diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/65697-0.txt | 12286 | ||||
| -rw-r--r-- | old/65697-0.zip | bin | 200369 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65697-h.zip | bin | 1311365 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65697-h/65697-h.htm | 11985 | ||||
| -rw-r--r-- | old/65697-h/images/frontispiece.jpg | bin | 119179 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65697-h/images/logo.png | bin | 15074 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65697-h/images/new-cover.jpg | bin | 70456 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65697-h/images/p016.jpg | bin | 125153 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65697-h/images/p051.jpg | bin | 122800 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65697-h/images/p060.jpg | bin | 126473 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65697-h/images/p088.jpg | bin | 134594 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65697-h/images/p121.jpg | bin | 123052 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65697-h/images/p155.jpg | bin | 118200 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65697-h/images/p192.jpg | bin | 129911 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65697-h/images/titlepage.png | bin | 10664 -> 0 bytes |
18 files changed, 17 insertions, 24271 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..62b6a6b --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #65697 (https://www.gutenberg.org/ebooks/65697) diff --git a/old/65697-0.txt b/old/65697-0.txt deleted file mode 100644 index 06f0016..0000000 --- a/old/65697-0.txt +++ /dev/null @@ -1,12286 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of De pelsjagers van de Arkansas, by Gustave -Aimard - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: De pelsjagers van de Arkansas - Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika - -Author: Gustave Aimard - -Illustrator: Ch. Rochussen - -Contributor: J. J. A Goeverneur - -Release Date: June 25, 2021 [eBook #65697] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book - was produced from scanned images of public domain material - from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PELSJAGERS VAN DE ARKANSAS *** - - - - - AIMARD’S Indiaansche Verhalen - - DE PELSJAGERS VAN DE ARKANSAS - TAFEREELEN UIT DE WOUDEN EN PRAIRIEN VAN AMERIKA - - - DOOR - GUSTAVE AIMARD - - Naar de elfde Fransche uitgave - - MET EENE VOORREDE VAN - J. J. A. GOEVERNEUR - EN 8 ILLUSTRATIEN VAN - CHS. ROCHUSSEN - - - ZESDE DRUK - - ROTTERDAM - UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER” - 1882 - - - - - - - - -EEN WOORD VOORAF. - - -Er is in de laatste jaren veel over Amerika en de roodhuiden -geschreven. Tal van schrijvers, onder wie enkele met onbetwistbaar -talent, hebben zich tot taak gesteld, ons in de tot nog toe voor onze -beschaving ontoegankelijke, door wilde volksstammen bewoonde prairiën -en savannen van ’t verre westen rond te leiden. Slechts weinigen hebben -zich echter van hun wegwijzerschap naar eisch gekweten. Den meesten -ontbrak het aan eene grondige, uit eigen ervaring opgedane kennis van -de landen en volksstammen, welker aard en zeden zij ons schilderen -wilden. - -De Franschman Gustave Aimard is hierin gelukkiger dan velen zijner -voorgangers geweest. De beschaafde wereld voor jaren vaarwel zeggende, -heeft hij, als aangenomen zoon van een hunner machtigste stammen, onder -en met de Indianen op de gewijde grasvlakten hun zwervend leven -gedeeld, bij de vredespijp aan hunne rust en hunne jachten, na ’t -opgraven der strijdbijl met buks en tomahawk, aan hunne ondernemingen -en tochten zelf deelgenomen. - -Een zoodanig leven—de bestendige worsteling met moeiten en vaak -schijnbaar onoverkomelijke bezwaren—heeft een aantrekkelijkheid, -waarvan alleen hij, die het bij ondervinding leerde kennen, zich een -eenigszins helder begrip kan vormen. De mensch staat daar in de -wildernis alleen en komt er als zelfstandig wezen tot bewustheid van -zijne volle kracht. Met God alleen boven zich, oog en oor bestendig op -de wacht, den vinger aan zijn geweertrekker; omringd door gevaren -zonder tal, bedreigd door Indianen en wilde dieren, die achter bosch en -struik, in donkere kloven of in hooge boomtoppen loeren, om zich op hem -te werpen en hem tot hun prooi te maken, gevoelt hij zich in waarheid -eerst heer der schepping, welke hij met al de macht van zijn wil, zijn -verstand, overleg en onverschrokkenheid beheerscht. - -Langer dan vijftien jaar hield Aimard dat hier vluchtig aangeduide, -vaak koortsig gejaagde leven vol. Onverschrokken jager, ging hij met de -Sioux en Zwartvoeten in de verst westelijke prairiën op bisons uit. In -’t golvend zand van de onbegrensde Del Norte verdwaald, zwerft hij daar -langer dan eene maand rond, aan de martelingen van honger, dorst en -koorts prijsgegeven. Tot tweemaal toe werd hij door de Apachen aan den -folterpaal gebonden. Twaalf maanden slaaf bij de Patagoniers aan de -Straat van Magellaan, had hij daar gruwelijke kwellingen en tergingen -te verduren en ontsnapte slechts door een wonder aan hunne handen. -Moederziel alleen trok hij de pampas van Buenos-Ayres tot San-Luïs de -Mendoza door en had op dien zwerftocht met panters en jaguars, met -roodhuiden en gaucho’s te kampen. Een dollen inval gehoor gevende, -wilde hij de geheimnissen van Brazilie’s ongerepte wouden doorgronden -en liet zich door geen wilde horden afschrikken, om die in hunne volle -breedte te doorkruisen. Beurtelings squatter, bevervanger, -partijganger, goudzoeker en bergwerker leerde hij Amerika, van de -hoogste Cordillera’s tot aan de stranden van den Oceaan kennen—een kind -van den dag, gelukkig in ’t heden, zonder zorg voor de toekomst, -wakkere voorpost van de beschaving, die in ’t far west van jaar tot -jaar meer veroveringen maakt. - -’t Zijn derhalve niet zoo zeer romans, die Aimard na zijne terugkomst -in Frankrijk schreef, als wel gedenkschriften en levensberichten. -Evenals Gabriël Ferry, zijn landsman, als Gerstäcker en Armand -(Strubberg), de Duitschers, vertelt hij van zijn eigen leven, van zijn -eigen ontmoetingen en ervaringen in het vreemde land. De door hem -beschreven zeden en gebruiken waren eens hemzelf eigen, met de door hem -geteekende Indianen heeft hij jaren lang geleefd en geleden, gejaagd en -gevischt, feestgevierd en gevast, in den wigwam of op ’t krijgspad -gelegen; wat hij geeft zijn in meer dan één opzicht photographieën.—— - -De ondergeteekende vertrouwt dan ook dat deze „Pelsjagers van de -Arkansas” en de verder in deze serie aangekondigde verhalen van Aimard -bij ’t neêrlandsch lezend publiek naast Gerstäcker, Ferry en Armand nog -wel een open plaatsje zullen vinden. - - - J. J. A. GOEVERNEUR. - - - - - - - - -INLEIDING. - -DE VADERVLOEK. - - -I. - -HERMOSILLO. - - -De reiziger, die voor de eerste maal den voet zet op den bodem van -zuidelijk Noord-Amerika, ondervindt zijns ondanks een onbeschrijfelijk -gevoel van weemoed. - -En inderdaad, de geschiedenis der nieuwe wereld is slechts een -betreurenswaardige martelaars-kroniek, waarin dweeperij en begeerigheid -hand aan hand gaan. - -Gouddorst gaf aanleiding tot het ontdekken der nieuwe wereld, het goud -eens gevonden zijnde, was Amerika voor zijne veroveraars niets meer dan -eene stapelplaats, waar deze begeerige gelukzoekers, met den dolk in de -eene en het crucifix in de andere hand, een rijken oogst kwamen -bijeenzamelen van dat zoo gewenscht metaal, om daarna naar hun -vaderland weder te keeren, aldaar met hunne rijkdommen te schitteren en -door de onbeteugelde weelde, die zij ten toon spreidden, nieuwe -landverhuizingen uit te lokken. - -Aan deze gedurige afwisseling is het inzonderheid toe te schrijven, dat -Amerika zoo weinig groote gedenkteekenen bezit, die anders in iedere -volkplanting gewoonlijk de plaats aanwijzen, waar de kolonisten zich -het eerst hebben nedergezet, en tevens de richting, in welke zij zich -hebben voortbewogen en uitgebreid. - -Doorreis heden dat uitgestrekte vasteland, dat gedurende drie eeuwen -het onbetwiste eigendom der Spanjaarden is geweest, doorloop dat heden, -zeg ik; ter nauwernood zult gij hier en daar op verre afstanden, een -puinhoop zonder naam ontwaren, die u hun doortocht in het geheugen -roept, terwijl de gedenkteekenen, door de Azteken en Incas vele eeuwen -vóór de ontdekking opgericht, nog in al hun majestueuzen eenvoud het -hoofd omhoog heffen als onvergankelijke getuigenissen van hunne -tegenwoordigheid in die landstreek en van hun streven naar beschaving. - -Helaas! wat zijn zij heden geworden, die roemrijke veroveringen, door -gansch Europa benijd, waarin het bloed der beulen zich vermengd heeft -met het bloed der slachtoffers, ten gerieve van die andere natie, toen -zoo trotsch op hare dappere veldheeren, op haar vruchtbaar grondgebied -en op haar handel, die geheel de wereld omvatte? De tijd is -voortgegaan, en het Zuiden van Amerika boet op dit oogenblik voor de -misdaden, die het voorgeslacht heeft bedreven. Verbrokkeld door -allerlei partijen, die elkander het bewind van één dag betwisten, -onderdrukt door verkwistende oligarchieën, verlaten door de -vreemdelingen, die er zich hebben vetgemest, verkwijnt het langzaam -onder het wicht zijner trage werkeloosheid, zonder de kracht te -bezitten om het looden doodskleed, waaronder het verstikt, op te -heffen, in het vooruitzicht van niet te ontwaken, voordat een nieuw -geslacht, niet bezoedeld door moord en doodslag en gehoorzaam aan Gods -eeuwige wetten, den arbeid en de vrijheid zal aanbrengen die het leven -der volkeren zijn. - -In één woord, het Spaansch-Amerikaansche ras heeft zich voortgeplant in -de domeinen, die het van zijne voorvaderen heeft ontvangen, zonder er -ooit de grenzen van uit te breiden; zijn heldenmoed is met Karel den -Vijfde ten grave gedaald en het heeft van het moederland niets bewaard -dan de gastvrije zeden, de godsdienstige onverdraagzaamheid, de -monniken, de guittareros (straatzangers) en de gewapende bedelaars. - -Van alle staten, die den grooten Mexicaanschen bond vormen, is de staat -Sonora de eenige, die, ten gevolge van zijne worsteling met de -onafhankelijke Indiaansche stammen, die het omringen, en van zijne -gedurige wrijving met die volkeren, een afzonderlijk karakter behouden -heeft. - -De zeden der inwoners hebben nog een zekere woeste oorspronkelijkheid, -die hen bij den eersten oogopslag van die der meer binnenwaarts gelegen -provinciën onderscheidt. - -De Rio Gila kan als de noordelijke grens van dezen staat worden -aangemerkt; van het oosten naar het westen is hij ingesloten tusschen -de Sierra Madre en de golf van Californië. - -De Sierra Madre verdeelt zich achter Durango in twee takken, waarvan de -voornaamste in de hoofdrichting van het noorden naar het zuiden loopt, -terwijl de andere zich naar het westen wendt, achter de staten Durango -en Guadalaxara om, en langs de oeverstaten der Stille Zee voortloopt. -Deze tak der Cordilleras vormt de zuidelijke grens van Sonora. - -De natuur schijnt er behagen in geschept te hebben, om hare weldaden -met kwistige hand over dit land uit te storten. Het klimaat is -liefelijk, gematigd en gezond; goud, zilver, vruchtbare akkers, -heerlijke vruchten, medicinale kruiden zijn er in overvloed; men vindt -er de krachtigste balsems, de nuttigste insekten voor verfstoffen, de -zeldzaamste marmersoorten, wild en visschen in menigte. Maar ook hebben -in de uitgestrekte wildernissen van de Rio Gila en de Sierra Madre de -onafhankelijke Indianen, de Comanchen, de Pawnies, de Pimas, de Opatas -en de Apachen voor eeuwig den oorlog verklaard aan het blanke ras; door -hunne eindelooze aanvallen doen zij den Mexicanen het bezit van al deze -rijkdommen, die zij eens aan hunne voorvaderen ontroofden, duur genoeg -betalen. - -De drie voornaamste steden van Sonora zijn: Guaymas, Hermosillo en -Arispe. - -Hermosillo, vroeger Pitic, door de expeditie van den graaf de Raouset -Boulbon beroemd geworden, is de stapelplaats van den Mexicaanschen -handel op de Stille Zuidzee, en telt meer dan 9000 inwoners. - -Deze stad, gebouwd op eene bergvlakte, die in noordwestelijke richting -zacht hellend tot aan zee afdaalt, wordt gerugsteund en beschermd door -een heuvel, el Cerro de la Campaña (Klokberg) geheeten, welks top met -ontzaggelijke steenblokken is bezaaid, die, als men er op slaat, een -helderen en zuiveren klank doen hooren. - -Overigens is deze Cuidad (stad), evenals hare Amerikaansche zusters, -morsig en van leem gebouwd, en geeft zij aan de verbaasde oogen van den -reiziger een treurige massa puinhoopen van verwaarloosde en verlatene -huizen te aanschouwen, die de ziel met weemoed vervullen. - -Op den dag, waarop dit verhaal een aanvang neemt, namelijk op den 17den -Januari 1817, tusschen drie en vier uur in den namiddag, het gewone uur -der siesta (middagrust), bood de stad Hermosillo, anders zoo stil en -rustig, een vreemd schouwspel aan. - -Een menigte van Leperos, Gambusinos (mijnwerkers, sluikers) en Rateros -(gauwdieven) verdrong zich al schreeuwend, dreigend en brullend in de -calle del Rosario (Rozelaarstraat). Eenige Spaansche soldaten,—Mexico -had toen het juk van het moederland nog niet afgeschud—trachtten -tevergeefs de orde te herstellen en de menigte uiteen te drijven, door -aan alle kanten met het hout hunner lansen harde slagen uit te deelen -aan ieder, die onder hun bereik kwam. - -Maar het rumoer, wel verre van te verminderen, nam gestadig toe en -vooral de Hiaqui-Indianen, die zich onder de menigte bevonden, -schreeuwden en gesticuleerden op een inderdaad schrikwekkende wijze. - -De vensters van alle huizen waren gevuld met mannen-en vrouwenhoofden, -die, met hunne blikken op de Cerro de la Campaña gericht, aan welks -voet dikke rookwolken dwarrelend omhoog stegen, een buitengewone -gebeurtenis schenen af te wachten. - -Eensklaps hoorde men een vreeselijk geschreeuw, de menigte splitste -zich in tweeën als een overrijpe granaat en ieder week met de -kenteekenen der grootste vrees ter zijde, toen er een jong mensch, of -liever een kind, want hij was ter nauwernood zestien jaar, in een wolk -van stof gehuld, op een half wild paard pijlsnel kwam aanrennen. - -»Houdt hem tegen!” riepen sommigen. - -»Lasseert [1] hem!” schreeuwden anderen. - -»Valgamedios!” mompelden de vrouwen, zich kruisende, »het is de duivel -zelf.” - -Maar allen, wel verre van hem tegen te houden, vloden om het hardst; de -vermetele knaap vervolgde zijn snellen draf met een spottenden glimlach -om de lippen, een verhit gelaat, bliksemende oogen en links en rechts -slagen uitdeelende met zijn chicote (zweep) aan allen, die zich te -dicht in zijne nabijheid waagden, of die ongelukkig verhinderd werden -zich zoo spoedig, als zij wel gewild hadden, te verwijderen. - -»He! he! Caspita!” riep, toen de knaap hem onder het voorbijgaan -aanraakte, een vaquero (koeherder) met dom gezicht en forsche -ledematen; »naar den duivel met dien schurk, die mij bijna het onderste -boven smeet! O, maar wacht,” ging hij voort, na een blik op den -jongeling geslagen te hebben, »ik bedrieg mij niet, het is Rafaël, de -zoon van mijn meester! Wacht even, picaro (schelm)!” - -Terwijl hij nog bezig was deze alleenspraak tusschen de tanden te -mompelen, ontrolde de vaquero de lasso, die aan zijn gordel hing, en -begon hij den ruiter achterna te hollen. - -De menigte, die zijn plan begreep, juichte hem met verrukking toe. - -»Bravo! bravo!” riepen allen. - -»Mis hem niet, Cornejo!” schreeuwden de vaqueros, hem met handgeklap -aanmoedigende. Cornejo naderde al gaandeweg den knaap, voor wien de -hinderpalen meer en meer toenamen. - -Door het geschreeuw der omstanders gewaarschuwd voor het gevaar, dat -hem bedreigde, wendde de ruiter het hoofd om. - -Toen zag hij den vaquero.—Een akelige loodkleur overdekte zijn gelaat; -hij begreep, dat hij verloren was. - -»Laat mij ontkomen, Cornejo,” riep hij met sidderende stem. - -»Neen, neen!” brulde de menigte, »lasseer hem! lasseer hem!” - -Het volk vond behagen in die menschenjacht, het vreesde van een zoo -belangwekkend schouwspel beroofd te zullen worden. - -»Geef u over!” antwoordde de reus; »anders, ik waarschuw u, lasseer ik -u als een Ciboto!” - -»Ik geef mij niet over!” zeide de knaap vastberaden. - -De twee sprekers renden altijd voort, de eene te voet, de andere te -paard.—De menigte volgde, brullend van genot. Zoo is het gepeupel -overal, barbaarsch en onmeêdoogend. - -»Laat mij gaan, zeg ik u!” riep de knaap, »of ik zweer u bij de -gebenedijde zielen uit het vagevuur, gij komt er slecht af.” - -De vaquero grinnikte, en zeide: - -»Pas op, Rafaël, voor de laatste maal vraag ik het u, wilt gij u -overgeven?” - -»Neen! duizendmaal neen!” riep de knaap woedend. - -»In Gods naam dan!” zeide de vaquero en slingerde hem de lasso naar het -hoofd. - -Nu had er iets buitengewoons plaats. Rafaël hield plotseling zijn paard -in, zoodat het stokstijf staan bleef, en uit den zadel springende wierp -hij zich als een jaguar op den reus, die door den schok ter aarde viel, -en, voordat iemand het kon verhinderen, stiet hij hem het mes, dat de -Mexicanen altijd bij zich aan den gordel dragen, in de keel. - -Een lange bloedstraal spoot in het aangezicht van den knaap; de vaquero -maakte nog eenige stuiptrekkingen en bleef toen onbewegelijk liggen. - -Hij was dood! - -De menigte slaakte een kreet van schrik en afgrijzen. Snel als de -bliksem had de knaap zich weêr in den zadel geworpen, en zijn mes -zwaaiende, hernieuwde hij met een duivelschen lach zijn wanhopigen rid. - -Toen men, nadat het eerste oogenblik van schrik voorbij was, den -moordenaar op nieuw wilde vervolgen, was hij verdwenen. - -Niemand wist welken kant hij was opgegaan. Gelijk meestal in dergelijke -omstandigheden, kwam de juez de letras (strafrechter), door een stoet -van alguacils (gerechtsdienaars) omgeven, op de plaats, waar de moord -geschied was, aan, juist toen het te laat was. - -De juez de letras, don Inigo tormentos Albaceyte, was een man van -omstreeks 50 jaar, klein en gezet, met een vollemaansgezicht, die een -gouden met diamanten omzette snuifdoos bij zich droeg, en onder -schijnbare goedhartigheid een onverzadigbare geldgierigheid verborg. - -De magistraat verontrustte zich, naar het scheen, volstrekt niet over -de vlucht van den moordenaar, hij schudde eenige malen het hoofd, wierp -een blik op de menigte rondom zich en zeide onder het nemen van een -snuifje: - -»Arme Cornejo! het zou toch stellig eenmaal zoo met u zijn afgeloopen; -was het van daag niet, dan toch morgen.” - -»Ja,” zeide een lepero, »hij is netjes van kant gemaakt.” - -»Dat dacht ik al,” hernam de rechter, »de man, die het gedaan heeft, is -een man van het vak.” - -»Ha! wel zeker,” antwoordde de lepero, de schouders ophalende, »het is -een kind.” - -»Bah!” riep de rechter met geveinsde verwondering en, den man die tot -hem sprak even van onder zijne oogleden aanziende, »een kind!” - -»Ten naasten bij,” zeide de lepero, trotsch op de aandacht, die men aan -zijne woorden schonk, »’t is Rafaël: de oudste zoon van don Ramon.” - -»Nu, nu!” antwoordde de rechter met stille zelfvoldoening; »maar dat is -immers niet mogelijk; Rafaël is ter nauwernood zestien jaar, hij zal -wel geen twist gezocht hebben met Cornejo, die hem met ééne hand had -kunnen verpletteren.” - -»’t Is toch zoo, Excellentie; we hebben het allen gezien; Rafaël heeft -gedobbeld bij don Aquilar; het schijnt dat de kans hem niet gunstig -geweest is; hij heeft al zijn geld verloren; toen is hij woedend -geworden en heeft het huis in brand gestoken.” - -»Caspita!” riep de rechter. - -»Het is gelijk ik de eer heb u te zeggen; Excellentie; kijk, men kan -den rook nog zien, alhoewel het huis reeds uitgebrand is.” - -»Inderdaad,” hernam de rechter, den vinger van den lepero met het oog -volgende, »en toen?” - -»Toen,” vervolgde de ander, »heeft hij zich natuurlijk uit de voeten -willen maken; Cornejo trachtte hem tegen te houden...” - -»Daar had hij gelijk in!” - -»Daar had hij geen gelijk in, daar Rafaël hem gedood heeft.” - -»Dat is waar,” zeide de rechter, »maar houd u bedaard, mijne vrienden, -de gerechtigheid zal hem wreken.” - -Dit woord werd door de omstanders met een spottenden glimlach -aangehoord. - -De magistraat, zonder zich veel over den indruk, dien zijne woorden -gemaakt hadden, te bekommeren, beval aan zijn gevolg, dat den -overledene reeds doorzocht en geplunderd had; het lijk op te nemen en -naar den ingang der naastbijzijnde kerk te brengen; vervolgens trad hij -zijn huis binnen, zich vergenoegd de handen wrijvende. - -Tien sterk gewapende alguacils wachtten hem te paard aan de deur op; -een bediende hield een prachtigen, zwarten hengst, die van ongeduld -stampvoette, bij den toom. Don Inigo zette zich in den zadel, plaatste -zich aan het hoofd zijner manschappen en de troep verwijderde zich. - -»Nu, nu,” zeiden de nieuwsgierigen, die in de buurt op den drempel -hunner woningen post hadden gevat, »juez Albaceyte begeeft zich naar -don Ramon Garillas, wij zullen morgen wat nieuws hebben.” »Caspita!” -antwoordden anderen, »dat lieve zoontje van hem heeft den strop, -waaraan hij zal opgehangen worden, niet gestolen; hij heeft hem eerlijk -verdiend.” - -»Hm!” zeide een lepero met een spijtigen glimlach, »het zou jammer -wezen, de schelm belooft wat te zullen worden, op mijn woord! De -cuchillada (snede), die hij Cornejo heeft toegebracht, is heerlijk. De -arme duivel is op een onberispelijke wijze van kant gemaakt.” - -De rechter vervolgde ondertusschen zijn weg en bevond zich weldra in -het veld. - -Toen, zich in zijn mantel wikkelende, vroeg hij: - -»Zijn de wapens geladen?” - -»Ja, Excellentie,” antwoordde de hoofdman der alguacils. - -»Goed! naar de hacienda (hoeve) van don Ramon Garillas, en in een -goeden draf; wij moeten er voor het aanbreken van den nacht zijn.” - -De troep zette zich in galop. - - - - - - - -II. - -DE HACIENDA DEL MILAGRO. - - -De omstreken van Hermosillo zijn ware woestijnen. De weg, die van deze -stad naar de hacienda del Milagro (Wonderhoeve) voert, is vooral somber -en dor. - -Slechts bij lange tusschenpoozen ziet men hier en daar eenige -gomboomen, Peruboomen, konzenieljes en cactussen, de eenigste planten, -die groeien kunnen op een door de loodrecht nedervallende stralen der -zon verschroeiden bodem. - -Op geregelde afstanden vertoonen zich, als om den reiziger te -bespotten, de lange houten balansen der regenbakken, met een verwrongen -en hard geworden lederzak aan het eene en met steenen aan het andere -eind; maar de regenbakken zijn uitgedroogd en op den bodem is niets -meer dan een zwarte en modderige korst, waarin zich een tallooze -menigte van ongedierte beweegt; wolken van fijn en alles doordringend -stof, door de minste beweging in de lucht opgejaagd, dringen den -vermoeiden reiziger in de keel en onder elke uitgedroogde grashalm -roepen de krekels woedend den weldadigen nachtelijken dauw in. - -Maar als men na een lange worsteling met allerlei moeielijkheden, zes -mijlen in deze verzengde woestijnen heeft afgelegd, vestigt het oog -zich met wellust op een prachtige oase, die eensklaps als uit den -schoot van het dorre zand schijnt omhoog ie rijzen. - -Dat Eden is de Hacienda del Milagro. - -Op het tijdstip, waarin ons verhaal ons verplaatst, bestond deze -hacienda, een der rijkste en uitgestrektste der provincie, in een -gebouw van twee verdiepingen, met muren van tapia en adobes (klei met -stroo) en met een rieten dak. - -Men bereikte de hacienda door middel van een ontzaggelijk erf, welks -ingang, een gewelfd portaal, verzekerd was met zware slagdeuren, aan -welker eene zijde zich een sluippoort bevond. Aan de voorzijde telde -men vier kamers, welker vensters met vergulde ijzeren spijlen en van -binnen met jalousieën versierd waren; de ramen waren van glas, een -ongehoorde weelde in dat land en in dien tijd; aan iedere zijde van het -erf of patio bevonden zich de gemeenschappelijke woningen voor de -peones (arbeiders), de kinderen enz. - -Gelijkvloers bestond het hoofdgebouw uit drie deelen. Eerst had men een -soort van groote vestibule, met antieke leunstoelen en canapé’s met -zittingen van cordova-leder, een konzenielje-houten tafel en eenige -tabouretten; aan de muren hingen in vergulde lijsten verscheidene oude -portretten, die de leden der familie levensgroot voorstelden; de zolder -was met een menigte van reliëfs versierd. - -Een paar vleugeldeuren gaven toegang tot de zaal; recht tegenover het -patio, was er langs den geheelen muur eene verhevenheid van een voet -hoogte aangebracht; deze was met een tapijt bedekt en pronkte met eene -rij kunstig gesneden en rijk geborduurde lage tabouretten, voor ieder -waarvan een kussen om de voeten op te leggen; er was ook een klein -vierkant tafeltje, achttien duim hoog, dat tot werktafeltje diende. Dit -gedeelte van de zaal is bestemd voor de dames, die er zich op de wijze -der Mooren met gekruiste beenen nederzetten; aan den anderen kant der -zaal bevinden zich stoelen, met zittingen evenzoo geborduurd als de -tabouretten en kussens; tegenover den ingang der zaal was een andere -deur, waardoor men in de voornaamste slaapkamer kwam; hier zag men een -alcove, waarin op eene verhevenheid een paradebed was geplaatst, -versierd met eene menigte verguldsels en gordijnen van gebloemde zijde. -De lakens en sloopen waren van het fijnste linnen en met breede kant -omzoomd. - -Achter het hoofdgebouw bevond zich een tweede patio, waar de keukens en -het corral (hoenderhok) geplaatst waren; daarachter was een groote -tuin, geheel ommuurd en meer dan honderd roeden lang, op engelsche -wijze aangelegd, rijk aan allerlei vreemde boomen en planten. - -De hacienda vierde feest. - -Het was de tijd van de matanza del ganado (slacht): de peones -(arbeiders) hadden op eenige schreden afstands een omheining gemaakt, -binnen welke zij de magere runderen van de vette afzonderden; de vetten -werden een voor een weder naar buiten gejaagd, en door een vaquero, die -met een snijdend werktuig gewapend aan den ingang stond, met één slag -afgemaakt. Zoo deze bij ongeluk missloeg, hetgeen somwijlen gebeurde, -was er een andere vaquero, die te paard het arme dier in galop -vervolgde, de lasso om zijne horens sloeg en het vasthield, totdat de -eerste het had gedood. - -Achteloos tegen de gaanderij der hacienda aangeleund, stond een man van -omstreeks veertig jaar, in de rijke kleeding van een landedelman, de -schouders bedekt met een veelkleurige zarape (wollen shawl) en het -hoofd beveiligd voor de laatste stralen der ondergaande zon door een -hoed van fijn Panama-stroo, die, onder het rooken van een maïs-cigaar, -het opzicht scheen te houden over dit tooneel. - -Het was een lang man, van verheven gestalte, welgevormd, met scherpe -maar schoone gelaatstrekken, die eerlijkheid en moed, maar vooral een -ijzeren wil verraadden. Zijne groote, zwarte oogen, door zware -wenkbrauwen overschaduwd, hadden een onvergelijkelijk zachte -uitdrukking; maar, als wrevel zijn bruine gelaatskleur met een rooden -gloed overtoog, nam zijn blik eene onverzettelijkheid en eene kracht -aan, die niemand kon weerstaan en die den dapperste deden aarzelen en -beven. - -Hij had bovendien dat aristocratisch uiterlijk, waaraan men bij den -eersten oogopslag den afstammeling van een zuiver en edel castiliaansch -geslacht herkent. - -En inderdaad, deze man was don Ramon Garillas de Sevedar, de eigenaar -van de hacienda del Milagro, die wij zoo pas beschreven hebben. - -Don Ramon Garillas stamde af van een spaansch geslacht, welks stamvader -een der voornaamste luitenants van Cortes was geweest en dat zich in -Mexico gevestigd had, na de wonderbare verovering van dat land door -dien fortuinzoeker. - -In het bezit van een vorstelijk vermogen, maar wegens zijn huwelijk met -eene vrouw van gemengd Aztekisch ras door de spaansche aristocratie -verstooten, had hij zich geheel en al aan het bebouwen van zijn land en -aan de verbetering zijner uitgestrekte goederen overgegeven. - -Na zeventien jaar gehuwd te zijn geweest, was hij thans het hoofd van -een talrijk huisgezin, bestaande uit zes jongens en drie meisjes, in -het geheel negen kinderen, waarvan Rafaël, dien wij straks ontmoet -hebben, toen hij den vaquero zoo knaphandig afmaakte, de oudste was. - -Het huwelijk van don Ramon en doña Jesusita was een huwelijk geweest -uit speculatie, alleen met het oog op het geld gesloten, maar dat -beiden toch betrekkelijk gelukkig maakte; wij zeggen betrekkelijk, want -daar het meisje het klooster verlaten had om te trouwen, had er nimmer -liefde tusschen hen bestaan, maar was deze vervangen geworden door eene -teedere en oprechte genegenheid. - -Doña Jesusita bracht haar tijd door met te midden van hare indiaansche -vrouwen voor hare kinderen te zorgen; haar echtgenoot van zijn kant was -den geheelen dag bezig met zijne vaqueros, peones en jagers en zag -zijne vrouw slechts enkele oogenblikken gedurende den maaltijd, terwijl -hij soms maanden achtereen uitbleef om een jachtpartij aan de oevers -van de Rio Gila bij te wonen. Wij moeten er echter bijvoegen, dat, -afwezig of niet, don Ramon steeds met de grootste nauwkeurigheid zorg -droeg, dat er niets ontbrak aan het welzijn van zijne vrouw en dat aan -hare minste grillen werd voldaan, terwijl hij noch geld, noch moeite -spaarde om haar alles te bezorgen, wat zij scheen te verlangen. - -Doña Jesusita was betooverend schoon en van een engelachtig humeur; zij -scheen, zoo niet met blijdschap, dan toch zonder al te veel verdriet de -levenswijze aangenomen te hebben, waarin haar man haar genoodzaakt had -zich te schikken; maar uit de diepte van haar groot, zwart, kwijnend -oog, uit de bleekheid van hare trekken en vooral uit de wolk van -droefheid, die voortdurend haar schoon voorhoofd met een matte -bleekheid overtrok, was het niet moeilijk op te maken, dat er in dat -verleidelijk marmerbeeld eene gloeiende ziel was opgesloten en dat dat -hart, dat zich zelf niet kende, al zijne gedachten gericht had op hare -kinderen, waaraan zij hing met al de kracht der moederlijke liefde. - -Wat don Ramon betreft, altijd even goed en voorkomend voor zijne vrouw, -die hij zich nooit de moeite had gegeven om te besturen, veel min te -regeeren, hij had het recht om haar voor het gelukkigste schepsel van -de wereld te houden; en zij was het inderdaad, sedert zij moeder werd. - -De zon was voor eenige oogenblikken ondergegaan; de lucht verloor -langzamerhand haar purpertint en werd hoe langer hoe donkerder; onder -het gewelf des hemels begonnen reeds eenige sterren te schitteren en de -avondwind verhief zich met eene kracht, die tegen den nacht een van die -vreeselijke onweders voorspelde, welke in deze gewesten zoo dikwijls -losbarsten. - -De mayoral (hofmeester), na met zorg het overblijvende ganado (vee) -binnen de omheining te hebben doen opsluiten, verzamelde de vaqueros en -peones en allen richtten zich naar de hacienda, waar de avondmaalsklok -hen waarschuwde, dat het uur der rust eindelijk was aangebroken. - -Toen de mayoral het laatst binnentrad en een buiging maakte voor zijn -meester, vroeg deze hem: - -»Nu, nô Eusébio, hoeveel koppen hebben wij dit jaar?” - -»Vierhonderd vijftig mi amo (mijn meester),” antwoordde de mayoral, een -groot, ernstig, mager man, met grijzende haren en een gezicht zoo geel -en uitgedroogd als een stuk oud perkament, terwijl hij zijn paard -inhield en zijn hoed afnam, »dat is te zeggen: vijf en zeventig meer -dan verleden jaar; onze buren de jaguars en de Apachen hebben ons van -’t jaar niet veel schade berokkend.” - -»Dank zij uwer waakzaamheid, nô Eusébio,” hernam don Ramon; »ik zal -haar niet onbeloond laten.” - -»Mijn beste belooning is het goede woord, dat Uw Genade mij ten beste -geeft,” antwoordde de mayoral, wiens ruw gelaat eensklaps ophelderde; -»is het niet mijn plicht voor al het uwe met dezelfde zorgvuldigheid te -waken, alsof het het mijne ware?” - -»Ik dank u,” zeide de edelman bewogen en de hand zijns dienaars -drukkende, »ik weet, dat gij u geheel aan mij hebt toegewijd.” - -»In leven en in sterven, meester; mijne moeder heeft u gezoogd, ik -behoor u en de uwen toe.” - -»Kom, kom! nô Eusébio,” zeide de hacendero opgeruimd, »het souper is -gereed, de señora is zeker reeds aan tafel, laten wij haar niet langer -laten wachten.” - -Daarop traden beiden binnen het patio en nô Eusébio, zooals don Ramon -hem genoemd had, maakte zich gereed om de deuren te sluiten. - -Ondertusschen trad don Ramon de eetzaal der hacienda binnen, waar al de -vaqueros en peones reeds bijeen waren. - -Deze eetzaal bevatte een ontzaglijk groote tafel, die geheel het -middenvak besloeg; daaromheen waren banken geplaatst met lederen -zittingen en twee gebeeldhouwde leunstoelen voor don Ramon en de -señora. Achter de leunstoelen hing aan den muur een ivoren -Christusbeeld van vier voet hoogte, midden tusschen twee schilderijen, -waarvan de eene Jezus in Gethsemané en de andere de prediking op den -berg voorstelde. Hier en daar grijnsden u van de gewitte muren -jaguars-, buffels-, of hertenkoppen tegen, die de hacendero (eigenaar -der hacienda) op de jacht gedood had. - -De tafel was rijkelijk voorzien met lahua (een dikke soep van gekookt -maïsmeel met vleesch), puchero of olla podrida en pépian; op gelijke -afstanden stonden flesschen met mezkal en karaffen met water. - -Op een gegeven teeken van den hacendero nam het maal een aanvang. - -Weldra barstte het onweder los. De regen viel bij stroomen neder, elk -oogenblik deden felle bliksemstralen de lichten in de zaal verbleeken -en zware donderslagen den grond dreunen. - -Tegen het einde van het maal klom de orkaan tot zulk eene hevigheid, -dat het gedruisch der elementen het spreken onmogelijk maakte. - -De donder ratelde met eene ontzettende kracht; een rukwind drong met -geweld de zaal binnen, verbrijzelde een venster en doofde al de lichten -uit; allen die tegenwoordig waren kruisten zich al bevend. - -Tegelijk weergalmde de bel van de poort der hacienda en eene stem, die -niets menschelijks had, riep tweemaal achtereen: - -»Help!... help!.....” - -»Jezus Christus!” riep don Ramon uit, terwijl hij met één sprong de -zaal uit was, »er wordt iemand op de vlakte vermoord.” - -Er werden op hetzelfde oogenblik twee geweerschoten gehoord, een -akelige gil doorsneed de lucht en daarna verviel alles in een sombere -stilte. - -Eensklaps verlichtte eene heldere bliksemstraal de duisternis, de -donder ratelde met veel geweld en don Ramon vertoonde zich wederom op -den drempel der zaal, met een man, die in onmacht gevallen was, in -zijne armen. - -De vreemdeling werd op een bank gelegd, men verdrong zich om hem heen. -Het gezicht van dien man had niets buitengewoons, evenmin als zijne -kleeding, en toch, toen hij hem bemerkte, kon Rafaël, de oudste zoon -van don Ramon, een gebaar van schrik niet weêrhouden en zijn gelaat -werd bleek als dat van een doode. - -»O!” mompelde hij zacht, »de juez de letras!...” - -Inderdaad, het was de waardige rechter, dien wij met een zoo sierlijk -gevolg Hermosillo zagen verlaten. Zijne lange, natte haren vielen op -zijn borst, zijne kleederen waren in wanorde geraakt, op menige plaats -gescheurd en met bloed bevlekt. Zijne rechterhand hield de kolf van een -afgeschoten pistool stijf omklemd. - -Don Ramon had den juez de letras ook herkend en onwillekeurig een blik -op zijn zoon geworpen, dien deze niet kon doorstaan. - -De rechter, dank zij der zorgen hem door doña Jesusita en hare vrouwen -bewezen, kwam spoedig weder bij, slaakte een diepen zucht, opende een -paar woeste oogen, die hij over de omstanders liet gaan zonder nog iets -te zien, en herkreeg langzamerhand zijn bewustzijn. - -Eensklaps deed een levendig rood zijn even te voren zoo bleek voorhoofd -kleuren; zijne oogen schitterden, terwijl hij op Rafaël een blik wierp, -die dezen aan den grond vastnagelde en aan een onverwinnelijke vrees -ten prooi liet. - -Daarna hief hij zich met moeite op, trad naar den jongeling die hem zag -aankomen, zonder hem te durven ontwijken, legde hem ruw de hand op den -schouder, en vervolgens zich tot de verschrikte peones wendende, die -van dit alles niets begrepen, zeide hij op plechtigen toon: - -»Ik, don Inigo tormentos d’ Albaceyte, juez de letras der stad -Hermosillo, arresteer in naam des Konings dezen man, overtuigd van -moord!....” - -»Genade!” riep Rafaël, zich op de knieën werpende en wanhopig de handen -vouwende. - -»Wee mij!”—gilde de arme moeder in zwijm vallende. - - - - - - - -III. - -HET VONNIS. - - -Den volgenden dag rees de zon prachtig aan de kimmen. Het onweder van -dien nacht had den bewolkten horizont schoongeveegd; de vogels -fladderden en zongen onder de bladeren verborgen; geheel de natuur had -haar gewoon feestelijk aanzien herkregen. - -De klok van de hacienda del Milagro liet hare heldere slagen hooren; de -peones begonnen zich in alle richtingen te verspreiden, deze om de -paarden te laten grazen, gene om het rundvee naar de kunstmatige weiden -te voeren, andere wederom, die zich naar den akker begaven, terwijl nog -anderen zich in het patio onledig hielden met het melken der koeien en -het herstellen der door het onweder veroorzaakte schade. - -De eenige sporen, van den nachtelijken storm overgebleven, waren twee -prachtige jaguars, die dood voor de deur lagen uitgestrekt, niet ver -van het half verscheurde lijk van een paard. - -Nô Eusébio, die in het patio heen en weer wandelde en een wakend oog -hield over allen, die daar aan het werk waren, liet het rijke tuig van -het doode paard wegnemen en schoonmaken en gaf bevel om de jaguars het -vel af te stroopen. Zijn bevel werd in een oogwenk volbracht. -Desniettemin was nô Eusébio niet op zijn gemak; don Ramon, gewoonlijk -het eerst op in de hacienda, was nog niet verschenen. - -Den vorigen avond, na de verpletterende aanklacht door den juez de -letras tegen den oudsten zoon van den hacendero uitgebracht, had deze -zijne dienaars gelast zich te verwijderen en na zelf, ondanks de tranen -en gebeden zijner vrouw, zijn zoon stevig gekneveld te hebben, had hij -don Inigo d’ Albaceyte in eene achterkamer der hoeve gebracht, waar -beiden tot laat in den nacht hun verblijf hielden. - -Wat was er voorgevallen gedurende dat onderhoud, dat beslist moest -hebben over het lot van Rafaël? Niemand wist het, nô Eusébio evenmin -als de anderen. - -Na vervolgens don Inigo naar zijn slaapvertrek geleid en hem een goeden -nacht gewenscht te hebben, had don Ramon zich bij zijn zoon vervoegd, -bij wien de arme moeder nog altijd zat te schreien. Zonder een woord te -spreken had hij den knaap in zijne armen genomen en in zijne slaapkamer -gebracht, waar hij hem op den grond naast zijn ledikant had -nedergelegd, vervolgens had de hacendero de deur op het nachtslot -gedaan en was hij gaan liggen, met twee pistolen naast zijn -hoofdkussen. Op die wijze was de nacht voorbijgegaan, terwijl vader en -zoon in het donker elkander met woeste, vurige blikken lagen aan te -staren en de arme moeder neergeknield lag op den drempel der kamer, -waartoe haar de ingang was ontzegd, in stilte weenende om haar -eerstgeborene, die, gelijk haar voorgevoel haar zeide, haar eerlang -voor altijd zou ontnomen worden. - -»Hm!” mompelde de mayoral, »wat moet er van dat alles komen? Don Ramon -is geen man om iets door de vingers te zien, hij zal geen verdrag -sluiten met zijne eer. Zal hij zijn zoon aan het gerecht overleveren? -Neen! dat niet.—Maar wat zal hij dan doen?” - -De waardige mayoral was zoover met zijne overdenkingen gekomen, toen -don Inigo d’Albaceyte en don Ramon in het patio verschenen. - -Het gelaat der twee mannen was ernstig, dat van den hacendero vooral -was somber als de nacht. - -»Nô Eusébio,” zeide don Ramon, »laat een paard zadelen en een geleide -van vier man opzitten om dezen heer naar Hermosillo te brengen.” - -De mayoral boog eerbiedig en gaf onmiddellijk de noodige bevelen. - -»Ik bedank u duizendmaal,” ging don Ramon voort, zich tot den rechter -wendende, »gij redt de eer van mijn huis.” - -»Wees mij niet zoo dankbaar, mijnheer,” antwoordde don Inigo, »ik zweer -u, dat, toen ik gisteren avond de stad verliet, ik geen ander doel had -dan u welgevallig te zijn.” - -De hacendero maakte eene beweging met zijn hand. - -»Stel u in mijne plaats, ik ben vóór alles strafrechter; men vermoordt -iemand, een slechten knaap, dat stem ik u toe, maar toch een mensch, -alhoewel van de minste soort; de moordenaar is bekend, hij rijdt in -galop door de stad op klaarlichten dag, voor aller oogen, met een -ongeloofelijke onbeschaamdheid; wat moest ik doen? Natuurlijk hem -vervolgen. Ik heb dan ook niet geaarzeld dit te doen.” - -»Dat is zoo,” mompelde don Ramon, het hoofd latende hangen. - -»En ’t is mij slecht bekomen; de schelmen die mij vergezelden hebben -mij, toen het onweder het zwaarst was, als lafaards verlaten, om zich, -ik weet niet waar, te verbergen; tot overmaat van smart begonnen twee -jaguars, overigens prachtige dieren, mij te vervolgen; zij kwamen mij -zóó nabij, dat ik vóór uwe deur van mijn paard ben gevallen; één heb ik -er wel is waar gedood, maar de andere stond juist op het punt mij te -verscheuren, toen gij mij te hulp kwaamt. Mocht ik daarna den zoon -arresteeren van den man, die mij het leven had gered op gevaar van het -zijne te verliezen? Dat zou de zwartste ondankbaarheid geweest zijn.” - -»Nogmaals dank daarvoor!” - -»Geen dank, wij hebben afgerekend, dat is alles. Ik spreek niet van -eenige duizenden piasters, die gij mij gegeven hebt, omdat zij dienen -zullen om mijne lieden den mond te stoppen; maar geloof mij, don Ramon, -bewaak uw zoon; zoo hij eens weder in mijne handen viel, zou ik hem -niet kunnen redden.” - -»Wees gerust, don Inigo, mijn zoon zal niet weder in uwe handen -vallen.” - -De hacendero sprak deze woorden op een zoo somberen toon uit, dat de -rechter zich sidderend omwendde. - -»Wees voorzichtig en bedenk wat gij doen gaat!” zeide hij. - -»O, vrees niets,” antwoordde don Ramon; »maar daar ik niet verkies, dat -mijn zoon op het schavot komt en mijn naam door het slijk sleurt, zoo -zal ik er orde op weten te stellen.” - -Op dit oogenblik werd het paard voorgebracht.—De juez de letras zette -zich in den zadel. - -»Nu, vaarwel! don Ramon,” zeide hij op een genadigen toon, »wees -voorzichtig, dat jonge mensch kan zich verbeteren, hij heeft maar wat -vurig bloed in de aderen, dat is alles.” - -»Vaarwel, don Inigo d’Albaceyte,” antwoordde de hacendero kortaf. - -De rechter schudde het hoofd, en nu zijn paard de sporen gevende, reed -hij op een draf weg, gevolgd door zijn escorte. De hacendero volgde hem -met de oogen, zoolang hij kon, toen trad hij de hacienda wederom -binnen. - -»Nô Eusébio,” zeide hij tot den mayoral, »luid de klok om de peones en -de overige bedienden der hacienda bijeen te roepen.” - -De mayoral, na zijn meester verbaasd te hebben aangestaard, haastte -zich, het ontvangen bevel ten uitvoer te brengen. - -»Wat beteekent dat alles!” zeide hij. - -Op het gelui der klok, kwamen al de lieden der hacienda aanloopen, niet -wetende waaraan zij de buitengewone oproeping moesten toeschrijven. - -Weldra waren zij vereenigd in de groote zaal, die tot eetzaal had -gediend. Er heerschte onder hen een volmaakte stilte. Een bange vrees -beklemde hun hart. Zij hadden een voorgevoel, dat er iets vreeselijks -gebeuren zou. - -Na eenige minuten gewacht te hebben, trad doña Jesusita omringd van -hare kinderen met uitzondering van Rafaël binnen en nam plaats op eene -verhevenheid aan het einde der zaal. - -Haar aangezicht was bleek, hare roode oogen toonden, dat zij geweend -had. - -Don Ramon verscheen. - -Hij droeg een zwart fluweelen kleed, zonder borduursel, op zijn borst -hing een zware gouden keten; een zwart vilten hoed met breeden rand, -versierd met een arendsveder, bedekte zijn hoofd; een lange degen met -ijzeren gevest hing aan zijne linkerzijde. - -Zijn voorhoofd was gerimpeld, zijne wenkbrauwen waren gefronst boven -zijne zwarte, vlammenschietende oogen. - -Eene siddering doorliep de reien der omstanders.—Don Ramon Garillas -verscheen als rechter. - -»Zou er recht gesproken worden? Maar over wien?” - -Toen don Ramon rechts van zijne vrouw plaats genomen had, gaf hij een -teeken. - -De mayoral verwijderde zich en kwam een oogenblik later met Rafaël -weder binnen. - -De jongeling was blootshoofds; zijne handen waren achter op zijn rug -gebonden. - -Met neêrgeslagen oogen en verbleekt gelaat, plaatste hij zich voor zijn -vader, dien hij eerbiedig groette. - -In den tijd, waarin dit verhaal ons verplaatst, vooral in de landen, -die ver van eenige hoofdplaats verwijderd en blootgesteld waren aan de -gedurige invallen der Indianen, hadden de hoofden der huisgezinnen nog -in al zijne zuiverheid dat patriarchale gezag bewaard, dat onder den -invloed der beschaving hoe langer hoe meer begint te verdwijnen. - -Een vader was souverein in zijn huis; zijne vonnissen waren zonder -appél en werden steeds zonder tegenstand uitgevoerd. - -Die lieden der hacienda kenden het vaste karakter en den -onverzettelijken wil van hun meester; zij wisten dat hij nooit vergaf, -dat zijn eer hem dierbaarder was dan zijn leven; het was daarom met een -onbeschrijfelijk gevoel van angst, dat zij zich gereed maakten om -tegenwoordig te zijn bij het vreeselijk drama, dat er tusschen vader en -zoon zou gespeeld worden. - -Don Ramon richtte zich op, liet een somberen blik over de vergadering -gaan, en zijn hoed op den grond werpende, zeide hij langzaam en met den -klemtoon op iedere lettergreep. - -»Luistert allen; ik ben van een oud christelijk geslacht; mijne -voorouders hebben zich nooit vergrepen; de eer is in mijn huis altijd -beschouwd geworden als het hoogste goed; die eer, die mijne vaderen mij -zonder smet hebben overgeleverd en die ik getracht heb zuiver te -bewaren, is door mijn oudsten zoon, den erfgenaam van mijn naam, -onuitwischbaar geschandvlekt. Gisteren te Hermosillo, heeft hij, -tengevolge van een twist in een speelhuis, een huis in brand gestoken, -op gevaar af van de geheele stad aan de vlammen prijs te geven, en een -man, die zich tegen zijne vlucht wilde verzetten, met een dolkstoot -vermoord. Wat moet ik denken van een knaap, die zóó jong het karakter -van een wild dier toont te hebben? Er moet recht gedaan worden en, zoo -waarachtig als God leeft, ik zal gestreng zijn!” - -Na deze woorden kruiste don Ramon de armen over zijne borst en scheen -dieper adem te halen. - -Niemand waagde het een woord uit te spreken ten gunste van den -beschuldigde; aller oog was ter aarde geslagen, aller borst hijgde. - -Rafaël was bemind door al de bedienden van zijn vader wegens zijne -onverschrokkenheid, die geen palen kende; wegens zijne behendigheid in -het behandelen van paard en wapenen; en meer dan dit alles, wegens de -rondborstigheid en de goedheid, die de hoofdtrekken van zijn karakter -waren. In dit land vooral, waar het leven van een mensch zoo weinig -geteld wordt, was ieder innig geneigd om den knaap te verontschuldigen -en om in de gepleegde misdaad slechts een gevolg te zien van verhit -bloed en opgewekten toorn. - -Doña Jesusita richtte zich op; zij had zich altijd zonder morren -gebogen voor den wil van haar man, dien zij sedert lange jaren gewoon -was te eerbiedigen; het denkbeeld alleen van hem weêrstand te bieden, -verschrikte haar en deed haar een huivering door de leden gaan; maar al -de kracht van hare liefde had zich in haar hart op één punt vereenigd: -zij aanbad hare kinderen, bovenal Rafaël die wegens zijn ontembaar -karakter, meer dan de anderen, de zorgen eener moeder noodig had. - -»Mijnheer,” zeide zij tot haar echtgenoot met een bedrukte stem, -»bedenk dat Rafaël uw eerstgeborene is, dat zijn misdrijf, hoe zwaar in -uwe oogen, niet geheel zonder verontschuldiging zijn kan, dat gij zijn -vader zijt, en dat ik!—ik! riep zij uit, op de knieën vallende, de -handen vouwende en in tranen uitbarstende,—dat ik uw medelijden inroep; -genade, mijnheer! genade voor mijn zoon!” - -Don Ramon richtte zijn vrouw met koele plechtstatigheid op en dwong -haar om weder plaats te nemen. - -»Het is vooral als vader,” zeide hij, »dat mijn hart zonder medelijden -zijn moet!... Rafaël is een moordenaar en een brandstichter, hij is -mijn zoon niet meer!” - -»Wat wilt gij met hem doen?” riep doña Jesusita angstig uit. - -»Wat gaat het u aan, mevrouw?” antwoordde don Ramon heftig, »de zorg -voor mijne eer betreft mij alléén; het zij u genoeg te weten dat dit -misdrijf het laatste is dat uw zoon begaan zal.” - -»O,” riep zij met schrik, »wilt gij dan zijn beul zijn?...” - -»Ik ben zijn rechter,” hernam de onverzoenlijke edelman op vreeselijken -toon. »Nô Eusébio, zadel twee paarden!” - -»God, mijn God!” gilde de arme vrouw, naar haar zoon ijlende, dien zij -met haar armen omklemde, »zal dan niemand mij te hulp komen!” - -Al de omstanders waren bewogen. Don Ramon zelf kon een traan niet -weêrhouden. - -»O,” riep de moeder verheugd, »hij is gered! God heeft het hart van -dezen ijzeren man vermurwd!” - -»Gij vergist u, mevrouw,” viel don Ramon haar in de rede, haar norsch -terugstootende; »uw zoon behoort niet aan mij, maar aan mijne -gerechtigheid!” - -Toen op zijn zoon een blik werpende, koud als het lemmer van zijn -zwaard, zeide hij op een toon, die den knaap zijns ondanks deed -sidderen. - -»Don Rafaël, van dezen oogenblik afaan maakt gij geen deel meer uit van -deze maatschappij, die gij tot een schrik zijt geweest; ik veroordeel u -om met de wilde dieren te leven en te sterven.” - -Bij dit verschrikkelijk vonnis deed doña Jesusita eenige wankelende -stappen, en viel toen voorover op den grond in zwijm. - -Rafaël had tot nu toe met veel moeite in zijn hart de aandoeningen -onderdrukt, die hem bewogen, maar nu kon hij zich niet langer -weêrhouden; hij vloog naar zijne moeder in tranen wegsmeltende, en een -hartverscheurenden gil uitstootende, riep hij: »Moeder! Moeder!” - -»Kom!” zeide don Ramon, hem de hand op den schouder leggende. - -De knaap waggelde als een beschonken mensch. - -»Zie toch, mijnheer! maar zie dan toch!” riep hij snikkend uit, »mijne -moeder sterft!” - -»Gij zijt het die haar gedood hebt,” antwoordde de hacendero koel. - -Rafaël keerde zich om alsof een slang hem gebeten had; hij sloeg op -zijn vader een vreemdsoortigen blik, en met op elkander gesloten -tanden, en bleek voorhoofd zeide hij tot hem: - -»Dood mij, mijnheer, want ik zweer u, dat evenals gij zonder medelijden -voor mijne moeder en voor mij zijt geweest, ik zoo lang ik leef zonder -medelijden voor u zal zijn!” - -Don Ramon wierp hem een verachtelijken blik toe. - -»Laat ons gaan,” zeide hij. - -»Laat ons gaan,” herhaalde de knaap, op vasten toon. Doña Jesusita, die -begon te herleven, werd als in een droom het vertrek van haren zoon -gewaar. - -»Rafaël! Rafaël!” riep zij op zielroerenden toon uit. - -De jongeling aarzelde een seconde, toen kwam hij met één sprong bij -haar, omhelsde haar teeder, en daarop tot zijn vader gaande, zeide hij: - -»Nu kan ik sterven, ik heb mijne moeder vaarwel gezegd!” - -Zij vertrokken. - -De omstanders gingen uiteen zonder elkander hunne gedachten te durven -mededeelen, maar ter prooi aan eene diepe smart. - -Onder de omhelzingen van haar zoon had de moeder op nieuw hare kennis -verloren. - - - - - - - -IV. - -DE MOEDER. - - -Twee paarden, door nô Eusébio bij den toom gehouden, wachtten aan de -deur der hacienda. - -»Zal ik uwe genade vergezellen?” vroeg de mayoral. - -»Neen!” antwoordde de hacendero koel. - -Hij zette zich in den zadel en plaatste zijn zoon dwars voor zich. - -»Breng dat tweede paard weg,” zeide hij, »dat heb ik niet noodig.” - -En zijn paard de sporen gevende rende hij in vollen draf weg. - -De mayoral trad weder in huis, treurig het hoofd schuddende. - -Zoodra de hacienda achter eene kromte van den weg uit het gezicht -verdwenen was, stond don Ramon stil, haalde een zijden doek uit zijn -zak, bond dien voor de oogen van zijn zoon zonder hem een woord toe te -voegen, en ging weder voort. - -Deze rid in de woestijn duurde lang; zij had iets verschrikkelijks, dat -het hart deed bloeden. - -Die zwarte ruiter, zwijgend over het zand heendravend, op zijn zadel -een gebonden knaap medevoerende, wiens zenuwachtige trillingen alléén -bewezen dat hij nog leefde, maakte een treurige en vreemde vertooning, -die den dapperste zou hebben doen sidderen. - -Vele uren gingen voorbij zonder dat er een woord tusschen vader en zoon -gewisseld werd; de zon begon onder te gaan, er verschenen reeds eenige -sterren aan het sombere blauw des hemels, het paard liep nog altijd. - -De woestijn werd van oogenblik tot oogenblik treuriger en somberder; -elk spoor van plantengroei was verdwenen, hier en daar alleen -vertoonden zich in het zand enkele hoopen van door den tijd verbleekte -beenderen; de roofvogels vlogen langzaam boven het hoofd van den -ruiter, en in de geheimzinnige diepte der chaparals (steeneikwouden) -deden de wilde dieren, bij het naderen van den avond, hun dof gebrul -hooren. - -In deze gewesten is bijna geen schemering; zoodra de zon ondergaat is -het nacht. - -Don Ramon draafde altoos voort. - -De zoon had geen enkele bede tot hem gericht, had geen enkele klacht -doen hooren. - -Eindelijk, tegen acht uur des avonds hield de ruiter zijn paard in. -Deze koortsachtige rid had tien uren geduurd. Het paard reutelde en -waggelde met iederen stap. - -Don Ramon sloeg een blik om zich heen; een glimlach van vergenoegen -plooide zijne lippen. Aan alle kanten vertoonde de woestijn hare -onmetelijke zandvlakten; eensklaps ontplooiden de eerste grenzen van -een maagdelijk woud aan den horizont, hare grillige vormen, op eene -onheilspellende wijze afstekend bij het overige landschap. - -Don Ramon stapte af, zette zijn zoon op den grond, ontdeed zijn paard -van het gebit, opdat het vermoeide dier eenig voedsel zou kunnen -gebruiken, dat hij hem gaf; vervolgens, toen hij met de grootste -koelbloedigheid zich van al deze zorgen gekweten had, naderde hij zijn -zoon, en deed hem den blinddoek af. - -De knaap bleef onbewegelijk staan, en richtte een diepen, kouden blik -op zijn vader. - -»Mijnheer,” zeide don Ramon tot hem, »gij zijt hier meer dan twintig -mijlen van mijne hacienda verwijderd, waarin gij, op straffe des doods, -geen voet meer zult mogen zetten; van dit oogenblik afaan zijt gij -alleen, zonder vader, zonder moeder, zonder familie: omdat gij een wild -dier zijt, veroordeel ik u, om met de wilde dieren te leven; mijn -besluit is onherroepelijk, uwe gebeden zouden ze niet kunnen -veranderen, bespaar die dus.” - -»Ik bid niet tot u,” antwoordde het kind op doffen toon; »men bidt niet -tot zijn beul.” - -Don Ramon sidderde; hij deed eenige passen heen en weêr met -koortsachtige aandoening; maar zich bijna onmiddellijk herstellende, -ging hij voort: - -»Zie hier, in dezen zak, levensmiddelen voor twee dagen; ik laat u deze -buks met getrokken loop, die in mijne hand nooit haar doel gemist -heeft; ik geef u ook deze pistolen, deze machete (kleine sabel), dit -mes, deze bijl; in deze buffelhorens zijn kruit en kogels; gij zult in -den knapzak een vuurslag vinden en al wat gij noodig hebt om vuur te -maken; ik heb er een bijbel van uwe moeder bijgevoegd. Gij zijt dood -voor de maatschappij, waarin gij niet moogt terugkeeren; de woestijn -ligt voor u; zij behoort u toe; wat mij betreft, ik heb geen zoon meer, -vaarwel! De Heer zij u genadig, tusschen ons is voortaan alles uit: gij -blijft alleen en zonder familie; het is nu uwe zaak een tweede bestaan -te beginnen en in uwe behoeften te voorzien. De Voorzienigheid verlaat -nooit hen, die hun vertrouwen op Haar vestigen; zij alleen zal voortaan -over u waken.” - -Na deze woorden te hebben uitgesproken, deed don Ramon met een -onbewogen gelaat, zijn paard het gebit weder aan, gaf zijn zoon de -vrijheid, zette zich in den zadel, en vloog weg als een pijl uit den -boog. - -Rafaël richtte zich op de knieën op, boog het hoofd voorover, luisterde -angstig naar den snellen hoefslag van het paard, en volgde met de -oogen, zoo lang hij kon, de noodlottige schaduw, die zwart afstak bij -de heldere stralen der maan; daarna, toen de ruiter eindelijk in de -duisternis verdwenen was, bracht de knaap de hand aan zijne borst, een -onbeschrijfelijke uitdrukking van smart verwrong zijne trekken, en hij -riep: - -»Moeder!.... Moeder!....” - -Hij viel bezwijmd op het zand neder. - -Na een geruimen tijd te zijn voortgereden, verminderde don Ramon -ongemerkt den draf, zijns ondanks het oor leenende aan de verwarde -geluiden der woestijn, angstig luisterende, zonder zich nauwkeurig -rekenschap te geven van de redenen, die hem aldus deden handelen, maar -misschien wel in afwachting van het geroep zijns zoons, om tot hem -weder te keeren. Tweemaal zelfs trok zijne hand werktuigelijk aan den -teugel, als of hij gehoorzaamde aan de geheime stem, die hem gebood -terug te gaan; maar de hoogmoed van zijn geslacht was sterker, en hij -reed door. - -De zon ging op, toen don Ramon de hacienda bereikte. - -Twee menschen stonden aan de poort zijne terugkomst af te wachten. - -De eene was doña Jesusita, de andere de mayoral. Op het zien zijner -vrouw, bleek en ontroerd als zij was, terwijl zij als het beeld der -verlatenheid voor hem stond, voelde de hacendero zijn hart beklemmen, -hij wilde voorbij gaan. - -Doña Jesusita deed twee passen en den teugel grijpende, zeide zij op -hartroerenden toon: - -»Don Ramon, wat hebt gij met mijn zoon gedaan?” De hacendero antwoordde -niet; de smart zijner vrouw ziende, vroeg hij zich zelven in stilte af, -of hij werkelijk het recht had, om te handelen, gelijk hij gedaan had. - -Doña Jesusita wachtte te vergeefs op antwoord. Don Ramon zag zijne -vrouw aan; hij werd bang, toen hij de onuitwischbare sporen van -verdriet op dat eens zoo kalm en rustig gelaat bespeurde. De edele -vrouw was bleek als een doode; hare gelaatstrekken hadden een -onverbiddelijke gestrengheid aangenomen, hare van koorts brandende -oogen waren rood en zonder tranen, twee blauwe, diepe kringen maakten -ze hol en wild; eene breede vlek teekende op hare wangen het spoor, dat -de tranen, wier bron verdroogd was, hadden achtergelaten; zij kon niet -meer schreien, hare stem was rauw en onregelmatig, haar beklemde borst -hijgde onder elke ademhaling. - -Na eenige seconden op antwoord gewacht te hebben, herhaalde zij: - -»Don Ramon, wat hebt gij met mijn zoon gedaan?” - -De hacendero wendde verlegen het hoofd af. - -»O, gij hebt hem gedood!” riep zij uit met een hartverscheurenden gil. - -»Neen....” antwoordde hij, verschrikt door zooveel smart, voor het -eerst in zijn leven het gezag erkennende van eene moeder, die -rekenschap vraagt van haar kind. - -»Wat hebt gij met hem gedaan?” herhaalde zij met meer aandrang. - -»Later,” zeide hij, »als gij bedaard zijt, zult gij alles weten.” - -»Ik ben bedaard,” antwoordde zij. »Waarom een medelijden geveinsd, dat -gij niet bezit? Mijn zoon is dood, en gij hebt hem vermoord.” - -Don Ramon steeg af. - -»Jesusita,” zeide hij tot zijne vrouw, haar bij de hand nemende en -teeder aanziende, »bij al wat er heilig is in de wereld zweer ik u, dat -uw zoon leeft: ik heb geen haar van zijn hoofd gekrenkt.” - -De arme moeder bleef eenige oogenblikken nadenken. - -»Ik geloof u,” zeide zij toen; »wat is er van hem geworden?” - -»Welnu,” hernam hij aarzelend, »daar gij alles weten wilt, verneem dan -dat ik uw zoon in de woestijn heb achtergelaten..... maar in het bezit -van alles, wat zijne veiligheid verzekeren en aan zijne behoeften -voldoen kan.” - -Doña Jesusita sidderde: een zenuwachtige rilling ging haar door de -leden. - -»Gij zijt grootmoedig geweest,” zeide zij met bittere ironie; »gij zijt -grootmoedig geweest jegens een kind van zestien jaar, don Ramon, het -stuitte u tegen de borst om uwe handen in zijn bloed te wasschen; gij -hebt deze taak liever willen overlaten aan de wilde dieren en aan de -woeste Indianen, die alleen deze eenzame vlakten bewonen.” - -»Hij was schuldig!” antwoordde de hacendero, op doffen, maar vasten -toon. - -»Een kind is nooit schuldig in het oog van haar, die het in haar schoot -gedragen en met hare melk gevoed heeft,” zeide zij; »het is wel, don -Ramon: gij hebt uw zoon veroordeeld, ik zal hem redden!” - -»Wat wilt gij doen?” riep de hacendero, verschrikt over de wilskracht, -die hij in het oog zijner vrouw schitteren zag. - -»Wat gaat u dat aan, don Ramon? Ik zal mijn plicht vervullen, gelijk -gij gemeend hebt den uwen te vervullen! God zal tusschen ons oordeelen! -Beef voor den dag, waarop hij u rekenschap zal vragen van het bloed van -uw kind!.....” - -Don Ramon boog het hoofd onder dit anathema; met een bleek gelaat en -een knagend geweten trad hij langzaam de hacienda binnen. Doña Jesusita -volgde hem een oogenblik met de oogen. - -»O, mijn God!” riep zij, »geef dat ik niet te laat kom!” - -Toen vertrok zij, gevolgd door nô Eusébio. Twee paarden wachtten hen -achter een klein boschje. Zij zetten zich in den zadel. - -»Waarheen, señora?” vroeg de mayoral. - -»Naar mijn zoon,” antwoordde zij. - -De hoop scheen haar geheel veranderd te hebben. Een levendig inkarnaat -kleurde haar de wangen; hare zwarte oogen flonkerden. - -Vier prachtige speurhonden, in dat land rastreros geheeten en afgericht -om sporen te zoeken, werden door nô Eusébio losgemaakt; hij liet hun -een kleed van Rafaël ruiken; de honden vlogen luid blaffende weg; nô -Eusébio en doña Jesusita volgden hen, onder het wisselen van eenige -hoopvolle blikken. - -De honden hadden geen moeite om het spoor te volgen; het liep recht, -zonder te kronkelen; ook stonden zij geen oogenblik stil. - -Toen doña Jesusita op de plaats, waar Rafaël door zijn vader verlaten -was, aankwam, vond zij er niemand!..... de knaap was verdwenen! - -De sporen van zijn verblijf waren duidelijk zichtbaar. Een vuur dat -bijna uitgebrand was, bewees dat Rafaël nauwelijks een uur geleden deze -plek verlaten had. - -»Wat te doen?” vroeg nô Eusébio angstig. - -»Voorwaarts!” antwoordde doña Jesusita vastberaden, haar paard de -sporen gevende, dat hinnikend van woede zijn loop vervolgde. - -Nô Eusébio volgde haar. - -Des avonds van dien zelfden dag heerschten op de hacienda del Milagro -de grootste schrik en ontsteltenis. Doña Jesusita en nô Eusébio waren -niet teruggekomen. - -Don Ramon liet zijne manschappen opzitten. De peones en vaqueros, van -toortsen voorzien, zochten overal rond naar hunne meesteres en naar den -mayoral. De geheele nacht verliep, zonder eenige voldoende uitkomst te -geven. Bij het aanbreken van den dag werd het paard van doña Jesusita -half verscheurd in de woestijn terug gevonden. Het tuig ontbrak er aan. -Het terrein rondom het doode paard scheen aan een woedend gevecht tot -tooneel gediend te hebben. Don Ramon gaf wanhopig bevel om terug te -keeren. - -»Mijn God!” riep hij bij het binnentreden der hacienda uit, »begint -mijne straf reeds nu?” - -Dagen en weken, maanden en jaren verliepen zonder dat de geheimzinnige -sluier, die deze treurige gebeurtenissen bedekte, ook maar even werd -opgelicht: men kwam niets te weten van het lot van Rafaël, noch van dat -zijner moeder of van nô Eusébio. - - - EINDE VAN DE INLEIDING. - - - - - - - - -I. - -EDELHART. - - -I. - -DE PRAIRIE. - - -Ten westen van de Vereenigde Staten, strekt zich over een afstand van -honderden mijlen, aan gene zijde van de Mississippi een onmetelijk -grondgebied uit, dat tot op dezen dag onbekend en onbebouwd ligt, en -waar noch het huis van den blanke, noch de hut van den Indiaan zich -verheft. Deze uitgestrekte woestenij,—eene aaneenschakeling van sombere -wouden, met ongebaande wegen, die er allengs door het voetspoor der -wilde dieren werden gevormd, afgewisseld door onafzienbare groene -prairiën met hoog en dicht gras, dat het minste windje doet -golven,—wordt door ontzaglijke stroomen besproeid, waarvan de groote -Canada-Rivier, de Arkansas en de Roode Rivier de voornaamste zijn. - -Op deze in plantengroei zoo rijke gronden zwerven tallooze kudden van -wilde paarden, buffels, elands en langhorens rond, alsmede die -duizenderlei soorten van dieren, welke de beschaving der overige deelen -van Amerika van dag tot dag verder voortdrijft, en die in deze weiden -hunne vroegere vrijheid wedervinden. - -Ook hebben de machtigste stammen der Indianen in deze landstreek hun -jachtverblijf gevestigd. De Delawaren, de Cricks, de Osagen -overschrijden de grenzen der woestijn in den omtrek der Amerikaansche -koloniën, waarmede eenige zwakke banden van beschaving hen beginnen te -vereenigen, worstelend tegen de horden der Pawnies, Zwartvoeten, -Assiniboinen en Comanchen, onbedwongen volksstammen, zwervende inwoners -der prairiën of der bergen die in alle richtingen deze wildernis -doorkruisen, waarvan niemand hunner zich het bezit durft toeëigenen, -maar die zij, met onderling goedvinden als het ware, verwoesten, zich -in grooten getale tot de jacht vereenigend, alsof het een oorlog gold. - -En inderdaad, de vijanden, aan wier ontmoeting men in deze woestijn -blootgesteld is, zijn velerlei; zonder hier nog van de wilde dieren te -spreken, zijn er bovendien de jagers, de bevervangers of pelsjagers en -de partijgangers, die voor de Indianen niet minder geducht zijn dan -voor hunne landgenooten. Ook is de prairie het droevig tooneel van -onophoudelijke en verschrikkelijke gevechten, inderdaad weinig meer dan -een uitgestrekte doodsakker, waar ieder jaar, duizenden van -onverschrokken mannen, in een guerrilla oorlog zonder genade, spoorloos -verdwijnen. - -Niets is grootscher en majestueuzer dan de aanblik van die prairiën, -waarover de Voorzienigheid met kwistige hand ontelbare rijkdommen heeft -uitgestort; niets is bekoorlijker dan die groene weiden, die dichte -bosschen, die breede stroomen; het droefgeestig murmelen van het water -tegen het oeverzand, het gezang der duizende vogels onder het -gebladerte verscholen, de sprongen der dieren tusschen het hooge -gras,—alles bekoort, alles trekt den verbaasden reiziger aan, en sleept -hem mede, tot hij weldra, als slachtoffer zijner verrukking, in een -dier tallooze strikken valt, te midden der bloemen onder zijne voeten -gespannen, en zijne onvoorzichtige nieuwsgierigheid met het leven boet. - -Tegen het einde van het jaar 1837, in de laatste dagen van de maand -September, door de Indianen Maan der vallende bladeren,—Inaqui -Quisis—genaamd, zat een jong mensch, dien men aan zijne gelaatskleur, -ondanks zijn volkomen Indiaansch kostuum, gemakkelijk voor een blanke -herkende, een uur na zonsondergang, nabij een vuur, waaraan de behoefte -in dit jaargetijde zich begon te doen gevoelen, op een der meest -onbekende plaatsen van de prairie, die wij zooeven beschreven hebben. - -Deze man was hoogstens vijf- of zes en dertig jaren oud, ofschoon -eenige diepe rimpels op zijn breed maar bleek voorhoofd, een hoogeren -ouderdom schenen aan te duiden. - -Zijne gelaatstrekken waren schoon en edel, en droegen het stempel van -dien trots en van die wilskracht, welke het leven in de woestijn -schenkt. Zijne zwarte oogen, door dikke wenkbrauwen overschaduwd, -hadden een zachte en droefgeestige uitdrukking, die hun gloed en -levendigheid eenigermate temperde; het onderste gedeelte van zijn -gelaat verdween achter een langen dichten baard, welks blauwachtige -tint scherp afstak bij de bleekheid zijner trekken. - -Zijne gestalte was rijzig, slank en welgevormd; zijne gespierde -ledematen toonden, dat hij met ongemeene kracht begaafd was. Zijn -geheele persoonlijkheid eindelijk boezemde dien eerbied in, dien de -physieke schoonheid in deze streken eerder verwekt, dan in onze -maatschappij, waar zij bijna altijd met ruwheid en onbeschoftheid -gepaard gaat. - -Zijn kostuum was eenvoudig, en bestond uit een mitasse,—een soort van -nauwe broek—die tot aan de enkels reikte en met een lederen gordel aan -de heupen was bevestigd, en uit een jachtkiel van gebleekt katoen, met -wol van verschillende kleuren geborduurd, die hem tot halverwege de -beenen kwam. Deze kiel, van voren open, liet zijn bruine borst zien, -waarover een zwart fluweelen schoudermantel hing, die door een dunne -stalen ketting werd vastgehouden. Laarzen van ongelooid hertsleder -beschutten hem tegen slangebeten, en reikten hem tot aan de knieën; een -muts van bevervel, waaraan men den staart had gelaten, die naar -achteren afhing, bedekte zijn hoofd, terwijl lange lokken van weelderig -zwart haar, dat hier en daar reeds begon te grijzen, over zijne breede -schouders golfden. - -Die man was een jager. - -Een prachtige buks met getrokken loop, vóór hem geplaatst onder het -bereik zijner hand, de weitasch die hij aan een bandelier om zijne -schouders droeg en de twee buffelhorens, die met kruit en kogels gevuld -aan zijn gordel hingen, lieten te dezen opzichte geen twijfel meer -over. Twee lange dubbele pistolen waren achteloos bij zijn karabijn -neêrgeworpen. - -De jager, gewapend met een machete, een korte, rechte sabel, die nooit -de zijde van een prairie-bewoner verlaat, was bezig met zorgvuldig een -bever te villen, tevens het oog houdende op een hertenbout, die over -het vuur hing te braden, en aandachtig luisterende naar elk gerucht, -dat zich in de prairiën hooren deed. De plaats waar deze man zich -bevond, was uitmuntend gekozen voor een halt van eenige uren. - -Het was een opene plek op den top van een vrij hoogen heuvel, die door -zijne ligging te midden van eene groote vlakte, een onverwachten -overval onmogelijk maakte. Op eenige schreden afstand van de plaats, -waar de jager zijn bivak had opgeslagen, stroomde een beek, die naar -beneden stortende een kleinen maar schoonen waterval vormde. Het hooge -en overvloedige gras bood een uitmuntende pasto (weide) voor twee -trotsche paarden, met wilde en fonkelende oogen, die aan een blok -gebonden eenige schreden van daar hun voedsel zochten. Het houtvuur, -van drie kanten door eene rots beschermd, liet slechts eene dunne, op -eenigen afstand onzichtbare rookwolk ontsnappen, en een gordijn van -eeuwen oude boomen verborg het kamp voor de onbescheiden blikken van -hen, die waarschijnlijk in den omtrek in hinderlaag gelegen waren. - -Kortom, al deze voorzorgen, zoo noodzakelijk voor de veiligheid van den -jager, waren met eene behoedzaamheid gekozen, die eene diepe kennis -verraadt van het leven der woudloopers. - -De roodachtige gloed van de ondergaande zon kleurde de toppen der hooge -boomen: de zon was op het punt van achter de bergen, die den horizont -begrensden, te verdwijnen, toen de paarden plotseling hun maaltijd -afbraken, de koppen opstaken en de ooren spitsten: alles teekenen van -ongerustheid, die den jager niet ontgingen. - -Ofschoon hij geen enkel verdacht geluid hoorde, en alles in den omtrek -rustig scheen te zijn, haastte hij zich toch om de beverhuid voor het -vuur over twee kruiselings geplaatste stokken te spannen, en zonder op -te staan strekte hij de hand naar zijn karabijn uit. - -Driemaal achtereen, telkens met gelijke tusschenpoozen, deed zich het -geschreeuw van den ekster hooren; de jager plaatste zijn karabijn -lachend naast zich, en ging voort met voor het avondmaal te zorgen; -bijna op hetzelfde oogenblik ontstond er beweging in de grashalmen en -struiken, en twee prachtige speurhonden kwamen zich springend voor den -jager neêrwerpen, die hen even streelde en veel moeite scheen te -hebben, om zich van hunne liefkozingen te ontslaan. - -De paarden hadden onbezorgd hun afgebroken maaltijd voortgezet. - -Deze honden waren de voorloopers van een tweeden jager, die bijna te -gelijkertijd op den heuveltop te voorschijn trad. - -Deze nieuwe personaadje, veel jonger dan de eerste, want hij scheen -niet ouder dan twee en twintig jaar, was een groot, slank, vlug mensch, -met gespierde vormen, een rond hoofd, twee grijze, verstandige oogen en -een open en edel uiterlijk, waaraan zijne lange, blonde haren iets -kinderlijks gaven. Hij was eveneens gekleed als zijn medgezel, en -zoodra hij aankwam, wierp hij naast het vuur een rist vogels neder, die -hij op zijne schouders droeg. - -De twee jagers begonnen toen, zonder een woord te wisselen, een van die -soupers te bereiden, die door honger en vermoeidheid altijd uitmuntend -worden gekruid. - -Het was geheel nacht geworden, de woestijn begon langzamerhand te -leven; het gehuil der wilde dieren weêrklonk reeds in de prairie. - -Na smakelijk gesoupeerd te hebben, staken de jagers hunne pijpen op, en -zich met den rug naar het vuur plaatsende, om door het schijnsel der -vlammen niet verhinderd te worden de nadering van verdachte bezoekers -te onderscheiden, die de duisternis hun kon aanbrengen, rookten zij met -het stille genot van lieden, die na een langen en moeielijken dag, een -oogenblik rust hebben, dat zij misschien in langen tijd niet zullen -wedervinden. - -»Welnu?” zeide de eerste jager, lakoniek tusschen twee rookwolken in. - -»Gij hadt gelijk,” was het antwoord. - -»O, zoo!” - -»Ja, wij zijn te veel rechts afgegaan, dat heeft ons het spoor doen -verliezen.” - -»Ik was er zeker van,” hernam de eerste; »ziet gij, Goedsmoeds, gij -vertrouwt te veel op uw Canadasche gewoonten; de Indianen, waarmede wij -hier te doen hebben, hebben niets gemeen met de Irokeezen, die de -jachtgronden van uw land doorkruisen.” Goedsmoeds boog het hoofd ten -teeken van toestemming. - -»Overigens,” hernam de ander, »is dit op het oogenblik van weinig -belang; het voornaamste is, te weten wie de dieven zijn, die ons -bestolen hebben.” - -»Ik weet het.” - -»Goed zoo!” zeide de ander, met levendigheid zijn pijp uit den mond -halende; »en wie zijn de Indianen die de vallen [2], met mijn teeken -gemerkt, hebben durven stelen?” - -»De Comanchen.” - -»Ik dacht het wel! Tien onzer beste vallen des nachts gestolen! Ik -zweer u, Goedsmoeds, dat zij ze duur zullen betalen!.... En waar -bevinden zich de Comanchen op het oogenblik?” - -»Hoogstens op twee mijlen afstands. Het is een troep plunderaars van -twaalf man; volgens de richting, die zij nemen, gaan zij naar hunne -bergen terug.” - -»Zij zullen er niet alle komen,” zeide de jager, een blik op zijn buks -werpende. - -»Voor den duivel!” zeide Goedsmoeds met eenen ruwen lach, »zij zullen -slechts hun verdiend loon krijgen; ik laat het aan u over, Edelhart, om -ze voor hunne onbeschaamdheid te straffen; maar gij zult in uw besluit -om u te wreken nog wel versterkt worden, als gij weet wie hen -aanvoert.” - -»Zoo, zoo! Gij kent dus hun opperhoofd?” - -»Zoo wat,” zeide Goedsmoeds glimlachend, »het is Nehunutah -(Arendskop.)” - -»De Arendskop!” riep Edelhart opspringende, »o ja, dien ken ik maar al -te goed, en God geve dat ik ditmaal met hem moge afrekenen. Zijne -Mocksens (halve laarzen) hebben mij lang genoeg in den weg geloopen.” - -Na deze woorden te hebben uitgesproken, met een uitdrukking van haat, -die Goedsmoeds deed sidderen, nam de jager, nadat hij aan den toorn die -hem beheerschte lucht had gegeven, zijn pijp weder op en begon weder -met schijnbare onbezorgdheid te rooken, waardoor zijn medgezel zich -echter volstrekt niet verschalken liet. - -Het gesprek werd afgebroken. De twee jagers schenen in ernstig gepeins -verdiept, en rookten in stilte naast elkander voort. - -Ten laatste wendde Goedsmoeds zich tot zijn medgezel met de vraag: »Zal -ik waken?” - -»Neen,” antwoordde Edelhart zachtjes, »slaap gij maar, ik zal wel voor -u en voor mij de wacht houden.” - -Goedsmoeds legde zich, zonder de minste aanmerking te maken, bij het -vuur neder, en was eenige minuten later in een gerusten slaap. - -Toen de leeuwerik zijn morgenlied deed hooren, wekte Edelhart, die den -geheelen nacht onbewegelijk als een marmerblok op wacht had gezeten, -zijn makker wederom op. - -»Het is tijd,” zeide hij. - -»Goed!” antwoordde Goedsmoeds, die dadelijk opstond. De jagers zadelden -hunne paarden, klommen behoedzaam van den heuvel naar beneden, en -volgden het spoor der Comanchen. - -Op hetzelfde oogenblik verscheen de zon aan de kimmen, verdreef de -nevels en wierp haar prachtig licht over de prairie. - - - - - - - -II. - -DE JAGERS. - - -Eenige woorden nu over de personen, die wij ten tooneele gebracht -hebben, en die een belangrijke rol in dit verhaal spelen zullen. - -Edelhart—onder dezen naam alleen was de jager in de prairiën van het -Westen bekend—genoot onder de indiaansche stammen waarmede zijn -avontuurlijke levenswijze hem in aanraking had gebracht, den roem van -bovenmate behendig, edelmoedig en dapper te zijn. Allen eerbiedigden -hem. - -De blanke jagers en bevervangers, de Spanjaarden, de Amerikanen van het -Noorden of mestiezen, allen gaven hoog op van zijne ondervinding, en -kwamen dikwijls bij hem om raad en hulp. - -Zelfs de roovers der prairiën, allen schelmen en deugnieten, het -uitvaagsel der maatschappij, die slechts van roof en geweld leven, -durfden hem niet aan en kwamen hem zoo min mogelijk in den weg. - -Alzoo was het dezen man, alleen door de kracht van zijn verstand en wil -en bijna zonder het te weten, gelukt, een macht en invloed te -verkrijgen, die door al de woeste bewoners dier ver uitgestrekte -wildernissen, werd erkend en geëerbiedigd. - -Van die macht bediende hij zich slechts ter bevordering van het -algemeen belang en om allen te ondersteunen, in hun eerlijk pogen om -zich stil en rustig toe te wijden aan de bezigheden, die zij zich -hadden uitgekozen. Niemand wist wie Edelhart was, noch van waar hij -kwam; over zijne eerste levensjaren lag een ondoordringbare sluier -gespreid. - -Op zekeren dag, vijftien of twintig jaar geleden—hij was toen nog heel -jong,—hadden eenige jagers hem ontmoet, terwijl hij aan de oevers van -de Arkansas bezig was met bevervallen te zetten. De weinige vragen die -zij over zijn vroeger leven tot hem gericht hadden, waren zonder -antwoord gebleven; de jagers, niet zeer spraakzaam van aard, vermoedden -onder de verlegene antwoorden en het stilzwijgen van den jongeling, het -bestaan van een geheim, dat hij wenschte te bewaren; zij maakten er -eene gewetenszaak van om langer bij hem aan te dringen en vroegen hem -niets meer. - -In strijd met de gewoonte der andere jagers en bevervangers in de -prairiën, die allen een of twee makkers hebben, met wie zij zich -vereenigen en die zij nooit verlaten, leefde Edelhart alleen, zonder -vast verblijf, de woestijn in alle richtingen doorkruisende, zonder -ergens zijn tent op te slaan. - -Altijd somber en droefgeestig, ontvluchtte hij het gezelschap van zijns -gelijken en toch was hij altijd gereed, om als de gelegenheid zich -aanbood, hun een dienst te bewijzen, ja zelfs om zijn leven voor hen in -gevaar te brengen. Vervolgens, als men hem danken wilde, gaf hij zijn -paard de sporen en ging hij ver weg zijne vallen zetten, ten einde aan -hen, die hij had weten te verplichten, den tijd te geven om de bewezen -dienst te vergeten. - -Jaarlijks, omstreeks denzelfden tijd, namelijk tegen het laatst van -October, verdween Edelhart weken lang, zonder dat iemand zelfs maar -gissen kon, waar hij zich bevond; als hij dan terug kwam, stond zijn -gelaat altijd eenige dagen achtereen veel treuriger en somberder dan -gewoonlijk. - -Eens, toen hij weder van een dier geheimzinnige tochten terugkeerde, -was hij vergezeld van twee jonge prachtige speurhonden, die van toen af -met hem bleven, en waarvan hij veel scheen te houden. Vijf jaar vóór -het tijdstip, waarop wij den draad van dit verhaal weder in handen -namen, nadat hij op zekeren avond zijne vallen voor den nacht had -uitgezet, bemerkte hij plotseling door de boomen heen, het vuur van een -indiaansch kamp. Een blanke, nauwelijks zeventien jaar oud, was aan een -paal gebonden, en diende tot mikpunt voor de messen der Roodhuiden, die -zich vermaakten met hem te martelen, alvorens hem aan hunne bloedige -wraak op te offeren. - -Edelhart, slechts ooren hebbende voor de stem van het medelijden, dat -het slachtoffer hem inboezemde, had zonder te denken aan het vreeselijk -gevaar, waaraan hij zich blootstelde, zich te midden der Indianen -geworpen, en zich vlak voor den gevangene geplaatst, dien hij met zijn -lichaam als een borstwering beschutte. - -Deze Indianen waren Comanchen; verbaasd over zóóveel stoutmoedigheid, -en over deze onvoorziene verrassing, waarop zij volstrekt niet waren -voorbereid, bleven zij eenige oogenblikken onbewegelijk staan. - -Zonder tijd te verliezen had Edelhart de banden van den gevangene -losgesneden, en hem zijn mes gevende, dat de ander verheugd aannam, -besloten zij beiden, om hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. - -De blanken boezemden den Indianen een instinctmatige vrees in. Toen de -Comanchen echter van hunne eerste verwondering bekomen waren, maakten -zij zich gereed om de twee mannen, die hen durfden braveeren, aan te -vallen. Maar het schijnsel van het vuur, dat vlak op het gelaat van den -jager viel, had hem doen herkennen. - -De roodhuiden traden eerbiedig terug, onder het gemompel van: -»Edelhart! de groote, bleeke jager!” - -De Arendskop, zoo noemde zich het opperhoofd der Indianen, kende den -jager niet; het was voor de eerste maal dat hij zich in de prairiën van -de Arkansas bevond; hij had dus niets van den uitroep der krijgslieden -begrepen. Bovendien haatte hij de blanken van ganscher harte, en had -gezworen hen allen te zullen verdelgen. Verontwaardigd over de -laaghartigheid zijner lieden, was hij alleen Edelhart te gemoet gegaan; -maar toen had er iets zonderlings plaats gehad. - -De Comanchen wierpen zich terstond op hun opperhoofd, en ondanks hun -eerbied voor hem, hadden zij hem reeds geheel ontwapend, eer hij tegen -den jager iets kon uitrichten. - -Edelhart, na hen bedankt te hebben, gaf zelf aan het opperhoofd de -wapenen terug, die men hem ontnomen had, en die deze schoorvoetend -aannam, niet zonder een onheilspellenden blik op zijn tegenpartij te -werpen. De jager haalde minachtend de schouders op, gelukkig door een -mensch het leven gered te hebben, had hij zich met den gevangene weldra -teruggetrokken. - -Edelhart had zich in minder dan tien minuten een onverzoenlijken vijand -en een oprechten vriend verworven. - -De geschiedenis van den gevangene was eenvoudig. Met zijn vader uit -Canada vertrokken, om in de prairiën te gaan jagen, waren zij in handen -der Comanchen gevallen; na een wanhopigen tegenstand was zijn vader, -overdekt met wonden, gesneuveld; de Indianen, toornig over dezen dood, -die hun een slachtoffer ontnam, hadden aan den jongeling de grootste -zorgen besteed, opdat hij met eere aan den martelpaal kon verschijnen, -hetgeen stellig gebeurd zou zijn, zonder de onverwachte tusschenkomst -van Edelhart.—Na deze inlichtingen ontvangen te hebben, had de jager -den jongeling gevraagd, wat zijne plannen waren, en of het leergeld dat -hij zoo pas voor het ambt van woudlooper betaald had, hem niet van dit -avontuurlijke leven had afgeschrikt. - -»Hemel neen! integendeel,” had de ander geantwoord, »ik voel mij meer -dan ooit geroepen om deze loopbaan te betreden, en bovendien,” liet hij -er op volgen, »wil ik mijn vader wreken.” - -»Dat is billijk,” merkte de jager aan. - -Hiermede was het gesprek geëindigd. - -Edelhart had den jongeling naar een zijner bergplaatsen gebracht, een -soort van in den grond uitgegraven magazijnen, waar de pelsjagers hunne -rijkdommen bewaren; hij had er al de benoodigdheden van een jager uit -te voorschijn gehaald, een geweer, een mes, pistolen, weitasch en -vallen, en had die aan zijn beschermeling ter hand gesteld. - -»Ga,” had hij eenvoudig gezegd, »God helpe u!” De andere zag hem -sprakeloos aan; klaarblijkelijk begreep hij hem niet. - -Edelhart glimlachte. »Gij zijt vrij,” hernam hij, »zie hier al wat gij -noodig hebt voor uw nieuw bedrijf, ik geef het u, de prairie ligt voor -u, ik wensch u een goede vangst toe.” - -De jongeling schudde het hoofd. - -—»Neen,” zeide hij, »ik verlaat u niet, tenzij gij mij wegjaagt; ik ben -alleen, zonder familie, zonder vrienden, gij hebt mij het leven gered, -ik behoor u toe.” - -»Ik laat mij de diensten, die ik bewijs, niet betalen;” zeide de jager. - -»Gij laat ze al te duur betalen,” antwoordde de ander met vuur, »daar -gij geen dank aanneemt; neem uwe gaven terug, zij zijn mij van geen -nut; ik ben geen bedelaar, dien men een aalmoes toewerpt, ik lever mij -zelven nog liever op nieuw aan de Comanchen over, vaarwel!” - -En de Canadees wendde zich met vaste schreden regelrecht naar het kamp -der Indianen. - -Edelhart was bewogen; deze jongeling had zulk een vrijen onschuldigen -blik, dat hij in zijne borst iets voor hem voelde kloppen. - -»Sta,” zeide hij; en de ander stond. - -»Ik leef alleen,” vervolgde de jager; »het leven dat gij met mij leiden -zult, zal treurig zijn; eene groote smart verteert mij. Waarom u aan -een ongelukkige als mij verbonden?” - -»Om uw verdriet te deelen, zoo gij mij die eer waardig keurt, en om u -te troosten, bijaldien dat mogelijk is; de mensch, als hij alleen is, -loopt gevaar van tot wanhoop te vervallen; God heeft hem bevolen, zich -bij zijne medemenschen te voegen.” - -»Dat is zoo!” mompelde de jager, niet wetende wat hij moest aanvangen. - -Edelhart beschouwde hem een oogenblik met aandacht. Zijn arendsoog -scheen zijne geheimste gedachten te willen doorgronden, daarna zonder -twijfel voldaan over zijn onderzoek, zeide hij tot hem: - -»Hoe heet gij?” - -»Goedsmoeds,” antwoordde de andere, »of zoo gij liever wilt Georges -Talbot, maar men geeft mij gewoonlijk slechts den eersten naam.” - -De jager glimlachte. - -»Die naam belooft wat goeds,” zeide hij, hem de hand reikende: -»Goedsmoeds,” vervolgde hij, »van dit oogenblik af zijt gij mijn -broeder: voortaan zal alleen de dood ons scheiden.” - -Hij gaf hem een kus op de oogen, hierin het heerschende gebruik der -prairiën volgende. - -»De dood alleen!” antwoordde de Canadees levendig, met warmte de hem -toegereikte hand drukkende; en op zijne beurt zijnen nieuwen broeder -een kus op de oogen gevende. - -Op deze wijze hadden Edelhart en Goedsmoeds elkander leeren kennen. -Sedert vijf jaren had niet het minste wolkje de vriendschap -overschaduwd, die deze twee uitgelezen karakters elkander in de -woestijn, voor het oog van God, hadden toegezworen. Integendeel, nog -dagelijks scheen zij toe te nemen: zij hadden te zamen slechts één -hart, zij waren volkomen van elkander verzekerd, zij raadden elkanders -meest verborgen gedachten; deze twee menschen hadden hunne krachten -zien vertienvoudigen, en zoo groot was hun wederzijdsch vertrouwen, dat -zij voor niets meer terugdeinsden en vaak de vermetelste ondernemingen -waagden, waarvoor tien vastberaden mannen zouden hebben teruggebeefd. - -Maar alles gelukte hun. Niets scheen hun onmogelijk te zijn; men zou -gezegd hebben dat zij door een betoovering onkwetsbaar en -onverwinnelijk waren geworden. Hun roem was dan ook wijd en zijd -verspreid, en diegenen, die niet met bewondering hun naam hoorden -noemen, herhaalden hem met schrik. - -Nadat Edelhart eenige maanden besteed had om zijn medgezel te -bestudeeren, had hij in ’t vervolg, gedreven door de behoefte die den -ongelukkigen mensch noopt om zijn leed aan een vertrouwd vriend te -klagen, geen geheimen meer voor Goedsmoeds. Dit vertrouwen, waarop de -jongeling met ongeduld gewacht had, zonder het echter op eenigerlei -wijze uit te lokken, had, zoo mogelijk, de banden tusschen deze twee -mannen nog nauwer toegehaald, terwijl het den Canadees de middelen -verschafte, om zijn vriend die vertroosting toe te deelen, die zijn -geschokte ziel behoefde, en die het hem mogelijk maakte om de nog -altijd bloedende wonden aan te raken, zonder ze te beleedigen. - -Den dag, waarop wij hen in de prairie ontmoet hebben, waren zij de -slachtoffers geweest van een vermetelen diefstal, bedreven door hun -ouden vijand, de Arendskop, het opperhoofd der Comanchen, wiens haat en -afkeer door den tijd slechts sterker geworden waren. - -De Indiaan had, met al de veinzerij die zijn ras kenmerkt, de -beleediging, die hij van de zijnen door toedoen van den blanken jager -ondergaan had, stilzwijgend gedragen, en geduldig het uur der wraak -afgewacht. Hij had onder de voeten zijner vijanden onmerkbaar een -afgrond gegraven, door de Roodhuiden langzamerhand tegen hen op te -zetten, en hen op eene sluwe wijs te belasteren. Ten gevolge van dezen -maatregel was hij er, ten minste zoo dacht hij, eindelijk in geslaagd, -om zelfs de overige blanke jagers en mestiezen van hen af te trekken, -en de twee mannen door al de bewoners der prairie als vijanden te doen -beschouwen. - -Zoodra hij dezen uitslag verkregen had, had de Arendskop zich aan het -hoofd geplaatst van een dertigtal vertrouwde krijgslieden, en met het -doel om een strijd uit te lokken, die hen, wier dood hij gezworen had, -ten gronde zou richten, had hij op zekeren nacht al hunne bevervallen -gestolen, wel overtuigd dat zij zulk eene beleediging niet ongewroken -zouden laten. - -Het opperhoofd had zich in zijne berekening niet bedrogen; alles was -uitgekomen zooals hij het voorzien had. - -Meenende dat zij geen hulp zouden vinden onder de Indianen en jagers, -vleide hij zich met de hoop, van met de hulp der dertig vastberaden -lieden, over wie hij het bevel voerde, zich gemakkelijk van twee jagers -te zullen meester maken, om ze onder afschuwelijke martelingen ter dood -te brengen. - -Maar hij had den misslag begaan van het aantal zijner lieden te -verbergen, ten einde de jagers meer vertrouwen in te boezemen. - -Deze hadden zich slechts ten halve door deze krijgslist laten -misleiden, en zich sterk genoeg gevoelende om desnoods tegen twintig -Indianen te vechten, hadden zij niemands hulp ingeroepen om zich te -wreken op vijanden, die zij verachtten, en hadden zij, zooals wij -gezien hebben, zonder aarzelen met de vervolging der Comanchen een -begin gemaakt. - -Hier sluiten wij deze wel wat langwijlige parenthèse, die tot recht -verstand van het volgende onmisbaar was, om met ons verhaal voort te -gaan, daar, waar wij het op het einde van het voorgaande hoofdstuk -hebben afgebroken. - - - - - - - -III. - -HET SPOOR. - - -De Arendskop, die door zijne vijanden ontdekt wilde zijn, had geen -voorzorgen genomen om zijn spoor te verbergen. Het was volmaakt -zichtbaar in het hooge gras, en zoo het hier of daar scheen te -verdwijnen, hadden de jagers slechts even te bukken, om dadelijk den -indruk zijner voeten te vinden. - -Nooit had men in de prairie een vijand aldus kunnen vervolgen. Dit -moest Edelhart des te zonderlinger voorkomen, daar deze sinds lang al -de listen der Indianen kende en wist met welk een talent zij, wanneer -zij het noodig oordeelen, de geringste blijken van hun doortocht weten -te doen verdwijnen. - -Dit bracht hem tot nadenken. Naardien de Comanchen zoo weinig -maatregelen van voorzorg hadden genomen, moesten zij zich wel zeer -sterk gevoelen, of anders een hinderlaag hebben gelegd, waarin zij -hoopten hunne al te lichtgeloovige vijanden te verschalken. - -De twee jagers gingen voort, van tijd tot tijd een blik rechts of links -werpende, ten einde zeker te zijn van zich niet te vergissen, maar het -spoor liep altijd in een rechte lijn voort, zonder afwijkingen noch -omwegen van welken aard ook. Zelfs Goedsmoeds begon het vreemd te -vinden en er zich ernstig over te verontrusten. - -Maar zoo de Comanchen zich de moeite niet hadden willen geven van hun -pad te verbergen, de jagers deden anders, en gingen niet voort dan met -gedurige uitwissching van ieder spoor, dat de richting die zij volgden -kon verraden. - -Zij kwamen eindelijk aan den oever van een vrij breede beek, de -Kopergroen geheeten, een tak van de groote Canadasche rivier. Alvorens -zij deze overstaken, maakte Edelhart halt, aan zijn medgezel een teeken -gevende om hem te volgen. Beiden stegen van hunne paarden af, en deze -bij den toom voortleidende, trokken zij zich in de schaduw van een -boschje terug, om niet opgemerkt te worden, zoo bij toeval een -indiaansche schildwacht hunne aankomst stond af te wachten. - -Zoodra zij achter de takken verborgen waren, legde Edelhart zijn vinger -op den mond, om zijn makker voorzichtigheid aan te bevelen, en met de -lippen diens oor aanrakende, zeide hij hem met een bijkans onhoorbare -stem: »Voordat wij verder gaan, moeten wij eerst nauwkeurig -beraadslagen, wat wij doen zullen.” - -Goedsmoeds knikte ten teeken van goedkeuring. - -»Ik vermoed eenig verraad,” hernam de jager; »de Indianen zijn te -bedreven krijgslieden, en te ervaren in het leven der prairiën, om -zonder gewichtige redenen aldus te handelen.” - -»Het is zoo,” antwoordde de Canadees overtuigd; »dit spoor is te mooi -en te duidelijk aangewezen, om niet een valstrik te verbergen.” - -»Ja, maar zij hebben te slim willen zijn, hunne listigheid is te ver -gegaan, op die wijze kan men geen oude jagers zooals wij misleiden. Wij -moeten dus onze waakzaamheid verdubbelen; ieder blad en iederen -grashalm onderzoeken, eer wij ons te dicht bij het kamp der Indianen -wagen.” - -»Laat ons beter doen,” zeide Goedsmoeds, een blik om zich heen -werpende; »laten wij onze paarden op een veilige plaats verbergen, en -vervolgens te voet de stelling en het aantal van hen, die wij wenschen -te overvallen, gaan opnemen.” - -»Gij hebt gelijk, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »uw raad is uitmuntend, -wij gaan hem dadelijk in toepassing brengen.” - -»Ik geloof, dat wij ons dan zullen moeten haasten.” - -»Waartoe? laten wij ons juist niet haasten; de Indianen, als ze ons -niet zien verschijnen, zullen zich op hunne wachten verlaten, en wij -zullen van hunne zorgeloosheid gebruik maken, om hen te overvallen, -zoolang wij genoodzaakt worden om tot dit uiterste middel onze -toevlucht te nemen; overigens zou het beter zijn om den nacht af te -wachten voor onze onderneming.” - -»Laten wij eerst onze paarden in veiligheid brengen, dan zullen wij -zien.” - -De jagers verlieten met de uiterste behoedzaamheid hun schuilhoek. In -plaats van de rivier over te steken gingen zij terug, en volgden -eenigen tijd denzelfden weg dien zij reeds gegaan waren; vervolgens -gingen zij links af, een hollen weg langs, waarin zij weldra te midden -van het hooge gras verdwenen. - -»Ik geef mij aan uw geleide over, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »ik weet -waarlijk niet waarheen ge ons brengt.” - -»Verlaat u op mij; ik heb bij toeval op twee geweerschoten afstands van -hier eene soort van vesting ontdekt, waar onze paarden een -onverbeterlijk verblijf zullen hebben, en waar wij, desnoods, een -geregeld beleg zouden kunnen doorstaan.” - -»Caramba!” riep de jager met zijn gewonen vloek, die zijne spaansche -afkomst verried, »hoe hebt gij deze kostelijke ontdekking gemaakt?” - -»Mijn hemel!” zeide Goedsmoeds, »op de eenvoudigste wijze; ik was bezig -mijne vallen te zetten, toen ik bij het beklimmen van gindschen berg, -niet ver van den top, tusschen de takken den ruigen muil van een beer -gewaar werd.” - -»Ha, ha; maar ik ben met dat voorval zoo wat bekend; gij hebt mij dien -dag, zoo ik mij niet vergis, niet één, maar twee zwarte beerenvellen -medegebracht.” - -»Juist! er waren twee van die liefhebbers, een mannetje en een wijfje; -gij begrijpt, dat, zoodra ik hen zag, mijn jager-instinct wakker werd, -en ik, mijne vermoeidheid vergetende, mijn buks laadde, om hen te -vervolgen. Gij kunt nu zelf de sterkte zien, welke zij hadden -ingenomen,” vervolgde hij van zijn paard afstijgende, in welke beweging -zijn makker hem volgde. - -Voor hen verhief zich amphitheatersgewijze een massa rotsen, van de -zonderlingste en grilligste vormen; eenige weinige kruiden groeiden -hier en daar in de openingen, kruipende planten kroonden de toppen der -rotsen en gaven aan deze massa, die meer dan zeshonderd el boven de -prairie uitstak, het aanzien van een dier antieke ruïnen uit de -middeleeuwen, welke men aan de oevers der groote Europeesche rivieren -aanschouwt. - -Deze plaats werd door de jagers in die streken »De witte Kasteelen” -genaamd, wegens de kleur der granietblokken waaruit zij was -samengesteld. - -»Wij kunnen daar met onze paarden nooit tegen op komen,” zeide -Edelhart, na een oogenblik zorgvuldig de ruimte, die zij beklimmen -moesten, bestudeerd te hebben. - -»Laten wij het beproeven,” zeide Goedsmoeds, zijn paard bij den toom -grijpende. - -De helling was ruw, en geen andere paarden dan die der jagers zouden -deze taak hebben kunnen volbrengen. - -Men moest zorgvuldig de plaats kiezen, waar men den voet zou -nederzetten, vervolgens zich met een sprong opgeven, en altijd met -kromme lijnen en omwegen voortgaan, om den opgang wat hellend te maken. - -Na een half uur van ongehoorde moeielijkheden, bereikten zij een soort -van vlak, dat hoogstens tien ellen breedte had. - -»Hier is het,” zeide Goedsmoeds stilstaande. - -»Hoe, hier,” antwoordde Edelhart, aan alle kanten om zich heen ziende -zonder een opening te ontdekken. - -Goedsmoeds glimlachte. - -»Kom,” zeide hij. - -En altijd zijn paard voorttrekkende, ging hij achter een rotsblok om; -de jager volgde hem nieuwsgierig. - -Na vijf minuten in een soort van loopgraaf, die nauwelijks drie voet -breed was, te zijn voortgegaan, bevonden de avonturiers zich eensklaps -voor de opening van een groot hol. - -Deze weg, gevormd door een van die vreeselijke uitbarstingen die in -deze streken zoo veelvuldig voorkomen, was zóó goed achter rotsen en -steenen verborgen, dat het onmogelijk was die anders dan door een -toeval te ontdekken. - -De jagers gingen naar binnen. Alvorens naar boven te gaan, had -Goedsmoeds een grooten voorraad van droog hout mede genomen; hij stak -twee toortsen aan, gaf er een aan zijn makker, en hield de ander zelf. -Toen vertoonde de grot zich aan hen, in al hare woeste majesteit. Hare -wanden waren hoog en met schitterenden druipsteen beladen, die het -licht tienvoudig weerkaatste, en een tooverachtigen glans rondom zich -verspreidde. - -»De grot,” zeide Goedsmoeds, »is zonder twijfel een der wonderen van de -prairie; deze galerij die zachthellend naar beneden daalt, loopt onder -de Kopergroen door, en komt aan de andere zijde, omstreeks een mijl van -den oever verwijderd, in de vlakte uit. Behalve de galerij, door welke -wij zijn binnengekomen, en die, welke wij voor ons hebben, zijn er nog -vier andere, die allen op verschillende plaatsen een uitgang hebben. -Gij ziet, dat wij hier geen gevaar loopen van gezien te worden, en dat -deze ruime kamers ons een volgreeks van vertrekken aanbieden, die den -president der Vereenigde Staten zelven jaloersch zoude maken.” - -Edelhart, verrukt over de ontdekking van deze schuilplaats, wilde haar -tot in de minste bijzonderheden onderzoeken, en hoewel zeer -stilzwijgend van aard, kon de jager herhaalde malen zijne bewondering -niet inhouden. - -»Waarom hebt gij mij niet eer daarvan gesproken?” vroeg hij aan -Goedsmoeds. - -»Ik wachtte op een goede gelegenheid,” antwoordde deze. - -De jagers plaatsten hunne paarden met de noodige levensmiddelen in een -der vertrekken van de grot, waar het daglicht door haast onmerkbare -scheuren binnendrong; vervolgens, toen zij zich verzekerd hadden, dat -het den edelen dieren gedurende hunne afwezigheid aan niets zou -ontbreken, en dat zij niet konden ontsnappen, wierpen zij hun buks over -den schouder, floten de honden, en begaven zich met groote schreden op -weg, langs de galerij die onder de rivier doorliep. - -Weldra werd de atmosfeer rondom hen vochtig, een dof en aanhoudend -gedruisch deed zich boven hen hooren, zij gingen onder de Kopergroen -door; maar door middel van een soort van lantaarn, gevormd door eene -holle rots, die als een schilderhuis in het midden van den stroom -stond, was er licht genoeg om hen te geleiden. - -Na een half uur loopens, kwamen zij in de prairie door een opening, die -achter takken en kruipende planten van buiten onzichtbaar was. - -Zij waren lang in de grot gebleven. Eerst hadden zij haar nauwkeurig -onderzocht, als menschen, die voorzagen dat zij er den een of anderen -dag eene schuilplaats zouden moeten zoeken; vervolgens hadden zij een -soort van stal voor hunne paarden gemaakt, en eindelijk hadden zij -zelven iets gebruikt, zoodat de zon op het punt was van onder te gaan, -toen zij op nieuw het spoor der Comanchen begonnen te volgen. - -Toen nam de werkelijke vervolging der Indianen een aanvang. De twee -jagers, hunne honden vooruit zendende, slopen stilzwijgend over de -sporen voort, te midden van het hooge gras op handen en voeten -kruipende, met een waakzaam oog en gespitste ooren, hun adem -inhoudende, en nu en dan stilstaande om de lucht in te ademen en die -duizenden geluiden der prairie te ondervragen, die de jagers met -ongeloofelijk gemak weten te onderscheiden, en oogenblikkelijk te -verklaren. - -De woestijn was in een doodsche stilte gehuld. In deze uitgestrekte -wildernissen schijnt de natuur, bij het naderen van den nacht, als het -ware adem te halen, en zich voor te bereiden tot de verborgenheden der -duisternis. - -De jagers gingen altijd voort, hunne voorzorgen verdubbelende, en naast -elkander voortkruipende. Eensklaps bleven de honden stilzwijgend staan. -De moedige dieren schenen de waarde der stilte in deze plaats te -beseffen, als begrepen zij, dat één enkele schreeuw hunnen meesters het -leven kon kosten. - -Goedsmoeds wierp een doordringenden blik om zich heen. Zijn oog -glinsterde, hij rolde zich als het ware ineen, en met een sprong als -van een panter wierp hij zich op een indiaansch krijgsman, die, geheel -voorover gebogen, een voorgevoel scheen te hebben, dat er een vijand in -aantocht was. De Indiaan werd snel achterover geworpen eer hij een -kreet om hulp uiten kon. Goedsmoeds schroefde hem de keel toe, en zette -hem de knie op de borst. Vervolgens ontblootte de jager met de uiterste -koelbloedigheid zijn mes, en stootte het tot aan het hecht in het hart -van zijn vijand. Zoodra de wilde zag dat hij verloren was, verwaardigde -hij zich niet om een nutteloozen tegenstand te beproeven, maar op den -Canadees een blik van haat en verachting werpende, plooide hij zijne -lippen tot een spotlach, en wachtte hij met onverstoorbare kalmte den -dood af. Goedsmoeds stak het mes weêr in zijn gordel, en het lichaam -ver van zich schoppende, zeide hij: Dat ’s één! En hij kroop weêr -voort. - -Edelhart had de bewegingen van zijn vriend met de grootste aandacht -gadegeslagen, gereed om hem in geval van nood bij te springen; toen de -Indiaan dood was volgde hij weêr bedaard het spoor. - -Weldra schitterde de glans van een groot vuur tusschen de boomen door, -en de geur van gebraden vleesch bereikte het fijne reukorgaan der -jagers. Zij richtten zich als twee schimmen langs een ontzaglijken -kurk-eik op, en den knoestigen stam omvattende, verborgen zij zich in -zijne takken. - -Toen zagen zij om zich heen. Zij hadden het gezicht op het kamp der -Comanchen, dat zich ongeveer tien ellen van hen af bevond. - - - - - - - -IV. - -DE REIZIGERS. - - -Ongeveer op hetzelfde uur, dat de pelsjagers de grot verlieten om het -spoor der Comanchen op nieuw te volgen, en omstreeks twintig mijlen ver -van de plaats waar deze zich bevonden, maakte een vrij aanzienlijke -troep blanke reizigers halt aan de boorden der groote Canadasche -rivier, en begonnen aldaar, op een plek die voor verrassing veilig was, -de noodige toebereidselen om gedurende den nacht te kampeeren. - -De half-bloed jagers en Gambusinos, die den reizigers tot gidsen -dienden, haastten zich om een twaalftal muilezels, door mexicaansche -Lanceros begeleid, te ontpakken. - -Met de pakken vormden zij een ovaalronde omheining, binnen welke zij -vuur ontstaken; en vervolgens, zonder zich meer om hunne reisgenooten -te bekommeren, vereenigden de gidsen zich in een kleine groep, en -maakten hun avondmaal gereed. - -Een jeugdig officier van vier of vijf en twintig jaar, met -krijgshaftige houding, fijne en scherpe trekken, naderde eerbiedig een -palankijn (draagstoel) met twee muilezels bespannen, en door twee -ruiters begeleid. - -»Waar verlangt Uw Excellentie, dat men de tent der señorita opsla?” -vroeg hij, het hoofd ontblootende. - -»Waar gij wilt, kapitein Aguilar, mits het spoedig geschiede; mijn -nicht is doodelijk vermoeid,” antwoordde de ruiter, die zich rechts van -de palankijn bevond. - -Dit was een hooge gestalte, met harde gelaatstrekken, en een helder, -doordringend oog; zijne haren waren wit als de sneeuw van den -Chimborazzo, en onder zijn wijden mantel, zag men de prachtige, van -borduursel schitterende uniform van een Mexicaansch generaal. - -De kapitein verwijderde zich met een buiging, en tot de lanceros -terugkeerende, gelastte hij hun in het midden van de omheining een -fraaie, rood en blauw gestreepte tent op te slaan, die ingepakt op den -rug van een muilezel lag. - -Vijf minuten later steeg de generaal af, bood galant de hand aan een -jonge dame, die met een lichten sprong uit de palankijn wipte, en -geleidde haar onder de tent, waar, door de zorg van kapitein Aguilar, -reeds alles in gereedheid was gebracht, om haar zooveel gemak te -verschaffen als de omstandigheden maar toelieten. - -Achter den generaal en zijn nicht, traden nog twee personen de tent -binnen. - -De eene was een kort, dik man, met een rood vollemaansgezicht, een -groenen bril en een blonde pruik. Het mannetje dreigde te stikken in de -uniform van officier van gezondheid in Mexicaansche dienst. Zijn -ouderdom was een raadsel, maar hij scheen omstreeks vijftig jaar te -zijn; zijn naam, Jerôme Boniface Durieux, duidde den Franschman aan. -Van zijn paard stijgende had hij met zekeren eerbied een groot valies, -dat achter aan den zadel van zijn paard was vastgemaakt en waarvan hij -zich niet scheen te willen scheiden, onder den arm genomen. - -De andere was een jong meisje, of liever een kind van vijftien jaar, -met een vroolijk en levendig gelaat, een wipneusje en een trotschen -blik, van het ras der mestiezen. Zij diende als kamermeisje bij de -nicht van den generaal. - -Een groote neger, pronkende met den verheven naam van Jupiter, haastte -zich, om, door twee of drie Gambusinos geholpen, het souper gereed te -maken. - -»Welnu, doctor,” zeide de generaal glimlachend tot het dikke mannetje, -dat blazende zich op zijn valies nederzette, »hoe vindt gij mijn nicht -van avond?” - -»De señorita is altijd even bekoorlijk,” antwoordde de doctor beleefd, -zich het voorhoofd afwisschende; »vindt gij het drukkend warm?” - -»Wel neen,” zeide de generaal, »niet warmer dan anders.” - -»Dan zal ik het mij verbeeld hebben,” hernam de geneesheer met een -zucht; »waarom lacht gij, leelijkert?” voegde hij er bij, zich tot het -kamermeisje wendende, dat inderdaad bijna stikte van het lachen. - -»Let niet op die malle meid, doctor, gij weet wel dat het een kind is;” -zeide de jonge dame met een bekoorlijken glimlach. - -»Ik heb u altijd gezegd, doña Luz,” ging de geneesheer voort, zijne -dikke wenkbrauwen fronsende en zijne wangen opblazende, »dat dit meisje -een daemon is, dat gij veel te goed voor haar zijt, en dat zij u den -een of anderen dag nog eens een leelijke poets zal spelen.” - -»Ooah! die leelijke steenenzoeker!” zeide de mestieze grijnzend, met -toespeling op de liefhebberij van den doctor om delfstoffen te -verzamelen. - -»Kom, kom laat ons den vrede bewaren,” zeide de generaal; »heeft de -reis van heden u vermoeid, lieve nicht?” - -»Neen, niet erg,” antwoordde het meisje, een geeuw onderdrukkende; -»sedert een maand bijna, dat wij op reis zijn, begin ik mij aan deze -levenswijze te gewennen, die, ik beken het, in het begin weinig -aantrekkelijks voor mij had.” - -De generaal slaakte een zucht, maar antwoordde niet. De doctor was -afgetrokken door de zorg, waarmede hij de planten en steenen sorteerde -die hij in den loop van den dag bijeenverzameld had. - -De mestieze fladderde door de tent als een vogel, druk bezig met de -verschillende voorwerpen, die haar meesteres mocht noodig hebben, in -orde te brengen. - -Wij zullen ons dit oogenblik van stilte ten nutte maken om de jonge -dame aan onze lezers voor te stellen. - -Doña Luz de Bermudez was de dochter der jongste zuster van den -generaal. Het was een bekoorlijk kind van nauwelijks zestien jaar. Hare -groote zwarte oogen, overschaduwd door donkere wenkbrauwen, die scherp -afstaken bij haar zuiver blank voorhoofd, verborgen hun verblindenden -glans achter lange, fluweelen oogharen; haar klein mondje met -ivoorwitte tanden versierd, was begrensd door twee koraalroode lippen, -haar fijn vel had nog dat zachte dons van rijpe vruchten, en hare -zwarte haarvlechten met blauwen weêrschijn vormden, wanneer ze -loshingen, een sluier, die haar geheel lichaam onzichtbaar maakte. - -Hare gestalte was fijn en buigzaam; zij bezat in de hoogste mate die -bevallig golvende beweging, die de Amerikaansche vrouwen onderscheidt; -hare handen en voeten waren buitengewoon klein; haar gang had die losse -zachtheid der kreolen, die zoozeer door bevalligheid uitmunt. - -In ’t kort, in dit jonge meisje waren alle vrouwelijke volmaaktheden -vereenigd. - -Onwetend, even als hare landgenooten, was zij vroolijk en lachziek, met -de minste nietigheid zich vermakende, en van het leven alleen de -aangename zijde kennende. - -Maar dit schoone beeld leefde niet; het was Pandora, voordat Prometheus -voor haar het vuur van den hemel gestolen had; en om onze mythologische -vergelijking voort te zetten, de liefde had haar nog met geen vleugel -aangeraakt, hare wenkbrauwen hadden zich nog niet gefronst onder den -invloed van het nadenken, en haar hart had nog niet geklopt onder den -prikkel der begeerte. - -Door de zorg van den generaal in een bijna kloosterachtige afzondering -opgevoed, had zij deze slechts verlaten, om hem te volgen op den tocht, -dien hij in de prairiën ondernomen had. - -Waartoe die tocht en waarom had hij zoo vurig verlangd, dat zij mede -zou gaan? Daar bekommerde het meisje zich niet om. - -Gelukkig dat zij in de open lucht kon leven, onophoudelijk nieuwe -landen kon zien, vrij kon zijn, ten minste in vergelijking met het -leven dat zij tot dusverre geleid had, had zij niet verder onderzocht -en ook niet gepoogd haar oom met onbescheiden vragen lastig te vallen. -Op het tijdstip, dat wij haar ontmoeten, was doña Luz een gelukkig -kind, dat bij den dag leefde, zich in het heden gelukkig gevoelde, en -nimmer aan de toekomst dacht. - -De kapitein Aguilar trad binnen, gevolgd door Jupiter, die het eten -bracht. De tafel werd gedekt door Phebe, het kamermeisje. Het maal -bestond uit ingelegde vruchten en een gebraden hertenbout. Vier -personen namen rondom de tafel plaats: de generaal, zijne nicht, de -kapitein en de doctor. Jupiter en Phebe dienden. Het gesprek bleef -onder het eerste gerecht kwijnende, maar toen de eetlust der gasten -bedaard was, richtte het meisje, dat er genoegen in schepte om den -doctor te plagen, tot dezen het woord: - -»Hebt gij vandaag een rijken oogst gehad, doctor?” vroeg zij. - -»’t Heeft niet over, Señorita,” antwoordde hij. - -»Nu,” zeide zij glimlachend, »het schijnt mij toe dat er steenen in -overvloed zijn op onzen weg, en dat het slechts aan u gelegen heeft, om -er een muilezel mede te beladen.” - -»Gij moest wel in uw schik zijn over uwe reis, zij biedt u de ruimste -gelegenheid aan om u geheel aan uw hartstocht over te geven en allerlei -planten bijeen te garen,” zeide de generaal. - -»Ik moet u bekennen, generaal, dat het mij niet medevalt; de prairie is -niet zoo rijk als ik gedacht heb, en zoo ik niet hoopte eindelijk een -plant te zullen ontdekken, welker eigenschappen van groot belang zijn -voor de wetenschap, dan zou ik bijna mijn huisje te Guadeloupe -betreuren, waar mijn leven kalm en rustig voorbij ging.” - -»Bah!” viel de kapitein hem in de rede, »wij zijn pas op de grenzen der -prairie; gij zult eens zien, als wij er maar eerst wat dieper zijn -ingedrongen, kunt gij onmogelijk al de schatten bijeen verzamelen, die -gij op uw weg zult ontmoeten.” - -»God geve het, kapitein,” zeide de geleerde met een zucht; »als ik de -plant, die ik zoek, maar terugvind, zal ik tevreden zijn.” - -»Dat is dan wel eene kostbare plant,” vroeg doña Luz. - -»Kostbaar, Señorita?” riep de dikke doctor, die blijkbaar in vuur -geraakte; »een plant die Linnaeus heeft beschreven en geclassificeerd, -maar die niemand sedert teruggevonden heeft; een plant die mij beroemd -kan maken, vraagt gij nog of die kostbaar is?” - -»Waartoe dient zij dan?” zeide het meisje nieuwsgierig. - -»Waartoe zij dient?” - -»Ja.” - -»Tot niets!” antwoordde de geleerde onschuldig. - -Doña Luz barstte in een luid gelach los, op een toon die een nachtegaal -jaloersch zou gemaakt hebben. - -»En noemt gij dat een kostbare plant?” - -»Ja, wegens hare zeldzaamheid.” - -»Ha!.... ja wel.” - -»Wij willen hopen dat gij haar vinden zult, doctor,” zeide de generaal, -die hen met elkander verzoenen wilde; »Jupiter, roep den overste der -gidsen eens.” - -De neger vertrok, en kwam weldra, door een gambusino gevolgd, weder -binnen. Deze laatste was een man van een veertig jaar, en sterk -gebouwd; zijn gelaat was niet leelijk, maar had toch iets -terugstootends, waarvan men zich moeielijk rekenschap kon geven; zijne -vaalgrijze, loensche oogen, diep in hunne kassen verborgen, schitterden -met een woesten glans; zijn laag voorhoofd, zijn kroeshaar en zijn -kopertint vormden een geheel, dat niet zeer aantrekkelijk was. Hij -droeg het costuum der woudloopers, was koel, stug en terughoudend, en -antwoordde op den naam van Babbelaar, dien de Indianen, of zijne -makkers zelven, hem zeker bij wijze van tegenstelling gegeven hadden. - -»Hier, mijn dappere,” zeide de generaal, terwijl hij hem een glas -overreikte, tot den rand toe gevuld met een soort van brandewijn, -Mezcal geheeten, naar de plaats waar zij gestookt wordt, »drink dat -uit.” - -De jager boog zich en ledigde het glas, dat bijna een kan inhield, in -een enkelen teug: toen zijn snor met de hand afvegende, bleef hij staan -wachten. - -»Ik denk eenige dagen op een veilige plaats te blijven vertoeven,” -zeide de generaal, »ten einde mij zonder kommer of ongerustheid aan -eenige nasporingen te kunnen wijden; zouden wij hier in veiligheid -zijn?” - -Het oog van den gids tintelde; hij sloeg een gloeienden blik op den -generaal, en antwoordde: »Neen.” - -»Waarom niet?” - -»Te veel Indianen en wilde beesten.” - -»Kent ge een betere plaats?” - -»Ja.” - -»Is zij ver?” - -»Neen.” - -»Hoe ver?” - -»Veertig mijlen.” - -»Hoeveel dagen hebben wij noodig, om er te komen?” - -»Drie.” - -»Goed, gij zult er ons brengen; morgen bij het opgaan der zon zullen -wij ons op weg begeven.” - -»Is dat alles?” - -»Dat is alles.” - -»Goeden nacht.” - -En de gids vertrok. - -»Één ding prijs ik in den Babbelaar, namelijk dat zijne gesprekken niet -vervelend zijn,” zeide de kapitein glimlachend. - -»Ik wilde liever, dat hij wat meer sprak,” zeide de doctor, het hoofd -schuddende; »ik vertrouw die menschen niet, die altijd vreezen te veel -te zeggen: het komt gewoonlijk, omdat zij iets te verbergen hebben.” - -De gids, toen hij de tent verlaten had, voegde zich weêr bij zijne -makkers, met wie hij fluisterend begon te praten. - -’t Was een schoone nacht. De reizigers zaten voor de tent, en spraken -te zamen onder het rooken van een sigaar. Doña Luz zong een dier -bekoorlijke kreoolsche liederen, vol zoete melodieën. Eensklaps -verscheen er een roodachtige gloed aan den horizont; met ieder -oogenblik nam die toe, en een dof, aanhoudend geluid, aan het rollen -van een verren donder gelijk, liet zich hooren. - -»Wat is dat?” riep de generaal, haastig opstaande. - -»Dat is de prairie, die in brand staat,” antwoordde de Babbelaar -bedaard. - -Bij deze vreeselijke aankondiging, op zoo kalmen toon uitgesproken, -geraakte alles in het kamp in beweging. Men moest in alle haast -vluchten, wilde men geen gevaar loopen van levend verbrand te worden. -Een der Gambusinos, van de wanorde gebruik makende, gleed tusschen de -pakken door, en verdween in de vlakte, na een geheimzinnig teeken met -den Babbelaar gewisseld te hebben. - - - - - - - -V. - -DE COMANCHEN. - - -Edelhart en Goedsmoeds, tusschen de takken van den kurkeik verborgen, -bespiedden de Comanchen. - -De Indianen rekenden op de waakzaamheid hunner wachten. Wel verre van -te vermoeden dat hunne vijanden zich zoo dicht bij hen bevonden en -hunne minste bewegingen gadesloegen, zaten of lagen zij onbekommerd -rondom de vuren te eten en te rooken. - -Deze wilden, ten naasten bij 25 man sterk, waren gekleed in bisonvellen -en op de meest verschillende en fantastische wijze uitgedoscht. De -meesten waren geheel met vermiljoen besmeerd, anderen waren van top tot -teen zwart en prijkten met een lange witte streep op iedere wang; zij -droegen hun schild, boog en pijlen op den rug; naast hen lag hun -geweer. Overigens zag men spoedig aan het groot aantal wolvenstaarten, -die, aan hunne mocksens vastgemaakt, hen achterna sleepten, dat het -allen uitgelezen krijgslieden waren, die den roem van hun stam -uitmaakten. - -Op eenigen afstand van hen stond de Arendskop onbewegelijk tegen een -boom geleund. Met de armen over elkander, en het lichaam een weinig -voorover gebogen, scheen hij te luisteren naar eenige onbekende -geluiden, die alleen zijn oor bereiken konden. - -De Arendskop behoorde tot den stam der Osagen; nog heel jong zijnde, -hadden de Comanchen hem onder zich opgenomen, maar hij had altijd de -kleeding en de zeden zijner natie bewaard. - -Het was een man van nauwelijks acht en twintig jaar; hij was bijna zes -voet lang; zijn grove, sterk gespierde ledematen, duidden buitengewone -kracht aan. Anders dan zijn makkers, droeg hij een kleed, dat alleen -zijne heupen bedekte, ten einde zijne borst en armen beter te doen -uitkomen: de uitdrukking van zijn gelaat was schoon en edel: zijne -zwarte, levendige oogen, zijn kromme neus, zijn wel wat groote mond -deden hem eenigszins op een roofvogel gelijken. Al zijn haar was -afgeschoren, behalve een enkele smalle streep, midden op zijn hoofd, -die aan een helmbos deed denken, en een lange vlecht, die naar achteren -viel en met een menigte arendsvederen versierd was. Zijn gezicht was -met vier kleuren besmeerd, met blauw, wit, zwart en rood; de wonden, -die hij aan zijne vijanden had toegebracht, had hij met blauwe verf op -zijn naakte borst gemerkt. Mocksens van ongelooid hertenleêr reikten -hem tot boven de knieën, en een aantal wolvenstaarten waren aan zijne -hielen vastgemaakt. - -Gelukkig voor de jagers, waren de Indianen ten strijde uitgetogen en -niet ter jacht, zoodat zij geen honden bij zich hadden; anders waren -zij reeds lang verraden geworden, en zouden zij niet straffeloos het -kamp zijn genaderd. - -Hoe onbewegelijk het opperhoofd daar ook stond, schitterde toch zijn -oog met onrustigen blik; zijne neusgaten trilden; hij hief -werktuigelijk de rechterhand op, als om aan zijne krijgslieden het -zwijgen op te leggen. - -»Wij zijn ontdekt,” mompelde Edelhart, zoo zacht dat zijn makker het -nauwelijks hooren kon. - -»Wat nu te doen?” antwoordde Goedsmoeds. - -»Handelen,” zeide de pelsjager kortweg. - -Beiden slopen toen onhoorbaar van tak tot tak, van boom tot boom, -zonder een voet op den grond te zetten, totdat zij zich vlak tegenover -het kamp bevonden, juist boven de plaats, waar de paarden der Comanchen -aan de boomen waren vastgemaakt. Goedsmoeds klom zachtjes naar beneden -en sneed de touwen, die hen vasthielden, door. De paarden, aangevuurd -door de zweepslagen der jagers, renden hinnikend en snuivend in alle -richtingen voort. - -De Indianen stonden in verwarring op, en liepen schreeuwend weg, om -hunne paarden op te zoeken. De Arendskop alleen, als had hij de plaats -geraden, waar zijne vijanden in hinderlaag lagen, liep recht op hen -toe, zich zoo goed mogelijk achter de boomen, die zich op zijn weg -bevonden, beschuttende. - -De jagers gingen voet voor voet achteruit, een waakzaam oog houdende op -den omtrek, ten einde zich niet te laten verschalken. - -Het geschreeuw der Indianen verdween reeds in de verte; zij dachten aan -niets dan hunne paarden. Het opperhoofd was nu alleen in de -tegenwoordigheid van de twee vrienden. Bij een boom gekomen, waarvan de -dikke stam hem volkomen beveiligde, achtte hij het beneden zich om zijn -geweer te gebruiken, en zijn kans schoon ziende, legde hij een pijl op -zijn boog, maar hoe voorzichtig en behendig hij ook te werk ging, kon -hij niet aanleggen zonder zich een weinig bloot te geven. Edelhart -legde zijn geweer aan, het schot ging af, de kogel floot, het -opperhoofd sprong met een woedend gebrul op en viel op den grond. Zijn -arm was doorschoten. De twee jagers waren vlak bij hem. - -»Maak geen de minste beweging, Roodhuid,” zeide Edelhart, »of gij zijt -dood!” - -De Indiaan verroerde zich niet; schijnbaar kalm en bedaard bedwong hij -zijn toorn. - -»Ik zou u kunnen dooden,” ging de jager voort, »maar dat wil ik niet; -dit is nu de tweede maal, hoofdman, dat ik u het leven schenk, maar het -zal ook de laatste maal zijn; vertoon u niet wederom op mijn weg, en -vooral steel mijne vallen niet meer, anders, ik zweer het u, zal ik u -geen genade schenken.” - -»De Arendskop is een beroemd opperhoofd onder de mannen van zijn stam,” -antwoordde de Indiaan trotsch, »hij vreest den dood niet; de blanke -jager kan hem dooden, hij zal geen enkele klacht hooren.” - -»Neen, ik zal u niet dooden, hoofdman: mijn God verbiedt het noodeloos -bloedvergieten.” - -»Ooah!” zeide de Indiaan met een spottenden lach, »mijn broeder is een -zendeling.” - -»Neen, ik ben een eerlijk pelsjager; maar ik wil u niet vermoorden.” - -»Mijn broeder redeneert als een oude vrouw,” hernam de Indiaan; -»Nehunutah vergeeft niet, hij wreekt zich!” - -»Gij kunt doen, wat gij verkiest, hoofdman;” antwoordde de jager, -minachtend de schouders ophalend, »ik ben niet van plan uw natuur te -veranderen, maar gij zijt gewaarschuwd; vaarwel!” - -»De duivel hale u!” voegde Goedsmoeds er bij, hem verachtelijk een -schop gevende. - -De hoofdman scheen bij deze nieuwe beleediging ongevoelig te blijven, -alleen zijne wenkbrauwen fronsten zich; hij bewoog zich niet, maar -volgde met een blik vol haat zijne beide vijanden, die, zonder zich -meer om hem te bekommeren, in het woud verdwenen. - -»Het zij zoo,” zeide Goedsmoeds naderhand, »maar gij hebt verkeerd -gedaan, Edelhart; gij hadt hem moeten dooden.” - -»Bah! Waarom?” antwoordde de jager onbezorgd. - -»Cascaras! Waarom? wel dat was een ongedierte minder geweest in de -prairie.” - -»Er zijn er zooveel,” zeide de ander, »dat het er op een niet aankomt.” - -»Dat is waar!” antwoordde Goedsmoeds, overtuigd; »maar waar zullen wij -nu heengaan?” - -»Onze vallen opzoeken, Caramba! meent gij dat ik die kwijt wil zijn?” - -»Waarachtig, dat is een goed denkbeeld.” - -De jagers gingen werkelijk in de richting van het kamp voort, maar op -de wijze der Indianen, dat is door middel van tallooze omwegen, ten -einde de Comanchen van spoor te brengen. - -Na twintig minuten loopens bereikten zij het kamp. De Indianen waren -nog niet teruggekeerd, maar naar alle waarschijnlijkheid zou het niet -lang meer duren. Al hun bagage lag hier en daar verspreid. Twee of drie -paarden die geen instinct genoeg bezaten om te vluchten, stonden -bedaard te weiden. Zonder een oogenblik tijd te verliezen raapten de -jagers hunne vallen bijeen, hetgeen spoedig genoeg gedaan was; zij -namen er ieder vijf voor hunne rekening, en zonder dralen namen zij den -terugweg aan naar de grot, waar hunne paarden stonden. Ondanks de zware -vracht die zij droegen, liepen zij snel voort, verrukt over den goeden -uitslag hunner onderneming en lachende over den fraaien trek, dien zij -den Indianen gespeeld hadden. - -Zoo waren zij een geruimen tijd op weg; reeds hoorden zij in de verte -het dof gemurmel der rivier, toen eensklaps het hinniken van een paard -hun oor bereikte. - -»Men vervolgt ons,” zeide Edelhart, stilstaande. - -»Hm!” antwoordde Goedsmoeds, »het is misschien een wild paard.” - -»Neen, een wild paard hinnikt anders; het zijn de Comanchen. Maar wij -zullen er wel achter komen.” En zich op den grond uitstrekkende, -luisterde hij aandachtig. Dadelijk stond hij weder op. - -»Ik wist het wel,” zeide hij, »het zijn de Comanchen; maar zij zijn -niet zeker van ons spoor, zij aarzelen.” - -»Of misschien worden zij opgehouden door de wond van den Arendskop.” - -»Dat is mogelijk! O, o! meenen zij dan waarlijk in staat te zijn ons te -bereiken, als wij hen willen ontsnappen?” - -»Als wij maar niet zoo zwaar beladen waren, dan was het spoedig uit.” - -Edelhart dacht even na. - -»Kom,” zeide hij, »wij hebben een half uur voor ons; dat is meer dan -genoeg.” - -Dicht bij hem stroomde een beek; de jager stapte er in, zoowel als zijn -vriend, die in alles zijne bewegingen volgde. In het midden van den -stroom gekomen, wikkelde Edelhart de vallen zorgvuldig in een -buffelhuid, om ze voor nat te bewaren, en liet ze toen op den bodem van -het water zinken. Dezen maatregel genomen hebbende, gingen zij naar de -overzijde van de beek; daarna een valsch spoor van omstreeks -tweehonderd passen makende, en behoedzaam op hunne schreden -terugkomende, opdat niets hun terugkeer zou verraden, begaven zij zich -in het bosch naar de paarden, na vooraf, met eene lichte beweging met -de hand, de honden weggezonden te hebben. - -De verstandige dieren begrepen waarheen zij zich te wenden hadden, en -verdwenen weldra in de duisternis. - -Het besluit om zich van hunne honden te scheiden hielp hen om de -Indianen van het spoor te brengen, die zeker niet zouden verzuimen de -sporen door de speurhonden in het hooge gras achtergelaten, te volgen. - -Eenmaal in het bosch zijnde, klommen de jagers op een boom en zetten -hunnen tocht tusschen hemel en aarde voort. Deze manier van reizen is, -veel meer dan men in Europa denken zou, gebruikelijk in landen, waar -het, ten gevolge van het in elkander groeien der boomen en lianen, -dikwijls onmogelijk is, om vooruit te komen, zonder zich telkens met de -bijl een pad te banen. Men kan aldus, door van den eenen tak op den -anderen te klauteren, mijlen ver afleggen zonder den grond aan te -raken. De jagers deden dit echter thans om een andere reden. - -Zij gingen op deze wijze voor hunne vijanden uit, die hen hoe langer -hoe meer naderden, en die zij weldra vlak onder zich op Indiaansche -wijze, dat is achter elkander, zagen voort marcheeren, en met aandacht -hun spoor volgen. De Arendskop ging voorop, ten gevolge van zijn wond -half op zijn paard liggende, maar beter dan ooit gestemd om zijne -vijanden te vervolgen. Toen zij de Comanchen onder zich hadden, -verscholen de jagers zich tusschen de bladeren, en hielden hun adem in. -De minste kleinigheid zou voldoende zijn geweest om hunne -tegenwoordigheid te verraden. De Indianen gingen voorbij, zonder hen te -zien. De jagers zetten hunnen tocht voort. - -»Oef!” zeide Goedsmoeds na een oogenblik van stilte, »ik geloof dat wij -er ditmaal heelhuids afkomen.” - -»Laat ons nog geen victorie kraaien, maar zoo snel wij kunnen ons -verwijderen; die verwenschte Roodhuiden zijn slim; zij zullen zich niet -lang door onze list laten misleiden.” - -»Duivelsch!” riep Goedsmoeds eensklaps, »ik heb mijn mes laten vallen, -en waar weet ik niet; als de Roodhuiden het vinden, zijn wij verloren.” - -»Dat is zeer waarschijnlijk,” mompelde Edelhart; »een reden te meer om -geen minuut te verliezen.” - -Uit het woud, dat tot nu toe doodstil was geweest, begon eensklaps een -dof gebrom op te rijzen; de vogels vlogen fladderend rond, en in de -struiken hoorde men de drooge takken onder de pooten der wilde dieren -kraken. - -»Wat gebeurt er toch?” zeide Edelhart, ophoudende en ongerust om zich -heen ziende; »het woud schijnt met duizeling bevangen te zijn.” - -De beide jagers klommen tot in den top van den boom, waarop zij zich -bevonden, en die bij toeval een der hoogste van het woud was. - -Een ontzaglijke gloed kleurde den horizont op ongeveer een mijl afstand -van de plaats, waar zij zich bevonden; deze gloed werd van oogenblik -tot oogenblik grooter, en naderde hen met reuzenschreden. - -»Vervloekt,” riep Goedsmoeds uit, »de Comanchen hebben de prairie in -brand gestoken!” - -»Ja, en ik geloof dat wij ditmaal, zooals gij straks opmerktet, -verloren zijn,” antwoordde Edelhart koelbloedig. - -»Wat nu gedaan?” vroeg de Canadees; »binnen een oogwenk zien zij ons.” - -Edelhart dacht na. Na eenige oogenblikken richtte hij het hoofd wederom -op, een zegepralende glimlach plooide zijne lippen. - -»Zij hebben ons nog niet,” zeide hij; »volg mij, broeder!....” en, -voegde hij er zachtjes bij, »ik wil mijne moeder weder zien!...” - - - - - - - -VI. - -DE REDDER. - - -Om den lezer den toestand begrijpelijk te maken, waarin de jagers zich -bevonden, is het noodig tot het Comanchenhoofd terug te keeren. - -Nauwelijks waren zijne vijanden tusschen de boomen verdwenen, of de -Arendskop richtte zich zachtjes op, boog zijn lichaam voorover, en -luisterde om zich te verzekeren, dat zij zich werkelijk verwijderden. -Zoodra hij deze zekerheid verkregen had, verscheurde hij een stuk van -zijn blankett—het kleed dat zijne heupen bedekte—waarmede hij zoo goed -en zoo kwaad als hij kon, zijn arm verbond, en ondanks zijne zwakheid -en de hevige pijn die hij doorstond, volgde hij behoedzaam het spoor -der jagers. Hij vergezelde hen aldus, zonder gezien te worden, tot aan -de grenzen van het kamp. Daar, achter een ebbenboom verscholen, was -hij, zonder zich te kunnen verzetten, getuige van het zoeken der jagers -naar hunne vallen, en eindelijk van hun vertrek, nadat zij ze gevonden -hadden. - -Ofschoon de speurhonden der jagers uitmuntende dieren waren die de -Indianen van verre roken, hadden zij zich door een toeval, dat het -behoud van den hoofdman was, gulzig op de overblijfselen van het maal -der Roodhuiden geworpen, en hunne meesters, weinig denkende, dat zij -bespied werden, hadden het niet noodig geacht, hen tot de orde terug te -roepen. - -De Comanchen waren eindelijk in het kamp teruggekomen, na er met -ongehoorde moeite in geslaagd te zijn, hunne paarden weder te vinden. - -Het gezicht van hun gewonden hoofdman wekte in hooge mate hunne -verbazing en verbolgenheid op, hetgeen den Arendskop zeer te stade -kwam, om hen op nieuw tot het vervolgen der jagers aan te vuren, die in -het loopen gehinderd door de vallen die zij droegen, niet ver af konden -zijn, en hun zonder missen in handen moesten vallen. - -Slechts een oogenblik hadden zij zich door de list van Edelhart laten -misleiden, en weldra ontdekten zij in de eerste boomen van het woud de -ondubbelzinnige sporen van de richting, die hunne vijanden volgden. - -Beschaamd en wrevelig, dat hij dus de speelbal was geweest van twee -onverschrokken mannen, wier listen al zijne berekeningen in de war -brachten, besloot de Arendskop om er voor goed een eind aan te maken, -en bracht hij zijn duivelsch voornemen om de prairie in brand te -steken, onmiddellijk ten uitvoer. Door dit middel, ten minste hij -twijfelde er niet aan, moesten zijne geduchte vijanden weldra in zijne -handen vallen. Na alzoo zijne krijgslieden in verschillende richtingen -uitgezonden te hebben, ten einde een wijden kring te vormen, deed hij -op verschillende plaatsen tegelijk het hooge gras in brand steken. - -Deze maatregel, ofschoon barbaarsch en alleen wilden waardig, was niet -kwaad bedacht. - -De jagers, na vergeefs beproefd te hebben aan den vuurpoel te -ontsnappen, die hen weldra van alle kanten zou omringen, zouden tegen -wil en dank verplicht zijn om zich aan hunne woeste vijanden over te -geven, zoo zij ten minste niet levend verbrand wilden worden. - -De Arendskop had alles berekend, alles voorzien, behalve één zeer -eenvoudige en gemakkelijk te volbrengen zaak, de eenige kans van -behoud, die aan Edelhart overbleef. - -Gelijk wij gezegd hebben, hadden, op bevel van hun opperhoofd, de -krijgslieden zich in alle richtingen verstrooid, en op verschillende -plaatsen tegelijk vuur aangebracht. - -In dit vergevorderde jaargetijde waren de planten en grashalmen door de -loodrechte stralen der zomerzon verschroeid, onmiddellijk ontvlamd, en -het vuur had zich met schrikbarende snelheid in alle richtingen -verspreid; niet snel genoeg echter, of het duurde nog eenigen tijd eer -de vlammen zich vereenigd hadden. - -Edelhart aarzelde niet: terwijl de Indianen als duivels om den slagboom -van vuur, waarmede zij aan hunne vijanden den weg wilden versperren, -heenliepen, en een vroolijk gebrul lieten hooren, had de jager, door -zijn vriend gevolgd, zich in snellen loop tusschen twee muren van vuur -geworpen, die rechts en links van hem af brandden en sisten, en -tegelijkertijd dreigden zich onder en boven hem te zullen vereenigen. -Te midden der verkoolde boomen, die krakend neêrvielen, verblind door -dikke rookwolken die hun het ademhalen beletten, gezengd door de vonken -die van alle kanten op hen neêrregenden, volgden zij onverschrokken hun -pad onder een gewelf van vlammen door, en het gelukte den moedigen -avonturiers, om ten koste van eenige onbeduidende brandwonden zich door -den heilloozen ringmuur heen te slaan, onder welken de Indianen gedacht -hadden hen voor eeuwig te zullen begraven en reeds waren zij verre van -hunne vijanden verwijderd, toen deze nog luide hun vreugdegejuich deden -hooren over den gelukkigen uitslag hunner krijgslist. - -De brand kreeg ondertusschen een ontzettend aanzien, het woud kroop weg -onder de omarming van het vuur; de prairie was een net van vlammen, te -midden waarvan de wilde dieren, door deze onverwachte ramp uit hunne -schuilplaatsen verdreven, angstig heen en weder liepen. De lucht was -bloedig gekleurd en een onstuimige wind joeg rook en vlammen woest voor -zich heen. - -De Indianen zelven waren verschrikt over hun werk, toen zij van alle -kanten op de bergen geheele bosschen, als zoovele noodlottige fakkels -zagen ontvlammen, toen de aarde overal warm werd en ontzaglijke kudden -buffels den grond deden trillen, onder het uitstooten van een wanhopig -geloei, dat het moedigste hart met schrik vervulde. - -In het kamp der Mexicanen heerschte de grootste verwarring; het was een -vervaarlijk geraas, de paarden hadden hunne banden gebroken en -vluchtten in alle richtingen, de mannen grepen naar hunne wapenen en -naar hun kruit, anderen voerden de zadels en pakken weg. Ieder -schreeuwde, vloekte, kommandeerde, allen liepen als gekken door het -kamp rond. - -Het vuur naderde statig, alles op zijn weg verslindende, voorafgegaan -door eene tallooze menigte van allerlei dieren, die angstig brullend, -het gevaar dat hen dreigde, trachtten te ontvlieden. - -Een dikke rook, met vonken beladen, overdekte reeds het kamp der -Mexicanen; nog twintig minuten, en het was met hen gedaan. - -De generaal, zijn nicht in de armen sluitende, vroeg tevergeefs aan de -gidsen, naar middelen die het dreigend gevaar konden afwenden. Deze -mannen, versteend van schrik, hadden alle tegenwoordigheid van geest -verloren. En wat konden zij er ook tegen doen? de vlammen vormden een -ontzaglijken kring, waarvan het kamp het middelpunt was geworden. - -Eensklaps echter was de wind, die tot nu toe het vuur had aangeblazen, -gaan liggen. Er woei geen tochtje meer. De gang van het vuur werd -langzamer. De voorzienigheid verlengde het leven dezer ongelukkigen met -eenige minuten. - -Op dit oogenblik bood het kamp een vreemd schouwspel aan. Al deze -mannen hadden als verstijfd van schrik zelfs het instinct van -zelfbehoud verloren. De Lanceros gingen bij elkander te biecht. De -gidsen waren met wanhoop geslagen, en verroerden zich niet. - -De generaal morde tegen den hemel. De doctor betreurde de plant, die -hij vruchteloos gezocht had; de gedachte daaraan verdrong bij hem elk -ander denkbeeld. Doña Luz lag met gevouwen handen en gebogen knieën te -bidden. Het vuur met zijne voorhoede van wilde dieren naderde meer en -meer. - -»O!” riep de generaal, met geweld den gids bij den arm schuddende, -»zult gij ons dan aldus laten verbranden, zonder zelfs een poging tot -redding in het werk te stellen?” - -»Wat kan men doen tegen Gods wil?” antwoordde de Babbelaar onbewogen. - -»Is er dan geen enkel middel om ons van den dood te bevrijden?” - -»Geen enkel!” - -»Ja, één is er!” riep nu een man, die met half verbrande haren en -verzengd gelaat, en door nog een ander gevolgd, zich over de pakken -heen, plotseling in het kamp stortte. - -»Wie zijt gij?” vroeg de generaal verrast. - -»Dat doet er niet toe,” antwoordde de vreemdeling kortaf; »ik kom u -redden! Mijn vriend en ik waren reeds buiten gevaar; om u te helpen -hebben wij niets te zwaar geacht; dit zij u genoeg. Uw behoud hangt nu -alleen van u zelven af: gij behoeft het slechts te willen.” - -»Beveel,” antwoordde de generaal, »ik zal de eerste zijn om u te -gehoorzamen.” - -»Hebt gij dan geen gidsen bij u?” - -»Ja!” - -»Nu, dan zijn het verraders of lafaards: want het middel dat ik zal -aanwenden, is aan ieder bewoner der prairie bekend.” - -De generaal wierp den Babbelaar, die bij de plotselinge verschijning -der twee onbekenden eene rilling niet had kunnen weêrhouden, een -wantrouwenden blik toe. - -»Overigens,” zoo ging de jager voort, »is dit eene zaak, die gij later -met hen kunt afrekenen; nu hebben wij wat anders te doen.” - -Op het gezag van dezen vastberaden man, hadden de Mexicanen als van -zelf hunne hoop en hun moed voelen terugkeeren, en zij hielden zich -gereed om zijne bevelen met allen spoed ten uitvoer te brengen. - -»Haast u,” zeide de jager, »ruk al het gras uit dat het kamp -omringt.—Ieder zette zich aan ’t werk.—Wij,” zoo vervolgde de jager, -zich tot den generaal wendende, »zullen intusschen natte zeilen over de -pakken uitstrekken.”—De generaal, de kapitein en de doctor, door den -jager geleid, deden wat deze beval, terwijl zijn medgezel de paarden en -muilezels midden in het kamp aan eenige palen vastbond. - -»Haast u! haast u!” riep de vreemdeling gedurig, »de brand nadert.” -Ieder verdubbelde zijn ijver. Weldra was over een groote ruimte het -gras uitgerukt. - -Doña Luz zag met bewondering naar dien vreemden man, zoo onverwacht te -voorschijn gekomen, juist op het oogenblik, dat het dreigend gevaar op -het punt stond hen allen te verslinden, en die toch onder alles even -kalm en bedaard bleef, als bezat hij de macht om het onheil, dat hen -met reuzenschreden naderde, met een enkel woord te bezweren. Het meisje -kon niet nalaten haar blikken op hem te vestigen; zij voelde zich -onbewust tot dien onbekenden redder getrokken, wiens stem en gebaren, -wiens geheele persoonlijkheid een magtigen indruk op haar maakte. - -Toen het gras en de planten waren uitgeroeid met dien koortsachtigen -spoed, die door het dreigend doodsgevaar werd aangewakkerd, glimlachte -de jager even. - -»Nu,” zeide hij, zich tot de Mexicanen richtende, »nu gaat het overige -mijn vriend en mij aan: laat ons nu handelen; wat u betreft, wikkelt u -allen in natgemaakte kleederen.”—Ieder volgde zijn raad. De vreemdeling -wierp een blik om zich heen, en vervolgens zijn makker een teeken -gevende, liep hij het vuur te gemoet. - -»Ik verlaat u niet,” zeide de generaal. - -»Kom dan,” antwoordde de vreemdeling. - -Aan het einde der ruimte gekomen, waarop het gras uitgerukt was, maakte -de jager een bundel van planten en droge takken, wierp er een weinig -kruit in, en stak er den brand in. - -»Wat doet gij daar?” riep de generaal verschrikt uit. - -»Dat ziet gij: ik bestrijd het vuur met het vuur,” antwoordde de jager -eenvoudig. - -Zijn makker had aan den tegenovergestelden kant hetzelfde gedaan. - -Snel verhief zich een gordijn van vlammen, en gedurende eenige -oogenblikken was het kamp bijna onder een gewelf van vuur begraven. Er -verliep een kwartier van verschrikkelijken angst, en van gespannen -verwachting. Langzamerhand werden de vlammen minder dik en de lucht -zuiverde, de rook verdunde zich en het geloei van den brand nam af. -Eindelijk kon men in dien vreeselijken chaos elkander weder herkennen. -Een kreet van verrukking ging uit aller mond op. Het kamp was gered! - -De brand, waarvan het geloei hoe langer hoe doffer werd, ging, door den -jager overwonnen, in andere richtingen zijn verwoestingen verspreiden. - -Allen liepen op den vreemdeling toe, om hun dank te betuigen. - -»Gij hebt mijne nicht het leven gered,” zeide de generaal, »hoe zal ik -ooit mijn schuld aan u betalen?” - -»Gij zijt mij niets schuldig, mijnheer,” antwoordde de jager met edele -eenvoudigheid; »in de prairie zijn alle menschen broeders; ik heb niets -dan mijn plicht gedaan.” - -Toen het eerste oogenblik van vreugd voorbij was, en men de orde in het -kamp een weinig hersteld had, begon ieder naar rust te verlangen, -hetgeen na de verschrikkingen en vermoeienissen van dien nacht zeer -natuurlijk was. - -De twee vreemdelingen, die beleefd maar standvastig alle voordeelen -hadden van de hand gewezen, hun door den generaal aangeboden, hadden -zich onbezorgd op de balen uitgestrekt, om eenige uren te rusten. Even -voordat de zon opging, stonden zij op. - -»De grond moet al koud zijn,” zeide de een, »laat ons heen gaan, eer -die menschen ontwaken; zij zouden misschien ons zoo niet laten -vertrekken.” - -»Ja, laten wij gaan,” antwoordde de ander. - -Toen zij het kamp verlieten, werd de schouder van den eerste licht -aangeraakt; hij keerde zich om. Doña Luz stond voor hem. De twee mannen -bleven staan, en groetten de jonge dame eerbiedig. - -»Gaat gij ons verlaten?” vroeg zij met een zachte, welluidende stem. - -»Het moet, señorita,” antwoordde een der jagers. - -»Ik begrijp u,” zeide zij met een bekoorlijken glimlach. »Thans, nu -wij, dank zij uwe hulp, gered zijn, hebt gij hier niets meer te doen, -niet waar?” - -De twee mannen bogen, zonder te antwoorden. - -»Sta mij een gunst toe,” zeide zij. - -»Spreek, mevrouw.” - -Zij nam een klein crucifix, met diamanten ingelegd, dat zij op de borst -droeg. - -»Bewaar dit ter herinnering aan mij.” - -De jager aarzelde. - -»Ik bid er u om,” prevelde zij met tranen in de oogen. - -»Ik neem het aan, mevrouw,” zeide de jager bewogen, het kruis op zijne -borst bij zijn scapulier plaatsende; »het zal mij een talisman zijn bij -die, welke mijne moeder mij gegeven heeft.” - -»Ik dank u,” antwoordde het meisje verheugd; »nog eene vraag!” - -»Spreek!” - -»Hoe zijn uwe namen?” - -»Mijn makker heet Goedsmoeds.” - -»Maar gij?” - -»Edelhart.” - -Na nog eenmaal gebogen te hebben, verwijderden de beide jagers zich -haastig, en waren spoedig in de duisternis verdwenen. Doña Luz volgde -hen zoolang zij kon met de oogen; vervolgens keerde zij langzaam naar -de tent terug, half luid prevelende: »Edelhart!... O, ik zal het niet -vergeten!...” - - - - - - - -VII. - -DE VERRASSING. - - -De Vereenigde Staten hebben van Engeland dat systeem van voortdurende -uitbreiding en inbezitneming overgeërfd, dat een der meest kenmerkende -eigenschappen van het Angel-Saksische ras is. - -Nauwelijks was Noord-Amerika onafhankelijk en de vrede met het -moederland gesloten, of dezelfde menschen die zoo hard over -dwingelandij en verdrukking geschreeuwd en die zich verzet hadden tegen -de schending van het volkenrecht, waarvan zij, zooals zij zeiden, de -slachtoffers waren geweest, regelden met die onverbiddelijke -koelbloedigheid, die aan hun geslacht eigen is, eene jacht op de -Indianen, niet alleen op hun eigen grondgebied, maar over de gansche -uitgestrektheid van Amerika’s vasteland. Niet tevreden met de -onmetelijke gewesten, die zij reeds bezitten en welks onrustige -bevolking, ondanks haar ijver om van alles voordeel te trekken, nog -altijd ontoereikend is, willen zij zich meester maken van de beide -oceanen, die Amerika bespoelen, en dringen zij voortdurend de -inlandsche stammen terug, om deze volgens de profetische en bittere -woorden van een Indiaansch opperhoofd, door middel van allerlei verraad -en trouweloosheid, eindelijk in de Stille Zuidzee te verdrinken. - -In de Vereenigde Staten, dat land waarover de denkbeelden wel beginnen -te veranderen, ofschoon bevooroordeelde of slecht ingelichte lieden het -nog altijd als den klassieken grond der vrijheid blijven voorstellen, -ontmoet men overal de blijken van die hatelijke onrechtvaardigheid, die -twee menschenrassen heeft geplunderd en van alles beroofd ten voordeele -van een derde, dat zich het recht van leven en dood over hen aanmatigt, -en ze niet anders dan als slachtvee beschouwt. Deze twee rassen, de -belangstelling van alle weldenkenden zoo overwaardig, zijn het zwarte -en het roode ras. - -Het is aan den anderen kant waar, dat de Vereenigde Staten, om te -toonen hoe philanthropisch zij zijn, in het jaar 1795 een verbond van -vrede en vriendschap gesloten hebben met de Barbarijsche staten, die -hun onvergelijkelijk meer voordeelen aanboden dan de orde van Malta, -die ook met hen onderhandelen wilde. - -Dit verbond is gewaarborgd door de gouvernementen van Algiers en van -Tripoli, en het luidde uitdrukkelijk, dat de regeering der Vereenigde -Staten geenszins gebaseerd is op de Christelijke Godsdienst. Aan hen, -wien deze bepaling doeltreffend toeschijnt, moeten wij doen opmerken -dat de Amerikanen in hun dagelijksch leven maar één God schijnen te -erkennen: den God Dollar! die ten allen tijde de eenige is geweest, tot -welken de roovers van alle gewesten gebeden hebben. - -Men make zelf de gevolgtrekking! - -De Squatters, menschen zonder recht en wet, door alle natiën veracht, -de schande en het uitvaagsel der bevolking van Noord-Amerika, dringen -altijd naar het Westen voort, en trachten door onafgebroken -landontginningen de Indiaansche stammen uit hun laatste schuilhoeken te -verdrijven. - -Achter de squatters komen vier of vijf soldaten, een tamboer, een -trompetter of een officier met een vaandel met sterren. - -Deze soldaten bouwen een fort van enkel boomstammen, planten hun -vaandel er op, en maken openlijk bekend, dat de grenzen van het -Staten-Verbond zich tot daar uitstrekken. - -Dan worden er rondom het fort eenige hutten gebouwd, een gemengde -bevolking van blanken, zwarten en roodhuiden vestigt er zich, en -ziedaar eene stad in het aanzijn geroepen, waaraan men een verheven -naam, bijv. Utica, of Syracuse, of Rome, of Carthago geeft; en eenige -jaren later, als deze stad twee of driehonderd steenen huizen bezit, -wordt zij rechtens de hoofdstad van een nieuwen Staat, die eigenlijk -nog moet geboren worden. Zoo gaat het in dat land toe; men ziet het is -een zeer eenvoudige wijze van handelen. - -Eenige dagen na de in ons vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen, had -er een vreemd voorval plaats, in een nauwelijks sedert twee jaar -bestaande bezitting, aan den oever der groote Canadeesche rivier en aan -den voet van een altijd groenen heuvel. - -Deze bezitting bestond uit een twintigtal hutten, grillig naast -elkander geplaatst en beschermd door een fortje, dat met vier kanonnen -bewapend den loop der rivier bestreek. - -Dit dorp, hoe nieuw het ook zijn mocht, had ten gevolge der onvermoeide -Amerikaansche bedrijvigheid, reeds al het aanzien eener stad verkregen. -Twee kroegen waren altijd vol drinkers, drie kerken van verschillende -genootschappen dienden tot vergaderplaats voor de geloovigen. De -bewoners kwamen en gingen met die driftige haast, die gewoonlijk lieden -kenmerkt, welke met lust arbeiden en veel zaken te doen hebben. - -Tallooze kano’s bedekten de rivier, en karren, met koopwaren beladen, -reden in alle richtingen, knarsten op hun ongesmeerde wielen, en lieten -diepe sporen in den grond achter. - -Doch ondanks al die bewegelijkheid, misschien wel ten gevolge daarvan, -viel het niet moeielijk te ontdekken, dat er zekere ongerustheid in het -dorp heerschte. - -De bewoners ondervroegen elkander; er vormden zich groepen voor de -huizen, en verscheidene mannen, op krachtvolle paarden gezeten, reden -naar alle zijden op verkenning uit, nadat zij van den kommandant van -het fort, die in groot uniform, met een verrekijker in de hand, op den -muur der sterkte rondliep, de noodige bevelen ontvangen hadden. - -Langzaam naderden de kano’s den oever, de karren werden uitgespannen, -de lastdieren in de parken opgesloten, en de geheele bevolking -vereenigde zich op het plein van het dorp. - -De zon was bijna onder, de avond zou weldra gevallen zijn, de -uitgezonden verspieders waren allen terug. - -»Gij ziet het,” zeide de kapitein tot de inwoners, »wij hebben niets te -vreezen, het was slechts een valsch alarm, gij kunt rustig naar uwe -woningen terugkeeren, men heeft op twintig mijlen in den omtrek geen -spoor van Indianen gevonden.” - -»Hm!” zeide een oud jager van gemengd ras, die op zijn geweer leunde, -»twintig mijlen zijn spoedig afgelegd door de Indianen.” - -»’t Is mogelijk, Wit-Oog,” antwoordde de kommandant, »maar wees -overtuigd dat ik met geen ander doel aldus gehandeld heb, dan om de -bevolking de verzekering te geven, dat de Indianen zich niet zullen -durven wreken.” - -»De Indianen wreken zich altoos, kapitein,” zei de oude jager met -nadruk. - -»Gij hebt te veel whiskey gedronken, Wit-Oog, zij is u naar het hoofd -gestegen, gij droomt wakend.” - -»God geve dat gij gelijk hebt, kapitein, maar ik heb mijn gansche leven -met het ontginnen van woeste streken doorgebracht; ik ken de gebruiken -der Roodhuiden, terwijl gij u slechts sedert twee jaar op de grenzen -bevindt.” - -»Dat is meer dan genoeg.” - -»Maar met goedvinden, de Indianen zijn mannen, en de twee Comanchen, -die hier verraderlijk vermoord zijn, in spijt van het volkenrecht, -waren krijgslieden, daar hun stam trotsch op was.” - -»Wit-Oog, gij zijt een halfbloed, gij zijt maar al te zeer aan het -roode ras verwant.” - -»Het roode ras,” antwoordde de jager trotsch, »is edelmoedig; het -vermoordt niemand uit lust tot bloedvergieten, gelijk gij voor vier -dagen met die twee krijgslieden, die weerloos in hunne kano’s -voorbijvoeren, gedaan hebt, onder voorwendsel van een nieuw geweer te -probeeren dat gij uit Akropolis ontvangen hadt.” - -»’t Is wel! ’t Is genoeg! schenk mij uwe verklaring, Wit-Oog, ik wil -van u geen aanmerkingen hooren.” - -De jager maakte eene linksche buiging, wierp zijn geweer over schouder -en ging weg, bij zich zelven mompelend: - -»Om het even, maar het vergoten bloed schreeuwt om wraak, de Roodhuiden -zijn mannen, zij zullen de misdaad niet ongestraft laten.” - -De kapitein begaf zich wederom naar het fort, blijkbaar verbitterd door -de woorden van den mesties. Langzamerhand verstrooiden zich de burgers, -na elkander goeden avond gewenscht te hebben, en begaven zich naar -huis, met al de onbezorgdheid van menschen die gewoon zijn om ieder -oogenblik hun leven in gevaar te stellen. - -Een uur later was de nacht geheel gevallen; een dikke duisternis omgaf -het dorp, welks inwoners, vermoeid door den zwaren arbeid van den dag, -onbekommerd uitrustten. - -De verspieders, die tegen den avond door den kapitein waren -uitgezonden, hadden zich slecht van hun plicht gekweten of liever zij -waren niet bekend met de streken der Indianen, anders zouden zij de -kolonisten niet tot zulke verkeerde onbezorgdheid hebben opgewekt. - -Nauwelijks een mijl van het dorp verwijderd, lagen te midden van het -dichte struikgewas en de ineengegroeide boomen van een ondoordringbaar -woud, tweehonderd Comanchen van den Slangenstam verscholen, aangevoerd -door hunne meest beroemde opperhoofden, waaronder de Arendskop, die, -ofschoon gewond, nochtans aan den tocht wilde deelnemen; zij wachtten -met dat Indiaansch geduld, dat zich door niets verstoren laat, het -geschikte oogenblik af, om een schitterende wraak te nemen over den hun -aangedanen hoon. - -Verscheidene uren gingen aldus voorbij, zonder dat de stilte van den -nacht door het minste gedruisch werd afgebroken. Tegen elf uur des -avonds ging de maan op, en verlichtte het landschap met haar zilveren -stralen. Op hetzelfde oogenblik liet zich tweemaal, op verren afstand, -het huilen van een hond hooren. De Arendskop, zich verwijderende van -den boom, die hem beschutte, begon met buitengewone behendigheid en -vlugheid naar het dorp te kruipen. Aan den rand van het bosch gekomen -maakte hij halt, wierp een onderzoekenden blik om zich heen, en bootste -het gehinnik van een paard zoo volkomen na, dat twee paarden van het -dorp hem onmiddellijk antwoord gaven. Na eenige sekonden toevens, -bemerkte het geoefend gehoor van het opperhoofd eenig gedruisch in de -bladeren; niet ver van daar liet zich het geloei van een os hooren; de -hoofdman stond op en wachtte. Twee minuten later voegde zich een man -bij hem. Die man was Wit-Oog, de oude jager, om wiens lippen een -onheilspellende lach speelde. - -»Wat doen de blanken?” vroeg het opperhoofd. - -»Zij slapen,” was het antwoord. - -»Zal mijn broeder ze in mijne handen leveren?” - -»Gewis, mits gij ook uw woord houdt.” - -»Een opperhoofd heeft maar één woord. Waar zijn de bleeke vrouw en het -grijze hoofd?” - -»Zij zijn hier.” - -»Zullen zij mij toebehooren?” - -»Al de bewoners van het dorp zullen mijn broeder in handen worden -gesteld.” - -»Oach! is de jager niet gekomen?” - -»Nog niet.” - -»Hij zal te laat komen.” - -»Waarschijnlijk.” - -»Wat zegt mijn broeder nu?” - -»Waar is het loon, dat ik aan het opperhoofd gevraagd heb?” - -»De huiden, de geweren en het kruit worden hier achter door mijne -lieden bewaakt.” - -»Ik vertrouw u, hoofdman, maar zoo gij mij misleidt....” - -»Een Indiaan heeft maar één woord.” - -»’t Is goed!.... Nu dan, als ge maar wilt.” - -Tien minuten later waren de Indianen meesters van het dorp, welks -inwoners, de een na den ander wakker geworden, zonder slag of stoot -werden gevangen genomen. - -Het fort werd door de Comanchen omringd, die, na aan den voet der muren -boomstammen, karren, meubels en allerlei gereedschappen te hebben -bijeengezameld, slechts op een teeken van hun opperhoofd wachtten om -den aanval te wagen. Eensklaps vertoonde zich een onduidelijk zichtbare -gedaante boven het fort, en het geschreeuw van een sperwer weêrklonk -over de vlakte. De Indianen staken den brandstapel aan, en stortten -zich op de palissaden, met dien vreeselijk gillenden oorlogskreet, die -hun eigen is, en die op de grenzen altijd het sein geeft tot den moord. - - - - - - - -VIII. - -DE INDIAANSCHE WRAAK. - - -De Amerikanen verkeerden in een benarden toestand. De kapitein, verrast -door den stillen aanval der Comanchen, was eensklaps wakker geworden -door hun geduchten oorlogskreet, toen zij, reeds den brand hadden -gestoken in de voor het fort verzamelde brandstoffen. - -De dappere officier sprong uit zijn bed, en werd een oogenblik verblind -door den rooden gloed der vlammen; vervolgens kleedde hij zich half -aan, en ijlde met de sabel in de hand naar dat gedeelte, waar het -garnizoen rustte, dat reeds ontwaakt, bezig was zich naar zijn post te -begeven, met die onverschrokkenheid, die den Yankee eigen is. - -Maar wat te doen? Het garnizoen telde, den kapitein medegerekend, niet -meer dan twaalf man. Hoe zou hij met een zoo kleine macht den Indianen -weerstand kunnen bieden wier duivelsche gedaanten hij onheilspellend -zag afsteken bij het akelig schijnsel der vlammen? De officier slaakte -een zucht. - -»Wij zijn verloren,” mompelde hij. - -In de gedurige gevechten die op de indiaansche grenzen geleverd worden, -zijn onze oorlogswetten volkomen onbekend. Het vae victis (wee den -overwonnenen!) geldt daar in den vollen zin des woords. De verbitterde -vijanden, die elkander met al de schrandere hulpmiddelen der -barbaarschheid bestrijden, vragen noch geven kwartier. Iedere -schermutseling is een gevecht op leven en dood. - -De kapitein wist dit; hij maakte zich ook volstrekt geen illusies over -het lot dat hem wachtte, zoo hij den Comanchen in handen viel. Hij had -den misslag begaan van zich door de Roodhuiden te laten verrassen, en -moest dus de gevolgen zijner onvoorzichtigheid dragen. Maar de kapitein -was een goed soldaat; overtuigd van niet heelshuids uit den val waarin -hij zich bevond te kunnen ontsnappen, wilde hij ten minste eervol -sneuvelen. De soldaten behoefden niet aan hun plicht herinnerd te -worden, zij wisten even goed als hun kapitein, dat hun geen enkele kans -op lijfsbehoud overbleef. - -De verdedigers van het fort plaatsten zich dan ook vastberaden achter -de barricaden, en begonnen op de Indianen te schieten, met eene -juistheid en vastheid van hand, die den vijand groote verliezen -berokkende. - -De eerste, dien de kapitein, toen hij op het glacis der vesting stond, -bemerkte, was de oude jager Wit-Oog. - -»Ha! ha!” mompelde de officier, »wat doet die man daar, en hoe is hij -daar gekomen?” - -Vervolgens een pistool uit zijn gordel nemende, liep hij recht op den -mesties toe, greep hem bij den strot, zette hem de tromp van zijn wapen -op de borst, en zeide met die koelbloedigheid, die de Amerikanen van de -Engelschen geërfd en aanmerkelijk vermeerderd hebben: - -»Op wat wijze hebt gij u in het fort weten te dringen, oude steenuil?” - -»Wel, denkelijk door de deur,” antwoordde de ander bedaard. - -»Bah! zijt gij dan een toovenaar?” - -»Misschien.” - -»Geen gekheid, halfbloed; gij hebt ons aan uwe broeders, de Roodhuiden -verkocht.” - -Een donkere glimlach teekende zich op het gelaat van den mesties; de -kapitein zag het. - -»Maar uw verraad zal u geen voordeel aanbrengen, ellendeling,” zeide -hij met een donderende stem; »gij zult er zelf het eerste slachtoffer -van zijn.” - -De jager rukte zich met een onverhoedsche beweging los, vervolgens deed -hij een sprong achteruit, legde zijn geweer aan, en zeide: - -»Wij zullen zien.” - -Deze twee mannen, vlak tegenover elkander geplaatst op dien smallen -omgang, alleen verlicht door het akelig schijnsel van den brand, die -met ieder oogenblik in hevigheid toenam, leverden een vreeselijk -schouwspel op. Elk hunner vertegenwoordigde een der twee rassen, die de -Vereenigde Staten bevolken, en wier haat niet eindigen zal dan door de -algeheele verdelging van een van beiden. - -Aan hunne voeten nam het gevecht de reusachtige evenredigheden van een -oud heldendicht aan. De Indianen wierpen zich woedend en onder -vreeselijk geschreeuw op de bolwerken, waar de Amerikanen hen met -geladen geweren of gevelde bajonetten ontvingen. - -Maar het vuur nam steeds toe; de soldaten vielen, de een na den ander; -weldra zou alles gedaan zijn. - -De bedreiging van Wit-Oog was door den kapitein met een verachtelijken -glimlach beantwoord. Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den -jager afgeschoten; deze had zijn geweer laten vallen; zijn rechter arm -was verbrijzeld. De kapitein stortte zich, brullend van vreugde, op -hem. De mesties werd door dezen onverwachten schok op den grond -geworpen. Toen zette zijn vijand hem de knie op de borst en zag hem een -oogenblik aan. - -»Welnu,” zeide hij met een bitteren lach, »heb ik mij vergist?” - -»Neen,” zeide de mesties kalm, »ik ben een gek, mijn leven is in uwe -hand, dood mij.” - -»Wees stil, ik zal u een indiaanschen dood bezorgen.” - -»Haast u, zoo gij u wreken wilt,” hernam de jager spottend, »want -weldra zal het te laat zijn.” - -»Ik heb den tijd.... Waarom hebt gij ons verraden, ellendeling?” - -»Wat gaat het u aan?” - -»Ik wil het weten.” - -»Welnu, als gij het dan verlangt,” zeide de jager na een oogenblik -stilte, »uwe broeders, de blanken, zijn de beulen van geheel mijne -familie, ik heb mij willen wreken.” - -»Maar wij hebben u toch niets gedaan.” - -»Zijt gij geen blanken? dood mij en laat het uit zijn.... ik kan -verheugd sterven, want ontelbare offers zullen mij in het graf volgen.” - -»Nu, als het met de zaken zoo gelegen is,” zeide de kapitein met een -onheilspellenden blik, »zal ik u bij uwe broeders terug brengen; gij -ziet ik ben dus edelmoedig.” - -En toen, zijn knie stevig op de borst van den jager drukkende, opdat -hij niet aan de hem toegedachte straf ontkomen zou, zeide hij: - -»Op zijn Indiaansch!” - -En zijn mes nemende, greep hij met de linkerhand het dikke, borstelige, -grijze haar van den mesties, en scalpeerde hem met onbegrijpelijke -behendigheid. - -De jager kon een ontzettenden jammerkreet niet weerhouden; het bloed -stroomde van zijn naakten schedel en overdekte zijn gelaat. - -»Dood mij!” riep hij, »dood mij, die pijn is afschuwelijk.” - -»Vindt gij?” zeide de kapitein. - -»O, dood mij, dood mij!” - -»Kom,” antwoordde de officier de schouders ophalende, »houdt gij mij -voor een slachter, neen, ik zal u aan uwe waardige vrienden -wedergeven.” - -Toen nam hij den jager bij zijne beenen, sleepte hem tot aan den rand -van den omgang en schopte hem weg. - -De ongelukkige had nog besef genoeg om zich te willen redden, door met -de linkerhand het uiteinde van een balk te grijpen, die buiten den muur -uitstak. Een oogenblik bleef hij aldus hangen. Het was afschuwelijk om -te zien: zijn gevilde schedel, zijn gelaat met stroomen van zwart bloed -bedekt, en door angst en lijden geheel verwrongen, zijn gansche lichaam -zich krampachtig samentrekkende, dat alles leverde een verschrikkelijk -en walgelijk schouwspel op. - -»Genade! genade!” gilde hij. - -De kapitein zag hem lachend aan, met de armen over de borst gekruist. - -Maar de vermoeide spieren van den ongelukkige konden hem niet langer -dragen, zijn gekromde vingers lieten den balk, dien hij met de kracht -der wanhoop gegrepen had, los. - -»Beul, wees vervloekt!” schreeuwde hij in de uiterste woede.—En hij -viel naar beneden. - -»Goede reis!” riep de kapitein hem spottend na. Een verschrikkelijk -rumoer liet zich aan de deuren van het fort hooren. De kapitein snelde -de zijnen te hulp. De Comanchen hadden zich van de barricaden meester -gemaakt. Zij drongen in massa het fort binnen, terwijl zij al de -vijanden die zij op hun weg ontmoetten, vermoordden of scalpeerden. Nog -maar vier Amerikaansche soldaten hielden stand. De anderen waren dood. -De kapitein verschanste zich midden op den trap die naar den omgang -leidde. - -»Mijne vrienden,” zeide hij tot zijne makkers, »sterft gelaten, ik heb -hem, die ons verraden heeft, gedood.” De soldaten beantwoordden deze -zonderlinge troostrede met een luid hoerah, en maakten zich gereed om -hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. - -Maar toen had er iets onbegrijpelijks plaats. - -De Indianen hadden eensklaps, als door betoovering, opgehouden met -schreeuwen. - -De aanval werd gestaakt. - -»Wat voeren zij toch uit,” mompelde de kapitein, »welke nieuwe streek -hebben die duivels nu uitgevonden?” - -Zoodra de Arendskop meester was van al de toegangen tot het fort, had -hij bevel gegeven, aan het gevecht een einde te maken. De in het dorp -buit gemaakte gevangenen werden de een na den ander voorgebracht: zij -waren twaalf in getal, en daaronder vier vrouwen. Toen deze twaalf -ongelukkigen sidderend voor hem stonden, liet de Arendskop de vrouwen -ter zijde brengen. Aan de mannen gelastte hij één voor één langs hem -heen te gaan; hij zag ze oplettend aan, en gaf toen een teeken aan de -naast hem staande krijgslieden. Deze overrompelden de Amerikanen -onmiddellijk, sloegen hun met de machete de handen af, scalpeerden hen, -en wierpen hen toen in het fort. - -Zeven kolonisten hadden deze marteling ondergaan. Nog een bleef er -over. Het was een grijsaard, groot van gestalte, mager, maar krachtvol; -zijne sneeuwwitte haren vielen hem op de schouders, zijne zwarte oogen -gloeiden, doch zijn gelaat bleef onbewegelijk; hij wachtte, schijnbaar -kalm, het vonnis van den hoofdman, dat hem met de ongelukkigen, die hem -waren voorgegaan, zou vereenigen. - -Maar het Comanchenhoofd zag hem met de grootste oplettendheid aan. - -Eindelijk bewogen zich de trekken van den wilde, een glimlach teekende -zich op zijne lippen, en zijne hand naar den grijsaard uitstekende, -zeide hij, in slecht Spaansch en met den aan zijn ras eigenen -keelklank: - -»Usted no conocer amigo?—Gij niet herkennen vriend?” - -Op dit woord sidderde de grijsaard, en zag op zijn beurt den Indiaan -aan. - -»O,” zeide hij verbaasd, »el Gallo—de Haan?” - -»Ooah!” antwoordde het opperhoofd tevreden, »ik ben een vriend van den -Grijskop; de Roodhuiden hebben geen twee harten; mijn vader heeft mij -het leven gered, mijn vader zal in mijne hut komen.” - -»Ik dank u, hoofdman, ik neem uw aanbod aan,” zeide de grijsaard den -Indiaan warm de hand drukkende. - -En hij zette zich haastig neder bij eene bejaarde vrouw, met een edel -gelaat, dat hoezeer ook door smart vermagerd en gerimpeld, nochtans de -sporen droeg van vroegere schoonheid. - -»God zij geprezen!” zeide zij verheugd toen de grijsaard haar naderde. - -»God verlaat nooit diegenen, die op Hem hun vertrouwen vestigen,” -antwoordde hij. - -Ondertusschen speelden de Roodhuiden de laatste tooneelen van het -vreeselijk drama, waarvan wij den lezer getuige deden zijn. Toen al de -kolonisten in het fort waren opgesloten, werd de brand aangewakkerd met -al de bouwstoffen die men maar vinden kon, en als door een gordijn van -vlammen werden de ongelukkige Amerikanen voor altijd van de wereld -afgescheiden. Weldra was het fort niets meer dan een brandstapel, -waaruit voortdurend kreten van smart, en nu en dan de knal van een -ontploffend geweer omhoog rezen. De Comanchen stonden onbewogen op -eenigen afstand den voortgang van den brand gade te slaan, en lachten -als duivels over hunne wraakneming. - -De vlammen hadden het gansche gebouw omringd; zij stegen met verbazende -snelheid omhoog, en wierpen, als een fakkel des doods, haar licht ver -in de wildernis. - -Op het glacis van het fort zag men eenige personen wanhopig zich -bewegen, terwijl anderen geknield de genade des hemels schenen in te -roepen. - -Eensklaps hoorde men een ontzettend gekraak, een angstkreet rees ten -hemel, en het fort stortte ineen, in den gloeienden vuurpoel die het -ondermijnd had. - -Alles was afgeloopen. - -De Amerikanen waren omgekomen. - -De Comanchen plantten een grooten mast, op de plek waar het dorp -gestaan had; deze mast, waaraan zij de kolonisten vastnagelden, werd -bekroond met een met bloed bevlekte bijl. - -Daarna eenige nog overgeblevene hutten in brand stekende, gaf de -Arendskop het teeken om te vertrekken. - -De vier vrouwen en de grijsaard, de eenigen van de bevolking dezer -ongelukkige plaats die nog in leven waren, volgden de Comanchen. - -Een droevige stilte zweefde over de rookende puinhoopen die het tooneel -waren geweest van zóóveel hartverscheurende rampen. - - - - - - - -IX. - -DE SCHIM. - - -Het was ongeveer acht ure in den morgen: een vroolijke herfstzon -bescheen de prairie. De vogels fladderden rond en zongen; nu en dan -stak een hert zijn kop boven het hooge gras uit, en verdween huppelend -in de verte. - -Twee ruiters, gekleed als woudloopers, volgden, op prachtige, half -wilde paarden gezeten, in galop den linker oever der Groote Canadeesche -rivier, terwijl verscheidene zwarte speurhonden om hen heen dartelden -en sprongen. Deze ruiters waren Edelhart en zijn vriend Goedsmoeds. - -In strijd met zijne gemoedstemming, scheen Edelhart zich aan de -levendigste vreugde over te geven; zijn gelaat schitterde, en met innig -welbehagen zag hij om zich heen. Soms bleef hij staan, en staarde in de -verte, als het ware om aan den horizont een voorwerp te ontdekken, dat -vooralsnog onzichtbaar was. - -»Ha, komaan!” zeide Goedsmoeds eindelijk lachend, »wij zullen er wel -komen; wees maar gerust!” - -»Caramba! dat weet ik wel, maar ik zou er al willen zijn! De eenige -oogenblikken van geluk, die God mij schenkt, geniet ik bij haar, naar -wie wij ons nu begeven! Moeder! lieve moeder! die voor mij alles -verlaten—zonder spijt, zonder wroeging verlaten hebt! O, wat is het -zalig eene moeder te hebben! een hart te bezitten, dat het uwe -begrijpt, dat zich zelve volkomen verloochent! dat om en door u leeft! -dat zich verheugt in uwe blijdschap, treurt om uwe smarten! dat uw -leven voor twee derden op zich neemt, voor zich zelve het zwaarste deel -behoudende, het lichtste en gemakkelijkste aan u overlatende! O, -Goedsmoeds! om goed te begrijpen wat het is, dat goddelijk samenstel -van opoffering en liefde, dat men eene moeder noemt, moet men er, even -als ik, lange jaren van beroofd zijn geweest, en vervolgens haar hebben -teruggevonden, nog rijker in liefde en aanbiddelijker dan voorheen! Wat -gaan wij langzaam, ieder oogenblik van oponthoud schijnt een kus mijner -moeder, dien de tijd mij ontsteelt; zullen wij er dan nooit komen?” - -»Hier hebben wij de ondiepte.” - -»Ik weet niet waarom, maar een geheime vrees beklemt mij het hart, een -onbeschrijfelijk voorgevoel doet mij ondanks mij zelven huiveren.” - -»Verban die donkere gedachten, mijn vriend, binnen eenige oogenblikken -zijn wij bij uwe moeder.” - -»Ja, niet waar? en toch, ik weet niet of ik het mis heb, maar ik zou -zeggen dat het veld er niet zoo uitziet als anders; die stilte, die er -om ons heerscht, die eenzaamheid die ons omringt schijnen mij niet zeer -natuurlijk toe; wij zijn immers vlak bij het dorp, wij moesten de -honden reeds hooren blaffen, en die tallooze geluiden vernemen, die een -bewoonde plaats aankondigen.” - -»Inderdaad,” zeide Goedsmoeds een weinig bezorgd, »’t is wel stil in ’t -rond.” - -De reizigers bevonden zich op een plek waar de rivier een vrij groote -bocht maakte; hare oevers, bedekt met ontzaglijke rotsblokken en dicht -kreupelhout, beletten hun ver voor zich uit te zien. Op het oogenblik -dat de paarden in het water stapten, maakten zij eene forsche -achterwaartsche beweging, en de speurhonden stieten een klagend gehuil -uit, dat hun ras eigen, den dapperste ijzen doet. - -»Wat is dat!” mompelde Edelhart, terwijl hij zoo bleek werd als een -doode, en een angstigen blik om zich heen sloeg. - -»Zie!” antwoordde Goedsmoeds, en met den vinger wees hij zijn makker -verscheidene lijken die de rivier wegvoerde. - -»O,” riep Edelhart uit, »er is hier iets verschrikkelijks gebeurd. -Mijne moeder! O mijne moeder!” - -»Maak u niet zoo beangst,” zeide Goedsmoeds, »zij bevindt zich zonder -twijfel in veiligheid.” - -Onvatbaar voor de troostredenen, die zijn vriend hem voorhield, zonder -dat hij er zelf aan geloofde, gaf Edelhart zijn paard de sporen en -wierp zich in de golven. Weldra kwamen zij aan den anderen oever. Toen -werd hun alles helder. Zij hadden voor zich het tooneel der meest -volkomene verwoesting die men zich kan voorstellen. Het dorp en het -fort waren niets meer dan een puinhoop. Een zwarte rook steeg in lange -kronkelende wolken ten hemel. Midden in het dorp verhief zich een mast, -waaraan menschenhanden waren vastgenageld, die de raven krassend -elkander betwistten. Hier en daar lagen lijken, half verslonden door -wilde dieren en roofvogels. Er was geen levend wezen zichtbaar. Niets -was heel gebleven, alles was gebroken of verwoest. Men zag bij den -eersten oogopslag, dat de Indianen daar geweest waren, met hun dorst -naar bloed en hun ingekankerden haat tegen de blanken. Zij hadden een -spoor van vuur en bloed achtergelaten. - -»O,” riep de jager zuchtend uit, »mijn voorgevoel was een waarschuwing -des hemels. Mijne moeder! O mijne moeder!” - -Edelhart liet zich wanhopend op den grond vallen; hij bedekte zijn -hoofd met beide handen en weende. De smart van dezen zwaarbeproefden -man, wiens moed voor niets terugdeinsde en die nooit voor eenig gevaar -beefde, was gelijk aan die van den leeuw: zij had iets schrikwekkends. - -Goedsmoeds eerbiedigde de droefheid van zijn vriend; welken troost kon -hij hem aanbieden? Het was beter zijne tranen te laten stroomen, en aan -de eerste uitbarsting der wanhoop den tijd te laten om tot bedaren te -komen; hij was toch overtuigd dat deze man van ijzer zich niet lang zou -laten ter nederslaan, en dat er weldra eene terugwerking volgen zou, -die hem tot handelen zou aansporen. Doch met het talent, den jagers -ingeschapen, begon hij in alle richtingen rond te snuffelen, of hij ook -eenig teeken vinden mocht, dat hun later in hunne nasporingen van -dienst kon zijn. - -Na langen tijd om de puinhoopen rondgedwaald te hebben, werd zijne -aandacht eensklaps op eenig nabijzijnd kreupelhout gevestigd, door een -geblaf dat hij meende te herkennen. Hij naderde haastig; een speurhond, -aan de zijnen gelijk, sprong vroolijk tegen zijne beenen op en -overlaadde hem met liefkoozingen. - -»O, o!” zeide de jager, »wat beteekent dat, wie heeft den armen Frim -daar vastgemaakt?” Hij sneed den band die het dier vasthield door, en -bemerkte toen dat hij aan zijn hals een toegevouwen, en zorgvuldig -bedekt papiertje droeg. Hij maakte er zich meester van, en liep naar -Edelhart terug. - -»Broeder,” zeide hij, »heb goeden moed!” - -De jager wist, dat zijn vriend de man niet was die hem met alledaagsche -troostredenen zou lastig vallen; hij hief zijn in tranen badend gelaat -tot hem op. - -De hond, zich vrij voelende, had het op een loopen gezet, en -ontvluchtte met onbegrijpelijke snelheid en onder een luid geblaf. - -Goedsmoeds, die hierop bedacht geweest was; had zich gehaast, zijn das -om den nek van het dier te binden. - -»Men weet nooit wat er gebeuren kan!” mompelde de Canadees, toen hij -den hond verdwijnen zag. En na deze wijsgeerige overweging was hij zijn -vriend gaan opzoeken. - -»Wat is er?” vroeg Edelhart. - -»Lees!” antwoordde Goedsmoeds. - -De jager nam het papier en doorliep het met gretige blikken. - -Het bevatte slechts deze woorden: - -»Wij zijn door de Roodhuiden gevangen genomen. Heb goeden moed!.... Er -is niets kwaads bejegend aan uwe moeder.” - -»Geloofd zij God!!...” riep Edelhart, het papier dat hij in zijne hand -hield in vervoering kussende, »mijne moeder leeft!.... O, ik zal haar -wel vinden.” - -»Dat zult gij zeker!....” voegde Goedsmoeds er bij. - -Er had een volkomen omkeering in de ziel des jagers plaats gegrepen; -hij had zich in zijn volle lengte opgericht; op zijn voorhoofd blonk -een glans van vergenoegen. - -»Laten wij terstond een begin maken met onze nasporingen,” zeide hij: -»misschien is een der ongelukkige inwoners aan den dood ontsnapt; van -hem zullen wij vernemen, wat er is voorgevallen.” - -»Goed,” zeide Goedsmoeds met innige blijdschap, »ja, laat ons zoeken.” - -De honden krabden ijverig in de puinhoopen van het fort. - -»Laat ons daar beginnen,” zeide Edelhart. - -Beiden ruimden het puin weg. Zij werkten met een ijver waarvan zij -zelven geen begrip hadden. Na twintig minuten ongeveer vonden zij een -soort van beverval. Daaronder hoorden zij een zwak en onbestemd geluid. - -»Daar zijn zij!” zeide Goedsmoeds. - -»God geve, dat wij vroeg genoeg gekomen zijn om hen te redden!” - -Na lange en ongehoorde moeite gelukte het hun eindelijk om den val op -te lichten. Een vreeselijk schouwspel vertoonde zich aan hunne blikken. -In een kelder, waaruit een verpestende rotlucht omhoog steeg, waren -twintig personen letterlijk op elkander gestapeld. De jagers konden -eene beweging van afgrijzen niet weêrhouden, en traden onwillekeurig -achteruit. Maar oogenblikkelijk kwamen zij terug, om, zoo het niet -reeds te laat ware, nog eenigen dier ongelukkigen te redden. Van al -deze menschen gaf slechts een enkele nog eenig teeken van leven; de -anderen waren dood. Zij trokken hem uit het onderaardsche gewelf, -legden hem zachtkens op een hoop drooge bladeren, en gaven hem al de -hulp, die hij noodig had. De honden lekten de handen en het gelaat van -den gewonde. Na eenige minuten maakte deze man een lichte beweging, -opende de oogen herhaalde malen, en zuchtte diep. Goedsmoeds stopte -tusschen zijn op elkander gesloten tanden den hals van eene volle -rumflesch, en dwong hem eenige droppels te drinken. - -»Hij is er slecht aan toe,” zeide de jager. - -»Hij is verloren,” antwoordde Edelhart, het hoofd schuddende. - -De gewonde had echter zijne krachten weder eenigszins bijeen verzameld. - -»O God!” zeide hij met een zwakke en gebrokene stem, »ik ga sterven.” - -»Heb goeden moed,” zeide Goedsmoeds zachtjes tot hem. - -Een vluchtig rood kleurde de bleeke wangen van den gewonde, een -treurige glimlach plooide zijne lippen. - -»Waarom zou ik leven?” antwoordde hij: »de Indianen hebben al mijne -makkers vermoord, het leven zou een te zware last voor mij zijn.” - -»Zoo gij vóór uwen dood ons iets wenscht op te dragen, spreek, en op -ons jagerswoord, als het geschieden kan, zullen wij het volbrengen.” - -De oogen van den stervende werden door een doffen glans verlevendigd. - -»Uwe flesch?” zeide hij tot Goedsmoeds. - -Deze gaf ze hem. De stervende dronk gulzig. Op zijn voorhoofd parelde -het koude zweet, en een koortsachtige gloed verhoogde de kleur van zijn -gelaat, dat een ontzettende uitdrukking aannam. - -»Luistert,” zeide hij: »ik ben hier kommandant geweest; de Indianen, -bijgestaan door een ellendigen mesties, die ons aan hen verkocht heeft, -hebben het dorp overvallen.” - -»De naam van dien man?” zeide de jager levendig. - -»Hij is dood!... ik heb hem gedood!” antwoordde de kapitein op een -toon, die zoowel haat als vreugde te kennen gaf. »De Indianen hebben -zich meester willen maken van het fort; de strijd is vreeselijk -geweest; wij stonden met ons twaalven tegenover vierhonderd wilden; wat -konden wij doen? dan tot het laatste vechten. Hiertoe werd besloten. De -Indianen, de onmogelijkheid inziende om ons levend in handen te -krijgen, hebben de bewoners van het dorp, na hen gescalpeerd en de -handen afgehouwen te hebben, in het fort geworpen, en het vervolgens in -brand gestoken.” - -De gewonde, wiens stem hoe langer hoe zwakker en onverstaanbaarder -werd, dronk eenige droppels rum, en ging toen weder voort met zijn -verhaal, waarnaar de jagers gretig luisterden. - -»Onder de grachten van het fort strekte zich een gewelf uit, dat tot -kelder diende; toen ik bemerkte, dat elke kans op lijfsbehoud verloren -was, en dat wij met geen mogelijkheid konden ontvluchten, deed ik mijne -ongelukkige kameraden in dien kelder afdalen, hopende dat God ons -misschien de gelegenheid zou schenken, om op deze wijze te ontkomen. -Eenige oogenblikken later stortte het fort boven onze hoofden in. -Niemand kan zich de martelingen voorstellen, die wij in dien verpesten -kolk, zonder licht en lucht, hebben uitgestaan. De kreten der gewonden, -en dat waren wij allen meer of min, het geroep om water, het gerochel -der stervenden, dit alles vormde een concert, dat geen woorden in staat -zijn weêr te geven. Ons reeds ondragelijk lijden nam door het gebrek -aan lucht gedurig in hevigheid toe; een dolle waanzinnigheid -overmeesterde ons, wij raasden tegen elkander, en in de duisternis -onder de puinhoopen begon een afgrijselijk gevecht, dat slechts met den -dood van al de strijders eindigen kon. Hoe lang het duurde zou ik niet -kunnen zeggen. Reeds gevoelde ik dat de dood die al mijne kameraden had -aangegrepen, zich ook van mij meester ging maken, toen gij kwaamt om -hem nog eenige minuten tegen te houden. God zij geloofd! ik zal niet -ongewroken sterven.” - -Na deze woorden bijna onverstaanbaar te hebben uitgesproken, heerschte -er een sombere stilte onder de drie mannen, een stilte alleen -afgebroken door het gerochel van den stervende, wiens doodstrijd een -aanvang nam. - -Eensklaps richtte de kapitein zich met geweld op, en een wraakzuchtigen -blik op de jagers slaande, zeide hij: - -»De wilden, die mij hebben aangevallen, behooren tot den stam der -Comanchen; hun opperhoofd noemt zich de Arendskop; zweert mij dat gij -als dappere en edele jagers mijn dood zult wreken.” - -»Wij zweren het!” riepen de beide mannen tegelijkertijd uit. - -»Ik dank u!” prevelde de kapitein, en achterover vallende, bleef hij -onbewegelijk liggen.—Hij was dood. - -Zijn verwrongen trekken en geopende oogen behielden nog de uitdrukking -van haat en wanhoop, die hem in zijn laatste oogenblik hadden bezield. -De jagers staarden hem een poos aan; daarna dien akeligen indruk van -zich willende onttrekken, maakten zij zich gereed om aan de ongelukkige -slachtoffers van de woede der Indianen de laatste eer te bewijzen. Bij -de laatste stralen der ondergaande zon staakten zij den ruwen arbeid, -dien zij zichzelven hadden opgelegd. - -Na eenige oogenblikken van rust, stond Edelhart op en zadelde zijn -paard. - -»Kom, broeder,” zeide hij tot Goedsmoeds, »laat ons nu het spoor van -den Arendskop volgen.” - -»Laat ons gaan,” antwoordde de jager. - -De twee mannen wierpen een langen en treurigen blik tot afscheid om -zich heen, en hunne honden fluitende, drongen zij onverschrokken door -in het bosch, waarin de Comanchen verdwenen waren. - -Juist op dit zelfde oogenblik kwam de maan, in een oceaan van dampen -gehuld, op, en verspreidde hare droefgeestige stralen over het -Amerikaansche dorp, waarin voortaan de eenzaamheid en de dood -heerschten. - - - - - - - -X. - -DE VERSCHANSING. - - -Wij zullen de jagers het spoor der roodhuiden laten vervolgen, en tot -den generaal terugkeeren. - -Eenige oogenblikken nadat de twee mannen het kamp der Mexicanen -verlaten hadden, verliet de generaal de tent, en een onderzoekenden -blik om zich heen slaande, begon hij met een bedrukt gelaat heen en -weêr te loopen. De gebeurtenissen van dien nacht hadden een diepen -indruk gemaakt op den ouden soldaat. Voor de eerste maal misschien -sedert hij dezen tocht ondernomen had, zag hij hem in het ware -daglicht; hij vroeg zich af of hij inderdaad wel het recht had, om aan -dat leven vol gevaren en gedurige hinderlagen een meisje bloot te -stellen, van den leeftijd zijner nicht, die tot nu toe kalm en rustig -had voortgeleefd, en waarschijnlijk zich niet zou kunnen gewennen aan -de onophoudelijke gevaren en inspanningen van het leven in de prairiën, -die in korten tijd zelfs de meest geharde gestellen ondermijnen. Zijn -verlegenheid was groot. Hij aanbad zijne nicht; zij was zijn eenige -liefde, zijn eenige troost; voor haar zou hij duizendmaal, al wat hij -bezat, zonder spijt en wroeging hebben opgeofferd; maar van den anderen -kant, de redenen die hem hadden aangespoord dezen hachelijken tocht te -wagen, waren zóó belangrijk, dat hij rilde en ijsde op de gedachte van -hem op te geven. - -»Wat moet ik doen?...” zeide hij; »wat moet ik doen?” Doña Luz, die op -hare beurt de tent verliet, bemerkte dat haar oom nog altijd op en neêr -wandelde; zij liep naar hem toe, en de armen om zijn hals slaande, -zeide zij: - -»Goeden morgen, lieve oom.” - -»Goeden morgen, mijn kind,” antwoordde de generaal.—»Wel, wel, wat zijt -gij vroolijk van morgen.” En hij gaf de liefkoozingen waarmede zij hem -overlaadde, met woeker terug. - -»Waarom zou ik niet vroolijk zijn, oom? wij zijn, God dank! aan een -groot gevaar ontsnapt, de natuur schijnt ons toe te lachen, de vogels -zingen in de takken, de zon koestert ons met haar stralen; wij zouden -ondankbaar zijn jegens onzen Schepper, zoo wij ongevoelig bleven voor -deze openbaring zijner macht.” - -»Dus hebben de gevaren van dezen nacht geen treurigen indruk op uw -gemoed achtergelaten, lief kind.” - -»Volstrekt niet, oom, maar veeleer innige dankbaarheid voor de -weldaden, waarmede God ons overlaadt.” - -»Goed, mijn kind,” antwoordde de generaal verheugd, »ik ben blijde u -zoo te hooren spreken.” - -»Des te beter, zoo het u genoegen doet, oomlief.” - -»Zoodat,” hernam de generaal, zijn gedachtenloop volgende, »zoodat het -leven dat wij leiden u niet vermoeit.” - -»Geenszins, ik vind het heel prettig, en vooral heel avontuurlijk.” - -»Ja, dat is het zeker; maar, mij dunkt dat wij met dat al onze redders -vergeten.” - -»Zij zijn al weg,” antwoordde doña Luz. - -»Zijn zij al weg?” zeide de generaal sidderend. - -»Reeds voor een uur zijn zij vertrokken.” - -»Hoe weet gij dat, lieve nicht?” - -»Dat heeft een heel eenvoudige reden, oom; zij hebben mij vaarwel -gezegd, alvorens ons te verlaten.” - -»Dat is alles behalve braaf gehandeld,” prevelde de generaal ter -nedergeslagen, »eene dienstbetooning verplicht zoowel hen, die haar -bewijzen, als hen, aan wie zij bewezen wordt; zij hadden ons niet -moeten verlaten, zonder ons te zeggen, of wij hen ooit zouden mogen -wederzien, en zelfs zonder ons hunne namen achter te laten.” - -»Die weet ik.” - -»Gij weet die, mijn kind?” vroeg de generaal verbaasd. - -»Ja, oom; eer zij weggingen hebben zij mij die medegedeeld.” - -»En... hoe heeten zij?” vroeg de generaal angstig. - -»De jongste, Goedsmoeds.” - -»En de oudste?” - -»Edelhart.” - -»O, ik moet die mannen wedervinden,” zeide de generaal met eene -ontroering, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven. - -»Wie weet?” antwoordde het meisje peinzend, »bij het eerste gevaar -misschien, dat ons bedreigen zal, zien wij hen als twee reddende -engelen weder verschijnen.” - -»God geve, dat wij niet aan een dergelijke oorzaak hun terugkeer tot -ons zullen te danken hebben.” - -De kapitein kwam hun goeden morgen wenschen. - -»Nu, kapitein,” zeide de generaal lachend, »zijn uwe manschappen van -hunne vermoeienissen uitgerust?” - -»Geheel en al, generaal,” antwoordde de jonge man; »zij zijn gereed, om -op het eerste kommando op te breken.” - -»Na het ontbijt zullen wij gaan; wees daarom zoo goed de noodige -bevelen aan de lanceros te geven en den Babbelaar bij mij te zenden.” - -De kapitein ging weg. - -»Wat u betreft, nicht,” ging de generaal voort, zich tot doña Luz -wendende, »ga gij voor het ontbijt zorgen, terwijl ik mij met den gids -onderhoud.” - -Het meisje ijlde heen. - -Weldra verscheen de Babbelaar. Zijn blik was donkerder, zijn gelaat -ontevredener dan anders. - -De generaal scheen het echter niet op te merken. - -»Gij weet,” zeide hij tot hem, »dat ik u gisteren mijn plan heb -medegedeeld, om eene plek te vinden waar mijn troep gedurende eenige -dagen in veiligheid kampeeren kan.” - -»Ja, generaal.” - -»Gij hebt mij verzekerd eene plaats te kennen, die daartoe uitnemend -geschikt was?” - -»Ja, generaal.” - -»Zijt gij bereid om er mij naar toe te brengen?” - -»Zooals gij verkiest.” - -»Hoeveel tijd hebben wij noodig, om er te komen?” - -»Twee dagen.” - -»Zeer goed. Wij zullen dadelijk na het ontbijt vertrekken.” - -De Babbelaar boog zonder antwoord te geven. - -»A propos!” zeide de generaal met geveinsde onverschilligheid, »is er -niet één van uwe manschappen verdwenen?” - -»Ja.” - -»Wat is er van hem geworden?” - -»Ik weet het niet.” - -»Hoe, gij weet het niet?” riep de generaal met een uitvorschenden blik. - -»Neen. Toen hij den brand zag, is hij bang geworden, en heeft zich uit -de voeten gemaakt.” - -»En?” - -»Hij is waarschijnlijk het slachtoffer zijner lafhartigheid geworden.” - -»Wat meent gij?” - -»Hij zal verbrand zijn.” - -»Arme kerel!” - -Een duivelsche lach speelde om de lippen van den gids. - -»Hebt gij mij niets meer te zeggen, generaal?” - -»Neen... o ja, wacht eens.” - -»Ik wacht.” - -»Kent gij die twee jagers niet, die ons dezen nacht een zoo groote -dienst bewezen hebben?” - -»Iedereen kent ze in de prairie.” - -»Wat zijn het voor menschen?” - -»Pelsjagers.” - -»Dat vraag ik u niet.” - -»Wat vraagt gij dan?” - -»Ik bedoel hun gedrag.” - -»Dat weet ik niet.” - -»Hoe heeten zij?” - -»Goedsmoeds en Edelhart.” - -»En weet gij niets van hun leven?” - -»Niets....” - -»Het is goed; gij kunt weg gaan.” - -De gids maakte eene buiging, en keerde langzaam tot zijne kameraden -terug, die zich tot het vertrek gereed maakten. - -»Hm!” prevelde de generaal, »ik zal op dien schurk het oog houden; er -is veel geheimzinnigs in zijne wijze van handelen.” - -Na dit onderhoud trad de generaal de tent binnen, waar de kapitein, de -doctor en doña Luz hem aan het ontbijt zaten te wachten. - -Het maal was spoedig afgeloopen. Een half uur later was de tent -opgevouwen, waren de koffers op de muilezels geladen, en hervatte de -karavaan haar tocht onder geleide van den Babbelaar, die als wegwijzer -een twintigtal passen vooruit ging. - -De prairie had sedert den vorigen dag een geheel ander aanzien bekomen. -De zwarte en verbrande aarde was bedekt met hoopen smeulende asch; -verkoolde, maar nog overeind staande boomen vertoonden hier en daar hun -treurig geraamte; van verre loeiden de vlammen nog altijd voort, en -dikke rookwolken maakten den horizon onzichtbaar. - -De paarden liepen voorzichtig voort over dezen noodlottigen bodem, waar -zij vaak struikelden over de beenderen der door den brand overvallen -wilde dieren. - -Een sombere droefheid, nog verhoogd door den aanblik van het landschap, -dat zich voor hen ontrolde, had zich van de reizigers meester gemaakt; -zij liepen sprakeloos in gepeinzen verdiept, achter elkander voort. - -De weg, dien zij volgden, liep kronkelend in een nauwe diepte tusschen -twee heuvels door, in de oude bedding van een uitgedroogde rivier. De -grond, dien de hoeven der paarden omwoelden, bestond uit ronde -keisteenen, die onder hunne pooten weggleden en de moeielijkheden van -den marsch vermeerderden; de brandende zonnestralen vielen loodrecht op -de reizigers neder, zonder dat zij er zich tegen konden beschutten; -want het land dat zij doorkruisten had volkomen het aanzien gekregen -van die uitgestrekte woestijnen die men in het binnenland van Afrika -aantreft. - -Zoo verliep de dag, zonder dat, behalve de vermoeienis, die hen -afmatte, eenig voorval de eentonigheid der reis verbrak. - -Des avonds kampeerden zij in een geheel opene vlakte; doch aan den -horizon ontdekten zij eenig groen, waarover zij zich zeer verheugden, -omdat zij eindelijk weder eene streek zouden betreden, die door den -brand was gespaard. - -Den volgenden dag, twee uren voor zonsopgang, gaf de Babbelaar het -teeken tot vertrek. - -Deze dag was nog vermoeiender dan de vorige; de reizigers waren -letterlijk uitgeput toen men het kamp opsloeg. - -De Babbelaar had den generaal niet misleid; de ligging was uitnemend -gekozen, om een aanval af te slaan; wij zullen haar niet beschrijven, -daar de lezer haar reeds kent; het was op dezelfde plaats, waar de -jagers zich bevonden, toen wij hen voor de eerste maal ten tooneele -voerden. - -De generaal, na een blik om zich heen geworpen te hebben, kon zich niet -weerhouden zijne tevredenheid te betuigen. - -»Bravo!” zeide hij tot den gids, »wij hadden bijna onoverkomelijke -hinderpalen te overwinnen om hier te komen; maar nu wij er eenmaal -zijn, kunnen wij er des noods een beleg uithouden.” - -De gids antwoordde niet; hij boog zich met een dubbelzinnigen glimlach, -en ging heen. - -»Het is vreemd,” mompelde de generaal; »het gedrag van dien man is -schijnbaar onberispelijk, en ik heb hem niet het minste verwijt te -doen; maar toch, waarom weet ik niet, heb ik een voorgevoel, dat hij -ons misleidt, en dat hij eenig duivelsch opzet tegen ons in den zin -heeft.” - -De generaal was een oud soldaat van veel ondervinding, die niets wilde -overlaten aan het toeval, dien deus ex machina, die in één sekonde de -best ontworpene plannen verijdelt. Ondanks de vermoeidheid zijner -manschappen, wilde hij geen minuut verliezen; door den kapitein -bijgestaan, liet hij een groote menigte boomen vellen, ten einde een -stevige verschansing te vormen. Achter die verschansing groeven de -lanceros een breede gracht, waarvan zij de aarde aan de zijde van het -kamp wierpen; achter die tweede omheining eindelijk werden de pakken op -elkander gestapeld, ten einde een derden en laatsten wal te vormen. - -Men richtte de tent in het midden van het kamp op; de schildwachten -werden uitgezet, en ieder gaf zich aan een welverdiende rust over. - -De generaal, die van plan was eenigen tijd hier te vertoeven, wilde -zooveel mogelijk voor de veiligheid zijner kameraden zorgen, en meende -daarin volkomen geslaagd te zijn. - -Sedert twee dagen hadden de reizigers over slechte wegen geloopen, -zonder te slapen, en bijna nergens zich langer ophoudende dan hoog -noodig was om iets te gebruiken; zij waren, gelijk wij reeds zeiden, -uitgeput door vermoeienis, en ondanks al hun verlangen om wakker te -blijven, hadden de schildwachten geen weêrstand kunnen bieden aan den -slaap die hen overmeesterde, en weldra waren zij in diepe sluimering -verzonken. Tegen middernacht terwijl iedereen in het kamp nog rustig -sliep, stond een der mannen heel zachtjes op, en in het donker vlug als -een slang wegsluipende, gleed hij over de barricaden en wallen heen. -Toen legde hij zich op den grond neder, en richtte zich bijna -onmerkbaar op handen en voeten voortkruipende, door het hooge gras naar -een woud, dat de helling van den heuvel bedekte en zich ver in de -prairie uitstrekte. Op eenigen afstand gekomen, en zeker van niet meer -ontdekt te zullen worden, richtte hij zich op. De maan van tusschen de -wolken te voorschijn komende verlichtte de gestalte.... van den -Babbelaar. - -Hij zag zorgvuldig om zich heen, spitste de ooren, en bootste, met -ongelooflijke volkomenheid, het gehuil van den hond der prairiën na. -Bijna op hetzelfde oogenblik werd dezelfde kreet herhaald, en kwam er -niet ver van den Babbelaar een man te voorschijn. Die man was de gids, -die voor drie dagen bij het opkomen van den brand, uit het kamp -ontsnapt was. - - - - - - - -XI. - -DE KOOP. - - -De Indianen en de woudloopers hebben twee talen, waarvan zij zich -beurtelings, naar gelang der omstandigheden bedienen, de spreektaal -namelijk en de gebarentaal. Evenals de spreektaal heeft ook de -gebarentaal in Amerika tallooze verscheidenheden; ieder heeft om zoo te -zeggen, een eigen dialect. Het is een samenstel van zonderlinge en -geheimzinnige gebaren, een soort van vrijmetselaars-telegraphie, -waarvan de teekenen, die gedurig en willekeurig afwisselen, alleen -kunnen begrepen worden door een klein aantal ingewijden. - -De Babbelaar en zijn medgezel onderhielden zich op die wijze. Dit -zonderlinge gesprek duurde bijna een uur; het scheen hun veel belang in -te boezemen, zooveel zelfs, dat zij ondanks de uiterste voorzorgen, die -zij genomen hadden om niet overvallen te worden, niet bemerkten hoe -twee schitterende oogen, uit het midden van eenig struikgewas, -onafgewend op hen gericht bleven. - -»Nu,” zeide de Babbelaar, eindelijk eenige woorden uitsprekende, »ik -laat den tijd aan u over.” - -»En gij zult niet lang behoeven te wachten,” antwoordde de ander. - -»Ik reken op u, Kennedy; wat mij betreft, ik zal mijn woord houden.” - -»’t Is goed, ’t is goed; men heeft zooveel woorden niet noodig, om -elkander te verstaan,” zeide Kennedy de schouders ophalend; »alleen -hadt gij hen op een minder sterke plaats kunnen brengen, het zal niet -gemakkelijk zijn, om hen hier te overvallen.” - -»Dat is uwe zaak,” zeide de Babbelaar met een kwaadaardigen lach. - -Zijn makker zag hem een oogenblik aandachtig aan. - -»Hm!” zeide hij, »pas op, Compadre, het is nooit goed, om met menschen -als wij, een dubbelzinnige rol te spelen.” - -»Ik speel geen dubbelzinnige rol, maar wij kennen elkander sinds lang, -niet waar, Kennedy?” - -»Wat zou dat?” - -»Wel, ik wil niet dat mij nu wederom gebeure, wat mij reeds eenmaal -gebeurd is; ziedaar alles.” - -»Zoudt gij terugtreden, of wel, zoudt ge er aan denken om ons te -verraden?” - -»Ik treed niet terug, en ik heb volstrekt geen plan om u te verraden, -maar...” - -»Nu, maar?” - -»Ditmaal wil ik u het beloofde niet geven, dan alvorens mijne -voorwaarden geheel zullen zijn aangenomen.” - -»Dat is ten minste oprecht gesproken.” - -»In zaken moet men openhartig te werk gaan,” merkte de Babbelaar op. - -»Dat is zoo; welnu, herhaal mij uwe voorwaarden, ik zal zien, of wij ze -kunnen aannemen.” - -»Waartoe zou dat dienen? gij zijt toch het opperhoofd niet, is het -wel?” - -»Neen, maar toch...” - -»Gij zoudt er dus niets aan kunnen doen, en derhalve zou het tot niets -leiden. O, als Ouaktehno (hij die doodt) maar hier ware, dan zou het -een andere zaak zijn; ik weet zeker dat wij elkander spoedig zouden -verstaan.” - -»Spreek dan, want hij hoort u,” riep op eens een zware en heldere stem. - -Er volgde eenig gedruisch in de struiken, en de persoon, die tot nu toe -onzichtbaar getuige was geweest van het gesprek der twee mannen, -begreep zonder twijfel, dat thans het geschikte oogenblik gekomen was -om er deel aan te nemen, want met één sprong kwam hij uit de takken, -die hem verborgen hadden, te voorschijn, en plaatste hij zich tusschen -de sprekers in. - -»O, o! gij hebt ons afgeluisterd, kapitein Ouaktehno,” zeide de -Babbelaar, in het minst niet van zijn stuk gebracht. - -»Hindert u dat?” vroeg de nieuw aangekomene met een spottenden -glimlach. - -»Volstrekt niet.” - -»Ga dan voort, mijn dappere vriend, ik ben geheel oor.” - -»Goed,” zeide de gids; »het is misschien ook beter zoo.” - -»Nu, spreek dan maar; ik luister.” - -Hij, aan wien de Babbelaar den vreeselijken indiaanschen naam van -Ouaktehno gaf, was een man van zuiver blank ras, hoogstens dertig jaren -oud, lang en welgevormd, en met zekere achteloosheid in het -schilderachtig gewaad der woudloopers gedost. Zijne gelaatstrekken -waren edel en mannelijk, en hadden die hooghartige en open uitdrukking, -die men zoo dikwijls bij mannen, aan het woeste en vrije leven der -prairiën gewoon, aantreft. - -Hij vestigde zijne groote, zwarte, bliksemende oogen op den Babbelaar, -een geheimzinnige glimlach plooide zijne lippen, en hij leunde -achteloos op zijn karabijn, terwijl hij den gids aanhoorde. - -»Zoo ik de lieden, die mij betaald hebben om hun den weg te wijzen en -te geleiden, in uwe handen lever, dan wil ik daarvoor eene goede -belooning genieten,” zeide de bandiet. - -»Dat is billijk!” merkte Kennedy aan, »en de kapitein is bereid die -belooning te geven.” - -»Ja,” zeide de ander, ten teeken van goedkeuring het hoofd voorover -buigende. - -»Zeer wel,” hernam de gids, »maar waarin zal die belooning bestaan?” - -»Waarin verlangt gij, dat ze bestaan zal?” zeide de kapitein; »ik moet -eerst uwe voorwaarden hooren, om te weten of ik er aan voldoen kan.” - -»O, mijne voorwaarden zijn zeer eenvoudig.” - -»Hoe dan?” - -De gids aarzelde, of liever berekende angstvallig de kansen van winst -en verlies die deze zaak hem aanbood, na eenige oogenblikken hernam -hij: - -»Die Mexicanen zijn zeer rijk.” - -»Dat zal wel zoo zijn,” zeide de kapitein. - -»Vervolgens schijnt het mij toe, dat....” - -»Spreek zonder omwegen, Babbelaar, wij hebben geen tijd om uwe praatjes -aan te hooren; evenals bij iederen halfbloed, heeft ook bij u de -indiaansche natuur de overhand, nooit gaat gij regelrecht op eenig doel -af.” - -»Nu dan,” vervolgde de gids brutaal, »ik verlang vijf duizend goede -piasters, of er komt niets van de geheele zaak.” - -»Nu weten wij ten minste waaraan wij ons te houden hebben. Gij vraagt -dus vijf duizend piasters?” - -»Ja.” - -»En voor die som neemt gij op u, om den generaal, zijne nicht, en allen -die met hem zijn, in onze handen te leveren?” - -»Op den eersten wenk, dien gij mij geven zult.” - -»Zeer goed; luister nu naar hetgeen ik u zeggen zal.” - -»Ik luister.” - -»Gij kent mij, niet waar?” - -»Door en door.” - -»Gij weet, dat men op mijn woord staat kan maken?” - -»Het is zoo goed als goud.” - -»Goed; zoo gij getrouw de verbintenis nakomt, tot welker vervulling gij -u vrijwillig aanbiedt, dat is te zeggen, zoo gij, ik zeg niet al de -Mexicanen waaruit uwe karavaan bestaat, maar alleen het meisje, dat men -geloof ik doña Luz noemt, in mijne handen levert, zal ik u niet vijf -duizend piasters geven, zooals gij verlangt, maar acht duizend. Gij -hebt mij begrepen, niet waar?” - -De oogen van den gids schitterden van hebzucht. - -»Ja,” zeide hij. - -»Goed.” - -»Maar het zal moeielijk zijn om haar alléén buiten het kamp te lokken.” - -»Dat is uwe zaak.” - -»Ik wilde ze liever allen te zamen overleveren.” - -»Voor den duivel! wat wilt gij, dat ik er mede doen zal?” - -»Hm! wat zal de generaal zeggen?” - -»Die mag zeggen wat hij wil, dat raakt mij niet; ja of neen, neemt gij -den koop aan, dien ik u voorstel?” - -»Ja.” - -»Zweert gij onze voorwaarden getrouw te zullen nakomen?” - -»Ik zweer het.” - -»Nu dan, hoe lang denkt de generaal in zijn nieuw kamp te blijven?” - -»Tien dagen.” - -»Wat zeidet gij mij dan, dat gij niet wist hoe gij het meisje naar -buiten zoudt lokken, daar gij zooveel tijd voor u hebt.” - -»Alle duivels! ik wist niet wanneer gij verlangdet, dat ik haar u in -handen geven zou.” - -»Dat is waar. Nu ik geef u negen dagen den tijd, dat is tot den dag die -hun vertrek voorafgaat.” - -»Op die wijze....” - -»Alzoo draagt die schikking uwe goedkeuring weg?” - -»Zij kan niet beter zijn.” - -»’t Is dan zoo besloten?” - -»Onherroepelijk.” - -»Hier, Babbelaar,” zeide de kapitein, den gids een prachtige diamanten -speld, die hij in zijn jachtkiel droeg, overreikende, »zie hier mijn -godspenning.” - -»O!” riep de bandiet verrukt uit, het kleinood met beide handen te -gelijk aangrijpende. - -»Deze speld,” hernam de kapitein, »is een geschenk, dat ik u maak boven -de acht duizend piasters, die ik u zal voortellen bij het in ontvang -nemen van doña Luz.” - -»Gij zijt edelmoedig, kapitein,” zeide de gids; »het is een voorrecht u -te mogen dienen.” - -»Maar,” hernam de kapitein op een ruwen toon, en met een blik zoo koud -als staal op den bandiet, »herinner u, dat men mij noemt: Hij die -doodt, en dat, zoo gij mij misleidt, er in de prairie geen plek -gevonden wordt, sterk of verborgen genoeg om u in veiligheid te stellen -voor de gevolgen mijner wraak.” - -»Ik weet het, kapitein,” antwoordde de mesties, zijns ondanks rillend; -»maar gij kunt gerust zijn, ik zal u niet misleiden.” - -»Ik hoop het! maar laat ons nu van elkander gaan, men zou anders uwe -afwezigheid gewaar worden. Binnen negen dagen zal ik hier zijn.” - -»Binnen negen dagen zal ik het meisje in uwe handen leveren.” - -Na deze woorden keerde de gids naar het kamp terug, waar hij ongezien -binnentrad. - -Zoodra zij alleen waren, baanden de beide mannen, met wie de Babbelaar -een zoo zonderlingen en tevens afgrijselijken koop gesloten had, zich -een weg door het struikgewas, onder hetwelk zij als slangen -voortkropen. Zij bereikten weldra de oevers van een beekje, dat -onopgemerkt het woud besproeide. Kennedy floot eenige malen. - -Een licht gedruisch liet zich hooren, en niet ver van de plaats waar -zij stonden, kwam een ruiter te voorschijn, die twee paarden aan de -hand hield. - -»Kom, Franck,” zeide Kennedy, »gij kunt zonder schroom naderen.” - -De ruiter naderde terstond. - -»Is er nieuws?” vroeg Kennedy. - -»Niets bijzonders,” antwoordde de ruiter; »ik heb een indiaansch spoor -ontdekt.” - -»Ha, ha!” zeide de kapitein. »Talrijk?” - -»Tamelijk.” - -»In welke richting?” - -»Het doorsnijdt de prairie van het oosten naar het westen.” - -»Goed, Franck, en wat voor Indianen zijn het?” - -»Ik vermoed Comanchen.” - -De kapitein dacht een oogenblik na. - -»O, het is zeker een detachement jagers,” zeide hij. - -»Wel waarschijnlijk,” antwoordde Franck. - -De twee mannen zetten zich te paard. - -»Franck, en gij, Kennedy,” zeide de kapitein na eenige oogenblikken, -»begeeft u naar het pad van den Buffalo; gij legert u in de grot, die -zich daar bevindt, en let goed op de bewegingen der Mexicanen, maar -draagt zorg, dat men u niet ontdekke.” - -»Wees gerust, kapitein.” - -»O! ik weet dat gij behendig en trouw zijt, ik verlaat mij dus geheel -op u, kameraden; bewaakt ook den Babbelaar, ik vertrouw dien mesties -maar half.” - -»Het zal geschieden.” - -»Nu, tot weêrziens; weldra zult gij weder iets van mij hooren.” - -Ondanks de duisternis vertrokken de drie mannen in galop, en verdwenen -zij in verschillende richtingen in de woestijn. - - - - - - - -XII. - -PSYCHOLOGIE. - - -De generaal had een zoo diep stilzwijgen bewaard over de oorzaken die -hem eene reis in de prairiën, ten westen der Vereenigde Staten, hadden -doen ondernemen, dat zij die hem vergezelden, er slechts naar hadden -kunnen raden. Verscheidene malen reeds had op zijn bevel en zonder -eenige blijkbare oorzaak, de karavaan in volslagen woeste streken -gekampeerd, om aldaar acht, ja zelfs veertien dagen te blijven, zonder -dat er eenige beweegreden voor dit oponthoud scheen te bestaan. -Gedurende zulk een rusttijd ging de generaal iederen morgen met een der -gidsen uit, om niet voor den avond terug te komen. Wat deed hij -gedurende die lange uren zijner afwezigheid? Waartoe die nasporingen, -van welke hij nooit terugkeerde, zonder dat een zwaardere wolk van -droefgeestigheid zijn voorhoofd overdekte? Niemand wist het. - -Gedurende die uitstapjes leidde doña Luz, alleen te midden van de ruwe -personen die haar omringden, een vrij eentonig leven. Zij bracht hare -dagen droevig door, gezeten voor hare tent, of in gezelschap van -kapitein Aguilar of den dikken doctor, kleine rijtoertjes makende in -den omtrek van het kamp. - -Ook ditmaal gebeurde hetzelfde, wat bij ieder halt plaats had. Het -meisje door haar oom verlaten, en ook door den doctor, die met altijd -klimmenden ijver bezig was zijne zonderlinge plant te zoeken, en met -dat doel elken morgen het kamp verliet, had geen ander gezelschap dan -dat van Aguilar. Maar kapitein Aguilar, wij moeten het bekennen, was, -ofschoon jong, beleefd, en vrij verstandig, een niet zeer onderhoudend -gezelschap voor doña Luz. Als gehard soldaat, met leeuwenmoed begaafd, -vol van liefde voor den generaal, aan wien hij alles te danken had, was -de kapitein buitengewoon gehecht aan de nicht van zijn overste; hij was -uiterst bezorgd voor hare veiligheid, maar ten eenenmale onbekend met -de middelen om haar den tijd te korten, met die kleine beleefdheden en -aangename gesprekken, waarin de jonge dames zooveel behagen scheppen. - -Ditmaal echter verveelde doña Luz zich niet. Sedert dien vreeselijken -nacht van den brand, toen Edelhart, evenals een dier fabelachtige -helden, wier geschiedenis en ongeloofelijke daden zij zoo vaak gelezen -had, plotseling verscheen, om haar en allen die met haar waren te -redden, was er in het hart van het meisje een nieuw gevoel ontstaan, -waarvan zij zich nog geen rekenschap wist te geven, en dat van dag tot -dag sterker werd, om zich eindelijk geheel van haar meester te maken. -Het beeld van den jager kwam haar gedurig voor den geest, met dien -schitterenden gloriekrans om het hoofd, dien onverzettelijke wilskracht -schenkt aan den man, die geen gevaren ontziet, en de natuur dwingt -zijne meerderheid te erkennen. Haar geheugen, even onbewimpeld als dat -van alle meisjes, die zich nog in het ongestoord bezit van onschuld en -reinheid verheugen, schilderde haar met nauwkeurige getrouwheid tot -zelfs de minste bijzonderheden dier grootsche heldendaden voor. In één -woord, zij verlevendigde in haren geest het aandenken van die rij van -gebeurtenissen, waaraan de jager zoo onverwacht deelgenomen had; en -waaraan hij, door zijn onbedwingbaren moed en tegenwoordigheid van -geest, eene zoo gelukkige wending had gegeven. Het onverhoedsch vertrek -van den jager, zijne minachting voor de eenvoudigste dankbetuigingen en -zijne schijnbare onverschilligheid voor hen, wie hij het leven had -gered, dit alles had het meisje gehinderd; zij was zeer geërgerd over -deze, hetzij wezenlijke, hetzij gemaakte koelheid. Ook zag zij -voortdurend naar middelen uit, om hem over zijne onverschilligheid -berouw te doen gevoelen, zoo het toeval hem ten tweeden male in hare -nabijheid mocht brengen. - -Ieder weet, dat er, al schijnt het bij den eersten oogopslag ongerijmd, -van haat, of ook maar van nieuwsgierigheid, tot liefde slechts eene -schrede ligt. Doña Luz deed die schrede, zonder dat zij het wist. - -Doña Luz was, zooals wij gezegd hebben, in een klooster opgevoed, over -welks drempel de verleiding der wereld het niet waagde den voet te -zetten. Hare jeugd was kalm en ongestoord voorbijgegaan onder die vrome -of liever bijgeloovige praktijken, die in Mexico den grondslag der -godsdienst uitmaken. Toen haar oom haar uit het klooster haalde, om -haar mede te nemen op zijne voorgenomen reis door de prairiën, kende -het meisje de meest eenvoudige behoeften des levens niet, en wist zij -evenveel van het bestaan der wereld, waarin zij zich plotseling bewegen -zou, als een blindgeborene van den schitterenden glans der -zonnestralen. Deze onwetendheid, die zeer dienstig was voor de plannen -van haar oom, was voor het meisje een steen des aanstoots, over welken -zij ieder oogenblik struikelen zou. - -Maar door de zorgen, waarmede de generaal haar omringde, waren de -weinige weken, die aan hun vertrek van Mexico voorafgingen, -voorbijgegaan, zonder aan het meisje al te veel verdriet te -veroorzaken. Wij moeten hier echter eene wel schijnbaar nietige -omstandigheid vermelden, maar die toch in den geest van doña Luz al te -diepe sporen naliet, dan dat wij haar zouden mogen vergeten. - -De generaal was ijverig bezig met de lieden bijeen te verzamelen, die -hij voor zijne onderneming noodig had; hij was dus verplicht om zijne -nicht meer aan haar lot over te laten, dan hij wel zou gewild hebben. -Daar hij echter vreesde, dat het meisje, als zij alléén met eene oude -vrouw in het paleis, dat hij in de calle de los Plateros bewoonde, -achterbleef, zich zou vervelen, zond hij haar des avonds dikwijls naar -een zijner bloedverwanten, waar zij meestal een uitgelezen gezelschap -vond, en bij wie zij haar tijd veel aangenamer kon doorbrengen. - -Doch, eens, toen het gezelschap grooter geweest was dan gewoonlijk, was -men ook veel later dan gewoonlijk uit elkander gegaan. - -Toen de oude klok van het klooster de la Merced elf ure sloeg, keerden -doña Luz en de oude vrouw, die haar steeds ten dienste stond, onder -geleide van een fakkeldrager, naar huis. Zij hadden nog maar weinige -schreden af te leggen, toen er eensklaps terwijl zij den hoek der calle -San-Augustin omsloegen, waardoor zij in de calle de los Plateros zouden -komen, vier of vijf gemeene kerels als uit den grond schenen op te -rijzen, en de beide vrouwen omsingelden, na met een vuistslag de -fakkel, die haar den weg wees, te hebben uitgebluscht. Den schrik te -beschrijven, die het meisje bij deze onverwachte verschijning overviel, -zou onmogelijk zijn; zonder zelfs de kracht te hebben om te schreeuwen, -viel zij voor de bandieten op de knieën. De oude vrouw daarentegen -maakte met haar geschreeuw een vervaarlijk leven. - -De mexicaansche bandieten, allen geslepen kerels, hadden de oude vrouw -spoedig tot zwijgen gebracht, door haar met haar rebozo (sluier) den -mond te stoppen; vervolgens gingen zij, met al de kalmte die zulke -waardige lieden in de uitoefening van hun ambt weten te bewaren, -verzekerd als zij zijn van de toegevendheid der justitie, waaraan zij -van hun kant meestal een deel van den buit afstaan, tot het plunderen -van hunne slachtoffers over. Dit werk duurde niet lang, want niet -alleen dachten de vrouwen er niet aan om tegenstand te bieden, maar -ontdeden zij zich zelfs eigenhandig van hare sieraden, die de -bandieten, grijnzend van genoegen, in den zak staken. Doch toen zij -hiermede goed aan den gang waren, schitterde er plotseling een flambouw -boven hunne hoofden, en rolden twee der bandieten vloekend en razend op -den grond. Zij, die overeind bleven staan, woedend over dezen -onverwachten aanval, wilden hunne kameraden wreken, en wierpen zich met -geweld op den onwelkomen gast. Deze, zonder zich door hun aantal te -laten vervaren, deed een stap achteruit, zette zich schrap, en maakte -zich gereed hen naar behooren te ontvangen. Bij toeval viel het licht -der maan even op zijn gelaat. De bandieten traden verschrikt terug en -borgen hunne macheten. - -»Ha ha!” zeide de onbekende met een verachtelijken glimlach, terwijl -hij hen naderde; »gij herkent mij, niet waar? Bij God, ik ben boos, ik -heb u juist een les willen geven. Brengt men zoo mijne bevelen ten -uitvoer?” - -De bandieten bleven sprakeloos staan. - -»Komt,” ging de onbekende voort, »maakt uw zakken leêg, rekels, en -geeft aan deze dames alles terug, wat gij haar ontnomen hebt.” - -Zonder aarzelen haalden de roovers de rebozo weder uit den mond der -oude vrouw, en gaven zij den rijken buit, dien zij gemeend hadden zich -toe te eigenen, terug. - -Doña Luz kon hare verbazing niet bedwingen; zij zag met de uiterste -verwondering een vreemden man zulk een groot gezag uitoefenen over -onbeschaamde bandieten. - -»Is dat wel alles?” vroeg hij aan het meisje; »ontbreekt u niets meer, -Señora?” - -»Niets, mijnheer,” antwoordde zij meer dood dan levend, zonder zelfs te -weten wat zij zeide. - -»Komt,” ging de onbekende voort, »gaat nu weg, schelmen, ik zal de -dames begeleiden.” - -De bandieten lieten het zich geen tweemaal zeggen; zij verdwenen als -een vlucht raven, hunne gewonden met zich voerende. - -Zoodra hij met de beide vrouwen alleen was, wendde de onbekende zich -tot doña Luz. - -»Vergun mij, Señorita, u mijn arm aan te bieden,” zeide hij met de -meest mogelijke beleefdheid; »de schrik, dien gij ondervonden hebt, -maakt u het loopen moeielijk.” - -Werktuigelijk en zonder te antwoorden, legde het meisje haar arm in -dien, welke haar werd aangeboden. Aan het paleis gekomen, klopte de -onbekende aan de deur, en vervolgens zijn hoed afnemende, zeide hij: - -»Señorita, ik ben verheugd, dat het toeval mij in de gelegenheid heeft -gebracht om u een kleine dienst te bewijzen... ik zal de eer hebben u -nog eens weder te zien. Reeds langen tijd volg ik in het donker uwe -schreden. God, die mij de gunst verleende van eenmaal met u te spreken, -zal mij die ook ten tweeden male toestaan; daarvan ben ik overtuigd, -hoewel gij binnen weinige dagen eene lange reis ondernemen gaat. Vergun -mij dus, u niet een »vaarwel” toe te roepen, maar een »tot weêrziens”!” - -En na een diepe buiging voor het meisje, verwijderde hij zich. - -Veertien dagen na dit zonderlinge avontuur, dat zij beter gevonden had -aan haar oom niet mede te deelen, verliet doña Luz Mexico, zonder den -onbekende te hebben wedergezien. Doch den dag voor haar vertrek had zij -in hare slaapkamer op haar bidstoeltje een gevouwen papier gevonden. -Hierop waren met een fraaie hand deze weinige woorden geschreven: - - -»Gij vertrekt, Doña Luz; denk er om, dat ik u een »tot weêrziens” heb -toegeroepen.” - -Uw redder van la calle de Plateros.” - - -Langen tijd had dit voorval den geest van het meisje bezig gehouden; -een oogenblik zelfs had zij gemeend, dat Edelhart en haar onbekende -redder een en dezelfde persoon waren, maar deze veronderstelling was -weldra weder geweken. Wat toch zou dit waarschijnlijk hebben gemaakt? -Met welk doel zou Edelhart, na haar gered te hebben, zich dan zoo snel -hebben verwijderd? Daarvoor kon immers geen reden bestaan. - -Maar naarmate het avontuur van Mexico uit haar gedachte week, werd de -plaats daarin aan Edelhart toegestaan, grooter. Zij zou den jager -hebben willen zien, met hem hebben willen spreken. Waarom? Dat wist zij -zelve niet; om hem te zien, om zijne stem te hooren, om zich aan zijn -aanblik te verzadigen; nergens anders om. Alle meisjes zijn zoo. - -Maar hoe zou zij hem wederzien? Dáár verhief zich voor het arme kind -eene onmogelijkheid, die haar moedeloos het hoofd deed buigen. - -En toch, een zeker iets op den bodem haars harten, misschien wel die -geheimvolle stem, die bij het ontwaken der liefde tot de meisjes -spreekt, zeide haar, dat weldra haar verlangen in vervulling zou -overgaan. Zij hoopte. Waarop? op een onvoorzien toeval, misschien wel -op een vreeselijk gevaar, dat hen bij elkander zou brengen. De ware -liefde twijfelt soms, zij wanhoopt nooit. - -Vier dagen na de oprichting van het kamp op den heuvel, toen zij des -avonds hare tent binnen trad, glimlachte het meisje inwendig op het -zien van haren oom, die zich in gedachten verzonken, gereed maakte, om -zich aan de rust over te geven. - -Doña Luz had eindelijk een middel gevonden, om Edelhart op te zoeken. - - - - - - - -XIII. - -DE BIJENJACHT. - - -Nauwelijks verspreidde de zon haar eerste stralen, toen de generaal, -wiens paard gezadeld stond, de rieten hut verliet, die hem tot -slaapkamer diende, en zich gereed maakte om te vertrekken. Juist toen -hij den voet in den stijgbeugel zette, werd het gordijn der tent door -een kleine hand opgelicht, en kwam doña Luz te voorschijn. - -»Zoo, zoo! reeds op?” zeide de generaal lachend: »des te beter, mijn -kind, dan kan ik u nog omhelzen eer ik wegga; dat zal mij misschien -geluk aanbrengen.” - -»Gij moogt zoo niet weggaan, oom,” antwoordde zij, hem haar voorhoofd -voorhoudende, waarop hij een kus drukte. - -»Waarom niet, juffertje?” vroeg hij. - -»Omdat ik iets voor u heb klaar gemaakt, dat gij eerst nog gebruiken -moet; dat zult gij mij niet weigeren, niet waar, beste oom?” zeide zij -met dien eigenaardigen glimlach van bedorven kinderen, die het hart -eens grijsaards verkwikt. - -»Neen, zeker niet, lief kind, tenzij het ontbijt, dat gij mij zoo -welwillend aanbiedt, zich niet lang late wachten, want ik heb haast.” - -»Ik vraag maar een uitstel van enkele minuten,” antwoordde zij, de tent -wederom binnentredende. - -»Ga uw gang,” zeide hij, haar volgende. - -Het meisje klapte van vreugde in hare handen! - -In een oogwenk was het ontbijt gereed; en de generaal zette zich met -zijne nicht aan tafel. Terwijl zij haar oom bediende, en zorg droeg, -dat hem niets ontbrak, zag het meisje hem met zulk een verlegen blik -aan, dat het den ouden soldaat weldra in het oog viel. - -»Kom,” zeide hij, »gij hebt mij iets te vragen, Lucita; spreek, gij -weet wel, dat ik u niets kan weigeren.” - -»Dat is zoo, oom; maar nu ben ik toch bang, dat ik u niet gemakkelijk -zal kunnen overhalen.” - -»Nu, nu!” zeide de generaal vroolijk, »is het dan zulk een zaak van -gewicht?” - -»Integendeel, oom; maar toch ben ik bang dat gij uwe toestemming niet -geven zult.” - -»Nu spreek, mijn kind, spreek zonder vrees; als gij gezegd hebt zal ik -antwoorden.” - -»Welnu,” zeide het meisje, rood wordende, »ik moet u bekennen, dat het -leven in het kamp niets aangenaams voor mij heeft.” - -»Dat begrijp ik, kindlief, maar wat kan ik er aan doen?” - -»Alles.” - -»Hoe dat?” - -»Maar, oom, als gij maar hier waart, zou het niets zijn, dan had ik u -bij mij.” - -»Het is heel lief, wat gij daar zegt, maar gij weet, dat ik iederen -morgen uitga, en dat ik niet....” - -»Daar zit juist de knoop.” - -»Ja.” - -»Maar, als gij wilt, zou hij gemakkelijk door te hakken zijn.” - -»Denkt gij dat?” - -»Ik weet het zeker.” - -»Ik zie het niet in. Het is mij onmogelijk om bij u te blijven.” - -»O, maar het kan wel op een andere wijze gevonden worden.” - -»Neen, neen.” - -»Ja, oom, er is een heel eenvoudig middel.” - -»En welk is dan dat middel, mijn poesje?” - -»Zal oompje niet knorren?” - -»Stoutert, knor ik ooit op u?” - -»Och neen, gij zijt zoo goed!” - -»Nu, laat eens zien, wat wilt gij?” - -»Dat middel, dat ik bedoel, oom, is...” - -»Nu, is....?” - -»Mij iederen morgen met u mede te nemen.” - -»Ach! ach!” zeide de generaal de wenkbrauwen fronsende, »welk een vraag -doet gij mij daar, lief kind!” - -»Een heel eenvoudige vraag, dunkt mij, oom.” - -De generaal antwoordde niet, hij dacht na. Het meisje volgde angstig op -zijn gelaat het vluchtig spoor zijner gedachten. Na eenige oogenblikken -hief hij het hoofd op, en prevelde: - -»Inderdaad, het zal misschien nog het beste zijn;” en een blik slaande -op het meisje, zeide hij: »Gij zoudt dus gaarne met mij medegaan?” - -»Ja, oom, zeer gaarne,” antwoordde zij. - -»Nu maak u dan maar klaar, voortaan zult gij mij op mijne uitstapjes -vergezellen.” - -Het meisje sprong verheugd op, omhelsde haar oom met warmte en gaf -bevel om haar paard te zadelen. Een kwartier later verlieten doña Luz -en haar oom, voorafgegaan door den Babbelaar en gevolgd door twee -lanceros de tent, en verdwenen in het bosch. - -»Welken kant wilt gij heden uit, generaal?” vroeg de gids. - -»Breng mij naar de hutten dier pelsjagers, waarvan gij mij gisteren -gesproken hebt.” - -De gids boog, ten teeken van gehoorzaamheid. De kleine troep ging -langzaam en moeielijk voort langs een nauwelijks gebaand voetpad, waar -met iedere schrede de paarden in de lianen verward raakten, of zich -stootten tegen de boven den grond uitstekende boomwortels. Doña Luz was -gelukkig. Misschien zou zij op die tochtjes Edelhart ontmoeten. - -De Babbelaar, die vooruit liep, liet eensklaps een schreeuw hooren. - -»Wel,” zeide de generaal, »wat gebeurt er dan voor buitengewoons, dat -gij u verwaardigt den mond te openen?” - -»Bijen, uwe Excellentie!” - -»Hoe, bijen? zijn hier bijen?” - -»Ja, doch eerst sedert kort.” - -»Hoe, eerst sedert kort?” - -»Ja, gij weet dat de bijen door de blanken in Amerika gebracht zijn.” - -»Ja. Maar hoe komt het, dat wij ze hier ontmoeten?” - -»O, dat is heel eenvoudig; de bijen zijn de voorloopers der blanken; -naarmate de blanken dieper in Amerika indringen, gaan de bijen hun -voor, om hun den weg te banen, en de plekken aan te wijzen, die ter -ontginning geschikt zijn. Hare verschijning in een onbewoonde -landstreek is altijd de voorbode van een kolonie pionniers of -squatters.” - -»Dat is vreemd,” prevelde de generaal, »en zijt gij zeker van wat gij -daar zegt?” - -»O, heel zeker, uwe Excellentie! Wat ik u daar zeg is aan al de -Indianen bekend; zij vergissen er zich nooit in; naarmate de bijen -voortrukken, gaan zij achteruit.” - -»Dat is inderdaad zonderling.” - -»De honing zal wel goed zijn,” zeide doña Luz. - -»Uitmuntend, Señorita, en zoo gij ze proeven wilt, niets is -gemakkelijker dan ze meester te worden.” - -»Ga uw gang,” zeide de generaal. - -De gids, die voor weinige oogenblikken op de struiken eenig aas voor de -bijen had nedergelegd, welke zijn scherpe blik in grooten getale -tusschen de bladeren had zien vliegen, gaf aan allen, die hem volgden, -een teeken om stil te staan. - -De bijen hadden zich werkelijk op het aas nedergezet, en onderzochten -het van alle kanten; toen zij genoeg voorraad hadden opgedaan, -verhieven zij zich hoog in de lucht, en vervolgens vlogen zij met de -snelheid van een vogel in een rechte lijn voort. - -De gids ging aandachtig de door haar gekozen richting na en een teeken -gevende aan den generaal, volgde hij met den geheelen troep haar spoor, -zich een weg banende door de in elkander geweven takken, en zonder -zijne oogen van den hemel af te wenden. Op deze wijze verloren zij de -beladene bijen niet uit het oog, en na een uur gaans zagen zij, hoe zij -bij haar geïmproviseerde korf in de holte van een dooden ebbenhoutboom -aanlandden, een oogenblik er omheen fladderden, en eindelijk naar -binnen gingen door een gat, dat zich tachtig voet boven den grond -bevond. Toen waarschuwde de gids zijne reisgezellen om zich op -eerbiedigen afstand te houden, ten einde niet door den boom verpletterd -te worden, en beschut te zijn tegen de wraak zijner bewoners; hij greep -zijn bijl, en begon er dapper op los te hakken. De bijen schenen -volstrekt niet bang te zijn voor de slagen van de bijl, zij bleven in -en uitgaan, en zetten onbezorgd haar arbeid voort. Een hevig gekraak -zelfs, de voorbode van den naderenden val des booms, stoorde haar niet -in die vlijt. Eindelijk viel de boom, met een vreeselijk gedreun, en -opende zich over zijne geheele lengte, zoodat de met zooveel zorg -bijeenverzamelde schatten der kleine maatschappij zichtbaar werden. De -gids greep onmiddellijk een bosje hooi, dat hij had gereed gemaakt, en -stak het in brand om tegen de bijen beveiligd te zijn. Maar zij vielen -niemand aan, zij poogden zich niet te wreken. De arme dieren waren -geheel verslagen, zij gonsden en vlogen in alle richtingen voort, -zonder aan iets anders te denken, dan aan de mogelijke oorzaak van dit -onheil. Ondertusschen begonnen de gids en de lanceros ijverig met -lepels en sabels de honigraten te voorschijn te halen en in lederen -zakken te bergen. Sommigen waren donkerbruin en van ouden datum, -anderen helder blank; de honig in de cellen was bijna doorschijnend. - -Terwijl men zich haastte om zich van de beste honigraten meester te -maken, kwamen van alle kanten tallooze zwermen bijen aanvliegen, die -zich in de cellen der gebrokene raten dompelden en groote ladingen mede -namen; de overige bewoners van den korf zagen ondertusschen treurig en -somber het plunderen van hunne woning aan, zonder zelfs eene poging aan -te wenden, om ook maar het minste te redden. De verslagenheid der -bijen, die op het oogenblik van het onheil afwezig waren, en nu de een, -dan de ander, met hare lading aankwamen, is onmogelijk te beschrijven: -zij beschreven cirkels in de lucht, rondom de plek, waar de boom -gestaan had, verwonderd die thans ledig te vinden; eindelijk schenen -zij hare ramp te beseffen, en verzamelden zij zich groepsgewijze op een -verdorden tak van een naburigen boom, als om van daar de puinhoopen van -haar rijk in oogenschouw te nemen en over de verwoesting daarvan te -klagen. - -Doña Luz was haars ondanks bewogen over het verdriet van die arme -dieren. - -»Ach,” zeide zij, »het spijt mij dat ik naar honig verlangd heb; mijne -gulzigheid is voor vele wezens de oorzaak van een groot ongeluk.” - -»Laat ons gaan,” zeide de generaal glimlachend, »en hun deze weinige -raten laten behouden.” - -»O,” zeide de gids, de schouders ophalend, »weldra zullen zij door het -wild gedierte zijn weggehaald.” - -»Hoe, door het wild gedierte? door welk wild gedierte?” vroeg de -generaal. - -»Door de racoons, door de opossums en vooral door de beren.” - -»Door de beren?” zeide doña Luz. - -»O, Señorita,” hernam de gids, »dat zijn de slimste dieren om een -bijenboom te ontdekken, en er hun voordeel mede te doen.” - -»Zij houden dus van honig?” vroeg het meisje nieuwsgierig. - -»Zij zijn er dol op, Señorita,” antwoordde de gids, die los begon te -worden; »verbeeld u, zij zijn zoo gulzig, dat zij weken lang aan een -boom knagen, totdat zij een gat hebben gemaakt, groot genoeg om er -hunne pooten door te steken, en dan nemen zij de honig en de bijen -mede, zonder zich de moeite te geven van te kiezen.” - -»Laat ons nu,” zeide de generaal, »onze reis hervatten en ons naar de -pelsjagers begeven.” - -»O, wij zullen er weldra zijn, uwe Excellentie,” antwoordde de gids; -»wij zijn nog maar weinige schreden van de groote Canadasche rivier -verwijderd, aan welker oevers zich de pelsjagers gevestigd hebben.” - -De kleine troep hervatte zijn tocht. De bijenjacht had onwillekeurig -een treurigen indruk bij het meisje achtergelaten; die arme kleine -dieren, zoo onschuldig en ijverig, om een loutere gril aangevallen en -verjaagd, wekten haar medelijden en nadenken op. Haar oom werd dit -gewaar. - -»Lief kind,” zeide hij, »wat gaat er in u om? gij zijt niet meer zoo -vroolijk, als toen wij vertrokken. Vanwaar die plotselinge -verandering?” - -»Och, oom, maak u daarover niet ongerust, ik ben evenals alle jonge -meisjes een beetje dwaas en grillig, die bijenjacht waarvan ik mij -zooveel genoegen voorstelde, heeft mij onwillekeurig tot treurigheid -gestemd.” - -»Gelukkig kind!” prevelde de generaal, »dat nog om zulk een nietige -oorzaak bedroefd kan worden; God geve, mijne lieve, dat gij nog lang -zoo blijven moogt, en dat nooit grootere en diepere smarten u treffen.” - -»Beste oom, zal ik bij u niet altijd gelukkig zijn?” - -»Helaas! mijn kind, wie weet of het Gods wil is, dat ik nog lang bij u -zal blijven?” - -»Zeg dat niet, oom, ik hoop dat wij nog lange jaren te zamen zullen -doorbrengen.” - -De generaal antwoordde slechts met een zucht. - -»Oom,” hernam het meisje, na een oogenblik zwijgens: »vindt gij niet, -dat het gezicht der grootsche en verheven natuur om ons heen iets -aangrijpends heeft, dat de gedachte veredelt, de ziel verheft en den -mensen beter maakt? Wat moeten zij, die in die onbegrensde, eenzame -wildernis leven, gelukkig zijn!” - -De generaal zag haar verwonderd aan. - -»Van waar komen u die gedachten, lief kind?” zeide hij. - -»Ik weet het niet, oom,” antwoordde zij verlegen; »ik ben maar een dom -meisje, dat tot nu toe stil en vreedzaam naast u heb voortgeleefd; maar -er zijn oogenblikken, waarin het mij toeschijnt, dat ik gelukkig zou -wezen, indien ik in die uitgestrekte woestijnen leven mocht.” - -De generaal, verrast, en inwendig verrukt over de onschuldige -openhartigheid van zijne nicht, maakte zich gereed om haar te -antwoorden, toen de gids eensklaps nader bij kwam, een teeken gaf om de -stilte te bewaren, en met een stem, zacht als een ademtocht, zeide: - -»Een mensch!....” - - - - - - - -XIV. - -DE ZWARTE ELAND. - - -Allen bleven staan. Het woord »mensch” beteekent in de woestijn bijna -altijd een vijand. De mensch is in de woestijn nog meer gevreesd door -zijns gelijken, dan het bloeddorstigste wilde dier. Een mensch, dat is -een mededinger, een opgedrongen aandeelhouder, die volgens het recht -van den sterkste met den eersten bezitter komt deelen, en hem dikwijls, -om niet te zeggen altijd, de vrucht van zijn ondankbaren arbeid poogt -te ontstelen. De blanken, Indianen, of mestiezen, als zij elkander in -de prairie ontmoeten, groeten elkaâr dan ook altijd met loerenden blik, -gespitste ooren, en den vinger op den trekker van hun geweer. - -Op het hooren van dat woord: een mensch! maakten zich de generaal en de -lanceros terstond gereed, om een aanval te kunnen afwachten; zij -laadden hunne geweren, en verscholen zich, zoo goed zij konden, achter -de struiken. Vijftig passen voor hen uit bevond zich een persoon, die, -met beide handen op den loop van een lang geweer rustende, hen -opmerkzaam gadesloeg. Het was een lang, forsch gebouwd man, met -krachtige trekken, en een vrijen en vasten blik. Zijn lang haar was -netjes gevlochten en met ottervellen en verschillend gekleurde linten -versierd. Een lederen jachtkiel viel hem tot op de knieën, slobkousen -van eene zonderlinge snede, met koorden, franjes en tallooze knoopjes -opgetuigd, omgaven zijne beenen; zijn schoeisel bestond uit een paar -prachtige mocksens met valsche paarlen geborduurd. Een scharlaken kleed -bedekte zijne schouders, en was om zijne heupen gebonden door middel -van een gordel, waarin zich twee pistolen, een mes en een indiaansche -pijp bevonden. Zijn karabijn was met vermiljoen bestreken en met kleine -koperen spijkertjes gemonteerd. Niet ver van hem verwijderd graasde -zijn paard, dat evenals hij zelf, op de zonderlingste wijze uitgedost -en hier en daar met vermiljoen besmeerd was; het hoofdstel, de teugels -en de broek waren met valsche paarlen en kokardes versierd; de kop, de -manen en de staart prijkten met tallooze arendsvederen, die golvend op -en neder wuifden. - -Op het gezicht van dezen man, kon de generaal een kreet van verrassing -niet weêrhouden. - -»Tot welken indiaanschen stam behoort die man?” vroeg hij aan den gids. - -»Tot geene,” antwoordde deze. - -»Hoe, tot geene?” - -»Neen, het is een blanke pelsjager.” - -»Aldus gekleed?” - -De gids haalde de schouders op. - -»Wij zijn in de prairiën,” zeide hij. - -»Dat is waar,” mompelde de generaal. - -De persoon ondertusschen, dien wij boven beschreven hebben, scheen het -aarzelen van den kleinen troep vóór hem moede te worden, en willende -weten waaraan hij zich te houden had, nam hij stoutmoedig het woord. - -»Hei! heidaar!” riep hij in ’t Engelsch, »wie duivel zijt gij, en wat -komt gij hier zoeken?” - -»Caramba!” antwoordde de generaal, zijn geweer naar achteren werpende, -en aan zijne reisgenooten bevelende om evenzoo te doen, »wij zijn -reizigers, die een langen tocht achter den rug hebben; de zon is heet, -wij vragen uwe toestemming om eenige oogenblikken in uwe rancho (hut) -uit te rusten.” - -Deze woorden werden in het Spaansch gesproken; de Pelsjager antwoordde -in dezelfde taal: - -»Nadert onbevreesd; de Zwarte Eland is een goede kerel, als men hem -niet tracht te verbitteren; gij zult het weinige dat ik bezit, met mij -deelen, en het moge u wel bekomen.” - -Op het hooren van dien naam kon de gids een beweging van schrik niet -weerhouden; hij wilde zelfs iets zeggen, maar had er den tijd niet toe, -want de jager, zijn geweer over den schouder leggende, en zich met één -sprong in den zadel werpende, was den Mexicanen reeds genaderd. - -»Mijne rancho is niet ver van hier,” zeide hij tot den generaal; »als -de señorita een goed toebereiden bisonbult niet versmaadt, dan kan ik -haar die galanterie bewijzen.” - -»Ik dank u, Caballero,” antwoordde het meisje glimlachend; »ik betuig -u, dat ik voor het oogenblik meer behoefte heb aan rust dan aan iets -anders.” - -»Alles op zijn tijd,” zeide de jager deftig, »vergun mij, gedurende -eenige oogenblikken, uw gids af te lossen.” - -»Wij geven ons aan uw geleide over,” zeide de generaal; »ga, wij -volgen.” - -»Voorwaarts dan,” hernam de pelsjager, zich aan het hoofd van den troep -plaatsende. Terwijl hij dit zeide, vielen zijne oogen toevallig op den -gids; zijne wenkbrauwen fronsten zich: »Hm!” mompelde hij tusschen de -tanden, »wat beteekent dat? wij zullen zien.” En zonder zich schijnbaar -meer om dien man te bekommeren, zonder zelfs te toonen dat hij hem -herkende, gaf hij het teeken tot vertrek. - -Na eenigen tijd stilzwijgend langs een vrij breede beek te zijn -voortgegaan, maakte de jager op eens een hoek, en ging hij op nieuw het -bosch in. - -»Ik vraag u vergeving,” zeide hij, »voor den omweg, dien ik u laat -maken; maar er is hier een bevervijver, en ik ben bang hen te zullen -verschrikken.” - -»O,” riep het meisje uit, »hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik die -nijvere dieren eens mocht zien arbeiden!” - -De jager bleef staan. - -»Niets is gemakkelijker, Señorita,” zeide hij, »zoo gij mij volgen -wilt, terwijl uwe reisgenooten hier blijven wachten zal ik er u -brengen.” - -»Ja, ja!” antwoordde doña Luz levendig; maar, zich eensklaps -bezinnende, hervatte zij: »O, vergeving oom!” - -De generaal wierp een blik op den jager. - -»Ga, mijn kind, wij zullen u hier wachten,” zeide hij. - -»Dank u, oom,” zeide het meisje verheugd, en van haar paard springende. - -»Ik sta u borg voor haar,” zeide de jager, »vrees niets.” - -»Ik vrees niets, ik vertrouw haar u toe, mijn vriend,” antwoordde de -generaal. - -»Verplicht!” en een teeken gevende aan doña Luz, verdween de Zwarte -Eland met haar te midden van de struiken en boomen. - -Toen zij op zekeren afstand gekomen waren, bleef de jager staan. Na aan -alle kanten geluisterd en gekeken te hebben, wendde hij zich tot het -meisje, legde haar zachtjes zijne hand op den schouder, en zeide: -»Luister.” - -Doña Luz bleef ongerust en bevend staan. De jager bemerkte haar angst. - -»Vrees niet,” hernam hij, »ik ben een eerlijk man: gij zijt hier in -deze woestijn, met mij alleen, even veilig, alsof gij u in de -kathedraal van Mexico, aan den voet van het altaar bevondt.” - -Het meisje wierp steelsgewijze een blik op den jager: ondanks zijn -zonderling kostuum had zijn gelaat zulk een openhartige uitdrukking, en -was zijn oog zoo helder en zacht op haar gevestigd, dat zij volkomen -gerust gesteld werd. - -»Spreek,” zeide zij. - -»Gij behoort,” hernam de jager, »want ik herken u nu, tot dien troep -vreemdelingen, die sedert eenige dagen de prairie in alle richtingen -doorkruist, is het niet waar?” - -»Ja.” - -»Onder u bevindt zich een halve gek met een blauwen bril en een blonde -pruik, en die zich, waarom weet ik niet, vermaakt met het bijeenzamelen -van planten en steenen, in plaats van, gelijk een braaf jager past, -bevers te verschalken en herten te schieten.” - -»Ik ken den man van wien gij spreekt, hij maakt werkelijk een deel van -onzen troep uit, het is een zeer geleerde doctor.” - -»Dat weet ik, hij heeft het mij gezegd; hij komt dikwijls hierheen, wij -zijn goede vrienden; door middel van een poeder, dat hij mij heeft doen -innemen, heeft hij mij volkomen verlost van eene koorts, die mij sinds -twee maanden kwelde, en waarvan ik mij vergeefs poogde te ontslaan.” - -»Zooveel te beter; ik ben blijde over dien goeden uitslag.” - -»Ik zou wel iets voor u willen doen, om die dienst terug te betalen.” - -»Verplicht, mijn vriend, maar ik weet niet waarmede gij mij van dienst -zoudt kunnen zijn, behalve mij de bevers te laten zien.” - -De jager schudde het hoofd. - -»Misschien met iets anders, en wellicht eer dan gij denkt,” zeide hij. -»Luister goed, Señorita, ik ben maar een arm man, maar hier in de -woestijn weten wij veel, dat God ons openbaart, omdat wij van -aangezicht tot aangezicht met Hem verkeeren; ik wil u een goeden raad -geven: de man die u tot gids dient, is een volleerde schurk; hij staat -als zoodanig in de prairiën van het Westen bekend; ik moet mij zeer -vergissen of hij zal u in een strik doen vallen; er is hier geen gebrek -aan slechte menschen, met wie hij zich kan verstaan om u ongelukkig te -maken, of ten minste om u uit te plunderen.” - -»Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?” riep het meisje, verschrikt over -die woorden, die zoo zonderling overeenkwamen met hetgeen Edelhart haar -gezegd had. - -»Ik ben er even zeker van als van iets anders, dat men bezweren kan -zonder afdoende bewijzen te hebben; ik ben verplicht u te zeggen, dat, -na hetgeen vroeger met den Babbelaar gebeurd is, men voor hem op zijne -hoede moet wezen; geloof mij, zoo hij u nog niet verraden heeft, zal -het toch niet lang meer duren of hij doet het.” - -»Groote God, ik zal mijn oom waarschuwen!” - -»Wacht u daarvoor, gij zoudt daarmede alles op het spel zetten; de -lieden, met welke uw gids zich verstaat, of zich spoedig verstaan zal, -zijn talrijk en onverschrokken, en weten alles wat er in de prairie -omgaat.” - -»Wat moeten wij dan doen?” vroeg het meisje angstig. - -»Niets. Wachten, en zonder er den schijn van aan te nemen, zorgvuldig -al de gangen van uw gids bespieden.” - -»Maar....” - -»Gij begrijpt wel,” viel de jager in, »dat, zoo ik u aanraad den -Babbelaar te wantrouwen, ik dat niet doe, om u, als de nood aan den man -is, in den steek te laten.” - -»Ik geloof u.” - -»Welnu, zie hier wat gij doen moet; zoodra gij zekerheid hebben zult, -dat uw gids u verraadt, zult gij dien gekken ouden doctor tot mij -zenden; gij kunt op hem vertrouwen, niet waar.” - -»Volkomen.” - -»Goed. Dan zult gij, zooals ik gezegd heb, hem tot mij zenden, met den -last, om alleen deze woorden uit te spreken: Zwarte Eland! De Zwarte -Eland, ben ik.” - -»Dat weet ik, gij hebt het ons gezegd.” - -»Best. Hij moet dan zeggen: Zwarte Eland, het uur is geslagen. Niets -anders. Gij kunt dit immers wel onthouden?” - -»Heel goed. Alleen begrijp ik niet recht, in welk opzicht ons dit -nuttig zal kunnen zijn.” - -De jager glimlachte geheimzinnig. - -»Hm!” zeide hij na een oogenblik zwijgens, »die weinige woorden zullen -in twee uur tijds vijftig der vastberadenste mannen uit de prairie om u -scharen. Mannen, die op een teeken van hun opperhoofd zich zullen laten -dooden om u uit de handen uwer overweldigers te rukken, wanneer, -hetgeen ik voorzie, gebeuren zal.” - -Er volgde een oogenblik stilte, doña Luz mijmerde. De jager hernam -glimlachend: - -»Verwonder u niet over de levendige belangstelling, die ik u betoon, -een man, die mij geheel door zijn invloed beheerscht, heeft mij laten -zweren, dat ik, terwijl hij om dringende redenen voor eenigen tijd -afwezig moest zijn, in zijne plaats voor u waken zou.” - -»Wat bedoelt gij?” vroeg zij nieuwsgierig, »en wie is die man?” - -»Die man is een jager; die het bevel voert over al de blanke pelsjagers -der prairiën; wetende, dat gij den Babbelaar tot gids hebt, heeft hij -vermoed, dat die mesties plan had u in een hinderlaag te lokken.” - -»Maar de naam van dien man?” riep zij op angstigen toon. - -»Is Edelhart. Zult gij nu vertrouwen in mij stellen?” - -»Ik dank u, mijn vriend, ik dank u,” antwoordde het meisje in -verwarring; »ik zal nooit uwe aanbeveling vergeten en als het oogenblik -van gevaar daar is, zal ik niet aarzelen u aan uwe belofte te -herinneren.” - -»En gij zult wél doen, Señorita, omdat het de eenige kans van behoud -is, die u dan zal overschieten. Kom, gij hebt mij begrepen, alles is in -orde, houd ons gesprek voor u; maar bovenal, wacht u voor den schijn -alsof gij u met mij verstaan hebt; die duivel van een mesties is slim -als een bever, zoo hij den minsten argwaan koesterde, zou hij u als een -adder door de vingers glijden.” - -»Wees gerust, ik zal zwijgen.” - -»Laat ons nu onzen tocht naar den bevervijver voortzetten. Edelhart -waakt over u.” - -»Hij heeft ons reeds eenmaal het leven gered, laatst bij den brand der -prairie,” zeide zij levendig. - -»Ha, ha!” prevelde de jager, een vreemden blik op haar vestigende, »de -zaken staan goed;” vervolgens voegde hij er hardop bij: »Vrees niet, -Señorita; zoo gij stipt den raad, dien ik u gegeven heb, opvolgt, zal u -in de prairie niets overkomen, aan welke schelmerijen gij ook moogt -zijn blootgesteld.” - -»O,” riep zij uit, »als het uur van gevaar slaat, zal ik niet aarzelen -tot u te komen, dat zweer ik u!” - -»Dat is dan afgesproken,” zeide de Zwarte Eland glimlachend; »laat ons -nu de bevers gaan zien.” Zij hervatten hunnen tocht, en na eenige -oogenblikken kwamen zij aan den rand van het woud. Daar bleef de jager -staan, gaf aan het meisje een teeken, dat zij zich niet verroeren zou, -en zich tot haar wendende, zeide hij: »Ziehier.” - - - - - - - -XV. - -DE BEVERS. - - -Het meisje schoof de wilgentakken weg, en met voorover gebogen hoofd, -keek zij toe. - -De bevers hadden niet alleen, door gemeenschappelijken ijver, den loop -der rivier, maar ook dien van alle beken, die er in uitliepen, -gestremd, zoodat de omliggende grond geheel in een uitgestrekt moeras -was herschapen. Een enkele bever werkte op dit oogenblik aan de -hoofdsluis; maar weldra kwamen er nog vijf anderen met stukken hout, -kluiten en takken aandragen. Met hun allen wendden zij zich nu naar een -gedeelte van den dijk, dat, gelijk het meisje zag, herstelling noodig -had. Zij legden hunne vracht op het gebrokene deel neder, en dompelden -zich in het water, om bijna onmiddellijk weder boven te komen, ieder -met een zekere hoeveelheid slik beladen, waarvan zij zich als van kalk -bedienden, om de stukken hout en takken aan elkander te verbinden, dit -gemetsel duurde zoolang, totdat de breuk geheel verdwenen was. Zoodra -alles gereed was, schepten de nijvere dieren een oogenblik adem; zij -vervolgden elkander in den vijver, doken onder of speelden op de -oppervlakte, en sloegen het water, zoo hard zij konden met hunne -staarten. - -Doña Luz zag dit zonderlinge schouwspel met klimmende belangstelling -aan. Zij had daar wel den geheelen dag willen blijven, om naar die -vreemde dieren te zien. - -Terwijl deze bevers zich aldus vermaakten, kwamen er twee andere leden -dier maatschappij te voorschijn. Een tijdlang zagen zij diepzinnig de -spelen hunner makkers aan, zonder zelfs maar den schijn aan te nemen, -of zij wilden mededoen; vervolgens tegen den kant opklimmende, niet ver -van de plek waar de jager en het meisje op den uitkijk zaten, zetten -zij zich op hun achterste pooten, leunden met de voorsten tegen een der -jonge pijnboomen, en begonnen er de schors af te knagen. Nu en dan -haalden zij er een klein stukje af, en hielden het tusschen de pooten, -zonder van houding te veranderen; zij knabbelden er aan ongeveer met -dezelfde verdraaiingen en grimassen, waarmede een aap een nootje -oppeuzelt. Het klaarblijkelijk doel der bevers was den boom door te -zagen, en zij werkten er met veel ijver aan. Het was een jonge -pijnboom, zoo recht als een kaars, vrij hoog, en omstreeks 18 duim -diameter dik, namelijk op de plaats waar zij er aan werkten. Zonder -twijfel zouden zij hem binnen kort geheel hebben doorgevijld, zoo niet -de generaal, ongerust geworden over het lang uitblijven zijner nicht, -besloten had haar te gaan zoeken, waardoor de bevers, verschrikt door -het paardengetrappel, onderdoken en plotseling verdwenen. - -De generaal deed zijne nicht kleine verwijten over haar langdurige -afwezigheid; maar het meisje, verrukt over hetgeen zij zag, bekommerde -er zich niet veel om, en deed bij zich zelve de stille gelofte, om nog -eenmaal onzichtbaar getuige te zijn van den arbeid der bevers. - -De kleine troep richtte zich, onder de leiding van den jager, naar de -rancho, waarin hij haar eene schuilplaats aanbood tegen de gloeiende -stralen der zon, die juist de middaghoogte had bereikt. - -Doña Luz, wier nieuwsgierigheid, door het treffende schouwspel dat zij -had bijgewoond, ten hoogste was opgewekt, stelde zich schadeloos voor -de ongelukkige tusschenkomst van haar oom door den Zwarten Eland te -ondervragen over de gewoonten der bevers en over de wijze waarop zij -gevangen worden. De jager, evenals alle menschen, die gewoonlijk alleen -zijn, haalde gaarne, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood, zijn -schade wat het praten betrof in; hij liet zich dan ook niet lang -bidden. - -»O, o, Señorita,” zeide hij, »de Roodhuiden zeggen, dat de bever een -mensch is die niet spreekt, en zij hebben gelijk; hij is wijs, -voorzichtig, dapper, ijverig en zuinig. Als de winter komt, dan wordt -het heele huishouden aan ’t werk gezet, om provisie op te doen; ouden -en jongen, allen werken. Dikwijls doen zij lange reizen, om de schors -te vinden waarvan zij het meest houden. Zij houwen vaak vrij dikke -boomen om, en nemen er de takken af, wier schors hun het meest bevalt; -zij zagen die in stukken van omstreeks drie voet, brengen ze te water -en laten ze naar hunne hutten drijven, om ze aldaar op te stapelen. -Hunne woningen zijn netjes en gemakkelijk; na gegeten te hebben, werpen -zij de stukken hout waarvan zij de schors hebben afgeknaagd, in de -rivier, aan gene zijde van de sluis. Nooit staan zij aan een vreemden -bever toe om zich bij hen te komen vestigen, en dikwijls vechten zij -met het grootste geweld om hun grondgebied te verdedigen.” - -»Ik heb nooit iets dergelijks gehoord,” zeide het meisje. - -»O, maar dat is alles nog niet,” hernam de jager. »In de lente, wanneer -zij ruien, laat het mannetje het wijfje alleen thuis en gaat hij als -een groot heer een pleizierreisje maken, waarbij hij dan dikwijls -groote afstanden aflegt, zich vermakende in het heldere water dat hij -ontmoet, en tegen de oevers opklauterende, om de tengere stammen van -jonge populieren of wilgen af te knabbelen. Maar als de zomer nadert, -dan laat hij zijne levenswijze als alleenloopend gezel varen, herinnert -zich zijne plichten als huisvader, keert naar zijne vrouw en naar zijn -pasgeboren kroost terug, en geeft aan dit laatste onderwijs in het -opdoen van winterprovisie.” - -»Waarlijk,” zeide de generaal, »dat dier is een der merkwaardigste van -geheel de schepping.” - -»Ja,” voegde doña Luz er bij, »en ik begrijp niet, hoe men er zoo -koelbloedig jacht op kan maken, evenals op een schadelijk dier.” - -»Ach! wat wilt gij dan, Señorita?” gaf de jager wijsgeerig ten -antwoord; »alle dieren zijn voor den mensch geschapen; en dit vooral, -daar zijne huid zoo kostbaar is.” - -»Dat is waar,” zeide de generaal; »maar,” voegde hij er bij, »hoe maakt -gij die jacht? alle bevers hebben niet zooveel vertrouwen als deze; er -zijn er die hunne hutten met veel zorg verbergen.” - -»Ja,” antwoordde de Zwarte Eland, »maar de gewoonte heeft den ervaren -jager een zoo vast oog gegeven, dat hij aan het minste teeken het spoor -van een bever ontdekt, en al is de hut ook nog zoo zorgvuldig onder de -dikke takken en onder de wilgen, die haar overschaduwen, verborgen, -gebeurt het toch maar zelden, dat hij niet het juiste getal harer -bewoners raadt. Hij zet dan zijn val, plaatst haar aan den oever, twee -of drie duim onder de oppervlakte van het water, en maakt haar met een -ketting vast aan een diep in het slijk of in het zand geboorden paal. -Een klein takje wordt dan van zijne schors ontdaan en in de medicijn, -gelijk wij het lokaas noemen, gedoopt; dat takje wordt zoodanig -geplaatst, dat het drie of vier duim boven het water uitsteekt, terwijl -het van onderen aan de opening der val is vastgehecht. De bever, die -een zeer fijnen reuk heeft, wordt weldra door den geur van het lokaas -aangetrokken. Zoodra hij zijn snuit naar voren brengt, om er zich -meester van te maken, raakt zijn voet in de val; verschrikt duikt hij -onder; de val gaat met hem mede, maar biedt aan al zijn streven om los -te komen weêrstand; hij worstelt een tijd lang; maar eindelijk zinkt -hij uitgeput naar omlaag, en verdrinkt. Ziedaar, Señorita, de wijze, -waarop gewoonlijk de bevers gevangen worden. - -»Maar in de rotsbeddingen, waar het niet mogelijk is een paal in den -grond te slaan, om er de val aan vast te maken, zijn wij dikwijls -verplicht groote en zelfs gevaarlijke nasporingen te doen, om de -gevangen bevers te vinden. Het gebeurt ook wel, als er verscheidene -leden van één huisgezin gevangen genomen zijn, dat de andere -wantrouwend worden. Alsdan, hoe groot ook onze listen mogen zijn, is -het onmogelijk, hen in het lokaas te doen happen. Zij naderen de vallen -heel voorzichtig, ontspannen de veêr met een stokje, en werpen dikwijls -de vallen onderst boven, slepen ze onder een hunner sluizen, en stoppen -ze weg in het slijk.” - -»En dan?” vroeg het meisje. - -»Dan,” hernam de Zwarte Eland, »schiet er maar één ding over, dat is, -onze vallen op den rug te nemen, ons door de bevers overwonnen te -verklaren en verder op, naar andere, minder in den krijg bedrevene te -gaan zoeken. Maar zie hier mijne rancho.” - -De reizigers waren bij een ellendige hut gekomen, samengesteld uit in -elkander gevlochten takken, nauwelijks goed genoeg om hen tegen de -stralen der zon te beschutten, en wat achteloosheid betreft, in alles -volkomen gelijk aan die van de andere jagers der prairiën, die zich het -minst van alle menschen om de gemakken des levens bekommeren. Doch hoe -dan ook, de Zwarte Eland nam er hoffelijk de honneurs waar. - -Een tweede jager zat voor de hut, bezig met op het koken der bisonbult -te letten, waarvan de Zwarte Eland aan zijne gasten melding had -gemaakt. Deze man, wiens kostuum volmaakt op dat van den Zwarten Eland -geleek, was te naastenbij veertig jaar; maar de vermoeienissen en de -tallooze onheilen van zijn beroep hadden op zijn gelaat een netwerk van -diepe rimpels gegroefd, die hem veel ouder deden schijnen dan hij -werkelijk was. En inderdaad, er is ter wereld geen gevaarlijker, geen -moeielijker, geen minder winstgevend beroep dan dat van pelsjager. De -arme menschen worden vaak, hetzij door de Indianen, hetzij door andere -jagers beroofd van al hunne met moeite bijeenvergaderde winst, -gescalpeerd en vermoord, zonder dat iemand zich het hoofd breekt met de -vraag, wat er van hen geworden is. - -»Neem plaats, señorita, en gij ook mijne heeren,” zeide de Zwarte Eland -beleefd; »mijn huis, hoe arm het zijn mag, is toch groot genoeg om u -allen te bergen.” - -De jagers namen zijn aanbod gretig aan, stegen af, en bevonden zich -weldra gemakkelijk uitgestrekt op rustbedden van droge bladeren, bedekt -met de huiden van bevers, elanden en bisons. - -Het maal, een recht jagersmaal, werd besproeid met eenige couïs -(bekers) uitmuntenden mezcal, dien de generaal altijd op zijne tochten -medenam, en dien de jagers naar verdienste waardeerden. - -Terwijl doña Luz, de gids en de lanceros gedurende eenige oogenblikken -de gewone siësta hielden, om de grootste hitte te laten voorbijgaan, -verzocht de generaal den Zwarten Eland om hem te volgen, en verliet met -hem de hut. Zoodra zij zich ver genoeg verwijderd hadden, zette de -generaal zich aan den voet van een ebbenhoutboom neder, en noodigde -zijn gastheer uit om hetzelfde te doen, hetgeen deze dan ook -onmiddellijk deed. Na een oogenblik stilte nam de generaal het woord: - -»Mijn vriend,” zeide hij, »sta mij eerst toe, dat ik u bedank voor uwe -gulle gastvrijheid. Daarna wensch ik eenige vragen tot u te richten.” - -»Caballero!” antwoordde de jager met drift, »gij weet wat de Roodhuiden -gewoon zijn te zeggen; doet tusschen ieder woord een trek aan uw -calumet (vredespijp), opdat geen onbedacht woord aan uw mond ontvalle.” - -»Gij spreekt als een verstandig man, maar wees gerust, ik ben niet van -plan u vragen te doen, die betrekking hebben op uw beroep, of op iets -anders, dat u persoonlijk aangaat.” - -»Zoo ik u kan antwoorden, Caballero, zal ik niet aarzelen u te -voldoen.” - -»Verplicht, mijn vriend, ik verwachtte niets minder van u; hoe lang -woont gij al in de prairiën?” - -»Al tien jaar, mijnheer, en God geve dat ik er nog even zoovele mag -doorbrengen.” - -»Dat leven bevalt u dus?” - -»Meer dan ik u zou kunnen zeggen.—Men moet het evenals ik, als kind -begonnen zijn, er al de beproevingen van ondervonden, al het lijden van -geleden, al de gevaren van doorgestaan hebben, om de bekoorlijkheden -die het schenkt, de hemelsche zaligheid die het oplevert, en de -onbekende genoegens waarmede het ons overlaadt, te begrijpen! O, -Caballero, de schoonste en grootste stad van het oude Europa is wel -klein, wel morsig en wel popperig, bij de woestijn vergeleken. Uw -gebonden, geregeld en afgemeten leven is wel armzalig bij het onze! Het -is hier alleen, dat de mensch ruim ademt, dat hij leeft, dat hij denkt! -De overbeschaving doet hem bijna tot den rang van het dier afdalen hem -niet meer instinct overlatende, dan noodig is om zijn ellendig doelwit -na te jagen. In de prairie daarentegen, waar hij van aangezicht tot -aangezicht tegenover God staat, breiden zijne gedachten zich uit, -verruimt zich zijn gemoed, en wordt hij werkelijk, wat het hoogste -wezen van hem heeft willen maken, namelijk heer der schepping.” - -Terwijl hij deze woorden uitsprak, was de jager geheel veranderd, zijn -gelaat had een bezielde uitdrukking aangenomen, zijne oogen schoten -vonken, en zijne gebaren waren de getrouwe spiegels van al wat er in -hem omging. - -De generaal slaakte een diepen zucht, een stille traan bevochtigde zijn -grijzen knevel. - -»Het is zoo,” zeide hij treurig, »dat leven heeft eigenaardige -bekoorlijkheden voor hem die het gesmaakt heeft, en die er zich met -onverbreekbare banden aan verbonden ziet. Toen gij in de prairiën -kwaamt, van waar kwaamt gij toen?” - -»Ik kwam van Quebec, mijnheer, ik ben een Canadees.” - -»Ah!” - -Er volgde eene pauze. De generaal brak haar ten laatste weder af. - -»Hebt gij onder uwe makkers geen Mexicanen?” zeide hij. - -»Verscheidene.” - -»Ik zou gaarne iets van hen willen weten.” - -»Er is er een, die er u meer van zou kunnen zeggen, maar ongelukkig is -die man op dit oogenblik niet hier.” - -»En hij heet?” - -»Edelhart.” - -»Edelhart!” hernam de generaal met vuur; »maar ik ken dien man, geloof -ik.” - -»Ja, gij kent hem.” - -»O, God, hoe jammer!” - -»Misschien zal het u gemakkelijker vallen hem te ontmoeten dan gij -denkt, ten minste zoo gij er werkelijk belang in stelt, om hem te -zien.” - -»Ik heb er groot belang bij.” - -»Wees dan maar gerust; weldra zult gij hem zien.” - -»Hoe dat?” - -»O, op een heel eenvoudige manier. Edelhart zet zijne vallen dicht bij -de mijne; ik houd er tegenwoordig een wakend oog op; maar hij kan niet -lang wegblijven.” - -»Dat geve God!” zeide de generaal aangedaan. - -»Zoodra hij terugkomt, zal ik hem waarschuwen, zoo gij dan uw kamp nog -niet verlaten hebt.” - -»Weet gij dan waar mijn troep kampeert?” - -»Wij weten alles in de woestijn,” antwoordde de jager glimlachend. - -»Belooft gij het mij?” - -»Gij hebt mijn woord, mijnheer.” - -»Ik dank u.” - -Op dit oogenblik verliet doña Luz de hut, na den Zwarten Eland een -teeken gegeven te hebben, dat hij zwijgen zou; de generaal haastte zich -haar te volgen. - -De reizigers bestegen hunne paarden weder, en na de jagers voor hunne -gulle ontvangst te hebben dank gezegd, namen zij den terugtocht aan -naar het kamp. - - - - - - - -XVI. - -VERRAAD. - - -De terugtocht was niet vroolijk. De generaal was nog geheel vervuld van -het onderhoud, dat hij met den jager gehad had. Doña Luz dacht aan de -waarschuwing die haar gegeven was. De gids, gebelgd over de -afzonderlijke gesprekken van den Zwarten Eland met het meisje en met -den generaal, had een geheim voorgevoel, dat hem tot voorzichtigheid -aanspoorde. De twee Lanceros alleen liepen onbekommerd voort; zij -kenden het drama niet dat om hen gespeeld werd, en dachten aan niets, -als aan de rust die hen in het kamp wachtte. - -De Babbelaar wierp gedurig onrustige blikken om zich heen, als zocht -hij hulp en versterking te midden der dichte struiken, door welke de -kleine troep zich zwijgend een weg baande. - -De dag liep ten einde; de zon zou weldra ondergaan; de geheimzinnige -gasten van het woud lieten reeds van tijd tot tijd hun dof gebrul -hooren. - -»Zijn wij nog ver van het kamp?” vroeg de generaal eensklaps. - -»Neen,” antwoordde de gids, »nauwelijks een uur.” - -»Verhaasten wij onze schreden dan; ik wil in dit donkere bosch niet -door den nacht overvallen worden.” - -De troep nam een versnelden pas aan, die hen in minder dan een half -uur, bij de voorste wallen van het kamp bracht. Kapitein Aguilar en de -doctor kwamen de reizigers bij hunne aankomst te gemoet. Het avondmaal -was gereed gemaakt, en wachtte reeds lang op hen. Men zette zich aan -tafel. Maar de treurigheid, die zich sedert eenige uren van den -generaal en zijne nicht scheen te hebben meester gemaakt, nam eer toe -dan af. Het tafelgesprek leed er onder; ieder at haastig zonder een -woord te zeggen. Toen men gedaan had, ging men onder voorwendsel van -vermoeid te zijn uiteen, schijnbaar om zich aan de rust over te geven, -maar in werkelijkheid om alleen te zijn en na te denken over de -gebeurtenissen van den dag. - -De gids van zijn kant was niet veel beter op zijn gemak; een slecht -geweten is, zooals een wijs man gezegd heeft, de verdrietigste -slaapkameraad dien men hebben kan, de Babbelaar nu had het slechtste -van alle slechte gewetens; ook gevoelde hij volstrekt geen lust om te -slapen. Hij wandelde in het kamp op en neder, en zocht te vergeefs in -zijn onrustig gemoed naar eenig middel, om zich uit de moeielijkheid te -redden waarin hij zich gewikkeld zag. Maar hoe hij zijn best deed om -zijne verbeeldingskracht op te wekken, niets bracht zijn argwaan tot -rust. - -Het was intusschen geheel nacht geworden; de maan was ondergegaan; een -dikke duisternis overdekte het kamp. Iedereen sliep of scheen te -slapen; de gids alleen, die de eerste wacht op zich had genomen, zat -wakend op de bagage; de armen over de borst gekruist, en strak voor -zich uitziende, verdiepte hij zich hoe langer hoe meer in sombere -droomerijen. Eensklaps werd er een hand op zijn schouders gelegd, en -prevelde eene stem dit ééne woord in zijn oor: - -»Kennedy!” - -De gids, rijkelijk voorzien van die tegenwoordigheid van geest en die -onverstoorbare koelbloedigheid, die den Indianen en mestiezen nooit -begeven, wierp een wantrouwenden blik om zich heen, ten einde zich te -verzekeren, dat hij niet bespied werd; vervolgens greep hij de hand die -nog altijd op zijn schouder rustte, en voerde den persoon, die hem had -toegesproken, en die hem zonder tegenspraak volgde, met zich in een -afgelegen hoek, waar hij zeker meende te kunnen zijn tegen elken -overval. - -Op het oogenblik dat de twee mannen de tent voorbij gingen, werden de -gordijnen zachtkens opgeslagen, om een schaduw door te laten, die hen -zwijgend begon te volgen. - -Toen zij zich achter de bagage verscholen en naast elkander geplaatst -hadden, om fluisterend te kunnen spreken, mompelde de gids: - -»Goddank! ik wachtte uw bezoek met ongeduld, Kennedy.” - -»Wist gij dan, dat ik komen moest?” antwoordde deze argwanend. - -»Neen, maar ik hoopte het.” - -»Is er nieuws?” - -»Ja, veel!” - -»Spreek en haast u.” - -»Dat zal ik doen. Alles is verloren.” - -»Zoo! wat meent gij?” - -»Van daag is de generaal, onder mijn geleide, naar....” - -»Ik weet het, ik heb u gezien.” - -»Vervloekt! waarom hebt gij ons niet aangevallen?” - -»Wij waren met ons beiden.” - -»Ik zou de derde geweest zijn; het had dus gelijk gestaan, daar de -generaal slechts twee lanceros bij zich had.” - -»Ja, daar heb ik niet aan gedacht.” - -»Dat was verkeerd van u; het had alles afgeloopen kunnen zijn, terwijl -nu waarschijnlijk alles verloren is.” - -»Hoe dat?” - -»Wel, Caraï, dat is duidelijk; de generaal en zijn nicht hebben een -tijdlang met dien schijnheiligen Zwarten Eland staan praten; gij weet, -hij kent mij sinds lang, hij heeft hen zeker geraden, om mij te -wantrouwen.” - -»Waarom hebt gij ze ook naar den bevervijver gebracht?” - -»Kon ik weten, dat ik daar dien vervloekten jager tegen ’t lijf zou -loopen?” - -»In ons vak moet men op alles rekenen.” - -»Gij hebt gelijk, ik heb een fout begaan. Maar hoe het zij, het kwaad -is nu niet meer te herstellen, want ik heb een voorgevoel dat de Zwarte -Eland den generaal omtrent mij heeft ingelicht.” - -»Hm, dat is wel waarschijnlijk. Wat moeten wij dan doen?” - -»Zoodra mogelijk handelen, zoodat zij geen tijd hebben om op hun hoede -te zijn.” - -»Ik verlang niets anders, dat weet gij.” - -»Ja. Waar is de kapitein? Is hij terug?” - -»Van avond gekomen. Al onze manschappen zijn in de grot, wij zijn met -ons veertigen.” - -»Bravo! ach, waarom zijt gij niet met u allen gekomen, in plaats van -gij alleen; zie eens, welk een schoone gelegenheid gij hadt. Zij slapen -als rotten. Wij zouden hen in minder dan tien minuten in handen hebben -gehad.” - -»Gij hebt gelijk, maar men kan niet alles voorzien; bovendien, dat is -het niet, wat gij met den kapitein hebt afgesproken.” - -»Neen, dat beken ik. Maar waarom komt gij dan?” - -»Om u te waarschuwen, dat wij gereed zijn, en dat wij slechts op een -teeken van u wachten, om te handelen.” - -»Maar wat moet ik doen? Geef mij toch raad.” - -»Hoe, voor den duivel, wilt gij, dat ik u raden zal? weet ik wat er -hier omgaat, en moet ik u zeggen, hoe gij het moet aanleggen?” - -De gids dacht een oogenblik na, vervolgens hief hij het hoofd op en -keek strak in de lucht. - -»Luister,” hernam hij, »het is nog geen twee uur.” - -»Neen.” - -»Gij gaat weder naar de grot.” - -»Terstond?” - -»Ja.” - -»Goed. En dan?” - -»Gij zult aan den kapitein zeggen, dat, als hij het verlangt, ik hem -het meisje nog dezen nacht zal uitleveren.” - -»Hm, dat zal dunkt mij niet gemakkelijk zijn.” - -»Gij zijt een domoor.” - -»’t Is mogelijk; maar ik zie niet in waarom.” - -»Wacht dan maar. De wacht over het kamp is aldus verdeeld: over dag -staan de soldaten bij de borstweringen; maar daar zij aan het leven in -de prairiën niet gewoon zijn, en hunne hulp in den nacht meer kwaad dan -goed zou doen, zoo is aan mij en de andere gidsen de wacht opgedragen, -terwijl de soldaten rust nemen.” - -»Dat is zeer vernuftig uitgedacht,” zeide Kennedy lachend. - -»Niet waar? Gij klimt dus te paard; beneden aan den heuvel gekomen, -zullen zes der stoutmoedigste mannen zich bij mij voegen; met hunne -hulp neem ik de taak op mij, om, terwijl zij slapen, den generaal en al -de soldaten te binden.” - -»Dat is een heerlijk denkbeeld.” - -»Vindt gij?” - -»Ja zeker.” - -»Goed. Zijn die schelmen eens goed gekneveld, dan fluit ik, en de -kapitein komt met de rest van den troep. Laat hij het dan met het -meisje zien te vinden, dat gaat hem aan, ik bemoei er mij niet mede. -Hoe vindt gij dat?” - -»Uitmuntend.” - -»Op die wijze vermijden wij het vergieten van bloed en wij zelven komen -er ongedeerd af.” - -»Gij zijt voorzichtig.” - -»Ja, maar, mijn beste vriend, als men dergelijke zaken doet, die bij -welslagen groote voordeden aanbrengen, moet men het altijd zoo zien te -schikken, dat men alle kansen voor zich heeft.” - -»Goed gesproken, en bovendien, uw plan bevalt mij, en ik ga het zonder -dralen ten uitvoer brengen; maar laat ons eerst goed afspreken, om elk -misverstand te voorkomen.” - -»Daar heb ik niets tegen.” - -»Als de kapitein, gelijk ik wel denk, uw heerlijk en onfeilbaar plan -goedkeurt, dan zal ik, zoodra wij aan den voet van den heuvel zijn, met -zes onverschrokken kerels, die ik zelf zal uitkiezen, naar boven gaan. -Van welken kant zal ik het kamp binnen dringen?” - -»Wel, van denzelfden kant, waarvan gij nu gekomen zijt.” - -»En gij, waar zult gij zijn?” - -»Bij den ingang; gereed om u te helpen.” - -»Goed. Nu is alles afgesproken. Hebt gij mij niets meer te zeggen?” - -»Neen, niets.” - -»Dan ga ik weg.” - -»Ja, hoe eer hoe beter.” - -»Gij hebt altijd gelijk. Geleid mij tot aan de plaats, waar ik uit het -kamp kan komen, het is zoo donker dat, als ik alleen ga, ik licht zou -kunnen verdwalen, en in aanraking komen met een slapenden soldaat, -hetgeen ons minder goed zou dienen.” - -»Geef mij de hand.” - -»Zie daar.” - -De twee mannen stonden op en wilden heengaan; maar op hetzelfde -oogenblik plaatste zich een schaduw tusschen hen beiden, en riep een -krachtige stem hun toe: - -»Verraders, gij zult sterven!” - -Ondanks al hunne zelfbeheersching, bleven de beide mannen een oogenblik -versteend van schrik staan. Zonder hun den tijd te geven om hunne -tegenwoordigheid van geest terug te erlangen, schoot de persoon, die -gesproken had twee pistolen op hen af. De ongelukkigen gaven een luiden -gil; de een viel, de andere sprong op als een tijgerkat, klom tegen de -borstwering op, en verdween, eer men den tijd had om ten tweedemale op -hem los te branden. - -De generaal en kapitein Aguilar verschenen het eerst op de plaats, waar -het bovenvermelde tooneel had plaats gehad. Zij vonden doña Luz met -twee pistolen in de hand, terwijl aan hare voeten een man zich -krampachtig rondwentelde. - -»Wat beteekent dat, lieve nicht? Wat is er gebeurd? in Gods naam, zijt -gij gewond?” vroeg de generaal beangst. - -»Herstel u, oom; ik ben niet gewond,” antwoordde het meisje, »maar ik -heb een verrader gestraft. Twee ellendelingen smeedden in het donker -eene samenzwering tegen onze gemeenschappelijke veiligheid; de een is -ontsnapt, maar ik geloof dat deze er minder goed afgekomen is.” - -De generaal boog zich over den schelm heen. Bij het licht der toorts, -die hij in de hand droeg, herkende hij Kennedy, denzelfden gids, die -volgens den Babbelaar, levend verbrand zou zijn, bij gelegenheid van -den brand der prairie. - -»O, o!” zeide hij, »wat beteekent dat?” - -»Dat beteekent, oom,” antwoordde het meisje, »dat zoo God ons niet te -hulp ware gekomen, wij dezen nacht door een troep bandieten, die niet -ver van hier in hinderlaag ligt, zouden overvallen zijn.” - -»Laat ons dan geen tijd verliezen.” - -De generaal, geholpen door kapitein Aguilar, haastte zich nu om alles -tot een geduchten tegenstand gereed te maken, ingeval men een aanval -wagen mocht. - -De Babbelaar was gevlucht, maar een breed spoor van bloed bewees, dat -hij zwaar gekwetst was. Zoo het dag ware geweest, zou men gepoogd -hebben hem te vervolgen, en misschien zou men hem hebben kunnen -inhalen; maar te midden der duisternis, en zonder te weten of de vijand -niet in de nabijheid in hinderlaag lag, wilde de generaal niet dat -zijne soldaten zich buiten het kamp waagden. Hij liet liever den -Babbelaar deze kans op redding behouden. Wat Kennedy betrof, die was -dood. - -Zoodra het eerste oogenblik voorbij was, gevoelde doña Luz, thans niet -meer door het dreigend gevaar staande gehouden, dat zij eene vrouw was. -Hare geestkracht verflauwde, hare oogen vielen toe, eene zenuwachtige -trilling ging haar door al de leden, zij wankelde, en zij zou zeker -gevallen zijn, zoo de doctor haar niet in zijne armen had opgevangen. - -Hij bracht haar half in zwijm onder de tent, en bewees haar al de -zorgen, die haar toestand vereischte. Het meisje kwam langzamerhand -bij, hare kalmte keerde terug, en er kwam weder orde in den gang van -hare denkbeelden. Zich den raad herinnerende, dien de Zwarte Eland haar -dienzelfden dag gegeven had, dacht zij, dat nu het oogenblik daar was, -om hem zijne belofte in het geheugen te roepen, en zij gaf den doctor -een teeken om naderbij te komen. - -»Beste doctor,” zeide zij met een zachte stem, »wilt gij mij een groote -dienst bewijzen?” - -»Beschik over mij, Señorita.” - -»Kent gij een pelsjager, de Zwarte Eland geheeten?” - -»Ja, zijne hut staat niet ver van hier, bij een bevervijver.” - -»Juist; welnu doctor, dien moest gij eens, zoodra het dag is, uit mijn -naam gaan opzoeken.” - -»Waarom, Señorita?” - -»Ik bid er u om,” zeide zij vleiend. - -»O, dan kunt gij gerust zijn, dan zal ik gaan,” antwoordde hij. - -»Ik dank u.” - -»Wat zal ik hem zeggen?” - -»Gij zult hem vertellen, wat hier van nacht is voorgevallen.” - -»Sakkerloot!” - -»En dan zult gij er bijvoegen, onthoud die woorden goed, want gij moet -ze letterlijk herhalen....” - -»Ik ben geheel gehoor, ik zal ze in mijn geheugen opschrijven.” - -»Zwarte Eland, het uur is gekomen. Gij hebt mij begrepen, niet waar?” - -»Volkomen, Señorita.” - -»Zweert gij, te zullen doen wat ik u vraag?” - -»Ik zweer het u,” zeide hij plechtig, »bij zonsopgang zal ik den jager -opzoeken, hem verhalen, wat er van nacht is voorgevallen, en er -bijvoegen: Zwarte Eland, het uur is gekomen. Is dat al wat gij van mij -verlangt?” - -»Ja. alles, beste doctor.” - -»Welnu, slaap dan maar gerust, Señorita, ik zweer u bij mijn eer, dat -het geschieden zal.” - -»Ik dank u,” fluisterde het meisje, hem met een glimlach de hand -drukkende. - -En overstelpt door de vreeselijke aandoeningen van dien nacht viel zij -op haar bed, waar zij weldra een rustigen en verkwikkenden slaap -genoot. - -Bij het aanbreken van den dag, in weerwil van de aanmerkingen van den -generaal, die hem te vergeefs trachtte te beletten om heen te gaan, -uithoofde van de gevaren waaraan hij zich zou blootstellen, verliet de -waardige geleerde, die al wat zijn vriend tot hem zeide met een -ontkennend hoofdschudden beantwoordde, en zonder eenige reden voor -zijne hardnekkigheid op te geven, het kamp, en reed zoo hard hij kon -van den heuvel naar beneden. Zoodra hij in het woud was, gaf hij zijn -paard nogmaals de sporen en wendde zich in galop naar de hut van den -Zwarten Eland. - - - - - - - -XVII. - -DE ARENDSKOP. - - -De Arendskop was een even voorzichtig als moedig opperhoofd; hij wist, -dat hij alles van de Amerikanen te vreezen had, zoo hij zijn spoor niet -geheel kon doen verdwijnen. Hij verzuimde dan ook niets om, na den -gelukkigen aanslag tegen de nieuwe ontginning der blanken, aan de -oevers der groote Canadasche rivier, zijn troep in veiligheid te -stellen tegen de geduchte weêrwraak, die hem wachtte. - -Men kan zich geen denkbeeld maken van het door de Indianen ontwikkelde -talent, als het hun te doen is om hun spoor te verbergen. Twintig malen -komen zij op dezelfde plaats terug, en verwarren de sporen van hun -doortocht zoodanig onder elkander, dat zij eindelijk onherkenbaar -worden; geen bijzonderheid ontgaat hun; zij loopen in elkanders -voetstappen om hun aantal te verbergen; dagen achtereen volgen zij den -stroom van eene beek, terwijl het water hun soms tot de heupen reikt; -ja, zij drijven hunne voorzichtigheid en hun geduld vaak zoo ver, dat -zij met de hand, en als het ware stap voor stap, de schreden -uitwisschen, die hen aan de helderziende en belangstellende oogen -hunner vijanden zouden kunnen verraden. - -De Slangen-stam, waartoe de krijgslieden, onder het bevel van den -Arendskop, behoorden, was ten getale van ongeveer vijf honderd man in -de prairiën doorgedrongen, hetzij om op bisons te jagen of om slag te -leveren aan de Pawnies en Sious, tegen welke zij onophoudelijk krijg -voerden. - -Het deel van den Arendskop, zoodra de veldtocht was afgeloopen, was om -zich onmiddellijk bij zijne broeders aan te sluiten, ten einde den buit -door hem bij de verovering van het dorp gemaakt, in veiligheid te -brengen en zich aan het hoofd te stellen van een groote -krijgsonderneming, die zijn stam in den zin had tegen de in de prairiën -verstrooide blanke jagers en mestiezen, die door de Indianen met reden -als hunne onverzoenlijke vijanden werden beschouwd. - -Ondanks de menigte voorzorgen, door het opperhoofd aangewend, ging de -troep snel vooruit. Op den avond van den zesden dag na de verwoesting -van het fort, hielden de Comanchen halt aan de oevers van een kleine -rivier zonder naam, gelijk er in deze streken vele zijn, en maakten zij -zich gereed om aldaar des nachts te kampeeren. Niets is eenvoudiger dan -een Indiaansch kamp op den voet van oorlog. De paarden worden -vastgebonden, zoodat zij niet kunnen wegloopen; als men geen aanval -vreest, steekt men vuur aan; in het tegenovergestelde geval, schikt -ieder zich zoo goed hij kan om te eten en te slapen. - -Na hun vertrek van het fort, had niets bij de Comanchen het vermoeden -opgewekt, dat zij achtervolgd of bespied werden, hunne spionnen hadden -geen enkel verdacht spoor ontdekt. Zij bevonden zich op geringen -afstand van het kamp van hun stam, hunne veiligheid liet dus niets te -wenschen over. De Arendskop liet vuur aanleggen, en plaatste zelf de -schildwachten, om voor allen te waken. - -Toen hij deze maatregelen genomen had, zette de hoofdman zich tegen een -ebbenboom, nam zijn calumet en beval dat de grijsaard en de Spaansche -vrouw zouden worden voorgebracht. Toen zij voor hem stonden, groette de -Arendskop den grijsaard hartelijk en bood hem zijn calumet aan, een -teeken van welwillendheid, dat de grijsaard aannam; zich tevens gereed -houdende, om de vragen te beantwoorden, die de Indiaan zonder twijfel -tot hem richten zou. Na eenige oogenblikken stilte nam deze werkelijk -het woord: - -»Heeft mijn broeder het goed bij de Roodhuiden?” vroeg hij. - -»Ik heb geen reden tot klagen, hoofdman!” antwoordde de Spanjaard; -»zoolang ik bij u was ben ik goed behandeld.” - -»Mijn broeder is een vriend,” zeide de Comanch plechtstatig. - -De grijsaard maakte een buiging. - -»Wij zijn eindelijk op onzen jachtgrond,” hernam het opperhoofd; »mijn -broeder Grijshoofd is vermoeid van een lang leven; hij past beter bij -het vuur van den raad, dan op een paard om op elands en bisons te -jagen: wat begeert mijn broeder?” - -»Hoofdman,” antwoordde de Spanjaard, »uwe woorden zijn waar; er was een -tijd toen ik, evenals ieder andere zoon der prairiën, dagen lang op de -jacht doorbracht, gezeten op een vurig en onstuimig ros, maar mijne -krachten zijn verdwenen, mijne ledematen hebben hunne buigzaamheid, en -mijne oogen hunne onfeilbaarheid verloren, ik deug niet meer voor eene -expeditie, hoe kort zij ook wezen moge.” - -»Goed,” zeide de Indiaan bedaard, dikke rookwolken uit neus en mond -blazende, »mijn broeder zegge aan zijn vriend, wat hij verlangt, en het -zal geschieden.” - -»Ik dank u, hoofdman, en ik zal van uw welwillend aanbod gebruik maken; -ik zou gelukkig zijn, zoo gij mij de middelen wildet verschaffen, om -mij ongehinderd naar eene plaats te begeven, waar zich menschen van -mijne kleur gevestigd hebben, en waar ik in vrede de weinige -levensdagen, die mij nog overblijven, kan doorbrengen.” - -»En waarom zou ik dat niet doen? niets is gemakkelijker; zoodra wij bij -onzen stam zullen gekomen zijn, zal aan het verlangen van mijn broeder -worden voldaan, aangezien hij niet bij zijn roode vrienden verkiest te -blijven.” - -Er volgde een oogenblik van stilte. De grijsaard, meenende dat het -onderhoud afgeloopen was, wilde zich verwijderen; de hoofdman gaf hem -een teeken, om te blijven. - -Na eenige oogenblikken schudde de Indiaan de asch uit zijne pijp, hing -haar aan zijn gordel, en op den Spanjaard een zonderlingen blik -slaande, zeide hij op droevigen toon: - -»Mijn broeder is gelukkig; ofschoon reeds vele winters oud, bewandelt -hij toch niet alleen het levenspad.” - -»Wat bedoelt de hoofdman?” vroeg de grijsaard; »ik begrijp hem niet.” - -»Mijn broeder heeft een huisgezin,” hernam de Comanch. - -»Helaas, mijn broeder bedriegt zich, ik sta alleen op de wereld.” - -»Wat zegt mijn broeder daar? heeft hij niet zijne gezellin bij zich?” - -Een treurige glimlach teekende zich op de dunne lippen van den -grijsaard. - -»Neen,” zeide hij, »ik heb geen levensgezellin.” - -»Wat is dan deze vrouw voor hem?” zeide de hoofdman met geveinsde -bewondering op de Spaansche dame wijzende, die stil en droevig naast -den grijsaard stond. - -»Die vrouw is mijne meesteres.” - -»Ooah! zou mijn broeder een slaaf zijn?” zeide de Comanch grijnzend. - -»Neen,” antwoordde de grijsaard fier, »ik ben niet de slaaf van deze -vrouw; ik ben haar trouwe dienaar.” - -»Ooah!” zeide de hoofdman, het hoofd schuddende, en hij begon over dit -antwoord na te denken. - -Maar de woorden van den Spanjaard kwamen den Indiaan geheel -onbegrijpelijk voor; de onderscheiding was hem al te fijn, hij kon haar -niet vatten. Na twee of drie minuten zwijgens, gaf hij zijne pogingen, -om dit voor hem onverklaarbare raadsel op te lossen, op. - -»Goed,” zeide hij, terwijl zich een spottende glimlach op zijn gelaat -vertoonde, »de vrouw zal met mijn broeder vertrekken.” - -»Dat heb ik altijd zoo begrepen,” antwoordde de Spanjaard. - -De reeds bejaarde vrouw, die tot hiertoe het stilzwijgen bewaard had, -meende nu dat het tijd was, om zich in het gesprek te mengen. - -»Ik bedank den hoofdman,” zeide zij, »doch daar hij zoo goed is, om -zich ter onzer beschikking te stellen, zou ik hem wel eene gunst willen -vragen.” - -»Mijne moeder spreke, mijne ooren zijn geopend.” - -»Ik heb een zoon, die een groot blank jager is; hij moet zich op dit -oogenblik in de prairie bevinden; als mijn broeder goed vond ons nog -eenige dagen bij zich te houden, dan zou het ons mogelijk zijn hem te -ontmoeten; onder zijne bescherming zouden wij niets te vreezen hebben.” - -Bij deze onvoorzichtige woorden maakte de Spanjaard eene beweging van -schrik. - -»Señorita,” zeide hij in zijne moedertaal, »pas op, dat....” - -»Stilte!” gebood de Indiaan. »Waarom spreekt mijn broeder voor mij in -een vreemde taal? is hij bang dat ik zijne woorden verstaan zal?” - -»O, hoofdman!” zeide de Spanjaard met een gebaar van ontkenning. - -»Dat mijn broeder dan mijne moeder met het bleeke gezicht niet -verhindere te spreken; zij spreekt tot het opperhoofd.” - -De grijsaard zweeg, maar een droevig voorgevoel beklemde zijne borst. - -Het Comanchenhoofd wist heel goed, met wie hij te doen had: hij speelde -met de twee Spanjaarden, gelijk de kat met de muis; maar zonder iets -van hetgeen er in hem omging te laten blijken, wendde hij zich tot de -vrouw en zich buigende met die instinctmatige beleefdheid, waardoor de -Indianen zich onderscheiden zeide hij: - -»Ooah! de zoon mijner moeder is een groot jager: des te beter.” - -Het hart der arme vrouw sprong op van vreugde. - -»Ja,” zeide zij verrukt, »het is een der dapperste pelsjagers uit de -prairiën van het westen.” - -»Ooah!” riep het opperhoofd, hoe langer hoe vriendelijker wordende; -»die beroemde krijgsman moet een geëerbiedigden naam hebben in de -prairiën?” - -De Spanjaard lag op de pijnbank; bedwongen door het oog van den -Comanch, wist hij geen middel om zijne meesteres te waarschuwen, dat -zij den naam van haar zoon niet zou uitspreken. - -»Zijn naam is wel bekend,” zeide de dame. - -»Och,” riep de grijsaard uit, »alle moeders zijn zoo; hare zonen zijn -altijd helden! Die, waarvan zij spreekt, ofschoon een uitmuntend jong -mensch, is niets meer dan een ander, zijn naam is stellig mijn broeder -nooit ter oore gekomen.” - -»Hoe weet mijn broeder dat?” zeide de Indiaan op hatelijken toon. - -»Ik vooronderstel het maar,” antwoordde de grijsaard; »of zoo mijn -broeder hem toevallig eens heeft hooren uitspreken, zal hij hem reeds -lang uit het geheugen zijn gegaan, en is het niet de moeite waard, dat -hij zich dien weder herinnere. Zoo mijn broeder het goed vindt, zullen -wij ons verwijderen; de dag is vermoeiend geweest, het uur der rust is -gekomen.” - -»Oogenblikkelijk,” zeide de Comanch zoetsappig, en zich tot de vrouw -wendende, vroeg hij haar met nadruk: »hoe heet de krijgsman der -bleekgezichten?” - -Maar de oude dame, bang geworden door de tusschenkomst van haar -dienaar, wiens trouw en voorzichtigheid zij kende, antwoordde niet, -inwendig gevoelende, dat zij een fout begaan had, en niet wetende, hoe -die te herstellen. - -»Hoort mijne moeder niet?” hernam het opperhoofd. - -»Waartoe u een naam gezegd, die naar alle waarschijnlijkheid u onbekend -is, en die in ieder geval u geen belang kan inboezemen? Zoo mijn -broeder het goed vindt, zal ik mij verwijderen.” - -»Neen, niet voor dat mijne moeder mij den naam gezegd heeft van haren -zoon den grooten krijgsman,” zeide de Comanch, de wenkbrauwen fronsende -en met kwalijk bedwongen toorn stampvoetende. De jager zag dat het -misliep; zijne partij was oogenblikkelijk gekozen. - -»Mijn broeder is een groot opperhoofd,” zeide hij, »al is zijn haar -bruin, zijne wijsheid is onmetelijk; ik ben zijn vriend, hij zal geen -misbruik willen maken van het toeval, dat de moeder van zijn vijand in -zijne handen geleverd heeft; de zoon van deze vrouw heet Edelhart.” - -»Ooah!” riep de Arendskop weder onheilspellend glimlachende, »dat wist -ik wel; waarom hebben de bleekmuilen twee tongen en twee harten en -zoeken zij altijd de Roodhuiden te bedriegen?” - -»Wij hebben niet gepoogd u te bedriegen, hoofdman.” - -»Dat gij, zoolang gij bij ons zijt, als kinderen van onzen stam -behandeld zijt geworden, is door mijn toedoen; ik ben het, die u het -leven heb gered.” - -»Dat is waar.” - -»Welnu, ik wil u toonen dat de Indianen niet vergeten; en dat zij goed -voor kwaad weten te vergelden. Deze wonden, die gij hier ziet, wie -heeft ze mij toegebracht? Edelhart. Wij zijn vijanden, zijne moeder is -in mijne macht, ik zou haar terstond aan den folterpaal kunnen binden, -dat zou mijn recht zijn.” - -De twee Spanjaarden bogen het hoofd. - -»De wet der prairiën zegt: Oog om oog, tand om tand! Luister goed naar -mij, Oude Eik: gedachtig aan onze oude vriendschap, sta ik u een -uitstel toe. Morgen met zonsopgang zult gij Edelhart gaan zoeken; zoo -hij binnen vier dagen zich niet in mijne handen is komen uitleveren, -zal zijne moeder sterven: mijne manschappen zullen haar levend aan den -folterpaal verbranden, en mijne broeders zullen zich oorlogfluitjes -snijden uit hare beenderen. Gaat, ik heb niets meer te zeggen.” - -De grijsaard viel voor het opperhoofd op de knieën, maar de -wraakzuchtige Indiaan schopte hem van zich en ging weg. - -»O, mevrouw,” mompelde de grijsaard wanhopig; »gij zijt verloren.” - -»Eén ding verzoek ik u, Eusébio,” zeide de moeder met tranen in de -oogen en een geroerde stem, »breng mijn zoon niet hier! Wat zegt het, -of ik sterf? heeft mijn leven helaas al niet lang genoeg geduurd?” - -De oude dienaar wierp een blik van bewondering op zijne meesteres. - -»Altijd dezelfde,” zeide hij met aandoening. - -»Het leven eener moeder behoort immers aan haar kind?” riep zij uit. - -De twee oude lieden vielen van smart overstelpt aan den voet van een -boom neder, en brachten den nacht door in het gebed tot God. - -De Arendskop scheen geen begrip te hebben van hunne wanhoop. - - - - - - - -XVIII. - -NO EUSÉBIO. - - -De voorzorgen, door den Arendskop genomen om zijn gang te verbergen, -mochten goed zijn voor zulke blanken, wier oogen minder geoefend zijn -dan die der partijgangers en jagers, en die weinig gewend aan de listen -der Indianen, zich in deze uitgestrekte wildernissen zonder gids bijna -niet weten te redden, maar voor mannen als Edelhart en Goedsmoeds waren -zij onvoldoende. Zij verloren bijna geen oogenblik het spoor uit het -oog. Gewoon aan de wendingen en bochten der Indiaansche krijgslieden, -lieten zij zich niet misleiden door de plotselinge teruggangen, de -omwendingen, de valsche halten, in een woord, door al die hindernissen, -waarmede de Comanchen hun weg hadden bezaaid. En bovendien was er iets, -waaraan de Indianen niet gedacht hadden, en dat even zeker de richting -aanwees, die zij gevolgd waren, als wanneer zij zorg gedragen hadden, -om die nauwkeurig af te bakenen. Wij hebben vroeger gezegd, dat de -jagers bij de puinhoopen eener hut een speurhond hadden gevonden, die -aan een boom was vastgemaakt en dat deze, zoodra hij vrij was, na -eenige liefkoozingen aan Goedsmoeds te hebben geschonken, het op een -loopen had gezet, met den neus in den wind, om zijn meester te -achterhalen, die geen ander was als de oude Spanjaard; en hij bereikte -hem inderdaad. De sporen van den hond, die de Indianen verzuimden uit -te wisschen, om de eenvoudige reden dat zij niet wisten dat hij hen -volgde, waren overal te zien, en voor zulke behendige jagers als -Edelhart en Goedsmoeds was dit een draad van Ariadne, dien niets kon -breken. De jagers reden dus in stilte voort, met het geweer in den -zadel vastgemaakt, gevolgd door hunne rastreros (spoorzoekers, hier de -speurhonden) achter de Comanchen, die geenszins vermoedden, dat zij -zulk een achterhoede hadden. Iederen avond hield Edelhart halt, juist -op dezelfde plek, waar de Arendskop een dag te voren zijn bivouak had -opgeslagen, want de haast waarmede de beide mannen voortgingen was zóó -groot, dat de Indianen hun slechts eenige mijlen vooruit waren; zij -zouden hen gemakkelijk hebben ingehaald, indien zulks in het plan der -jagers gelegen had. Maar om zekere redenen wilde Edelhart hen liever -nog eenigen tijd op den voet volgen. - -Nadat zij in den nacht in een opene plaats in het bosch, aan de oevers -van een frissche beek, wier zacht gemurmel hen in slaap gewiegd had, -hadden doorgebracht, maakten zich de jagers gereed om verder te gaan; -hunne paarden waren gezadeld, en zij aten staande een stuk -elandvleesch, toen Edelhart, die den geheelen morgen den mond niet -geopend had, zich tot zijn makker wendde, met de woorden: - -»Laten wij een oogenblik gaan zitten; niets dringt ons, om ons te -haasten, daar de Arendskop bij zijn stam is aangeland.” - -»Dat is waar,” antwoordde Goedsmoeds, terwijl hij zich op het gras -nedervlijde; »wij kunnen wel wat praten.” - -»Nu, heb ik het niet geraden, dat die vervloekte Comanchen een -krijgsbende in de nabijheid hadden? Wij kunnen er niet aan denken, om -met ons tweeën ons meester te maken van een kamp, waarin zich -vijfhonderd krijgslieden bevinden.” - -»Gij hebt gelijk,” zeide Goedsmoeds wijsgeerig, »daar zijn er heel -veel; maar, gij weet, beste vriend, en anders zegt uw hart het u, wij -kunnen er altijd de proef van nemen, men weet nooit wat er gebeuren -kan.” - -»Dank u,” zeide Edelhart glimlachend, »maar ik geloof, dat het -nutteloos zal zijn.” - -»Nu, zooals gij wilt.” - -»List alleen zal ons baten.” - -»Verzinnen wij dan een list, ik ben tot uw orders.” - -»Hebben wij geen vallen hier in de nabijheid?” - -»Hemel, ja, geen halve mijl hier van daan, bij den grooten -bevervijver.” - -»Juist, ik weet niet meer, waarover ik sinds eenige dagen denk; ziet -gij, Goedsmoeds, die gevangenschap van mijne moeder maakt mij gek, ik -moet haar bevrijden, het koste wat het wil.” - -»Dat is ook mijn gevoelen, Edelhart, en ik zal u met al mijne kracht -bijstaan.” - -»Morgen, bij het aanbreken van den dag moet gij eens naar den Zwarten -Eland gaan, en hem uit mijn naam verzoeken, zooveel blanke jagers -bijeen te verzamelen als hij maar kan.” - -»Zeer goed.” - -»In dien tusschentijd zal ik naar het kamp der Comanchen gaan, om over -den losprijs mijner moeder te spreken; zoo zij haar mij niet willen -uitleveren, zullen wij onze toevlucht tot de wapenen nemen, en wij -zullen eens zien, of een twintigtal van de beste karabijnen het niet -winnen zullen van die vijfhonderd roovers der prairiën.” - -»En zoo zij u gevangen nemen?” - -»In dat geval zal ik u mijn hond zenden, die zich in de grot bij de -rivier bij u zal voegen; als gij hem alleen ziet komen, dan weet gij -wat het zeggen wil, en gij kunt dan dienovereenkomstig handelen.” - -De Canadees schudde bedenkelijk het hoofd. - -»Neen,” zeide hij, »dat zal ik niet doen.” - -»Hoe! zult gij dat niet doen?” riep de jager verbaasd uit. - -»Zeker niet; neen, ik zal het niet doen, Edelhart. Bij u vergeleken, -die zoo dapper en verstandig zijt, beteeken ik heel weinig, dat weet -ik, maar ik heb toch een goede eigenschap, die niemand mij ontnemen -zal, en dat is mijne genegenheid voor u.” - -»Ik weet het, mijn vriend, gij hebt mij lief als een broeder.” - -»En gij wilt, dat ik u, gelijk men in mijn land zegt, aan gene zijde -van de groote meren, onbekommerd den neus zal laten steken in het hol -van den wolf, of nog erger, want mijne vergelijking is vernederend voor -de wolven, de Indianen zijn duizendmaal bloeddorstiger! Neen, ik -herhaal het u, ik zal het niet doen; het zou een slechte daad zijn, en -als u iets overkwam, dan zou ik het mijzelven niet vergeven.” - -»Verklaar u, Goedsmoeds,” zeide Edelhart ongeduldig; »op mijn eer ik -kan u onmogelijk begrijpen.” - -»O, dat is toch gemakkelijk genoeg,” antwoordde de Canadees; »al heb ik -weinig geest en al ben ik geen groot redenaar, ik heb toch gezond -verstand, en ik kan goed uit mijne oogen zien, als het iemand geldt, -dien ik lief heb; ik heb niemand meer lief dan u, nu mijn vader dood -is.” - -»Spreek, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, »en vergeef mij de -ongeduldige drift, waaraan ik een oogenblik geen weerstand kon bieden.” - -Goedsmoeds dacht even na, en hervatte toen: - -»Gij weet dat de grootste vijanden, die wij in de prairie hebben, de -Comanchen zijn; door een onverklaarbaar toeval hebben wij altijd met -hen te strijden gehad, en nooit hebben zij zich kunnen beroemen het -minste voordeel op ons behaald te hebben; van daar tusschen hen en ons -een onverzoenlijke haat, die in de laatste dagen nog is toegenomen door -onze geschillen met den Arendskop, wien gij zoo slim of zoo dom zijt -geweest slechts een arm te breken, toen het u zoo gemakkelijk viel hem -den kop te verpletteren, eene aardigheid, die, ik ben er zeker van, het -Comanchenhoofd u zeer kwalijk genomen heeft, en hij u nooit zal -vergeven; overigens beken ik, dat ik in zijne plaats volkomen dezelfde -gevoelens zou hebben aangekleefd, en dat ik daarom niet op hem gebeten -ben.” - -»Ter zake! ter zake!” viel Edelhart in. - -»De zaak is deze,” hernam Goedsmoeds zonder zich over het ongeduld van -zijn vriend te verwonderen: »de Arendskop zoekt op alle mogelijke wijze -uw hoofdhaar meester te worden; nu begrijpt gij, dat, zoo gij -onvoorzichtig genoeg zijt om u aan hem over te geven, hij de -gelegenheid zal te baat nemen om voor eens en voor altijd met u af te -rekenen.” - -»Maar,” antwoordde Edelhart, »mijne moeder is in zijne handen.” - -»Ja,” zeide Goedsmoeds, »maar dat weet hij niet; gij weet, mijn vriend, -dat de Indianen, enkele gevallen uitgezonderd, de vrouwen, die zij -machtig worden, uitstekend behandelen, en dat zij haar gewoonlijk de -grootste beleefdheden bewijzen.” - -»Dat is waar,” zeide de jager. - -»Nu dan, daar wel niemand aan den Arendskop zal zeggen dat zijne -gevangene uwe moeder is, zoo is zij, als men de ongerustheid, waarin -zij omtrent u verkeert, niet mederekent, onder de Roodhuiden even goed -bezorgd, alsof zij zich op het groote plein van Quebec bevond. Het is -dus onnoodig om eene roekeloosheid te begaan; laten wij een twintigtal -goede makkers bijeenroepen, en daarmede de Indianen bewaken; bij de -eerste gelegenheid, die zich zal aanbieden, zullen wij hen dapper op -het lijf vallen, wij dooden er zooveel mogelijk, en bevrijden uwe -moeder; ziedaar, geloof ik, de wijste partij, die wij kiezen kunnen; -wat denkt gij er van?” - -»Ik denk, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, hem de hand drukkende, -»dat gij het beste schepsel zijt van de wereld, dat uw raad goed is, en -dat ik hem zal opvolgen.” - -»Bravo!” riep Goedsmoeds verheugd; »dat noem ik taal.” - -»En nu...” zeide Edelhart opstaande. - -»Nu?” vroeg Goedsmoeds. - -»Bestijgen wij onze paarden, rijden om het indiaansche kamp heen, laten -ons niet van het spoor brengen, en gaan naar de hatto van onzen braven -vriend den Zwarten Eland, die een wijs man is, en ons zeker van dienst -zal zijn in de uitvoering van ons plan.” - -»Zooals gezegd is!” zeide Goedsmoeds vroolijk, terwijl hij in den zadel -sprong. - -De jagers verlieten de opene plaats en maakten een omweg, om het -indiaansche kamp te vermijden, waarvan men den rook op hoogstens twee -mijlen afstand gewaar werd; zij richtten zich toen naar de plaats, -waar, naar alle waarschijnlijkheid, de Zwarte Eland zich onledig hield -met zoo behendig mogelijk zijne strikken te spannen voor de bevers, die -merkwaardige dieren, waarvan doña Luz zooveel hield. Zoo reden zij te -naastenbij een uur lang, al lachend en pratend voort, want de -redeneeringen van Goedsmoeds hadden eindelijk Edelhart overtuigd, die, -de Indiaansche zeden grondig kennende, voor zijne moeder geen gevaar -vreesde, toen de honden eensklaps teekenen van onrust gaven, en luid -blaffend wegvlogen. - -»Wat scheelt er toch aan onze rastreros?” zeide Edelhart; »men zou -denken, dat zij een vriend geroken hebben.” - -»Hemel! zij hebben den Zwarten Eland uitgevonden, wij zullen ze stellig -in elkanders gezelschap vinden.” - -»’t Is mogelijk,” zeide de jager nadenkend, en zij reden voort. - -Na eenige oogenblikken bemerkten zij een ruiter, die zoo snel hij kon -op hen afkwam, omringd van de honden, die hem luid blaffend nasprongen. - -»Het is de Zwarte Eland niet!” riep Goedsmoeds. - -»Neen!” zeide Edelhart, »het is Nô Eusébio. Wat beteekent dat? hij is -alleen; zou er met mijne moeder iets gebeurd zijn?” - -»Laten wij ons reppen!” zeide Goedsmoeds, zijn paard de sporen gevende. -De jager volgde hem, ten prooi aan een doodelijken angst. - -De drie ruiters waren weldra bijeen. - -»Helaas! helaas!” riep de grijsaard met eene treurige stem. - -»Wat is er gebeurd, Nô Eusébio? spreek, in Godsnaam, spreek!” zeide -Edelhart. - -»Uw moeder! don Rafaël, uwe moeder!” - -»Nu, spreek!... spreek dan toch!” riep de jager angstig. - -»O, mijn God!” zeide de grijsaard, de armen ten hemel heffende, »het is -te laat!” - -»Spreek dan, in Godsnaam! gij doet mij sterven.” - -De grijsaard wierp hem een troosteloozen blik toe. - -»Don Rafaël,” zeide hij, »wees moedig, wees een man.” - -»Goede God! welk vreeselijk nieuws komt gij ons brengen?” - -»Uwe moeder is de gevangene van den Arendskop.” - -»Dat weet ik.” - -»Zoo gij van daag, ja dezen morgen nog, u zelven niet aan het -Comanchenhoofd hebt uitgeleverd....” - -»Dan?” - -»Dan zal zij levend verbrand worden!” - -»O!” gilde de jager; met een hartverscheurenden kreet. - -Zijn vriend ondersteunde hem, anders zou hij van zijn paard gevallen -zijn. - -»Maar,” vroeg Goedsmoeds, »zegt gij, dat zij van daag verbrand moet -worden, goede grijsaard?” - -»Van daag.” - -»Dus hebben wij nog den tijd?” - -»Helaas! bij zonsopgang zou het zijn, en zie eens,” zeide hij, naar de -lucht wijzende. - -»O,” riep Edelhart uit, op een toon, die onmogelijk is weêr te geven, -»ik zal mijne moeder redden!” - -En zich op zijn paard voorover buigende, verdween hij in duizelende -vaart. - -De anderen volgden hem. - -Plotseling keerde hij zich om, en riep tot Goedsmoeds: - -»Waar gaat gij heen?” - -»U helpen om uwe moeder te redden, of met u sterven.” - -»Kom dan mede!” antwoordde Edelhart, zijne sporen in de bloedende -zijden van zijn paard drukkende. - -Er was iets vreeselijks en verschrikkelijks in de dolle vaart van die -drie mannen, die, allen op dezelfde lijn, met bleek voorhoofd, gesloten -lippen en bliksemende oogen, over stroomen en diepten heen, geen -hinderpalen ontziende, hunne paarden altijd bleven aanvuren, zonder -zich een oogenblik rust te gunnen. Bij tusschenpoozen liet Edelhart het -aan de Mexicaansche Gineten eigenaardig geschreeuw hooren, en de -verhitte paarden verdubbelden hun spoed. - -»Mijn God, mijn God!” herhaalde de jager, met een doffe stem, »red! red -mijne moeder!” - - - - - - - -XIX. - -DE RAAD DER OPPERHOOFDEN. - - -Niettegenstaande het onstuimig gesprek dat hij met Nô Eusébio gevoerd -had, ging de Arendskop toch voort met zijne gevangene zoo zacht -mogelijk te behandelen, en zich met eene kieschheid jegens haar te -gedragen, die men geenszins verwachten zou van menschen, welke, volgens -onze meening, zonder eenige geldige reden onder den naam van Wilden -bekend staan. In het algemeen toch verdient de wijze waarop de Indianen -met hunne gevangenen omgaan, eer geprezen dan gelaakt te worden, daar -zij, wel verre van hen zonder oorzaak te martelen en te kwellen, gelijk -velen het elkander hebben nagezegd, hun veeleer de grootst mogelijke -beleefdheid bewijzen, en in zeker opzicht medelijden hebben met hun -ongeluk. - -In de omstandigheden, waarvan wij spreken, was het besluit van den -Arendskop, ten opzichte van Edelharts moeder, slechts eene -uitzondering, waarvan de oorzaak moet worden toegeschreven aan den -doodelijken haat, dien het Indiaansche opperhoofd den jager toedroeg. - -De scheiding der twee gevangenen was pijnlijk en hartverscheurend; de -oude dienaar vertrok wanhopig om den jager te zoeken, terwijl de arme -moeder met een gebroken hart de Comanchen volgde. - -Den volgenden dag kwam de Arendskop op de door de opperhoofden der -natie vastgestelde plaats; de geheele stam was bijeen. - -Niets is zonderlinger en schilderachtiger dan het gezicht van een -Indiaansch kamp. Als de Roodhuiden op een jacht- of krijgsonderneming -uit zijn, richten zij op de plaats, waar zij halt houden, tenten op van -bisonvellen, die over kruiselings in den grond gestoken palen zijn -uitgespannen, deze tenten, waarvan de vloer met aardkluiten overdekt -is, hebben alleen van boven eene opening, om den rook door te laten, en -zonder welke zij onbewoonbaar zouden zijn. - -Het kamp had een levendig aanzien; de vrouwen kwamen en gingen, beladen -met hout en vleesch, of gezeten op door honden getrokken sleden, die al -haar rijkdommen bevatten; de krijgslieden zaten in de open lucht rondom -de vuren te rooken en te praten. Het was echter gemakkelijk te raden -dat er iets ongewoons werd voorbereid; want ondanks het vroege uur—de -zon was nog nauwelijks opgegaan—waren de voornaamste hoofden in de -raadstent bijeen, om aldaar, gelijk de ernstige uitdrukking van hun -gelaat te kennen gaf, een gewichtige zaak te bespreken. - -Het was de laatste dag van uitstel door den Arendskop aan Nô Eusébio -toegestaan. De Indiaansche krijgsman aan zijn haat getrouw en geen lust -hebbende zijn wraak uit te stellen, had de hoofden bijeengeroepen om -hunne goedkeuring te erlangen voor de uitvoering van zijn afschuwelijk -plan. - -Wij herhalen het hier, opdat men er zich niet in vergisse, de Indianen -begaan geen wreedheden, louter voor hun genoegen. De noodzakelijkheid -is hunne eerste wet; nooit geven zij bevel tot de marteling en -terdoodbrenging van een gevangene, allerminst wanneer deze eene vrouw -is, dan wanneer het belang der natie het eischt. - -Zoodra de hoofden om het vuur van de raadstent bijeen gezeten waren, -trad de pijpdrager in den kring, met een aangestoken calumet, boog -zich, onder het prevelen van een gebedje, naar alle vier de -hemelstreken, en bood de calumet aan het oudste opperhoofd aan, maar -zóó dat hij het roer in de hand hield. - -Toen de hoofden een voor een gerookt hadden, stootte de pijpdrager de -asch van de calumet in het vuur, en zeide: - -»Hoofden van den grooten Comanchenstam, moge Natosh (God) u wijsheid -geven, en moge het besluit, dat gij nemen gaat, met de eischen der -rechtvaardigheid overeenstemmen.” - -Daarna maakte hij een eerbiedige buiging en verwijderde zich. - -Er volgde een oogenblik stilte; ieder overpeinsde de zoo uitgesprokene -woorden. - -Eindelijk stond de oudste op. Het was een eerwaardige grijsaard, wiens -lichaam met tallooze lidteekenen was bezaaid, en die onder de zijnen -een grooten naam van wijsheid bezat. Hij heette Eshis—de zon. - -»Mijn zoon de Arendskop,” zeide hij, »heeft een belangrijke mededeeling -te doen aan den raad der hoofden: hij spreke derhalve, onze ooren zijn -geopend; de Arendskop is een krijgsman, even wijs als dapper; zijne -woorden zullen met eerbied door ons worden aangehoord.” - -»Ik dank u,” antwoordde de krijgsman; »mijn vader is de wijsheid zelve. -Natosh heeft niets voor hem verborgen.” - -De hoofden bogen. - -De Arendskop ging voort: - -»De bleekmuilen, onze eeuwige vijanden, vervolgen en kwellen ons -voortdurend, ons noodzakende een voor een onze beste jachtgronden te -verlaten, en gelijk bloode hinden in het diepste der bosschen de wijk -te nemen; velen hunner wagen het tot in de prairiën te komen, die ons -tot schuilplaats dienen, de bevers te strikken en op de elands en -bisons te jagen, die ons eigendom zijn. Deze menschen zonder trouw, het -uitvaagsel van hun volk, bestelen en vermoorden ons, als zij het -straffeloos doen kunnen. Is het billijk dat wij hunne rooverijen -uitstaan, zonder ons zelfs te beklagen? Zullen wij ons laten worgen als -vreesachtige ashahas, zonder zelfs een poging aan te wenden om ons te -wreken? Zegt de wet der prairiën niet: oog om oog, tand om tand? laat -mijn vader antwoorden, laten mijne broeders zeggen, of dat billijk is?” - -»De wraak is geoorloofd,” zeide de Zon; »zij is het onweêrsprekelijk -recht van den zwakke en onderdrukte, maar zij moet geëvenredigd zijn -aan de ontvangen beleediging.” - -»Goed! mijn vader heeft als een wijs man gesproken; wat denken mijne -broeders er van?” - -»De Zon kan niet liegen; al wat hij zegt is goed,” antwoordden de -hoofden. - -»Heeft mijn broeder zich over iemand te beklagen?” vroeg de grijsaard. - -»Ja,” hernam de Arendskop, »ik ben beleedigd door een blanken jager; -verscheidene malen heeft hij een aanval gedaan op mijn kamp; hij heeft -in eene hinderlaag verscheidene mijner jonge lieden gedood; ik zelf -ben, gelijk gij zien kunt, door hem gekwetst; de wond is nog niet eens -gesloten; die man, in één woord, is de wreedste vijand der Comanchen, -die hij als wilde dieren vervolgt en opjaagt, om zich te verlustigen in -hunne martelingen en naar hunne stervenskreten te luisteren.” - -Bij deze woorden, op een wegslependen toon uitgesproken, slaakte de -gansche vergadering een diepen zucht van verkropten toorn. De listige -hoofdman, begrijpende dat hij zijne zaak gewonnen had, ging voort -zonder in het minst de vreugde te laten blijken, die hem bezielde. - -»Ik zou,” zeide hij, »zoo het mij alleen gegolden had, die -beleedigingen, hoe zwaar zij ook mogen zijn, hebben kunnen vergeven, -maar het geldt hier een algemeenen vijand, een man die aan de natie den -ondergang gezworen heeft; en daarom, hoe pijnlijk het mij ook vallen -moge, mag ik niet aarzelen om hem te treffen in wat hem het dierbaarste -is. Zijne moeder is in mijne handen, ik heb geaarzeld haar op te -offeren, ik heb mij niet door mijn haat willen laten beheerschen, ik -heb rechtvaardig willen zijn, en toen het mij gemakkelijk viel deze -vrouw te dooden, heb ik liever willen wachten tot gij zelven, -eerwaardige hoofden van onzen stam, mij er bevel toe gaaft. Ik heb meer -gedaan, omdat het mij tegen de borst stuit nutteloos bloed te vergieten -en een onschuldige voor den schuldige te straffen; ik heb aan die vrouw -vier dagen uitstel gegund, om aan haar zoon de gelegenheid te schenken -haar te redden, door zich te komen aanbieden, om in hare plaats de -marteling te ondergaan. Een door mij gevangen genomen blanke is -uitgegaan om hem te zoeken; maar die man heeft het hart van een konijn, -die slechts moed bezit om weerlooze vijanden te vermoorden; hij is niet -gekomen, hij zal niet komen!.... Dezen morgen, bij het opgaan der zon, -is de tijd, tot uitstel gegund, verstreken. Waar is die man? hij is -niet verschenen!.... Wat zeggen mijne broeders? is mijn gedrag billijk, -moet ik berispt worden, of wel, zal die vrouw aan den martelpaal -gebonden worden, opdat de verschrikte bleeke dieven erkennen, dat de -Comanchen geduchte krijgslieden zijn, die geen hoon ongestraft laten? -Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, mannen?” - -Na afloop van dit lange pleidooi ging de Arendskop weêr zitten, en de -armen kruisende, wachtte hij met gebogen hoofd de beslissing der -hoofden af. - -Er volgde een vrij langdurig stilzwijgen; eindelijk stond de Zon op. - -»Mijn broeder heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne woorden zijn als -van een man, die zich niet door hartstocht laat overheerschen; al wat -hij zegt is billijk; de blanken, onze woeste vijanden leggen het op ons -verderf toe; hoe pijnlijk de straf dier vrouw ons moge vallen, zij is -noodzakelijk.” - -»Zij is noodzakelijk,” herhaalden de hoofden, het hoofd buigende. - -»Komt,” hernam de Zon, »maakt de noodige toebereidselen; geeft aan die -terdoodbrenging het aanzien van een zoenoffer en niet van eene wraak; -ieder moet overtuigd worden, dat de Comanchen niet voor hun genoegen de -vrouwen martelen, maar dat zij de schuldigen weten te straffen; ik heb -gezegd.” - -De hoofden stonden op, en na den grijsaard eerbiedig gegroet te hebben, -verwijderden zij zich. - -De Arendskop was geslaagd; hij zou zich wreken, zonder de -verantwoordelijkheid op zich te nemen van eene daad, waarvan hij al het -afschuwelijke had doorzien, maar die hij aan de hoofden zijner natie -had weten voor te stellen onder een schijn van billijkheid, waarover -hij zich inwendig bekommerde.—Men haastte zich de noodige -toebereidselen tot de strafoefening te maken. - -De vrouwen sneden dunne spaanders van esschenhout, om de veroordeelde -die onder de nagels te steken, anderen maakten van de takken der -vlierboomen een soort van lange zwavelstokken, terwijl de jongsten in -het woud bossen groen hout gingen zoeken ten einde haar langzaam te -verbranden en door den rook te doen stikken. - -Ondertusschen hadden de mannen den tot martelpaal bestemden boom geheel -van zijne schors ontdaan, en vervolgens met elandsvet, vermengd met -rooden oker, besmeerd; aan zijn voet hadden zij het hout van den -brandstapel opeengehoopt, en daarna had de wichelaar den boom door -middel van eenige geheimzinnige woorden bezworen, ten einde dien voor -het bestemde doel geschikt te maken. - -Toen deze toebereidselen gemaakt waren, werd de gevangene aan den voet -van den paal gebracht, en zonder nog vastgebonden te worden, -genoodzaakt om zich op den brandstapel neder te zetten; daarna begon de -scalpdans. - -De ongelukkige vrouw was oogenschijnlijk zeer kalm; zij had besloten -haar leven ten offer te brengen; niets van hetgeen er om haar heen -voorviel was meer in staat haar te ontroeren. Hare van koorts brandende -en met tranen gevulde oogen dwaalden doelloos over die menigte, die -haar als een hoop wilde dieren brullend omsingelde. Haar geest bleef -echter even waakzaam en even helder als in hare schoonste dagen. De -arme moeder had ééne vrees, die haar het hart verscheurde, meer dan de -duizend martelingen, die de Indianen haar deden ondergaan; zij vreesde, -dat haar zoon, gewaarschuwd omtrent het vreeselijk lot dat haar -bedreigde, zich aan zijne woeste vijanden zou komen uitleveren, om haar -te redden. - -Het minste gerucht opvangende, meende zij telkens de stappen van haar -zoon te vernemen, die haar ieder oogenblik kon te hulp snellen; haar -hart klopte van angst. Zij bad God uit het diepst van hare ziel, dat -zij mocht sterven in plaats van haar geliefd kind. - -De scalpdans werd met woede voortgezet. Een menigte groote, schoone, -prachtig uitgedoschte krijgslieden, met zwart gemaakte aangezichten, -zwaaiden bij paren om den paal heen, aangevoerd door zeven met trommels -en chicikouees gewapende muzikanten, die zich met rood en zwart hadden -besmeerd en vederen van nachtuilen op het hoofd droegen. De -krijgslieden hadden met vederen en roodlaken versierde geweren en -knodsen in de hand, waarmede zij al dansend den grond aanraakten. Zij -vormden een grooten halven kring om den paal; de andere helft van den -cirkel bestond uit dansende vrouwen. - -De Arendskop, die de krijgers aanvoerde, droeg een langen stok, aan het -bovenste uiteinde waarvan een scalp hing te wiegelen, overschaduwd door -de uitgespreide vleugelen van een opgezette ekster; een weinig lager -hing nog een scalp, de huid van een losch, en eenige vederen. - -Toen men aldus eenigen tijd gedanst had, plaatsten zich de muzikanten -aan weêrszijden der veroordeelde, en maakten een oorverdoovend geraas -door te gelijkertijd te zingen, en zoo hard zij konden, te trommelen en -de chicikouees te schudden. - -Deze dans duurde vrij lang en ging vergezeld met een afschuwelijk -gebrul, dat wel in staat was om de ongelukkige, aan wie zij aldus een -voorsmaak gaven van de vreeselijke martelingen, die haar wachtten, van -schrik krankzinnig te maken. - -Eindelijk raakte de Arendskop de veroordeelde met zijn stok even aan, -op dit teeken hield het geraas eensklaps op, de rijen werden verbroken, -ieder greep naar de wapenen. - -De doodstraf nam een aanvang. - - - - - - - -XX. - -DE MARTELING. - - -Zoodra de scalpdans ophield, schaarden de voornaamste krijgslieden zich -met de wapenen in de hand voor den paal, terwijl de vrouwen, vooral de -meer bejaarde, zich op de veroordeelde wierpen, haar uitscholden, haar -schopten, haar de haren uit het hoofd trokken, haar sloegen, terwijl -zij niet alleen geen den minsten tegenstand bood, maar zich zelfs niet -poogde te onttrekken aan de gruwelijke mishandelingen, die men haar -deed ondergaan. De ongelukkige vrouw verlangde slechts één ding, -namelijk dat er met de terdoodbrenging een begin zou worden gemaakt. -Zij had met koortsachtig ongeduld de bewegingen van den scalpdans -gevolgd, zoozeer vreesde zij dat haar geliefde zoon zou verschijnen om -zich tusschen haar en hare beulen te plaatsen. Evenals de oude -martelaars, beschuldigde zij uit grond van haar hart de Indianen, dat -zij in doellooze plechtigheden een kostbaren tijd lieten verloren gaan: -zoo zij er de kracht toe gehad had, zou zij hen over hunne -langzaamheid, en over de aarzeling, die zij schenen aan den dag te -leggen, om haar op te offeren, hebben berispt en uitgelachen. De -waarheid was deze, dat de Comanchen, huns ondanks en niettegenstaande -de straf hun billijk toescheen, een tegenzin hadden in het martelen van -een weerlooze vrouw, die reeds op jaren was, en hun noch middellijk -noch onmiddellijk ooit eenig leed had berokkend. - -De Arendskop zelf, in weerwil van zijn bitteren haat, ondervond een -heimelijk verwijt over de misdaad, die hij beging; en wel verre van de -laatste toebereidselen te verhaasten, maakte hij ze met een traagheid -en tegenzin, die hij onmogelijk te boven kon komen. - -Voor dappere mannen, die gewoon zijn de grootste gevaren te trotseeren, -is het altijd een onteerende daad, een zwak schepsel te martelen, die -geen ander middel heeft om zich te verdedigen dan hare tranen. Zoo het -een man ware geweest, zou men eenstemmig besloten hebben om hem -terstond aan den martelpaal te binden. - -De Indiaansche gevangenen lachen om alle folteringen; zij beleedigen -hunne beulen, en in hunne doodsliederen, verwijten zij aan hunne -overwinnaars hunne lafheid, hun gebrek aan ondervinding, hunne -onbekwaamheid om hunne slachtoffers te pijnigen; zij sommen hunne eigen -heldenfeiten op, berekenen het aantal vijanden, die zij hebben -gescalpeerd alvorens zelven te vallen, wekken eindelijk door hunne -spotternijen en hunne minachtende houding den toorn hunner beulen op, -en rechtvaardigen in zekere mate hunne wreedheid. - -Maar een zwakke vrouw, die zich zonder aarzelen aan haar lot overgeeft, -die zich als een lam ter slachtbank laat voeren, welk belang kan zulk -eene terdoodbrenging aanbieden? - -Men kan daarvan geen roem verwachten, maar integendeel slechts eene -algemeene afkeuring. - -De Comanchen begrepen dit, van daar hun tegenzin en hun talmen. Doch er -moest een eind aan komen. - -De Arendskop naderde de gevangene, en haar bevrijdende van de harpijen, -die haar kwelden, zeide hij op somberen toon: - -»Vrouw, ik heb mijn woord gehouden; uw zoon is niet gekomen, gij moet -sterven.” - -»Goddank!” zeide zij met een gebrokene stem, zich tegen een boomstam -aanleunende, om niet te vallen. - -De hoofdman zag haar aan, zonder haar te begrijpen. - -»Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar. - -»Neen,” hernam zij, op hem een blik slaande, zacht als die van een -engel, »hij zal mij welkom zijn; mijn leven is één lange doodstrijd -geweest, de dood is een weldaad voor mij.” - -»Maar uw zoon dan?” - -»Mijn zoon zal leven, als ik sterf; gij hebt het gezworen bij de -beenderen uwer vaderen.” - -»Ik heb het gezworen.” - -»Laat mij dan sterven.” - -»Zijn de vrouwen uwer natie dan gelijk aan de Indiaansche squaws, die -den dood zonder beven onder de oogen zien?” riep de hoofdman verbaasd. - -»Ja,” antwoordde zij aangedaan; »alle moeders verachten dien wanneer -het het welzijn harer kinderen geldt.” - -»Luister,” zeide de Indiaan, zijns ondanks door medelijden bewogen, »ik -ook, ik heb eene moeder, die ik liefheb, zoo gij het verlangt, zal ik -uw dood uitstellen tot zonsondergang.” - -»Waarom?” antwoordde zij met verschrikkelijken eenvoud; »neen, -krijgsman, zoo mijne smart u wezenlijk treft, dan is er maar ééne -gunst, die ik van u vraag.” - -»Spreek,” zeide hij levendig. - -»Laat mij terstond sterven.” - -»Maar zoo uw zoon dan eens kwam?” - -»Wat maakt dat? gij verlangt een offer, niet waar? Welnu, dat offer -staat voor u, gij kunt het naar uw genoegen martelen. Waarom geaarzeld? -laat mij sterven, zeg ik u.” - -»Aan uw verlangen zal voldaan worden,” zeide de Comanch treurig; -»vrouw, maak u gereed.” - -Zij boog het hoofd voorover op de borst, en wachtte. Op eenen wenk van -den Arendskop, grepen twee krijgslieden de gevangene aan en bonden haar -aan den paal vast. - -Toen nam het messenspel een aanvang; zie hier, waarin het bestaat: -ieder krijgsman neemt zijn scalpeermes met den duim en wijsvinger van -de rechterhand, en werpt het naar het slachtoffer op zulk eene wijs dat -het slechts lichte kwetsuren veroorzaakt. - -De Indianen, als zij iemand ter dood brengen, trachten de marteling zoo -lang mogelijk te rekken; zij geven hun vijand den genadeslag niet, -alvorens zij hem het leven langzaam, en als het ware lid voor lid -hebben ontnomen. - -De Indianen wierpen hunne messen met zulk eene bewonderenswaardige -behendigheid, dat allen de ongelukkige raakten, zonder dat één haar -ernstig wondde; maar toch stroomde haar bloed; zij had de oogen -gesloten, en geheel in zich zelve gekeerd, bad zij met warmte om den -laatsten doodelijken slag. - -De mannen, wien haar lichaam tot een mikpunt strekte, verhitten zich -langzamerhand; welgevallen in het ongewone schouwspel en zucht om hunne -behendigheid te toonen hadden weldra in hun hart het medelijden -verdrongen, dat zij in het eerst gevoelden. Zij gaven luidkeels hunne -toejuiching te kennen, en moedigden elkander lachend aan. In één woord, -het bloed, evenals altijd, ook bij de beschaafde volkeren, maakte hen -dronken; hunne eigenliefde was in het spel, ieder zocht zijn voorganger -te overtreffen, elke andere beschouwing werd vergeten. - -Toen allen hunne messen geworpen hadden, kwamen de behendigste -schutters van den stam, en wapenden zich met geweren. - -Ditmaal was er een vaste blik noodig, want een slecht gerichte kogel -kon aan de pijniging op eens een einde maken, en aan de omstanders het -verleidelijk schouwspel ontrooven waarvan zij zich zooveel genoegen -voorstelden. - -Bij ieder schot gaf het arme schepsel, geheel voorover gebogen, geen -ander teeken van leven als een zenuwachtige trilling door haar gansche -lichaam. - -»Laat ons er een eind aan maken,” zeide de Arendskop, wiens hart zijns -ondanks week werd door zooveel moed en zooveel zelfverloochening. »De -krijgslieden der Comanchen zijn geene jaguars, die vrouw heeft genoeg -geleden, laat zij sterven en laat het uit zijn.” - -Eenig gemompel liet zich hooren onder de squaws en onder de kinderen, -die het meest belust waren op de foltering der gevangene. Maar de -krijgslieden waren het met het opperhoofd eens; die doodstraf, zonder -de beleedigingen waarop het slachtoffer gewoonlijk zijne beulen -onthaalt, had voor hen geene aantrekkelijkheid, en bovendien schaamden -zij zich inwendig, dat zij zich zoo bloeddorstig aanstelden tegenover -eene vrouw. - -Men schold dus aan de ongelukkige eenige folteringen kwijt—de splinters -onder de nagels, de brandende zwavelstokken tusschen de vingers, het -honigmasker op het gelaat, en nog andere, te veel om op te noemen, en -men maakte den brandstapel gereed, waarop zij verbrand zou worden. - -Maar alvorens men tot dit laatste bedrijf van het bloedige treurspel -overging, maakte men de arme vrouw los; gedurende eenige oogenblikken -liet men haar adem scheppen, en zich herstellen van de vreeselijke -aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest. - -De ongelukkige zakte bewusteloos inéén. - -De Arendskop naderde haar. - -»Mijne moeder is kordaat,” zeide hij; »vele krijgslieden zouden zooveel -lijden niet met zooveel standvastigheid hebben doorgestaan.” - -Een flauwe glimlach teekende zich op hare lippen. - -»Ik heb een zoon,” antwoordde zij met een onuitsprekelijk zachten blik, -»het is voor hem dat ik lijd.” - -»Een krijgsman, die zulk eene moeder heeft, is wel gelukkig.” - -»Waarom zoudt gij mijnen dood uitstellen? Het is wreed aldus te -handelen; krijgslieden mogen geen vrouwen kwellen.” - -»Mijne moeder heeft gelijk, hare folteringen zijn geëindigd.” - -»Zal ik dan eindelijk sterven?” vroeg zij met een verruimd hart. - -»Ja, men maakt den brandstapel gereed.” - -Haars ondanks voer der arme vrouw eene huivering door al de leden, bij -het hooren van dit vreeselijk bericht. - -»Mij verbranden!” riep zij verschrikt uit, »waarom mij verbranden?” - -»Dat is het gebruik.” - -Zij liet haar hoofd in hare handen vallen, maar weldra herstelde zij -zich, en een bezielden blik ten hemel slaande, prevelde zij met -volkomen onderwerping: - -»Uw wil, o God, geschiede!” - -»Gevoelt mijne moeder zich sterk genoeg, om aan den folterpaal te -worden vastgebonden!” vroeg het opperhoofd met medelijden. - -»Ja,” zeide zij, zich krachtig opheffende. - -De Arendskop kon een kreet van bewondering niet weerhouden. De Indianen -beschouwen moed als de eerste deugd. - -»Kom,” zeide hij. - -De gevangene volgde hem met vasten tred; zij had al hare kracht -herkregen; eindelijk zou zij sterven. - -Het opperhoofd geleidde haar naar den folterpaal, waaraan zij ten -tweeden male werd vastgebonden; vóór haar stapelde men de bossen groen -hout op elkander, en op een gegeven teeken van den Arendskop stak men -ze aan. - -Het vuur had eerst veel moeite om door te breken, door de vochtigheid -van het hout, dat een dikken rook ontwikkelde; doch na eenige seconden -barstte de vlam uit, verspreidde zich langzamerhand, en verkreeg binnen -weinige minuten een groote uitgebreidheid. - -De ongelukkige vrouw kon een kreet van schrik niet bedwingen. - -Op hetzelfde oogenblik kwam midden in het kamp een ruiter in volle -vaart aanrennen; met één sprong was hij op den grond, en eer men het -hem beletten kon, verstrooide hij het hout van den brandstapel, en -sneed de banden van het slachtoffer door. - -»O, waarom zijt gij gekomen?” mompelde de arme moeder, in zijne armen -vallende. - -»Moeder! vergeef mij!” riep Edelhart in wanhoop uit; »mijn God! wat -hebt gij veel moeten lijden!” - -»Ga, ga, Rafaël!” herhaalde zij, hem met liefkoozingen overladende; -»laat mij in uwe plaats sterven, moet niet een moeder haar leven -overhebben voor haar kind?” - -»O, spreek zoo niet, moeder, gij zoudt mij krankzinnig maken,” zeide -hij, haar in zijne armen knellende. - -Maar de verwarring, door de plotselinge verschijning van Edelhart -verwekt, was spoedig voorbij; de Indiaansche krijgslieden hadden die -bedaardheid herkregen, die hen onder alles kenmerkt. - -De Arendskop naderde den jager. - -»Mijn broeder is welkom,” zeide hij; »ik wachtte hem niet meer.” - -»Hier ben ik; het was mij onmogelijk eerder te komen; mijne moeder is -vrij, denk ik.” - -»Zij is vrij.” - -»Kan zij gaan, waar zij wil?” - -»Waar zij wil.” - -»Neen,” riep de gevangene, zich kloekmoedig tegenover het opperhoofd -plaatsende, »het is te laat; ik ben het, die sterven moet; mijn zoon -heeft het recht niet, om mijne plaats in te nemen.” - -»Moeder, wat zegt gij?...” - -»Ik zeg wat billijk is, Rafaël,” hernam zij levendig; »het uur, waarop -gij komen moest, is voorbij; gij hebt het recht niet om hier te zijn, -en mijnen dood te verhinderen; verwijder u, verwijder u, Rafaël, ik -smeek er u om; laat mij sterven om u te redden,” voegde zij er bij, in -tranen smeltend en zich in zijne armen werpende. - -»Moeder,” antwoordde Edelhart, haar met liefkoozingen overladende, »uwe -liefde voor mij verblindt u; ik mag zulk eene misdaad niet laten -geschieden; neen, neen, ik alleen moet hier blijven!” - -»Mijn God, mijn God!” zeide de arme vrouw snikkend; »hij wil mij niet -begrijpen!... Ik zou zoo gelukkig zijn, als ik mocht sterven, om hem te -redden!” - -Overweldigd door al te sterke aandoeningen, viel de moeder bewusteloos -in de armen van haar zoon. - -Edelhart drukte een langen en teederen kus op haar voorhoofd, en haar -aan Nô Eusébio overgevende, die eenige minuten te voren ook was -aangekomen, zeide hij op doffen toon: - -»Ga! arme moeder; moogt gij gelukkig zijn, zoo het geluk voor u nog -bestaan kan, zonder uw kind.” - -De oude dienaar zuchtte, drukte met warmte de hand van Edelhart, en -zijne meesteres voor zich op den zadel plaatsende, wendde hij den -teugel en verliet langzaam het kamp, zonder dat iemand zich daartegen -verzette. - -Edelhart volgde zijne moeder met het oog, zoolang hij kon; vervolgens, -toen zij verdwenen was, en de hoefslag van het paard niet meer gehoord -werd, slaakte hij een doffen kreet, en streek zich met de hand over het -voorhoofd, terwijl hij prevelde: - -»Alles is gedaan! o God, waak over haar!” - -Toen zich tot de Indiaansche hoofden keerende, die hem stilzwijgend met -eerbied en bewondering aanstaarden, zeide hij met een krachtige stem en -vlammenden blik: - -»Comanchen, gij zijt allen lafaards! mannen, die een hart bezitten, -martelen geen vrouw!” - -De Arendskop glimlachte. - -»Wij zullen zien,” zeide hij spottend, »of de bleeke jager zoo dapper -is, als hij voorgeeft.” - -»Ik zal ten minste als een man weten te sterven!” antwoordde hij -trotsch. - -»De moeder van den jager is vrij.” - -»Ja. Welnu, wat wilt gij van mij?” - -»Een gevangene heeft geen wapenen.” - -»Dat is billijk,” zeide hij met een verachtelijken lach; »ik zal u de -mijne geven!” - -»Nog niet, als het u belieft, beste vriend,” riep eensklaps een -spottende stem. - -Goedsmoeds kwam te voorschijn. - -De jager had voor zich op den zadelboog een kind van vier of vijf jaar, -en een jonge, vrij schoone, Indiaansche vrouw, was stevig aan den -staart van zijn paard vastgebonden. - -»Mijn kind, mijne vrouw!” riep de Arendskop eensklaps verschrikt uit. - -»Ja,” hernam de jager spottend, »uw vrouw en uw kind, die ik -krijgsgevangen gemaakt heb; ha, ha, dat is een fraaie trek van mij, is -het niet?” - -Met één sprong, op een wenk van zijn vriend, had Edelhart zich van de -vrouw meester gemaakt, die van angst klappertandde, en bevreesde -blikken om zich heen wierp. - -»Nu,” hernam Goedsmoeds met een onheilspellenden glimlach, »laat ons nu -eens praten; ik geloof dat ik de kansen gelijk gemaakt heb, hé?” - -En hij zette den mond van zijn pistool op het voorhoofd van het -schuldelooze schepsel, dat op het voelen van het koude ijzer, akelig -begon te gillen. - -»O!” riep de Arendskop wanhopig, »mijn zoon! geef mij mijn zoon terug!” - -»En uwe vrouw, vergeet gij die?” antwoordde Goedsmoeds, spottend de -schouders ophalende. - -»Welke zijn uwe voorwaarden?” vroeg Edelhart. - - - - - - - - -II. - -OUAKTEHNO.—HIJ DIE DOODT. - - -I. - -EDELHART. - - -De verhouding was geheel omgekeerd. De jagers, die een oogenblik te -voren aan de genade der Indianen waren prijs gegeven, waren niet alleen -vrij, maar bevonden zich in zulk een toestand, dat zij strenge -voorwaarden konden stellen. Verscheidene geweren hadden zich naar den -Canadees gericht, verscheidene pijlen waren op hem aangelegd; maar op -een wenk van den Arendskop werden de geweren afgewend, en de pijlen in -de kokers geborgen. De smaad van door twee mannen voor den gek gehouden -te worden, die hen stoutmoedig in het midden van hun kamp braveerden, -deed den toorn der Comanchen opwellen. Zij erkenden de onmogelijkheid -van eene worsteling met hunne dappere tegenstanders. En inderdaad, wat -vermochten zij tegen die onverschrokken woudloopers, die hun leven voor -niets achtten? Hen dooden? Maar zoo zij vielen, zouden zij onmeedoogend -de gevangenen vermoorden, die men wilde redden. Het gevoel, dat bij de -Roodhuiden het sterkst ontwikkeld is, is de liefde voor het huisgezin. -Waar het zijne kinderen of zijne vrouw geldt, zal de bloeddorstigste -krijgsman niet aarzelen zich aan voorwaarden te onderwerpen, waartoe -anders de afschuwelijkste martelingen hem niet zouden kunnen dwingen. -Toen dan ook de Arendskop zijne vrouw en zijn zoon in de macht van -Goedsmoeds zag, dacht hij aan niets meer dan aan hun behoud. - -Van alle menschen zijn de Indianen misschien diegenen, die het -gemakkelijkst zich naar eene onvoorziene omstandigheid weten te -schikken. - -Het hoofd der Comanchen begroef den haat en den toorn, die hem -verteerden, in het diepst van zijn hart. Met een edele en ongedwongene -beweging wierp hij het kleed, dat hem tot mantel strekte, naar -achteren, en met een kalm gelaat en een glimlach op de lippen, naderde -hij de jagers. - -»Mijne bleeke broeders,” zeide het opperhoofd, »zijn vol wijsheid, -hoewel hunne haren nog zwart zijn; zij kennen al de listen die de -groote krijgslieden onderscheiden; zij hebben de slimheid van den bever -en den moed van den leeuw.” - -De beide mannen bogen stilzwijgend. - -De Arendskop ging voort. - -»Nademaal mijn broeder Edelhart, zich in het kamp van de Comanchen der -groote meren bevindt, zoo is eindelijk het uur gekomen dat de wolken -verdrijft, die tusschen hem en de Roodhuiden zijn opgerezen. Edelhart -is rechtvaardig; hij verklare zich zonder vrees; hij staat voor -vermaarde opperhoofden, die niet zullen aarzelen het ongelijk te -bekennen, dat zij hem hebben aangedaan.” - -»O, zoo!” antwoordde de Canadees; »de Arendskop is wel spoedig van -gevoelen omtrent ons veranderd; meent hij ons met ijdele woorden te -kunnen misleiden?” - -Het oog van den Indiaan schoot bliksemstralen; maar met de uiterste -krachtsinspanning gelukte het hem zich in te houden. - -Eensklaps plaatste zich een man vlak tusschen de beide sprekers in. Die -man was Eshis, de eerwaardigste krijgsman van den stam. - -De grijsaard verhief langzaam zijn arm. - -»Dat mijne kinderen luisteren,” zeide hij; »alles moet heden worden -opgelost; de bleeke jagers zullen in den raad de calumet rooken.” - -»Het geschiede alzoo,” zeide Edelhart. - -Op een teeken van de Zon, schaarden de voornaamste hoofden van den stam -zich om hem heen. - -Goedsmoeds was niet van houding veranderd, hij hield zich gereed, om -bij het minste verdachte teeken zijne gevangenen op te offeren. - -Toen de pijp de ronde gedaan had in den kring, die zich om de jagers -gevormd had, maakte de oude hoofdman een buiging voor de blanken, en -sprak hen aldus aan. - -»Krijgslieden, ik dank den Meester des levens daarvoor dat hij ons -Roodhuiden lief heeft, en dat hij ons heden deze mannen zendt, om hun -hart voor ons te openen. Schept moed, jonge lieden, laat geen zorg u -drukken, en jaagt den boozen geest verre van u. Wij hebben u lief, -Edelhart, wij hebben van uwe goedheid voor de Indianen hooren spreken. -Wij weten dat uw hart open is, en dat uwe aderen helder zijn als de -zon. Het is waar, dat wij, Indianen, ons verstand niet gebruiken, als -het vuur der geestdrift ons bezielt, en dat wij u in verschillende -omstandigheden hebben mishaagd. Maar wij hopen, dat gij er niet meer -aan denken zult, en dat, zoolang gij en wij in de prairiën zullen -wonen, wij aan elkanders zijde zullen jagen, gelijk het aan -krijgslieden, die elkander lief hebben en eerbiedigen, betaamt.” [3] -Edelhart antwoordde: - -»Gij, hoofden en leden van de natie der Comanchen van de groote meren, -wier oogen geopend zijn, ik hoop dat gij een luisterend oor verleenen -zult aan de woorden van mijnen mond. De Meester des levens heeft mijn -verstand geopend en woorden van vriendschap in mijne borst geblazen. -Mijn hart vloeit over van welwillende gevoelens voor u, voor uwe -vrouwen, voor uwe kinderen, en wat ik in dit oogenblik tot u zeg, komt -voort uit het hart van mijn vriend en van mij: nooit is in de prairie -mijne hatto gesloten geweest voor de jagers van uwe natie. Waarom doet -gij dan mij den oorlog aan? Waarom dan martelt gij mijne moeder, die -eene oude vrouw is? Waarom tracht gij mij van het leven te berooven? Ik -heb er een afkeer van, om het bloed der Indianen te vergieten; want ik -herhaal het u, ondanks al het kwaad, dat gij mij gedaan hebt, is mijn -hart u toegenegen.” - -»Ooah!” viel de Arendskop hem in de rede, »mijn broeder spreekt goed; -maar de wond, die hij mij toegebracht heeft, is nog niet geheeld.” - -»Mijn broeder is dwaas,” antwoordde de jager; »houdt hij mij dan voor -zulk een sukkel, dat ik hem niet zou hebben gedood, indien zulks mijn -voornemen ware geweest. Ik ga u bewijzen, waartoe ik in staat ben, en -hoe ik den moed van een krijgsman begrijp. Op een teeken van mij zullen -deze vrouw en dat kind hebben opgehouden te leven.” - -»Ja,” zeide Goedsmoeds. - -Een rilling liep door de rijen der vergadering. De Arendskop voelde, -dat een koud zweet zijne slapen overdekte. - -Edelhart bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, op de Indianen een -blik slaande, dien het onmogelijk is te beschrijven; vervolgens met -verachting de schouders ophalende, wierp hij zijne wapenen voor zijne -voeten en de armen kruiselings over de borst slaande, wendde hij zich -naar den Canadees. - -»Goedsmoeds,” zeide hij, kalm en met nadruk, »geef aan die arme -schepsels de vrijheid terug.” - -»Waaraan denkt gij?” riep de jager verschrikt uit; »het zou uw -doodvonnis zijn.” - -»Dat weet ik.” - -»Welnu?” - -»Ik smeek er u om.” - -De Canadees antwoordde niet; hij begon tusschen zijne tanden te -fluiten, en zijn mes te voorschijn halende, sneed hij de banden door, -die de gevangenen vasthielden. Deze sprongen als jaguars weg, en gingen -brullend van vreugde zich achter hunne vrienden verschuilen. Goedsmoeds -borg zijn mes in den gordel, wierp zijne wapenen weg, klom van zijn -paard af en plaatste zich vastberaden naast Edelhart. - -»Wat doet gij toch?” riep deze, »red u, mijn vriend.” - -»Mij redden, waarom?” antwoordde de Canadees onbezorgd; »bij God! neen, -wij moeten toch allen eens sterven; ik doe het even gaarne nu als -later; ik zal misschien nooit weder zulk eene goede gelegenheid -vinden.” - -De twee mannen drukten elkander krachtig de hand. - -»Nu, opperhoofden,” zeide Edelhart op kalmen toon, »nu zijn wij in uwe -macht! doet met ons wat u zal goed dunken.” - -De Comanchen zagen elkander een oogenblik met verbazing aan; de -stoïcijnsche zelfverloochening dezer twee mannen, die door de -stoutmoedige daad van een hunner, niet alleen hadden kunnen ontsnappen, -maar hun tevens de wet hadden kunnen voorschrijven, en die, in plaats -van gebruik te maken van dit onbeperkte voordeel, hunne wapenen -wegwierpen en zich ter hunner beschikking stelden, scheen hun toe alle -voorbeelden van heldenmoed te overtreffen, waarvan hunne natie de -herinnering bewaarde. - -Er volgde een vrij lang stilzwijgen, gedurende hetwelk men het hart -dier ijzeren mannen in hunne borst had kunnen hooren kloppen. - -Eindelijk wierp de Arendskop, na eenige seconden geaarzeld te hebben, -zijne wapenen weg, en den jagers naderende, zeide hij met een bewogen -stem, die sterk afstak bij het kalm en onverschillig uiterlijk, dat hij -vruchteloos poogde te bewaren: - -»Het is waar, krijgslieden der bleekgezichten, dat gij een groot -verstand hebt, dat het de woorden verzacht, die gij tot ons richt, en -dat wij allen u verstaan; wij weten ook dat de waarheid uwe lippen -opent, het kan niet anders of wij Indianen, die niet het verstand der -blanken hebben, moeten dikwijls, zonder het te willen, verkeerde daden -doen, maar wij hopen, dat Edelhart de huid van zijn hart zal wegnemen, -opdat het open zij als het onze, en dat tusschen ons de bijl zal -begraven worden, zoo diep, dat de zonen van de zonen onzer kleinzonen, -in duizend manen en honderd bovendien, haar niet zullen wedervinden.” - -En de beide handen op de schouders van den jager leggende, kuste hij -hem op de oogen, er bijvoegende: - -»Edelhart, wees mijn broeder!” - -»Het zij zoo,” zeide de jager, verheugd over deze ontknooping; -»voortaan zal ik voor de Comanchen evenveel vriendschap koesteren, als -tot nu toe wantrouwen.” - -De Indiaansche hoofden verdrongen zich om hunne nieuwe vrienden, en -overlaadden hen met teekenen van genegenheid en hoogachting. - -De beide jagers waren sedert lang met den stam van den Slang bekend, -hun naam was dikwijls gedurende den nacht, rondom het vuur van het -kamp, genoemd geworden, het verhaal hunner heldendaden had de -jongelieden, aan wie de oude soldaten ze vertelden, met bewondering -vervuld. - -De verzoening van Edelhart met den Arendskop was oprecht; er bleef -tusschen hen niet het minste spoor van den ouden haat meer over. De -heldenmoed van den blanken jager had den wrok van den Roodhuid -overwonnen. - -De beide mannen zaten vreedzaam aan den ingang eener hut te praten, -toen er op eens een groote schreeuw gehoord werd, en een Indiaan met -van schrik verbleekte trekken, zich in het kamp wierp. Allen drongen -zich om dien man heen, om te hooren wat hij te zeggen had, maar zoodra -de Indiaan den Arendskop zag, wendde hij zich tot dezen. - -»Wat gebeurt er?” vroeg het opperhoofd. - -De Indiaan wierp een woesten blik op Edelhart en Goedsmoeds, die -evenmin als de anderen de oorzaak van dien schrik gissen konden. - -»Pas op, dat die bleekmuilen niet ontsnappen, wij zijn verraden!” zeide -hij hijgend. - -»Dat mijn broeder zich duidelijker uitdrukke!” beval de Arendskop. - -»Al de blanke pelsjagers, de Lange messen van het Westen zijn -vereenigd; zij vormen eene krijgsbende van omstreeks honderd man; zij -zijn in aantocht en wel op zulk eene wijze, dat zij op eens het kamp -van alle kanten kunnen omsingelen.” - -»Zijt gij er zeker van, dat die jagers als vijanden komen?” vroeg het -opperhoofd. - -»Hoe kan het anders zijn?” antwoordde de Indiaan; »zij kruipen als -slangen door het hooge gras, met het geweer naar voren en het -scalpeermes tusschen de tanden. Hoofdman, wij zijn verraden, die twee -mannen zijn in ons midden gezonden, om onze waakzaamheid te -verschalken.” - -De Arendskop en Edelhart wisselden een glimlach, die voor allen, -behalve voor hen zelven een raadsel was. - -Het opperhoofd wendde zich tot den Indiaan. - -»Gij hebt den aanvoerder der jagers gezien, niet waar?” - -»Ja, ik heb hem gezien.” - -»En het is Amick—de Zwarte Eland—de bewaker van de vallen van -Edelhart.” - -»Wie zou het anders kunnen zijn?” - -»Goed, verwijder u,” zeide de krijgsman, den bode met een wenk -wegzendende; vervolgens richtte hij zich tot den jager. - -»Wat moet er gedaan worden?” vroeg hij. - -»Niets,” antwoordde Edelhart; »dit is eene zaak, die mij aangaat, ik -verzoek dus dat mijn broeder mij alleen late handelen.” - -»Mijn broeder is hier meester.” - -»Ik ga de jagers verkennen; dat de Arendskop tot aan mijne terugkomst -zijne jonge lieden in het kamp terughoude.” - -»Het zal geschieden,” - -Edelhart wierp zijn geweer over zijn schouder, gaf Goedsmoeds de hand, -lachte den hoofdman vriendelijk toe, en wendde zich naar het bosch met -dien kalmen en bedaarden tred, die hem eigen was. - -Hij verdween weldra te midden van het geboomte. - -»Hm!” zeide Goedsmoeds, terwijl hij zijn Indiaansche pijp aanstak, tot -den Arendskop; »gij ziet, hoofdman, dat het in deze wereld niet altijd -eene verkeerde rekening geeft, als men zich door zijn hart laat -leiden.” - -En meer dan voldaan over deze wijsgeerige ontboezeming, die hem voor de -plechtigheid van het oogenblik bijzonder geschikt toescheen, wikkelde -de Canadees zich in een dikke wolk van rook. - -Op bevel van den hoofdman werden al de verkenners, die op de grenzen -van het kamp verspreid waren, teruggeroepen. - -De Indianen wachtten angstig den uitslag van Edelharts onderneming af. - - - - - - - -II. - -DE ROOVERS. - - -Het was avond. Even ver van het kamp der Mexicanen als van dat der -Comanchen verwijderd, zaten in een hollen weg, tusschen twee hooge -heuvels verborgen, een veertigtal mannen om verscheidene vuren -vereenigd, zoodanig geplaatst, dat het schijnsel der vlammen hunne -tegenwoordigheid niet kon verraden. Deze zonderlinge vereeniging van -gelukzoekers met sombere gelaatstrekken, woeste blikken, slordige en -grillige kostumen, bood een schouwspel aan, de teekenstift van Callot -of het penseel van een Salvator Rosa waardig. - -Deze mannen, een vreemdsoortig samenstel van alle volkssoorten, die de -aarde bewonen, van den Rus af tot aan den Chinees toe, vormden de meest -volledige verzameling van schurken, die men zich maar kan voorstellen; -vrijbuiters zonder eer, zonder wet, zonder haardstede, zonder woning, -het uitvaagsel der beschaafde wereld, genoodzaakt tegen deze eene -schuilplaats te zoeken in het hart der prairiën van het Westen, vormden -zij zelfs daar in de wildernis een afzonderlijke bende, nu eens in -oorlog met de jagers, dan weder met de Indianen, beiden in wreedheid en -schelmerij overtreffende. Deze mannen in één woord, waren, wat men -gewoon is de Roovers der Prairiën te noemen. - -Die naam komt hun in alle opzichten toe; want evenals hunne broeders op -den Oceaan, voeren zij alle vlaggen of liever treden ze allen met -voeten, belagen zij alle reizigers, die het wagen alleen de prairiën te -doorkruisen, vallen zij alle karavanen aan om die te plunderen, en als -iedere andere buit hun ontsnapt, verschuilen zij zich verraderlijk in -het hooge gras, om van daar de Indianen te bespieden en te vermoorden, -en alzoo de premie te verdienen, die het vaderlijk bestuur der -Vereenigde Staten gesteld heeft op het hoofdhaar van iederen inlander, -evenals men in Frankrijk den kop van een wolf betaalt. - -Deze bende werd aangevoerd door den kapitein Ouaktehno, dien wij reeds -vroeger ten tooneele hebben gevoerd. - -Er heerschte onder deze bandieten een spanning, die het voorteeken was -van eene geheimzinnige onderneming. Eenigen maakten hunne wapenen -schoon of laadden die, anderen kleedden zich, anderen wederom rookten -en dronken mezcal, nog anderen sliepen in hunne gescheurde mantels -gewikkeld. De paarden, geheel gezadeld, waren aan palen vastgemaakt. - -Op geregelde afstanden stonden wachten, zwijgend en onbewegelijk als -standbeelden van metaal op hunne lange karabijnen te leunen, wakende -voor het algemeene welzijn. Het wegstervend schijnsel der vuren wierp -nu en dan op dit tooneel een roodachtigen gloed, die aan de roovers een -nog woester voorkomen gaf. - -De kapitein scheen aan eene angstige bezorgdheid ten prooi te zijn, hij -liep met groote stappen te midden van zijne onderhoorigen heen en weder -nu eens stampende van toorn, dan weder stilstaande om naar de -onbestemde geluiden der prairie te luisteren. - -De nacht werd hoe langer hoe donkerder, de maan was ondergegaan, de -wind huilde dof in de duisternis, de roovers waren ten laatste allen in -slaap gevallen. De kapitein alleen waakte nog. - -Eensklaps meende hij in de verte het knallen van een geweerschot te -hooren, toen een tweede, en daarna werd alles wederom stil. - -»Wat beteekent dat?” mompelde de kapitein woedend, »hebben die gekken -zich laten overvallen?” - -Terstond zich zorgvuldig in zijnen mantel wikkelende, wendde hij zich -met groote schreden naar dien kant, van waar het geluid vernomen was. - -’t Was erg donker, en ondanks zijne plaatskennis ging de kapitein -slechts met moeite voort tusschen de wortels en takken, die bij elke -schrede hem den weg versperden. Meermalen was hij genoodzaakt stil te -staan en naar den weg te zoeken, dien hij gedurig kwijt was, door de -omwegen, waartoe de rotsblokken en kreupelboschjes, die hij tegenkwam -hem noodzaakten. - -Gedurende een dergelijk oponthoud, meende hij niet ver van zich af -eenig gedruisch in de bladeren en takken te hooren, niet ongelijk aan -dat, hetwelk veroorzaakt wordt door het harde loopen van een dier of -van een mensch in het kreupelhout. - -De kapitein verborg zich achter den stam van een reusachtigen -mahonieboom, greep zijne pistolen om op alles bereid te zijn, en -luisterde met vooruitgestoken hoofd. - -Alles om hem heen was stil: het was dat geheimzinnige uur van den -nacht, waarin de natuur schijnt te slapen, en waarin al die naamlooze -geluiden der wildernis zwijgen, om, zooals de Indianen zeggen, alleen -de stilte te laten hooren. - -»Ik heb mij vergist,” prevelde de roover, en hij maakte eene beweging -om op zijne schreden terug te keeren. Nu liet zich hetzelfde gedruisch -op nieuw hooren, maar duidelijker en dichterbij dan even te voren, en -onmiddellijk gevolgd door een ingehouden kermen. - -»Bij God!” zeide de kapitein, »dat begint interessant te worden, daar -moet ik het mijne van hebben.” - -Na een snellen loop van eenige minuten; zag hij niet ver van zich af de -schaduw van een man in het donker voortglijden. Deze persoon, wie het -ook zijn mocht, scheen zich met moeite voort te slepen, hij waggelde -bij iedere schrede, en stond nu en dan stil, als om zijne krachten te -herstellen. Soms liet hij een onderdrukte klacht hooren. De kapitein -sprong naar hem toe, om hem den doorgang te versperren. Zoodra de -onbekende hem bemerkte, slaakte hij een kreet van schrik, viel op de -knieën, en mompelde met eene van angst sidderende stem: - -»Genade, genade! dood mij niet!” - -»Hoe!” riep de verbaasde kapitein, »het is de Babbelaar! Wie duivel -heeft hem zoo toegetakeld?” - -Hij bukte om hem van nabij te bezien. - -Het was inderdaad de gids. - -Hij was in zwijm gevallen. - -»De pest hale dien stommeling!” mompelde de kapitein spijtig, »hoe kan -ik hem nu uithooren?” - -Maar de roover was een man; die zich te redden wist, hij stak zijne -pistolen in zijn gordel, nam den gekwetste op en legde hem over zijne -schouders. - -Met dezen last beladen, die hem geenszins in het loopen hinderde, -keerde hij met groote schreden langs denzelfden weg, dien hij gekomen -was, naar het kamp terug. - -Hij legde den gids bij een half uitgedoofd vuur, en wierp daarin eenige -takkenbossen, om het te laten opflikkeren. Weldra stelde een heldere -vlam hem in staat, om den man te onderzoeken, die bewusteloos aan zijne -voeten nederlag. - -De gelaatstrekken van den Babbelaar waren loodkleurig, een koud zweet -parelde langs zijne slapen, en het bloed liep bij stroomen uit een -diepe wond in zijne borst. - -»Cascaras!” prevelde de kapitein, »de arme duivel heeft wel zijn deel -gekregen; als hij mij voor zijn dood nog maar zeggen kan, wie hem in -dien toestand hebben gebracht, en wat er van Kennedy is geworden!” - -Evenals alle woudloopers had de kapitein eene practische kennis van de -geneeskunde, en was hij geenszins verlegen met de behandeling van een -dergelijke wond. - -Ten gevolge van de zorg door hem aan den gids ten koste gelegd, kwam -deze spoedig bij. Hij slaakte een diepen zucht, sloeg flauw de oogen -op, en bleef een tijdlang liggen zonder te kunnen spreken; maar na -eenige vruchtelooze pogingen, bijgestaan door den kapitein, kwam hij -zoover, dat hij zich halverwege kon oprichten, en terwijl hij herhaalde -malen het hoofd schudde, zeide hij op wanhopigen toon, en met eene -telkens afgebrokene stem: - -»Alles is verloren, kapitein! Wij hebben onzen slag gemist.” - -»Duizend donders!....” riep de roover woedend stampvoetende, »hoe heeft -zich dat toegedragen?” - -»Dat meisje is een duivel!” hernam de gids, wiens fluitende ademhaling -en gedurig zwakker wordende stem duidelijk genoeg bewezen, dat hij niet -lang meer leven zou. - -»Zoo gij kunt,” zeide de kapitein, die van den uitroep van den -gekwetste niets begrepen had, »zeg mij dan, hoe de zaken zich hebben -toegedragen, en wie uw moordenaar is, opdat ik u wreke!” - -Een akelige lach plooide de paarsche lippen van den gids. - -»Wie mijn moordenaar is?” herhaalde hij spottend. - -»Ja.” - -»Doña Luz.” - -»Doña Luz!” riep de kapitein, verrast opspringende; »dat is -onmogelijk!” - -»Luister,” hernam de gids, »mijne oogenblikken zijn geteld; weldra zal -ik niet meer leven. Een man in mijn toestand liegt niet. Laat mij -spreken, en val mij niet in de rede; ik weet niet of ik den tijd zal -hebben om u alles te zeggen, alvorens ik rekenschap ga afleggen aan -Hem, die alles weet.” - -»Spreek!” zeide de kapitein. - -En daar de stem van den gekwetste hoe langer hoe zwakker werd, knielde -hij naast hem neder, om geen enkel woord te verliezen. - -De gids sloot de oogen, haalde even adem, en zeide toen met inspanning -van al zijne krachten: - -»Geef mij wat brandewijn!” - -»Zijt gij gek, brandewijn zou u dooden.” - -De gewonde schudde het hoofd. - -»Het zal mij de noodige kracht geven, om u alles te doen verstaan, wat -ik u te zeggen heb. Ben ik niet reeds half dood?” - -»Dat is waar!” prevelde de kapitein. - -»Aarzel dan niet,” hernam de ander; »de tijd dringt ons, ik heb u -belangrijke zaken mede te deelen.” - -»Het zij zoo!” mompelde de roover, en bracht de flesch aan de lippen -van den gids. - -Deze dronk gulzig en vrij lang; een koortsachtige gloed kleurde zijne -wangen, zijne brekende oogen verhelderden zich, en begonnen levendig te -schitteren. - -»Nu,” zeide hij met een krachtige en vrij harde stem, »moet gij mij -niet in de rede vallen; zoodra gij ziet, dat mijne krachten afnemen, -laat mij dan drinken; misschien zal ik nog den tijd vinden om u alles -te verhalen.” - -De kapitein gaf hem een teeken van goedkeuring, en de Babbelaar begon -zijn verhaal. - -Het duurde vrij lang, ten gevolge van de uitputting, waarin hij gedurig -verviel; toen hij geëindigd had, voegde hij er bij: - -»Gij ziet het, die vrouw, gelijk ik u zeide, is een duivel, zij heeft -Kennedy en mij gedood; zie van haar af, kapitein, het is geen -gemakkelijk wild om te jagen, gij zult haar nooit meester worden.” - -»Hoe!” zeide de kapitein, de wenkbrauwen fronsende, »meent gij dat ik -zoo licht mijne plannen laat varen?” - -»Goed succès dan!” prevelde de gids; »wat mij betreft, ik heb -afgehandeld, mijne rekening is gemaakt.... Vaarwel, kapitein,” voegde -hij er met een vreemden lach bij, »ik ga naar den duivel, daar zullen -wij elkander wederzien!....” - -Hij viel omver. - -De kapitein wilde hem oplichten, maar hij was dood. - -»Goede reis!” prevelde hij koelbloedig. - -Hij nam het lijk op zijne schouders, bracht het in een boschje, maakte -daar een kuil, en legde het er in; dit gedaan hebbende, ging hij naar -het vuur in het kamp terug, wikkelde zich in zijn mantel, strekte zich -op den grond uit, met de voeten naar het vuur gekeerd, en legde zich te -slapen met de woorden: - -»Binnen eenige uren zal het dag zijn; dan zullen wij zien, wat er te -doen is.” - -De bandieten sliepen niet lang; met zonsopgang was in het kamp der -roovers alles in beweging. Allen maakten zich gereed om op weg te gaan. - -De kapitein, wel verre van zijn plan te laten varen, had integendeel -besloten de uitvoering er van terstond en met geweld door te zetten, -ten einde den Mexicanen geen tijd te laten om onder de blanke -pelsjagers der prairiën eene hulp te vinden, die den gelukkigen uitslag -onmogelijk zou hebben gemaakt. - -Zoodra het duidelijk was, dat de bevelen, die hij gegeven had, goed -begrepen waren, gaf de kapitein het teeken van vertrek. De bende brak -op en begon op zijn Indiaansch te marcheeren, dat is te zeggen, met den -rug naar de plaats waar zij heen trok. - -Vervolgens, toen zij op eene plek gekomen waren, die hun de gewenschte -veiligheid scheen te bieden, stegen de roovers van hunne paarden, gaven -deze aan eenige sterke kerels over; en zich nu als een hoop adders op -den grond uitstrekkende, of ook wel van den eenen tak op den anderen en -van den eenen boom op den anderen overspringende, begaven zij zich met -alle noodige voorzorgen, in de richting van het Mexicaansche kamp. - - - - - - - -III. - -DE ZELFOPOFFERING. - - -Zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, had de doctor met een boodschap -van doña Luz aan den Zwarten Eland belast, het kamp der Mexicanen -verlaten. - -Gelijk vele geleerden was hij van nature zeer afgetrokken, ofschoon met -de beste bedoelingen van de wereld. - -Gedurende de eerste oogenblikken spande hij al zijne denkkracht in om -de beteekenis te raden der in zijn oog zoo geheimzinnige woorden, die -hij voor den pelsjager moest uitspreken. - -Hij begreep niet welke hulp zijne vrienden verwachten konden van een -halven wilde, die eenzaam in de prairie leefde en met jagen in zijn -onderhoud voorzag. Zoo hij de zending dan ook terstond had aangenomen, -was het alleen omdat hij zich zoo innig aan de nicht van den generaal -gehecht gevoelde, want eenigen goeden uitslag verwachtte hij er niet -van. In de overtuiging, dat zijne zending geheel nutteloos was, reed -hij niet, gelijk hij had moeten doen, regelrecht en op een draf naar de -toldo van den Zwarten Eland; maar hij steeg af, nam zijn paard bij den -toom en ging aan het zoeken van planten, eene bezigheid waarin hij zich -weldra geheel verdiepte, zoodat hij de aanbeveling van doña Luz en de -reden, waarom hij het kamp verlaten had, volkomen vergat. - -De tijd stond echter niet stil, de dag was reeds half verstreken; de -doctor, die reeds lang terug had moeten zijn, was nog niet verschenen. - -Een groote angst heerschte in het kamp der Mexicanen. De generaal en de -kapitein hadden alles geregeld om het tegen een aanval te kunnen -verdedigen. Er daagde niets op. In den omtrek bleef alles bedaard; de -Mexicanen geloofden bijna, dat zij door een valsch alarm waren -verschrikt. - -Doña Luz alleen voelde hare ongerustheid met ieder oogenblik toenemen; -met de oogen naar de vlakte gericht, zag zij vergeefs uit naar den -kant, van waar haar boodschapper moest terugkomen. Eensklaps scheen -het, dat het hooge gras der prairie een golvende beweging aannam, -waarvan de oorzaak onzichtbaar was. De lucht werd door geen enkel -koeltje bewogen, het was drukkend warm; de bladeren, door de -zonnestralen verbrand, waren onbewegelijk; het hooge gras alleen ging -voort langzaam en geheimzinnig te wuiven. En, wat vooral vreemd was, -deze bijna onmerkbare beweging, die slechts een geoefend oog kon -waarnemen was niet algemeen; integendeel, zij was voortgaande en -naderde het kamp met eene regelmatigheid, die eene door overleg -bestuurde beweegkracht deed vermoeden; naarmate toch de beweging zich -aan de meer nabijzijnde halmen mededeelde, vervielen de achtersten -weder in een volkomen rust, die verder door niets werd afgebroken. - -De wachten, die op de wallen stonden, wisten niet waaraan zij deze -onbegrijpelijke beweging moesten toeschrijven. De generaal, als een -gehard soldaat, besloot de zaak te onderzoeken; hoewel hij nooit -persoonlijk met de Indianen in aanraking was geweest, had hij toch te -veel van hunne manier van vechten gehoord, om hier niet eenige -achterdocht te koesteren. Het kamp, dat al zijne verdedigers noodig -had, niet van manschappen willende berooven, besloot hij om zelf het -avontuur te wagen, en op verkenning uit te gaan. - -Toen hij zich gereed maakte om over de wallen heen te klouteren, hield -de kapitein hem staande, en legde hem eerbiedig den arm op den -schouder. - -»Wat wilt gij van mij, mijn vriend?” vroeg de generaal, zich -omkeerende. - -»Ik zou, met uw verlof, wel een vraag tot u willen richten, generaal,” -antwoordde de jongeling. - -»Doe zoo.” - -»Gij verlaat het kamp, niet waar?” - -»Ja.” - -»Zeker om op verkenning uit te gaan?” - -»Om op verkenning uit te gaan, ja.” - -»Dan, generaal, ben ik het aan wien de eer van die taak toekomt.” - -»Waarom?” zeide de generaal verbaasd. - -»Hemel, generaal, dat is zeer eenvoudig; ik ben maar een arme duivel, -een subaltern officier, die alles aan u verplicht ben.” - -»Verder?” - -»Het gevaar waaraan ik mij zal blootstellen zoo er gevaar is, zal niets -afdoen tot den goeden uitslag der onderneming; terwijl indien....” - -»Terwijl indien...?” - -»Indien gij gedood wordt?” - -De generaal maakte een afwijzende beweging. - -»Ja, men moet alles voorzien,” vervolgde de kapitein, »als men zulke -tegenstanders heeft.” - -»Dat is waar; maar dan nog?” - -»Wel, onze tocht zal mislukt zijn, en geen onzer zal de beschaafde -wereld wederzien. Gij zijt het hoofd, wij anderen, wij zijn slechts -ledematen; blijf dus in het kamp.” - -De generaal dacht eenige oogenblikken na; vervolgens de hand van den -jongeling met hartelijkheid drukkende, zeide hij: - -»Ik ben u zeer verplicht, maar ik moet met eigen oogen zien wat men -tegen ons beraamt. De zaak is te ernstig dan dat ik mij op u mag -verlaten.” - -»Neen, gij moet blijven, generaal,” drong de kapitein bij hem aan; »is -het niet voor ons, laat het dan ten minste voor uwe nicht zijn, voor -dat onschuldige brooze schepseltje, dat zoo u iets overkwam, alleen zou -staan, alleen te midden van woeste volksstammen, zonder steun en zonder -beschermer; wat is het leven voor mij, armen jongen, zonder familie, -die alles aan uwe goedheid te danken heb? Het uur is nu gekomen, waarin -ik u mijne dankbaarheid toonen kan, laat mij mijne schuld betalen.” - -»Maar,” wilde de generaal zeggen. - -»Gij weet het,” vervolgde de jongeling in vervoering, »zoo ik u kon -vervangen bij doña Luz, ik zou het met genoegen doen, maar ik ben nog -te jong voor die schoone rol; kom, generaal, laat ik in uwe plaats -gaan, die eer komt mij toe.” - -Half vrijwillig, half gedwongen trad de oude officier terug; de -kapitein sprong de wallen op, was er met één sprong weder af, en -verwijderde zich zoo snel mogelijk, na zijnen vriend een laatst vaarwel -te hebben toegeroepen. - -De generaal volgde hem met de oogen, zoolang hij kon; vervolgens wreef -hij zijn voorhoofd met de hand, en prevelde: - -»Een brave jongen, een uitmuntend karakter!” - -»Niet waar, oom?” antwoordde doña Luz, die ongemerkt naderbij gekomen -was. - -»Waart gij daar, mijn kind?” zeide hij met een glimlach, dien hij -vruchteloos vroolijk trachtte te maken. - -»Ja, beste oom, ik heb alles gehoord.” - -»Goed, lieve,” zeide de generaal met gedwongen bedaardheid, »maar het -is nu geen tijd, om weekhartig te zijn, ik moet voor uwe veiligheid -zorgen; blijf niet langer hier, kom met mij mede; hier zou een -Indiaansche kogel u maar al te gemakkelijk kunnen treffen.” En haar bij -de hand nemende, bracht hij haar zachtjes tot aan de tent. Toen zij -binnen was, gaf hij haar een kus op het voorhoofd, beval haar daar te -blijven, en keerde weder naar de wallen, om nauwkeurig te zien wat er -in de vlakte gebeurde, tevens den tijd berekenende, die er na het -vertrek van den doctor verloopen was, en zich verwonderende over diens -wegblijven. - -»Hij zal den Indianen in handen gevallen zijn,” zeide hij, »als zij hem -maar niet gedood hebben!” - -Kapitein Aguilar was een moedig soldaat; gevormd in de gedurige -oorlogen van Mexico, ging bij hem beleid met moed gepaard. Tot op een -zekeren afstand van het kamp genaderd, ging hij plat op den buik liggen -en bereikte al kruipende een rotsblok, dat juist geschikt was, om hem -tot hinderlaag te dienen. Alles was rustig om hem heen, niets kon hem -doen vermoeden, dat de vijand in aantocht was; na een geruimen tijd te -hebben doorgebracht met het terrein te onderzoeken, maakte hij zich -gereed om naar het kamp terug te keeren, overtuigd dat de generaal zich -had vergist, en dat er volstrekt geen gevaar bestond, toen er eensklaps -op tien passen van hem af, een verschrikte asshata, met gespitste ooren -en naar achtergeworpen kop, opsprong, en met de duidelijke kenteekenen -der grootste vrees, zoo hard hij kon wegliep. - -»Ha, ha!” prevelde de kapitein, »zou er toch werkelijk iets zijn? Wij -zullen zien.” - -En de rots, achter welke hij zich verscholen had, verlatende, deed hij -voorzichtig eenige schreden voorwaarts, om zich van de gegrondheid van -zijn vermoeden te overtuigen. - -Het gras bewoog zich sterk, en eensklaps stonden er plotseling een -tiental mannen om hem heen, die hem omsingelden eer hij tijd had, om -zich in staat van tegenweer te stellen, of de schuilplaats die hij zoo -roekeloos verlaten had, weder te bereiken. - -»In Gods naam,” zeide hij koelbloedig, »nu weet ik ten minste met wie -ik te doen heb.” - -»Geef u over!” riep een der mannen, die hem het dichtst op het lijf -zat. - -»Wel ja,” antwoordde hij spottend, »dat kunt gij denken; alvorens gij -mij in handen krijgt, zult gij mij eerst van kant dienen te maken.” - -»Dan zal men u van kant maken, aardige jonker,” antwoordde de eerste -spreker brutaal. - -»Daar reken ik op,” hernam de kapitein satiriek: »ik zal mij -verdedigen, dat zal gedruisch maken, mijne vrienden zullen ons hooren, -dan zal uw aanval mislukt zijn, dat is juist wat ik verlang.” - -Deze woorden werden zoo kalm uitgesproken, dat de roovers er over -begonnen na te denken. Het waren mannen van kapitein Ouaktehno, hij -zelf was onder hen. - -»Ja,” antwoordde de bandietenhoofdman, »uwe bedoeling is goed, maar men -kan u wel dooden zonder gedruisch te maken, en dan ligt uw plan in -duigen.” - -»Bah! wij zullen zien!” zeide de jongeling. - -En eer de roovers het konden verhoeden, deed hij een ontzettenden -sprong achterwaarts, wierp twee mannen omver, en liep zoo hard hij kon -in de richting van het kamp. - -Zoodra het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, begonnen de -roovers hem na te zetten. Deze wedloop duurde vrij lang, zonder dat de -roovers den afstand, die hen van den vluchteling scheidde, merkbaar -zagen verminderen; want terwijl zij hem vervolgden, trachtten zij -zooveel mogelijk zich schuil te houden voor Amerikaansche wachten, die -zij wilden overvallen; en deze poging noodzaakte hen tot omwegen, die -hun loop natuurlijk vertraagden. - -Toen de kapitein zoover gekomen was, dat hij door de zijnen kon -verstaan worden, wierp hij een blik achter zich. Gebruik makende van -het oponthoud, dat hij noodig had om adem te scheppen, wonnen de -bandieten hem een grooten afstand af. De kapitein begreep, dat, als hij -voortging met vluchten, hij juist het onheil zou uitlokken, dat hij -wenschte te verhoeden. Oogenblikkelijk had hij zijne partij gekozen, -hij besloot te sterven als soldaat, en nog in zijn val hun van dienst -te zijn, voor wie hij zich opofferde. Hij zette zich met den rug tegen -een boom, plaatste zijn machete onder het bereik van zijne hand, haalde -zijne pistolen uit zijn gordel, vestigde zijn gelaat op de bandieten, -die nog slechts een dertigtal passen van hem verwijderd waren, en riep -met luide stem, ten einde zijn vrienden te waarschuwen: - -»Alarm! alarm! de vijand!” - -Daarna loste hij met de grootste koelbloedigheid, als schoot hij op den -prijs, zijne pistolen—waarvan hij er vier met dubbelen loop geladen bij -zich had; en herhaalde bij elken roover, die viel, zijn geroep: - -»Alarm! de vijand! zij omringen ons! weest op uwe hoede, weest op uwe -hoede!” - -De bandieten, wanhopig over deze ruwe wijze van zelfverdediging, -wierpen zich woedend op hem, alle voorzorgen, die zij tot nu toe -genomen hadden, vergetende. - -Toen ving er een vreeselijke en ongelijke reuzenkamp aan van één man -tegen twintig à dertig, want voor iederen roover die er viel, kwam er -een ander in de plaats. De strijd was verschrikkelijk! De jongeling -offerde zijn leven op, maar hij wilde het zoo duur mogelijk verkoopen. - -Zooals wij zeiden, bij ieder schot dat hij loste, bij iederen houw -zijner machete, stiet hij een kreet van waarschuwing uit, een kreet -dien de Mexicanen beantwoordden, door van hunnen kant een wel -onderhouden musketvuur op de roovers te laten spelen, die nu, geheel -open en bloot, voor niets oogen hadden als voor den man, die met zijn -edele borst, hun zoo stout den voortgang belette. Eindelijk viel de -kapitein op ééne knie. De roovers wierpen zich in verwarring op zijn -lichaam, en de woede, waarmede zij hem trachtten van kant te maken, was -zoo groot, dat zij elkander wonden toebrachten. Een zoodanig gevecht -kon niet lang duren. Kapitein Aguilar viel, maar in zijn val sleepte -hij twaalf roovers mede, die hij had gedood, en die hem als een bloedig -geleide in het graf volgden. - -»Hm!” mompelde kapitein Ouaktehno, hem met bewondering aanziende, -terwijl hij het bloed zocht te stelpen van een breede wond, die hij in -de borst ontvangen had, »welk een man! als de anderen op hem gelijken, -komen wij er nooit heelshuids van daan. Kom,” ging hij voort, zich tot -zijne makkers richtende, die zijne bevelen afwachtten, »zullen wij ons -nog langer als duiven laten dood schieten? Valt aan! bij God, valt -aan!” - -De roovers volgden hem, hunne wapens zwaaiende, en begonnen tegen de -rots op te klimmen, onder het geschreeuw van: - -»Valt aan, valt aan!” - -De Mexicanen, getuigen van den heldenmoed van kapitein Aguilar, maakten -zich van hunnen kant gereed hem te wreken. - - - - - - - -IV. - -DE DOCTOR. - - -Terwijl deze gebeurtenissen plaats grepen, hield de doctor zich rustig -met het verzamelen van planten bezig. - -De waardige geleerde, verbaasd over de rijke flora, die hij onder de -oogen had, had alles vergeten en dacht slechts aan den rijken oogst, -die hem toelachte. Hij liep met het hoofd voorover, en stond stil bij -elke plant, om die eerst eenigen tijd te bewonderen en haar dan uit te -rukken. Eindelijk, toen hij reeds met een tallooze menigte van kruiden -en planten beladen was, besloot hij zich aan den voet van een boom -neder te zetten, om ze op zijn gemak na te zien en te rangschikken; hij -besteedde hieraan al de zorg, die uitgediende geleerden gewoon zijn aan -deze belangrijke werkzaamheid ten koste te leggen, en knabbelde -intusschen eenige stukjes beschuit op, die hij uit zijn knapzak haalde. - -Geruimen tijd bleef hij in deze bezigheid verdiept, met dat inwendig -genot, dat geleerden alleen kunnen waardeeren en dat aan gewone -menschen onbekend is. Waarschijnlijk zou hij, alvorens de nacht inviel -en hem dwong eene schuilplaats te zoeken, aan niets anders hebben -gedacht, zoo zich niet eensklaps tusschen de zon en hem een schaduw was -komen plaatsen, die zich afteekende op de planten, welke hij met -zooveel zorg rangschikte. - -Werktuigelijk hief hij het hoofd op. Voor hem stond, op een lange -karabijn leunende, een man, die hem met spotachtigen ernst aanzag. Het -was de Zwarte Eland. - -»Ei, ei!” zeide hij tot den doctor, »wat doet gij daar, mijn brave -heer? De drommel hale mij! toen ik het gras zoo zag trillen, dacht ik, -dat er een geit in het kreupelhout zat, en ik was reeds op het punt u -een kogel toe te zenden.” - -»Te duivel!” riep de doctor, hem verschrikt aanziende, »pas toch op! -gij hadt mij kunnen dooden, weet gij dat wel?” - -»Waarachtig!” hernam de jager lachend; »maar wees niet bang, ik heb -mijne dwaling nog bij tijds ingezien.” - -»God zij geloofd!” En de doctor, die juist een zeldzame plant in het -oog kreeg, bukte met jeugdig vuur om haar te grijpen. - -»Gij wilt mij dan niet zeggen,” ging de jager voort, »wat gij daar -uitvoert?” - -»Dat kunt gij wel zien, mijn vriend.” - -»Ja, ik zie dat gij u vermaakt met het onkruid der prairie uit te -rukken, anders niet, en nu vraag ik waartoe dat dient?” - -»O, die onwetendheid!” prevelde de geleerde, en hij voegde er op dien -toon van minzame afdaling, die vooral aan de zonen van Aesculapius -eigen is, bij: »mijn vriend, ik pluk kruiden, welke ik verzamel, om ze -in mijn boek te rangschikken; de flora dezer prairiën is prachtig, ik -ben overtuigd dat ik minstens drie nieuwe soorten van chirostemon -pentadactylon heb ontdekt, waarvan het genus uitsluitend tot de -Flora-mexicana behoort.” - -»Ha!” zeide de jager, een paar groote oogen opzettende, en bijna het -onmogelijke doende om den doctor niet in zijn aangezicht uit te lachen; -»meent gij drie nieuwe soorten gevonden te hebben van...” - -»Chirostemon pentadactylon, mijn vriend,” zeide de geleerde -zachtzinnig. - -»Wel, wel.” - -»Op zijn minst, misschien zijn er wel vier.” - -»Wel zoo! dat is dan wel zeer nuttig?” - -»Of dat nuttig is?” riep de doctor geërgerd. - -»Maak u niet boos; ik weet het immers niet.” - -»Dat is waar!” zeide de geleerde, door den toon van den Zwarten Eland -tot bedaren gebracht; »gij kunt het belang van dien arbeid voor den -vooruitgang der wetenschap niet begrijpen.” - -»Houd dat in het oog! En het is dus alleen, om op die wijze planten uit -te trekken, dat gij in de prairiën gekomen zijt?” - -»Nergens anders om.” - -De Zwarte Eland zag hem aan met die verwondering, welke het gezicht van -een onverklaarbaar natuurverschijnsel opwekt; de jager kon maar niet -begrijpen, dat een verstandig man er toe komen kon, om van goeder harte -zich aan een leven van ontbering en gevaar over te geven, alleen met -het doel om planten te verzamelen, die tot niets nut zijn; na een -oogenblik te hebben nagedacht kwam hij dan ook tot de overtuiging, dat -de geleerde krankzinnig was. Hij zag hem met een meêwarigen blik aan, -schudde met zijn hoofd, legde zijn geweer op zijn schouder en maakte -aanstalten, om zijn weg te vervolgen. - -»Ja, ja!” zeide hij op dien toon, welken men bezigt om kinderen of -onnoozelen aan te spreken en te bemoedigen, »gij hebt gelijk, mijn -brave heer, trek gij maar planten uit, gij doet niemand kwaad, en er -zullen er altijd nog genoeg overblijven. Goed succès en tot weerziens!” - -Daarop zijne honden fluitende, deed hij eenige stappen voorwaarts, maar -bijna op hetzelfde oogenblik terugkeerende, en zich tot den doctor -wendende, die reeds niet meer aan hem dacht, en zijne werkzaamheden, -door den jager afgebroken, met ijver hervat had, zeide hij: - -»Nog een enkel woordje!” - -»Spreek,” antwoordde hij, het hoofd opheffende. - -»Ik hoop dat de jonge dame, die mij gisteren in gezelschap van haar oom -een bezoek in mijne hatto gebracht heeft, zich wél bevindt? Dat arme -kind, gij kunt niet begrijpen, hoeveel belang ik in haar stel, mijn -beste heer.” - -De doctor stond plotseling op en sloeg zich tegen het voorhoofd. - -»Domoor die ik ben!” zeide hij; »ik had het glad vergeten!” - -»Vergeten! wat dan?” vroeg de jager verbaasd. - -»Dat doet ik nu altijd,” prevelde de geleerde; »gelukkig is het onheil -zoo groot niet, en daar gij nog hier zijt, gemakkelijk te herstellen.” - -»Waarvan spreekt gij toch?” zeide de jager die ongerust begon te -worden. - -»Verbeeld u,” ging de doctor bedaard voort, »dat de wetenschap mij -zoodanig bezig houdt, dat ik dikwijls vergeet te eten en te drinken, en -dus zooveel te eerder, de boodschappen, die mij worden opgedragen.” - -»Ter zake, ter zake!” riep de jager ongeduldig. - -»Och hemel, de zaak is doodeenvoudig. Ik verliet het kamp met het -aanbreken van den dag, om mij naar uwe hatto te begeven; maar hier -gekomen, ben ik door de tallooze menigte van zeldzame planten, die ik -met de hoeven van mijn paard vertrad, zoodanig afgeleid, dat ik zonder -aan het doel van mijn tocht te denken, eerst stil ben blijven staan, om -een plant uit te trekken; vervolgens ontdekte ik er nog een die aan -mijn verzameling ontbrak, toen nog een, en zoo voort; in ’t kort, ik -heb er volstrekt niet meer aan gedacht om naar u te gaan; ik was -zoodanig in mijne nasporingen verdiept, dat uw onvoorziene -tegenwoordigheid mij nog niet eens aan de boodschap herinnerd heeft, -die ik op mij genomen had, om aan u over te brengen.” - -»Gij zijt dus met zonsopgang uit het kamp vertrokken?” - -»Ja.” - -»Weet gij hoe laat het nu is?” - -De doctor keek naar de zon. - -»Omstreeks drie uur,” antwoordde hij; »maar ik zeg u nog eens het doet -er weinig toe; nu gij toch hier zijt, zal ik u melden, wat doña Luz mij -belast heeft aan u over te brengen, en dan zal alles in orde zijn, hoop -ik.” - -»God geve, dat uwe nalatigheid niet de oorzaak worde van eenig groot -onheil,” zeide de jager met een zucht. - -»Wat wilt gij daarmede zeggen?” - -»Gij zult het spoedig weten; ik hoop dat ik mij vergis. Spreek, ik -luister.” - -»Hoor dan, wat doña Luz mij verzocht heeft u te zeggen.” - -»Het is dus doña Luz, die u tot mij zendt?” - -»Zij zelve.” - -»Heeft er dan iets ernstigs in het kamp plaats gehad?” - -»Waarachtig! dat ’s waar ook, dat kon wel eens van meer belang zijn, -dan ik eerst vermoedde. Zie hier het gebeurde: van nacht schijnt het, -dat een onzer gidsen....” - -»De Babbelaar?” - -»Dezelfde. Kent ge hem?” - -»Ja. Ga voort.” - -»Nu dan, het schijnt, dat die man in eene samenzwering betrokken was -met een anderen bandiet van diezelfde soort, waarschijnlijk om het kamp -aan de Indianen over te leveren; doña Luz heeft bij toeval het gansche -gesprek dier schurken afgeluisterd, en op het oogenblik, dat zij langs -haar heen gingen om te ontsnappen, heeft zij twee pistolen op hen -afgeschoten.” - -»En heeft zij ze gedood?” - -»Helaas neen; de een, hoewel zonder twijfel zwaar gekwetst, is -ontkomen.” - -»Wie is dat?” - -»De Babbelaar.” - -»En toen?” - -»Toen heeft doña Luz mij laten zweren, dat ik mij tot u begeven zou, en -dat ik u zou zeggen, ja wacht eens, wat was het ook?” - -»Zwarte Eland, het uur is gekomen,” viel de jager hem in de rede. - -»Juist! dat was het,” zeide de geleerde, zich verheugd in de handen -wrijvende, »ik wilde het juist zeggen, ik beken dat het mij duister -genoeg voorkwam, en dat ik er niets van begrepen heb; maar gij zult het -mij uitleggen, niet waar?” - -De jager greep hem heftig bij den arm, en zijn aangezicht bij het zijne -brengende, zeide hij met gloeiende blikken en met woedend gelaat. - -»Armzalige gek! Waarom zijt gij mij niet dadelijk komen opzoeken, in -plaats van met nietsdoen uw tijd te verliezen? Uw oponthoud zal -misschien de dood uwer vrienden zijn.” - -»Is het mogelijk?” riep de doctor overbluft, en zonder er aan te denken -om rekenschap te vragen van de brutale wijze, waarop de jager hem op -het lijf viel. - -»Gij waart met eene boodschap belast, waarvan leven en dood afhing, -dwaas die gij zijt; wat nu te doen? misschien is het te laat!” - -»O, zeg dat niet!” riep de geleerde blijkbaar ontroerd, »ik zou van -wanhoop sterven, als dat waar was.” - -De arme man smolt weg in tranen en gaf ondubbelzinnige bewijzen van de -grootste smart. - -De Zwarte Eland was verplicht hem te troosten. - -»Nu, houd maar moed, mijn beste heer,” zeide hij op zachteren toon tot -hem: »wat duivel, misschien is alles nog wel niet verloren!” - -»O, als ik de oorzaak van een groote ramp moest wezen; ik zou het niet -overleven!” - -»Nu, wat geschied is, is geschied, wij moeten nu kiezen wat ons te doen -staat,” zeide de jager wijsgeerig; »ik ga er over nadenken, hoe ik hen -helpen zal. Goddank, ik sta niet zoo alleen als men denken zou; ik hoop -binnen weinige uren een dertigtal van de beste schutters der prairie -bijeen te hebben.” - -»Gij zult hen redden, niet waar?” - -»Ik zal ten minste alles doen wat maar met eenige mogelijkheid kan -gedaan worden, en als het God behaagt, zal ik wel slagen.” - -»De hemel verhoore u!” - -»Amen!” zeide de jager, zich ootmoedig kruisende, »en nu gaat gij naar -het kamp terug, hoor.” - -»Terstond.” - -»Maar geen bloemen meer plukken, en geen planten meer uittrekken.” - -»O neen, dat zweer ik u; vervloekt zij het uur, waarin ik aan het -herboriseeren gegaan ben,” riep de geleerde in komische wanhoop uit. - -»Zeer goed, dat is dan afgesproken: gij zult de jonge dame en haar oom -gerust gaan stellen; gij zult hen tot waakzaamheid, en als er een -aanval geschiedt, tot dapperen tegenstand aanmanen, en gij zult hun -zeggen, dat zij weldra hunne vrienden hun ter hulpe zullen zien -snellen.” - -»Ik zal het zeggen.” - -»Te paard dan, en in galop naar het kamp!” - -»Wees daar gerust op; maar gij, wat gaat gij doen?” - -»Bemoei u met mij niet, ik zal niet werkeloos blijven; maak maar dat -gij zoo spoedig mogelijk bij uwe vrienden komt.” - -»Over een uur zal ik bij hen zijn.” - -»Houd nu maar goeden moed: en alles kan nog goed afloopen.” - -De Zwarte Eland liet den toom van het paard, dat hij tot hiertoe -vasthield, los, en de geleerde vertrok in snellen draf, hetgeen den -goeden man moeielijk genoeg viel, daar hij gedurig zijn evenwicht -verloor. - -De jager zag hem een oogenblik na; en liep toen met snellen pas het -bosch in. Hij had nauwelijks tien minuten geloopen, toen hij eensklaps -vlak tegenover Nô Eusébio stond, die, met de moeder van Edelhart, welke -bewusteloos dwars over den zadel lag, langzaam kwam aanrijden. - -Deze ontmoeting was voor den jager een uitkomst, daar hij nu van den -ouden Spanjaard stellige berichten kon erlangen omtrent Edelhart, -berichten welke de grijsaard zich haastte hem te geven. Vervolgens -begaven de beide mannen zich naar de hut van den pelsjager, waarvan zij -niet ver verwijderd waren, en waarin zij voorloopig aan de moeder van -hun vriend huisvesting wilden verleenen. - - - - - - - -V. - -HET VERBOND. - - -Wij moeten nu tot Edelhart terugkeeren. - -Na ongeveer tien minuten rechtuit geloopen te hebben, zonder zich zelfs -de moeite te geven, om een dier tallooze voetpaden te volgen, die de -prairiën in alle richtingen doorkruisen, stond de jager stil, zette -zijn geweer op den grond, zag zorgvuldig om zich heen, luisterde naar -die duizende geluiden der wildernis, die voor den in het leven der -prairiën ingewijden mensch allen een beteekenis hebben, en bootste, -klaarblijkelijk over de uitkomst van zijn onderzoek voldaan, driemaal -achtereen, het geschreeuw van een ekster zoo natuurlijk na, dat -verscheidene dezer vogels, in het dichte loof verborgen, hem -onmiddellijk antwoord gaven. - -Nauwelijks had hij voor de derde maal zijn geschreeuw doen hooren, of -het woud, tot nu toe geheel stom en naar het scheen in volmaakte -eenzaamheid verzonken, begon, als ware het betooverd, plotseling te -leven; van alle zijden richtten zich van uit de struiken en van uit het -gras, waarin zij verscholen waren, eene menigte jagers op, met -krachtige gelaatstrekken en schilderachtige kostumen, en vormden in een -oogenblik een dichten kring om den jager. - -Het toeval wilde, dat de twee eerste gezichten, die Edelhart in het oog -vielen, die van den Zwarten Eland en van Nô Eusébio waren, welke beiden -dicht bij hem stonden. - -»O,” zeide hij, hun de hand gevende, »ik begrijp alles; mijne vrienden, -hebt dank, hebt dank voor uwen welwillenden bijstand, maar Gode zij -dank, ik heb dien niet meer noodig.” - -»Des te beter,” zeide de Zwarte Eland. - -»Het is u dus gelukt, om aan de handen dier verwenschte Roodhuiden te -ontsnappen?” vroeg de oude dienaar met belangstelling. - -»Zeg geen kwaad van de Comanchen,” zeide Edelhart glimlachende, »zij -zijn thans mijne broeders.” - -»Spreekt gij in ernst,” riep de Zwarte Eland levendig; »zijt gij -werkelijk wel met de Indianen?” - -»Gij zult er zelven over oordeelen; de vrede tusschen hen en mijne -vrienden is gesloten; zoo gij het goedvindt, zal ik u aan elkander -voorstellen.” - -»Hemel! in de tegenwoordige omstandigheden kon ons geen grooter geluk -overkomen,” zeide de Zwarte Eland, »en, daar gij vrij zijt, kunnen wij -ons met anderen bezig houden, die zich op dit oogenblik in groot gevaar -bevinden, en die waarschijnlijk grootelijks behoefte hebben aan onze -hulp.” - -»Wat wilt gij daarmede zeggen?” vroeg Edelhart met belangstellende -nieuwsgierigheid. - -»Ik wil zeggen, dat diezelfde menschen, aan wie gij reeds een -ontzaglijke dienst bewezen hebt, bij gelegenheid van den brand in de -prairie, op dit oogenblik door een bende roovers omsingeld worden, die -waarschijnlijk niet zullen nalaten hen aan te vallen, indien dit niet -reeds heeft plaats gehad.” - -»Gij moet hun ter hulpe snellen!” riep Edelhart, die zijn aandoening -niet bedwingen kon. - -»Bij God, dat is ons plan, maar wij wilden eerst u verlossen, Edelhart; -gij zijt de ziel onzer vereeniging; zonder u zouden wij niets goeds -kunnen doen.” - -»Ik dank u, mijne vrienden, maar nu, zooals gij ziet, ben ik vrij; -niets alzoo weerhoudt ons om terstond te gaan.” - -»Vergeef mij,” hernam de Zwarte Eland, »maar wij hebben met eene sterke -tegenpartij te doen; de roovers, die weten, dat zij op geen genade te -rekenen hebben, vechten als tijgers; hoe grooter in aantal wij zijn, -des te meer kans hebben wij om wél te slagen.” - -»Dat is waar! maar wat wilt gij dan?” - -»Wel: gij hebt in onzen naam vrede gesloten met de Comanchen; zou het -niet....” - -»Gij hebt waarachtig gelijk, Zwarte Eland;” viel Edelhart hem haastig -in de rede, »ik zou er niet aan gedacht hebben; de Indiaansche -krijgslieden zullen blijde zijn, dat wij hun eene gelegenheid aanbieden -om hunne dapperheid te toonen; zij zullen ons gaarne helpen, ik neem de -zorg op mij, om hen over te halen; volgt gij mij allen, ik ga u aan -onze nieuwe vrienden voorstellen.” - -De jagers vereenigden zich en vormden een dicht opeengedrongen bende -van omtrent veertig man. - -De wapenen werden ten teeken van vrede onderstboven gekeerd, en allen -richtten zich naar het kamp, voorafgegaan door Edelhart. - -»En mijne moeder?” vroeg Edelhart aan Nô Eusébio. - -»Zij is in veiligheid in de hut van den Zwarten Eland.” - -»Hoe gaat het met haar?” - -»Goed, maar halfdood van angst,” antwoordde de grijsaard; »uwe moeder -is eene vrouw die slechts door haar hart leeft; zij bezit een -ontzaglijken moed, de grootste lichaamssmarten schokken haar niet; zij -gevoelt niets meer van de afschuwelijke marteling, die zij heeft -ondergaan.” - -»God zij geprezen! maar wij moeten haar niet lang in die doodelijke -spanning laten; waar is uw paard?” - -»Hier dicht bij, in de struiken verscholen.” - -»Haal dat en begeef u naar mijne moeder,—stel haar gerust en gaat met u -beiden naar de grot van de Kopergroen, waar zij tegen alle gevaar -beschut zal zijn. Blijf daar bij haar. Die grot is gemakkelijk te -vinden, zij ligt niet ver van de rots van den dooden Bison; overigens, -als gij daar gekomen zult zijn, laat de honden dan maar los, die zullen -u den weg wel wijzen. Hebt gij mij goed begrepen?” - -»Volkomen.” - -»Ga dan, wij zijn vlak bij het kamp; uwe tegenwoordigheid is hier -onnoodig, terwijl zij daar onmisbaar is.” - -»Ik ga.” - -»Vaarwel.” - -»Tot weêrziens.” - -Nô Eusébio floot de speurhonden, die hij met een lasso aan elkander -bond; voor de laatste maal gaf hij Edelhart de hand, verliet hen toen, -maakte rechtsomkeert, en ging terug naar het bosch, terwijl de -jagerbende aan den ingang der opene plaats kwam waar de Indianen hun -kamp hadden opgeslagen. - -De Comanchen vormden op eenige passen afstands van de eerste grenzen -van hun kamp een grooten halven cirkel, in het midden waarvan de -opperhoofden stonden. Om aan de aankomelingen alle eer te bewijzen, -hadden zij hun schoonste gewaad aangetrokken; zij waren allen als tot -den oorlog geschilderd en gewapend. - -Edelhart liet zijn troep halt houden, en alleen voortgaande, ontplooide -hij een bisonhuid en liet die in de lucht wapperen. - -De Arendskop verwijderde zich toen van de andere opperhoofden, hij -naderde op zijne beurt den jager, en deed insgelijks, ten teeken van -vrede, een bisonhuid wapperen. - -Toen de beide mannen nog slechts drie passen van elkander waren, bleven -zij staan. Edelhart nam het woord. - -»De meester des levens,” zeide hij, »doorziet onze harten; hij weet, -dat tusschen ons de weg schoon en open is, en dat de woorden, die ons -hart uitblaast en onze mond uitspreekt, oprecht zijn; de blanke jagers -komen aan hunne roode broeders een bezoek brengen.” - -»Zij zijn welkom,” antwoordde de Arendskop hartelijk, en hij maakte -eene buiging, met die bevalligheid en die edele majestueuze houding, -die de Indianen kenmerkt. - -Na deze woorden schoten de Comanchen en de jagers hunne wapens in de -lucht af, terwijl zij tevens een luid vreugdegejuich deden hooren. Toen -werd alle stijfheid verbannen, de beide troepen mengden zich zoo geheel -ondereen, dat zij in weinig tijds slechts eene enkele bende vormden. - -Maar Edelhart, die, na al wat de Zwarte Eland hem gezegd had, wist, hoe -kostbaar de oogenblikken waren, had ondertusschen den Arendskop ter -zijde genomen, en hem openhartig de verwachting medegedeeld, die men -van zijn stam koesterde. - -De hoofdman glimlachte bij dit verzoek. - -»Aan het verlangen van mijn broeder zal voldaan worden,” zeide hij, -»zoo hij slechts even wachten wil.” - -Hierop den jager verlatende, voegde hij zich bij de andere -opperhoofden. - -Weldra klom de roeper op de verandah eener hut, en riep met luid -geschreeuw de meest vermaarde krijgslieden op, om zich in de raadstent -te vereenigen. - -Het verzoek van Edelhart verwierf algemeene goedkeuring; er werden -tachtig uitgelezene mannen, onder aanvoering van den Arendskop, -aangewezen, om de jagers te vergezellen, en met alle kracht mede te -werken, tot het welslagen der onderneming. - -Toen het besluit der opperhoofden bekend was geworden, heerschte er -eene algemeene vreugde in den stam. De verbondenen zouden zich met -zonsondergang op weg begeven, om den vijand onverhoeds te overvallen. -Men danste, met inachtneming van al de in dergelijke gevallen -gebruikelijke plechtigheden, den grooten krijgsdans, gedurende welken -de krijgslieden steeds in koor deze woorden herhaalden: - -»Wabimdam Kitchée manitoo, agarmissey hapitch neatissum!” - -Dat wil zeggen: »Meester des levens, zie mij met een gunstig oog aan, -gij hebt mij den moed gegeven, om mijne aderen te openen!” - -Toen men op het punt stond van te vertrekken koos de Arendskop, die wel -wist met welke gevaarlijke vijanden hij te doen zou krijgen, twintig -lieden uit, op wie hij rekenen kon, en zond hen als verspieders -vooruit, na hen van Scotté wigwas of boomschors voorzien te hebben, -opdat zij terstond vuur zouden kunnen aanleggen, om ingeval van nood te -waarschuwen. - -Vervolgens onderzocht hij nauwkeurig de wapenen zijner krijgslieden, -en, voldaan over den uitslag zijner inspectie, gaf hij het teeken tot -vertrek. - -De Comanchen en de pelsjagers schaarden zich op de wijze der Indianen -in gelid, en door hunne opperhoofden voorafgegaan verlieten zij het -kamp, achtervolgd door de wenschen en aanmoedigingen hunner vrienden, -die hen tot aan de eerste boomen van het woud vergezelden. - -Het legertje bestond uit honderd dertig wakkere mannen, allen van top -tot teen gewapend, en aangevoerd door opperhoofden, die voor geen -hinderpaal terugweken, en door geen gevaar zich lieten afschrikken. Er -heerschte eene dikke duisternis; de maan, door zware wolken omringd, -die zich log en langzaam voortbewogen, verspreidde slechts nu en dan -een flauwen glans, die aan alles een fantastisch voorkomen gaf. De wind -blies zeer ongelijkmatig, en stortte zich met dof en klagend geluid in -de holen en in de openingen tusschen de rotsen. Het was, in één woord, -een van die nachten, die in de geschiedenis der menschheid altijd het -tooneel schijnen te moeten zijn van droevige treurspelen. - -De krijgslieden trokken stilzwijgend voort; zij geleken in het donker -op een troep schimmen, die aan het graf ontkomen waren, en zich -haastten, om een nameloos, door God vervloekt werk te volbrengen, dat -de nacht alleen in staat was met zijne schaduw te bedekken. - -Omstreeks middernacht werd het woord: halt! zoo zacht mogelijk -uitgesproken. Men betrok een kamp, om op het nieuws der verspieders te -wachten; dat wil zeggen, ieder wikkelde zich zoo goed of zoo kwaad als -hij kon in zijn mantel, om op het eerste teeken gereed te zijn. Er -werden geen vuren ontstoken. De Indianen, die op hunne verspieders -vertrouwen, zetten nooit schildwachten uit, als zij ten strijde -uitgetrokken zijn. Zoo gingen twee uren voorbij. Het kamp der Mexicanen -was niet meer dan drie mijlen van daar verwijderd; maar alvorens zij -zich verder waagden wilden de opperhoofden zich verzekeren, dat de weg -vrij was; in het tegenovergestelde geval wilden zij onderzoeken, hoe -groot het aantal was der vijanden, die hun den weg versperden, en welk -plan van aanval zij schenen beraamd te hebben. - -Op het oogenblik dat Edelhart, door ongeduld verteerd, zich gereed -maakte om zelf op verkenning uit te gaan, liet zich in de struiken -eenig gedruisch hooren, dat in het eerst bijna onmerkbaar was, maar -weldra hoe langer hoe sterker werd. Er kwamen twee mannen te -voorschijn. De eerste was een der verspieders, de ander was de doctor. -De toestand waarin de arme geleerde zich bevond, was deerniswaardig. -Hij had zijn pruik verloren, zijne kleederen waren verscheurd, zijn -gezicht was van angst verwrongen, en zijn geheele persoon droeg de -duidelijke sporen van een hevig gevecht. - -Toen hij bij den Arendskop en bij Edelhart kwam, viel hij op den grond -in zwijm. Men haastte zich hem in het leven terug te roepen. - - - - - - - -VI. - -DE LAATSTE AANVAL. - - -De achter de wallen geplaatste lanceros hadden den aanval der roovers -moedig doorgestaan. De generaal, wanhopig over den dood van kapitein -Aguilar, en overtuigd dat er met zulke vijanden niet te onderhandelen -viel, had besloten een onverzettelijken tegenstand te bieden en zich -liever te laten dooden, dan in hunne handen te vallen. - -De Mexicanen, daaronder gerekend de peones en gidsen, op welke men zich -nauwelijks verlaten kon, waren slechts ten getale van zeventien, zoo -mannen als vrouwen. - -De roovers waren ten getale van minstens dertig. - -Er bestond dus een groot verschil in aantal tusschen de belegeraars en -de belegerden; maar door de sterke ligging van het kamp op den top van -een chaos van rotsen, viel dit verschil gedeeltelijk weg, en stonden de -krachten aan beide zijden bijna gelijk. - -Kapitein Ouaktehno kende zeer goed al de bezwaren aan den aanval -verbonden, bezwaren, die, daar de aanval thans openlijk geschiedde, -bijna onoverkomelijk waren; ook had hij op eene verrassing gerekend, en -vooral op het verraad van den Babbelaar. De omstandigheden alleen en -zijne woede over het verlies, dat kapitein Aguilar hem berokkend had, -hadden hem genoopt om den aanval te wagen. - -Toen echter het eerste oogenblik van drift voorbij was, en hij zag dat -zijne manschappen, als overrijpe vruchten, aan alle zijden nedervielen, -zonder dat hij hen kon wreken, of zonder dat zij een duim gronds -wonnen, besloot hij, niet om terug te trekken, maar om de bestorming in -eene belegering te veranderen, hopende dat hij gedurende den nacht -gelegenheid zou vinden om een goeden slag te slaan, en in het uiterste -geval, zeker zou zijn van vroeg of laat de belegerden door den honger -te kunnen dwingen. - -Hij hield zich overtuigd, dat zij op geenerlei hulp of bijstand rekenen -konden in deze prairiën, waar men slechts Indianen ontmoet, die met -alle blanken in vijandschap leven, of wel jagers, die er niet van -houden om zich te mengen in zaken, die hun niet aangaan. - -Zijn besluit eens genomen zijnde, bracht de kapitein het onmiddellijk -ten uitvoer. - -Hij wierp een blik om zich heen: hun toestand bleef altijd dezelfde; -ondanks al hunne schier bovenmenschelijke inspanning om de steile -helling die naar de wallen leidde, te beklimmen, waren de roovers geen -stap gevorderd. - -Zoodra maar iemand waagde zich te vertoonen, deed een kogel uit een der -Mexicaansche karabijnen hem onmiddellijk in den afgrond storten. - -De kapitein gaf het teeken tot den aftocht, dat is te zeggen hij -bootste het gehuil van den hond der prairiën na. Oogenblikkelijk hield -het gevecht op. Deze plek, een oogenblik te voren nog zoo levendig door -het geschreeuw der strijders en het losbranden der vuurwapenen, verviel -eensklaps in eene doodelijke stilte. Zoodra echter de menschen hun -vernielingswerk ten einde hadden gebracht, maakten de gieren, de valken -en de arenden een begin met het hunne. Na de roovers, de roofvogels; -zoo behoort het immers. - -In groote troepen dwarrelden zij als wolken om de lijken heen, waarop -zij zich krassend en vechtend nederwierpen, ten aanschouwe der -Mexicanen, die zich niet buiten hunne verschansingen durfden te wagen, -en genoodzaakt waren toeschouwers te blijven van dit afschuwelijk -feestmaal. - -De roovers vereenigden zich in een grot, buiten het bereik van de -geweren der Mexicanen, en telden hunne manschappen. Hun verlies was -vreeselijk geweest; van de veertig waren er nog maar negentien. In -minder dan een uur hadden zij een en twintig man verloren; meer dan de -helft. - -De Mexicanen hadden, behalve kapitein Aguilar, noch dooden noch -gekwetsten. - -Het verlies, dat de roovers geleden hadden, bracht hen tot nadenken. De -meerderheid was van oordeel, dat men moest aftrekken, en van de -voordeelen eener onderneming afzien, die met zooveel gevaren en zoovele -moeielijkheden gepaard ging. De kapitein was nog meer ontmoedigd dan -zijne makkers. - -Voorzeker, als het hem slechts te doen ware geweest om goud en -edelgesteenten te veroveren, zou hij zonder aarzelen zijne plannen -hebben laten varen, maar een andere, meer dringende reden noopte hem -tot handelen, en spoorde hem aan, om het avontuur tot aan het einde toe -voort te zetten, welke ook voor hem de gevolgen mochten zijn. De schat, -dien hij begeerde, een schat van onberekenbare waarde, was doña Luz, -dat meisje, dat hij reeds eenmaal te Mexico uit de handen zijner -bandieten had gered, en voor hetwelk hij, zijns ondanks, eene -onbeteugelde liefde had opgevat. Van Mexico af volgde hij haar stap -voor stap, evenals een wild dier op iedere gelegenheid loerend om een -prooi meester te worden, voor welker bezit hem geen offer te zwaar, -geene moeite te groot, geen gevaar te dreigend scheen. - -Hij putte dan ook bij zijne bandieten alle hulpmiddelen uit, die de -taal schenkt aan iemand, die zich door hartstocht verblinden laat, om -hen bij zich te houden, om hunnen moed op te wekken, in één woord om -hen te bewegen, dat zij, alvorens zij aftrokken, nog een aanval zouden -wagen. - -Hij had veel moeite om hen te overtuigen; gelijk meestal in zulke -gevallen, waren de dappersten gedood; de overblijvenden voelden zich -niet zeer gestemd om zich aan hetzelfde lot bloot te stellen. Maar door -middel van beloften en bedreigingen, gelukte het den kapitein eindelijk -om aan de bandieten de belofte af te persen, dat zij tot den volgenden -dag aldaar blijven, en gedurende den nacht een beslissenden slag zouden -wagen. - -Toen zij hierin overeengekomen waren, gaf Ouaktehno aan zijne -manschappen bevel om zich zoo goed mogelijk te verbergen, vooral omdat -zij er order toe kregen, zich niet te verroeren, welke beweging zij ook -door de Mexicanen zagen maken. De kapitein hoopte door onzichtbaar te -blijven, de belegerden in den waan te brengen dat de roovers, -afgeschrikt door de ontzettende moeielijkheden, die zij hadden ontmoet, -tot den aftocht besloten hadden, en werkelijk reeds afgetrokken waren. -Dit plan was niet zonder beleid opgevat; en het verkreeg inderdaad -bijna de uitkomst, die hij er van verwachtte. - -De roodachtige gloed der ondergaande zon kleurde met zijne laatste -stralen de toppen der boomen en der rotsen; de avondwind verfrischte en -zuiverde de lucht, de zon verdween in een bed van purperen dampen. De -stilte werd door niets gestoord dan door het krassend geschreeuw der -roofvogels, die hun kannibalenfeest voortzetten, en met woedende -bloeddorstigheid elkander de stukken vleesch betwistten, die zij van de -lijken afscheurden. - -De generaal, aangedaan door het droevig schouwspel, en meenende dat -kapitein Aguilar, de man wiens heldenmoed hen allen gered had, mede aan -die afschuwelijke ontwijding was blootgesteld, besloot zijn lijk niet -te verlaten, en, ’t mocht kosten wat het wilde, het op te zoeken en te -begraven, om alzoo een laatste eerbewijs te geven aan den ongelukkigen -jongeling, die niet geaarzeld had, zich voor hem op te offeren. Doña -Luz, aan wie hij zijn voornemen mededeelde, hoewel zij er de gevaren -van inzag, had de kracht niet om zich er tegen te verzetten. - -De generaal koos vier wakkere mannen uit, en na de wallen beklommen te -hebben, ging hij hun voor naar de plaats, waar het lijk van den -ongelukkigen kapitein lag. - -De lanceros, die in het kamp gebleven waren, bewaakten de vlakte, -gereed om hunnen moedigen makkers krachtdadig bijstand te bieden, in -geval zij in hun vromen arbeid mochten worden gestoord. - -De roovers, die in de spleten der rotsen in hinderlaag lagen, verloren -geene hunner bewegingen uit het oog, maar zij wachtten zich wel, hunne -tegenwoordigheid te verraden. - -De generaal kon dus rustig den plicht volbrengen, dien hij zich had -opgelegd. Het lijk van den kapitein was niet moeielijk te vinden. - -Het lag, half omver gevallen, aan den voet van een boom, met een -pistool in de eene hand en zijne machete in de andere met opgerichten -hoofde, met vasten blik en met een glimlach op de lippen, als daagde -hij, nog na zijnen dood, zijne moordenaars uit. Zijn lijk was -letterlijk met wonden bedekt, maar door een gelukkig toeval, dat de -generaal met blijdschap opmerkte, hadden de roofvogels het tot nu toe -gespaard. - -De lanceros legden het lijk op hunne geweren, en droegen het in -gezwinden pas naar het kamp terug. - -De generaal liep dicht achter hen, een wakend oog houdende op de -struiken en het kreupelhout. - -Geen blad bewoog zich; overal heerschte de grootste stilte; de roovers -waren verdwenen, zonder ander spoor achter te laten als hunne dooden. -De generaal hoopte, dat zijne vijanden waren afgetrokken; hij slaakte -een zucht van verlichting. - -De nacht begon met zijne gewone snelheid te vallen, aller blikken waren -gericht op de lanceros, die hun gesneuvelden officier terug brachten, -niemand merkte een twintigtal schimmen op, die zwijgend over de rotsen -gleden, en langzaam het kamp naderden, bij hetwelk zij zich in -hinderlaag legden, om van daar hunne vlammende blikken op de -verdedigers der legerplaats te richten. - -De generaal liet het lijk op een rustbed plaatsen, dat in der haast was -opgemaakt; en eene spade nemende, wilde hij zelf een kuil graven, -waarin de jongeling zou worden nedergelegd. - -Al de lanceros schaarden zich om hem heen, leunende op hunne wapenen. - -De generaal ontblootte zijn hoofd, nam een gebedenboek en las overluid -het doodenformulier voor, waarop zijne nicht en de omstanders het Amen -uitspraken. - -Er was iets grootsch en treffends in deze eenvoudige plechtigheid, te -midden der wildernis, wier duizend stemmen ook een gebed schenen te -prevelen, en in het aangezicht dier grootsche natuur, waar Gods vinger -zich zoo duidelijk openbaart. - -Die grijsaard, zooals hij daar bezig was het doodenformulier voor te -lezen boven het lijk van een jongeling, even te voren nog vol -levenskracht, zooals hij daar stond naast dat jonge meisje, te midden -dier sombere soldaten, die er over nadachten, hoe hetzelfde lot weldra -hen misschien wachten zou, maar die toch kalm en onderworpen, ijverig -baden voor hem, die hun was voorgegaan; en dan dat gebed zelve, zooals -het daar omhoog rees in den nacht, begeleid door het zuchten van den -avondwind, die huiverend door de takken ritselde, alles herinnerde aan -de eerste tijden van het Christendom, toen het, vervolgd en gedwongen -zich te verschuilen, in de woestijn de wijk nam, om nader bij God te -wezen. - -De vervulling dezer laatste plichtpleging werd door niets gestoord. -Nadat elk der aanwezigen nog eenmaal van den doode afscheid genomen -had, werd hij in zijn mantel gewikkeld en in den kuil nedergelaten; -zijne wapens werden naast hem geplaatst en de kuil werd dicht geworpen. -Eene kleine verhevenheid van den grond, die weldra weder verdwijnen -zou, wees alleen de plaats aan, waar het lijk rustte van een man, wiens -heldenmoed en verhevene zelfopoffering diegenen had gered, welke hem de -zorg voor hun behoud toevertrouwd hadden. - -De omstanders gingen uiteen, vast besloten zijn dood te wreken, en in -geval van nood, te doen gelijk hij. - -Het was nu volkomen donker geworden. - -De generaal deed thans voor het laatste de ronde, om zich te -verzekeren, dat de wachten allen op hun post stonden, wenschte zijne -nicht goeden nacht, en legde zich buiten hare tent, dwars voor den -ingang neder.—Zoo gingen er drie uren in ongestoorde rust voorbij. - -Eensklaps begon een twintigtal mannen, als zoovele duivels, zwijgend -tegen de wallen op te klauteren, en eer de verbaasde schildwachten den -minsten tegenweer konden bieden, waren zij reeds bij de keel gegrepen -en geworgd. - -Het kamp der Mexicanen was door de roovers verrast, en met hen waren -roof en moord daar binnen getreden! - - - - - - - -VII. - -HET GEVECHT. - - -De roovers dansten als jakhalzen in het kamp rond, onder het aanheffen -van een luid gebrul en onder het schudden der wapenen. Zoodra het kamp -ingenomen was, had de kapitein hun de vergunning gegeven, om op hun -gemak te gaan plunderen en moorden. Zonder zich verder met hen te -bemoeien, was hij naar de tent geijld. - -Daar echter werd de doorgang hem belet. De generaal had zeven of acht -man om zich heen verzameld, en wachtte aldus de bandieten moedig af, -vast besloten zich liever te laten dooden, dan toe te staan dat een -dezer ellendelingen zijne nicht aanraakte. Op het gezicht van den ouden -soldaat, die met bliksemende oogen, met een pistool in de eene en den -degen in de andere hand, gereed was hem te ontvangen, aarzelde de -kapitein. Maar die aarzeling duurde geen seconde, hij riep een tiental -roovers op, om zich rondom hem te scharen. - -»Maak plaats!” zeide hij, zijne machete zwaaiende. - -»Kom, zoo gij durft!” antwoordde de generaal, zich woedend op de lippen -bijtende. - -De beide mannen wierpen zich op elkander, hunne manschappen volgden hun -voorbeeld, het gevecht werd algemeen. - -’t Was eene vreeselijke worsteling, eene worsteling tusschen mannen, -die wisten, dat zij van elkander geene genade te wachten hadden. - -Ieder deed zijn best om doodelijke slagen uit te deelen, zonder zich de -moeite te geven, om die, welke op hem gericht waren, af te weren, niet -morrende om zijn val, zoo hij in dien val slechts zijne tegenpartij -medesleepte. De gekwetsten poogden zich nog op te richten, om met hun -ponjaard diegenen te treffen, welke nog vechtende waren. - -Zulk een woeste strijd kon niet lang duren; al de lanceros werden -afgemaakt, de generaal viel op den grond, omvergeworpen door den -kapitein, die op hem viel, en hem met zijn gordel stevig knevelde, om -hen allen verderen tegenstand onmogelijk te maken. - -De generaal was slechts licht gewond. Om zekere redenen, die hij alleen -kende, had de kapitein hem voorbedachtelijk onder het gevecht -beschermd, met zijne machete de slagen, die door de bandieten op hem -gericht werden, afwerende. Hij wilde zijn vijand levend in handen -krijgen, en het was hem gelukt. - -Al de overige Mexicanen waren wel is waar gevallen, maar de overwinning -was den roovers duur te staan gekomen. Zij waren voor de grootste helft -gedood. - -De neger van den generaal, met een geduchte knods gewapend, had zich -lang verdedigd tegen hen, die zich van hem poogden meester te maken; -zonder genade sloeg hij allen, die zich te dicht bij hem waagden, dood, -met het moorddadig wapen, dat hij met ongemeene behendigheid hanteerde; -eindelijk was men er in geslaagd hem te lasseeren en half geworgd op -den grond te werpen, maar de kapitein redde hem het leven, op het -oogenblik, dat een der roovers den arm oplichtte, om hem te dooden. - -Zoodra de kapitein zag, dat de generaal in de onmogelijkheid was om -eenige beweging te maken, slaakte hij een kreet van vreugde, en zonder -er aan te denken om het bloed te stelpen, dat hem uit twee wonden -stroomde, sprong hij als een tijger over het lichaam van zijn vijand, -die zich machteloos aan zijne voeten kromde, en trad de tent binnen. - -Deze was ledig. Doña Luz was verdwenen. De kapitein stond als aan den -grond genageld. - -Wat kon er van het meisje geworden zijn? - -De tent was niet groot, bijna zonder meubelen; het was onmogelijk er -zich in te verbergen. Een verfrommeld bed bewees, dat, op het oogenblik -van den aanval, doña Luz nog rustig lag te sluimeren. Als een -toovernimf was zij zonder eenig spoor achter te laten, verdwenen. De -kapitein begreep niets van hare vlucht, daar het kamp van alle zijden -te gelijk was aangevallen. Hoe zou een jong meisje, plotseling wakker -geschrikt, genoeg moed en tegenwoordigheid van geest hebben gehad, om -zoo vlug en zoo ongemerkt te ontsnappen, door den kring van vijanden -heen, die haar omringden, en wier eerste zorg het geweest was, om al de -ingangen te bewaken? Hij zocht te vergeefs naar de oplossing van dit -raadsel. Stampvoetend van toorn peilde hij met zijn ponjaard de pakken, -die der vluchteling tot eene tijdelijke schuilplaats hadden kunnen -verstrekken, maar alles te vergeefs. Eindelijk overtuigd, dat zijne -nasporingen in de tent tot niets zouden leiden, wierp hij zich naar -buiten, als een wild dier overal rondloopende, verzekerd, dat, zoo het -haar door een wonder gelukt was, om alleen, in den nacht, half gekleed, -en onbekend met de wegen in de wildernis, te ontsnappen, hij haar spoor -gemakkelijk terug zou vinden. - -De plundering werd ondertusschen voortgezet met eene snelheid en met -eene orde, te midden der wanorde, die de proefondervindelijke -kundigheden der roovers eer aandeden. - -De overwinnaars, eindelijk het moorden en stelen moede, openden met -hunne ponjaards de lederen zakken mezcal, en zetten door een algemeene -slemppartij de kroon op hun werk. - -Eensklaps liet zich op eenigen afstand een krassend en vreeselijk -geschreeuw hooren, en een hagelbui van kogels stortte op de bandieten -neder. Dezen, op hunne beurt aangevallen, vlogen te wapen, en poogden -zich te hereenigen. Op hetzelfde oogenblik kwam er een bende Indianen -te voorschijn, die als tijgers tusschen de pakgoederen sprongen, van -nabij gevolgd door een troep jagers, onder de aanvoering van Edelhart, -Goedsmoeds en den Zwarten Eland. - -De roovers bevonden zich in een benarden toestand. De kapitein, wien -het gevaar, waaraan zijne manschappen waren blootgesteld, ter harte -ging, liet het vruchteloos zoeken met weêrzin varen, en zijne lieden om -zich heen scharende, liet hij de twee gevangenen, die hij gemaakt had, -den generaal namelijk en zijn neger, opnemen. Toen gebruik makende van -de verwarring, die van een dergelijken aanval onafscheidelijk is, gaf -hij aan de zijnen bevel, om zich in alle richtingen te verspreiden, ten -einde des te gemakkelijker aan de slagen hunner vijanden te ontkomen. - -De roovers schoten allen te gelijkertijd hunne geweren af, hetgeen -onder de aanvallers eenige aarzeling teweeg bracht, en verwijderden -zich toen als een troep bloeddorstige gieren, om weldra in de -duisternis te verdwijnen. - -De kapitein intusschen, die het laatst achtergebleven was, om den -aftocht te dekken, verzuimde niet om nogmaals, terwijl hij langs de -rotsen afgleed, al vluchtende en zoolang hij kon, naar de sporen van -het meisje te zoeken; maar er was niets van haar te ontdekken. -Teleurgesteld ging hij weg, met woede in het hart en de zwartste -voornemens in het hoofd. - -Edelhart door den Indiaanschen verspieder, en vooral door het verhaal -van den doctor van den aanval op het kamp onderricht, was dadelijk op -marsch gegaan, ten einde den Mexicanen zoo spoedig mogelijk hulp toe te -brengen. Doch ongelukkig waren, ondanks de snelheid waarmede zij -voortgingen, de jagers en de Comanchen te laat gekomen om de karavaan -te redden. - -Toen de aanvoerders der onderneming zich van de vlucht der roovers -verzekerd hadden, begonnen de Arendskop en zijne manschappen hen te -achtervolgen. - -Edelhart, meester van het kamp gebleven zijnde, gaf bevel tot eene -algemeene jacht in de naburige rotskloven en in het hooge gras, dat de -bandieten nog niet den tijd hadden gehad nauwkeurig te onderzoeken, -want zij waren nauwelijks het kamp binnengedrongen, of zij werden er -weder uitgeslagen. Deze jacht leidde tot de ontdekking van Phebe, het -kamermeisje van doña Luz, en van twee lanceros, die zich in een -boomstam verscholen hadden, en die meer dood dan levend door den -Zwarten Eland en nog eenige andere jagers werden te voorschijn -gebracht. De arme drommels meenden den roovers in handen gevallen te -zijn, en Edelhart had onbeschrijfelijk veel moeite om hun aan het -verstand te brengen, dat de lieden die zij zagen vrienden waren, wel is -waar te laat gekomen om hen te helpen, maar toch niet genegen hun eenig -kwaad te doen. Zoodra zij een weinig gerust gesteld waren, trad -Edelhart met hen de tent binnen, en vroeg hun een omstandig verhaal van -het gebeurde. - -De jongste mesties, zoodra zij zag met wie zij te doen had, kreeg -eensklaps al haar moed terug, en daar zij bovendien Edelhart herkende, -liet zij zich lichtelijk tot praten bewegen: binnen weinige minuten -bracht zij den jager op de hoogte van al de verschrikkelijke -gebeurtenissen, waarvan zij getuige was geweest. - -»Dus,” vroeg hij haar, »is kapitein Aguilar gedood?” - -»Helaas! ja,” antwoordde het meisje met een smartelijken zucht; zij -dacht aan den moed van den armen officier. - -»En de generaal?” hernam de jager. - -»O, de generaal,” zeide de mesties levendig, »die heeft zich geweerd -als een leeuw, en hij is eerst na een heldhaftigen tegenstand -gevallen.” - -»Is hij dood?” vroeg Edelhart, pijnlijk aangedaan. - -»O, neen,” zeide zij, »hij is maar gewond, ik heb gezien dat de -bandieten hem wegdroegen, ik geloof zelfs, dat zijne wonden niet van de -zwaarsten zijn, daar de ladrons (dieven) hem gedurende het gevecht -altijd trachtten te sparen.” - -»Des te beter,” zeide de jager, en hij boog nadenkend het hoofd. Na -eene korte pauze, voegde hij er aarzelend en met eenigszins bevende -stem bij: »En uwe jonge meesteres, wat is daarvan geworden?” - -»Mijne meesteres, doña Luz?” - -»Ja, doña Luz, dat is geloof ik haar naam; ik zou er alles voor over -hebben, om iets van haar te hooren, en te weten dat zij zich in -veiligheid bevindt.” - -»Dat doet zij, want zij is dicht bij u,” zeide eene welluidende stem. - -En doña Luz trad te voorschijn, nog bleek van de aandoeningen, waaraan -zij ten prooi was geweest, maar toch kalm, met een glimlach op de -lippen, en met glinsterende oogen. - -De omstanders konden een uitroep van verbazing niet weerhouden, toen -zij zoo onverwachts dat meisje zagen verschijnen. - -»O, God zij geprezen!” riep de jager uit, »onze hulp is dan niet geheel -nutteloos geweest, Caballero.” - -»Neen,” antwoordde zij bevallig; en liet er treurig op volgen, terwijl -eene donkere wolk haar gelaat overschaduwde: »thans, nu ik hem verloren -heb, die mij als een vader was, kom ik uwe bescherming inroepen.” - -»Zij is u gegund, mevrouw,” zeide hij met warmte; »wat uw oom betreft, -o, reken op mij; ik zal hem u teruggeven, al moest ik het met mijn -leven betalen. Gij weet,” voegde hij er bij, »dat ik heden niet voor de -eerste maal uwe zaak verdedig.” - -Toen de eerste oogenblikken van aandoening voorbij waren, verlangde men -te weten, hoe het meisje er in geslaagd was om zich aan de nasporingen -der roovers te onttrekken. - -Doña Luz verhaalde wat haar overkomen was. - -Het meisje had zich geheel gekleed te bed gelegd, de ongerustheid had -haar wakker gehouden, een geheim voorgevoel zeide haar, dat zij op hare -hoede moest zijn. Bij het door de roovers aangeheven geschreeuw was zij -verschrikt opgestaan, en met den eersten oogopslag had zij gezien, dat -het onmogelijk was om te vluchten. Een angstigen blik om zich heen -werpende, had zij eenige kleederen bemerkt, die in wanorde in eene -hangmat waren geworpen en naar buiten hingen. - -Toen was haar plotseling een gedachte in het hoofd gekomen. Zij had -zich onder deze kleederen laten doorglijden, en zich zoo klein makende -als zij kon, zich in de hangmat nedergelegd, zonder de wanorde der -kleederen te verstoren. Door Gods goedheid had het opperhoofd der -bandieten, toen hij overal rondzocht, er niet aan gedacht om met de -hand in die schijnbaar ledige hangmat te tasten. Door dit toeval gered, -had zij zich ongeveer een half uur schuil gehouden, al dien tijd in -eene spanning verkeerende, die het onmogelijk is te beschrijven. De -komst der jagers en de stem van Edelhart, die zij terstond herkende, -hadden haar weder hoop ingeboezemd, zij had hare schuilplaats verlaten, -en ongeduldig op eene gunstige gelegenheid gewacht om zich te -vertoonen. - -De jagers stonden verbaasd over dit eenvoudig en toch zoo treffend -verhaal; zij wenschten het meisje geluk met haren moed en hare -tegenwoordigheid van geest, door welke alleen zij gered was geworden. - -Toen de orde in het kamp een weinig hersteld was, begaf Edelhart zich -wederom naar doña Luz. - -»Mevrouw,” zeide hij, »weldra zal het dag zijn; als gij eenige uren -rust zult genomen hebben, zal ik u bij mijne moeder brengen, die eene -vrome vrouw is; als zij u kent, twijfel ik niet, of zij zal u als hare -dochter liefhebben; daarna, als gij in veiligheid zult zijn, zal ik -mijn best doen, om uwen oom op te sporen.” - -Zonder de dankbetuigingen van het meisje af te wachten, maakte hij eene -eerbiedige buiging voor haar en ging de tent uit. - -Zoodra hij weg was, slaakte doña Luz een zucht, en liet zich peinzend -op haar stoel nedervallen. - - - - - - - -VIII. - -DE GROT VAN DEN KOPERGROEN. - - -Er waren twee dagen verloopen, na de in het vorige hoofdstuk vermelde -gebeurtenissen. - -Wij geleiden den lezer, tusschen drie en vier ure na den middag, in de -door Goedsmoeds ontdekte hut, waar Edelhart bij voorkeur zijn verblijf -hield. Het inwendige der grot, verlicht door tallooze toortsen van -zeker hout, dat de Indianen kaarshout noemen, en die op gelijke -afstanden in de nissen der rotsen stonden te branden, had heel veel van -eene legerplaats van heidens of bandieten. Een veertigtal jagers en -Comanchen waren hier en daar verspreid; sommigen sliepen, anderen -rookten, anderen wederom maakten hunne wapens schoon of herstelden -hunne kleederen, nog anderen lagen geknield voor twee of drie vuren, -waarboven groote ketels hingen, of roosterden ontzaglijke stukken -wildbraad voor het middagmaal hunner kameraden. Bij elken ingang der -grot stonden twee schildwachten, onbewegelijk, maar op alles nauwkeurig -acht gevende, om voor het algemeene welzijn te waken. - -In een afzonderlijk vertrek, door een vooruitstekend rotsblok van de -overige ruimte afgescheiden, zaten twee vrouwen en een man op ruwe -houtblokken zachtjes te praten. - -Deze vrouwen waren doña Luz en de moeder van Edelhart, de man, die -onder het rooken van zijn maïs-cigaar het oog op haar gevestigd hield, -en soms zich in het gesprek mengde, hetzij door een uitroep van -verrassing, van bewondering, of van vreugde, was nô Eusébio, de oude -Spaansche dienaar, van wien wij reeds meermalen in den loop van dit -verhaal melding hebben gemaakt. - -Aan den ingang van dit vertrek, dat eene soort van kamer in de grot -vormde, wandelde een ander man, met de handen op den rug en tusschen de -tanden fluitend, heen en weder. Dat was de Zwarte Eland. - -Edelhart, de Arendskop en Goedsmoeds waren afwezig. - -Het gesprek der beide vrouwen scheen hun veel belang in te boezemen; de -moeder van den jager wisselde vaak een veelbeteekenenden blik met haar -ouden dienaar, die zijn cigaar uit had laten gaan, maar, zonder het te -merken, werktuigelijk bleef doorrooken. - -»O,” zeide de oude dame, de handen samenvouwende en de oogen ten hemel -slaande, »de vinger Gods is wel zichtbaar in dit alles.” - -»Ja,” antwoordde nô Eusébio met overtuiging. »Hij alléén heeft alles -gedaan.” - -»En zeg mij, mijn lieve, heeft uw oom gedurende de twee maanden dat gij -op reis zijt, u nooit laten merken, hetzij door woorden, hetzij door -daden, wat het doel was van dien tocht?” - -»Nooit!” antwoordde doña Luz. - -»Het is vreemd,” prevelde de oude dame. - -»Ja vreemd, inderdaad,” herhaalde nô Eusébio, die voortging met aan -zijn cigaar te trekken. - -»Maar,” hernam Edelharts moeder, »waarmede bracht uw oom sedert zijne -komst in de prairiën, zijn tijd door? Vergeef mij, mijn kind, die -vragen moeten u wel vreemd toeschijnen, maar zij zijn geenszins het -gevolg van nieuwsgierigheid; later zult gij mij begrijpen; dan zult gij -inzien hoe groot de belangstelling is, die gij mij inboezemt, en welke -alleen mij noopt u te ondervragen.” - -»Ik twijfel er geenszins aan, mevrouw,” antwoordde doña Luz met een -bekoorlijk lachje; »ook maak ik geen bezwaar om uwe vragen te -beantwoorden. Mijn oom is sedert onze komst in de prairiën zeer -droefgeestig en bezorgd geweest; hij zocht bij voorkeur het gezelschap -van menschen, die aan het woestijnleven gewoon waren, en als hij er zoo -een ontmoette, bleef hij vaak vele uren achtereen met hem praten.” - -»En waarover ondervroeg hij hen dan, mijn kind, herinnert gij u dat -ook?” - -»O hemel, mevrouw,” antwoordde het meisje, terwijl een lichte blos hare -wangen kleurde, »ik moet u tot mijne schande bekennen, dat ik op die -gesprekken niet veel acht gaf, daar ik ten minste dacht, dat zij mij al -heel weinig aangingen. Ik, arm kind, die tot nu toe eene sombere en -eentonige levenswijze geleid heb, en die de wereld slechts heb gezien -door de tralies van mijn klooster, ik bewonderde de grootsche natuur, -die als door betoovering zich voor mij ontrolde; ik had geene oogen -genoeg om die wonderen te aanschouwen, en ik aanbad den schepper, wiens -oneindige macht zich eensklaps aan mij openbaarde.” - -»Het is waar, lief kind, vergeef mij die vragen, die u moeten -vermoeien, en waarvan gij het belang niet gissen kunt,” zeide de goede -dame, haar een kus op het voorhoofd drukkende; »als gij wilt, zullen -wij er later nog wel eens over spreken.” - -»Zoo als gij wilt, mevrouw,” antwoordde het meisje haar wederom -kussende, »ik ben blijde met u te kunnen praten, en welk onderwerp gij -kiezen moogt ik zal er altijd veel belang in stellen.” - -»Maar wij zitten hier niets te doen als te babbelen, en vergeten -intusschen mijn armen zoon die sedert dezen morgen afwezig is, en die, -naar hij mij gezegd heeft, nu reeds terug moest zijn.” - -»O, als hem maar niets overkomen is,” riep doña Luz angstig. - -»Gij stelt dan wel belang in hem?” vroeg de oude dame glimlachend. - -»O, mevrouw,” antwoordde zij aangedaan, terwijl haar gelaat zich met -gloeiend rood overdekte, »hoe zou dit anders kunnen na de diensten, die -hij ons bewezen heeft, en die welke hij ons nog bewijzen zal gelijk ik -zeker weet?” - -»Mijn zoon heeft u beloofd uw oom te zullen bevrijden; wees overtuigd, -dat hij zijne belofte vervullen zal.” - -»O, ik twijfel er niet aan, mevrouw! zulk een edel en groot karakter!” -riep zij met verheffing van stem uit, »met hoeveel recht draagt hij den -naam van Edelhart!” - -De oude dame en Eusébio zagen haar glimlachend aan; zij waren verheugd -over de verrukking van het meisje. - -Doña Luz bemerkte nu met welk eene aandacht men haar gadesloeg; zij -hield verlegen op, en boog het hoofd voorover, nog sterker blozende dan -te voren. - -»O,” zeide de oude dame, haar bij de hand grijpende, »ga gerust voort, -mijn kind, ik ben verrukt u zoo over mijn zoon te hooren spreken; ja,” -voegde zij er treurig en als tot zichzelve sprekende bij, »ja, hij -heeft een groot en edel karakter; gelijk alle groote geesten, wordt hij -miskend; maar geduld, God beproeft hem, eens zal hem recht wedervaren: -voor het aangezicht van allen.” - -»Zou hij gelukkig zijn?” waagde het meisje te vragen. - -»Dat zeg ik niet, mijn kind,” antwoordde de arme moeder met een -onderdrukten zucht, »wie kan in deze wereld zich vleien, gelukkig te -zijn? Ieder heeft een last om te dragen, maar de Almachtige geeft aan -ieder kracht naar kruis.” - -Men hoorde eenige beweging in de grot, verscheidene mannen traden -binnen. - -»Daar is uw zoon, mevrouw,” zeide de Zwarte Eland. - -»Verplicht, mijn vriend,” antwoordde zij. - -»O, zooveel te beter,” zeide doña Luz, verheugd opstaande. - -Maar beschaamd over deze onwillekeurige beweging, liet het meisje zich -verlegen en blozend weder op hare zitplaats nedervallen. - -Het was inderdaad Edelhart die binnenkwam, maar hij was niet alleen. -Goedsmoeds en de Arendskop, benevens verscheidene jagers vergezelden -hem. - -Edelhart, zoodra hij zich in de grot bevond, begaf zich dadelijk met -groote stappen naar de plaats, waar zijne moeder zat, hij gaf haar een -kus op het voorhoofd, wendde zich toen tot doña Luz, en groette haar -met zekere onnatuurlijke gedwongenheid, die voor de oude dame niet -onopgemerkt bleef. - -Het meisje groette hem niet minder stijf terug. - -»Nu,” zeide hij vroolijk, »gij zult u wel verveeld hebben, terwijl gij -op mij zat te wachten, mijne edele gevangene! de tijd heeft u in deze -grot wel lang moeten toeschijnen; vergeef mij, dat ik u in deze akelige -woning geherbergd heb, doña Luz, gij, die geboren zijt om prachtige -paleizen te bewonen. Helaas! het is het prachtigste van al mijne -verblijven.” - -»Bij de moeder van hem, die mij het leven gered heeft, mijnheer,” -antwoordde het meisje met waardigheid, »gevoel ik mij als in de -tegenwoordigheid eener koningin, welke ook de plaats moge zijn, die -haar tot woning verstrekt.” - -»Gij zijt al te goed, mevrouw!” stamelde de jager; »gij maakt mij -waarlijk verlegen.” - -»Welnu, mijn zoon,” viel de oude dame in, met het doel om eene andere -wending te geven aan het gesprek dat voor de beide jonge lieden -moeielijk begon te worden, »wat hebt gij van daag gedaan? Hebt gij -goede tijding voor ons? Doña Luz is zeer bezorgd omtrent het lot van -haar oom; zij brandt van verlangen om hem weder te zien.” - -»Ik begrijp de ongerustheid van mevrouw,” antwoordde de jager, »ik hoop -die weldra uit den weg te ruimen, wij hebben van daag niet veel -uitgericht, het is ons onmogelijk geweest het spoor der bandieten terug -te vinden. Het is om gek te worden van woede. Gelukkig hebben wij bij -onze terugkomst, niet ver van de grot, den doctor wedergevonden, die -volgens zijne loffelijke gewoonte, bezig was met in de spleten der -rotsen naar kruiden te zoeken; hij zeide ons, dat hij een man van een -verdacht uiterlijk in den omtrek had zien ronddwalen. Wij zijn dadelijk -op de jacht gegaan, en inderdaad ontdekten wij weldra een persoon, -waarvan wij ons onverwijld meester maakten, en dien wij hierheen hebben -gebracht.” - -»Gij ziet dus, mijnheer,” zeide doña Luz min of meer schalkachtig, »dat -het zoeken van kruiden toch nog ergens goed voor is. De goede doctor -heeft u naar alle waarschijnlijkheid een groote dienst bewezen.” - -»Zonder het te willen,” antwoordde Edelhart lachend. - -»Dat spreek ik niet tegen,” hernam het meisje schertsend, »maar hij -heeft het toch niettemin gedaan; en dat hebt gij aan zijne liefhebberij -voor de planten te danken.” - -»Het zoeken van planten heeft iets goeds, dat stem ik u toe; maar alles -moet zijn tijd hebben, en de doctor, zonder dat ik hem iets verwijten -wil, heeft den zijne niet altijd even goed gekozen.” - -Ondanks de ernstige feiten, waarop deze woorden zinspeelden, konden de -omstanders zich niet weêrhouden, om ten koste van den ongelukkigen -geleerde even te glimlachen. - -»Kom, kom,” zeide doña Luz, »ik wil niet dat men mijnen armen doctor -aanvalt; hij is voor zijne achteloosheid zwaar genoeg gestraft door het -verdriet, dat hem sedert dien noodlottigen dag verteert.” - -»Gij hebt gelijk, mevrouw; ik zal er niet meer van spreken; maar nu -vraag ik uwe toestemming om u te verlaten; mijne kameraden sterven -letterlijk van honger, en de brave lieden wachten op mij, om te gaan -eten.” - -»Maar,” vroeg nô Eusébio, »dien man, dien gij aangehouden hebt, wat -wilt gij daarmede doen?” - -»Dat weet ik nog niet; zoodra ik gegeten heb, zal ik hem ondervragen; -zijne antwoorden zullen waarschijnlijk mijn gedrag ten zijnen opzichte -besturen.” - -De ketels werden van het vuur genomen en de stukken wildbraad klein -gesneden; de jagers en de Indianen zetten zich broederlijk naast -elkander en aten met veel smaak. - -De dames werden afzonderlijk in haar vertrek bediend door nô Eusébio, -die de plichten van hofmeester waarnam met eene zorgvuldigheid en een -ernst, eene betere plaats waardig. - -De man, die bij den ingang der grot aangehouden was, was onder bewaking -gesteld van twee sterke, van top tot teen gewapende jagers, die hem -niet uit het oog verloren; maar hij scheen er volstrekt niet aan te -denken om te ontvluchten; integendeel, hij deed de spijzen, die men -beleefd genoeg geweest was voor hem neder te zetten, zeer veel eer aan. - -Zoodra de maaltijd afgeloopen was, vereenigden de opperhoofden zich, en -voerden eenige minuten lang te zamen een fluisterend gesprek. Daarna -werd op bevel van Edelhart de gevangene voorgebracht, en maakte men -zich gereed om hem te ondervragen. Deze man, dien men nog nauwelijks -een blik waardig gekeurd had, werd dadelijk herkend, zoodra hij voor de -opperhoofden stond, die een gebaar van verrassing niet konden -weerhouden. - -»Kapitein Ouaktehno!” prevelde Edelhart verbaasd. - -»Ja, ik zelf, mijne heeren,” antwoordde de roover met spottende -hooghartigheid; »wat hebt gij mij te vragen? Ik ben bereid u op alles -te antwoorden.” - - - - - - - -IX. - -STAATKUNDE. - - -Na al wat er gebeurd was, scheen het van den kapitein eene ongehoorde -vermetelheid, om zich zelven aldus weerloos in handen te stellen van -menschen, die niet zouden aarzelen eene schitterende wraak op hem te -nemen. De jagers waren dan ook niet weinig verschrikt over dezen stap -van den roover, en zij vermoedden, niet zonder reden, dat er een list -onder verscholen lag. Zij begrepen zeer goed, dat, zoo de kapitein -gevangen genomen was, hij zich had laten gevangen nemen, en dat hij -waarschijnlijk eene dringende beweegreden had om aldus te handelen, -vooral na de zorg die hij besteed had, om zijn spoor voor aller oog te -verbergen, en zulk eene ondoordringbare schuilplaats te zoeken, dat de -Indianen zelven, aan wier scherpen blik niets ontgaat, de hoop van die -ooit te zullen vinden, hadden opgegeven. Wat kwam hij doen, te midden -zijner onverzoenlijke vijanden? Welke reden had hem kunnen bewegen om -de onvoorzichtigheid te begaan van zich zelven over te geven? Dit -vroegen de jagers zich af, terwijl zij hem aanstaarden met die -nieuwsgierigheid en belangstelling, welke men onwillekeurig zich -genoopt gevoelt te wijden aan den man, die onverschrokken een moedige -daad volbrengt, welk karakter hij overigens ook moge bezitten. - -»Mijnheer,” zeide Edelhart na een korte pauze tot hem, »daar gij u in -onze handen gesteld hebt, zult gij zonder twijfel niet weigeren te -antwoorden op de vragen, die wij noodig achten tot u te richten.” - -Een onbeschrijfelijke lach plooide de bleeke en dunne lippen van den -roover. - -»Niet alleen,” antwoordde hij kalm en met nadruk, »zal ik niet weigeren -u antwoord te geven, mijne heeren, maar zelfs zoo gij het vergunt, zal -ik uwe vragen vooruitloopen, door u uit eigen beweging al wat er is -voorgevallen te melden, hetgeen, ik ben er zeker van, u vele feiten -duidelijk zal maken, die tot nu toe duister zijn gebleven, en die gij -te vergeefs gepoogd hebt te verklaren.” - -Een gemompel van verbazing doorliep de rijen der jagers, die allen -naderbij kwamen en aandachtig luisterden. - -Dit tooneel nam vreemde verhoudingen aan, en beloofde belangrijk te -zullen worden. Edelhart dacht even na, vervolgens zich tot den roover -wendende, zeide hij: - -»Ga uw gang, mijnheer, wij luisteren.” - -De kapitein boog, en begon op schertsenden toon zijn verhaal; toen hij -bij de overmeestering van het kamp gekomen was, vervolgde hij aldus: - -»Dat was een fijne zet van ons, niet waar, mijne heeren? inderdaad, gij -moogt mij wel een compliment daarover maken, gij, die in dergelijke -zaken voor meesters doorgaat, maar er is iets dat gij niet weet, en dat -ik u zeggen moet: de rijkdommen van den Mexicaanschen generaal waren -voor mij slechts eene bijzaak, ik had een ander doel, en dat doel zal -ik u te kennen geven; ik wilde mij meester maken van doña Luz. Van -Mexico af ben ik de karavaan stap voor stap gevolgd; den oppersten -gids, den Babbelaar, een ander vertrouwde van mij, had ik omgekocht; -het goud en de kostbaarheden voor mijne kameraden overlatende, begeerde -ik slechts het meisje.” - -»Nu, dan hebt gij uw doel gemist, of ik weet het niet,” viel Goedsmoeds -hem, met een tartenden glimlach, in de rede. - -»Zoudt gij dat denken?” antwoordde de ander met onverstoorbare kalmte; -»inderdaad, hebt gij in zoover gelijk, dat ik voor ditmaal mijn doel -heb gemist; maar ik heb nog niet alles gezegd, en misschien zal ik niet -altijd mijn doel missen.” - -»Gij spreekt hier, omringd door honderdvijftig der beste karabijnen der -prairie, over dat afschuwelijk plan, met even veel vertrouwen, alsof -gij u in veiligheid onder uwe bandieten bevondt, kapitein; dat is een -groote onvoorzichtigheid, of wel een zeldzame vermetelheid,” zeide -Edelhart op gestrengen toon. - -»Bah! het gevaar is voor mij niet zoo groot, als gij mij wilt doen -gelooven; gij weet dat ik de man niet ben, om mij bang te laten maken, -staak dus uwe bedreigingen, en laat ons, als het u belieft, ernstig -praten.” - -»Wij allen, jagers, bevervangers en Indiaansche krijgslieden, in deze -grot vereenigd, wij zijn in ons recht, en handelen in het belang onzer -gemeenschappelijke veiligheid, als wij de wet der prairiën, dat is: oog -om oog, tand om tand, op u toepassen, op u, die gegrepen, en volgens uw -eigen bekentenis schuldig zijt aan diefstal, moord, en poging tot -maagdenroof; die wet zullen wij onmiddellijk ten uitvoer leggen. Wat -hebt gij tot uwe verdediging aan te voeren?” - -»Alles op zijn tijd, Edelhart; aanstonds zullen wij ons daarmede bezig -houden, maar laat ons nu, bid ik u, een einde maken aan hetgeen ik te -zeggen had; wees gerust, het zal slechts eenige minuten oponthoud -geven; ik zelf zal op die andere zaak terugkomen, waarin gij zooveel -belang schijnt te stellen, daar gij u op eigen gezag tot rechter in de -woestijn opwerpt.” - -»Die wet is zoo oud als de wereld, zij is door God zelf gegeven: het is -de plicht van alle eerlijke lieden, om een wild dier te vervolgen, als -men het op zijn weg tegenkomt.” - -»Die vergelijking is niet vleiend,” antwoordde de roover onbewogen, -»maar ik ben niet lichtgeraakt, ik zal er mij niet boos om maken; wilt -gij mij nu nog voor het laatst het woord gunnen?” - -»Spreek, en laat het dan uit zijn.” - -»Dat is juist wat ik verlang; luister dan. In deze wereld vat ieder het -leven naar zijne wijze op, de een wat ruimer, de ander wat meer -bekrompen; wat mij betreft, het is mijn ideaal, mij binnen eenige jaren -met een aardig fortuintje van hier te verplaatsen naar een dier schoone -Mexicaansche provinciën, die er zoo recht prettig uitzien; gij bemerkt -dus, dat ik niet eerzuchtig ben. Eenige maanden geleden was ik ten -gevolge van verscheidene winstgevende zaken in de prairiën, die ik -gelukkig had ten einde gebracht, in het bezit van een ronde som gelds, -die ik volgens gewoonte besloot op interest te zetten, ten einde mij -later dat fortuintje te bezorgen, waarvan ik reeds gesproken heb. Ik -ging daarom naar Mexico, om mijn kapitaal in bewaring te geven aan een -aldaar wonenden eerlijken Franschen bankier, die er goed voor zorgt, en -dien ik u bij gelegenheid aanbeveel.” - -»Waartoe al die praatjes?” viel Edelhart hem driftig in de rede; »houdt -gij ons voor den gek, kapitein?” - -»In het minst niet: ik ga voort. Te Mexico vergunde het toeval mij, om -aan doña Luz een vrij belangrijke dienst te bewijzen.” - -»Gij!” riep Edelhart woedend uit. - -»Waarom niet?” hernam de andere; »de zaak droeg zich overigens vrij -eenvoudig toe; ik verloste haar uit de handen van mijne bandieten, die -juist bezig waren haar met alle zorgvuldigheid te plunderen; ik zag -haar en werd wanhopig op haar verliefd.” - -»Mijnheer!” zeide de jager, terwijl het bloed hem naar het hoofd steeg, -»dat gaat alle perken te buiten. Doña Luz is eene dame, waarvan men met -eerbied spreken moet; ik zal niet dulden dat men haar in mijne -tegenwoordigheid beleedigt.” - -»Wij zijn volkomen van hetzelfde gevoelen,” hernam de bandiet, »maar -het is daarom niet minder waar, dat ik verliefd op haar werd; ik deed -onderzoek naar haar, hoorde wie zij was, welke reis zij ging maken, en -tot op het oogenblik van haar vertrek was ik zeer gelukkig, gelijk gij -ziet; maar toen was mijn plan gemaakt, een plan, dat gelijk zoo even -zeer te recht door u is opgemerkt, geheel schipbreuk geleden heeft, -maar dat ik nog niet denk op te geven.” - -»Wij zullen er wel een eind aan weten te maken.” - -»En gij zult wel doen, zoo gij maar kunt.” - -»Nu hebt gij gedaan met spreken, geloof ik.” - -»Nog niet als het u belieft, maar voor wat ik nu ga zeggen is de -tegenwoordigheid van doña Luz onmisbaar; van haar alleen hangt de goede -uitslag mijner zending bij u af.” - -»Ik begrijp u niet.” - -»Gij behoeft mij ook nu nog niet te begrijpen, maar stel u gerust, -Edelhart, het raadsel zal weldra worden opgelost.” - -Gedurende dit lange onderhoud had de roover geen oogenblik zijne -tegenwoordigheid van geest verloren, noch dien spottenden toon en die -losse manier van handelen opgegeven die den jager wanhopig maakten. Hij -geleek veel meer op een landedelman, die bij zijne buren een bezoek -aflegt, dan op een gevangene, die op het punt was van doodgeschoten te -worden; hij scheen zich over het gevaar, dat hij liep, geen oogenblik -te verontrusten; zoodra hij met spreken gedaan had, en terwijl de -jagers fluisterend met elkander beraadslaagden, hield hij zich bezig -met op een maïs-cigaar te kauwen die hij opstak en bedaard ging zitten -rooken. - -»Doña Luz,” hernam Edelhart met kwalijk verborgen ongeduld, »heeft -niets met de onderhandelingen te maken, hare tegenwoordigheid is niet -noodzakelijk.” - -»Gij vergist u zeer, mijn beste,” antwoordde de onverstoorbare roover, -terwijl hij een groote rookwolk uitblies, »zij is onmisbaar, en zie -hier waarom: gij begrijpt heel goed, niet waar? dat ik een veel te -slimme vogel ben om mij zoo maar voetstoots aan u uit te leveren, -zonder bij mij iemand te hebben achtergelaten, die met zijn leven voor -het mijne instaat; die iemand is de oom van het meisje; zoo ik niet te -middernacht ben teruggekeerd in mijne woning, zoo als gij het gelieft -te noemen, en te midden mijner dappere kameraden, en dat wel om tien -minuten over twaalven, precies, dan zal die achtenswaardige heer zonder -uitstel dood geschoten worden.” - -Eene rilling van gramschap liep door de rijen der jagers. - -»Ik weet heel goed,” ging de roover voort: »dat gij persoonlijk u zeer -weinig om het leven van den waardigen generaal bekommert, en dat gij -het edelmoedig zult opofferen, in ruil voor het mijne; maar gelukkig -voor mij is doña Luz, daar ben ik zeker van, van een ander gevoelen; -wees dus zoo goed, en verzoek haar om hier te komen, opdat zij hoore -wat ik haar heb voor te stellen; de tijd gaat voort, de weg van hier -naar mijn kamp is lang; als ik te laat kwam, zoudt gij alleen -verantwoordelijk zijn voor de ongelukken, die mijn oponthoud zou -tengevolge hebben.” - -»Hier ben ik, mijnheer,” zeide doña Luz, eensklaps te voorschijn -tredende, daar zij onder de menigte verborgen, alles gehoord had wat er -gezegd was. - -De roover wierp zijn half uitgerookte cigaar weg, maakte eene beleefde -buiging voor het meisje en groette haar eerbiedig. - -»Ik ben gelukkig, mevrouw,” zeide hij, »van wege de eer, waarmede gij -mij verwaardigt.” - -»Houd op met uw beleedigende complimenten, mijnheer; ik luister, wat -hebt gij mij te zeggen?” - -»Gij beoordeelt mij verkeerd,” antwoordde de roover, »maar ik hoop, dat -ik later genade zal vinden in uwe oogen. Herkent gij mij dan niet, ik -meende eene betere herinnering bij u te hebben achtergelaten.” - -»Het is mogelijk, mijnheer, dat ik een tijdlang een goeden dunk van u -bewaard heb,” antwoordde het meisje bewogen, »maar na al wat er in deze -laatste dagen gebeurd is, zie ik in u niets anders als een misdadiger.” - -»Dat woord is hard, mevrouw!” - -»Vergeef mij bid ik u, mijnheer, zoo het u mocht beleedigd hebben, maar -ik ben nog niet geheel hersteld van de schrikken die gij mij hebt -aangejaagd, schrikken, die uw gedrag van heden veeleer verdubbelt dan -uitwischt; wil mij dus zonder uitstel met uwe bedoelingen bekend -maken.” - -»Ik zou bijna wanhopen, daar ik zoo slecht door u begrepen word, -mevrouw; ik smeek u, schrijf al het gebeurde alleen toe aan de -hevigheid van den hartstocht, die mij bezielt, en geloof....” - -»Mijnheer, gij beleedigt mij!” viel het jonge meisje, zich trotsch -oprichtende, hem in de rede; »welke gemeenschap kan er bestaan tusschen -mij en een bandietenhoofdman?” - -Bij deze geweldige beleediging overdekte een koortsachtige gloed het -gelaat van den roover; hij beet zich op de lippen, maar een sterke -poging doende om zichzelven te beheerschen, smoorde hij de gevoelens, -die hem bezielden, in het diepst van zijn hart, en antwoordde hij op -kalmen en eerbiedigen toon: - -»Het zij zoo, mevrouw; verpletter mij, ik heb het verdiend.” - -»Is het alleen om zulke alledaagsche gezegden uit te kramen, dat gij -mijne tegenwoordigheid hebt verlangd, mijnheer? in dat geval zult gij -mij niet kwalijk nemen, als ik mij verwijder; een meisje van mijn rang -is aan zulke manieren niet gewoon, en verwaardigt zich niet zulke -gesprekken aan te hooren.” Zij maakte eene beweging, om zich wederom -naar de moeder van Edelhart te begeven, die op zijne beurt naar haar -toekwam. - -»Een oogenblik, mevrouw!” riep de roover toornig uit; »gij veracht -mijne gebeden, welnu, hoor dan mijne bevelen.” - -»Uwe bevelen!” brulde de jager, op hem toespringende; »vergeet gij dan -waar gij zijt, ellendeling?” - -»Kom, geen bedreigingen, mijn waarde vrienden!” hernam de roover met -luider stem, terwijl hij de armen kruiselings over de borst sloeg, het -hoofd oprichtte en een verachtelijken blik op de omstanders wierp; »gij -weet wel, dat gij tegen mij niets vermoogt, dat er geen haar van mijn -hoofd vallen zal.” - -»Dat is te veel!” riep de jager uit. - -»Halt, Edelhart!” zeide doña Luz, zich voor hem plaatsende, »die man is -uw toorn onwaardig; ik zie hem liever zoo, hij speelt zijn rol als -bandiet goed, hij heeft ten minste het masker afgeworpen!” - -»Ja, ik heb het masker afgeworpen!” riep de roover woedend uit; -»luister dan, dwaas kind: binnen drie dagen kom ik terug; gij ziet, ik -ben goed,” vervolgde hij met een spotachtigen lach, »ik geef u den tijd -om na te denken; zoo gij er dan niet in toestemt om mij te volgen, zal -uw oom de vreeselijkste folteringen te verduren hebben, en als een -laatste gedachtenis van mij, zal ik u zijn hoofd zenden.” - -»Monster!....” riep het meisje wanhopend uit. - -»Kom aan!” zeide hij, met een duivelschen grijnslach de schouders -ophalende, »ieder bemint op zijne wijze; ik heb gezworen dat gij mijne -vrouw zult zijn.” - -Maar het meisje hoorde niet meer; door smart overweldigd, was zij in -zwijm gevallen, in de armen van des jagers moeder en van Nô Eusébio, -die zich haastten haar weg te brengen. - -»Genoeg!” zeide Edelhart met eene vreeselijke stem, terwijl hij zijne -hand op den schouder van den roover legde; »dank God, die u vergunt -heelhuids uit onze handen te komen.” - -»Binnen drie dagen, op hetzelfde uur, ziet gij mij weder, mijne -heeren,” zeide hij met verachting. - -»In dien tijd kan de kans omslaan,” zeide Goedsmoeds. - -De roover antwoordde slechts met een grijnslach en verliet de hut zoo -kalm en bedaard, alsof er niets buitengewoons ware voorgevallen. Hij -verwaardigde zich niet eens om even om te zien, zoo zeker was hij van -de ontsteltenis die hij teweeg gebracht en van den indruk dien hij -gemaakt had. - -Nauwelijks was hij weg, of Goedsmoeds, de Zwarte Eland en de Arendskop -verlieten de grot langs andere wegen om zijn spoor te volgen. - -Edelhart bleef een oogenblik staan peinzen, vervolgens ging hij, bleek -en met gefronsd voorhoofd, vernemen hoe doña Luz het maakte. - - - - - - - -X. - -TWEESTRIJD. - - -Doña Luz en Edelhart stonden in een zonderlinge verhouding tegenover -elkander. Beide jong, beide schoon, beminden zij elkander zonder het -zich zelven te willen bekennen, zonder er zich bijna van bewust te -zijn. Beide, hoewel hun vorig leven hemelsbreed van elkander -verschilde, bezaten een gelijke frischheid van gevoelens, een gelijke -onschuld des harten. - -De kindsheid van het meisje was eentonig en stil voorbij gegaan onder -overdreven godsdienstige oefeningen, in dat land, waar het christendom -veeleer eene soort van fetischdienst is, dan wel dat zuivere, edele, -eenvoudige geloof van onze gewesten. Nooit had zij haar hart hooger -voelen kloppen. Zij was onbekend met de liefde, onbekend met de smart. -Zij leefde als de vogelen des hemels, den dag van gisteren vergetende, -aan den dag van morgen niet denkende. Maar de reis, die zij ondernomen -had, had een geheele verandering in haar bestaan teweeg gebracht. Het -gezicht van den onmetelijken horizon, die zich voor haar in de prairie -uitstrekte, van de prachtige rivieren, die zij overtrok, van de hooge -bergen, waar zij vaak langs moest, en wier toppen den hemel schenen aan -te raken, had den kring van hare denkbeelden grooter gemaakt, een -blinddoek was haar als het ware van de oogen gevallen, zij had begrepen -dat God haar voor iets anders geschapen had, als om in een klooster -haar leven voort te slepen. - -De verschijning van Edelhart, in de buitengewone omstandigheden, waarin -hij zich aan haar voorstelde, had haren voor elken indruk vatbaren -geest verleid. In zijne tegenwoordigheid voelde zij zich haars ondanks -bewogen. Onbewust had haar hart het hart ontmoet, dat het zocht. Teeder -en zwak als zij was, had zij behoefte aan dien krachtigen man, met dien -doordringenden blik, met dien leeuwenmoed, met dien ijzeren wil, om -haar staande te houden in het leven, en om haar onder zijne machtige -bescherming te nemen. - -Ook had zij zich van het eerste oogenblik af aan met onbeschrijfelijk -zoet gevoel langs de helling, die haar naar Edelhart voerde, laten -afglijden, en de liefde had zich in hare ziel gevestigd, eer zij het -wist, en eer zij op tegenstand bedacht was. De laatste gebeurtenissen -hadden met vernieuwde kracht dien hartstocht, die op den bodem haars -harten sluimerde, opgewekt. Nu, terwijl zij bij hem was, terwijl zij -ieder oogenblik uit den mond zijner moeder en van zijne vrienden zijn -lof hoorde verkondigen, was zij er toe gekomen om hare liefde te -beschouwen als een deel uitmakende van haar bestaan; zij begreep niet, -hoe zij zóólang had kunnen leven, zonder dien man te beminnen, dien zij -van hare geboorte af scheen gekend te hebben. - -Zij leefde slechts voor hem en door hem, gelukkig als zij een blik of -een glimlach van hem kon opvangen, vroolijk als zij hem zag, treurig -als hij lang wegbleef. - -Edelhart was langs een gansch anderen weg tot hetzelfde einddoel -gekomen. Opgevoed in de prairiën, om zoo te zeggen, van aangezicht tot -aangezicht tegenover God, dien hij zich gewend had te vereeren in de -grootsche werken, die hij altijd voor oogen had, hadden de verhevene -natuurtafereelen, de gedurige worstelingen met de Indianen of met de -wilde dieren, zijnen geest zoowel als zijn lichaam buitengemeen -ontwikkeld. Evenals hij door zijne spierkracht en zijne behendigheid in -het hanteeren der wapenen alle hinderpalen, die hem in den weg stonden, -wist te overwinnen, was hij ook door den rijkdom zijner denkbeelden en -door de fijnheid van zijn gevoel, in staat om alle dingen te begrijpen. -Niets wat goed en groot was, was hem onbekend. Gelijk meestal het geval -is met zulke uitgelezen karakters, wanneer zij reeds vroeg met -tegenspoed te worstelen hebben, en zonder andere verdedigers als zich -zelven aan de vreeselijkste omstandigheden des levens zijn -blootgesteld, had ook zijne ziel zich op buitengewone wijze ontwikkeld, -maar tevens een zonderlinge naïveteit bewaard met betrekking tot zekere -gevoelens, die hem altijd onbekend waren gebleven, en die hem, uit -hoofde van zijne levenswijze, eeuwig onbekend zouden gebleven zijn, zoo -niet een toeval hem te hulp ware gekomen. De dagelijksche behoeften van -het veelbewogen en onzekere leven, dat hij leidde, hadden in hem de -kiem van den hartstocht onderdrukt, zijne eenzaamheid had hem onbewust -tot een meer beschouwend leven gevoerd. - -Daar hij geen andere vrouwen kende als zijne moeder, want de -Indiaansche vrouwen hadden hem nooit iets anders als afkeer -ingeboezemd, was hij zes en dertig jaren oud geworden, zonder aan -liefde te denken, zonder te weten wat het was, en, wat meer zegt, -zonder zelfs ooit dat veelbeteekenend woord, dat de bron is van zooveel -verhevene opofferingen en van zooveel verschrikkelijke misdaden, te -hebben hooren uitspreken. Als na een lange dagreize door bosschen en -langs rotsachtige wegen, na een vermoeiende beverjacht, van vijftien -tot zestien uren, Edelhart en Goedsmoeds zich in de prairie bij het -wachtvuur vereenigden, liep hun gesprek natuurlijk over niets anders -als over de gebeurtenissen van den dag. Zoo gingen er weken, maanden, -jaren voorbij, zonder dat er eenige verandering in zijn toestand kwam, -behalve dat zich een onbestemd gevoel van hem meester maakte, een -verlangen naar hij wist niet wat, een ongerustheid waarvan hij de -oorzaak niet kende, die hem langzaam ondermijnde, zonder dat hij er -zich rekenschap van geven kon. - -Want de natuur heeft hare onverbiddelijke rechten, waaraan ieder, -willens of onwillens, in welken toestand hij zich ook bevinde, zich -moet onderwerpen. - -Toen dan ook het toeval hem met doña Luz in aanraking bracht, vloog -zijn hart tot haar met hetzelfde gevoel van natuurlijke en -onweerstaanbare aanhankelijkheid en eenstemmigheid, dat ook het meisje -beheerschte. Zelf verbaasd over die plotselinge belangstelling voor -eene vreemde, welke hij waarschijnlijk nooit weder zou zien, werd hij -bijna wrevelig over dat in hem opkomend gevoel, en openbaarde hij in -zijn omgang met haar eene gedwongenheid, die niet in zijn karakter lag. -Evenals alle groote geesten, die steeds allen zonder tegenstand voor -zich hebben zien buigen, hinderde hem het bewustzijn van door een -meisje beheerscht te worden, en onder een invloed te staan, waaraan hij -zich reeds niet meer onttrekken kon. - -Doch toen hij na den brand der prairie het kamp der Mexicanen verliet, -had hij, ondanks zijn haastig vertrek, de herinnering der vreemde in -zijn hart medegenomen. Dat beeld was verder uitgewerkt door hare -afwezigheid. Altijd meende hij in zijne ooren den zoeten, welluidenden -toon van hare stem te hooren ruischen; altijd, hetzij hij waakte, -hetzij hij sliep, stond zij voor hem, met een glimlach op de lippen, en -met den blik op hem geslagen. - -De strijd was zwaar om te strijden. Edelhart, niettegenstaande den -hartstocht die hem verteerde, wist welk een onoverkomelijke afstand hem -van doña Luz scheidde. Hoe zinneloos zijne liefde was, hoe onmogelijk -hare bevrediging. Alle tegenwerpingen, die in zulke gevallen slechts -gemaakt kunnen worden, maakte hij, om zich zelven het bewijs te -leveren, dat hij een dwaas was. - -Vervolgens, toen hij er in geslaagd was om zich zelven te overtuigen, -dat er tusschen hem en haar, die hij liefhad, een diepe klove bestond, -toen hij overwonnen was in den vreeselijken strijd, dien hij met zich -zelven had aangegaan, en alleen de hoop, die den sterke nooit verlaat, -hem misschien nog staande hield, was hij nog verre van zijne nederlaag -te willen erkennen of zich weerloos over te geven aan dien hartstocht, -die voortaan zijn eenig genot, zijn eenig geluk uitmaakte, en ging hij -steeds voort met hem in het geheim te bestrijden, medelijden hebbende -met zich zelven om die duizend kleine lafheden, die zijne liefde hem -dagelijks deed begaan. - -Hij vermeed met eene standvastigheid, die het meisje zou hebben kunnen -hinderen, elke gelegenheid om haar te ontmoeten; als het toeval hem -dwong zich met haar samen te bevinden, werd hij stil en vervelend; op -de vragen die zij tot hem richtte, antwoordde hij slechts met moeite en -met die onhandigheid, die meestal de eerstbeginnenden in het vak der -liefde kenmerkt; de eerste gelegenheid, die zich aanbood, nam hij waar, -om haar te verlaten. - -Het meisje volgde hem treurig met hare oogen, zuchtte in stilte, en -voelde soms een vochtige parel langs hare blozende wangen rollen, als -zij dat afscheid zag, dat haar een bewijs zijner onverschilligheid -toescheen, en dat toch een gevolg was van zijne liefde. Maar gedurende -de weinige dagen, die er na de inneming van het kamp verloopen waren, -waren de jongelieden onbewust eene groote schrede vooruitgegaan, te -meer daar Edelharts moeder, met dien scherpen blik, welken alleen eene -moeder bezit, zoo zij waarlijk dien naam verdient, den hartstocht van -haren zoon geraden, zijn inwendigen strijd gezien, en zich zelve de -geheime vertrouwde gemaakt had van die liefde, die zij buiten hun weten -wilde bevorderen en tot een gelukkig einde brengen, terwijl zij beide -voor zich zelven overtuigd waren, dat hunne liefde in de diepste diepte -hunner ziel begraven lag. - -Zoo stonden de zaken, twee dagen na dien, waarop de kapitein aan doña -Luz zijn voorstel gedaan had. - -Edelhart scheen droeviger gestemd dan gewoonlijk; hij wandelde met -groote schreden in de grot op en neder, gaf met duidelijke teekenen -zijn levendig ongeduld te kennen, en wierp nu en dan onrustige blikken -om zich heen. Eindelijk leunde hij zich tegen een der wanden, liet zijn -hoofd op zijne borst nederzinken en bleef in gedachten staan. - -Zoo stond hij een tijdlang, toen een zachte stem hem in het oor -fluisterde: - -»Wat schort u toch, mijn zoon? van waar die droefheid, die uw gelaat -bewolkt? Hebt gij slechte tijding ontvangen?” - -Edelhart hief het hoofd op, als iemand die eensklaps wordt wakker -gemaakt. Zijne moeder en doña Luz stonden voor hem, arm in arm op -elkander leunende. Hij wierp een treurigen blik om zich heen, en -antwoordde op doffen toon: - -»Helaas, moeder, morgen is het de laatste dag! ik heb nog niets kunnen -bedenken, om doña Luz te redden, en haar haren oom terug te geven.” - -De twee vrouwen sidderden. - -»Morgen!” prevelde doña Luz, »dat is waar, morgen moet die man komen.” - -»Wat zult gij doen, mijn zoon?” - -»Weet ik het, moeder?” antwoordde hij ongeduldig; »o, die man is -sterker dan ik! hij heeft al mijne plannen verijdeld! Tot heden toe is -het ons onmogelijk geweest zijne schuilplaats te ontdekken; al onze -nasporingen hebben niet de minste vrucht opgeleverd.” - -»Edelhart,” zeide het meisje zachtjes, »zult gij mij dan aan de genade -van dien bandiet overgeven? Waarom hebt gij mij dan gered?” - -»O,” zeide de jager, »dat verwijt zal mij dooden!” - -»Ik verwijt u niets, Edelhart,” zeide zij levendig, »maar ik ben zoo -ongelukkig. Als ik blijf, dan ben ik oorzaak van den dood van den -eenigen bloedverwant, dien ik ter wereld bezit; als ik ga, ben ik -onteerd.” - -»O, en niets te kunnen doen!” riep hij bewogen uit, »u te zien -schreien, u ongelukkig te weten, en niets te kunnen doen! O, om u een -angst te besparen, zou ik gaarne mijn leven willen opofferen! God -alleen weet, hoe mijne onmacht mij ter neder drukt.” - -»Hoop, mijn zoon!” zeide de oude dame op een toon van overtuiging. »God -is goed, hij zal u niet verlaten.” - -»Hopen! wat zegt gij daar, moeder? Twee dagen lang hebben mijne -vrienden en ik het onmogelijke beproefd, maar alles te vergeefs. Hopen! -en binnen weinige uren zal die ellendeling zijn prooi komen opeischen! -Ik wil liever sterven, dan zulk een misdaad te zien volbrengen.” - -Doña Luz zag hem met een zonderlinge uitdrukking aan; een droevige -glimlach plooide hare lippen, en hem zachtjes hare fijne mollige hand -op de schouders leggende, zeide zij met een welluidende stem: - -»Edelhart, bemint gij mij?” - -De jongeling sidderde; een rilling voer hem door de leden. - -»Waartoe die vraag?” vroeg hij bevend. - -»Antwoord mij, zonder aarzelen, en even vrij als ik het u vraag,” -hernam zij: »het oogenblik is plechtig, ik heb u een gunst te -verzoeken.” - -»O, spreek, mevrouw! gij weet, dat ik u niets kan weigeren.” - -»Antwoord mij dan eerst,” hernam zij huiverend, »bemint gij mij?” - -»Zoo u te beminnen, mevrouw, hetzelfde is als zijn leven voor u te -willen opofferen; zoo u te beminnen hetzelfde is als de grootste -marteling te ondergaan, wanneer ik een traan op uwe wangen zie -biggelen; zoo u te beminnen hetzelfde is als den moed te hebben, om u -morgen het offer te laten volbrengen, dat uw oom redden zal, ja, -mevrouw, dan bemin ik u met al de liefde mijner ziel! spreek dus, -spreek onbevreesd, wat gij mij vragen zult, ik zal het met vreugde -doen.” - -»Goed, mijn vriend,” zeide zij; »ik reken op uw woord; morgen zal ik er -u aan herinneren, als die man komt; maar eerst moet mijn oom gered -worden, al moest ik mijn leven opofferen. Helaas! hij is mij tot een -vader geweest, hij bemint mij als zijne dochter, om mijnentwil is hij -den bandieten in handen gevallen. O, zweer mij, Edelhart, dat gij hem -verlossen zult,” voegde zij er bij, met eene stem, die trilde van -aandoening. - -Edelhart wilde juist antwoorden, toen Goedsmoeds en de Zwarte Eland de -grot binnentraden. - -»Eindelijk!” riep hij uit, op hen toeschietende. - -De drie mannen bleven eenige oogenblikken met elkander staan -fluisteren; vervolgens kwam de jager in aller ijl bij de twee vrouwen -terug, zijn gelaat schitterde van vreugd. - -»Gij hebt gelijk, moeder,” riep hij uit; »God is goed, hij verlaat niet -wie op hem vertrouwen. Nu ben ik het, die u zegt: hoop, doña Luz, -weldra zal ik uw oom wedergeven!” - -»O,” juichte zij, »zou het mogelijk zijn?” - -»Hoop, zeg ik u! vaarwel moeder! bid God, dat hij mij helpe! meer dan -ooit zal ik zijne hulp van noode hebben.” - -Zonder meer te zeggen vloog hij de grot uit, door de meeste zijner -makkers gevolgd. - -»Wat bedoelde hij toch?” prevelde doña Luz angstig. - -»Kom, mijne dochter,” antwoordde de oude dame treurig, »laat ons voor -hem bidden.” - -Zij trok haar zachtjes mede, naar het afzonderlijk vertrek, dat zij -bewoonden. - -Er bleven slechts tien mannen in de grot, om de vrouwen te verdedigen. - - - - - - - -XI. - -DE GEVANGENE. - - -Toen de Roodhuiden en de jagers het kamp der Mexicanen veroverd hadden, -hadden de roovers, volgens den last van hunnen hoofdman, zich in alle -richtingen verstrooid, om des te gemakkelijker aan de nasporingen -hunner vijanden te ontkomen. - -De kapitein en de vier mannen, die den generaal en zijn neger droegen, -waren langs de helling der rotsen naar beneden gegaan, op gevaar af van -duizendmaal verbrijzeld te worden en in de diepte te storten, die aan -hunne voeten gaapte. Op zekeren afstand gekomen, en gerust gesteld door -de stilte, die om hen heen heerschte, en meer nog door de ongehoorde -moeielijkheden, die zij overwonnen hadden, om de plaats te bereiken, -waar zij zich bevonden, bleven zij stilstaan, om adem te scheppen. Een -dikke duisternis omgaf hen, boven hunne hoofden zagen zij, op een -ontzaglijke hoogte, evenals zoovele sterren de fakkels glinsteren van -de jagers, die hen vervolgden, maar die het niet waagden denzelfden weg -te gaan, langs welken zij gekomen waren. - -»’t Gaat goed,” zeide de kapitein; »komt, kinderen, wij kunnen nu -eenige oogenblikken uitrusten. Wij hebben voor het tegenwoordige niets -te vreezen; legt uwe gevangenen hier neder, en dat twee uwer de -omstreken gaan verkennen.” - -Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht; eenige minuten later kwamen -de beide bandieten zeggen, dat zij een hol hadden ontdekt, dat hun -voorloopig tot schuilplaats kon verstrekken. - -»Duivels!” zeide de kapitein, »laat ons daar heen gaan;” en zelf het -voorbeeld gevende, stond hij op, en verwijderde zich, gevolgd door de -anderen. - -Zij kwamen weldra aan eene grot, die vrij ruim scheen te zijn, en die -maar weinige voeten lager was dan de plaats, waar zij zich in ’t eerst -hadden nedergezet. - -Toen zij zich hier in veiligheid gesteld hadden, was het de eerste zorg -van den kapitein om den ingang er van met behulp van een deken geheel -dicht te sluiten, hetgeen niet moeielijk viel, daar de ingang vrij nauw -was, zoodat de bandieten hadden moeten bukken, om er in te komen. - -»Daar,” zeide de kapitein, »zijn wij nu thuis; hier behoeven wij niet -bang te zijn, dat een onbescheiden oog ons bespieden zal.” En een -vuursteen uit zijn zak halende, stak hij eene toorts van kaarshout aan, -die hij tot dat einde de voorzichtigheid gehad had van mede te nemen. -Zoodra zij de voorwerpen om hen heen konden onderscheiden, slaakten de -bandieten een kreet van vreugde. Wat in de duisternis slechts een -eenvoudig hol scheen te zijn, was een natuurlijke onderaardsche grot, -gelijk er in deze gewesten velen voorkomen. - -»Wel zoo!” zeide de kapitein, »laat ons eens zien waar wij zijn; blijft -daar, gij allen, houdt een waakzaam oog over de gevangenen, ik ga ons -nieuw grondgebied verkennen.” - -Na een tweede toorts aangestoken te hebben, onderzocht hij de grot. Met -een zachte helling liep zij onder den berg door; de wanden waren overal -vrij hoog, en de ruimte daartusschen meestal breed genoeg om ruime -zalen te vormen. Door onzichtbare spleten moest zij van buiten versche -lucht ontvangen, want het licht brandde zonder moeite, en de kapitein -haalde er zeer gemakkelijk adem. Hoe verder hij voortging, des te -frisscher werd de lucht, hetgeen hem deed gissen, dat hij zich nabij -een anderen uitgang bevond. Zoo liep hij reeds twintig minuten, toen -eene windvlaag, die hem in het aangezicht sloeg, zijn toorts deed -opflikkeren. - -»Hm!” mompelde hij, »ziedaar een uitgang; laat ons voorzichtig zijn; ik -zal het licht uitdoen, men kan nooit weten, wat men daar buiten -tegenkomt.” - -Hij trapte zijne toorts uit, en bleef eenige oogenblikken stil staan, -om aan zijne oogen den tijd te geven zich aan de duisternis te -gewennen. Hij was een voorzichtig man, en zijn vak van -bandietenhoofdman volkomen meester; zoo het plan, dat hij gevormd had, -om het kamp aan te vallen, schipbreuk geleden had, was dit slechts het -gevolg van een samenloop van omstandigheden, die hij onmogelijk had -kunnen voorzien. Toen dan ook de eerste booze bui over de ontvangen -nederlaag was overgewaaid had hij terstond zijne partij gekozen, -terwijl hij zich het genoegen voorbehield, om zich bij de eerste -gelegenheid de beste te wreken. De fortuin scheen hem overigens op -nieuw toe te lachen, daar zij hem, juist toen hij er de meeste behoefte -aan had, een bijna ondoordringbare schuilplaats aanbood. - -Blijde en vol hoop wachtte hij dus tot zijne oogen zich aan de -duisternis hadden gewend, en hem vergunden de voorwerpen te -onderscheiden, om te weten of hij werkelijk een uitgang zou vinden, die -hem meester zou maken van eene bijna onoverwinnelijke sterkte. - -Hij bedroog zich niet in zijne verwachting. Zoodra de vlam opgehouden -had hem te verblinden, bemerkte hij op vrij grooten afstand vóór zich -uit een flauw schijnsel. Hij liep moedig voort; na eenige minuten kwam -hij aan den zoo zeer begeerden uitgang. - -Deze uitgang bevond zich bij den oever eener kleine rivier, waarvan het -water onder het gewelf der grot dood liep, zoodat de bandieten slechts -te water behoefden te gaan om haar te ontruimen, zonder eenig spoor -achter te laten, en alzoo elke nasporing vruchteloos konden maken. - -De kapitein kende de prairiën van het Westen, waarin hij sedert bijna -tien jaren zijn eerloos en winstgevend beroep uitoefende, te goed, om -zich niet gemakkelijk te oriënteren, en binnen een oogenblik te weten, -waar hij zich bevond. Hij zag dat deze rivier vrij ver verwijderd was -van het kamp der Mexicanen, welke afstand nog vergroot werd door hare -tallooze kronkelingen. Hij slaakte een kreet van zelfvoldoening, en -toen hij goed wist waar hij zich bevond, en niet meer vreesde ontdekt -te zullen worden, stak hij zijn toorts weder aan, en keerde langs -denzelfden weg, dien hij gekomen was, terug. - -Zijne makkers waren in slaap gevallen, met uitzondering van één, die de -gevangenen bewaakte. De kapitein wekte hen. - -»Komt,” zeide hij, »het is nu geen tijd van slapen; wij hebben wel wat -anders te doen.” De bandieten stonden met weêrzin op, wreven de oogen -uit, en gaapten alsof zij zich de kakebeenen wilden verrekken. - -De kapitein liet hen eerst de opening, die hun toegang verleend had, -zorgvuldig dichtstoppen, en gaf toen bevel, dat zij met de gevangenen, -wier beenen men had losgemaakt, opdat zij zouden kunnen loopen, hem -onmiddellijk volgen zouden. - -Zij hielden halt in een der vele zalen, die de kapitein op zijn weg -ontmoet had; een hunner werd op post gesteld, om de gevangenen, die -hier achtergelaten werden, te bewaken; de anderen drongen met den -kapitein verder in de grot door. - -»Gij ziet,” zeide hij tot hen, terwijl hij hun den uitgang wees, »dat -ons onheil toch ergens goed voor was, daar het ons toevallig eene -wijkplaats heeft doen vinden, waar niemand ons zal komen zoeken. Gij, -Frank, moet terstond naar de vereenigingsplaats, die ik aan uwe -kameraden had aangewezen; breng hen hierheen, zoowel als diegenen der -onzen, die aan den tocht geen deel genomen hebben. Wat u betreft, -Antonio, gij moet ons levensmiddelen verschaffen; gij kunt wel te zamen -gaan. Ik behoef u niet te zeggen, dat ik uwe terugkomst met ongeduld -afwacht.” - -De beide bandieten wierpen zich zonder spreken in de rivier en waren -spoedig verdwenen. - -Toen zich tot den overblijvende wendende, zeide hij: - -»Wat ons betreft, Gonzalez, laten wij wat hout bijeenrapen, om vuur aan -te leggen, en bladeren om bedden van te maken; kom, aan ’t werk, aan ’t -werk!” - -Een uur later flikkerde er een helder vuur in de grot en sliepen de -bandieten, op hunne mollige bedden van drooge bladeren een gerusten -slaap. Met zonsopgang kwam het overige gedeelte der bende aan. Zij -waren nog dertig in getal! De kapitein voelde zijn hart zwellen, toen -hij zag over welk eene rijke verzameling van schurken hij nog te -beschikken had. Met hen wanhoopte hij niet zijne zaken in orde te -zullen brengen, en weldra eene schitterende wraak te nemen! - -Na een overvloedig ontbijt van wildbraad met mezcal, dacht de kapitein -er eindelijk aan, om zich eens met zijne gevangenen te gaan bemoeien. -Hij begaf zich naar de zaal, die hun tot gevangenis diende. - -Sedert hij den bandieten in handen gevallen was, had de generaal het -stilzwijgen bewaard, en was hij oogenschijnlijk ongevoelig gebleven -voor de slechte behandeling, waaraan hij bloot stond. De wonden, die -hij ontvangen had, waren geheel verwaarloosd; zij waren ontstoken, en -deden hem ontzettend veel pijn, maar hij liet geen klacht hooren. Een -knagend verdriet verteerde hem, zoolang hij gevangen was; hij zag voor -altijd het plan, dat hem in de prairiën gebracht had, in duigen -gevallen, zonder hoop om het ooit ten uitvoer te zullen kunnen brengen. -Het eenige dat hem eene lichte vertroosting aanbood, was de zekerheid, -dat het zijne nicht gelukt was om te ontsnappen. Maar wat was er van -haar geworden in deze wildernis, waar men slechts wilde dieren -tegenkomt, en Indianen, die nog woester zijn dan wilde dieren? Hoe zou -een meisje, dat aan alle gemakken des levens gewoon was, de wisselingen -kunnen doorstaan van een leven vol van ontberingen? Dit denkbeeld -verdubbelde zijn lijden. - -De kapitein was verschrikt over den toestand, waarin hij hem vond. - -»Kom, generaal,” zeide hij, »schep moed, voor den duivel! De kansen -verkeeren vaak, daar weet ik van meê te praten. Caraï, men moet niet -wanhopen, niemand kan weten, wat de dag van morgen voor hem heeft -weggelegd! Geef mij uw woord van eer, dat gij niet zult pogen te -ontsnappen, en ik maak oogenblikkelijk uwe banden los.” - -»Dat woord kan ik u niet geven,” antwoordde de generaal, »ik zou een -valschen eed doen, ik zweer u integendeel, dat ik al het mogelijke in -het werk zal stellen om te ontkomen.” - -»Bravo! goed geantwoord,” zeide de roover lachend; »in uwe plaats zou -ik hetzelfde zeggen; maar ik geloof dat het u op dit oogenblik, met den -besten wil van de wereld, onmogelijk zou zijn, om een stap te doen; -daarom, ondanks al wat gij zegt, zal ik u en uwen bediende de vrijheid -geven, gij moogt er mede doen, wat gij wilt.” - -En hij sneed de touwen door, waarmede de armen van den generaal -gebonden waren; vervolgens bewees hij dezelfde dienst aan den neger -Jupiter. - -Deze, zoodra hij zich vrij gevoelde, begon te springen en te lachen, en -vertoonde twee rijen groote schitterende tanden. - -»Kom, houd u stil, vagebond,” zeide de roover; »gij moet hier bedaard -zijn, als gij niet wilt dat ik u een kogel door den kop jaag.” - -»Ik zal niet weggaan zonder mijn meester,” antwoordde Jupiter, een paar -groote oogen opzettende. - -»Akkoord, zwarte nikker!” hernam de roover; »dat blijft afgesproken; -die zelfverloochening doet u eer aan.” - -En zich weder tot den generaal wendende, bette de kapitein diens wonden -met koud water, en verbond hem met de meeste zorg; vervolgens aan de -gevangenen spijzen voorgezet hebbende, aan welke de neger alleen de -noodige eer bewees, verwijderde hij zich omstreeks den middag, en -verzamelde de voornaamsten der bende om zich heen. - -»Caballeros!” zeide hij, »wij kunnen het niet ontkennen; wij hebben de -eerste partij verloren: de gevangenen, die wij hebben veroverd, kunnen -onmogelijk onze kosten goed maken; wij mogen niet in een nederlaag -berusten, die ons onteert en belachelijk maakt. Ik ga een tweeden -aanval ondernemen; zoo mij die niet gelukt, zal het slecht met mij -afloopen; houdt een waakzaam oog over de gevangenen, terwijl ik afwezig -ben. Let vooral op hetgeen ik u nu ga zeggen: zoo ik morgen te -middernacht niet heelhuids onder u ben weêrgekeerd, morgen om vijftien -minuten over twaalven, schiet dan de beide gevangenen zonder genade -dood; gij hebt mij begrepen, niet waar? zonder genade.” - -»Wees gerust, kapitein,” antwoordde Frank in aller naam, »gij kunt -gaan, uwe bevelen zullen worden ten uitvoer gebracht.” - -»Daar reken ik op; maar schiet hen vooral geen minuut vroeger of later -dood.” - -»Precies op het uur.” - -»Dat is afgesproken; nu, vaart wel; wordt niet al te ongeduldig, als -gij mij niet spoedig terugziet.” - -En de kapitein verliet de grot, om zich naar Edelhart te begeven. - -Wij hebben reeds gezien wat de bandiet bij den jager was gaan doen. - - - - - - - -XII. - -DE KRIJGSLIST. - - -Na het zonderlinge voorstel, dat hij aan de jagers gedaan had, was de -rooverhoofdman in allerijl naar zijne schuilplaats teruggekeerd. - -Maar hij was al te zeer aan het leven der prairiën gewoon, om niet te -weten, dat verscheidene zijner vijanden van verre zijn spoor zouden -volgen. Ook bracht hij om hen te misleiden alle listen in praktijk, die -zijn vindingrijke geest hem aanbood, door tallooze omwegen te maken, -gedurig op zijne schreden terug te keeren, en gelijk men zegt, tien -schreden achteruit te loopen, om er een vóóruit te komen. Deze vele -voorzorgen hadden zijn loop zeer vertraagd. Aan de oevers der rivier -gekomen, wier golven den ingang der grot bespoelden, wierp hij een -laatsten blik om zich heen, om zich te verzekeren dat geen onbescheiden -oog zijne bewegingen gadesloeg. Alles was stil; niets wekte zijn -argwaan op, hij maakte zich gereed om een vlot, dat onder de struiken -verscholen was, te water te brengen, toen een licht gedruisch zijne -aandacht trok. - -De roover sidderde, greep naar een pistool, laadde het en ging moedig -af op de plek, van waar het gedruisch kwam. Hij zag een man, bezig om -met een kleine spade eenige kruiden en planten uit den grond te rukken. -Hij glimlachte, en borg zijn pistool wederom in den gordel. Hij had den -dokter herkend, die zich met hartstochtelijken ijver aan zijne -lievelingstudie overgaf. - -Deze, van zijn kant, had hem niet opgemerkt. - -Na hem een oogenblik minachtend te hebben aangezien, keerde de roover -hem den rug toe, tot hem eene gedachte inviel, die hem weder bewoog, -den dokter te naderen; hij klopte hem thans vrij onzacht op den -schouder. Bij deze ruwe aanraking richtte de dokter zich verschrikt op, -en liet van angst zijne spade en al zijne planten vallen. - -»Hola, mijn brave,” zeide de kapitein spottend, »welk eene razernij -bezielt u toch, om altijd kruiden te zoeken, op ieder uur van den dag -en van den nacht.” - -»Hoe?” antwoordde de geleerde; »wat bedoelt gij?” - -»Wel, dat is eenvoudig genoeg; weet gij dan niet dat het bijna -middernacht is?” - -»Dat is waar,” antwoordde de geleerde onnoozel, »maar de maan schijnt -zoo mooi!...” - -»Dat gij haar voor de zon hebt aangezien!” viel de roover hem lachend -in de reden; »maar,” ging hij voort, eensklaps ernstig wordende, »dat -is thans de vraag niet; ik heb mij laten wijsmaken, dat gij, ofschoon -half krankzinnig, een vrij goed geneesheer zijt.” - -»Ik heb er examen voor afgelegd, mijnheer,” antwoordde de dokter, die -zich beleedigd gevoelde. - -»Heel goed, gij zijt de man, dien ik noodig heb.” - -De dokter boog zich tegen wil en dank; het was duidelijk dat het hem -maar half genoegen deed. - -»Wat verlangt gij?” vroeg hij; »zijt gij ziek?” - -»Ik niet, Goddank! maar een uwer vrienden, die op dit oogenblik mijn -gevangene is; gij zult dus wel zoo goed zijn mij te willen volgen.” - -»Maar?...” wilde de dokter hem tegenwerpen. - -»Geen maren; volg mij, zoo gij niet wilt dat ik u de hersens insla; -voor het overige kunt gij gerust zijn, geen leed zal u overkomen; mijne -lieden zullen u al den eerbied bewijzen, waarop de wetenschap aanspraak -heeft.” - -Ofschoon alle tegenstand onmogelijk was, koos toch de weerlooze man -zijne partij zoo goedschiks, dat er een oogenblik zelfs een glimlach op -zijne lippen zweefde, die den roover, zoo deze het gezien had, wel tot -nadenken had kunnen brengen. - -De kapitein liet den dokter vóór zich uitgaan, en beiden haastten zich -naar de rivier. - -Op het oogenblik, dat zij de plek verlieten, waar hun onderhoud had -plaats gehad, werden de takken van een kreupelboschje zorgvuldig uiteen -geschoven, er kwam een geschoren hoofd uit te voorschijn, op welks -kruin slechts een enkele lange haarvlecht met een veder er in was -gespaard gebleven, vervolgens een bovenlijf, en toen een geheel mensch, -die als een jaguar opsprong om hem te volgen. - -Het was de Arendskop. Hij was nu stilzwijgend getuige van de inscheping -der beide blanken, zag hen in de grot gaan, verdween toen op zijne -beurt in het woud, en mompelde zachtjes: - -»Oah! (goed!)” in de taal der Comanchen de uitdrukking der hoogste -vreugde. - -De dokter had enkel tot lokaas gediend om den roover te misleiden, en -hem in den strik te doen vallen, die voor hem gespannen was. Had nu de -dokter eene overeenkomst gesloten met den Arendskop? Dat zullen wij -weldra hooren. - -Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag, liet de roover een -algemeene verkenning doen in den omtrek van de grot. Er was geen spoor -te zien. De kapitein wreef zich de handen; zijne onderneming was dubbel -geslaagd, daar hij de grot bereikt had, zonder achtervolgd te worden. - -Overtuigd dat hij niets te vreezen had, wilde hij niet zooveel -manschappen werkeloos bij zich houden; hij stelde derhalve zijne bende -voorloopig onder bevel van Frank, een ouden afgeleefden bandiet, in -wien hij volkomen vertrouwen stelde, hield zelf slechts tien man bij -zich en zond de rest weg. Van hoeveel belang de zaak ook zijn mocht, -die hij thans onder handen had, wilde hij toch zijne overige bezigheden -niet verwaarloozen, noch het brood der luiheid schenken aan een -twintigtal bandieten, die, evenals hij, niets te doen hadden, en hem -ieder oogenblik een slechten trek konden spelen. Men ziet, de kapitein -was niet slechts een verstandig man, maar hij kende en doorgrondde ook -zijne eerbiedwaardige bondgenooten. - -Toen de roovers de grot verlaten hadden, gaf de kapitein aan den dokter -een teeken om hem te volgen, en bracht hem bij den generaal. Na hen met -zijne gewone spottende beleefdheid aan elkander te hebben voorgesteld, -verwijderde de bandiet zich, en liet hen alleen. Doch alvorens hij dit -deed, haalde hij een pistool uit zijn gordel, en het op de borst van -den geleerde zettende, zeide hij: - -»Gij zijt wel is waar een halve gek, maar met dat al zoudt gij wel -eenigen natuurlijken aanleg kunnen bezitten, om mij te verraden, denk -er dus aan, mijn brave heer, dat ik u bij de minste dubbelzinnige -beweging, die ik u zie maken, de hersenpan zal laten springen; gij zijt -gewaarschuwd, doe nu wat gij zult goedvinden.” - -Daarop zijn pistool weder in zijn gordel stekende, ging hij lachend -weg. - -De dokter luisterde naar deze vermaning met een benauwd gezicht, doch -niet zonder dat een flauwe glimlach zijne lippen plooide; gelukkig werd -dit door den kapitein niet opgemerkt. - -De generaal zat met zijn neger Jupiter in eene zaal, die ver van den -ingang verwijderd was. Zij waren daar alleen. De kapitein had het niet -noodig geacht hen van nabij te bewaken. Beiden op een bed van droge -bladeren gezeten, waren in diep nadenken verzonken. Bij het zien van -den geleerde, werd het somber gelaat van den generaal door een -vluchtigen lichtstraal van hoop verhelderd. - -»Gij daar, dokter?” zeide hij, hem de hand toereikende, die de ander -stilzwijgend drukte; »moet ik mij over uwe tegenwoordigheid verblijden -of bedroeven?” - -»Zijn wij alleen?” vroeg de dokter, zonder op de vraag van den generaal -te antwoorden. - -»Ik geloof het wel,” zeide hij verwonderd; »in ieder geval is het niet -moeielijk u hieromtrent zekerheid te verschaffen.” - -De dokter tastte naar alle zijden rond, onderzocht nauwkeurig al de -hoeken, en kwam eindelijk bij de gevangenen terug. - -»Wij kunnen praten,” zeide hij. - -De geleerde was gewoonlijk zoo verdiept in zijne wetenschappelijke -berekeningen, hij was van natuur zoo afgetrokken, dat de gevangenen -slechts weinig vertrouwen in hem stelden. - -»En mijne nicht?” vroeg de generaal bezorgd. - -»Stel u gerust; zij is in veiligheid bij een jager, Edelhart genaamd, -die den diepsten eerbied voor haar koestert.” - -De generaal gevoelde zich verlicht, deze goede tijding gaf hem al zijn -moed terug. - -»O,” zeide hij, »wat doet het er nu toe, of ik gevangen ben! nu mijne -nicht gered is, kan ik alles verdragen.” - -»Neen, neen!” zeide de dokter levendig, »gij moet, wat het ook kostte, -vóór morgen van hier ontvlucht zijn.” - -»Waarom?” - -»Antwoord mij eerst.” - -»Ik verlang niets liever.” - -»Uwe wonden schijnen mij nog al licht toe: zij zijn aan het genezen.” - -»Inderdaad!” - -»Meent gij in staat te zijn om te loopen?” - -»O, ja!” - -»Ja, maar begrijp mij wel, ik bedoel om een lange reis te ondernemen?” - -»Nu, nu!” zeide de neger, die tot nog toe gezwegen had, »ben ik dan -niet sterk genoeg, om mijn meester te dragen, als hij niet meer loopen -kan?” - -De dokter drukte hem de hand. - -»Dat is waar! Ter zake dus,” zeide de dokter; »gij moet van hier.” - -»Goed; maar hoe?” - -»Ja, hoe?” zeide de geleerde, zich tegen het voorhoofd slaande; »hoe? -dat weet ik niet. Maar wees gerust, ik zal wel een middel vinden.” - -Men hoorde voetstappen naderen; de kapitein kwam te voorschijn. - -»Welnu,” vroeg hij, »hoe gaat het met den zieke?” - -»Niet al te best,” antwoordde de dokter. - -»Kom, kom,” hernam de roover, »dat zal zich wel schikken; bovendien, de -generaal zal weldra vrij zijn, dan kan hij zich op zijn gemak laten -verzorgen. Kom nu mede, dokter, ik denk dat ik u thans lang genoeg met -uw vriend heb laten praten.” - -De dokter volgde hem zonder te antwoorden, na den generaal met een -laatste gebaar tot voorzichtigheid te hebben aangespoord. - -De dag liep ongestoord ten einde. De gevangenen wachtten met ongeduld -den nacht af; huns ondanks was hun vertrouwen in den dokter hersteld: -zij hoopten. Tegen den avond keerde de waardige geleerde terug. Hij -kwam op een fermen draf aanstappen, met een gelaat dat van vreugde -schitterde, en met eene toorts in de hand. - -»Hé, dokter! wat is er dan toch?” vroeg de generaal; »gij ziet er zoo -verheugd uit.” - -»Ik ben ook verheugd, generaal,” antwoordde hij glimlachend, »omdat ik -een middel gevonden heb, om u te laten ontsnappen en mijzelven ook, wel -te verstaan!” - -»En dat middel is...” - -»Is reeds voor de helft ten uitvoer gebracht,” zeide hij met een klein -droog lachje, dat hem eigen was, als hij zich in zijn schik gevoelde. - -»Wat wilt gij daarmede zeggen?” - -»Wel, de zaak is heel eenvoudig, maar gij zult haar nooit raden; al de -bandieten slapen; wij zijn meester van de grot.” - -»Zou het mogelijk zijn? maar als zij eens wakker worden?” - -»O, wees daarvoor niet bang; zij zullen wakker worden? dat is zeker; -maar niet alvorens wij ten minste zes uur verder zijn.” - -»Hoe dat?” - -»Omdat ik zelf hun een slaapdrank ingeschonken heb; dat is te zeggen, -bij hun avondmaal heb ik hun een afkooksel van opium toegediend, dat -hen, als looden blokken in elkaâr heeft doen zakken, zoodat zij nu als -ossen liggen te ronken.” - -»O, dat is onverbeterlijk!” riep de generaal uit. - -»Is het niet?” zeide de dokter zedig; »ja, ik heb het kwaad willen -herstellen, dat ik door mijne achteloosheid heb veroorzaakt! Ik ben -geen soldaat, ik ben maar een arm geneesheer; ik heb van mijne wapenen -gebruik gemaakt; gij ziet dat zij soms even goed zijn als andere.” - -»Zij zijn honderdmaal beter! Dokter, gij zijt een aanbiddenswaardig -man.” - -»Kom dan, maken wij voort! laat ons geen tijd verliezen.” - -»Ja, laat ons gaan! maar wat hebt gij met den kapitein gedaan?” - -»De kapitein? de duivel moge weten, waar hij is. Hij heeft ons dezen -namiddag verlaten, zonder iemand iets te zeggen; maar ik vermoed waar -hij is, en als ik mij niet zeer bedrieg, zullen wij hem weldra zien.” - -»Nu, alles gaat zoo goed als het maar kan, op weg!” - -De drie mannen begaven zich op marsch. Ondanks al de door den dokter -genomen voorzorgen, waren de generaal en de neger niet volkomen gerust. -Zij kwamen aan de zaal, die den bandieten tot slaapplaats verstrekte; -deze lagen hier en daar verspreid. De vluchtelingen gingen hen voorbij. - -Bij den ingang der grot komende, zagen zij op het oogenblik, dat zij -het vlot losmaakten, om de rivier over te steken, bij het bleeke licht -der maan een ander vlot, met ongeveer vijftien man beladen, langzaam op -hen afkomen. De weg was hun alzoo afgesneden. Hoe zouden zij aan zulk -een groot aantal vijanden weêrstand bieden? - -»Helaas, helaas!” zuchtte de generaal wanhopig. - -»O,” zeide de dokter op jammerenden toon, »het was zulk een goed plan, -en het had mij zooveel moeite en arbeid gekost!” - -De vluchtelingen wierpen zich in eene hinderlaag van rotsen, ten einde -niet opgemerkt te worden, en met kloppende harten wachtten zij het -ontschepen der aankomelingen af, wier bewegingen hun hoe langer hoe -meer argwaan begonnen in te boezemen. - - - - - - - -XIII. - -DE WET DER PRAIRIËN. - - -Vóór den ingang van de door Edelhart bewoonde grot was een vrij groote -ruimte, waar men het gras, de planten en de boomen had uitgeroeid, en -die thans prijkte met honderd vijftig à twee honderd hutten. De geheele -stam der Comanchen lag op deze plaats gekampeerd. - -Tusschen de pelsjagers en de jagers en krijgslieden der Roodhuiden -heerschte de beste verstandhouding. - -In het midden van dit eensklaps verrezene dorp, waar de hutten van -verschillend gekleurde bisonhuiden met zekere gelijkmatigheid waren -gerangschikt, stond eene tent, die, grooter dan de anderen en met -scalpen op lange staken bekroond, tot raadstent diende. - -Er heerschte eene groote levendigheid in het dorp. De Indiaansche -krijgslieden hadden zich beschilderd en ten strijde toegerust, alsof -zij weldra een gevecht te gemoet zagen. De jagers hadden hunne -schoonste kleederen aangetrokken en hunne wapens met de meeste zorg -schoon gemaakt, alsof zij ze weldra zouden noodig hebben. De paarden -waren, geheel opgetuigd, aan de omheining vastgebonden, zoodat zij -terstond konden bereden worden. Men zag de Roodhuiden en de jagers -angstig heen en weder loopen. Op geregelde afstanden, iets dat onder de -Indianen volstrekt ongewoon is, waren schildwachten geplaatst, om de -aankomst van iederen vreemdeling te verwittigen. In één woord, alles -deed vermoeden, dat er toebereidselen werden gemaakt tot een dier -plechtigheden, die in de prairie te huis behooren. - -Maar, wat vreemd was, Edelhart, de Arendskop, en de Zwarte Eland waren -afwezig. - -Goedsmoeds hield een wakend oog over de toebereidselen, die men bezig -was te maken, nu en dan eenige woorden wisselende met het oude -opperhoofd der Comanchen, Eshis,—de Zon.—Maar beider gelaat was -ernstig, en hun voorhoofd gespannen; zij schenen aan een levendigen -angst ten prooi te zijn. Het was de dag dien de rooverkapitein bepaald -had voor de uitlevering van doña Luz. Zou de kapitein durven komen? of -was zijn voorstel slechts eene bedreiging, om hun vrees aan te jagen? -Zij, die den roover kenden, en de meesten kenden hem, want bijna allen -hadden van zijne strooptochten te lijden gehad, dachten het eerste. - -Die man, en het was de eenige goede hoedanigheid welke men hem -toekende, was begaafd met den moed van een leeuw, en met een wil als -van ijzer. Als hij eens iets gezegd had, deed hij het ook vast en -zeker. En daarbij, wat had hij te vreezen, als hij nog eens onder zijne -vijanden kwam? had hij den generaal niet in zijne macht? den generaal, -die met zijn leven voor het zijne instond? men wist, dat hij niet zou -aarzelen dezen voor zijne eigene veiligheid op te offeren. - -Het was ongeveer acht ure in den morgen; de zon spreidde in -schitterenden glans hare gloeiende stralen uit over het tafereel, dat -wij getracht hebben te beschrijven. Doña Luz kwam uit de grot, leunende -op den arm van Edelharts moeder en gevolgd door Nô Eusébio. De beide -vrouwen zagen er treurig en bleek uit; hare roode oogen toonden, dat -zij geweend hadden. Zoodra hij haar bemerkte, liep Goedsmoeds naar haar -toe, en groette haar. - -»Is mijn zoon nog niet terug?” vroeg de oude dame met een onrustigen -blik. - -»Nog niet,” antwoordde de jager; »maar stel u gerust, mevrouw, hij kan -niet lang meer uitblijven.” - -»Goede God! ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat hij door -eenig noodlottig toeval teruggehouden wordt.” - -»Neen, mevrouw, dan zou ik het weten; toen ik hem dezen nacht verliet -om u gerust te stellen, en de bevelen, die hij mij gegeven heeft, ten -uitvoer te brengen, bevond hij zich in een uitmuntenden toestand; dus, -geloof mij, wees gerust, en wanhoop niet.” - -»Helaas!” prevelde de arme vrouw, »ik leef gedurende twintig jaar in -een voortdurende spanning; elken avond ben ik in vrees, dat ik mijn -zoon den volgenden dag niet weder zal zien; o, mijn God, zult gij dan -geen medelijden met mij hebben?” - -»Herstel u, mevrouw,” zeide doña Luz met aandoening, haar zachtjes -omhelzende; »o! ik gevoel het hier, als Edelhart op dit oogenblik -gevaar loopt, dan is het om mijn oom te redden; o mijn God,” voegde zij -er met warmte bij, »geef dat het hem gelukken mag!” - -»Weldra, dames, zal alles zich ophelderen; verlaat u hierin op mij; gij -weet, dat ik u niet zou willen misleiden.” - -»Ja,” zeide de oude dame, »gij zijt goed, gij hebt mijn zoon lief, en -gij zoudt niet hier zijn, als er eenig gevaar voor hem bestond.” - -»Gij beoordeelt mij goed, mevrouw; ik dank u daarvoor; ik kan u thans -nog niets zeggen, maar ik bid u een weinig geduld te hebben; het zij u -genoeg te weten, dat hij bezig is, om de señora gelukkig te maken.” - -»O ja,” zeide de moeder; »hij is altijd even goed, altijd vol -zelfopoffering?” - -»Men heeft hem ook Edelhart genoemd,” prevelde het meisje blozend. - -»Geen naam werd ooit beter verdiend, mevrouw,” zeide de jager met -overtuiging; »men moet lang met hem geleefd hebben, en hem kennen, -gelijk ik hem ken, om hem goed te waardeeren.” - -»Ik ben u op mijne beurt dankbaar, voor hetgeen gij van mijn zoon zegt, -Goedsmoeds,” antwoordde de oude dame, terwijl zij de harde hand van den -jager drukte. - -»Ik zeg niet meer dan de waarheid, mevrouw; ik ben rechtvaardig, -ziedaar alles. O, het zou beter toegaan in de prairiën, als al de -jagers hem geleken.” - -»Goede God, de tijd gaat voorbij; zal hij dan nooit komen?” mompelde -zij, terwijl zij met koortsachtig ongeduld om zich heen zag. - -»Weldra, mevrouw.” - -»Ik wil de eerste zijn om hem te zien en te groeten, als hij komt.” - -»Ongelukkig is dat onmogelijk.” - -»Waarom?” - -»Uw zoon heeft mij belast u en de señora te smeeken dat gij in de grot -zult blijven; hij wilde niet, dat gij tegenwoordig zoudt zijn, bij -hetgeen hier zal plaats hebben.” - -»Maar,” zeide doña Luz angstig, »hoe weet ik dan, of mijn oom gered -is?” - -»Wees gerust, señorita, gij zult niet lang in de onzekerheid blijven; -maar ik bid u, blijf niet langer hier; ga naar binnen, ga naar binnen!” - -»Misschien zal het beter zijn,” merkte de oude dame aan; »laat ons -gehoorzamen, liefste,” voegde zij er glimlachend bij; »laten wij naar -binnen gaan, wijl mijn zoon het verlangt.” - -Doña Luz volgde haar zonder tegenstand te bieden, maar niet zonder nu -en dan een blik achter zich te werpen, in de hoop dat zij haren beminde -zou zien. - -»Hoe gelukkig moet het zijn, eene moeder te hebben!” mompelde -Goedsmoeds, terwijl hij een zucht onderdrukte, en met de oogen de beide -vrouwen volgde, die in de schaduw der grot verdween. - -Eensklaps lieten de Indiaansche schildwachten een alarmkreet hooren, -die onmiddellijk herhaald werd door den man, die voor de raadstent op -post stond. Op dit teeken stonden de hoofden der Comanchen op, en -verlieten de hut, waarin zij vereenigd waren. De jagers en de -Indiaansche krijgslieden grepen naar de wapenen, schaarden zich aan -beide zijden van de grot en wachtten. Een stofwolk rolde met groote -snelheid naar het kamp. De wolk scheurde weldra van een, en deed een -troep ruiters zichtbaar worden, die in volle vaart kwamen aanrennen. -Deze ruiters droegen voor het grootste gedeelte het kostuum der -Mexicaansche gambusinos (goudzoekers). Aan hun hoofd reed, op een -prachtig gitzwart paard gezeten, een man, dien allen terstond -herkenden. Het was kapitein Ouaktehno, die stoutmoedig aan het hoofd -zijner bende de uitvoering kwam vragen van den hatelijken ruil, dien -hij drie dagen geleden had voorgesteld. - -Als in de prairiën twee benden elkander ontmoeten, of als krijgslieden -of jagers een dorp bezoeken, zijn zij meestal gewoon een soort van -fantasia uit te voeren, door zich in lange rijen op elkander te werpen, -onder het aanheffen van een luid geschreeuw en het afschieten van -geweren. - -Ditmaal gebeurde er niets van dat alles. - -De Comanchen en jagers bleven roerloos en zwijgend staan, en wachtten -bedaard de aankomst der roovers af. De droge en koele ontvangst -verwonderde den kapitein niet; hoewel zijne wenkbrauwen zich fronsten, -veinsde hij toch er niets van te merken, en trad moedig aan het hoofd -zijner bende het dorp binnen. Toen zij voor de raadstent gekomen waren -en zich vlak voor de opperhoofden bevonden, bleven de twintig ruiters -plotseling staan; als waren zij op eens in bronzen standbeelden -veranderd. Deze stoute beweging werd met zulk eene groote behendigheid -ten uitvoer gebracht, dat de jagers, die veel verstand van rijden -hadden, slechts met moeite een kreet van verrassing onderdrukten. - -Nauwelijks hadden de roovers halt gehouden, of de rijen der jagers en -krijgslieden, rechts en links van de hut geplaatst, openden zich als -een waaier en sloten zich achter hen. Door deze snel uitgevoerde -beweging zagen de twintig roovers zich eensklaps door een kring van -meer dan vijfhonderd sterk gewapende mannen omsingeld. De kapitein werd -ongerust, het berouwde hem bijna gekomen te zijn; maar hij overwon deze -onwillekeurige aandoening, glimlachte met minachting, en hield zich -overtuigd dat hij geen gevaar te duchten had. - -Hij groette de voor hem geplaatste opperhoofden, en zich tot Goedsmoeds -wendende, vroeg hij op vasten toon: - -»Waar is het meisje?” - -»Ik weet niet wat gij bedoelt,” antwoordde de jager; »ik geloof niet -dat er hier een meisje is, waarop gij eenig recht hebt.” - -»Wat beteekent dat, en wat gaat er hier om?” mompelde de kapitein, een -wantrouwenden blik om zich heen werpende. »Is Edelhart het bezoek -vergeten, dat ik hem voor drie dagen gebracht heb?” - -»Edelhart vergeet nooit iets,” zeide Goedsmoeds, »maar met hem hebt gij -nu niets te maken; hoe hebt gij de vermetelheid gehad, om u aan het -hoofd van een bende struikroovers onder ons te vertoonen?” - -»Aha,” zeide de kapitein spottend, »ik zie gij wilt mij niet -antwoorden; wat de bedreiging aangaat, welke in het laatste gedeelte -van uw volzin vervat is, daar bekommer ik mij zeer weinig om.” - -»Gij hebt ongelijk, mijnheer, want daar gij de onvoorzichtigheid begaan -hebt om u zelven in onze handen te stellen, zullen wij toch niet zoo -dom zijn, om u te laten ontsnappen, daar kan ik u de verzekering van -geven.” - -»Zoo, zoo!” zeide de roover; »maar welk spel spelen wij dan?” - -»Dat zult gij hooren, mijnheer.” - -»Ik wacht,” antwoordde de roover, een onderzoekenden blik om zich heen -werpende. - -»In deze woestijnen, waar alle menschelijke wetten zwijgen,” hernam de -jager met een trillende stem, »mag de wet van God alleen gelden; die -wet luidt, zooals gij weet: oog om oog, tand om tand.” - -»Wat meer?” zeide de roover droog weg. - -»Sedert tien jaren,” vervolgde Goedsmoeds bedaard, »zijt gíj, aan het -hoofd van eene bende die recht noch wet kent, de schrik der prairiën -geweest, en hebt gij zonder onderscheid blanken en Roodhuiden -geplunderd en gedood; want gij weet van geen wet of geen vaderland; -roof en diefstal zijn uwe eenigste wet; reizigers, bevervangers, -jagers, gambusinos of Indianen, gij verschoont niemand, als gij door -moord en doodslag een weinig goud kunt meester worden; het is -nauwelijks eenige dagen geleden, dat gij een kamp van vreedzame -Mexicaansche reizigers bij verrassing genomen, en hen allen zonder -genade hebt omgebracht. Hieraan moet een einde gemaakt worden, en dat -einde is nu gekomen. Wij allen, Indianen en jagers, wij zijn hier -vereenigd om u te veroordeelen en de onveranderlijke wet der prairiën -op u toe te passen.” - -»Oog om oog, tand om tand,” schreeuwden de omstanders, hunne wapenen -schuddende. - -»Gij bedriegt u zeer, mijne heeren,” antwoordde de roover kalm, »als -gij meent, dat ik ongehinderd mijn hals aan het mes zal aanbieden, -gelijk een kalf, dat men ter slachtbank leidt; ik had een voorgevoel -van hetgeen er gebeuren zou, ziedaar waarom ik een zoo goed geleide -heb. Ik heb twintig wakkere mannen bij mij, die zich zullen weten te -verdedigen; gij hebt ons nog niet in uwe macht.” - -»Zie om u heen, en gij zult weten wat u te doen staat.” - -De roover sloeg de oogen achter zich; vijfhonderd geweren waren op -zijne bende gericht. - -Eene rilling voer hem door de leden; eene doodelijke bleekheid -overdekte zijn gelaat; de roover begreep, dat hij in een gevaarlijken -toestand verkeerde, maar na even te hebben nagedacht, herkreeg hij al -zijne koelbloedigheid, en zich tot den jager wendende, antwoordde hij -spottend: - -»Kom kom, waartoe die bedreigingen, die mij toch niet kunnen bang -maken? gij weet zeer goed, dat ik voor uwe lagen beveiligd ben. Gij -hebt wèl gezegd, dat ik voor eenige dagen Mexicaansche reizigers -aangevallen heb, maar gij weet ook, dat de voornaamste dier reizigers -in mijne handen gevallen is. Waagt het, één haar van mijn hoofd te -krenken, en de generaal, de oom van dat meisje, dat gij te vergeefs aan -mijne macht ontrukken wilt, zal onmiddellijk met zijn leven den mij -aangedanen hoon betalen. Gelooft mij toch, mijne heeren, zoekt mij niet -langer te verschrikken, geeft mij goedschiks haar, die ik van u -opeisch, of ik zweer u bij God, dat de generaal binnen een uur zal -hebben opgehouden te leven!” - -Eensklaps kwam er een man uit de menigte te voorschijn, die zich voor -den roover plaatste. - -»Gij vergist u,” voegde hij hem toe, »de generaal is vrij.” - -Die man was Edelhart. - -Eene rilling van vreugde doorliep de rijen der jagers, een rilling van -schrik die der roovers. - - - - - - - -XIV. - -DE STRAF. - - -De generaal en zijne twee lotgenooten waren niet lang in het onzekere -gebleven. Het vlot was na lang aarzelen eindelijk aan land gekomen, en -vijftien mannen wierpen zich met geveld geweer, onder het aanheffen van -een luid geschreeuw in de grot. De vluchtelingen liepen verheugd op hen -toe. Zij hadden aan het hoofd der aankomelingen Edelhart, het -opperhoofd der Comanchen en den Zwarten Eland herkend. - -Zie hier, hoe het zich had toegedragen. Zoodra de dokter met den -kapitein de grot binnengetreden was, had de Arendskop, overtuigd, dat -hij de schuilplaats der roovers ontdekt had, zich wederom bij zijne -vrienden gevoegd, om hun den goeden uitslag van zijne krijgslist mede -te deelen. Goedsmoeds werd naar Edelhart afgezonden, die zich dan ook -haastte om te komen; allen besloten eenstemmig om de bandieten in hun -hol aan te vallen, terwijl andere benden van jagers en Roodhuiden, in -de prairie verspreid en in de rotsen verborgen, de toegangen der grot -zouden bewaken en de roovers beletten om te ontsnappen. Wij hebben den -afloop dezer onderneming gezien. - -Na het eerste oogenblik gansch en al aan de vreugde en aan de -blijdschap gewijd te hebben, waarschuwde de generaal zijne bevrijders, -dat een tiental bandieten nog in de grot lag te slapen, onder den -invloed van den opium, dien de moedige dokter hun had toegediend. De -roovers werden stevig gekneveld en medegenomen; vervolgens riep men de -verschillende benden bijeen, en keerde men in allerijl naar het kamp -terug. - -Groot was de verrassing van den kapitein bij den uitroep van Edelhart, -maar deze verrassing ging over in schrik, toen hij den generaal, dien -hij zoo wel bewaakt dacht, zag te voorschijn komen. Hij begreep, dat al -zijne maatregelen verijdeld, al zijne listen vruchteloos gemaakt waren, -en dat hij ditmaal onherstelbaar verloren was. - -Het bloed steeg hem naar het hoofd, zijne oogen schoten bliksems, en -zich tot Edelhart wendende, zeide hij met eene heesche stem: - -»Niet slecht! maar, bij God, alles is nog niet gedaan tusschen ons; ik -zal mij wreken!” - -Hij maakte eene beweging, om zijn paard naar voren te brengen. Maar -Edelhart greep het vastberaden bij den toom. - -»Wij hebben nog niet afgerekend,” zeide hij. - -De roover zag hem een oogenblik met vlammende oogen aan, terwijl hij -met geweld zijn paard aanspoorde, ten einde den jager te dwingen het -los te laten. - -»Wat wilt gij dan nog meer?” zeide hij. - -Edelhart bleef met ijzeren vuist het paard vasthouden, dat woedend -schuimbekte. - -»Gij zijt veroordeeld,” antwoordde hij; »men gaat de wet der prairiën -op u toepassen.” - -De roover liet een vreeselijk gebrul hooren, en zijne pistolen uit den -gordel rukkende, riep hij: - -»Wee hem, die mij aanraakt! Laat mij door!” - -»Neen,” antwoordde de jager koelbloedig, »gij zijt in goede handen, -vriendje; heden zult gij het niet ontkomen.” - -»Naar den duivel dan!” riep de roover uit, een zijner pistolen op -Edelhart richtende. - -Maar snel als een gedachte wierp Goedsmoeds, die angstig al zijne -bewegingen volgde, zich vóór zijn vriend met eene vlugheid, die de -ernst van het oogenblik nog vertienvoudigde. - -Het schot ging af. De kogel trof den Canadees, die in zijn bloed badend -nederviel. - -»Een!” schreeuwde de roover met een woesten lach. - -»Twee!” brulde de Arendskop, en met een sprong als van een tijger zat -hij boven op het paard van den roover. - -Eer de kapitein eene beweging maken kon, om zich te verdedigen, greep -de Indiaan hem met de linkerhand bij zijn lange haren, en trok met -kracht zijn hoofd achterover. - -»Vervloekt!” riep de roover, die zich te vergeefs van zijn vijand -trachtte te ontslaan. - -Toen gebeurde er iets, dat al de omstanders rillen deed. Het paard, -door Edelhart losgelaten, woedend over de ontvangene schokken en over -het dubbel gewicht, dat hem was opgelegd, schoot, dol van toorn, -vooruit, in zijne toomlooze vaart alles verbrijzelend en omverwerpend, -wat hem den doorgang belette. Maar altijd sleepte hij, op zijn rug -vastgeklemd, de beide mannen mede, die worstelend elkander trachtten te -dooden, en, als twee slangen kronkelend, elkander dreigden te -verstikken. - -De Arendskop had, gelijk wij zeiden, het hoofd van den roover -achterover getrokken; hij zette hem de knie in de lenden, liet zijn -afgrijselijken oorlogskreet hooren, en zwaaide met eene geduchte -beweging zijn mes om het voorhoofd van zijn vijand. - -»Dood mij dan! ellendeling,” schreeuwde de roover, en met een forsche -beweging, richtte hij zijne linkerhand, die nog met een pistool -gewapend was, op, maar de kogel verloor zich in de ruimte. - -De hoofdman der Comanchen zag den kapitein strak aan. - -»Gij zijt een lafaard!” zeide hij met verachting, »en een oude vrouw, -die bang is voor den dood!” - -En terwijl hij den bandiet met zijn knie naar omlaag drukte, duwde hij -hem het mes in den schedel. De kapitein slaakte een hartverscheurenden -kreet, die zich vermengde met het gebrul en gejuich van den hoofdman. -Het paard liep tegen een boom, en viel: de beide vijanden rolden op den -grond. Slechts één van hen stond weder op. - -Dat was de Comanchen-hoofdman, die de bloedige scalp van den roover -rondzwaaide. - -Ouaktehno was echter nog niet dood. Dol van woede en toorn, verblind -door het bloed, dat hem van het hoofd stroomde, stond hij op en wierp -zich op zijn tegenpartij, die op zulk een aanval niet was voorbereid. -Met de armen om elkander geslagen, trachtten zij elkander omver te -werpen en de messen, waarmede zij gewapend waren, elkander in het lijf -te stooten. Er sprongen verscheidene jagers toe, om hen te scheiden. -Toen zij aankwamen, was alles gedaan. De kapitein lag op den grond, -terwijl het mes van den Arendskop tot aan het heft in zijn hart was -doorgedrongen. - -De roovers door de jagers en Indianen, die hen omringden, in bedwang -gehouden, zagen van allen tegenstand af. Toen hij zijn kapitein had -zien vallen, verklaarde Frank uit aller naam, dat zij zich overgaven. -Op een teeken, door Edelhart gegeven, wierpen zij de wapens weg, en -werden zij gekneveld. - -Goedsmoeds, de dappere Canadees, wiens zelfopoffering zijn vriend het -leven had gered, had een ernstige wond ontvangen, maar die gelukkig -niet doodelijk was. Men had zich gehaast hem op te nemen en hem naar de -grot te brengen, waar de moeder van den jager hem verbond. - -De Arendskop naderde Edelhart, die peinzend en somber tegen een boom -aanleunde. - -»De hoofden zijn om het vuur van den raad vereenigd,” zeide hij; »zij -wachten naar mijn broeder.” - -»Ik volg mijn broeder,” antwoordde de jager. - -Toen de beide mannen de hut binnentraden, waren al de hoofden reeds -bijeen; onder hen bevonden zich de generaal, de Zwarte Eland, en eenige -andere pelsjagers. - -De calumet werd door den pijpdrager midden in den kring gebracht: hij -maakte een eerbiedige buiging naar de vier hoeken des hemels, en bood -beurtelings aan iederen hoofdman het lange roer aan. - -Toen de calumet rondgegaan was wierp de pijpdrager de asch in het vuur, -en verwijderde zich, eenige geheimzinnige woorden prevelend. - -Toen stond de Zon op, groette de leden van den raad, en zeide: - -»Hoofden en krijgslieden, luistert naar de woorden, die mijne borst -blaast, en die de Meester des levens in mijn hart gelegd heeft. Wat -denkt gij te doen met de twintig gevangenen die in uwe handen zijn? -Zult gij hen loslaten, opdat zij hun leven van roof en moord -voortzetten? opdat zij uwe vrouwen wegnemen, uwe paarden stelen, en uwe -broeders dooden? Zult gij hen voeren naar de steenen dorpen van de -groote blanke mannen van het Westen? De weg is lang, met gevaren -bezaaid, door bergen en snelle stroomen afgewisseld; de gevangenen -kunnen u gedurende deze reis ontvluchten, u in uwen slaap overvallen en -u dooden. En dan, gij weet het, krijgslieden, aan de steenen dorpen -aangekomen, zullen de lange messen hen loslaten; er is geen recht voor -de roode mannen. Neen, krijgslieden, de meester des levens, die -eindelijk deze woeste mannen in onze macht heeft overgeleverd, wil, dat -zij sterven. Hij heeft aan hunne misdaden paal en perk gesteld. Als wij -een jaguar of een grijzen beer op onzen weg ontmoeten, dan dooden wij -hem; deze mannen zijn wreedaardiger dan de jaguars en de grijze beeren; -zij zijn rekenschap verschuldigd van het door hen vergoten bloed: oog -om oog, tand om tand. Dat zij dan aan den martelpaal gebonden worden. -Ik werp een turbô (halssnoer) van roode wampums in den raad. Heb ik wel -gesproken, machtige mannen?” - -Na deze woorden ging de hoofdman wederom zitten. Er volgde een -oogenblik van plechtige stilte. Het was duidelijk, dat al de omstanders -het met hem eens waren. - -Edelhart wachtte eenige oogenblikken: hij zag dat niemand zich gereed -maakte, om op de rede van de Zon te antwoorden, toen stond hij op en -nam het woord: - -»Hoofden en krijgslieden der Comanchen, en gij, blanke jagers, mijne -broeders,” zeide hij met eene zachte en treurige stem, »de woorden van -den eerwaardigen sachem zijn billijk; ongelukkig vordert de veiligheid -der prairiën den dood der gevangenen. Dit uiterste is vreeselijk, maar -wij zijn verplicht er ons aan te onderwerpen, zoo wij in vrede de -vruchten van onzen ruwen arbeid plukken willen. Maar zoo wij ons al -genoodzaakt zien, om de onveranderlijke wet der woestijn toe te passen, -zoo laten we niet als barbaren te werk gaan, straffen wij omdat het -moet, maar straffen wij als edele menschen, niet als wreedaards. Toonen -wij aan deze bandieten, dat wij gerechtigheid uitoefenen, dat, zoo wij -hen dooden, wij het niet doen om ons zelven, maar om de geheele -maatschappij te wreken. Bovendien, hun hoofdman, de schuldigste onder -hen, is gevallen onder de slagen van den Arendskop; laten wij -edelmoedig zijn, zonder op te houden rechtvaardig te wezen. Laten wij -aan hen de keuze van hunnen dood over. Geen nuttelooze foltering. De -Meester des levens zal ons toelachen, hij zal tevreden zijn over zijne -roode kinderen, en hun een goede jacht geven. Ik heb gezegd: heb ik wel -gesproken, machtige mannen?” [4] - -De leden van den raad hadden aandachtig naar de woorden van den -jongeling geluisterd. De opperhoofden hadden welwillend geglimlacht om -de edele gevoelens die hij uitdrukte, want allen, Indianen zoowel als -jagers, beminden en eerbiedigden hem. - -De Arendskop stond op. - -»Mijn broeder Edelhart heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne jaren -zijn weinig in getal, maar zijne wijsheid is groot. Wij zijn blijde -eene gelegenheid gevonden te hebben, om hem onze vriendschap te -bewijzen; wij zullen die met geestdrift aangrijpen. Wij zullen doen, -wat hij verlangt.” - -»Ik dank u,” antwoordde Edelhart aangedaan, »ik dank u, mijne broeders; -de natie der Comanchen is eene groote en edele natie; ik heb haar lief; -ik ben blijde door haar te zijn aangenomen.” - -De raad werd opgeheven; de hoofden verlieten de hut. - -De gevangenen, in een groep bijeen geplaatst, werden streng bewaakt -door eene afdeeling krijgslieden. - -De roeper riep al de leden van den stam en de in het kamp verstrooide -jagers te zamen. - -Toen allen vereenigd waren, nam de Arendskop het woord, en zich tot de -roovers wendende, zeide hij: - -»Honden van bleekmuilen! de raad der hoofden van de machtige natie der -Comanchen, wier uitgestrekte jachtgronden een groot deel der aarde -bedekken, heeft over uw lot beslist. Doel uw best om, na als wilde -beesten geleefd te hebben, nu niet te sterven als oude en vreesachtige -vrouwen; weest dapper, misschien zal dan de Meester des levens -medelijden met u hebben en u na uwen dood opnemen in de eskennane, die -heerlijke woonplaats, waar in de eeuwigheid de dapperen mogen jagen, -die hier den dood in het aangezicht hebben gezien.” - -»Wij zijn gereed,” antwoordde Frank koelbloedig, »bind ons aan den -paal, bedenk de gruwelijkste folteringen, gij zult ons niet zien -verbleeken.” - -»Onze broeder Edelhart,” ging de hoofdman voort, »is voor u tusschen -beiden getreden. Gij zult niet aan den paal gebonden worden, de hoofden -laten aan u de keuze van uwen dood.” - -Toen openbaarde zich de karaktertrek der blanken, die langen tijd in de -prairie gewoond en eindelijk de gewoonten hunner voorouders verzaakt -hebben, om die der Indianen over te nemen. - -Het voorstel, door den Arendskop gedaan, prikkelde den hoogmoed der -roovers. - -»Met welk recht,” riep Frank, »treedt Edelhart voor ons tusschen beide? -Denkt hij dan, dat wij geen mannen zijn? dat folteringen in staat -zullen zijn om ons ook maar éen angstkreet of ééne ons onwaardige -klacht te ontrukken? Neen, neen! men brenge ons naar den martelpaal; -welke pijn gij ons ook moogt aandoen, zij zal nooit zoo wreed zijn als -die, welke wij aan de krijgslieden van uwe natie zouden doen ondergaan, -als zij ons in handen vielen!” - -Bij deze hooghartige woorden voelden de Indianen hun toorn opwekken, -terwijl de roovers vreugde- en zegekreten deden hooren. - -»Honden! Konijnen!” riepen zij, »de Comanchen zijn oude vrouwen, wij -zullen hun rokken aandoen.” - -Edelhart trad naar voren. De stilte werd hersteld. - -»Gij hebt de woorden van den hoofdman verkeerd begrepen,” zeide hij; -»als wij u de keuze van uwen dood laten, dan doen wij dat niet om u te -beleedigen; het is een eerbewijs, dat men u geeft; hier is mijn dolk, -men zal u losmaken, hij ga van hand tot hand, en hij doorbore -achtereenvolgens uw aller borst! De man, die vrij, zonder aarzelen, -zich met één slag doodt, is dapperder dan hij, die, aan den martelpaal -gebonden en de pijn niet kunnende verdragen, zijn beul uitscheldt, ten -einde des te eerder den genadeslag te ontvangen.” - -Met ontzaggelijke toejuiching werden deze woorden van den jager -beantwoord. - -De roovers zagen elkander een oogenblik besluiteloos aan, maar toen, -als op een gegeven kommando, maakten zij het teeken des kruises, en -riepen als één man: - -»Wij nemen uw aanbod aan!” - -Die gansche menigte, een oogenblik te voren zoo bewegelijk en druk, -werd stil en kalm, onder den indruk van het vreeselijk treurspel, dat -voor haar zou worden gespeeld. - -»Maakt de gevangenen los,” beval Edelhart. - -Dit bevel werd onmiddellijk ten uitvoer gebracht. - -»Uw dolk!” zeide Frank. - -De jager gaf hem dien. - -»Ik dank u en vaarwel,” zeide de roover met een vaste stem, en zijne -kleederen openende, stak hij zich den dolk langzaam en glimlachend, als -wilde hij den dood proeven, tot aan het heft in de borst. - -Een bleeke loodkleur overdekte zijn gelaat, zijne oogen rolden in hunne -kassen, hij zag verward om zich heen, waggelde als een dronken mensch -en tuimelde op den grond. Hij was dood. - -»Nu ik!” zeide de roover, die naast hem stond, en hem den dolk nog -rookend uit de wonde rukkend, doorboorde hij er zich het hart mede. - -Hij viel op het lijk van den eerste. - -Na hem kwam een ander, toen weêr een ander, en zoo vervolgens; geen -hunner aarzelde, geen hunner toonde eenige zwakheid; allen vielen -glimlachend en dankten Edelhart voor den dood, dien zij aan hem -verplicht waren. - -De omstanders waren als versteend over dit vreeselijk schouwspel; -dronken als het ware door den reuk van het bloed, stonden zij daar met -gloeiende blikken, en met hijgende borst, zonder hunne oogen van het -afschuwelijk tooneel te kunnen afwenden. - -Weldra bleef er nog slechts één roover overig, deze staarde een -oogenblik naar den lijkenstapel die voor hem lag, trok toen den dolk -uit de borst van zijn voorganger, en zeide met een glimlach: - -»Men is wel gelukkig, als men in zulk een goed gezelschap mag sterven; -maar, waar duivel gaat men heen na den dood? Foei! wat ben ik dom, -weldra zal ik het immers weten?” - -En snel als eene gedachte had hij zich doorboord. - -Hij viel dood neder. - -Deze vreeselijke slachting had geen kwartier uurs geduurd! [5] - -Geen der roovers had tweemaal gestooten; allen hadden zich met één slag -gedood. - -»Aan mij dien dolk!” zeide de Arendskop, terwijl hij hem rookend uit -het lillende lijk van den laatsten bandiet te voorschijn haalde, »het -is een goed wapen voor een krijgsman,” en hij hechtte hem koelbloedig -aan zijn gordel, na hem in het gras te hebben afgewischt. - -De lijken der roovers werden gescalpeerd en buiten het kamp gebracht. - -Men liet ze liggen voor de gieren en valken, wien zij een overvloedig -voedsel verschaften, en die, door den reuk van het bloed aangetrokken, -reeds boven hen ronddwarrelden, onder het uitstooten van akelige -vreugdekreten. - -De geduchte bende van kapitein Ouaktehno was vernietigd. - -Ongelukkig waren er nog anderen in de prairiën. - -Na de terdoodbrenging traden de Indianen zorgeloos hunne hutten wederom -binnen; voor hen was het slechts een van die tooneelen geweest, waaraan -zij sedert langen tijd gewoon waren, en die het vermogen niet meer -bezaten om hun zenuwgestel te vermurwen. - -De jagers integendeel, ondanks het ruwe leven, dat zij leidden, en -niettegenstaande ook zij zeer gewoon zijn om het bloed van anderen te -zien storten of zelven het te vergieten, verstrooiden zich, bedrukt en -met beklemde harten over deze afschuwelijke slachting. - -Edelhart en de generaal begaven zich naar de grot. - -De dames, die zich steeds in het onderaardsch gewelf bevonden, wisten -niets van het vreeselijk tooneel, dat er had plaats gehad, noch van het -bloedig zoenoffer, dat zooeven aan de gerechtigheid der prairiën was -gebracht. - - - - - - - -XV. - -DE VERGIFFENIS. - - -Het wederzien van den generaal en zijne nicht was zeer treffend. - -De oude, zwaar beproefde soldaat was blijde het onschuldige kind in -zijne armen te kunnen drukken, dat zijn eenige bloedverwant was, en als -door een wonder aan de rampen, waaraan het had bloot gestaan, was -ontsnapt. - -Langen tijd zaten zij in zoet gekeuvel verdiept, alles om zich heen -vergetende, de generaal deed onderzoek naar hare levenswijze gedurende -den tijd zijner gevangenschap, en het meisje ondervroeg hem over de -gevaren, die hij was doorgeworsteld, en de slechte behandeling, die hij -had ondergaan. - -»En nu, oom,” vroeg zij eindelijk, »wat is nu uw plan?” - -»Helaas, mijn kind,” antwoordde hij, een zucht onderdrukkende, »wij -moeten onverwijld deze vreeselijke gewesten verlaten en naar Mexico -terugkeeren.” - -Het meisje voelde zich treurig aangedaan, ofschoon zij zelve de -noodzakelijkheid van een spoedigen terugkeer inzag. Maar vertrekken, -was hem te verlaten, dien zij liefhad! van hem te scheiden, zonder dat -er eenige mogelijkheid overbleef om hem weder te zien;—scheiden! van -dien man, wiens bewonderenswaardig karakter zij hoe langer hoe meer had -leeren waardeeren, en die nu onmisbaar geworden was voor haar leven en -voor haar geluk. - -»Wat schort u, mijn kind? gij zijt treurig, uwe oogen zijn vol tranen,” -vroeg haar oom, haar met warmte de hand drukkend. - -»Helaas! oom,” antwoordde zij klagend, »hoe zou ik niet treurig zijn, -na alles wat er in de laatste dagen gebeurd is? mijn hart is gebroken.” - -»Dat is zoo; de gebeurtenissen waarvan wij de getuigen en de -slachtoffers geweest zijn, zijn meer dan voldoende, om u treurig te -maken; maar gij zijt nog jong, mijn kind, binnen eenigen tijd zullen -deze gebeurtenissen in uw hart geen ander spoor meer achterlaten als de -herinnering aan feiten, die gij, Gode zij dank! voor het vervolg niet -meer zult te vreezen hebben.” - -»Wij vertrekken dus weldra?” - -»Morgen, als het kan; wat zou ik hier langer doen? de hemel zelf -verklaart zich tegen mij, daar hij mij verplicht af te zien van die -onderneming, wier goede uitslag het geluk van mijn ouden dag zou -geweest zijn: maar God wil niet, dat ik vertroost worde; Zijn wil -geschiede,” zeide hij met onderwerping. - -»Wat bedoelt gij, oom?” vroeg het meisje met geestdrift. - -»Niets, dat u heden belang kan inboezemen, mijn kind; het is beter, dat -gij het niet weet, en dat ik alleen lijde; ik ben oud, ik ben er aan -gewoon,” zeide hij droefgeestig. - -»Arme oom!” - -»Ik dank u voor de vriendschap, die gij voor mij koestert, mijn kind, -maar laten wij van dat treurig onderwerp afstappen; spreken wij, zoo -gij wilt, liever een weinig van die brave lieden, waaraan wij zooveel -verplichting hebben.” - -»Van Edelhart?” prevelde doña Luz blozend. - -»Ja,” antwoordde de generaal, »van Edelhart en van zijne moeder, die -waardige vrouw, die ik nog niet heb kunnen bedanken, ten gevolge van de -wond van dien armen Goedsmoeds, en aan wie gij het verschuldigd zijt, -dat u hier niets ontbroken heeft.” - -»Zij heeft voor mij gezorgd als eene teedere moeder!” - -»Hoe zal ik ooit mijn schuld aan haar en aan haren edelen zoon kunnen -betalen? Zij is gelukkig, in het bezit van zulk een kind; helaas! die -vreugde is mij niet gegeven, ik ben alleen!” zeide de generaal, terwijl -hij zijn hoofd in zijne handen liet zinken. - -»En ik dan,” zeide het meisje vleiend. - -»O, gij,” antwoordde hij, haar teeder omhelzende, »gij zijt mijne lieve -dochter, maar ik heb geen zoon!” - -»Dat is waar!” prevelde zij peinzend. - -»Edelhart,” hernam de generaal, »heeft een veel te zonderling karakter, -om iets van mij aan te nemen. Wat zal ik doen? Hoe zal ik mijne schuld -aan hem kunnen betalen? Hoe hem de gewichtige diensten, die hij mij -bewezen heeft, naar behooren vergelden?” - -Er volgde een oogenblik van stilte. - -Doña Luz naderde den generaal, kuste hem op het voorhoofd, verborg haar -gelaat aan zijn schouder, en zeide met eene van aandoening bevende -stem: - -»Oom, daar valt mij eene gedachte in!” - -»Spreek, mijne lieve,” antwoordde hij, »spreek onbeschroomd, het is God -wellicht, die haar u ingeeft.” - -»Gij hebt geen zoon, aan wien gij uw naam en uw fortuin nalaten kunt, -is het niet, oom?” - -»Helaas!” prevelde hij, »ik heb een oogenblik gemeend er een te zullen -terugvinden; maar die hoop is voor altijd verdwenen; gij weet het, -kindlief, ik ben alleen!” - -»Edelhart noch zijne moeder, zullen iets van u willen aannemen.” - -»Neen.” - -»Toch geloof ik, dat er een middel is om hen te verplichten, hen te -dwingen zelfs.” - -»En dat middel is?” zeide hij. - -»Oom, daar gij het zoo betreurt geen zoon te hebben, aan wien gij uw -naam kunt nalaten, waarom zoudt gij Edelhart niet als uw zoon -aannemen?” - -De generaal zag haar aan, een hoog rood kleurde hare wangen en zij -beefde van top tot teen. - -»O, kindlief,” zeide hij, haar teeder omhelzende, »uw plan is -verrukkelijk, maar het is onuitvoerbaar; ik zou gelukkig en trotsch -zijn met een zoon als Edelhart; gij zelve hebt het gezegd, zijne moeder -aanbidt hem, zij zal jaloersch op hem zijn, nooit zal zij er in -toestemmen om hem met een vreemde te deelen.” - -»Misschien!” prevelde zij. - -»En dan nog,” ging de generaal voort, »zelfs als zijne moeder, wat ik -onmogelijk acht, uit liefde voor hem, en ten einde hem eene plaats in -de maatschappij te bezorgen, mijn voorstel aannam, dan nog zelfs zou -hij het weigeren; of gelooft gij, lieve, dat die man, opgevoed in de -woestijn, die zijn geheele leven heeft doorgebracht in onvoorziene en -aangrijpende gebeurtenissen, te midden van een verhevene natuur, er in -zal toestemmen, om voor een weinig goud, dat hij veracht en voor een -naam, die hem nutteloos is, af te zien van dat schoone, avontuurlijke -leven, zoo vol zoete en vreeselijke aandoeningen, dat voor hem een -behoefte geworden is? Neen, neen, hij zou in onze steden verkwijnen; -voor een verheven karakter als het zijne, zou onze beschaving doodelijk -zijn, vergeet dus dat denkbeeld, lief kind; helaas ik ben er van -overtuigd, hij zou het weigeren.” - -»Wie weet,” zeide zij, het hoofd schuddende. - -»God is mijn getuige,” hernam de generaal met nadruk, »dat ik blijde -zou zijn, indien het gelukte, en dat dan al mijne wenschen verhoord -zouden zijn; maar waarom ons zelven met dwaze droomen misleid? hij zal -het weigeren, zeg ik u! en ik ben genoodzaakt er bij te voegen, hij zal -gelijk hebben, als hij het doet.” - -»Neem er de proef van, oom!” antwoordde zij; »zoo uw voorstel verworpen -wordt, zult gij aan Edelhart ten minste bewezen hebben, dat gij geen -ondankbare zijt, en dat gij hem naar waarde hebt weten te schatten.” - -»Gij wilt het dus?” zeide de generaal, die gaarne overtuigd wilde zijn. - -»Ik bid er u om, oom,” zeide zij, hem omhelzende, om hare blijdschap en -haar blozen te verbergen; »ik weet niet waarom, maar het schijnt mij -toe, dat gij slagen zult.” - -»Het zij dan zoo,” prevelde de generaal met een droevigen glimlach, -»verzoek Edelhart en zijne moeder om mij hier te komen bezoeken.” - -»Binnen vijf minuten breng ik hen bij u,” riep zij vroolijk uit. - -En huppelend als een gazelle, verdween het meisje en spoedde zich door -de kronkelingen van de grot. - -Zoodra hij alleen was, verzonk de generaal in een ernstig nadenken. - -Eenige minuten later stond Doña Luz met Edelhart en diens moeder voor -hem. - -De generaal hief het hoofd op, groette de aankomenden met groote -beleefdheid, en gaf aan zijne nicht een teeken om zich te verwijderen. - -Het meisje gehoorzaamde. - -Het was in dat gedeelte van de grot slechts half dag, en alle -voorwerpen waren niet even sterk verlicht; door een vreemde gril -gedreven, had de moeder van Edelhart haar rebozo (sluier) zoo omgedaan, -dat deze haar gelaat bijna geheel en al bedekte. Hoe aandachtig hij -haar ook beschouwde, het mocht den generaal niet gelukken, hare -gelaatstrekken te zien. - -»Gij hebt ons geroepen, generaal,” zeide Edelhart luchthartig; »gij -ziet, wij hebben ons gehaast, om aan uw verlangen te voldoen.” - -»Verplicht voor die haast, mijn vriend,” antwoordde de generaal; -»ontvang eerst de uitdrukking mijner erkentenis voor de belangrijke -diensten, die gij mij bewezen hebt, en wat ik tot u zeg, mijn -vriend,—vergun mij u dien titel te geven,—betreft ook uwe goede en -voortreffelijke moeder, voor de teedere zorg, die zij aan mijne nicht -bewezen heeft.” - -»Generaal,” antwoordde de jager bewogen, »ik dank u voor die -vriendelijke woorden, die ruimschoots opwegen tegen alles, wat gij aan -mij meent verschuldigd te zijn. Door u te hulp te komen, heb ik de -gelofte vervuld, die ik gedaan had, om nooit mijn naaste zonder hulp te -laten; geloof mij, ik verlang geene andere belooning dan uwe achting, -ik ben, voor het weinige dat ik gedaan heb, genoeg betaald door de -voldoening, die ik op dit oogenblik smaak.” - -»Ik wilde toch zoo gaarne, vergun mij dat ik er op aandring, ik wilde -toch zoo gaarne u op een andere wijze beloonen.” - -»Mij beloonen!” riep de vurige jongeling uit, tot over de ooren een -kleur krijgende. - -»Laat mij uitspreken,” hernam de generaal levendig; »zoo het voorstel, -dat ik u daarna denk te doen, u mishaagt, welnu, dan zult gij daarop -antwoorden, even openhartig als ik mij nu zal verklaren.” - -»Spreek, generaal, ik luister.” - -»Mijn vriend, mijne reis in de prairiën had een heilig doel, dat ik -niet heb mogen bereiken! gij kent de oorzaak daarvan; de mannen, die -mij gevolgd waren, zijn aan mijne zijde gesneuveld. Bijna alléén -overgebleven, zie ik mij genoodzaakt een onderzoek op te geven, dat -ware het goed afgeloopen, het geluk zou hebben uitgemaakt van de -weinige levensdagen, die mij nog overblijven. God straft mij wreed. Ik -heb al mijne kinderen zien sterven; een enkele bleef mij misschien nog -over, maar dien heb ik, in een oogenblik van zinneloozen hoogmoed, van -mij weggejaagd; thans nu ik aan den eindpaal van mijn leven gekomen -ben, is mijn huis ledig, mijn haard verlaten. Ik ben alleen, helaas! -zonder betrekkingen, zonder vrienden, zonder een erfgenaam, aan wien -ik, niet mijn fortuin, maar mijn naam kan nalaten, dien een lange reeks -van voorouders mij zonder smet of vlek heeft overgeleverd. Wilt gij bij -mij de plaats innemen van dat huisgezin, dat mij ontbreekt? Edelhart, -wilt gij mijn zoon zijn?” - -Onder het uitspreken dezer woorden was de generaal opgestaan, en had -hij de hand van den jongeling gegrepen, die hij hartelijk in de zijne -drukte, terwijl hem de tranen in de oogen stonden. - -Bij dit onverwachte aanbod was de jager blijven staan, verbaasd, -bevend, niet wetende wat te moeten antwoorden. - -Zijne moeder wierp driftig haar sluier naar achteren, en haar gelaat -vertoonende, dat van vreugde schitterde, en als het ware geheel van -uitdrukking veranderd was, plaatste zij zich tusschen de beide mannen, -legde hare hand op den schouder van den generaal, zag hem strak aan en -zeide met eene stem die van aandoening trilde: - -»Eindelijk, don Ramon de Garillas, vraagt gij dan dien zoon terug, dien -gij sedert twintig jaren zoo wreed aan zijn lot hebt overgelaten.” - -»Vrouw, wat bedoelt gij?” stotterde de generaal. - -»Ik bedoel, don Ramon,” hernam zij op een majestueuzen toon, »dat ik -doña Jesusita, uwe vrouw, ben, en dat Edelhart uw zoon Rafaël is, dien -gij vervloekt hebt.” - -»O!” riep de generaal terwijl hij op zijne knieën viel, en in tranen -scheen te baden: »vergeving, vergeving, mijn zoon.” - -»Mijn vader!” riep Edelhart, zich in zijne armen werpende, en -trachtende hem op te richten, »wat doet gij?” - -»Mijn zoon,” zeide de grijsaard, bijna waanzinnig van vreugde en smart, -»ik laat die houding niet varen, aleer gij mij vergeven hebt.” - -»Sta op, don Ramon,” zeide doña Jesusita met een zachte stem; »sedert -langen tijd reeds woont er in het hart der moeder en in dat van den -zoon voor u geen ander gevoel dan dat van eerbied en liefde.” - -»O,” riep de grijsaard, hen beurtelings omhelzende, »het is te veel -geluk, ik verdien niet zoo gelukkig te zijn na het wreede gedrag -waaraan ik mij heb schuldig gemaakt.” - -»Mijn vader,” antwoordde de jager op edelen toon, »aan de straf, die -gij mij hebt opgelegd, heb ik het te danken, dat ik een eerlijk man -geworden ben; vergeet dan het verledene, dat niet meer is dan een -droom, en denk alleen aan de toekomst, die u tegenlacht.” - -In dit oogenblik trad doña Luz beschroomd en verlegen te voorschijn. - -Zoodra hij haar bemerkte, greep de generaal haar bij de hand, bracht -haar bij doña Jesusita, en zeide: - -»Lieve nicht, gij kunt nu zonder schroom Edelhart beminnen, hij is -thans inderdaad mijn zoon. God heeft in zijne eindelooze goedheid -toegestaan, dat ik hem zou wedervinden op het oogenblik, dat ik aan -zulk een geluk wanhoopte.” - -Het meisje slaakte een kreet van vreugde, en verborg haar gelaat -verlegen in den schoot van doña Jesusita, terwijl zij hare hand in die -van Rafaël liet, die aan hare voeten nederviel en haar in vervoering -kuste. - - - - - - - - -NASCHRIFT. - - -Vele jaren later bevond de schrijver van dit verhaal zich alleen op weg -van Mexico naar Hermosillo. Nog was hij na een reis van zeven en -vijftig dagen, slechts weinige mijlen van laatstgenoemde stad -verwijderd, toen de nacht hem overviel, en zoowel de vermoeidheid van -zijn paard en zijn eigene behoefte aan rust, als ook zijn onbekendheid -met de landstreek, waarin hij zich bevond, hem aanspoorden zich tot de -bewoners eener eenzame haciënda, wier licht hem van verre toescheen, te -wenden, en voor dien nacht hunne gastvrijheid in te roepen. Met de -meeste bereidwilligheid werd deze hem geschonken; en daaraan had hij te -danken de kennismaking met eene familie, die hem van het eerste -oogenblik zoodanig boeide, dat hij hun welgemeend aanbod om zijn -verblijf ten hunnent eenige dagen te rekken, met vreugde aannam. - -Wat hem in dit huisgezin vooral aantrok, was niet zoozeer de goede -verstandhouding, waarin al de leden, ook de bedienden daaronder -gerekend, tot elkander stonden, noch hun patriarchale levenswijze, noch -de hartelijkheid, waarmede zij hem in hun midden opnamen, als wel de -vreemdsoortige bestanddeelen, waaruit het was samengesteld; en de -ernstige tint, die over het geheele huis en over hun geheele wijze van -doen gespreid lag. - -Een bijna honderdjarige grijsaard, eene deftige oude dame van ten -naastebij tachtig; een krachtvol man van vijftig, met schitterende -oogen en sterk sprekende gelaatstrekken, eene vrouw, die, ofschoon haar -veertigste jaar voorbij, nog schoon mocht heeten, en vijf of zes -bekoorlijke kinderen, van verschillenden leeftijd, vormden het -eigenlijke huisgezin; op gelijken voet met dezen stonden, naar het -scheen, nog twee andere mannen, die naar hun uitzicht en naar hun -gewaad te oordeelen, eer in de prairiën van het verre westen dan in -zulk een rustig verblijf te huis behoorden, en bovendien, een Indiaan, -een Roodhuid, kennelijk uit den stam der Comanchen, die de lieveling -der kinderen was. Behalve dezen waren er een aantal bedienden van -verschillenden rang, die echter allen als leden des huisgezins werden -beschouwd en behandeld. - -Het leven dier goede lieden evenwel was, naar het mij toescheen, niet -altijd zoo kalm en rustig geweest als thans; ik verbeeldde mij dat zij -eerst na vele en zware stormen in de haven van het huiselijk geluk -waren aangeland. Aller gelaat droeg dien stempel van edele waardigheid, -die slechts het gevolg kan zijn van groote doorgestane rampen, en de -rimpels op hun voorhoofd waren te diep om niet de sprekende getuigen te -zijn van een lang en bitter lijden. - -Ik brandde van nieuwsgierigheid, om meer van hun vorigen levensloop te -vernemen; bescheidenheid alleen sloot mij den mond, die tot vragen -gereed was. Doch zoo doende verviel ik in een toestand van -afgetrokkenheid, die den gastheer niet ontging. Op zijn aandringen -bekende ik eindelijk, welke de reden was van mijn onbeleefde -stilzwijgendheid. - -Wat hij mij toen verhaalde, lezer, behoef ik u niet weder te verhalen, -als ik u eenvoudig mededeel, dat de namen der mij omringende -hoofdpersonen waren: don Ramon Garillas de Savedra, doña Jesusita, don -Rafaël, doña Luz, Goedsmoeds, de Zwarte Eland en de Arendskop. - -Ik beken het, die lotgevallen, verteld door hem, die er de hoofdrol in -had gespeeld, in tegenwoordigheid van zoovelen, die er aan hadden -deelgenomen, wekten mijne belangstelling in hooge mate op. Ik vatte -dadelijk het voornemen op daaraan door een geregelde mededeeling de -bekendheid te geven waarop zij aanspraak hebben. Hebben zij, onder -mijne hand aan belangrijkheid verloren, niet aan die lotgevallen, aan -mij alléén ligt de schuld, en misschien aan den lezer, die al te zeer -gewoon is aan het lezen van romans, om nog vatbaar te zijn voor den -diepen indruk, dien de werkelijkheid soms kan te weeg brengen. - -Acht dagen later verliet ik, diep getroffen, het huis, waarin ik met -zoo gulle vriendelijkheid ontvangen was; maar in plaats van naar -Hermosillo te gaan en mij aldaar in te schepen naar Guaymas, gelijk -eerst mijn voornemen was geweest, maakte ik met den Arendskop een -uitstapje naar Apacheria, een uitstapje, gedurende hetwelk het toeval -mij getuige deed zijn van een aantal buitengewone voorvallen, die ik u -misschien later zal mededeelen, als het blijken zal, dat dit verhaal u -niet al te zeer heeft verveeld. - - - EINDE. - - - - - - - - -INHOUD. - - - INLEIDING. - - DE VADERVLOEK. - - Bladz. - 1. Hermosillo 1. - 2. De haciënda del Milagro 7. - 3. Het vonnis 12. - 4. De moeder 18. - - - I. EDELHART. - - 1. De prairie 24. - 2. De jagers 29. - 3. Het spoor 34. - 4. De reizigers 39. - 5. De Comanchen 44. - 6. De redder 49. - 7. De verrassing 54. - 8. De Indiaansche wraak 59. - 9. De schim 64. - 10. De verschansing 69. - 11. De koop 74. - 12. Psychologie 79. - 13. De bijenjacht 83. - 14. De Zwarte Eland 89. - 15. De bevers 94. - 16. Verraad 99. - 17. De Arendskop 105. - 18. Nô Eusébio 110. - 19. De raad der opperhoofden 115. - 20. De marteling 120. - - - II. OUAKTEHNO.—HIJ DIE DOODT. - - 1. Edelhart 127. - 2. De roovers 132. - 3. De zelfopoffering 137. - 4. De doctor 142. - 5. Het verbond 147. - 6. De laatste aanval 151. - 7. Het gevecht 156. - 8. De grot van den Kopergroen 160. - 9. Staatkunde 165. - 10. Tweestrijd 170. - 11. De gevangenen 176. - 12. De krijgslist 180. - 13. De wet der prairiën 185. - 14. De straf 190. - 15. De vergiffenis 197. - - - Naschrift. - - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] De lasso is een lang werptouw, een soort van slinger, waarmede de -Mexicanen hunne koeien en paarden opvangen. - -[2] Waarmede de bevers gevangen worden. - -[3] Om aan de belangstelling onzer lezers te voldoen, geven wij hier -deze redevoering in het oorspronkelijke, als een proefje van de taal -der Comanchen. - -Meegvoitch kitchée manitoo, kaigait-kee zargetoone an nishinnorbay -nogomé, shafhijyar payshik artawway winnin tercushenan, cawween kitchée -morgussey, an nishinnorbay nogomé, cawwickar indenendum Kaygait kitchée -muskowway geossay haguarmissey waybenau matchée oathy nee zargetoone -saggonash artawway winnin kaygait hapadgey kitchée morgussey an -nishinnorbay; kaig notch annaboikassey nennerwind mornooch towvach nee -zargey debwoije kee appayomar, cuppar bebone nepewar appiminiqui omar. - -[4] Met deze formule eindigt elke redevoering bij de Indianen. - -[5] Dit geheele tooneel is geschiedkundig; de schrijver heeft een -dergelijke strafoefening in Apacheria bijgewoond. - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PELSJAGERS VAN DE ARKANSAS *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/65697-0.zip b/old/65697-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index b194247..0000000 --- a/old/65697-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/65697-h.zip b/old/65697-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 136485f..0000000 --- a/old/65697-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/65697-h/65697-h.htm b/old/65697-h/65697-h.htm deleted file mode 100644 index 7782fa0..0000000 --- a/old/65697-h/65697-h.htm +++ /dev/null @@ -1,11985 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-06-25T19:47:30Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> -<title>De Pelsjagers van de Arkansas</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Gustave Aimard (1818–1883)"> -<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="Gustave Aimard (1818–1883)"> -<meta name="DC.Title" content="De Pelsjagers van de Arkansas"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="#####"> -<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */ -html { -line-height: 1.3; -} -body { -margin: 0; -} -main { -display: block; -} -h1 { -font-size: 2em; -margin: 0.67em 0; -} -hr { -height: 0; -overflow: visible; -} -pre { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -a { -background-color: transparent; -} -abbr[title] { -border-bottom: none; -text-decoration: underline; -text-decoration: underline dotted; -} -b, strong { -font-weight: bolder; -} -code, kbd, samp { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -small { -font-size: 80%; -} -sub, sup { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -} -sub { -bottom: -0.25em; -} -sup { -top: -0.5em; -} -img { -border-style: none; -} -body { -font-family: serif; -font-size: 100%; -text-align: left; -margin-top: 2.4em; -} -div.front, div.body { -margin-bottom: 7.2em; -} -div.back { -margin-bottom: 2.4em; -} -.div0 { -margin-top: 7.2em; -margin-bottom: 7.2em; -} -.div1 { -margin-top: 5.6em; -margin-bottom: 5.6em; -} -.div2 { -margin-top: 4.8em; -margin-bottom: 4.8em; -} -.div3 { -margin-top: 3.6em; -margin-bottom: 3.6em; -} -.div4 { -margin-top: 2.4em; -margin-bottom: 2.4em; -} -.div5, .div6, .div7 { -margin-top: 1.44em; -margin-bottom: 1.44em; -} -.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, -.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { -margin-bottom: 0; -} -blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, -.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { -margin-top: 0; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -td.tocDivNum { -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -margin-top: 3.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -border: none; -border-bottom: 1px solid black; -width: 45%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -} -hr.dotted { -border-bottom: 2px dotted black; -} -hr.dashed { -border-bottom: 2px dashed black; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.42em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.84em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { -color: #660000; -} -.fnreturn { -color: #AAAAAA; -font-size: 80%; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -a { -text-decoration: none; -} -a:hover { -text-decoration: underline; -background-color: #e9f5ff; -} -a.noteRef, a.pseudoNoteRef { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -top: -0.5em; -text-decoration: none; -margin-left: 0.1em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { -float: left; -min-width: 1.0em; -margin-left: -0.1em; -padding-top: 0.9em; -padding-right: 0.4em; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -white-space: nowrap; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.index p { -text-indent: -1em; -margin-left: 1em; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em 0; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 1.7; -margin: 2em 0 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pageNum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.right-marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -right: 3%; -position: absolute; -text-indent: 0; -text-align: right; -width: 11% -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink::after { -content: "\0000A0\01F4D8"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.catlink::after { -content: "\0000A0\01F4C7"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { -content: "\0000A0\002197\00FE0F"; -color: blue; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { -text-align: left; -} -.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.cover-imagewidth { -width:480px; -} -.xd30e112 { -text-align:center; font-size:large; -} -.frontispiecewidth { -width:500px; -} -.titlepage-imagewidth { -width:494px; -} -.logowidth { -width:199px; -} -.xd30e185 { -text-align:center; font-size:small; -} -.p016width { -width:720px; -} -.xd30e966 { -text-align:center; -} -.p051width { -width:720px; -} -.p060width { -width:720px; -} -.p088width { -width:720px; -} -.p121width { -width:720px; -} -.p155width { -width:501px; -} -.p192width { -width:720px; -} -@media handheld { -} -/* ]]> */ </style> -</head> -<body> - -<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of De pelsjagers van de Arkansas, by Gustave Aimard</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online -at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you -are not located in the United States, you will have to check the laws of the -country where you are located before using this eBook. -</div> - -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: De pelsjagers van de Arkansas</p> -<p style='display:block; margin-top:0; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:0;'>Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika</p> - -<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Gustave Aimard</div> - -<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Illustrator: Ch. Rochussen</div> - -<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Contributor: J. J. A Goeverneur</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: June 25, 2021 [eBook #65697]</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div> - -<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)</div> - -<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PELSJAGERS VAN DE ARKANSAS ***</div> -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd30e112">DE PELSJAGERS<br> -VAN<br> -DE ARKANSAS -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frontispiece"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure frontispiecewidth"><img src="images/frontispiece.jpg" alt="Die man was een jager, bladz. 26." width="500" height="720"><p class="figureHead">Die man was een jager, bladz. 26.</p> -</div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="494" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="seriesTitle">AIMARD’S <span class="sc">Indiaansche Verhalen</span></div> -<div class="mainTitle">DE PELSJAGERS<br> -VAN<br> -DE ARKANSAS</div> -<div class="subTitle">TAFEREELEN UIT DE WOUDEN EN PRAIRIEN VAN AMERIKA</div> -</div> -<div class="byline">DOOR -<br> -<span class="docAuthor">GUSTAVE AIMARD</span> -<br> -Naar de elfde Fransche uitgave -<br> -MET EENE VOORREDE VAN -<br> -<span class="docAuthor">J. J. A. GOEVERNEUR</span> -<br> -EN 8 ILLUSTRATIEN VAN -<br> -<span class="docAuthor">CH<sup>S</sup>. <span class="ex">ROCHUSSEN</span></span></div> -<div class="docImprint">ZESDE DRUK -<br> -ROTTERDAM<br> -UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER”<br> -<span class="docDate">1882</span></div> -</div> -<p></p> -<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure logowidth"><img src="images/logo.png" alt="Uitgeverslogo: Elsevier Uitgevers Maatschappij." width="199" height="223"></div><p> -</p> -<p class="xd30e185">Snelpersdruk van H. C. A. Thieme, te Nijmegen. -<span class="pageNum" id="xd30e187">[<a href="#xd30e187">V</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">EEN WOORD VOORAF.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first"><i>Er is in de laatste jaren veel over Amerika en de roodhuiden geschreven. Tal van schrijvers, -onder wie enkele met onbetwistbaar talent, hebben zich tot taak gesteld, ons in de -tot nog toe voor onze beschaving ontoegankelijke, door wilde volksstammen bewoonde -prairiën en savannen van ’t verre westen rond te leiden. Slechts weinigen hebben zich -echter van hun wegwijzerschap naar eisch gekweten. Den meesten ontbrak het aan eene -grondige, uit eigen ervaring opgedane kennis van de landen en volksstammen, welker -aard en zeden zij ons schilderen wilden.</i> -</p> -<p><i>De Franschman</i> <span class="sc">Gustave Aimard</span> <i>is hierin gelukkiger dan velen zijner voorgangers geweest. De beschaafde wereld voor -jaren vaarwel zeggende, heeft hij, als aangenomen zoon van een hunner machtigste stammen, -onder en met de Indianen op de gewijde grasvlakten hun zwervend leven gedeeld, bij -de vredespijp aan hunne rust en hunne jachten, na ’t opgraven der strijdbijl met buks -en tomahawk, aan hunne ondernemingen en tochten zelf deelgenomen.</i> -</p> -<p><i>Een zoodanig leven—de bestendige worsteling met moeiten en vaak schijnbaar onoverkomelijke -bezwaren—heeft een aantrekkelijkheid, waarvan alleen hij, die het bij ondervinding -leerde kennen, zich een <span class="pageNum" id="xd30e204">[<a href="#xd30e204">VI</a>]</span>eenigszins helder begrip kan vormen. De mensch staat daar in de wildernis alleen en -komt er als zelfstandig wezen tot bewustheid van zijne volle kracht. Met God alleen -boven zich, oog en oor bestendig op de wacht, den vinger aan zijn geweertrekker; omringd -door gevaren zonder tal, bedreigd door Indianen en wilde dieren, die achter bosch -en struik, in donkere kloven of in hooge boomtoppen loeren, om zich op hem te werpen -en hem tot hun prooi te maken, gevoelt hij zich in waarheid eerst heer der schepping, -welke hij met al de macht van zijn wil, zijn verstand, overleg en onverschrokkenheid -beheerscht.</i> -</p> -<p><i>Langer dan vijftien jaar hield</i> <span class="sc">Aimard</span> <i>dat hier vluchtig aangeduide, vaak koortsig gejaagde leven vol. Onverschrokken jager, -ging hij met de Sioux en Zwartvoeten in de verst westelijke prairiën op bisons uit. -In ’t golvend zand van de onbegrensde Del Norte verdwaald, zwerft hij daar langer -dan eene maand rond, aan de martelingen van honger, dorst en koorts prijsgegeven. -Tot tweemaal toe werd hij door de Apachen aan den folterpaal gebonden. Twaalf maanden -slaaf bij de Patagoniers aan de Straat van Magellaan, had hij daar gruwelijke kwellingen -en tergingen te verduren en ontsnapte slechts door een wonder aan hunne handen. Moederziel -alleen trok hij de pampas van Buenos-Ayres tot San-Luïs de Mendoza door en had op -dien zwerftocht met panters en jaguars, met roodhuiden en gaucho’s te kampen. Een -dollen inval gehoor gevende, wilde hij de geheimnissen van Brazilie’s ongerepte wouden -doorgronden en liet zich door geen wilde horden afschrikken, om die in hunne volle -breedte te doorkruisen. Beurtelings squatter, bevervanger, partijganger, goudzoeker -en bergwerker leerde hij Amerika, van de hoogste Cordillera’s tot aan de stranden -van den Oceaan kennen—een kind van den dag, gelukkig in ’t heden, zonder zorg voor -<span class="pageNum" id="xd30e215">[<a href="#xd30e215">VII</a>]</span>de toekomst, wakkere voorpost van de beschaving, die in ’t</i> <span lang="en">far west</span> <i>van jaar tot jaar meer veroveringen maakt.</i> -</p> -<p><i>’t Zijn derhalve niet zoo zeer romans, die</i> <span class="sc">Aimard</span> <i>na zijne terugkomst in Frankrijk schreef, als wel gedenkschriften en levensberichten. -Evenals</i> <span class="sc">Gabriël Ferry</span>, <i>zijn landsman, als</i> <span class="sc"><span class="corr" id="xd30e237" title="Bron: Gerstaecker">Gerstäcker</span></span> <i>en</i> <span class="sc">Armand</span> <i>(Strubberg), de Duitschers, vertelt hij van zijn eigen leven, van zijn eigen ontmoetingen -en ervaringen in het vreemde land. De door hem beschreven zeden en gebruiken waren -eens hemzelf eigen, met de door hem geteekende Indianen heeft hij jaren lang geleefd -en geleden, gejaagd en gevischt, feestgevierd en gevast, in den wigwam of op ’t krijgspad -gelegen; wat hij geeft zijn in meer dan één opzicht photographieën.</i>—— -</p> -<p><i>De ondergeteekende vertrouwt dan ook dat deze „Pelsjagers van de Arkansas” en de verder -in deze serie aangekondigde verhalen van</i> <span class="sc">Aimard</span> <i>bij ’t neêrlandsch lezend publiek naast</i> <span class="sc"><span class="corr" id="xd30e257" title="Bron: Gerstaecker">Gerstäcker</span></span>, <span class="sc">Ferry</span> <i>en</i> <span class="sc">Armand</span> <i>nog wel een open plaatsje zullen vinden</i>. -</p> -<p class="signed">J. J. A. GOEVERNEUR. -<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="inleiding" class="div0 part"> -<h2 class="label">INLEIDING.</h2> -<h2 class="main">DE VADERVLOEK.</h2> -<div id="inl.1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5351">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">I.</h2> -<h2 class="main">HERMOSILLO.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De reiziger, die voor de eerste maal den voet zet op den bodem van zuidelijk Noord-Amerika, -ondervindt zijns ondanks een onbeschrijfelijk gevoel van weemoed. -</p> -<p>En inderdaad, de geschiedenis der nieuwe wereld is slechts een betreurenswaardige -martelaars-kroniek, waarin dweeperij en begeerigheid hand aan hand gaan. -</p> -<p>Gouddorst gaf aanleiding tot het ontdekken der nieuwe wereld, het goud eens gevonden -zijnde, was Amerika voor zijne veroveraars niets meer dan eene stapelplaats, waar -deze begeerige gelukzoekers, met den dolk in de eene en het crucifix in de andere -hand, een rijken oogst kwamen bijeenzamelen van dat zoo gewenscht metaal, om daarna -naar hun vaderland weder te keeren, aldaar met hunne rijkdommen te schitteren en door -de onbeteugelde weelde, die zij ten toon spreidden, nieuwe landverhuizingen uit te -lokken. -</p> -<p>Aan deze gedurige afwisseling is het inzonderheid toe te schrijven, dat Amerika zoo -weinig groote gedenkteekenen bezit, die anders in iedere volkplanting gewoonlijk de -plaats aanwijzen, waar de kolonisten zich het eerst hebben nedergezet, en tevens de -richting, in welke zij zich hebben voortbewogen en uitgebreid. -</p> -<p>Doorreis heden dat uitgestrekte vasteland, dat gedurende drie eeuwen het onbetwiste -eigendom der Spanjaarden is geweest, doorloop dat heden, zeg ik; ter nauwernood zult -gij hier en daar op verre afstanden, een puinhoop zonder naam ontwaren, die u hun -doortocht in het geheugen roept, terwijl de gedenkteekenen, door de Azteken en Incas -vele eeuwen vóór de ontdekking opgericht, nog <span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>in al hun majestueuzen eenvoud het hoofd omhoog heffen als onvergankelijke getuigenissen -van hunne tegenwoordigheid in die landstreek en van hun streven naar beschaving. -</p> -<p>Helaas! wat zijn zij heden geworden, die roemrijke veroveringen, door gansch Europa -benijd, waarin het bloed der beulen zich vermengd heeft met het bloed der slachtoffers, -ten gerieve van die andere natie, toen zoo trotsch op hare dappere veldheeren, op -haar vruchtbaar grondgebied en op haar handel, die geheel de wereld omvatte? De tijd -is voortgegaan, en het Zuiden van Amerika boet op dit oogenblik voor de misdaden, -die het voorgeslacht heeft bedreven. Verbrokkeld door allerlei partijen, die elkander -het bewind van één dag betwisten, onderdrukt door verkwistende oligarchieën, verlaten -door de vreemdelingen, die er zich hebben vetgemest, verkwijnt het langzaam onder -het wicht zijner trage werkeloosheid, zonder de kracht te bezitten om het looden doodskleed, -waaronder het verstikt, op te heffen, in het vooruitzicht van niet te ontwaken, voordat -een nieuw geslacht, niet bezoedeld door moord en doodslag en gehoorzaam aan Gods eeuwige -wetten, den arbeid en de vrijheid zal aanbrengen die het leven der volkeren zijn. -</p> -<p>In één woord, het Spaansch-Amerikaansche ras heeft zich voortgeplant in de domeinen, -die het van zijne voorvaderen heeft ontvangen, zonder er ooit de grenzen van uit te -breiden; zijn heldenmoed is met Karel den Vijfde ten grave gedaald en het heeft van -het moederland niets bewaard dan de gastvrije zeden, de godsdienstige onverdraagzaamheid, -de monniken, de <i lang="es">guittareros</i> (straatzangers) en de gewapende bedelaars. -</p> -<p>Van alle staten, die den grooten Mexicaanschen bond vormen, is de staat <i lang="es">Sonora</i> de eenige, die, ten gevolge van zijne worsteling met de onafhankelijke Indiaansche -stammen, die het omringen, en van zijne gedurige wrijving met die volkeren, een afzonderlijk -karakter behouden heeft. -</p> -<p>De zeden der inwoners hebben nog een zekere woeste oorspronkelijkheid, die hen bij -den eersten oogopslag van die der meer binnenwaarts gelegen provinciën onderscheidt. -</p> -<p>De <i lang="es">Rio Gila</i> kan als de noordelijke grens van dezen staat worden aangemerkt; van het oosten naar -het westen is hij ingesloten tusschen de <i lang="es">Sierra Madre</i> en de golf van Californië. -</p> -<p>De Sierra Madre verdeelt zich achter <i lang="es">Durango</i> in twee takken, waarvan de voornaamste in de hoofdrichting van het noorden naar het -zuiden loopt, terwijl de andere zich naar het westen wendt, achter de staten <i lang="es">Durango</i> en <i lang="es">Guadalaxara</i> om, en langs de oeverstaten der Stille Zee voortloopt. Deze tak der <i lang="es">Cordilleras</i> vormt de zuidelijke grens van Sonora. -</p> -<p>De natuur schijnt er behagen in geschept te hebben, om hare weldaden met kwistige -hand over dit land uit te storten. Het klimaat is liefelijk, gematigd en gezond; goud, -zilver, vruchtbare akkers, <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>heerlijke vruchten, medicinale kruiden zijn er in overvloed; men vindt er de krachtigste -balsems, de nuttigste insekten voor verfstoffen, de zeldzaamste marmersoorten, wild -en visschen in menigte. Maar ook hebben in de uitgestrekte wildernissen van de Rio -Gila en de Sierra Madre de onafhankelijke Indianen, de <i>Comanchen</i>, de <i>Pawnies</i>, de <i>Pimas</i>, de <i>Opatas</i> en de <i>Apachen</i> voor eeuwig den oorlog verklaard aan het blanke ras; door hunne eindelooze aanvallen -doen zij den Mexicanen het bezit van al deze rijkdommen, die zij eens aan hunne voorvaderen -ontroofden, duur genoeg betalen. -</p> -<p>De drie voornaamste steden van Sonora zijn: <i>Guaymas</i>, <i>Hermosillo</i> en <i>Arispe</i>. -</p> -<p>Hermosillo, vroeger Pitic, door de expeditie van den graaf de Raouset Boulbon beroemd -geworden, is de stapelplaats van den Mexicaanschen handel op de Stille Zuidzee, en -telt meer dan 9000 inwoners. -</p> -<p>Deze stad, gebouwd op eene bergvlakte, die in noordwestelijke richting zacht hellend -tot aan zee afdaalt, wordt gerugsteund en beschermd door een heuvel, <i lang="es">el Cerro de la <span class="corr" id="xd30e354" title="Bron: Campana">Campaña</span></i> (Klokberg) geheeten, welks top met ontzaggelijke steenblokken is bezaaid, die, als -men er op slaat, een helderen en zuiveren klank doen hooren. -</p> -<p>Overigens is deze <i lang="es">Cuidad</i> (stad), evenals hare Amerikaansche zusters, morsig en van leem gebouwd, en geeft -zij aan de verbaasde oogen van den reiziger een treurige massa puinhoopen van verwaarloosde -en verlatene huizen te aanschouwen, die de ziel met weemoed vervullen. -</p> -<p>Op den dag, waarop dit verhaal een aanvang neemt, namelijk op den 17<sup>den</sup> Januari 1817, tusschen drie en vier uur in den namiddag, het gewone uur der <i lang="es">siesta</i> (middagrust), bood de stad Hermosillo, anders zoo stil en rustig, een vreemd schouwspel -aan. -</p> -<p>Een menigte van <i lang="es">Leperos</i>, <i lang="es">Gambusinos</i> (mijnwerkers, sluikers) en <i lang="es">Rateros</i> (gauwdieven) verdrong zich al schreeuwend, dreigend en brullend in de <i lang="es">calle del Rosario</i> (Rozelaarstraat). Eenige Spaansche soldaten,—Mexico had toen het juk van het moederland -nog niet afgeschud—trachtten tevergeefs de orde te herstellen en de menigte uiteen -te drijven, door aan alle kanten met het hout hunner lansen harde slagen uit te deelen -aan ieder, die onder hun bereik kwam. -</p> -<p>Maar het rumoer, wel verre van te verminderen, nam gestadig toe en vooral de <i>Hiaqui</i>-Indianen, die zich onder de menigte bevonden, schreeuwden en gesticuleerden op een -inderdaad schrikwekkende wijze. -</p> -<p>De vensters van alle huizen waren gevuld met mannen-en vrouwenhoofden, die, met hunne -blikken op de <span lang="es">Cerro de la <span class="corr" id="xd30e392" title="Bron: Campana">Campaña</span></span> gericht, aan welks voet dikke rookwolken dwarrelend omhoog stegen, een buitengewone -gebeurtenis schenen af te wachten. -<span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span></p> -<p>Eensklaps hoorde men een vreeselijk geschreeuw, de menigte splitste zich in tweeën -als een overrijpe granaat en ieder week met de kenteekenen der grootste vrees ter -zijde, toen er een jong mensch, of liever een kind, want hij was ter nauwernood zestien -jaar, in een wolk van stof gehuld, op een half wild paard pijlsnel kwam aanrennen. -</p> -<p>»Houdt hem tegen!” riepen sommigen. -</p> -<p>»<i>Lasseert</i><a class="noteRef" id="xd30e402src" href="#xd30e402">1</a> hem!” schreeuwden anderen. -</p> -<p>»<i lang="es">Valgamedios!</i>” mompelden de vrouwen, zich kruisende, »het is de duivel zelf.” -</p> -<p>Maar allen, wel verre van hem tegen te houden, vloden om het hardst; de vermetele -knaap vervolgde zijn snellen draf met een spottenden glimlach om de lippen, een verhit -gelaat, bliksemende oogen en links en rechts slagen uitdeelende met zijn <i lang="es">chicote</i> (zweep) aan allen, die zich te dicht in zijne nabijheid waagden, of die ongelukkig -verhinderd werden zich zoo spoedig, als zij wel gewild hadden, te verwijderen. -</p> -<p>»He! he! <i lang="es">Caspita!</i>” riep, toen de knaap hem onder het voorbijgaan aanraakte, een <i lang="es">vaquero</i> (koeherder) met dom gezicht en forsche ledematen; »naar den duivel met dien schurk, -die mij bijna het onderste boven smeet! O, maar wacht,” ging hij voort, na een blik -op den jongeling geslagen te hebben, »ik bedrieg mij niet, het is Rafaël, de zoon -van mijn meester! Wacht even, <i lang="es">picaro</i> (schelm)!” -</p> -<p>Terwijl hij nog bezig was deze alleenspraak tusschen de tanden te mompelen, ontrolde -de vaquero de lasso, die aan zijn gordel hing, en begon hij den ruiter achterna te -hollen. -</p> -<p>De menigte, die zijn plan begreep, juichte hem met verrukking toe. -</p> -<p>»Bravo! bravo!” riepen allen. -</p> -<p>»Mis hem niet, Cornejo!” schreeuwden de vaqueros, hem met handgeklap aanmoedigende. -Cornejo naderde al gaandeweg den knaap, voor wien de hinderpalen meer en meer toenamen. -</p> -<p>Door het geschreeuw der omstanders gewaarschuwd voor het gevaar, dat hem bedreigde, -wendde de ruiter het hoofd om. -</p> -<p>Toen zag hij den vaquero.—Een akelige loodkleur overdekte zijn gelaat; hij begreep, -dat hij verloren was. -</p> -<p>»Laat mij ontkomen, Cornejo,” riep hij met sidderende stem. -</p> -<p>»Neen, neen!” brulde de menigte, »lasseer hem! lasseer hem!” -</p> -<p>Het volk vond behagen in die menschenjacht, het vreesde van een zoo belangwekkend -schouwspel beroofd te zullen worden. -</p> -<p>»Geef u over!” antwoordde de reus; »anders, ik waarschuw u, lasseer ik u als een <i lang="es">Ciboto</i>!” -</p> -<p>»Ik geef mij niet over!” zeide de knaap vastberaden. -</p> -<p>De twee sprekers renden altijd voort, de eene te voet, de andere <span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span>te paard.—De menigte volgde, brullend van genot. Zoo is het gepeupel overal, barbaarsch -en onmeêdoogend. -</p> -<p>»Laat mij gaan, zeg ik u!” riep de knaap, »of ik zweer u bij de gebenedijde zielen -uit het vagevuur, gij komt er slecht af.” -</p> -<p>De vaquero grinnikte, en zeide: -</p> -<p>»Pas op, Rafaël, voor de laatste maal vraag ik het u, wilt gij u overgeven?” -</p> -<p>»Neen! duizendmaal neen!” riep de knaap woedend. -</p> -<p>»In Gods naam dan!” zeide de vaquero en slingerde hem de lasso naar het hoofd. -</p> -<p>Nu had er iets buitengewoons plaats. Rafaël hield plotseling zijn paard in, zoodat -het stokstijf staan bleef, en uit den zadel springende wierp hij zich als een jaguar -op den reus, die door den schok ter aarde viel, en, voordat iemand het kon verhinderen, -stiet hij hem het mes, dat de Mexicanen altijd bij zich aan den gordel dragen, in -de keel. -</p> -<p>Een lange bloedstraal spoot in het aangezicht van den knaap; de vaquero maakte nog -eenige stuiptrekkingen en bleef toen onbewegelijk liggen. -</p> -<p>Hij was dood! -</p> -<p>De menigte slaakte een kreet van schrik en afgrijzen. Snel als de bliksem had de knaap -zich weêr in den zadel geworpen, en zijn mes zwaaiende, hernieuwde hij met een duivelschen -lach zijn wanhopigen rid. -</p> -<p>Toen men, nadat het eerste oogenblik van schrik voorbij was, den moordenaar op nieuw -wilde vervolgen, was hij verdwenen. -</p> -<p>Niemand wist welken kant hij was opgegaan. Gelijk meestal in dergelijke omstandigheden, -kwam de <i lang="es">juez de letras</i> (strafrechter), door een stoet van <i lang="es">alguacils</i> (gerechtsdienaars) omgeven, op de plaats, waar de moord geschied was, aan, juist -toen het te laat was. -</p> -<p>De juez de letras, don Inigo tormentos Albaceyte, was een man van omstreeks 50 jaar, -klein en gezet, met een vollemaansgezicht, die een gouden met diamanten omzette snuifdoos -bij zich droeg, en onder schijnbare goedhartigheid een onverzadigbare geldgierigheid -verborg. -</p> -<p>De magistraat verontrustte zich, naar het scheen, volstrekt niet over de vlucht van -den moordenaar, hij schudde eenige malen het hoofd, wierp een blik op de menigte rondom -zich en zeide onder het nemen van een snuifje: -</p> -<p>»Arme Cornejo! het zou toch stellig eenmaal zoo met u zijn afgeloopen; was het van -daag niet, dan toch morgen.” -</p> -<p>»Ja,” zeide een lepero, »hij is netjes van kant gemaakt.” -</p> -<p>»Dat dacht ik al,” hernam de rechter, »de man, die het gedaan heeft, is een man van -het vak.” -</p> -<p>»Ha! wel zeker,” antwoordde de lepero, de schouders ophalende, »het is een kind.” -<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p> -<p>»Bah!” riep de rechter met geveinsde verwondering en, den man die tot hem sprak even -van onder zijne oogleden aanziende, »een kind!” -</p> -<p>»Ten naasten bij,” zeide de lepero, trotsch op de aandacht, die men aan zijne woorden -schonk, »’t is Rafaël: de oudste zoon van don Ramon.” -</p> -<p>»Nu, nu!” antwoordde de rechter met stille zelfvoldoening; »maar dat is immers niet -mogelijk; Rafaël is ter nauwernood zestien jaar, hij zal wel geen twist gezocht hebben -met Cornejo, die hem met ééne hand had kunnen verpletteren.” -</p> -<p>»’t Is toch zoo, Excellentie; we hebben het allen gezien; Rafaël heeft gedobbeld bij -don Aquilar; het schijnt dat de kans hem niet gunstig geweest is; hij heeft al zijn -geld verloren; toen is hij woedend geworden en heeft het huis in brand gestoken.” -</p> -<p>»Caspita!” riep de rechter. -</p> -<p>»Het is gelijk ik de eer heb u te zeggen; Excellentie; kijk, men kan den rook nog -zien, alhoewel het huis reeds uitgebrand is.” -</p> -<p>»Inderdaad,” hernam de rechter, den vinger van den lepero met het oog volgende, »en -toen?” -</p> -<p>»Toen,” vervolgde de ander, »heeft hij zich natuurlijk uit de voeten willen maken; -Cornejo trachtte hem tegen te houden …” -</p> -<p>»Daar had hij gelijk in!” -</p> -<p>»Daar had hij geen gelijk in, daar Rafaël hem gedood heeft.” -</p> -<p>»Dat is waar,” zeide de rechter, »maar houd u bedaard, mijne vrienden, de gerechtigheid -zal hem wreken.” -</p> -<p>Dit woord werd door de omstanders met een spottenden glimlach aangehoord. -</p> -<p>De magistraat, zonder zich veel over den indruk, dien zijne woorden gemaakt hadden, -te bekommeren, beval aan zijn gevolg, dat den overledene reeds doorzocht en geplunderd -had; het lijk op te nemen en naar den ingang der naastbijzijnde kerk te brengen; vervolgens -trad hij zijn huis binnen, zich vergenoegd de handen wrijvende. -</p> -<p>Tien sterk gewapende alguacils wachtten hem te paard aan de deur op; een bediende -hield een prachtigen, zwarten hengst, die van ongeduld stampvoette, bij den toom. -Don Inigo zette zich in den zadel, plaatste zich aan het hoofd zijner manschappen -en de troep verwijderde zich. -</p> -<p>»Nu, nu,” zeiden de nieuwsgierigen, die in de buurt op den drempel hunner woningen -post hadden gevat, »juez Albaceyte begeeft zich naar don Ramon Garillas, wij zullen -morgen wat nieuws hebben.” »Caspita!” antwoordden anderen, »dat lieve zoontje van -hem heeft den strop, waaraan hij zal opgehangen worden, niet gestolen; hij heeft hem -eerlijk verdiend.” -</p> -<p>»Hm!” zeide een lepero met een spijtigen glimlach, »het zou jammer wezen, de schelm -belooft wat te zullen worden, op mijn woord! De <i lang="es">cuchillada</i> (snede), die hij Cornejo heeft toegebracht, is <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>heerlijk. De arme duivel is op een onberispelijke wijze van kant gemaakt.” -</p> -<p>De rechter vervolgde ondertusschen zijn weg en bevond zich weldra in het veld. -</p> -<p>Toen, zich in zijn mantel wikkelende, vroeg hij: -</p> -<p>»Zijn de wapens geladen?” -</p> -<p>»Ja, Excellentie,” antwoordde de hoofdman der alguacils. -</p> -<p>»Goed! naar de hacienda (hoeve) van don Ramon Garillas, en in een goeden draf; wij -moeten er voor het aanbreken van den nacht zijn.” -</p> -<p>De troep zette zich in galop. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e402"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e402src">1</a></span> De lasso is een lang werptouw, een soort van slinger, waarmede de Mexicanen hunne -koeien en paarden opvangen. <a class="fnarrow" href="#xd30e402src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="inl.2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5361">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">II.</h2> -<h2 class="main">DE HACIENDA DEL MILAGRO.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De omstreken van Hermosillo zijn ware woestijnen. De weg, die van deze stad naar de -<i lang="es">hacienda del Milagro</i> (Wonderhoeve) voert, is vooral somber en dor. -</p> -<p>Slechts bij lange tusschenpoozen ziet men hier en daar eenige gomboomen, Peruboomen, -konzenieljes en cactussen, de eenigste planten, die groeien kunnen op een door de -loodrecht nedervallende stralen der zon verschroeiden bodem. -</p> -<p>Op geregelde afstanden vertoonen zich, als om den reiziger te bespotten, de lange -houten balansen der regenbakken, met een verwrongen en hard geworden lederzak aan -het eene en met steenen aan het andere eind; maar de regenbakken zijn uitgedroogd -en op den bodem is niets meer dan een zwarte en modderige korst, waarin zich een tallooze -menigte van ongedierte beweegt; wolken van fijn en alles doordringend stof, door de -minste beweging in de lucht opgejaagd, dringen den vermoeiden reiziger in de keel -en onder elke uitgedroogde grashalm roepen de krekels woedend den weldadigen nachtelijken -dauw in. -</p> -<p>Maar als men na een lange worsteling met allerlei moeielijkheden, zes mijlen in deze -verzengde woestijnen heeft afgelegd, vestigt het oog zich met wellust op een prachtige -oase, die eensklaps als uit den schoot van het dorre zand schijnt omhoog ie rijzen. -</p> -<p>Dat Eden is de <span lang="es">Hacienda del Milagro</span>. -</p> -<p>Op het tijdstip, waarin ons verhaal ons verplaatst, bestond deze hacienda, een der -rijkste en uitgestrektste der provincie, in een gebouw van twee verdiepingen, met -muren van <i lang="es">tapia</i> en <i lang="es">adobes</i> (klei met stroo) en met een rieten dak. -</p> -<p>Men bereikte de hacienda door middel van een ontzaggelijk erf, welks ingang, een gewelfd -portaal, verzekerd was met zware slagdeuren, <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>aan welker eene zijde zich een sluippoort bevond. Aan de voorzijde telde men vier -kamers, welker vensters met vergulde ijzeren spijlen en van binnen met jalousieën -versierd waren; de ramen waren van glas, een ongehoorde weelde in dat land en in dien -tijd; aan iedere zijde van het erf of <i lang="es">patio</i> bevonden zich de gemeenschappelijke woningen voor de <i lang="es">peones</i> (arbeiders), de kinderen enz. -</p> -<p>Gelijkvloers bestond het hoofdgebouw uit drie deelen. Eerst had men een soort van -groote vestibule, met antieke leunstoelen en canapé’s met zittingen van cordova-leder, -een konzenielje-houten tafel en eenige tabouretten; aan de muren hingen in vergulde -lijsten verscheidene oude portretten, die de leden der familie levensgroot voorstelden; -de zolder was met een menigte van reliëfs versierd. -</p> -<p>Een paar vleugeldeuren gaven toegang tot de zaal; recht tegenover het patio, was er -langs den geheelen muur eene verhevenheid van een voet hoogte aangebracht; deze was -met een tapijt bedekt en pronkte met eene rij kunstig gesneden en rijk geborduurde -lage tabouretten, voor ieder waarvan een kussen om de voeten op te leggen; er was -ook een klein vierkant tafeltje, achttien duim hoog, dat tot werktafeltje diende. -Dit gedeelte van de zaal is bestemd voor de dames, die er zich op de wijze der Mooren -met gekruiste beenen nederzetten; aan den anderen kant der zaal bevinden zich stoelen, -met zittingen evenzoo geborduurd als de tabouretten en kussens; tegenover den ingang -der zaal was een andere deur, waardoor men in de voornaamste slaapkamer kwam; hier -zag men een alcove, waarin op eene verhevenheid een paradebed was geplaatst, versierd -met eene menigte verguldsels en gordijnen van gebloemde zijde. De lakens en sloopen -waren van het fijnste linnen en met breede kant omzoomd. -</p> -<p>Achter het hoofdgebouw bevond zich een tweede <i lang="es">patio</i>, waar de keukens en het <i lang="es">corral</i> (hoenderhok) geplaatst waren; daarachter was een groote tuin, geheel ommuurd en meer -dan honderd roeden lang, op engelsche wijze aangelegd, rijk aan allerlei vreemde boomen -en planten. -</p> -<p>De hacienda vierde feest. -</p> -<p>Het was de tijd van de <i lang="es">matanza del ganado</i> (slacht): de <i lang="es">peones</i> (arbeiders) hadden op eenige schreden afstands een omheining gemaakt, binnen welke -zij de magere runderen van de vette afzonderden; de vetten werden een voor een weder -naar buiten gejaagd, en door een vaquero, die met een snijdend werktuig gewapend aan -den ingang stond, met één slag afgemaakt. Zoo deze bij ongeluk missloeg, hetgeen somwijlen -gebeurde, was er een andere vaquero, die te paard het arme dier in galop vervolgde, -de lasso om zijne horens sloeg en het vasthield, totdat de eerste het had gedood. -</p> -<p>Achteloos tegen de gaanderij der hacienda aangeleund, stond een man van omstreeks -veertig jaar, in de rijke kleeding van een landedelman, de schouders bedekt met een -veelkleurige <i lang="es">zarape</i> (wollen <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>shawl) en het hoofd beveiligd voor de laatste stralen der ondergaande zon door een -hoed van fijn Panama-stroo, die, onder het rooken van een maïs-cigaar, het opzicht -scheen te houden over dit tooneel. -</p> -<p>Het was een lang man, van verheven gestalte, welgevormd, met scherpe maar schoone -gelaatstrekken, die eerlijkheid en moed, maar vooral een ijzeren wil verraadden. Zijne -groote, zwarte oogen, door zware wenkbrauwen overschaduwd, hadden een onvergelijkelijk -zachte uitdrukking; maar, als wrevel zijn bruine gelaatskleur met een rooden gloed -overtoog, nam zijn blik eene onverzettelijkheid en eene kracht aan, die niemand kon -weerstaan en die den dapperste deden aarzelen en beven. -</p> -<p>Hij had bovendien dat aristocratisch uiterlijk, waaraan men bij den eersten oogopslag -den afstammeling van een zuiver en edel castiliaansch geslacht herkent. -</p> -<p>En inderdaad, deze man was don Ramon Garillas de Sevedar, de eigenaar van de hacienda -del Milagro, die wij zoo pas beschreven hebben. -</p> -<p>Don Ramon Garillas stamde af van een spaansch geslacht, welks stamvader een der voornaamste -luitenants van Cortes was geweest en dat zich in Mexico gevestigd had, na de wonderbare -verovering van dat land door dien fortuinzoeker. -</p> -<p>In het bezit van een vorstelijk vermogen, maar wegens zijn huwelijk met eene vrouw -van gemengd Aztekisch ras door de spaansche aristocratie verstooten, had hij zich -geheel en al aan het bebouwen van zijn land en aan de verbetering zijner uitgestrekte -goederen overgegeven. -</p> -<p>Na zeventien jaar gehuwd te zijn geweest, was hij thans het hoofd van een talrijk -huisgezin, bestaande uit zes jongens en drie meisjes, in het geheel negen kinderen, -waarvan Rafaël, dien wij straks ontmoet hebben, toen hij den vaquero zoo knaphandig -afmaakte, de oudste was. -</p> -<p>Het huwelijk van don Ramon en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Jesusita was een huwelijk geweest uit speculatie, alleen met het oog op het geld -gesloten, maar dat beiden toch betrekkelijk gelukkig maakte; wij zeggen betrekkelijk, -want daar het meisje het klooster verlaten had om te trouwen, had er nimmer liefde -tusschen hen bestaan, maar was deze vervangen geworden door eene teedere en oprechte -genegenheid. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Jesusita bracht haar tijd door met te midden van hare indiaansche vrouwen voor hare -kinderen te zorgen; haar echtgenoot van zijn kant was den geheelen dag bezig met zijne -vaqueros, peones en jagers en zag zijne vrouw slechts enkele oogenblikken gedurende -den maaltijd, terwijl hij soms maanden achtereen uitbleef om een jachtpartij aan de -oevers van de Rio Gila bij te wonen. Wij moeten er echter bijvoegen, dat, afwezig -of niet, don Ramon steeds met de grootste nauwkeurigheid zorg droeg, dat er niets -ontbrak aan het welzijn van zijne vrouw en dat aan hare minste grillen werd voldaan, -<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>terwijl hij noch geld, noch moeite spaarde om haar alles te bezorgen, wat zij scheen -te verlangen. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Jesusita was betooverend schoon en van een engelachtig humeur; zij scheen, zoo niet -met blijdschap, dan toch zonder al te veel verdriet de levenswijze aangenomen te hebben, -waarin haar man haar genoodzaakt had zich te schikken; maar uit de diepte van haar -groot, zwart, kwijnend oog, uit de bleekheid van hare trekken en vooral uit de wolk -van droefheid, die voortdurend haar schoon voorhoofd met een matte bleekheid overtrok, -was het niet moeilijk op te maken, dat er in dat verleidelijk marmerbeeld eene gloeiende -ziel was opgesloten en dat dat hart, dat zich zelf niet kende, al zijne gedachten -gericht had op hare kinderen, waaraan zij hing met al de kracht der moederlijke liefde. -</p> -<p>Wat don Ramon betreft, altijd even goed en voorkomend voor zijne vrouw, die hij zich -nooit de moeite had gegeven om te besturen, veel min te regeeren, hij had het recht -om haar voor het gelukkigste schepsel van de wereld te houden; en zij was het inderdaad, -sedert zij moeder werd. -</p> -<p>De zon was voor eenige oogenblikken ondergegaan; de lucht verloor langzamerhand haar -purpertint en werd hoe langer hoe donkerder; onder het gewelf des hemels begonnen -reeds eenige sterren te schitteren en de avondwind verhief zich met eene kracht, die -tegen den nacht een van die vreeselijke onweders voorspelde, welke in deze gewesten -zoo dikwijls losbarsten. -</p> -<p>De <i lang="es">mayoral</i> (hofmeester), na met zorg het overblijvende <i lang="es">ganado</i> (vee) binnen de omheining te hebben doen opsluiten, verzamelde de vaqueros en peones -en allen richtten zich naar de hacienda, waar de avondmaalsklok hen waarschuwde, dat -het uur der rust eindelijk was aangebroken. -</p> -<p>Toen de mayoral het laatst binnentrad en een buiging maakte voor zijn meester, vroeg -deze hem: -</p> -<p>»Nu, nô Eusébio, hoeveel koppen hebben wij dit jaar?” -</p> -<p>»Vierhonderd vijftig <i lang="es">mi amo</i> (mijn meester),” antwoordde de mayoral, een groot, ernstig, mager man, met grijzende -haren en een gezicht zoo geel en uitgedroogd als een stuk oud perkament, terwijl hij -zijn paard inhield en zijn hoed afnam, »dat is te zeggen: vijf en zeventig meer dan -verleden jaar; onze buren de jaguars en de Apachen hebben ons van ’t jaar niet veel -schade berokkend.” -</p> -<p>»Dank zij uwer waakzaamheid, nô Eusébio,” hernam don Ramon; »ik zal haar niet onbeloond -laten.” -</p> -<p>»Mijn beste belooning is het goede woord, dat Uw Genade mij ten beste geeft,” antwoordde -de mayoral, wiens ruw gelaat eensklaps ophelderde; »is het niet mijn plicht voor al -het uwe met dezelfde zorgvuldigheid te waken, alsof het het mijne ware?” -</p> -<p>»Ik dank u,” zeide de edelman bewogen en de hand zijns dienaars drukkende, »ik weet, -dat gij u geheel aan mij hebt toegewijd.” -<span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span></p> -<p>»In leven en in sterven, meester; mijne moeder heeft u gezoogd, ik behoor u en de -uwen toe.” -</p> -<p>»Kom, kom! nô Eusébio,” zeide de hacendero opgeruimd, »het souper is gereed, de <span class="corr" id="xd30e614" title="Bron: senora">señora</span> is zeker reeds aan tafel, laten wij haar niet langer laten wachten.” -</p> -<p>Daarop traden beiden binnen het patio en nô Eusébio, zooals don Ramon hem genoemd -had, maakte zich gereed om de deuren te sluiten. -</p> -<p>Ondertusschen trad don Ramon de eetzaal der hacienda binnen, <span class="corr" id="xd30e620" title="Bron: maar">waar</span> al de vaqueros en peones reeds bijeen waren. -</p> -<p>Deze eetzaal bevatte een ontzaglijk groote tafel, die geheel het middenvak besloeg; -daaromheen waren banken geplaatst met lederen zittingen en twee gebeeldhouwde leunstoelen -voor don Ramon en de <span class="corr" id="xd30e625" title="Bron: senora">señora</span>. Achter de leunstoelen hing aan den muur een ivoren Christusbeeld van vier voet hoogte, -midden tusschen twee schilderijen, waarvan de eene Jezus in Gethsemané en de andere -de prediking op den berg voorstelde. Hier en daar grijnsden u van de gewitte muren -jaguars-, buffels-, of hertenkoppen tegen, die de hacendero (eigenaar der hacienda) -op de jacht gedood had. -</p> -<p>De tafel was rijkelijk voorzien met <i lang="es">lahua</i> (een dikke soep van gekookt maïsmeel met vleesch), <i lang="es">puchero</i> of <i lang="es">olla podrida</i> en <i lang="es">pépian</i>; op gelijke afstanden stonden flesschen met <i lang="es">mezkal</i> en karaffen met water. -</p> -<p>Op een gegeven teeken van den hacendero nam het maal een aanvang. -</p> -<p>Weldra barstte het onweder los. De regen viel bij stroomen neder, elk oogenblik deden -felle bliksemstralen de lichten in de zaal verbleeken en zware donderslagen den grond -dreunen. -</p> -<p>Tegen het einde van het maal klom de orkaan tot zulk eene hevigheid, dat het gedruisch -der elementen het spreken onmogelijk maakte. -</p> -<p>De donder ratelde met eene ontzettende kracht; een rukwind drong met geweld de zaal -binnen, verbrijzelde een venster en doofde al de lichten uit; allen die tegenwoordig -waren kruisten zich al bevend. -</p> -<p>Tegelijk weergalmde de bel van de poort der hacienda en eene stem, die niets menschelijks -had, riep tweemaal achtereen: -</p> -<p>»Help!… help!.….” -</p> -<p>»Jezus Christus!” riep don Ramon uit, terwijl hij met één sprong de zaal uit was, -»er wordt iemand op de vlakte vermoord.” -</p> -<p>Er werden op hetzelfde oogenblik twee geweerschoten gehoord, een akelige gil doorsneed -de lucht en daarna verviel alles in een sombere stilte. -</p> -<p>Eensklaps verlichtte eene heldere bliksemstraal de duisternis, de donder ratelde met -veel geweld en don Ramon vertoonde zich wederom op den drempel der zaal, met een man, -die in onmacht gevallen was, in zijne armen. -<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p> -<p>De vreemdeling werd op een bank gelegd, men verdrong zich om hem heen. Het gezicht -van dien man had niets buitengewoons, evenmin als zijne kleeding, en toch, toen hij -hem bemerkte, kon Rafaël, de oudste zoon van don Ramon, een gebaar van schrik niet -weêrhouden en zijn gelaat werd bleek als dat van een doode. -</p> -<p>»O!” mompelde hij zacht, »de juez de letras!…” -</p> -<p>Inderdaad, het was de waardige rechter, dien wij met een zoo sierlijk gevolg Hermosillo -zagen verlaten. Zijne lange, natte haren vielen op zijn borst, zijne kleederen waren -in wanorde geraakt, op menige plaats gescheurd en met bloed bevlekt. Zijne rechterhand -hield de kolf van een afgeschoten pistool stijf omklemd. -</p> -<p>Don Ramon had den juez de letras ook herkend en onwillekeurig een blik op zijn zoon -geworpen, dien deze niet kon doorstaan. -</p> -<p>De rechter, dank zij der zorgen hem door <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Jesusita en hare vrouwen bewezen, kwam spoedig weder bij, slaakte een diepen zucht, -opende een paar woeste oogen, die hij over de omstanders liet gaan zonder nog iets -te zien, en herkreeg langzamerhand zijn bewustzijn. -</p> -<p>Eensklaps deed een levendig rood zijn even te voren zoo bleek voorhoofd kleuren; zijne -oogen schitterden, terwijl hij op Rafaël een blik wierp, die dezen aan den grond vastnagelde -en aan een onverwinnelijke vrees ten prooi liet. -</p> -<p>Daarna hief hij zich met moeite op, trad naar den jongeling die hem zag aankomen, -zonder hem te durven ontwijken, legde hem ruw de hand op den schouder, en vervolgens -zich tot de verschrikte peones wendende, die van dit alles niets begrepen, zeide hij -op plechtigen toon: -</p> -<p>»Ik, don Inigo tormentos d’ Albaceyte, juez de letras der stad Hermosillo, arresteer -in naam des Konings dezen man, overtuigd van moord!.…” -</p> -<p>»Genade!” riep Rafaël, zich op de knieën werpende en wanhopig de handen vouwende. -</p> -<p>»Wee mij!”—gilde de arme moeder in zwijm vallende. -</p> -</div> -</div> -<div id="inl.3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5371">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">III.</h2> -<h2 class="main">HET VONNIS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Den volgenden dag rees de zon prachtig aan de kimmen. Het onweder van dien nacht had -den bewolkten horizont schoongeveegd; de vogels fladderden en zongen onder de bladeren -verborgen; geheel de natuur had haar gewoon feestelijk aanzien herkregen. -</p> -<p>De klok van de hacienda del Milagro liet hare heldere slagen <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>hooren; de peones begonnen zich in alle richtingen te verspreiden, deze om de paarden -te laten grazen, gene om het rundvee naar de kunstmatige weiden te voeren, andere -wederom, die zich naar den akker begaven, terwijl nog anderen zich in het patio onledig -hielden met het melken der koeien en het herstellen der door het onweder veroorzaakte -schade. -</p> -<p>De eenige sporen, van den nachtelijken storm overgebleven, waren twee prachtige jaguars, -die dood voor de deur lagen uitgestrekt, niet ver van het half verscheurde lijk van -een paard. -</p> -<p>Nô Eusébio, die in het patio heen en weer wandelde en een wakend oog hield over allen, -die daar aan het werk waren, liet het rijke tuig van het doode paard wegnemen en schoonmaken -en gaf bevel om de jaguars het vel af te stroopen. Zijn bevel werd in een oogwenk -volbracht. Desniettemin was nô Eusébio niet op zijn gemak; don Ramon, gewoonlijk het -eerst op in de hacienda, was nog niet verschenen. -</p> -<p>Den vorigen avond, na de verpletterende aanklacht door den juez de letras tegen den -oudsten zoon van den hacendero uitgebracht, had deze zijne dienaars gelast zich te -verwijderen en na zelf, ondanks de tranen en gebeden zijner vrouw, zijn zoon stevig -gekneveld te hebben, had hij don Inigo d’ Albaceyte in eene achterkamer der hoeve -gebracht, waar beiden tot laat in den nacht hun verblijf hielden. -</p> -<p>Wat was er voorgevallen gedurende dat onderhoud, dat beslist moest hebben over het -lot van Rafaël? Niemand wist het, nô Eusébio evenmin als de anderen. -</p> -<p>Na vervolgens don Inigo naar zijn slaapvertrek geleid en hem een goeden nacht gewenscht -te hebben, had don Ramon zich bij zijn zoon vervoegd, bij wien de arme moeder nog -altijd zat te schreien. Zonder een woord te spreken had hij den knaap in zijne armen -genomen en in zijne slaapkamer gebracht, waar hij hem op den grond naast zijn ledikant -had nedergelegd, vervolgens had de hacendero de deur op het nachtslot gedaan en was -hij gaan liggen, met twee pistolen naast zijn hoofdkussen. Op die wijze was de nacht -voorbijgegaan, terwijl vader en zoon in het donker elkander met woeste, vurige blikken -lagen aan te staren en de arme moeder neergeknield lag op den drempel der kamer, waartoe -haar de ingang was ontzegd, in stilte weenende om haar eerstgeborene, die, gelijk -haar voorgevoel haar zeide, haar eerlang voor altijd zou ontnomen worden. -</p> -<p>»Hm!” mompelde de mayoral, »wat moet er van dat alles komen? Don Ramon is geen man -om iets door de vingers te zien, hij zal geen verdrag sluiten met zijne eer. Zal hij -zijn zoon aan het gerecht overleveren? Neen! dat niet.—Maar wat zal hij dan doen?” -</p> -<p>De waardige mayoral was zoover met zijne overdenkingen gekomen, toen don Inigo d’Albaceyte -en don Ramon in het patio verschenen. -<span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span></p> -<p>Het gelaat der twee mannen was ernstig, dat van den hacendero vooral was somber als -de nacht. -</p> -<p>»Nô Eusébio,” zeide don Ramon, »laat een paard zadelen en een geleide van vier man -opzitten om dezen heer naar Hermosillo te brengen.” -</p> -<p>De mayoral boog eerbiedig en gaf <span class="corr" id="xd30e695" title="Bron: onmiddelijk">onmiddellijk</span> de noodige bevelen. -</p> -<p>»Ik bedank u duizendmaal,” ging don Ramon voort, zich tot den rechter wendende, »gij -redt de eer van mijn huis.” -</p> -<p>»Wees mij niet zoo dankbaar, mijnheer,” antwoordde don Inigo, »ik zweer u, dat, toen -ik gisteren avond de stad verliet, ik geen ander doel had dan u welgevallig te zijn.” -</p> -<p>De hacendero maakte eene beweging met zijn hand. -</p> -<p>»Stel u in mijne plaats, ik ben vóór alles strafrechter; men vermoordt iemand, een -slechten knaap, dat stem ik u toe, maar toch een mensch, alhoewel van de minste soort; -de moordenaar is bekend, hij rijdt in galop door de stad op klaarlichten dag, voor -aller oogen, met een ongeloofelijke onbeschaamdheid; wat moest ik doen? Natuurlijk -hem vervolgen. Ik heb dan ook niet geaarzeld dit te doen.” -</p> -<p>»Dat is zoo,” mompelde don Ramon, het hoofd latende hangen. -</p> -<p>»En ’t is mij slecht bekomen; de schelmen die mij vergezelden hebben mij, toen het -onweder het zwaarst was, als lafaards verlaten, om zich, ik weet niet waar, te verbergen; -tot overmaat van smart begonnen twee jaguars, overigens prachtige dieren, mij te vervolgen; -zij kwamen mij zóó nabij, dat ik vóór uwe deur van mijn paard ben gevallen; één heb -ik er wel is waar gedood, maar de andere stond juist op het punt mij te verscheuren, -toen gij mij te hulp kwaamt. Mocht ik daarna den zoon arresteeren van den man, die -mij het leven had gered op gevaar van het zijne te verliezen? Dat zou de zwartste -ondankbaarheid geweest zijn.” -</p> -<p>»Nogmaals dank daarvoor!” -</p> -<p>»Geen dank, wij hebben afgerekend, dat is alles. Ik spreek niet van eenige duizenden -piasters, die gij mij gegeven hebt, omdat zij dienen zullen om mijne lieden den mond -te stoppen; maar geloof mij, don Ramon, bewaak uw zoon; zoo hij eens weder in mijne -handen viel, zou ik hem niet kunnen redden.” -</p> -<p>»Wees gerust, don Inigo, mijn zoon zal niet weder in uwe handen vallen.” -</p> -<p>De hacendero sprak deze woorden op een zoo somberen toon uit, dat de rechter zich -sidderend omwendde. -</p> -<p>»Wees voorzichtig en bedenk wat gij doen gaat!” zeide hij. -</p> -<p>»O, vrees niets,” antwoordde don Ramon; »maar daar ik niet verkies, dat mijn zoon -op het schavot komt en mijn naam door het slijk sleurt, zoo zal ik er orde op weten -te stellen.” -</p> -<p>Op dit oogenblik werd het paard voorgebracht.—De juez de letras zette zich in den -zadel. -<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p> -<p>»Nu, vaarwel! don Ramon,” zeide hij op een genadigen toon, »wees voorzichtig, dat -jonge mensch kan zich verbeteren, hij heeft maar wat vurig bloed in de aderen, dat -is alles.” -</p> -<p>»Vaarwel, don Inigo d’Albaceyte,” antwoordde de hacendero kortaf. -</p> -<p>De rechter schudde het hoofd, en nu zijn paard de sporen gevende, reed hij op een -draf weg, gevolgd door zijn escorte. De hacendero volgde hem met de oogen, zoolang -hij kon, toen trad hij de hacienda wederom binnen. -</p> -<p>»Nô Eusébio,” zeide hij tot den mayoral, »luid de klok om de peones en de overige -bedienden der hacienda bijeen te roepen.” -</p> -<p>De mayoral, na zijn meester verbaasd te hebben aangestaard, haastte zich, het ontvangen -bevel ten uitvoer te brengen. -</p> -<p>»Wat beteekent dat alles!” zeide hij. -</p> -<p>Op het gelui der klok, kwamen al de lieden der hacienda aanloopen, niet wetende waaraan -zij de buitengewone oproeping moesten toeschrijven. -</p> -<p>Weldra waren zij vereenigd in de groote zaal, die tot eetzaal had gediend. Er heerschte -onder hen een volmaakte stilte. Een bange vrees beklemde hun hart. Zij hadden een -voorgevoel, dat er iets vreeselijks gebeuren zou. -</p> -<p>Na eenige minuten gewacht te hebben, trad <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Jesusita omringd van hare kinderen met uitzondering van Rafaël binnen en nam plaats -op eene verhevenheid aan het einde der zaal. -</p> -<p>Haar aangezicht was bleek, hare roode oogen toonden, dat zij geweend had. -</p> -<p>Don Ramon verscheen. -</p> -<p>Hij droeg een zwart fluweelen kleed, zonder borduursel, op zijn borst hing een zware -gouden keten; een zwart vilten hoed met breeden rand, versierd met een arendsveder, -bedekte zijn hoofd; een lange degen met ijzeren gevest hing aan zijne linkerzijde. -</p> -<p>Zijn voorhoofd was gerimpeld, zijne wenkbrauwen waren gefronst boven zijne zwarte, -vlammenschietende oogen. -</p> -<p>Eene siddering doorliep de reien der omstanders.—Don Ramon Garillas verscheen als -rechter. -</p> -<p>»Zou er recht gesproken worden? Maar over wien?” -</p> -<p>Toen don Ramon rechts van zijne vrouw plaats genomen had, gaf hij een teeken. -</p> -<p>De mayoral verwijderde zich en kwam een oogenblik later met Rafaël weder binnen. -</p> -<p>De jongeling was blootshoofds; zijne handen waren achter op zijn rug gebonden. -</p> -<p>Met neêrgeslagen oogen en verbleekt gelaat, plaatste hij zich voor zijn vader, dien -hij eerbiedig groette. -</p> -<p>In den tijd, waarin dit verhaal ons verplaatst, vooral in de landen, die ver van eenige -hoofdplaats verwijderd en blootgesteld waren <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>aan de gedurige invallen der Indianen, hadden de hoofden der huisgezinnen nog in al -zijne zuiverheid dat patriarchale gezag bewaard, dat onder den invloed der beschaving -hoe langer hoe meer begint te verdwijnen. -</p> -<p>Een vader was souverein in zijn huis; zijne vonnissen waren zonder appél en werden -steeds zonder tegenstand uitgevoerd. -</p> -<p>Die lieden der hacienda kenden het vaste karakter en den onverzettelijken wil van -hun meester; zij wisten dat hij nooit vergaf, dat zijn eer hem dierbaarder was dan -zijn leven; het was daarom met een onbeschrijfelijk gevoel van angst, dat zij zich -gereed maakten om tegenwoordig te zijn bij het vreeselijk drama, dat er tusschen vader -en zoon zou gespeeld worden. -</p> -<p>Don Ramon richtte zich op, liet een somberen blik over de vergadering gaan, en zijn -hoed op den grond werpende, zeide hij langzaam en met den klemtoon op iedere lettergreep. -</p> -<p></p> -<div class="figure p016width"><img src="images/p016.jpg" alt="Don Ramon richtte zich op en liet een somberen blik over de vergadering gaan, bladz. 16." width="720" height="498"><p class="figureHead">Don Ramon richtte zich op en liet een somberen blik over de vergadering gaan, bladz. -16.</p> -</div><p> -</p> -<p>»Luistert allen; ik ben van een oud christelijk geslacht; mijne voorouders hebben -zich nooit vergrepen; de eer is in mijn huis altijd beschouwd geworden als het hoogste -goed; die eer, die mijne vaderen mij zonder smet hebben overgeleverd en die ik getracht -heb zuiver te bewaren, is door mijn oudsten zoon, den erfgenaam van mijn naam, onuitwischbaar -geschandvlekt. Gisteren te Hermosillo, heeft hij, tengevolge van een twist in een -speelhuis, een huis in brand gestoken, op gevaar af van de geheele stad aan de vlammen -prijs te geven, en een man, die zich tegen zijne vlucht wilde verzetten, met een dolkstoot -vermoord. Wat moet ik denken van een knaap, die zóó jong het karakter van een wild -dier toont te hebben? Er moet recht gedaan worden en, zoo waarachtig als God leeft, -ik zal gestreng zijn!” -</p> -<p>Na deze woorden kruiste don Ramon de armen over zijne borst en scheen dieper adem -te halen. -</p> -<p>Niemand waagde het een woord uit te spreken ten gunste van den beschuldigde; aller -oog was ter aarde geslagen, aller borst hijgde. -</p> -<p>Rafaël was bemind door al de bedienden van zijn vader wegens zijne onverschrokkenheid, -die geen palen kende; wegens zijne behendigheid in het behandelen van paard en wapenen; -en meer dan dit alles, wegens de rondborstigheid en de goedheid, die de hoofdtrekken -van zijn karakter waren. In dit land vooral, waar het leven van een mensch zoo weinig -geteld wordt, was ieder innig geneigd om den knaap te verontschuldigen en om in de -gepleegde misdaad slechts een gevolg te zien van verhit bloed en opgewekten toorn. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Jesusita richtte zich op; zij had zich altijd zonder morren gebogen voor den wil -van haar man, dien zij sedert lange jaren gewoon was te eerbiedigen; het denkbeeld -alleen van hem weêrstand te bieden, verschrikte haar en deed haar een huivering door -de <span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span>leden gaan; maar al de kracht van hare liefde had zich in haar hart op één punt vereenigd: -zij aanbad hare kinderen, bovenal Rafaël die wegens zijn ontembaar karakter, meer -dan de anderen, de zorgen eener moeder noodig had. -</p> -<p>»Mijnheer,” zeide zij tot haar echtgenoot met een bedrukte stem<span class="corr" id="xd30e763" title="Niet in bron">,</span> »bedenk dat Rafaël uw eerstgeborene is, dat zijn misdrijf, hoe zwaar in uwe oogen, -niet geheel zonder verontschuldiging zijn kan, dat gij zijn vader zijt, en dat ik!—ik! -riep zij uit, op de knieën vallende, de handen vouwende en in tranen uitbarstende,—dat -ik uw medelijden inroep; genade, mijnheer! genade voor mijn zoon!” -</p> -<p>Don Ramon richtte zijn vrouw met koele plechtstatigheid op en dwong haar om weder -plaats te nemen. -</p> -<p>»Het is vooral als vader,” zeide hij, »dat mijn hart zonder medelijden zijn moet!… -Rafaël is een moordenaar en een brandstichter, hij is mijn zoon <i>niet</i> meer!” -</p> -<p>»Wat wilt gij met hem doen?” riep <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Jesusita angstig uit. -</p> -<p>»Wat gaat het u aan, mevrouw?” antwoordde don Ramon heftig, »de zorg voor mijne eer -betreft <i>mij</i> alléén; het zij u genoeg te weten dat dit misdrijf het laatste is dat <i>uw</i> zoon begaan zal.” -</p> -<p>»O,” riep zij met schrik, »wilt gij dan zijn <i>beul</i> zijn?…” -</p> -<p>»Ik ben zijn rechter,” hernam de onverzoenlijke edelman op vreeselijken toon. »Nô -Eusébio, zadel twee paarden!” -</p> -<p>»God, mijn God!” gilde de arme vrouw, naar haar zoon ijlende, dien zij met haar armen -omklemde, »zal dan niemand mij te hulp komen!” -</p> -<p>Al de omstanders waren bewogen. Don Ramon zelf kon een traan niet weêrhouden. -</p> -<p>»O,” riep de moeder verheugd, »hij is gered! God heeft het hart van dezen ijzeren -man vermurwd!” -</p> -<p>»Gij vergist u, mevrouw,” viel don Ramon haar in de rede, haar norsch terugstootende; -»uw zoon behoort niet aan mij, maar aan mijne gerechtigheid!” -</p> -<p>Toen op zijn zoon een blik werpende, koud als het lemmer van zijn zwaard, zeide hij -op een toon, die den knaap zijns ondanks deed sidderen. -</p> -<p>»Don Rafaël, van dezen oogenblik afaan maakt gij geen deel meer uit van deze maatschappij, -die gij tot een schrik zijt geweest; ik veroordeel u om met de wilde dieren te leven -en te sterven.” -</p> -<p>Bij dit verschrikkelijk vonnis deed <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Jesusita eenige wankelende stappen, en viel toen voorover op den grond in zwijm. -</p> -<p>Rafaël had tot nu toe met veel moeite in zijn hart de aandoeningen onderdrukt, die -hem bewogen, maar nu kon hij zich niet langer weêrhouden; hij vloog naar zijne moeder -in tranen wegsmeltende, en een hartverscheurenden gil uitstootende, riep hij: »Moeder! -Moeder!” -</p> -<p>»Kom!” zeide don Ramon, hem de hand op den schouder leggende. -<span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span></p> -<p>De knaap waggelde als een beschonken mensch. -</p> -<p>»Zie toch, mijnheer! maar zie dan toch!” riep hij snikkend uit, »mijne moeder sterft!” -</p> -<p>»Gij zijt het die haar gedood hebt,” antwoordde de hacendero koel. -</p> -<p>Rafaël keerde zich om alsof een slang hem gebeten had; hij sloeg op zijn vader een -vreemdsoortigen blik, en met op elkander gesloten tanden, en bleek voorhoofd zeide -hij tot hem: -</p> -<p>»Dood mij, mijnheer, want ik zweer u, dat evenals gij zonder medelijden voor mijne -moeder en voor mij zijt geweest, ik zoo lang ik leef zonder medelijden voor u zal -zijn!” -</p> -<p>Don Ramon wierp hem een verachtelijken blik toe. -</p> -<p>»Laat ons gaan,” zeide hij. -</p> -<p>»Laat ons gaan,” herhaalde de knaap, op vasten toon. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Jesusita, die begon te herleven, werd als in een droom het vertrek van haren zoon -gewaar. -</p> -<p>»Rafaël! Rafaël!” riep zij op zielroerenden toon uit. -</p> -<p>De jongeling aarzelde een seconde, toen kwam hij met één sprong bij haar, omhelsde -haar teeder, en daarop tot zijn vader gaande, zeide hij: -</p> -<p>»Nu kan ik sterven, ik heb mijne moeder vaarwel gezegd!” -</p> -<p>Zij vertrokken. -</p> -<p>De omstanders gingen uiteen zonder elkander hunne gedachten te durven mededeelen, -maar ter prooi aan eene diepe smart. -</p> -<p>Onder de omhelzingen van haar zoon had de moeder op nieuw hare kennis verloren. -</p> -</div> -</div> -<div id="inl.4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5381">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">IV.</h2> -<h2 class="main">DE MOEDER.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Twee paarden, door nô Eusébio bij den toom gehouden, wachtten aan de deur der hacienda. -</p> -<p>»Zal ik uwe genade vergezellen?” vroeg de mayoral. -</p> -<p>»Neen!” antwoordde de hacendero koel. -</p> -<p>Hij zette zich in den zadel en plaatste zijn zoon dwars voor zich. -</p> -<p>»Breng dat tweede paard weg,” zeide hij, »dat heb ik niet noodig.” -</p> -<p>En zijn paard de sporen gevende rende hij in vollen draf weg. -</p> -<p>De mayoral trad weder in huis, treurig het hoofd schuddende. -</p> -<p>Zoodra de hacienda achter eene kromte van den weg uit het gezicht verdwenen was, stond -don Ramon stil, haalde een zijden doek uit zijn zak, bond dien voor de oogen van zijn -zoon zonder hem een woord toe te voegen, en ging weder voort. -</p> -<p>Deze rid in de woestijn duurde lang; zij had iets verschrikkelijks, dat het hart deed -bloeden. -<span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span></p> -<p>Die zwarte ruiter, zwijgend over het zand heendravend, op zijn zadel een gebonden -knaap medevoerende, wiens zenuwachtige trillingen alléén bewezen dat hij nog leefde, -maakte een treurige en vreemde vertooning, die den dapperste zou hebben doen sidderen. -</p> -<p>Vele uren gingen voorbij zonder dat er een woord tusschen vader en zoon gewisseld -werd; de zon begon onder te gaan, er verschenen reeds eenige sterren aan het sombere -blauw des hemels, het paard liep nog altijd. -</p> -<p>De woestijn werd van oogenblik tot oogenblik treuriger en somberder; elk spoor van -plantengroei was verdwenen, hier en daar alleen vertoonden zich in het zand enkele -hoopen van door den tijd verbleekte beenderen; de roofvogels vlogen langzaam boven -het hoofd van den ruiter, en in de geheimzinnige diepte der <i lang="es">chaparals</i> (steeneikwouden) deden de wilde dieren, bij het naderen van den avond, hun dof gebrul -hooren. -</p> -<p>In deze gewesten is bijna geen schemering; zoodra de zon ondergaat is het nacht. -</p> -<p>Don Ramon draafde altoos voort. -</p> -<p>De zoon had geen enkele bede tot hem gericht, had geen enkele klacht doen hooren. -</p> -<p>Eindelijk, tegen acht uur des avonds hield de ruiter zijn paard in. Deze koortsachtige -rid had tien uren geduurd. Het paard reutelde en waggelde met iederen stap. -</p> -<p>Don Ramon sloeg een blik om zich heen; een glimlach van vergenoegen plooide zijne -lippen. Aan alle kanten vertoonde de woestijn hare onmetelijke zandvlakten; eensklaps -ontplooiden de eerste grenzen van een maagdelijk woud aan den horizont, hare grillige -vormen, op eene onheilspellende wijze afstekend bij het overige landschap. -</p> -<p>Don Ramon stapte af, zette zijn zoon op den grond, ontdeed zijn paard van het gebit, -opdat het vermoeide dier eenig voedsel zou kunnen gebruiken, dat hij hem gaf; vervolgens, -toen hij met de grootste koelbloedigheid zich van al deze zorgen gekweten had, naderde -hij zijn zoon, en deed hem den blinddoek af. -</p> -<p>De knaap bleef onbewegelijk staan, en richtte een diepen, kouden blik op zijn vader. -</p> -<p>»Mijnheer,” zeide don Ramon tot hem, »gij zijt hier meer dan twintig mijlen van mijne -hacienda verwijderd, waarin gij, op straffe des doods, geen voet meer zult mogen zetten; -van dit oogenblik afaan zijt gij alleen, zonder vader, zonder moeder, zonder familie: -omdat gij een wild dier zijt, veroordeel ik u, om met de wilde dieren te leven; mijn -besluit is onherroepelijk, uwe gebeden zouden ze niet kunnen veranderen, bespaar die -dus.” -</p> -<p>»Ik bid niet tot u,” antwoordde het kind op doffen toon; »men bidt niet tot zijn beul.” -</p> -<p>Don Ramon sidderde; hij deed eenige passen heen en weêr met <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>koortsachtige aandoening; maar zich bijna onmiddellijk herstellende, ging hij voort: -</p> -<p>»Zie hier, in dezen zak, levensmiddelen voor twee dagen; ik laat u deze buks met getrokken -loop, die in mijne hand nooit haar doel gemist heeft; ik geef u ook deze pistolen, -deze <i>machete</i> (kleine sabel), dit mes, deze bijl; in deze buffelhorens zijn kruit en kogels; gij -zult in den knapzak een vuurslag vinden en al wat gij noodig hebt om vuur te maken; -ik heb er een bijbel van uwe moeder bijgevoegd. Gij zijt dood voor de maatschappij, -waarin gij niet moogt terugkeeren; de woestijn ligt voor u; zij behoort u toe; wat -mij betreft, ik heb geen zoon meer, vaarwel! De Heer zij u genadig<span class="corr" id="xd30e862" title="Niet in bron">,</span> tusschen ons is voortaan alles uit: gij blijft alleen en zonder familie; het is nu -uwe zaak een tweede bestaan te beginnen en in uwe behoeften te voorzien. De Voorzienigheid -verlaat nooit hen, die hun vertrouwen op Haar vestigen; zij alleen zal voortaan over -u waken.” -</p> -<p>Na deze woorden te hebben uitgesproken, deed don Ramon met een onbewogen gelaat, zijn -paard het gebit weder aan, gaf zijn zoon de vrijheid, zette zich in den zadel, en -vloog weg als een pijl uit den boog. -</p> -<p>Rafaël richtte zich op de knieën op, boog het hoofd voorover, luisterde angstig naar -den snellen hoefslag van het paard, en volgde met de oogen, zoo lang hij kon, de noodlottige -schaduw, die zwart afstak bij de heldere stralen der maan; daarna, toen de ruiter -eindelijk in de duisternis verdwenen was, bracht de knaap de hand aan zijne borst, -een onbeschrijfelijke uitdrukking van smart verwrong zijne trekken, en hij riep: -</p> -<p>»Moeder!.… Moeder!.…” -</p> -<p>Hij viel bezwijmd op het zand neder. -</p> -<p>Na een geruimen tijd te zijn voortgereden, verminderde don Ramon ongemerkt den draf, -zijns ondanks het oor leenende aan de verwarde geluiden der woestijn, angstig luisterende, -zonder zich nauwkeurig rekenschap te geven van de redenen, die hem aldus deden handelen, -maar misschien wel in afwachting van het geroep zijns zoons, om tot hem weder te keeren. -Tweemaal zelfs trok zijne hand werktuigelijk aan den teugel, als of hij gehoorzaamde -aan de geheime stem, die hem gebood terug te gaan; maar de hoogmoed van zijn geslacht -was sterker, en hij reed door. -</p> -<p>De zon ging op, toen don Ramon de hacienda bereikte. -</p> -<p>Twee menschen stonden aan de poort zijne terugkomst af te wachten. -</p> -<p>De eene was <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Jesusita, de andere de mayoral. Op het zien zijner vrouw, bleek en ontroerd als zij -was, terwijl zij als het beeld der verlatenheid voor hem stond, voelde de hacendero -zijn hart beklemmen, hij wilde voorbij gaan. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Jesusita deed twee passen en den teugel grijpende, zeide zij op hartroerenden toon: -<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p> -<p>»Don Ramon, wat hebt gij met mijn zoon gedaan?” De hacendero antwoordde niet; de smart -zijner vrouw ziende, vroeg hij zich zelven in stilte af, of hij werkelijk het recht -had, om te handelen, gelijk hij gedaan had. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Jesusita wachtte te vergeefs op antwoord. Don Ramon zag zijne vrouw aan; hij werd -bang, toen hij de onuitwischbare sporen van verdriet op dat eens zoo kalm en rustig -gelaat bespeurde. De edele vrouw was bleek als een doode; hare gelaatstrekken hadden -een onverbiddelijke gestrengheid aangenomen, hare van koorts brandende oogen waren -rood en zonder tranen, twee blauwe, diepe kringen maakten ze hol en wild; eene breede -vlek teekende op hare wangen het spoor, dat de tranen, wier bron verdroogd was, hadden -achtergelaten; zij kon niet meer schreien, hare stem was rauw en onregelmatig, haar -beklemde borst hijgde onder elke ademhaling. -</p> -<p>Na eenige seconden op antwoord gewacht te hebben, herhaalde zij: -</p> -<p>»Don Ramon, wat hebt gij met mijn zoon gedaan?” -</p> -<p>De hacendero wendde verlegen het hoofd af. -</p> -<p>»O, gij hebt hem gedood!” riep zij uit met een hartverscheurenden gil. -</p> -<p>»Neen.…” antwoordde hij, verschrikt door zooveel smart, voor het eerst in zijn leven -het gezag erkennende van eene moeder, die rekenschap vraagt van haar kind. -</p> -<p>»Wat hebt gij met hem gedaan?” herhaalde zij met meer aandrang. -</p> -<p>»Later,” zeide hij, »als gij bedaard zijt, zult gij alles weten.” -</p> -<p>»Ik ben bedaard,” antwoordde zij. »Waarom een medelijden geveinsd, dat gij niet bezit? -Mijn zoon is dood, en gij hebt hem vermoord.” -</p> -<p>Don Ramon steeg af. -</p> -<p>»Jesusita,” zeide hij tot zijne vrouw, haar bij de hand nemende en teeder aanziende, -»bij al wat er heilig is in de wereld zweer ik u, dat uw zoon leeft: ik heb geen haar -van zijn hoofd gekrenkt.” -</p> -<p>De arme moeder bleef eenige oogenblikken nadenken. -</p> -<p>»Ik geloof u,” zeide zij toen; »wat is er van hem geworden?” -</p> -<p>»Welnu,” hernam hij aarzelend, »daar gij alles weten wilt, verneem dan dat ik uw zoon -in de woestijn heb achtergelaten.…. maar in het bezit van alles, wat zijne veiligheid -verzekeren en aan zijne behoeften voldoen kan.” -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Jesusita sidderde: een zenuwachtige rilling ging haar door de leden. -</p> -<p>»Gij zijt grootmoedig geweest,” zeide zij met bittere ironie; »gij zijt grootmoedig -geweest jegens een kind van zestien jaar, don Ramon, het stuitte u tegen de borst -om uwe handen in zijn bloed te wasschen; gij hebt deze taak liever willen overlaten -aan de wilde dieren en aan de woeste Indianen, die alleen deze eenzame vlakten bewonen.” -</p> -<p>»Hij was schuldig!” antwoordde de hacendero, op doffen, maar vasten toon. -<span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span></p> -<p>»Een kind is nooit schuldig in het oog van haar, die het in haar schoot gedragen en -met hare melk gevoed heeft,” zeide zij; »het is wel, don Ramon: gij hebt uw zoon veroordeeld, -ik zal hem redden!” -</p> -<p>»Wat wilt gij doen?” riep de hacendero, verschrikt over de wilskracht, die hij in -het oog zijner vrouw schitteren zag. -</p> -<p>»Wat gaat u dat aan, don Ramon? Ik zal mijn plicht vervullen, gelijk gij gemeend hebt -den uwen te vervullen! God zal tusschen ons oordeelen! Beef voor den dag, waarop hij -u rekenschap zal vragen van het bloed van uw kind!.….” -</p> -<p>Don Ramon boog het hoofd onder dit anathema; met een bleek gelaat en een knagend geweten -trad hij langzaam de hacienda binnen. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Jesusita volgde hem een oogenblik met de oogen. -</p> -<p>»O, mijn God!” riep zij, »geef dat ik niet te laat kom!” -</p> -<p>Toen vertrok zij, gevolgd door nô Eusébio. Twee paarden wachtten hen achter een klein -boschje. Zij zetten zich in den zadel. -</p> -<p>»Waarheen, <span class="corr" id="xd30e922" title="Bron: senora">señora</span>?” vroeg de mayoral. -</p> -<p>»Naar mijn zoon,” antwoordde zij. -</p> -<p>De hoop scheen haar geheel veranderd te hebben. Een levendig inkarnaat kleurde haar -de wangen; hare zwarte oogen flonkerden. -</p> -<p>Vier prachtige speurhonden, in dat land <i lang="es">rastreros</i> geheeten en afgericht om sporen te zoeken, werden door nô Eusébio losgemaakt; hij -liet hun een kleed van Rafaël ruiken; de honden vlogen luid blaffende weg; nô Eusébio -en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Jesusita volgden hen, onder het wisselen van eenige hoopvolle blikken. -</p> -<p>De honden hadden geen moeite om het spoor te volgen; het liep recht, zonder te kronkelen; -ook stonden zij geen oogenblik stil. -</p> -<p>Toen <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Jesusita op de plaats, waar Rafaël door zijn vader verlaten was, aankwam, vond zij -er niemand!.…. de knaap was verdwenen! -</p> -<p>De sporen van zijn verblijf waren duidelijk zichtbaar. Een vuur dat bijna uitgebrand -was, bewees dat Rafaël nauwelijks een uur geleden deze plek verlaten had. -</p> -<p>»Wat te doen?” vroeg nô Eusébio angstig. -</p> -<p>»Voorwaarts!” antwoordde <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Jesusita vastberaden, haar paard de sporen gevende, dat <span class="corr" id="xd30e949" title="Bron: hinnekend">hinnikend</span> van woede zijn loop vervolgde. -</p> -<p>Nô Eusébio volgde haar. -</p> -<p>Des avonds van dien zelfden dag heerschten op de hacienda del Milagro de grootste -schrik en ontsteltenis. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Jesusita en nô Eusébio waren niet teruggekomen. -</p> -<p>Don Ramon liet zijne manschappen opzitten. De peones en vaqueros, van toortsen voorzien, -zochten overal rond naar hunne meesteres en naar den mayoral. De geheele nacht verliep, -zonder eenige voldoende uitkomst te geven. Bij het aanbreken van den dag werd het -paard van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Jesusita half verscheurd in de woestijn terug gevonden. Het tuig ontbrak er aan. -Het terrein rondom het doode paard scheen aan een woedend gevecht tot tooneel gediend -te hebben. Don Ramon gaf wanhopig bevel om terug te keeren. -<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span></p> -<p>»Mijn God!” riep hij bij het binnentreden der hacienda uit, »begint mijne straf reeds -nu?” -</p> -<p>Dagen en weken, maanden en jaren verliepen zonder dat de geheimzinnige sluier, die -deze treurige gebeurtenissen bedekte, ook maar even werd opgelicht: men kwam niets -te weten van het lot van Rafaël, noch van dat zijner moeder of van nô Eusébio. -</p> -<p class="trailer xd30e966">EINDE VAN DE INLEIDING.</p> -<p><span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="pt1" class="div0 part"> -<h2 class="label">I.</h2> -<h2 class="main">EDELHART.</h2> -<div id="ch1.1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5399">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">I.</h2> -<h2 class="main">DE PRAIRIE.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Ten westen van de Vereenigde Staten, strekt zich over een afstand van honderden mijlen, -aan gene zijde van de <span class="corr" id="xd30e979" title="Bron: Missisippi">Mississippi</span> een onmetelijk grondgebied uit, dat tot op dezen dag onbekend en onbebouwd ligt, -en waar noch het huis van den blanke, noch de hut van den Indiaan zich verheft. Deze -uitgestrekte woestenij,—eene aaneenschakeling van sombere wouden, met ongebaande wegen, -die er allengs door het voetspoor der wilde dieren werden gevormd, afgewisseld door -onafzienbare groene prairiën met hoog en dicht gras, dat het minste windje doet golven,—wordt -door ontzaglijke stroomen besproeid, waarvan de groote <i>Canada-Rivier</i>, de <i>Arkansas</i> en de <i>Roode Rivier</i> de voornaamste zijn. -</p> -<p>Op deze in plantengroei zoo rijke gronden zwerven tallooze kudden van wilde paarden, -buffels, elands en langhorens rond, alsmede die duizenderlei soorten van dieren, welke -de beschaving der overige deelen van Amerika van dag tot dag verder voortdrijft, en -die in deze weiden hunne vroegere vrijheid wedervinden. -</p> -<p>Ook hebben de machtigste stammen der Indianen in deze landstreek hun jachtverblijf -gevestigd. De <i>Delawaren</i>, de <i>Cricks</i>, de <i>Osagen</i> overschrijden de grenzen der woestijn in den omtrek der Amerikaansche koloniën, waarmede -eenige zwakke banden van beschaving hen beginnen te vereenigen, worstelend tegen de -horden der <i>Pawnies</i>, <i>Zwartvoeten</i>, <i>Assiniboinen</i> en <i>Comanchen</i>, onbedwongen <span class="corr" id="xd30e1006" title="Bron: volkstammen">volksstammen</span>, zwervende inwoners der prairiën of der bergen die in alle richtingen deze wildernis -doorkruisen, waarvan niemand hunner <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>zich het bezit durft toeëigenen, maar die zij, met onderling goedvinden als het ware, -verwoesten, zich in grooten getale tot de jacht vereenigend, alsof het een oorlog -gold. -</p> -<p>En inderdaad, de vijanden, aan wier ontmoeting men in deze woestijn blootgesteld is, -zijn velerlei; zonder hier nog van de wilde dieren te spreken, zijn er bovendien de -jagers, de bevervangers of pelsjagers en de partijgangers, die voor de Indianen niet -minder geducht zijn dan voor hunne landgenooten. Ook is de prairie het droevig tooneel -van onophoudelijke en verschrikkelijke gevechten, inderdaad weinig meer dan een uitgestrekte -doodsakker, waar ieder jaar, duizenden van onverschrokken mannen, in een <i><span class="corr" id="xd30e1014" title="Bron: guerrila">guerrilla</span></i> oorlog zonder genade, spoorloos verdwijnen. -</p> -<p>Niets is grootscher en majestueuzer dan de aanblik van die prairiën, waarover de Voorzienigheid -met kwistige hand ontelbare rijkdommen heeft uitgestort; niets is bekoorlijker dan -die groene weiden, die dichte bosschen, die breede stroomen; het droefgeestig murmelen -van het water tegen het oeverzand, het gezang der duizende vogels onder het gebladerte -verscholen, de sprongen der dieren tusschen het hooge gras,—alles bekoort, alles trekt -den verbaasden reiziger aan, en sleept hem mede, tot hij weldra, als slachtoffer zijner -verrukking, in een dier tallooze strikken valt, te midden der bloemen onder zijne -voeten gespannen, en zijne onvoorzichtige nieuwsgierigheid met het leven boet. -</p> -<p>Tegen het einde van het jaar 1837, in de laatste dagen van de maand September, door -de Indianen <i>Maan der vallende bladeren</i>,—<i lang="com">Inaqui Quisis</i>—genaamd, zat een jong mensch, dien men aan zijne gelaatskleur, ondanks zijn volkomen -Indiaansch kostuum, gemakkelijk voor een blanke herkende, een uur na zonsondergang, -nabij een vuur, waaraan de behoefte in dit jaargetijde zich begon te doen gevoelen, -op een der meest onbekende plaatsen van de prairie, die wij zooeven beschreven hebben. -</p> -<p>Deze man was hoogstens vijf- of zes en dertig jaren oud, ofschoon eenige diepe rimpels -op zijn breed maar bleek voorhoofd, een hoogeren ouderdom schenen aan te duiden. -</p> -<p>Zijne gelaatstrekken waren schoon en edel, en droegen het stempel van dien trots en -van die wilskracht, welke het leven in de woestijn schenkt. Zijne zwarte oogen, door -dikke wenkbrauwen overschaduwd, hadden een zachte en droefgeestige uitdrukking, die -hun gloed en levendigheid eenigermate temperde; het onderste gedeelte van zijn gelaat -verdween achter een langen dichten baard, welks blauwachtige tint scherp afstak bij -de bleekheid zijner trekken. -</p> -<p>Zijne gestalte was rijzig, slank en welgevormd; zijne gespierde ledematen toonden, -dat hij met ongemeene kracht begaafd was. Zijn geheele persoonlijkheid eindelijk boezemde -dien eerbied in, dien de physieke schoonheid in deze streken eerder verwekt, dan in -onze maatschappij, waar zij bijna altijd met ruwheid en onbeschoftheid gepaard gaat. -<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span></p> -<p>Zijn kostuum was eenvoudig, en bestond uit een <i>mitasse</i>,—een soort van nauwe broek—die tot aan de enkels reikte en met een lederen gordel -aan de heupen was bevestigd, en uit een jachtkiel van gebleekt katoen, met wol van -verschillende kleuren geborduurd, die hem tot halverwege de beenen kwam. Deze kiel, -van voren open, liet zijn bruine borst zien, waarover een zwart fluweelen schoudermantel -hing, die door een dunne stalen ketting werd vastgehouden. Laarzen van ongelooid hertsleder -beschutten hem tegen slangebeten, en reikten hem tot aan de knieën; een muts van bevervel, -waaraan men den staart had gelaten, die naar achteren afhing, bedekte zijn hoofd, -terwijl lange lokken van weelderig zwart haar, dat hier en daar reeds begon te grijzen, -over zijne breede schouders golfden. -</p> -<p>Die man was een jager. -</p> -<p>Een prachtige buks met getrokken loop, vóór hem geplaatst onder het bereik zijner -hand, de weitasch die hij aan een bandelier om zijne schouders droeg en de twee buffelhorens, -die met kruit en kogels gevuld aan zijn gordel hingen, lieten te dezen opzichte geen -twijfel meer over. Twee lange dubbele pistolen waren achteloos bij zijn karabijn neêrgeworpen. -</p> -<p>De jager, gewapend met een <i>machete</i>, een korte, rechte sabel, die nooit de zijde van een prairie-bewoner verlaat, was -bezig met zorgvuldig een bever te villen, tevens het oog houdende op een hertenbout, -die over het vuur hing te braden, en aandachtig luisterende naar elk gerucht, dat -zich in de prairiën hooren deed. De plaats waar deze man zich bevond, was uitmuntend -gekozen voor een halt van eenige uren. -</p> -<p>Het was een opene plek op den top van een vrij hoogen heuvel, die door zijne ligging -te midden van eene groote vlakte, een onverwachten overval onmogelijk maakte. Op eenige -schreden afstand van de plaats, waar de jager zijn bivak had opgeslagen, stroomde -een beek, die naar beneden stortende een kleinen maar schoonen waterval vormde. Het -hooge en overvloedige gras bood een uitmuntende <i>pasto</i> (weide) voor twee trotsche paarden, met wilde en fonkelende oogen, die aan een blok -gebonden eenige schreden van daar hun voedsel zochten. Het houtvuur, van drie kanten -door eene rots beschermd, liet slechts eene dunne, op eenigen afstand onzichtbare -rookwolk ontsnappen, en een gordijn van eeuwen oude boomen verborg het kamp voor de -onbescheiden blikken van hen, die waarschijnlijk in den omtrek in hinderlaag gelegen -waren. -</p> -<p>Kortom, al deze voorzorgen, zoo noodzakelijk voor de veiligheid van den jager, waren -met eene behoedzaamheid gekozen, die eene diepe kennis verraadt van het leven der -woudloopers. -</p> -<p>De roodachtige gloed van de ondergaande zon kleurde de toppen der hooge boomen: de -zon was op het punt van achter de bergen, die den horizont begrensden, te verdwijnen, -toen de paarden plotseling hun maaltijd afbraken, de koppen opstaken en de ooren spitsten: -alles teekenen van ongerustheid, die den jager niet ontgingen. -<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p> -<p>Ofschoon hij geen enkel verdacht geluid hoorde, en alles in den omtrek rustig scheen -te zijn, haastte hij zich toch om de beverhuid voor het vuur over twee kruiselings -geplaatste stokken te spannen, en zonder op te staan strekte hij de hand naar zijn -karabijn uit. -</p> -<p>Driemaal achtereen, telkens met gelijke tusschenpoozen, deed zich het geschreeuw van -den ekster hooren; de jager plaatste zijn karabijn lachend naast zich, en ging voort -met voor het avondmaal te zorgen<span class="corr" id="xd30e1052" title="Niet in bron">;</span> bijna op hetzelfde oogenblik ontstond er beweging in de grashalmen en struiken, en -twee prachtige speurhonden kwamen zich springend voor den jager neêrwerpen, die hen -even streelde en veel moeite scheen te hebben, om zich van hunne liefkozingen te ontslaan. -</p> -<p>De paarden hadden onbezorgd hun afgebroken maaltijd voortgezet. -</p> -<p>Deze honden waren de voorloopers van een tweeden jager, die bijna te gelijkertijd -op den heuveltop te voorschijn trad. -</p> -<p>Deze nieuwe personaadje, veel jonger dan de eerste, want hij scheen niet ouder dan -twee en twintig jaar, was een groot, slank, vlug mensch, met gespierde vormen, een -rond hoofd, twee grijze, verstandige oogen en een open en edel uiterlijk, waaraan -zijne lange, blonde haren iets kinderlijks gaven. Hij was eveneens gekleed als zijn -medgezel, en zoodra hij aankwam, wierp hij naast het vuur een rist vogels neder, die -hij op zijne schouders droeg. -</p> -<p>De twee jagers begonnen toen, zonder een woord te wisselen, een van die soupers te -bereiden, die door honger en vermoeidheid altijd uitmuntend worden gekruid. -</p> -<p>Het was geheel nacht geworden, de woestijn begon langzamerhand te leven; het gehuil -der wilde dieren weêrklonk reeds in de prairie. -</p> -<p>Na smakelijk gesoupeerd te hebben, staken de jagers hunne pijpen op, en zich met den -rug naar het vuur plaatsende, om door het schijnsel der vlammen niet verhinderd te -worden de nadering van verdachte bezoekers te onderscheiden, die de duisternis hun -kon aanbrengen, rookten zij met het stille genot van lieden, die na een langen en -moeielijken dag, een oogenblik rust hebben, dat zij misschien in langen tijd niet -zullen wedervinden. -</p> -<p>»Welnu?” zeide de eerste jager, lakoniek tusschen twee rookwolken in. -</p> -<p>»Gij hadt gelijk,” was het antwoord. -</p> -<p>»O, zoo!” -</p> -<p>»Ja, wij zijn te veel rechts afgegaan, dat heeft ons het spoor doen verliezen.” -</p> -<p>»Ik was er zeker van,” hernam de eerste; »ziet gij, <i>Goedsmoeds</i>, gij vertrouwt te veel op uw Canadasche gewoonten; de Indianen, waarmede wij hier -te doen hebben, hebben niets gemeen met de Irokeezen, die de jachtgronden van uw land -doorkruisen<span class="corr" id="xd30e1069" title="Niet in bron">.</span>” Goedsmoeds boog het hoofd ten teeken van toestemming. -</p> -<p>»Overigens,” hernam de ander, »is dit op het oogenblik van weinig belang; het voornaamste -is, te weten wie de dieven zijn, die ons bestolen hebben.” -<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span></p> -<p>»Ik weet het.” -</p> -<p>»Goed zoo!” zeide de ander, met levendigheid zijn pijp uit den mond halende; »en wie -zijn de Indianen die de vallen<a class="noteRef" id="xd30e1078src" href="#xd30e1078">1</a>, met mijn teeken gemerkt, hebben durven stelen?” -</p> -<p>»De Comanchen.” -</p> -<p>»Ik dacht het wel! Tien onzer beste vallen des nachts gestolen! Ik zweer u, Goedsmoeds, -dat zij ze duur zullen betalen!.… En waar bevinden zich de Comanchen op het oogenblik?” -</p> -<p>»Hoogstens op twee mijlen afstands. Het is een troep plunderaars van twaalf man; volgens -de richting, die zij nemen, gaan zij naar hunne bergen terug.” -</p> -<p>»Zij zullen er niet alle komen,” zeide de jager, een blik op zijn buks werpende. -</p> -<p>»Voor den duivel!” zeide Goedsmoeds met eenen ruwen lach, »zij zullen slechts hun -verdiend loon krijgen; ik laat het aan u over, <i>Edelhart</i>, om ze voor hunne onbeschaamdheid te straffen; maar gij zult in uw besluit om u te -wreken nog wel versterkt worden, als gij weet wie hen aanvoert.” -</p> -<p>»Zoo, zoo! Gij kent dus hun opperhoofd?” -</p> -<p>»Zoo wat,” zeide Goedsmoeds glimlachend, »het is <i lang="com">Nehunutah</i> (Arendskop.)” -</p> -<p>»<i>De Arendskop!</i>” riep Edelhart opspringende, »o ja, dien ken ik maar al te goed, en God geve dat -ik ditmaal met hem moge afrekenen. Zijne <i>Mocksens</i> (halve laarzen) hebben mij lang genoeg in den weg geloopen.” -</p> -<p>Na deze woorden te hebben uitgesproken, met een uitdrukking van haat, die Goedsmoeds -deed sidderen, nam de jager, nadat hij aan den toorn die hem beheerschte lucht had -gegeven, zijn pijp weder op en begon weder met schijnbare onbezorgdheid te rooken, -waardoor zijn medgezel zich echter volstrekt niet verschalken liet. -</p> -<p>Het gesprek werd afgebroken. De twee jagers schenen in ernstig gepeins verdiept, en -rookten in stilte naast elkander voort. -</p> -<p>Ten laatste wendde Goedsmoeds zich tot zijn medgezel met de vraag: »Zal ik waken?” -</p> -<p>»Neen,” antwoordde Edelhart zachtjes, »slaap gij maar, ik zal wel voor u en voor mij -de wacht houden.” -</p> -<p>Goedsmoeds legde zich, zonder de minste aanmerking te maken, bij het vuur neder, en -was eenige minuten later in een gerusten slaap. -</p> -<p>Toen de leeuwerik zijn morgenlied deed hooren, wekte Edelhart, die den geheelen nacht -onbewegelijk als een marmerblok op wacht had gezeten, zijn makker wederom op. -</p> -<p>»Het is tijd,” zeide hij. -</p> -<p>»Goed!” antwoordde Goedsmoeds, die dadelijk opstond. De jagers zadelden hunne paarden, -klommen behoedzaam van den heuvel naar beneden, en volgden het spoor der Comanchen. -<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p> -<p>Op hetzelfde oogenblik verscheen de zon aan de kimmen, verdreef de nevels en wierp -haar prachtig licht over de prairie. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e1078"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1078src">1</a></span> Waarmede de bevers gevangen worden. <a class="fnarrow" href="#xd30e1078src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch1.2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5409">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">II.</h2> -<h2 class="main">DE JAGERS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Eenige woorden nu over de personen, die wij ten tooneele gebracht hebben, en die een -belangrijke rol in dit verhaal spelen zullen. -</p> -<p><i>Edelhart</i>—onder dezen naam alleen was de jager in de prairiën van het Westen bekend—genoot -onder de indiaansche stammen waarmede zijn avontuurlijke levenswijze hem in aanraking -had gebracht, den roem van bovenmate behendig, edelmoedig en dapper te zijn. Allen -eerbiedigden hem. -</p> -<p>De blanke jagers en bevervangers, de Spanjaarden, de Amerikanen van het Noorden of -mestiezen, allen gaven hoog op van zijne ondervinding, en kwamen dikwijls bij hem -om raad en hulp. -</p> -<p>Zelfs de roovers der prairiën, allen schelmen en deugnieten, het uitvaagsel der maatschappij, -die slechts van roof en geweld leven, durfden hem niet aan en kwamen hem zoo min mogelijk -in den weg. -</p> -<p>Alzoo was het dezen man, alleen door de kracht van zijn verstand en wil en bijna zonder -het te weten, gelukt, een macht en invloed te verkrijgen, die door al de woeste bewoners -dier ver uitgestrekte wildernissen, werd erkend en geëerbiedigd. -</p> -<p>Van die macht bediende hij zich slechts ter bevordering van het algemeen belang en -om allen te ondersteunen, in hun eerlijk pogen om zich stil en rustig toe te wijden -aan de bezigheden, die zij zich hadden uitgekozen. Niemand wist wie Edelhart was, -noch van waar hij kwam; over zijne eerste levensjaren lag een ondoordringbare sluier -gespreid. -</p> -<p>Op zekeren dag, vijftien of twintig jaar geleden—hij was toen nog heel jong,—hadden -eenige jagers hem ontmoet, terwijl hij aan de oevers van de Arkansas bezig was met -bevervallen te zetten. De weinige vragen die zij over zijn vroeger leven tot hem gericht -hadden, waren zonder antwoord gebleven; de jagers, niet zeer spraakzaam van aard, -vermoedden onder de verlegene antwoorden en het stilzwijgen van den jongeling, het -bestaan van een geheim, dat hij wenschte te bewaren; zij maakten er eene gewetenszaak -van om langer bij hem aan te dringen en vroegen hem niets meer. -</p> -<p>In strijd met de gewoonte der andere jagers en bevervangers in de prairiën, die allen -een of twee makkers hebben, met wie zij zich vereenigen en die zij nooit verlaten, -leefde Edelhart alleen, zonder vast verblijf, de woestijn in alle richtingen doorkruisende, -zonder ergens zijn tent op te slaan. -<span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span></p> -<p>Altijd somber en droefgeestig, ontvluchtte hij het gezelschap van zijns gelijken en -toch was hij altijd gereed, om als de gelegenheid zich aanbood, hun een dienst te -bewijzen, ja zelfs om zijn leven voor hen in gevaar te brengen. Vervolgens, als men -hem danken wilde, gaf hij zijn paard de sporen en ging hij ver weg zijne vallen zetten, -ten einde aan hen, die hij had weten te verplichten, den tijd te geven om de bewezen -dienst te vergeten. -</p> -<p>Jaarlijks, omstreeks denzelfden tijd, namelijk tegen het laatst van October, verdween -Edelhart weken lang, zonder dat iemand zelfs maar gissen kon, waar hij zich bevond; -als hij dan terug kwam, stond zijn gelaat altijd eenige dagen achtereen veel treuriger -en somberder dan gewoonlijk. -</p> -<p>Eens, toen hij weder van een dier geheimzinnige tochten terugkeerde, was hij vergezeld -van twee jonge prachtige speurhonden, die van toen af met hem bleven, en waarvan hij -veel scheen te houden. Vijf jaar vóór het tijdstip, waarop wij den draad van dit verhaal -weder in handen namen, nadat hij op zekeren avond zijne vallen voor den nacht had -uitgezet, bemerkte hij plotseling door de boomen heen, het vuur van een indiaansch -kamp. Een blanke, nauwelijks zeventien jaar oud, was aan een paal gebonden, en diende -tot mikpunt voor de messen der Roodhuiden, die zich vermaakten met hem te martelen, -alvorens hem aan hunne bloedige wraak op te offeren. -</p> -<p>Edelhart, slechts ooren hebbende voor de stem van het medelijden, dat het slachtoffer -hem inboezemde, had zonder te denken aan het vreeselijk gevaar, waaraan hij zich blootstelde, -zich te midden der Indianen geworpen, en zich vlak voor den gevangene geplaatst, dien -hij met zijn lichaam als een borstwering beschutte. -</p> -<p>Deze Indianen waren Comanchen; verbaasd over zóóveel stoutmoedigheid, en over deze -onvoorziene verrassing, waarop zij volstrekt niet waren voorbereid, bleven zij eenige -oogenblikken onbewegelijk staan. -</p> -<p>Zonder tijd te verliezen had Edelhart de banden van den gevangene losgesneden, en -hem zijn mes gevende, dat de ander verheugd aannam, besloten zij beiden, om hun leven -zoo duur mogelijk te verkoopen. -</p> -<p>De blanken boezemden den Indianen een instinctmatige vrees in. Toen de Comanchen echter -van hunne eerste verwondering bekomen waren, maakten zij zich gereed om de twee mannen, -die hen durfden braveeren, aan te vallen. Maar het schijnsel van het vuur, dat vlak -op het gelaat van den jager viel, had hem doen herkennen. -</p> -<p>De roodhuiden traden eerbiedig terug, onder het gemompel van: »Edelhart! de groote, -bleeke jager!” -</p> -<p>De <i>Arendskop</i>, zoo noemde zich het opperhoofd der Indianen, kende den jager niet; het was voor -de eerste maal dat hij zich in de prairiën van de Arkansas bevond; hij had dus niets -van den uitroep der krijgslieden begrepen. Bovendien haatte hij de blanken <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>van ganscher harte, en had gezworen hen allen te zullen verdelgen. Verontwaardigd -over de laaghartigheid zijner lieden, was hij alleen Edelhart te gemoet gegaan; maar -toen had er iets zonderlings plaats gehad. -</p> -<p>De Comanchen wierpen zich terstond op hun opperhoofd, en ondanks hun eerbied voor -hem, hadden zij hem reeds geheel ontwapend, eer hij tegen den jager iets kon uitrichten. -</p> -<p>Edelhart, na hen bedankt te hebben, gaf zelf aan het opperhoofd de wapenen terug, -die men hem ontnomen had, en die deze schoorvoetend aannam, niet zonder een onheilspellenden -blik op zijn tegenpartij te werpen. De jager haalde minachtend de schouders op, gelukkig -door een mensch het leven gered te hebben, had hij zich met den gevangene weldra teruggetrokken. -</p> -<p>Edelhart had zich in minder dan tien minuten een onverzoenlijken vijand en een oprechten -vriend verworven. -</p> -<p>De geschiedenis van den gevangene was eenvoudig. Met zijn vader uit Canada vertrokken, -om in de prairiën te gaan jagen, waren zij in handen der Comanchen gevallen; na een -wanhopigen tegenstand was zijn vader, overdekt met wonden, gesneuveld; de Indianen, -toornig over dezen dood, die hun een slachtoffer ontnam, hadden aan den jongeling -de grootste zorgen besteed, opdat hij met eere aan den martelpaal kon verschijnen, -hetgeen stellig gebeurd zou zijn, zonder de onverwachte tusschenkomst van Edelhart.—Na -deze inlichtingen ontvangen te hebben, had de jager den jongeling gevraagd, wat zijne -plannen waren, en of het leergeld dat hij zoo pas voor het ambt van woudlooper betaald -had, hem niet van dit avontuurlijke leven had afgeschrikt. -</p> -<p>»Hemel neen! integendeel,” had de ander geantwoord, »ik voel mij meer dan ooit geroepen -om deze loopbaan te betreden, en bovendien,” liet hij er op volgen, »wil ik mijn vader -wreken.” -</p> -<p>»Dat is billijk,” merkte de jager aan. -</p> -<p>Hiermede was het gesprek geëindigd. -</p> -<p>Edelhart had den jongeling naar een zijner bergplaatsen gebracht, een soort van in -den grond uitgegraven magazijnen, waar de pelsjagers hunne rijkdommen bewaren; hij -had er al de benoodigdheden van een jager uit te voorschijn gehaald, een geweer, een -mes, pistolen, weitasch en vallen, en had die aan zijn beschermeling ter hand gesteld. -</p> -<p>»Ga,” had hij eenvoudig gezegd, »God helpe u!” De andere zag hem sprakeloos aan; klaarblijkelijk -begreep hij hem niet. -</p> -<p>Edelhart glimlachte. »Gij zijt vrij,” hernam hij, »zie hier al wat gij noodig hebt -voor uw nieuw bedrijf, ik geef het u, de prairie ligt voor u, ik wensch u een goede -vangst toe.” -</p> -<p>De jongeling schudde het hoofd. -</p> -<p>—»Neen,” zeide hij, »ik verlaat u niet, tenzij gij mij wegjaagt; ik ben alleen, zonder -familie, zonder vrienden, gij hebt mij het leven gered, ik behoor u toe.” -<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p> -<p>»Ik laat mij de diensten, die ik bewijs, niet betalen;” zeide de jager. -</p> -<p>»Gij laat ze al te duur betalen,” antwoordde de ander met vuur, »daar gij geen dank -aanneemt; neem uwe gaven terug, zij zijn mij van geen nut; ik ben geen bedelaar, dien -men een aalmoes toewerpt, ik lever mij zelven nog liever op nieuw aan de Comanchen -over, vaarwel!” -</p> -<p>En de Canadees wendde zich met vaste schreden regelrecht naar het kamp der Indianen. -</p> -<p>Edelhart was bewogen; deze jongeling had zulk een vrijen onschuldigen blik, dat hij -in zijne borst iets voor hem voelde kloppen. -</p> -<p>»Sta,” zeide hij; en de ander stond. -</p> -<p>»Ik leef alleen,” vervolgde de jager; »het leven dat gij met mij leiden zult, zal -treurig zijn; eene groote smart verteert mij. Waarom u aan een ongelukkige als mij -verbonden?” -</p> -<p>»Om uw verdriet te deelen, zoo gij mij die eer waardig keurt, en om u te troosten, -bijaldien dat mogelijk is; de mensch, als hij alleen is, loopt gevaar van tot wanhoop -te vervallen; God heeft hem bevolen, zich bij zijne medemenschen te voegen.” -</p> -<p>»Dat is zoo!” mompelde de jager, niet wetende wat hij moest aanvangen. -</p> -<p>Edelhart beschouwde hem een oogenblik met aandacht. Zijn arendsoog scheen zijne geheimste -gedachten te willen doorgronden, daarna zonder twijfel voldaan over zijn onderzoek, -zeide hij tot hem: -</p> -<p>»Hoe heet gij?” -</p> -<p>»Goedsmoeds,” antwoordde de andere, »of zoo gij liever wilt Georges Talbot, maar men -geeft mij gewoonlijk slechts den eersten naam.” -</p> -<p>De jager glimlachte. -</p> -<p>»Die naam belooft wat goeds,” zeide hij, hem de hand reikende: »Goedsmoeds,” vervolgde -hij, »van dit oogenblik af zijt gij mijn broeder: voortaan zal alleen de dood ons -scheiden.” -</p> -<p>Hij gaf hem een kus op de oogen, hierin het heerschende gebruik der prairiën volgende. -</p> -<p>»De dood alleen!” antwoordde de Canadees levendig, met warmte de hem toegereikte hand -drukkende; en op zijne beurt zijnen nieuwen broeder een kus op de oogen gevende. -</p> -<p>Op deze wijze hadden Edelhart en Goedsmoeds elkander leeren kennen. Sedert vijf jaren -had niet het minste wolkje de vriendschap overschaduwd, die deze twee uitgelezen karakters -elkander in de woestijn, voor het oog van God, hadden toegezworen. Integendeel, nog -dagelijks scheen zij toe te nemen: zij hadden te zamen slechts één hart, zij waren -volkomen van elkander verzekerd, zij raadden elkanders meest verborgen gedachten; -deze twee menschen hadden hunne krachten zien vertienvoudigen, en zoo groot was hun -wederzijdsch vertrouwen, dat zij voor niets meer terugdeinsden en vaak de vermetelste -<span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>ondernemingen waagden, waarvoor tien vastberaden mannen zouden hebben teruggebeefd. -</p> -<p>Maar alles gelukte hun. Niets scheen hun onmogelijk te zijn; men zou gezegd hebben -dat zij door een betoovering onkwetsbaar en onverwinnelijk waren geworden. Hun roem -was dan ook wijd en zijd verspreid, en diegenen, die niet met bewondering hun naam -hoorden noemen, herhaalden hem met schrik. -</p> -<p>Nadat Edelhart eenige maanden besteed had om zijn medgezel te bestudeeren, had hij -in ’t vervolg, gedreven door de behoefte die den ongelukkigen mensch noopt om zijn -leed aan een vertrouwd vriend te klagen, geen geheimen meer voor Goedsmoeds. Dit vertrouwen, -waarop de jongeling met ongeduld gewacht had, zonder het echter op eenigerlei wijze -uit te lokken, had, zoo mogelijk, de banden tusschen deze twee mannen nog nauwer toegehaald, -terwijl het den Canadees de middelen verschafte, om zijn vriend die vertroosting toe -te deelen, die zijn geschokte ziel behoefde, en die het hem mogelijk maakte om de -nog altijd bloedende wonden aan te raken, zonder ze te beleedigen. -</p> -<p>Den dag, waarop wij hen in de prairie ontmoet hebben, waren zij de slachtoffers geweest -van een vermetelen diefstal, bedreven door hun ouden vijand, de Arendskop, het opperhoofd -der Comanchen, wiens haat en afkeer door den tijd slechts sterker geworden waren. -</p> -<p>De Indiaan had, met al de veinzerij die zijn ras kenmerkt, de beleediging, die hij -van de zijnen door toedoen van den blanken jager ondergaan had, stilzwijgend gedragen, -en geduldig het uur der wraak afgewacht. Hij had onder de voeten zijner vijanden onmerkbaar -een afgrond gegraven, door de Roodhuiden langzamerhand tegen hen op te zetten, en -hen op eene sluwe wijs te belasteren. Ten gevolge van dezen maatregel was hij er, -ten minste zoo dacht hij, eindelijk in geslaagd, om zelfs de overige blanke jagers -en mestiezen van hen af te trekken, en de twee mannen door al de bewoners der prairie -als vijanden te doen beschouwen. -</p> -<p>Zoodra hij dezen uitslag verkregen had, had de Arendskop zich aan het hoofd geplaatst -van een dertigtal vertrouwde krijgslieden, en met het doel om een strijd uit te lokken, -die hen, wier dood hij gezworen had, ten gronde zou richten, had hij op zekeren nacht -al hunne bevervallen gestolen, wel overtuigd dat zij zulk eene beleediging niet ongewroken -zouden laten. -</p> -<p>Het opperhoofd had zich in zijne berekening niet bedrogen; alles was uitgekomen zooals -hij het voorzien had. -</p> -<p>Meenende dat zij geen hulp zouden vinden onder de Indianen en jagers, vleide hij zich -met de hoop, van met de hulp der dertig vastberaden lieden, over wie hij het bevel -voerde, zich gemakkelijk van twee jagers te zullen meester maken, om ze onder afschuwelijke -martelingen ter dood te brengen. -</p> -<p>Maar hij had den misslag begaan van het aantal zijner lieden te <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>verbergen, ten einde de jagers meer vertrouwen in te boezemen. -</p> -<p>Deze hadden zich slechts ten halve door deze krijgslist laten misleiden, en zich sterk -genoeg gevoelende om desnoods tegen twintig Indianen te vechten, hadden zij niemands -hulp ingeroepen om zich te wreken op vijanden, die zij verachtten, en hadden zij, -zooals wij gezien hebben, zonder aarzelen met de vervolging der Comanchen een begin -gemaakt. -</p> -<p>Hier sluiten wij deze wel wat langwijlige parenthèse, die tot recht verstand van het -volgende onmisbaar was, om met ons verhaal voort te gaan, daar, waar wij het op het -einde van het voorgaande hoofdstuk hebben afgebroken. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5419">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">III.</h2> -<h2 class="main">HET SPOOR.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Arendskop, die door zijne vijanden ontdekt wilde zijn, had geen voorzorgen genomen -om zijn spoor te verbergen. Het was volmaakt zichtbaar in het hooge gras, en zoo het -hier of daar scheen te verdwijnen, hadden de jagers slechts even te bukken, om dadelijk -den indruk zijner voeten te vinden. -</p> -<p>Nooit had men in de prairie een vijand aldus kunnen vervolgen. Dit moest Edelhart -des te zonderlinger voorkomen, daar deze sinds lang al de listen der Indianen kende -en wist met welk een talent zij, wanneer zij het noodig oordeelen, de geringste blijken -van hun doortocht weten te doen verdwijnen. -</p> -<p>Dit bracht hem tot nadenken. Naardien de Comanchen zoo weinig maatregelen van voorzorg -hadden genomen, moesten zij zich wel zeer sterk gevoelen, of anders een hinderlaag -hebben gelegd, waarin zij hoopten hunne al te lichtgeloovige vijanden te verschalken. -</p> -<p>De twee jagers gingen voort, van tijd tot tijd een blik rechts of links werpende, -ten einde zeker te zijn van zich niet te vergissen, maar het spoor liep altijd in -een rechte lijn voort, zonder afwijkingen noch omwegen van welken aard ook. Zelfs -Goedsmoeds begon het vreemd te vinden en er zich ernstig over te verontrusten. -</p> -<p>Maar zoo de Comanchen zich de moeite niet hadden willen geven van hun pad te verbergen, -de jagers deden anders, en gingen niet voort dan met gedurige uitwissching van ieder -spoor, dat de richting die zij volgden kon verraden. -</p> -<p>Zij kwamen eindelijk aan den oever van een vrij breede beek, de <i>Kopergroen</i> geheeten, een tak van de groote Canadasche rivier. Alvorens zij deze overstaken, -maakte Edelhart halt, aan zijn medgezel een teeken gevende om hem te volgen. Beiden -stegen van hunne paarden af, en deze bij den toom voortleidende, trokken zij <span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span>zich in de schaduw van een boschje terug, om niet opgemerkt te worden, zoo bij toeval -een indiaansche schildwacht hunne aankomst stond af te wachten. -</p> -<p>Zoodra zij achter de takken verborgen waren, legde Edelhart zijn vinger op den mond, -om zijn makker voorzichtigheid aan te bevelen, en met de lippen diens oor aanrakende, -zeide hij hem met een bijkans onhoorbare stem: »Voordat wij verder gaan, moeten wij -eerst nauwkeurig beraadslagen, wat wij doen zullen.” -</p> -<p>Goedsmoeds knikte ten teeken van goedkeuring. -</p> -<p>»Ik vermoed eenig verraad,” hernam de jager; »de Indianen zijn te bedreven krijgslieden, -en te ervaren in het leven der prairiën, om zonder gewichtige redenen aldus te handelen.” -</p> -<p>»Het is zoo,” antwoordde de Canadees overtuigd; »dit spoor is te mooi en te duidelijk -aangewezen, om niet een valstrik te verbergen.” -</p> -<p>»Ja, maar zij hebben te slim willen zijn, hunne listigheid is te ver gegaan, op die -wijze kan men geen oude jagers zooals wij misleiden. Wij moeten dus onze waakzaamheid -verdubbelen; ieder blad en iederen grashalm onderzoeken, eer wij ons te dicht bij -het kamp der Indianen wagen.” -</p> -<p>»Laat ons beter doen,” zeide Goedsmoeds, een blik om zich heen werpende; »laten wij -onze paarden op een veilige plaats verbergen, en vervolgens te voet de stelling en -het aantal van hen, die wij wenschen te overvallen, gaan opnemen.” -</p> -<p>»Gij hebt gelijk, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »uw raad is uitmuntend, wij gaan hem -dadelijk in toepassing brengen.” -</p> -<p>»Ik geloof, dat wij ons dan zullen moeten haasten.” -</p> -<p>»Waartoe? laten wij ons juist niet haasten; de Indianen, als ze ons niet zien verschijnen, -zullen zich op hunne wachten verlaten, en wij zullen van hunne zorgeloosheid gebruik -maken, om hen te overvallen, zoolang wij genoodzaakt worden om tot dit uiterste middel -onze toevlucht te nemen; overigens zou het beter zijn om den nacht af te wachten voor -onze onderneming.” -</p> -<p>»Laten wij eerst onze paarden in veiligheid brengen, dan zullen wij zien.” -</p> -<p>De jagers verlieten met de uiterste behoedzaamheid hun schuilhoek. In plaats van de -rivier over te steken gingen zij terug, en volgden eenigen tijd denzelfden weg dien -zij reeds gegaan waren; vervolgens gingen zij links af, een hollen weg langs, waarin -zij weldra te midden van het hooge gras verdwenen. -</p> -<p>»Ik geef mij aan uw geleide over, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »ik weet waarlijk niet -waarheen ge ons brengt.” -</p> -<p>»Verlaat u op mij; ik heb bij toeval op twee geweerschoten afstands van hier eene -soort van vesting ontdekt, waar onze paarden een onverbeterlijk verblijf zullen hebben, -en waar wij, desnoods, een geregeld beleg zouden kunnen doorstaan.” -<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p> -<p>»<i lang="es">Caramba!</i>” riep de jager met zijn gewonen vloek, die zijne spaansche afkomst verried, »hoe -hebt gij deze kostelijke ontdekking gemaakt?” -</p> -<p>»Mijn hemel!” zeide Goedsmoeds, »op de eenvoudigste wijze; ik was bezig mijne vallen -te zetten, toen ik bij het beklimmen van gindschen berg, niet ver van den top, tusschen -de takken den ruigen muil van een beer gewaar werd.” -</p> -<p>»Ha, ha; maar ik ben met dat voorval zoo wat bekend; gij hebt mij dien dag, zoo ik -mij niet vergis, niet één, maar twee zwarte beerenvellen medegebracht.” -</p> -<p>»Juist! er waren twee van die liefhebbers, een mannetje en een wijfje; gij begrijpt, -dat, zoodra ik hen zag, mijn jager-instinct wakker werd, en ik, mijne vermoeidheid -vergetende, mijn buks laadde, om hen te vervolgen. Gij kunt nu zelf de sterkte zien, -welke zij hadden ingenomen,” vervolgde hij van zijn paard afstijgende, in welke beweging -zijn makker hem volgde. -</p> -<p>Voor hen verhief zich amphitheatersgewijze een massa rotsen, van de zonderlingste -en grilligste vormen; eenige weinige kruiden groeiden hier en daar in de openingen, -kruipende planten kroonden de toppen der rotsen en gaven aan deze massa, die meer -dan zeshonderd el boven de prairie uitstak, het aanzien van een dier antieke ruïnen -uit de middeleeuwen, welke men aan de oevers der groote Europeesche rivieren aanschouwt. -</p> -<p>Deze plaats werd door de jagers in die streken »<i>De witte Kasteelen</i>” genaamd, wegens de kleur der granietblokken waaruit zij was samengesteld. -</p> -<p>»Wij kunnen daar met onze paarden nooit tegen op komen,” zeide Edelhart, na een oogenblik -zorgvuldig de ruimte, die zij beklimmen moesten, bestudeerd te hebben. -</p> -<p>»Laten wij het beproeven,” zeide Goedsmoeds, zijn paard bij den toom grijpende. -</p> -<p>De helling was ruw, en geen andere paarden dan die der jagers zouden deze taak hebben -kunnen volbrengen. -</p> -<p>Men moest zorgvuldig de plaats kiezen, waar men den voet zou nederzetten, vervolgens -zich met een sprong opgeven, en altijd met kromme lijnen en omwegen voortgaan, om -den opgang wat hellend te maken. -</p> -<p>Na een half uur van ongehoorde moeielijkheden, bereikten zij een soort van vlak, dat -hoogstens tien ellen breedte had. -</p> -<p>»Hier is het,” zeide Goedsmoeds stilstaande. -</p> -<p>»Hoe, hier,” antwoordde Edelhart, aan alle kanten om zich heen ziende zonder een opening -te ontdekken. -</p> -<p>Goedsmoeds glimlachte. -</p> -<p>»Kom,” zeide hij. -</p> -<p>En altijd zijn paard voorttrekkende, ging hij achter een rotsblok om; de jager volgde -hem nieuwsgierig. -</p> -<p>Na vijf minuten in een soort van loopgraaf, die nauwelijks drie <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>voet breed was, te zijn voortgegaan, bevonden de avonturiers zich eensklaps voor de -opening van een groot hol. -</p> -<p>Deze weg, gevormd door een van die vreeselijke uitbarstingen die in deze streken zoo -veelvuldig voorkomen, was zóó goed achter rotsen en steenen verborgen, dat het onmogelijk -was die anders dan door een toeval te ontdekken. -</p> -<p>De jagers gingen naar binnen. Alvorens naar boven te gaan, had Goedsmoeds een grooten -voorraad van droog hout mede genomen; hij stak twee toortsen aan, gaf er een aan zijn -makker, en hield de ander zelf. Toen vertoonde de grot zich aan hen, in al hare woeste -majesteit. Hare wanden waren hoog en met schitterenden druipsteen beladen, die het -licht tienvoudig weerkaatste, en een tooverachtigen glans rondom zich verspreidde. -</p> -<p>»De grot,” zeide Goedsmoeds, »is zonder twijfel een der wonderen van de prairie; deze -galerij die zachthellend naar beneden daalt, loopt onder de Kopergroen door, en komt -aan de andere zijde, omstreeks een mijl van den oever verwijderd, in de vlakte uit. -Behalve de galerij, door welke wij zijn binnengekomen, en die, welke wij voor ons -hebben, zijn er nog vier andere, die allen op verschillende plaatsen een uitgang hebben. -Gij ziet, dat wij hier geen gevaar loopen van gezien te worden, en dat deze ruime -kamers ons een volgreeks van vertrekken aanbieden, die den president der Vereenigde -Staten zelven jaloersch zoude maken.” -</p> -<p>Edelhart, verrukt over de ontdekking van deze schuilplaats, wilde haar tot in de minste -bijzonderheden onderzoeken, en hoewel zeer stilzwijgend van aard, kon de jager herhaalde -malen zijne bewondering niet inhouden. -</p> -<p>»Waarom hebt gij mij niet eer daarvan gesproken?” vroeg hij aan Goedsmoeds. -</p> -<p>»Ik wachtte op een goede gelegenheid,” antwoordde deze. -</p> -<p>De jagers plaatsten hunne paarden met de noodige levensmiddelen in een der vertrekken -van de grot, waar het daglicht door haast onmerkbare scheuren binnendrong; vervolgens, -toen zij zich verzekerd hadden, dat het den edelen dieren gedurende hunne afwezigheid -aan niets zou ontbreken, en dat zij niet konden ontsnappen, wierpen zij hun buks over -den schouder, floten de honden, en begaven zich met groote schreden op weg, langs -de galerij die onder de rivier doorliep. -</p> -<p>Weldra werd de atmosfeer rondom hen vochtig, een dof en aanhoudend gedruisch deed -zich boven hen hooren, zij gingen onder de Kopergroen door; maar door middel van een -soort van lantaarn, gevormd door eene holle rots, die als een schilderhuis in het -midden van den stroom stond, was er licht genoeg om hen te geleiden. -</p> -<p>Na een half uur loopens, kwamen zij in de prairie door een opening, die achter takken -en kruipende planten van buiten onzichtbaar was. -<span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span></p> -<p>Zij waren lang in de grot gebleven. Eerst hadden zij haar nauwkeurig onderzocht, als -menschen, die voorzagen dat zij er den een of anderen dag eene schuilplaats zouden -moeten zoeken; vervolgens hadden zij een soort van stal voor hunne paarden gemaakt, -en eindelijk hadden zij zelven iets gebruikt, zoodat de zon op het punt was van onder -te gaan, toen zij op nieuw het spoor der Comanchen begonnen te volgen. -</p> -<p>Toen nam de werkelijke vervolging der Indianen een aanvang. De twee jagers, hunne -honden vooruit zendende, slopen stilzwijgend over de sporen voort, te midden van het -hooge gras op handen en voeten kruipende, met een waakzaam oog en gespitste ooren, -hun adem inhoudende, en nu en dan stilstaande om de lucht in te ademen en die duizenden -geluiden der prairie te ondervragen, die de jagers met ongeloofelijk gemak weten te -onderscheiden, en oogenblikkelijk te verklaren. -</p> -<p>De woestijn was in een doodsche stilte gehuld. In deze uitgestrekte wildernissen schijnt -de natuur, bij het naderen van den nacht, als het ware adem te halen, en zich voor -te bereiden tot de verborgenheden der duisternis. -</p> -<p>De jagers gingen altijd voort, hunne voorzorgen verdubbelende, en naast elkander voortkruipende. -Eensklaps bleven de honden stilzwijgend staan. De moedige dieren schenen de waarde -der stilte in deze plaats te beseffen, als begrepen zij, dat één enkele schreeuw hunnen -meesters het leven kon kosten. -</p> -<p>Goedsmoeds wierp een doordringenden blik om zich heen. Zijn oog glinsterde, hij rolde -zich als het ware ineen, en met een sprong als van een panter wierp hij zich op een -indiaansch krijgsman, die, geheel voorover gebogen, een voorgevoel scheen te hebben, -dat er een vijand in aantocht was. De Indiaan werd snel achterover geworpen eer hij -een kreet om hulp uiten kon. Goedsmoeds schroefde hem de keel toe, en zette hem de -knie op de borst. Vervolgens ontblootte de jager met de uiterste koelbloedigheid zijn -mes, en stootte het tot aan het hecht in het hart van zijn vijand. Zoodra de wilde -zag dat hij verloren was, verwaardigde hij zich niet om een nutteloozen tegenstand -te beproeven, maar op den Canadees een blik van haat en verachting werpende, plooide -hij zijne lippen tot een spotlach, en wachtte hij met onverstoorbare kalmte den dood -af. Goedsmoeds stak het mes weêr in zijn gordel, en het lichaam ver van zich schoppende, -zeide hij: Dat ’s één! En hij kroop weêr voort. -</p> -<p>Edelhart had de bewegingen van zijn vriend met de grootste aandacht gadegeslagen, -gereed om hem in geval van nood bij te springen; toen de Indiaan dood was volgde hij -weêr bedaard het spoor. -</p> -<p>Weldra schitterde de glans van een groot vuur tusschen de boomen door, en de geur -van gebraden vleesch bereikte het fijne reukorgaan der jagers. Zij richtten zich als -twee schimmen langs een <span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span>ontzaglijken kurk-eik op, en den knoestigen stam omvattende, verborgen zij zich in -zijne takken. -</p> -<p>Toen zagen zij om zich heen. Zij hadden het gezicht op het kamp der Comanchen, dat -zich ongeveer tien ellen van hen af bevond. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5429">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">IV.</h2> -<h2 class="main">DE REIZIGERS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Ongeveer op hetzelfde uur, dat de pelsjagers de grot verlieten om het spoor der Comanchen -op nieuw te volgen, en omstreeks twintig mijlen ver van de plaats waar deze zich bevonden, -maakte een vrij aanzienlijke troep blanke reizigers halt aan de boorden der groote -Canadasche rivier, en begonnen aldaar, op een plek die voor verrassing veilig was, -de noodige toebereidselen om gedurende den nacht te kampeeren. -</p> -<p>De half-bloed jagers en Gambusinos, die den reizigers tot gidsen dienden, haastten -zich om een twaalftal muilezels, door mexicaansche Lanceros begeleid, te ontpakken. -</p> -<p>Met de pakken vormden zij een ovaalronde omheining, binnen welke zij vuur ontstaken; -en vervolgens, zonder zich meer om hunne reisgenooten te bekommeren, vereenigden de -gidsen zich in een kleine groep, en maakten hun avondmaal gereed. -</p> -<p>Een jeugdig officier van vier of vijf en twintig jaar, met krijgshaftige houding, -fijne en scherpe trekken, naderde eerbiedig een palankijn (draagstoel) met twee muilezels -bespannen, en door twee ruiters begeleid. -</p> -<p>»Waar verlangt Uw Excellentie, dat men de tent der <span class="corr" id="xd30e1287" title="Bron: senorita">señorita</span> opsla?” vroeg hij, het hoofd ontblootende. -</p> -<p>»Waar gij wilt, kapitein Aguilar, mits het spoedig geschiede; mijn nicht is doodelijk -vermoeid,” antwoordde de ruiter, die zich rechts van de palankijn bevond. -</p> -<p>Dit was een hooge gestalte, met harde gelaatstrekken, en een helder, doordringend -oog; zijne haren waren wit als de sneeuw van den Chimborazzo, en onder zijn wijden -mantel, zag men de prachtige, van borduursel schitterende uniform van een Mexicaansch -generaal. -</p> -<p>De kapitein verwijderde zich met een buiging, en tot de lanceros terugkeerende, gelastte -hij hun in het midden van de omheining een fraaie, rood en blauw gestreepte tent op -te slaan, die ingepakt op den rug van een muilezel lag. -</p> -<p>Vijf minuten later steeg de generaal af, bood galant de hand aan een jonge dame, die -met een lichten sprong uit de palankijn wipte, en geleidde haar onder de tent, waar, -door de zorg van kapitein <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>Aguilar, reeds alles in gereedheid was gebracht, om haar zooveel gemak te verschaffen -als de omstandigheden maar toelieten. -</p> -<p>Achter den generaal en zijn nicht, traden nog twee personen de tent binnen. -</p> -<p>De eene was een kort, dik man, met een rood vollemaansgezicht, een groenen bril en -een blonde pruik. Het mannetje dreigde te stikken in de uniform van officier van gezondheid -in Mexicaansche dienst. Zijn ouderdom was een raadsel, maar hij scheen omstreeks vijftig -jaar te zijn; zijn naam, Jerôme Boniface Durieux, duidde den Franschman aan. Van zijn -paard stijgende had hij met zekeren eerbied een groot valies, dat achter aan den zadel -van zijn paard was vastgemaakt en waarvan hij zich niet scheen te willen scheiden, -onder den arm genomen. -</p> -<p>De andere was een jong meisje, of liever een kind van vijftien jaar, met een vroolijk -en levendig gelaat, een wipneusje en een trotschen blik, van het ras der mestiezen. -Zij diende als kamermeisje bij de nicht van den generaal. -</p> -<p>Een groote neger, pronkende met den verheven naam van Jupiter, haastte zich, om, door -twee of drie Gambusinos geholpen, het souper gereed te maken. -</p> -<p>»Welnu, doctor,” zeide de generaal glimlachend tot het dikke mannetje, dat blazende -zich op zijn valies nederzette, »hoe vindt gij mijn nicht van avond?” -</p> -<p>»De <span class="corr" id="xd30e1305" title="Bron: senorita">señorita</span> is altijd even bekoorlijk,” antwoordde de doctor beleefd, zich het voorhoofd afwisschende; -»vindt gij het drukkend warm?” -</p> -<p>»Wel neen,” zeide de generaal, »niet warmer dan anders.” -</p> -<p>»Dan zal ik het mij verbeeld hebben,” hernam de geneesheer met een zucht; »waarom -lacht gij, leelijkert?” voegde hij er bij, zich tot het kamermeisje wendende, dat -inderdaad bijna stikte van het lachen. -</p> -<p>»Let niet op die malle meid, doctor, gij weet wel dat het een kind is;” zeide de jonge -dame met een bekoorlijken glimlach. -</p> -<p>»Ik heb u altijd gezegd, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz,” ging de geneesheer voort, zijne dikke wenkbrauwen fronsende en zijne wangen -opblazende, »dat dit meisje een daemon is, dat gij veel te goed voor haar zijt, en -dat zij u den een of anderen dag nog eens een leelijke poets zal spelen.” -</p> -<p>»<i>Ooah!</i> die leelijke steenenzoeker!” zeide de mestieze grijnzend, met toespeling op de liefhebberij -van den doctor om delfstoffen te verzamelen. -</p> -<p>»Kom, kom laat ons den vrede bewaren,” zeide de generaal; »heeft de reis van heden -u vermoeid, lieve nicht?” -</p> -<p>»Neen, niet erg,” antwoordde het meisje, een geeuw onderdrukkende; »sedert een maand -bijna, dat wij op reis zijn, begin ik mij aan deze levenswijze te gewennen, die, ik -beken het, in het begin weinig aantrekkelijks voor mij had.” -<span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span></p> -<p>De generaal slaakte een zucht, maar antwoordde niet. De doctor was afgetrokken door -de zorg, waarmede hij de planten en steenen sorteerde die hij in den loop van den -dag bijeenverzameld had. -</p> -<p>De mestieze fladderde door de tent als een vogel, druk bezig met de verschillende -voorwerpen, die haar meesteres mocht noodig hebben, in orde te brengen. -</p> -<p>Wij zullen ons dit oogenblik van stilte ten nutte maken om de jonge dame aan onze -lezers voor te stellen. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz de Bermudez was de dochter der jongste zuster van den generaal. Het was een bekoorlijk -kind van nauwelijks zestien jaar. Hare groote zwarte oogen, overschaduwd door donkere -wenkbrauwen, die scherp afstaken bij haar zuiver blank voorhoofd, verborgen hun verblindenden -glans achter lange, fluweelen oogharen; haar klein mondje met ivoorwitte tanden versierd, -was begrensd door twee koraalroode lippen, haar fijn vel had nog dat zachte dons van -rijpe vruchten, en hare zwarte haarvlechten met blauwen weêrschijn vormden, wanneer -ze loshingen, een sluier, die haar geheel lichaam onzichtbaar maakte. -</p> -<p>Hare gestalte was fijn en buigzaam; zij bezat in de hoogste mate die bevallig golvende -beweging, die de Amerikaansche vrouwen onderscheidt; hare handen en voeten waren buitengewoon -klein; haar gang had die losse zachtheid der kreolen, die zoozeer door bevalligheid -uitmunt. -</p> -<p>In ’t kort, in dit jonge meisje waren alle vrouwelijke volmaaktheden vereenigd. -</p> -<p>Onwetend, even als hare landgenooten, was zij vroolijk en lachziek, met de minste -nietigheid zich vermakende, en van het leven alleen de aangename zijde kennende. -</p> -<p>Maar dit schoone beeld leefde niet; het was Pandora, voordat Prometheus voor haar -het vuur van den hemel gestolen had; en om onze mythologische vergelijking voort te -zetten, de liefde had haar nog met geen vleugel aangeraakt, hare wenkbrauwen hadden -zich nog niet gefronst onder den invloed van het nadenken, en haar hart had nog niet -geklopt onder den prikkel der begeerte. -</p> -<p>Door de zorg van den generaal in een bijna kloosterachtige afzondering opgevoed, had -zij deze slechts verlaten, om hem te volgen op den tocht, dien hij in de prairiën -ondernomen had. -</p> -<p>Waartoe die tocht en waarom had hij zoo vurig verlangd, dat zij mede zou gaan? Daar -bekommerde het meisje zich niet om. -</p> -<p>Gelukkig dat zij in de open lucht kon leven, onophoudelijk nieuwe landen kon zien, -vrij kon zijn, ten minste in vergelijking met het leven dat zij tot dusverre geleid -had, had zij niet verder onderzocht en ook niet gepoogd haar oom met onbescheiden -vragen lastig te vallen. Op het tijdstip, dat wij haar ontmoeten, was <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz een gelukkig kind, dat bij den dag leefde, zich in het heden gelukkig gevoelde, -en nimmer aan de toekomst dacht. -<span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span></p> -<p>De kapitein Aguilar trad binnen, gevolgd door Jupiter, die het eten bracht. De tafel -werd gedekt door Phebe, het kamermeisje. Het maal bestond uit ingelegde vruchten en -een gebraden hertenbout. Vier personen namen rondom de tafel plaats: de generaal, -zijne nicht, de kapitein en de doctor. Jupiter en Phebe dienden. Het gesprek bleef -onder het eerste gerecht kwijnende, maar toen de eetlust der gasten bedaard was, richtte -het meisje, dat er genoegen in schepte om den doctor te plagen, tot dezen het woord: -</p> -<p>»Hebt gij vandaag een rijken oogst gehad, doctor?” vroeg zij. -</p> -<p>»’t Heeft niet over, <span class="corr" id="xd30e1349" title="Bron: Senorita">Señorita</span>,” antwoordde hij. -</p> -<p>»Nu,” zeide zij glimlachend, »het schijnt mij toe dat er steenen in overvloed zijn -op onzen weg, en dat het slechts aan u gelegen heeft, om er een muilezel mede te beladen.” -</p> -<p>»Gij moest wel in uw schik zijn over uwe reis, zij biedt u de ruimste gelegenheid -aan om u geheel aan uw hartstocht over te geven en allerlei planten bijeen te garen,” -zeide de generaal. -</p> -<p>»Ik moet u bekennen, generaal, dat het mij niet medevalt; de prairie is niet zoo rijk -als ik gedacht heb, en zoo ik niet hoopte eindelijk een plant te zullen ontdekken, -welker eigenschappen van groot belang zijn voor de wetenschap, dan zou ik bijna mijn -huisje te Guadeloupe betreuren, waar mijn leven kalm en rustig voorbij ging.” -</p> -<p>»Bah!” viel de kapitein hem in de rede, »wij zijn pas op de grenzen der prairie; gij -zult eens zien, als wij er maar eerst wat dieper zijn ingedrongen, kunt gij onmogelijk -al de schatten bijeen verzamelen, die gij op uw weg zult ontmoeten.” -</p> -<p>»God geve het, kapitein,” zeide de geleerde met een zucht; »als ik de plant, die ik -zoek, maar terugvind, zal ik tevreden zijn.” -</p> -<p>»Dat is dan wel eene kostbare plant,” vroeg <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz. -</p> -<p>»Kostbaar, <span class="corr" id="xd30e1365" title="Bron: Senorita">Señorita</span>?” riep de dikke doctor, die blijkbaar in vuur geraakte; »een plant die Linnaeus heeft -beschreven en geclassificeerd, maar die niemand sedert teruggevonden heeft; een plant -die mij beroemd kan maken, vraagt gij nog of die kostbaar is?” -</p> -<p>»Waartoe dient zij dan?” zeide het meisje nieuwsgierig. -</p> -<p>»Waartoe zij dient?” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Tot niets!” antwoordde de geleerde onschuldig. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz barstte in een luid gelach los, op een toon die een nachtegaal jaloersch zou -gemaakt hebben. -</p> -<p>»En noemt gij dat een kostbare plant?” -</p> -<p>»Ja, wegens hare zeldzaamheid.” -</p> -<p>»Ha!.… ja wel.” -</p> -<p>»Wij willen hopen dat gij haar vinden zult, doctor,” zeide de generaal, die hen met -elkander verzoenen wilde; »Jupiter, roep den overste der gidsen eens.” -</p> -<p>De neger vertrok, en kwam weldra, door een gambusino gevolgd, weder binnen. Deze laatste -was een man van een veertig jaar, en <span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span>sterk gebouwd; zijn gelaat was niet leelijk, maar had toch iets terugstootends, waarvan -men zich moeielijk rekenschap kon geven; zijne vaalgrijze, loensche oogen, diep in -hunne kassen verborgen, schitterden met een woesten glans; zijn laag voorhoofd, zijn -kroeshaar en zijn kopertint vormden een geheel, dat niet zeer aantrekkelijk was. Hij -droeg het costuum der woudloopers, was koel, stug en terughoudend, en antwoordde op -den naam van <i>Babbelaar</i>, dien de Indianen, of zijne makkers zelven, hem zeker bij wijze van tegenstelling -gegeven hadden. -</p> -<p>»Hier, mijn dappere,” zeide de generaal, terwijl hij hem een glas overreikte, tot -den rand toe gevuld met een soort van brandewijn, Mezcal geheeten, naar de plaats -waar zij gestookt wordt, »drink dat uit.” -</p> -<p>De jager boog zich en ledigde het glas, dat bijna een kan inhield, in een enkelen -teug: toen zijn snor met de hand afvegende, bleef hij staan wachten. -</p> -<p>»Ik denk eenige dagen op een veilige plaats te blijven vertoeven,” zeide de generaal, -»ten einde mij zonder kommer of ongerustheid aan eenige nasporingen te kunnen wijden; -zouden wij hier in veiligheid zijn?” -</p> -<p>Het oog van den gids tintelde; hij sloeg een gloeienden blik op den generaal, en antwoordde: -»Neen.” -</p> -<p>»Waarom niet?” -</p> -<p>»Te veel Indianen en wilde beesten.” -</p> -<p>»Kent ge een betere plaats?” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Is zij ver?” -</p> -<p>»Neen.” -</p> -<p>»Hoe ver?” -</p> -<p>»Veertig mijlen.” -</p> -<p>»Hoeveel dagen hebben wij noodig, om er te komen?” -</p> -<p>»Drie.” -</p> -<p>»Goed, gij zult er ons brengen; morgen bij het opgaan der zon zullen wij ons op weg -begeven.” -</p> -<p>»Is dat alles?” -</p> -<p>»Dat is alles.” -</p> -<p>»Goeden nacht.” -</p> -<p>En de gids vertrok. -</p> -<p>»Één ding prijs ik in den Babbelaar, namelijk dat zijne gesprekken niet vervelend -zijn,” zeide de kapitein glimlachend. -</p> -<p>»Ik wilde liever, dat hij wat meer sprak,” zeide de doctor, het hoofd schuddende; -»ik vertrouw die menschen niet, die altijd vreezen te veel te zeggen: het komt gewoonlijk, -omdat zij iets te verbergen hebben.” -</p> -<p>De gids, toen hij de tent verlaten had, voegde zich weêr bij zijne makkers, met wie -hij fluisterend begon te praten. -<span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span></p> -<p>’t Was een schoone nacht. De reizigers zaten voor de tent, en spraken te zamen onder -het rooken van een sigaar. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz zong een dier bekoorlijke kreoolsche liederen, vol zoete melodieën. Eensklaps -verscheen er een roodachtige gloed aan den horizont; met ieder oogenblik nam die toe, -en een dof, aanhoudend geluid, aan het rollen van een verren donder gelijk, liet zich -hooren. -</p> -<p>»Wat is dat?” riep de generaal, haastig opstaande. -</p> -<p>»Dat is de prairie, die in brand staat,” antwoordde de Babbelaar bedaard. -</p> -<p>Bij deze vreeselijke aankondiging, op zoo kalmen toon uitgesproken, geraakte alles -in het kamp in beweging. Men moest in alle haast vluchten, wilde men geen gevaar loopen -van levend verbrand te worden. Een der Gambusinos, van de wanorde gebruik makende, -gleed tusschen de pakken door, en verdween in de vlakte, na een geheimzinnig teeken -met den Babbelaar gewisseld te hebben. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5439">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">V.</h2> -<h2 class="main">DE COMANCHEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Edelhart en Goedsmoeds, tusschen de takken van den kurkeik verborgen, bespiedden de -Comanchen. -</p> -<p>De Indianen rekenden op de waakzaamheid hunner wachten. Wel verre van te vermoeden -dat hunne vijanden zich zoo dicht bij hen bevonden en hunne minste bewegingen gadesloegen, -zaten of lagen zij onbekommerd rondom de vuren te eten en te rooken. -</p> -<p>Deze wilden, ten naasten bij 25 man sterk, waren gekleed in bisonvellen en op de meest -verschillende en fantastische wijze uitgedoscht. De meesten waren geheel met vermiljoen -besmeerd, anderen waren van top tot teen zwart en prijkten met een lange witte streep -op iedere wang; zij droegen hun schild, boog en pijlen op den rug; naast hen lag hun -geweer. Overigens zag men spoedig aan het groot aantal wolvenstaarten, die, aan hunne -mocksens vastgemaakt, hen achterna sleepten, dat het allen uitgelezen krijgslieden -waren, die den roem van hun stam uitmaakten. -</p> -<p>Op eenigen afstand van hen stond de Arendskop onbewegelijk tegen een boom geleund. -Met de armen over elkander, en het lichaam een weinig voorover gebogen, scheen hij -te luisteren naar eenige onbekende geluiden, die alleen zijn oor bereiken konden. -</p> -<p>De Arendskop behoorde tot den stam der Osagen; nog heel jong zijnde, hadden de Comanchen -hem onder zich opgenomen, maar hij had altijd de kleeding en de zeden zijner natie -bewaard. -</p> -<p>Het was een man van nauwelijks acht en twintig jaar; hij was bijna zes voet lang; -zijn grove, sterk gespierde ledematen, duidden <span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span>buitengewone kracht aan. Anders dan zijn makkers, droeg hij een kleed, dat alleen -zijne heupen bedekte, ten einde zijne borst en armen beter te doen uitkomen: de uitdrukking -van zijn gelaat was schoon en edel: zijne zwarte, levendige oogen, zijn kromme neus, -zijn wel wat groote mond deden hem eenigszins op een roofvogel gelijken. Al zijn haar -was afgeschoren, behalve een enkele smalle streep, midden op zijn hoofd, die aan een -helmbos deed denken, en een lange vlecht, die naar achteren viel en met een menigte -arendsvederen versierd was. Zijn gezicht was met vier kleuren besmeerd, met blauw, -wit, zwart en rood; de wonden, die hij aan zijne vijanden had toegebracht, had hij -met blauwe verf op zijn naakte borst gemerkt. Mocksens van ongelooid hertenleêr reikten -hem tot boven de knieën, en een aantal wolvenstaarten waren aan zijne hielen vastgemaakt. -</p> -<p>Gelukkig voor de jagers, waren de Indianen ten strijde uitgetogen en niet ter jacht, -zoodat zij geen honden bij zich hadden; anders waren zij reeds lang verraden geworden, -en zouden zij niet straffeloos het kamp zijn genaderd. -</p> -<p>Hoe onbewegelijk het opperhoofd daar ook stond, schitterde toch zijn oog met onrustigen -blik; zijne neusgaten trilden; hij hief werktuigelijk de rechterhand op, als om aan -zijne krijgslieden het zwijgen op te leggen. -</p> -<p>»Wij zijn ontdekt,” mompelde Edelhart, zoo zacht dat zijn makker het nauwelijks hooren -kon. -</p> -<p>»Wat nu te doen?” antwoordde Goedsmoeds. -</p> -<p>»Handelen,” zeide de pelsjager kortweg. -</p> -<p>Beiden slopen toen onhoorbaar van tak tot tak, van boom tot boom, zonder een voet -op den grond te zetten, totdat zij zich vlak tegenover het kamp bevonden, juist boven -de plaats, waar de paarden der Comanchen aan de boomen waren vastgemaakt. Goedsmoeds -klom zachtjes naar beneden en sneed de touwen, die hen vasthielden, door. De paarden, -aangevuurd door de zweepslagen der jagers, renden hinnikend en snuivend in alle richtingen -voort. -</p> -<p>De Indianen stonden in verwarring op, en liepen schreeuwend weg, om hunne paarden -op te zoeken. De Arendskop alleen, als had hij de plaats geraden, waar zijne vijanden -in hinderlaag lagen, liep recht op hen toe, zich zoo goed mogelijk achter de boomen, -die zich op zijn weg bevonden, beschuttende. -</p> -<p>De jagers gingen voet voor voet achteruit, een waakzaam oog houdende op den omtrek, -ten einde zich niet te laten verschalken. -</p> -<p>Het geschreeuw der Indianen verdween reeds in de verte; zij dachten aan niets dan -hunne paarden. Het opperhoofd was nu alleen in de tegenwoordigheid van de twee vrienden. -Bij een boom gekomen, waarvan de dikke stam hem volkomen beveiligde, achtte hij het -beneden zich om zijn geweer te gebruiken, en zijn kans schoon ziende, legde hij een -pijl op zijn boog, maar hoe voorzichtig <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>en behendig hij ook te werk ging, kon hij niet aanleggen zonder zich een weinig bloot -te geven. Edelhart legde zijn geweer aan, het schot ging af, de kogel floot, het opperhoofd -sprong met een woedend gebrul op en viel op den grond. Zijn arm was doorschoten. De -twee jagers waren vlak bij hem. -</p> -<p>»Maak geen de minste beweging, Roodhuid,” zeide Edelhart, »of gij zijt dood!” -</p> -<p>De Indiaan verroerde zich niet; schijnbaar kalm en bedaard bedwong hij zijn toorn. -</p> -<p>»Ik zou u kunnen dooden,” ging de jager voort, »maar dat wil ik niet; dit is nu de -tweede maal, hoofdman, dat ik u het leven schenk, maar het zal ook de laatste maal -zijn; vertoon u niet wederom op mijn weg, en vooral steel mijne vallen niet meer, -anders, ik zweer het u, zal ik u geen genade schenken.” -</p> -<p>»De Arendskop is een beroemd opperhoofd onder de mannen van zijn stam,” antwoordde -de Indiaan trotsch, »hij vreest den dood niet; de blanke jager kan hem dooden, hij -zal geen enkele klacht hooren.” -</p> -<p>»Neen, ik zal u niet dooden, hoofdman: mijn God verbiedt het noodeloos bloedvergieten.” -</p> -<p>»<i>Ooah!</i>” zeide de Indiaan met een spottenden lach, »mijn broeder is een zendeling.” -</p> -<p>»Neen, ik ben een eerlijk pelsjager; maar ik wil u niet vermoorden.” -</p> -<p>»Mijn broeder redeneert als een oude vrouw,” hernam de Indiaan; »<i lang="com">Nehunutah</i> vergeeft niet, hij wreekt zich!” -</p> -<p>»Gij kunt doen, wat gij verkiest, hoofdman;” antwoordde de jager, minachtend de schouders -ophalend, »ik ben niet van plan uw natuur te veranderen, maar gij zijt gewaarschuwd; -vaarwel!” -</p> -<p>»De duivel hale u!” voegde Goedsmoeds er bij, hem verachtelijk een schop gevende. -</p> -<p>De hoofdman scheen bij deze nieuwe beleediging ongevoelig te blijven, alleen zijne -wenkbrauwen fronsten zich; hij bewoog zich niet, maar volgde met een blik vol haat -zijne beide vijanden, die, zonder zich meer om hem te bekommeren, in het woud verdwenen. -</p> -<p>»Het zij zoo,” zeide Goedsmoeds naderhand, »maar gij hebt verkeerd gedaan, Edelhart; -gij hadt hem moeten dooden.” -</p> -<p>»Bah! Waarom?” antwoordde de jager onbezorgd. -</p> -<p>»<i>Cascaras!</i> Waarom? wel dat was een ongedierte minder geweest in de prairie.” -</p> -<p>»Er zijn er zooveel,” zeide de ander, »dat het er op een niet aankomt.” -</p> -<p>»Dat is waar!” antwoordde Goedsmoeds, overtuigd; »maar waar zullen wij nu heengaan?” -</p> -<p>»Onze vallen opzoeken, Caramba! meent gij dat ik die kwijt wil zijn?” -<span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span></p> -<p>»Waarachtig, dat is een goed denkbeeld.” -</p> -<p>De jagers gingen werkelijk in de richting van het kamp voort, maar op de wijze der -Indianen, dat is door middel van tallooze omwegen, ten einde de Comanchen van spoor -te brengen. -</p> -<p>Na twintig minuten loopens bereikten zij het kamp. De Indianen waren nog niet teruggekeerd, -maar naar alle waarschijnlijkheid zou het niet lang meer duren. Al hun bagage lag -hier en daar verspreid. Twee of drie paarden die geen instinct genoeg bezaten om te -vluchten, stonden bedaard te weiden. Zonder een oogenblik tijd te verliezen raapten -de jagers hunne vallen bijeen, hetgeen spoedig genoeg gedaan was; zij namen er ieder -vijf voor hunne rekening, en zonder dralen namen zij den terugweg aan naar de grot, -waar hunne paarden stonden. Ondanks de zware vracht die zij droegen, liepen zij snel -voort, verrukt over den goeden uitslag hunner onderneming en lachende over den fraaien -trek, dien zij den Indianen gespeeld hadden. -</p> -<p>Zoo waren zij een geruimen tijd op weg; reeds hoorden zij in de verte het dof gemurmel -der rivier, toen eensklaps het hinniken van een paard hun oor bereikte. -</p> -<p>»Men vervolgt ons,” zeide Edelhart, stilstaande. -</p> -<p>»Hm!” antwoordde Goedsmoeds, »het is misschien een wild paard.” -</p> -<p>»Neen, een wild paard hinnikt anders; het zijn de Comanchen. Maar wij zullen er wel -achter komen.” En zich op den grond uitstrekkende, luisterde hij aandachtig. Dadelijk -stond hij weder op. -</p> -<p>»Ik wist het wel,” zeide hij, »het zijn de Comanchen; maar zij zijn niet zeker van -ons spoor, zij aarzelen.” -</p> -<p>»Of misschien worden zij opgehouden door de wond van den Arendskop.” -</p> -<p>»Dat is mogelijk! O, o! meenen zij dan waarlijk in staat te zijn ons te bereiken, -als wij hen willen ontsnappen?” -</p> -<p>»Als wij maar niet zoo zwaar beladen waren, dan was het spoedig uit.” -</p> -<p>Edelhart dacht even na. -</p> -<p>»Kom,” zeide hij, »wij hebben een half uur voor ons; dat is meer dan genoeg.” -</p> -<p>Dicht bij hem stroomde een beek; de jager stapte er in, zoowel als zijn vriend, die -in alles zijne bewegingen volgde. In het midden van den stroom gekomen, wikkelde Edelhart -de vallen zorgvuldig in een buffelhuid, om ze voor nat te bewaren, en liet ze toen -op den bodem van het water zinken. Dezen maatregel genomen hebbende, gingen zij naar -de overzijde van de beek; daarna een valsch spoor van omstreeks tweehonderd passen -makende, en behoedzaam op hunne schreden terugkomende, opdat niets hun terugkeer zou -verraden, begaven zij zich in het bosch naar de paarden, na vooraf, met eene lichte -beweging met de hand, de honden weggezonden te hebben. -<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span></p> -<p>De verstandige dieren begrepen waarheen zij zich te wenden hadden, en verdwenen weldra -in de duisternis. -</p> -<p>Het besluit om zich van hunne honden te scheiden hielp hen om de Indianen van het -spoor te brengen, die zeker niet zouden verzuimen de sporen door de speurhonden in -het hooge gras achtergelaten, te volgen. -</p> -<p>Eenmaal in het bosch zijnde, klommen de jagers op een boom en zetten hunnen tocht -tusschen hemel en aarde voort. Deze manier van reizen is, veel meer dan men in Europa -denken zou, gebruikelijk in landen, waar het, ten gevolge van het in elkander groeien -der boomen en lianen, dikwijls onmogelijk is, om vooruit te komen, zonder zich telkens -met de bijl een pad te banen. Men kan aldus, door van den eenen tak op den anderen -te klauteren, mijlen ver afleggen zonder den grond aan te raken. De jagers deden dit -echter thans om een andere reden. -</p> -<p>Zij gingen op deze wijze voor hunne vijanden uit, die hen hoe langer hoe meer naderden, -en die zij weldra vlak onder zich op Indiaansche wijze, dat is achter elkander, zagen -voort marcheeren, en met aandacht hun spoor volgen. De Arendskop ging voorop, ten -gevolge van zijn wond half op zijn paard liggende, maar beter dan ooit gestemd om -zijne vijanden te vervolgen. Toen zij de Comanchen onder zich hadden, verscholen de -jagers zich tusschen de bladeren, en hielden hun adem in. De minste kleinigheid zou -voldoende zijn geweest om hunne tegenwoordigheid te verraden. De Indianen gingen voorbij, -zonder hen te zien. De jagers zetten hunnen tocht voort. -</p> -<p>»Oef!” zeide Goedsmoeds na een oogenblik van stilte, »ik geloof dat wij er ditmaal -heelhuids afkomen.” -</p> -<p>»Laat ons nog geen victorie kraaien, maar zoo snel wij kunnen ons verwijderen; die -verwenschte Roodhuiden zijn slim; zij zullen zich niet lang door onze list laten misleiden.” -</p> -<p>»Duivelsch!” riep Goedsmoeds eensklaps, »ik heb mijn mes laten vallen, en waar weet -ik niet; als de Roodhuiden het vinden, zijn wij verloren.” -</p> -<p>»Dat is zeer waarschijnlijk,” mompelde Edelhart; »een reden te meer om geen minuut -te verliezen.” -</p> -<p>Uit het woud, dat tot nu toe doodstil was geweest, begon eensklaps een dof gebrom -op te rijzen; de vogels vlogen fladderend rond, en in de struiken hoorde men de drooge -takken onder de pooten der wilde dieren kraken. -</p> -<p>»Wat gebeurt er toch?” zeide Edelhart, ophoudende en ongerust om zich heen ziende; -»het woud schijnt met duizeling bevangen te zijn.” -</p> -<p>De beide jagers klommen tot in den top van den boom, waarop zij zich bevonden, en -die bij toeval een der hoogste van het woud was. -</p> -<p>Een ontzaglijke gloed kleurde den horizont op ongeveer een mijl afstand van de plaats, -waar zij zich bevonden; deze gloed werd <span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span>van oogenblik tot oogenblik grooter, en naderde hen met reuzenschreden. -</p> -<p>»Vervloekt,” riep Goedsmoeds uit, »de Comanchen hebben de prairie in brand gestoken!” -</p> -<p>»Ja, en ik geloof dat wij ditmaal, zooals gij straks opmerktet, verloren zijn,” antwoordde -Edelhart koelbloedig. -</p> -<p>»Wat nu gedaan?” vroeg de Canadees; »binnen een oogwenk zien zij ons.” -</p> -<p>Edelhart dacht na. Na eenige oogenblikken richtte hij het hoofd wederom op, een zegepralende -glimlach plooide zijne lippen. -</p> -<p>»Zij hebben ons nog niet,” zeide hij; »volg mij, broeder!.…<span class="corr" id="xd30e1517" title="Niet in bron">”</span> en, voegde hij er zachtjes bij, <span class="corr" id="xd30e1519" title="Niet in bron">»</span>ik wil mijne moeder weder zien!…” -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5449">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VI.</h2> -<h2 class="main">DE REDDER.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Om den lezer den toestand begrijpelijk te maken, waarin de jagers zich bevonden, is -het noodig tot het Comanchenhoofd terug te keeren. -</p> -<p>Nauwelijks waren zijne vijanden tusschen de boomen verdwenen, of de Arendskop richtte -zich zachtjes op, boog zijn lichaam voorover, en luisterde om zich te verzekeren, -dat zij zich werkelijk verwijderden. Zoodra hij deze zekerheid verkregen had, verscheurde -hij een stuk van zijn <i>blankett</i>—het kleed dat zijne heupen bedekte—waarmede hij zoo goed en zoo kwaad als hij kon, -zijn arm verbond, en ondanks zijne zwakheid en de hevige pijn die hij doorstond, volgde -hij behoedzaam het spoor der jagers. Hij vergezelde hen aldus, zonder gezien te worden, -tot aan de grenzen van het kamp. Daar, achter een ebbenboom verscholen, was hij, zonder -zich te kunnen verzetten, getuige van het zoeken der jagers naar hunne vallen, en -eindelijk van hun vertrek, nadat zij ze gevonden hadden. -</p> -<p>Ofschoon de speurhonden der jagers uitmuntende dieren waren die de Indianen van verre -roken, hadden zij zich door een toeval, dat het behoud van den hoofdman was, gulzig -op de overblijfselen van het maal der Roodhuiden geworpen, en hunne meesters, weinig -denkende, dat zij bespied werden, hadden het niet noodig geacht, hen tot de orde terug -te roepen. -</p> -<p>De Comanchen waren eindelijk in het kamp teruggekomen, na er met ongehoorde moeite -in geslaagd te zijn, hunne paarden weder te vinden. -</p> -<p>Het gezicht van hun gewonden hoofdman wekte in hooge mate hunne verbazing en verbolgenheid -op, hetgeen den Arendskop zeer te stade kwam, om hen op nieuw tot het vervolgen der -jagers aan te vuren, die in het loopen gehinderd door de vallen die zij droegen, <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>niet ver af konden zijn, en hun zonder missen in handen moesten vallen. -</p> -<p>Slechts een oogenblik hadden zij zich door de list van Edelhart laten misleiden, en -weldra ontdekten zij in de eerste boomen van het woud de ondubbelzinnige sporen van -de richting, die hunne vijanden volgden. -</p> -<p>Beschaamd en wrevelig, dat hij dus de speelbal was geweest van twee onverschrokken -mannen, wier listen al zijne berekeningen in de war brachten, besloot de Arendskop -om er voor goed een eind aan te maken, en bracht hij zijn duivelsch voornemen om de -prairie in brand te steken, onmiddellijk ten uitvoer. Door dit middel, ten minste -hij twijfelde er niet aan, moesten zijne geduchte vijanden weldra in zijne handen -vallen. Na alzoo zijne krijgslieden in verschillende richtingen uitgezonden te hebben, -ten einde een wijden kring te vormen, deed hij op verschillende plaatsen tegelijk -het hooge gras in brand steken. -</p> -<p>Deze maatregel, ofschoon barbaarsch en alleen wilden waardig, was niet kwaad bedacht. -</p> -<p>De jagers, na vergeefs beproefd te hebben aan den vuurpoel te ontsnappen, die hen -weldra van alle kanten zou omringen, zouden tegen wil en dank verplicht zijn om zich -aan hunne woeste vijanden over te geven, zoo zij ten minste niet levend verbrand wilden -worden. -</p> -<p>De Arendskop had alles berekend, alles voorzien, behalve één zeer eenvoudige en gemakkelijk -te volbrengen zaak, de eenige kans van behoud, die aan Edelhart overbleef. -</p> -<p>Gelijk wij gezegd hebben, hadden, op bevel van hun opperhoofd, de krijgslieden zich -in alle richtingen verstrooid, en op verschillende plaatsen tegelijk vuur aangebracht. -</p> -<p>In dit vergevorderde jaargetijde waren de planten en grashalmen door de loodrechte -stralen der zomerzon verschroeid, onmiddellijk ontvlamd, en het vuur had zich met -schrikbarende snelheid in alle richtingen verspreid; niet snel genoeg echter, of het -duurde nog eenigen tijd eer de vlammen zich vereenigd hadden. -</p> -<p>Edelhart aarzelde niet: terwijl de Indianen als duivels om den slagboom van vuur, -waarmede zij aan hunne vijanden den weg wilden versperren, heenliepen, en een vroolijk -gebrul lieten hooren, had de jager, door zijn vriend gevolgd, zich in snellen loop -tusschen twee muren van vuur geworpen, die rechts en links van hem af brandden en -sisten, en tegelijkertijd dreigden zich onder en boven hem te zullen vereenigen. Te -midden der verkoolde boomen, die krakend neêrvielen, verblind door dikke rookwolken -die hun het ademhalen beletten, gezengd door de vonken die van alle kanten op hen -neêrregenden, volgden zij onverschrokken hun pad onder een gewelf van vlammen door, -en het gelukte den moedigen avonturiers, om ten koste van eenige onbeduidende brandwonden -zich door den heilloozen ringmuur heen te slaan, onder welken de Indianen gedacht -<span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>hadden hen voor eeuwig te zullen begraven en reeds waren zij verre van hunne vijanden -verwijderd, toen deze nog luide hun vreugdegejuich deden hooren over den gelukkigen -uitslag hunner krijgslist. -</p> -<p>De brand kreeg ondertusschen een ontzettend aanzien, het woud kroop weg onder de omarming -van het vuur; de prairie was een net van vlammen, te midden waarvan de wilde dieren, -door deze onverwachte ramp uit hunne schuilplaatsen verdreven, angstig heen en weder -liepen. De lucht was bloedig gekleurd en een onstuimige wind joeg rook en vlammen -woest voor zich heen. -</p> -<p>De Indianen zelven waren verschrikt over hun werk, toen zij van alle kanten op de -bergen geheele bosschen, als zoovele noodlottige fakkels zagen ontvlammen, toen de -aarde overal warm werd en ontzaglijke kudden buffels den grond deden trillen, onder -het uitstooten van een wanhopig geloei, dat het moedigste hart met schrik vervulde. -</p> -<p>In het kamp der Mexicanen heerschte de grootste verwarring; het was een vervaarlijk -geraas, de paarden hadden hunne banden gebroken en vluchtten in alle richtingen, de -mannen grepen naar hunne wapenen en naar hun kruit, anderen voerden de zadels en pakken -weg. Ieder schreeuwde, vloekte, kommandeerde, allen liepen als gekken door het kamp -rond. -</p> -<p>Het vuur naderde statig, alles op zijn weg verslindende, voorafgegaan door eene tallooze -menigte van allerlei dieren, die angstig brullend, het gevaar dat hen dreigde, trachtten -te ontvlieden. -</p> -<p>Een dikke rook, met vonken beladen, overdekte reeds het kamp der Mexicanen; nog twintig -minuten, en het was met hen gedaan. -</p> -<p>De generaal, zijn nicht in de armen sluitende, vroeg tevergeefs aan de gidsen, naar -middelen die het dreigend gevaar konden afwenden. Deze mannen, versteend van schrik, -hadden alle tegenwoordigheid van geest verloren. En wat konden zij er ook tegen doen? -de vlammen vormden een ontzaglijken kring, waarvan het kamp het middelpunt was geworden. -</p> -<p></p> -<div class="figure p051width"><img src="images/p051.jpg" alt="De Generaal, zijn nicht in de armen sluitende, bladz. 51." width="720" height="495"><p class="figureHead">De Generaal, zijn nicht in de armen sluitende, bladz. 51.</p> -</div><p> -</p> -<p>Eensklaps echter was de wind, die tot nu toe het vuur had aangeblazen, gaan liggen. -Er woei geen tochtje meer. De gang van het vuur werd langzamer. De voorzienigheid -verlengde het leven dezer ongelukkigen met eenige minuten. -</p> -<p>Op dit oogenblik bood het kamp een vreemd schouwspel aan. Al deze mannen hadden als -verstijfd van schrik zelfs het instinct van zelfbehoud verloren. De Lanceros gingen -bij elkander te biecht. De gidsen waren met wanhoop geslagen, en verroerden zich niet. -</p> -<p>De generaal morde tegen den hemel. De doctor betreurde de plant, die hij vruchteloos -gezocht had; de gedachte daaraan verdrong bij hem elk ander denkbeeld. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz lag met gevouwen handen en gebogen knieën te bidden. Het vuur met zijne voorhoede -van wilde dieren naderde meer en meer. -</p> -<p>»O!” riep de generaal, met geweld den gids bij den arm schuddende, <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>»zult gij ons dan aldus laten verbranden, zonder zelfs een poging tot redding in het -werk te stellen?” -</p> -<p>»Wat kan men doen tegen Gods wil?” antwoordde de Babbelaar onbewogen. -</p> -<p>»Is er dan geen enkel middel om ons van den dood te bevrijden?” -</p> -<p>»Geen enkel!” -</p> -<p>»Ja, één is er!” riep nu een man, die met half verbrande haren en verzengd gelaat, -en door nog een ander gevolgd, zich over de pakken heen, plotseling in het kamp stortte. -</p> -<p>»Wie zijt gij?” vroeg de generaal verrast. -</p> -<p>»Dat doet er niet toe,” antwoordde de vreemdeling kortaf; »ik kom u redden! Mijn vriend -en ik waren reeds buiten gevaar; om u te helpen hebben wij niets te zwaar geacht; -dit zij u genoeg. Uw behoud hangt nu alleen van u zelven af: gij behoeft het slechts -te willen.” -</p> -<p>»Beveel,” antwoordde de generaal, »ik zal de eerste zijn om u te gehoorzamen.” -</p> -<p>»Hebt gij dan geen gidsen bij u?” -</p> -<p>»Ja!” -</p> -<p>»Nu, dan zijn het verraders of lafaards: want het middel dat ik zal aanwenden, is -aan ieder bewoner der prairie bekend.” -</p> -<p>De generaal wierp den Babbelaar, die bij de plotselinge verschijning der twee onbekenden -eene rilling niet had kunnen weêrhouden, een wantrouwenden blik toe. -</p> -<p>»Overigens,” zoo ging de jager voort, »is dit eene zaak, die gij later met hen kunt -afrekenen; nu hebben wij wat anders te doen.” -</p> -<p>Op het gezag van dezen vastberaden man, hadden de Mexicanen als van zelf hunne hoop -en hun moed voelen terugkeeren, en zij hielden zich gereed om zijne bevelen met allen -spoed ten uitvoer te brengen. -</p> -<p>»Haast u,” zeide de jager, »ruk al het gras uit dat het kamp omringt.—Ieder zette -zich aan ’t werk.—Wij,” zoo vervolgde de jager, zich tot den generaal wendende, »zullen -intusschen natte zeilen over de pakken uitstrekken.”—De generaal, de kapitein en de -doctor, door den jager geleid, deden wat deze beval, terwijl zijn medgezel de paarden -en muilezels midden in het kamp aan eenige palen vastbond. -</p> -<p>»Haast u! haast u!” riep de vreemdeling gedurig, »de brand nadert.” Ieder verdubbelde -zijn ijver. Weldra was over een groote ruimte het gras uitgerukt. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz zag met bewondering naar dien vreemden man, zoo onverwacht te voorschijn gekomen, -juist op het oogenblik, dat het dreigend gevaar op het punt stond hen allen te verslinden, -en die toch onder alles even kalm en bedaard bleef, als bezat hij de macht om het -onheil, dat hen met reuzenschreden naderde, met een enkel <span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span>woord te bezweren. Het meisje kon niet nalaten haar blikken op hem te vestigen; zij -voelde zich onbewust tot dien onbekenden redder getrokken, wiens stem en gebaren, -wiens geheele persoonlijkheid een magtigen indruk op haar maakte. -</p> -<p>Toen het gras en de planten waren uitgeroeid met dien koortsachtigen spoed, die door -het dreigend doodsgevaar werd aangewakkerd, glimlachte de jager even. -</p> -<p>»Nu,” zeide hij, zich tot de Mexicanen richtende, »nu gaat het overige mijn vriend -en mij aan: laat ons nu handelen; wat u betreft, wikkelt u allen in natgemaakte kleederen.”—Ieder -volgde zijn raad. De vreemdeling wierp een blik om zich heen, en vervolgens zijn makker -een teeken gevende, liep hij het vuur te gemoet. -</p> -<p>»Ik verlaat u niet,” zeide de generaal. -</p> -<p>»Kom dan,” antwoordde de vreemdeling. -</p> -<p>Aan het einde der ruimte gekomen, waarop het gras uitgerukt was, maakte de jager een -bundel van planten en droge takken, wierp er een weinig kruit in, en stak er den brand -in. -</p> -<p>»Wat doet gij daar?” riep de generaal verschrikt uit. -</p> -<p>»Dat ziet gij: ik bestrijd het vuur met het vuur,” antwoordde de jager eenvoudig. -</p> -<p>Zijn makker had aan den tegenovergestelden kant hetzelfde gedaan. -</p> -<p>Snel verhief zich een gordijn van vlammen, en gedurende eenige oogenblikken was het -kamp bijna onder een gewelf van vuur begraven. Er verliep een kwartier van verschrikkelijken -angst, en van gespannen verwachting. Langzamerhand werden de vlammen minder dik en -de lucht zuiverde, de rook verdunde zich en het geloei van den brand nam af. Eindelijk -kon men in dien vreeselijken chaos elkander weder herkennen. Een kreet van verrukking -ging uit aller mond op. Het kamp was gered! -</p> -<p>De brand, waarvan het geloei hoe langer hoe doffer werd, ging, door den jager overwonnen, -in andere richtingen zijn verwoestingen verspreiden. -</p> -<p>Allen liepen op den vreemdeling toe, om hun dank te betuigen. -</p> -<p>»Gij hebt mijne nicht het leven gered,” zeide de generaal, »hoe zal ik ooit mijn schuld -aan u betalen?” -</p> -<p>»Gij zijt mij niets schuldig, mijnheer,” antwoordde de jager met edele eenvoudigheid; -»in de prairie zijn alle menschen broeders; ik heb niets dan mijn plicht gedaan.” -</p> -<p>Toen het eerste oogenblik van vreugd voorbij was, en men de orde in het kamp een weinig -hersteld had, begon ieder naar rust te verlangen, hetgeen na de verschrikkingen en -vermoeienissen van dien nacht zeer natuurlijk was. -</p> -<p>De twee vreemdelingen, die beleefd maar standvastig alle voordeelen hadden van de -hand gewezen, hun door den generaal aangeboden, hadden zich onbezorgd op de balen -uitgestrekt, om eenige uren te rusten. Even voordat de zon opging, stonden zij op. -<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p> -<p>»De grond moet al koud zijn,” zeide de een, »laat ons heen gaan, eer die menschen -ontwaken; zij zouden misschien ons zoo niet laten vertrekken.” -</p> -<p>»Ja, laten wij gaan,” antwoordde de ander. -</p> -<p>Toen zij het kamp verlieten, werd de schouder van den eerste licht aangeraakt; hij -keerde zich om. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz stond voor hem. De twee mannen bleven staan, en groetten de jonge dame eerbiedig. -</p> -<p>»Gaat gij ons verlaten?” vroeg zij met een zachte, welluidende stem. -</p> -<p>»Het moet, <span class="corr" id="xd30e1621" title="Bron: senorita">señorita</span>,” antwoordde een der jagers. -</p> -<p>»Ik begrijp u,” zeide zij met een bekoorlijken glimlach. »Thans, nu wij, dank zij -uwe hulp, gered zijn, hebt gij hier niets meer te doen, niet waar?” -</p> -<p>De twee mannen bogen, zonder te antwoorden. -</p> -<p>»Sta mij een gunst toe,” zeide zij. -</p> -<p>»Spreek, mevrouw.” -</p> -<p>Zij nam een klein crucifix, met diamanten ingelegd, dat zij op de borst droeg. -</p> -<p>»Bewaar dit ter herinnering aan mij.” -</p> -<p>De jager aarzelde. -</p> -<p>»Ik bid er u om,” prevelde zij met tranen in de oogen. -</p> -<p>»Ik neem het aan, mevrouw,” zeide de jager bewogen, het kruis op zijne borst bij zijn -scapulier plaatsende; »het zal mij een talisman zijn bij die, welke mijne moeder mij -gegeven heeft.” -</p> -<p>»Ik dank u,” antwoordde het meisje verheugd; »nog eene vraag!” -</p> -<p>»Spreek!” -</p> -<p>»Hoe zijn uwe namen?” -</p> -<p>»Mijn makker heet Goedsmoeds.” -</p> -<p>»Maar gij?” -</p> -<p>»Edelhart.” -</p> -<p>Na nog eenmaal gebogen te hebben, verwijderden de beide jagers zich haastig, en waren -spoedig in de duisternis verdwenen. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz volgde hen zoolang zij kon met de oogen; vervolgens keerde zij langzaam naar -de tent terug, half luid prevelende: »Edelhart!… O, ik zal het niet vergeten!…” -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5459">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VII.</h2> -<h2 class="main">DE VERRASSING.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Vereenigde Staten hebben van Engeland dat systeem van voortdurende uitbreiding -en inbezitneming overgeërfd, dat een der meest kenmerkende eigenschappen van het Angel-Saksische -ras is. -</p> -<p>Nauwelijks was Noord-Amerika onafhankelijk en de vrede met het moederland gesloten, -of dezelfde menschen die zoo hard over <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>dwingelandij en verdrukking geschreeuwd en die zich verzet hadden tegen de schending -van het volkenrecht, waarvan zij, zooals zij zeiden, de slachtoffers waren geweest, -regelden met die onverbiddelijke koelbloedigheid, die aan hun geslacht eigen is, eene -jacht op de Indianen, niet alleen op hun eigen grondgebied, maar over de gansche uitgestrektheid -van Amerika’s vasteland. Niet tevreden met de onmetelijke gewesten, die zij reeds -bezitten en welks onrustige bevolking, ondanks haar ijver om van alles voordeel te -trekken, nog altijd ontoereikend is, willen zij zich meester maken van de beide oceanen, -die Amerika bespoelen, en dringen zij voortdurend de inlandsche stammen terug, om -deze volgens de profetische en bittere woorden van een Indiaansch opperhoofd, door -middel van allerlei verraad en trouweloosheid, eindelijk in de Stille Zuidzee te verdrinken. -</p> -<p>In de Vereenigde Staten, dat land waarover de denkbeelden wel beginnen te veranderen, -ofschoon bevooroordeelde of slecht ingelichte lieden het nog altijd als den klassieken -grond der vrijheid blijven voorstellen, ontmoet men overal de blijken van die hatelijke -onrechtvaardigheid, die twee menschenrassen heeft geplunderd en van alles beroofd -ten voordeele van een derde, dat zich het recht van leven en dood over hen aanmatigt, -en ze niet anders dan als slachtvee beschouwt. Deze twee rassen, de belangstelling -van alle weldenkenden zoo overwaardig, zijn het zwarte en het roode ras. -</p> -<p>Het is aan den anderen kant waar, dat de Vereenigde Staten, om te toonen hoe philanthropisch -zij zijn, in het jaar 1795 <i>een verbond van vrede en vriendschap</i> gesloten hebben met de Barbarijsche staten, die hun onvergelijkelijk meer voordeelen -aanboden dan de orde van Malta, die ook met hen onderhandelen wilde. -</p> -<p>Dit verbond is gewaarborgd door de gouvernementen van Algiers en van Tripoli, en het -luidde uitdrukkelijk, dat <i>de regeering der Vereenigde Staten geenszins gebaseerd is op de Christelijke Godsdienst</i>. Aan hen, wien deze bepaling doeltreffend toeschijnt, moeten wij doen opmerken dat -de Amerikanen in hun dagelijksch leven maar één God schijnen te erkennen: <i>den God Dollar</i>! die ten allen tijde de eenige is geweest, tot welken de roovers van alle gewesten -gebeden hebben. -</p> -<p>Men make zelf de gevolgtrekking! -</p> -<p>De <i lang="en"><span class="corr" id="xd30e1670" title="Bron: Squaters">Squatters</span></i>, menschen zonder recht en wet, door alle natiën veracht, de schande en het uitvaagsel -der bevolking van Noord-Amerika, dringen altijd naar het Westen voort, en trachten -door onafgebroken landontginningen de Indiaansche stammen uit hun laatste schuilhoeken -te verdrijven. -</p> -<p>Achter de <span class="corr" id="xd30e1675" title="Bron: squaters">squatters</span> komen vier of vijf soldaten, een tamboer, een trompetter of een officier met een -vaandel met sterren. -</p> -<p>Deze soldaten bouwen een fort van enkel boomstammen, planten hun vaandel er op, en -maken openlijk bekend, dat de grenzen van het Staten-Verbond zich tot daar uitstrekken. -<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p> -<p>Dan worden er rondom het fort eenige hutten gebouwd, een gemengde bevolking van blanken, -zwarten en roodhuiden vestigt er zich, en ziedaar eene stad in het aanzijn geroepen, -waaraan men een verheven naam, bijv. Utica, of Syracuse, of Rome, of Carthago geeft; -en eenige jaren later, als deze stad twee of driehonderd steenen huizen bezit, wordt -zij rechtens de hoofdstad van een nieuwen Staat, die eigenlijk nog moet geboren worden. -Zoo gaat het in dat land toe; men ziet het is een zeer eenvoudige wijze van handelen. -</p> -<p>Eenige dagen na de in ons vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen, had er een vreemd -voorval plaats, in een nauwelijks sedert twee jaar bestaande <i>bezitting</i>, aan den oever der groote Canadeesche rivier en aan den voet van een altijd groenen -heuvel. -</p> -<p>Deze bezitting bestond uit een twintigtal hutten, grillig naast elkander geplaatst -en beschermd door een fortje, dat met vier kanonnen bewapend den loop der rivier bestreek. -</p> -<p>Dit dorp, hoe nieuw het ook zijn mocht, had ten gevolge der onvermoeide Amerikaansche -bedrijvigheid, reeds al het aanzien eener stad verkregen. Twee kroegen waren altijd -vol drinkers, drie kerken van verschillende genootschappen dienden tot vergaderplaats -voor de geloovigen. De bewoners kwamen en gingen met die driftige haast, die gewoonlijk -lieden kenmerkt, welke met lust arbeiden en veel zaken te doen hebben. -</p> -<p>Tallooze kano’s bedekten de rivier, en karren, met koopwaren beladen, reden in alle -richtingen, knarsten op hun ongesmeerde wielen, en lieten diepe sporen in den grond -achter. -</p> -<p>Doch ondanks al die bewegelijkheid, misschien wel ten gevolge daarvan, viel het niet -moeielijk te ontdekken, dat er zekere ongerustheid in het dorp heerschte. -</p> -<p>De bewoners ondervroegen elkander; er vormden zich groepen voor de huizen, en verscheidene -mannen, op krachtvolle paarden gezeten, reden naar alle zijden op verkenning uit, -nadat zij van den kommandant van het fort, die in groot uniform, met een verrekijker -in de hand, op den muur der sterkte rondliep, de noodige bevelen ontvangen hadden. -</p> -<p>Langzaam naderden de kano’s den oever, de karren werden uitgespannen, de lastdieren -in de parken opgesloten, en de geheele bevolking vereenigde zich op het plein van -het dorp. -</p> -<p>De zon was bijna onder, de avond zou weldra gevallen zijn, de uitgezonden verspieders -waren allen terug. -</p> -<p>»Gij ziet het,” zeide de kapitein tot de inwoners, »wij hebben niets te vreezen, het -was slechts een valsch alarm, gij kunt rustig naar uwe woningen terugkeeren, men heeft -op twintig mijlen in den omtrek geen spoor van Indianen gevonden.” -</p> -<p>»Hm!” zeide een oud jager van gemengd ras, die op zijn geweer leunde, »twintig mijlen -zijn spoedig afgelegd door de Indianen.” -</p> -<p>»’t Is mogelijk, Wit-Oog,” antwoordde de kommandant, »maar <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>wees overtuigd dat ik met geen ander doel aldus gehandeld heb, dan om de bevolking -de verzekering te geven, dat de Indianen zich niet zullen durven wreken.” -</p> -<p>»De Indianen wreken zich altoos, kapitein,” zei de oude jager met nadruk. -</p> -<p>»Gij hebt te veel whiskey gedronken, Wit-Oog, zij is u naar het hoofd gestegen, gij -droomt wakend.” -</p> -<p>»God geve dat gij gelijk hebt, kapitein, maar ik heb mijn gansche leven met het ontginnen -van woeste streken doorgebracht; ik ken de gebruiken der Roodhuiden, terwijl gij u -slechts sedert twee jaar op de grenzen bevindt.” -</p> -<p>»Dat is meer dan genoeg.” -</p> -<p>»Maar met goedvinden, de Indianen zijn mannen, en de twee Comanchen, die hier verraderlijk -vermoord zijn, in spijt van het volkenrecht, waren krijgslieden, daar hun stam trotsch -op was.” -</p> -<p>»Wit-Oog, gij zijt een halfbloed, gij zijt maar al te zeer aan het roode ras verwant<span class="corr" id="xd30e1708" title="Niet in bron">.</span>” -</p> -<p>»Het roode ras,” antwoordde de jager trotsch, »is edelmoedig; het vermoordt niemand -uit lust tot bloedvergieten, gelijk gij voor vier dagen met die twee krijgslieden, -die weerloos in hunne kano’s voorbijvoeren, gedaan hebt, onder voorwendsel van een -nieuw geweer te probeeren dat gij uit Akropolis ontvangen hadt.” -</p> -<p>»’t Is wel! ’t Is genoeg! schenk mij uwe verklaring, Wit-Oog, ik wil van u geen aanmerkingen -hooren.” -</p> -<p>De jager maakte eene linksche buiging, wierp zijn geweer over schouder en ging weg, -bij zich zelven mompelend: -</p> -<p>»Om het even, maar het vergoten bloed schreeuwt om wraak, de Roodhuiden zijn mannen, -zij zullen de misdaad niet ongestraft laten.” -</p> -<p>De kapitein begaf zich wederom naar het fort, blijkbaar verbitterd door de woorden -van den mesties. Langzamerhand verstrooiden zich de burgers, na elkander goeden avond -gewenscht te hebben, en begaven zich naar huis, met al de onbezorgdheid van menschen -die gewoon zijn om ieder oogenblik hun leven in gevaar te stellen. -</p> -<p>Een uur later was de nacht geheel gevallen; een dikke duisternis omgaf het dorp, welks -inwoners, vermoeid door den zwaren arbeid van den dag, onbekommerd uitrustten. -</p> -<p>De verspieders, die tegen den avond door den kapitein waren uitgezonden, hadden zich -slecht van hun plicht gekweten of liever zij waren niet bekend met de streken der -Indianen, anders zouden zij de kolonisten niet tot zulke verkeerde onbezorgdheid hebben -opgewekt. -</p> -<p>Nauwelijks een mijl van het dorp verwijderd, lagen te midden van het dichte struikgewas -en de ineengegroeide boomen van een ondoordringbaar woud, tweehonderd Comanchen van -den <i>Slangenstam</i> verscholen, aangevoerd door hunne meest beroemde opperhoofden, waaronder de Arendskop, -die, ofschoon gewond, nochtans aan den <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>tocht wilde deelnemen; zij wachtten met dat Indiaansch geduld, dat zich door niets -verstoren laat, het geschikte oogenblik af, om een schitterende wraak te nemen over -den hun aangedanen hoon. -</p> -<p>Verscheidene uren gingen aldus voorbij, zonder dat de stilte van den nacht door het -minste gedruisch werd afgebroken. Tegen elf uur des avonds ging de maan op, en verlichtte -het landschap met haar zilveren stralen. Op hetzelfde oogenblik liet zich tweemaal, -op verren afstand, het huilen van een hond hooren. De Arendskop, zich verwijderende -van den boom, die hem beschutte, begon met buitengewone behendigheid en vlugheid naar -het dorp te kruipen. Aan den rand van het bosch gekomen maakte hij halt, wierp een -onderzoekenden blik om zich heen, en bootste het gehinnik van een paard zoo volkomen -na, dat twee paarden van het dorp hem onmiddellijk antwoord gaven. Na eenige sekonden -toevens, bemerkte het geoefend gehoor van het opperhoofd eenig gedruisch in de bladeren; -niet ver van daar liet zich het geloei van een os hooren; de hoofdman stond op en -wachtte. Twee minuten later voegde zich een man bij hem. Die man was Wit-Oog, de oude -jager, om wiens lippen een onheilspellende lach speelde. -</p> -<p>»Wat doen de blanken?” vroeg het opperhoofd. -</p> -<p>»Zij slapen,” was het antwoord. -</p> -<p>»Zal mijn broeder ze in mijne handen leveren?” -</p> -<p>»Gewis, mits gij ook uw woord houdt.” -</p> -<p>»Een opperhoofd heeft maar één woord. Waar zijn de bleeke vrouw en het grijze hoofd?” -</p> -<p>»Zij zijn hier.” -</p> -<p>»Zullen zij mij toebehooren?” -</p> -<p>»Al de bewoners van het dorp zullen mijn broeder in handen worden gesteld.” -</p> -<p>»<i>Oach!</i> is de jager niet gekomen?” -</p> -<p>»Nog niet.” -</p> -<p>»Hij zal te laat komen.” -</p> -<p>»Waarschijnlijk.” -</p> -<p>»Wat zegt mijn broeder nu?” -</p> -<p>»Waar is het loon, dat ik aan het opperhoofd gevraagd heb?” -</p> -<p>»De huiden, de geweren en het kruit worden hier achter door mijne lieden bewaakt.” -</p> -<p>»Ik vertrouw u, hoofdman, maar zoo gij mij misleidt.…” -</p> -<p>»Een Indiaan heeft maar één woord.” -</p> -<p>»’t Is goed!.… Nu dan, als ge maar wilt.” -</p> -<p>Tien minuten later waren de Indianen meesters van het dorp, welks inwoners, de een -na den ander wakker geworden, zonder slag of stoot werden gevangen genomen. -</p> -<p>Het fort werd door de Comanchen omringd, die, na aan den voet der muren boomstammen, -karren, meubels en allerlei gereedschappen te hebben bijeengezameld, slechts op een -teeken van hun opperhoofd <span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span>wachtten om den aanval te wagen. Eensklaps vertoonde zich een onduidelijk zichtbare -gedaante boven het fort, en het geschreeuw van een sperwer weêrklonk over de vlakte. -De Indianen staken den brandstapel aan, en stortten zich op de palissaden, met dien -vreeselijk gillenden oorlogskreet, die hun eigen is, en die op de grenzen altijd het -sein geeft tot den moord. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5469">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VIII.</h2> -<h2 class="main">DE INDIAANSCHE WRAAK.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Amerikanen verkeerden in een benarden toestand. De kapitein, verrast door den stillen -aanval der Comanchen, was eensklaps wakker geworden door hun geduchten oorlogskreet, -toen zij, reeds den brand hadden gestoken in de voor het fort verzamelde brandstoffen. -</p> -<p>De dappere officier sprong uit zijn bed, en werd een oogenblik verblind door den rooden -gloed der vlammen; vervolgens kleedde hij zich half aan, en ijlde met de sabel in -de hand naar dat gedeelte, waar het garnizoen rustte, dat reeds ontwaakt, bezig was -zich naar zijn post te begeven, met die onverschrokkenheid, die den <i>Yankee</i> eigen is. -</p> -<p>Maar wat te doen? Het garnizoen telde, den kapitein medegerekend, niet meer dan twaalf -man. Hoe zou hij met een zoo kleine macht den Indianen weerstand kunnen bieden wier -duivelsche gedaanten hij onheilspellend zag afsteken bij het akelig schijnsel der -vlammen? De officier slaakte een zucht. -</p> -<p>»Wij zijn verloren,” mompelde hij. -</p> -<p>In de gedurige gevechten die op de indiaansche grenzen geleverd worden, zijn onze -oorlogswetten volkomen onbekend. Het <i lang="la">vae victis</i> (wee den overwonnenen!) geldt daar in den vollen zin des woords. De verbitterde vijanden, -die elkander met al de schrandere hulpmiddelen der barbaarschheid bestrijden, vragen -noch geven kwartier. Iedere schermutseling is een gevecht op leven en dood. -</p> -<p>De kapitein wist dit; hij maakte zich ook volstrekt geen illusies over het lot dat -hem wachtte, zoo hij den Comanchen in handen viel. Hij had den misslag begaan van -zich door de Roodhuiden te laten verrassen, en moest dus de gevolgen zijner onvoorzichtigheid -dragen. Maar de kapitein was een goed soldaat; overtuigd van niet heelshuids uit den -val waarin hij zich bevond te kunnen ontsnappen, wilde hij ten minste eervol sneuvelen. -De soldaten behoefden niet aan hun plicht herinnerd te worden, zij wisten even goed -als hun kapitein, dat hun geen enkele kans op lijfsbehoud overbleef. -<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span></p> -<p>De verdedigers van het fort plaatsten zich dan ook vastberaden achter de barricaden, -en begonnen op de Indianen te schieten, met eene juistheid en vastheid van hand, die -den vijand groote verliezen berokkende. -</p> -<p>De eerste, dien de kapitein, toen hij op het glacis der vesting stond, bemerkte, was -de oude jager Wit-Oog. -</p> -<p>»Ha! ha!” mompelde de officier, »wat doet die man daar, en hoe is hij daar gekomen?” -</p> -<p>Vervolgens een pistool uit zijn gordel nemende, liep hij recht op den mesties toe, -greep hem bij den strot, zette hem de tromp van zijn wapen op de borst, en zeide met -die koelbloedigheid, die de Amerikanen van de Engelschen geërfd en aanmerkelijk vermeerderd -hebben: -</p> -<p>»Op wat wijze hebt gij u in het fort weten te dringen, oude steenuil?” -</p> -<p>»Wel, denkelijk door de deur,” antwoordde de ander bedaard. -</p> -<p>»Bah! zijt gij dan een toovenaar?” -</p> -<p>»Misschien.” -</p> -<p>»Geen gekheid, halfbloed; gij hebt ons aan uwe broeders, de Roodhuiden verkocht.” -</p> -<p>Een donkere glimlach teekende zich op het gelaat van den mesties; de kapitein zag -het. -</p> -<p>»Maar uw verraad zal u geen voordeel aanbrengen, ellendeling,” zeide hij met een donderende -stem; »gij zult er zelf het eerste slachtoffer van zijn.” -</p> -<p>De jager rukte zich met een onverhoedsche beweging los, vervolgens deed hij een sprong -achteruit, legde zijn geweer aan, en zeide: -</p> -<p>»Wij zullen zien.” -</p> -<p>Deze twee mannen, vlak tegenover elkander geplaatst op dien smallen omgang, alleen -verlicht door het akelig schijnsel van den brand, die met ieder oogenblik in hevigheid -toenam, leverden een vreeselijk schouwspel op. Elk hunner vertegenwoordigde een der -twee rassen, die de Vereenigde Staten bevolken, en wier haat niet eindigen zal dan -door de algeheele verdelging van een van beiden. -</p> -<p>Aan hunne voeten nam het gevecht de reusachtige evenredigheden van een oud heldendicht -aan. De Indianen wierpen zich woedend en onder vreeselijk geschreeuw op de bolwerken, -waar de Amerikanen hen met geladen geweren of gevelde bajonetten ontvingen. -</p> -<p>Maar het vuur nam steeds toe; de soldaten vielen, de een na den ander; weldra zou -alles gedaan zijn. -</p> -<p></p> -<div class="figure p060width"><img src="images/p060.jpg" alt="Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten, bladz. 60." width="720" height="506"><p class="figureHead">Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten, bladz. 60.</p> -</div><p> -</p> -<p>De bedreiging van Wit-Oog was door den kapitein met een verachtelijken glimlach beantwoord. -Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den jager afgeschoten; deze had zijn geweer -laten vallen; zijn rechter arm was verbrijzeld. De kapitein stortte zich, brullend -van vreugde, op hem. De mesties werd door dezen onverwachten <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>schok op den grond geworpen. Toen zette zijn vijand hem de knie op de borst en zag -hem een oogenblik aan. -</p> -<p>»Welnu,” zeide hij met een bitteren lach, »heb ik mij vergist?” -</p> -<p>»Neen,” zeide de mesties kalm, »ik ben een gek, mijn leven is in uwe hand, dood mij.” -</p> -<p>»Wees stil, ik zal u een indiaanschen dood bezorgen.” -</p> -<p>»Haast u, zoo gij u wreken wilt,” hernam de jager spottend, »want weldra zal het te -laat zijn.” -</p> -<p>»Ik heb den tijd.… Waarom hebt gij ons verraden, ellendeling?” -</p> -<p>»Wat gaat het u aan?” -</p> -<p>»Ik wil het weten.” -</p> -<p>»Welnu, als gij het dan verlangt,” zeide de jager na een oogenblik stilte, »uwe broeders, -de blanken, zijn de beulen van geheel mijne familie, ik heb mij willen wreken.” -</p> -<p>»Maar <i>wij</i> hebben u toch niets gedaan.” -</p> -<p>»Zijt gij geen blanken? dood mij en laat het uit zijn.… ik kan verheugd sterven, want -ontelbare offers zullen mij in het graf volgen.” -</p> -<p>»Nu, als het met de zaken zoo gelegen is,” zeide de kapitein met een onheilspellenden -blik, »zal ik u bij uwe broeders terug brengen; gij ziet ik ben dus edelmoedig.” -</p> -<p>En toen, zijn knie stevig op de borst van den jager drukkende, opdat hij niet aan -de hem toegedachte straf ontkomen zou, zeide hij: -</p> -<p>»Op zijn Indiaansch!” -</p> -<p>En zijn mes nemende, greep hij met de linkerhand het dikke, borstelige, grijze haar -van den mesties, en scalpeerde hem met onbegrijpelijke behendigheid. -</p> -<p>De jager kon een ontzettenden jammerkreet niet weerhouden; het bloed stroomde van -zijn naakten schedel en overdekte zijn gelaat. -</p> -<p>»Dood mij!” riep hij, »dood mij, die pijn is afschuwelijk.” -</p> -<p>»Vindt gij?” zeide de kapitein. -</p> -<p>»O, dood mij, dood mij!” -</p> -<p>»Kom,” antwoordde de officier de schouders ophalende, »houdt gij mij voor een slachter, -neen, ik zal u aan uwe waardige vrienden wedergeven.” -</p> -<p>Toen nam hij den jager bij zijne beenen, sleepte hem tot aan den rand van den omgang -en schopte hem weg. -</p> -<p>De ongelukkige had nog besef genoeg om zich te willen redden, door met de linkerhand -het uiteinde van een balk te grijpen, die buiten den muur uitstak. Een oogenblik bleef -hij aldus hangen. Het was afschuwelijk om te zien: zijn gevilde schedel, zijn gelaat -met stroomen van zwart bloed bedekt, en door angst en lijden geheel verwrongen, zijn -gansche lichaam zich krampachtig samentrekkende, dat alles leverde een verschrikkelijk -en walgelijk schouwspel op. -</p> -<p>»Genade! genade!” gilde hij. -<span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span></p> -<p>De kapitein zag hem lachend aan, met de armen over de borst gekruist. -</p> -<p>Maar de vermoeide spieren van den ongelukkige konden hem niet langer dragen, zijn -gekromde vingers lieten den balk, dien hij met de kracht der wanhoop gegrepen had, -los. -</p> -<p>»Beul, wees vervloekt!” schreeuwde hij in de uiterste woede.—En hij viel naar beneden. -</p> -<p>»Goede reis!” riep de kapitein hem spottend na. Een verschrikkelijk rumoer liet zich -aan de deuren van het fort hooren. De kapitein snelde de zijnen te hulp. De Comanchen -hadden zich van de barricaden meester gemaakt. Zij drongen in massa het fort binnen, -terwijl zij al de vijanden die zij op hun weg ontmoetten, vermoordden of scalpeerden. -Nog maar vier Amerikaansche soldaten hielden stand. De anderen waren dood. De kapitein -verschanste zich midden op den trap die naar den omgang leidde. -</p> -<p>»Mijne vrienden,” zeide hij tot zijne makkers, »sterft gelaten, ik heb hem, die ons -verraden heeft, gedood.” De soldaten beantwoordden deze zonderlinge troostrede met -een luid hoerah, en maakten zich gereed om hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. -</p> -<p>Maar toen had er iets onbegrijpelijks plaats. -</p> -<p>De Indianen hadden eensklaps, als door betoovering, opgehouden met schreeuwen. -</p> -<p>De aanval werd gestaakt. -</p> -<p>»Wat voeren zij toch uit,” mompelde de kapitein, »welke nieuwe streek hebben die duivels -nu uitgevonden?” -</p> -<p>Zoodra de Arendskop meester was van al de toegangen tot het fort, had hij bevel gegeven, -aan het gevecht een einde te maken. De in het dorp buit gemaakte gevangenen werden -de een na den ander voorgebracht: zij waren twaalf in getal, en daaronder vier vrouwen. -Toen deze twaalf ongelukkigen sidderend voor hem stonden, liet de Arendskop de vrouwen -ter zijde brengen. Aan de mannen gelastte hij één voor één langs hem heen te gaan; -hij zag ze oplettend aan, en gaf toen een teeken aan de naast hem staande krijgslieden. -Deze overrompelden de Amerikanen onmiddellijk, sloegen hun met de <i>machete</i> de handen af, scalpeerden hen, en wierpen hen toen in het fort. -</p> -<p>Zeven kolonisten hadden deze marteling ondergaan. Nog een bleef er over. Het was een -grijsaard, groot van gestalte, mager, maar krachtvol; zijne sneeuwwitte haren vielen -hem op de schouders, zijne zwarte oogen gloeiden, doch zijn gelaat bleef onbewegelijk; -hij wachtte, schijnbaar kalm, het vonnis van den hoofdman, dat hem met de ongelukkigen, -die hem waren voorgegaan, zou vereenigen. -</p> -<p>Maar het Comanchenhoofd zag hem met de grootste oplettendheid aan. -</p> -<p>Eindelijk bewogen zich de trekken van den wilde, een glimlach teekende zich op zijne -lippen, en zijne hand naar den grijsaard uitstekende, <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>zeide hij, in slecht Spaansch en met den aan zijn ras eigenen keelklank: -</p> -<p>»<i lang="es">Usted no conocer amigo?</i>—Gij niet herkennen vriend?” -</p> -<p>Op dit woord sidderde de grijsaard, en zag op zijn beurt den Indiaan aan. -</p> -<p>»O,” zeide hij verbaasd, »<i lang="es">el Gallo</i>—de Haan?” -</p> -<p>»<i>Ooah!</i>” antwoordde het opperhoofd tevreden, »ik ben een vriend van den Grijskop; de Roodhuiden -hebben geen twee harten; mijn vader heeft mij het leven gered, mijn vader zal in mijne -hut komen.” -</p> -<p>»Ik dank u, hoofdman, ik neem uw aanbod aan,” zeide de grijsaard den Indiaan warm -de hand drukkende. -</p> -<p>En hij zette zich haastig neder bij eene bejaarde vrouw, met een edel gelaat, dat -hoezeer ook door smart vermagerd en gerimpeld, nochtans de sporen droeg van vroegere -schoonheid. -</p> -<p>»God zij geprezen!” zeide zij verheugd toen de grijsaard haar naderde. -</p> -<p>»God verlaat nooit diegenen, die op Hem hun vertrouwen vestigen,” antwoordde hij. -</p> -<p>Ondertusschen speelden de Roodhuiden de laatste tooneelen van het vreeselijk drama, -waarvan wij den lezer getuige deden zijn. Toen al de kolonisten in het fort waren -opgesloten, werd de brand aangewakkerd met al de bouwstoffen die men maar vinden kon, -en als door een gordijn van vlammen werden de ongelukkige Amerikanen voor altijd van -de wereld afgescheiden. Weldra was het fort niets meer dan een brandstapel, waaruit -voortdurend kreten van smart, en nu en dan de knal van een ontploffend geweer omhoog -rezen. De Comanchen stonden onbewogen op eenigen afstand den voortgang van den brand -gade te slaan, en lachten als duivels over hunne wraakneming. -</p> -<p>De vlammen hadden het gansche gebouw omringd; zij stegen met verbazende snelheid omhoog, -en wierpen, als een fakkel des doods, haar licht ver in de wildernis. -</p> -<p>Op het glacis van het fort zag men eenige personen wanhopig zich bewegen, terwijl -anderen geknield de genade des hemels schenen in te roepen. -</p> -<p>Eensklaps hoorde men een ontzettend gekraak, een angstkreet rees ten hemel, en het -fort stortte ineen, in den gloeienden vuurpoel die het ondermijnd had. -</p> -<p>Alles was afgeloopen. -</p> -<p>De Amerikanen waren omgekomen. -</p> -<p>De Comanchen plantten een grooten mast, op de plek waar het dorp gestaan had; deze -mast, waaraan zij de kolonisten vastnagelden, werd bekroond met een met bloed bevlekte -bijl. -</p> -<p>Daarna eenige nog overgeblevene hutten in brand stekende, gaf de Arendskop het teeken -om te vertrekken. -</p> -<p>De vier vrouwen en de grijsaard, de eenigen van de bevolking <span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>dezer ongelukkige plaats die nog in leven waren, volgden de Comanchen. -</p> -<p>Een droevige stilte zweefde over de rookende puinhoopen die het tooneel waren geweest -van zóóveel hartverscheurende rampen. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5479">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">IX.</h2> -<h2 class="main">DE SCHIM.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het was ongeveer acht ure in den morgen: een vroolijke herfstzon bescheen de prairie. -De vogels fladderden rond en zongen; nu en dan stak een hert zijn kop boven het hooge -gras uit, en verdween huppelend in de verte. -</p> -<p>Twee ruiters, gekleed als woudloopers, volgden, op prachtige, half wilde paarden gezeten, -in galop den linker oever der Groote Canadeesche rivier, terwijl verscheidene zwarte -speurhonden om hen heen dartelden en sprongen. Deze ruiters waren Edelhart en zijn -vriend Goedsmoeds. -</p> -<p>In strijd met zijne gemoedstemming, scheen Edelhart zich aan de levendigste vreugde -over te geven; zijn gelaat schitterde, en met innig welbehagen zag hij om zich heen. -Soms bleef hij staan, en staarde in de verte, als het ware om aan den horizont een -voorwerp te ontdekken, dat vooralsnog onzichtbaar was. -</p> -<p>»Ha, komaan!” zeide Goedsmoeds eindelijk lachend, »wij zullen er wel komen; wees maar -gerust!” -</p> -<p>»Caramba! dat weet ik wel, maar ik zou er al willen zijn! De eenige oogenblikken van -geluk, die God mij schenkt, geniet ik bij haar, naar wie wij ons nu begeven! Moeder! -lieve moeder! die voor mij alles verlaten—zonder spijt, zonder wroeging verlaten hebt! -O, wat is het zalig eene moeder te hebben! een hart te bezitten, dat het uwe begrijpt, -dat zich zelve volkomen verloochent! dat om en door u leeft! dat zich verheugt in -uwe blijdschap, treurt om uwe smarten! dat uw leven voor twee derden op zich neemt, -voor zich zelve het zwaarste deel behoudende, het lichtste en gemakkelijkste aan u -overlatende! O, Goedsmoeds! om goed te begrijpen wat het is, dat goddelijk samenstel -van opoffering en liefde, dat men eene moeder noemt, moet men er, even als ik, lange -jaren van beroofd zijn geweest, en vervolgens haar hebben teruggevonden, nog rijker -in liefde en aanbiddelijker dan voorheen! Wat gaan wij langzaam, ieder oogenblik van -oponthoud schijnt een kus mijner moeder, dien de tijd mij ontsteelt; zullen wij er -dan nooit komen?” -</p> -<p>»Hier hebben wij de ondiepte.” -</p> -<p>»Ik weet niet waarom, maar een geheime vrees beklemt mij het hart, een onbeschrijfelijk -voorgevoel doet mij ondanks mij zelven huiveren.” -<span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span></p> -<p>»Verban die donkere gedachten, mijn vriend, binnen eenige oogenblikken zijn wij bij -uwe moeder.” -</p> -<p>»Ja, niet waar? en toch, ik weet niet of ik het mis heb, maar ik zou zeggen dat het -veld er niet zoo uitziet als anders; die stilte, die er om ons heerscht, die eenzaamheid -die ons omringt schijnen mij niet zeer natuurlijk toe; wij zijn immers vlak bij het -dorp, wij moesten de honden reeds hooren blaffen, en die tallooze geluiden vernemen, -die een bewoonde plaats aankondigen.” -</p> -<p>»Inderdaad,” zeide Goedsmoeds een weinig bezorgd, »’t is wel stil in ’t rond.” -</p> -<p>De reizigers bevonden zich op een plek waar de rivier een vrij groote bocht maakte; -hare oevers, bedekt met ontzaglijke rotsblokken en dicht kreupelhout, beletten hun -ver voor zich uit te zien. Op het oogenblik dat de paarden in het water stapten, maakten -zij eene forsche achterwaartsche beweging, en de speurhonden stieten een klagend gehuil -uit, dat hun ras eigen, den dapperste ijzen doet. -</p> -<p>»Wat is dat!” mompelde Edelhart, terwijl hij zoo bleek werd als een doode, en een -angstigen blik om zich heen sloeg. -</p> -<p>»Zie!” antwoordde Goedsmoeds, en met den vinger wees hij zijn makker verscheidene -lijken die de rivier wegvoerde. -</p> -<p>»O,” riep Edelhart uit, »er is hier iets verschrikkelijks gebeurd. Mijne moeder! O -mijne moeder!” -</p> -<p>»Maak u niet zoo beangst,” zeide Goedsmoeds, »zij bevindt zich zonder twijfel in veiligheid.” -</p> -<p>Onvatbaar voor de troostredenen, die zijn vriend hem voorhield, zonder dat hij er -zelf aan geloofde, gaf Edelhart zijn paard de sporen en wierp zich in de golven. Weldra -kwamen zij aan den anderen oever. Toen werd hun alles helder. Zij hadden voor zich -het tooneel der meest volkomene verwoesting die men zich kan voorstellen. Het dorp -en het fort waren niets meer dan een puinhoop. Een zwarte rook steeg in lange kronkelende -wolken ten hemel. Midden in het dorp verhief zich een mast, waaraan menschenhanden -waren vastgenageld, die de raven krassend elkander betwistten. Hier en daar lagen -lijken, half verslonden door wilde dieren en roofvogels. Er was geen levend wezen -zichtbaar. Niets was heel gebleven, alles was gebroken of verwoest. Men zag bij den -eersten oogopslag, dat de Indianen daar geweest waren, met hun dorst naar bloed en -hun ingekankerden haat tegen de blanken. Zij hadden een spoor van vuur en bloed achtergelaten. -</p> -<p>»O,” riep de jager zuchtend uit, »mijn voorgevoel was een waarschuwing des hemels. -Mijne moeder! O mijne moeder!” -</p> -<p>Edelhart liet zich wanhopend op den grond vallen; hij bedekte zijn hoofd met beide -handen en weende. De smart van dezen zwaarbeproefden man, wiens moed voor niets terugdeinsde -en die nooit voor eenig gevaar beefde, was gelijk aan die van den leeuw: zij had iets -schrikwekkends. -<span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span></p> -<p>Goedsmoeds eerbiedigde de droefheid van zijn vriend; welken troost kon hij hem aanbieden? -Het was beter zijne tranen te laten stroomen, en aan de eerste uitbarsting der wanhoop -den tijd te laten om tot bedaren te komen; hij was toch overtuigd dat deze man van -ijzer zich niet lang zou laten ter nederslaan, en dat er weldra eene terugwerking -volgen zou, die hem tot handelen zou aansporen. Doch met het talent, den jagers ingeschapen, -begon hij in alle richtingen rond te snuffelen, of hij ook eenig teeken vinden mocht, -dat hun later in hunne nasporingen van dienst kon zijn. -</p> -<p>Na langen tijd om de puinhoopen rondgedwaald te hebben, werd zijne aandacht eensklaps -op eenig nabijzijnd kreupelhout gevestigd, door een geblaf dat hij meende te herkennen. -Hij naderde haastig; een speurhond, aan de zijnen gelijk, sprong vroolijk tegen zijne -beenen op en overlaadde hem met liefkoozingen. -</p> -<p>»O, o!” zeide de jager, »wat beteekent dat, wie heeft den armen Frim daar vastgemaakt?” -Hij sneed den band die het dier vasthield door, en bemerkte toen dat hij aan zijn -hals een toegevouwen, en zorgvuldig bedekt papiertje droeg. Hij maakte er zich meester -van, en liep naar Edelhart terug. -</p> -<p>»Broeder,” zeide hij, »heb goeden moed!” -</p> -<p>De jager wist, dat zijn vriend de man niet was die hem met alledaagsche troostredenen -zou lastig vallen; hij hief zijn in tranen badend gelaat tot hem op. -</p> -<p>De hond, zich vrij voelende, had het op een loopen gezet, en ontvluchtte met onbegrijpelijke -snelheid en onder een luid geblaf. -</p> -<p>Goedsmoeds, die hierop bedacht geweest was; had zich gehaast, zijn das om den nek -van het dier te binden. -</p> -<p>»Men weet nooit wat er gebeuren kan!” mompelde de Canadees, toen hij den hond verdwijnen -zag. En na deze wijsgeerige overweging was hij zijn vriend gaan opzoeken. -</p> -<p>»Wat is er?” vroeg Edelhart. -</p> -<p>»Lees!” antwoordde Goedsmoeds. -</p> -<p>De jager nam het papier en doorliep het met gretige blikken. -</p> -<p>Het bevatte slechts deze woorden: -</p> -<p>»Wij zijn door de Roodhuiden gevangen genomen. Heb goeden moed!.… Er is niets kwaads -bejegend aan uwe moeder.” -</p> -<p>»Geloofd zij God!!…” riep Edelhart, het papier dat hij in zijne hand hield in vervoering -kussende, »mijne moeder leeft!.… O, ik zal haar wel vinden.” -</p> -<p>»Dat zult gij zeker!.…” voegde Goedsmoeds er bij. -</p> -<p>Er had een volkomen omkeering in de ziel des jagers plaats gegrepen; hij had zich -in zijn volle lengte opgericht; op zijn voorhoofd blonk een glans van vergenoegen. -</p> -<p>»Laten wij terstond een begin maken met onze nasporingen,” zeide hij: »misschien is -een der ongelukkige inwoners aan den dood ontsnapt; van hem zullen wij vernemen, wat -er is voorgevallen.” -<span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span></p> -<p>»Goed,” zeide Goedsmoeds met innige blijdschap, »ja, laat ons zoeken.” -</p> -<p>De honden krabden ijverig in de puinhoopen van het fort. -</p> -<p>»Laat ons daar beginnen,” zeide Edelhart. -</p> -<p>Beiden ruimden het puin weg. Zij werkten met een ijver waarvan zij zelven geen begrip -hadden. Na twintig minuten ongeveer vonden zij een soort van beverval. Daaronder hoorden -zij een zwak en onbestemd geluid. -</p> -<p>»Daar zijn zij!” zeide Goedsmoeds. -</p> -<p>»God geve, dat wij vroeg genoeg gekomen zijn om hen te redden!” -</p> -<p>Na lange en ongehoorde moeite gelukte het hun eindelijk om den val op te lichten. -Een vreeselijk schouwspel vertoonde zich aan hunne blikken. In een kelder, waaruit -een verpestende rotlucht omhoog steeg, waren twintig personen letterlijk op elkander -gestapeld. De jagers konden eene beweging van afgrijzen niet weêrhouden, en traden -onwillekeurig achteruit. Maar oogenblikkelijk kwamen zij terug, om, zoo het niet reeds -te laat ware, nog eenigen dier ongelukkigen te redden. Van al deze menschen gaf slechts -een enkele nog eenig teeken van leven; de anderen waren dood. Zij trokken hem uit -het onderaardsche gewelf, legden hem zachtkens op een hoop drooge bladeren, en gaven -hem al de hulp, die hij noodig had. De honden lekten de handen en het gelaat van den -gewonde. Na eenige minuten maakte deze man een lichte beweging, opende de oogen herhaalde -malen, en zuchtte diep. Goedsmoeds stopte tusschen zijn op elkander gesloten tanden -den hals van eene volle rumflesch, en dwong hem eenige droppels te drinken. -</p> -<p>»Hij is er slecht aan toe,” zeide de jager. -</p> -<p>»Hij is verloren,” antwoordde Edelhart, het hoofd schuddende. -</p> -<p>De gewonde had echter zijne krachten weder eenigszins bijeen verzameld. -</p> -<p>»O God!” zeide hij met een zwakke en gebrokene stem, »ik ga sterven.” -</p> -<p>»Heb goeden moed,” zeide Goedsmoeds zachtjes tot hem. -</p> -<p>Een vluchtig rood kleurde de bleeke wangen van den gewonde, een treurige glimlach -plooide zijne lippen. -</p> -<p>»Waarom zou ik leven?” antwoordde hij: »de Indianen hebben al mijne makkers vermoord, -het leven zou een te zware last voor mij zijn.” -</p> -<p>»Zoo gij vóór uwen dood ons iets wenscht op te dragen, spreek, en op ons jagerswoord, -als het geschieden kan, zullen wij het volbrengen.” -</p> -<p>De oogen van den stervende werden door een doffen glans verlevendigd. -</p> -<p>»Uwe flesch?” zeide hij tot Goedsmoeds. -</p> -<p>Deze gaf ze hem. De stervende dronk gulzig. Op zijn voorhoofd parelde het koude zweet, -en een koortsachtige gloed verhoogde de kleur van zijn gelaat, dat een ontzettende -uitdrukking aannam. -<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p> -<p>»Luistert,” zeide hij: »ik ben hier kommandant geweest; de Indianen, bijgestaan door -een ellendigen mesties, die ons aan hen verkocht heeft, hebben het dorp overvallen.” -</p> -<p>»De naam van dien man?” zeide de jager levendig. -</p> -<p>»Hij is dood!… ik heb hem gedood!” antwoordde de kapitein op een toon, die zoowel -haat als vreugde te kennen gaf. »De Indianen hebben zich meester willen maken van -het fort; de strijd is vreeselijk geweest; wij stonden met ons twaalven tegenover -vierhonderd wilden; wat konden wij doen? dan tot het laatste vechten. Hiertoe werd -besloten. De Indianen, de onmogelijkheid inziende om ons levend in handen te krijgen, -hebben de bewoners van het dorp, na hen gescalpeerd en de handen afgehouwen te hebben, -in het fort geworpen, en het vervolgens in brand gestoken.” -</p> -<p>De gewonde, wiens stem hoe langer hoe zwakker en onverstaanbaarder werd, dronk eenige -droppels rum, en ging toen weder voort met zijn verhaal, waarnaar de jagers gretig -luisterden. -</p> -<p>»Onder de grachten van het fort strekte zich een gewelf uit, dat tot kelder diende; -toen ik bemerkte, dat elke kans op lijfsbehoud verloren was, en dat wij met geen mogelijkheid -konden ontvluchten, deed ik mijne ongelukkige kameraden in dien kelder afdalen, hopende -dat God ons misschien de gelegenheid zou schenken, om op deze wijze te ontkomen. Eenige -oogenblikken later stortte het fort boven onze hoofden in. Niemand kan zich de martelingen -voorstellen, die wij in dien verpesten kolk, zonder licht en lucht, hebben uitgestaan. -De kreten der gewonden, en dat waren wij allen meer of min, het geroep om water, het -gerochel der stervenden, dit alles vormde een concert, dat geen woorden in staat zijn -weêr te geven. Ons reeds ondragelijk lijden nam door het gebrek aan lucht gedurig -in hevigheid toe; een dolle waanzinnigheid overmeesterde ons, wij raasden tegen elkander, -en in de duisternis onder de puinhoopen begon een afgrijselijk gevecht, dat slechts -met den dood van al de strijders eindigen kon. Hoe lang het duurde zou ik niet kunnen -zeggen. Reeds gevoelde ik dat de dood die al mijne kameraden had aangegrepen, zich -ook van mij meester ging maken, toen gij kwaamt om hem nog eenige minuten tegen te -houden. God zij geloofd! ik zal niet ongewroken sterven.” -</p> -<p>Na deze woorden bijna onverstaanbaar te hebben uitgesproken, heerschte er een sombere -stilte onder de drie mannen, een stilte alleen afgebroken door het gerochel van den -stervende, wiens doodstrijd een aanvang nam. -</p> -<p>Eensklaps richtte de kapitein zich met geweld op, en een wraakzuchtigen blik op de -jagers slaande, zeide hij: -</p> -<p>»De wilden, die mij hebben aangevallen, behooren tot den stam der Comanchen; hun opperhoofd -noemt zich de Arendskop; zweert mij dat gij als dappere en edele jagers mijn dood -zult wreken.” -</p> -<p>»Wij zweren het!” riepen de beide mannen tegelijkertijd uit. -<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p> -<p>»Ik dank u!” prevelde de kapitein, en achterover vallende, bleef hij onbewegelijk -liggen.—Hij was dood. -</p> -<p>Zijn verwrongen trekken en geopende oogen behielden nog de uitdrukking van haat en -wanhoop, die hem in zijn laatste oogenblik hadden bezield. De jagers staarden hem -een poos aan; daarna dien akeligen indruk van zich willende onttrekken, maakten zij -zich gereed om aan de ongelukkige slachtoffers van de woede der Indianen de laatste -eer te bewijzen. Bij de laatste stralen der ondergaande zon staakten zij den ruwen -arbeid, dien zij zichzelven hadden opgelegd. -</p> -<p>Na eenige oogenblikken van rust, stond Edelhart op en zadelde zijn paard. -</p> -<p>»Kom, broeder,” zeide hij tot Goedsmoeds, »laat ons nu het spoor van den Arendskop -volgen.” -</p> -<p>»Laat ons gaan,” antwoordde de jager. -</p> -<p>De twee mannen wierpen een langen en treurigen blik tot afscheid om zich heen, en -hunne honden fluitende, drongen zij onverschrokken door in het bosch, waarin de Comanchen -verdwenen waren. -</p> -<p>Juist op dit zelfde oogenblik kwam de maan, in een oceaan van dampen gehuld, op, en -verspreidde hare droefgeestige stralen over het Amerikaansche dorp, waarin voortaan -de eenzaamheid en de dood heerschten. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5489">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">X.</h2> -<h2 class="main">DE VERSCHANSING.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Wij zullen de jagers het spoor der roodhuiden laten vervolgen, en tot den generaal -terugkeeren. -</p> -<p>Eenige oogenblikken nadat de twee mannen het kamp der Mexicanen verlaten hadden, verliet -de generaal de tent, en een onderzoekenden blik om zich heen slaande, begon hij met -een bedrukt gelaat heen en weêr te loopen. De gebeurtenissen van dien nacht hadden -een diepen indruk gemaakt op den ouden soldaat. Voor de eerste maal misschien sedert -hij dezen tocht ondernomen had, zag hij hem in het ware daglicht; hij vroeg zich af -of hij inderdaad wel het recht had, om aan dat leven vol gevaren en gedurige hinderlagen -een meisje bloot te stellen, van den leeftijd zijner nicht, die tot nu toe kalm en -rustig<span id="xd30e1978"></span> had voortgeleefd, en waarschijnlijk zich niet zou kunnen gewennen aan de onophoudelijke -gevaren en inspanningen van het leven in de prairiën, die in korten tijd zelfs de -meest geharde gestellen ondermijnen. Zijn verlegenheid was groot. Hij aanbad zijne -nicht; zij was zijn eenige liefde, zijn eenige troost; voor haar zou hij duizendmaal, -al wat hij bezat, zonder spijt <span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span>en wroeging hebben opgeofferd; maar van den anderen kant, de redenen die hem hadden -aangespoord dezen hachelijken tocht te wagen, waren zóó belangrijk, dat hij rilde -en ijsde op de gedachte van hem op te geven. -</p> -<p>»Wat moet ik doen?…” zeide hij; »wat moet ik doen?” <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz, die op hare beurt de tent verliet, bemerkte dat haar oom nog altijd op en neêr -wandelde; zij liep naar hem toe, en de armen om zijn hals slaande, zeide zij: -</p> -<p>»Goeden morgen, lieve oom.” -</p> -<p>»Goeden morgen, mijn kind,” antwoordde de generaal.—»Wel, wel, wat zijt gij vroolijk -van morgen.” En hij gaf de liefkoozingen waarmede zij hem overlaadde, met woeker terug. -</p> -<p>»Waarom zou ik niet vroolijk zijn, oom? wij zijn, God dank! aan een groot gevaar ontsnapt, -de natuur schijnt ons toe te lachen, de vogels zingen in de takken, de zon koestert -ons met haar stralen; wij zouden ondankbaar zijn jegens onzen Schepper, zoo wij ongevoelig -bleven voor deze openbaring zijner macht.” -</p> -<p>»Dus hebben de gevaren van dezen nacht geen treurigen indruk op uw gemoed achtergelaten, -lief kind.” -</p> -<p>»Volstrekt niet, oom, maar veeleer innige dankbaarheid voor de weldaden, waarmede -God ons overlaadt.” -</p> -<p>»Goed, mijn kind,” antwoordde de generaal verheugd, »ik ben blijde u zoo te hooren -spreken.” -</p> -<p>»Des te beter, zoo het u genoegen doet, oomlief.” -</p> -<p>»Zoodat,” hernam de generaal, zijn gedachtenloop volgende, »zoodat het leven dat wij -leiden u niet vermoeit.” -</p> -<p>»Geenszins, ik vind het heel prettig, en vooral heel avontuurlijk.” -</p> -<p>»Ja, dat is het zeker; maar, mij dunkt dat wij met dat al onze redders vergeten.” -</p> -<p>»Zij zijn al weg,” antwoordde <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz. -</p> -<p>»Zijn zij al weg?” zeide de generaal sidderend. -</p> -<p>»Reeds voor een uur zijn zij vertrokken.” -</p> -<p>»Hoe weet gij dat, lieve nicht?” -</p> -<p>»Dat heeft een heel eenvoudige reden, oom; zij hebben mij vaarwel gezegd, alvorens -ons te verlaten.” -</p> -<p>»Dat is alles behalve braaf gehandeld,” prevelde de generaal ter nedergeslagen, »eene -dienstbetooning verplicht zoowel hen, die haar bewijzen, als hen, aan wie zij bewezen -wordt; zij hadden ons niet moeten verlaten, zonder ons te zeggen, of wij hen ooit -zouden mogen wederzien, en zelfs zonder ons hunne namen achter te laten.” -</p> -<p>»Die weet ik.” -</p> -<p>»Gij weet die, mijn kind?” vroeg de generaal verbaasd. -</p> -<p>»Ja, oom; eer zij weggingen hebben zij mij die medegedeeld.” -</p> -<p>»En … hoe heeten zij?” vroeg de generaal angstig. -</p> -<p>»De jongste, Goedsmoeds.” -</p> -<p>»En de oudste?” -<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span></p> -<p>»Edelhart.” -</p> -<p>»O, ik moet die mannen wedervinden,” zeide de generaal met eene ontroering, waarvan -hij zich geen rekenschap wist te geven. -</p> -<p>»Wie weet?” antwoordde het meisje peinzend, »bij het eerste gevaar misschien, dat -ons bedreigen zal, zien wij hen als twee reddende engelen weder verschijnen.” -</p> -<p>»God geve, dat wij niet aan een dergelijke oorzaak hun terugkeer tot ons zullen te -danken hebben.” -</p> -<p>De kapitein kwam hun goeden morgen wenschen. -</p> -<p>»Nu, kapitein,” zeide de generaal lachend, »zijn uwe manschappen van hunne vermoeienissen -uitgerust?” -</p> -<p>»Geheel en al, generaal,” antwoordde de jonge man; »zij zijn gereed, om op het eerste -kommando op te breken.” -</p> -<p>»Na het ontbijt zullen wij gaan; wees daarom zoo goed de noodige bevelen aan de lanceros -te geven en den Babbelaar bij mij te zenden.” -</p> -<p>De kapitein ging weg. -</p> -<p>»Wat u betreft, nicht,” ging de generaal voort, zich tot <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz wendende, »ga gij voor het ontbijt zorgen, terwijl ik mij met den gids onderhoud.” -</p> -<p>Het meisje ijlde heen. -</p> -<p>Weldra verscheen de Babbelaar. Zijn blik was donkerder, zijn gelaat ontevredener dan -anders. -</p> -<p>De generaal scheen het echter niet op te merken. -</p> -<p>»Gij weet,” zeide hij tot hem, »dat ik u gisteren mijn plan heb medegedeeld, om eene -plek te vinden waar mijn troep gedurende eenige dagen in veiligheid kampeeren kan.” -</p> -<p>»Ja, generaal.” -</p> -<p>»Gij hebt mij verzekerd eene plaats te kennen, die daartoe uitnemend geschikt was?” -</p> -<p>»Ja, generaal.” -</p> -<p>»Zijt gij bereid om er mij naar toe te brengen?” -</p> -<p>»Zooals gij verkiest.” -</p> -<p>»Hoeveel tijd hebben wij noodig, om er te komen<span class="corr" id="xd30e2044" title="Bron: .">?</span>” -</p> -<p>»Twee dagen.” -</p> -<p>»Zeer goed. Wij zullen dadelijk na het ontbijt vertrekken.” -</p> -<p>De Babbelaar boog zonder antwoord te geven. -</p> -<p>»A propos!” zeide de generaal met geveinsde onverschilligheid, »is er niet één van -uwe manschappen verdwenen?” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Wat is er van hem geworden?” -</p> -<p>»Ik weet het niet.” -</p> -<p>»Hoe, gij weet het niet?” riep de generaal met een uitvorschenden blik. -</p> -<p>»Neen. Toen hij den brand zag, is hij bang geworden, en heeft zich uit de voeten gemaakt.” -</p> -<p>»En?” -<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p> -<p>»Hij is waarschijnlijk het slachtoffer zijner lafhartigheid geworden.” -</p> -<p>»Wat meent gij?” -</p> -<p>»Hij zal verbrand zijn.” -</p> -<p>»Arme kerel!” -</p> -<p>Een duivelsche lach speelde om de lippen van den gids. -</p> -<p>»Hebt gij mij niets meer te zeggen, generaal?” -</p> -<p>»Neen … o ja, wacht eens.” -</p> -<p>»Ik wacht.” -</p> -<p>»Kent gij die twee jagers niet, die ons dezen nacht een zoo groote dienst bewezen -hebben?” -</p> -<p>»Iedereen kent ze in de prairie.” -</p> -<p>»Wat zijn het voor menschen?” -</p> -<p>»Pelsjagers.” -</p> -<p>»Dat vraag ik u niet.” -</p> -<p>»Wat vraagt gij dan?” -</p> -<p>»Ik bedoel hun gedrag.” -</p> -<p>»Dat weet ik niet.” -</p> -<p>»Hoe heeten zij?” -</p> -<p>»Goedsmoeds en Edelhart.” -</p> -<p>»En weet gij niets van hun leven?” -</p> -<p>»Niets.…” -</p> -<p>»Het is goed; gij kunt weg gaan.” -</p> -<p>De gids maakte eene buiging, en keerde langzaam tot zijne kameraden terug, die zich -tot het vertrek gereed maakten. -</p> -<p>»Hm!” prevelde de generaal, »ik zal op dien schurk het oog houden; er is veel geheimzinnigs -in zijne wijze van handelen.” -</p> -<p>Na dit onderhoud trad de generaal de tent binnen, waar de kapitein, de doctor en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz hem aan het ontbijt zaten te wachten. -</p> -<p>Het maal was spoedig afgeloopen. Een half uur later was de tent opgevouwen, waren -de koffers op de muilezels geladen, en hervatte de karavaan haar tocht onder geleide -van den Babbelaar, die als wegwijzer een twintigtal passen vooruit ging. -</p> -<p>De prairie had sedert den vorigen dag een geheel ander aanzien bekomen. De zwarte -en verbrande aarde was bedekt met hoopen smeulende asch; verkoolde, maar nog overeind -staande boomen vertoonden hier en daar hun treurig geraamte; van verre loeiden de -vlammen nog altijd voort, en dikke rookwolken maakten den horizon onzichtbaar. -</p> -<p>De paarden liepen voorzichtig voort over dezen noodlottigen bodem, waar zij vaak struikelden -over de beenderen der door den brand overvallen wilde dieren. -</p> -<p>Een sombere droefheid, nog verhoogd door den aanblik van het landschap, dat zich voor -hen ontrolde, had zich van de reizigers meester gemaakt; zij liepen sprakeloos in -gepeinzen verdiept, achter elkander voort. -</p> -<p>De weg, dien zij volgden, liep kronkelend in een nauwe diepte <span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span>tusschen twee heuvels door, in de oude bedding van een uitgedroogde rivier. De grond, -dien de hoeven der paarden omwoelden, bestond uit ronde keisteenen, die onder hunne -pooten weggleden en de moeielijkheden van den marsch vermeerderden; de brandende zonnestralen -vielen loodrecht op de reizigers neder, zonder dat zij er zich tegen konden beschutten; -want het land dat zij doorkruisten had volkomen het aanzien gekregen van die uitgestrekte -woestijnen die men in het binnenland van Afrika aantreft. -</p> -<p>Zoo verliep de dag, zonder dat, behalve de vermoeienis, die hen afmatte, eenig voorval -de eentonigheid der reis verbrak. -</p> -<p>Des avonds kampeerden zij in een geheel opene vlakte; doch aan den horizon ontdekten -zij eenig groen, waarover zij zich zeer verheugden, omdat zij eindelijk weder eene -streek zouden betreden, die door den brand was gespaard. -</p> -<p>Den volgenden dag, twee uren voor zonsopgang, gaf de Babbelaar het teeken tot vertrek. -</p> -<p>Deze dag was nog vermoeiender dan de vorige; de reizigers waren letterlijk uitgeput -toen men het kamp opsloeg. -</p> -<p>De Babbelaar had den generaal niet misleid; de ligging was uitnemend gekozen, om een -aanval af te slaan; wij zullen haar niet beschrijven, daar de lezer haar reeds kent; -het was op dezelfde plaats, waar de jagers zich bevonden, toen wij hen voor de eerste -maal ten tooneele voerden. -</p> -<p>De generaal, na een blik om zich heen geworpen te hebben, kon zich niet weerhouden -zijne tevredenheid te betuigen. -</p> -<p>»Bravo!” zeide hij tot den gids, »wij hadden bijna onoverkomelijke hinderpalen te -overwinnen om hier te komen; maar nu wij er eenmaal zijn, kunnen wij er des noods -een beleg uithouden.” -</p> -<p>De gids antwoordde niet; hij boog zich met een dubbelzinnigen glimlach, en ging heen. -</p> -<p>»Het is vreemd,” mompelde de generaal; »het gedrag van dien man is schijnbaar onberispelijk, -en ik heb hem niet het minste verwijt te doen; maar toch, waarom weet ik niet, heb -ik een voorgevoel, dat hij ons misleidt, en dat hij eenig duivelsch opzet tegen ons -in den zin heeft.” -</p> -<p>De generaal was een oud soldaat van veel ondervinding, die niets wilde overlaten aan -het toeval, dien <i lang="la">deus ex machina</i>, die in één sekonde de best ontworpene plannen verijdelt. Ondanks de vermoeidheid -zijner manschappen, wilde hij geen minuut verliezen; door den kapitein bijgestaan, -liet hij een groote menigte boomen vellen, ten einde een stevige verschansing te vormen. -Achter die verschansing groeven de lanceros een breede gracht, waarvan zij de aarde -aan de zijde van het kamp wierpen; achter die tweede omheining eindelijk werden de -pakken op elkander gestapeld, ten einde een derden en laatsten wal te vormen. -</p> -<p>Men richtte de tent in het midden van het kamp op; de schildwachten <span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span>werden uitgezet, en ieder gaf zich aan een welverdiende rust over. -</p> -<p>De generaal, die van plan was eenigen tijd hier te vertoeven, wilde zooveel mogelijk -voor de veiligheid zijner kameraden zorgen, en meende daarin volkomen geslaagd te -zijn. -</p> -<p>Sedert twee dagen hadden de reizigers over slechte wegen geloopen, zonder te slapen, -en bijna nergens zich langer ophoudende dan hoog noodig was om iets te gebruiken; -zij waren, gelijk wij reeds zeiden, uitgeput door vermoeienis, en ondanks al hun verlangen -om wakker te blijven, hadden de schildwachten geen weêrstand kunnen bieden aan den -slaap die hen overmeesterde, en weldra waren zij in diepe sluimering verzonken. Tegen -middernacht terwijl iedereen in het kamp nog rustig sliep, stond een der mannen heel -zachtjes op, en in het donker vlug als een slang wegsluipende, gleed hij over de <span class="corr" id="xd30e2120" title="Bron: barrikaden">barricaden</span> en wallen heen. Toen legde hij zich op den grond neder, en richtte zich bijna onmerkbaar -op handen en voeten voortkruipende, door het hooge gras naar een woud, dat de helling -van den heuvel bedekte en zich ver in de prairie uitstrekte. Op eenigen afstand gekomen, -en zeker van niet meer ontdekt te zullen worden, richtte hij zich op. De maan van -tusschen de wolken te voorschijn komende verlichtte de gestalte.… van den Babbelaar. -</p> -<p>Hij zag zorgvuldig om zich heen, spitste de ooren, en bootste, met ongelooflijke volkomenheid, -het gehuil van den hond der prairiën na. Bijna op hetzelfde oogenblik werd dezelfde -kreet herhaald, en kwam er niet ver van den Babbelaar een man te voorschijn. Die man -was de gids, die voor drie dagen bij het opkomen van den brand, uit het kamp ontsnapt -was. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5499">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XI.</h2> -<h2 class="main">DE KOOP.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Indianen en de woudloopers hebben twee talen, waarvan zij zich beurtelings, naar -gelang der omstandigheden bedienen, de spreektaal namelijk en de gebarentaal. Evenals -de spreektaal heeft ook de gebarentaal in Amerika tallooze verscheidenheden; ieder -heeft om zoo te zeggen, een eigen dialect. Het is een samenstel van zonderlinge en -geheimzinnige gebaren, een soort van vrijmetselaars-telegraphie, waarvan de teekenen, -die gedurig en willekeurig afwisselen, alleen kunnen begrepen worden door een klein -aantal ingewijden. -</p> -<p>De Babbelaar en zijn medgezel onderhielden zich op die wijze. Dit zonderlinge gesprek -duurde bijna een uur; het scheen hun veel belang in te boezemen, zooveel zelfs, dat -zij ondanks de uiterste <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>voorzorgen, die zij genomen hadden om niet overvallen te worden, niet bemerkten hoe -twee schitterende oogen, uit het midden van eenig struikgewas, onafgewend op hen gericht -bleven. -</p> -<p>»Nu,” zeide de Babbelaar, eindelijk eenige woorden uitsprekende, »ik laat den tijd -aan u over.” -</p> -<p>»En gij zult niet lang behoeven te wachten,” antwoordde de ander. -</p> -<p>»Ik reken op u, Kennedy; wat mij betreft, ik zal mijn woord houden.” -</p> -<p>»’t Is goed, ’t is goed; men heeft zooveel woorden niet noodig, om elkander te verstaan,” -zeide Kennedy de schouders ophalend; »alleen hadt gij hen op een minder sterke plaats -kunnen brengen, het zal niet gemakkelijk zijn, om hen hier te overvallen.” -</p> -<p>»Dat is uwe zaak,” zeide de Babbelaar met een kwaadaardigen lach. -</p> -<p>Zijn makker zag hem een oogenblik aandachtig aan. -</p> -<p>»Hm!” zeide hij, »pas op, <i lang="es">Compadre</i>, het is nooit goed, om met menschen als wij, een dubbelzinnige rol te spelen.” -</p> -<p>»Ik speel geen dubbelzinnige rol, maar wij kennen elkander sinds lang, niet waar, -Kennedy?” -</p> -<p>»Wat zou dat?” -</p> -<p>»Wel, ik wil niet dat mij nu wederom gebeure, wat mij reeds eenmaal gebeurd is; ziedaar -alles.” -</p> -<p>»Zoudt gij terugtreden, of wel, zoudt ge er aan denken om ons te verraden?” -</p> -<p>»Ik treed niet terug, en ik heb volstrekt geen plan om u te verraden, maar …” -</p> -<p>»Nu, maar?” -</p> -<p>»Ditmaal wil ik u het beloofde niet geven, dan alvorens mijne voorwaarden geheel zullen -zijn aangenomen.” -</p> -<p>»Dat is ten minste oprecht gesproken.” -</p> -<p>»In zaken moet men openhartig te werk gaan,” merkte de Babbelaar op. -</p> -<p>»Dat is zoo; welnu, herhaal mij uwe voorwaarden, ik zal zien, of wij ze kunnen aannemen.” -</p> -<p>»Waartoe zou dat dienen? gij zijt toch het opperhoofd niet, is het wel?” -</p> -<p>»Neen, maar toch …” -</p> -<p>»Gij zoudt er dus niets aan kunnen doen, en derhalve zou het tot niets leiden. O, -als <i lang="com">Ouaktehno</i> (hij die doodt) maar hier ware, dan zou het een andere zaak zijn; ik weet zeker dat -wij elkander spoedig zouden verstaan.” -</p> -<p>»Spreek dan, want hij hoort u,” riep op eens een zware en heldere stem. -</p> -<p>Er volgde eenig gedruisch in de struiken, en de persoon, die tot nu toe onzichtbaar -getuige was geweest van het gesprek der twee mannen, begreep zonder twijfel, dat thans -het geschikte oogenblik gekomen was om er deel aan te nemen, want met één sprong kwam -<span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span>hij uit de takken, die hem verborgen hadden, te voorschijn, en plaatste hij zich tusschen -de sprekers in. -</p> -<p>»O, o! gij hebt ons afgeluisterd, kapitein Ouaktehno,” zeide de Babbelaar, in het -minst niet van zijn stuk gebracht. -</p> -<p>»Hindert u dat?” vroeg de nieuw aangekomene met een spottenden glimlach. -</p> -<p>»Volstrekt niet.” -</p> -<p>»Ga dan voort, mijn dappere vriend, ik ben geheel oor.” -</p> -<p>»Goed,” zeide de gids; »het is misschien ook beter zoo.” -</p> -<p>»Nu, spreek dan maar; ik luister.” -</p> -<p>Hij, aan wien de Babbelaar den vreeselijken indiaanschen naam van Ouaktehno gaf, was -een man van zuiver blank ras, hoogstens dertig jaren oud, lang en welgevormd, en met -zekere achteloosheid in het schilderachtig gewaad der woudloopers gedost. Zijne gelaatstrekken -waren edel en mannelijk, en hadden die hooghartige en open uitdrukking, die men zoo -dikwijls bij mannen, aan het woeste en vrije leven der prairiën gewoon, aantreft. -</p> -<p>Hij vestigde zijne groote, zwarte, bliksemende oogen op den Babbelaar, een geheimzinnige -glimlach plooide zijne lippen, en hij leunde achteloos op zijn karabijn, terwijl hij -den gids aanhoorde. -</p> -<p>»Zoo ik de lieden, die mij betaald hebben om hun den weg te wijzen en te geleiden, -in uwe handen lever, dan wil ik daarvoor eene goede belooning genieten,” zeide de -bandiet. -</p> -<p>»Dat is billijk!” merkte Kennedy aan, »en de kapitein is bereid die belooning te geven.” -</p> -<p>»Ja,” zeide de ander, ten teeken van goedkeuring het hoofd voorover buigende. -</p> -<p>»Zeer wel,” hernam de gids, »maar waarin zal die belooning bestaan?” -</p> -<p>»Waarin verlangt gij, dat ze bestaan zal?” zeide de kapitein; »ik moet eerst uwe voorwaarden -hooren, om te weten of ik er aan voldoen kan.” -</p> -<p>»O, mijne voorwaarden zijn zeer eenvoudig.” -</p> -<p>»Hoe dan?” -</p> -<p>De gids aarzelde, of liever berekende angstvallig de kansen van winst en verlies die -deze zaak hem aanbood, na eenige oogenblikken hernam hij: -</p> -<p>»Die Mexicanen zijn zeer rijk.” -</p> -<p>»Dat zal wel zoo zijn,” zeide de kapitein. -</p> -<p>»Vervolgens schijnt het mij toe, dat.…” -</p> -<p>»Spreek zonder omwegen, Babbelaar, wij hebben geen tijd om uwe praatjes aan te hooren; -evenals bij iederen halfbloed, heeft ook bij u de indiaansche natuur de overhand, -nooit gaat gij regelrecht op eenig doel af.” -</p> -<p>»Nu dan,” vervolgde de gids brutaal, »ik verlang vijf duizend goede piasters, of er -komt niets van de geheele zaak.” -<span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span></p> -<p>»Nu weten wij ten minste waaraan wij ons te houden hebben. Gij vraagt dus vijf duizend -piasters?” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»En voor die som neemt gij op u, om den generaal, zijne nicht, en allen die met hem -zijn, in onze handen te leveren?” -</p> -<p>»Op den eersten wenk, dien gij mij geven zult.” -</p> -<p>»Zeer goed; luister nu naar hetgeen ik u zeggen zal.” -</p> -<p>»Ik luister.” -</p> -<p>»Gij kent mij, niet waar?” -</p> -<p>»Door en door.” -</p> -<p>»Gij weet, dat men op mijn woord staat kan maken?” -</p> -<p>»Het is zoo goed als goud.” -</p> -<p>»Goed; zoo gij getrouw de verbintenis nakomt, tot welker vervulling gij u vrijwillig -aanbiedt, dat is te zeggen, zoo gij, ik zeg niet al de Mexicanen waaruit uwe karavaan -bestaat, maar alleen het meisje, dat men geloof ik <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz noemt, in mijne handen levert, zal ik u niet vijf duizend piasters geven, zooals -gij verlangt, maar acht duizend. Gij hebt mij begrepen, niet waar?” -</p> -<p>De oogen van den gids schitterden van hebzucht. -</p> -<p>»Ja,” zeide hij. -</p> -<p>»Goed.” -</p> -<p>»Maar het zal moeielijk zijn om haar alléén buiten het kamp te lokken.” -</p> -<p>»Dat is uwe zaak.” -</p> -<p>»Ik wilde ze liever allen te zamen overleveren.” -</p> -<p>»Voor den duivel! wat wilt gij, dat ik er mede doen zal?” -</p> -<p>»Hm! wat zal de generaal zeggen?” -</p> -<p>»Die mag zeggen wat hij wil, dat raakt mij niet; ja of neen, neemt gij den koop aan, -dien ik u voorstel?” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Zweert gij onze voorwaarden getrouw te zullen nakomen?” -</p> -<p>»Ik zweer het.” -</p> -<p>»Nu dan, hoe lang denkt de generaal in zijn nieuw kamp te blijven?” -</p> -<p>»Tien dagen.” -</p> -<p>»Wat zeidet gij mij dan, dat gij niet wist hoe gij het meisje naar buiten zoudt lokken, -daar gij zooveel tijd voor u hebt.” -</p> -<p>»Alle duivels! ik wist niet wanneer gij verlangdet, dat ik haar u in handen geven -zou.” -</p> -<p>»Dat is waar. Nu ik geef u negen dagen den tijd, dat is tot den dag die hun vertrek -voorafgaat.” -</p> -<p>»Op die wijze.…” -</p> -<p>»Alzoo draagt die schikking uwe goedkeuring weg?” -</p> -<p>»Zij kan niet beter zijn.” -</p> -<p>»’t Is dan zoo besloten?” -</p> -<p>»Onherroepelijk.” -</p> -<p>»Hier, Babbelaar,” zeide de kapitein, den gids een prachtige diamanten <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>speld, die hij in zijn jachtkiel droeg, overreikende, »zie hier mijn godspenning.” -</p> -<p>»O!” riep de bandiet verrukt uit, het kleinood met beide handen te gelijk aangrijpende. -</p> -<p>»Deze speld,” hernam de kapitein, »is een geschenk, dat ik u maak boven de acht duizend -piasters, die ik u zal voortellen bij het in ontvang nemen van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz.” -</p> -<p>»Gij zijt edelmoedig, kapitein,” zeide de gids; »het is een voorrecht u te mogen dienen.” -</p> -<p>»Maar,” hernam de kapitein op een ruwen toon, en met een blik zoo koud als staal op -den bandiet, »herinner u, dat men mij noemt: <i>Hij die doodt</i>, en dat, zoo gij mij misleidt, er in de prairie geen plek gevonden wordt, sterk of -verborgen genoeg om u in veiligheid te stellen voor de gevolgen mijner wraak.” -</p> -<p>»Ik weet het, kapitein,” antwoordde de mesties, zijns ondanks rillend; »maar gij kunt -gerust zijn, ik zal u niet misleiden.” -</p> -<p>»Ik hoop het! maar laat ons nu van elkander gaan, men zou anders uwe afwezigheid gewaar -worden. Binnen negen dagen zal ik hier zijn.” -</p> -<p>»Binnen negen dagen zal ik het meisje in uwe handen leveren.” -</p> -<p>Na deze woorden keerde de gids naar het kamp terug, waar hij ongezien binnentrad. -</p> -<p>Zoodra zij alleen waren, baanden de beide mannen, met wie de Babbelaar een zoo zonderlingen -en tevens afgrijselijken koop gesloten had, zich een weg door het struikgewas, onder -hetwelk zij als slangen voortkropen. Zij bereikten weldra de oevers van een beekje, -dat onopgemerkt het woud besproeide. Kennedy floot eenige malen. -</p> -<p>Een licht gedruisch liet zich hooren, en niet ver van de plaats waar zij stonden, -kwam een ruiter te voorschijn, die twee paarden aan de hand hield. -</p> -<p>»Kom, Franck,” zeide Kennedy, »gij kunt zonder schroom naderen.” -</p> -<p>De ruiter naderde terstond. -</p> -<p>»Is er nieuws?” vroeg Kennedy. -</p> -<p>»Niets bijzonders,” antwoordde de ruiter; »ik heb een indiaansch spoor ontdekt.” -</p> -<p>»Ha, ha!” zeide de kapitein. »Talrijk?” -</p> -<p>»Tamelijk.” -</p> -<p>»In welke richting?” -</p> -<p>»Het doorsnijdt de prairie van het oosten naar het westen.” -</p> -<p>»Goed, Franck, en wat voor Indianen zijn het?” -</p> -<p>»Ik vermoed Comanchen.” -</p> -<p>De kapitein dacht een oogenblik na. -</p> -<p>»O, het is zeker een detachement jagers,” zeide hij. -</p> -<p>»Wel waarschijnlijk,” antwoordde Franck. -</p> -<p>De twee mannen zetten zich te paard. -</p> -<p>»Franck, en gij, Kennedy,” zeide de kapitein na eenige oogenblikken, <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>»begeeft u naar het pad van den <i>Buffalo</i>; gij legert u in de grot, die zich daar bevindt, en let goed op de bewegingen der -Mexicanen, maar draagt zorg, dat men u niet ontdekke.” -</p> -<p>»Wees gerust, kapitein.” -</p> -<p>»O! ik weet dat gij behendig en trouw zijt, ik verlaat mij dus geheel op u, kameraden; -bewaakt ook den Babbelaar, ik vertrouw dien mesties maar half.” -</p> -<p>»Het zal geschieden.” -</p> -<p>»Nu, tot weêrziens; weldra zult gij weder iets van mij hooren.” -</p> -<p>Ondanks de duisternis vertrokken de drie mannen in galop, en verdwenen zij in verschillende -richtingen in de woestijn. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5510">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XII.</h2> -<h2 class="main">PSYCHOLOGIE.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De generaal had een zoo diep stilzwijgen bewaard over de oorzaken die hem eene reis -in de prairiën, ten westen der Vereenigde Staten, hadden doen ondernemen, dat zij -die hem vergezelden, er slechts naar hadden kunnen raden. Verscheidene malen reeds -had op zijn bevel en zonder eenige blijkbare oorzaak, de karavaan in volslagen woeste -streken gekampeerd, om aldaar acht, ja zelfs veertien dagen te blijven, zonder dat -er eenige beweegreden voor dit oponthoud scheen te bestaan. Gedurende zulk een rusttijd -ging de generaal iederen morgen met een der gidsen uit, om niet voor den avond terug -te komen. Wat deed hij gedurende die lange uren zijner afwezigheid? Waartoe die nasporingen, -van welke hij nooit terugkeerde, zonder dat een zwaardere wolk van droefgeestigheid -zijn voorhoofd overdekte? Niemand wist het. -</p> -<p>Gedurende die uitstapjes leidde <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, alleen te midden van de ruwe personen die haar omringden, een vrij eentonig -leven. Zij bracht hare dagen droevig door, gezeten voor hare tent, of in gezelschap -van kapitein Aguilar of den dikken doctor, kleine rijtoertjes makende in den omtrek -van het kamp. -</p> -<p>Ook ditmaal gebeurde hetzelfde, wat bij ieder halt plaats had. Het meisje door haar -oom verlaten, en ook door den doctor, die met altijd klimmenden ijver bezig was zijne -zonderlinge plant te zoeken, en met dat doel elken morgen het kamp verliet, had geen -ander gezelschap dan dat van Aguilar. Maar kapitein Aguilar, wij moeten het bekennen, -was, ofschoon jong, beleefd, en vrij verstandig, een niet zeer onderhoudend gezelschap -voor <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz. Als gehard soldaat, met leeuwenmoed begaafd, vol van liefde voor den generaal, -aan wien hij alles te danken had, was de kapitein buitengewoon gehecht aan de nicht -van zijn overste; hij was uiterst bezorgd <span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span>voor hare veiligheid, maar ten eenenmale onbekend met de middelen om haar den tijd -te korten, met die kleine beleefdheden en aangename gesprekken, waarin de jonge dames -zooveel behagen scheppen. -</p> -<p>Ditmaal echter verveelde <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz zich niet. Sedert dien vreeselijken nacht van den brand, toen Edelhart, evenals -een dier fabelachtige helden, wier geschiedenis en ongeloofelijke daden zij zoo vaak -gelezen had, plotseling verscheen, om haar en allen die met haar waren te redden, -was er in het hart van het meisje een nieuw gevoel ontstaan, waarvan zij zich nog -geen rekenschap wist te geven, en dat van dag tot dag sterker werd, om zich eindelijk -geheel van haar meester te maken. Het beeld van den jager kwam haar gedurig voor den -geest, met dien schitterenden gloriekrans om het hoofd, dien onverzettelijke wilskracht -schenkt aan den man, die geen gevaren ontziet, en de natuur dwingt zijne meerderheid -te erkennen. Haar geheugen, even onbewimpeld als dat van alle meisjes, die zich nog -in het ongestoord bezit van onschuld en reinheid verheugen, schilderde haar met nauwkeurige -getrouwheid tot zelfs de minste bijzonderheden dier grootsche heldendaden voor. In -één woord, zij verlevendigde in haren geest het aandenken van die rij van gebeurtenissen, -waaraan de jager zoo onverwacht deelgenomen had; en waaraan hij, door zijn onbedwingbaren -moed en tegenwoordigheid van geest, eene zoo gelukkige wending had gegeven. Het onverhoedsch -vertrek van den jager, zijne minachting voor de eenvoudigste dankbetuigingen en zijne -schijnbare onverschilligheid voor hen, wie hij het leven had gered, dit alles had -het meisje gehinderd; zij was zeer geërgerd over deze, hetzij wezenlijke, hetzij gemaakte -koelheid. Ook zag zij voortdurend naar middelen uit, om hem over zijne onverschilligheid -berouw te doen gevoelen, zoo het toeval hem ten tweeden male in hare nabijheid mocht -brengen. -</p> -<p>Ieder weet, dat er, al schijnt het bij den eersten oogopslag ongerijmd, van haat, -of ook maar van nieuwsgierigheid, tot liefde slechts eene schrede ligt. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz deed die schrede, zonder dat zij het wist. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz was, zooals wij gezegd hebben, in een klooster opgevoed, over welks drempel de -verleiding der wereld het niet waagde den voet te zetten. Hare jeugd was kalm en ongestoord -voorbijgegaan onder die vrome of liever bijgeloovige praktijken, die in Mexico den -grondslag der godsdienst uitmaken. Toen haar oom haar uit het klooster haalde, om -haar mede te nemen op zijne voorgenomen reis door de prairiën, kende het meisje de -meest eenvoudige behoeften des levens niet, en wist zij evenveel van het bestaan der -wereld, waarin zij zich plotseling bewegen zou, als een blindgeborene van den schitterenden -glans der zonnestralen. Deze onwetendheid, die zeer dienstig was voor de plannen van -haar oom, was voor het meisje een steen des aanstoots, over welken zij ieder oogenblik -struikelen zou. -<span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span></p> -<p>Maar door de zorgen, waarmede de generaal haar omringde, waren de weinige weken, die -aan hun vertrek van Mexico voorafgingen, voorbijgegaan, zonder aan het meisje al te -veel verdriet te veroorzaken. Wij moeten hier echter eene wel schijnbaar nietige omstandigheid -vermelden, maar die toch in den geest van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz al te diepe sporen naliet, dan dat wij haar zouden mogen vergeten. -</p> -<p>De generaal was ijverig bezig met de lieden bijeen te verzamelen, die hij voor zijne -onderneming noodig had; hij was dus verplicht om zijne nicht meer aan haar lot over -te laten, dan hij wel zou gewild hebben. Daar hij echter vreesde, dat het meisje, -als zij alléén met eene oude vrouw in het paleis, dat hij in de <i lang="es">calle de los Plateros</i> bewoonde, achterbleef, zich zou vervelen, zond hij haar des avonds dikwijls naar -een zijner bloedverwanten, waar zij meestal een uitgelezen gezelschap vond, en bij -wie zij haar tijd veel aangenamer kon doorbrengen. -</p> -<p>Doch, eens, toen het gezelschap grooter geweest was dan gewoonlijk, was men ook veel -later dan gewoonlijk uit elkander gegaan. -</p> -<p>Toen de oude klok van het klooster <i lang="es">de la Merced</i> elf ure sloeg, keerden <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz en de oude vrouw, die haar steeds ten dienste stond, onder geleide van een fakkeldrager, -naar huis. Zij hadden nog maar weinige schreden af te leggen, toen er eensklaps terwijl -zij den hoek der <i lang="es">calle San-Augustin</i> omsloegen, waardoor zij in de <i lang="es">calle de los Plateros</i> zouden komen, vier of vijf gemeene kerels als uit den grond schenen op te rijzen, -en de beide vrouwen omsingelden, na met een vuistslag de fakkel, die haar den weg -wees, te hebben uitgebluscht. Den schrik te beschrijven, die het meisje bij deze onverwachte -verschijning overviel, zou onmogelijk zijn; zonder zelfs de kracht te hebben om te -schreeuwen, viel zij voor de bandieten op de knieën. De oude vrouw daarentegen maakte -met haar geschreeuw een vervaarlijk leven. -</p> -<p>De mexicaansche bandieten, allen geslepen kerels, hadden de oude vrouw spoedig tot -zwijgen gebracht, door haar met haar <i lang="es">rebozo</i> (sluier) den mond te stoppen; vervolgens gingen zij, met al de kalmte die zulke waardige -lieden in de uitoefening van hun ambt weten te bewaren, verzekerd als zij zijn van -de toegevendheid der justitie, waaraan zij van hun kant meestal een deel van den buit -afstaan, tot het plunderen van hunne slachtoffers over. Dit werk duurde niet lang, -want niet alleen dachten de vrouwen er niet aan om tegenstand te bieden, maar ontdeden -zij zich zelfs eigenhandig van hare sieraden, die de bandieten, grijnzend van genoegen, -in den zak staken. Doch toen zij hiermede goed aan den gang waren, schitterde er plotseling -een flambouw boven hunne hoofden, en rolden twee der bandieten vloekend en razend -op den grond. Zij, die overeind bleven staan, woedend over dezen onverwachten aanval, -wilden hunne kameraden wreken, en wierpen zich met geweld op den onwelkomen gast. -Deze, zonder zich door hun aantal te laten vervaren, <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>deed een stap achteruit, zette zich schrap, en maakte zich gereed hen naar behooren -te ontvangen. Bij toeval viel het licht der maan even op zijn gelaat. De bandieten -traden verschrikt terug en borgen hunne macheten. -</p> -<p>»Ha ha!” zeide de onbekende met een verachtelijken glimlach, terwijl hij hen naderde; -»gij herkent mij, niet waar? Bij God, ik ben boos, ik heb u juist een les willen geven. -Brengt men zoo mijne bevelen ten uitvoer?” -</p> -<p>De bandieten bleven sprakeloos staan. -</p> -<p>»Komt,” ging de onbekende voort, »maakt uw zakken leêg, rekels, en geeft aan deze -dames alles terug, wat gij haar ontnomen hebt.” -</p> -<p>Zonder aarzelen haalden de roovers de rebozo weder uit den mond der oude vrouw, en -gaven zij den rijken buit, dien zij gemeend hadden zich toe te eigenen, terug. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz kon hare verbazing niet bedwingen; zij zag met de uiterste verwondering een vreemden -man zulk een groot gezag uitoefenen over onbeschaamde bandieten. -</p> -<p>»Is dat wel alles?” vroeg hij aan het meisje; »ontbreekt u niets meer, <span class="corr" id="xd30e2358" title="Bron: Senora">Señora</span>?” -</p> -<p>»Niets, mijnheer,” antwoordde zij meer dood dan levend, zonder zelfs te weten wat -zij zeide. -</p> -<p>»Komt,” ging de onbekende voort, »gaat nu weg, schelmen, ik zal de dames begeleiden.” -</p> -<p>De bandieten lieten het zich geen tweemaal zeggen; zij verdwenen als een vlucht raven, -hunne gewonden met zich voerende. -</p> -<p>Zoodra hij met de beide vrouwen alleen was, wendde de onbekende zich tot <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz. -</p> -<p>»Vergun mij, <span class="corr" id="xd30e2372" title="Bron: Senorita">Señorita</span>, u mijn arm aan te bieden,” zeide hij met de meest mogelijke beleefdheid; »de schrik, -dien gij ondervonden hebt, maakt u het loopen moeielijk.” -</p> -<p>Werktuigelijk en zonder te antwoorden, legde het meisje haar arm in dien, welke haar -werd aangeboden. Aan het paleis gekomen, klopte de onbekende aan de deur, en vervolgens -zijn hoed afnemende, zeide hij: -</p> -<p>»<span class="corr" id="xd30e2378" title="Bron: Senorita">Señorita</span>, ik ben verheugd, dat het toeval mij in de gelegenheid heeft gebracht om u een kleine -dienst te bewijzen … ik zal de eer hebben u nog eens weder te zien. Reeds langen tijd -volg ik in het donker uwe schreden. God, die mij de gunst verleende van eenmaal met -u te spreken, zal mij die ook ten tweeden male toestaan; daarvan ben ik overtuigd, -hoewel gij binnen weinige dagen eene lange reis ondernemen gaat. Vergun mij dus, u -niet een »vaarwel” toe te roepen, maar een »tot weêrziens”!” -</p> -<p>En na een diepe buiging voor het meisje, verwijderde hij zich. -</p> -<p>Veertien dagen na dit zonderlinge avontuur, dat zij beter gevonden had aan haar oom -niet mede te deelen, verliet <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>Mexico, zonder den onbekende te hebben wedergezien. Doch den dag voor haar vertrek -had zij in hare slaapkamer op haar bidstoeltje een gevouwen papier gevonden. Hierop -waren met een fraaie hand deze weinige woorden geschreven: -</p> -<blockquote> -<p class="first">»Gij vertrekt, <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz; denk er om, dat ik u een »tot weêrziens” heb toegeroepen.” -</p> -<p class="signed">Uw redder van la calle de Plateros.”</p> -</blockquote><p> -</p> -<p>Langen tijd had dit voorval den geest van het meisje bezig gehouden; een oogenblik -zelfs had zij gemeend, dat Edelhart en haar onbekende redder een en dezelfde persoon -waren, maar deze veronderstelling was weldra weder geweken. Wat toch zou dit waarschijnlijk -hebben gemaakt? Met welk doel zou Edelhart, na haar gered te hebben, zich dan zoo -snel hebben verwijderd? Daarvoor kon immers geen reden bestaan. -</p> -<p>Maar naarmate het avontuur van Mexico uit haar gedachte week, werd de plaats daarin -aan Edelhart toegestaan, grooter. Zij zou den jager hebben willen zien, met hem hebben -willen spreken. Waarom? Dat wist zij zelve niet; om hem te zien, om zijne stem te -hooren, om zich aan zijn aanblik te verzadigen; nergens anders om. Alle meisjes zijn -zoo. -</p> -<p>Maar hoe zou zij hem wederzien? Dáár verhief zich voor het arme kind eene onmogelijkheid, -die haar moedeloos het hoofd deed buigen. -</p> -<p>En toch, een zeker iets op den bodem haars harten, misschien wel die geheimvolle stem, -die bij het ontwaken der liefde tot de meisjes spreekt, zeide haar, dat weldra haar -verlangen in vervulling zou overgaan. Zij hoopte. Waarop? op een onvoorzien toeval, -misschien wel op een vreeselijk gevaar, dat hen bij elkander zou brengen. De ware -liefde twijfelt soms, zij wanhoopt nooit. -</p> -<p>Vier dagen na de oprichting van het kamp op den heuvel, toen zij des avonds hare tent -binnen trad, glimlachte het meisje inwendig op het zien van haren oom, die zich in -gedachten verzonken, gereed maakte, om zich aan de rust over te geven. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz had eindelijk een middel gevonden, om Edelhart op te zoeken. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5520">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XIII.</h2> -<h2 class="main">DE BIJENJACHT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Nauwelijks verspreidde de zon haar eerste stralen, toen de generaal, wiens paard gezadeld -stond, de rieten hut verliet, die hem tot slaapkamer diende, en zich gereed maakte -om te vertrekken. Juist <span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>toen hij den voet in den stijgbeugel zette, werd het gordijn der tent door een kleine -hand opgelicht, en kwam <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz te voorschijn. -</p> -<p>»Zoo, zoo! reeds op?” zeide de generaal lachend: »des te beter, mijn kind, dan kan -ik u nog omhelzen eer ik wegga; dat zal mij misschien geluk aanbrengen.” -</p> -<p>»Gij moogt zoo niet weggaan, oom,” antwoordde zij, hem haar voorhoofd voorhoudende, -waarop hij een kus drukte. -</p> -<p>»Waarom niet, juffertje?” vroeg hij. -</p> -<p>»Omdat ik iets voor u heb klaar gemaakt, dat gij eerst nog gebruiken moet; dat zult -gij mij niet weigeren, niet waar, beste oom?” zeide zij met dien eigenaardigen glimlach -van bedorven kinderen, die het hart eens grijsaards verkwikt. -</p> -<p>»Neen, zeker niet, lief kind, tenzij het ontbijt, dat gij mij zoo welwillend aanbiedt, -zich niet lang late wachten, want ik heb haast.” -</p> -<p>»Ik vraag maar een uitstel van enkele minuten,” antwoordde zij, de tent wederom binnentredende. -</p> -<p>»Ga uw gang,” zeide hij, haar volgende. -</p> -<p>Het meisje klapte van vreugde in hare handen! -</p> -<p>In een oogwenk was het ontbijt gereed; en de generaal zette zich met zijne nicht aan -tafel. Terwijl zij haar oom bediende, en zorg droeg, dat hem niets ontbrak, zag het -meisje hem met zulk een verlegen blik aan, dat het den ouden soldaat weldra in het -oog viel. -</p> -<p>»Kom,” zeide hij, »gij hebt mij iets te vragen, Lucita; spreek, gij weet wel, dat -ik u niets kan weigeren.” -</p> -<p>»Dat is zoo, oom; maar nu ben ik toch bang, dat ik u niet gemakkelijk zal kunnen overhalen.” -</p> -<p>»Nu, nu!” zeide de generaal vroolijk, »is het dan zulk een zaak van gewicht<span class="corr" id="xd30e2433" title="Bron: .">?</span>” -</p> -<p>»Integendeel, oom; maar toch ben ik bang dat gij uwe toestemming niet geven zult.” -</p> -<p>»Nu spreek, mijn kind, spreek zonder vrees; als gij gezegd hebt zal ik antwoorden.” -</p> -<p>»Welnu,” zeide het meisje, rood wordende, »ik moet u bekennen, dat het leven in het -kamp niets aangenaams voor mij heeft.” -</p> -<p>»Dat begrijp ik, kindlief, maar wat kan ik er aan doen?” -</p> -<p>»Alles.” -</p> -<p>»Hoe dat?” -</p> -<p>»Maar, oom, als gij maar hier waart, zou het niets zijn, dan had ik u bij mij.” -</p> -<p>»Het is heel lief, wat gij daar zegt, maar gij weet, dat ik iederen morgen uitga, -en dat ik niet.…” -</p> -<p>»Daar zit juist de knoop.” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Maar, als gij wilt, zou hij gemakkelijk door te hakken zijn.” -</p> -<p>»Denkt gij dat?” -<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p> -<p>»Ik weet het zeker.” -</p> -<p>»Ik zie het niet in. Het is mij onmogelijk om bij u te blijven.” -</p> -<p>»O, maar het kan wel op een andere wijze gevonden worden.” -</p> -<p>»Neen, neen.” -</p> -<p>»Ja, oom, er is een heel eenvoudig middel.” -</p> -<p>»En welk is dan dat middel, mijn poesje?” -</p> -<p>»Zal oompje niet knorren?” -</p> -<p>»Stoutert, knor ik ooit op u?” -</p> -<p>»Och neen, gij zijt zoo goed!” -</p> -<p>»Nu, laat eens zien, wat wilt gij?” -</p> -<p>»Dat middel, dat ik bedoel, oom, is …” -</p> -<p>»Nu, is.…?” -</p> -<p>»Mij iederen morgen met u mede te nemen.” -</p> -<p>»Ach! ach!” zeide de generaal de wenkbrauwen fronsende, »welk een vraag doet gij mij -daar, lief kind!” -</p> -<p>»Een heel eenvoudige vraag, dunkt mij, oom.” -</p> -<p>De generaal antwoordde niet, hij dacht na. Het meisje volgde angstig op zijn gelaat -het vluchtig spoor zijner gedachten. Na eenige oogenblikken hief hij het hoofd op, -en prevelde: -</p> -<p>»Inderdaad, het zal misschien nog het beste zijn;” en een blik slaande op het meisje, -zeide hij: »Gij zoudt dus gaarne met mij medegaan?” -</p> -<p>»Ja, oom, zeer gaarne,” antwoordde zij. -</p> -<p>»Nu maak u dan maar klaar, voortaan zult gij mij op mijne uitstapjes vergezellen.” -</p> -<p>Het meisje sprong verheugd op, omhelsde haar oom met warmte en gaf bevel om haar paard -te zadelen. Een kwartier later verlieten <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz en haar oom, voorafgegaan door den Babbelaar en gevolgd door twee lanceros de -tent, en verdwenen in het bosch. -</p> -<p>»Welken kant wilt gij heden uit, generaal?” vroeg de gids. -</p> -<p>»Breng mij naar de hutten dier pelsjagers, waarvan gij mij gisteren gesproken hebt.” -</p> -<p>De gids boog, ten teeken van gehoorzaamheid. De kleine troep ging langzaam en moeielijk -voort langs een nauwelijks gebaand voetpad, waar met iedere schrede de paarden in -de lianen verward raakten, of zich stootten tegen de boven den grond uitstekende boomwortels. -<span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz was gelukkig. Misschien zou zij op die tochtjes Edelhart ontmoeten. -</p> -<p>De Babbelaar, die vooruit liep, liet eensklaps een schreeuw hooren. -</p> -<p>»Wel,” zeide de generaal, »wat gebeurt er dan voor buitengewoons, dat gij u verwaardigt -den mond te openen?” -</p> -<p>»Bijen, uwe Excellentie!” -</p> -<p>»Hoe, bijen? zijn hier bijen?” -</p> -<p>»Ja, doch eerst sedert kort.” -</p> -<p>»Hoe, eerst sedert kort?” -</p> -<p>»Ja, gij weet dat de bijen door de blanken in Amerika gebracht zijn.” -<span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span></p> -<p>»Ja. Maar hoe komt het, dat wij ze hier ontmoeten?” -</p> -<p>»O, dat is heel eenvoudig; de bijen zijn de voorloopers der blanken; naarmate de blanken -dieper in Amerika indringen, gaan de bijen hun voor, om hun den weg te banen, en de -plekken aan te wijzen, die ter ontginning geschikt zijn. Hare verschijning in een -onbewoonde landstreek is altijd de voorbode van een kolonie pionniers of squatters.” -</p> -<p>»Dat is vreemd,” prevelde de generaal, »en zijt gij zeker van wat gij daar zegt?” -</p> -<p>»O, heel zeker, uwe Excellentie! Wat ik u daar zeg is aan al de Indianen bekend; zij -vergissen er zich nooit in; naarmate de bijen voortrukken, gaan zij achteruit.” -</p> -<p>»Dat is inderdaad zonderling.” -</p> -<p>»De honing zal wel goed zijn,” zeide <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz. -</p> -<p>»Uitmuntend, <span class="corr" id="xd30e2506" title="Bron: Senorita">Señorita</span>, en zoo gij ze proeven wilt, niets is gemakkelijker dan ze meester te worden.” -</p> -<p>»Ga uw gang,” zeide de generaal. -</p> -<p>De gids, die voor weinige oogenblikken op de struiken eenig aas voor de bijen had -nedergelegd, welke zijn scherpe blik in grooten getale tusschen de bladeren had zien -vliegen, gaf aan allen, die hem volgden, een teeken om stil te staan. -</p> -<p>De bijen hadden zich werkelijk op het aas nedergezet, en onderzochten het van alle -kanten; toen zij genoeg voorraad hadden opgedaan, verhieven zij zich hoog in de lucht, -en vervolgens vlogen zij met de snelheid van een vogel in een rechte lijn voort. -</p> -<p>De gids ging aandachtig de door haar gekozen richting na en een teeken gevende aan -den generaal, volgde hij met den geheelen troep haar spoor, zich een weg banende door -de in elkander geweven takken, en zonder zijne oogen van den hemel af te wenden. Op -deze wijze verloren zij de beladene bijen niet uit het oog, en na een uur gaans zagen -zij, hoe zij bij haar geïmproviseerde korf in de holte van een dooden ebbenhoutboom -aanlandden, een oogenblik er omheen fladderden, en eindelijk naar binnen gingen door -een gat, dat zich tachtig voet boven den grond bevond. Toen waarschuwde de gids zijne -reisgezellen om zich op eerbiedigen afstand te houden, ten einde niet door den boom -verpletterd te worden, en beschut te zijn tegen de wraak zijner bewoners; hij greep -zijn bijl, en begon er dapper op los te hakken. De bijen schenen volstrekt niet bang -te zijn voor de slagen van de bijl, zij bleven in en uitgaan, en zetten onbezorgd -haar arbeid voort. Een hevig gekraak zelfs, de voorbode van den naderenden val des -booms, stoorde haar niet in die vlijt. Eindelijk viel de boom, met een vreeselijk -gedreun, en opende zich over zijne geheele lengte, zoodat de met zooveel zorg bijeenverzamelde -schatten der kleine maatschappij zichtbaar werden. De gids greep onmiddellijk een -bosje hooi, dat hij had gereed gemaakt, en stak het in brand om tegen de bijen beveiligd -<span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>te zijn. Maar zij vielen niemand aan, zij poogden zich niet te wreken. De arme dieren -waren geheel verslagen, zij gonsden en vlogen in alle richtingen voort, zonder aan -iets anders te denken, dan aan de mogelijke oorzaak van dit onheil. Ondertusschen -begonnen de gids en de lanceros ijverig met lepels en sabels de honigraten te voorschijn -te halen en in lederen zakken te bergen. Sommigen waren donkerbruin en van ouden datum, -anderen helder blank; de honig in de cellen was bijna doorschijnend. -</p> -<p>Terwijl men zich haastte om zich van de beste honigraten meester te maken, kwamen -van alle kanten tallooze zwermen bijen aanvliegen, die zich in de cellen der gebrokene -raten dompelden en groote ladingen mede namen; de overige bewoners van den korf zagen -ondertusschen treurig en somber het plunderen van hunne woning aan, zonder zelfs eene -poging aan te wenden, om ook maar het minste te redden. De verslagenheid der bijen, -die op het oogenblik van het onheil afwezig waren, en nu de een, dan de ander, met -hare lading aankwamen, is onmogelijk te beschrijven: zij beschreven cirkels in de -lucht, rondom de plek, waar de boom gestaan had, verwonderd die thans ledig te vinden; -eindelijk schenen zij hare ramp te beseffen, en verzamelden zij zich groepsgewijze -op een verdorden tak van een naburigen boom, als om van daar de puinhoopen van haar -rijk in oogenschouw te nemen en over de verwoesting daarvan te klagen. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz was haars ondanks bewogen over het verdriet van die arme dieren. -</p> -<p>»Ach,” zeide zij, »het spijt mij dat ik naar honig verlangd heb; mijne gulzigheid -is voor vele wezens de oorzaak van een groot ongeluk.” -</p> -<p>»Laat ons gaan,” zeide de generaal glimlachend, »en hun deze weinige raten laten behouden.” -</p> -<p>»O,” zeide de gids, de schouders ophalend, »weldra zullen zij door het wild gedierte -zijn weggehaald.” -</p> -<p>»Hoe, door het wild gedierte? door welk wild gedierte?” vroeg de generaal. -</p> -<p>»Door de <i>racoons</i>, door de <i>opossums</i> en vooral door de beren.” -</p> -<p>»Door de beren?” zeide <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz. -</p> -<p>»O, <span class="corr" id="xd30e2539" title="Bron: Senorita">Señorita</span>,” hernam de gids, »dat zijn de slimste dieren om een bijenboom te ontdekken, en er -hun voordeel mede te doen.” -</p> -<p>»Zij houden dus van honig?” vroeg het meisje nieuwsgierig. -</p> -<p>»Zij zijn er dol op, <span class="corr" id="xd30e2546" title="Bron: Senorita">Señorita</span>,” antwoordde de gids, die los begon te worden; »verbeeld u, zij zijn zoo gulzig, -dat zij weken lang aan een boom knagen, totdat zij een gat hebben gemaakt, groot genoeg -om er hunne pooten door te steken, en dan nemen zij de honig en de bijen mede, zonder -zich de moeite te geven van te kiezen.” -</p> -<p>»Laat ons nu,” zeide de generaal, »onze reis hervatten en ons naar de pelsjagers begeven.” -<span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span></p> -<p>»O, wij zullen er weldra zijn, uwe Excellentie,” antwoordde de gids; »wij zijn nog -maar weinige schreden van de groote Canadasche rivier verwijderd, aan welker oevers -zich de pelsjagers gevestigd hebben.” -</p> -<p>De kleine troep hervatte zijn tocht. De bijenjacht had onwillekeurig een treurigen -indruk bij het meisje achtergelaten; die arme kleine dieren, zoo onschuldig en ijverig, -om een loutere gril aangevallen en verjaagd, wekten haar medelijden en nadenken op. -Haar oom werd dit gewaar. -</p> -<p>»Lief kind,” zeide hij, »wat gaat er in u om? gij zijt niet meer zoo vroolijk, als -toen wij vertrokken. Vanwaar die plotselinge verandering?” -</p> -<p>»Och, oom, maak u daarover niet ongerust, ik ben evenals alle jonge meisjes een beetje -dwaas en grillig, die bijenjacht waarvan ik mij zooveel genoegen voorstelde, heeft -mij onwillekeurig tot treurigheid gestemd.” -</p> -<p>»Gelukkig kind!” prevelde de generaal, »dat nog om zulk een nietige oorzaak bedroefd -kan worden; God geve, mijne lieve, dat gij nog lang zoo blijven moogt, en dat nooit -grootere en diepere smarten u treffen.” -</p> -<p>»Beste oom, zal ik bij u niet altijd gelukkig zijn?” -</p> -<p>»Helaas! mijn kind, wie weet of het Gods wil is, dat ik nog lang bij u zal blijven?” -</p> -<p>»Zeg dat niet, oom, ik hoop dat wij nog lange jaren te zamen zullen doorbrengen.” -</p> -<p>De generaal antwoordde slechts met een zucht. -</p> -<p>»Oom,” hernam het meisje, na een oogenblik zwijgens: »vindt gij niet, dat het gezicht -der grootsche en verheven natuur om ons heen iets aangrijpends heeft, dat de gedachte -veredelt, de ziel verheft en den mensen beter maakt? Wat moeten zij, die in die onbegrensde, -eenzame wildernis leven, gelukkig zijn!” -</p> -<p>De generaal zag haar verwonderd aan. -</p> -<p>»Van waar komen u die gedachten, lief kind?” zeide hij. -</p> -<p>»Ik weet het niet, oom,” antwoordde zij verlegen; »ik ben maar een dom meisje, dat -tot nu toe stil en vreedzaam naast u heb voortgeleefd; maar er zijn oogenblikken, -waarin het mij toeschijnt, dat ik gelukkig zou wezen, indien ik in die uitgestrekte -woestijnen leven mocht.” -</p> -<p>De generaal, verrast, en inwendig verrukt over de onschuldige openhartigheid van zijne -nicht, maakte zich gereed om haar te antwoorden, toen de gids eensklaps nader bij -kwam, een teeken gaf om de stilte te bewaren, en met een stem, zacht als een ademtocht, -zeide: -</p> -<p>»Een mensch!.…” -</p> -<p></p> -<div class="figure p088width"><img src="images/p088.jpg" alt="... en met een stem, zacht als een ademtogt, zeide: „Een mensch!....” bladz. 88." width="720" height="500"><p class="figureHead">… en met een stem, zacht als een ademtogt, zeide: „Een mensch!.…” bladz. 88.</p> -</div><p> -<span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch1.14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5530">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XIV.</h2> -<h2 class="main">DE ZWARTE ELAND.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Allen bleven staan. Het woord »mensch” beteekent in de woestijn bijna altijd een vijand. -De mensch is in de woestijn nog meer gevreesd door zijns gelijken, dan het bloeddorstigste -wilde dier. Een mensch, dat is een mededinger, een opgedrongen aandeelhouder, die -volgens het recht van den sterkste met den eersten bezitter komt deelen, en hem dikwijls, -om niet te zeggen altijd, de vrucht van zijn ondankbaren arbeid poogt te ontstelen. -De blanken, Indianen, of mestiezen, als zij elkander in de prairie ontmoeten, groeten -elkaâr dan ook altijd met loerenden blik, gespitste ooren, en den vinger op den trekker -van hun geweer. -</p> -<p>Op het hooren van dat woord: een mensch! maakten zich de generaal en de lanceros terstond -gereed, om een aanval te kunnen afwachten; zij laadden hunne geweren, en verscholen -zich, zoo goed zij konden, achter de struiken. Vijftig passen voor hen uit bevond -zich een persoon, die, met beide handen op den loop van een lang geweer rustende, -hen opmerkzaam gadesloeg. Het was een lang, forsch gebouwd man, met krachtige trekken, -en een vrijen en vasten blik. Zijn lang haar was netjes gevlochten en met ottervellen -en verschillend gekleurde linten versierd. Een lederen jachtkiel viel hem tot op de -knieën, slobkousen van eene zonderlinge snede, met koorden, franjes en tallooze knoopjes -opgetuigd, omgaven zijne beenen; zijn schoeisel bestond uit een paar prachtige mocksens -met valsche paarlen geborduurd. Een scharlaken kleed bedekte zijne schouders, en was -om zijne heupen gebonden door middel van een gordel, waarin zich twee pistolen, een -mes en een indiaansche pijp bevonden. Zijn karabijn was met vermiljoen bestreken en -met kleine koperen spijkertjes gemonteerd. Niet ver van hem verwijderd graasde zijn -paard, dat evenals hij zelf, op de zonderlingste wijze uitgedost en hier en daar met -vermiljoen besmeerd was; het hoofdstel, de teugels en de broek waren met valsche paarlen -en kokardes versierd; de kop, de manen en de staart prijkten met tallooze arendsvederen, -die golvend op en neder wuifden. -</p> -<p>Op het gezicht van dezen man, kon de generaal een kreet van verrassing niet weêrhouden. -</p> -<p>»Tot welken indiaanschen stam behoort die man?” vroeg hij aan den gids. -</p> -<p>»Tot geene,” antwoordde deze. -</p> -<p>»Hoe, tot geene?” -</p> -<p>»Neen, het is een blanke pelsjager.” -</p> -<p>»Aldus gekleed?” -</p> -<p>De gids haalde de schouders op. -<span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span></p> -<p>»Wij zijn in de prairiën,” zeide hij. -</p> -<p>»Dat is waar,” mompelde de generaal. -</p> -<p>De persoon ondertusschen, dien wij boven beschreven hebben, scheen het aarzelen van -den kleinen troep vóór hem moede te worden, en willende weten waaraan hij zich te -houden had, nam hij stoutmoedig het woord. -</p> -<p>»Hei! heidaar!” riep hij in ’t Engelsch, »wie duivel zijt gij, en wat komt gij hier -zoeken?” -</p> -<p>»Caramba!” antwoordde de generaal, zijn geweer naar achteren werpende, en aan zijne -reisgenooten bevelende om evenzoo te doen, »wij zijn reizigers, die een langen tocht -achter den rug hebben; de zon is heet, wij vragen uwe toestemming om eenige oogenblikken -in uwe <i lang="es">rancho</i> (hut) uit te rusten.” -</p> -<p>Deze woorden werden in het Spaansch gesproken; de Pelsjager antwoordde in dezelfde -taal: -</p> -<p>»Nadert onbevreesd; <i>de Zwarte Eland</i> is een goede kerel, als men hem niet tracht te verbitteren; gij zult het weinige -dat ik bezit, met mij deelen, en het moge u wel bekomen.” -</p> -<p>Op het hooren van dien naam kon de gids een beweging van schrik niet weerhouden; hij -wilde zelfs iets zeggen, maar had er den tijd niet toe, want de jager, zijn geweer -over den schouder leggende, en zich met één sprong in den zadel werpende, was den -Mexicanen reeds genaderd. -</p> -<p>»Mijne rancho is niet ver van hier,” zeide hij tot den generaal; »als de <span class="corr" id="xd30e2606" title="Bron: senorita">señorita</span> een goed toebereiden bisonbult niet versmaadt, dan kan ik haar die galanterie bewijzen.” -</p> -<p>»Ik dank u, Caballero,” antwoordde het meisje glimlachend; »ik betuig u, dat ik voor -het oogenblik meer behoefte heb aan rust dan aan iets anders.” -</p> -<p>»Alles op zijn tijd,” zeide de jager deftig, »vergun mij, gedurende eenige oogenblikken, -uw gids af te lossen.” -</p> -<p>»Wij geven ons aan uw geleide over,” zeide de generaal; »ga, wij volgen<span class="corr" id="xd30e2614" title="Niet in bron">.</span>” -</p> -<p>»Voorwaarts dan,” hernam de pelsjager, zich aan het hoofd van den troep plaatsende. -Terwijl hij dit zeide, vielen zijne oogen toevallig op den gids; zijne wenkbrauwen -fronsten zich: »Hm!” mompelde hij tusschen de tanden, »wat beteekent dat? wij zullen -zien.” En zonder zich schijnbaar meer om dien man te bekommeren, zonder zelfs te toonen -dat hij hem herkende, gaf hij het teeken tot vertrek. -</p> -<p>Na eenigen tijd stilzwijgend langs een vrij breede beek te zijn voortgegaan, maakte -de jager op eens een hoek, en ging hij op nieuw het bosch in. -</p> -<p>»Ik vraag u vergeving,” zeide hij, »voor den omweg, dien ik u laat maken; maar er -is hier een bevervijver, en ik ben bang hen te zullen verschrikken.” -<span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span></p> -<p>»O,” riep het meisje uit, »hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik die nijvere dieren -eens mocht zien arbeiden!” -</p> -<p>De jager bleef staan. -</p> -<p>»Niets is gemakkelijker, <span class="corr" id="xd30e2625" title="Bron: Senorita">Señorita</span>,” zeide hij, »zoo gij mij volgen wilt, terwijl uwe reisgenooten hier blijven wachten -zal ik er u brengen.” -</p> -<p>»Ja, ja!” antwoordde <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz levendig; maar, zich eensklaps bezinnende, hervatte zij: »O, vergeving oom!” -</p> -<p>De generaal wierp een blik op den jager. -</p> -<p>»Ga, mijn kind, wij zullen u hier wachten,” zeide hij. -</p> -<p>»Dank u, oom,” zeide het meisje verheugd, en van haar paard springende. -</p> -<p>»Ik sta u borg voor haar,” zeide de jager, »vrees niets.” -</p> -<p>»Ik vrees niets, ik vertrouw haar u toe, mijn vriend,” antwoordde de generaal. -</p> -<p>»Verplicht!” en een teeken gevende aan <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, verdween de Zwarte Eland met haar te midden van de struiken en boomen. -</p> -<p>Toen zij op zekeren afstand gekomen waren, bleef de jager staan. Na aan alle kanten -geluisterd en gekeken te hebben, wendde hij zich tot het meisje, legde haar zachtjes -zijne hand op den schouder, en zeide: »Luister.” -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz bleef ongerust en bevend staan. De jager bemerkte haar angst. -</p> -<p>»Vrees niet,” hernam hij, »ik ben een eerlijk man: gij zijt hier in deze woestijn, -met mij alleen, even veilig, alsof gij u in de kathedraal van Mexico, aan den voet -van het altaar bevondt.” -</p> -<p>Het meisje wierp steelsgewijze een blik op den jager: ondanks zijn zonderling kostuum -had zijn gelaat zulk een openhartige uitdrukking, en was zijn oog zoo helder en zacht -op haar gevestigd, dat zij volkomen gerust gesteld werd. -</p> -<p>»Spreek,” zeide zij. -</p> -<p>»Gij behoort,” hernam de jager, »want ik herken u nu, tot dien troep vreemdelingen, -die sedert eenige dagen de prairie in alle richtingen doorkruist, is het niet waar?” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Onder u bevindt zich een halve gek met een blauwen bril en een blonde pruik, en die -zich, waarom weet ik niet, vermaakt met het bijeenzamelen van planten en steenen, -in plaats van, gelijk een braaf jager past, bevers te verschalken en herten te schieten.” -</p> -<p>»Ik ken den man van wien gij spreekt, hij maakt werkelijk een deel van onzen troep -uit, het is een zeer geleerde doctor.” -</p> -<p>»Dat weet ik, hij heeft het mij gezegd; hij komt dikwijls hierheen, wij zijn goede -vrienden; door middel van een poeder, dat hij mij heeft doen innemen, heeft hij mij -volkomen verlost van eene koorts, die mij sinds twee maanden kwelde, en waarvan ik -mij vergeefs poogde te ontslaan.” -<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span></p> -<p>»Zooveel te beter; ik ben blijde over dien goeden uitslag.” -</p> -<p>»Ik zou wel iets voor u willen doen, om die dienst terug te betalen.” -</p> -<p>»Verplicht, mijn vriend, maar ik weet niet waarmede gij mij van dienst zoudt kunnen -zijn, behalve mij de bevers te laten zien.” -</p> -<p>De jager schudde het hoofd. -</p> -<p>»Misschien met iets anders, en wellicht eer dan gij denkt,” zeide hij. »Luister goed, -<span class="corr" id="xd30e2666" title="Bron: Senorita">Señorita</span>, ik ben maar een arm man, maar hier in de woestijn weten wij veel, dat God ons openbaart, -omdat wij van aangezicht tot aangezicht met Hem verkeeren; ik wil u een goeden raad -geven: de man die u tot gids dient, is een volleerde schurk; hij staat als zoodanig -in de prairiën van het Westen bekend; ik moet mij zeer vergissen of hij zal u in een -strik doen vallen; er is hier geen gebrek aan slechte menschen, met wie hij zich kan -verstaan om u ongelukkig te maken, of ten minste om u uit te plunderen.” -</p> -<p>»Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?” riep het meisje, verschrikt over die woorden, -die zoo zonderling overeenkwamen met hetgeen Edelhart haar gezegd had. -</p> -<p>»Ik ben er even zeker van als van iets anders, dat men bezweren kan zonder afdoende -bewijzen te hebben; ik ben verplicht u te zeggen, dat, na hetgeen vroeger met den -Babbelaar gebeurd is, men voor hem op zijne hoede moet wezen; geloof mij, zoo hij -u nog niet verraden heeft, zal het toch niet lang meer duren of hij doet het.” -</p> -<p>»Groote God, ik zal mijn oom waarschuwen!” -</p> -<p>»Wacht u daarvoor, gij zoudt daarmede alles op het spel zetten; de lieden, met welke -uw gids zich verstaat, of zich spoedig verstaan zal, zijn talrijk en onverschrokken, -en weten alles wat er in de prairie omgaat.” -</p> -<p>»Wat moeten wij dan doen?” vroeg het meisje angstig. -</p> -<p>»Niets. Wachten, en zonder er den schijn van aan te nemen, zorgvuldig al de gangen -van uw gids bespieden.” -</p> -<p>»Maar.…” -</p> -<p>»Gij begrijpt wel,” viel de jager in, »dat, zoo ik u aanraad den Babbelaar te wantrouwen, -ik dat niet doe, om u, als de nood aan den man is, in den steek te laten.” -</p> -<p>»Ik geloof u.” -</p> -<p>»Welnu, zie hier wat gij doen moet; zoodra gij zekerheid hebben zult, dat uw gids -u verraadt, zult gij dien gekken ouden doctor tot mij zenden; gij kunt op hem vertrouwen, -niet waar.” -</p> -<p>»Volkomen.” -</p> -<p>»Goed. Dan zult gij, zooals ik gezegd heb, hem tot mij zenden, met den last, om alleen -deze woorden uit te spreken: <i>Zwarte Eland!</i> De Zwarte Eland, ben ik.” -</p> -<p>»Dat weet ik, gij hebt het ons gezegd.” -</p> -<p>»Best. Hij moet dan zeggen: <i>Zwarte Eland, het uur is geslagen</i>. Niets anders. Gij kunt dit immers wel onthouden?” -<span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span></p> -<p>»Heel goed. Alleen begrijp ik niet recht, in welk opzicht ons dit nuttig zal kunnen -zijn.” -</p> -<p>De jager glimlachte geheimzinnig. -</p> -<p>»Hm!” zeide hij na een oogenblik zwijgens, »die weinige woorden zullen in twee uur -tijds vijftig der vastberadenste mannen uit de prairie om u scharen. Mannen, die op -een teeken van hun opperhoofd zich zullen laten dooden om u uit de handen uwer overweldigers -te rukken, wanneer, hetgeen ik voorzie, gebeuren zal.” -</p> -<p>Er volgde een oogenblik stilte, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz mijmerde. De jager hernam glimlachend: -</p> -<p>»Verwonder u niet over de levendige belangstelling, die ik u betoon, een man, die -mij geheel door zijn invloed beheerscht, heeft mij laten zweren, dat ik, terwijl hij -om dringende redenen voor eenigen tijd afwezig moest zijn, in zijne plaats voor u -waken zou.” -</p> -<p>»Wat bedoelt gij?” vroeg zij nieuwsgierig, »en wie is die man?” -</p> -<p>»Die man is een jager; die het bevel voert over al de blanke pelsjagers der prairiën; -wetende, dat gij den Babbelaar tot gids hebt, heeft hij vermoed, dat die mesties plan -had u in een hinderlaag te lokken.” -</p> -<p>»Maar de naam van dien man?” riep zij op angstigen toon. -</p> -<p>»Is Edelhart. Zult gij nu vertrouwen in mij stellen?” -</p> -<p>»Ik dank u, mijn vriend, ik dank u,” antwoordde het meisje in verwarring; »ik zal -nooit uwe aanbeveling vergeten en als het oogenblik van gevaar daar is, zal ik niet -aarzelen u aan uwe belofte te herinneren.” -</p> -<p>»En gij zult wél doen, <span class="corr" id="xd30e2708" title="Bron: Senorita">Señorita</span>, omdat het de eenige kans van behoud is, die u dan zal overschieten. Kom, gij hebt -mij begrepen, alles is in orde, houd ons gesprek voor u; maar bovenal, wacht u voor -den schijn alsof gij u met mij verstaan hebt; die duivel van een mesties is slim als -een bever, zoo hij den minsten argwaan koesterde, zou hij u als een adder door de -vingers glijden.” -</p> -<p>»Wees gerust, ik zal zwijgen.” -</p> -<p>»Laat ons nu onzen tocht naar den bevervijver voortzetten. Edelhart waakt over u.” -</p> -<p>»Hij heeft ons reeds eenmaal het leven gered, laatst bij den brand der prairie,” zeide -zij levendig. -</p> -<p>»Ha, ha!” prevelde de jager, een vreemden blik op haar vestigende, »de zaken staan -goed;” vervolgens voegde hij er hardop bij: »Vrees niet, <span class="corr" id="xd30e2717" title="Bron: Senorita">Señorita</span>; zoo gij stipt den raad, dien ik u gegeven heb, opvolgt, zal u in de prairie niets -overkomen, aan welke schelmerijen gij ook moogt zijn blootgesteld.” -</p> -<p>»O,” riep zij uit, »als het uur van gevaar slaat, zal ik niet aarzelen tot u te komen, -dat zweer ik u!” -</p> -<p>»Dat is dan afgesproken,” zeide de Zwarte Eland glimlachend; »laat ons nu de bevers -gaan zien.” Zij hervatten hunnen tocht, en na eenige oogenblikken kwamen zij aan den -rand van het woud. <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>Daar bleef de jager staan, gaf aan het meisje een teeken, dat zij zich niet verroeren -zou, en zich tot haar wendende, zeide hij: »Ziehier.” -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5540">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XV.</h2> -<h2 class="main">DE BEVERS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het meisje schoof de wilgentakken weg, en met voorover gebogen hoofd, keek zij toe. -</p> -<p>De bevers hadden niet alleen, door gemeenschappelijken ijver, den loop der rivier, -maar ook dien van alle beken, die er in uitliepen, gestremd, zoodat de omliggende -grond geheel in een uitgestrekt moeras was herschapen. Een enkele bever werkte op -dit oogenblik aan de hoofdsluis; maar weldra kwamen er nog vijf anderen met stukken -hout, kluiten en takken aandragen. Met hun allen wendden zij zich nu naar een gedeelte -van den dijk, dat, gelijk het meisje zag, herstelling noodig had. Zij legden hunne -vracht op het gebrokene deel neder, en dompelden zich in het water, om bijna onmiddellijk -weder boven te komen, ieder met een zekere hoeveelheid slik beladen, waarvan zij zich -als van kalk bedienden, om de stukken hout en takken aan elkander te verbinden, dit -gemetsel duurde zoolang, totdat de breuk geheel verdwenen was. Zoodra alles gereed -was, schepten de nijvere dieren een oogenblik adem; zij vervolgden elkander in den -vijver, doken onder of speelden op de oppervlakte, en sloegen het water, zoo hard -zij konden met hunne staarten. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz zag dit zonderlinge schouwspel met klimmende belangstelling aan. Zij had daar -wel den geheelen dag willen blijven, om naar die vreemde dieren te zien. -</p> -<p>Terwijl deze bevers zich aldus vermaakten, kwamen er twee andere leden dier maatschappij -te voorschijn. Een tijdlang zagen zij diepzinnig de spelen hunner makkers aan, zonder -zelfs maar den schijn aan te nemen, of zij wilden mededoen; vervolgens tegen den kant -opklimmende, niet ver van de plek waar de jager en het meisje op den uitkijk zaten, -zetten zij zich op hun achterste pooten, leunden met de voorsten tegen een der jonge -pijnboomen, en begonnen er de schors af te knagen. Nu en dan haalden zij er een klein -stukje af, en hielden het tusschen de pooten, zonder van houding te veranderen; zij -knabbelden er aan ongeveer met dezelfde verdraaiingen en grimassen, waarmede een aap -een nootje oppeuzelt. Het klaarblijkelijk doel der bevers was den boom door te zagen, -en zij werkten er met veel ijver aan. Het was een jonge pijnboom, zoo recht als een -kaars, vrij hoog, en omstreeks 18 duim diameter dik, namelijk op de plaats waar zij -er aan werkten. Zonder twijfel zouden zij hem <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>binnen kort geheel hebben doorgevijld, zoo niet de generaal, ongerust geworden over -het lang uitblijven zijner nicht, besloten had haar te gaan zoeken, waardoor de bevers, -verschrikt door het paardengetrappel, onderdoken en plotseling verdwenen. -</p> -<p>De generaal deed zijne nicht kleine verwijten over haar langdurige afwezigheid; maar -het meisje, verrukt over hetgeen zij zag, bekommerde er zich niet veel om, en deed -bij zich zelve de stille gelofte, om nog eenmaal onzichtbaar getuige te zijn van den -arbeid der bevers. -</p> -<p>De kleine troep richtte zich, onder de leiding van den jager, naar de rancho, waarin -hij haar eene schuilplaats aanbood tegen de gloeiende stralen der zon, die juist de -middaghoogte had bereikt. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz, wier nieuwsgierigheid, door het treffende schouwspel dat zij had bijgewoond, -ten hoogste was opgewekt, stelde zich schadeloos voor de ongelukkige tusschenkomst -van haar oom door den Zwarten Eland te ondervragen over de gewoonten der bevers en -over de wijze waarop zij gevangen worden. De jager, evenals alle menschen, die gewoonlijk -alleen zijn, haalde gaarne, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood, zijn schade -wat het praten betrof in; hij liet zich dan ook niet lang bidden. -</p> -<p>»O, o, <span class="corr" id="xd30e2747" title="Bron: Senorita">Señorita</span>,” zeide hij, »de Roodhuiden zeggen, dat de bever een mensch is die niet spreekt, -en zij hebben gelijk; hij is wijs, voorzichtig, dapper, ijverig en zuinig. Als de -winter komt, dan wordt het heele huishouden aan ’t werk gezet, om provisie op te doen; -ouden en jongen, allen werken. Dikwijls doen zij lange reizen, om de schors te vinden -waarvan zij het meest houden. Zij houwen vaak vrij dikke boomen om, en nemen er de -takken af, wier schors hun het meest bevalt; zij zagen die in stukken van omstreeks -drie voet, brengen ze te water en laten ze naar hunne hutten drijven, om ze aldaar -op te stapelen. Hunne woningen zijn netjes en gemakkelijk; na gegeten te hebben, werpen -zij de stukken hout waarvan zij de schors hebben afgeknaagd, in de rivier, aan gene -zijde van de sluis. Nooit staan zij aan een vreemden bever toe om zich bij hen te -komen vestigen, en dikwijls vechten zij met het grootste geweld om hun grondgebied -te verdedigen.” -</p> -<p>»Ik heb nooit iets dergelijks gehoord,” zeide het meisje. -</p> -<p>»O, maar dat is alles nog niet,” hernam de jager. »In de lente, wanneer zij ruien, -laat het mannetje het wijfje alleen thuis en gaat hij als een groot heer een pleizierreisje -maken, waarbij hij dan dikwijls groote afstanden aflegt, zich vermakende in het heldere -water dat hij ontmoet, en tegen de oevers opklauterende, om de tengere stammen van -jonge populieren of wilgen af te knabbelen. Maar als de zomer nadert, dan laat hij -zijne levenswijze als alleenloopend gezel varen, herinnert zich zijne plichten als -huisvader, keert naar zijne vrouw en naar zijn pasgeboren kroost terug, en geeft aan -dit laatste onderwijs in het opdoen van winterprovisie.” -<span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span></p> -<p>»Waarlijk,” zeide de generaal, »dat dier is een der merkwaardigste van geheel de schepping.” -</p> -<p>»Ja,” voegde <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz er bij, »en ik begrijp niet, hoe men er zoo koelbloedig jacht op kan maken, evenals -op een schadelijk dier.” -</p> -<p>»Ach! wat wilt gij dan, <span class="corr" id="xd30e2763" title="Bron: Senorita">Señorita</span>?” gaf de jager wijsgeerig ten antwoord; »alle dieren zijn voor den mensch geschapen; -en dit vooral, daar zijne huid zoo kostbaar is.” -</p> -<p>»Dat is waar,” zeide de generaal; »maar,<span class="corr" id="xd30e2768" title="Niet in bron">”</span> voegde hij er bij, <span class="corr" id="xd30e2770" title="Niet in bron">»</span>hoe maakt gij die jacht? alle bevers hebben niet zooveel vertrouwen als deze; er zijn -er die hunne hutten met veel zorg verbergen.” -</p> -<p>»Ja,” antwoordde de Zwarte Eland, »maar de gewoonte heeft den ervaren jager een zoo -vast oog gegeven, dat hij aan het minste teeken het spoor van een bever ontdekt, en -al is de hut ook nog zoo zorgvuldig onder de dikke takken en onder de wilgen, die -haar overschaduwen, verborgen, gebeurt het toch maar zelden, dat hij niet het juiste -getal harer bewoners raadt. Hij zet dan zijn val, plaatst haar aan den oever, twee -of drie duim onder de oppervlakte van het water, en maakt haar met een ketting vast -aan een diep in het slijk of in het zand geboorden paal. Een klein takje wordt dan -van zijne schors ontdaan en in de <i>medicijn</i>, gelijk wij het lokaas noemen, gedoopt; dat takje wordt zoodanig geplaatst, dat het -drie of vier duim boven het water uitsteekt, terwijl het van onderen aan de opening -der val is vastgehecht. De bever, die een zeer fijnen reuk heeft, wordt weldra door -den geur van het lokaas aangetrokken. Zoodra hij zijn snuit naar voren brengt, om -er zich meester van te maken, raakt zijn voet in de val; verschrikt duikt hij onder; -de val gaat met hem mede, maar biedt aan al zijn streven om los te komen weêrstand; -hij worstelt een tijd lang; maar eindelijk zinkt hij uitgeput naar omlaag, en verdrinkt. -Ziedaar, <span class="corr" id="xd30e2776" title="Bron: Senorita">Señorita</span>, de wijze, waarop gewoonlijk de bevers gevangen worden. -</p> -<p>»Maar in de rotsbeddingen, waar het niet mogelijk is een paal in den grond te slaan, -om er de val aan vast te maken, zijn wij dikwijls verplicht groote en zelfs gevaarlijke -nasporingen te doen, om de gevangen bevers te vinden. Het gebeurt ook wel, als er -verscheidene leden van één huisgezin gevangen genomen zijn, dat de andere wantrouwend -worden. Alsdan, hoe groot ook onze listen mogen zijn, is het onmogelijk, hen in het -lokaas te doen happen. Zij naderen de vallen heel voorzichtig, ontspannen de veêr -met een stokje, en werpen dikwijls de vallen onderst boven, slepen ze onder een hunner -sluizen, en stoppen ze weg in het slijk.” -</p> -<p>»En dan?” vroeg het meisje. -</p> -<p>»Dan,” hernam de Zwarte Eland, »schiet er maar één ding over, dat is, onze vallen -op den rug te nemen, ons door de bevers overwonnen te verklaren en verder op, naar -andere, minder in den krijg bedrevene te gaan zoeken. Maar zie hier mijne rancho.” -</p> -<p>De reizigers waren bij een ellendige hut gekomen, samengesteld <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>uit in elkander gevlochten takken, nauwelijks goed genoeg om hen tegen de stralen -der zon te beschutten, en wat achteloosheid betreft, in alles volkomen gelijk aan -die van de andere jagers der prairiën, die zich het minst van alle menschen om de -gemakken des levens bekommeren. Doch hoe dan ook, de Zwarte Eland nam er hoffelijk -de honneurs waar. -</p> -<p>Een tweede jager zat voor de hut, bezig met op het koken der bisonbult te letten, -waarvan de Zwarte Eland aan zijne gasten melding had gemaakt. Deze man, wiens kostuum -volmaakt op dat van den Zwarten Eland geleek, was te naastenbij veertig jaar; maar -de vermoeienissen en de tallooze onheilen van zijn beroep hadden op zijn gelaat een -netwerk van diepe rimpels gegroefd, die hem veel ouder deden schijnen dan hij werkelijk -was. En inderdaad, er is ter wereld geen gevaarlijker, geen moeielijker, geen minder -winstgevend beroep dan dat van pelsjager. De arme menschen worden vaak, hetzij door -de Indianen, hetzij door andere jagers beroofd van al hunne met moeite bijeenvergaderde -winst, gescalpeerd en vermoord, zonder dat iemand zich het hoofd breekt met de vraag, -wat er van hen geworden is. -</p> -<p>»Neem plaats, <span class="corr" id="xd30e2790" title="Bron: senorita">señorita</span>, en gij ook mijne heeren,” zeide de Zwarte Eland beleefd; »mijn huis, hoe arm het -zijn mag, is toch groot genoeg om u allen te bergen.” -</p> -<p>De jagers namen zijn aanbod gretig aan, stegen af, en bevonden zich weldra gemakkelijk -uitgestrekt op rustbedden van droge bladeren, bedekt met de huiden van bevers, elanden -en bisons. -</p> -<p>Het maal, een recht jagersmaal, werd besproeid met eenige <i>couïs</i> (bekers) uitmuntenden mezcal, dien de generaal altijd op zijne tochten medenam, en -dien de jagers naar verdienste waardeerden. -</p> -<p>Terwijl <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, de gids en de lanceros gedurende eenige oogenblikken de gewone siësta hielden, -om de grootste hitte te laten voorbijgaan, verzocht de generaal den Zwarten Eland -om hem te volgen, en verliet met hem de hut. Zoodra zij zich ver genoeg verwijderd -hadden, zette de generaal zich aan den voet van een ebbenhoutboom neder, en noodigde -zijn gastheer uit om hetzelfde te doen, hetgeen deze dan ook onmiddellijk deed. Na -een oogenblik stilte nam de generaal het woord: -</p> -<p>»Mijn vriend,” zeide hij, »sta mij eerst toe, dat ik u bedank voor uwe gulle gastvrijheid. -Daarna wensch ik eenige vragen tot u te richten.” -</p> -<p>»Caballero!” antwoordde de jager met drift, »gij weet wat de Roodhuiden gewoon zijn -te zeggen; doet tusschen ieder woord een trek aan uw <i>calumet</i> (vredespijp), opdat geen onbedacht woord aan uw mond ontvalle.” -</p> -<p>»Gij spreekt als een verstandig man, maar wees gerust, ik ben niet van plan u vragen -te doen, die betrekking hebben op uw beroep, of op iets anders, dat u persoonlijk -aangaat.” -<span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span></p> -<p>»Zoo ik u kan antwoorden, Caballero, zal ik niet aarzelen u te voldoen.” -</p> -<p>»Verplicht, mijn vriend, ik verwachtte niets minder van u; hoe lang woont gij al in -de prairiën<span class="corr" id="xd30e2814" title="Bron: !">?</span>” -</p> -<p>»Al tien jaar, mijnheer, en God geve dat ik er nog even zoovele mag doorbrengen.” -</p> -<p>»Dat leven bevalt u dus?” -</p> -<p>»Meer dan ik u zou kunnen zeggen.—Men moet het evenals ik, als kind begonnen zijn, -er al de beproevingen van ondervonden, al het lijden van geleden, al de gevaren van -doorgestaan hebben, om de bekoorlijkheden die het schenkt, de hemelsche zaligheid -die het oplevert, en de onbekende genoegens waarmede het ons overlaadt, te begrijpen! -O, Caballero, de schoonste en grootste stad van het oude Europa is wel klein, wel -morsig en wel popperig, bij de woestijn vergeleken. Uw gebonden, geregeld en afgemeten -leven is wel armzalig bij het onze! Het is hier alleen, dat de mensch ruim ademt, -dat hij leeft, dat hij denkt! De overbeschaving doet hem bijna tot den rang van het -dier afdalen hem niet meer instinct overlatende, dan noodig is om zijn ellendig doelwit -na te jagen. In de prairie daarentegen, waar hij van aangezicht tot aangezicht tegenover -God staat, breiden zijne gedachten zich uit, verruimt zich zijn gemoed, en wordt hij -werkelijk, wat het hoogste wezen van hem heeft willen maken, namelijk heer der schepping.” -</p> -<p>Terwijl hij deze woorden uitsprak, was de jager geheel veranderd, zijn gelaat had -een bezielde uitdrukking aangenomen, zijne oogen schoten vonken, en zijne gebaren -waren de getrouwe spiegels van al wat er in hem omging. -</p> -<p>De generaal slaakte een diepen zucht, een stille traan bevochtigde zijn grijzen knevel. -</p> -<p>»Het is zoo,” zeide hij treurig, »dat leven heeft eigenaardige bekoorlijkheden voor -hem die het gesmaakt heeft, en die er zich met onverbreekbare banden aan verbonden -ziet. Toen gij in de prairiën kwaamt, van waar kwaamt gij toen?” -</p> -<p>»Ik kwam van Quebec, mijnheer, ik ben een Canadees.” -</p> -<p>»Ah!” -</p> -<p>Er volgde eene pauze. De generaal brak haar ten laatste weder af. -</p> -<p>»Hebt gij onder uwe makkers geen Mexicanen?” zeide hij. -</p> -<p>»Verscheidene.” -</p> -<p>»Ik zou gaarne iets van hen willen weten.” -</p> -<p>»Er is er een, die er u meer van zou kunnen zeggen, maar ongelukkig is die man op -dit oogenblik niet hier.” -</p> -<p>»En hij heet?” -</p> -<p>»Edelhart.” -</p> -<p>»Edelhart!” hernam de generaal met vuur; »maar ik ken dien man, geloof ik.” -<span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span></p> -<p>»Ja, gij kent hem.” -</p> -<p>»O, God, hoe jammer!” -</p> -<p>»Misschien zal het u gemakkelijker vallen hem te ontmoeten dan gij denkt, ten minste -zoo gij er werkelijk belang in stelt, om hem te zien.” -</p> -<p>»Ik heb er groot belang bij.” -</p> -<p>»Wees dan maar gerust; weldra zult gij hem zien.” -</p> -<p>»Hoe dat?” -</p> -<p>»O, op een heel eenvoudige manier. Edelhart zet zijne vallen dicht bij de mijne; ik -houd er tegenwoordig een wakend oog op; maar hij kan niet lang wegblijven.” -</p> -<p>»Dat geve God!” zeide de generaal aangedaan. -</p> -<p>»Zoodra hij terugkomt, zal ik hem waarschuwen, zoo gij dan uw kamp nog niet verlaten -hebt.” -</p> -<p>»Weet gij dan waar mijn troep kampeert?” -</p> -<p>»Wij weten alles in de woestijn,” antwoordde de jager glimlachend. -</p> -<p>»Belooft gij het mij?” -</p> -<p>»Gij hebt mijn woord, mijnheer.” -</p> -<p>»Ik dank u.” -</p> -<p>Op dit oogenblik verliet <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz de hut, na den Zwarten Eland een teeken gegeven te hebben, dat hij zwijgen zou; -de generaal haastte zich haar te volgen. -</p> -<p>De reizigers bestegen hunne paarden weder, en na de jagers voor hunne gulle ontvangst -te hebben dank gezegd, namen zij den terugtocht aan naar het kamp. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5550">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XVI.</h2> -<h2 class="main">VERRAAD.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De terugtocht was niet vroolijk. De generaal was nog geheel vervuld van het onderhoud, -dat hij met den jager gehad had. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz dacht aan de waarschuwing die haar gegeven was. De gids, gebelgd over de afzonderlijke -gesprekken van den Zwarten Eland met het meisje en met den generaal, had een geheim -voorgevoel, dat hem tot voorzichtigheid aanspoorde. De twee Lanceros alleen liepen -onbekommerd voort; zij kenden het drama niet dat om hen gespeeld werd, en dachten -aan niets, als aan de rust die hen in het kamp wachtte. -</p> -<p>De Babbelaar wierp gedurig onrustige blikken om zich heen, als zocht hij hulp en versterking -te midden der dichte struiken, door welke de kleine troep zich zwijgend een weg baande. -</p> -<p>De dag liep ten einde; de zon zou weldra ondergaan; de geheimzinnige gasten van het -woud lieten reeds van tijd tot tijd hun dof gebrul hooren. -<span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span></p> -<p>»Zijn wij nog ver van het kamp?” vroeg de generaal eensklaps. -</p> -<p>»Neen,” antwoordde de gids, »nauwelijks een uur.” -</p> -<p>»Verhaasten wij onze schreden dan; ik wil in dit donkere bosch niet door den nacht -overvallen worden.” -</p> -<p>De troep nam een versnelden pas aan, die hen in minder dan een half uur, bij de voorste -wallen van het kamp bracht. Kapitein Aguilar en de doctor kwamen de reizigers bij -hunne aankomst te gemoet. Het avondmaal was gereed gemaakt, en wachtte reeds lang -op hen. Men zette zich aan tafel. Maar de treurigheid, die zich sedert eenige uren -van den generaal en zijne nicht scheen te hebben meester gemaakt, nam eer toe dan -af. Het tafelgesprek leed er onder; ieder at haastig zonder een woord te zeggen. Toen -men gedaan had, ging men onder voorwendsel van vermoeid te zijn uiteen, schijnbaar -om zich aan de rust over te geven, maar in werkelijkheid om alleen te zijn en na te -denken over de gebeurtenissen van den dag. -</p> -<p>De gids van zijn kant was niet veel beter op zijn gemak; een slecht geweten is, zooals -een wijs man gezegd heeft, de verdrietigste slaapkameraad dien men hebben kan, de -Babbelaar nu had het slechtste van alle slechte gewetens; ook gevoelde hij volstrekt -geen lust om te slapen. Hij wandelde in het kamp op en neder, en zocht te vergeefs -in zijn onrustig gemoed naar eenig middel, om zich uit de moeielijkheid te redden -waarin hij zich gewikkeld zag. Maar hoe hij zijn best deed om zijne verbeeldingskracht -op te wekken, niets bracht zijn argwaan tot rust. -</p> -<p>Het was intusschen geheel nacht geworden; de maan was ondergegaan; een dikke duisternis -overdekte het kamp. Iedereen sliep of scheen te slapen; de gids alleen, die de eerste -wacht op zich had genomen, zat wakend op de bagage; de armen over de borst gekruist, -en strak voor zich uitziende, verdiepte hij zich hoe langer hoe meer in sombere droomerijen. -Eensklaps werd er een hand op zijn schouders gelegd, en prevelde eene stem dit ééne -woord in zijn oor: -</p> -<p>»Kennedy!” -</p> -<p>De gids, rijkelijk voorzien van die tegenwoordigheid van geest en die onverstoorbare -koelbloedigheid, die den Indianen en mestiezen nooit begeven, wierp een wantrouwenden -blik om zich heen, ten einde zich te verzekeren, dat hij niet bespied werd; vervolgens -greep hij de hand die nog altijd op zijn schouder rustte, en voerde den persoon, die -hem had toegesproken, en die hem zonder tegenspraak volgde, met zich in een afgelegen -hoek, waar hij zeker meende te kunnen zijn tegen elken overval. -</p> -<p>Op het oogenblik dat de twee mannen de tent voorbij gingen, werden de gordijnen zachtkens -opgeslagen, om een schaduw door te laten, die hen zwijgend begon te volgen. -</p> -<p>Toen zij zich achter de bagage verscholen en naast elkander geplaatst <span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span>hadden, om fluisterend te kunnen spreken, mompelde de gids: -</p> -<p>»Goddank! ik wachtte uw bezoek met ongeduld, Kennedy.” -</p> -<p>»Wist gij dan, dat ik komen moest?” antwoordde deze argwanend. -</p> -<p>»Neen, maar ik hoopte het.” -</p> -<p>»Is er nieuws?” -</p> -<p>»Ja, veel<span class="corr" id="xd30e2891" title="Bron: ?">!</span>” -</p> -<p>»Spreek en haast u.” -</p> -<p>»Dat zal ik doen. Alles is verloren.” -</p> -<p>»Zoo! wat meent gij?” -</p> -<p>»Van daag is de generaal, onder mijn geleide, naar.…” -</p> -<p>»Ik weet het, ik heb u gezien.” -</p> -<p>»Vervloekt! waarom hebt gij ons niet aangevallen?” -</p> -<p>»Wij waren met ons beiden.” -</p> -<p>»Ik zou de derde geweest zijn; het had dus gelijk gestaan, daar de generaal slechts -twee lanceros bij zich had.” -</p> -<p>»Ja, daar heb ik niet aan gedacht.” -</p> -<p>»Dat was verkeerd van u; het had alles afgeloopen kunnen zijn, terwijl nu waarschijnlijk -alles verloren is.” -</p> -<p>»Hoe dat?” -</p> -<p>»Wel, <i>Caraï</i>, dat is duidelijk; de generaal en zijn nicht hebben een tijdlang met dien schijnheiligen -Zwarten Eland staan praten; gij weet, hij kent mij sinds lang, hij heeft hen zeker -geraden, om mij te wantrouwen.” -</p> -<p>»Waarom hebt gij ze ook naar den bevervijver gebracht?” -</p> -<p>»Kon ik weten, dat ik daar dien vervloekten jager tegen ’t lijf zou loopen?” -</p> -<p>»In ons vak moet men op alles rekenen.” -</p> -<p>»Gij hebt gelijk, ik heb een fout begaan. Maar hoe het zij, het kwaad is nu niet meer -te herstellen, want ik heb een voorgevoel dat de Zwarte Eland den generaal omtrent -mij heeft ingelicht.” -</p> -<p>»Hm, dat is wel waarschijnlijk<span class="corr" id="xd30e2917" title="Niet in bron">.</span> Wat moeten wij dan doen?” -</p> -<p>»Zoodra mogelijk handelen, zoodat zij geen tijd hebben om op hun hoede te zijn.” -</p> -<p>»Ik verlang niets anders, dat weet gij.” -</p> -<p>»Ja. Waar is de kapitein? Is hij terug?” -</p> -<p>»Van avond gekomen. Al onze manschappen zijn in de grot, wij zijn met ons veertigen.” -</p> -<p>»Bravo! ach, waarom zijt gij niet met u allen gekomen, in plaats van gij alleen; zie -eens, welk een schoone gelegenheid gij hadt. Zij slapen als rotten. Wij zouden hen -in minder dan tien minuten in handen hebben gehad<span class="corr" id="xd30e2925" title="Niet in bron">.</span>” -</p> -<p>»Gij hebt gelijk, maar men kan niet alles voorzien; bovendien, dat is het niet, wat -gij met den kapitein hebt afgesproken.” -</p> -<p>»Neen, dat beken ik. Maar waarom komt gij dan?” -<span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span></p> -<p>»Om u te waarschuwen, dat wij gereed zijn, en dat wij slechts op een teeken van u -wachten, om te handelen.” -</p> -<p>»Maar wat moet ik doen? Geef mij toch raad.” -</p> -<p>»Hoe, voor den duivel, wilt gij, dat ik u raden zal? weet ik wat er hier omgaat, en -moet ik u zeggen, hoe gij het moet aanleggen?” -</p> -<p>De gids dacht een oogenblik na, vervolgens hief hij het hoofd op en keek strak in -de lucht. -</p> -<p>»Luister,” hernam hij, »het is nog geen twee uur.” -</p> -<p>»Neen.” -</p> -<p>»Gij gaat weder naar de grot.” -</p> -<p>»Terstond?” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Goed. En dan?” -</p> -<p>»Gij zult aan den kapitein zeggen, dat, als hij het verlangt, ik hem het meisje nog -dezen nacht zal uitleveren.” -</p> -<p>»Hm, dat zal dunkt mij niet gemakkelijk zijn.” -</p> -<p>»Gij zijt een domoor.” -</p> -<p>»’t Is mogelijk; maar ik zie niet in waarom.” -</p> -<p>»Wacht dan maar. De wacht over het kamp is aldus verdeeld: over dag staan de soldaten -bij de borstweringen; maar daar zij aan het leven in de prairiën niet gewoon zijn, -en hunne hulp in den nacht meer kwaad dan goed zou doen, zoo is aan mij en de andere -gidsen de wacht opgedragen, terwijl de soldaten rust nemen.” -</p> -<p>»Dat is zeer vernuftig uitgedacht,” zeide Kennedy lachend. -</p> -<p>»Niet waar? Gij klimt dus te paard; beneden aan den heuvel gekomen, zullen zes der -stoutmoedigste mannen zich bij mij voegen; met hunne hulp neem ik de taak op mij, -om, terwijl zij slapen, den generaal en al de soldaten te binden.” -</p> -<p>»Dat is een heerlijk denkbeeld.” -</p> -<p>»Vindt gij?” -</p> -<p>»Ja zeker.” -</p> -<p>»Goed. Zijn die schelmen eens goed gekneveld, dan fluit ik, en de kapitein komt met -de rest van den troep. Laat hij het dan met het meisje zien te vinden, dat gaat hem -aan, ik bemoei er mij niet mede. Hoe vindt gij dat?” -</p> -<p>»Uitmuntend.” -</p> -<p>»Op die wijze vermijden wij het vergieten van bloed en wij zelven komen er ongedeerd -af.” -</p> -<p>»Gij zijt voorzichtig.” -</p> -<p>»Ja, maar, mijn beste vriend, als men dergelijke zaken doet, die bij welslagen groote -voordeden aanbrengen, moet men het altijd zoo zien te schikken, dat men alle kansen -voor zich heeft.” -</p> -<p>»Goed gesproken, en bovendien, uw plan bevalt mij, en ik ga het zonder dralen ten -uitvoer brengen; maar laat ons eerst goed afspreken, om elk misverstand te voorkomen.” -</p> -<p>»Daar heb ik niets tegen.” -<span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span></p> -<p>»Als de kapitein, gelijk ik wel denk, uw heerlijk en onfeilbaar plan goedkeurt, dan -zal ik, zoodra wij aan den voet van den heuvel zijn, met zes onverschrokken kerels, -die ik zelf zal uitkiezen, naar boven gaan. Van welken kant zal ik het kamp binnen -dringen?” -</p> -<p>»Wel, van denzelfden kant, waarvan gij nu gekomen zijt.” -</p> -<p>»En gij, waar zult gij zijn?” -</p> -<p>»Bij den ingang; gereed om u te helpen.” -</p> -<p>»Goed. Nu is alles afgesproken. Hebt gij mij niets meer te zeggen?” -</p> -<p>»Neen, niets.” -</p> -<p>»Dan ga ik weg.” -</p> -<p>»Ja, hoe eer hoe beter.” -</p> -<p>»Gij hebt altijd gelijk. Geleid mij tot aan de plaats, waar ik uit het kamp kan komen, -het is zoo donker dat, als ik alleen ga, ik licht zou kunnen verdwalen, en in aanraking -komen met een slapenden soldaat, hetgeen ons minder goed zou dienen.” -</p> -<p>»Geef mij de hand.” -</p> -<p>»Zie daar.” -</p> -<p>De twee mannen stonden op en wilden heengaan; maar op hetzelfde oogenblik plaatste -zich een schaduw tusschen hen beiden, en riep een krachtige stem hun toe: -</p> -<p>»Verraders, gij zult sterven!” -</p> -<p>Ondanks al hunne zelfbeheersching, bleven de beide mannen een oogenblik versteend -van schrik staan. Zonder hun den tijd te geven om hunne tegenwoordigheid van geest -terug te erlangen, schoot de persoon, die gesproken had twee pistolen op hen af. De -ongelukkigen gaven een luiden gil; de een viel, de andere sprong op als een tijgerkat, -klom tegen de borstwering op, en verdween, eer men den tijd had om ten tweedemale -op hem los te branden. -</p> -<p>De generaal en kapitein Aguilar verschenen het eerst op de plaats, waar het bovenvermelde -tooneel had plaats gehad. Zij vonden <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz met twee pistolen in de hand, terwijl aan hare voeten een man zich krampachtig -rondwentelde. -</p> -<p>»Wat beteekent dat, lieve nicht? Wat is er gebeurd? in Gods naam, zijt gij gewond?” -vroeg de generaal beangst. -</p> -<p>»Herstel u, oom; ik ben niet gewond,” antwoordde het meisje, »maar ik heb een verrader -gestraft. Twee ellendelingen smeedden in het donker eene samenzwering tegen onze gemeenschappelijke -veiligheid; de een is ontsnapt, maar ik geloof dat deze er minder goed afgekomen is.” -</p> -<p>De generaal boog zich over den schelm heen. Bij het licht der toorts, die hij in de -hand droeg, herkende hij Kennedy, denzelfden gids, die volgens den Babbelaar, levend -verbrand zou zijn, bij gelegenheid van den brand der prairie. -</p> -<p>»O, o!” zeide hij, »wat beteekent dat?” -</p> -<p>»Dat beteekent, oom,” antwoordde het meisje, »dat zoo God ons <span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span>niet te hulp ware gekomen, wij dezen nacht door een troep bandieten, die niet ver -van hier in hinderlaag ligt, zouden overvallen zijn.” -</p> -<p>»Laat ons dan geen tijd verliezen.” -</p> -<p>De generaal, geholpen door kapitein Aguilar, haastte zich nu om alles tot een geduchten -tegenstand gereed te maken, ingeval men een aanval wagen mocht. -</p> -<p>De Babbelaar was gevlucht, maar een breed spoor van bloed bewees, dat hij zwaar gekwetst -was. Zoo het dag ware geweest, zou men gepoogd hebben hem te vervolgen, en misschien -zou men hem hebben kunnen inhalen; maar te midden der duisternis, en zonder te weten -of de vijand niet in de nabijheid in hinderlaag lag, wilde de generaal niet dat zijne -soldaten zich buiten het kamp waagden. Hij liet liever den Babbelaar deze kans op -redding behouden. Wat Kennedy betrof, die was dood. -</p> -<p>Zoodra het eerste oogenblik voorbij was, gevoelde <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, thans niet meer door het dreigend gevaar staande gehouden, dat zij eene vrouw -was. Hare geestkracht verflauwde, hare oogen vielen toe, eene zenuwachtige trilling -ging haar door al de leden, zij wankelde, en zij zou zeker gevallen zijn, zoo de doctor -haar niet in zijne armen had opgevangen. -</p> -<p>Hij bracht haar half in zwijm onder de tent, en bewees haar al de zorgen, die haar -toestand vereischte. Het meisje kwam langzamerhand bij, hare kalmte keerde terug, -en er kwam weder orde in den gang van hare denkbeelden. Zich den raad herinnerende, -dien de Zwarte Eland haar dienzelfden dag gegeven had, dacht zij, dat nu het oogenblik -daar was, om hem zijne belofte in het geheugen te roepen, en zij gaf den doctor een -teeken om naderbij te komen. -</p> -<p>»Beste doctor,” zeide zij met een zachte stem, »wilt gij mij een groote dienst bewijzen?” -</p> -<p>»Beschik over mij, <span class="corr" id="xd30e3004" title="Bron: Senorita">Señorita</span>.” -</p> -<p>»Kent gij een pelsjager, de Zwarte Eland geheeten?” -</p> -<p>»Ja, zijne hut staat niet ver van hier, bij een bevervijver.” -</p> -<p>»Juist; welnu doctor, dien moest gij eens, zoodra het dag is, uit mijn naam gaan opzoeken.” -</p> -<p>»Waarom, <span class="corr" id="xd30e3013" title="Bron: Senorita">Señorita</span>?” -</p> -<p>»Ik bid er u om,” zeide zij vleiend. -</p> -<p>»O, dan kunt gij gerust zijn, dan zal ik gaan,” antwoordde hij. -</p> -<p>»Ik dank u.” -</p> -<p>»Wat zal ik hem zeggen?” -</p> -<p>»Gij zult hem vertellen, wat hier van nacht is voorgevallen.” -</p> -<p>»Sakkerloot!” -</p> -<p>»En dan zult gij er bijvoegen, onthoud die woorden goed, want gij moet ze letterlijk -herhalen.…” -</p> -<p>»Ik ben geheel gehoor, ik zal ze in mijn geheugen opschrijven.” -</p> -<p>»<i>Zwarte Eland, het uur is gekomen.</i> Gij hebt mij begrepen, niet waar?” -<span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span></p> -<p>»Volkomen, <span class="corr" id="xd30e3032" title="Bron: Senorita">Señorita</span>.” -</p> -<p>»Zweert gij, te zullen doen wat ik u vraag?” -</p> -<p>»Ik zweer het u,” zeide hij plechtig, »bij zonsopgang zal ik den jager opzoeken, hem -verhalen, wat er van nacht is voorgevallen, en er bijvoegen: Zwarte Eland, het uur -is gekomen. Is dat al wat gij van mij verlangt<span class="corr" id="xd30e3038" title="Bron: .">?</span>” -</p> -<p>»Ja. alles, beste doctor.” -</p> -<p>»Welnu, slaap dan maar gerust, <span class="corr" id="xd30e3044" title="Bron: Senorita">Señorita</span>, ik zweer u bij mijn eer, dat het geschieden zal.” -</p> -<p>»Ik dank u,” fluisterde het meisje, hem met een glimlach de hand drukkende. -</p> -<p>En overstelpt door de vreeselijke aandoeningen van dien nacht viel zij op haar bed, -waar zij weldra een rustigen en verkwikkenden slaap genoot. -</p> -<p>Bij het aanbreken van den dag, in weerwil van de aanmerkingen van den generaal, die -hem te vergeefs trachtte te beletten om heen te gaan, uithoofde van de gevaren waaraan -hij zich zou blootstellen, verliet de waardige geleerde, die al wat zijn vriend tot -hem zeide met een ontkennend hoofdschudden beantwoordde, en zonder eenige reden voor -zijne hardnekkigheid op te geven, het kamp, en reed zoo hard hij kon van den heuvel -naar beneden. Zoodra hij in het woud was, gaf hij zijn paard nogmaals de sporen en -wendde zich in galop naar de hut van den Zwarten Eland. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5561">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XVII.</h2> -<h2 class="main">DE ARENDSKOP.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De Arendskop was een even voorzichtig als moedig opperhoofd; hij wist, dat hij alles -van de Amerikanen te vreezen had, zoo hij zijn spoor niet geheel kon doen verdwijnen. -Hij verzuimde dan ook niets om, na den gelukkigen aanslag tegen de nieuwe ontginning -der blanken, aan de oevers der groote Canadasche rivier, zijn troep in veiligheid -te stellen tegen de geduchte weêrwraak, die hem wachtte. -</p> -<p>Men kan zich geen denkbeeld maken van het door de Indianen ontwikkelde talent, als -het hun te doen is om hun spoor te verbergen. Twintig malen komen zij op dezelfde -plaats terug, en verwarren de sporen van hun doortocht zoodanig onder elkander, dat -zij eindelijk onherkenbaar worden; geen bijzonderheid ontgaat hun; zij loopen in elkanders -voetstappen om hun aantal te verbergen; dagen achtereen volgen zij den stroom van -eene beek, terwijl het water hun soms tot de heupen reikt; ja, zij drijven hunne voorzichtigheid -en hun geduld vaak zoo ver, dat zij met de hand, en als <span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>het ware stap voor stap, de schreden uitwisschen, die hen aan de helderziende en belangstellende -oogen hunner vijanden zouden kunnen verraden. -</p> -<p>De Slangen-stam, waartoe de krijgslieden, onder het bevel van den Arendskop, behoorden, -was ten getale van ongeveer vijf honderd man in de prairiën doorgedrongen, hetzij -om op bisons te jagen of om slag te leveren aan de Pawnies en Sious, tegen welke zij -onophoudelijk krijg voerden. -</p> -<p>Het deel van den Arendskop, zoodra de veldtocht was afgeloopen, was om zich onmiddellijk -bij zijne broeders aan te sluiten, ten einde den buit door hem bij de verovering van -het dorp gemaakt, in veiligheid te brengen en zich aan het hoofd te stellen van een -groote krijgsonderneming, die zijn stam in den zin had tegen de in de prairiën verstrooide -blanke jagers en mestiezen, die door de Indianen met reden als hunne onverzoenlijke -vijanden werden beschouwd. -</p> -<p>Ondanks de menigte voorzorgen, door het opperhoofd aangewend, ging de troep snel vooruit. -Op den avond van den zesden dag na de verwoesting van het fort, hielden de Comanchen -halt aan de oevers van een kleine rivier zonder naam, gelijk er in deze streken vele -zijn, en maakten zij zich gereed om aldaar des nachts te kampeeren. Niets is eenvoudiger -dan een Indiaansch kamp op den voet van oorlog. De paarden worden vastgebonden, zoodat -zij niet kunnen wegloopen; als men geen aanval vreest, steekt men vuur aan; in het -tegenovergestelde geval, schikt ieder zich zoo goed hij kan om te eten en te slapen. -</p> -<p>Na hun vertrek van het fort, had niets bij de Comanchen het vermoeden opgewekt, dat -zij achtervolgd of bespied werden, hunne spionnen hadden geen enkel verdacht spoor -ontdekt. Zij bevonden zich op geringen afstand van het kamp van hun stam, hunne veiligheid -liet dus niets te wenschen over. De Arendskop liet vuur aanleggen, en plaatste zelf -de schildwachten, om voor allen te waken. -</p> -<p>Toen hij deze maatregelen genomen had, zette de hoofdman zich tegen een ebbenboom, -nam zijn calumet en beval dat de grijsaard en de Spaansche vrouw zouden worden voorgebracht. -Toen zij voor hem stonden, groette de Arendskop den grijsaard hartelijk en bood hem -zijn calumet aan, een teeken van welwillendheid, dat de grijsaard aannam; zich tevens -gereed houdende, om de vragen te beantwoorden, die de Indiaan zonder twijfel tot hem -richten zou. Na eenige oogenblikken stilte nam deze werkelijk het woord: -</p> -<p>»Heeft mijn broeder het goed bij de Roodhuiden?” vroeg hij. -</p> -<p>»Ik heb geen reden tot klagen, hoofdman!” antwoordde de Spanjaard; »zoolang ik bij -u was ben ik goed behandeld.” -</p> -<p>»Mijn broeder is een vriend,” zeide de Comanch plechtstatig. -</p> -<p>De grijsaard maakte een buiging. -</p> -<p>»Wij zijn eindelijk op onzen jachtgrond,” hernam het opperhoofd; »mijn broeder Grijshoofd -is vermoeid van een lang leven; hij past <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>beter bij het vuur van den raad, dan op een paard om op elands en bisons te jagen: -wat begeert mijn broeder?” -</p> -<p>»Hoofdman,” antwoordde de Spanjaard, »uwe woorden zijn waar; er was een tijd toen -ik, evenals ieder andere zoon der prairiën, dagen lang op de jacht doorbracht, gezeten -op een vurig en onstuimig ros, maar mijne krachten zijn verdwenen, mijne ledematen -hebben hunne buigzaamheid, en mijne oogen hunne onfeilbaarheid verloren, ik deug niet -meer voor eene expeditie, hoe kort zij ook wezen moge.” -</p> -<p>»Goed,” zeide de Indiaan bedaard, dikke rookwolken uit neus en mond blazende, »mijn -broeder zegge aan zijn vriend, wat hij verlangt, en het zal geschieden.” -</p> -<p>»Ik dank u, hoofdman, en ik zal van uw welwillend aanbod gebruik maken; ik zou gelukkig -zijn, zoo gij mij de middelen wildet verschaffen, om mij ongehinderd naar eene plaats -te begeven, waar zich menschen van mijne kleur gevestigd hebben, en waar ik in vrede -de weinige levensdagen, die mij nog overblijven, kan doorbrengen.” -</p> -<p>»En waarom zou ik dat niet doen? niets is gemakkelijker; zoodra wij bij onzen stam -zullen gekomen zijn, zal aan het verlangen van mijn broeder worden voldaan, aangezien -hij niet bij zijn roode vrienden verkiest te blijven.” -</p> -<p>Er volgde een oogenblik van stilte. De grijsaard, meenende dat het onderhoud afgeloopen -was, wilde zich verwijderen; de hoofdman gaf hem een teeken, om te blijven. -</p> -<p>Na eenige oogenblikken schudde de Indiaan de asch uit zijne pijp, hing haar aan zijn -gordel, en op den Spanjaard een zonderlingen blik slaande, zeide hij op droevigen -toon: -</p> -<p>»Mijn broeder is gelukkig; ofschoon reeds vele winters oud, bewandelt hij toch niet -alleen het levenspad.” -</p> -<p>»Wat bedoelt de hoofdman?” vroeg de grijsaard; »ik begrijp hem niet.” -</p> -<p>»Mijn broeder heeft een huisgezin,” hernam de Comanch. -</p> -<p>»Helaas, mijn broeder bedriegt zich, ik sta alleen op de wereld.” -</p> -<p>»Wat zegt mijn broeder daar? heeft hij niet zijne gezellin bij zich?” -</p> -<p>Een treurige glimlach teekende zich op de dunne lippen van den grijsaard. -</p> -<p>»Neen,” zeide hij, »ik heb geen levensgezellin.” -</p> -<p>»Wat is dan deze vrouw voor hem<span class="corr" id="xd30e3089" title="Bron: ,">?</span>” zeide de hoofdman met geveinsde bewondering op de Spaansche dame wijzende, die stil -en droevig naast den grijsaard stond. -</p> -<p>»Die vrouw is mijne meesteres.” -</p> -<p>»<i>Ooah!</i> zou mijn broeder een slaaf zijn<span class="corr" id="xd30e3097" title="Bron: ,">?</span>” zeide de Comanch grijnzend. -</p> -<p>»Neen,” antwoordde de grijsaard fier, »ik ben niet de slaaf van deze vrouw; ik ben -haar trouwe dienaar.” -<span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span></p> -<p>»<i>Ooah!</i>” zeide de hoofdman, het hoofd schuddende, en hij begon over dit antwoord na te denken. -</p> -<p>Maar de woorden van den Spanjaard kwamen den Indiaan geheel onbegrijpelijk voor; de -onderscheiding was hem al te fijn, hij kon haar niet vatten. Na twee of drie minuten -zwijgens, gaf hij zijne pogingen, om dit voor hem onverklaarbare raadsel op te lossen, -op. -</p> -<p>»Goed,” zeide hij, terwijl zich een spottende glimlach op zijn gelaat vertoonde, »de -vrouw zal met mijn broeder vertrekken.” -</p> -<p>»Dat heb ik altijd zoo begrepen,” antwoordde de Spanjaard. -</p> -<p>De reeds bejaarde vrouw, die tot hiertoe het stilzwijgen bewaard had, meende nu dat -het tijd was, om zich in het gesprek te mengen. -</p> -<p>»Ik bedank den hoofdman,” zeide zij, »doch daar hij zoo goed is, om zich ter onzer -beschikking te stellen, zou ik hem wel eene gunst willen vragen.” -</p> -<p>»Mijne moeder spreke, mijne ooren zijn geopend.” -</p> -<p>»Ik heb een zoon, die een groot blank jager is; hij moet zich op dit oogenblik in -de prairie bevinden; als mijn broeder goed vond ons nog eenige dagen bij zich te houden, -dan zou het ons mogelijk zijn hem te ontmoeten; onder zijne bescherming zouden wij -niets te vreezen hebben.” -</p> -<p>Bij deze onvoorzichtige woorden maakte de Spanjaard eene beweging van schrik. -</p> -<p>»<span class="corr" id="xd30e3118" title="Bron: Senorita">Señorita</span>,” zeide hij in zijne moedertaal, »pas op, dat.…” -</p> -<p>»Stilte!” gebood de Indiaan. »Waarom spreekt mijn broeder voor mij in een vreemde -taal? is hij bang dat ik zijne woorden verstaan zal?” -</p> -<p>»O, hoofdman!” zeide de Spanjaard met een gebaar van ontkenning. -</p> -<p>»Dat mijn broeder dan mijne moeder met het bleeke gezicht niet verhindere te spreken; -zij spreekt tot het opperhoofd.” -</p> -<p>De grijsaard zweeg, maar een droevig voorgevoel beklemde zijne borst. -</p> -<p>Het Comanchenhoofd wist heel goed, met wie hij te doen had: hij speelde met de twee -Spanjaarden, gelijk de kat met de muis; maar zonder iets van hetgeen er in hem omging -te laten blijken, wendde hij zich tot de vrouw en zich buigende met die instinctmatige -beleefdheid, waardoor de Indianen zich onderscheiden zeide hij: -</p> -<p>»<i>Ooah!</i> de zoon mijner moeder is een groot jager: des te beter.” -</p> -<p>Het hart der arme vrouw sprong op van vreugde. -</p> -<p>»Ja,” zeide zij verrukt, »het is een der dapperste pelsjagers uit de prairiën van -het westen.” -</p> -<p>»<i>Ooah!</i>” riep het opperhoofd, hoe langer hoe vriendelijker wordende; »die beroemde krijgsman -moet een geëerbiedigden naam hebben in de prairiën?” -</p> -<p>De Spanjaard lag op de pijnbank; bedwongen door het oog van den Comanch, wist hij -geen middel om zijne meesteres te waarschuwen, dat zij den naam van haar zoon niet -zou uitspreken. -<span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span></p> -<p>»Zijn naam is wel bekend,” zeide de dame. -</p> -<p>»Och,” riep de grijsaard uit, »alle moeders zijn zoo; hare zonen zijn altijd helden! -Die, waarvan zij spreekt, ofschoon een uitmuntend jong mensch, is niets meer dan een -ander, zijn naam is stellig mijn broeder nooit ter oore gekomen.” -</p> -<p>»Hoe weet mijn broeder dat?” zeide de Indiaan op hatelijken toon. -</p> -<p>»Ik vooronderstel het maar,” antwoordde de grijsaard; »of zoo mijn broeder hem toevallig -eens heeft hooren uitspreken, zal hij hem reeds lang uit het geheugen zijn gegaan, -en is het niet de moeite waard, dat hij zich dien weder herinnere. Zoo mijn broeder -het goed vindt, zullen wij ons verwijderen; de dag is vermoeiend geweest, het uur -der rust is gekomen.” -</p> -<p>»Oogenblikkelijk,” zeide de Comanch zoetsappig, en zich tot de vrouw wendende, vroeg -hij haar met nadruk: »hoe heet de krijgsman der bleekgezichten?” -</p> -<p>Maar de oude dame, bang geworden door de tusschenkomst van haar dienaar, wiens trouw -en voorzichtigheid zij kende, antwoordde niet, inwendig gevoelende, dat zij een fout -begaan had, en niet wetende, hoe die te herstellen. -</p> -<p>»Hoort mijne moeder niet?” hernam het opperhoofd. -</p> -<p>»Waartoe u een naam gezegd, die naar alle waarschijnlijkheid u onbekend is, en die -in ieder geval u geen belang kan inboezemen? Zoo mijn broeder het goed vindt, zal -ik mij verwijderen.” -</p> -<p>»Neen, niet voor dat mijne moeder mij den naam gezegd heeft van haren zoon den grooten -krijgsman,” zeide de Comanch, de wenkbrauwen fronsende en met kwalijk bedwongen toorn -stampvoetende. De jager zag dat het misliep; zijne partij was oogenblikkelijk gekozen. -</p> -<p>»Mijn broeder is een groot opperhoofd,” zeide hij, »al is zijn haar bruin, zijne wijsheid -is onmetelijk; ik ben zijn vriend, hij zal geen misbruik willen maken van het toeval, -dat de moeder van zijn vijand in zijne handen geleverd heeft; de zoon van deze vrouw -heet Edelhart.” -</p> -<p>»<i>Ooah!</i>” riep de Arendskop weder onheilspellend glimlachende, »dat wist ik wel; waarom hebben -de bleekmuilen twee tongen en twee harten en zoeken zij altijd de Roodhuiden te bedriegen?” -</p> -<p>»Wij hebben niet gepoogd u te bedriegen, hoofdman.” -</p> -<p>»Dat gij, zoolang gij bij ons zijt, als kinderen van onzen stam behandeld zijt geworden, -is door mijn toedoen; ik ben het, die u het leven heb gered.” -</p> -<p>»Dat is waar.” -</p> -<p>»Welnu, ik wil u toonen dat de Indianen niet vergeten; en dat zij goed voor kwaad -weten te vergelden. Deze wonden, die gij hier ziet, wie heeft ze mij toegebracht? -Edelhart. Wij zijn vijanden, zijne moeder is in mijne macht, ik zou haar terstond -aan den folterpaal kunnen binden, dat zou mijn recht zijn.” -<span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span></p> -<p>De twee Spanjaarden bogen het hoofd. -</p> -<p>»De wet der prairiën zegt: Oog om oog, tand om tand! Luister goed naar mij, <i>Oude Eik</i>: gedachtig aan onze oude vriendschap, sta ik u een uitstel toe. Morgen met zonsopgang -zult gij Edelhart gaan zoeken; zoo hij binnen vier dagen zich niet in mijne handen -is komen uitleveren, zal zijne moeder sterven: mijne manschappen zullen haar levend -aan den folterpaal verbranden, en mijne broeders zullen zich oorlogfluitjes snijden -uit hare beenderen. Gaat, ik heb niets meer te zeggen.” -</p> -<p>De grijsaard viel voor het opperhoofd op de knieën, maar de wraakzuchtige Indiaan -schopte hem van zich en ging weg. -</p> -<p>»O, mevrouw,” mompelde de grijsaard wanhopig; »gij zijt verloren.” -</p> -<p>»Eén ding verzoek ik u, Eusébio,” zeide de moeder met tranen in de oogen en een geroerde -stem, »breng mijn zoon niet hier! Wat zegt het, of ik sterf? heeft mijn leven helaas -al niet lang genoeg geduurd?” -</p> -<p>De oude dienaar wierp een blik van bewondering op zijne meesteres. -</p> -<p>»Altijd dezelfde,” zeide hij met aandoening. -</p> -<p>»Het leven eener moeder behoort immers aan haar kind?” riep zij uit. -</p> -<p>De twee oude lieden vielen van smart overstelpt aan den voet van een boom neder, en -brachten den nacht door in het gebed tot God. -</p> -<p>De Arendskop scheen geen begrip te hebben van hunne wanhoop. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5571">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XVIII.</h2> -<h2 class="main">NO EUSÉBIO.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De voorzorgen, door den Arendskop genomen om zijn gang te verbergen, mochten goed -zijn voor zulke blanken, wier oogen minder geoefend zijn dan die der partijgangers -en jagers, en die weinig gewend aan de listen der Indianen, zich in deze uitgestrekte -wildernissen zonder gids bijna niet weten te redden, maar voor mannen als Edelhart -en Goedsmoeds waren zij onvoldoende. Zij verloren bijna geen oogenblik het spoor uit -het oog. Gewoon aan de wendingen en bochten der Indiaansche krijgslieden, lieten zij -zich niet misleiden door de plotselinge teruggangen, de omwendingen, de valsche halten, -in een woord, door al die hindernissen, waarmede de Comanchen hun weg hadden bezaaid. -En bovendien was er iets, waaraan de Indianen niet gedacht hadden, en dat even zeker -de richting aanwees, die zij gevolgd waren, als wanneer zij zorg gedragen hadden, -om die nauwkeurig af te bakenen. Wij hebben vroeger gezegd, dat de jagers bij de puinhoopen -eener hut een speurhond <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>hadden gevonden, die aan een boom was vastgemaakt en dat deze, zoodra hij vrij was, -na eenige liefkoozingen aan Goedsmoeds te hebben geschonken, het op een loopen had -gezet, met den neus in den wind, om zijn meester te achterhalen, die geen ander was -als de oude Spanjaard; en hij bereikte hem inderdaad. De sporen van den hond, die -de Indianen verzuimden uit te wisschen, om de eenvoudige reden dat zij niet wisten -dat hij hen volgde, waren overal te zien, en voor zulke behendige jagers als Edelhart -en Goedsmoeds was dit een draad van Ariadne, dien niets kon breken. De jagers reden -dus in stilte voort, met het geweer in den zadel vastgemaakt, gevolgd door hunne <i lang="es">rastreros</i> (spoorzoekers, hier de speurhonden) achter de Comanchen, die geenszins vermoedden, -dat zij zulk een achterhoede hadden. Iederen avond hield Edelhart halt, juist op dezelfde -plek, waar de Arendskop een dag te voren zijn bivouak had opgeslagen, want de haast -waarmede de beide mannen voortgingen was zóó groot, dat de Indianen hun slechts eenige -mijlen vooruit waren; zij zouden hen gemakkelijk hebben ingehaald, indien zulks in -het plan der jagers gelegen had. Maar om zekere redenen wilde Edelhart hen liever -nog eenigen tijd op den voet volgen. -</p> -<p>Nadat zij in den nacht in een opene plaats in het bosch, aan de oevers van een frissche -beek, wier zacht gemurmel hen in slaap gewiegd had, hadden doorgebracht, maakten zich -de jagers gereed om verder te gaan; hunne paarden waren gezadeld, en zij aten staande -een stuk elandvleesch, toen Edelhart, die den geheelen morgen den mond niet geopend -had, zich tot zijn makker wendde, met de woorden: -</p> -<p>»Laten wij een oogenblik gaan zitten; niets dringt ons, om ons te haasten, daar de -Arendskop bij zijn stam is aangeland.” -</p> -<p>»Dat is waar,” antwoordde Goedsmoeds, terwijl hij zich op het gras nedervlijde; »wij -kunnen wel wat praten.” -</p> -<p>»Nu, heb ik het niet geraden, dat die vervloekte Comanchen een krijgsbende in de nabijheid -hadden? Wij kunnen er niet aan denken, om met ons tweeën ons meester te maken van -een kamp, waarin zich vijfhonderd krijgslieden bevinden.” -</p> -<p>»Gij hebt gelijk,” zeide Goedsmoeds wijsgeerig, »daar zijn er heel veel; maar, gij -weet, beste vriend, en anders zegt uw hart het u, wij kunnen er altijd de proef van -nemen, men weet nooit wat er gebeuren kan.” -</p> -<p>»Dank u,” zeide Edelhart glimlachend, »maar ik geloof, dat het nutteloos zal zijn.” -</p> -<p>»Nu, zooals gij wilt.” -</p> -<p>»List alleen zal ons baten.” -</p> -<p>»Verzinnen wij dan een list, ik ben tot uw orders.” -</p> -<p>»Hebben wij geen vallen hier in de nabijheid?” -</p> -<p>»Hemel, ja, geen halve mijl hier van daan, bij den grooten bevervijver.” -<span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span></p> -<p>»Juist, ik weet niet meer, waarover ik sinds eenige dagen denk; ziet gij, Goedsmoeds, -die gevangenschap van mijne moeder maakt mij gek, ik moet haar bevrijden, het koste -wat het wil.” -</p> -<p>»Dat is ook mijn gevoelen, Edelhart, en ik zal u met al mijne kracht bijstaan.” -</p> -<p>»Morgen, bij het aanbreken van den dag moet gij eens naar den Zwarten Eland gaan, -en hem uit mijn naam verzoeken, zooveel blanke jagers bijeen te verzamelen als hij -maar kan.” -</p> -<p>»Zeer goed.” -</p> -<p>»In dien tusschentijd zal ik naar het kamp der Comanchen gaan, om over den losprijs -mijner moeder te spreken; zoo zij haar mij niet willen uitleveren, zullen wij onze -toevlucht tot de wapenen nemen, en wij zullen eens zien, of een twintigtal van de -beste karabijnen het niet winnen zullen van die vijfhonderd roovers der prairiën.” -</p> -<p>»En zoo zij u gevangen nemen?” -</p> -<p>»In dat geval zal ik u mijn hond zenden, die zich in de grot bij de rivier bij u zal -voegen; als gij hem alleen ziet komen, dan weet gij wat het zeggen wil, en gij kunt -dan dienovereenkomstig handelen.” -</p> -<p>De Canadees schudde bedenkelijk het hoofd. -</p> -<p>»Neen,” zeide hij, »dat zal ik niet doen.” -</p> -<p>»Hoe! zult gij dat niet doen?” riep de jager verbaasd uit. -</p> -<p>»Zeker niet; neen, ik zal het niet doen, Edelhart. Bij u vergeleken, die zoo dapper -en verstandig zijt, beteeken ik heel weinig, dat weet ik, maar ik heb toch een goede -eigenschap, die niemand mij ontnemen zal, en dat is mijne genegenheid voor u.” -</p> -<p>»Ik weet het, mijn vriend, gij hebt mij lief als een broeder.” -</p> -<p>»En gij wilt, dat ik u, gelijk men in mijn land zegt, aan gene zijde van de groote -meren, onbekommerd den neus zal laten steken in het hol van den wolf, of nog erger, -want mijne vergelijking is vernederend voor de wolven, de Indianen zijn duizendmaal -bloeddorstiger! Neen, ik herhaal het u, ik zal het niet doen; het zou een slechte -daad zijn, en als u iets overkwam, dan zou ik het mijzelven niet vergeven.” -</p> -<p>»Verklaar u, Goedsmoeds,” zeide Edelhart ongeduldig; »op mijn eer ik kan u onmogelijk -begrijpen.” -</p> -<p>»O, dat is toch gemakkelijk genoeg,” antwoordde de Canadees; »al heb ik weinig geest -en al ben ik geen groot redenaar, ik heb toch gezond verstand, en ik kan goed uit -mijne oogen zien, als het iemand geldt, dien ik lief heb; ik heb niemand meer lief -dan u, nu mijn vader dood is.” -</p> -<p>»Spreek, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, »en vergeef mij de ongeduldige drift, -waaraan ik een oogenblik geen weerstand kon bieden.” -</p> -<p>Goedsmoeds dacht even na, en hervatte toen: -</p> -<p>»Gij weet dat de grootste vijanden, die wij in de prairie hebben, de Comanchen zijn; -door een onverklaarbaar toeval hebben wij <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>altijd met hen te strijden gehad, en nooit hebben zij zich kunnen beroemen het minste -voordeel op ons behaald te hebben; van daar tusschen hen en ons een onverzoenlijke -haat, die in de laatste dagen nog is toegenomen door onze geschillen met den Arendskop, -wien gij zoo slim of zoo dom zijt geweest slechts een arm te breken, toen het u zoo -gemakkelijk viel hem den kop te verpletteren, eene aardigheid, die, ik ben er zeker -van, het Comanchenhoofd u zeer kwalijk genomen heeft, en hij u nooit zal vergeven; -overigens beken ik, dat ik in zijne plaats volkomen dezelfde gevoelens zou hebben -aangekleefd, en dat ik daarom niet op hem gebeten ben.” -</p> -<p>»Ter zake! ter zake!” viel Edelhart in. -</p> -<p>»De zaak is deze,” hernam Goedsmoeds zonder zich over het ongeduld van zijn vriend -te verwonderen: »de Arendskop zoekt op alle mogelijke wijze uw hoofdhaar meester te -worden; nu begrijpt gij, dat, zoo gij onvoorzichtig genoeg zijt om u aan hem over -te geven, hij de gelegenheid zal te baat nemen om voor eens en voor altijd met u af -te rekenen.” -</p> -<p>»Maar,” antwoordde Edelhart, »mijne moeder is in zijne handen.” -</p> -<p>»Ja,” zeide Goedsmoeds, »maar dat weet hij niet; gij weet, mijn vriend, dat de Indianen, -enkele gevallen uitgezonderd, de vrouwen, die zij machtig worden, uitstekend behandelen, -en dat zij haar gewoonlijk de grootste beleefdheden bewijzen.” -</p> -<p>»Dat is waar,” zeide de jager. -</p> -<p>»Nu dan, daar wel niemand aan den Arendskop zal zeggen dat zijne gevangene uwe moeder -is, zoo is zij, als men de ongerustheid, waarin zij omtrent u verkeert, niet mederekent, -onder de Roodhuiden even goed bezorgd, alsof zij zich op het groote plein van Quebec -bevond. Het is dus onnoodig om eene roekeloosheid te begaan; laten wij een twintigtal -goede makkers bijeenroepen, en daarmede de Indianen bewaken; bij de eerste gelegenheid, -die zich zal aanbieden, zullen wij hen dapper op het lijf vallen, wij dooden er zooveel -mogelijk, en bevrijden uwe moeder; ziedaar, geloof ik, de wijste partij, die wij kiezen -kunnen; wat denkt gij er van?” -</p> -<p>»Ik denk, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, hem de hand drukkende, »dat gij het beste -schepsel zijt van de wereld, dat uw raad goed is, en dat ik hem zal opvolgen.” -</p> -<p>»Bravo!” riep Goedsmoeds verheugd; »dat noem ik taal.” -</p> -<p>»En nu …” zeide Edelhart opstaande. -</p> -<p>»Nu?” vroeg Goedsmoeds. -</p> -<p>»Bestijgen wij onze paarden, rijden om het indiaansche kamp heen, laten ons niet van -het spoor brengen, en gaan naar de <i>hatto</i> van onzen braven vriend den Zwarten Eland, die een wijs man is, en ons zeker van -dienst zal zijn in de uitvoering van ons plan.” -</p> -<p>»Zooals gezegd is!” zeide Goedsmoeds vroolijk, terwijl hij in den zadel sprong. -</p> -<p>De jagers verlieten de opene plaats en maakten een omweg, om <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>het indiaansche kamp te vermijden, waarvan men den rook op hoogstens twee mijlen afstand -gewaar werd; zij richtten zich toen naar de plaats, waar, naar alle waarschijnlijkheid, -de Zwarte Eland zich onledig hield met zoo behendig mogelijk zijne strikken te spannen -voor de bevers, die merkwaardige dieren, waarvan <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz zooveel hield. Zoo reden zij te naastenbij een uur lang, al lachend en pratend -voort, want de redeneeringen van Goedsmoeds hadden eindelijk Edelhart overtuigd, die, -de Indiaansche zeden grondig kennende, voor zijne moeder geen gevaar vreesde, toen -de honden eensklaps teekenen van onrust gaven, en luid blaffend wegvlogen. -</p> -<p>»Wat scheelt er toch aan onze <i lang="es">rastreros</i>?” zeide Edelhart; »men zou denken, dat zij een vriend geroken hebben.” -</p> -<p>»Hemel! zij hebben den Zwarten Eland uitgevonden, wij zullen ze stellig in elkanders -gezelschap vinden.” -</p> -<p>»’t Is mogelijk,” zeide de jager nadenkend, en zij reden voort. -</p> -<p>Na eenige oogenblikken bemerkten zij een ruiter, die zoo snel hij kon op hen afkwam, -omringd van de honden, die hem luid blaffend nasprongen. -</p> -<p>»Het is de Zwarte Eland niet!” riep Goedsmoeds. -</p> -<p>»Neen!” zeide Edelhart, »het is Nô Eusébio. Wat beteekent dat? hij is alleen; zou -er met mijne moeder iets gebeurd zijn?” -</p> -<p>»Laten wij ons reppen!” zeide Goedsmoeds, zijn paard de sporen gevende. De jager volgde -hem, ten prooi aan een doodelijken angst. -</p> -<p>De drie ruiters waren weldra bijeen. -</p> -<p>»Helaas! helaas!” riep de grijsaard met eene treurige stem. -</p> -<p>»Wat is er gebeurd, Nô Eusébio? spreek, in Godsnaam, spreek!” zeide Edelhart. -</p> -<p>»Uw moeder! don Rafaël, uwe moeder!” -</p> -<p>»Nu, spreek!… spreek dan toch!” riep de jager angstig. -</p> -<p>»O, mijn God!” zeide de grijsaard, de armen ten hemel heffende, »het is te laat!” -</p> -<p>»Spreek dan, in Godsnaam! gij doet mij sterven.” -</p> -<p>De grijsaard wierp hem een troosteloozen blik toe. -</p> -<p>»Don Rafaël,” zeide hij, »wees moedig, wees een man.” -</p> -<p>»Goede God! welk vreeselijk nieuws komt gij ons brengen?” -</p> -<p>»Uwe moeder is de gevangene van den Arendskop.” -</p> -<p>»Dat weet ik.” -</p> -<p>»Zoo gij van daag, ja dezen morgen nog, u zelven niet aan het Comanchenhoofd hebt -uitgeleverd.…” -</p> -<p>»Dan?” -</p> -<p>»Dan zal zij levend verbrand worden!” -</p> -<p>»O!” gilde de jager; met een hartverscheurenden kreet. -</p> -<p>Zijn vriend ondersteunde hem, anders zou hij van zijn paard gevallen zijn. -</p> -<p>»Maar,” vroeg Goedsmoeds, »zegt gij, dat zij van daag verbrand moet worden, goede -grijsaard?” -<span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span></p> -<p>»Van daag.” -</p> -<p>»Dus hebben wij nog den tijd?” -</p> -<p>»Helaas! bij zonsopgang zou het zijn, en zie eens,” zeide hij, naar de lucht wijzende. -</p> -<p>»O,” riep Edelhart uit, op een toon, die onmogelijk is weêr te geven, »ik zal mijne -moeder redden!” -</p> -<p>En zich op zijn paard voorover buigende, verdween hij in duizelende vaart. -</p> -<p>De anderen volgden hem. -</p> -<p>Plotseling keerde hij zich om, en riep tot Goedsmoeds: -</p> -<p>»Waar gaat gij heen?” -</p> -<p>»U helpen om uwe moeder te redden, of met u sterven.” -</p> -<p>»Kom dan mede!” antwoordde Edelhart, zijne sporen in de bloedende zijden van zijn -paard drukkende. -</p> -<p>Er was iets vreeselijks en verschrikkelijks in de dolle vaart van die drie mannen, -die, allen op dezelfde lijn, met bleek voorhoofd, gesloten lippen en bliksemende oogen, -over stroomen en diepten heen, geen hinderpalen ontziende, hunne paarden altijd bleven -aanvuren, zonder zich een oogenblik rust te gunnen. Bij tusschenpoozen liet Edelhart -het aan de Mexicaansche <i>Gineten</i> eigenaardig geschreeuw hooren, en de verhitte paarden verdubbelden hun spoed. -</p> -<p>»Mijn God, mijn God!” herhaalde de jager, met een doffe stem, »red! red mijne moeder!” -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.19" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5581">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XIX.</h2> -<h2 class="main">DE RAAD DER OPPERHOOFDEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Niettegenstaande het onstuimig gesprek dat hij met Nô Eusébio gevoerd had, ging de -Arendskop toch voort met zijne gevangene zoo zacht mogelijk te behandelen, en zich -met eene kieschheid jegens haar te gedragen, die men geenszins verwachten zou van -menschen, welke, volgens onze meening, zonder eenige geldige reden onder den naam -van <i>Wilden</i> bekend staan. In het algemeen toch verdient de wijze waarop de Indianen met hunne -gevangenen omgaan, eer geprezen dan gelaakt te worden, daar zij, wel verre van hen -zonder oorzaak te martelen en te kwellen, gelijk velen het elkander hebben nagezegd, -hun veeleer de grootst mogelijke beleefdheid bewijzen, en in zeker opzicht medelijden -hebben met hun ongeluk. -</p> -<p>In de omstandigheden, waarvan wij spreken, was het besluit van den Arendskop, ten -opzichte van Edelharts moeder, slechts eene uitzondering, waarvan de oorzaak moet -worden toegeschreven aan den doodelijken haat, dien het Indiaansche opperhoofd den -jager toedroeg. -</p> -<p>De scheiding der twee gevangenen was pijnlijk en hartverscheurend; de oude dienaar -vertrok wanhopig om den jager te zoeken, <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>terwijl de arme moeder met een gebroken hart de Comanchen volgde. -</p> -<p>Den volgenden dag kwam de Arendskop op de door de opperhoofden der natie vastgestelde -plaats; de geheele stam was bijeen. -</p> -<p>Niets is zonderlinger en schilderachtiger dan het gezicht van een Indiaansch kamp. -Als de Roodhuiden op een jacht- of krijgsonderneming uit zijn, richten zij op de plaats, -waar zij halt houden, tenten op van bisonvellen, die over kruiselings in den grond -gestoken palen zijn uitgespannen, deze tenten, waarvan de vloer met aardkluiten overdekt -is, hebben alleen van boven eene opening, om den rook door te laten, en zonder welke -zij onbewoonbaar zouden zijn. -</p> -<p>Het kamp had een levendig aanzien; de vrouwen kwamen en gingen, beladen met hout en -vleesch, of gezeten op door honden getrokken sleden, die al haar rijkdommen bevatten; -de krijgslieden zaten in de open lucht rondom de vuren te rooken en te praten. Het -was echter gemakkelijk te raden dat er iets ongewoons werd voorbereid; want ondanks -het vroege uur—de zon was nog nauwelijks opgegaan—waren de voornaamste hoofden in -de <i>raadstent</i> bijeen, om aldaar, gelijk de ernstige uitdrukking van hun gelaat te kennen gaf, een -gewichtige zaak te bespreken. -</p> -<p>Het was de laatste dag van uitstel door den Arendskop aan Nô Eusébio toegestaan. De -Indiaansche krijgsman aan zijn haat getrouw en geen lust hebbende zijn wraak uit te -stellen, had de hoofden bijeengeroepen om hunne goedkeuring te erlangen voor de uitvoering -van zijn afschuwelijk plan. -</p> -<p>Wij herhalen het hier, opdat men er zich niet in vergisse, de Indianen begaan geen -wreedheden, louter voor hun genoegen. De noodzakelijkheid is hunne eerste wet; nooit -geven zij bevel tot de marteling en terdoodbrenging van een gevangene, allerminst -wanneer deze eene vrouw is, dan wanneer het belang der natie het eischt. -</p> -<p>Zoodra de hoofden om het vuur van de raadstent bijeen gezeten waren, trad de pijpdrager -in den kring, met een aangestoken calumet, boog zich, onder het prevelen van een gebedje, -naar alle vier de hemelstreken, en bood de calumet aan het oudste opperhoofd aan, -maar zóó dat hij het roer in de hand hield. -</p> -<p>Toen de hoofden een voor een gerookt hadden, stootte de pijpdrager<span id="xd30e3320"></span> de asch van de calumet in het vuur, en zeide: -</p> -<p>»Hoofden van den grooten Comanchenstam, moge <i lang="com">Natosh</i> (God) u wijsheid geven, en moge het besluit, dat gij nemen gaat, met de eischen der -rechtvaardigheid overeenstemmen.” -</p> -<p>Daarna maakte hij een eerbiedige buiging en verwijderde zich. -</p> -<p>Er volgde een oogenblik stilte; ieder overpeinsde de zoo uitgesprokene woorden. -</p> -<p>Eindelijk stond de oudste op. Het was een eerwaardige grijsaard, wiens lichaam met -tallooze lidteekenen was bezaaid, en die onder de zijnen een grooten naam van wijsheid -bezat. Hij heette <i lang="com">Eshis</i>—de zon. -<span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span></p> -<p>»Mijn zoon de Arendskop,” zeide hij, »heeft een belangrijke mededeeling te doen aan -den raad der hoofden: hij spreke derhalve, onze ooren zijn geopend; de Arendskop is -een krijgsman, even wijs als dapper; zijne woorden zullen met eerbied door ons worden -aangehoord.” -</p> -<p>»Ik dank u,” antwoordde de krijgsman; »mijn vader is de wijsheid zelve. Natosh heeft -niets voor hem verborgen.” -</p> -<p>De hoofden bogen. -</p> -<p>De Arendskop ging voort: -</p> -<p>»De bleekmuilen, onze eeuwige vijanden, vervolgen en kwellen ons voortdurend, ons -noodzakende een voor een onze beste jachtgronden te verlaten, en gelijk bloode hinden -in het diepste der bosschen de wijk te nemen; velen hunner wagen het tot in de prairiën -te komen, die ons tot schuilplaats dienen, de bevers te strikken en op de elands en -bisons te jagen, die ons eigendom zijn. Deze menschen zonder trouw, het uitvaagsel -van hun volk, bestelen en vermoorden ons, als zij het straffeloos doen kunnen. Is -het billijk dat wij hunne rooverijen uitstaan, zonder ons zelfs te beklagen? Zullen -wij ons laten worgen als vreesachtige <i lang="com">ashahas</i>, zonder zelfs een poging aan te wenden om ons te wreken? Zegt de wet der prairiën -niet: oog om oog, tand om tand? laat mijn vader antwoorden, laten mijne broeders zeggen, -of dat billijk is?” -</p> -<p>»De wraak is geoorloofd,” zeide de Zon; »zij is het onweêrsprekelijk recht van den -zwakke en onderdrukte, maar zij moet geëvenredigd zijn aan de ontvangen beleediging.” -</p> -<p>»Goed! mijn vader heeft als een wijs man gesproken; wat denken mijne broeders er van?” -</p> -<p>»De Zon kan niet liegen; al wat hij zegt is goed,” antwoordden de hoofden. -</p> -<p>»Heeft mijn broeder zich over iemand te beklagen?” vroeg de grijsaard. -</p> -<p>»Ja,” hernam de Arendskop, »ik ben beleedigd door een blanken jager; verscheidene -malen heeft hij een aanval gedaan op mijn kamp; hij heeft in eene hinderlaag verscheidene -mijner jonge lieden gedood; ik zelf ben, gelijk gij zien kunt, door hem gekwetst; -de wond is nog niet eens gesloten; die man, in één woord, is de wreedste vijand der -Comanchen, die hij als wilde dieren vervolgt en opjaagt, om zich te verlustigen in -hunne martelingen en naar hunne stervenskreten te luisteren.” -</p> -<p>Bij deze woorden, op een wegslependen toon uitgesproken, slaakte de gansche vergadering -een diepen zucht van verkropten toorn. De listige hoofdman, begrijpende dat hij zijne -zaak gewonnen had, ging voort zonder in het minst de vreugde te laten blijken, die -hem bezielde. -</p> -<p>»Ik zou,” zeide hij, »zoo het mij alleen gegolden had, die beleedigingen, hoe zwaar -zij ook mogen zijn, hebben kunnen vergeven, <span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span>maar het geldt hier een algemeenen vijand, een man die aan de natie den ondergang -gezworen heeft; en daarom, hoe pijnlijk het mij ook vallen moge, mag ik niet aarzelen -om hem te treffen in wat hem het dierbaarste is. Zijne moeder is in mijne handen, -ik heb geaarzeld haar op te offeren, ik heb mij niet door mijn haat willen laten beheerschen, -ik heb rechtvaardig willen zijn, en toen het mij gemakkelijk viel deze vrouw te dooden, -heb ik liever willen wachten tot gij zelven, eerwaardige hoofden van onzen stam, mij -er bevel toe gaaft. Ik heb meer gedaan, omdat het mij tegen de borst stuit nutteloos -bloed te vergieten en een onschuldige voor den schuldige te straffen; ik heb aan die -vrouw vier dagen uitstel gegund, om aan haar zoon de gelegenheid te schenken haar -te redden, door zich te komen aanbieden, om in hare plaats de marteling te ondergaan. -Een door mij gevangen genomen blanke is uitgegaan om hem te zoeken; maar die man heeft -het hart van een konijn, die slechts moed bezit om weerlooze vijanden te vermoorden; -hij is niet gekomen, hij zal niet komen!.… Dezen morgen, bij het opgaan der zon, is -de tijd, tot uitstel gegund, verstreken. Waar is die man? hij is niet verschenen!.… -Wat zeggen mijne broeders? is mijn gedrag billijk, moet ik berispt worden, of wel, -zal die vrouw aan den martelpaal gebonden worden, opdat de verschrikte bleeke dieven -erkennen, dat de Comanchen geduchte krijgslieden zijn, die geen hoon ongestraft laten? -Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, mannen?” -</p> -<p>Na afloop van dit lange pleidooi ging de Arendskop weêr zitten, en de armen kruisende, -wachtte hij met gebogen hoofd de beslissing der hoofden af. -</p> -<p>Er volgde een vrij langdurig stilzwijgen; eindelijk stond de Zon op. -</p> -<p>»Mijn broeder heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne woorden zijn als van een man, -die zich niet door hartstocht laat overheerschen; al wat hij zegt is billijk; de blanken, -onze woeste vijanden leggen het op ons verderf toe; hoe pijnlijk de straf dier vrouw -ons moge vallen, zij is noodzakelijk.” -</p> -<p>»Zij is noodzakelijk,” herhaalden de hoofden, het hoofd buigende. -</p> -<p>»Komt,” hernam de Zon, »maakt de noodige toebereidselen; geeft aan die terdoodbrenging -het aanzien van een zoenoffer en niet van eene wraak; ieder moet overtuigd worden, -dat de Comanchen niet voor hun genoegen de vrouwen martelen, maar dat zij de schuldigen -weten te straffen; ik heb gezegd.” -</p> -<p>De hoofden stonden op, en na den grijsaard eerbiedig gegroet te hebben, verwijderden -zij zich. -</p> -<p>De Arendskop was geslaagd; hij zou zich wreken, zonder de verantwoordelijkheid op -zich te nemen van eene daad, waarvan hij al het afschuwelijke had doorzien, maar die -hij aan de hoofden zijner natie had weten voor te stellen onder een schijn van billijkheid, -waarover hij zich inwendig bekommerde.—Men haastte zich de noodige toebereidselen -tot de strafoefening te maken. -<span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span></p> -<p>De vrouwen sneden dunne spaanders van esschenhout, om de veroordeelde die onder de -nagels te steken, anderen maakten van de takken der vlierboomen een soort van lange -zwavelstokken, terwijl de jongsten in het woud bossen groen hout gingen zoeken ten -einde haar langzaam te verbranden en door den rook te doen stikken. -</p> -<p>Ondertusschen hadden de mannen den tot martelpaal bestemden boom geheel van zijne -schors ontdaan, en vervolgens met elandsvet, vermengd met rooden oker, besmeerd; aan -zijn voet hadden zij het hout van den brandstapel opeengehoopt, en daarna had de wichelaar -den boom door middel van eenige geheimzinnige woorden bezworen, ten einde dien voor -het bestemde doel geschikt te maken. -</p> -<p>Toen deze toebereidselen gemaakt waren, werd de gevangene aan den voet van den paal -gebracht, en zonder nog vastgebonden te worden, genoodzaakt om zich op den brandstapel -neder te zetten; daarna begon de scalpdans. -</p> -<p>De ongelukkige vrouw was oogenschijnlijk zeer kalm; zij had besloten haar leven ten -offer te brengen; niets van hetgeen er om haar heen voorviel was meer in staat haar -te ontroeren. Hare van koorts brandende en met tranen gevulde oogen dwaalden doelloos -over die menigte, die haar als een hoop wilde dieren brullend omsingelde. Haar geest -bleef echter even waakzaam en even helder als in hare schoonste dagen. De arme moeder -had ééne vrees, die haar het hart verscheurde, meer dan de duizend martelingen, die -de Indianen haar deden ondergaan; zij vreesde, dat haar zoon, gewaarschuwd omtrent -het vreeselijk lot dat haar bedreigde, zich aan zijne woeste vijanden zou komen uitleveren, -om haar te redden. -</p> -<p>Het minste gerucht opvangende, meende zij telkens de stappen van haar zoon te vernemen, -die haar ieder oogenblik kon te hulp snellen; haar hart klopte van angst. Zij bad -God uit het diepst van hare ziel, dat zij mocht sterven in plaats van haar geliefd -kind. -</p> -<p>De scalpdans werd met woede voortgezet. Een menigte groote, schoone, prachtig uitgedoschte -krijgslieden, met zwart gemaakte aangezichten, zwaaiden bij paren om den paal heen, -aangevoerd door zeven met trommels en <i lang="com">chicikouees</i> gewapende muzikanten, die zich met rood en zwart hadden besmeerd en vederen van nachtuilen -op het hoofd droegen. De krijgslieden hadden met vederen en roodlaken versierde geweren -en knodsen in de hand, waarmede zij al dansend den grond aanraakten. Zij vormden een -grooten halven kring om den paal; de andere helft van den cirkel bestond uit dansende -vrouwen. -</p> -<p>De Arendskop, die de krijgers aanvoerde, droeg een langen stok, aan het bovenste uiteinde -waarvan een scalp hing te wiegelen, overschaduwd door de uitgespreide vleugelen van -een opgezette ekster; een weinig lager hing nog een scalp, de huid van een losch, -en eenige vederen. -</p> -<p>Toen men aldus eenigen tijd gedanst had, plaatsten zich de muzikanten <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>aan weêrszijden der veroordeelde, en maakten een oorverdoovend geraas door te gelijkertijd -te zingen, en zoo hard zij konden, te trommelen en de chicikouees te schudden. -</p> -<p>Deze dans duurde vrij lang en ging vergezeld met een afschuwelijk gebrul, dat wel -in staat was om de ongelukkige, aan wie zij aldus een voorsmaak gaven van de vreeselijke -martelingen, die haar wachtten, van schrik krankzinnig te maken. -</p> -<p>Eindelijk raakte de Arendskop de veroordeelde met zijn stok even aan, op dit teeken -hield het geraas eensklaps op, de rijen werden verbroken, ieder greep naar de wapenen. -</p> -<p>De doodstraf nam een aanvang. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch1.20" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5591">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XX.</h2> -<h2 class="main">DE MARTELING.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Zoodra de scalpdans ophield, schaarden de voornaamste krijgslieden zich met de wapenen -in de hand voor den paal, terwijl de vrouwen, vooral de meer bejaarde, zich op de -veroordeelde wierpen, haar uitscholden, haar schopten, haar de haren uit het hoofd -trokken, haar sloegen, terwijl zij niet alleen geen den minsten tegenstand bood, maar -zich zelfs niet poogde te onttrekken aan de gruwelijke mishandelingen, die men haar -deed ondergaan. De ongelukkige vrouw verlangde slechts één ding, namelijk dat er met -de terdoodbrenging een begin zou worden gemaakt. Zij had met koortsachtig ongeduld -de bewegingen van den scalpdans gevolgd, zoozeer vreesde zij dat haar geliefde zoon -zou verschijnen om zich tusschen haar en hare beulen te plaatsen. Evenals de oude -martelaars, beschuldigde zij uit grond van haar hart de Indianen, dat zij in doellooze -plechtigheden een kostbaren tijd lieten verloren gaan: zoo zij er de kracht toe gehad -had, zou zij hen over hunne langzaamheid, en over de aarzeling, die zij schenen aan -den dag te leggen, om haar op te offeren, hebben berispt en uitgelachen. De waarheid -was deze, dat de Comanchen, huns ondanks en niettegenstaande de straf hun billijk -toescheen, een tegenzin hadden in het martelen van een weerlooze vrouw, die reeds -op jaren was, en hun noch middellijk noch onmiddellijk ooit eenig leed had berokkend. -</p> -<p>De Arendskop zelf, in weerwil van zijn bitteren haat, ondervond een heimelijk verwijt -over de misdaad, die hij beging; en wel verre van de laatste toebereidselen te verhaasten, -maakte hij ze met een traagheid en tegenzin, die hij onmogelijk te boven kon komen. -</p> -<p>Voor dappere mannen, die gewoon zijn de grootste gevaren te trotseeren, is het altijd -een onteerende daad, een zwak schepsel te martelen, die geen ander middel heeft om -zich te verdedigen dan <span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span>hare tranen. Zoo het een man ware geweest, zou men eenstemmig besloten hebben om hem -terstond aan den martelpaal te binden. -</p> -<p>De Indiaansche gevangenen lachen om alle folteringen; zij beleedigen hunne beulen, -en in hunne doodsliederen, verwijten zij aan hunne overwinnaars hunne lafheid, hun -gebrek aan ondervinding, hunne onbekwaamheid om hunne slachtoffers te pijnigen; zij -sommen hunne eigen heldenfeiten op, berekenen het aantal vijanden, die zij hebben -gescalpeerd alvorens zelven te vallen, wekken eindelijk door hunne spotternijen en -hunne minachtende houding den toorn hunner beulen op, en rechtvaardigen in zekere -mate hunne wreedheid. -</p> -<p>Maar een zwakke vrouw, die zich zonder aarzelen aan haar lot overgeeft, die zich als -een lam ter slachtbank laat voeren, welk belang kan zulk eene terdoodbrenging aanbieden? -</p> -<p>Men kan daarvan geen roem verwachten, maar integendeel slechts eene algemeene afkeuring. -</p> -<p>De Comanchen begrepen dit, van daar hun tegenzin en hun talmen. Doch er moest een -eind aan komen. -</p> -<p>De Arendskop naderde de gevangene, en haar bevrijdende van de harpijen, die haar kwelden, -zeide hij op somberen toon: -</p> -<p>»Vrouw, ik heb mijn woord gehouden; uw zoon is niet gekomen, gij moet sterven.” -</p> -<p>»Goddank!” zeide zij met een gebrokene stem, zich tegen een boomstam aanleunende, -om niet te vallen. -</p> -<p>De hoofdman zag haar aan, zonder haar te begrijpen. -</p> -<div class="figure p121width"><img src="images/p121.jpg" alt="„Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar, bladz. 121." width="720" height="498"><p class="figureHead"><span class="corr" id="xd30e3406" title="Niet in bron">„</span>Vreest gij den dood niet?<span class="corr" id="xd30e3408" title="Niet in bron">”</span> vroeg hij haar, bladz. 121.</p> -</div><p> -</p> -<p>»Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar. -</p> -<p>»Neen,” hernam zij, op hem een blik slaande, zacht als die van een engel, »hij zal -mij welkom zijn; mijn leven is één lange doodstrijd geweest, de dood is een weldaad -voor mij.” -</p> -<p>»Maar uw zoon dan?” -</p> -<p>»Mijn zoon zal leven, als ik sterf; gij hebt het gezworen bij de beenderen uwer vaderen.” -</p> -<p>»Ik heb het gezworen.” -</p> -<p>»Laat mij dan sterven.” -</p> -<p>»Zijn de vrouwen uwer natie dan gelijk aan de Indiaansche <i>squaws</i>, die den dood zonder beven onder de oogen zien?” riep de hoofdman verbaasd. -</p> -<p>»Ja,” antwoordde zij aangedaan; »alle moeders verachten dien wanneer het het welzijn -harer kinderen geldt.” -</p> -<p>»Luister,” zeide de Indiaan, zijns ondanks door medelijden bewogen, »ik ook, ik heb -eene moeder, die ik liefheb, zoo gij het verlangt, zal ik uw dood uitstellen tot zonsondergang.” -</p> -<p>»Waarom?” antwoordde zij met verschrikkelijken eenvoud; »neen, krijgsman, zoo mijne -smart u wezenlijk treft, dan is er maar ééne gunst, die ik van u vraag.” -</p> -<p>»Spreek,” zeide hij levendig. -</p> -<p>»Laat mij terstond sterven.” -<span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span></p> -<p>»Maar zoo uw zoon dan eens kwam?” -</p> -<p>»Wat maakt dat? gij verlangt een offer, niet waar? Welnu, dat offer staat voor u, -gij kunt het naar uw genoegen martelen. Waarom geaarzeld? laat mij sterven, zeg ik -u.” -</p> -<p>»Aan uw verlangen zal voldaan worden,” zeide de Comanch treurig; »vrouw, maak u gereed.” -</p> -<p>Zij boog het hoofd voorover op de borst, en wachtte. Op eenen wenk van den Arendskop, -grepen twee krijgslieden de gevangene aan en bonden haar aan den paal vast. -</p> -<p>Toen nam het messenspel een aanvang; zie hier, waarin het bestaat: ieder krijgsman -neemt zijn scalpeermes met den duim en wijsvinger van de rechterhand, en werpt het -naar het slachtoffer op zulk eene wijs dat het slechts lichte kwetsuren veroorzaakt. -</p> -<p>De Indianen, als zij iemand ter dood brengen, trachten de marteling zoo lang mogelijk -te rekken; zij geven hun vijand den genadeslag niet, alvorens zij hem het leven langzaam, -en als het ware lid voor lid hebben ontnomen. -</p> -<p>De Indianen wierpen hunne messen met zulk eene bewonderenswaardige behendigheid, dat -allen de ongelukkige raakten, zonder dat één haar ernstig wondde; maar toch stroomde -haar bloed; zij had de oogen gesloten, en geheel in zich zelve gekeerd, bad zij met -warmte om den laatsten doodelijken slag. -</p> -<p>De mannen, wien haar lichaam tot een mikpunt strekte, verhitten zich langzamerhand; -welgevallen in het ongewone schouwspel en zucht om hunne behendigheid te toonen hadden -weldra in hun hart het medelijden verdrongen, dat zij in het eerst gevoelden. Zij -gaven luidkeels hunne toejuiching te kennen, en moedigden elkander lachend aan. In -één woord, het bloed, evenals altijd, ook bij de beschaafde volkeren, maakte hen dronken; -hunne eigenliefde was in het spel, ieder zocht zijn voorganger te overtreffen, elke -andere beschouwing werd vergeten. -</p> -<p>Toen allen hunne messen geworpen hadden, kwamen de behendigste schutters van den stam, -en wapenden zich met geweren. -</p> -<p>Ditmaal was er een vaste blik noodig, want een slecht gerichte kogel kon aan de pijniging -op eens een einde maken, en aan de omstanders het verleidelijk schouwspel ontrooven -waarvan zij zich zooveel genoegen voorstelden. -</p> -<p>Bij ieder schot gaf het arme schepsel, geheel voorover gebogen, geen ander teeken -van leven als een zenuwachtige trilling door haar gansche lichaam. -</p> -<p>»Laat ons er een eind aan maken,” zeide de Arendskop, wiens hart zijns ondanks week -werd door zooveel moed en zooveel zelfverloochening. »De krijgslieden der Comanchen -zijn geene jaguars, die vrouw heeft genoeg geleden, laat zij sterven en laat het uit -zijn.” -</p> -<p>Eenig gemompel liet zich hooren onder de squaws en onder de <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>kinderen, die het meest belust waren op de foltering der gevangene. Maar de krijgslieden -waren het met het opperhoofd eens; die doodstraf, zonder de beleedigingen waarop het -slachtoffer gewoonlijk zijne beulen onthaalt, had voor hen geene aantrekkelijkheid, -en bovendien schaamden zij zich inwendig, dat zij zich zoo bloeddorstig aanstelden -tegenover eene vrouw. -</p> -<p>Men schold dus aan de ongelukkige eenige folteringen kwijt—de splinters onder de nagels, -de brandende zwavelstokken tusschen de vingers, het honigmasker op het gelaat, en -nog andere, te veel om op te noemen, en men maakte den brandstapel gereed, waarop -zij verbrand zou worden. -</p> -<p>Maar alvorens men tot dit laatste bedrijf van het bloedige treurspel overging, maakte -men de arme vrouw los; gedurende eenige oogenblikken liet men haar adem scheppen, -en zich herstellen van de vreeselijke aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest. -</p> -<p>De ongelukkige zakte bewusteloos inéén. -</p> -<p>De Arendskop naderde haar. -</p> -<p>»Mijne moeder is kordaat,” zeide hij; »vele krijgslieden zouden zooveel lijden niet -met zooveel standvastigheid hebben doorgestaan.” -</p> -<p>Een flauwe glimlach teekende zich op hare lippen. -</p> -<p>»Ik heb een zoon,” antwoordde zij met een onuitsprekelijk zachten blik, »het is voor -hem dat ik lijd.” -</p> -<p>»Een krijgsman, die zulk eene moeder heeft, is wel gelukkig.” -</p> -<p>»Waarom zoudt gij mijnen dood uitstellen? Het is wreed aldus te handelen; krijgslieden -mogen geen vrouwen kwellen.” -</p> -<p>»Mijne moeder heeft gelijk, hare folteringen zijn geëindigd.” -</p> -<p>»Zal ik dan eindelijk sterven?” vroeg zij met een verruimd hart. -</p> -<p>»Ja, men maakt den brandstapel gereed.” -</p> -<p>Haars ondanks voer der arme vrouw eene huivering door al de leden, bij het hooren -van dit vreeselijk bericht. -</p> -<p>»Mij verbranden!” riep zij verschrikt uit, »waarom mij verbranden?” -</p> -<p>»Dat is het gebruik.” -</p> -<p>Zij liet haar hoofd in hare handen vallen, maar weldra herstelde zij zich, en een -bezielden blik ten hemel slaande, prevelde zij met volkomen onderwerping: -</p> -<p>»Uw wil, o God, geschiede!” -</p> -<p>»Gevoelt mijne moeder zich sterk genoeg, om aan den folterpaal te worden vastgebonden!” -vroeg het opperhoofd met medelijden. -</p> -<p>»Ja,” zeide zij, zich krachtig opheffende. -</p> -<p>De Arendskop kon een kreet van bewondering niet weerhouden. De Indianen beschouwen -moed als de eerste deugd. -</p> -<p>»Kom,” zeide hij. -</p> -<p>De gevangene volgde hem met vasten tred; zij had al hare kracht herkregen; eindelijk -zou zij sterven. -</p> -<p>Het opperhoofd geleidde haar naar den folterpaal, waaraan zij ten tweeden male werd -vastgebonden; vóór haar stapelde men de bossen <span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span>groen hout op elkander, en op een gegeven teeken van den Arendskop stak men ze aan. -</p> -<p>Het vuur had eerst veel moeite om door te breken, door de vochtigheid van het hout, -dat een dikken rook ontwikkelde; doch na eenige seconden barstte de vlam uit, verspreidde -zich langzamerhand, en verkreeg binnen weinige minuten een groote uitgebreidheid. -</p> -<p>De ongelukkige vrouw kon een kreet van schrik niet bedwingen. -</p> -<p>Op hetzelfde oogenblik kwam midden in het kamp een ruiter in volle vaart aanrennen; -met één sprong was hij op den grond, en eer men het hem beletten kon, verstrooide -hij het hout van den brandstapel, en sneed de banden van het slachtoffer door. -</p> -<p>»O, waarom zijt gij gekomen?” mompelde de arme moeder, in zijne armen vallende. -</p> -<p>»Moeder! vergeef mij!” riep Edelhart in wanhoop uit; »mijn God! wat hebt gij veel -moeten lijden!” -</p> -<p>»Ga, ga, Rafaël!” herhaalde zij, hem met liefkoozingen overladende; »laat mij in uwe -plaats sterven, moet niet een moeder haar leven overhebben voor haar kind?” -</p> -<p>»O, spreek zoo niet, moeder, gij zoudt mij krankzinnig maken,” zeide hij, haar in -zijne armen knellende. -</p> -<p>Maar de verwarring, door de plotselinge verschijning van Edelhart verwekt, was spoedig -voorbij; de Indiaansche krijgslieden hadden die bedaardheid herkregen, die hen onder -alles kenmerkt. -</p> -<p>De Arendskop naderde den jager. -</p> -<p>»Mijn broeder is welkom,” zeide hij; »ik wachtte hem niet meer.” -</p> -<p>»Hier ben ik; het was mij onmogelijk eerder te komen; mijne moeder is vrij, denk ik.” -</p> -<p>»Zij is vrij.” -</p> -<p>»Kan zij gaan, waar zij wil?” -</p> -<p>»Waar zij wil.” -</p> -<p>»Neen,” riep de gevangene, zich kloekmoedig tegenover het opperhoofd plaatsende, »het -is te laat; ik ben het, die sterven moet; mijn zoon heeft het recht niet, om mijne -plaats in te nemen.” -</p> -<p>»Moeder, wat zegt gij?…” -</p> -<p>»Ik zeg wat billijk is, Rafaël,” hernam zij levendig; »het uur, waarop gij komen moest, -is voorbij; gij hebt het recht niet om hier te zijn, en mijnen dood te verhinderen; -verwijder u, verwijder u, Rafaël, ik smeek er u om; laat mij sterven om u te redden,” -voegde zij er bij, in tranen smeltend en zich in zijne armen werpende. -</p> -<p>»Moeder,” antwoordde Edelhart, haar met liefkoozingen overladende, »uwe liefde voor -mij verblindt u; ik mag zulk eene misdaad niet laten geschieden; neen, neen, ik alleen -moet hier blijven!” -</p> -<p>»Mijn God, mijn God!” zeide de arme vrouw snikkend; »hij wil mij niet begrijpen!… -Ik zou zoo gelukkig zijn, als ik mocht sterven, om hem te redden!” -<span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span></p> -<p>Overweldigd door al te sterke aandoeningen, viel de moeder bewusteloos in de armen -van haar zoon. -</p> -<p>Edelhart drukte een langen en teederen kus op haar voorhoofd, en haar aan Nô Eusébio -overgevende, die eenige minuten te voren ook was aangekomen, zeide hij op doffen toon: -</p> -<p>»Ga! arme moeder; moogt gij gelukkig zijn, zoo het geluk voor u nog bestaan kan, zonder -uw kind.” -</p> -<p>De oude dienaar zuchtte, drukte met warmte de hand van Edelhart, en zijne meesteres -voor zich op den zadel plaatsende, wendde hij den teugel en verliet langzaam het kamp, -zonder dat iemand zich daartegen verzette. -</p> -<p>Edelhart volgde zijne moeder met het oog, zoolang hij kon; vervolgens, toen zij verdwenen -was, en de hoefslag van het paard niet meer gehoord werd, slaakte hij een doffen kreet, -en streek zich met de hand over het voorhoofd, terwijl hij prevelde: -</p> -<p>»Alles is gedaan! o God, waak over haar!” -</p> -<p>Toen zich tot de Indiaansche hoofden keerende, die hem stilzwijgend met eerbied en -bewondering aanstaarden, zeide hij met een krachtige stem en vlammenden blik: -</p> -<p>»Comanchen, gij zijt allen lafaards! mannen, die een hart bezitten, martelen geen -vrouw!” -</p> -<p>De Arendskop glimlachte. -</p> -<p>»Wij zullen zien,” zeide hij spottend, »of de bleeke jager zoo dapper is, als hij -voorgeeft.” -</p> -<p>»Ik zal ten minste als een man weten te sterven!” antwoordde hij trotsch. -</p> -<p>»De moeder van den jager is vrij.” -</p> -<p>»Ja. Welnu, wat wilt gij van mij?” -</p> -<p>»Een gevangene heeft geen wapenen<span class="corr" id="xd30e3513" title="Niet in bron">.</span>” -</p> -<p>»Dat is billijk,” zeide hij met een verachtelijken lach; »ik zal u de mijne geven!” -</p> -<p>»Nog niet, als het u belieft, beste vriend,” riep eensklaps een spottende stem. -</p> -<p>Goedsmoeds kwam te voorschijn. -</p> -<p>De jager had voor zich op den zadelboog een kind van vier of vijf jaar, en een jonge, -vrij schoone, Indiaansche vrouw, was stevig aan den staart van zijn paard vastgebonden. -</p> -<p>»Mijn kind, mijne vrouw!” riep de Arendskop eensklaps verschrikt uit. -</p> -<p>»Ja,” hernam de jager spottend, »uw vrouw en uw kind, die ik krijgsgevangen gemaakt -heb; ha, ha, dat is een fraaie trek van mij, is het niet?” -</p> -<p>Met één sprong, op een wenk van zijn vriend, had Edelhart zich van de vrouw meester -gemaakt, die van angst klappertandde, en bevreesde blikken om zich heen wierp. -</p> -<p>»Nu,” hernam Goedsmoeds met een onheilspellenden glimlach, <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>»laat ons nu eens praten; ik geloof dat ik de kansen gelijk gemaakt heb, hé?” -</p> -<p>En hij zette den mond van zijn pistool op het voorhoofd van het schuldelooze schepsel, -dat op het voelen van het koude ijzer, akelig begon te gillen. -</p> -<p>»O!” riep de Arendskop wanhopig, »mijn zoon! geef mij mijn zoon terug!” -</p> -<p>»En uwe vrouw, vergeet gij die?” antwoordde Goedsmoeds, spottend de schouders ophalende. -</p> -<p>»Welke zijn uwe voorwaarden?” vroeg Edelhart. -<span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div id="pt2" class="div0 part"> -<h2 class="label">II.</h2> -<h2 class="main">OUAKTEHNO.—HIJ DIE DOODT.</h2> -<div id="ch2.1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5609">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">I.</h2> -<h2 class="main">EDELHART.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De verhouding was geheel omgekeerd. De jagers, die een oogenblik te voren aan de genade -der Indianen waren prijs gegeven, waren niet alleen vrij, maar bevonden zich in zulk -een toestand, dat zij strenge voorwaarden konden stellen. Verscheidene geweren hadden -zich naar den Canadees gericht, verscheidene pijlen waren op hem aangelegd; maar op -een wenk van den Arendskop werden de geweren afgewend, en de pijlen in de kokers geborgen. -De smaad van door twee mannen voor den gek gehouden te worden, die hen stoutmoedig -in het midden van hun kamp braveerden, deed den toorn der Comanchen opwellen. Zij -erkenden de onmogelijkheid van eene worsteling met hunne dappere tegenstanders. En -inderdaad, wat vermochten zij tegen die onverschrokken woudloopers, die hun leven -voor niets achtten? Hen dooden? Maar zoo zij vielen, zouden zij onmeedoogend de gevangenen -vermoorden, die men wilde redden. Het gevoel, dat bij de Roodhuiden het sterkst ontwikkeld -is, is de liefde voor het huisgezin. Waar het zijne kinderen of zijne vrouw geldt, -zal de bloeddorstigste krijgsman niet aarzelen zich aan voorwaarden te onderwerpen, -waartoe anders de afschuwelijkste martelingen hem niet zouden kunnen dwingen. Toen -dan ook de Arendskop zijne vrouw en zijn zoon in de macht van Goedsmoeds zag, dacht -hij aan niets meer dan aan hun behoud. -</p> -<p>Van alle menschen zijn de Indianen misschien diegenen, die het gemakkelijkst zich -naar eene onvoorziene omstandigheid weten te schikken. -<span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span></p> -<p>Het hoofd der Comanchen begroef den haat en den toorn, die hem verteerden, in het -diepst van zijn hart. Met een edele en ongedwongene beweging wierp hij het kleed, -dat hem tot mantel strekte, naar achteren, en met een kalm gelaat en een glimlach -op de lippen, naderde hij de jagers. -</p> -<p>»Mijne bleeke broeders,” zeide het opperhoofd, »zijn vol wijsheid, hoewel hunne haren -nog zwart zijn; zij kennen al de listen die de groote krijgslieden onderscheiden; -zij hebben de slimheid van den bever en den moed van den leeuw.” -</p> -<p>De beide mannen bogen stilzwijgend. -</p> -<p>De Arendskop ging voort. -</p> -<p>»Nademaal mijn broeder Edelhart, zich in het kamp van de Comanchen der groote meren -bevindt, zoo is eindelijk het uur gekomen dat de wolken verdrijft, die tusschen hem -en de Roodhuiden zijn opgerezen. Edelhart is rechtvaardig; hij verklare zich zonder -vrees; hij staat voor vermaarde opperhoofden, die niet zullen aarzelen het ongelijk -te bekennen, dat zij hem hebben aangedaan.” -</p> -<p>»O, zoo!” antwoordde de Canadees; »de Arendskop is wel spoedig van gevoelen omtrent -ons veranderd; meent hij ons met ijdele woorden te kunnen misleiden?” -</p> -<p>Het oog van den Indiaan schoot bliksemstralen; maar met de uiterste krachtsinspanning -gelukte het hem zich in te houden. -</p> -<p>Eensklaps plaatste zich een man vlak tusschen de beide sprekers in. Die man was Eshis, -de eerwaardigste krijgsman van den stam. -</p> -<p>De grijsaard verhief langzaam zijn arm. -</p> -<p>»Dat mijne kinderen luisteren,” zeide hij; »alles moet heden worden opgelost; de bleeke -jagers zullen in den raad de calumet rooken.” -</p> -<p>»Het geschiede alzoo,” zeide Edelhart. -</p> -<p>Op een teeken van de Zon, schaarden de voornaamste hoofden van den stam zich om hem -heen. -</p> -<p>Goedsmoeds was niet van houding veranderd, hij hield zich gereed, om bij het minste -verdachte teeken zijne gevangenen op te offeren. -</p> -<p>Toen de pijp de ronde gedaan had in den kring, die zich om de jagers gevormd had, -maakte de oude hoofdman een buiging voor de blanken, en sprak hen aldus aan. -</p> -<p>»Krijgslieden, ik dank den <i>Meester des levens</i> daarvoor dat hij ons Roodhuiden lief heeft, en dat hij ons heden deze mannen zendt, -om hun hart voor ons te openen. Schept moed, jonge lieden, laat geen zorg u drukken, -en jaagt den boozen geest verre van u. Wij hebben u lief, Edelhart, wij hebben van -uwe goedheid voor de Indianen hooren spreken. Wij weten dat uw hart open is, en dat -uwe aderen helder zijn als de zon. Het is waar, dat wij, Indianen, ons verstand niet -gebruiken, als het vuur der geestdrift ons bezielt, en dat wij u <span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span>in verschillende omstandigheden hebben mishaagd. Maar wij hopen, dat gij er niet meer -aan denken zult, en dat, zoolang gij en wij in de prairiën zullen wonen, wij aan elkanders -zijde zullen jagen, gelijk het aan krijgslieden, die elkander lief hebben en eerbiedigen, -betaamt.”<a class="noteRef" id="xd30e3566src" href="#xd30e3566">1</a> -</p> -<p>Edelhart antwoordde: -</p> -<p>»Gij, hoofden en leden van de natie der Comanchen van de groote meren, wier oogen -geopend zijn, ik hoop dat gij een luisterend oor verleenen zult aan de woorden van -mijnen mond. De Meester des levens heeft mijn verstand geopend en woorden van vriendschap -in mijne borst geblazen. Mijn hart vloeit over van welwillende gevoelens voor u, voor -uwe vrouwen, voor uwe kinderen, en wat ik in dit oogenblik tot u zeg, komt voort uit -het hart van mijn vriend en van mij: nooit is in de prairie mijne hatto gesloten geweest -voor de jagers van uwe natie. Waarom doet gij dan mij den oorlog aan? Waarom dan martelt -gij mijne moeder, die eene oude vrouw is? Waarom tracht gij mij van het leven te berooven? -Ik heb er een afkeer van, om het bloed der Indianen te vergieten; want ik herhaal -het u, ondanks al het kwaad, dat gij mij gedaan hebt, is mijn hart u toegenegen.” -</p> -<p>»<i>Ooah!</i>” viel de Arendskop hem in de rede, »mijn broeder spreekt goed; maar de wond, die -hij mij toegebracht heeft, is nog niet geheeld.” -</p> -<p>»Mijn broeder is dwaas,” antwoordde de jager; »houdt hij mij dan voor zulk een sukkel, -dat ik hem niet zou hebben gedood, indien zulks mijn voornemen ware geweest. Ik ga -u bewijzen, waartoe ik in staat ben, en hoe ik den moed van een krijgsman begrijp. -Op een teeken van mij zullen deze vrouw en dat kind hebben opgehouden te leven.” -</p> -<p>»Ja,” zeide Goedsmoeds. -</p> -<p>Een rilling liep door de rijen der vergadering. De Arendskop voelde, dat een koud -zweet zijne slapen overdekte. -</p> -<p>Edelhart bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, op de Indianen een blik slaande, -dien het onmogelijk is te beschrijven; vervolgens met verachting de schouders ophalende, -wierp hij zijne wapenen voor zijne voeten en de armen kruiselings over de borst slaande, -wendde hij zich naar den Canadees. -<span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span></p> -<p>»Goedsmoeds,” zeide hij, kalm en met nadruk, »geef aan die arme schepsels de vrijheid -terug.” -</p> -<p>»Waaraan denkt gij?” riep de jager verschrikt uit; »het zou uw doodvonnis zijn.” -</p> -<p>»Dat weet ik.” -</p> -<p>»Welnu?” -</p> -<p>»Ik smeek er u om.” -</p> -<p>De Canadees antwoordde niet; hij begon tusschen zijne tanden te fluiten, en zijn mes -te voorschijn halende, sneed hij de banden door, die de gevangenen vasthielden. Deze -sprongen als jaguars weg, en gingen brullend van vreugde zich achter hunne vrienden -verschuilen. Goedsmoeds borg zijn mes in den gordel, wierp zijne wapenen weg, klom -van zijn paard af en plaatste zich vastberaden naast Edelhart. -</p> -<p>»Wat doet gij toch?” riep deze, »red u, mijn vriend.” -</p> -<p>»Mij redden, waarom?” antwoordde de Canadees onbezorgd; »bij God! neen, wij moeten -toch allen eens sterven; ik doe het even gaarne nu als later; ik zal misschien nooit -weder zulk eene goede gelegenheid vinden.” -</p> -<p>De twee mannen drukten elkander krachtig de hand. -</p> -<p>»Nu, opperhoofden,” zeide Edelhart op kalmen toon, »nu zijn wij in uwe macht! doet -met ons wat u zal goed dunken.” -</p> -<p>De Comanchen zagen elkander een oogenblik met verbazing aan; de stoïcijnsche zelfverloochening -dezer twee mannen, die door de stoutmoedige daad van een hunner, niet alleen hadden -kunnen ontsnappen, maar hun tevens de wet hadden kunnen voorschrijven, en die, in -plaats van gebruik te maken van dit onbeperkte voordeel, hunne wapenen wegwierpen -en zich ter hunner beschikking stelden, scheen hun toe alle voorbeelden van heldenmoed -te overtreffen, waarvan hunne natie de herinnering bewaarde. -</p> -<p>Er volgde een vrij lang stilzwijgen, gedurende hetwelk men het hart dier ijzeren mannen -in hunne borst had kunnen hooren kloppen. -</p> -<p>Eindelijk wierp de Arendskop, na eenige seconden geaarzeld te hebben, zijne wapenen -weg, en den jagers naderende, zeide hij met een bewogen stem, die sterk afstak bij -het kalm en onverschillig uiterlijk, dat hij vruchteloos poogde te bewaren: -</p> -<p>»Het is waar, krijgslieden der bleekgezichten, dat gij een groot verstand hebt, dat -het de woorden verzacht, die gij tot ons richt, en dat wij allen u verstaan; wij weten -ook dat de waarheid uwe lippen opent, het kan niet anders of wij Indianen, die niet -het verstand der blanken hebben, moeten dikwijls, zonder het te willen, verkeerde -daden doen, maar wij hopen, dat Edelhart de huid van zijn hart zal wegnemen, opdat -het open zij als het onze, en dat tusschen ons de bijl zal begraven worden, zoo diep, -dat de zonen van de zonen onzer kleinzonen, in duizend manen en honderd bovendien, -haar niet zullen wedervinden.” -<span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span></p> -<p>En de beide handen op de schouders van den jager leggende, kuste hij hem op de oogen, -er bijvoegende: -</p> -<p>»Edelhart, wees mijn broeder!” -</p> -<p>»Het zij zoo,” zeide de jager, verheugd over deze ontknooping; »voortaan zal ik voor -de Comanchen evenveel vriendschap koesteren, als tot nu toe wantrouwen.” -</p> -<p>De Indiaansche hoofden verdrongen zich om hunne nieuwe vrienden, en overlaadden hen -met teekenen van genegenheid en hoogachting. -</p> -<p>De beide jagers waren sedert lang met den stam van den Slang bekend, hun naam was -dikwijls gedurende den nacht, rondom het vuur van het kamp, genoemd geworden, het -verhaal hunner heldendaden had de jongelieden, aan wie de oude soldaten ze vertelden, -met bewondering vervuld. -</p> -<p>De verzoening van Edelhart met den Arendskop was oprecht; er bleef tusschen hen niet -het minste spoor van den ouden haat meer over. De heldenmoed van den blanken jager -had den wrok van den Roodhuid overwonnen. -</p> -<p>De beide mannen zaten vreedzaam aan den ingang eener hut te praten, toen er op eens -een groote schreeuw gehoord werd, en een Indiaan met van schrik verbleekte trekken, -zich in het kamp wierp. Allen drongen zich om dien man heen, om te hooren wat hij -te zeggen had, maar zoodra de Indiaan den Arendskop zag, wendde hij zich tot dezen. -</p> -<p>»Wat gebeurt er?” vroeg het opperhoofd. -</p> -<p>De Indiaan wierp een woesten blik op Edelhart en Goedsmoeds, die evenmin als de anderen -de oorzaak van dien schrik gissen konden. -</p> -<p>»Pas op, dat die bleekmuilen niet ontsnappen, wij zijn verraden!” zeide hij hijgend. -</p> -<p>»Dat mijn broeder zich duidelijker uitdrukke!” beval de Arendskop. -</p> -<p>»Al de blanke pelsjagers, de <i>Lange messen van het Westen</i> zijn vereenigd; zij vormen eene krijgsbende van omstreeks honderd man; zij zijn in -aantocht en wel op zulk eene wijze, dat zij op eens het kamp van alle kanten kunnen -omsingelen.” -</p> -<p>»Zijt gij er zeker van, dat die jagers als vijanden komen?” vroeg het opperhoofd. -</p> -<p>»Hoe kan het anders zijn?” antwoordde de Indiaan; »zij kruipen als slangen door het -hooge gras, met het geweer naar voren en het scalpeermes tusschen de tanden. Hoofdman, -wij zijn verraden, die twee mannen zijn in ons midden gezonden, om onze waakzaamheid -te verschalken.” -</p> -<p>De Arendskop en Edelhart wisselden een glimlach, die voor allen, behalve voor hen -zelven een raadsel was. -</p> -<p>Het opperhoofd wendde zich tot den Indiaan. -</p> -<p>»Gij hebt den aanvoerder der jagers gezien, niet waar?” -</p> -<p>»Ja, ik heb hem gezien.” -<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span></p> -<p>»En het is <i>Amick</i>—de Zwarte Eland—de bewaker van de vallen van Edelhart.” -</p> -<p>»Wie zou het anders kunnen zijn?” -</p> -<p>»Goed, verwijder u,” zeide de krijgsman, den bode met een wenk wegzendende; vervolgens -richtte hij zich tot den jager. -</p> -<p>»Wat moet er gedaan worden?” vroeg hij. -</p> -<p>»Niets,” antwoordde Edelhart; »dit is eene zaak, die mij aangaat, ik verzoek dus dat -mijn broeder mij alleen late handelen.” -</p> -<p>»Mijn broeder is hier meester.” -</p> -<p>»Ik ga de jagers verkennen; dat de Arendskop tot aan mijne terugkomst zijne jonge -lieden in het kamp terughoude.” -</p> -<p>»Het zal geschieden,” -</p> -<p>Edelhart wierp zijn geweer over zijn schouder, gaf Goedsmoeds de hand, lachte den -hoofdman vriendelijk toe, en wendde zich naar het bosch met dien kalmen en bedaarden -tred, die hem eigen was. -</p> -<p>Hij verdween weldra te midden van het geboomte. -</p> -<p>»Hm!” zeide Goedsmoeds, terwijl hij zijn Indiaansche pijp aanstak, tot den Arendskop; -»gij ziet, hoofdman, dat het in deze wereld niet altijd eene verkeerde rekening geeft, -als men zich door zijn hart laat leiden.” -</p> -<p>En meer dan voldaan over deze wijsgeerige ontboezeming, die hem voor de plechtigheid -van het oogenblik bijzonder geschikt toescheen, wikkelde de Canadees zich in een dikke -wolk van rook. -</p> -<p>Op bevel van den hoofdman werden al de verkenners, die op de grenzen van het kamp -verspreid waren, teruggeroepen. -</p> -<p>De Indianen wachtten angstig den uitslag van Edelharts onderneming af. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e3566"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3566src">1</a></span> Om aan de belangstelling onzer lezers te voldoen, geven wij hier deze redevoering -in het oorspronkelijke, als een proefje van de taal der Comanchen. -</p> -<p lang="com" class="footnote cont">Meegvoitch kitchée manitoo, kaigait-kee zargetoone an nishinnorbay nogomé, shafhijyar -payshik artawway winnin tercushenan, cawween kitchée morgussey, an nishinnorbay nogomé, -cawwickar indenendum Kaygait kitchée muskowway geossay haguarmissey waybenau matchée -oathy nee zargetoone saggonash artawway winnin kaygait hapadgey kitchée morgussey -an nishinnorbay; kaig notch annaboikassey nennerwind mornooch towvach nee zargey debwoije -kee appayomar, cuppar bebone nepewar appiminiqui omar. <a class="fnarrow" href="#xd30e3566src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch2.2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5619">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">II.</h2> -<h2 class="main">DE ROOVERS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het was avond. Even ver van het kamp der Mexicanen als van dat der Comanchen verwijderd, -zaten in een hollen weg, tusschen twee hooge heuvels verborgen, een veertigtal mannen -om verscheidene vuren vereenigd, zoodanig geplaatst, dat het schijnsel der vlammen -hunne tegenwoordigheid niet kon verraden. Deze zonderlinge vereeniging van gelukzoekers -met sombere gelaatstrekken, woeste blikken, slordige en grillige kostumen, bood een -schouwspel aan, de teekenstift van Callot of het penseel van een Salvator Rosa waardig. -</p> -<p>Deze mannen, een vreemdsoortig samenstel van alle volkssoorten, die de aarde bewonen, -van den Rus af tot aan den Chinees toe, vormden de meest volledige verzameling van -schurken, die men <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>zich maar kan voorstellen; vrijbuiters zonder eer, zonder wet, zonder haardstede, -zonder woning, het uitvaagsel der beschaafde wereld, genoodzaakt tegen deze eene schuilplaats -te zoeken in het hart der prairiën van het Westen, vormden zij zelfs daar in de wildernis -een afzonderlijke bende, nu eens in oorlog met de jagers, dan weder met de Indianen, -beiden in wreedheid en schelmerij overtreffende. Deze mannen in één woord, waren, -wat men gewoon is <i>de Roovers der Prairiën</i> te noemen. -</p> -<p>Die naam komt hun in alle opzichten toe; want evenals hunne broeders op den Oceaan, -voeren zij alle vlaggen of liever treden ze allen met voeten, belagen zij alle reizigers, -die het wagen alleen de prairiën te doorkruisen, vallen zij alle karavanen aan om -die te plunderen, en als iedere andere buit hun ontsnapt, verschuilen zij zich verraderlijk -in het hooge gras, om van daar de Indianen te bespieden en te vermoorden, en alzoo -de premie te verdienen, die het <i>vaderlijk</i> bestuur der Vereenigde Staten gesteld heeft op het <i>hoofdhaar</i> van iederen inlander, evenals men in Frankrijk den kop van een wolf betaalt. -</p> -<p>Deze bende werd aangevoerd door den kapitein Ouaktehno, dien wij reeds vroeger ten -tooneele hebben gevoerd. -</p> -<p>Er heerschte onder deze bandieten een spanning, die het voorteeken was van eene geheimzinnige -onderneming. Eenigen maakten hunne wapenen schoon of laadden die, anderen kleedden -zich, anderen wederom rookten en dronken mezcal, nog anderen sliepen in hunne gescheurde -mantels gewikkeld. De paarden, geheel gezadeld, waren aan palen vastgemaakt. -</p> -<p>Op geregelde afstanden stonden wachten, zwijgend en onbewegelijk als standbeelden -van metaal op hunne lange karabijnen te leunen, wakende voor het algemeene welzijn. -Het wegstervend schijnsel der vuren wierp nu en dan op dit tooneel een roodachtigen -gloed, die aan de roovers een nog woester voorkomen gaf. -</p> -<p>De kapitein scheen aan eene angstige bezorgdheid ten prooi te zijn, hij liep met groote -stappen te midden van zijne onderhoorigen heen en weder nu eens stampende van toorn, -dan weder stilstaande om naar de onbestemde geluiden der prairie te luisteren. -</p> -<p>De nacht werd hoe langer hoe donkerder, de maan was ondergegaan, de wind huilde dof -in de duisternis, de roovers waren ten laatste allen in slaap gevallen. De kapitein -alleen waakte nog. -</p> -<p>Eensklaps meende hij in de verte het knallen van een geweerschot te hooren, toen een -tweede, en daarna werd alles wederom stil. -</p> -<p>»Wat beteekent dat?” mompelde de kapitein woedend, »hebben die gekken zich laten overvallen?” -</p> -<p>Terstond zich zorgvuldig in zijnen mantel wikkelende, wendde hij zich met groote schreden -naar dien kant, van waar het geluid vernomen was. -</p> -<p>’t Was erg donker, en ondanks zijne plaatskennis ging de kapitein <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>slechts met moeite voort tusschen de wortels en takken, die bij elke schrede hem den -weg versperden. Meermalen was hij genoodzaakt stil te staan en naar den weg te zoeken, -dien hij gedurig kwijt was, door de omwegen, waartoe de rotsblokken en kreupelboschjes, -die hij tegenkwam hem noodzaakten. -</p> -<p>Gedurende een dergelijk oponthoud, meende hij niet ver van zich af eenig gedruisch -in de bladeren en takken te hooren, niet ongelijk aan dat, hetwelk veroorzaakt wordt -door het harde loopen van een dier of van een mensch in het kreupelhout. -</p> -<p>De kapitein verborg zich achter den stam van een reusachtigen mahonieboom, greep zijne -pistolen om op alles bereid te zijn, en luisterde met vooruitgestoken hoofd. -</p> -<p>Alles om hem heen was stil: het was dat geheimzinnige uur van den nacht, waarin de -natuur schijnt te slapen, en waarin al die naamlooze geluiden der wildernis zwijgen, -om, zooals de Indianen zeggen, alleen <i>de stilte te laten hooren</i>. -</p> -<p>»Ik heb mij vergist,” prevelde de roover, en hij maakte eene beweging om op zijne -schreden terug te keeren. Nu liet zich hetzelfde gedruisch op nieuw hooren, maar duidelijker -en dichterbij dan even te voren, en onmiddellijk gevolgd door een ingehouden kermen. -</p> -<p>»Bij God!” zeide de kapitein, »dat begint interessant te worden, daar moet ik het -mijne van hebben.” -</p> -<p>Na een snellen loop van eenige minuten; zag hij niet ver van zich af de schaduw van -een man in het donker voortglijden. Deze persoon, wie het ook zijn mocht, scheen zich -met moeite voort te slepen, hij waggelde bij iedere schrede, en stond nu en dan stil, -als om zijne krachten te herstellen. Soms liet hij een onderdrukte klacht hooren. -De kapitein sprong naar hem toe, om hem den doorgang te versperren. Zoodra de onbekende -hem bemerkte, slaakte hij een kreet van schrik, viel op de knieën, en mompelde met -eene van angst sidderende stem: -</p> -<p>»Genade, genade! dood mij niet!” -</p> -<p>»Hoe!” riep de verbaasde kapitein, »het is de Babbelaar! Wie duivel heeft hem zoo -toegetakeld?” -</p> -<p>Hij bukte om hem van nabij te bezien. -</p> -<p>Het was inderdaad de gids. -</p> -<p>Hij was in zwijm gevallen. -</p> -<p>»De pest hale dien stommeling!” mompelde de kapitein spijtig, »hoe kan ik hem nu uithooren?” -</p> -<p>Maar de roover was een man; die zich te redden wist, hij stak zijne pistolen in zijn -gordel, nam den gekwetste op en legde hem over zijne schouders. -</p> -<p>Met dezen last beladen, die hem geenszins in het loopen hinderde, keerde hij met groote -schreden langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, naar het kamp terug. -</p> -<p>Hij legde den gids bij een half uitgedoofd vuur, en wierp daarin <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>eenige takkenbossen, om het te laten opflikkeren. Weldra stelde een heldere vlam hem -in staat, om den man te onderzoeken, die bewusteloos aan zijne voeten nederlag. -</p> -<p>De gelaatstrekken van den Babbelaar waren loodkleurig, een koud zweet parelde langs -zijne slapen, en het bloed liep bij stroomen uit een diepe wond in zijne borst. -</p> -<p>»<i lang="es">Cascaras!</i>” prevelde de kapitein, »de arme duivel heeft wel zijn deel gekregen; als hij mij -voor zijn dood nog maar zeggen kan, wie hem in dien toestand hebben gebracht, en wat -er van Kennedy is geworden!” -</p> -<p>Evenals alle woudloopers had de kapitein eene practische kennis van de geneeskunde, -en was hij geenszins verlegen met de behandeling van een dergelijke wond. -</p> -<p>Ten gevolge van de zorg door hem aan den gids ten koste gelegd, kwam deze spoedig -bij. Hij slaakte een diepen zucht, sloeg flauw de oogen op, en bleef een tijdlang -liggen zonder te kunnen spreken; maar na eenige vruchtelooze pogingen, bijgestaan -door den kapitein, kwam hij zoover, dat hij zich halverwege kon oprichten, en terwijl -hij herhaalde malen het hoofd schudde, zeide hij op wanhopigen toon, en met eene telkens -afgebrokene stem: -</p> -<p>»Alles is verloren, kapitein! Wij hebben onzen slag gemist.” -</p> -<p>»Duizend donders!.…” riep de roover woedend stampvoetende, »hoe heeft zich dat toegedragen?” -</p> -<p>»Dat meisje is een duivel!” hernam de gids, wiens fluitende ademhaling en gedurig -zwakker wordende stem duidelijk genoeg bewezen, dat hij niet lang meer leven zou. -</p> -<p>»Zoo gij kunt,” zeide de kapitein, die van den uitroep van den gekwetste niets begrepen -had, »zeg mij dan, hoe de zaken zich hebben toegedragen, en wie uw moordenaar is, -opdat ik u wreke!” -</p> -<p>Een akelige lach plooide de paarsche lippen van den gids. -</p> -<p>»Wie mijn moordenaar is?” herhaalde hij spottend. -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»<span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz.” -</p> -<p>»<span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz!” riep de kapitein, verrast opspringende; »dat is onmogelijk!” -</p> -<p>»Luister,” hernam de gids, »mijne oogenblikken zijn geteld; weldra zal ik niet meer -leven. Een man in mijn toestand liegt niet. Laat mij spreken, en val mij niet in de -rede; ik weet niet of ik den tijd zal hebben om u alles te zeggen, alvorens ik rekenschap -ga afleggen aan Hem, die alles weet.” -</p> -<p>»Spreek!” zeide de kapitein. -</p> -<p>En daar de stem van den gekwetste hoe langer hoe zwakker werd, knielde hij naast hem -neder, om geen enkel woord te verliezen. -</p> -<p>De gids sloot de oogen, haalde even adem, en zeide toen met inspanning van al zijne -krachten: -</p> -<p>»Geef mij wat brandewijn!” -<span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span></p> -<p>»Zijt gij gek, brandewijn zou u dooden.” -</p> -<p>De gewonde schudde het hoofd. -</p> -<p>»Het zal mij de noodige kracht geven, om u alles te doen verstaan, wat ik u te zeggen -heb. Ben ik niet reeds half dood?” -</p> -<p>»Dat is waar!” prevelde de kapitein. -</p> -<p>»Aarzel dan niet,” hernam de ander; »de tijd dringt ons, ik heb u belangrijke zaken -mede te deelen.” -</p> -<p>»Het zij zoo!” mompelde de roover, en bracht de flesch aan de lippen van den gids. -</p> -<p>Deze dronk gulzig en vrij lang; een koortsachtige gloed kleurde zijne wangen, zijne -brekende oogen verhelderden zich, en begonnen levendig te schitteren<span class="corr" id="xd30e3738" title="Niet in bron">.</span> -</p> -<p>»Nu,” zeide hij met een krachtige en vrij harde stem, »moet gij mij niet in de rede -vallen; zoodra gij ziet, dat mijne krachten afnemen, laat mij dan drinken; misschien -zal ik nog den tijd vinden om u alles te verhalen.” -</p> -<p>De kapitein gaf hem een teeken van goedkeuring, en de Babbelaar begon zijn verhaal. -</p> -<p>Het duurde vrij lang, ten gevolge van de uitputting, waarin hij gedurig verviel; toen -hij geëindigd had, voegde hij er bij: -</p> -<p>»Gij ziet het, die vrouw, gelijk ik u zeide, is een duivel, zij heeft Kennedy en mij -gedood; zie van haar af, kapitein, het is geen gemakkelijk wild om te jagen, gij zult -haar nooit meester worden.” -</p> -<p>»Hoe!” zeide de kapitein, de wenkbrauwen fronsende, »meent gij dat ik zoo licht mijne -plannen laat varen?” -</p> -<p>»Goed succès dan!” prevelde de gids; »wat mij betreft, ik heb afgehandeld, mijne rekening -is gemaakt.… Vaarwel, kapitein,” voegde hij er met een vreemden lach bij, »ik ga naar -den duivel, daar zullen wij elkander wederzien!.…” -</p> -<p>Hij viel omver. -</p> -<p>De kapitein wilde hem oplichten, maar hij was dood. -</p> -<p>»Goede reis!” prevelde hij koelbloedig. -</p> -<p>Hij nam het lijk op zijne schouders, bracht het in een boschje, maakte daar een kuil, -en legde het er in; dit gedaan hebbende, ging hij naar het vuur in het kamp terug, -wikkelde zich in zijn mantel, strekte zich op den grond uit, met de voeten naar het -vuur gekeerd, en legde zich te slapen met de woorden: -</p> -<p>»Binnen eenige uren zal het dag zijn; dan zullen wij zien, wat er te doen is.” -</p> -<p>De bandieten sliepen niet lang; met zonsopgang was in het kamp der roovers alles in -beweging. Allen maakten zich gereed om op weg te gaan. -</p> -<p>De kapitein, wel verre van zijn plan te laten varen, had integendeel besloten de uitvoering -er van terstond en met geweld door te zetten, ten einde den Mexicanen geen tijd te -laten om onder de blanke pelsjagers der prairiën eene hulp te vinden, die den gelukkigen -uitslag onmogelijk zou hebben gemaakt. -<span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span></p> -<p>Zoodra het duidelijk was, dat de bevelen, die hij gegeven had, goed begrepen waren, -gaf de kapitein het teeken van vertrek. De bende brak op en begon op zijn Indiaansch -te marcheeren, dat is te zeggen, met den rug naar de plaats waar zij heen trok. -</p> -<p>Vervolgens, toen zij op eene plek gekomen waren, die hun de gewenschte veiligheid -scheen te bieden, stegen de roovers van hunne paarden, gaven deze aan eenige sterke -kerels over; en zich nu als een hoop adders op den grond uitstrekkende, of ook wel -van den eenen tak op den anderen en van den eenen boom op den anderen overspringende, -begaven zij zich met alle noodige voorzorgen, in de richting van het Mexicaansche -kamp. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch2.3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5629">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">III.</h2> -<h2 class="main">DE ZELFOPOFFERING.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, had de doctor met een boodschap van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz aan den Zwarten Eland belast, het kamp der Mexicanen verlaten. -</p> -<p>Gelijk vele geleerden was hij van nature zeer afgetrokken, ofschoon met de beste bedoelingen -van de wereld. -</p> -<p>Gedurende de eerste oogenblikken spande hij al zijne denkkracht in om de beteekenis -te raden der in zijn oog zoo geheimzinnige woorden, die hij voor den pelsjager moest -uitspreken. -</p> -<p>Hij begreep niet welke hulp zijne vrienden verwachten konden van een halven wilde, -die eenzaam in de prairie leefde en met jagen in zijn onderhoud voorzag. Zoo hij de -zending dan ook terstond had aangenomen, was het alleen omdat hij zich zoo innig aan -de nicht van den generaal gehecht gevoelde, want eenigen goeden uitslag verwachtte -hij er niet van. In de overtuiging, dat zijne zending geheel nutteloos was, reed hij -niet, gelijk hij had moeten doen, regelrecht en op een draf naar de <i lang="es">toldo</i> van den Zwarten Eland; maar hij steeg af, nam zijn paard bij den toom en ging aan -het zoeken van planten, eene bezigheid waarin hij zich weldra geheel verdiepte, zoodat -hij de aanbeveling van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz en de reden, waarom hij het kamp verlaten had, volkomen vergat. -</p> -<p>De tijd stond echter niet stil, de dag was reeds half verstreken; de doctor, die reeds -lang terug had moeten zijn, was nog niet verschenen. -</p> -<p>Een groote angst heerschte in het kamp der Mexicanen. De generaal en de kapitein hadden -alles geregeld om het tegen een aanval te kunnen verdedigen. Er daagde niets op. In -den omtrek bleef alles bedaard; de Mexicanen geloofden bijna, dat zij door een valsch -alarm waren verschrikt. -<span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span></p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz alleen voelde hare ongerustheid met ieder oogenblik toenemen; met de oogen naar -de vlakte gericht, zag zij vergeefs uit naar den kant, van waar haar boodschapper -moest terugkomen. Eensklaps scheen het, dat het hooge gras der prairie een golvende -beweging aannam, waarvan de oorzaak onzichtbaar was. De lucht werd door geen enkel -koeltje bewogen, het was drukkend warm; de bladeren, door de zonnestralen verbrand, -waren onbewegelijk; het hooge gras alleen ging voort langzaam en geheimzinnig te wuiven. -En, wat vooral vreemd was, deze bijna onmerkbare beweging, die slechts een geoefend -oog kon waarnemen was niet algemeen; integendeel, zij was voortgaande en naderde het -kamp met eene regelmatigheid, die eene door overleg bestuurde beweegkracht deed vermoeden; -naarmate toch de beweging zich aan de meer nabijzijnde halmen mededeelde, vervielen -de achtersten weder in een volkomen rust, die verder door niets werd afgebroken. -</p> -<p>De wachten, die op de wallen stonden, wisten niet waaraan zij deze onbegrijpelijke -beweging moesten toeschrijven. De generaal, als een gehard soldaat, besloot de zaak -te onderzoeken; hoewel hij nooit persoonlijk met de Indianen in aanraking was geweest, -had hij toch te veel van hunne manier van vechten gehoord, om hier niet eenige achterdocht -te koesteren. Het kamp, dat al zijne verdedigers noodig had, niet van manschappen -willende berooven, besloot hij om zelf het avontuur te wagen, en op verkenning uit -te gaan. -</p> -<p>Toen hij zich gereed maakte om over de wallen heen te klouteren, hield de kapitein -hem staande, en legde hem eerbiedig den arm op den schouder. -</p> -<p>»Wat wilt gij van mij, mijn vriend?” vroeg de generaal, zich omkeerende. -</p> -<p>»Ik zou, met uw verlof, wel een vraag tot u willen richten, generaal,” antwoordde -de jongeling. -</p> -<p>»Doe zoo.” -</p> -<p>»Gij verlaat het kamp, niet waar?” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Zeker om op verkenning uit te gaan?” -</p> -<p>»Om op verkenning uit te gaan, ja.” -</p> -<p>»Dan, generaal, ben ik het aan wien de eer van die taak toekomt.” -</p> -<p>»Waarom?” zeide de generaal verbaasd. -</p> -<p>»Hemel, generaal, dat is zeer eenvoudig; ik ben maar een arme duivel, een subaltern -officier, die alles aan u verplicht ben.” -</p> -<p>»Verder?” -</p> -<p>»Het gevaar waaraan ik mij zal blootstellen zoo er gevaar is, zal niets afdoen tot -den goeden uitslag der onderneming; terwijl indien.…” -</p> -<p>»Terwijl indien …?” -</p> -<p>»Indien gij gedood wordt?” -</p> -<p>De generaal maakte een afwijzende beweging. -<span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span></p> -<p>»Ja, men moet alles voorzien,” vervolgde de kapitein, »als men zulke tegenstanders -heeft.” -</p> -<p>»Dat is waar; maar dan nog?” -</p> -<p>»Wel, onze tocht zal mislukt zijn, en geen onzer zal de beschaafde wereld wederzien. -Gij zijt het hoofd, wij anderen, wij zijn slechts ledematen; blijf dus in het kamp.” -</p> -<p>De generaal dacht eenige oogenblikken na; vervolgens de hand van den jongeling met -hartelijkheid drukkende, zeide hij: -</p> -<p>»Ik ben u zeer verplicht, maar ik moet met eigen oogen zien wat men tegen ons beraamt. -De zaak is te ernstig dan dat ik mij op u mag verlaten.” -</p> -<p>»Neen, gij moet blijven, generaal,” drong de kapitein bij hem aan; »is het niet voor -ons, laat het dan ten minste voor uwe nicht zijn, voor dat onschuldige brooze schepseltje, -dat zoo u iets overkwam, alleen zou staan, alleen te midden van woeste <span class="corr" id="xd30e3814" title="Bron: volkstammen">volksstammen</span>, zonder steun en zonder beschermer; wat is het leven voor mij, armen jongen, zonder -familie, die alles aan uwe goedheid te danken heb? <span class="corr" id="xd30e3817" title="Bron: het">Het</span> uur is nu gekomen, waarin ik u mijne dankbaarheid toonen kan, laat mij mijne schuld -betalen.” -</p> -<p>»Maar,” wilde de generaal zeggen. -</p> -<p>»Gij weet het,” vervolgde de jongeling in vervoering, »zoo ik u kon vervangen bij -<span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, ik zou het met genoegen doen, maar ik ben nog te jong voor die schoone rol; -kom, generaal, laat ik in uwe plaats gaan, die eer komt mij toe.” -</p> -<p>Half vrijwillig, half gedwongen trad de oude officier terug; de kapitein sprong de -wallen op, was er met één sprong weder af, en verwijderde zich zoo snel mogelijk, -na zijnen vriend een laatst vaarwel te hebben toegeroepen. -</p> -<p>De generaal volgde hem met de oogen, zoolang hij kon; vervolgens wreef hij zijn voorhoofd -met de hand, en prevelde: -</p> -<p>»Een brave jongen, een uitmuntend karakter!” -</p> -<p>»Niet waar, oom?” antwoordde <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, die ongemerkt naderbij gekomen was. -</p> -<p>»Waart gij daar, mijn kind?” zeide hij met een glimlach, dien hij vruchteloos vroolijk -trachtte te maken. -</p> -<p>»Ja, beste oom, ik heb alles gehoord.” -</p> -<p>»Goed, lieve,” zeide de generaal met gedwongen bedaardheid, »maar het is nu geen tijd, -om weekhartig te zijn, ik moet voor uwe veiligheid zorgen; blijf niet langer hier, -kom met mij mede; hier zou een Indiaansche kogel u maar al te gemakkelijk kunnen treffen.” -En haar bij de hand nemende, bracht hij haar zachtjes tot aan de tent. Toen zij binnen -was, gaf hij haar een kus op het voorhoofd, beval haar daar te blijven, en keerde -weder naar de wallen, om nauwkeurig te zien wat er in de vlakte gebeurde, tevens den -tijd berekenende, die er na het vertrek van den doctor verloopen was, en zich verwonderende -over diens wegblijven. -<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p> -<p>»Hij zal den Indianen in handen gevallen zijn,” zeide hij, »als zij hem maar niet -gedood hebben!” -</p> -<p>Kapitein Aguilar was een moedig soldaat; gevormd in de gedurige oorlogen van Mexico, -ging bij hem beleid met moed gepaard. Tot op een zekeren afstand van het kamp genaderd, -ging hij plat op den buik liggen en bereikte al kruipende een rotsblok, dat juist -geschikt was, om hem tot hinderlaag te dienen. Alles was rustig om hem heen, niets -kon hem doen vermoeden, dat de vijand in aantocht was; na een geruimen tijd te hebben -doorgebracht met het terrein te onderzoeken, maakte hij zich gereed om naar het kamp -terug te keeren, overtuigd dat de generaal zich had vergist, en dat er volstrekt geen -gevaar bestond, toen er eensklaps op tien passen van hem af, een verschrikte <i lang="com">asshata</i>, met gespitste ooren en naar achtergeworpen kop, opsprong, en met de duidelijke kenteekenen -der grootste vrees, zoo hard hij kon wegliep. -</p> -<p>»Ha, ha!” prevelde de kapitein, »zou er toch werkelijk iets zijn<span class="corr" id="xd30e3848" title="Bron: .">?</span> Wij zullen zien.” -</p> -<p>En de rots, achter welke hij zich verscholen had, verlatende, deed hij voorzichtig -eenige schreden voorwaarts, om zich van de gegrondheid van zijn vermoeden te overtuigen. -</p> -<p>Het gras bewoog zich sterk, en eensklaps stonden er plotseling een tiental mannen -om hem heen, die hem omsingelden eer hij tijd had, om zich in staat van tegenweer -te stellen, of de schuilplaats die hij zoo roekeloos verlaten had, weder te bereiken. -</p> -<p>»In Gods naam,” zeide hij koelbloedig, »nu weet ik ten minste met wie ik te doen heb.” -</p> -<p>»Geef u over!” riep een der mannen, die hem het dichtst op het lijf zat. -</p> -<p>»Wel ja,” antwoordde hij spottend, »dat kunt gij denken; alvorens gij mij in handen -krijgt, zult gij mij eerst van kant dienen te maken.” -</p> -<p>»Dan zal men u van kant maken, aardige jonker,” antwoordde de eerste spreker brutaal. -</p> -<p>»Daar reken ik op,” hernam de kapitein satiriek: »ik zal mij verdedigen, dat zal gedruisch -maken, mijne vrienden zullen ons hooren, dan zal uw aanval mislukt zijn, dat is juist -wat ik verlang.” -</p> -<p>Deze woorden werden zoo kalm uitgesproken, dat de roovers er over begonnen na te denken. -Het waren mannen van kapitein Ouaktehno, hij zelf was onder hen. -</p> -<p>»Ja,” antwoordde de bandietenhoofdman, »uwe bedoeling is goed<span class="corr" id="xd30e3862" title="Niet in bron">,</span> maar men kan u wel dooden zonder gedruisch te maken, en dan ligt uw plan in duigen.” -</p> -<p>»Bah! wij zullen zien!” zeide de jongeling. -</p> -<p>En eer de roovers het konden verhoeden, deed hij een ontzettenden sprong achterwaarts, -wierp twee mannen omver, en liep zoo hard hij kon in de richting van het kamp. -</p> -<p>Zoodra het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, begonnen <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>de roovers hem na te zetten. Deze wedloop duurde vrij lang, zonder dat de roovers -den afstand, die hen van den vluchteling scheidde, merkbaar zagen verminderen; want -terwijl zij hem vervolgden, trachtten zij zooveel mogelijk zich schuil te houden voor -Amerikaansche wachten, die zij wilden overvallen; en deze poging noodzaakte hen tot -omwegen, die hun loop natuurlijk vertraagden. -</p> -<p>Toen de kapitein zoover gekomen was, dat hij door de zijnen kon verstaan worden, wierp -hij een blik achter zich. Gebruik makende van het oponthoud, dat hij noodig had om -adem te scheppen, wonnen de bandieten hem een grooten afstand af. De kapitein begreep, -dat, als hij voortging met vluchten, hij juist het onheil zou uitlokken, dat hij wenschte -te verhoeden. Oogenblikkelijk had hij zijne partij gekozen, hij besloot te sterven -als soldaat, en nog in zijn val hun van dienst te zijn, voor wie hij zich opofferde. -Hij zette zich met den rug tegen een boom, plaatste zijn machete onder het bereik -van zijne hand, haalde zijne pistolen uit zijn gordel, vestigde zijn gelaat op de -bandieten, die nog slechts een dertigtal passen van hem verwijderd waren, en riep -met luide stem, ten einde zijn vrienden te waarschuwen: -</p> -<p>»Alarm! alarm! de vijand!” -</p> -<p>Daarna loste hij met de grootste koelbloedigheid, als schoot hij op den prijs, zijne -pistolen—waarvan hij er vier met dubbelen loop geladen bij zich had; en herhaalde -bij elken roover, die viel, zijn geroep: -</p> -<p>»Alarm! de vijand! zij omringen ons! weest op uwe hoede, weest op uwe hoede!” -</p> -<p>De bandieten, wanhopig over deze ruwe wijze van zelfverdediging, wierpen zich woedend -op hem, alle voorzorgen, die zij tot nu toe genomen hadden, vergetende. -</p> -<p>Toen ving er een vreeselijke en ongelijke reuzenkamp aan van één man tegen twintig -à dertig, want voor iederen roover die er viel, kwam er een ander in de plaats. De -strijd was verschrikkelijk! De jongeling offerde zijn leven op, maar hij wilde het -zoo duur mogelijk verkoopen. -</p> -<p>Zooals wij zeiden, bij ieder schot dat hij loste, bij iederen houw zijner machete, -stiet hij een kreet van waarschuwing uit, een kreet dien de Mexicanen beantwoordden, -door van hunnen kant een wel onderhouden musketvuur op de roovers te laten spelen, -die nu, geheel open en bloot, voor niets oogen hadden als voor den man, die met zijn -edele borst, hun zoo stout den voortgang belette. Eindelijk viel de kapitein op ééne -knie. De roovers wierpen zich in verwarring op zijn lichaam, en de woede, waarmede -zij hem trachtten van kant te maken, was zoo groot, dat zij elkander wonden toebrachten. -Een zoodanig gevecht kon niet lang duren. Kapitein Aguilar viel, maar in zijn val -sleepte hij twaalf roovers mede, die hij had gedood, en die hem als een bloedig geleide -in het graf volgden. -<span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span></p> -<p>»Hm!” mompelde kapitein Ouaktehno, hem met bewondering aanziende, terwijl hij het -bloed zocht te stelpen van een breede wond, die hij in de borst ontvangen had, »welk -een man! als de anderen op hem gelijken, komen wij er nooit heelshuids van daan. Kom,” -ging hij voort, zich tot zijne makkers richtende, die zijne bevelen afwachtten, »zullen -wij ons nog langer als duiven laten dood schieten? Valt aan! bij God, valt aan!” -</p> -<p>De roovers volgden hem, hunne wapens zwaaiende, en begonnen tegen de rots op te klimmen, -onder het geschreeuw van: -</p> -<p>»Valt aan, valt aan!” -</p> -<p>De Mexicanen, getuigen van den heldenmoed van kapitein Aguilar, maakten zich van hunnen -kant gereed hem te wreken. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch2.4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5639">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">IV.</h2> -<h2 class="main">DE DOCTOR.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Terwijl deze gebeurtenissen plaats grepen, hield de doctor zich rustig met het verzamelen -van planten bezig. -</p> -<p>De waardige geleerde, verbaasd over de rijke <i>flora</i>, die hij onder de oogen had, had alles vergeten en dacht slechts aan den rijken oogst, -die hem toelachte. Hij liep met het hoofd voorover, en stond stil bij elke plant, -om die eerst eenigen tijd te bewonderen en haar dan uit te rukken. Eindelijk, toen -hij reeds met een tallooze menigte van kruiden en planten beladen was, besloot hij -zich aan den voet van een boom neder te zetten, om ze op zijn gemak na te zien en -te rangschikken; hij besteedde hieraan al de zorg, die uitgediende geleerden gewoon -zijn aan deze belangrijke werkzaamheid ten koste te leggen, en knabbelde intusschen -eenige stukjes beschuit op, die hij uit zijn knapzak haalde. -</p> -<p>Geruimen tijd bleef hij in deze bezigheid verdiept, met dat inwendig genot, dat geleerden -alleen kunnen waardeeren en dat aan gewone menschen onbekend is. Waarschijnlijk zou -hij, alvorens de nacht inviel en hem dwong eene schuilplaats te zoeken, aan niets -anders hebben gedacht, zoo zich niet eensklaps tusschen de zon en hem een schaduw -was komen plaatsen, die zich afteekende op de planten, welke hij met zooveel zorg -rangschikte. -</p> -<p>Werktuigelijk hief hij het hoofd op. Voor hem stond, op een lange karabijn leunende, -een man, die hem met spotachtigen ernst aanzag. Het was de Zwarte Eland. -</p> -<p>»Ei, ei!” zeide hij tot den doctor, »wat doet gij daar, mijn brave heer? De drommel -hale mij! toen ik het gras zoo zag trillen, dacht ik, dat er een geit in het kreupelhout -zat, en ik was reeds op het punt u een kogel toe te zenden.” -<span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span></p> -<p>»Te duivel!” riep de doctor, hem verschrikt aanziende, »pas toch op! gij hadt mij -kunnen dooden, weet gij dat wel?” -</p> -<p>»Waarachtig!” hernam de jager lachend; »maar wees niet bang, ik heb mijne dwaling -nog bij tijds ingezien.” -</p> -<p>»God zij geloofd!” En de doctor, die juist een zeldzame plant in het oog kreeg, bukte -met jeugdig vuur om haar te grijpen. -</p> -<p>»Gij wilt mij dan niet zeggen,” ging de jager voort, »wat gij daar uitvoert?” -</p> -<p>»Dat kunt gij wel zien, mijn vriend.” -</p> -<p>»Ja, ik zie dat gij u vermaakt met het onkruid der prairie uit te rukken, anders niet, -en nu vraag ik waartoe dat dient?” -</p> -<p>»O, die onwetendheid!” prevelde de geleerde, en hij voegde er op dien toon van minzame -afdaling, die vooral aan de zonen van Aesculapius eigen is, bij: »mijn vriend, ik -pluk kruiden, welke ik verzamel, om ze in mijn boek te rangschikken; de flora dezer -prairiën is prachtig, ik ben overtuigd dat ik minstens drie nieuwe soorten van <i lang="la">chirostemon pentadactylon</i> heb ontdekt, waarvan het genus uitsluitend tot de <i>Flora-mexicana</i> behoort.” -</p> -<p>»Ha!” zeide de jager, een paar groote oogen opzettende, en bijna het onmogelijke doende -om den doctor niet in zijn aangezicht uit te lachen; »meent gij drie nieuwe soorten -gevonden te hebben van …” -</p> -<p>»<span lang="la">Chirostemon pentadactylon</span>, mijn vriend,” zeide de geleerde zachtzinnig. -</p> -<p>»Wel, wel.” -</p> -<p>»Op zijn minst, misschien zijn er wel vier.” -</p> -<p>»Wel zoo! dat is dan wel zeer nuttig?” -</p> -<p>»Of dat nuttig is?” riep de doctor geërgerd. -</p> -<p>»Maak u niet boos; ik weet het immers niet.” -</p> -<p>»Dat is waar!” zeide de geleerde, door den toon van den Zwarten Eland tot bedaren -gebracht; »gij kunt het belang van dien arbeid voor den vooruitgang der wetenschap -niet begrijpen.” -</p> -<p>»Houd dat in het oog! En het is dus alleen, om op die wijze planten uit te trekken, -dat gij in de prairiën gekomen zijt?” -</p> -<p>»Nergens anders om.” -</p> -<p>De Zwarte Eland zag hem aan met die verwondering, welke het gezicht van een onverklaarbaar -natuurverschijnsel opwekt; de jager kon maar niet begrijpen, dat een verstandig man -er toe komen kon, om van goeder harte zich aan een leven van ontbering en gevaar over -te geven, alleen met het doel om planten te verzamelen, die tot niets nut zijn; na -een oogenblik te hebben nagedacht kwam hij dan ook tot de overtuiging, dat de geleerde -krankzinnig was. Hij zag hem met een meêwarigen blik aan, schudde met zijn hoofd, -legde zijn geweer op zijn schouder en maakte aanstalten, om zijn weg te vervolgen. -</p> -<p>»Ja, ja!” zeide hij op dien toon, welken men bezigt om kinderen of onnoozelen aan -te spreken en te bemoedigen, »gij hebt gelijk, <span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span>mijn brave heer, trek gij maar planten uit, gij doet niemand kwaad, en er zullen er -altijd nog genoeg overblijven. Goed succès en tot weerziens!” -</p> -<p>Daarop zijne honden fluitende, deed hij eenige stappen voorwaarts, maar bijna op hetzelfde -oogenblik terugkeerende, en zich tot den doctor wendende, die reeds niet meer aan -hem dacht, en zijne werkzaamheden, door den jager afgebroken, met ijver hervat had, -zeide hij: -</p> -<p>»Nog een enkel woordje!” -</p> -<p>»Spreek,” antwoordde hij, het hoofd opheffende. -</p> -<p>»Ik hoop dat de jonge dame, die mij gisteren in gezelschap van haar oom een bezoek -in mijne hatto gebracht heeft, zich wél bevindt? Dat arme kind, gij kunt niet begrijpen, -hoeveel belang ik in haar stel, mijn beste heer.” -</p> -<p>De doctor stond plotseling op en sloeg zich tegen het voorhoofd. -</p> -<p>»Domoor die ik ben!” zeide hij; »ik had het glad vergeten!” -</p> -<p>»Vergeten! wat dan?” vroeg de jager verbaasd. -</p> -<p>»Dat doet ik nu altijd,” prevelde de geleerde; »gelukkig is het onheil zoo groot niet, -en daar gij nog hier zijt, gemakkelijk te herstellen.” -</p> -<p>»Waarvan spreekt gij toch?” zeide de jager die ongerust begon te worden. -</p> -<p>»Verbeeld u,” ging de doctor bedaard voort, »dat de wetenschap mij zoodanig bezig -houdt, dat ik dikwijls vergeet te eten en te drinken, en dus zooveel te eerder, de -boodschappen, die mij worden opgedragen.” -</p> -<p>»Ter zake, ter zake!” riep de jager ongeduldig. -</p> -<p>»Och hemel, de zaak is doodeenvoudig. Ik verliet het kamp met het aanbreken van den -dag, om mij naar uwe hatto te begeven; maar hier gekomen, ben ik door de tallooze -menigte van zeldzame planten, die ik met de hoeven van mijn paard vertrad, zoodanig -afgeleid, dat ik zonder aan het doel van mijn tocht te denken, eerst stil ben blijven -staan, om een plant uit te trekken; vervolgens ontdekte ik er nog een die aan mijn -verzameling ontbrak, toen nog een, en zoo voort; in ’t kort, ik heb er volstrekt niet -meer aan gedacht om naar u te gaan; ik was zoodanig in mijne nasporingen verdiept, -dat uw onvoorziene tegenwoordigheid mij nog niet eens aan de boodschap herinnerd heeft, -die ik op mij genomen had, om aan u over te brengen.” -</p> -<p>»Gij zijt dus met zonsopgang uit het kamp vertrokken?” -</p> -<p>»Ja.” -</p> -<p>»Weet gij hoe laat het nu is?” -</p> -<p>De doctor keek naar de zon. -</p> -<p>»Omstreeks drie uur,” antwoordde hij; »maar ik zeg u nog eens het doet er weinig toe; -nu gij toch hier zijt, zal ik u melden, wat <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz mij belast heeft aan u over te brengen, en dan zal alles in orde zijn, hoop ik.” -<span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span></p> -<p>»God geve, dat uwe nalatigheid niet de oorzaak worde van eenig groot onheil,” zeide -de jager met een zucht. -</p> -<p>»Wat wilt gij daarmede zeggen?” -</p> -<p>»Gij zult het spoedig weten; ik hoop dat ik mij vergis. Spreek, ik luister.” -</p> -<p>»Hoor dan, wat <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz mij verzocht heeft u te zeggen.” -</p> -<p>»Het is dus <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, die u tot mij zendt?” -</p> -<p>»Zij zelve.” -</p> -<p>»Heeft er dan iets ernstigs in het kamp plaats gehad?” -</p> -<p>»Waarachtig! dat ’s waar ook, dat kon wel eens van meer belang zijn, dan ik eerst -vermoedde. Zie hier het gebeurde: van nacht schijnt het, dat een onzer gidsen.…” -</p> -<p>»De Babbelaar?” -</p> -<p>»Dezelfde. Kent ge hem?” -</p> -<p>»Ja. Ga voort.” -</p> -<p>»Nu dan, het schijnt, dat die man in eene samenzwering betrokken was met een anderen -bandiet van diezelfde soort, waarschijnlijk om het kamp aan de Indianen over te leveren; -<span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz heeft bij toeval het gansche gesprek dier schurken afgeluisterd, en op het oogenblik, -dat zij langs haar heen gingen om te ontsnappen, heeft zij twee pistolen op hen afgeschoten.” -</p> -<p>»En heeft zij ze gedood?” -</p> -<p>»Helaas neen; de een, hoewel zonder twijfel zwaar gekwetst, is ontkomen.” -</p> -<p>»Wie is dat?” -</p> -<p>»De Babbelaar.” -</p> -<p>»En toen?” -</p> -<p>»Toen heeft <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz mij laten zweren, dat ik mij tot u begeven zou, en dat ik u zou zeggen, ja wacht -eens, wat was het ook?” -</p> -<p>»Zwarte Eland, het uur is gekomen,” viel de jager hem in de rede. -</p> -<p>»Juist! dat was het,” zeide de geleerde, zich verheugd in de handen wrijvende, »ik -wilde het juist zeggen, ik beken dat het mij duister genoeg voorkwam, en dat ik er -niets van begrepen heb; maar gij zult het mij uitleggen, niet waar?” -</p> -<p>De jager greep hem heftig bij den arm, en zijn aangezicht bij het zijne brengende, -zeide hij met gloeiende blikken en met woedend gelaat. -</p> -<p>»Armzalige gek! Waarom zijt gij mij niet dadelijk komen opzoeken, in plaats van met -nietsdoen uw tijd te verliezen? Uw oponthoud zal misschien de dood uwer vrienden zijn.” -</p> -<p>»Is het mogelijk?” riep de doctor overbluft, en zonder er aan te denken om rekenschap -te vragen van de brutale wijze, waarop de jager hem op het lijf viel. -</p> -<p>»Gij waart met eene boodschap belast, waarvan leven en dood afhing, dwaas die gij -zijt; wat nu te doen? misschien is het te laat!” -<span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span></p> -<p>»O, zeg dat niet!” riep de geleerde blijkbaar ontroerd, »ik zou van wanhoop sterven, -als dat waar was.” -</p> -<p>De arme man smolt weg in tranen en gaf ondubbelzinnige bewijzen van de grootste smart. -</p> -<p>De Zwarte Eland was verplicht hem te troosten. -</p> -<p>»Nu, houd maar moed, mijn beste heer,” zeide hij op zachteren toon tot hem: »wat duivel, -misschien is alles nog wel niet verloren!” -</p> -<p>»O, als ik de oorzaak van een groote ramp moest wezen; ik zou het niet overleven!” -</p> -<p>»Nu, wat geschied is, is geschied, wij moeten nu kiezen wat ons te doen staat,” zeide -de jager wijsgeerig; »ik ga er over nadenken, hoe ik hen helpen zal. Goddank, ik sta -niet zoo alleen als men denken zou; ik hoop binnen weinige uren een dertigtal van -de beste schutters der prairie bijeen te hebben.” -</p> -<p>»Gij zult hen redden, niet waar?” -</p> -<p>»Ik zal ten minste alles doen wat maar met eenige mogelijkheid kan gedaan worden, -en als het God behaagt, zal ik wel slagen.” -</p> -<p>»De hemel verhoore u!” -</p> -<p>»Amen!” zeide de jager, zich ootmoedig kruisende, »en nu gaat gij naar het kamp terug, -hoor.” -</p> -<p>»Terstond.” -</p> -<p>»Maar geen bloemen meer plukken, en geen planten meer uittrekken.” -</p> -<p>»O neen, dat zweer ik u; vervloekt zij het uur, waarin ik aan het herboriseeren gegaan -ben,” riep de geleerde in komische wanhoop uit. -</p> -<p>»Zeer goed, dat is dan afgesproken: gij zult de jonge dame en haar oom gerust gaan -stellen; gij zult hen tot waakzaamheid, en als er een aanval geschiedt, tot dapperen -tegenstand aanmanen, en gij zult hun zeggen, dat zij weldra hunne vrienden hun ter -hulpe zullen zien snellen.” -</p> -<p>»Ik zal het zeggen.” -</p> -<p>»Te paard dan, en in galop naar het kamp!” -</p> -<p>»Wees daar gerust op; maar gij, wat gaat gij doen?” -</p> -<p>»Bemoei u met mij niet, ik zal niet werkeloos blijven; maak maar dat gij zoo spoedig -mogelijk bij uwe vrienden komt.” -</p> -<p>»Over een uur zal ik bij hen zijn.” -</p> -<p>»Houd nu maar goeden moed: en alles kan nog goed afloopen.” -</p> -<p>De Zwarte Eland liet den toom van het paard, dat hij tot hiertoe vasthield, los, en -de geleerde vertrok in snellen draf, hetgeen den goeden man moeielijk genoeg viel, -daar hij gedurig zijn evenwicht verloor. -</p> -<p>De jager zag hem een oogenblik na; en liep toen met snellen pas het bosch in. Hij -had nauwelijks tien minuten geloopen, toen hij eensklaps vlak tegenover Nô Eusébio -stond, die, met de moeder van Edelhart, welke bewusteloos dwars over den zadel lag, -langzaam kwam aanrijden. -<span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span></p> -<p>Deze ontmoeting was voor den jager een uitkomst, daar hij nu van den ouden Spanjaard -stellige berichten kon erlangen omtrent Edelhart, berichten welke de grijsaard zich -haastte hem te geven. Vervolgens begaven de beide mannen zich naar de hut van den -pelsjager, waarvan zij niet ver verwijderd waren, en waarin zij voorloopig aan de -moeder van hun vriend huisvesting wilden verleenen. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch2.5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5649">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">V.</h2> -<h2 class="main">HET VERBOND.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Wij moeten nu tot Edelhart terugkeeren. -</p> -<p>Na ongeveer tien minuten rechtuit geloopen te hebben, zonder zich zelfs de moeite -te geven, om een dier tallooze voetpaden te volgen, die de prairiën in alle richtingen -doorkruisen, stond de jager stil, zette zijn geweer op den grond, zag zorgvuldig om -zich heen, luisterde naar die duizende geluiden der wildernis, die voor den in het -leven der prairiën ingewijden mensch allen een beteekenis hebben, en bootste, klaarblijkelijk -over de uitkomst van zijn onderzoek voldaan, driemaal achtereen, het geschreeuw van -een ekster zoo natuurlijk na, dat verscheidene dezer vogels, in het dichte loof verborgen, -hem onmiddellijk antwoord gaven. -</p> -<p>Nauwelijks had hij voor de derde maal zijn geschreeuw doen hooren, of het woud, tot -nu toe geheel stom en naar het scheen in volmaakte eenzaamheid verzonken, begon, als -ware het betooverd, plotseling te leven; van alle zijden richtten zich van uit de -struiken en van uit het gras, waarin zij verscholen waren, eene menigte jagers op, -met krachtige gelaatstrekken en schilderachtige kostumen, en vormden in een oogenblik -een dichten kring om den jager. -</p> -<p>Het toeval wilde, dat de twee eerste gezichten, die Edelhart in het oog vielen, die -van den Zwarten Eland en van Nô Eusébio waren, welke beiden dicht bij hem stonden. -</p> -<p>»O,” zeide hij, hun de hand gevende, »ik begrijp alles; mijne vrienden, hebt dank, -hebt dank voor uwen welwillenden bijstand, maar Gode zij dank, ik heb dien niet meer -noodig.” -</p> -<p>»Des te beter,” zeide de Zwarte Eland. -</p> -<p>»Het is u dus gelukt, om aan de handen dier verwenschte Roodhuiden te ontsnappen?” -vroeg de oude dienaar met belangstelling. -</p> -<p>»Zeg geen kwaad van de Comanchen,” zeide Edelhart glimlachende, »zij zijn thans mijne -broeders.” -</p> -<p>»Spreekt gij in ernst,” riep de Zwarte Eland levendig; »zijt gij werkelijk wel met -de Indianen?” -</p> -<p>»Gij zult er zelven over oordeelen; de vrede tusschen hen en mijne <span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span>vrienden is gesloten; zoo gij het goedvindt, zal ik u aan elkander voorstellen.” -</p> -<p>»Hemel! in de tegenwoordige omstandigheden kon ons geen grooter geluk overkomen,” -zeide de Zwarte Eland, »en, daar gij vrij zijt, kunnen wij ons met anderen bezig houden, -die zich op dit oogenblik in groot gevaar bevinden, en die waarschijnlijk grootelijks -behoefte hebben aan onze hulp.” -</p> -<p>»Wat wilt gij daarmede zeggen?” vroeg Edelhart met belangstellende nieuwsgierigheid. -</p> -<p>»Ik wil zeggen, dat diezelfde menschen, aan wie gij reeds een ontzaglijke dienst bewezen -hebt, bij gelegenheid van den brand in de prairie, op dit oogenblik door een bende -roovers omsingeld worden, die waarschijnlijk niet zullen nalaten hen aan te vallen, -indien dit niet reeds heeft plaats gehad.” -</p> -<p>»Gij moet hun ter hulpe snellen!” riep Edelhart, die zijn aandoening niet bedwingen -kon. -</p> -<p>»Bij God, dat is ons plan, maar wij wilden eerst u verlossen, Edelhart; gij zijt de -ziel onzer vereeniging; zonder u zouden wij niets goeds kunnen doen.” -</p> -<p>»Ik dank u, mijne vrienden, maar nu, zooals gij ziet, ben ik vrij; niets alzoo weerhoudt -ons om terstond te gaan.” -</p> -<p>»Vergeef mij,” hernam de Zwarte Eland, »maar wij hebben met eene sterke tegenpartij -te doen; de roovers, die weten, dat zij op geen genade te rekenen hebben, vechten -als tijgers; hoe grooter in aantal wij zijn, des te meer kans hebben wij om wél te -slagen.” -</p> -<p>»Dat is waar! maar wat wilt gij dan?” -</p> -<p>»Wel: gij hebt in onzen naam vrede gesloten met de Comanchen; zou het niet.…” -</p> -<p>»Gij hebt waarachtig gelijk, Zwarte Eland;” viel Edelhart hem haastig in de rede, -»ik zou er niet aan gedacht hebben; de Indiaansche krijgslieden zullen blijde zijn, -dat wij hun eene gelegenheid aanbieden om hunne dapperheid te toonen; zij zullen ons -gaarne helpen, ik neem de zorg op mij, om hen over te halen; volgt gij mij allen, -ik ga u aan onze nieuwe vrienden voorstellen.” -</p> -<p>De jagers vereenigden zich en vormden een dicht opeengedrongen bende van omtrent veertig -man. -</p> -<p>De wapenen werden ten teeken van vrede onderstboven gekeerd, en allen richtten zich -naar het kamp, voorafgegaan door Edelhart. -</p> -<p>»En mijne moeder?” vroeg Edelhart aan Nô Eusébio. -</p> -<p>»Zij is in veiligheid in de hut van den Zwarten Eland.” -</p> -<p>»Hoe gaat het met haar?” -</p> -<p>»Goed, maar halfdood van angst,” antwoordde de grijsaard; »uwe moeder is eene vrouw -die slechts door haar hart leeft; zij bezit een ontzaglijken moed, de grootste lichaamssmarten -schokken haar niet; zij gevoelt niets meer van de afschuwelijke marteling, die zij -heeft ondergaan.” -<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p> -<p>»God zij geprezen! maar wij moeten haar niet lang in die doodelijke spanning laten; -waar is uw paard?” -</p> -<p>»Hier dicht bij, in de struiken verscholen.” -</p> -<p>»Haal dat en begeef u naar mijne moeder,—stel haar gerust en gaat met u beiden naar -de grot van de <i>Kopergroen</i>, waar zij tegen alle gevaar beschut zal zijn. Blijf daar bij haar. Die grot is gemakkelijk -te vinden, zij ligt niet ver van de rots van <i>den dooden Bison</i>; overigens, als gij daar gekomen zult zijn, laat de honden dan maar los, die zullen -u den weg wel wijzen. Hebt gij mij goed begrepen?” -</p> -<p>»Volkomen.” -</p> -<p>»Ga dan, wij zijn vlak bij het kamp; uwe tegenwoordigheid is hier onnoodig, terwijl -zij daar onmisbaar is.” -</p> -<p>»Ik ga.” -</p> -<p>»Vaarwel.” -</p> -<p>»Tot weêrziens.” -</p> -<p>Nô Eusébio floot de speurhonden, die hij met een lasso aan elkander bond; voor de -laatste maal gaf hij Edelhart de hand, verliet hen toen, maakte rechtsomkeert, en -ging terug naar het bosch, terwijl de jagerbende aan den ingang der opene plaats kwam -waar de Indianen hun kamp hadden opgeslagen. -</p> -<p>De Comanchen vormden op eenige passen afstands van de eerste grenzen van hun kamp -een grooten halven cirkel, in het midden waarvan de opperhoofden stonden. Om aan de -aankomelingen alle eer te bewijzen, hadden zij hun schoonste gewaad aangetrokken; -zij waren allen als tot den oorlog geschilderd en gewapend. -</p> -<p>Edelhart liet zijn troep halt houden, en alleen voortgaande, ontplooide hij een bisonhuid -en liet die in de lucht wapperen. -</p> -<p>De Arendskop verwijderde zich toen van de andere opperhoofden, hij naderde op zijne -beurt den jager, en deed insgelijks, ten teeken van vrede, een bisonhuid wapperen. -</p> -<p>Toen de beide mannen nog slechts drie passen van elkander waren, bleven zij staan. -Edelhart nam het woord. -</p> -<p>»De meester des levens,” zeide hij, »doorziet onze harten; hij weet, dat tusschen -ons de weg schoon en open is, en dat de woorden, die ons hart uitblaast en onze mond -uitspreekt, oprecht zijn; de blanke jagers komen aan hunne roode broeders een bezoek -brengen.” -</p> -<p>»Zij zijn welkom,” antwoordde de Arendskop hartelijk, en hij maakte eene buiging, -met die bevalligheid en die edele <span class="corr" id="xd30e4087" title="Bron: majestueuse">majestueuze</span> houding, die de Indianen kenmerkt. -</p> -<p>Na deze woorden schoten de Comanchen en de jagers hunne wapens in de lucht af, terwijl -zij tevens een luid vreugdegejuich deden hooren. Toen werd alle stijfheid verbannen, -de beide troepen mengden zich zoo geheel ondereen, dat zij in weinig tijds slechts -eene enkele bende vormden. -</p> -<p>Maar Edelhart, die, na al wat de Zwarte Eland hem gezegd had, wist, hoe kostbaar de -oogenblikken waren, had ondertusschen den <span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span>Arendskop ter zijde genomen, en hem openhartig de verwachting medegedeeld, die men -van zijn stam koesterde. -</p> -<p>De hoofdman glimlachte bij dit verzoek. -</p> -<p>»Aan het verlangen van mijn broeder zal voldaan worden,” zeide hij, »zoo hij slechts -even wachten wil.” -</p> -<p>Hierop den jager verlatende, voegde hij zich bij de andere opperhoofden. -</p> -<p>Weldra klom de roeper op de <i>verandah</i> eener hut, en riep met luid geschreeuw de meest vermaarde krijgslieden op, om zich -in de raadstent te vereenigen. -</p> -<p>Het verzoek van Edelhart verwierf algemeene goedkeuring; er werden tachtig uitgelezene -mannen, onder aanvoering van den Arendskop, aangewezen, om de jagers te vergezellen, -en met alle kracht mede te werken, tot het welslagen der onderneming. -</p> -<p>Toen het besluit der opperhoofden bekend was geworden, heerschte er eene algemeene -vreugde in den stam. De verbondenen zouden zich met zonsondergang op weg begeven, -om den vijand onverhoeds te overvallen. Men danste, met inachtneming van al de in -dergelijke gevallen gebruikelijke plechtigheden, den grooten krijgsdans, gedurende -welken de krijgslieden steeds in koor deze woorden herhaalden: -</p> -<p>»<i lang="com">Wabimdam Kitchée manitoo, agarmissey hapitch neatissum!</i>” -</p> -<p>Dat wil zeggen: »Meester des levens, zie mij met een gunstig oog aan, gij hebt mij -den moed gegeven, om mijne aderen te openen!” -</p> -<p>Toen men op het punt stond van te vertrekken koos de Arendskop, die wel wist met welke -gevaarlijke vijanden hij te doen zou krijgen, twintig lieden uit, op wie hij rekenen -kon, en zond hen als verspieders vooruit, na hen van <i>Scotté wigwas</i> of boomschors voorzien te hebben, opdat zij terstond vuur zouden kunnen aanleggen, -om ingeval van nood te waarschuwen. -</p> -<p>Vervolgens onderzocht hij nauwkeurig de wapenen zijner krijgslieden, en, voldaan over -den uitslag zijner inspectie, gaf hij het teeken tot vertrek. -</p> -<p>De Comanchen en de pelsjagers schaarden zich op de wijze der Indianen in gelid, en -door hunne opperhoofden voorafgegaan verlieten zij het kamp, achtervolgd door de wenschen -en aanmoedigingen hunner vrienden, die hen tot aan de eerste boomen van het woud vergezelden. -</p> -<p>Het legertje bestond uit honderd dertig wakkere mannen, allen van top tot teen gewapend, -en aangevoerd door opperhoofden, die voor geen hinderpaal terugweken, en door geen -gevaar zich lieten afschrikken. Er heerschte eene dikke duisternis; de maan, door -zware wolken omringd, die zich log en langzaam voortbewogen, verspreidde slechts nu -en dan een flauwen glans, die aan alles een fantastisch voorkomen gaf. De wind blies -zeer ongelijkmatig, en <span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span>stortte zich met dof en klagend geluid in de holen en in de openingen tusschen de -rotsen. Het was, in één woord, een van die nachten, die in de geschiedenis der menschheid -altijd het tooneel schijnen te moeten zijn van droevige treurspelen. -</p> -<p>De krijgslieden trokken stilzwijgend voort; zij geleken in het donker op een troep -schimmen, die aan het graf ontkomen waren, en zich haastten, om een nameloos, door -God vervloekt werk te volbrengen, dat de nacht alleen in staat was met zijne schaduw -te bedekken. -</p> -<p>Omstreeks middernacht werd het woord: halt! zoo zacht mogelijk uitgesproken. Men betrok -een kamp, om op het nieuws der verspieders te wachten; dat wil zeggen, ieder wikkelde -zich zoo goed of zoo kwaad als hij kon in zijn mantel, om op het eerste teeken gereed -te zijn. Er werden geen vuren ontstoken. De Indianen, die op hunne verspieders vertrouwen, -zetten nooit schildwachten uit, als zij ten strijde uitgetrokken zijn. Zoo gingen -twee uren voorbij. Het kamp der Mexicanen was niet meer dan drie mijlen van daar verwijderd; -maar alvorens zij zich verder waagden wilden de opperhoofden zich verzekeren, dat -de weg vrij was; in het tegenovergestelde geval wilden zij onderzoeken, hoe groot -het aantal was der vijanden, die hun den weg versperden, en welk plan van aanval zij -schenen beraamd te hebben. -</p> -<p>Op het oogenblik dat Edelhart, door ongeduld verteerd, zich gereed maakte om zelf -op verkenning uit te gaan, liet zich in de struiken eenig gedruisch hooren, dat in -het eerst bijna onmerkbaar was, maar weldra hoe langer hoe sterker werd. Er kwamen -twee mannen te voorschijn. De eerste was een der verspieders, de ander was de doctor. -De toestand waarin de arme geleerde zich bevond, was deerniswaardig. Hij had zijn -pruik verloren, zijne kleederen waren verscheurd, zijn gezicht was van angst verwrongen, -en zijn geheele persoon droeg de duidelijke sporen van een hevig gevecht. -</p> -<p>Toen hij bij den Arendskop en bij Edelhart kwam, viel hij op den grond in zwijm. Men -haastte zich hem in het leven terug te roepen. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch2.6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5659">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VI.</h2> -<h2 class="main">DE LAATSTE AANVAL.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De achter de wallen geplaatste lanceros hadden den aanval der roovers moedig doorgestaan. -De generaal, wanhopig over den dood van kapitein Aguilar, en overtuigd dat er met -zulke vijanden niet te onderhandelen viel, had besloten een onverzettelijken tegenstand -te bieden en zich liever te laten dooden, dan in hunne handen te vallen. -</p> -<p>De Mexicanen, daaronder gerekend de peones en gidsen, op welke <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>men zich nauwelijks verlaten kon, waren slechts ten getale van zeventien, zoo mannen -als vrouwen. -</p> -<p>De roovers waren ten getale van minstens dertig. -</p> -<p>Er bestond dus een groot verschil in aantal tusschen de belegeraars en de belegerden; -maar door de sterke ligging van het kamp op den top van een chaos van rotsen, viel -dit verschil gedeeltelijk weg, en stonden de krachten aan beide zijden bijna gelijk. -</p> -<p>Kapitein Ouaktehno kende zeer goed al de bezwaren aan den aanval verbonden, bezwaren, -die, daar de aanval thans openlijk geschiedde, bijna onoverkomelijk waren; ook had -hij op eene verrassing gerekend, en vooral op het verraad van den Babbelaar. De omstandigheden -alleen en zijne woede over het verlies, dat kapitein Aguilar hem berokkend had, hadden -hem genoopt om den aanval te wagen. -</p> -<p>Toen echter het eerste oogenblik van drift voorbij was, en hij zag dat zijne manschappen, -als overrijpe vruchten, aan alle zijden nedervielen, zonder dat hij hen kon wreken, -of zonder dat zij een duim gronds wonnen, besloot hij, niet om terug te trekken, maar -om de bestorming in eene belegering te veranderen, hopende dat hij gedurende den nacht -gelegenheid zou vinden om een goeden slag te slaan, en in het uiterste geval, zeker -zou zijn van vroeg of laat de belegerden door den honger te kunnen dwingen. -</p> -<p>Hij hield zich overtuigd, dat zij op geenerlei hulp of bijstand rekenen konden in -deze prairiën, waar men slechts Indianen ontmoet, die met alle blanken in vijandschap -leven, of wel jagers, die er niet van houden om zich te mengen in zaken, die hun niet -aangaan. -</p> -<p>Zijn besluit eens genomen zijnde, bracht de kapitein het onmiddellijk ten uitvoer. -</p> -<p>Hij wierp een blik om zich heen: hun toestand bleef altijd dezelfde; ondanks al hunne -schier bovenmenschelijke inspanning om de steile helling die naar de wallen leidde, -te beklimmen, waren de roovers geen stap gevorderd. -</p> -<p>Zoodra maar iemand waagde zich te vertoonen, deed een kogel uit een der Mexicaansche -karabijnen hem onmiddellijk in den afgrond storten. -</p> -<p>De kapitein gaf het teeken tot den aftocht, dat is te zeggen hij bootste het gehuil -van den hond der prairiën na. Oogenblikkelijk hield het gevecht op. Deze plek, een -oogenblik te voren nog zoo levendig door het geschreeuw der strijders en het losbranden -der vuurwapenen, verviel eensklaps in eene doodelijke stilte. Zoodra echter de menschen -hun vernielingswerk ten einde hadden gebracht, maakten de gieren, de valken en de -arenden een begin met het hunne. Na de roovers, de roofvogels; zoo behoort het immers. -</p> -<p>In groote troepen dwarrelden zij als wolken om de lijken heen, waarop zij zich krassend -en vechtend nederwierpen, ten aanschouwe der Mexicanen, die zich niet buiten hunne -verschansingen durfden te wagen, en genoodzaakt waren toeschouwers te blijven van -dit afschuwelijk feestmaal. -<span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span></p> -<p>De roovers vereenigden zich in een grot, buiten het bereik van de geweren der Mexicanen, -en telden hunne manschappen. Hun verlies was vreeselijk geweest; van de veertig waren -er nog maar negentien. In minder dan een uur hadden zij een en twintig man verloren; -meer dan de helft. -</p> -<p>De Mexicanen hadden, behalve kapitein Aguilar, noch dooden noch gekwetsten. -</p> -<p>Het verlies, dat de roovers geleden hadden, bracht hen tot nadenken. De meerderheid -was van oordeel, dat men moest aftrekken, en van de voordeelen eener onderneming afzien, -die met zooveel gevaren en zoovele moeielijkheden gepaard ging. De kapitein was nog -meer ontmoedigd dan zijne makkers. -</p> -<p>Voorzeker, als het hem slechts te doen ware geweest om goud en edelgesteenten te veroveren, -zou hij zonder aarzelen zijne plannen hebben laten varen, maar een andere, meer dringende -reden noopte hem tot handelen, en spoorde hem aan, om het avontuur tot aan het einde -toe voort te zetten, welke ook voor hem de gevolgen mochten zijn. De schat, dien hij -begeerde, een schat van onberekenbare waarde, was <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, dat meisje, dat hij reeds eenmaal te Mexico uit de handen zijner bandieten had -gered, en voor hetwelk hij, zijns ondanks, eene onbeteugelde liefde had opgevat. Van -Mexico af volgde hij haar stap voor stap, evenals een wild dier op iedere gelegenheid -loerend om een prooi meester te worden, voor welker bezit hem geen offer te zwaar, -geene moeite te groot, geen gevaar te dreigend scheen. -</p> -<p>Hij putte dan ook bij zijne bandieten alle hulpmiddelen uit, die de taal schenkt aan -iemand, die zich door hartstocht verblinden laat, om hen bij zich te houden, om hunnen -moed op te wekken, in één woord om hen te bewegen, dat zij, alvorens zij aftrokken, -nog een aanval zouden wagen. -</p> -<p>Hij had veel moeite om hen te overtuigen; gelijk meestal in zulke gevallen, waren -de dappersten gedood; de overblijvenden voelden zich niet zeer gestemd om zich aan -hetzelfde lot bloot te stellen. Maar door middel van beloften en bedreigingen, gelukte -het den kapitein eindelijk om aan de bandieten de belofte af te persen, dat zij tot -den volgenden dag aldaar blijven, en gedurende den nacht een beslissenden slag zouden -wagen. -</p> -<p>Toen zij hierin overeengekomen waren, gaf Ouaktehno aan zijne manschappen bevel om -zich zoo goed mogelijk te verbergen, vooral omdat zij er order toe kregen, zich niet -te verroeren, welke beweging zij ook door de Mexicanen zagen maken. De kapitein hoopte -door onzichtbaar te blijven, de belegerden in den waan te brengen dat de roovers, -afgeschrikt door de ontzettende moeielijkheden, die zij hadden ontmoet, tot den aftocht -besloten hadden, en werkelijk reeds afgetrokken waren. Dit plan was niet zonder beleid -opgevat; en het verkreeg inderdaad bijna de uitkomst, die hij er van verwachtte. -<span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span></p> -<p>De roodachtige gloed der ondergaande zon kleurde met zijne laatste stralen de toppen -der boomen en der rotsen; de avondwind verfrischte en zuiverde de lucht, de zon verdween -in een bed van purperen dampen. De stilte werd door niets gestoord dan door het krassend -geschreeuw der roofvogels, die hun kannibalenfeest voortzetten, en met woedende bloeddorstigheid -elkander de stukken vleesch betwistten, die zij van de lijken afscheurden. -</p> -<p>De generaal, aangedaan door het droevig schouwspel, en meenende dat kapitein Aguilar, -de man wiens heldenmoed hen allen gered had, mede aan die afschuwelijke ontwijding -was blootgesteld, besloot zijn lijk niet te verlaten, en, ’t mocht kosten wat het -wilde, het op te zoeken en te begraven, om alzoo een laatste eerbewijs te geven aan -den ongelukkigen jongeling, die niet geaarzeld had, zich voor hem op te offeren. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz, aan wie hij zijn voornemen mededeelde, hoewel zij er de gevaren van inzag, had -de kracht niet om zich er tegen te verzetten. -</p> -<p>De generaal koos vier wakkere mannen uit, en na de wallen beklommen te hebben, ging -hij hun voor naar de plaats, waar het lijk van den ongelukkigen kapitein lag. -</p> -<p>De lanceros, die in het kamp gebleven waren, bewaakten de vlakte, gereed om hunnen -moedigen makkers krachtdadig bijstand te bieden, in geval zij in hun vromen arbeid -mochten worden gestoord. -</p> -<p>De roovers, die in de spleten der rotsen in hinderlaag lagen, verloren geene hunner -bewegingen uit het oog, maar zij wachtten zich wel, hunne tegenwoordigheid te verraden. -</p> -<p>De generaal kon dus rustig den plicht volbrengen, dien hij zich had opgelegd. Het -lijk van den kapitein was niet moeielijk te vinden. -</p> -<p>Het lag, half omver gevallen, aan den voet van een boom, met een pistool in de eene -hand en zijne machete in de andere met opgerichten hoofde, met vasten blik en met -een glimlach op de lippen, als daagde hij, nog na zijnen dood, zijne moordenaars uit. -Zijn lijk was letterlijk met wonden bedekt, maar door een gelukkig toeval, dat de -generaal met blijdschap opmerkte, hadden de roofvogels het tot nu toe gespaard. -</p> -<p>De lanceros legden het lijk op hunne geweren, en droegen het in gezwinden pas naar -het kamp terug. -</p> -<p>De generaal liep dicht achter hen, een wakend oog houdende op de struiken en het kreupelhout. -</p> -<p>Geen blad bewoog zich; overal heerschte de grootste stilte; de roovers waren verdwenen, -zonder ander spoor achter te laten als hunne dooden. De generaal hoopte, dat zijne -vijanden waren afgetrokken; hij slaakte een zucht van verlichting. -</p> -<p>De nacht begon met zijne gewone snelheid te vallen, aller blikken waren gericht op -de lanceros, die hun gesneuvelden officier terug brachten, niemand merkte een twintigtal -schimmen op, die zwijgend over de rotsen gleden, en langzaam het kamp naderden, bij -hetwelk <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>zij zich in hinderlaag legden, om van daar hunne vlammende blikken op de verdedigers -der legerplaats te richten. -</p> -<p>De generaal liet het lijk op een rustbed plaatsen, dat in der haast was opgemaakt; -en eene spade nemende, wilde hij zelf een kuil graven, waarin de jongeling zou worden -nedergelegd. -</p> -<p>Al de lanceros schaarden zich om hem heen, leunende op hunne wapenen. -</p> -<p>De generaal ontblootte zijn hoofd, nam een gebedenboek en las overluid het doodenformulier -voor, waarop zijne nicht en de omstanders het Amen uitspraken<span class="corr" id="xd30e4185" title="Niet in bron">.</span> -</p> -<p></p> -<div class="figure p155width"><img src="images/p155.jpg" alt="De Generaal ontblootte zijn hoofd, bladz. 155." width="501" height="720"><p class="figureHead">De Generaal ontblootte zijn hoofd, bladz. 155.</p> -</div><p> -</p> -<p>Er was iets grootsch en treffends in deze eenvoudige plechtigheid, te midden der wildernis, -wier duizend stemmen ook een gebed schenen te prevelen, en in het aangezicht dier -grootsche natuur, waar Gods vinger zich zoo duidelijk openbaart. -</p> -<p>Die grijsaard, zooals hij daar bezig was het doodenformulier voor te lezen boven het -lijk van een jongeling, even te voren nog vol levenskracht, zooals hij daar stond -naast dat jonge meisje, te midden dier sombere soldaten, die er over nadachten, hoe -hetzelfde lot weldra hen misschien wachten zou, maar die toch kalm en onderworpen, -ijverig baden voor hem, die hun was voorgegaan; en dan dat gebed zelve, zooals het -daar omhoog rees in den nacht, begeleid door het zuchten van den avondwind, die huiverend -door de takken ritselde, alles herinnerde aan de eerste tijden van het Christendom, -toen het, vervolgd en gedwongen zich te verschuilen, in de woestijn de wijk nam, om -nader bij God te wezen. -</p> -<p>De vervulling dezer laatste plichtpleging werd door niets gestoord. Nadat elk der -aanwezigen nog eenmaal van den doode afscheid genomen had, werd hij in zijn mantel -gewikkeld en in den kuil nedergelaten; zijne wapens werden naast hem geplaatst en -de kuil werd dicht geworpen. Eene kleine verhevenheid van den grond, die weldra weder -verdwijnen zou, wees alleen de plaats aan, waar het lijk rustte van een man, wiens -heldenmoed en verhevene zelfopoffering diegenen had gered, welke hem de zorg voor -hun behoud toevertrouwd hadden. -</p> -<p>De omstanders gingen uiteen, vast besloten zijn dood te wreken, en in geval van nood, -te doen gelijk hij. -</p> -<p>Het was nu volkomen donker geworden. -</p> -<p>De generaal deed thans voor het laatste de ronde, om zich te verzekeren, dat de wachten -allen op hun post stonden, wenschte zijne nicht goeden nacht, en legde zich buiten -hare tent, dwars voor den ingang neder.—Zoo gingen er drie uren in ongestoorde rust -voorbij. -</p> -<p>Eensklaps begon een twintigtal mannen, als zoovele duivels, zwijgend tegen de wallen -op te klauteren, en eer de verbaasde schildwachten den minsten tegenweer konden bieden, -waren zij reeds bij de keel gegrepen en geworgd. -</p> -<p>Het kamp der Mexicanen was door de roovers verrast, en met hen waren roof en moord -daar binnen getreden! -<span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5669">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VII.</h2> -<h2 class="main">HET GEVECHT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De roovers dansten als jakhalzen in het kamp rond, onder het aanheffen van een luid -gebrul en onder het schudden der wapenen. Zoodra het kamp ingenomen was, had de kapitein -hun de vergunning gegeven, om op hun gemak te gaan plunderen en moorden. Zonder zich -verder met hen te bemoeien, was hij naar de tent geijld. -</p> -<p>Daar echter werd de doorgang hem belet. De generaal had zeven of acht man om zich -heen verzameld, en wachtte aldus de bandieten moedig af, vast besloten zich liever -te laten dooden, dan toe te staan dat een dezer ellendelingen zijne nicht aanraakte. -Op het gezicht van den ouden soldaat, die met bliksemende oogen, met een pistool in -de eene en den degen in de andere hand, gereed was hem te ontvangen, aarzelde de kapitein. -Maar die aarzeling duurde geen seconde, hij riep een tiental roovers op, om zich rondom -hem te scharen. -</p> -<p>»Maak plaats!” zeide hij, zijne machete zwaaiende. -</p> -<p>»Kom, zoo gij durft!” antwoordde de generaal, zich woedend op de lippen bijtende. -</p> -<p>De beide mannen wierpen zich op elkander, hunne manschappen volgden hun voorbeeld, -het gevecht werd algemeen. -</p> -<p>’t Was eene vreeselijke worsteling, eene worsteling tusschen mannen, die wisten, dat -zij van elkander geene genade te wachten hadden. -</p> -<p>Ieder deed zijn best om doodelijke slagen uit te deelen, zonder zich de moeite te -geven, om die, welke op hem gericht waren, af te weren, niet morrende om zijn val, -zoo hij in dien val slechts zijne tegenpartij medesleepte. De gekwetsten poogden zich -nog op te richten, om met hun ponjaard diegenen te treffen, welke nog vechtende waren. -</p> -<p>Zulk een woeste strijd kon niet lang duren; al de lanceros werden afgemaakt, de generaal -viel op den grond, omvergeworpen door den kapitein, die op hem viel, en hem met zijn -gordel stevig knevelde, om hen allen verderen tegenstand onmogelijk te maken. -</p> -<p>De generaal was slechts licht gewond. Om zekere redenen, die hij alleen kende, had -de kapitein hem voorbedachtelijk onder het gevecht beschermd, met zijne machete de -slagen, die door de bandieten op hem gericht werden, afwerende. Hij wilde zijn vijand -levend in handen krijgen, en het was hem gelukt. -</p> -<p>Al de overige Mexicanen waren wel is waar gevallen, maar de overwinning was den roovers -duur te staan gekomen. Zij waren voor de grootste helft gedood. -</p> -<p>De neger van den generaal, met een geduchte knods gewapend, <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>had zich lang verdedigd tegen hen, die zich van hem poogden meester te maken; zonder -genade sloeg hij allen, die zich te dicht bij hem waagden, dood, met het moorddadig -wapen, dat hij met ongemeene behendigheid hanteerde; eindelijk was men er in geslaagd -hem te lasseeren en half geworgd op den grond te werpen, maar de kapitein redde hem -het leven, op het oogenblik, dat een der roovers den arm oplichtte, om hem te dooden. -</p> -<p>Zoodra de kapitein zag, dat de generaal in de onmogelijkheid was om eenige beweging -te maken, slaakte hij een kreet van vreugde, en zonder er aan te denken om het bloed -te stelpen, dat hem uit twee wonden stroomde, sprong hij als een tijger over het lichaam -van zijn vijand, die zich machteloos aan zijne voeten kromde, en trad de tent binnen. -</p> -<p>Deze was ledig. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz was verdwenen. De kapitein stond als aan den grond genageld. -</p> -<p>Wat kon er van het meisje geworden zijn? -</p> -<p>De tent was niet groot, bijna zonder meubelen; het was onmogelijk er zich in te verbergen. -Een verfrommeld bed bewees, dat, op het oogenblik van den aanval, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz nog rustig lag te sluimeren. Als een toovernimf was zij zonder eenig spoor achter -te laten, verdwenen. De kapitein begreep niets van hare vlucht, daar het kamp van -alle zijden te gelijk was aangevallen. Hoe zou een jong meisje, plotseling wakker -geschrikt, genoeg moed en tegenwoordigheid van geest hebben gehad, om zoo vlug en -zoo ongemerkt te ontsnappen, door den kring van vijanden heen, die haar omringden, -en wier eerste zorg het geweest was, om al de ingangen te bewaken? Hij zocht te vergeefs -naar de oplossing van dit raadsel. Stampvoetend van toorn peilde hij met zijn ponjaard -de pakken, die der vluchteling tot eene tijdelijke schuilplaats hadden kunnen verstrekken, -maar alles te vergeefs. Eindelijk overtuigd, dat zijne nasporingen in de tent tot -niets zouden leiden, wierp hij zich naar buiten, als een wild dier overal rondloopende, -verzekerd, dat, zoo het haar door een wonder gelukt was, om alleen, in den nacht, -half gekleed, en onbekend met de wegen in de wildernis, te ontsnappen, hij haar spoor -gemakkelijk terug zou vinden. -</p> -<p>De plundering werd ondertusschen voortgezet met eene snelheid en met eene orde, te -midden der wanorde, die de proefondervindelijke kundigheden der roovers eer aandeden. -</p> -<p>De overwinnaars, eindelijk het moorden en stelen moede, openden met hunne ponjaards -de lederen zakken mezcal, en zetten door een algemeene slemppartij de kroon op hun -werk. -</p> -<p>Eensklaps liet zich op eenigen afstand een krassend en vreeselijk geschreeuw hooren, -en een hagelbui van kogels stortte op de bandieten neder. Dezen, op hunne beurt aangevallen, -vlogen te wapen, en poogden zich te hereenigen. Op hetzelfde oogenblik kwam er een -bende Indianen te voorschijn, die als tijgers tusschen de pakgoederen <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>sprongen, van nabij gevolgd door een troep jagers, onder de aanvoering van Edelhart, -Goedsmoeds en den Zwarten Eland. -</p> -<p>De roovers bevonden zich in een benarden toestand. De kapitein, wien het gevaar, waaraan -zijne manschappen waren blootgesteld, ter harte ging, liet het vruchteloos zoeken -met weêrzin varen, en zijne lieden om zich heen scharende, liet hij de twee gevangenen, -die hij gemaakt had, den generaal namelijk en zijn neger, opnemen. Toen gebruik makende -van de verwarring, die van een dergelijken aanval onafscheidelijk is, gaf hij aan -de zijnen bevel, om zich in alle richtingen te verspreiden, ten einde des te gemakkelijker -aan de slagen hunner vijanden te ontkomen. -</p> -<p>De roovers schoten allen te gelijkertijd hunne geweren af, hetgeen onder de aanvallers -eenige aarzeling teweeg bracht, en verwijderden zich toen als een troep bloeddorstige -gieren, om weldra in de duisternis te verdwijnen. -</p> -<p>De kapitein intusschen, die het laatst achtergebleven was, om den aftocht te dekken, -verzuimde niet om nogmaals, terwijl hij langs de rotsen afgleed, al vluchtende en -zoolang hij kon, naar de sporen van het meisje te zoeken; maar er was niets van haar -te ontdekken. Teleurgesteld ging hij weg, met woede in het hart en de zwartste voornemens -in het hoofd. -</p> -<p>Edelhart door den Indiaanschen verspieder, en vooral door het verhaal van den doctor -van den aanval op het kamp onderricht, was dadelijk op marsch gegaan, ten einde den -Mexicanen zoo spoedig mogelijk hulp toe te brengen. Doch ongelukkig waren, ondanks -de snelheid waarmede zij voortgingen, de jagers en de Comanchen te laat gekomen om -de karavaan te redden. -</p> -<p>Toen de aanvoerders der onderneming zich van de vlucht der roovers verzekerd hadden, -begonnen de Arendskop en zijne manschappen hen te achtervolgen. -</p> -<p>Edelhart, meester van het kamp gebleven zijnde, gaf bevel tot eene algemeene jacht -in de naburige rotskloven en in het hooge gras, dat de bandieten nog niet den tijd -hadden gehad nauwkeurig te onderzoeken, want zij waren nauwelijks het kamp binnengedrongen, -of zij werden er weder uitgeslagen. Deze jacht leidde tot de ontdekking van Phebe, -het kamermeisje van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, en van twee lanceros, die zich in een boomstam verscholen hadden, en die meer -dood dan levend door den Zwarten Eland en nog eenige andere jagers werden te voorschijn -gebracht. De arme drommels meenden den roovers in handen gevallen te zijn, en Edelhart -had onbeschrijfelijk veel moeite om hun aan het verstand te brengen, dat de lieden -die zij zagen vrienden waren, wel is waar te laat gekomen om hen te helpen, maar toch -niet genegen hun eenig kwaad te doen. Zoodra zij een weinig gerust gesteld waren, -trad Edelhart met hen de tent binnen, en vroeg hun een omstandig verhaal van het gebeurde. -</p> -<p>De jongste mesties, zoodra zij zag met wie zij te doen had, kreeg <span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span>eensklaps al haar moed terug, en daar zij bovendien Edelhart herkende, liet zij zich -lichtelijk tot praten bewegen: binnen weinige minuten bracht zij den jager op de hoogte -van al de verschrikkelijke gebeurtenissen, waarvan zij getuige was geweest. -</p> -<p>»Dus,” vroeg hij haar, »is kapitein Aguilar gedood?” -</p> -<p>»Helaas! ja,” antwoordde het meisje met een smartelijken zucht; zij dacht aan den -moed van den armen officier. -</p> -<p>»En de generaal?” hernam de jager. -</p> -<p>»O, de generaal,” zeide de mesties levendig, »die heeft zich geweerd als een leeuw, -en hij is eerst na een heldhaftigen tegenstand gevallen.” -</p> -<p>»Is hij dood?” vroeg Edelhart, pijnlijk aangedaan. -</p> -<p>»O, neen,” zeide zij, »hij is maar gewond, ik heb gezien dat de bandieten hem wegdroegen, -ik geloof zelfs, dat zijne wonden niet van de zwaarsten zijn, daar de <i lang="es">ladrons</i> (dieven) hem gedurende het gevecht altijd trachtten te sparen.” -</p> -<p>»Des te beter,” zeide de jager, en hij boog nadenkend het hoofd. Na eene korte pauze, -voegde hij er aarzelend en met eenigszins bevende stem bij: »En uwe jonge meesteres, -wat is daarvan geworden?” -</p> -<p>»Mijne meesteres, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz?” -</p> -<p>»Ja, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, dat is geloof ik haar naam; ik zou er alles voor over hebben, om iets van haar -te hooren, en te weten dat zij zich in veiligheid bevindt.” -</p> -<p>»Dat doet zij, want zij is dicht bij u,” zeide eene welluidende stem. -</p> -<p>En <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz trad te voorschijn, nog bleek van de aandoeningen, waaraan zij ten prooi was -geweest, maar toch kalm, met een glimlach op de lippen, en met glinsterende oogen. -</p> -<p>De omstanders konden een uitroep van verbazing niet weerhouden, toen zij zoo onverwachts -dat meisje zagen verschijnen. -</p> -<p>»O, God zij geprezen!” riep de jager uit, »onze hulp is dan niet geheel nutteloos -geweest, Caballero.” -</p> -<p>»Neen,” antwoordde zij bevallig; en liet er treurig op volgen, terwijl eene donkere -wolk haar gelaat overschaduwde: »thans, nu ik hem verloren heb, die mij als een vader -was, kom ik uwe bescherming inroepen.” -</p> -<p>»Zij is u gegund, mevrouw,” zeide hij met warmte; »wat uw oom betreft, o, reken op -mij; ik zal hem u teruggeven, al moest ik het met mijn leven betalen. Gij weet,” voegde -hij er bij, »dat ik heden niet voor de eerste maal uwe zaak verdedig.” -</p> -<p>Toen de eerste oogenblikken van aandoening voorbij waren, verlangde men te weten, -hoe het meisje er in geslaagd was om zich aan de nasporingen der roovers te onttrekken. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz verhaalde wat haar overkomen was. -</p> -<p>Het meisje had zich geheel gekleed te bed gelegd, de ongerustheid had haar wakker -gehouden, een geheim voorgevoel zeide haar, dat zij op hare hoede moest zijn. Bij -het door de roovers aangeheven <span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span>geschreeuw was zij verschrikt opgestaan, en met den eersten oogopslag had zij gezien, -dat het onmogelijk was om te vluchten. Een angstigen blik om zich heen werpende, had -zij eenige kleederen bemerkt, die in wanorde in eene hangmat waren geworpen en naar -buiten hingen. -</p> -<p>Toen was haar plotseling een gedachte in het hoofd gekomen. Zij had zich onder deze -kleederen laten doorglijden, en zich zoo klein makende als zij kon, zich in de hangmat -nedergelegd, zonder de wanorde der kleederen te verstoren. Door Gods goedheid had -het opperhoofd der bandieten, toen hij overal rondzocht, er niet aan gedacht om met -de hand in die schijnbaar ledige hangmat te tasten. Door dit toeval gered, had zij -zich ongeveer een half uur schuil gehouden, al dien tijd in eene spanning verkeerende, -die het onmogelijk is te beschrijven. De komst der jagers en de stem van Edelhart, -die zij terstond herkende, hadden haar weder hoop ingeboezemd, zij had hare schuilplaats -verlaten, en ongeduldig op eene gunstige gelegenheid gewacht om zich te vertoonen<span class="corr" id="xd30e4297" title="Niet in bron">.</span> -</p> -<p>De jagers stonden verbaasd over dit eenvoudig en toch zoo treffend verhaal; zij wenschten -het meisje geluk met haren moed en hare tegenwoordigheid van geest, door welke alleen -zij gered was geworden. -</p> -<p>Toen de orde in het kamp een weinig hersteld was, begaf Edelhart zich wederom naar -<span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz. -</p> -<p>»Mevrouw,” zeide hij, »weldra zal het dag zijn; als gij eenige uren rust zult genomen -hebben, zal ik u bij mijne moeder brengen, die eene vrome vrouw is; als zij u kent, -twijfel ik niet, of zij zal u als hare dochter liefhebben; daarna, als gij in veiligheid -zult zijn, zal ik mijn best doen, om uwen oom op te sporen.” -</p> -<p>Zonder de dankbetuigingen van het meisje af te wachten, maakte hij eene eerbiedige -buiging voor haar en ging de tent uit. -</p> -<p>Zoodra hij weg was, slaakte <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz een zucht, en liet zich peinzend op haar stoel nedervallen. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch2.8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5679">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VIII.</h2> -<h2 class="main">DE GROT VAN DEN KOPERGROEN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Er waren twee dagen verloopen, na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen. -</p> -<p>Wij geleiden den lezer, tusschen drie en vier ure na den middag, in de door Goedsmoeds -ontdekte hut, waar Edelhart bij voorkeur zijn verblijf hield. Het inwendige der grot, -verlicht door tallooze toortsen van zeker hout, dat de Indianen kaarshout noemen, -en die op gelijke afstanden in de nissen der rotsen stonden te branden, had <span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span>heel veel van eene legerplaats van heidens of bandieten. Een veertigtal jagers en -Comanchen waren hier en daar verspreid; sommigen sliepen, anderen rookten, anderen -wederom maakten hunne wapens schoon of herstelden hunne kleederen, nog anderen lagen -geknield voor twee of drie vuren, waarboven groote ketels hingen, of roosterden ontzaglijke -stukken wildbraad voor het middagmaal hunner kameraden. Bij elken ingang der grot -stonden twee schildwachten, onbewegelijk, maar op alles nauwkeurig acht gevende, om -voor het algemeene welzijn te waken. -</p> -<p>In een afzonderlijk vertrek, door een vooruitstekend rotsblok van de overige ruimte -afgescheiden, zaten twee vrouwen en een man op ruwe houtblokken zachtjes te praten. -</p> -<p>Deze vrouwen waren <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz en de moeder van Edelhart, de man, die onder het rooken van zijn maïs-cigaar -het oog op haar gevestigd hield, en soms zich in het gesprek mengde, hetzij door een -uitroep van verrassing, van bewondering, of van vreugde, was nô Eusébio, de oude Spaansche -dienaar, van wien wij reeds meermalen in den loop van dit verhaal melding hebben gemaakt. -</p> -<p>Aan den ingang van dit vertrek, dat eene soort van kamer in de grot vormde, wandelde -een ander man, met de handen op den rug en tusschen de tanden fluitend, heen en weder. -Dat was de Zwarte Eland. -</p> -<p>Edelhart, de Arendskop en Goedsmoeds waren afwezig. -</p> -<p>Het gesprek der beide vrouwen scheen hun veel belang in te boezemen; de moeder van -den jager wisselde vaak een veelbeteekenenden blik met haar ouden dienaar, die zijn -cigaar uit had laten gaan, maar, zonder het te merken, werktuigelijk bleef doorrooken. -</p> -<p>»O,” zeide de oude dame, de handen samenvouwende en de oogen ten hemel slaande, »de -vinger Gods is wel zichtbaar in dit alles.” -</p> -<p>»Ja,” antwoordde nô Eusébio met overtuiging. »Hij alléén heeft alles gedaan.” -</p> -<p>»En zeg mij, mijn lieve, heeft uw oom gedurende de twee maanden dat gij op reis zijt, -u nooit laten merken, hetzij door woorden, hetzij door daden, wat het doel was van -dien tocht?” -</p> -<p>»Nooit!” antwoordde <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz. -</p> -<p>»Het is vreemd,” prevelde de oude dame. -</p> -<p>»Ja vreemd, inderdaad,” herhaalde nô Eusébio, die voortging met aan zijn cigaar te -trekken. -</p> -<p>»Maar,” hernam Edelharts moeder, »waarmede bracht uw oom sedert zijne komst in de -prairiën, zijn tijd door? Vergeef mij, mijn kind, die vragen moeten u wel vreemd toeschijnen, -maar zij zijn geenszins het gevolg van nieuwsgierigheid; later zult gij mij begrijpen; -dan zult gij inzien hoe groot de belangstelling is, die gij mij inboezemt, en welke -alleen mij noopt u te ondervragen.” -</p> -<p>»Ik twijfel er geenszins aan, mevrouw,” antwoordde <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz met <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>een bekoorlijk lachje; »ook maak ik geen bezwaar om uwe vragen te beantwoorden. Mijn -oom is sedert onze komst in de prairiën zeer droefgeestig en bezorgd geweest; hij -zocht bij voorkeur het gezelschap van menschen, die aan het woestijnleven gewoon waren, -en als hij er zoo een ontmoette, bleef hij vaak vele uren achtereen met hem praten.” -</p> -<p>»En waarover ondervroeg hij hen dan, mijn kind, herinnert gij u dat ook?” -</p> -<p>»O hemel, mevrouw,” antwoordde het meisje, terwijl een lichte blos hare wangen kleurde, -»ik moet u tot mijne schande bekennen, dat ik op die gesprekken niet veel acht gaf, -daar ik ten minste dacht, dat zij mij al heel weinig aangingen. Ik, arm kind, die -tot nu toe eene sombere en eentonige levenswijze geleid heb, en die de wereld slechts -heb gezien door de tralies van mijn klooster, ik bewonderde de grootsche natuur, die -als door betoovering zich voor mij ontrolde; ik had geene oogen genoeg om die wonderen -te aanschouwen, en ik aanbad den schepper, wiens oneindige macht zich eensklaps aan -mij openbaarde.” -</p> -<p>»Het is waar, lief kind, vergeef mij die vragen, die u moeten vermoeien, en waarvan -gij het belang niet gissen kunt,” zeide de goede dame, haar een kus op het voorhoofd -drukkende; »als gij wilt, zullen wij er later nog wel eens over spreken.” -</p> -<p>»Zoo als gij wilt, mevrouw,” antwoordde het meisje haar wederom kussende, »ik ben -blijde met u te kunnen praten, en welk onderwerp gij kiezen moogt ik zal er altijd -veel belang in stellen.” -</p> -<p>»Maar wij zitten hier niets te doen als te babbelen, en vergeten intusschen mijn armen -zoon die sedert dezen morgen afwezig is, en die, naar hij mij gezegd heeft, nu reeds -terug moest zijn.” -</p> -<p>»O, als hem maar niets overkomen is,” riep <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz angstig. -</p> -<p>»Gij stelt dan wel belang in hem?” vroeg de oude dame glimlachend. -</p> -<p>»O, mevrouw,” antwoordde zij aangedaan, terwijl haar gelaat zich met gloeiend rood -overdekte, »hoe zou dit anders kunnen na de diensten, die hij ons bewezen heeft, en -die welke hij ons nog bewijzen zal gelijk ik zeker weet?” -</p> -<p>»Mijn zoon heeft u beloofd uw oom te zullen bevrijden; wees overtuigd, dat hij zijne -belofte vervullen zal.” -</p> -<p>»O, ik twijfel er niet aan, mevrouw! zulk een edel en groot karakter!” riep zij met -verheffing van stem uit, »met hoeveel recht draagt hij den naam van Edelhart!” -</p> -<p>De oude dame en Eusébio zagen haar glimlachend aan; zij waren verheugd over de verrukking -van het meisje. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz bemerkte nu met welk eene aandacht men haar gadesloeg; zij hield verlegen op, -en boog het hoofd voorover, nog sterker blozende dan te voren. -</p> -<p>»O,” zeide de oude dame, haar bij de hand grijpende, »ga gerust <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>voort, mijn kind, ik ben verrukt u zoo over mijn zoon te hooren spreken; ja,” voegde -zij er treurig en als tot zichzelve sprekende bij, »ja, hij heeft een groot en edel -karakter; gelijk alle groote geesten, wordt hij miskend; maar geduld, God beproeft -hem, eens zal hem recht wedervaren: voor het aangezicht van allen.” -</p> -<p>»Zou hij gelukkig zijn?” waagde het meisje te vragen. -</p> -<p>»Dat zeg ik niet, mijn kind,” antwoordde de arme moeder met een onderdrukten zucht, -»wie kan in deze wereld zich vleien, gelukkig te zijn? Ieder heeft een last om te -dragen, maar de Almachtige geeft aan ieder kracht naar kruis.” -</p> -<p>Men hoorde eenige beweging in de grot, verscheidene mannen traden binnen. -</p> -<p>»Daar is uw zoon, mevrouw,” zeide de Zwarte Eland. -</p> -<p>»Verplicht, mijn vriend,” antwoordde zij. -</p> -<p>»O, zooveel te beter,” zeide <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, verheugd opstaande. -</p> -<p>Maar beschaamd over deze onwillekeurige beweging, liet het meisje zich verlegen en -blozend weder op hare zitplaats nedervallen. -</p> -<p>Het was inderdaad Edelhart die binnenkwam, maar hij was niet alleen. Goedsmoeds en -de Arendskop, benevens verscheidene jagers vergezelden hem. -</p> -<p>Edelhart, zoodra hij zich in de grot bevond, begaf zich dadelijk met groote stappen -naar de plaats, waar zijne moeder zat, hij gaf haar een kus op het voorhoofd, wendde -zich toen tot <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, en groette haar met zekere onnatuurlijke gedwongenheid, die voor de oude dame -niet onopgemerkt bleef. -</p> -<p>Het meisje groette hem niet minder stijf terug. -</p> -<p>»Nu,” zeide hij vroolijk, »gij zult u wel verveeld hebben, terwijl gij op mij zat -te wachten, mijne edele gevangene! de tijd heeft u in deze grot wel lang moeten toeschijnen; -vergeef mij, dat ik u in deze akelige woning geherbergd heb, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, gij, die geboren zijt om prachtige paleizen te bewonen. Helaas! het is het prachtigste -van al mijne verblijven.” -</p> -<p>»Bij de moeder van hem, die mij het leven gered heeft, mijnheer,” antwoordde het meisje -met waardigheid, »gevoel ik mij als in de tegenwoordigheid eener koningin, welke ook -de plaats moge zijn, die haar tot woning verstrekt.” -</p> -<p>»Gij zijt al te goed, mevrouw!” stamelde de jager; »gij maakt mij waarlijk verlegen.” -</p> -<p>»Welnu, mijn zoon,” viel de oude dame in, met het doel om eene andere wending te geven -aan het gesprek dat voor de beide jonge lieden moeielijk begon te worden, »wat hebt -gij van daag gedaan? Hebt gij goede tijding voor ons? <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz is zeer bezorgd omtrent het lot van haar oom; zij brandt van verlangen om hem -weder te zien.” -</p> -<p>»Ik begrijp de ongerustheid van mevrouw,” antwoordde de jager, »ik hoop die weldra -uit den weg te ruimen, wij hebben van daag <span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span>niet veel uitgericht, het is ons onmogelijk geweest het spoor der bandieten terug -te vinden. Het is om gek te worden van woede. Gelukkig hebben wij bij onze terugkomst, -niet ver van de grot, den doctor wedergevonden, die volgens zijne loffelijke gewoonte, -bezig was met in de spleten der rotsen naar kruiden te zoeken; hij zeide ons, dat -hij een man van een verdacht uiterlijk in den omtrek had zien ronddwalen. Wij zijn -dadelijk op de jacht gegaan, en inderdaad ontdekten wij weldra een persoon, waarvan -wij ons onverwijld meester maakten, en dien wij hierheen hebben gebracht.” -</p> -<p>»Gij ziet dus, mijnheer,” zeide <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz min of meer schalkachtig, »dat het zoeken van kruiden toch nog ergens goed voor -is. De goede doctor heeft u naar alle waarschijnlijkheid een groote dienst bewezen.” -</p> -<p>»Zonder het te willen,” antwoordde Edelhart lachend. -</p> -<p>»Dat spreek ik niet tegen,” hernam het meisje schertsend, »maar hij heeft het toch -niettemin gedaan; en dat hebt gij aan zijne liefhebberij voor de planten te danken.” -</p> -<p>»Het zoeken van planten heeft iets goeds, dat stem ik u toe; maar alles moet zijn -tijd hebben, en de doctor, zonder dat ik hem iets verwijten wil, heeft den zijne niet -altijd even goed gekozen.” -</p> -<p>Ondanks de ernstige feiten, waarop deze woorden zinspeelden, konden de omstanders -zich niet weêrhouden, om ten koste van den ongelukkigen geleerde even te glimlachen. -</p> -<p>»Kom, kom,” zeide <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, »ik wil niet dat men mijnen armen doctor aanvalt; hij is voor zijne achteloosheid -zwaar genoeg gestraft door het verdriet, dat hem sedert dien noodlottigen dag verteert.” -</p> -<p>»Gij hebt gelijk, mevrouw; ik zal er niet meer van spreken; maar nu vraag ik uwe toestemming -om u te verlaten; mijne kameraden sterven letterlijk van honger, en de brave lieden -wachten op mij, om te gaan eten.” -</p> -<p>»Maar,” vroeg nô Eusébio, »dien man, dien gij aangehouden hebt, wat wilt gij daarmede -doen?” -</p> -<p>»Dat weet ik nog niet; zoodra ik gegeten heb, zal ik hem ondervragen; zijne antwoorden -zullen waarschijnlijk mijn gedrag ten zijnen opzichte besturen.” -</p> -<p>De ketels werden van het vuur genomen en de stukken wildbraad klein gesneden; de jagers -en de Indianen zetten zich broederlijk naast elkander en aten met veel smaak. -</p> -<p>De dames werden afzonderlijk in haar vertrek bediend door nô Eusébio, die de plichten -van hofmeester waarnam met eene zorgvuldigheid en een ernst, eene betere plaats waardig. -</p> -<p>De man, die bij den ingang der grot aangehouden was, was onder bewaking gesteld van -twee sterke, van top tot teen gewapende jagers, die hem niet uit het oog verloren; -maar hij scheen er volstrekt niet aan te denken om te ontvluchten; integendeel, hij -deed de spijzen, die men beleefd genoeg geweest was voor hem neder te zetten, zeer -veel eer aan. -<span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span></p> -<p>Zoodra de maaltijd afgeloopen was, vereenigden de opperhoofden zich, en voerden eenige -minuten lang te zamen een fluisterend gesprek. Daarna werd op bevel van Edelhart de -gevangene voorgebracht, en maakte men zich gereed om hem te ondervragen. Deze man, -dien men nog nauwelijks een blik waardig gekeurd had, werd dadelijk herkend, zoodra -hij voor de opperhoofden stond, die een gebaar van verrassing niet konden weerhouden. -</p> -<p>»Kapitein Ouaktehno!” prevelde Edelhart verbaasd. -</p> -<p>»Ja, ik zelf, mijne heeren,” antwoordde de roover met spottende hooghartigheid; »wat -hebt gij mij te vragen? Ik ben bereid u op alles te antwoorden.” -</p> -</div> -</div> -<div id="ch2.9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5689">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">IX.</h2> -<h2 class="main">STAATKUNDE.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Na al wat er gebeurd was, scheen het van den kapitein eene ongehoorde vermetelheid, -om zich zelven aldus weerloos in handen te stellen van menschen, die niet zouden aarzelen -eene schitterende wraak op hem te nemen. De jagers waren dan ook niet weinig verschrikt -over dezen stap van den roover, en zij vermoedden, niet zonder reden, dat er een list -onder verscholen lag. Zij begrepen zeer goed, dat, zoo de kapitein gevangen genomen -was, hij zich had laten gevangen nemen, en dat hij waarschijnlijk eene dringende beweegreden -had om aldus te handelen, vooral na de zorg die hij besteed had, om zijn spoor voor -aller oog te verbergen, en zulk eene ondoordringbare schuilplaats te zoeken, dat de -Indianen zelven, aan wier scherpen blik niets ontgaat, de hoop van die ooit te zullen -vinden, hadden opgegeven. Wat kwam hij doen, te midden zijner onverzoenlijke vijanden? -Welke reden had hem kunnen bewegen om de onvoorzichtigheid te begaan van zich zelven -over te geven? Dit vroegen de jagers zich af, terwijl zij hem aanstaarden met die -nieuwsgierigheid en belangstelling, welke men onwillekeurig zich genoopt gevoelt te -wijden aan den man, die onverschrokken een moedige daad volbrengt, welk karakter hij -overigens ook moge bezitten. -</p> -<p>»Mijnheer,” zeide Edelhart na een korte pauze tot hem, »daar gij u in onze handen -gesteld hebt, zult gij zonder twijfel niet weigeren te antwoorden op de vragen, die -wij noodig achten tot u te richten.” -</p> -<p>Een onbeschrijfelijke lach plooide de bleeke en dunne lippen van den roover. -</p> -<p>»Niet alleen,” antwoordde hij kalm en met nadruk, »zal ik niet weigeren u antwoord -te geven, mijne heeren, maar zelfs zoo gij het vergunt, zal ik uwe vragen vooruitloopen, -door u uit eigen beweging <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>al wat er is voorgevallen te melden, hetgeen, ik ben er zeker van, u vele feiten duidelijk -zal maken, die tot nu toe duister zijn gebleven, en die gij te vergeefs gepoogd hebt -te verklaren.” -</p> -<p>Een gemompel van verbazing doorliep de rijen der jagers, die allen naderbij kwamen -en aandachtig luisterden. -</p> -<p>Dit tooneel nam vreemde verhoudingen aan, en beloofde belangrijk te zullen worden. -Edelhart dacht even na, vervolgens zich tot den roover wendende, zeide hij: -</p> -<p>»Ga uw gang, mijnheer, wij luisteren.” -</p> -<p>De kapitein boog, en begon op schertsenden toon zijn verhaal; toen hij bij de overmeestering -van het kamp gekomen was, vervolgde hij aldus: -</p> -<p>»Dat was een fijne zet van ons, niet waar, mijne heeren? inderdaad, gij moogt mij -wel een compliment daarover maken, gij, die in dergelijke zaken voor meesters doorgaat, -maar er is iets dat gij niet weet, en dat ik u zeggen moet: de rijkdommen van den -Mexicaanschen generaal waren voor mij slechts eene bijzaak, ik had een ander doel, -en dat doel zal ik u te kennen geven; ik wilde mij meester maken van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz. Van Mexico af ben ik de karavaan stap voor stap gevolgd; den oppersten gids, -den Babbelaar, een ander vertrouwde van mij, had ik omgekocht; het goud en de kostbaarheden -voor mijne kameraden overlatende, begeerde ik slechts het meisje.” -</p> -<p>»Nu, dan hebt gij uw doel gemist, of ik weet het niet,” viel Goedsmoeds hem, met een -tartenden glimlach, in de rede. -</p> -<p>»Zoudt gij dat denken?” antwoordde de ander met onverstoorbare kalmte; »inderdaad, -hebt gij in zoover gelijk, dat ik voor ditmaal mijn doel heb gemist; maar ik heb nog -niet alles gezegd, en misschien zal ik niet altijd mijn doel missen.” -</p> -<p>»Gij spreekt hier, omringd door honderdvijftig der beste karabijnen der prairie, over -dat afschuwelijk plan, met even veel vertrouwen, alsof gij u in veiligheid onder uwe -bandieten bevondt, kapitein; dat is een groote onvoorzichtigheid, of wel een zeldzame -vermetelheid,” zeide Edelhart op gestrengen toon. -</p> -<p>»Bah! het gevaar is voor mij niet zoo groot, als gij mij wilt doen gelooven; gij weet -dat ik de man niet ben, om mij bang te laten maken, staak dus uwe bedreigingen, en -laat ons, als het u belieft, ernstig praten.” -</p> -<p>»Wij allen, jagers, bevervangers en Indiaansche krijgslieden, in deze grot vereenigd, -wij zijn in ons recht, en handelen in het belang onzer gemeenschappelijke veiligheid, -als wij de wet der prairiën, dat is: oog om oog, tand om tand, op u toepassen, op -u, die gegrepen, en volgens uw eigen bekentenis schuldig zijt aan diefstal, moord, -en poging tot maagdenroof; die wet zullen wij onmiddellijk ten uitvoer leggen. Wat -hebt gij tot uwe verdediging aan te voeren?” -</p> -<p>»Alles op zijn tijd, Edelhart; aanstonds zullen wij ons daarmede <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>bezig houden, maar laat ons nu, bid ik u, een einde maken aan hetgeen ik te zeggen -had; wees gerust, het zal slechts eenige minuten oponthoud geven; ik zelf zal op die -andere zaak terugkomen, waarin gij zooveel belang schijnt te stellen, daar gij u op -eigen gezag tot rechter in de woestijn opwerpt.” -</p> -<p>»Die wet is zoo oud als de wereld, zij is door God zelf gegeven: het is de plicht -van alle eerlijke lieden, om een wild dier te vervolgen, als men het op zijn weg tegenkomt.” -</p> -<p>»Die vergelijking is niet vleiend,” antwoordde de roover onbewogen, »maar ik ben niet -lichtgeraakt, ik zal er mij niet boos om maken; wilt gij mij nu nog voor het laatst -het woord gunnen?” -</p> -<p>»Spreek, en laat het dan uit zijn.” -</p> -<p>»Dat is juist wat ik verlang; luister dan. In deze wereld vat ieder het leven naar -zijne wijze op, de een wat ruimer, de ander wat meer bekrompen; wat mij betreft, het -is mijn ideaal, mij binnen eenige jaren met een aardig fortuintje van hier te verplaatsen -naar een dier schoone Mexicaansche provinciën, die er zoo recht prettig uitzien; gij -bemerkt dus, dat ik niet eerzuchtig ben. Eenige maanden geleden was ik ten gevolge -van verscheidene winstgevende zaken in de prairiën, die ik gelukkig had ten einde -gebracht, in het bezit van een ronde som gelds, die ik volgens gewoonte besloot op -interest te zetten, ten einde mij later dat fortuintje te bezorgen, waarvan ik reeds -gesproken heb. Ik ging daarom naar Mexico, om mijn kapitaal in bewaring te geven aan -een aldaar wonenden eerlijken Franschen bankier, die er goed voor zorgt, en dien ik -u bij gelegenheid aanbeveel.” -</p> -<p>»Waartoe al die praatjes?” viel Edelhart hem driftig in de rede; »houdt gij ons voor -den gek, kapitein?” -</p> -<p>»In het minst niet: ik ga voort. Te Mexico vergunde het toeval mij, om aan <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz een vrij belangrijke dienst te bewijzen.” -</p> -<p>»Gij!” riep Edelhart woedend uit. -</p> -<p>»Waarom niet?” hernam de andere; »de zaak droeg zich overigens vrij eenvoudig toe; -ik verloste haar uit de handen van mijne bandieten, die juist bezig waren haar met -alle zorgvuldigheid te plunderen; ik zag haar en werd wanhopig op haar verliefd.” -</p> -<p>»Mijnheer!” zeide de jager, terwijl het bloed hem naar het hoofd steeg, »dat gaat -alle perken te buiten. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz is eene dame, waarvan men met eerbied spreken moet; ik zal niet dulden dat men -haar in mijne tegenwoordigheid beleedigt.” -</p> -<p>»Wij zijn volkomen van hetzelfde gevoelen,” hernam de bandiet, »maar het is daarom -niet minder waar, dat ik verliefd op haar werd; ik deed onderzoek naar haar, hoorde -wie zij was, welke reis zij ging maken, en tot op het oogenblik van haar vertrek was -ik zeer gelukkig, gelijk gij ziet; maar toen was mijn plan gemaakt, een plan, dat -gelijk zoo even zeer te recht door u is opgemerkt, geheel schipbreuk geleden heeft, -maar dat ik nog niet denk op te geven.” -</p> -<p>»Wij zullen er wel een eind aan weten te maken.” -<span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span></p> -<p>»En gij zult wel doen, zoo gij maar kunt.” -</p> -<p>»Nu hebt gij gedaan met spreken, geloof ik.” -</p> -<p>»Nog niet als het u belieft, maar voor wat ik nu ga zeggen is de tegenwoordigheid -van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz onmisbaar; van haar alleen hangt de goede uitslag mijner zending bij u af.” -</p> -<p>»Ik begrijp u niet.” -</p> -<p>»Gij behoeft mij ook nu nog niet te begrijpen, maar stel u gerust, Edelhart, het raadsel -zal weldra worden opgelost.” -</p> -<p>Gedurende dit lange onderhoud had de roover geen oogenblik zijne tegenwoordigheid -van geest verloren, noch dien spottenden toon en die losse manier van handelen opgegeven -die den jager wanhopig maakten. Hij geleek veel meer op een landedelman, die bij zijne -buren een bezoek aflegt, dan op een gevangene, die op het punt was van doodgeschoten -te worden; hij scheen zich over het gevaar, dat hij liep, geen oogenblik te verontrusten; -zoodra hij met spreken gedaan had, en terwijl de jagers fluisterend met elkander beraadslaagden, -hield hij zich bezig met op een <span class="corr" id="xd30e4499" title="Bron: maïscigaar">maïs-cigaar</span> te kauwen die hij opstak en bedaard ging zitten rooken. -</p> -<p>»<span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz,” hernam Edelhart met kwalijk verborgen ongeduld, »heeft niets met de onderhandelingen -te maken, hare tegenwoordigheid is niet noodzakelijk.” -</p> -<p>»Gij vergist u zeer, mijn beste,” antwoordde de onverstoorbare roover, terwijl hij -een groote rookwolk uitblies, »zij is onmisbaar, en zie hier waarom: gij begrijpt -heel goed, niet waar? dat ik een veel te slimme vogel ben om mij zoo maar voetstoots -aan u uit te leveren, zonder bij mij iemand te hebben achtergelaten, die met zijn -leven voor het mijne instaat; die iemand is de oom van het meisje; zoo ik niet te -middernacht ben teruggekeerd in mijne woning, zoo als gij het gelieft te noemen, en -te midden mijner dappere kameraden, en dat wel om tien minuten over twaalven, precies, -dan zal die achtenswaardige heer zonder uitstel dood geschoten worden.” -</p> -<p>Eene rilling van gramschap liep <span class="corr" id="xd30e4510" title="Bron: doorde">door de</span> rijen der jagers. -</p> -<p>»Ik weet heel goed,” ging de roover voort: »dat gij persoonlijk u zeer weinig om het -leven van den waardigen generaal bekommert, en dat gij het edelmoedig zult opofferen, -in ruil voor het mijne; maar gelukkig voor mij is <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, daar ben ik zeker van, van een ander gevoelen; wees dus zoo goed, en verzoek -haar om hier te komen, opdat zij hoore wat ik haar heb voor te stellen; de tijd gaat -voort, de weg van hier naar mijn kamp is lang; als ik te laat kwam, zoudt gij alleen -verantwoordelijk zijn voor de ongelukken, die mijn oponthoud zou tengevolge hebben.” -</p> -<p>»Hier ben ik, mijnheer,” zeide <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, eensklaps te voorschijn tredende, daar zij onder de menigte verborgen, alles -gehoord had wat er gezegd was. -</p> -<p>De roover wierp zijn half uitgerookte cigaar weg, maakte eene beleefde buiging voor -het meisje en groette haar eerbiedig. -<span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span></p> -<p>»Ik ben gelukkig, mevrouw,” zeide hij, »van wege de eer, waarmede gij mij verwaardigt.” -</p> -<p>»Houd op met uw beleedigende complimenten, mijnheer; ik luister, wat hebt gij mij -te zeggen?” -</p> -<p>»Gij beoordeelt mij verkeerd,” antwoordde de roover, »maar ik hoop, dat ik later genade -zal vinden in uwe oogen. Herkent gij mij dan niet, ik meende eene betere herinnering -bij u te hebben achtergelaten.” -</p> -<p>»Het is mogelijk, mijnheer, dat ik een tijdlang een goeden dunk van u bewaard heb,” -antwoordde het meisje bewogen, »maar na al wat er in deze laatste dagen gebeurd is, -zie ik in u niets anders als een misdadiger.” -</p> -<p>»Dat woord is hard, mevrouw!” -</p> -<p>»Vergeef mij bid ik u, mijnheer, zoo het u mocht beleedigd hebben, maar ik ben nog -niet geheel hersteld van de schrikken die gij mij hebt aangejaagd, schrikken, die -uw gedrag van heden veeleer verdubbelt dan uitwischt; wil mij dus zonder uitstel met -uwe bedoelingen bekend maken.” -</p> -<p>»Ik zou bijna wanhopen, daar ik zoo slecht door u begrepen word, mevrouw; ik smeek -u, schrijf al het gebeurde alleen toe aan de hevigheid van den hartstocht, die mij -bezielt, en geloof.…” -</p> -<p>»Mijnheer, gij beleedigt mij!” viel het jonge meisje, zich trotsch oprichtende, hem -in de rede; »welke gemeenschap kan er bestaan tusschen mij en een bandietenhoofdman?” -</p> -<p>Bij deze geweldige beleediging overdekte een koortsachtige gloed het gelaat van den -roover; hij beet zich op de lippen, maar een sterke poging doende om zichzelven te -beheerschen, smoorde hij de gevoelens, die hem bezielden, in het diepst van zijn hart, -en antwoordde hij op kalmen en eerbiedigen toon: -</p> -<p>»Het zij zoo, mevrouw; verpletter mij, ik heb het verdiend.” -</p> -<p>»Is het alleen om zulke alledaagsche gezegden uit te kramen, dat gij mijne tegenwoordigheid -hebt verlangd, mijnheer? in dat geval zult gij mij niet kwalijk nemen, als ik mij -verwijder; een meisje van mijn rang is aan zulke manieren niet gewoon, en verwaardigt -zich niet zulke gesprekken aan te hooren.” Zij maakte eene beweging, om zich wederom -naar de moeder van Edelhart te begeven, die op zijne beurt naar haar toekwam. -</p> -<p>»Een oogenblik, mevrouw!” riep de roover toornig uit; »gij veracht mijne gebeden, -welnu, hoor dan mijne bevelen.” -</p> -<p>»Uwe bevelen!” brulde de jager, op hem toespringende; »vergeet gij dan waar gij zijt, -ellendeling?” -</p> -<p>»Kom, geen bedreigingen, mijn waarde vrienden!” hernam de roover met luider stem, -terwijl hij de armen kruiselings over de borst sloeg, het hoofd oprichtte en een verachtelijken -blik op de omstanders wierp; »gij weet wel, dat gij tegen mij niets vermoogt, dat -er geen haar van mijn hoofd vallen zal.” -<span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span></p> -<p>»Dat is te veel!” riep de jager uit. -</p> -<p>»Halt, Edelhart!” zeide <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, zich voor hem plaatsende, »die man is uw toorn onwaardig; ik zie hem liever -zoo, hij speelt zijn rol als bandiet goed, hij heeft ten minste het masker afgeworpen!” -</p> -<p>»Ja, ik heb het masker afgeworpen!” riep de roover woedend uit; »luister dan, dwaas -kind: binnen drie dagen kom ik terug; gij ziet, ik ben goed,” vervolgde hij met een -spotachtigen lach, »ik geef u den tijd om na te denken; zoo gij er dan niet in toestemt -om mij te volgen, zal uw oom de vreeselijkste folteringen te verduren hebben, en als -een laatste gedachtenis van mij, zal ik u zijn hoofd zenden.” -</p> -<p>»Monster!.…” riep het meisje wanhopend uit. -</p> -<p>»Kom aan!” zeide hij, met een duivelschen grijnslach de schouders ophalende, »ieder -bemint op zijne wijze; ik heb gezworen dat gij mijne vrouw zult zijn.” -</p> -<p>Maar het meisje hoorde niet meer; door smart overweldigd, was zij in zwijm gevallen, -in de armen van des jagers moeder en van Nô Eusébio, die zich haastten haar weg te -brengen. -</p> -<p>»Genoeg!” zeide Edelhart met eene vreeselijke stem, terwijl hij zijne hand op den -schouder van den roover legde; »dank God, die u vergunt heelhuids uit onze handen -te komen.” -</p> -<p>»Binnen drie dagen, op hetzelfde uur, ziet gij mij weder, mijne heeren,” zeide hij -met verachting. -</p> -<p>»In dien tijd kan de kans omslaan,” zeide Goedsmoeds. -</p> -<p>De roover antwoordde slechts met een grijnslach en verliet de hut zoo kalm en bedaard, -alsof er niets buitengewoons ware voorgevallen. Hij verwaardigde zich niet eens om -even om te zien, zoo zeker was hij van de ontsteltenis die hij teweeg gebracht en -van den indruk dien hij gemaakt had. -</p> -<p>Nauwelijks was hij weg, of Goedsmoeds, de Zwarte Eland en de Arendskop verlieten de -grot langs andere wegen om zijn spoor te volgen. -</p> -<p>Edelhart bleef een oogenblik staan peinzen, vervolgens ging hij, bleek en met gefronsd -voorhoofd, vernemen hoe <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz het maakte. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch2.10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5699">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">X.</h2> -<h2 class="main">TWEESTRIJD.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first"><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz en Edelhart stonden in een zonderlinge verhouding tegenover elkander. Beide jong, -beide schoon, beminden zij elkander zonder het zich zelven te willen bekennen, zonder -er zich bijna van bewust te zijn. Beide, hoewel hun vorig leven hemelsbreed van elkander -<span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span>verschilde, bezaten een gelijke frischheid van gevoelens, een gelijke onschuld des -harten. -</p> -<p>De kindsheid van het meisje was eentonig en stil voorbij gegaan onder overdreven godsdienstige -oefeningen, in dat land, waar het christendom veeleer eene soort van fetischdienst -is, dan wel dat zuivere, edele, eenvoudige geloof van onze gewesten. Nooit had zij -haar hart hooger voelen kloppen. Zij was onbekend met de liefde, onbekend met de smart. -Zij leefde als de vogelen des hemels, den dag van gisteren vergetende, aan den dag -van morgen niet denkende. Maar de reis, die zij ondernomen had, had een geheele verandering -in haar bestaan teweeg gebracht. Het gezicht van den onmetelijken horizon, die zich -voor haar in de prairie uitstrekte, van de prachtige rivieren, die zij overtrok, van -de hooge bergen, waar zij vaak langs moest, en wier toppen den hemel schenen aan te -raken, had den kring van hare denkbeelden grooter gemaakt, een blinddoek was haar -als het ware van de oogen gevallen, zij had begrepen dat God haar voor iets anders -geschapen had, als om in een klooster haar leven voort te slepen. -</p> -<p>De verschijning van Edelhart, in de buitengewone omstandigheden, waarin hij zich aan -haar voorstelde, had haren voor elken indruk vatbaren geest verleid. In zijne tegenwoordigheid -voelde zij zich haars ondanks bewogen. Onbewust had haar hart het hart ontmoet, dat -het zocht. Teeder en zwak als zij was, had zij behoefte aan dien krachtigen man, met -dien doordringenden blik, met dien leeuwenmoed, met dien ijzeren wil, om haar staande -te houden in het leven, en om haar onder zijne machtige bescherming te nemen. -</p> -<p>Ook had zij zich van het eerste oogenblik af aan met onbeschrijfelijk zoet gevoel -langs de helling, die haar naar Edelhart voerde, laten afglijden, en de liefde had -zich in hare ziel gevestigd, eer zij het wist, en eer zij op tegenstand bedacht was. -De laatste gebeurtenissen hadden met vernieuwde kracht dien hartstocht, die op den -bodem haars harten sluimerde, opgewekt. Nu, terwijl zij bij hem was, terwijl zij ieder -oogenblik uit den mond zijner moeder en van zijne vrienden zijn lof hoorde verkondigen, -was zij er toe gekomen om hare liefde te beschouwen als een deel uitmakende van haar -bestaan; zij begreep niet, hoe zij zóólang had kunnen leven, zonder dien man te beminnen, -dien zij van hare geboorte af scheen gekend te hebben. -</p> -<p>Zij leefde slechts voor hem en door hem, gelukkig als zij een blik of een glimlach -van hem kon opvangen, vroolijk als zij hem zag, treurig als hij lang wegbleef. -</p> -<p>Edelhart was langs een gansch anderen weg tot hetzelfde einddoel gekomen. Opgevoed -in de prairiën, om zoo te zeggen, van aangezicht tot aangezicht tegenover God, dien -hij zich gewend had te vereeren in de grootsche werken, die hij altijd voor oogen -had, hadden de verhevene natuurtafereelen, de gedurige worstelingen met de Indianen -<span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>of met de wilde dieren, zijnen geest zoowel als zijn lichaam buitengemeen ontwikkeld. -Evenals hij door zijne spierkracht en zijne behendigheid in het hanteeren der wapenen -alle hinderpalen, die hem in den weg stonden, wist te overwinnen, was hij ook door -den rijkdom zijner denkbeelden en door de fijnheid van zijn gevoel, in staat om alle -dingen te begrijpen. Niets wat goed en groot was, was hem onbekend. Gelijk meestal -het geval is met zulke uitgelezen karakters, wanneer zij reeds vroeg met tegenspoed -te worstelen hebben, en zonder andere verdedigers als zich zelven aan de vreeselijkste -omstandigheden des levens zijn blootgesteld, had ook zijne ziel zich op buitengewone -wijze ontwikkeld, maar tevens een zonderlinge naïveteit bewaard met betrekking tot -zekere gevoelens, die hem altijd onbekend waren gebleven, en die hem, uit hoofde van -zijne levenswijze, eeuwig onbekend zouden gebleven zijn, zoo niet een toeval hem te -hulp ware gekomen. De dagelijksche behoeften van het veelbewogen en onzekere leven, -dat hij leidde, hadden in hem de kiem van den hartstocht onderdrukt, zijne eenzaamheid -had hem onbewust tot een meer beschouwend leven gevoerd. -</p> -<p>Daar hij geen andere vrouwen kende als zijne moeder, want de Indiaansche vrouwen hadden -hem nooit iets anders als afkeer ingeboezemd, was hij zes en dertig jaren oud geworden, -zonder aan liefde te denken, zonder te weten wat het was, en, wat meer zegt, zonder -zelfs ooit dat veelbeteekenend woord, dat de bron is van zooveel verhevene opofferingen -en van zooveel verschrikkelijke misdaden, te hebben hooren uitspreken. Als na een -lange dagreize door bosschen en langs rotsachtige wegen, na een vermoeiende beverjacht, -van vijftien tot zestien uren, Edelhart en Goedsmoeds zich in de prairie bij het wachtvuur -vereenigden, liep hun gesprek natuurlijk over niets anders als over de gebeurtenissen -van den dag. Zoo gingen er weken, maanden, jaren voorbij, zonder dat er eenige verandering -in zijn toestand kwam, behalve dat zich een onbestemd gevoel van hem meester maakte, -een verlangen naar hij wist niet wat, een ongerustheid waarvan hij de oorzaak niet -kende, die hem langzaam ondermijnde, zonder dat hij er zich rekenschap van geven kon. -</p> -<p>Want de natuur heeft hare onverbiddelijke rechten, waaraan ieder, willens of onwillens, -in welken toestand hij zich ook bevinde, zich moet onderwerpen. -</p> -<p>Toen dan ook het toeval hem met <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz in aanraking bracht, vloog zijn hart tot haar met hetzelfde gevoel van natuurlijke -en onweerstaanbare aanhankelijkheid en eenstemmigheid, dat ook het meisje beheerschte. -Zelf verbaasd over die plotselinge belangstelling voor eene vreemde, welke hij waarschijnlijk -nooit weder zou zien, werd hij bijna wrevelig over dat in hem opkomend gevoel, en -openbaarde hij in zijn omgang met haar eene gedwongenheid, die niet in zijn karakter -lag. Evenals alle groote geesten, die steeds allen zonder tegenstand voor zich hebben -zien buigen, hinderde hem het bewustzijn <span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span>van door een meisje beheerscht te worden, en onder een invloed te staan, waaraan hij -zich reeds niet meer onttrekken kon. -</p> -<p>Doch toen hij na den brand der prairie het kamp der Mexicanen verliet, had hij, ondanks -zijn haastig vertrek, de herinnering der vreemde in zijn hart medegenomen. Dat beeld -was verder uitgewerkt door hare afwezigheid. Altijd meende hij in zijne ooren den -zoeten, welluidenden toon van hare stem te hooren ruischen; altijd, hetzij hij waakte, -hetzij hij sliep, stond zij voor hem, met een glimlach op de lippen, en met den blik -op hem geslagen. -</p> -<p>De strijd was zwaar om te strijden. Edelhart, niettegenstaande den hartstocht die -hem verteerde, wist welk een onoverkomelijke afstand hem van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz scheidde. Hoe zinneloos zijne liefde was, hoe onmogelijk hare bevrediging. Alle -tegenwerpingen, die in zulke gevallen slechts gemaakt kunnen worden, maakte hij, om -zich zelven het bewijs te leveren, dat hij een dwaas was. -</p> -<p>Vervolgens, toen hij er in geslaagd was om zich zelven te overtuigen, dat er tusschen -hem en haar, die hij liefhad, een diepe klove bestond, toen hij overwonnen was in -den vreeselijken strijd, dien hij met zich zelven had aangegaan, en alleen de hoop, -die den sterke nooit verlaat, hem misschien nog staande hield, was hij nog verre van -zijne nederlaag te willen erkennen of zich weerloos over te geven aan dien hartstocht, -die voortaan zijn eenig genot, zijn eenig geluk uitmaakte, en ging hij steeds voort -met hem in het geheim te bestrijden, medelijden hebbende met zich zelven om die duizend -kleine lafheden, die zijne liefde hem dagelijks deed begaan. -</p> -<p>Hij vermeed met eene standvastigheid, die het meisje zou hebben kunnen hinderen, elke -gelegenheid om haar te ontmoeten; als het toeval hem dwong zich met haar samen te -bevinden, werd hij stil en vervelend; op de vragen die zij tot hem richtte, antwoordde -hij slechts met moeite en met die onhandigheid, die meestal de eerstbeginnenden in -het vak der liefde kenmerkt; de eerste gelegenheid, die zich aanbood, nam hij waar, -om haar te verlaten. -</p> -<p>Het meisje volgde hem treurig met hare oogen, zuchtte in stilte, en voelde soms een -vochtige parel langs hare blozende wangen rollen, als zij dat afscheid zag, dat haar -een bewijs zijner onverschilligheid toescheen, en dat toch een gevolg was van zijne -liefde. Maar gedurende de weinige dagen, die er na de inneming van het kamp verloopen -waren, waren de jongelieden onbewust eene groote schrede vooruitgegaan, te meer daar -Edelharts moeder, met dien scherpen blik, welken alleen eene moeder bezit, zoo zij -waarlijk dien naam verdient, den hartstocht van haren zoon geraden, zijn inwendigen -strijd gezien, en zich zelve de geheime vertrouwde gemaakt had van die liefde, die -zij buiten hun weten wilde bevorderen en tot een gelukkig einde brengen, terwijl zij -beide voor zich zelven overtuigd waren, dat hunne liefde in de diepste diepte hunner -ziel begraven lag. -<span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span></p> -<p>Zoo stonden de zaken, twee dagen na dien, waarop de kapitein aan <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz zijn voorstel gedaan had. -</p> -<p>Edelhart scheen droeviger gestemd dan gewoonlijk; hij wandelde met groote schreden -in de grot op en neder, gaf met duidelijke teekenen zijn levendig ongeduld te kennen, -en wierp nu en dan onrustige blikken om zich heen. Eindelijk leunde hij zich tegen -een der wanden, liet zijn hoofd op zijne borst nederzinken en bleef in gedachten staan. -</p> -<p>Zoo stond hij een tijdlang, toen een zachte stem hem in het oor fluisterde: -</p> -<p>»Wat schort u toch, mijn zoon? van waar die droefheid, die uw gelaat bewolkt? Hebt -gij slechte tijding ontvangen?” -</p> -<p>Edelhart hief het hoofd op, als iemand die eensklaps wordt wakker gemaakt. Zijne moeder -en <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz stonden voor hem, arm in arm op elkander leunende. Hij wierp een treurigen blik -om zich heen, en antwoordde op doffen toon: -</p> -<p>»Helaas, moeder, morgen is het de laatste dag! ik heb nog niets kunnen bedenken, om -<span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz te redden, en haar haren oom terug te geven.” -</p> -<p>De twee vrouwen sidderden. -</p> -<p>»Morgen!” prevelde <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, »dat is waar, morgen moet die man komen.” -</p> -<p>»Wat zult gij doen, mijn zoon?” -</p> -<p>»Weet ik het, moeder?” antwoordde hij ongeduldig; »o, die man is sterker dan ik! hij -heeft al mijne plannen verijdeld! Tot heden toe is het ons onmogelijk geweest zijne -schuilplaats te ontdekken; al onze nasporingen hebben niet de minste vrucht opgeleverd.” -</p> -<p>»Edelhart,” zeide het meisje zachtjes, »zult gij mij dan aan de genade van dien bandiet -overgeven? Waarom hebt gij mij dan gered?” -</p> -<p>»O,” zeide de jager, »dat verwijt zal mij dooden!” -</p> -<p>»Ik verwijt u niets, Edelhart,” zeide zij levendig, »maar ik ben zoo ongelukkig. Als -ik blijf, dan ben ik oorzaak van den dood van den eenigen bloedverwant, dien ik ter -wereld bezit; als ik ga, ben ik onteerd.” -</p> -<p>»O, en niets te kunnen doen!” riep hij bewogen uit, »u te zien schreien, u ongelukkig -te weten, en niets te kunnen doen! O, om u een angst te besparen, zou ik gaarne mijn -leven willen opofferen! God alleen weet, hoe mijne onmacht mij ter neder drukt.” -</p> -<p>»Hoop, mijn zoon!” zeide de oude dame op een toon van overtuiging. »God is goed, hij -zal u niet verlaten.” -</p> -<p>»Hopen! wat zegt gij daar, moeder? Twee dagen lang hebben mijne vrienden en ik het -onmogelijke beproefd, maar alles te vergeefs. Hopen! en binnen weinige uren zal die -ellendeling zijn prooi komen opeischen! Ik wil liever sterven, dan zulk een misdaad -te zien volbrengen.” -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz zag hem met een zonderlinge uitdrukking aan; een droevige glimlach plooide hare -lippen, en hem zachtjes hare fijne <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>mollige hand op de schouders leggende, zeide zij met een welluidende stem: -</p> -<p>»Edelhart, bemint gij mij?” -</p> -<p>De jongeling sidderde; een rilling voer hem door de leden. -</p> -<p>»Waartoe die vraag?” vroeg hij bevend. -</p> -<p>»Antwoord mij, zonder aarzelen, en even vrij als ik het u vraag,” hernam zij: »het -oogenblik is plechtig, ik heb u een gunst te verzoeken.” -</p> -<p>»O, spreek, mevrouw! gij weet, dat ik u niets kan weigeren.” -</p> -<p>»Antwoord mij dan eerst,” hernam zij huiverend, »bemint gij mij?” -</p> -<p>»Zoo u te beminnen, mevrouw, hetzelfde is als zijn leven voor u te willen opofferen; -zoo u te beminnen hetzelfde is als de grootste marteling te ondergaan, wanneer ik -een traan op uwe wangen zie biggelen; zoo u te beminnen hetzelfde is als den moed -te hebben, om u morgen het offer te laten volbrengen, dat uw oom redden zal, ja, mevrouw, -dan bemin ik u met al de liefde mijner ziel! spreek dus, spreek onbevreesd, wat gij -mij vragen zult, ik zal het met vreugde doen.” -</p> -<p>»Goed, mijn vriend,” zeide zij; »ik reken op uw woord; morgen zal ik er u aan herinneren, -als die man komt; maar eerst moet mijn oom gered worden, al moest ik mijn leven opofferen. -Helaas! hij is mij tot een vader geweest, hij bemint mij als zijne dochter, om mijnentwil -is hij den bandieten in handen gevallen. O, zweer mij, Edelhart, dat gij hem verlossen -zult,” voegde zij er bij, met eene stem, die trilde van aandoening. -</p> -<p>Edelhart wilde juist antwoorden, toen Goedsmoeds en de Zwarte Eland de grot binnentraden. -</p> -<p>»Eindelijk!” riep hij uit, op hen toeschietende. -</p> -<p>De drie mannen bleven eenige oogenblikken met elkander staan fluisteren; vervolgens -kwam de jager in aller ijl bij de twee vrouwen terug, zijn gelaat schitterde van vreugd. -</p> -<p>»Gij hebt gelijk, moeder,” riep hij uit; »God is goed, hij verlaat niet wie op hem -vertrouwen. Nu ben ik het, die u zegt: hoop, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, weldra zal ik uw oom wedergeven!” -</p> -<p>»O,” juichte zij, »zou het mogelijk zijn?” -</p> -<p>»Hoop, zeg ik u! vaarwel moeder! bid God, dat hij mij helpe! meer dan ooit zal ik -zijne hulp van noode hebben.” -</p> -<p>Zonder meer te zeggen vloog hij de grot uit, door de meeste zijner makkers gevolgd. -</p> -<p>»Wat bedoelde hij toch?” prevelde <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz angstig. -</p> -<p>»Kom, mijne dochter,” antwoordde de oude dame treurig, »laat ons voor hem bidden.” -</p> -<p>Zij trok haar zachtjes mede, naar het afzonderlijk vertrek, dat zij bewoonden. -</p> -<p>Er bleven slechts tien mannen in de grot, om de vrouwen te verdedigen. -<span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch2.11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5709">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XI.</h2> -<h2 class="main">DE GEVANGENE.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toen de Roodhuiden en de jagers het kamp der Mexicanen veroverd hadden, hadden de -roovers, volgens den last van hunnen hoofdman, zich in alle richtingen verstrooid, -om des te gemakkelijker aan de nasporingen hunner vijanden te ontkomen. -</p> -<p>De kapitein en de vier mannen, die den generaal en zijn neger droegen, waren langs -de helling der rotsen naar beneden gegaan, op gevaar af van duizendmaal verbrijzeld -te worden en in de diepte te storten, die aan hunne voeten gaapte. Op zekeren afstand -gekomen, en gerust gesteld door de stilte, die om hen heen heerschte, en meer nog -door de ongehoorde moeielijkheden, die zij overwonnen hadden, om de plaats te bereiken, -waar zij zich bevonden, bleven zij stilstaan, om adem te scheppen. Een dikke duisternis -omgaf hen, boven hunne hoofden zagen zij, op een ontzaglijke hoogte, evenals zoovele -sterren de fakkels glinsteren van de jagers, die hen vervolgden, maar die het niet -waagden denzelfden weg te gaan, langs welken zij gekomen waren. -</p> -<p>»’t Gaat goed,” zeide de kapitein; »komt, kinderen, wij kunnen nu eenige oogenblikken -uitrusten. Wij hebben voor het tegenwoordige niets te vreezen; legt uwe gevangenen -hier neder, en dat twee uwer de omstreken gaan verkennen.” -</p> -<p>Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht; eenige minuten later kwamen de beide bandieten -zeggen, dat zij een hol hadden ontdekt, dat hun voorloopig tot schuilplaats kon verstrekken. -</p> -<p>»Duivels!” zeide de kapitein, »laat ons daar heen gaan;” en zelf het voorbeeld gevende, -stond hij op, en verwijderde zich, gevolgd door de anderen. -</p> -<p>Zij kwamen weldra aan eene grot, die vrij ruim scheen te zijn, en die maar weinige -voeten lager was dan de plaats, waar zij zich in ’t eerst hadden nedergezet. -</p> -<p>Toen zij zich hier in veiligheid gesteld hadden, was het de eerste zorg van den kapitein -om den ingang er van met behulp van een deken geheel dicht te sluiten, hetgeen niet -moeielijk viel, daar de ingang vrij nauw was, zoodat de bandieten hadden moeten bukken, -om er in te komen. -</p> -<p>»Daar,” zeide de kapitein, »zijn wij nu thuis; hier behoeven wij niet bang te zijn, -dat een onbescheiden oog ons bespieden zal.” En een vuursteen uit zijn zak halende, -stak hij eene toorts van kaarshout aan, die hij tot dat einde de voorzichtigheid gehad -had van mede te nemen. Zoodra zij de voorwerpen om hen heen konden onderscheiden, -slaakten de bandieten een kreet van vreugde. Wat in de duisternis slechts een eenvoudig -hol scheen te zijn, was een <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>natuurlijke onderaardsche grot, gelijk er in deze gewesten velen voorkomen. -</p> -<p>»Wel zoo!” zeide de kapitein, »laat ons eens zien waar wij zijn; blijft daar, gij -allen, houdt een waakzaam oog over de gevangenen, ik ga ons nieuw grondgebied verkennen.” -</p> -<p>Na een tweede toorts aangestoken te hebben, onderzocht hij de grot. Met een zachte -helling liep zij onder den berg door; de wanden waren overal vrij hoog, en de ruimte -daartusschen meestal breed genoeg om ruime zalen te vormen. Door onzichtbare spleten -moest zij van buiten versche lucht ontvangen, want het licht brandde zonder moeite, -en de kapitein haalde er zeer gemakkelijk adem. Hoe verder hij voortging, des te frisscher -werd de lucht, hetgeen hem deed gissen, dat hij zich nabij een anderen uitgang bevond. -Zoo liep hij reeds twintig minuten, toen eene windvlaag, die hem in het aangezicht -sloeg, zijn toorts deed opflikkeren. -</p> -<p>»Hm!” mompelde hij, »ziedaar een uitgang; laat ons voorzichtig zijn; ik zal het licht -uitdoen, men kan nooit weten, wat men daar buiten tegenkomt.” -</p> -<p>Hij trapte zijne toorts uit, en bleef eenige oogenblikken stil staan, om aan zijne -oogen den tijd te geven zich aan de duisternis te gewennen. Hij was een voorzichtig -man, en zijn vak van bandietenhoofdman volkomen meester; zoo het plan, dat hij gevormd -had, om het kamp aan te vallen, schipbreuk geleden had, was dit slechts het gevolg -van een samenloop van omstandigheden, die hij onmogelijk had kunnen voorzien. Toen -dan ook de eerste booze bui over de ontvangen nederlaag was overgewaaid had hij terstond -zijne partij gekozen, terwijl hij zich het genoegen voorbehield, om zich bij de eerste -gelegenheid de beste te wreken. De fortuin scheen hem overigens op nieuw toe te lachen, -daar zij hem, juist toen hij er de meeste behoefte aan had, een bijna ondoordringbare -schuilplaats aanbood. -</p> -<p>Blijde en vol hoop wachtte hij dus tot zijne oogen zich aan de duisternis hadden gewend, -en hem vergunden de voorwerpen te onderscheiden, om te weten of hij werkelijk een -uitgang zou vinden, die hem meester zou maken van eene bijna onoverwinnelijke sterkte. -</p> -<p>Hij bedroog zich niet in zijne verwachting. Zoodra de vlam opgehouden had hem te verblinden, -bemerkte hij op vrij grooten afstand vóór zich uit een flauw schijnsel. Hij liep moedig -voort; na eenige minuten kwam hij aan den zoo zeer begeerden uitgang. -</p> -<p>Deze uitgang bevond zich bij den oever eener kleine rivier, waarvan het water onder -het gewelf der grot dood liep, zoodat de bandieten slechts te water behoefden te gaan -om haar te ontruimen, zonder eenig spoor achter te laten, en alzoo elke nasporing -vruchteloos konden maken. -</p> -<p>De kapitein kende de prairiën van het Westen, waarin hij sedert bijna tien jaren zijn -eerloos en winstgevend beroep uitoefende, te <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>goed, om zich niet gemakkelijk te oriënteren, en binnen een oogenblik te weten, waar -hij zich bevond. Hij zag dat deze rivier vrij ver verwijderd was van het kamp der -Mexicanen, welke afstand nog vergroot werd door hare tallooze kronkelingen. Hij slaakte -een kreet van zelfvoldoening, en toen hij goed wist waar hij zich bevond, en niet -meer vreesde ontdekt te zullen worden, stak hij zijn toorts weder aan, en keerde langs -denzelfden weg, dien hij gekomen was, terug. -</p> -<p>Zijne makkers waren in slaap gevallen, met uitzondering van één, die de gevangenen -bewaakte. De kapitein wekte hen. -</p> -<p>»Komt,” zeide hij, »het is nu geen tijd van slapen; wij hebben wel wat anders te doen.” -De bandieten stonden met weêrzin op, wreven de oogen uit, en gaapten alsof zij zich -de kakebeenen wilden verrekken. -</p> -<p>De kapitein liet hen eerst de opening, die hun toegang verleend had, zorgvuldig dichtstoppen, -en gaf toen bevel, dat zij met de gevangenen, wier beenen men had losgemaakt, opdat -zij zouden kunnen loopen, hem onmiddellijk volgen zouden. -</p> -<p>Zij hielden halt in een der vele zalen, die de kapitein op zijn weg ontmoet had; een -hunner werd op post gesteld, om de gevangenen, die hier achtergelaten werden, te bewaken; -de anderen drongen met den kapitein verder in de grot door. -</p> -<p>»Gij ziet,” zeide hij tot hen, terwijl hij hun den uitgang wees, »dat ons onheil toch -ergens goed voor was, daar het ons toevallig eene wijkplaats heeft doen vinden, waar -niemand ons zal komen zoeken. Gij, Frank, moet terstond naar de vereenigingsplaats, -die ik aan uwe kameraden had aangewezen; breng hen hierheen, zoowel als diegenen der -onzen, die aan den tocht geen deel genomen hebben. Wat u betreft, Antonio, gij moet -ons levensmiddelen verschaffen; gij kunt wel te zamen gaan. Ik behoef u niet te zeggen, -dat ik uwe terugkomst met ongeduld afwacht.” -</p> -<p>De beide bandieten wierpen zich zonder spreken in de rivier en waren spoedig verdwenen. -</p> -<p>Toen zich tot den overblijvende wendende, zeide hij: -</p> -<p>»Wat ons betreft, Gonzalez, laten wij wat hout bijeenrapen, om vuur aan te leggen, -en bladeren om bedden van te maken; kom, aan ’t werk, aan ’t werk!” -</p> -<p>Een uur later flikkerde er een helder vuur in de grot en sliepen de bandieten, op -hunne mollige bedden van drooge bladeren een gerusten slaap. Met zonsopgang kwam het -overige gedeelte der bende aan. Zij waren nog dertig in getal! De kapitein voelde -zijn hart zwellen, toen hij zag over welk eene rijke verzameling van schurken hij -nog te beschikken had. Met hen wanhoopte hij niet zijne zaken in orde te zullen brengen, -en weldra eene schitterende wraak te nemen! -</p> -<p>Na een overvloedig ontbijt van wildbraad met mezcal, dacht de <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>kapitein er eindelijk aan, om zich eens met zijne gevangenen te gaan bemoeien. Hij -begaf zich naar de zaal, die hun tot gevangenis diende. -</p> -<p>Sedert hij den bandieten in handen gevallen was, had de generaal het stilzwijgen bewaard, -en was hij oogenschijnlijk ongevoelig gebleven voor de slechte behandeling, waaraan -hij bloot stond. De wonden, die hij ontvangen had, waren geheel verwaarloosd; zij -waren ontstoken, en deden hem ontzettend veel pijn, maar hij liet geen klacht hooren. -Een knagend verdriet verteerde hem, zoolang hij gevangen was; hij zag voor altijd -het plan, dat hem in de prairiën gebracht had, in duigen gevallen, zonder hoop om -het ooit ten uitvoer te zullen kunnen brengen. Het eenige dat hem eene lichte vertroosting -aanbood, was de zekerheid, dat het zijne nicht gelukt was om te ontsnappen. Maar wat -was er van haar geworden in deze wildernis, waar men slechts wilde dieren tegenkomt, -en Indianen, die nog woester zijn dan wilde dieren? Hoe zou een meisje, dat aan alle -gemakken des levens gewoon was, de wisselingen kunnen doorstaan van een leven vol -van ontberingen? Dit denkbeeld verdubbelde zijn lijden. -</p> -<p>De kapitein was verschrikt over den toestand, waarin hij hem vond. -</p> -<p>»Kom, generaal,” zeide hij, »schep moed, voor den duivel! De kansen verkeeren vaak, -daar weet ik van meê te praten. <i>Caraï</i>, men moet niet wanhopen, niemand kan weten, wat de dag van morgen voor hem heeft -weggelegd! Geef mij uw woord van eer, dat gij niet zult pogen te ontsnappen, en ik -maak oogenblikkelijk uwe banden los.” -</p> -<p>»Dat woord kan ik u niet geven,” antwoordde de generaal, »ik zou een valschen eed -doen, ik zweer u integendeel, dat ik al het mogelijke in het werk zal stellen om te -ontkomen.” -</p> -<p>»Bravo! goed geantwoord,” zeide de roover lachend; »in uwe plaats zou ik hetzelfde -zeggen; maar ik geloof dat het u op dit oogenblik, met den besten wil van de wereld, -onmogelijk zou zijn, om een stap te doen; daarom, ondanks al wat gij zegt, zal ik -u en uwen bediende de vrijheid geven, gij moogt er mede doen, wat gij wilt.” -</p> -<p>En hij sneed de touwen door, waarmede de armen van den generaal gebonden waren; vervolgens -bewees hij dezelfde dienst aan den neger Jupiter. -</p> -<p>Deze, zoodra hij zich vrij gevoelde, begon te springen en te lachen, en vertoonde -twee rijen groote schitterende tanden. -</p> -<p>»Kom, houd u stil, vagebond,” zeide de roover; »gij moet hier bedaard zijn, als gij -niet wilt dat ik u een kogel door den kop jaag.” -</p> -<p>»Ik zal niet weggaan zonder mijn meester,” antwoordde Jupiter, een paar groote oogen -opzettende. -</p> -<p>»Akkoord, zwarte nikker!” hernam de roover; »dat blijft afgesproken; die zelfverloochening -doet u eer aan.” -</p> -<p>En zich weder tot den generaal wendende, bette de kapitein diens wonden met koud water, -en verbond hem met de meeste zorg; vervolgens aan de gevangenen spijzen voorgezet -hebbende, aan welke de neger alleen de noodige eer bewees, verwijderde hij zich omstreeks -<span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span>den middag, en verzamelde de voornaamsten der bende om zich heen. -</p> -<p>»<i lang="es">Caballeros!</i>” zeide hij, »wij kunnen het niet ontkennen; wij hebben de eerste partij verloren: -de gevangenen, die wij hebben veroverd, kunnen onmogelijk onze kosten goed maken; -wij mogen niet in een nederlaag berusten, die ons onteert en belachelijk maakt. Ik -ga een tweeden aanval ondernemen; zoo mij die niet gelukt, zal het slecht met mij -afloopen; houdt een waakzaam oog over de gevangenen, terwijl ik afwezig ben. Let vooral -op hetgeen ik u nu ga zeggen: zoo ik morgen te middernacht niet heelhuids onder u -ben weêrgekeerd, morgen om vijftien minuten over twaalven, schiet dan de beide gevangenen -zonder genade dood; gij hebt mij begrepen, niet waar? zonder genade.” -</p> -<p>»Wees gerust, kapitein,” antwoordde Frank in aller naam, »gij kunt gaan, uwe bevelen -zullen worden ten uitvoer gebracht.” -</p> -<p>»Daar reken ik op; maar schiet hen vooral geen minuut vroeger of later dood.” -</p> -<p>»Precies op het uur.” -</p> -<p>»Dat is afgesproken; nu, vaart wel; wordt niet al te ongeduldig, als gij mij niet -spoedig terugziet.” -</p> -<p>En de kapitein verliet de grot, om zich naar Edelhart te begeven. -</p> -<p>Wij hebben reeds gezien wat de bandiet bij den jager was gaan doen. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch2.12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5720">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XII.</h2> -<h2 class="main">DE KRIJGSLIST.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Na het zonderlinge voorstel, dat hij aan de jagers gedaan had, was de rooverhoofdman -in allerijl naar zijne schuilplaats teruggekeerd. -</p> -<p>Maar hij was al te zeer aan het leven der prairiën gewoon, om niet te weten, dat verscheidene -zijner vijanden van verre zijn spoor zouden volgen. Ook bracht hij om hen te misleiden -alle listen in praktijk, die zijn vindingrijke geest hem aanbood, door tallooze omwegen -te maken, gedurig op zijne schreden terug te keeren, en gelijk men zegt, tien schreden -achteruit te loopen, om er een vóóruit te komen. Deze vele voorzorgen hadden zijn -loop zeer vertraagd. Aan de oevers der rivier gekomen, wier golven den ingang der -grot bespoelden, wierp hij een laatsten blik om zich heen, om zich te verzekeren dat -geen onbescheiden oog zijne bewegingen gadesloeg. Alles was stil; niets wekte zijn -argwaan op, hij maakte zich gereed om een vlot, dat onder <span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>de struiken verscholen was, te water te brengen, toen een licht gedruisch zijne aandacht -trok. -</p> -<p>De roover sidderde, greep naar een pistool, laadde het en ging moedig af op de plek, -van waar het gedruisch kwam. Hij zag een man, bezig om met een kleine spade eenige -kruiden en planten uit den grond te rukken. Hij glimlachte, en borg zijn pistool wederom -in den gordel. Hij had den dokter herkend, die zich met hartstochtelijken ijver aan -zijne lievelingstudie overgaf. -</p> -<p>Deze, van zijn kant, had hem niet opgemerkt. -</p> -<p>Na hem een oogenblik minachtend te hebben aangezien, keerde de roover hem den rug -toe, tot hem eene gedachte inviel, die hem weder bewoog, den dokter te naderen; hij -klopte hem thans vrij onzacht op den schouder. Bij deze ruwe aanraking richtte de -dokter zich verschrikt op, en liet van angst zijne spade en al zijne planten vallen. -</p> -<p>»Hola, mijn brave,” zeide de kapitein spottend, »welk eene razernij bezielt u toch, -om altijd kruiden te zoeken, op ieder uur van den dag en van den nacht.” -</p> -<p>»Hoe?” antwoordde de geleerde; »wat bedoelt gij?” -</p> -<p>»Wel, dat is eenvoudig genoeg; weet gij dan niet dat het bijna middernacht is?” -</p> -<p>»Dat is waar,” antwoordde de geleerde onnoozel, »maar de maan schijnt zoo mooi!…” -</p> -<p>»Dat gij haar voor de zon hebt aangezien!” viel de roover hem lachend in de reden; -»maar,” ging hij voort, eensklaps ernstig wordende, »dat is thans de vraag niet; ik -heb mij laten wijsmaken, dat gij, ofschoon half krankzinnig, een vrij goed geneesheer -zijt.” -</p> -<p>»Ik heb er examen voor afgelegd, mijnheer,” antwoordde de dokter, die zich beleedigd -gevoelde. -</p> -<p>»Heel goed, gij zijt de man, dien ik noodig heb.” -</p> -<p>De dokter boog zich tegen wil en dank; het was duidelijk dat het hem maar half genoegen -deed. -</p> -<p>»Wat verlangt gij?” vroeg hij; »zijt gij ziek?” -</p> -<p>»Ik niet, Goddank! maar een uwer vrienden, die op dit oogenblik mijn gevangene is; -gij zult dus wel zoo goed zijn mij te willen volgen.” -</p> -<p>»Maar?…” wilde de dokter hem tegenwerpen. -</p> -<p>»Geen maren; volg mij, zoo gij niet wilt dat ik u de hersens insla; voor het overige -kunt gij gerust zijn, geen leed zal u overkomen; mijne lieden zullen u al den eerbied -bewijzen, waarop de wetenschap aanspraak heeft.” -</p> -<p>Ofschoon alle tegenstand onmogelijk was, koos toch de weerlooze man zijne partij zoo -goedschiks, dat er een oogenblik zelfs een glimlach op zijne lippen zweefde, die den -roover, zoo deze het gezien had, wel tot nadenken had kunnen brengen. -</p> -<p>De kapitein liet den dokter vóór zich uitgaan, en beiden haastten zich naar de rivier. -<span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span></p> -<p>Op het oogenblik, dat zij de plek verlieten, waar hun onderhoud had plaats gehad, -werden de takken van een kreupelboschje zorgvuldig uiteen geschoven, er kwam een geschoren -hoofd uit te voorschijn, op welks kruin slechts een enkele lange haarvlecht met een -veder er in was gespaard gebleven, vervolgens een bovenlijf, en toen een geheel mensch, -die als een jaguar opsprong om hem te volgen. -</p> -<p>Het was de Arendskop. Hij was nu stilzwijgend getuige van de inscheping der beide -blanken, zag hen in de grot gaan, verdween toen op zijne beurt in het woud, en mompelde -zachtjes: -</p> -<p>»<i>Oah!</i> (goed!)” in de taal der Comanchen de uitdrukking der hoogste vreugde. -</p> -<p>De dokter had enkel tot lokaas gediend om den roover te misleiden, en hem in den strik -te doen vallen, die voor hem gespannen was. Had nu de dokter eene overeenkomst gesloten -met den Arendskop? Dat zullen wij weldra hooren. -</p> -<p>Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag, liet de roover een algemeene verkenning -doen in den omtrek van de grot. Er was geen spoor te zien. De kapitein wreef zich -de handen; zijne onderneming was dubbel geslaagd, daar hij de grot bereikt had, zonder -achtervolgd te worden. -</p> -<p>Overtuigd dat hij niets te vreezen had, wilde hij niet zooveel manschappen werkeloos -bij zich houden; hij stelde derhalve zijne bende voorloopig onder bevel van Frank, -een ouden afgeleefden bandiet, in wien hij volkomen vertrouwen stelde, hield zelf -slechts tien man bij zich en zond de rest weg. Van hoeveel belang de zaak ook zijn -mocht, die hij thans onder handen had, wilde hij toch zijne overige bezigheden niet -verwaarloozen, noch het brood der luiheid schenken aan een twintigtal bandieten, die, -evenals hij, niets te doen hadden, en hem ieder oogenblik een slechten trek konden -spelen. Men ziet, de kapitein was niet slechts een verstandig man, maar hij kende -en doorgrondde ook zijne eerbiedwaardige bondgenooten. -</p> -<p>Toen de roovers de grot verlaten hadden, gaf de kapitein aan den dokter een teeken -om hem te volgen, en bracht hem bij den generaal. Na hen met zijne gewone spottende -beleefdheid aan elkander te hebben voorgesteld, verwijderde de bandiet zich, en liet -hen alleen. Doch alvorens hij dit deed, haalde hij een pistool uit zijn gordel, en -het op de borst van den geleerde zettende, zeide hij: -</p> -<p>»Gij zijt wel is waar een halve gek, maar met dat al zoudt gij wel eenigen natuurlijken -aanleg kunnen bezitten, om mij te verraden, denk er dus aan, mijn brave heer, dat -ik u bij de minste dubbelzinnige beweging, die ik u zie maken, de hersenpan zal laten -springen; gij zijt gewaarschuwd, doe nu wat gij zult goedvinden.” -</p> -<p>Daarop zijn pistool weder in zijn gordel stekende, ging hij lachend weg. -</p> -<p>De dokter luisterde naar deze vermaning met een benauwd gezicht, doch niet zonder -dat een flauwe glimlach zijne lippen plooide; gelukkig werd dit door den kapitein -niet opgemerkt. -<span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span></p> -<p>De generaal zat met zijn neger Jupiter in eene zaal, die ver van den ingang verwijderd -was. Zij waren daar alleen. De kapitein had het niet noodig geacht hen van nabij te -bewaken. Beiden op een bed van droge bladeren gezeten, waren in diep nadenken verzonken. -Bij het zien van den geleerde, werd het somber gelaat van den generaal door een vluchtigen -lichtstraal van hoop verhelderd. -</p> -<p>»Gij daar, dokter?” zeide hij, hem de hand toereikende, die de ander stilzwijgend -drukte; »moet ik mij over uwe tegenwoordigheid verblijden of bedroeven<span class="corr" id="xd30e4793" title="Bron: .">?</span>” -</p> -<p>»Zijn wij alleen?” vroeg de dokter, zonder op de vraag van den generaal te antwoorden. -</p> -<p>»Ik geloof het wel,” zeide hij verwonderd; »in ieder geval is het niet moeielijk u -hieromtrent zekerheid te verschaffen.” -</p> -<p>De dokter tastte naar alle zijden rond, onderzocht nauwkeurig al de hoeken, en kwam -eindelijk bij de gevangenen terug. -</p> -<p>»Wij kunnen praten,” zeide hij. -</p> -<p>De geleerde was gewoonlijk zoo verdiept in zijne wetenschappelijke berekeningen, hij -was van natuur zoo afgetrokken, dat de gevangenen slechts weinig vertrouwen in hem -stelden. -</p> -<p>»En mijne nicht?” vroeg de generaal bezorgd. -</p> -<p>»Stel u gerust; zij is in veiligheid bij een jager, Edelhart genaamd, die den diepsten -eerbied voor haar koestert.” -</p> -<p>De generaal gevoelde zich verlicht, deze goede tijding gaf hem al zijn moed terug. -</p> -<p>»O,” zeide hij, »wat doet het er nu toe, of ik gevangen ben! nu mijne nicht gered -is, kan ik alles verdragen.” -</p> -<p>»Neen, neen!” zeide de dokter levendig, »gij moet, wat het ook kostte, vóór morgen -van hier ontvlucht zijn.” -</p> -<p>»Waarom?” -</p> -<p>»Antwoord mij eerst.” -</p> -<p>»Ik verlang niets liever.” -</p> -<p>»Uwe wonden schijnen mij nog al licht toe: zij zijn aan het genezen<span class="corr" id="xd30e4813" title="Niet in bron">.</span>” -</p> -<p>»Inderdaad!” -</p> -<p>»Meent gij in staat te zijn om te loopen<span class="corr" id="xd30e4818" title="Bron: .">?</span>” -</p> -<p>»O, ja!” -</p> -<p>»Ja, maar begrijp mij wel, ik bedoel om een lange reis te ondernemen?” -</p> -<p>»Nu, nu!” zeide de neger, die tot nog toe gezwegen had, »ben ik dan niet sterk genoeg, -om mijn meester te dragen, als hij niet meer loopen kan?” -</p> -<p>De dokter drukte hem de hand. -</p> -<p>»Dat is waar! Ter zake dus,” zeide de dokter; »gij moet van hier.” -</p> -<p>»Goed; maar hoe?” -</p> -<p>»Ja, hoe?” zeide de geleerde, zich tegen het voorhoofd slaande; <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>»hoe? dat weet ik niet. Maar wees gerust, ik zal wel een middel vinden.” -</p> -<p>Men hoorde voetstappen naderen; de kapitein kwam te voorschijn. -</p> -<p>»Welnu,” vroeg hij, »hoe gaat het met den zieke?” -</p> -<p>»Niet al te best,” antwoordde de dokter. -</p> -<p>»Kom, kom,” hernam de roover, »dat zal zich wel schikken; bovendien, de generaal zal -weldra vrij zijn, dan kan hij zich op zijn gemak laten verzorgen. Kom nu mede, dokter, -ik denk dat ik u thans lang genoeg met uw vriend heb laten praten.” -</p> -<p>De dokter volgde hem zonder te antwoorden, na den generaal met een laatste gebaar -tot voorzichtigheid te hebben aangespoord. -</p> -<p>De dag liep ongestoord ten einde. De gevangenen wachtten met ongeduld den nacht af; -huns ondanks was hun vertrouwen in den dokter hersteld: zij hoopten. Tegen den avond -keerde de waardige geleerde terug. Hij kwam op een fermen draf aanstappen, met een -gelaat dat van vreugde schitterde, en met eene toorts in de hand. -</p> -<p><span class="corr" id="xd30e4839" title="Niet in bron">»</span>Hé, dokter! wat is er dan toch?” vroeg de generaal; »gij ziet er zoo verheugd uit.” -</p> -<p>»Ik ben ook verheugd, generaal,” antwoordde hij glimlachend, »<span class="corr" id="xd30e4843" title="Bron: om dat">omdat</span> ik een middel gevonden heb, om u te laten ontsnappen en mijzelven ook, wel te verstaan!” -</p> -<p>»En dat middel is …” -</p> -<p>»Is reeds voor de helft ten uitvoer gebracht,” zeide hij met een klein droog lachje, -dat hem eigen was, als hij zich in zijn schik gevoelde. -</p> -<p>»Wat wilt gij daarmede zeggen?” -</p> -<p>»Wel, de zaak is heel eenvoudig, maar gij zult haar nooit raden; al de bandieten slapen; -wij zijn meester van de grot.” -</p> -<p>»Zou het mogelijk zijn? maar als zij eens wakker worden?” -</p> -<p>»O, wees daarvoor niet bang; zij zullen wakker worden? dat is zeker; maar niet alvorens -wij ten minste zes uur verder zijn.” -</p> -<p>»Hoe dat?” -</p> -<p>»Omdat ik zelf hun een slaapdrank ingeschonken heb; dat is te zeggen, bij hun avondmaal -heb ik hun een afkooksel van opium toegediend, dat hen, als looden blokken in elkaâr -heeft doen zakken, zoodat zij nu als ossen liggen te ronken.” -</p> -<p>»O, dat is onverbeterlijk!” riep de generaal uit. -</p> -<p>»Is het niet?” zeide de dokter zedig; »ja, ik heb het kwaad willen herstellen, dat -ik door mijne achteloosheid heb veroorzaakt! Ik ben geen soldaat, ik ben maar een -arm geneesheer; ik heb van <i>mijne</i> wapenen gebruik gemaakt; gij ziet dat zij soms even goed zijn als andere.” -</p> -<p>»Zij zijn honderdmaal beter! Dokter, gij zijt een aanbiddenswaardig man.” -</p> -<p>»Kom dan, maken wij voort! laat ons geen tijd verliezen.” -<span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span></p> -<p>»Ja, laat ons gaan! maar wat hebt gij met den kapitein gedaan?” -</p> -<p>»De kapitein? de duivel moge weten, waar hij is. Hij heeft ons dezen namiddag verlaten, -zonder iemand iets te zeggen; maar ik vermoed waar hij is, en als ik mij niet zeer -bedrieg, zullen wij hem weldra zien.” -</p> -<p>»Nu, alles gaat zoo goed als het maar kan, op weg!” -</p> -<p>De drie mannen begaven zich op marsch. Ondanks al de door den dokter genomen voorzorgen, -waren de generaal en de neger niet volkomen gerust. Zij kwamen aan de zaal, die den -bandieten tot slaapplaats verstrekte; deze lagen hier en daar verspreid. De vluchtelingen -gingen hen voorbij. -</p> -<p>Bij den ingang der grot komende, zagen zij op het oogenblik, dat zij het vlot losmaakten, -om de rivier over te steken, bij het bleeke licht der maan een ander vlot, met ongeveer -vijftien man beladen, langzaam op hen afkomen. De weg was hun alzoo afgesneden. Hoe -zouden zij aan zulk een groot aantal vijanden weêrstand bieden? -</p> -<p>»Helaas, helaas!” zuchtte de generaal wanhopig. -</p> -<p>»O,” zeide de dokter op jammerenden toon, »het was zulk een goed plan, en het had -mij zooveel moeite en arbeid gekost!” -</p> -<p>De vluchtelingen wierpen zich in eene hinderlaag van rotsen, ten einde niet opgemerkt -te worden, en met kloppende harten wachtten zij het ontschepen der aankomelingen af, -wier bewegingen hun hoe langer hoe meer argwaan begonnen in te boezemen<span class="corr" id="xd30e4874" title="Niet in bron">.</span> -</p> -</div> -</div> -<div id="ch2.13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5730">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XIII.</h2> -<h2 class="main">DE WET DER PRAIRIËN.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Vóór den ingang van de door Edelhart bewoonde grot was een vrij groote ruimte, waar -men het gras, de planten en de boomen had uitgeroeid, en die thans prijkte met honderd -vijftig à twee honderd hutten. De geheele stam der Comanchen lag op deze plaats gekampeerd. -</p> -<p>Tusschen de pelsjagers en de jagers en krijgslieden der Roodhuiden heerschte de beste -verstandhouding. -</p> -<p>In het midden van dit eensklaps verrezene dorp, waar de hutten van verschillend gekleurde -bisonhuiden met zekere gelijkmatigheid waren gerangschikt, stond eene tent, die, grooter -dan de anderen en met scalpen op lange staken bekroond, tot raadstent diende. -</p> -<p>Er heerschte eene groote levendigheid in het dorp. De Indiaansche krijgslieden hadden -zich beschilderd en ten strijde toegerust, alsof zij weldra een gevecht te gemoet -zagen. De jagers hadden hunne schoonste <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>kleederen aangetrokken en hunne wapens met de meeste zorg schoon gemaakt, alsof zij -ze weldra zouden noodig hebben. De paarden waren, geheel opgetuigd, aan de omheining -vastgebonden, zoodat zij terstond konden bereden worden. Men zag de Roodhuiden en -de jagers angstig heen en weder loopen. Op geregelde afstanden, iets dat onder de -Indianen volstrekt ongewoon is, waren schildwachten geplaatst, om de aankomst van -iederen vreemdeling te verwittigen. In één woord, alles deed vermoeden, dat er toebereidselen -werden gemaakt tot een dier plechtigheden, die in de prairie te huis behooren. -</p> -<p>Maar, wat vreemd was, Edelhart, de Arendskop, en de Zwarte Eland waren afwezig. -</p> -<p>Goedsmoeds hield een wakend oog over de toebereidselen, die men bezig was te maken, -nu en dan eenige woorden wisselende met het oude opperhoofd der Comanchen, <i lang="com">Eshis</i>,—de Zon.—Maar beider gelaat was ernstig, en hun voorhoofd gespannen; zij schenen -aan een levendigen angst ten prooi te zijn. Het was de dag dien de rooverkapitein -bepaald had voor de uitlevering van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz. Zou de kapitein durven komen? of was zijn voorstel slechts eene bedreiging, -om hun vrees aan te jagen? Zij, die den roover kenden, en de meesten kenden hem, want -bijna allen hadden van zijne strooptochten te lijden gehad, dachten het eerste. -</p> -<p>Die man, en het was de eenige goede hoedanigheid welke men hem toekende, was begaafd -met den moed van een leeuw, en met een wil als van ijzer. Als hij eens iets gezegd -had, deed hij het ook vast en zeker. En daarbij, wat had hij te vreezen, als hij nog -eens onder zijne vijanden kwam? had hij den generaal niet in zijne macht? den generaal, -die met zijn leven voor het zijne instond? men wist, dat hij niet zou aarzelen dezen -voor zijne eigene veiligheid op te offeren. -</p> -<p>Het was ongeveer acht ure in den morgen; de zon spreidde in schitterenden glans hare -gloeiende stralen uit over het tafereel, dat wij getracht hebben te beschrijven. <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz kwam uit de grot, leunende op den arm van Edelharts moeder en gevolgd door Nô -Eusébio. De beide vrouwen zagen er treurig en bleek uit; hare roode oogen toonden, -dat zij geweend hadden. Zoodra hij haar bemerkte, liep Goedsmoeds naar haar toe, en -groette haar. -</p> -<p>»Is mijn zoon nog niet terug?” vroeg de oude dame met een onrustigen blik. -</p> -<p>»Nog niet,” antwoordde de jager; »maar stel u gerust, mevrouw, hij kan niet lang meer -uitblijven.” -</p> -<p>»Goede God! ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat hij door eenig noodlottig -toeval teruggehouden wordt.” -</p> -<p>»Neen, mevrouw, dan zou ik het weten; toen ik hem dezen nacht verliet om u gerust -te stellen, en de bevelen, die hij mij gegeven heeft, ten uitvoer te brengen, bevond -hij zich in een uitmuntenden toestand; dus, geloof mij, wees gerust, en wanhoop niet.” -<span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span></p> -<p>»Helaas!” prevelde de arme vrouw, »ik leef gedurende twintig jaar in een voortdurende -spanning; elken avond ben ik in vrees, dat ik mijn zoon den volgenden dag niet weder -zal zien; o, mijn God, zult gij dan geen medelijden met mij hebben?” -</p> -<p>»Herstel u, mevrouw,” zeide <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz met aandoening, haar zachtjes omhelzende; »o! ik gevoel het hier, als Edelhart -op dit oogenblik gevaar loopt, dan is het om mijn oom te redden; o mijn God,” voegde -zij er met warmte bij, »geef dat het hem gelukken mag!” -</p> -<p>»Weldra, dames, zal alles zich ophelderen; verlaat u hierin op mij; gij weet, dat -ik u niet zou willen misleiden.” -</p> -<p>»Ja,” zeide de oude dame, »gij zijt goed, gij hebt mijn zoon lief, en gij zoudt niet -hier zijn, als er eenig gevaar voor hem bestond.” -</p> -<p>»Gij beoordeelt mij goed, mevrouw; ik dank u daarvoor; ik kan u thans nog niets zeggen, -maar ik bid u een weinig geduld te hebben; het zij u genoeg te weten, dat hij bezig -is, om de <span class="corr" id="xd30e4919" title="Bron: senora">señora</span> gelukkig te maken.” -</p> -<p>»O ja,” zeide de moeder; »hij is altijd even goed, altijd vol zelfopoffering?” -</p> -<p>»Men heeft hem ook Edelhart genoemd,” prevelde het meisje blozend. -</p> -<p>»Geen naam werd ooit beter verdiend, mevrouw,” zeide de jager met overtuiging; »men -moet lang met hem geleefd hebben, en hem kennen, gelijk ik hem ken, om hem goed te -waardeeren.” -</p> -<p>»Ik ben u op mijne beurt dankbaar, voor hetgeen gij van mijn zoon zegt, Goedsmoeds,” -antwoordde de oude dame, terwijl zij de harde hand van den jager drukte. -</p> -<p>»Ik zeg niet meer dan de waarheid, mevrouw; ik ben rechtvaardig, ziedaar alles. O, -het zou beter toegaan in de prairiën, als al de jagers hem geleken.” -</p> -<p>»Goede God, de tijd gaat voorbij; zal hij dan nooit komen?” mompelde zij, terwijl -zij met koortsachtig ongeduld om zich heen zag. -</p> -<p>»Weldra, mevrouw.” -</p> -<p>»Ik wil de eerste zijn om hem te zien en te groeten, als hij komt.” -</p> -<p>»Ongelukkig is dat onmogelijk.” -</p> -<p>»Waarom?” -</p> -<p>»Uw zoon heeft mij belast u en de <span class="corr" id="xd30e4935" title="Bron: senora">señora</span> te smeeken dat gij in de grot zult blijven; hij wilde niet, dat gij tegenwoordig -zoudt zijn, bij hetgeen hier zal plaats hebben.” -</p> -<p>»Maar,” zeide <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz angstig, »hoe weet ik dan, of mijn oom gered is?” -</p> -<p>»Wees gerust, <span class="corr" id="xd30e4945" title="Bron: senorita">señorita</span>, gij zult niet lang in de onzekerheid blijven; maar ik bid u, blijf niet langer hier; -ga naar binnen, ga naar binnen!” -</p> -<p>»Misschien zal het beter zijn,” merkte de oude dame aan; »laat ons gehoorzamen, liefste,” -voegde zij er glimlachend bij; »laten wij naar binnen gaan, wijl mijn zoon het verlangt.” -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz volgde haar zonder tegenstand te bieden, maar niet <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>zonder nu en dan een blik achter zich te werpen, in de hoop dat zij haren beminde -zou zien. -</p> -<p>»Hoe gelukkig moet het zijn, eene moeder te hebben!” mompelde Goedsmoeds, terwijl -hij een zucht onderdrukte, en met de oogen de beide vrouwen volgde, die in de schaduw -der grot verdween. -</p> -<p>Eensklaps lieten de Indiaansche schildwachten een alarmkreet hooren, die onmiddellijk -herhaald werd door den man, die voor de raadstent op post stond. Op dit teeken stonden -de hoofden der Comanchen op, en verlieten de hut, waarin zij vereenigd waren. De jagers -en de Indiaansche krijgslieden grepen naar de wapenen, schaarden zich aan beide zijden -van de grot en wachtten. Een stofwolk rolde met groote snelheid naar het kamp. De -wolk scheurde weldra van een, en deed een troep ruiters zichtbaar worden, die in volle -vaart kwamen aanrennen. Deze ruiters droegen voor het grootste gedeelte het kostuum -der Mexicaansche <i lang="es">gambusinos</i> (goudzoekers). Aan hun hoofd reed, op een prachtig gitzwart paard gezeten, een man, -dien allen terstond herkenden. Het was kapitein Ouaktehno, die stoutmoedig aan het -hoofd zijner bende de uitvoering kwam vragen van den hatelijken ruil, dien hij drie -dagen geleden had voorgesteld. -</p> -<p>Als in de prairiën twee benden elkander ontmoeten, of als krijgslieden of jagers een -dorp bezoeken, zijn zij meestal gewoon een soort van <i>fantasia</i> uit te voeren, door zich in lange rijen op elkander te werpen, onder het aanheffen -van een luid geschreeuw en het afschieten van geweren. -</p> -<p>Ditmaal gebeurde er niets van dat alles. -</p> -<p>De Comanchen en jagers bleven roerloos en zwijgend staan, en wachtten bedaard de aankomst -der roovers af. De droge en koele ontvangst verwonderde den kapitein niet; hoewel -zijne wenkbrauwen zich fronsten, veinsde hij toch er niets van te merken, en trad -moedig aan het hoofd zijner bende het dorp binnen. Toen zij voor de raadstent gekomen -waren en zich vlak voor de opperhoofden bevonden, bleven de twintig ruiters plotseling -staan; als waren zij op eens in bronzen standbeelden veranderd. Deze stoute beweging -werd met zulk eene groote behendigheid ten uitvoer gebracht, dat de jagers, die veel -verstand van rijden hadden, slechts met moeite een kreet van verrassing onderdrukten. -</p> -<p>Nauwelijks hadden de roovers halt gehouden, of de rijen der jagers en krijgslieden, -rechts en links van de hut geplaatst, openden zich als een waaier en sloten zich achter -hen. Door deze snel uitgevoerde beweging zagen de twintig roovers zich eensklaps door -een kring van meer dan vijfhonderd sterk gewapende mannen omsingeld. De kapitein werd -ongerust, het berouwde hem bijna gekomen te zijn; maar hij overwon deze onwillekeurige -aandoening, glimlachte met minachting, en hield zich overtuigd dat hij geen gevaar -te duchten had. -<span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span></p> -<p>Hij groette de voor hem geplaatste opperhoofden, en zich tot Goedsmoeds wendende, -vroeg hij op vasten toon: -</p> -<p>»Waar is het meisje?” -</p> -<p>»Ik weet niet wat gij bedoelt,” antwoordde de jager; »ik geloof niet dat er hier een -meisje is, waarop gij eenig recht hebt.” -</p> -<p>»Wat beteekent dat, en wat gaat er hier om?” mompelde de kapitein, een wantrouwenden -blik om zich heen werpende. »Is Edelhart het bezoek vergeten, dat ik hem voor drie -dagen gebracht heb?” -</p> -<p>»Edelhart vergeet nooit iets,” zeide Goedsmoeds, »maar met hem hebt gij nu niets te -maken; hoe hebt gij de vermetelheid gehad, om u aan het hoofd van een bende struikroovers -onder ons te vertoonen?” -</p> -<p>»Aha,” zeide de kapitein spottend, »ik zie gij wilt mij niet antwoorden; wat de bedreiging -aangaat, welke in het laatste gedeelte van uw volzin vervat is, daar bekommer ik mij -zeer weinig om.” -</p> -<p>»Gij hebt ongelijk, mijnheer, want daar gij de onvoorzichtigheid begaan hebt om u -zelven in onze handen te stellen, zullen wij toch niet zoo dom zijn, om u te laten -ontsnappen, daar kan ik u de verzekering van geven.” -</p> -<p>»Zoo, zoo!” zeide de roover; »maar welk spel spelen wij dan?” -</p> -<p>»Dat zult gij hooren, mijnheer.” -</p> -<p>»Ik wacht,” antwoordde de roover, een onderzoekenden blik om zich heen werpende. -</p> -<p>»In deze woestijnen, waar alle menschelijke wetten zwijgen,” hernam de jager met een -trillende stem, »mag de wet van God alleen gelden; die wet luidt, zooals gij weet: -oog om oog, tand om tand.” -</p> -<p>»Wat meer?” zeide de roover droog weg. -</p> -<p>»Sedert tien jaren,” vervolgde Goedsmoeds bedaard, »zijt gíj, aan het hoofd van eene -bende die recht noch wet kent, de schrik der prairiën geweest, en hebt gij zonder -onderscheid blanken en Roodhuiden geplunderd en gedood; want gij weet van geen wet -of geen vaderland; roof en diefstal zijn uwe eenigste wet; reizigers, bevervangers, -jagers, gambusinos of Indianen, gij verschoont niemand, als gij door moord en doodslag -een weinig goud kunt meester worden; het is nauwelijks eenige dagen geleden, dat gij -een kamp van vreedzame Mexicaansche reizigers bij verrassing genomen, en hen allen -zonder genade hebt omgebracht. Hieraan moet een einde gemaakt worden, en dat einde -is nu gekomen. Wij allen, Indianen en jagers, wij zijn hier vereenigd om u te veroordeelen -en de onveranderlijke wet der prairiën op u toe te passen.” -</p> -<p>»Oog om oog, tand om tand,” schreeuwden de omstanders, hunne wapenen schuddende. -</p> -<p>»Gij bedriegt u zeer, mijne heeren,” antwoordde de roover kalm, »als gij meent, dat -ik ongehinderd mijn hals aan het mes zal aanbieden, gelijk een kalf, dat men ter slachtbank -leidt; ik had een <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>voorgevoel van hetgeen er gebeuren zou, ziedaar waarom ik een zoo goed geleide heb. -Ik heb twintig wakkere mannen bij mij, die zich zullen weten te verdedigen; gij hebt -ons nog niet in uwe macht.” -</p> -<p>»Zie om u heen, en gij zult weten wat u te doen staat.” -</p> -<p>De roover sloeg de oogen achter zich; vijfhonderd geweren waren op zijne bende gericht. -</p> -<p>Eene rilling voer hem door de leden; eene doodelijke bleekheid overdekte zijn gelaat; -de roover begreep, dat hij in een gevaarlijken toestand verkeerde, maar na even te -hebben nagedacht, herkreeg hij al zijne koelbloedigheid, en zich tot den jager wendende, -antwoordde hij spottend: -</p> -<p>»Kom kom, waartoe die bedreigingen, die mij toch niet kunnen bang maken? gij weet -zeer goed, dat ik voor uwe lagen beveiligd ben. Gij hebt wèl gezegd, dat ik voor eenige -dagen Mexicaansche reizigers aangevallen heb, maar gij weet ook, dat de voornaamste -dier reizigers in mijne handen gevallen is. Waagt het, één haar van mijn hoofd te -krenken, en de generaal, de oom van dat meisje, dat gij te vergeefs aan mijne macht -ontrukken wilt, zal onmiddellijk met zijn leven den mij aangedanen hoon betalen. Gelooft -mij toch, mijne heeren, zoekt mij niet langer te verschrikken, geeft mij goedschiks -haar, die ik van u opeisch, of ik zweer u bij God, dat de generaal binnen een uur -zal hebben opgehouden te leven!” -</p> -<p>Eensklaps kwam er een man uit de menigte te voorschijn, die zich voor den roover plaatste. -</p> -<p>»Gij vergist u,” voegde hij hem toe, »de generaal is vrij.” -</p> -<p>Die man was Edelhart. -</p> -<p>Eene rilling van vreugde doorliep de rijen der jagers, een rilling van schrik die -der roovers. -</p> -</div> -</div> -<div id="ch2.14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5740">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XIV.</h2> -<h2 class="main">DE STRAF.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De generaal en zijne twee lotgenooten waren niet lang in het onzekere gebleven. Het -vlot was na lang aarzelen eindelijk aan land gekomen, en vijftien mannen wierpen zich -met geveld geweer, onder het aanheffen van een luid geschreeuw in de grot. De vluchtelingen -liepen verheugd op hen toe. Zij hadden aan het hoofd der aankomelingen Edelhart, het -opperhoofd der Comanchen en den Zwarten Eland herkend. -</p> -<p>Zie hier, hoe het zich had toegedragen. Zoodra de dokter met den kapitein de grot -binnengetreden was, had de Arendskop, overtuigd, dat hij de schuilplaats der roovers -ontdekt had, zich wederom bij zijne vrienden gevoegd, om hun den goeden uitslag van -zijne <span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span>krijgslist mede te deelen. Goedsmoeds werd naar Edelhart afgezonden, die zich dan -ook haastte om te komen; allen besloten eenstemmig om de bandieten in hun hol aan -te vallen, terwijl andere benden van jagers en Roodhuiden, in de prairie verspreid -en in de rotsen verborgen, de toegangen der grot zouden bewaken en de roovers beletten -om te ontsnappen. Wij hebben den afloop dezer onderneming gezien. -</p> -<p>Na het eerste oogenblik gansch en al aan de vreugde en aan de blijdschap gewijd te -hebben, waarschuwde de generaal zijne bevrijders, dat een tiental bandieten nog in -de grot lag te slapen, onder den invloed van den opium, dien de moedige dokter hun -had toegediend. De roovers werden stevig gekneveld en medegenomen; vervolgens riep -men de verschillende benden bijeen, en keerde men in allerijl naar het kamp terug. -</p> -<p>Groot was de verrassing van den kapitein bij den uitroep van Edelhart, maar deze verrassing -ging over in schrik, toen hij den generaal, dien hij <span class="corr" id="xd30e5011" title="Bron: zoowel">zoo wel</span> bewaakt dacht, zag te voorschijn komen. Hij begreep, dat al zijne maatregelen verijdeld, -al zijne listen vruchteloos gemaakt waren, en dat hij ditmaal onherstelbaar verloren -was. -</p> -<p>Het bloed steeg hem naar het hoofd, zijne oogen schoten bliksems, en zich tot Edelhart -wendende, zeide hij met eene heesche stem: -</p> -<p>»Niet slecht! maar, bij God, alles is nog niet gedaan tusschen ons; ik zal mij wreken!” -</p> -<p>Hij maakte eene beweging, om zijn paard naar voren te brengen. Maar Edelhart greep -het vastberaden bij den toom. -</p> -<p>»Wij hebben nog niet afgerekend,” zeide hij. -</p> -<p>De roover zag hem een oogenblik met vlammende oogen aan, terwijl hij met geweld zijn -paard aanspoorde, ten einde den jager te dwingen het los te laten. -</p> -<p>»Wat wilt gij dan nog meer?” zeide hij. -</p> -<p>Edelhart bleef met ijzeren vuist het paard vasthouden, dat woedend schuimbekte. -</p> -<p>»Gij zijt veroordeeld,” antwoordde hij; »men gaat de wet der prairiën op u toepassen.” -</p> -<p>De roover liet een vreeselijk gebrul hooren, en zijne pistolen uit den gordel rukkende, -riep hij: -</p> -<p>»Wee hem, die mij aanraakt! Laat mij door!” -</p> -<p>»Neen,” antwoordde de jager koelbloedig, »gij zijt in goede handen, vriendje; heden -zult gij het niet ontkomen.” -</p> -<p>»Naar den duivel dan!” riep de roover uit, een zijner pistolen op Edelhart richtende. -</p> -<p>Maar snel als een gedachte wierp Goedsmoeds, die angstig al zijne bewegingen volgde, -zich vóór zijn vriend met eene vlugheid, die de ernst van het oogenblik nog vertienvoudigde. -</p> -<p>Het schot ging af. De kogel trof den Canadees, die in zijn bloed badend nederviel. -<span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span></p> -<p>»<i>Een!</i>” schreeuwde de roover met een woesten lach. -</p> -<p>»<i>Twee!</i>” brulde de Arendskop, en met een sprong als van een tijger zat hij boven op het paard -van den roover. -</p> -<p>Eer de kapitein eene beweging maken kon, om zich te verdedigen, greep de Indiaan hem -met de linkerhand bij zijn lange haren, en trok met kracht zijn hoofd achterover. -</p> -<p>»Vervloekt!” riep de roover, die zich te vergeefs van zijn vijand trachtte te ontslaan. -</p> -<p>Toen gebeurde er iets, dat al de omstanders rillen deed. Het paard, door Edelhart -losgelaten, woedend over de ontvangene schokken en over het dubbel gewicht, dat hem -was opgelegd, schoot, dol van toorn, vooruit, in zijne toomlooze vaart alles verbrijzelend -en omverwerpend, wat hem den doorgang belette. Maar altijd sleepte hij, op zijn rug -vastgeklemd, de beide mannen mede, die worstelend elkander trachtten te dooden, en, -als twee slangen kronkelend, elkander dreigden te verstikken. -</p> -<p>De Arendskop had, gelijk wij zeiden, het hoofd van den roover achterover getrokken; -hij zette hem de knie in de lenden, liet zijn afgrijselijken oorlogskreet hooren, -en zwaaide met eene geduchte beweging zijn mes om het voorhoofd van zijn vijand. -</p> -<p>»Dood mij dan! ellendeling,” schreeuwde de roover, en met een forsche beweging, richtte -hij zijne linkerhand, die nog met een pistool gewapend was, op, maar de kogel verloor -zich in de ruimte. -</p> -<p>De hoofdman der Comanchen zag den kapitein strak aan. -</p> -<p>»Gij zijt een lafaard!” zeide hij met verachting, »en een <i>oude vrouw</i>, die bang is voor den dood!” -</p> -<p>En terwijl hij den bandiet met zijn knie naar omlaag drukte, duwde hij hem het mes -in den schedel. De kapitein slaakte een hartverscheurenden kreet, die zich vermengde -met het gebrul en gejuich van den hoofdman. Het paard liep tegen een boom, en viel: -de beide vijanden rolden op den grond. Slechts één van hen stond weder op. -</p> -<p>Dat was de Comanchen-hoofdman, die de bloedige scalp van den roover rondzwaaide. -</p> -<p></p> -<div class="figure p192width"><img src="images/p192.jpg" alt="Dat was de Comanchen-hoofdman die de bloedige scalp van den roover rondzwaaide, blz. 192." width="720" height="499"><p class="figureHead">Dat was de Comanchen-hoofdman die de bloedige <span class="corr" id="xd30e5056" title="Bron: Scalp">scalp</span> van den roover rondzwaaide, blz. 192.</p> -</div><p> -</p> -<p>Ouaktehno was echter nog niet dood<span class="corr" id="xd30e5062" title="Niet in bron">.</span> Dol van woede en toorn, verblind door het bloed, dat hem van het hoofd stroomde, -stond hij op en wierp zich op zijn tegenpartij, die op zulk een aanval niet was voorbereid. -Met de armen om elkander geslagen, trachtten zij elkander omver te werpen en de messen, -waarmede zij gewapend waren, elkander in het lijf te stooten. Er sprongen verscheidene -jagers toe, om hen te scheiden. Toen zij aankwamen, was alles gedaan. De kapitein -lag op den grond, terwijl het mes van den Arendskop tot aan het heft in zijn hart -was doorgedrongen. -</p> -<p>De roovers door de jagers en Indianen, die hen omringden, in bedwang gehouden, zagen -van allen tegenstand af. Toen hij zijn kapitein had zien vallen, verklaarde Frank -uit aller naam, dat zij zich <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>overgaven. Op een teeken, door Edelhart gegeven, wierpen zij de wapens weg, en werden -zij gekneveld. -</p> -<p>Goedsmoeds, de dappere Canadees, wiens zelfopoffering zijn vriend het leven had gered, -had een ernstige wond ontvangen, maar die gelukkig niet doodelijk was. Men had zich -gehaast hem op te nemen en hem naar de grot te brengen, waar de moeder van den jager -hem verbond. -</p> -<p>De Arendskop naderde Edelhart, die peinzend en somber tegen een boom aanleunde. -</p> -<p>»De hoofden zijn om het vuur van den raad vereenigd,” zeide hij; »zij wachten naar -mijn broeder.” -</p> -<p>»Ik volg mijn broeder,” antwoordde de jager. -</p> -<p>Toen de beide mannen de hut binnentraden, waren al de hoofden reeds bijeen; onder -hen bevonden zich de generaal, de Zwarte Eland, en eenige andere pelsjagers. -</p> -<p>De calumet werd door den pijpdrager midden in den kring gebracht: hij maakte een eerbiedige -buiging naar de vier hoeken des hemels, en bood beurtelings aan iederen hoofdman het -lange roer aan. -</p> -<p>Toen de calumet rondgegaan was wierp de pijpdrager de asch in het vuur, en verwijderde -zich, eenige geheimzinnige woorden prevelend. -</p> -<p>Toen stond de Zon op, groette de leden van den raad, en zeide: -</p> -<p>»Hoofden en krijgslieden, luistert naar de woorden, die mijne borst blaast, en die -de Meester des levens in mijn hart gelegd heeft. Wat denkt gij te doen met de twintig -gevangenen die in uwe handen zijn? Zult gij hen loslaten, opdat zij hun leven van -roof en moord voortzetten? opdat zij uwe vrouwen wegnemen, uwe paarden stelen, en -uwe broeders dooden? Zult gij hen voeren naar de steenen dorpen van de groote blanke -mannen van het Westen? De weg is lang, met gevaren bezaaid, door bergen en snelle -stroomen afgewisseld; de gevangenen kunnen u gedurende deze reis ontvluchten, u in -uwen slaap overvallen en u dooden. En dan, gij weet het, krijgslieden, aan de steenen -dorpen aangekomen, zullen de lange messen hen loslaten; er is geen recht voor de roode -mannen. Neen, krijgslieden, de meester des levens, die eindelijk deze woeste mannen -in onze macht heeft overgeleverd, wil, dat zij sterven. Hij heeft aan hunne misdaden -paal en perk gesteld. Als wij een jaguar of een grijzen beer op onzen weg ontmoeten, -dan dooden wij hem; deze mannen zijn wreedaardiger dan de jaguars en de grijze beeren; -zij zijn rekenschap verschuldigd van het door hen vergoten bloed: oog om oog, tand -om tand. Dat zij dan aan den martelpaal gebonden worden. Ik werp een <i>turbô</i> (halssnoer) van roode wampums in den raad. Heb ik wel gesproken, machtige mannen?” -</p> -<p>Na deze woorden ging de hoofdman wederom zitten. Er volgde een oogenblik van plechtige -stilte. Het was duidelijk, dat al de omstanders het met hem eens waren. -</p> -<p>Edelhart wachtte eenige oogenblikken: hij zag dat niemand zich <span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span>gereed maakte, om op de rede van de Zon te antwoorden, toen stond hij op en nam het -woord: -</p> -<p>»Hoofden en krijgslieden der Comanchen, en gij, blanke jagers, mijne broeders,” zeide -hij met eene zachte en treurige stem, »de woorden van den eerwaardigen sachem zijn -billijk; ongelukkig vordert de veiligheid der prairiën den dood der gevangenen. Dit -uiterste is vreeselijk, maar wij zijn verplicht er ons aan te onderwerpen, zoo wij -in vrede de vruchten van onzen ruwen arbeid plukken willen. Maar zoo wij ons al genoodzaakt -zien, om de onveranderlijke wet der woestijn toe te passen, zoo laten we niet als -barbaren te werk gaan, straffen wij omdat het moet, maar straffen wij als edele menschen, -niet als wreedaards. Toonen wij aan deze bandieten, dat wij gerechtigheid uitoefenen, -dat, zoo wij hen dooden, wij het niet doen om ons zelven, maar om de geheele maatschappij -te wreken. Bovendien, hun hoofdman, de schuldigste onder hen, is gevallen onder de -slagen van den Arendskop; laten wij edelmoedig zijn, zonder op te houden rechtvaardig -te wezen. Laten wij aan hen de keuze van hunnen dood over. Geen nuttelooze foltering. -De Meester des levens zal ons toelachen, hij zal tevreden zijn over zijne roode kinderen, -en hun een goede jacht geven. Ik heb gezegd: heb ik wel gesproken, machtige mannen?”<a class="noteRef" id="xd30e5089src" href="#xd30e5089">1</a> -</p> -<p>De leden van den raad hadden aandachtig naar de woorden van den jongeling geluisterd. -De opperhoofden hadden welwillend geglimlacht om de edele gevoelens die hij uitdrukte, -want allen, Indianen zoowel als jagers, beminden en eerbiedigden hem. -</p> -<p>De Arendskop stond op<span class="corr" id="xd30e5095" title="Niet in bron">.</span> -</p> -<p>»Mijn broeder Edelhart heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne jaren zijn weinig -in getal, maar zijne wijsheid is groot. Wij zijn blijde eene gelegenheid gevonden -te hebben, om hem onze vriendschap te bewijzen; wij zullen die met geestdrift aangrijpen. -Wij zullen doen, wat hij verlangt.” -</p> -<p>»Ik dank u,” antwoordde Edelhart aangedaan, »ik dank u, mijne broeders; de natie der -Comanchen is eene groote en edele natie; ik heb haar lief; ik ben blijde door haar -te zijn aangenomen.” -</p> -<p>De raad werd opgeheven; de hoofden verlieten de hut. -</p> -<p>De gevangenen, in een groep bijeen geplaatst, werden streng bewaakt door eene afdeeling -krijgslieden. -</p> -<p>De roeper riep al de leden van den stam en de in het kamp verstrooide jagers te zamen. -</p> -<p>Toen allen vereenigd waren, nam de Arendskop het woord, en zich tot de roovers wendende, -zeide hij: -</p> -<p>»Honden van bleekmuilen! de raad der hoofden van de machtige natie der Comanchen, -wier uitgestrekte jachtgronden een groot deel <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>der aarde bedekken, heeft over uw lot beslist. Doel uw best om, na als wilde beesten -geleefd te hebben, nu niet te sterven als oude en vreesachtige vrouwen; weest dapper, -misschien zal dan de Meester des levens medelijden met u hebben en u na uwen dood -opnemen in de <i lang="com">eskennane</i>, die heerlijke woonplaats, waar in de eeuwigheid de dapperen mogen jagen, die hier -den dood in het aangezicht hebben gezien.” -</p> -<p>»Wij zijn gereed,” antwoordde Frank koelbloedig, »bind ons aan den paal, bedenk de -gruwelijkste folteringen, gij zult ons niet zien verbleeken.” -</p> -<p>»Onze broeder Edelhart,” ging de hoofdman voort, »is voor u tusschen beiden getreden. -Gij zult niet aan den paal gebonden worden, de hoofden laten aan u de keuze van uwen -dood.” -</p> -<p>Toen openbaarde zich de karaktertrek der blanken, die langen tijd in de prairie gewoond -en eindelijk de gewoonten hunner voorouders verzaakt hebben, om die der Indianen over -te nemen. -</p> -<p>Het voorstel, door den Arendskop gedaan, prikkelde den hoogmoed der roovers. -</p> -<p>»Met welk recht,” riep Frank, »treedt Edelhart voor ons tusschen beide? Denkt hij -dan, dat wij geen mannen zijn? dat folteringen in staat zullen zijn om ons ook maar -éen angstkreet of ééne ons onwaardige klacht te ontrukken? Neen, neen! men brenge -ons naar den martelpaal; welke pijn gij ons ook moogt aandoen, zij zal nooit zoo wreed -zijn als die, welke wij aan de krijgslieden van uwe natie zouden doen ondergaan, als -zij ons in handen vielen!” -</p> -<p>Bij deze hooghartige woorden voelden de Indianen hun toorn opwekken, terwijl de roovers -vreugde- en zegekreten deden hooren. -</p> -<p>»<i>Honden! Konijnen!</i>” riepen zij, »de Comanchen zijn <i>oude vrouwen</i>, wij zullen hun rokken aandoen.” -</p> -<p>Edelhart trad naar voren. De stilte werd hersteld. -</p> -<p>»Gij hebt de woorden van den hoofdman verkeerd begrepen,” zeide hij; »als wij u de -keuze van uwen dood laten, dan doen wij dat niet om u te beleedigen; het is een eerbewijs, -dat men u geeft; hier is mijn dolk, men zal u losmaken, hij ga van hand tot hand, -en hij doorbore achtereenvolgens uw aller borst! De man, die vrij, zonder aarzelen, -zich met één slag doodt, is dapperder dan hij, die, aan den martelpaal gebonden en -de pijn niet kunnende verdragen, zijn beul uitscheldt, ten einde des te eerder den -genadeslag te ontvangen.” -</p> -<p>Met ontzaggelijke toejuiching werden deze woorden van den jager beantwoord. -</p> -<p>De roovers zagen elkander een oogenblik besluiteloos aan, maar toen, als op een gegeven -kommando, maakten zij het teeken des kruises, en riepen als één man: -</p> -<p>»Wij nemen uw aanbod aan!” -</p> -<p>Die gansche menigte, een oogenblik te voren zoo bewegelijk en <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>druk, werd stil en kalm, onder den indruk van het vreeselijk treurspel, dat voor haar -zou worden gespeeld. -</p> -<p>»Maakt de gevangenen los,” beval Edelhart. -</p> -<p>Dit bevel werd onmiddellijk ten uitvoer gebracht. -</p> -<p>»Uw dolk!” zeide Frank. -</p> -<p>De jager gaf hem dien. -</p> -<p>»Ik dank u en vaarwel,” zeide de roover met een vaste stem, en zijne kleederen openende, -stak hij zich den dolk langzaam en glimlachend, als wilde hij den dood proeven, tot -aan het heft in de borst. -</p> -<p>Een bleeke loodkleur overdekte zijn gelaat, zijne oogen rolden in hunne kassen, hij -zag verward om zich heen, waggelde als een dronken mensch en tuimelde op den grond. -Hij was dood. -</p> -<p>»Nu ik!” zeide de roover, die naast hem stond, en hem den dolk nog rookend uit de -wonde rukkend, doorboorde hij er zich het hart mede. -</p> -<p>Hij viel op het lijk van den eerste. -</p> -<p>Na hem kwam een ander, toen weêr een ander, en zoo vervolgens; geen hunner aarzelde, -geen hunner toonde eenige zwakheid; allen vielen glimlachend en dankten Edelhart voor -den dood, dien zij aan hem verplicht waren. -</p> -<p>De omstanders waren als versteend over dit vreeselijk schouwspel; dronken als het -ware door den reuk van het bloed, stonden zij daar met gloeiende blikken, en met hijgende -borst, zonder hunne oogen van het afschuwelijk tooneel te kunnen afwenden. -</p> -<p>Weldra bleef er nog slechts één roover overig, deze staarde een oogenblik naar den -lijkenstapel die voor hem lag, trok toen den dolk uit de borst van zijn voorganger, -en zeide met een glimlach: -</p> -<p>»Men is wel gelukkig, als men in zulk een goed gezelschap mag sterven; maar, waar -duivel gaat men heen na den dood? Foei! wat ben ik dom, weldra zal ik het immers weten?” -</p> -<p>En snel als eene gedachte had hij zich doorboord. -</p> -<p>Hij viel dood neder. -</p> -<p>Deze vreeselijke slachting had geen kwartier uurs geduurd!<a class="noteRef" id="xd30e5150src" href="#xd30e5150">2</a> -</p> -<p>Geen der roovers had tweemaal gestooten; allen hadden zich met één slag gedood. -</p> -<p>»Aan mij dien dolk!” zeide de Arendskop, terwijl hij hem rookend uit het lillende -lijk van den laatsten bandiet te voorschijn haalde, »het is een goed wapen voor een -krijgsman,” en hij hechtte hem koelbloedig aan zijn gordel, na hem in het gras te -hebben afgewischt. -</p> -<p>De lijken der roovers werden gescalpeerd en buiten het kamp gebracht. -</p> -<p>Men liet ze liggen voor de gieren en valken, wien zij een overvloedig <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>voedsel verschaften, en die, door den reuk van het bloed aangetrokken, reeds boven -hen ronddwarrelden, onder het uitstooten van akelige vreugdekreten. -</p> -<p>De geduchte bende van kapitein Ouaktehno was vernietigd. -</p> -<p>Ongelukkig waren er nog anderen in de prairiën. -</p> -<p>Na de terdoodbrenging traden de Indianen zorgeloos hunne hutten wederom binnen; voor -hen was het slechts een van die tooneelen geweest, waaraan zij sedert langen tijd -gewoon waren, en die het vermogen niet meer bezaten om hun zenuwgestel te vermurwen. -</p> -<p>De jagers integendeel, ondanks het ruwe leven, dat zij leidden, en niettegenstaande -ook zij zeer gewoon zijn om het bloed van anderen te zien storten of zelven het te -vergieten, verstrooiden zich, bedrukt en met beklemde harten over deze afschuwelijke -slachting. -</p> -<p>Edelhart en de generaal begaven zich naar de grot. -</p> -<p>De dames, die zich steeds in het onderaardsch gewelf bevonden, wisten niets van het -vreeselijk tooneel, dat er had plaats gehad, noch van het bloedig zoenoffer, dat zooeven -aan de gerechtigheid der prairiën was gebracht. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e5089"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5089src">1</a></span> Met deze formule eindigt elke redevoering bij de Indianen. <a class="fnarrow" href="#xd30e5089src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5150"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5150src">2</a></span> Dit geheele tooneel is geschiedkundig; de schrijver heeft een dergelijke <span class="corr" id="xd30e5152" title="Bron: rafoefening">strafoefening</span> in <i>Apacheria</i> bijgewoond. <a class="fnarrow" href="#xd30e5150src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch2.15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5750">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XV.</h2> -<h2 class="main">DE VERGIFFENIS.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het wederzien van den generaal en zijne nicht was zeer treffend. -</p> -<p>De oude, zwaar beproefde soldaat was blijde het onschuldige kind in zijne armen te -kunnen drukken, dat zijn eenige bloedverwant was, en als door een wonder aan de rampen, -waaraan het had bloot gestaan, was ontsnapt. -</p> -<p>Langen tijd zaten zij in zoet gekeuvel verdiept, alles om zich heen vergetende, de -generaal deed onderzoek naar hare levenswijze gedurende den tijd zijner gevangenschap, -en het meisje ondervroeg hem over de gevaren, die hij was doorgeworsteld, en de slechte -behandeling, die hij had ondergaan. -</p> -<p>»En nu, oom,” vroeg zij eindelijk, »wat is nu uw plan?” -</p> -<p>»Helaas, mijn kind,” antwoordde hij, een zucht onderdrukkende, »wij moeten onverwijld -deze vreeselijke gewesten verlaten en naar Mexico terugkeeren.” -</p> -<p>Het meisje voelde zich treurig aangedaan, ofschoon zij zelve de noodzakelijkheid van -een spoedigen terugkeer inzag. Maar vertrekken, was <i>hem</i> te verlaten, dien zij liefhad! van hem te scheiden, zonder dat er eenige mogelijkheid -overbleef om hem weder te zien;—scheiden! van dien man, wiens bewonderenswaardig karakter -zij hoe langer hoe meer had leeren waardeeren, en die nu onmisbaar geworden was voor -haar leven en voor haar geluk. -<span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span></p> -<p>»Wat schort u, mijn kind? gij zijt treurig, uwe oogen zijn vol tranen,” vroeg haar -oom, haar met warmte de hand drukkend. -</p> -<p>»Helaas! oom,” antwoordde zij klagend, »hoe zou ik niet treurig zijn, na alles wat -er in de laatste dagen gebeurd is? mijn hart is gebroken.” -</p> -<p>»Dat is zoo; de gebeurtenissen waarvan wij de getuigen en de slachtoffers geweest -zijn, zijn meer dan voldoende, om u treurig te maken; maar gij zijt nog jong, mijn -kind, binnen eenigen tijd zullen deze gebeurtenissen in uw hart geen ander spoor meer -achterlaten als de herinnering aan feiten, die gij, Gode zij dank! voor het vervolg -niet meer zult te vreezen hebben.” -</p> -<p>»Wij vertrekken dus weldra?” -</p> -<p>»Morgen, als het kan; wat zou ik hier langer doen? de hemel zelf verklaart zich tegen -mij, daar hij mij verplicht af te zien van die onderneming, wier goede uitslag het -geluk van mijn ouden dag zou geweest zijn: maar God wil niet, dat ik vertroost worde; -Zijn wil geschiede,” zeide hij met onderwerping. -</p> -<p>»Wat bedoelt gij, oom?” vroeg het meisje met geestdrift. -</p> -<p>»Niets, dat u heden belang kan inboezemen, mijn kind; het is beter, dat gij het niet -weet, en dat ik alleen lijde; ik ben oud, ik ben er aan gewoon,” zeide hij droefgeestig. -</p> -<p>»Arme oom!” -</p> -<p>»Ik dank u voor de vriendschap, die gij voor mij koestert, mijn kind, maar laten wij -van dat treurig onderwerp afstappen; spreken wij, zoo gij wilt, liever een weinig -van die brave lieden, waaraan wij zooveel verplichting hebben.” -</p> -<p>»Van Edelhart?” prevelde <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz blozend. -</p> -<p>»Ja,” antwoordde de generaal, »van Edelhart en van zijne moeder, die waardige vrouw, -die ik nog niet heb kunnen bedanken, ten gevolge van de wond van dien armen Goedsmoeds, -en aan wie gij het verschuldigd zijt, dat u hier niets ontbroken heeft.” -</p> -<p>»Zij heeft voor mij gezorgd als eene teedere moeder!” -</p> -<p>»Hoe zal ik ooit mijn schuld aan haar en aan haren edelen zoon kunnen betalen? Zij -is gelukkig, in het bezit van zulk een kind; helaas! die vreugde is mij niet gegeven, -ik ben alleen!” zeide de generaal, terwijl hij zijn hoofd in zijne handen liet zinken. -</p> -<p>»En ik dan,” zeide het meisje vleiend. -</p> -<p>»O, gij,” antwoordde hij, haar teeder omhelzende, »gij zijt mijne lieve dochter, maar -ik heb geen zoon!” -</p> -<p>»Dat is waar!” prevelde zij peinzend. -</p> -<p>»Edelhart,” hernam de generaal, »heeft een veel te zonderling karakter, om iets van -mij aan te nemen. Wat zal ik doen? Hoe zal ik mijne schuld aan hem kunnen betalen? -Hoe hem de gewichtige diensten, die hij mij bewezen heeft, naar behooren vergelden?” -</p> -<p>Er volgde een oogenblik van stilte. -</p> -<p><span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz naderde den generaal, kuste hem op het voorhoofd, <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>verborg haar gelaat aan zijn schouder, en zeide met eene van aandoening bevende stem: -</p> -<p>»Oom, daar valt mij eene gedachte in!” -</p> -<p>»Spreek, mijne lieve,” antwoordde hij, »spreek onbeschroomd, het is God wellicht, -die haar u ingeeft.” -</p> -<p>»Gij hebt geen zoon, aan wien gij uw naam en uw fortuin nalaten kunt, is het niet, -oom?” -</p> -<p>»Helaas!” prevelde hij, »ik heb een oogenblik gemeend er een te zullen terugvinden; -maar die hoop is voor altijd verdwenen; gij weet het, kindlief, ik ben alleen!” -</p> -<p>»Edelhart noch zijne moeder, zullen iets van u willen aannemen.” -</p> -<p>»Neen.” -</p> -<p>»Toch geloof ik, dat er een middel is om hen te verplichten, hen te dwingen zelfs.” -</p> -<p>»En dat middel is?” zeide hij. -</p> -<p>»Oom, daar gij het zoo betreurt geen zoon te hebben, aan wien gij uw naam kunt nalaten, -waarom zoudt gij Edelhart niet als uw zoon aannemen?” -</p> -<p>De generaal zag haar aan, een hoog rood kleurde hare wangen en zij beefde van top -tot teen. -</p> -<p>»O, kindlief,” zeide hij, haar teeder omhelzende, »uw plan is verrukkelijk, maar het -is onuitvoerbaar; ik zou gelukkig en trotsch zijn met een zoon als Edelhart; gij zelve -hebt het gezegd, zijne moeder aanbidt hem, zij zal jaloersch op hem zijn, nooit zal -zij er in toestemmen om hem met een vreemde te deelen.” -</p> -<p>»Misschien!” prevelde zij. -</p> -<p>»En dan nog,” ging de generaal voort, »zelfs als zijne moeder, wat ik onmogelijk acht, -uit liefde voor hem, en ten einde hem eene plaats in de maatschappij te bezorgen, -mijn voorstel aannam, dan nog zelfs zou hij het weigeren; of gelooft gij, lieve, dat -die man, opgevoed in de woestijn, die zijn geheele leven heeft doorgebracht in onvoorziene -en aangrijpende gebeurtenissen, te midden van een verhevene natuur, er in zal toestemmen, -om voor een weinig goud, dat hij veracht en voor een naam, die hem nutteloos is, af -te zien van dat schoone, avontuurlijke leven, zoo vol zoete en vreeselijke aandoeningen, -dat voor hem een behoefte geworden is? Neen, neen, hij zou in onze steden verkwijnen; -voor een verheven karakter als het zijne, zou onze beschaving doodelijk zijn, vergeet -dus dat denkbeeld, lief kind; helaas ik ben er van overtuigd, hij zou het weigeren.” -</p> -<p>»Wie weet,” zeide zij, het hoofd schuddende. -</p> -<p>»God is mijn getuige,” hernam de generaal met nadruk, »dat ik blijde zou zijn, indien -het gelukte, en dat dan al mijne wenschen verhoord zouden zijn; maar waarom ons zelven -met dwaze droomen misleid? hij zal het weigeren, zeg ik u! en ik ben genoodzaakt er -bij te voegen, hij zal gelijk hebben, als hij het doet.” -</p> -<p>»Neem er de proef van, oom!” antwoordde zij; »zoo uw voorstel <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>verworpen wordt, zult gij aan Edelhart ten minste bewezen hebben, dat gij geen ondankbare -zijt, en dat gij hem naar waarde hebt weten te schatten.” -</p> -<p>»Gij wilt het dus?” zeide de generaal, die gaarne overtuigd wilde zijn. -</p> -<p>»Ik bid er u om, oom,” zeide zij, hem omhelzende, om hare blijdschap en haar blozen -te verbergen; »ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat gij slagen zult.” -</p> -<p>»Het zij dan zoo,” prevelde de generaal met een droevigen glimlach, »verzoek Edelhart -en zijne moeder om mij hier te komen bezoeken.” -</p> -<p>»Binnen vijf minuten breng ik hen bij u,” riep zij vroolijk uit. -</p> -<p>En huppelend als een gazelle, verdween het meisje en spoedde zich door de kronkelingen -van de grot. -</p> -<p>Zoodra hij alleen was, verzonk de generaal in een ernstig nadenken. -</p> -<p>Eenige minuten later stond <span class="corr" title="Bron: Dona">Doña</span> Luz met Edelhart en diens moeder voor hem. -</p> -<p>De generaal hief het hoofd op, groette de aankomenden met groote beleefdheid, en gaf -aan zijne nicht een teeken om zich te verwijderen. -</p> -<p>Het meisje gehoorzaamde. -</p> -<p>Het was in dat gedeelte van de grot slechts half dag, en alle voorwerpen waren niet -even sterk verlicht; door een vreemde gril gedreven, had de moeder van Edelhart haar -<i lang="es">rebozo</i> (sluier) zoo omgedaan, dat deze haar gelaat bijna geheel en al bedekte. Hoe aandachtig -hij haar ook beschouwde, het mocht den generaal niet gelukken, hare gelaatstrekken -te zien. -</p> -<p>»Gij hebt ons geroepen, generaal,” zeide Edelhart luchthartig; »gij ziet, wij hebben -ons gehaast, om aan uw verlangen te voldoen.” -</p> -<p>»Verplicht voor die haast, mijn vriend,” antwoordde de generaal; »ontvang eerst de -uitdrukking mijner erkentenis voor de belangrijke diensten, die gij mij bewezen hebt, -en wat ik tot u zeg, mijn vriend,—vergun mij u dien titel te geven,—betreft ook uwe -goede en voortreffelijke moeder, voor de teedere zorg, die zij aan mijne nicht bewezen -heeft.” -</p> -<p>»Generaal,” antwoordde de jager bewogen, »ik dank u voor die vriendelijke woorden, -die ruimschoots opwegen tegen alles, wat gij aan mij meent verschuldigd te zijn. Door -u te hulp te komen, heb ik de gelofte vervuld, die ik gedaan had, om nooit mijn naaste -zonder hulp te laten; geloof mij, ik verlang geene andere belooning dan uwe achting, -ik ben, voor het weinige dat ik gedaan heb, genoeg betaald door de voldoening, die -ik op dit oogenblik smaak.” -</p> -<p>»Ik wilde toch zoo gaarne, vergun mij dat ik er op aandring, ik wilde toch zoo gaarne -u op een andere wijze beloonen.” -</p> -<p>»Mij beloonen!” riep de vurige jongeling uit, tot over de ooren een kleur krijgende. -<span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span></p> -<p>»Laat mij uitspreken,” hernam de generaal levendig; »zoo het voorstel, dat ik u daarna -denk te doen, u mishaagt, welnu, dan zult gij daarop antwoorden, even openhartig als -ik mij nu zal verklaren.” -</p> -<p>»Spreek, generaal, ik luister.” -</p> -<p>»Mijn vriend, mijne reis in de prairiën had een heilig doel, dat ik niet heb mogen -bereiken! gij kent de oorzaak daarvan; de mannen, die mij gevolgd waren, zijn aan -mijne zijde gesneuveld. Bijna alléén overgebleven, zie ik mij genoodzaakt een onderzoek -op te geven, dat ware het goed afgeloopen, het geluk zou hebben uitgemaakt van de -weinige levensdagen, die mij nog overblijven. God straft mij wreed. Ik heb al mijne -kinderen zien sterven; een enkele bleef mij misschien nog over, maar dien heb ik, -in een oogenblik van zinneloozen hoogmoed, van mij weggejaagd; thans nu ik aan den -eindpaal van mijn leven gekomen ben, is mijn huis ledig, mijn haard verlaten. Ik ben -alleen, helaas! zonder betrekkingen, zonder vrienden, zonder een erfgenaam, aan wien -ik, niet mijn fortuin, maar mijn naam kan nalaten, dien een lange reeks van voorouders -mij zonder smet of vlek heeft overgeleverd. Wilt gij bij mij de plaats innemen van -dat huisgezin, dat mij ontbreekt? Edelhart, wilt gij mijn zoon zijn?” -</p> -<p>Onder het uitspreken dezer woorden was de generaal opgestaan, en had hij de hand van -den jongeling gegrepen, die hij hartelijk in de zijne drukte, terwijl hem de tranen -in de oogen stonden. -</p> -<p>Bij dit onverwachte aanbod was de jager blijven staan, verbaasd, bevend, niet wetende -wat te moeten antwoorden. -</p> -<p>Zijne moeder wierp driftig haar sluier naar achteren, en haar gelaat vertoonende, -dat van vreugde schitterde, en als het ware geheel van uitdrukking veranderd was, -plaatste zij zich tusschen de beide mannen, legde hare hand op den schouder van den -generaal, zag hem strak aan en zeide met eene stem die van aandoening trilde: -</p> -<p>»Eindelijk, don Ramon de Garillas, vraagt gij dan dien zoon terug, dien gij sedert -twintig jaren zoo wreed aan zijn lot hebt overgelaten.” -</p> -<p>»Vrouw, wat bedoelt gij?” stotterde de generaal. -</p> -<p>»Ik bedoel, don Ramon,” hernam zij op een majestueuzen toon, »dat ik <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Jesusita, uwe vrouw, ben, en dat Edelhart uw zoon Rafaël is, dien gij vervloekt hebt.” -</p> -<p>»O!” riep de generaal terwijl hij op zijne knieën viel, en in tranen scheen te baden: -»vergeving, vergeving, mijn zoon.” -</p> -<p>»Mijn vader!” riep Edelhart, zich in zijne armen werpende, en trachtende hem op te -richten, »wat doet gij?” -</p> -<p>»Mijn zoon,” zeide de grijsaard, bijna waanzinnig van vreugde en smart, »ik laat die -houding niet varen, aleer gij mij vergeven hebt.” -</p> -<p>»Sta op, don Ramon,” zeide <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Jesusita met een zachte stem; »sedert langen tijd reeds woont er in het hart der -moeder en in dat van den zoon voor u geen ander gevoel dan dat van eerbied en liefde.” -<span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span></p> -<p>»O,” riep de grijsaard, hen beurtelings omhelzende, »het is te veel geluk, ik verdien -niet zoo gelukkig te zijn na het wreede gedrag waaraan ik mij heb schuldig gemaakt.” -</p> -<p>»Mijn vader,” antwoordde de jager op edelen toon, »aan de straf, die gij mij hebt -opgelegd, heb ik het te danken, dat ik een eerlijk man geworden ben; vergeet dan het -verledene, dat niet meer is dan een droom, en denk alleen aan de toekomst, die u tegenlacht.” -</p> -<p>In dit oogenblik trad <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz beschroomd en verlegen te voorschijn. -</p> -<p>Zoodra hij haar bemerkte, greep de generaal haar bij de hand, bracht haar bij <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Jesusita, en zeide: -</p> -<p>»Lieve nicht, gij kunt nu zonder schroom Edelhart beminnen, hij is thans inderdaad -mijn zoon. God heeft in zijne eindelooze goedheid toegestaan, dat ik hem zou wedervinden -op het oogenblik, dat ik aan zulk een geluk wanhoopte.” -</p> -<p>Het meisje slaakte een kreet van vreugde, en verborg haar gelaat verlegen in den schoot -van <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Jesusita, terwijl zij hare hand in die van Rafaël liet, die aan hare voeten nederviel -en haar in vervoering kuste. -<span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div id="naschrift" class="div1 postscript"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e5757">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">NASCHRIFT.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Vele jaren later bevond de schrijver van dit verhaal zich alleen op weg van Mexico -naar Hermosillo. Nog was hij na een reis van zeven en vijftig dagen, slechts weinige -mijlen van laatstgenoemde stad verwijderd, toen de nacht hem overviel, en zoowel de -vermoeidheid van zijn paard en zijn eigene behoefte aan rust, als ook zijn onbekendheid -met de landstreek, waarin hij zich bevond, hem aanspoorden zich tot de bewoners eener -eenzame haciënda, wier licht hem van verre toescheen, te wenden, en voor dien nacht -hunne gastvrijheid in te roepen. Met de meeste bereidwilligheid werd deze hem geschonken; -en daaraan had hij te danken de kennismaking met eene familie, die hem van het eerste -oogenblik zoodanig boeide, dat hij hun welgemeend aanbod om zijn verblijf ten hunnent -eenige dagen te rekken, met vreugde aannam. -</p> -<p>Wat hem in dit huisgezin vooral aantrok, was niet zoozeer de goede verstandhouding, -waarin al de leden, ook de bedienden daaronder gerekend, tot elkander stonden, noch -hun patriarchale levenswijze, noch de hartelijkheid, waarmede zij hem in hun midden -opnamen, als wel de vreemdsoortige bestanddeelen, waaruit het was samengesteld; en -de ernstige tint, die over het geheele huis en over hun geheele wijze van doen gespreid -lag. -</p> -<p>Een bijna honderdjarige grijsaard, eene deftige oude dame van ten naastebij tachtig; -een krachtvol man van vijftig, met schitterende oogen en sterk sprekende gelaatstrekken, -eene vrouw, die, ofschoon haar veertigste jaar voorbij, nog schoon mocht heeten, en -vijf of zes bekoorlijke kinderen, van verschillenden leeftijd, vormden het eigenlijke -huisgezin; op gelijken voet met dezen stonden, naar het scheen, nog twee andere mannen, -die naar hun uitzicht en naar hun gewaad te oordeelen, eer in de prairiën van het -verre westen dan in zulk een rustig verblijf te huis behoorden, en bovendien, een -Indiaan, een Roodhuid, kennelijk uit den stam der Comanchen, die de lieveling der -kinderen was. Behalve dezen waren er een aantal bedienden van verschillenden rang, -die echter allen als leden des huisgezins werden beschouwd en behandeld. -</p> -<p>Het leven dier goede lieden evenwel was, naar het mij toescheen, <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>niet altijd zoo kalm en rustig geweest als thans; ik verbeeldde mij dat zij eerst -na vele en zware stormen in de haven van het huiselijk geluk waren aangeland. Aller -gelaat droeg dien stempel van edele waardigheid, die slechts het gevolg kan zijn van -groote doorgestane rampen, en de rimpels op hun voorhoofd waren te diep om niet de -sprekende getuigen te zijn van een lang en bitter lijden. -</p> -<p>Ik brandde van nieuwsgierigheid, om meer van hun vorigen levensloop te vernemen; bescheidenheid -alleen sloot mij den mond, die tot vragen gereed was. Doch zoo doende verviel ik in -een toestand van afgetrokkenheid, die den gastheer niet ontging. Op zijn aandringen -bekende ik eindelijk, welke de reden was van mijn onbeleefde stilzwijgendheid. -</p> -<p>Wat hij mij toen verhaalde, lezer, behoef ik u niet weder te verhalen, als ik u eenvoudig -mededeel, dat de namen der mij omringende hoofdpersonen waren: don Ramon Garillas -de Savedra, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Jesusita, don Rafaël, <span class="corr" title="Bron: dona">doña</span> Luz, Goedsmoeds, de Zwarte Eland en de Arendskop. -</p> -<p>Ik beken het, die lotgevallen, verteld door hem, die er de hoofdrol in had gespeeld, -in tegenwoordigheid van zoovelen, die er aan hadden deelgenomen, wekten mijne belangstelling -in hooge mate op. Ik vatte dadelijk het voornemen op daaraan door een geregelde mededeeling -de bekendheid te geven waarop zij aanspraak hebben. Hebben zij, onder mijne hand aan -belangrijkheid verloren, niet aan die lotgevallen, aan mij alléén ligt de schuld, -en misschien aan den lezer, die al te zeer gewoon is aan het lezen van romans, om -nog vatbaar te zijn voor den diepen indruk, dien de werkelijkheid soms kan te weeg -brengen. -</p> -<p>Acht dagen later verliet ik, diep getroffen, het huis, waarin ik met zoo gulle vriendelijkheid -ontvangen was; maar in plaats van naar Hermosillo te gaan en mij aldaar in te schepen -naar Guaymas, gelijk eerst mijn voornemen was geweest, maakte ik met den Arendskop -een uitstapje naar Apacheria, een uitstapje, gedurende hetwelk het toeval mij getuige -deed zijn van een aantal buitengewone voorvallen, die ik u misschien later zal mededeelen, -als het blijken zal, dat dit verhaal u niet al te zeer heeft verveeld. -</p> -<p class="trailer xd30e966"><span class="ex">EINDE.</span></p> -<p><span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">INHOUD.</h2> -<table class="tocList"> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#inleiding">INLEIDING</a>. -</td> -<td class="tocPageNum"></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#inleiding">DE VADERVLOEK.</a> -</td> -<td class="tocPageNum"></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> -</td> -<td class="tocPageNum">Bladz.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">1.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#inl.1" id="xd30e5351">Hermosillo</a> -</td> -<td class="tocPageNum">1.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">2.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#inl.2" id="xd30e5361">De haciënda del Milagro</a> -</td> -<td class="tocPageNum">7.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">3.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#inl.3" id="xd30e5371">Het vonnis</a> -</td> -<td class="tocPageNum">12.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">4.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#inl.4" id="xd30e5381">De moeder</a> </td> -<td class="tocPageNum">18.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">I.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#pt1">EDELHART.</a> -</td> -<td class="tocPageNum"></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">1.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.1" id="xd30e5399">De prairie</a> -</td> -<td class="tocPageNum">24.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">2.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.2" id="xd30e5409">De jagers</a> -</td> -<td class="tocPageNum">29.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">3.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.3" id="xd30e5419">Het spoor</a> -</td> -<td class="tocPageNum">34.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">4.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.4" id="xd30e5429">De reizigers</a> -</td> -<td class="tocPageNum">39.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">5.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.5" id="xd30e5439">De Comanchen</a> -</td> -<td class="tocPageNum">44.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">6.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.6" id="xd30e5449">De redder</a> -</td> -<td class="tocPageNum">49.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">7.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.7" id="xd30e5459">De verrassing</a> -</td> -<td class="tocPageNum">54.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">8.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.8" id="xd30e5469">De Indiaansche wraak</a> -</td> -<td class="tocPageNum">59.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">9.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.9" id="xd30e5479">De schim</a> -</td> -<td class="tocPageNum">64.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">10.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.10" id="xd30e5489">De verschansing</a> -</td> -<td class="tocPageNum">69.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">11.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.11" id="xd30e5499">De koop</a> -</td> -<td class="tocPageNum">74.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">12.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.12" id="xd30e5510">Psychologie</a> -</td> -<td class="tocPageNum">79.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">13.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.13" id="xd30e5520">De bijenjacht</a> -</td> -<td class="tocPageNum">83.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">14.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.14" id="xd30e5530">De Zwarte Eland</a> -</td> -<td class="tocPageNum">89.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">15.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.15" id="xd30e5540">De bevers</a> -</td> -<td class="tocPageNum">94.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">16.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.16" id="xd30e5550">Verraad</a> -<span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span></td> -<td class="tocPageNum">99.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">17.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.17" id="xd30e5561">De Arendskop</a> -</td> -<td class="tocPageNum">105.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">18.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.18" id="xd30e5571">Nô Eusébio</a> -</td> -<td class="tocPageNum">110.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">19.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.19" id="xd30e5581">De raad der opperhoofden</a> -</td> -<td class="tocPageNum">115.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">20.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch1.20" id="xd30e5591">De marteling</a> </td> -<td class="tocPageNum">120.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">II.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#pt2">OUAKTEHNO.—HIJ DIE DOODT.</a> -</td> -<td class="tocPageNum"></td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">1.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch2.1" id="xd30e5609">Edelhart</a> -</td> -<td class="tocPageNum">127.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">2.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch2.2" id="xd30e5619">De roovers</a> -</td> -<td class="tocPageNum">132.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">3.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch2.3" id="xd30e5629">De zelfopoffering</a> -</td> -<td class="tocPageNum">137.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">4.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch2.4" id="xd30e5639">De doctor</a> -</td> -<td class="tocPageNum">142.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">5.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch2.5" id="xd30e5649">Het verbond</a> -</td> -<td class="tocPageNum">147.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">6.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch2.6" id="xd30e5659">De laatste aanval</a> -</td> -<td class="tocPageNum">151.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">7.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch2.7" id="xd30e5669">Het gevecht</a> -</td> -<td class="tocPageNum">156.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">8.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch2.8" id="xd30e5679">De grot van den Kopergroen</a> -</td> -<td class="tocPageNum">160.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">9.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch2.9" id="xd30e5689">Staatkunde</a> -</td> -<td class="tocPageNum">165.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">10.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch2.10" id="xd30e5699">Tweestrijd</a> -</td> -<td class="tocPageNum">170.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">11.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch2.11" id="xd30e5709">De gevangenen</a> -</td> -<td class="tocPageNum">176.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">12.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch2.12" id="xd30e5720">De krijgslist</a> -</td> -<td class="tocPageNum">180.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">13.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch2.13" id="xd30e5730">De wet der prairiën</a> -</td> -<td class="tocPageNum">185.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">14.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch2.14" id="xd30e5740">De straf</a> -</td> -<td class="tocPageNum">190.</td> -</tr> -<tr> -<td></td> -<td class="tocDivNum">15.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="6"> <a href="#ch2.15" id="xd30e5750">De vergiffenis</a> </td> -<td class="tocPageNum">197.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#naschrift" id="xd30e5757">Naschrift.</a></td> -<td class="tocPageNum"></td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd30e49" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd30e49" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<p>Dit werk is een vertaling van <i lang="fr">Les Trappeurs de l’Arkansas</i> uit 1858. Een Engelse vertaling is beschikbaar in Project Gutenberg als <a class="pglink xd30e49" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/43473"><i lang="en">The Trappers of Arkansas; or The Loyal Heart</i></a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata" summary="Metadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>De Pelsjagers van de Arkansas</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Gustave Aimard (1818–1883)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/9841962/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Bijdrager:</b></td> -<td>Johan Jacob Antonie Goeverneur (1809–1889)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/16872684/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Illustrator:</b></td> -<td>Charles Rochussen (1814–1894)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/37073188/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1882</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2021-06-07 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e237">VII</a>, <a class="pageref" href="#xd30e257">VII</a></td> -<td class="width40 bottom">Gerstaecker</td> -<td class="width40 bottom">Gerstäcker</td> -<td class="bottom">2 / 1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e354">3</a>, <a class="pageref" href="#xd30e392">3</a></td> -<td class="width40 bottom">Campana</td> -<td class="width40 bottom">Campaña</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><i title="90 gevallen">Passim. -</i></td> -<td class="width40 bottom">dona</td> -<td class="width40 bottom">doña</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><i title="44 gevallen">Passim. -</i></td> -<td class="width40 bottom">Dona</td> -<td class="width40 bottom">Doña</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e614">11</a>, <a class="pageref" href="#xd30e625">11</a>, <a class="pageref" href="#xd30e922">22</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4919">187</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4935">187</a></td> -<td class="width40 bottom">senora</td> -<td class="width40 bottom">señora</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e620">11</a></td> -<td class="width40 bottom">maar</td> -<td class="width40 bottom">waar</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e695">14</a></td> -<td class="width40 bottom">onmiddelijk</td> -<td class="width40 bottom">onmiddellijk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e763">17</a>, <a class="pageref" href="#xd30e862">20</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3862">140</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e949">22</a></td> -<td class="width40 bottom">hinnekend</td> -<td class="width40 bottom">hinnikend</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e979">24</a></td> -<td class="width40 bottom">Missisippi</td> -<td class="width40 bottom">Mississippi</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1006">24</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3814">139</a></td> -<td class="width40 bottom">volkstammen</td> -<td class="width40 bottom">volksstammen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1014">25</a></td> -<td class="width40 bottom">guerrila</td> -<td class="width40 bottom">guerrilla</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1052">27</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">;</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1069">27</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1708">57</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2614">90</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2917">101</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2925">101</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3513">125</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3738">136</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4185">155</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4297">160</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4813">183</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4874">185</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5062">192</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5095">194</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1287">39</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1305">40</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1621">54</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2606">90</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2790">97</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4945">187</a></td> -<td class="width40 bottom">senorita</td> -<td class="width40 bottom">señorita</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1349">42</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1365">42</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2372">82</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2378">82</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2506">86</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2539">87</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2546">87</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2625">91</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2666">92</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2708">93</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2717">93</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2747">95</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2763">96</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2776">96</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3004">104</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3013">104</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3032">105</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3044">105</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3118">108</a></td> -<td class="width40 bottom">Senorita</td> -<td class="width40 bottom">Señorita</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1517">49</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2768">96</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3408">121</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1519">49</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2770">96</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4839">184</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">»</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1670">55</a></td> -<td class="width40 bottom">Squaters</td> -<td class="width40 bottom">Squatters</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1675">55</a></td> -<td class="width40 bottom">squaters</td> -<td class="width40 bottom">squatters</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1978">69</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3320">116</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2044">71</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2433">84</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3038">105</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3848">140</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4793">183</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4818">183</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">?</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2120">74</a></td> -<td class="width40 bottom">barrikaden</td> -<td class="width40 bottom">barricaden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2358">82</a></td> -<td class="width40 bottom">Senora</td> -<td class="width40 bottom">Señora</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2814">98</a></td> -<td class="width40 bottom">!</td> -<td class="width40 bottom">?</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2891">101</a></td> -<td class="width40 bottom">?</td> -<td class="width40 bottom">!</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3089">107</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3097">107</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">?</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3406">121</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3817">139</a></td> -<td class="width40 bottom">het</td> -<td class="width40 bottom">Het</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4087">149</a></td> -<td class="width40 bottom">majestueuse</td> -<td class="width40 bottom">majestueuze</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4499">168</a></td> -<td class="width40 bottom">maïscigaar</td> -<td class="width40 bottom">maïs-cigaar</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4510">168</a></td> -<td class="width40 bottom">doorde</td> -<td class="width40 bottom">door de</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4843">184</a></td> -<td class="width40 bottom">om dat</td> -<td class="width40 bottom">omdat</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5011">191</a></td> -<td class="width40 bottom">zoowel</td> -<td class="width40 bottom">zoo wel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5056">192</a></td> -<td class="width40 bottom">Scalp</td> -<td class="width40 bottom">scalp</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5152">196</a></td> -<td class="width40 bottom">rafoefening</td> -<td class="width40 bottom">strafoefening</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PELSJAGERS VAN DE ARKANSAS ***</div> -<div style='text-align:left'> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Updated editions will replace the previous one—the old editions will -be renamed. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. -</div> - -<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br> -<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br> -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase “Project -Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg™ License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person -or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ -electronic works. See paragraph 1.E below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the -Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg™ License when -you share it without charge with others. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work -on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the -phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: -</div> - -<blockquote> - <div style='display:block; margin:1em 0'> - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most - other parts of the world at no cost and with almost no restrictions - whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms - of the Project Gutenberg License included with this eBook or online - at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you - are not located in the United States, you will have to check the laws - of the country where you are located before using this eBook. - </div> -</blockquote> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase “Project -Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg™. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg™ License. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format -other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg™ website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain -Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works -provided that: -</div> - -<div style='margin-left:0.7em;'> - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation.” - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ - works. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg™ works. - </div> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right -of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any -Defect you cause. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s -goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg™ and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state’s laws. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation’s website -and official page at www.gutenberg.org/contact -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread -public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state -visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of -volunteer support. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Most people start at our website which has the main PG search -facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This website includes information about Project Gutenberg™, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. -</div> - -</div> - -</body> -</html> diff --git a/old/65697-h/images/frontispiece.jpg b/old/65697-h/images/frontispiece.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a338be4..0000000 --- a/old/65697-h/images/frontispiece.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65697-h/images/logo.png b/old/65697-h/images/logo.png Binary files differdeleted file mode 100644 index a5780b4..0000000 --- a/old/65697-h/images/logo.png +++ /dev/null diff --git a/old/65697-h/images/new-cover.jpg b/old/65697-h/images/new-cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b43a7c1..0000000 --- a/old/65697-h/images/new-cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65697-h/images/p016.jpg b/old/65697-h/images/p016.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a8d049c..0000000 --- a/old/65697-h/images/p016.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65697-h/images/p051.jpg b/old/65697-h/images/p051.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 888264b..0000000 --- a/old/65697-h/images/p051.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65697-h/images/p060.jpg b/old/65697-h/images/p060.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 90820a0..0000000 --- a/old/65697-h/images/p060.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65697-h/images/p088.jpg b/old/65697-h/images/p088.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 0f8a8d2..0000000 --- a/old/65697-h/images/p088.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65697-h/images/p121.jpg b/old/65697-h/images/p121.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index d371bdc..0000000 --- a/old/65697-h/images/p121.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65697-h/images/p155.jpg b/old/65697-h/images/p155.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index c15dc6a..0000000 --- a/old/65697-h/images/p155.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65697-h/images/p192.jpg b/old/65697-h/images/p192.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 612d340..0000000 --- a/old/65697-h/images/p192.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65697-h/images/titlepage.png b/old/65697-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index 94d7f17..0000000 --- a/old/65697-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
