gentleman, toen hij vroeg:
-
-„Om mij te beschermen? Dat is heel interessant. Ik wist waarlijk niet
-dat ik bescherming noodig had. Zie ik daar misschien naar uit?”
-
-Hij rekte zijn fraai gebouwde, athletische gestalte, die een eind boven
-die van den politieman uitstak.
-
-„’t Is ook niet voor uwe persoonlijke bescherming!”
-
-„Dat begrijp ik! Ik zou niemand raden, met mij te vechten! Ik heb
-verscheidene prijzen in boksen en worstelen gewonnen en ben in mijn
-club bekend als de beste vechter en schutter. Ik schiet u een halve
-penny tusschen duim en wijsvinger weg.”
-
-„Ik zei u toch al, dat het niet om uw persoon, maar om uw bezittingen
-gaat.”
-
-Lister wees naar zijn brandkast.
-
-„Mijn eigendom ligt daar uitstekend bewaard!”
-
-„Maar ondanks dat alles zal vandaag een gevaarlijk Londensch inbreker u
-een bezoek brengen om te probeeren, uw eigendommen te rooven.”
-
-Lord Lister lachte luid.
-
-„Dat is grappig! Hoe weet ge, dat men bij mij wil inbreken?”
-
-„Scotland Yard hoort en weet alles! Wij zijn bekend als de beroemdste
-rechercheurs der wereld!”
-
-„Zeer zeker!” lachte Lord Lister met lichten spot.
-
-Baxter merkte het op.
-
-Op ietwat zenuwachtigen toon sprak hij:
-
-„Uwe Lordschap schijnt met een beetje geringschatting op ons beroep
-neer te zien sinds onze laatste mislukking met dien onbekenden
-Raffles.”
-
-„Zeker”, antwoordde de gevraagde, „niemand zal ook kunnen beweren, dat
-ge u daarbij heel roemrijk hebt gedragen.”
-
-„Dat geef ik toe, maar wij hebben hier ook met een bijzonderen inbreker
-te doen en wonderlijk genoeg, worden wij in dezen strijd tegen den
-onbekende niet geholpen door onzen genialen Sherlock Holmes. Deze zou
-waarschijnlijk dien aartsschelm allang onschadelijk hebben gemaakt.”
-
-Lord Lister blies de rookwolkjes voor zich uit en sprak na eenigen
-tijd:
-
-„Om op onze zaak terug te komen, zou de inbreker, die mij hedennacht,
-zooals gij beweert, met een bezoek wil vereeren, een goeden slag slaan,
-daar ik juist gisteren met beursspeculaties 20,000 pond sterling heb
-verdiend en dit geld nog niet aan de Bank heb afgedragen. De eene helft
-ligt daar in de brandkast, de andere helft is in mijn slaapkamer
-weggeborgen onder mijn bed.”
-
-„Heel verstandig”, zei Baxter, „maar het is best mogelijk, dat de dief
-alles weghaalt.”
-
-„Ook al goed!” beweerde de heer des huizes op onverschilligen toon, „ik
-ben tegen inbraak en diefstal verzekerd en maak mij dus niets bezorgd.
-Alle schade wordt mij vergoed.”
-
-„Voor mij en Scotland Yard is het aanhouden van den dief van het
-grootste belang en ik verzoek u om mij en mijn beambten toe te staan,
-dezen nacht uw huis te bewaken!”
-
-„Uitstekend”, knikte de Lord, „mijn woning is tot uw dienst. Het is nu
-kwart voor acht, om acht uur heb ik een afspraak met een vriend. Mijn
-kamerdienaar zal u voorzien van alles wat ge noodig hebt. Weet ge
-misschien ook Mr. Baxter, wat dat voor een soort inbreker is, die mij
-bestelen wil?”
-
-„Zeker, het is de beroemde Raffles.”
-
-„Raffles? Alle duivelsch! Dien kerel zou ik wel willen leeren kennen.
-Ik zal mijn vriend schrijven dat ik vanavond verhinderd ben en ik zal u
-gezelschap houden. Misschien gelukt het ons met elkander, den inbreker
-eindelijk onschadelijk te maken.”
-
-„Uitstekend”, antwoordde Baxter.
-
-„Tenminste als hij komt”, beweerde de Lord. „Ik rijd nu dadelijk in
-mijn auto naar den schouwburg om mijn vriend persoonlijk te zeggen, dat
-ik vanavond niet vrij ben. Ik ben om tien uur weer hier.”
-
-„En ik zal mijn beambten waarschuwen”, sprak Baxter. Hij zag nog, hoe
-Lord Lister naar zijn slaapkamer ging en daar van een fauteuil een
-pelsjas nam. Toen verliet de commissaris de kamer. In de vestibule
-wachtten vier beambten, dezelfden, waarmede hij destijds den bankier
-Gordon had opgezocht.
-
-Zij beraadslaagden met elkander dat hij dien nacht in Lord Listers
-studeerkamer zou blijven, twee der mannen posteerden zich in de
-vestibule, een voor het huis, de vierde in een der bovenkamers.
-
-Op deze wijze was dus de villa zeer streng bewaakt.
-
-De inspecteur riep nu den kamerdienaar en ging met dezen naar de
-studeerkamer.
-
-Lord Lister moest deze reeds verlaten hebben, daar het electrische
-licht in beide kamers reeds was uitgedraaid. De detective draaide het
-licht weer op.
-
-De beide mannen stonden vlak bij den schoorsteenmantel en gingen het
-slaapvertrek nu doorzoeken. Een breede schuifdeur, die naar twee kanten
-in den muur rolde, scheidde slaap- en studeerkamer.
-
-In de eerstgenoemde was slechts een klein venster, waarvoor ijzeren
-tralies. Hier vandaan voerde links een kleine deur naar de badkamer.
-Slaapkamer noch badkamer hadden een anderen uitgang en waren dus alleen
-van de studeerkamer uit te bereiken.
-
-De rechercheur onderzocht alles nog eens nauwkeurig, lichtte de dekens
-op, opende kasten en deuren, en nam de kleeren er uit om zich te
-overtuigen, dat niemand was binnengeslopen.
-
-De kamerdienaar had grooten schik in al deze voorzorgsmaatregelen en
-hij kon de opmerking niet bedwingen: „Ik geloof waarempel, dat gij
-ieder stofje optilt.”
-
-„Dat geloof ik ook”, antwoordde Baxter met trotsch gebaar. „Ons ontgaat
-zelfs geen vloo!”
-
-„Wenscht ge nog iets?” vroeg de dienaar en toen de rechercheur hierop
-ontkennend antwoordde, verliet hij het studeervertrek.
-
-De rechercheur ging in den leunstoel bij den haard zitten en begon het
-avondblad te lezen. Hij had daarvoor ongeveer een uur noodig, legde
-toen de krant weg, haalde uit zijn zak een electrische
-veiligheidslantaarn te voorschijn, overtuigde zich, dat deze goed in
-orde was en zette haar op den schoorsteenmantel.
-
-Daarna onderzocht hij zijn pistool en stak het wapen in den
-rechterjaszak om het terstond bij de hand te hebben.
-
-Het was doodstil in huis en geen geluid verried de aanwezigheid van de
-detectives. In diepe duisternis gaapte de studeerkamer, maar al spoedig
-raakten Baxter’s oogen aan die donkerte gewend en vaag begon hij de
-voorwerpen te onderscheiden. De gelijkmatige slingerbeweging van de
-groote klok was het eenige geluid, dat vernomen werd. Deze klok stond
-tegen den muur, waar achter, naast de slaapkamer, de badkamer lag.
-
-Met zwaren slag verkondigde het uurwerk thans het tiende uur.
-
-Maar wat was dat?
-
-Baxter luisterde met ingehouden adem. Toen de klok ophield te slaan,
-hoorde de detective uit de slaapkamer een zacht geluid, alsof er met
-een stemvork op staal werd geslagen.
-
-De blik van den rechercheur doorboorde de duisternis en toen ontwaarde
-hij naast het bed de flauwe omtrekken van een gestalte.
-
-Een oogenblik stokte zijn polsslag, bliksemsnel werkten zijn gedachten.
-Hij geloofde eerst aan zinsbegoocheling.
-
-Het was immers onmogelijk, dat iemand de slaapkamer kon zijn
-binnengedrongen, hij had alles onderzocht.
-
-Nu hoorde hij een ander geluid, alsof een ijzeren voorwerp met geweld
-werd opengebroken.
-
-In een oogenblik had de rechercheur zijn pistool te voorschijn gehaald
-en het electrische licht ontstoken.
-
-Bij wat hij nu zag, fonkelden zijn oogen van vreugde.
-
-„Eindelijk gesnapt”, doorflitste zijn brein.
-
-In de slaapkamer, bij de opengebroken geldkist, zag hij een man in
-keurig avondtoilet, den cylinder op het hoofd, een zwart masker voor
-het gelaat.
-
-„Halt!” riep Baxter op bevelenden toon, „of ik schiet.”
-
-Maar ook de gemaskerde hief zijn revolver op, zoodat Baxter genoodzaakt
-was de lantaarn te dooven om den kogel te ontgaan.
-
-In hetzelfde oogenblik schoot hij.
-
-Hij had niet geraakt, want nu geschiedde iets ongedachts.
-
-De gemaskerde sprong naar de schuifdeur en sloot deze, voordat de
-detective het kon beletten.
-
-Gewaarschuwd door de schoten stormden nu de detectives het vertrek
-binnen.
-
-Baxter maakte weer licht.
-
-„Wij hebben hem! Eindelijk hebben wij den beruchten Raffles”, riep hij
-uit, „daarbinnen zit hij als een muis in de val! Opgepast, mannen, de
-revolver gereed! Voorwaarts!”
-
-Hij snelde naar de schuifdeur, de rechercheurs volgden.
-
-De deur werd opengeschoven.
-
-Eén oogenblik aarzelden allen.
-
-Het vertrek lag in duisternis gehuld en niets was er te zien, dan de
-geopende ijzeren geldkist.
-
-De politiemannen doorzochten het bed, openden de kasten—niemand werd
-gevonden.
-
-„Hij zal in de badkamer zijn”, riep detective Marholm en trachtte de
-deur te openen.
-
-Zijn veronderstelling bleek juist te zijn, de deur was van binnen
-gesloten met een ijzeren grendel, die men nu met vereende krachten
-trachtte te forceeren.
-
-Eerst met groote moeite gaf de deur toe.
-
-Terwijl nu de rechercheurs in hun ijver op niets anders letten, werd
-plotseling de deur van de groote, oud-Hollandsche klok in de
-studeerkamer geopend en de gemaskerde man kwam daaruit te voorschijn.
-
-Het meubelstuk stond tegen den muur van de badkamer en had een kunstig
-aangebrachte geheime deur.
-
-De klok had een ingang van uit de badkamer, die verborgen werd door de
-schuifdeur, zoodra deze openstond.
-
-Een oogenblik keek de gemaskerde om den hoek naar de rechercheurs,
-daarop wierp hij met een ruk bliksemsnel de schuifdeuren toe en sloot
-deze met een grendel. Zoodoende was hij volkomen gevrijwaard voor de
-politiemannen.
-
-Met ijzige kalmte ging hij nu naar de brandkast, die hij met een
-geheimen sleutel opende, nam een pakket en was in het volgende
-oogenblik uit de kamer verdwenen.
-
-Dit gebeurde in hetzelfde oogenblik, waarin de detectives, na wanhopige
-pogingen de deur eindelijk openbraken.
-
-Toen zij de kamer binnenstormden, bleven zij ondanks hun hevige
-opgewondenheid een oogenblik als verstomd staan.
-
-De deur van de brandkast stond wijd open en het inwendige daarvan zag
-er zwart en leeg uit.
-
-„Alle duivelsch!” knarste Baxter, „dat is tooverij, de brandkast is
-leeg! Maar wij moeten hem vangen!” beval de inspecteur en hij vloog
-naar de kamerdeur.
-
-De detectives renden hem na.
-
-Maar toen hij de deur opende, stond hij tegenover Lord Lister en diens
-vriend Charly Brand.
-
-„Hallo!” riep de gentleman, „goeden avond, heeren! Waarheen zoo haastig
-Mr. Baxter?”
-
-„Hebt gij Raffles gezien?” riep deze uit.
-
-„Ik? Neen!” lachte de Lord, „ik kom juist uit de club om u bij het
-vangen te helpen. Maar hebt gij hem misschien gezien?”
-
-„Uwe Lordschap spot met mij!” stoof de inspecteur op, „alle gekheid op
-een stokje, ik heb hem inderdaad gezien, hij was in uw slaapkamer en
-heeft uw kas beroofd.”
-
-„En verder?” vroeg de Lord op kalmen toon. „Hebt ge hem toen laten
-ontsnappen?”
-
-Baxter antwoordde niet.
-
-Maar in zijn plaats sprak de Kakkerlak: „Ja, uw Lordschap, wij waren
-zoo hoffelijk om hem met behulp van den inspecteur van politie te laten
-ontkomen.”
-
-„Hou je mond!” schreeuwde Baxter woedend, „die man heeft een verbond
-met den duivel gesloten, hij is niet te vangen. Hij is door die kamer
-ontvlucht ondanks alle voorzorgsmaatregelen en scherpe bewaking. Toen
-ik hem ontdekt had, gooide hij die schuifdeur dicht en toen ik met mijn
-detectives daar in de kamer was en de deur naar de badkamer wilde
-openen, bemerkte ik, dat hij zich in dat vertrek bevond en dat hij de
-deur gegrendeld had.”
-
-„Een wonderlijk iemand!” lachte Lord Lister, „hij heeft dus een bad
-genomen?”
-
-„Dat niet, uwe Lordschap,” meende detective Marholm, „maar het schijnt
-toch, alsof hij door de buis van de waterleiding hierheen gekomen is,
-want terwijl wij in de leege badkuip zochten, heeft hij hier heel kalm
-de brandkast geopend en alles gestolen.”
-
-„Die man brengt mij nog in het gekkenhuis!” steunde Baxter.
-
-Lord Lister keek hem met een hoonlach aan, toen zijn secretaris
-binnenkwam.
-
-Dezen verklaarde hij met korte woorden wat er gebeurd was en toen
-overhandigde hij hem de polis van de maatschappij tegen diefstal en
-inbraak, die hij in zijn portefeuille droeg.
-
-„Morgen vroeg kunt gij het bedrag voor mij innen”, sprak hij op uiterst
-bedaarden toon. „En nu, mijne heeren, geef ik u den goeden raad om, als
-Raffles weer eens van zijn plannen mededeeling doet, de zaak aan mij
-over te laten. Want om een dief te laten stelen en ontsnappen, zooals
-gij hebt gedaan, kan ik ook.”
-
-Met verlegen gebaar nam Baxter afscheid en verliet met zijn mannen het
-huis.
-
-Lord Lister lachte hartelijk en sprak tot zijn vriend Charly:
-
-„Morgen gaan wij naar Berlijn, ik wil daar een oud vriend van mij
-bezoeken.”
-
-„Ja, maar,” antwoordde Charly, „ik begrijp er niets van, had je
-werkelijk 20,000 pond sterling in je brandkast?”
-
-„Neen,” antwoordde zijn vriend op kalmen toon, „niets dan een paar
-pakjes onbetaalde rekeningen.”
-
-„Hm,” meende Charly Brand en zijn gezicht kreeg een eigenaardige
-uitdrukking. „Ik begrijp er nog niets van!”
-
-„Wel, beste jongen”, riep Lord Lister uit, „begrijp je dan niet, dat
-die onbetaalde rekeningen, die de politie liet stelen door een zekeren
-jou niet onbekenden Raffles, door de verzekeringsmaatschappij op grond
-van dezen diefstal met 20,000 pond sterling worden betaald? Er had
-evengoed heelemaal niets in de brandkast kunnen zijn. De hoofdzaak is,
-dat Baxter en de detectives onder eede moeten verklaren, dat mij
-zooveel ontstolen is; en dat de maatschappij betalen moet! Zij had
-anders immers geen reden van bestaan!”
-
-„Alle duivels!” steunde Charly Brand, „dat is een fameus idee! Maar hoe
-kom jij aan dien Raffles?”
-
-Lord Lister nam een sigarette en stak die aan. Toen blies hij een
-grooten kring in de lucht en sprak, terwijl een lachje zijn mondhoeken
-vertrok:
-
-„Ja, beste jongen, dat behoef je nu niet te weten, het is mij
-voldoende, dat jij mijn goede, trouwe Charly bent, die gelukkig niet
-méér begrijpt dan wat hij begrijpen moet.
-
-Maar Raffles, mijn jongen, Raffles, dat is mijn ideaal!”
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZESDE HOOFDSTUK.
-
-BIJ „ZWARTE JACK”.
-
-
-Bankier James Gordon had nadat de politiemannen hem hadden verlaten,
-zijn kantoor gesloten en wandelde door Oxford Street in de richting van
-den Tower.
-
-Onderweg nam hij een electrische tram, die hem naar Tower Bridge
-bracht.
-
-Hier, waar de trotsche Tower ligt, is een stadsgedeelte, welks bewoners
-de meest gevreesde en gevaarlijke misdadigers van Londen zijn.
-
-Een groote menigte kleine straatjes en stegen met ouderwetsche gevels,
-kroegen en winkeltjes, was het toevluchtsoord voor het gespuis van de
-Engelsche hoofdstad.
-
-In een van deze straten woonde mister Govern, een Iersch geldschieter,
-bij de politie bekend onder den bijnaam „zwarte Jack”.
-
-De heilige Hermandad hield hem voor een der meest geslepen helers van
-de hoofdstad, maar toch was het nooit gelukt, gestolen goed bij hem te
-vinden.
-
-„Zwarte Jack” verstond meesterlijk de kunst om alles, wat gevaarlijk
-was, te verbergen.
-
-Men vertelde van hem, dat hij verscheiden eigen huizen bezat en
-aandeelhouder was in een groote zaak.
-
-Zijn winkel was gevuld met velerlei artikelen: tonnen met
-scheepsbeschuit, zijden Amerikaansch spek, baren ruw goud, kleeren,
-meubels en kisten, en alles vulde de kleine ruimte zóó, dat slechts een
-smalle doorgang open bleef naar de vuile toonbank, waarachter „zwarte
-Jack” van den morgen tot middernacht zijn klanten bediende.
-
-Bankier Gordon en „zwarte Jack” begroetten elkaar als twee oude
-vrienden.
-
-Ontelbare vuile zaakjes hadden beide „mannen van eer” in den loop der
-jaren met elkander verhandeld.
-
-Door middel van een geheime veer sloot de pandjesbaas van achter zijn
-toonbank de winkeldeur.
-
-Hij deed dit steeds, als zijn vriend James Gordon voor zaken bij hem
-kwam.
-
-Nadat hij zich dus gevrijwaard had voor onverwacht bezoek, bood hij den
-bankier een sigaar.
-
-Gordon deed eenige trekjes en wendde zich daarna tot „zwarte Jack” om
-dezen het verhaal te doen van de overrompeling door den genialen
-Raffles.
-
-Woede en haat fonkelden uit de oogen van den bankier.
-
-Met gebalde vuisten riep hij:
-
-„Ik moet vandaag nog mijn eigendom terug hebben. Die schurk van een
-Raffles zal weten, met wien hij te doen heeft.”
-
-De ander krabde zich eens achter de ooren.
-
-Toen, na lang nadenken sprak hij:
-
-„Voor den duivel! Ik heb altijd veel vertrouwen in onze zaken gehad en
-je weet, dat ik er geen gewetenszaak van maak om iemand naar de andere
-wereld te helpen. Maar nu—ik weet het niet, James, maar jij kiest je
-een tegenstander, tegen wien nog niemand bestand is geweest; en
-bovendien—wie is hij eigenlijk?”
-
-De Bankier boog zich naar het oor van zijn vriend en fluisterde:
-
-„Lord Lister!”
-
-De ander stiet een kreet van verbazing uit en vroeg:
-
-„Hoe weet je dat?”
-
-Gordon haalde een brief te voorschijn en gaf hem „zwarte Jack”.
-
-Deze las het opschrift.
-
-„Mister Lyon, Strand 2, Londen, per expresse bestelling.”
-
-„Dat is je geheim bureau”, sprak de pandjesbaas.
-
-„Zoo is het!” antwoordde de bankier, „het toeval bracht mij daar,
-voordat ik hier kwam, om te zien, wat er met de post was aangekomen en
-ik vond dezen brief. Lees hem maar.”
-
-Jack doorvloog den inhoud van het schrijven, dat luidde:
-
-
- „Waarde Heer!
-
- Uit naam van bankier James Gordon moet ik u uw deposito’s met rente
- terug betalen. Ik verzoek u, mij nog hedenavond te bezoeken.
-
- Lord Edward Lister.
-
- Regent Park.”
-
-
-„Dat begrijp ik niet”, sprak Jack hoofdschuddend.
-
-„Maar ik!” riep James Gordon uit, „luister! Raffles nam al mijn wissels
-en papieren van waarde, benevens mijn kasboek mede. Uit dat laatste
-liet hij de adressen overnemen en hij schreef den lieden om hun de mij
-ontstolen wissels terug te geven. Onder den naam Lyon heb ik geheime
-relaties met de Engelsche Bank. Dit weet Raffles natuurlijk niet en hij
-geloofde, dat Lyon ook een van mijn klanten was. Daarom schreef hij
-dezen brief, zoodat het mij duidelijk is, dat Lord Edward Lister en
-Raffles een en dezelfde persoon zijn.”
-
-„Drommels!” riep de pandjesbaas, „dat is het brutaalste stuk, waarvan
-ik ooit hoorde.”
-
-„Wie heb je bij de hand?” vroeg Gordon. „Ik heb twee flinke inbrekers
-noodig, die vanavond nog met mij mee naar dien schurk gaan om te
-probeeren mijn eigendom terug te krijgen, voordat hij alles weggeeft!”
-
-„Dat begrijp ik niet”, mompelde Jack, „die kerel moet gek zijn om
-alleen voor het genoegen van andere menschen te stelen. Maar ik zal je
-dadelijk twee van mijn beste mannetjes bezorgen.”
-
-Hij nam de stop van een looden buis, die in den bodem leidde, riep een
-paar woorden door de opening en luisterde aandachtig.
-
-Na eenigen tijd weerklonken als uit de verte drie doffe geluiden.
-
-„Ze zullen dadelijk komen”, sprak Jack tot zijn waardigen vriend, de
-wonderlijke telefoon weer afsluitend.
-
-Eenige minuten verliepen.
-
-Daarop werd een zacht kloppen in een oude kast vernomen, die tegen een
-der muren stond.
-
-Jack stond dadelijk op, sloot de ouderwetsche deur van het meubel open,
-en door de kleeren, die in de kast hingen, kropen twee sujetten te
-voorschijn met gevaarlijke tronies, die vol argwaan den bankier
-aanzagen.
-
-Jack bracht de kleeren in de kast eerst weer in orde, sloot de deur
-toen stevig en sprak tot Gordon:
-
-„Dit is mijn geheime uitgang naar den kelder! Die heeft al menigeen van
-de galg gered als Scotland Yard hem zóó dicht op de hielen zat, dat
-niemand meer een cent voor zijn leven zou hebben gegeven”.
-
-Daarop sprak hij tot de beide misdadigers:
-
-„Jongens, er is werk voor jelui!”
-
-„All right!” antwoordde de grootste van het tweetal, wiens gelaat hevig
-verminkt was door een messnede, waardoor zijn halve neus was
-weggenomen.
-
-Hij stond onder den inbrekersnaam „het varken” bekend.
-
-Zijn bondgenoot was een gevaarlijk misdadiger, „Halfoor” genaamd.
-
-Govern, aldus was de eigenlijke naam van „Zwarte Jack”, deed nog een
-paar haaltjes aan zijn sigaar en sprak:
-
-„Jelui moet met dezen heer een brandkast kraken. Haalt de noodige
-gereedschappen uit de schuur!”
-
-„Zoo!” lachte „het varken” met zijn grogstem, „maar zeg eerst eens, wat
-er bij te erven valt! Krijgen we ook een mazzeltje of hij alleen?”
-
-„De inhoud is alleen voor dien heer, alles is zijn eigendom.”
-
-„Zoowat kennen we niet”, gromde Halfoor, „als wij een brandkast kraken
-en gesnapt worden, gaan wij in de bajes. Mij dunkt, dat we ook wel een
-duitje mogen hebben.”
-
-„Krijgen jullie ook”, stelde de pandjesbaas gerust en toen tot den
-bankier:
-
-„Hoeveel krijgen ze voor hun werkje?”
-
-„Ik geloof, dat tien pond genoeg is!”
-
-Het Varken liet een langdurig gefluit hooren.
-
-Toen riep hij uit:
-
-„Tien pond? Daar breek ik de huisdeur nog niet voor open. Sla toe,
-honderd pond!”
-
-De bankier trommelde zenuwachtig met zijn vingers op de vieze toonbank.
-
-„Nou! Geef asem!” zei Halfoor. „Ik ben niet van plan om in dien
-vervloekten tocht hier verkouden te worden.”
-
-„Ik geloof niet”, beweerde Jack, „dat de prijs te hoog is voor de boys.
-Ze zetten toch hun vrijheid op het spel.”
-
-„En we krijgen misschien nog een paar blauwe boonen ook”, voltooide het
-Varken. „Die meneer schijnt niets van zaakies doen te weten.”
-
-„’t Is goed!” stemde eindelijk de bankier toe.
-
-„En geld bij de visch!” gebood Halfoor met brutaal gebaar.
-
-Aarzelend haalde de bankier een portefeuille te voorschijn en betaalde
-het verlangde geld.
-
-De beide schurken hielden wantrouwend de banknoten tegen het licht,
-voordat zij ze in hun zak lieten verdwijnen, knikten tevreden en
-bromden: „All right!”
-
-Toen reikten zij den bankier joviaal de hand en gingen met hem heen.
-
-Van een zolderkamertje aan de Theems haalden zij hun
-inbrekerswerktuigen, namen toen een huurrijtuigje en reden door de
-straten van Londen naar Regent Park.
-
-In de buurt van het huis stegen zij uit den cab en slopen rondom de
-villa om te zien van welken kant zij het best konden binnendringen.
-
-Ondanks hun scherp rondsnuffelen bemerkten zij niet, dat achter het
-kreupelhout in den tuin twee mannen hurkten: detective Marholm en
-brigadier Tyler.
-
-Baxter had dit tweetal daar achtergelaten en hun bevolen het huis
-scherp te bewaken, daar, volgens zijn meening Raffles de villa nog niet
-verlaten kon hebben.
-
-Met groote belangstelling sloegen de politiemannen de drie inbrekers
-bij hun werken gade.
-
-De Kakkerlak wreef zich vergenoegd de handen en fluisterde den
-brigadier toe:
-
-„Wij hebben ook meer geluk dan wijsheid! Alle duivels kerel, wij worden
-morgen bevorderd. Als ik me niet vergis, klimt daar de door ons
-gezochte bankier Gordon naar binnen.”
-
-„Dat is onmogelijk!”
-
-Brigadier Tyler keek nauwlettend toe.
-
-Eenige oogenblikken later knikte hij met het hoofd.
-
-„Je hebt gelijk, Marholm, ik zet tien pond tegen een penny, dat dat
-James Gordon is!”
-
-„Vast en stellig!” fluisterde de detective, „en nu zult ge ook
-begrijpen, Tyler, waarom die kerel, hoewel hij ongetwijfeld door
-Raffles bestolen is, niets met ons te maken wou hebben. Hij was bang,
-dat wij achter zijn streken kwamen.”
-
-„Zeker,” antwoordde Tyler, „dat is mij nu ook duidelijk....”
-
-„Kijk, nu zijn ze binnen!” viel Marholm hem in de rede. „Ze moesten
-eens weten, dat de brandkast leeg is. Loop nu vlug naar de
-dichtstbijzijnde telefoon, bij de vijfde lantaarn ginds, en bel
-Scotland Yard”.
-
-„All right, Sir!”
-
-De detective was reeds in de aangegeven richting verdwenen.
-
-Er verliep een kwartiertje eer Tyler terugkwam. Nu slopen beide het
-huis binnen langs denzelfden weg, dien de inbrekers genomen hadden.
-
-Alle mogelijke gedruisch zooveel mogelijk vermijdende, bereikten zij de
-studeer- en slaapkamer van Lord Lister.
-
-Toen zij het studeervertrek wilden binnentreden, hoorden zij een luid:
-„Halt, of ik schiet!”
-
-Een woest gebrul volgde, daarop weerklonken verschillende schoten.
-
-Zij drongen de studeerkamer binnen, maar in hetzelfde oogenblik, toen
-zij de deur openstieten, liepen zij de vluchtende inbrekers tegen het
-lijf.
-
-Detective Marholm greep het „Varken” beet en gaf hem bliksemsnel een
-paar slagen met de vlakke hand tegen zijn slapen, zoodat de inbreker
-verdoofd neerstortte.
-
-Het gelukte „Halfoor” intusschen, het venster te openen en naar buiten
-te springen.
-
-„Goeden avond, heeren!” klonk het nu uit den mond van Lord Lister, die,
-in een huisjasje gekleed midden in de kamer stond. „U ziet, dat men mij
-voor den tweeden keer wilde bestelen”.
-
-Bij deze woorden had hij het electrische licht opgedraaid en bij het
-schijnsel daarvan zagen de aanwezigen James Gordon neergehurkt bij de
-brandkast.
-
-Tyler pakte hem beet en legde hem de handboeien aan.
-
-De van vrees sidderende woekeraar wierp een blik vol woede en haat op
-den detective en Lord Lister.
-
-Daarop kwam een uitdrukking van helsche vreugde op zijn gelaat en op
-Lord Lister wijzend, riep hij tot de detectives:
-
-„Heeren! Gij hebt daar een goede vangst gedaan!”
-
-„Zeker,” lachte Marholm, die „het Varken” nog altijd stevig vasthield.
-„Dezen jongen zoeken wij al heel lang. Hij heeft minstens twintig jaar
-te goed!”
-
-„Neen!” riep James Gordon uit, „ik bedoel hem niet maar dien heer!”
-
-Hij wees op Lord Lister:
-
-„Daar staat Raffles!”
-
-„Stapelgek!” lachte Tyler.
-
-En Marholm meende: „Gij wilt u zeker krankzinnig houden? Neen,
-mijnheer, dergelijke streken kennen wij, daar vliegen wij niet in!”
-
-„Ik bezweer u, heeren!” krijschte de geboeide bankier opnieuw, terwijl
-hij aan alle leden beefde, „neem dien man gevangen! Ik verzeker u, hij
-is Raffles!”
-
-„Zwijg!” beet Tyler hem toe, „beleedig den persoon van zijn Lordschap
-niet!”
-
-In dit oogenblik hield een patrouille van Scotland Yard halt voor het
-huis.
-
-Bevelen weerklonken en na eenige oogenblikken was het huis gevuld met
-detectives.
-
-Na een kort onderhoud tusschen detective Marholm en den inspecteur
-Baxter gaf deze laatste bevel, den bankier naar Scotland Yard te
-brengen.
-
-Nogmaals herhaalde de woekeraar zijn beschuldiging tegen Lord Lister en
-bezwoer hij den inspecteur, zijn woorden te gelooven.
-
-Toen hij eindelijk zag, dat niemand zijn woorden geloofde, begon hij te
-razen en te vloeken als een krankzinnige.
-
-Wanhopig sloeg hij met de armen om zich heen, steeds opnieuw
-schreeuwende: „Daar staat Raffles! Daar staat Raffles!”
-
-„Voert hem weg!” beval Baxter kortaf, „hij wil ons laten gelooven, dat
-hij gek is!”
-
-Vier sterke vuisten pakten hem beet en brachten Gordon buiten de kamer.
-
-De detectives volgden.
-
-In den tuin vonden zij „Halfoor” nog, die bij den sprong beide beenen
-gebroken had en kermend in een boschje lag.
-
-Toen detective Marholm het laatst van allen in den patrouillewagen
-steeg, zag hij aan een helder verlicht venster van de bovenste
-verdieping het scherpe profiel van Lord Lister, die, terwijl hij hen
-nakeek, een sigarette stond te rooken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-ZEVENDE HOOFDSTUK.
-
-IN SCOTLAND YARD.
-
-
-Het was tegen tien uur den volgenden morgen toen een vertegenwoordiger
-van de verzekeringsmaatschappij tegen inbraak en diefstal bij
-inspecteur Baxter verscheen om bij dezen berichten in te winnen omtrent
-de inbraak bij Lord Lister.
-
-„Het is onbegrijpelijk, mijnheer”, verklaarde deze laatste, „deze
-Raffles houdt mij en de geheele wereld voor den gek. Voor mijn eigen
-oogen pleegde hij den diefstal.”
-
-„Ongelooflijk”, antwoordde de vertegenwoordiger hoofdschuddend, „men
-zou het voor onmogelijk houden, als gij het mij niet zelf verteldet.
-Hebt gij het geld, dat men den Lord ontstal, zelf gezien?”
-
-„Ja”, bevestigde de inspecteur, „ik heb mij met mijn eigen oogen ervan
-overtuigd, dat het aanwezig was.”
-
-„Een wanhopige zaak, dan blijft ons niets anders over dan te betalen.”
-
-„Dat zult gij zeker moeten doen”, meende Baxter beslist.
-
-„Wees dan zoo goed, deze verklaring te willen onderteekenen voor mijn
-maatschappij.”
-
-Bij deze woorden nam de ambtenaar van de maatschappij een stuk uit zijn
-portefeuille, dat hij den inspecteur ter teekening voorlegde en waarin
-werd verklaard, dat het bedrag der gestolen som 20,000 pond bedroeg.
-
-Zonder aarzelen zette Baxter zijn naam er onder.
-
-Daarop nam de vertegenwoordiger afscheid.
-
-Nu liet de inspecteur den gevangen genomen bankier Gordon en diens
-medeplichtigen bij zich komen.
-
-Ook de detectives verzamelden zich in het bureau van hun inspecteur en
-de gevangenen werden binnengebracht.
-
-Nadat de noodige formaliteiten in acht waren genomen, begon het
-verhoor.
-
-James Gordon, die wel inzag, dat hij op geen enkele manier de
-gevangenis zou ontloopen, nam nu een houding aan als een vos, die in de
-val geloopen is en vastberaden den vastgeklemden poot afbijt.
-
-Hij begon dus den inspecteur en den detectives te vertellen, wat hem
-had bewogen, de inbraak bij Lord Lister te plegen en wat hem had
-bewogen om niets van Raffles’ diefstal te vertellen.
-
-Als bewijsstuk vertoonde hij den brief van Lord Lister, denzelfden,
-dien hij zijn vriend Govern had laten lezen.
-
-Groote opgewondenheid maakte zich meester van de politiebeambten.
-
-Het werd hun duidelijk, dat zij tegenover den grooten onbekende hadden
-gestaan, tegenover den genialen Raffles en dat zij slechts hadden
-behoeven toe te grijpen om de beste vangst te doen, die de beambten van
-Scotland Yard ooit konden maken.
-
-„Waarom hebt ge dit niet eerder gezegd?” riep Baxter uit. „Gij weet
-toch, dat er een belooning van 1000 pond staat op de gevangenneming van
-Raffles.”
-
-„Ik heb het u immers herhaaldelijk gezegd, maar niemand wilde mij
-gelooven”, antwoordde James Gordon.
-
-„Het is om gek te worden!” brulde de inspecteur, in zijn bureau heen en
-weer loopende. Plotseling bedwong hij zijn woede en beval:
-
-„Voorwaarts! Laten wij een flink aantal van onze beste detectives
-meenemen. Hij zal ons nu niet meer ontkomen. Wij zullen het vossenhol
-omsingelen; nog heden moet de Lord in onze handen vallen!”
-
-„Laten wij het beste ervan hopen!” meende Marholm, „ik geloof echter,
-dat het hol leeg zal zijn als wij er komen. Het zou ook jammer wezen,
-als hij in onze handen viel. Wij kunnen nog veel interessante avonturen
-met hem beleven! Ik begin pleizier in dien man te krijgen en er valt
-heel wat van hem te leeren!”
-
-Baxter schreeuwde woedend:
-
-„Zwijg toch! Hoe hebt gij den moed om een spitsboef te bewonderen? Gij
-zijt volkomen ongeschikt voor het beroep van detective!”
-
-„Dat betwijfel ik!” antwoordde Marholm en lachte sarcastisch, „want pas
-hebt gij mij zeer vleiende dingen gezegd.”
-
-„Laat ons geen tijd verzuimen”, drong Tyler aan, „het wordt tijd, dat
-wij Raffles pakken!”
-
-De detectives maakten zich nu gereed om Scotland Yard te verlaten.
-
-Onderweg sprak Marholm tot Baxter:
-
-„Gij twijfelt er aan, of ik wel een goed detective ben, maar ik wilde u
-toch een kleine opmerking maken. Een uur geleden is een
-vertegenwoordiger der maatschappij van verzekering bij u geweest. Mij
-dunkt, dat het nuttig zou zijn om die maatschappij te waarschuwen, het
-verzekerde bedrag voorloopig niet uit te betalen aan Lord Lister, alias
-Raffles.”
-
-„Drommels!” riep Baxter uit, naar Scotland Yard terugsnellende, „gij
-hebt gelijk, dat had ik bijna vergeten. Ik zal dadelijk telefoneeren.”
-
-Detective Marholm vergezelde hem naar het telefoontoestel en in het
-volgende oogenblik was Baxter een ervaring rijker geworden, want hij
-vernam, dat Raffles vlugger was dan hij en dat het bedrag reeds was
-uitbetaald.
-
-Zenuwachtig ging de inspecteur, samen met Marholm, naar de wachtende
-detectives terug en de wagen vloog in de richting van Regent Park.
-
-— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
-
-Lord Lister bevond zich in dien tusschentijd, niet denkend aan het
-gevaar, dat hem dreigde, in zijn studeerkamer en was bezig een grooten
-koffer te pakken.
-
-Hij had daarin eenige kleedingstukken laten leggen door zijn
-kamerdienaar, toen Charly Brand binnenkwam.
-
-Terwijl deze zijn jas en hoed neerlegde, bekeek zijn vriend nadenkend
-den koffer. Na eenige oogenblikken sprak Lister tot zichzelf:
-
-„Ik zal den koffer toch niet verder laten pakken, het zou dwaas zijn,
-hem mee te nemen.”
-
-Zijn secretaris, die deze woorden hoorde, zei:
-
-„Maar je hebt hem immers op reis noodig, je kunt toch niet zonder
-kleeren reizen!”
-
-„Waarom niet?” antwoordde Lord Lister, „het zou maar ballast zijn. Ik
-kan overal voor geld alles krijgen, wat ik noodig heb. Apropos, het
-heeft nogal lang geduurd bij die verzekeringsmaatschappij. Maakten de
-heeren bezwaren?”
-
-„Dat niet”, antwoordde Charly Brand. „Maar zij zonden een hunner
-beambten naar Scotland Yard om informaties te halen bij inspecteur
-Baxter. Deze waren overeenkomstig mijn mededeelingen en men betaalde
-mij daarop met een zuur gezicht het verzekerde bedrag uit.”
-
-„Wel”, lachte Lord Lister, „de heeren willen liever ontvangen dan
-betalen, feitelijk ook diefstal!
-
-Waar heb je het geld?”
-
-„Hier is het bedrag!” Bij deze woorden haalde Charly uit zijn zak een
-pakje, dat 20 banknoten, ieder van duizend pond, bevatte.
-
-Lord Lister nam het geld, telde het na en stak het zorgvuldig in zijn
-portefeuille.
-
-Een ironisch lachje speelde om zijn fijnbesneden lippen.
-
-„Zoo,” sprak hij, „dit zaakje, loonde de moeite wel! Nu zou die
-onbekende Raffles werkelijk een flink bedrag bij mij kunnen komen
-stelen.”
-
-„Een vermogen!” merkte zijn secretaris op, „het is werkelijk
-noodzakelijk voor menschen met kapitaal om zich tegen diefstal te
-verzekeren.”
-
-Lachend klopte zijn vriend hem op den schouder.
-
-„Charly”, sprak hij, „als men nu eens niets bezit?”
-
-„Dan behoeft men zich natuurlijk niet te verzekeren!”
-
-„Very well!” lachte Lord Lister, „dat is ook een opvatting! Maar ik
-bijvoorbeeld—ik heb mij verzekerd voor het geval, dat ik nog eenmaal in
-het bezit van geld zou komen. Mocht mij dit dan ontstolen worden, dan
-was ik in elk geval gedekt.”
-
-„Hm”... kuchte de ander, „jij houdt er altijd je eigen philosofieën op
-na, je doet me daarbij denken aan Sherlock Holmes. De hoofdzaak is, dat
-je nu geld genoeg hebt voor een Europeesche reis.”
-
-„Daar zal ik nog eens over nadenken,” antwoordde Lord Lister, „mijn
-voorgevoel zegt mij, dat ik voorloopig nog wel niet op het vasteland
-zal komen. Ik geloof, dat er hier nog werk voor mij is en ik houd
-Londen voor een stad, waar meer te beleven is dan in de heele wereld”.
-
-In dit oogenblik trad de kamerdienaar binnen en sprak:
-
-„Uwe Lordschap! Buiten staat een man, die er zeer onbetrouwbaar
-uitziet.”
-
-„Zoo, zeker een beambte van de politie,” schertste de Lord.
-
-„Neen,” antwoordde de kamerdienaar, „dat denk ik niet, hij ziet er
-daarvoor te haveloos en smerig uit.”
-
-„Laat hem maar even wachten!”
-
-De bediende boog en verliet het vertrek.
-
-Lord Lister dacht een oogenblik na en sprak daarop tot Charly Brand:
-
-„Hoor eens, mijn jongen; rijd naar het Victoria-station en wacht daar
-op mij bij de courantenkiosk. Als ik mijn programma niet behoef te
-veranderen, dan nemen wij den eerstvolgenden trein naar de haven.”
-
-„Waarom kan ik hier niet op je wachten?” vroeg Charly, „wij kunnen
-immers samen naar het station rijden?”
-
-Lord Lister keek zijn jongen vriend ernstig in de oogen en sprak:
-
-„Charly, herinner jij je nog, hoe je een half jaar geleden bij mij bent
-gekomen? Wij hadden elkaar twee jaar eerder leeren kennen en je
-vertelde mij, dat er voor jou, als er geen redding opdaagde, niets
-anders overbleef dan een revolverschot. Ik heb je toen je wapen
-afgenomen en maakte je duidelijk, dat eereschulden geheel andere dingen
-zijn dan lichtvaardige speelschulden en dat de heeren, die met jou in
-frak en smoking gespeeld hadden, niet beter waren dan door den staat
-beschermde bedriegers.
-
-Ik bewees je ook, dat een menschenleven een kostbaar iets is en dat men
-het maar éénmaal kan vernietigen.
-
-Na al deze uiteenzettingen ben je in mij je ouderen, meer ervaren
-vriend gaan zien en heb je je bij mij aangesloten. Je bent eenige jaren
-jonger dan ik en ik beschouw je, nu je een half jaar bij mij bent, als
-een beproefd kameraad; daarom wil ik geen geheim meer voor je hebben.”
-
-Hij deed een paar lange halen aan zijn sigarette en vervolgde:
-
-„Kijk eens, Charly, het geld, dat ik je vrijwillig gaf voor je
-levensonderhoud en de bedragen, die ik voor mijzelf gebruik, evenals de
-aalmoezen, die ik aan zoovele ongelukkigen reikte, komen alle van
-hetzelfde onuitputtelijke kapitaal: mijn hersens.”
-
-Lord Lister zweeg en stak een nieuwe sigarette aan, terwijl Charly
-Brand hem vol belangstelling gadesloeg.
-
-„Ik begrijp je niet volkomen,” sprak hij na een poosje, „je zei,
-Edward, dat je met je hersens een vermogen verdient? Ik zie je echter
-nooit werken. Zou je mij willen vertellen, op welke wijze je aan die
-rijkdommen komt?”
-
-„O ja,” antwoordde zijn vriend, terwijl hij de asch van zijn sigarette
-klopte. Daarop keek hij Charly weer aan en, vlak bij hem komend,
-antwoordde hij:
-
-„Ik ben Raffles!”
-
-De jonge man staarde hem aan, alsof hij een spook voor zich zag.
-
-„Houdt je mij voor den gek, Edward?” vroeg hij op aarzelenden toon.
-
-„In ’t geheel niet,” antwoordde Lord Lister, „sinds een jaar ben ik de
-persoon, die zijn best doet om onder het pseudoniem Raffles de
-behoeftige lieden te wreken op de bezittende klasse.”
-
-„Ben jij het dus werkelijk?” vroeg Charly en nog steeds sprak twijfel
-uit zijn woorden.
-
-„Op mijn eerewoord!” bevestigde Lord Lister. „Ik ben Raffles!”
-
-„Maar hoe kon je—Ik kan het nog niet begrijpen. Het klinkt als een
-sprookje—hoe kwam je er toe?”
-
-„Heel eenvoudig,” luidde het antwoord: „Mijn vader en mijn moeder
-werden door een van die voorname, schurkachtige Londensche
-beursspeculanten geruïneerd, zoodat ik in mijn jeugd armoede geleden
-heb. Mijn vader beroofde zich daarom van het leven, terwijl die rijke
-ellendeling nog heden in zijn equipage met vier paarden door Londen
-rijdt en een kasteel in Schotland bezit. Al zijn rijkdom heeft hij aan
-het geld, dat hij mijn ouders ontstal, te danken. De wet kon mijn vader
-helaas niet tegen dien schurk beschermen.
-
-En later heb ik een groote massa andere beursdieven en dergelijke
-oplichters leeren kennen. Honderdduizenden moeten elken dag zwoegen
-voor hen om hen te helpen, hun vermogen nog grooter te maken en krijgen
-daarvoor als loon te weinig om te leven en te veel om te sterven,
-terwijl hun uitzuigers in weelde genieten van het vette der aarde.
-
-Toen voelde ik mij geroepen om die groote massa te gaan wreken, om te
-strijden tegen het gebroed; ik geef dat, wat ik hun ontsteel, met milde
-hand aan de arme drommels terug en nu vraag ik jou, Charly, wil je mij
-helpen in dezen zwaren strijd? Of voel je de kracht daarvoor niet in
-je? Zeg het mij eerlijk en openhartig. Je weet, dat ik vóór alles van
-waarheid houd!”
-
-Zonder aarzelen nam de jonge man de hem aangeboden hand in de zijne,
-drukte deze vast en sprak:
-
-„Ja, Edward! Niets houdt mij terug! Wat het ook zij, ik wil je ter
-zijde staan en alles doen, wat jij goed acht!”
-
-„All right!” knikte de Lord, „ik wist het! En luister nu:
-
-Op weg naar het Victoria-station kom je langs het Heilsleger, geef daar
-een anonyme gift van 5000 pond af.”
-
-Hij nam het van Charly ontvangen geld uit zijn borstzak en overhandigde
-het hem.
-
-„Verder”, vervolgde hij, „neem 5000 pond en geef die af bij de
-administratie van het vondelingenhuis. De rest van het geld moet je
-voor mij bewaren. Je moogt mijn naam nergens noemen, evenmin verlang ik
-een kwitantie. En ga nu, mijn jongen, en wacht op mij, zooals ik het
-met je heb afgesproken.”
-
-Charly stak het geld bij zich; zij reikten elkaar nogmaals de hand en
-de nieuwe helper van den voornamen dief verliet het vertrek.
-
-Lord Lister keek hem eenige oogenblikken na, daarop belde hij zijn
-kamerdienaar en beval dezen, den wachtende binnen te laten.
-
-Een tamelijk haveloos individu trad het vertrek binnen. Zonder te
-wachten tot het hem werd aangeboden, nam de onbekende bezoeker plaats,
-begon zijn pijp met tabak te stoppen en stak deze aan.
-
-Nadat hij eenige trekken had gedaan, schraapte hij zijn keel en spuwde
-op ongegeneerde wijze op het kostbare tapijt.
-
-Lord Lister keek naar hem met de handen in de zakken van zijn pantalon.
-
-„Gij zijt niet in uw eigen huis, mijn vriend”, sprak hij eindelijk, „en
-het is hier ook geen kroeg!”
-
-„Weet ik!” sprak, de onbekende kortaf met een stem, die heesch was van
-de jenever.
-
-„Mooi!” merkte Lord Lister op, „dan verbaast het mij, dat gij mijn
-tapijt aanziet voor de straatkeien. Wat is de reden van uw komst?”
-
-„Zaken”, was het antwoord.
-
-„Zaken?” herhaalde John Raffles, „ik zou niet weten, wat ik met u te
-maken heb.”
-
-„Dat zult gij dadelijk hooren, luister maar: Ik heet Pitt Tom en ben er
-voor bekend, dat ik verduiveld handig met mijn mes weet om te gaan. Ik
-weet precies het plekje tusschen de derde en vierde rib te treffen.
-Niemand kan mij dat verbeteren. Zal ik het u eens bewijzen?”
-
-Hij sprong op en stak zijn rechterhand in zijn broekzak, alsof hij
-daaruit een mes te voorschijn wilde halen.
-
-Lord Lister bleef onbeweeglijk staan.
-
-„Aan mij hebt gij niets”, sprak hij minachtend.
-
-„Zoo”, antwoordde de vreemdeling, „ik wilde mij maar eens even aan u
-voorstellen.”
-
-„Gij hebt zeker ook al gezeten?” vroeg de Lord plotseling.
-
-De gevraagde keek hem verbluft aan en antwoordde:
-
-„Ik? Wat zou je daaraan liegen!”
-
-Lister lachte.
-
-„Houdt u maar niet zoo groot, ik weet heel goed, dat ge een paar jaar
-achter den rug hebt.”
-
-„Als gij het weet, vraag het mij dan niet meer. Maar ik was onschuldig!
-Zoo iets kan elk fatsoenlijk mensch gebeuren; ik ben zoo onschuldig als
-een pasgeboren kind. Men heeft mij niets kunnen bewijzen.”
-
-„Mooi, dat is dus afgedaan en vertel mij nu maar gauw, wat gij bij mij
-wilt.”
-
-„Hm....! Ik zal het u in het kort uitleggen: ik had vannacht geen
-onderdak en ging in een oude schuur in Tower Street overnachten. Toen
-ik weer op wilde slaan, merkte ik, dat eenige mannen waren
-binnengekomen, die daar iets zochten. Inbrekers waren het, geloof ik en
-zij noemden uw naam.”
-
-„O, dus gij wildet mij komen vertellen, dat die mannen van plan waren
-om bij mij te komen inbreken. Ik wensch hun veel geluk en om uw moeite
-te beloonen, geef ik u tien pond.”
-
-De indringer rookte kalm door en spuwde, voordat hij zijn mond opende,
-weer op het tapijt.
-
-„Om een bedrag van tien pond te verdienen, ben ik niet hier gekomen; ik
-denk, dat mijn verdere mededeelingen, die uw eigen persoon betreffen, u
-minstens 5000 pond waard zijn.”
-
-De Lord lachte hartelijk, zonder een woord te antwoorden.
-
-„Ik denk”, vervolgde de vreemdeling, „dat men met genoegen 5000 pond
-uitgeeft voor een tijding, die 50,000 waard is, vooral als men zoo rijk
-is als gij zijt.
-
-Ik geloof ook, dat er wel met u te redeneeren valt, als ik u zeg, dat
-ik dingen weet over een zekeren Raffles, die u— — — —”
-
-„Het interesseert mij in ’t geheel niet”, was het kalme antwoord. „Ik
-betaal geen spionnendiensten, houd uw berichten dus voor u en verlaat
-nu mijn kamer.”
-
-De man stond bedaard op, klopte zijn pijp leeg in een aschbakje, stak
-ze in zijn zak en haalde een jeneverflesch te voorschijn. Gretig zette
-hij deze aan den mond en nam een langen teug, daarop reikte hij Lord
-Lister de flesch toe, maar deze weigerde met een handbeweging en sprak:
-
-„Drink uw jenever zelf, ik ben gewend mijn eigen te gebruiken.”
-
-De ongenoode gast sloot de flesch weer en stak deze bij zich; daarop
-mompelde hij:
-
-„Een gentleman zijt gij niet, anders zoudt gij met een collega
-meedrinken.”
-
-Lord Lister lachte weer; de openhartigheid van dit verloopen sujet
-amuseerde hem.
-
-„Dank je voor het compliment”, antwoordde hij, „maar ik bedank voor de
-eer.”
-
-In de oogen van den vreemdeling verscheen een uitdrukking van grooten
-haat. Hij begreep, dat hij niet tegen John Raffles was opgewassen, dat
-deze hem zelfs bespotte.
-
-„Voor den duivel!” vloekte hij, „loop naar de hel, fijne schooier! Maar
-de duivel moge ook mij halen, als ik mij door jou laat overbluffen. Je
-glacéhandschoenen en gekleede jas maken geen indruk op mij. Maar nu
-vraag ik je voor de laatste maal: geef je mij 5000 pond of niet?”
-
-Met een eenvoudig „Neen!” wees Lord Lister naar de deur.
-
-„All right!” sprak de onbekende, „dan zullen wij op een andere manier
-met elkaar praten.”
-
-Bliksemsnel trok hij een breed dolkmes uit zijn jas te voorschijn en
-met een tijgerachtigen sprong naderde hij Raffles.
-
-Maar deze had den aanval verwacht.
-
-Met een snelle armbeweging verhinderde hij den messteek van den
-sluipmoordenaar, greep in het volgende oogenblik zijn jas beet en trok
-hem, door de Japansche worstelkunst toe te passen, de mouwen aan beide
-kanten over de armen, zoodat de man geheel weerloos was.
-
-In het volgend moment droeg de Lord hem als een veer naar de deur,
-opende deze en wierp den man de deur uit.
-
-Vloekend en scheldend snelde de misdadiger de trappen af en het huis
-uit.
-
-Lord Lister echter belde zijn kamerdienaar:
-
-„Luister eens, Fred,” sprak hij op kalmen toon, „ik ga voor langeren
-tijd op reis en verzoek je, gedurende mijn afwezigheid het huis te
-bewaken, totdat ik je bericht zend, wat er verder gebeuren zal.”
-
-„In orde,” antwoordde de bediende met een buiging, „wenscht Uw
-Lordschap, dat de koffers gepakt worden?”
-
-„Neen, dank je, ik reis zonder bagage”.
-
-Fred maakte weer een buiging, toen in hetzelfde oogenblik de bel
-weerklonk.
-
-Beiden luisterden even, waarop de kamerdienaar vroeg:
-
-„Ontvangt uw Lordschap nog bezoek?”
-
-„Jawel,” antwoordde zijn heer en Fred verliet de kamer om de deur te
-openen.
-
-Na eenige minuten trad Miss Walton met een grooten ruiker bloemen
-binnen.
-
-„Vergeef mij, dat ik bij u kom, Mylord,” sprak het jonge meisje met
-haar lieve, zachte stem, „ik wilde u eenige bloemen aanbieden als dank
-van mijn moeder en mij, voordat gij op reis gaat.”
-
-Zij bood hem met een vriendelijken glimlach een prachtig bouquet aan.
-
-„Bloemen?” vroeg John Raffles geroerd, „die zijn voor mij het mooiste,
-wat er op de wereld bestaat”.
-
-„O, ik houd er ook zooveel van,” sprak Miss Walton verward.
-
-„Een bloem,” vervolgde Lord Lister, „herinnert mij altijd aan een mooie
-vrouw,” hij keek met bewonderenden blik naar het blozende gezichtje van
-zijn toehoordster en naar haar prachtige, donkere oogen.
-
-Hij vergat geheel en al, dat hij op het punt stond, zijn huis te
-verlaten en dat hem elk oogenblik een groot gevaar dreigde, waarvoor
-zijn instinct hem reeds had gewaarschuwd.
-
-Galant geleidde hij Miss Walton naar den fauteuil bij den schoorsteen.
-
-„Ik wil u niet lang ophouden,” sprak de jonge dame aarzelend, „ik zie,
-dat gij uw koffer pakt en wil u niet storen. O, wat moet reizen toch
-verrukkelijk zijn! Ik heb altijd verlangd, eens een groote reis te
-kunnen maken, als het kon, naar het Zuiden, naar Italië!”
-
-„Zijt gij nog nooit buiten Londen geweest?” vroeg Raffles.
-
-„Neen, nooit, ik heb zelfs nog nooit de zee gezien. Wij waren daarvoor
-te arm.”
-
-„Wat was uw vader, als ik vragen mag?”
-
-„Zee-officier. Hij is door een ongelukkig toeval in volle zee
-verdronken. Ach, wij kunnen zelfs zijn graf niet bezoeken; hij ligt op
-den bodem der zee. Mijn moeder kreeg een klein pensioen, maar door de
-jarenlange ziekte der arme vrouw hebben wij zooveel geld moeten
-opnemen, dat wij heelemaal achterop kwamen.”
-
-„En uw bloedverwant, die inspecteur van politie Baxter, is hij op de
-hoogte van uw omstandigheden?”
-
-„Ja zeker,” antwoordde Miss Walton, „want hem hebben wij meer dan eens
-om hulp gevraagd.”
-
-„Een hartelijke bloedverwant!” klonk het met een schamperen lach. „Op
-welke wijze is hij familie van u?”
-
-„Hij is een stiefbroeder van mijn moeder. Ik vertelde u al, hoe
-hardvochtig hij is”.
-
-„Hij is niet beter of slechter dan alle egoïsten en ik hoop, dat ik hem
-eens zal kunnen beloonen, wat hij voor u deed!”
-
-Een kloppen van de deur werd vernomen, de oude kamerdienaar trad binnen
-en meldde:
-
-„Uw Lordschap, de politiebeambten, die vannacht reeds hier waren, zijn
-er weer.”
-
-Lord Lister dacht een oogenblik na, nam een nieuwe sigarette, stak deze
-aan en lachte hardop.
-
-„Ik geloof,” sprak hij, „dat de heeren hier iets vergeten hebben.”
-
-„Iets vergeten?” vroeg Fred en keek onderzoekend de kamer rond.
-
-„Ja, mijn oude vriend,” lachte Raffles, „zij hebben namelijk vergeten,
-den spitsboef mee te nemen, dien zij zochten.”
-
-„Is die dan nog hier?”
-
-De man keek met een onnoozel gezicht opnieuw om zich heen.
-
-De Lord schaterde en sloeg hem op den schouder, terwijl hij op
-vertrouwelijken toon sprak:
-
-„Hij is nog hier, Fred, maar ik denk niet, dat het hun zal gelukken,
-hem te vangen.”
-
-Daarop ging hij naar het venster en keek op straat.
-
-Hij floot zachtjes, toen hij een dozijn politiebeambten in uniform zag,
-die juist bezig waren, het huis te omsingelen.
-
-„De vossenjacht neemt een aanvang,” mompelde hij, „laten zij hun geluk
-maar beproeven!”
-
-Daarna wendde hij zich nog eens tot den bediende:
-
-„Luister eens goed, Fred, naar wat ik zeg: deze dame is mijn
-secretaresse. Ik heb haar den koffer gegeven, Miss Walton zal ermee
-mijn huis verlaten en gij moet ervoor zorgen, dat een rijtuig de dame
-en haar bagage naar het station brengt.
-
-„Zeg den heeren, dat ik nog een kort onderhoud met mijn secretaresse
-moet hebben en dat zij nog een minuut geduld moeten oefenen.”
-
-„Heel goed, uwe Lordschap!”
-
-De dienaar ging.
-
-Nauwelijks was de deur gesloten, of Lord Lister ging naar Miss Walton
-toe en vatte haar handen:
-
-„Nu is het oogenblik gekomen, Miss Helene, dat ge mij kunt helpen. Ik
-heb gisteren James Gordon beroofd van een menigte wissels en
-schuldbekentenissen. Ik geloof, dat die man mij bij de politie heeft
-verraden.”
-
-„Ge zijt een edel mensch, Lord Lister, ge hebt mijn moeder een grooten
-dienst bewezen,” sprak het jonge meisje, „en ik gevoel mij gelukkig,
-dat ik u kan helpen.”
-
-„Ge hebt al uw zelfbeheersching noodig, Miss Helene, een kleine
-vergissing en ik ben verloren.”
-
-„Neen, neen, Lord Lister, ge kunt volkomen op mij rekenen, vrouwen zijn
-goede bondgenooten!”
-
-Lord Lister nam haar hand en drukte er een kus op.
-
-Wederom werd aan de deur der kamer geklopt en de ruwe stem van Baxter
-weerklonk:
-
-„Doe open, Lord Edward Lister, in naam der wet doe open!”
-
-„Dadelijk!” antwoordde de geroepene.
-
-Hij boog zich voorover en fluisterde:
-
-„Daar staat een koffer, die groot genoeg is om mij te verbergen, ik zal
-mij erin verbergen om te vluchten. Gij moet den koffer naar
-Victoria-station brengen en hem eerst weer in den coupé openen; daar
-zien wij elkaar dan weer.
-
-„Hier hebt ge geld, daarvan kunt ge alles betalen, wat ge noodig hebt.
-Als de politiemannen u ondervragen, moet ge zeggen, dat ge van plan
-zijt, op reis te gaan en dat de koffer u behoort. Hebt ge mij begrepen,
-Miss Walton?”
-
-„Zeker!” antwoordde het bevende meisje, maar John Raffles zag, dat het
-frissche gelaat van het meisje door een zenuwachtige bleekheid werd
-overtrokken.
-
-„Houd u goed!” fluisterde hij.
-
-„Dat zal ik!”
-
-Lord Lister snelde naar den koffer, maar nog voordat hij deze had
-kunnen openen, werd de kamerdeur geopend en Baxter, Tyler, Marholm en
-nog twee andere detectives stortten het vertrek binnen.
-
-Raffles was de laatste weg tot redding afgesneden.
-
-Maar met wonderbaarlijke kalmte trad hij de detectives tegemoet.
-
-Ondanks alle gevaar bleef hij volkomen meester van den toestand.
-
-Met vriendelijk gelaat spotte hij:
-
-„Goeden dag, heeren! Wat verschaft mij de eer van uw bezoek? Gaat
-Raffles een nieuwen diefstal plegen?”
-
-„Neen”, antwoordde Baxter, „Raffles zal geen nieuwen diefstal meer
-plegen, want ik verklaar u voor mijn gevangene!”
-
-„Zoo,” lachte de ontmaskerde, „dat is heel wonderlijk, om Raffles voor
-gevangen te verklaren zonder hem te hebben gevangen!”
-
-„Wij hebben hem gevangen!” zei Baxter.
-
-„Dat is heel gelukkig! Ik feliciteer u!”
-
-„Dat is zeker gelukkig. En nu, Lord Lister, alias Raffles, in naam der
-wet neem ik u gevangen!”
-
-Lord Lister keek den inspecteur der recherche een oogenblik met groote
-oogen aan.
-
-Toen zei hij:
-
-„Dat is een kostelijke grap! Als ge er nog meer van die soort op na
-houdt, raad ik u, redacteur van een humoristisch blad te worden!”
-
-„Ge hebt ons nu lang genoeg voor den mal gehouden!” stoof Baxter op.
-„Kom, maak voort!”
-
-Lord Lister leunde met onverschillig gebaar, zonder eenig teeken van
-zenuwachtigheid, tegen den schoorsteenmantel, en sprak met een beleefd
-lachje:
-
-„Ik beklaag u, inspecteur Baxter!”
-
-„Hoezoo?”
-
-„Ik bedoel, dat u het ongeluk is beschoren u met mij bezig te moeten
-houden!”
-
-„Dat zal gelukkig niet lang meer duren. Het is nu gedaan met uw
-streken.”
-
-En rood van woede sprak Baxter tot de detectives:
-
-„Maakt kort proces!”
-
-„Halt!” riep de Lord. „Ge zult toch zeker deze dame, die mijn
-secretaresse was, wel willen veroorloven dit huis te verlaten. Die
-koffer behoort haar!”
-
-Baxter keek met onwillig gebaar naar Miss Walton en herkende haar eerst
-nu.
-
-„Wat doe jij in dat roovershol?” schreeuwde hij zijn nicht toe.
-
-„Brood verdienen voor mijn moeder!”
-
-„Een mooie manier van brood verdienen! Je valt zeker wel in den smaak
-van dien boef!”
-
-„Schurk!” donderde Lord Lister hem toe, „daarvoor zul je je straf niet
-ontgaan!”
-
-Hij haalde een zilveren étui te voorschijn.
-
-„Ziet ge deze étui? Goede vrienden uit Sint Petersburg—nihilisten—gaven
-ze mij om haar in tijden van gevaar te gebruiken. Het is een zakbom,
-met dynamiet gevuld en altijd gereed voor gebruik. Wij gaan nu samen
-een groote reis ondernemen, waarvan niemand terugkomt. Raffles vangt
-men niet, mijnheer de inspecteur van politie en Raffles zal zich
-veroorloven, u met hem mee te nemen!”
-
-In het volgende oogenblik hief hij de hand op om de bom naar de
-beambten te slingeren.
-
-De detectives, die een oogenblik als verlamd van schrik stonden, lieten
-plotseling alles in den steek en vlogen de kamer uit.
-
-„Redt u!” schreeuwde nu ook Baxter.
-
-Daar vloog het étui op het tapijt en sprong open—het was een
-sigarettendoos!—
-
-Buiten weerklonken signaalfluitjes en geroep.
-
-Lord Lister echter keerde zich tot Miss Walton.
-
-„Mijn lot ligt in uw hand, Miss Helene! Doe alles, wat ik zeg!”
-
-Hij opende den koffer, sprong erin en deed het deksel dicht.
-
-Een paar seconden verliepen.
-
-Toen ging de deur voorzichtig open en door een kiertje gluurde Marholm
-naar binnen.
-
-In het volgend oogenblik deed hij de deur heelemaal open en lachte luid
-op, toen hij de sigaretten en de doos zag liggen.
-
-„Mijnheer Baxter, kom toch!” riep hij uit, „het dynamiet heeft geen
-kwaad gedaan. Hij heeft ons weer eens voor het lapje gehouden. De bom
-was een sigarettendoos!”
-
-De Kakkerlak had den grootsten schik in het geval, maar Baxter ging als
-een gek te keer.
-
-„De schurk kan niet ontvlucht zijn! Ik ga hier niet vandaan, voordat ik
-hem in dit vossenhol ontdekt had!”
-
-Woedend trommelde hij met zijn vingers op het deksel van den koffer.
-
-Toen vroeg hij Miss Walton:
-
-„Welken weg heeft hij genomen?”
-
-„Dat weet ik niet! Ik geloof, dat hij door die kamer verdwenen is. Maar
-ik zou graag naar mijn moeder willen gaan!”
-
-Zij riep den bediende en wilde met hem den zwaren koffer uit de kamer
-dragen.
-
-Marholm zag, dat de jonge dame alle moeite had, haar bagage te
-versjouwen en hij riep eenigen politiemannen toe:
-
-„Draagt den koffer van de juffrouw in het rijtuig!”
-
-Miss Walton dankte hem met een bekoorlijk lachje en zij haalde verruimd
-adem, toen de mannen den koffer voor haar de trap afdroegen.
-
-Intusschen was Baxter voortdurend bezig, alle hoekjes en gaatjes te
-doorzoeken om Raffles te vinden en in dien tijd reed Miss Walton met
-haar koffer naar het Victoria-station.
-
-Daar liet zij haar bagage naar een kamer brengen waar zij, zooals zij
-den dienstmannen zeide, nog eens wilde overpakken.
-
-Nauwelijks was zij alleen, of zij opende den koffer en Lord Lister,
-alias Raffles, sprong er behouden uit.
-
-Hij rekte zijn lichaam eens uit en wendde zich toen tot Miss Walton:
-
-„Ge zijt een dapper meisje, Miss Helene. Als ik niet voortvluchtig was,
-zou ik beproeven of het mij niet mogelijk was, meer dan uw vriendschap
-te verwerven. Ik hoop, dat ik heel gauw terug kan komen en dat ge mij
-toestaat, u te mogen opzoeken!”
-
-Blozend boog Miss Walton het schoone hoofd, toen Raffles haar handen
-greep.
-
-Even daarna was hij verdwenen.
-
-Op het perron, waar de trein naar Queenborough gereed stond, trof hij
-Charly Brand.
-
-„Het is hoog tijd! Over vijf minuten gaat de trein!” riep hij uit.
-
-„All right, Charly,” antwoordde Raffles, „ik moet nog even naar het
-telegraafbureau.”
-
-Daar zond hij een telegram naar zijn kamerdienaar.
-
-Toen zei hij tot Charly Brand:
-
-„Ik heb besloten om in Londen te blijven. Ik wil voor eenigen tijd een
-villa in Westend huren.”
-
-Daarop verdween hij met zijn vriend in het gewoel der menigte.
-
-
-
-Baxter had intusschen den vloer laten opbreken in de studeerkamer om
-alles te onderzoeken.
-
-Gaandeweg was hij in de badkamer gekomen en daar ontdekte hij al heel
-spoedig den geheimen toegang tot de staande klok in de studeerkamer.
-
-Terzelfdertijd hoorde hij in de klok een zacht geritsel en een
-triomfeerend lachje vloog over zijn gelaat.
-
-„Nou zit toch eindelijk de muis in de val! Wij hebben hem! Zijn
-schuilhoek is ontdekt. Hij zit in de klok!” fluisterde hij.
-
-De politiemannen stelde zich op rondom de klok, toen eensklaps de deur
-van het uurwerk openging en... detective Marholm door zijn collega’s
-stevig in den kraag werd gegrepen.
-
-De Kakkerlak was op eigen houtje den boel eens gaan verkennen en had
-ook den geheimen ingang ontdekt, waardoor hij in de klok was gekropen.
-
-De politiemannen zagen al heel gauw hun dwaling in en lieten hun
-collega los.
-
-Marholm wreef zich de pijnlijke plekken, die hem de vuisten der
-rechercheurs hadden bezorgd, maar toen moest hij ook al weer heel gauw
-lachen om het verblufte gezicht van Baxter.
-
-Voordat deze nog iets kon zeggen, trad de kamerdienaar van den
-voortvluchtige binnen en overhandigde den inspecteur een telegram:
-
-Baxter nam het en las:
-
-
- „Inspecteur van recherche Baxter, ik feliciteer u met uw succes,
-
- John C. Raffles”.
-
-
-En terwijl Baxter bijna een beroerte kreeg van woede, ging de Kakkerlak
-de kamer uit en lachte, zooals hij nog nooit in zijn leven had gedaan.
-
-
-
-
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 1: DE GROOTE
-ONBEKENDE ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.