summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/65697-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/65697-0.txt')
-rw-r--r--old/65697-0.txt12286
1 files changed, 0 insertions, 12286 deletions
diff --git a/old/65697-0.txt b/old/65697-0.txt
deleted file mode 100644
index 06f0016..0000000
--- a/old/65697-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,12286 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of De pelsjagers van de Arkansas, by Gustave
-Aimard
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: De pelsjagers van de Arkansas
- Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika
-
-Author: Gustave Aimard
-
-Illustrator: Ch. Rochussen
-
-Contributor: J. J. A Goeverneur
-
-Release Date: June 25, 2021 [eBook #65697]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book
- was produced from scanned images of public domain material
- from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PELSJAGERS VAN DE ARKANSAS ***
-
-
-
-
- AIMARD’S Indiaansche Verhalen
-
- DE PELSJAGERS VAN DE ARKANSAS
- TAFEREELEN UIT DE WOUDEN EN PRAIRIEN VAN AMERIKA
-
-
- DOOR
- GUSTAVE AIMARD
-
- Naar de elfde Fransche uitgave
-
- MET EENE VOORREDE VAN
- J. J. A. GOEVERNEUR
- EN 8 ILLUSTRATIEN VAN
- CHS. ROCHUSSEN
-
-
- ZESDE DRUK
-
- ROTTERDAM
- UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ELSEVIER”
- 1882
-
-
-
-
-
-
-
-
-EEN WOORD VOORAF.
-
-
-Er is in de laatste jaren veel over Amerika en de roodhuiden
-geschreven. Tal van schrijvers, onder wie enkele met onbetwistbaar
-talent, hebben zich tot taak gesteld, ons in de tot nog toe voor onze
-beschaving ontoegankelijke, door wilde volksstammen bewoonde prairiën
-en savannen van ’t verre westen rond te leiden. Slechts weinigen hebben
-zich echter van hun wegwijzerschap naar eisch gekweten. Den meesten
-ontbrak het aan eene grondige, uit eigen ervaring opgedane kennis van
-de landen en volksstammen, welker aard en zeden zij ons schilderen
-wilden.
-
-De Franschman Gustave Aimard is hierin gelukkiger dan velen zijner
-voorgangers geweest. De beschaafde wereld voor jaren vaarwel zeggende,
-heeft hij, als aangenomen zoon van een hunner machtigste stammen, onder
-en met de Indianen op de gewijde grasvlakten hun zwervend leven
-gedeeld, bij de vredespijp aan hunne rust en hunne jachten, na ’t
-opgraven der strijdbijl met buks en tomahawk, aan hunne ondernemingen
-en tochten zelf deelgenomen.
-
-Een zoodanig leven—de bestendige worsteling met moeiten en vaak
-schijnbaar onoverkomelijke bezwaren—heeft een aantrekkelijkheid,
-waarvan alleen hij, die het bij ondervinding leerde kennen, zich een
-eenigszins helder begrip kan vormen. De mensch staat daar in de
-wildernis alleen en komt er als zelfstandig wezen tot bewustheid van
-zijne volle kracht. Met God alleen boven zich, oog en oor bestendig op
-de wacht, den vinger aan zijn geweertrekker; omringd door gevaren
-zonder tal, bedreigd door Indianen en wilde dieren, die achter bosch en
-struik, in donkere kloven of in hooge boomtoppen loeren, om zich op hem
-te werpen en hem tot hun prooi te maken, gevoelt hij zich in waarheid
-eerst heer der schepping, welke hij met al de macht van zijn wil, zijn
-verstand, overleg en onverschrokkenheid beheerscht.
-
-Langer dan vijftien jaar hield Aimard dat hier vluchtig aangeduide,
-vaak koortsig gejaagde leven vol. Onverschrokken jager, ging hij met de
-Sioux en Zwartvoeten in de verst westelijke prairiën op bisons uit. In
-’t golvend zand van de onbegrensde Del Norte verdwaald, zwerft hij daar
-langer dan eene maand rond, aan de martelingen van honger, dorst en
-koorts prijsgegeven. Tot tweemaal toe werd hij door de Apachen aan den
-folterpaal gebonden. Twaalf maanden slaaf bij de Patagoniers aan de
-Straat van Magellaan, had hij daar gruwelijke kwellingen en tergingen
-te verduren en ontsnapte slechts door een wonder aan hunne handen.
-Moederziel alleen trok hij de pampas van Buenos-Ayres tot San-Luïs de
-Mendoza door en had op dien zwerftocht met panters en jaguars, met
-roodhuiden en gaucho’s te kampen. Een dollen inval gehoor gevende,
-wilde hij de geheimnissen van Brazilie’s ongerepte wouden doorgronden
-en liet zich door geen wilde horden afschrikken, om die in hunne volle
-breedte te doorkruisen. Beurtelings squatter, bevervanger,
-partijganger, goudzoeker en bergwerker leerde hij Amerika, van de
-hoogste Cordillera’s tot aan de stranden van den Oceaan kennen—een kind
-van den dag, gelukkig in ’t heden, zonder zorg voor de toekomst,
-wakkere voorpost van de beschaving, die in ’t far west van jaar tot
-jaar meer veroveringen maakt.
-
-’t Zijn derhalve niet zoo zeer romans, die Aimard na zijne terugkomst
-in Frankrijk schreef, als wel gedenkschriften en levensberichten.
-Evenals Gabriël Ferry, zijn landsman, als Gerstäcker en Armand
-(Strubberg), de Duitschers, vertelt hij van zijn eigen leven, van zijn
-eigen ontmoetingen en ervaringen in het vreemde land. De door hem
-beschreven zeden en gebruiken waren eens hemzelf eigen, met de door hem
-geteekende Indianen heeft hij jaren lang geleefd en geleden, gejaagd en
-gevischt, feestgevierd en gevast, in den wigwam of op ’t krijgspad
-gelegen; wat hij geeft zijn in meer dan één opzicht photographieën.——
-
-De ondergeteekende vertrouwt dan ook dat deze „Pelsjagers van de
-Arkansas” en de verder in deze serie aangekondigde verhalen van Aimard
-bij ’t neêrlandsch lezend publiek naast Gerstäcker, Ferry en Armand nog
-wel een open plaatsje zullen vinden.
-
-
- J. J. A. GOEVERNEUR.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INLEIDING.
-
-DE VADERVLOEK.
-
-
-I.
-
-HERMOSILLO.
-
-
-De reiziger, die voor de eerste maal den voet zet op den bodem van
-zuidelijk Noord-Amerika, ondervindt zijns ondanks een onbeschrijfelijk
-gevoel van weemoed.
-
-En inderdaad, de geschiedenis der nieuwe wereld is slechts een
-betreurenswaardige martelaars-kroniek, waarin dweeperij en begeerigheid
-hand aan hand gaan.
-
-Gouddorst gaf aanleiding tot het ontdekken der nieuwe wereld, het goud
-eens gevonden zijnde, was Amerika voor zijne veroveraars niets meer dan
-eene stapelplaats, waar deze begeerige gelukzoekers, met den dolk in de
-eene en het crucifix in de andere hand, een rijken oogst kwamen
-bijeenzamelen van dat zoo gewenscht metaal, om daarna naar hun
-vaderland weder te keeren, aldaar met hunne rijkdommen te schitteren en
-door de onbeteugelde weelde, die zij ten toon spreidden, nieuwe
-landverhuizingen uit te lokken.
-
-Aan deze gedurige afwisseling is het inzonderheid toe te schrijven, dat
-Amerika zoo weinig groote gedenkteekenen bezit, die anders in iedere
-volkplanting gewoonlijk de plaats aanwijzen, waar de kolonisten zich
-het eerst hebben nedergezet, en tevens de richting, in welke zij zich
-hebben voortbewogen en uitgebreid.
-
-Doorreis heden dat uitgestrekte vasteland, dat gedurende drie eeuwen
-het onbetwiste eigendom der Spanjaarden is geweest, doorloop dat heden,
-zeg ik; ter nauwernood zult gij hier en daar op verre afstanden, een
-puinhoop zonder naam ontwaren, die u hun doortocht in het geheugen
-roept, terwijl de gedenkteekenen, door de Azteken en Incas vele eeuwen
-vóór de ontdekking opgericht, nog in al hun majestueuzen eenvoud het
-hoofd omhoog heffen als onvergankelijke getuigenissen van hunne
-tegenwoordigheid in die landstreek en van hun streven naar beschaving.
-
-Helaas! wat zijn zij heden geworden, die roemrijke veroveringen, door
-gansch Europa benijd, waarin het bloed der beulen zich vermengd heeft
-met het bloed der slachtoffers, ten gerieve van die andere natie, toen
-zoo trotsch op hare dappere veldheeren, op haar vruchtbaar grondgebied
-en op haar handel, die geheel de wereld omvatte? De tijd is
-voortgegaan, en het Zuiden van Amerika boet op dit oogenblik voor de
-misdaden, die het voorgeslacht heeft bedreven. Verbrokkeld door
-allerlei partijen, die elkander het bewind van één dag betwisten,
-onderdrukt door verkwistende oligarchieën, verlaten door de
-vreemdelingen, die er zich hebben vetgemest, verkwijnt het langzaam
-onder het wicht zijner trage werkeloosheid, zonder de kracht te
-bezitten om het looden doodskleed, waaronder het verstikt, op te
-heffen, in het vooruitzicht van niet te ontwaken, voordat een nieuw
-geslacht, niet bezoedeld door moord en doodslag en gehoorzaam aan Gods
-eeuwige wetten, den arbeid en de vrijheid zal aanbrengen die het leven
-der volkeren zijn.
-
-In één woord, het Spaansch-Amerikaansche ras heeft zich voortgeplant in
-de domeinen, die het van zijne voorvaderen heeft ontvangen, zonder er
-ooit de grenzen van uit te breiden; zijn heldenmoed is met Karel den
-Vijfde ten grave gedaald en het heeft van het moederland niets bewaard
-dan de gastvrije zeden, de godsdienstige onverdraagzaamheid, de
-monniken, de guittareros (straatzangers) en de gewapende bedelaars.
-
-Van alle staten, die den grooten Mexicaanschen bond vormen, is de staat
-Sonora de eenige, die, ten gevolge van zijne worsteling met de
-onafhankelijke Indiaansche stammen, die het omringen, en van zijne
-gedurige wrijving met die volkeren, een afzonderlijk karakter behouden
-heeft.
-
-De zeden der inwoners hebben nog een zekere woeste oorspronkelijkheid,
-die hen bij den eersten oogopslag van die der meer binnenwaarts gelegen
-provinciën onderscheidt.
-
-De Rio Gila kan als de noordelijke grens van dezen staat worden
-aangemerkt; van het oosten naar het westen is hij ingesloten tusschen
-de Sierra Madre en de golf van Californië.
-
-De Sierra Madre verdeelt zich achter Durango in twee takken, waarvan de
-voornaamste in de hoofdrichting van het noorden naar het zuiden loopt,
-terwijl de andere zich naar het westen wendt, achter de staten Durango
-en Guadalaxara om, en langs de oeverstaten der Stille Zee voortloopt.
-Deze tak der Cordilleras vormt de zuidelijke grens van Sonora.
-
-De natuur schijnt er behagen in geschept te hebben, om hare weldaden
-met kwistige hand over dit land uit te storten. Het klimaat is
-liefelijk, gematigd en gezond; goud, zilver, vruchtbare akkers,
-heerlijke vruchten, medicinale kruiden zijn er in overvloed; men vindt
-er de krachtigste balsems, de nuttigste insekten voor verfstoffen, de
-zeldzaamste marmersoorten, wild en visschen in menigte. Maar ook hebben
-in de uitgestrekte wildernissen van de Rio Gila en de Sierra Madre de
-onafhankelijke Indianen, de Comanchen, de Pawnies, de Pimas, de Opatas
-en de Apachen voor eeuwig den oorlog verklaard aan het blanke ras; door
-hunne eindelooze aanvallen doen zij den Mexicanen het bezit van al deze
-rijkdommen, die zij eens aan hunne voorvaderen ontroofden, duur genoeg
-betalen.
-
-De drie voornaamste steden van Sonora zijn: Guaymas, Hermosillo en
-Arispe.
-
-Hermosillo, vroeger Pitic, door de expeditie van den graaf de Raouset
-Boulbon beroemd geworden, is de stapelplaats van den Mexicaanschen
-handel op de Stille Zuidzee, en telt meer dan 9000 inwoners.
-
-Deze stad, gebouwd op eene bergvlakte, die in noordwestelijke richting
-zacht hellend tot aan zee afdaalt, wordt gerugsteund en beschermd door
-een heuvel, el Cerro de la Campaña (Klokberg) geheeten, welks top met
-ontzaggelijke steenblokken is bezaaid, die, als men er op slaat, een
-helderen en zuiveren klank doen hooren.
-
-Overigens is deze Cuidad (stad), evenals hare Amerikaansche zusters,
-morsig en van leem gebouwd, en geeft zij aan de verbaasde oogen van den
-reiziger een treurige massa puinhoopen van verwaarloosde en verlatene
-huizen te aanschouwen, die de ziel met weemoed vervullen.
-
-Op den dag, waarop dit verhaal een aanvang neemt, namelijk op den 17den
-Januari 1817, tusschen drie en vier uur in den namiddag, het gewone uur
-der siesta (middagrust), bood de stad Hermosillo, anders zoo stil en
-rustig, een vreemd schouwspel aan.
-
-Een menigte van Leperos, Gambusinos (mijnwerkers, sluikers) en Rateros
-(gauwdieven) verdrong zich al schreeuwend, dreigend en brullend in de
-calle del Rosario (Rozelaarstraat). Eenige Spaansche soldaten,—Mexico
-had toen het juk van het moederland nog niet afgeschud—trachtten
-tevergeefs de orde te herstellen en de menigte uiteen te drijven, door
-aan alle kanten met het hout hunner lansen harde slagen uit te deelen
-aan ieder, die onder hun bereik kwam.
-
-Maar het rumoer, wel verre van te verminderen, nam gestadig toe en
-vooral de Hiaqui-Indianen, die zich onder de menigte bevonden,
-schreeuwden en gesticuleerden op een inderdaad schrikwekkende wijze.
-
-De vensters van alle huizen waren gevuld met mannen-en vrouwenhoofden,
-die, met hunne blikken op de Cerro de la Campaña gericht, aan welks
-voet dikke rookwolken dwarrelend omhoog stegen, een buitengewone
-gebeurtenis schenen af te wachten.
-
-Eensklaps hoorde men een vreeselijk geschreeuw, de menigte splitste
-zich in tweeën als een overrijpe granaat en ieder week met de
-kenteekenen der grootste vrees ter zijde, toen er een jong mensch, of
-liever een kind, want hij was ter nauwernood zestien jaar, in een wolk
-van stof gehuld, op een half wild paard pijlsnel kwam aanrennen.
-
-»Houdt hem tegen!” riepen sommigen.
-
-»Lasseert [1] hem!” schreeuwden anderen.
-
-»Valgamedios!” mompelden de vrouwen, zich kruisende, »het is de duivel
-zelf.”
-
-Maar allen, wel verre van hem tegen te houden, vloden om het hardst; de
-vermetele knaap vervolgde zijn snellen draf met een spottenden glimlach
-om de lippen, een verhit gelaat, bliksemende oogen en links en rechts
-slagen uitdeelende met zijn chicote (zweep) aan allen, die zich te
-dicht in zijne nabijheid waagden, of die ongelukkig verhinderd werden
-zich zoo spoedig, als zij wel gewild hadden, te verwijderen.
-
-»He! he! Caspita!” riep, toen de knaap hem onder het voorbijgaan
-aanraakte, een vaquero (koeherder) met dom gezicht en forsche
-ledematen; »naar den duivel met dien schurk, die mij bijna het onderste
-boven smeet! O, maar wacht,” ging hij voort, na een blik op den
-jongeling geslagen te hebben, »ik bedrieg mij niet, het is Rafaël, de
-zoon van mijn meester! Wacht even, picaro (schelm)!”
-
-Terwijl hij nog bezig was deze alleenspraak tusschen de tanden te
-mompelen, ontrolde de vaquero de lasso, die aan zijn gordel hing, en
-begon hij den ruiter achterna te hollen.
-
-De menigte, die zijn plan begreep, juichte hem met verrukking toe.
-
-»Bravo! bravo!” riepen allen.
-
-»Mis hem niet, Cornejo!” schreeuwden de vaqueros, hem met handgeklap
-aanmoedigende. Cornejo naderde al gaandeweg den knaap, voor wien de
-hinderpalen meer en meer toenamen.
-
-Door het geschreeuw der omstanders gewaarschuwd voor het gevaar, dat
-hem bedreigde, wendde de ruiter het hoofd om.
-
-Toen zag hij den vaquero.—Een akelige loodkleur overdekte zijn gelaat;
-hij begreep, dat hij verloren was.
-
-»Laat mij ontkomen, Cornejo,” riep hij met sidderende stem.
-
-»Neen, neen!” brulde de menigte, »lasseer hem! lasseer hem!”
-
-Het volk vond behagen in die menschenjacht, het vreesde van een zoo
-belangwekkend schouwspel beroofd te zullen worden.
-
-»Geef u over!” antwoordde de reus; »anders, ik waarschuw u, lasseer ik
-u als een Ciboto!”
-
-»Ik geef mij niet over!” zeide de knaap vastberaden.
-
-De twee sprekers renden altijd voort, de eene te voet, de andere te
-paard.—De menigte volgde, brullend van genot. Zoo is het gepeupel
-overal, barbaarsch en onmeêdoogend.
-
-»Laat mij gaan, zeg ik u!” riep de knaap, »of ik zweer u bij de
-gebenedijde zielen uit het vagevuur, gij komt er slecht af.”
-
-De vaquero grinnikte, en zeide:
-
-»Pas op, Rafaël, voor de laatste maal vraag ik het u, wilt gij u
-overgeven?”
-
-»Neen! duizendmaal neen!” riep de knaap woedend.
-
-»In Gods naam dan!” zeide de vaquero en slingerde hem de lasso naar het
-hoofd.
-
-Nu had er iets buitengewoons plaats. Rafaël hield plotseling zijn paard
-in, zoodat het stokstijf staan bleef, en uit den zadel springende wierp
-hij zich als een jaguar op den reus, die door den schok ter aarde viel,
-en, voordat iemand het kon verhinderen, stiet hij hem het mes, dat de
-Mexicanen altijd bij zich aan den gordel dragen, in de keel.
-
-Een lange bloedstraal spoot in het aangezicht van den knaap; de vaquero
-maakte nog eenige stuiptrekkingen en bleef toen onbewegelijk liggen.
-
-Hij was dood!
-
-De menigte slaakte een kreet van schrik en afgrijzen. Snel als de
-bliksem had de knaap zich weêr in den zadel geworpen, en zijn mes
-zwaaiende, hernieuwde hij met een duivelschen lach zijn wanhopigen rid.
-
-Toen men, nadat het eerste oogenblik van schrik voorbij was, den
-moordenaar op nieuw wilde vervolgen, was hij verdwenen.
-
-Niemand wist welken kant hij was opgegaan. Gelijk meestal in dergelijke
-omstandigheden, kwam de juez de letras (strafrechter), door een stoet
-van alguacils (gerechtsdienaars) omgeven, op de plaats, waar de moord
-geschied was, aan, juist toen het te laat was.
-
-De juez de letras, don Inigo tormentos Albaceyte, was een man van
-omstreeks 50 jaar, klein en gezet, met een vollemaansgezicht, die een
-gouden met diamanten omzette snuifdoos bij zich droeg, en onder
-schijnbare goedhartigheid een onverzadigbare geldgierigheid verborg.
-
-De magistraat verontrustte zich, naar het scheen, volstrekt niet over
-de vlucht van den moordenaar, hij schudde eenige malen het hoofd, wierp
-een blik op de menigte rondom zich en zeide onder het nemen van een
-snuifje:
-
-»Arme Cornejo! het zou toch stellig eenmaal zoo met u zijn afgeloopen;
-was het van daag niet, dan toch morgen.”
-
-»Ja,” zeide een lepero, »hij is netjes van kant gemaakt.”
-
-»Dat dacht ik al,” hernam de rechter, »de man, die het gedaan heeft, is
-een man van het vak.”
-
-»Ha! wel zeker,” antwoordde de lepero, de schouders ophalende, »het is
-een kind.”
-
-»Bah!” riep de rechter met geveinsde verwondering en, den man die tot
-hem sprak even van onder zijne oogleden aanziende, »een kind!”
-
-»Ten naasten bij,” zeide de lepero, trotsch op de aandacht, die men aan
-zijne woorden schonk, »’t is Rafaël: de oudste zoon van don Ramon.”
-
-»Nu, nu!” antwoordde de rechter met stille zelfvoldoening; »maar dat is
-immers niet mogelijk; Rafaël is ter nauwernood zestien jaar, hij zal
-wel geen twist gezocht hebben met Cornejo, die hem met ééne hand had
-kunnen verpletteren.”
-
-»’t Is toch zoo, Excellentie; we hebben het allen gezien; Rafaël heeft
-gedobbeld bij don Aquilar; het schijnt dat de kans hem niet gunstig
-geweest is; hij heeft al zijn geld verloren; toen is hij woedend
-geworden en heeft het huis in brand gestoken.”
-
-»Caspita!” riep de rechter.
-
-»Het is gelijk ik de eer heb u te zeggen; Excellentie; kijk, men kan
-den rook nog zien, alhoewel het huis reeds uitgebrand is.”
-
-»Inderdaad,” hernam de rechter, den vinger van den lepero met het oog
-volgende, »en toen?”
-
-»Toen,” vervolgde de ander, »heeft hij zich natuurlijk uit de voeten
-willen maken; Cornejo trachtte hem tegen te houden...”
-
-»Daar had hij gelijk in!”
-
-»Daar had hij geen gelijk in, daar Rafaël hem gedood heeft.”
-
-»Dat is waar,” zeide de rechter, »maar houd u bedaard, mijne vrienden,
-de gerechtigheid zal hem wreken.”
-
-Dit woord werd door de omstanders met een spottenden glimlach
-aangehoord.
-
-De magistraat, zonder zich veel over den indruk, dien zijne woorden
-gemaakt hadden, te bekommeren, beval aan zijn gevolg, dat den
-overledene reeds doorzocht en geplunderd had; het lijk op te nemen en
-naar den ingang der naastbijzijnde kerk te brengen; vervolgens trad hij
-zijn huis binnen, zich vergenoegd de handen wrijvende.
-
-Tien sterk gewapende alguacils wachtten hem te paard aan de deur op;
-een bediende hield een prachtigen, zwarten hengst, die van ongeduld
-stampvoette, bij den toom. Don Inigo zette zich in den zadel, plaatste
-zich aan het hoofd zijner manschappen en de troep verwijderde zich.
-
-»Nu, nu,” zeiden de nieuwsgierigen, die in de buurt op den drempel
-hunner woningen post hadden gevat, »juez Albaceyte begeeft zich naar
-don Ramon Garillas, wij zullen morgen wat nieuws hebben.” »Caspita!”
-antwoordden anderen, »dat lieve zoontje van hem heeft den strop,
-waaraan hij zal opgehangen worden, niet gestolen; hij heeft hem eerlijk
-verdiend.”
-
-»Hm!” zeide een lepero met een spijtigen glimlach, »het zou jammer
-wezen, de schelm belooft wat te zullen worden, op mijn woord! De
-cuchillada (snede), die hij Cornejo heeft toegebracht, is heerlijk. De
-arme duivel is op een onberispelijke wijze van kant gemaakt.”
-
-De rechter vervolgde ondertusschen zijn weg en bevond zich weldra in
-het veld.
-
-Toen, zich in zijn mantel wikkelende, vroeg hij:
-
-»Zijn de wapens geladen?”
-
-»Ja, Excellentie,” antwoordde de hoofdman der alguacils.
-
-»Goed! naar de hacienda (hoeve) van don Ramon Garillas, en in een
-goeden draf; wij moeten er voor het aanbreken van den nacht zijn.”
-
-De troep zette zich in galop.
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-DE HACIENDA DEL MILAGRO.
-
-
-De omstreken van Hermosillo zijn ware woestijnen. De weg, die van deze
-stad naar de hacienda del Milagro (Wonderhoeve) voert, is vooral somber
-en dor.
-
-Slechts bij lange tusschenpoozen ziet men hier en daar eenige
-gomboomen, Peruboomen, konzenieljes en cactussen, de eenigste planten,
-die groeien kunnen op een door de loodrecht nedervallende stralen der
-zon verschroeiden bodem.
-
-Op geregelde afstanden vertoonen zich, als om den reiziger te
-bespotten, de lange houten balansen der regenbakken, met een verwrongen
-en hard geworden lederzak aan het eene en met steenen aan het andere
-eind; maar de regenbakken zijn uitgedroogd en op den bodem is niets
-meer dan een zwarte en modderige korst, waarin zich een tallooze
-menigte van ongedierte beweegt; wolken van fijn en alles doordringend
-stof, door de minste beweging in de lucht opgejaagd, dringen den
-vermoeiden reiziger in de keel en onder elke uitgedroogde grashalm
-roepen de krekels woedend den weldadigen nachtelijken dauw in.
-
-Maar als men na een lange worsteling met allerlei moeielijkheden, zes
-mijlen in deze verzengde woestijnen heeft afgelegd, vestigt het oog
-zich met wellust op een prachtige oase, die eensklaps als uit den
-schoot van het dorre zand schijnt omhoog ie rijzen.
-
-Dat Eden is de Hacienda del Milagro.
-
-Op het tijdstip, waarin ons verhaal ons verplaatst, bestond deze
-hacienda, een der rijkste en uitgestrektste der provincie, in een
-gebouw van twee verdiepingen, met muren van tapia en adobes (klei met
-stroo) en met een rieten dak.
-
-Men bereikte de hacienda door middel van een ontzaggelijk erf, welks
-ingang, een gewelfd portaal, verzekerd was met zware slagdeuren, aan
-welker eene zijde zich een sluippoort bevond. Aan de voorzijde telde
-men vier kamers, welker vensters met vergulde ijzeren spijlen en van
-binnen met jalousieën versierd waren; de ramen waren van glas, een
-ongehoorde weelde in dat land en in dien tijd; aan iedere zijde van het
-erf of patio bevonden zich de gemeenschappelijke woningen voor de
-peones (arbeiders), de kinderen enz.
-
-Gelijkvloers bestond het hoofdgebouw uit drie deelen. Eerst had men een
-soort van groote vestibule, met antieke leunstoelen en canapé’s met
-zittingen van cordova-leder, een konzenielje-houten tafel en eenige
-tabouretten; aan de muren hingen in vergulde lijsten verscheidene oude
-portretten, die de leden der familie levensgroot voorstelden; de zolder
-was met een menigte van reliëfs versierd.
-
-Een paar vleugeldeuren gaven toegang tot de zaal; recht tegenover het
-patio, was er langs den geheelen muur eene verhevenheid van een voet
-hoogte aangebracht; deze was met een tapijt bedekt en pronkte met eene
-rij kunstig gesneden en rijk geborduurde lage tabouretten, voor ieder
-waarvan een kussen om de voeten op te leggen; er was ook een klein
-vierkant tafeltje, achttien duim hoog, dat tot werktafeltje diende. Dit
-gedeelte van de zaal is bestemd voor de dames, die er zich op de wijze
-der Mooren met gekruiste beenen nederzetten; aan den anderen kant der
-zaal bevinden zich stoelen, met zittingen evenzoo geborduurd als de
-tabouretten en kussens; tegenover den ingang der zaal was een andere
-deur, waardoor men in de voornaamste slaapkamer kwam; hier zag men een
-alcove, waarin op eene verhevenheid een paradebed was geplaatst,
-versierd met eene menigte verguldsels en gordijnen van gebloemde zijde.
-De lakens en sloopen waren van het fijnste linnen en met breede kant
-omzoomd.
-
-Achter het hoofdgebouw bevond zich een tweede patio, waar de keukens en
-het corral (hoenderhok) geplaatst waren; daarachter was een groote
-tuin, geheel ommuurd en meer dan honderd roeden lang, op engelsche
-wijze aangelegd, rijk aan allerlei vreemde boomen en planten.
-
-De hacienda vierde feest.
-
-Het was de tijd van de matanza del ganado (slacht): de peones
-(arbeiders) hadden op eenige schreden afstands een omheining gemaakt,
-binnen welke zij de magere runderen van de vette afzonderden; de vetten
-werden een voor een weder naar buiten gejaagd, en door een vaquero, die
-met een snijdend werktuig gewapend aan den ingang stond, met één slag
-afgemaakt. Zoo deze bij ongeluk missloeg, hetgeen somwijlen gebeurde,
-was er een andere vaquero, die te paard het arme dier in galop
-vervolgde, de lasso om zijne horens sloeg en het vasthield, totdat de
-eerste het had gedood.
-
-Achteloos tegen de gaanderij der hacienda aangeleund, stond een man van
-omstreeks veertig jaar, in de rijke kleeding van een landedelman, de
-schouders bedekt met een veelkleurige zarape (wollen shawl) en het
-hoofd beveiligd voor de laatste stralen der ondergaande zon door een
-hoed van fijn Panama-stroo, die, onder het rooken van een maïs-cigaar,
-het opzicht scheen te houden over dit tooneel.
-
-Het was een lang man, van verheven gestalte, welgevormd, met scherpe
-maar schoone gelaatstrekken, die eerlijkheid en moed, maar vooral een
-ijzeren wil verraadden. Zijne groote, zwarte oogen, door zware
-wenkbrauwen overschaduwd, hadden een onvergelijkelijk zachte
-uitdrukking; maar, als wrevel zijn bruine gelaatskleur met een rooden
-gloed overtoog, nam zijn blik eene onverzettelijkheid en eene kracht
-aan, die niemand kon weerstaan en die den dapperste deden aarzelen en
-beven.
-
-Hij had bovendien dat aristocratisch uiterlijk, waaraan men bij den
-eersten oogopslag den afstammeling van een zuiver en edel castiliaansch
-geslacht herkent.
-
-En inderdaad, deze man was don Ramon Garillas de Sevedar, de eigenaar
-van de hacienda del Milagro, die wij zoo pas beschreven hebben.
-
-Don Ramon Garillas stamde af van een spaansch geslacht, welks stamvader
-een der voornaamste luitenants van Cortes was geweest en dat zich in
-Mexico gevestigd had, na de wonderbare verovering van dat land door
-dien fortuinzoeker.
-
-In het bezit van een vorstelijk vermogen, maar wegens zijn huwelijk met
-eene vrouw van gemengd Aztekisch ras door de spaansche aristocratie
-verstooten, had hij zich geheel en al aan het bebouwen van zijn land en
-aan de verbetering zijner uitgestrekte goederen overgegeven.
-
-Na zeventien jaar gehuwd te zijn geweest, was hij thans het hoofd van
-een talrijk huisgezin, bestaande uit zes jongens en drie meisjes, in
-het geheel negen kinderen, waarvan Rafaël, dien wij straks ontmoet
-hebben, toen hij den vaquero zoo knaphandig afmaakte, de oudste was.
-
-Het huwelijk van don Ramon en doña Jesusita was een huwelijk geweest
-uit speculatie, alleen met het oog op het geld gesloten, maar dat
-beiden toch betrekkelijk gelukkig maakte; wij zeggen betrekkelijk, want
-daar het meisje het klooster verlaten had om te trouwen, had er nimmer
-liefde tusschen hen bestaan, maar was deze vervangen geworden door eene
-teedere en oprechte genegenheid.
-
-Doña Jesusita bracht haar tijd door met te midden van hare indiaansche
-vrouwen voor hare kinderen te zorgen; haar echtgenoot van zijn kant was
-den geheelen dag bezig met zijne vaqueros, peones en jagers en zag
-zijne vrouw slechts enkele oogenblikken gedurende den maaltijd, terwijl
-hij soms maanden achtereen uitbleef om een jachtpartij aan de oevers
-van de Rio Gila bij te wonen. Wij moeten er echter bijvoegen, dat,
-afwezig of niet, don Ramon steeds met de grootste nauwkeurigheid zorg
-droeg, dat er niets ontbrak aan het welzijn van zijne vrouw en dat aan
-hare minste grillen werd voldaan, terwijl hij noch geld, noch moeite
-spaarde om haar alles te bezorgen, wat zij scheen te verlangen.
-
-Doña Jesusita was betooverend schoon en van een engelachtig humeur; zij
-scheen, zoo niet met blijdschap, dan toch zonder al te veel verdriet de
-levenswijze aangenomen te hebben, waarin haar man haar genoodzaakt had
-zich te schikken; maar uit de diepte van haar groot, zwart, kwijnend
-oog, uit de bleekheid van hare trekken en vooral uit de wolk van
-droefheid, die voortdurend haar schoon voorhoofd met een matte
-bleekheid overtrok, was het niet moeilijk op te maken, dat er in dat
-verleidelijk marmerbeeld eene gloeiende ziel was opgesloten en dat dat
-hart, dat zich zelf niet kende, al zijne gedachten gericht had op hare
-kinderen, waaraan zij hing met al de kracht der moederlijke liefde.
-
-Wat don Ramon betreft, altijd even goed en voorkomend voor zijne vrouw,
-die hij zich nooit de moeite had gegeven om te besturen, veel min te
-regeeren, hij had het recht om haar voor het gelukkigste schepsel van
-de wereld te houden; en zij was het inderdaad, sedert zij moeder werd.
-
-De zon was voor eenige oogenblikken ondergegaan; de lucht verloor
-langzamerhand haar purpertint en werd hoe langer hoe donkerder; onder
-het gewelf des hemels begonnen reeds eenige sterren te schitteren en de
-avondwind verhief zich met eene kracht, die tegen den nacht een van die
-vreeselijke onweders voorspelde, welke in deze gewesten zoo dikwijls
-losbarsten.
-
-De mayoral (hofmeester), na met zorg het overblijvende ganado (vee)
-binnen de omheining te hebben doen opsluiten, verzamelde de vaqueros en
-peones en allen richtten zich naar de hacienda, waar de avondmaalsklok
-hen waarschuwde, dat het uur der rust eindelijk was aangebroken.
-
-Toen de mayoral het laatst binnentrad en een buiging maakte voor zijn
-meester, vroeg deze hem:
-
-»Nu, nô Eusébio, hoeveel koppen hebben wij dit jaar?”
-
-»Vierhonderd vijftig mi amo (mijn meester),” antwoordde de mayoral, een
-groot, ernstig, mager man, met grijzende haren en een gezicht zoo geel
-en uitgedroogd als een stuk oud perkament, terwijl hij zijn paard
-inhield en zijn hoed afnam, »dat is te zeggen: vijf en zeventig meer
-dan verleden jaar; onze buren de jaguars en de Apachen hebben ons van
-’t jaar niet veel schade berokkend.”
-
-»Dank zij uwer waakzaamheid, nô Eusébio,” hernam don Ramon; »ik zal
-haar niet onbeloond laten.”
-
-»Mijn beste belooning is het goede woord, dat Uw Genade mij ten beste
-geeft,” antwoordde de mayoral, wiens ruw gelaat eensklaps ophelderde;
-»is het niet mijn plicht voor al het uwe met dezelfde zorgvuldigheid te
-waken, alsof het het mijne ware?”
-
-»Ik dank u,” zeide de edelman bewogen en de hand zijns dienaars
-drukkende, »ik weet, dat gij u geheel aan mij hebt toegewijd.”
-
-»In leven en in sterven, meester; mijne moeder heeft u gezoogd, ik
-behoor u en de uwen toe.”
-
-»Kom, kom! nô Eusébio,” zeide de hacendero opgeruimd, »het souper is
-gereed, de señora is zeker reeds aan tafel, laten wij haar niet langer
-laten wachten.”
-
-Daarop traden beiden binnen het patio en nô Eusébio, zooals don Ramon
-hem genoemd had, maakte zich gereed om de deuren te sluiten.
-
-Ondertusschen trad don Ramon de eetzaal der hacienda binnen, waar al de
-vaqueros en peones reeds bijeen waren.
-
-Deze eetzaal bevatte een ontzaglijk groote tafel, die geheel het
-middenvak besloeg; daaromheen waren banken geplaatst met lederen
-zittingen en twee gebeeldhouwde leunstoelen voor don Ramon en de
-señora. Achter de leunstoelen hing aan den muur een ivoren
-Christusbeeld van vier voet hoogte, midden tusschen twee schilderijen,
-waarvan de eene Jezus in Gethsemané en de andere de prediking op den
-berg voorstelde. Hier en daar grijnsden u van de gewitte muren
-jaguars-, buffels-, of hertenkoppen tegen, die de hacendero (eigenaar
-der hacienda) op de jacht gedood had.
-
-De tafel was rijkelijk voorzien met lahua (een dikke soep van gekookt
-maïsmeel met vleesch), puchero of olla podrida en pépian; op gelijke
-afstanden stonden flesschen met mezkal en karaffen met water.
-
-Op een gegeven teeken van den hacendero nam het maal een aanvang.
-
-Weldra barstte het onweder los. De regen viel bij stroomen neder, elk
-oogenblik deden felle bliksemstralen de lichten in de zaal verbleeken
-en zware donderslagen den grond dreunen.
-
-Tegen het einde van het maal klom de orkaan tot zulk eene hevigheid,
-dat het gedruisch der elementen het spreken onmogelijk maakte.
-
-De donder ratelde met eene ontzettende kracht; een rukwind drong met
-geweld de zaal binnen, verbrijzelde een venster en doofde al de lichten
-uit; allen die tegenwoordig waren kruisten zich al bevend.
-
-Tegelijk weergalmde de bel van de poort der hacienda en eene stem, die
-niets menschelijks had, riep tweemaal achtereen:
-
-»Help!... help!.....”
-
-»Jezus Christus!” riep don Ramon uit, terwijl hij met één sprong de
-zaal uit was, »er wordt iemand op de vlakte vermoord.”
-
-Er werden op hetzelfde oogenblik twee geweerschoten gehoord, een
-akelige gil doorsneed de lucht en daarna verviel alles in een sombere
-stilte.
-
-Eensklaps verlichtte eene heldere bliksemstraal de duisternis, de
-donder ratelde met veel geweld en don Ramon vertoonde zich wederom op
-den drempel der zaal, met een man, die in onmacht gevallen was, in
-zijne armen.
-
-De vreemdeling werd op een bank gelegd, men verdrong zich om hem heen.
-Het gezicht van dien man had niets buitengewoons, evenmin als zijne
-kleeding, en toch, toen hij hem bemerkte, kon Rafaël, de oudste zoon
-van don Ramon, een gebaar van schrik niet weêrhouden en zijn gelaat
-werd bleek als dat van een doode.
-
-»O!” mompelde hij zacht, »de juez de letras!...”
-
-Inderdaad, het was de waardige rechter, dien wij met een zoo sierlijk
-gevolg Hermosillo zagen verlaten. Zijne lange, natte haren vielen op
-zijn borst, zijne kleederen waren in wanorde geraakt, op menige plaats
-gescheurd en met bloed bevlekt. Zijne rechterhand hield de kolf van een
-afgeschoten pistool stijf omklemd.
-
-Don Ramon had den juez de letras ook herkend en onwillekeurig een blik
-op zijn zoon geworpen, dien deze niet kon doorstaan.
-
-De rechter, dank zij der zorgen hem door doña Jesusita en hare vrouwen
-bewezen, kwam spoedig weder bij, slaakte een diepen zucht, opende een
-paar woeste oogen, die hij over de omstanders liet gaan zonder nog iets
-te zien, en herkreeg langzamerhand zijn bewustzijn.
-
-Eensklaps deed een levendig rood zijn even te voren zoo bleek voorhoofd
-kleuren; zijne oogen schitterden, terwijl hij op Rafaël een blik wierp,
-die dezen aan den grond vastnagelde en aan een onverwinnelijke vrees
-ten prooi liet.
-
-Daarna hief hij zich met moeite op, trad naar den jongeling die hem zag
-aankomen, zonder hem te durven ontwijken, legde hem ruw de hand op den
-schouder, en vervolgens zich tot de verschrikte peones wendende, die
-van dit alles niets begrepen, zeide hij op plechtigen toon:
-
-»Ik, don Inigo tormentos d’ Albaceyte, juez de letras der stad
-Hermosillo, arresteer in naam des Konings dezen man, overtuigd van
-moord!....”
-
-»Genade!” riep Rafaël, zich op de knieën werpende en wanhopig de handen
-vouwende.
-
-»Wee mij!”—gilde de arme moeder in zwijm vallende.
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-HET VONNIS.
-
-
-Den volgenden dag rees de zon prachtig aan de kimmen. Het onweder van
-dien nacht had den bewolkten horizont schoongeveegd; de vogels
-fladderden en zongen onder de bladeren verborgen; geheel de natuur had
-haar gewoon feestelijk aanzien herkregen.
-
-De klok van de hacienda del Milagro liet hare heldere slagen hooren; de
-peones begonnen zich in alle richtingen te verspreiden, deze om de
-paarden te laten grazen, gene om het rundvee naar de kunstmatige weiden
-te voeren, andere wederom, die zich naar den akker begaven, terwijl nog
-anderen zich in het patio onledig hielden met het melken der koeien en
-het herstellen der door het onweder veroorzaakte schade.
-
-De eenige sporen, van den nachtelijken storm overgebleven, waren twee
-prachtige jaguars, die dood voor de deur lagen uitgestrekt, niet ver
-van het half verscheurde lijk van een paard.
-
-Nô Eusébio, die in het patio heen en weer wandelde en een wakend oog
-hield over allen, die daar aan het werk waren, liet het rijke tuig van
-het doode paard wegnemen en schoonmaken en gaf bevel om de jaguars het
-vel af te stroopen. Zijn bevel werd in een oogwenk volbracht.
-Desniettemin was nô Eusébio niet op zijn gemak; don Ramon, gewoonlijk
-het eerst op in de hacienda, was nog niet verschenen.
-
-Den vorigen avond, na de verpletterende aanklacht door den juez de
-letras tegen den oudsten zoon van den hacendero uitgebracht, had deze
-zijne dienaars gelast zich te verwijderen en na zelf, ondanks de tranen
-en gebeden zijner vrouw, zijn zoon stevig gekneveld te hebben, had hij
-don Inigo d’ Albaceyte in eene achterkamer der hoeve gebracht, waar
-beiden tot laat in den nacht hun verblijf hielden.
-
-Wat was er voorgevallen gedurende dat onderhoud, dat beslist moest
-hebben over het lot van Rafaël? Niemand wist het, nô Eusébio evenmin
-als de anderen.
-
-Na vervolgens don Inigo naar zijn slaapvertrek geleid en hem een goeden
-nacht gewenscht te hebben, had don Ramon zich bij zijn zoon vervoegd,
-bij wien de arme moeder nog altijd zat te schreien. Zonder een woord te
-spreken had hij den knaap in zijne armen genomen en in zijne slaapkamer
-gebracht, waar hij hem op den grond naast zijn ledikant had
-nedergelegd, vervolgens had de hacendero de deur op het nachtslot
-gedaan en was hij gaan liggen, met twee pistolen naast zijn
-hoofdkussen. Op die wijze was de nacht voorbijgegaan, terwijl vader en
-zoon in het donker elkander met woeste, vurige blikken lagen aan te
-staren en de arme moeder neergeknield lag op den drempel der kamer,
-waartoe haar de ingang was ontzegd, in stilte weenende om haar
-eerstgeborene, die, gelijk haar voorgevoel haar zeide, haar eerlang
-voor altijd zou ontnomen worden.
-
-»Hm!” mompelde de mayoral, »wat moet er van dat alles komen? Don Ramon
-is geen man om iets door de vingers te zien, hij zal geen verdrag
-sluiten met zijne eer. Zal hij zijn zoon aan het gerecht overleveren?
-Neen! dat niet.—Maar wat zal hij dan doen?”
-
-De waardige mayoral was zoover met zijne overdenkingen gekomen, toen
-don Inigo d’Albaceyte en don Ramon in het patio verschenen.
-
-Het gelaat der twee mannen was ernstig, dat van den hacendero vooral
-was somber als de nacht.
-
-»Nô Eusébio,” zeide don Ramon, »laat een paard zadelen en een geleide
-van vier man opzitten om dezen heer naar Hermosillo te brengen.”
-
-De mayoral boog eerbiedig en gaf onmiddellijk de noodige bevelen.
-
-»Ik bedank u duizendmaal,” ging don Ramon voort, zich tot den rechter
-wendende, »gij redt de eer van mijn huis.”
-
-»Wees mij niet zoo dankbaar, mijnheer,” antwoordde don Inigo, »ik zweer
-u, dat, toen ik gisteren avond de stad verliet, ik geen ander doel had
-dan u welgevallig te zijn.”
-
-De hacendero maakte eene beweging met zijn hand.
-
-»Stel u in mijne plaats, ik ben vóór alles strafrechter; men vermoordt
-iemand, een slechten knaap, dat stem ik u toe, maar toch een mensch,
-alhoewel van de minste soort; de moordenaar is bekend, hij rijdt in
-galop door de stad op klaarlichten dag, voor aller oogen, met een
-ongeloofelijke onbeschaamdheid; wat moest ik doen? Natuurlijk hem
-vervolgen. Ik heb dan ook niet geaarzeld dit te doen.”
-
-»Dat is zoo,” mompelde don Ramon, het hoofd latende hangen.
-
-»En ’t is mij slecht bekomen; de schelmen die mij vergezelden hebben
-mij, toen het onweder het zwaarst was, als lafaards verlaten, om zich,
-ik weet niet waar, te verbergen; tot overmaat van smart begonnen twee
-jaguars, overigens prachtige dieren, mij te vervolgen; zij kwamen mij
-zóó nabij, dat ik vóór uwe deur van mijn paard ben gevallen; één heb ik
-er wel is waar gedood, maar de andere stond juist op het punt mij te
-verscheuren, toen gij mij te hulp kwaamt. Mocht ik daarna den zoon
-arresteeren van den man, die mij het leven had gered op gevaar van het
-zijne te verliezen? Dat zou de zwartste ondankbaarheid geweest zijn.”
-
-»Nogmaals dank daarvoor!”
-
-»Geen dank, wij hebben afgerekend, dat is alles. Ik spreek niet van
-eenige duizenden piasters, die gij mij gegeven hebt, omdat zij dienen
-zullen om mijne lieden den mond te stoppen; maar geloof mij, don Ramon,
-bewaak uw zoon; zoo hij eens weder in mijne handen viel, zou ik hem
-niet kunnen redden.”
-
-»Wees gerust, don Inigo, mijn zoon zal niet weder in uwe handen
-vallen.”
-
-De hacendero sprak deze woorden op een zoo somberen toon uit, dat de
-rechter zich sidderend omwendde.
-
-»Wees voorzichtig en bedenk wat gij doen gaat!” zeide hij.
-
-»O, vrees niets,” antwoordde don Ramon; »maar daar ik niet verkies, dat
-mijn zoon op het schavot komt en mijn naam door het slijk sleurt, zoo
-zal ik er orde op weten te stellen.”
-
-Op dit oogenblik werd het paard voorgebracht.—De juez de letras zette
-zich in den zadel.
-
-»Nu, vaarwel! don Ramon,” zeide hij op een genadigen toon, »wees
-voorzichtig, dat jonge mensch kan zich verbeteren, hij heeft maar wat
-vurig bloed in de aderen, dat is alles.”
-
-»Vaarwel, don Inigo d’Albaceyte,” antwoordde de hacendero kortaf.
-
-De rechter schudde het hoofd, en nu zijn paard de sporen gevende, reed
-hij op een draf weg, gevolgd door zijn escorte. De hacendero volgde hem
-met de oogen, zoolang hij kon, toen trad hij de hacienda wederom
-binnen.
-
-»Nô Eusébio,” zeide hij tot den mayoral, »luid de klok om de peones en
-de overige bedienden der hacienda bijeen te roepen.”
-
-De mayoral, na zijn meester verbaasd te hebben aangestaard, haastte
-zich, het ontvangen bevel ten uitvoer te brengen.
-
-»Wat beteekent dat alles!” zeide hij.
-
-Op het gelui der klok, kwamen al de lieden der hacienda aanloopen, niet
-wetende waaraan zij de buitengewone oproeping moesten toeschrijven.
-
-Weldra waren zij vereenigd in de groote zaal, die tot eetzaal had
-gediend. Er heerschte onder hen een volmaakte stilte. Een bange vrees
-beklemde hun hart. Zij hadden een voorgevoel, dat er iets vreeselijks
-gebeuren zou.
-
-Na eenige minuten gewacht te hebben, trad doña Jesusita omringd van
-hare kinderen met uitzondering van Rafaël binnen en nam plaats op eene
-verhevenheid aan het einde der zaal.
-
-Haar aangezicht was bleek, hare roode oogen toonden, dat zij geweend
-had.
-
-Don Ramon verscheen.
-
-Hij droeg een zwart fluweelen kleed, zonder borduursel, op zijn borst
-hing een zware gouden keten; een zwart vilten hoed met breeden rand,
-versierd met een arendsveder, bedekte zijn hoofd; een lange degen met
-ijzeren gevest hing aan zijne linkerzijde.
-
-Zijn voorhoofd was gerimpeld, zijne wenkbrauwen waren gefronst boven
-zijne zwarte, vlammenschietende oogen.
-
-Eene siddering doorliep de reien der omstanders.—Don Ramon Garillas
-verscheen als rechter.
-
-»Zou er recht gesproken worden? Maar over wien?”
-
-Toen don Ramon rechts van zijne vrouw plaats genomen had, gaf hij een
-teeken.
-
-De mayoral verwijderde zich en kwam een oogenblik later met Rafaël
-weder binnen.
-
-De jongeling was blootshoofds; zijne handen waren achter op zijn rug
-gebonden.
-
-Met neêrgeslagen oogen en verbleekt gelaat, plaatste hij zich voor zijn
-vader, dien hij eerbiedig groette.
-
-In den tijd, waarin dit verhaal ons verplaatst, vooral in de landen,
-die ver van eenige hoofdplaats verwijderd en blootgesteld waren aan de
-gedurige invallen der Indianen, hadden de hoofden der huisgezinnen nog
-in al zijne zuiverheid dat patriarchale gezag bewaard, dat onder den
-invloed der beschaving hoe langer hoe meer begint te verdwijnen.
-
-Een vader was souverein in zijn huis; zijne vonnissen waren zonder
-appél en werden steeds zonder tegenstand uitgevoerd.
-
-Die lieden der hacienda kenden het vaste karakter en den
-onverzettelijken wil van hun meester; zij wisten dat hij nooit vergaf,
-dat zijn eer hem dierbaarder was dan zijn leven; het was daarom met een
-onbeschrijfelijk gevoel van angst, dat zij zich gereed maakten om
-tegenwoordig te zijn bij het vreeselijk drama, dat er tusschen vader en
-zoon zou gespeeld worden.
-
-Don Ramon richtte zich op, liet een somberen blik over de vergadering
-gaan, en zijn hoed op den grond werpende, zeide hij langzaam en met den
-klemtoon op iedere lettergreep.
-
-»Luistert allen; ik ben van een oud christelijk geslacht; mijne
-voorouders hebben zich nooit vergrepen; de eer is in mijn huis altijd
-beschouwd geworden als het hoogste goed; die eer, die mijne vaderen mij
-zonder smet hebben overgeleverd en die ik getracht heb zuiver te
-bewaren, is door mijn oudsten zoon, den erfgenaam van mijn naam,
-onuitwischbaar geschandvlekt. Gisteren te Hermosillo, heeft hij,
-tengevolge van een twist in een speelhuis, een huis in brand gestoken,
-op gevaar af van de geheele stad aan de vlammen prijs te geven, en een
-man, die zich tegen zijne vlucht wilde verzetten, met een dolkstoot
-vermoord. Wat moet ik denken van een knaap, die zóó jong het karakter
-van een wild dier toont te hebben? Er moet recht gedaan worden en, zoo
-waarachtig als God leeft, ik zal gestreng zijn!”
-
-Na deze woorden kruiste don Ramon de armen over zijne borst en scheen
-dieper adem te halen.
-
-Niemand waagde het een woord uit te spreken ten gunste van den
-beschuldigde; aller oog was ter aarde geslagen, aller borst hijgde.
-
-Rafaël was bemind door al de bedienden van zijn vader wegens zijne
-onverschrokkenheid, die geen palen kende; wegens zijne behendigheid in
-het behandelen van paard en wapenen; en meer dan dit alles, wegens de
-rondborstigheid en de goedheid, die de hoofdtrekken van zijn karakter
-waren. In dit land vooral, waar het leven van een mensch zoo weinig
-geteld wordt, was ieder innig geneigd om den knaap te verontschuldigen
-en om in de gepleegde misdaad slechts een gevolg te zien van verhit
-bloed en opgewekten toorn.
-
-Doña Jesusita richtte zich op; zij had zich altijd zonder morren
-gebogen voor den wil van haar man, dien zij sedert lange jaren gewoon
-was te eerbiedigen; het denkbeeld alleen van hem weêrstand te bieden,
-verschrikte haar en deed haar een huivering door de leden gaan; maar al
-de kracht van hare liefde had zich in haar hart op één punt vereenigd:
-zij aanbad hare kinderen, bovenal Rafaël die wegens zijn ontembaar
-karakter, meer dan de anderen, de zorgen eener moeder noodig had.
-
-»Mijnheer,” zeide zij tot haar echtgenoot met een bedrukte stem,
-»bedenk dat Rafaël uw eerstgeborene is, dat zijn misdrijf, hoe zwaar in
-uwe oogen, niet geheel zonder verontschuldiging zijn kan, dat gij zijn
-vader zijt, en dat ik!—ik! riep zij uit, op de knieën vallende, de
-handen vouwende en in tranen uitbarstende,—dat ik uw medelijden inroep;
-genade, mijnheer! genade voor mijn zoon!”
-
-Don Ramon richtte zijn vrouw met koele plechtstatigheid op en dwong
-haar om weder plaats te nemen.
-
-»Het is vooral als vader,” zeide hij, »dat mijn hart zonder medelijden
-zijn moet!... Rafaël is een moordenaar en een brandstichter, hij is
-mijn zoon niet meer!”
-
-»Wat wilt gij met hem doen?” riep doña Jesusita angstig uit.
-
-»Wat gaat het u aan, mevrouw?” antwoordde don Ramon heftig, »de zorg
-voor mijne eer betreft mij alléén; het zij u genoeg te weten dat dit
-misdrijf het laatste is dat uw zoon begaan zal.”
-
-»O,” riep zij met schrik, »wilt gij dan zijn beul zijn?...”
-
-»Ik ben zijn rechter,” hernam de onverzoenlijke edelman op vreeselijken
-toon. »Nô Eusébio, zadel twee paarden!”
-
-»God, mijn God!” gilde de arme vrouw, naar haar zoon ijlende, dien zij
-met haar armen omklemde, »zal dan niemand mij te hulp komen!”
-
-Al de omstanders waren bewogen. Don Ramon zelf kon een traan niet
-weêrhouden.
-
-»O,” riep de moeder verheugd, »hij is gered! God heeft het hart van
-dezen ijzeren man vermurwd!”
-
-»Gij vergist u, mevrouw,” viel don Ramon haar in de rede, haar norsch
-terugstootende; »uw zoon behoort niet aan mij, maar aan mijne
-gerechtigheid!”
-
-Toen op zijn zoon een blik werpende, koud als het lemmer van zijn
-zwaard, zeide hij op een toon, die den knaap zijns ondanks deed
-sidderen.
-
-»Don Rafaël, van dezen oogenblik afaan maakt gij geen deel meer uit van
-deze maatschappij, die gij tot een schrik zijt geweest; ik veroordeel u
-om met de wilde dieren te leven en te sterven.”
-
-Bij dit verschrikkelijk vonnis deed doña Jesusita eenige wankelende
-stappen, en viel toen voorover op den grond in zwijm.
-
-Rafaël had tot nu toe met veel moeite in zijn hart de aandoeningen
-onderdrukt, die hem bewogen, maar nu kon hij zich niet langer
-weêrhouden; hij vloog naar zijne moeder in tranen wegsmeltende, en een
-hartverscheurenden gil uitstootende, riep hij: »Moeder! Moeder!”
-
-»Kom!” zeide don Ramon, hem de hand op den schouder leggende.
-
-De knaap waggelde als een beschonken mensch.
-
-»Zie toch, mijnheer! maar zie dan toch!” riep hij snikkend uit, »mijne
-moeder sterft!”
-
-»Gij zijt het die haar gedood hebt,” antwoordde de hacendero koel.
-
-Rafaël keerde zich om alsof een slang hem gebeten had; hij sloeg op
-zijn vader een vreemdsoortigen blik, en met op elkander gesloten
-tanden, en bleek voorhoofd zeide hij tot hem:
-
-»Dood mij, mijnheer, want ik zweer u, dat evenals gij zonder medelijden
-voor mijne moeder en voor mij zijt geweest, ik zoo lang ik leef zonder
-medelijden voor u zal zijn!”
-
-Don Ramon wierp hem een verachtelijken blik toe.
-
-»Laat ons gaan,” zeide hij.
-
-»Laat ons gaan,” herhaalde de knaap, op vasten toon. Doña Jesusita, die
-begon te herleven, werd als in een droom het vertrek van haren zoon
-gewaar.
-
-»Rafaël! Rafaël!” riep zij op zielroerenden toon uit.
-
-De jongeling aarzelde een seconde, toen kwam hij met één sprong bij
-haar, omhelsde haar teeder, en daarop tot zijn vader gaande, zeide hij:
-
-»Nu kan ik sterven, ik heb mijne moeder vaarwel gezegd!”
-
-Zij vertrokken.
-
-De omstanders gingen uiteen zonder elkander hunne gedachten te durven
-mededeelen, maar ter prooi aan eene diepe smart.
-
-Onder de omhelzingen van haar zoon had de moeder op nieuw hare kennis
-verloren.
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-DE MOEDER.
-
-
-Twee paarden, door nô Eusébio bij den toom gehouden, wachtten aan de
-deur der hacienda.
-
-»Zal ik uwe genade vergezellen?” vroeg de mayoral.
-
-»Neen!” antwoordde de hacendero koel.
-
-Hij zette zich in den zadel en plaatste zijn zoon dwars voor zich.
-
-»Breng dat tweede paard weg,” zeide hij, »dat heb ik niet noodig.”
-
-En zijn paard de sporen gevende rende hij in vollen draf weg.
-
-De mayoral trad weder in huis, treurig het hoofd schuddende.
-
-Zoodra de hacienda achter eene kromte van den weg uit het gezicht
-verdwenen was, stond don Ramon stil, haalde een zijden doek uit zijn
-zak, bond dien voor de oogen van zijn zoon zonder hem een woord toe te
-voegen, en ging weder voort.
-
-Deze rid in de woestijn duurde lang; zij had iets verschrikkelijks, dat
-het hart deed bloeden.
-
-Die zwarte ruiter, zwijgend over het zand heendravend, op zijn zadel
-een gebonden knaap medevoerende, wiens zenuwachtige trillingen alléén
-bewezen dat hij nog leefde, maakte een treurige en vreemde vertooning,
-die den dapperste zou hebben doen sidderen.
-
-Vele uren gingen voorbij zonder dat er een woord tusschen vader en zoon
-gewisseld werd; de zon begon onder te gaan, er verschenen reeds eenige
-sterren aan het sombere blauw des hemels, het paard liep nog altijd.
-
-De woestijn werd van oogenblik tot oogenblik treuriger en somberder;
-elk spoor van plantengroei was verdwenen, hier en daar alleen
-vertoonden zich in het zand enkele hoopen van door den tijd verbleekte
-beenderen; de roofvogels vlogen langzaam boven het hoofd van den
-ruiter, en in de geheimzinnige diepte der chaparals (steeneikwouden)
-deden de wilde dieren, bij het naderen van den avond, hun dof gebrul
-hooren.
-
-In deze gewesten is bijna geen schemering; zoodra de zon ondergaat is
-het nacht.
-
-Don Ramon draafde altoos voort.
-
-De zoon had geen enkele bede tot hem gericht, had geen enkele klacht
-doen hooren.
-
-Eindelijk, tegen acht uur des avonds hield de ruiter zijn paard in.
-Deze koortsachtige rid had tien uren geduurd. Het paard reutelde en
-waggelde met iederen stap.
-
-Don Ramon sloeg een blik om zich heen; een glimlach van vergenoegen
-plooide zijne lippen. Aan alle kanten vertoonde de woestijn hare
-onmetelijke zandvlakten; eensklaps ontplooiden de eerste grenzen van
-een maagdelijk woud aan den horizont, hare grillige vormen, op eene
-onheilspellende wijze afstekend bij het overige landschap.
-
-Don Ramon stapte af, zette zijn zoon op den grond, ontdeed zijn paard
-van het gebit, opdat het vermoeide dier eenig voedsel zou kunnen
-gebruiken, dat hij hem gaf; vervolgens, toen hij met de grootste
-koelbloedigheid zich van al deze zorgen gekweten had, naderde hij zijn
-zoon, en deed hem den blinddoek af.
-
-De knaap bleef onbewegelijk staan, en richtte een diepen, kouden blik
-op zijn vader.
-
-»Mijnheer,” zeide don Ramon tot hem, »gij zijt hier meer dan twintig
-mijlen van mijne hacienda verwijderd, waarin gij, op straffe des doods,
-geen voet meer zult mogen zetten; van dit oogenblik afaan zijt gij
-alleen, zonder vader, zonder moeder, zonder familie: omdat gij een wild
-dier zijt, veroordeel ik u, om met de wilde dieren te leven; mijn
-besluit is onherroepelijk, uwe gebeden zouden ze niet kunnen
-veranderen, bespaar die dus.”
-
-»Ik bid niet tot u,” antwoordde het kind op doffen toon; »men bidt niet
-tot zijn beul.”
-
-Don Ramon sidderde; hij deed eenige passen heen en weêr met
-koortsachtige aandoening; maar zich bijna onmiddellijk herstellende,
-ging hij voort:
-
-»Zie hier, in dezen zak, levensmiddelen voor twee dagen; ik laat u deze
-buks met getrokken loop, die in mijne hand nooit haar doel gemist
-heeft; ik geef u ook deze pistolen, deze machete (kleine sabel), dit
-mes, deze bijl; in deze buffelhorens zijn kruit en kogels; gij zult in
-den knapzak een vuurslag vinden en al wat gij noodig hebt om vuur te
-maken; ik heb er een bijbel van uwe moeder bijgevoegd. Gij zijt dood
-voor de maatschappij, waarin gij niet moogt terugkeeren; de woestijn
-ligt voor u; zij behoort u toe; wat mij betreft, ik heb geen zoon meer,
-vaarwel! De Heer zij u genadig, tusschen ons is voortaan alles uit: gij
-blijft alleen en zonder familie; het is nu uwe zaak een tweede bestaan
-te beginnen en in uwe behoeften te voorzien. De Voorzienigheid verlaat
-nooit hen, die hun vertrouwen op Haar vestigen; zij alleen zal voortaan
-over u waken.”
-
-Na deze woorden te hebben uitgesproken, deed don Ramon met een
-onbewogen gelaat, zijn paard het gebit weder aan, gaf zijn zoon de
-vrijheid, zette zich in den zadel, en vloog weg als een pijl uit den
-boog.
-
-Rafaël richtte zich op de knieën op, boog het hoofd voorover, luisterde
-angstig naar den snellen hoefslag van het paard, en volgde met de
-oogen, zoo lang hij kon, de noodlottige schaduw, die zwart afstak bij
-de heldere stralen der maan; daarna, toen de ruiter eindelijk in de
-duisternis verdwenen was, bracht de knaap de hand aan zijne borst, een
-onbeschrijfelijke uitdrukking van smart verwrong zijne trekken, en hij
-riep:
-
-»Moeder!.... Moeder!....”
-
-Hij viel bezwijmd op het zand neder.
-
-Na een geruimen tijd te zijn voortgereden, verminderde don Ramon
-ongemerkt den draf, zijns ondanks het oor leenende aan de verwarde
-geluiden der woestijn, angstig luisterende, zonder zich nauwkeurig
-rekenschap te geven van de redenen, die hem aldus deden handelen, maar
-misschien wel in afwachting van het geroep zijns zoons, om tot hem
-weder te keeren. Tweemaal zelfs trok zijne hand werktuigelijk aan den
-teugel, als of hij gehoorzaamde aan de geheime stem, die hem gebood
-terug te gaan; maar de hoogmoed van zijn geslacht was sterker, en hij
-reed door.
-
-De zon ging op, toen don Ramon de hacienda bereikte.
-
-Twee menschen stonden aan de poort zijne terugkomst af te wachten.
-
-De eene was doña Jesusita, de andere de mayoral. Op het zien zijner
-vrouw, bleek en ontroerd als zij was, terwijl zij als het beeld der
-verlatenheid voor hem stond, voelde de hacendero zijn hart beklemmen,
-hij wilde voorbij gaan.
-
-Doña Jesusita deed twee passen en den teugel grijpende, zeide zij op
-hartroerenden toon:
-
-»Don Ramon, wat hebt gij met mijn zoon gedaan?” De hacendero antwoordde
-niet; de smart zijner vrouw ziende, vroeg hij zich zelven in stilte af,
-of hij werkelijk het recht had, om te handelen, gelijk hij gedaan had.
-
-Doña Jesusita wachtte te vergeefs op antwoord. Don Ramon zag zijne
-vrouw aan; hij werd bang, toen hij de onuitwischbare sporen van
-verdriet op dat eens zoo kalm en rustig gelaat bespeurde. De edele
-vrouw was bleek als een doode; hare gelaatstrekken hadden een
-onverbiddelijke gestrengheid aangenomen, hare van koorts brandende
-oogen waren rood en zonder tranen, twee blauwe, diepe kringen maakten
-ze hol en wild; eene breede vlek teekende op hare wangen het spoor, dat
-de tranen, wier bron verdroogd was, hadden achtergelaten; zij kon niet
-meer schreien, hare stem was rauw en onregelmatig, haar beklemde borst
-hijgde onder elke ademhaling.
-
-Na eenige seconden op antwoord gewacht te hebben, herhaalde zij:
-
-»Don Ramon, wat hebt gij met mijn zoon gedaan?”
-
-De hacendero wendde verlegen het hoofd af.
-
-»O, gij hebt hem gedood!” riep zij uit met een hartverscheurenden gil.
-
-»Neen....” antwoordde hij, verschrikt door zooveel smart, voor het
-eerst in zijn leven het gezag erkennende van eene moeder, die
-rekenschap vraagt van haar kind.
-
-»Wat hebt gij met hem gedaan?” herhaalde zij met meer aandrang.
-
-»Later,” zeide hij, »als gij bedaard zijt, zult gij alles weten.”
-
-»Ik ben bedaard,” antwoordde zij. »Waarom een medelijden geveinsd, dat
-gij niet bezit? Mijn zoon is dood, en gij hebt hem vermoord.”
-
-Don Ramon steeg af.
-
-»Jesusita,” zeide hij tot zijne vrouw, haar bij de hand nemende en
-teeder aanziende, »bij al wat er heilig is in de wereld zweer ik u, dat
-uw zoon leeft: ik heb geen haar van zijn hoofd gekrenkt.”
-
-De arme moeder bleef eenige oogenblikken nadenken.
-
-»Ik geloof u,” zeide zij toen; »wat is er van hem geworden?”
-
-»Welnu,” hernam hij aarzelend, »daar gij alles weten wilt, verneem dan
-dat ik uw zoon in de woestijn heb achtergelaten..... maar in het bezit
-van alles, wat zijne veiligheid verzekeren en aan zijne behoeften
-voldoen kan.”
-
-Doña Jesusita sidderde: een zenuwachtige rilling ging haar door de
-leden.
-
-»Gij zijt grootmoedig geweest,” zeide zij met bittere ironie; »gij zijt
-grootmoedig geweest jegens een kind van zestien jaar, don Ramon, het
-stuitte u tegen de borst om uwe handen in zijn bloed te wasschen; gij
-hebt deze taak liever willen overlaten aan de wilde dieren en aan de
-woeste Indianen, die alleen deze eenzame vlakten bewonen.”
-
-»Hij was schuldig!” antwoordde de hacendero, op doffen, maar vasten
-toon.
-
-»Een kind is nooit schuldig in het oog van haar, die het in haar schoot
-gedragen en met hare melk gevoed heeft,” zeide zij; »het is wel, don
-Ramon: gij hebt uw zoon veroordeeld, ik zal hem redden!”
-
-»Wat wilt gij doen?” riep de hacendero, verschrikt over de wilskracht,
-die hij in het oog zijner vrouw schitteren zag.
-
-»Wat gaat u dat aan, don Ramon? Ik zal mijn plicht vervullen, gelijk
-gij gemeend hebt den uwen te vervullen! God zal tusschen ons oordeelen!
-Beef voor den dag, waarop hij u rekenschap zal vragen van het bloed van
-uw kind!.....”
-
-Don Ramon boog het hoofd onder dit anathema; met een bleek gelaat en
-een knagend geweten trad hij langzaam de hacienda binnen. Doña Jesusita
-volgde hem een oogenblik met de oogen.
-
-»O, mijn God!” riep zij, »geef dat ik niet te laat kom!”
-
-Toen vertrok zij, gevolgd door nô Eusébio. Twee paarden wachtten hen
-achter een klein boschje. Zij zetten zich in den zadel.
-
-»Waarheen, señora?” vroeg de mayoral.
-
-»Naar mijn zoon,” antwoordde zij.
-
-De hoop scheen haar geheel veranderd te hebben. Een levendig inkarnaat
-kleurde haar de wangen; hare zwarte oogen flonkerden.
-
-Vier prachtige speurhonden, in dat land rastreros geheeten en afgericht
-om sporen te zoeken, werden door nô Eusébio losgemaakt; hij liet hun
-een kleed van Rafaël ruiken; de honden vlogen luid blaffende weg; nô
-Eusébio en doña Jesusita volgden hen, onder het wisselen van eenige
-hoopvolle blikken.
-
-De honden hadden geen moeite om het spoor te volgen; het liep recht,
-zonder te kronkelen; ook stonden zij geen oogenblik stil.
-
-Toen doña Jesusita op de plaats, waar Rafaël door zijn vader verlaten
-was, aankwam, vond zij er niemand!..... de knaap was verdwenen!
-
-De sporen van zijn verblijf waren duidelijk zichtbaar. Een vuur dat
-bijna uitgebrand was, bewees dat Rafaël nauwelijks een uur geleden deze
-plek verlaten had.
-
-»Wat te doen?” vroeg nô Eusébio angstig.
-
-»Voorwaarts!” antwoordde doña Jesusita vastberaden, haar paard de
-sporen gevende, dat hinnikend van woede zijn loop vervolgde.
-
-Nô Eusébio volgde haar.
-
-Des avonds van dien zelfden dag heerschten op de hacienda del Milagro
-de grootste schrik en ontsteltenis. Doña Jesusita en nô Eusébio waren
-niet teruggekomen.
-
-Don Ramon liet zijne manschappen opzitten. De peones en vaqueros, van
-toortsen voorzien, zochten overal rond naar hunne meesteres en naar den
-mayoral. De geheele nacht verliep, zonder eenige voldoende uitkomst te
-geven. Bij het aanbreken van den dag werd het paard van doña Jesusita
-half verscheurd in de woestijn terug gevonden. Het tuig ontbrak er aan.
-Het terrein rondom het doode paard scheen aan een woedend gevecht tot
-tooneel gediend te hebben. Don Ramon gaf wanhopig bevel om terug te
-keeren.
-
-»Mijn God!” riep hij bij het binnentreden der hacienda uit, »begint
-mijne straf reeds nu?”
-
-Dagen en weken, maanden en jaren verliepen zonder dat de geheimzinnige
-sluier, die deze treurige gebeurtenissen bedekte, ook maar even werd
-opgelicht: men kwam niets te weten van het lot van Rafaël, noch van dat
-zijner moeder of van nô Eusébio.
-
-
- EINDE VAN DE INLEIDING.
-
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-EDELHART.
-
-
-I.
-
-DE PRAIRIE.
-
-
-Ten westen van de Vereenigde Staten, strekt zich over een afstand van
-honderden mijlen, aan gene zijde van de Mississippi een onmetelijk
-grondgebied uit, dat tot op dezen dag onbekend en onbebouwd ligt, en
-waar noch het huis van den blanke, noch de hut van den Indiaan zich
-verheft. Deze uitgestrekte woestenij,—eene aaneenschakeling van sombere
-wouden, met ongebaande wegen, die er allengs door het voetspoor der
-wilde dieren werden gevormd, afgewisseld door onafzienbare groene
-prairiën met hoog en dicht gras, dat het minste windje doet
-golven,—wordt door ontzaglijke stroomen besproeid, waarvan de groote
-Canada-Rivier, de Arkansas en de Roode Rivier de voornaamste zijn.
-
-Op deze in plantengroei zoo rijke gronden zwerven tallooze kudden van
-wilde paarden, buffels, elands en langhorens rond, alsmede die
-duizenderlei soorten van dieren, welke de beschaving der overige deelen
-van Amerika van dag tot dag verder voortdrijft, en die in deze weiden
-hunne vroegere vrijheid wedervinden.
-
-Ook hebben de machtigste stammen der Indianen in deze landstreek hun
-jachtverblijf gevestigd. De Delawaren, de Cricks, de Osagen
-overschrijden de grenzen der woestijn in den omtrek der Amerikaansche
-koloniën, waarmede eenige zwakke banden van beschaving hen beginnen te
-vereenigen, worstelend tegen de horden der Pawnies, Zwartvoeten,
-Assiniboinen en Comanchen, onbedwongen volksstammen, zwervende inwoners
-der prairiën of der bergen die in alle richtingen deze wildernis
-doorkruisen, waarvan niemand hunner zich het bezit durft toeëigenen,
-maar die zij, met onderling goedvinden als het ware, verwoesten, zich
-in grooten getale tot de jacht vereenigend, alsof het een oorlog gold.
-
-En inderdaad, de vijanden, aan wier ontmoeting men in deze woestijn
-blootgesteld is, zijn velerlei; zonder hier nog van de wilde dieren te
-spreken, zijn er bovendien de jagers, de bevervangers of pelsjagers en
-de partijgangers, die voor de Indianen niet minder geducht zijn dan
-voor hunne landgenooten. Ook is de prairie het droevig tooneel van
-onophoudelijke en verschrikkelijke gevechten, inderdaad weinig meer dan
-een uitgestrekte doodsakker, waar ieder jaar, duizenden van
-onverschrokken mannen, in een guerrilla oorlog zonder genade, spoorloos
-verdwijnen.
-
-Niets is grootscher en majestueuzer dan de aanblik van die prairiën,
-waarover de Voorzienigheid met kwistige hand ontelbare rijkdommen heeft
-uitgestort; niets is bekoorlijker dan die groene weiden, die dichte
-bosschen, die breede stroomen; het droefgeestig murmelen van het water
-tegen het oeverzand, het gezang der duizende vogels onder het
-gebladerte verscholen, de sprongen der dieren tusschen het hooge
-gras,—alles bekoort, alles trekt den verbaasden reiziger aan, en sleept
-hem mede, tot hij weldra, als slachtoffer zijner verrukking, in een
-dier tallooze strikken valt, te midden der bloemen onder zijne voeten
-gespannen, en zijne onvoorzichtige nieuwsgierigheid met het leven boet.
-
-Tegen het einde van het jaar 1837, in de laatste dagen van de maand
-September, door de Indianen Maan der vallende bladeren,—Inaqui
-Quisis—genaamd, zat een jong mensch, dien men aan zijne gelaatskleur,
-ondanks zijn volkomen Indiaansch kostuum, gemakkelijk voor een blanke
-herkende, een uur na zonsondergang, nabij een vuur, waaraan de behoefte
-in dit jaargetijde zich begon te doen gevoelen, op een der meest
-onbekende plaatsen van de prairie, die wij zooeven beschreven hebben.
-
-Deze man was hoogstens vijf- of zes en dertig jaren oud, ofschoon
-eenige diepe rimpels op zijn breed maar bleek voorhoofd, een hoogeren
-ouderdom schenen aan te duiden.
-
-Zijne gelaatstrekken waren schoon en edel, en droegen het stempel van
-dien trots en van die wilskracht, welke het leven in de woestijn
-schenkt. Zijne zwarte oogen, door dikke wenkbrauwen overschaduwd,
-hadden een zachte en droefgeestige uitdrukking, die hun gloed en
-levendigheid eenigermate temperde; het onderste gedeelte van zijn
-gelaat verdween achter een langen dichten baard, welks blauwachtige
-tint scherp afstak bij de bleekheid zijner trekken.
-
-Zijne gestalte was rijzig, slank en welgevormd; zijne gespierde
-ledematen toonden, dat hij met ongemeene kracht begaafd was. Zijn
-geheele persoonlijkheid eindelijk boezemde dien eerbied in, dien de
-physieke schoonheid in deze streken eerder verwekt, dan in onze
-maatschappij, waar zij bijna altijd met ruwheid en onbeschoftheid
-gepaard gaat.
-
-Zijn kostuum was eenvoudig, en bestond uit een mitasse,—een soort van
-nauwe broek—die tot aan de enkels reikte en met een lederen gordel aan
-de heupen was bevestigd, en uit een jachtkiel van gebleekt katoen, met
-wol van verschillende kleuren geborduurd, die hem tot halverwege de
-beenen kwam. Deze kiel, van voren open, liet zijn bruine borst zien,
-waarover een zwart fluweelen schoudermantel hing, die door een dunne
-stalen ketting werd vastgehouden. Laarzen van ongelooid hertsleder
-beschutten hem tegen slangebeten, en reikten hem tot aan de knieën; een
-muts van bevervel, waaraan men den staart had gelaten, die naar
-achteren afhing, bedekte zijn hoofd, terwijl lange lokken van weelderig
-zwart haar, dat hier en daar reeds begon te grijzen, over zijne breede
-schouders golfden.
-
-Die man was een jager.
-
-Een prachtige buks met getrokken loop, vóór hem geplaatst onder het
-bereik zijner hand, de weitasch die hij aan een bandelier om zijne
-schouders droeg en de twee buffelhorens, die met kruit en kogels gevuld
-aan zijn gordel hingen, lieten te dezen opzichte geen twijfel meer
-over. Twee lange dubbele pistolen waren achteloos bij zijn karabijn
-neêrgeworpen.
-
-De jager, gewapend met een machete, een korte, rechte sabel, die nooit
-de zijde van een prairie-bewoner verlaat, was bezig met zorgvuldig een
-bever te villen, tevens het oog houdende op een hertenbout, die over
-het vuur hing te braden, en aandachtig luisterende naar elk gerucht,
-dat zich in de prairiën hooren deed. De plaats waar deze man zich
-bevond, was uitmuntend gekozen voor een halt van eenige uren.
-
-Het was een opene plek op den top van een vrij hoogen heuvel, die door
-zijne ligging te midden van eene groote vlakte, een onverwachten
-overval onmogelijk maakte. Op eenige schreden afstand van de plaats,
-waar de jager zijn bivak had opgeslagen, stroomde een beek, die naar
-beneden stortende een kleinen maar schoonen waterval vormde. Het hooge
-en overvloedige gras bood een uitmuntende pasto (weide) voor twee
-trotsche paarden, met wilde en fonkelende oogen, die aan een blok
-gebonden eenige schreden van daar hun voedsel zochten. Het houtvuur,
-van drie kanten door eene rots beschermd, liet slechts eene dunne, op
-eenigen afstand onzichtbare rookwolk ontsnappen, en een gordijn van
-eeuwen oude boomen verborg het kamp voor de onbescheiden blikken van
-hen, die waarschijnlijk in den omtrek in hinderlaag gelegen waren.
-
-Kortom, al deze voorzorgen, zoo noodzakelijk voor de veiligheid van den
-jager, waren met eene behoedzaamheid gekozen, die eene diepe kennis
-verraadt van het leven der woudloopers.
-
-De roodachtige gloed van de ondergaande zon kleurde de toppen der hooge
-boomen: de zon was op het punt van achter de bergen, die den horizont
-begrensden, te verdwijnen, toen de paarden plotseling hun maaltijd
-afbraken, de koppen opstaken en de ooren spitsten: alles teekenen van
-ongerustheid, die den jager niet ontgingen.
-
-Ofschoon hij geen enkel verdacht geluid hoorde, en alles in den omtrek
-rustig scheen te zijn, haastte hij zich toch om de beverhuid voor het
-vuur over twee kruiselings geplaatste stokken te spannen, en zonder op
-te staan strekte hij de hand naar zijn karabijn uit.
-
-Driemaal achtereen, telkens met gelijke tusschenpoozen, deed zich het
-geschreeuw van den ekster hooren; de jager plaatste zijn karabijn
-lachend naast zich, en ging voort met voor het avondmaal te zorgen;
-bijna op hetzelfde oogenblik ontstond er beweging in de grashalmen en
-struiken, en twee prachtige speurhonden kwamen zich springend voor den
-jager neêrwerpen, die hen even streelde en veel moeite scheen te
-hebben, om zich van hunne liefkozingen te ontslaan.
-
-De paarden hadden onbezorgd hun afgebroken maaltijd voortgezet.
-
-Deze honden waren de voorloopers van een tweeden jager, die bijna te
-gelijkertijd op den heuveltop te voorschijn trad.
-
-Deze nieuwe personaadje, veel jonger dan de eerste, want hij scheen
-niet ouder dan twee en twintig jaar, was een groot, slank, vlug mensch,
-met gespierde vormen, een rond hoofd, twee grijze, verstandige oogen en
-een open en edel uiterlijk, waaraan zijne lange, blonde haren iets
-kinderlijks gaven. Hij was eveneens gekleed als zijn medgezel, en
-zoodra hij aankwam, wierp hij naast het vuur een rist vogels neder, die
-hij op zijne schouders droeg.
-
-De twee jagers begonnen toen, zonder een woord te wisselen, een van die
-soupers te bereiden, die door honger en vermoeidheid altijd uitmuntend
-worden gekruid.
-
-Het was geheel nacht geworden, de woestijn begon langzamerhand te
-leven; het gehuil der wilde dieren weêrklonk reeds in de prairie.
-
-Na smakelijk gesoupeerd te hebben, staken de jagers hunne pijpen op, en
-zich met den rug naar het vuur plaatsende, om door het schijnsel der
-vlammen niet verhinderd te worden de nadering van verdachte bezoekers
-te onderscheiden, die de duisternis hun kon aanbrengen, rookten zij met
-het stille genot van lieden, die na een langen en moeielijken dag, een
-oogenblik rust hebben, dat zij misschien in langen tijd niet zullen
-wedervinden.
-
-»Welnu?” zeide de eerste jager, lakoniek tusschen twee rookwolken in.
-
-»Gij hadt gelijk,” was het antwoord.
-
-»O, zoo!”
-
-»Ja, wij zijn te veel rechts afgegaan, dat heeft ons het spoor doen
-verliezen.”
-
-»Ik was er zeker van,” hernam de eerste; »ziet gij, Goedsmoeds, gij
-vertrouwt te veel op uw Canadasche gewoonten; de Indianen, waarmede wij
-hier te doen hebben, hebben niets gemeen met de Irokeezen, die de
-jachtgronden van uw land doorkruisen.” Goedsmoeds boog het hoofd ten
-teeken van toestemming.
-
-»Overigens,” hernam de ander, »is dit op het oogenblik van weinig
-belang; het voornaamste is, te weten wie de dieven zijn, die ons
-bestolen hebben.”
-
-»Ik weet het.”
-
-»Goed zoo!” zeide de ander, met levendigheid zijn pijp uit den mond
-halende; »en wie zijn de Indianen die de vallen [2], met mijn teeken
-gemerkt, hebben durven stelen?”
-
-»De Comanchen.”
-
-»Ik dacht het wel! Tien onzer beste vallen des nachts gestolen! Ik
-zweer u, Goedsmoeds, dat zij ze duur zullen betalen!.... En waar
-bevinden zich de Comanchen op het oogenblik?”
-
-»Hoogstens op twee mijlen afstands. Het is een troep plunderaars van
-twaalf man; volgens de richting, die zij nemen, gaan zij naar hunne
-bergen terug.”
-
-»Zij zullen er niet alle komen,” zeide de jager, een blik op zijn buks
-werpende.
-
-»Voor den duivel!” zeide Goedsmoeds met eenen ruwen lach, »zij zullen
-slechts hun verdiend loon krijgen; ik laat het aan u over, Edelhart, om
-ze voor hunne onbeschaamdheid te straffen; maar gij zult in uw besluit
-om u te wreken nog wel versterkt worden, als gij weet wie hen
-aanvoert.”
-
-»Zoo, zoo! Gij kent dus hun opperhoofd?”
-
-»Zoo wat,” zeide Goedsmoeds glimlachend, »het is Nehunutah
-(Arendskop.)”
-
-»De Arendskop!” riep Edelhart opspringende, »o ja, dien ken ik maar al
-te goed, en God geve dat ik ditmaal met hem moge afrekenen. Zijne
-Mocksens (halve laarzen) hebben mij lang genoeg in den weg geloopen.”
-
-Na deze woorden te hebben uitgesproken, met een uitdrukking van haat,
-die Goedsmoeds deed sidderen, nam de jager, nadat hij aan den toorn die
-hem beheerschte lucht had gegeven, zijn pijp weder op en begon weder
-met schijnbare onbezorgdheid te rooken, waardoor zijn medgezel zich
-echter volstrekt niet verschalken liet.
-
-Het gesprek werd afgebroken. De twee jagers schenen in ernstig gepeins
-verdiept, en rookten in stilte naast elkander voort.
-
-Ten laatste wendde Goedsmoeds zich tot zijn medgezel met de vraag: »Zal
-ik waken?”
-
-»Neen,” antwoordde Edelhart zachtjes, »slaap gij maar, ik zal wel voor
-u en voor mij de wacht houden.”
-
-Goedsmoeds legde zich, zonder de minste aanmerking te maken, bij het
-vuur neder, en was eenige minuten later in een gerusten slaap.
-
-Toen de leeuwerik zijn morgenlied deed hooren, wekte Edelhart, die den
-geheelen nacht onbewegelijk als een marmerblok op wacht had gezeten,
-zijn makker wederom op.
-
-»Het is tijd,” zeide hij.
-
-»Goed!” antwoordde Goedsmoeds, die dadelijk opstond. De jagers zadelden
-hunne paarden, klommen behoedzaam van den heuvel naar beneden, en
-volgden het spoor der Comanchen.
-
-Op hetzelfde oogenblik verscheen de zon aan de kimmen, verdreef de
-nevels en wierp haar prachtig licht over de prairie.
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-DE JAGERS.
-
-
-Eenige woorden nu over de personen, die wij ten tooneele gebracht
-hebben, en die een belangrijke rol in dit verhaal spelen zullen.
-
-Edelhart—onder dezen naam alleen was de jager in de prairiën van het
-Westen bekend—genoot onder de indiaansche stammen waarmede zijn
-avontuurlijke levenswijze hem in aanraking had gebracht, den roem van
-bovenmate behendig, edelmoedig en dapper te zijn. Allen eerbiedigden
-hem.
-
-De blanke jagers en bevervangers, de Spanjaarden, de Amerikanen van het
-Noorden of mestiezen, allen gaven hoog op van zijne ondervinding, en
-kwamen dikwijls bij hem om raad en hulp.
-
-Zelfs de roovers der prairiën, allen schelmen en deugnieten, het
-uitvaagsel der maatschappij, die slechts van roof en geweld leven,
-durfden hem niet aan en kwamen hem zoo min mogelijk in den weg.
-
-Alzoo was het dezen man, alleen door de kracht van zijn verstand en wil
-en bijna zonder het te weten, gelukt, een macht en invloed te
-verkrijgen, die door al de woeste bewoners dier ver uitgestrekte
-wildernissen, werd erkend en geëerbiedigd.
-
-Van die macht bediende hij zich slechts ter bevordering van het
-algemeen belang en om allen te ondersteunen, in hun eerlijk pogen om
-zich stil en rustig toe te wijden aan de bezigheden, die zij zich
-hadden uitgekozen. Niemand wist wie Edelhart was, noch van waar hij
-kwam; over zijne eerste levensjaren lag een ondoordringbare sluier
-gespreid.
-
-Op zekeren dag, vijftien of twintig jaar geleden—hij was toen nog heel
-jong,—hadden eenige jagers hem ontmoet, terwijl hij aan de oevers van
-de Arkansas bezig was met bevervallen te zetten. De weinige vragen die
-zij over zijn vroeger leven tot hem gericht hadden, waren zonder
-antwoord gebleven; de jagers, niet zeer spraakzaam van aard, vermoedden
-onder de verlegene antwoorden en het stilzwijgen van den jongeling, het
-bestaan van een geheim, dat hij wenschte te bewaren; zij maakten er
-eene gewetenszaak van om langer bij hem aan te dringen en vroegen hem
-niets meer.
-
-In strijd met de gewoonte der andere jagers en bevervangers in de
-prairiën, die allen een of twee makkers hebben, met wie zij zich
-vereenigen en die zij nooit verlaten, leefde Edelhart alleen, zonder
-vast verblijf, de woestijn in alle richtingen doorkruisende, zonder
-ergens zijn tent op te slaan.
-
-Altijd somber en droefgeestig, ontvluchtte hij het gezelschap van zijns
-gelijken en toch was hij altijd gereed, om als de gelegenheid zich
-aanbood, hun een dienst te bewijzen, ja zelfs om zijn leven voor hen in
-gevaar te brengen. Vervolgens, als men hem danken wilde, gaf hij zijn
-paard de sporen en ging hij ver weg zijne vallen zetten, ten einde aan
-hen, die hij had weten te verplichten, den tijd te geven om de bewezen
-dienst te vergeten.
-
-Jaarlijks, omstreeks denzelfden tijd, namelijk tegen het laatst van
-October, verdween Edelhart weken lang, zonder dat iemand zelfs maar
-gissen kon, waar hij zich bevond; als hij dan terug kwam, stond zijn
-gelaat altijd eenige dagen achtereen veel treuriger en somberder dan
-gewoonlijk.
-
-Eens, toen hij weder van een dier geheimzinnige tochten terugkeerde,
-was hij vergezeld van twee jonge prachtige speurhonden, die van toen af
-met hem bleven, en waarvan hij veel scheen te houden. Vijf jaar vóór
-het tijdstip, waarop wij den draad van dit verhaal weder in handen
-namen, nadat hij op zekeren avond zijne vallen voor den nacht had
-uitgezet, bemerkte hij plotseling door de boomen heen, het vuur van een
-indiaansch kamp. Een blanke, nauwelijks zeventien jaar oud, was aan een
-paal gebonden, en diende tot mikpunt voor de messen der Roodhuiden, die
-zich vermaakten met hem te martelen, alvorens hem aan hunne bloedige
-wraak op te offeren.
-
-Edelhart, slechts ooren hebbende voor de stem van het medelijden, dat
-het slachtoffer hem inboezemde, had zonder te denken aan het vreeselijk
-gevaar, waaraan hij zich blootstelde, zich te midden der Indianen
-geworpen, en zich vlak voor den gevangene geplaatst, dien hij met zijn
-lichaam als een borstwering beschutte.
-
-Deze Indianen waren Comanchen; verbaasd over zóóveel stoutmoedigheid,
-en over deze onvoorziene verrassing, waarop zij volstrekt niet waren
-voorbereid, bleven zij eenige oogenblikken onbewegelijk staan.
-
-Zonder tijd te verliezen had Edelhart de banden van den gevangene
-losgesneden, en hem zijn mes gevende, dat de ander verheugd aannam,
-besloten zij beiden, om hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.
-
-De blanken boezemden den Indianen een instinctmatige vrees in. Toen de
-Comanchen echter van hunne eerste verwondering bekomen waren, maakten
-zij zich gereed om de twee mannen, die hen durfden braveeren, aan te
-vallen. Maar het schijnsel van het vuur, dat vlak op het gelaat van den
-jager viel, had hem doen herkennen.
-
-De roodhuiden traden eerbiedig terug, onder het gemompel van:
-»Edelhart! de groote, bleeke jager!”
-
-De Arendskop, zoo noemde zich het opperhoofd der Indianen, kende den
-jager niet; het was voor de eerste maal dat hij zich in de prairiën van
-de Arkansas bevond; hij had dus niets van den uitroep der krijgslieden
-begrepen. Bovendien haatte hij de blanken van ganscher harte, en had
-gezworen hen allen te zullen verdelgen. Verontwaardigd over de
-laaghartigheid zijner lieden, was hij alleen Edelhart te gemoet gegaan;
-maar toen had er iets zonderlings plaats gehad.
-
-De Comanchen wierpen zich terstond op hun opperhoofd, en ondanks hun
-eerbied voor hem, hadden zij hem reeds geheel ontwapend, eer hij tegen
-den jager iets kon uitrichten.
-
-Edelhart, na hen bedankt te hebben, gaf zelf aan het opperhoofd de
-wapenen terug, die men hem ontnomen had, en die deze schoorvoetend
-aannam, niet zonder een onheilspellenden blik op zijn tegenpartij te
-werpen. De jager haalde minachtend de schouders op, gelukkig door een
-mensch het leven gered te hebben, had hij zich met den gevangene weldra
-teruggetrokken.
-
-Edelhart had zich in minder dan tien minuten een onverzoenlijken vijand
-en een oprechten vriend verworven.
-
-De geschiedenis van den gevangene was eenvoudig. Met zijn vader uit
-Canada vertrokken, om in de prairiën te gaan jagen, waren zij in handen
-der Comanchen gevallen; na een wanhopigen tegenstand was zijn vader,
-overdekt met wonden, gesneuveld; de Indianen, toornig over dezen dood,
-die hun een slachtoffer ontnam, hadden aan den jongeling de grootste
-zorgen besteed, opdat hij met eere aan den martelpaal kon verschijnen,
-hetgeen stellig gebeurd zou zijn, zonder de onverwachte tusschenkomst
-van Edelhart.—Na deze inlichtingen ontvangen te hebben, had de jager
-den jongeling gevraagd, wat zijne plannen waren, en of het leergeld dat
-hij zoo pas voor het ambt van woudlooper betaald had, hem niet van dit
-avontuurlijke leven had afgeschrikt.
-
-»Hemel neen! integendeel,” had de ander geantwoord, »ik voel mij meer
-dan ooit geroepen om deze loopbaan te betreden, en bovendien,” liet hij
-er op volgen, »wil ik mijn vader wreken.”
-
-»Dat is billijk,” merkte de jager aan.
-
-Hiermede was het gesprek geëindigd.
-
-Edelhart had den jongeling naar een zijner bergplaatsen gebracht, een
-soort van in den grond uitgegraven magazijnen, waar de pelsjagers hunne
-rijkdommen bewaren; hij had er al de benoodigdheden van een jager uit
-te voorschijn gehaald, een geweer, een mes, pistolen, weitasch en
-vallen, en had die aan zijn beschermeling ter hand gesteld.
-
-»Ga,” had hij eenvoudig gezegd, »God helpe u!” De andere zag hem
-sprakeloos aan; klaarblijkelijk begreep hij hem niet.
-
-Edelhart glimlachte. »Gij zijt vrij,” hernam hij, »zie hier al wat gij
-noodig hebt voor uw nieuw bedrijf, ik geef het u, de prairie ligt voor
-u, ik wensch u een goede vangst toe.”
-
-De jongeling schudde het hoofd.
-
-—»Neen,” zeide hij, »ik verlaat u niet, tenzij gij mij wegjaagt; ik ben
-alleen, zonder familie, zonder vrienden, gij hebt mij het leven gered,
-ik behoor u toe.”
-
-»Ik laat mij de diensten, die ik bewijs, niet betalen;” zeide de jager.
-
-»Gij laat ze al te duur betalen,” antwoordde de ander met vuur, »daar
-gij geen dank aanneemt; neem uwe gaven terug, zij zijn mij van geen
-nut; ik ben geen bedelaar, dien men een aalmoes toewerpt, ik lever mij
-zelven nog liever op nieuw aan de Comanchen over, vaarwel!”
-
-En de Canadees wendde zich met vaste schreden regelrecht naar het kamp
-der Indianen.
-
-Edelhart was bewogen; deze jongeling had zulk een vrijen onschuldigen
-blik, dat hij in zijne borst iets voor hem voelde kloppen.
-
-»Sta,” zeide hij; en de ander stond.
-
-»Ik leef alleen,” vervolgde de jager; »het leven dat gij met mij leiden
-zult, zal treurig zijn; eene groote smart verteert mij. Waarom u aan
-een ongelukkige als mij verbonden?”
-
-»Om uw verdriet te deelen, zoo gij mij die eer waardig keurt, en om u
-te troosten, bijaldien dat mogelijk is; de mensch, als hij alleen is,
-loopt gevaar van tot wanhoop te vervallen; God heeft hem bevolen, zich
-bij zijne medemenschen te voegen.”
-
-»Dat is zoo!” mompelde de jager, niet wetende wat hij moest aanvangen.
-
-Edelhart beschouwde hem een oogenblik met aandacht. Zijn arendsoog
-scheen zijne geheimste gedachten te willen doorgronden, daarna zonder
-twijfel voldaan over zijn onderzoek, zeide hij tot hem:
-
-»Hoe heet gij?”
-
-»Goedsmoeds,” antwoordde de andere, »of zoo gij liever wilt Georges
-Talbot, maar men geeft mij gewoonlijk slechts den eersten naam.”
-
-De jager glimlachte.
-
-»Die naam belooft wat goeds,” zeide hij, hem de hand reikende:
-»Goedsmoeds,” vervolgde hij, »van dit oogenblik af zijt gij mijn
-broeder: voortaan zal alleen de dood ons scheiden.”
-
-Hij gaf hem een kus op de oogen, hierin het heerschende gebruik der
-prairiën volgende.
-
-»De dood alleen!” antwoordde de Canadees levendig, met warmte de hem
-toegereikte hand drukkende; en op zijne beurt zijnen nieuwen broeder
-een kus op de oogen gevende.
-
-Op deze wijze hadden Edelhart en Goedsmoeds elkander leeren kennen.
-Sedert vijf jaren had niet het minste wolkje de vriendschap
-overschaduwd, die deze twee uitgelezen karakters elkander in de
-woestijn, voor het oog van God, hadden toegezworen. Integendeel, nog
-dagelijks scheen zij toe te nemen: zij hadden te zamen slechts één
-hart, zij waren volkomen van elkander verzekerd, zij raadden elkanders
-meest verborgen gedachten; deze twee menschen hadden hunne krachten
-zien vertienvoudigen, en zoo groot was hun wederzijdsch vertrouwen, dat
-zij voor niets meer terugdeinsden en vaak de vermetelste ondernemingen
-waagden, waarvoor tien vastberaden mannen zouden hebben teruggebeefd.
-
-Maar alles gelukte hun. Niets scheen hun onmogelijk te zijn; men zou
-gezegd hebben dat zij door een betoovering onkwetsbaar en
-onverwinnelijk waren geworden. Hun roem was dan ook wijd en zijd
-verspreid, en diegenen, die niet met bewondering hun naam hoorden
-noemen, herhaalden hem met schrik.
-
-Nadat Edelhart eenige maanden besteed had om zijn medgezel te
-bestudeeren, had hij in ’t vervolg, gedreven door de behoefte die den
-ongelukkigen mensch noopt om zijn leed aan een vertrouwd vriend te
-klagen, geen geheimen meer voor Goedsmoeds. Dit vertrouwen, waarop de
-jongeling met ongeduld gewacht had, zonder het echter op eenigerlei
-wijze uit te lokken, had, zoo mogelijk, de banden tusschen deze twee
-mannen nog nauwer toegehaald, terwijl het den Canadees de middelen
-verschafte, om zijn vriend die vertroosting toe te deelen, die zijn
-geschokte ziel behoefde, en die het hem mogelijk maakte om de nog
-altijd bloedende wonden aan te raken, zonder ze te beleedigen.
-
-Den dag, waarop wij hen in de prairie ontmoet hebben, waren zij de
-slachtoffers geweest van een vermetelen diefstal, bedreven door hun
-ouden vijand, de Arendskop, het opperhoofd der Comanchen, wiens haat en
-afkeer door den tijd slechts sterker geworden waren.
-
-De Indiaan had, met al de veinzerij die zijn ras kenmerkt, de
-beleediging, die hij van de zijnen door toedoen van den blanken jager
-ondergaan had, stilzwijgend gedragen, en geduldig het uur der wraak
-afgewacht. Hij had onder de voeten zijner vijanden onmerkbaar een
-afgrond gegraven, door de Roodhuiden langzamerhand tegen hen op te
-zetten, en hen op eene sluwe wijs te belasteren. Ten gevolge van dezen
-maatregel was hij er, ten minste zoo dacht hij, eindelijk in geslaagd,
-om zelfs de overige blanke jagers en mestiezen van hen af te trekken,
-en de twee mannen door al de bewoners der prairie als vijanden te doen
-beschouwen.
-
-Zoodra hij dezen uitslag verkregen had, had de Arendskop zich aan het
-hoofd geplaatst van een dertigtal vertrouwde krijgslieden, en met het
-doel om een strijd uit te lokken, die hen, wier dood hij gezworen had,
-ten gronde zou richten, had hij op zekeren nacht al hunne bevervallen
-gestolen, wel overtuigd dat zij zulk eene beleediging niet ongewroken
-zouden laten.
-
-Het opperhoofd had zich in zijne berekening niet bedrogen; alles was
-uitgekomen zooals hij het voorzien had.
-
-Meenende dat zij geen hulp zouden vinden onder de Indianen en jagers,
-vleide hij zich met de hoop, van met de hulp der dertig vastberaden
-lieden, over wie hij het bevel voerde, zich gemakkelijk van twee jagers
-te zullen meester maken, om ze onder afschuwelijke martelingen ter dood
-te brengen.
-
-Maar hij had den misslag begaan van het aantal zijner lieden te
-verbergen, ten einde de jagers meer vertrouwen in te boezemen.
-
-Deze hadden zich slechts ten halve door deze krijgslist laten
-misleiden, en zich sterk genoeg gevoelende om desnoods tegen twintig
-Indianen te vechten, hadden zij niemands hulp ingeroepen om zich te
-wreken op vijanden, die zij verachtten, en hadden zij, zooals wij
-gezien hebben, zonder aarzelen met de vervolging der Comanchen een
-begin gemaakt.
-
-Hier sluiten wij deze wel wat langwijlige parenthèse, die tot recht
-verstand van het volgende onmisbaar was, om met ons verhaal voort te
-gaan, daar, waar wij het op het einde van het voorgaande hoofdstuk
-hebben afgebroken.
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-HET SPOOR.
-
-
-De Arendskop, die door zijne vijanden ontdekt wilde zijn, had geen
-voorzorgen genomen om zijn spoor te verbergen. Het was volmaakt
-zichtbaar in het hooge gras, en zoo het hier of daar scheen te
-verdwijnen, hadden de jagers slechts even te bukken, om dadelijk den
-indruk zijner voeten te vinden.
-
-Nooit had men in de prairie een vijand aldus kunnen vervolgen. Dit
-moest Edelhart des te zonderlinger voorkomen, daar deze sinds lang al
-de listen der Indianen kende en wist met welk een talent zij, wanneer
-zij het noodig oordeelen, de geringste blijken van hun doortocht weten
-te doen verdwijnen.
-
-Dit bracht hem tot nadenken. Naardien de Comanchen zoo weinig
-maatregelen van voorzorg hadden genomen, moesten zij zich wel zeer
-sterk gevoelen, of anders een hinderlaag hebben gelegd, waarin zij
-hoopten hunne al te lichtgeloovige vijanden te verschalken.
-
-De twee jagers gingen voort, van tijd tot tijd een blik rechts of links
-werpende, ten einde zeker te zijn van zich niet te vergissen, maar het
-spoor liep altijd in een rechte lijn voort, zonder afwijkingen noch
-omwegen van welken aard ook. Zelfs Goedsmoeds begon het vreemd te
-vinden en er zich ernstig over te verontrusten.
-
-Maar zoo de Comanchen zich de moeite niet hadden willen geven van hun
-pad te verbergen, de jagers deden anders, en gingen niet voort dan met
-gedurige uitwissching van ieder spoor, dat de richting die zij volgden
-kon verraden.
-
-Zij kwamen eindelijk aan den oever van een vrij breede beek, de
-Kopergroen geheeten, een tak van de groote Canadasche rivier. Alvorens
-zij deze overstaken, maakte Edelhart halt, aan zijn medgezel een teeken
-gevende om hem te volgen. Beiden stegen van hunne paarden af, en deze
-bij den toom voortleidende, trokken zij zich in de schaduw van een
-boschje terug, om niet opgemerkt te worden, zoo bij toeval een
-indiaansche schildwacht hunne aankomst stond af te wachten.
-
-Zoodra zij achter de takken verborgen waren, legde Edelhart zijn vinger
-op den mond, om zijn makker voorzichtigheid aan te bevelen, en met de
-lippen diens oor aanrakende, zeide hij hem met een bijkans onhoorbare
-stem: »Voordat wij verder gaan, moeten wij eerst nauwkeurig
-beraadslagen, wat wij doen zullen.”
-
-Goedsmoeds knikte ten teeken van goedkeuring.
-
-»Ik vermoed eenig verraad,” hernam de jager; »de Indianen zijn te
-bedreven krijgslieden, en te ervaren in het leven der prairiën, om
-zonder gewichtige redenen aldus te handelen.”
-
-»Het is zoo,” antwoordde de Canadees overtuigd; »dit spoor is te mooi
-en te duidelijk aangewezen, om niet een valstrik te verbergen.”
-
-»Ja, maar zij hebben te slim willen zijn, hunne listigheid is te ver
-gegaan, op die wijze kan men geen oude jagers zooals wij misleiden. Wij
-moeten dus onze waakzaamheid verdubbelen; ieder blad en iederen
-grashalm onderzoeken, eer wij ons te dicht bij het kamp der Indianen
-wagen.”
-
-»Laat ons beter doen,” zeide Goedsmoeds, een blik om zich heen
-werpende; »laten wij onze paarden op een veilige plaats verbergen, en
-vervolgens te voet de stelling en het aantal van hen, die wij wenschen
-te overvallen, gaan opnemen.”
-
-»Gij hebt gelijk, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »uw raad is uitmuntend,
-wij gaan hem dadelijk in toepassing brengen.”
-
-»Ik geloof, dat wij ons dan zullen moeten haasten.”
-
-»Waartoe? laten wij ons juist niet haasten; de Indianen, als ze ons
-niet zien verschijnen, zullen zich op hunne wachten verlaten, en wij
-zullen van hunne zorgeloosheid gebruik maken, om hen te overvallen,
-zoolang wij genoodzaakt worden om tot dit uiterste middel onze
-toevlucht te nemen; overigens zou het beter zijn om den nacht af te
-wachten voor onze onderneming.”
-
-»Laten wij eerst onze paarden in veiligheid brengen, dan zullen wij
-zien.”
-
-De jagers verlieten met de uiterste behoedzaamheid hun schuilhoek. In
-plaats van de rivier over te steken gingen zij terug, en volgden
-eenigen tijd denzelfden weg dien zij reeds gegaan waren; vervolgens
-gingen zij links af, een hollen weg langs, waarin zij weldra te midden
-van het hooge gras verdwenen.
-
-»Ik geef mij aan uw geleide over, Goedsmoeds,” zeide Edelhart, »ik weet
-waarlijk niet waarheen ge ons brengt.”
-
-»Verlaat u op mij; ik heb bij toeval op twee geweerschoten afstands van
-hier eene soort van vesting ontdekt, waar onze paarden een
-onverbeterlijk verblijf zullen hebben, en waar wij, desnoods, een
-geregeld beleg zouden kunnen doorstaan.”
-
-»Caramba!” riep de jager met zijn gewonen vloek, die zijne spaansche
-afkomst verried, »hoe hebt gij deze kostelijke ontdekking gemaakt?”
-
-»Mijn hemel!” zeide Goedsmoeds, »op de eenvoudigste wijze; ik was bezig
-mijne vallen te zetten, toen ik bij het beklimmen van gindschen berg,
-niet ver van den top, tusschen de takken den ruigen muil van een beer
-gewaar werd.”
-
-»Ha, ha; maar ik ben met dat voorval zoo wat bekend; gij hebt mij dien
-dag, zoo ik mij niet vergis, niet één, maar twee zwarte beerenvellen
-medegebracht.”
-
-»Juist! er waren twee van die liefhebbers, een mannetje en een wijfje;
-gij begrijpt, dat, zoodra ik hen zag, mijn jager-instinct wakker werd,
-en ik, mijne vermoeidheid vergetende, mijn buks laadde, om hen te
-vervolgen. Gij kunt nu zelf de sterkte zien, welke zij hadden
-ingenomen,” vervolgde hij van zijn paard afstijgende, in welke beweging
-zijn makker hem volgde.
-
-Voor hen verhief zich amphitheatersgewijze een massa rotsen, van de
-zonderlingste en grilligste vormen; eenige weinige kruiden groeiden
-hier en daar in de openingen, kruipende planten kroonden de toppen der
-rotsen en gaven aan deze massa, die meer dan zeshonderd el boven de
-prairie uitstak, het aanzien van een dier antieke ruïnen uit de
-middeleeuwen, welke men aan de oevers der groote Europeesche rivieren
-aanschouwt.
-
-Deze plaats werd door de jagers in die streken »De witte Kasteelen”
-genaamd, wegens de kleur der granietblokken waaruit zij was
-samengesteld.
-
-»Wij kunnen daar met onze paarden nooit tegen op komen,” zeide
-Edelhart, na een oogenblik zorgvuldig de ruimte, die zij beklimmen
-moesten, bestudeerd te hebben.
-
-»Laten wij het beproeven,” zeide Goedsmoeds, zijn paard bij den toom
-grijpende.
-
-De helling was ruw, en geen andere paarden dan die der jagers zouden
-deze taak hebben kunnen volbrengen.
-
-Men moest zorgvuldig de plaats kiezen, waar men den voet zou
-nederzetten, vervolgens zich met een sprong opgeven, en altijd met
-kromme lijnen en omwegen voortgaan, om den opgang wat hellend te maken.
-
-Na een half uur van ongehoorde moeielijkheden, bereikten zij een soort
-van vlak, dat hoogstens tien ellen breedte had.
-
-»Hier is het,” zeide Goedsmoeds stilstaande.
-
-»Hoe, hier,” antwoordde Edelhart, aan alle kanten om zich heen ziende
-zonder een opening te ontdekken.
-
-Goedsmoeds glimlachte.
-
-»Kom,” zeide hij.
-
-En altijd zijn paard voorttrekkende, ging hij achter een rotsblok om;
-de jager volgde hem nieuwsgierig.
-
-Na vijf minuten in een soort van loopgraaf, die nauwelijks drie voet
-breed was, te zijn voortgegaan, bevonden de avonturiers zich eensklaps
-voor de opening van een groot hol.
-
-Deze weg, gevormd door een van die vreeselijke uitbarstingen die in
-deze streken zoo veelvuldig voorkomen, was zóó goed achter rotsen en
-steenen verborgen, dat het onmogelijk was die anders dan door een
-toeval te ontdekken.
-
-De jagers gingen naar binnen. Alvorens naar boven te gaan, had
-Goedsmoeds een grooten voorraad van droog hout mede genomen; hij stak
-twee toortsen aan, gaf er een aan zijn makker, en hield de ander zelf.
-Toen vertoonde de grot zich aan hen, in al hare woeste majesteit. Hare
-wanden waren hoog en met schitterenden druipsteen beladen, die het
-licht tienvoudig weerkaatste, en een tooverachtigen glans rondom zich
-verspreidde.
-
-»De grot,” zeide Goedsmoeds, »is zonder twijfel een der wonderen van de
-prairie; deze galerij die zachthellend naar beneden daalt, loopt onder
-de Kopergroen door, en komt aan de andere zijde, omstreeks een mijl van
-den oever verwijderd, in de vlakte uit. Behalve de galerij, door welke
-wij zijn binnengekomen, en die, welke wij voor ons hebben, zijn er nog
-vier andere, die allen op verschillende plaatsen een uitgang hebben.
-Gij ziet, dat wij hier geen gevaar loopen van gezien te worden, en dat
-deze ruime kamers ons een volgreeks van vertrekken aanbieden, die den
-president der Vereenigde Staten zelven jaloersch zoude maken.”
-
-Edelhart, verrukt over de ontdekking van deze schuilplaats, wilde haar
-tot in de minste bijzonderheden onderzoeken, en hoewel zeer
-stilzwijgend van aard, kon de jager herhaalde malen zijne bewondering
-niet inhouden.
-
-»Waarom hebt gij mij niet eer daarvan gesproken?” vroeg hij aan
-Goedsmoeds.
-
-»Ik wachtte op een goede gelegenheid,” antwoordde deze.
-
-De jagers plaatsten hunne paarden met de noodige levensmiddelen in een
-der vertrekken van de grot, waar het daglicht door haast onmerkbare
-scheuren binnendrong; vervolgens, toen zij zich verzekerd hadden, dat
-het den edelen dieren gedurende hunne afwezigheid aan niets zou
-ontbreken, en dat zij niet konden ontsnappen, wierpen zij hun buks over
-den schouder, floten de honden, en begaven zich met groote schreden op
-weg, langs de galerij die onder de rivier doorliep.
-
-Weldra werd de atmosfeer rondom hen vochtig, een dof en aanhoudend
-gedruisch deed zich boven hen hooren, zij gingen onder de Kopergroen
-door; maar door middel van een soort van lantaarn, gevormd door eene
-holle rots, die als een schilderhuis in het midden van den stroom
-stond, was er licht genoeg om hen te geleiden.
-
-Na een half uur loopens, kwamen zij in de prairie door een opening, die
-achter takken en kruipende planten van buiten onzichtbaar was.
-
-Zij waren lang in de grot gebleven. Eerst hadden zij haar nauwkeurig
-onderzocht, als menschen, die voorzagen dat zij er den een of anderen
-dag eene schuilplaats zouden moeten zoeken; vervolgens hadden zij een
-soort van stal voor hunne paarden gemaakt, en eindelijk hadden zij
-zelven iets gebruikt, zoodat de zon op het punt was van onder te gaan,
-toen zij op nieuw het spoor der Comanchen begonnen te volgen.
-
-Toen nam de werkelijke vervolging der Indianen een aanvang. De twee
-jagers, hunne honden vooruit zendende, slopen stilzwijgend over de
-sporen voort, te midden van het hooge gras op handen en voeten
-kruipende, met een waakzaam oog en gespitste ooren, hun adem
-inhoudende, en nu en dan stilstaande om de lucht in te ademen en die
-duizenden geluiden der prairie te ondervragen, die de jagers met
-ongeloofelijk gemak weten te onderscheiden, en oogenblikkelijk te
-verklaren.
-
-De woestijn was in een doodsche stilte gehuld. In deze uitgestrekte
-wildernissen schijnt de natuur, bij het naderen van den nacht, als het
-ware adem te halen, en zich voor te bereiden tot de verborgenheden der
-duisternis.
-
-De jagers gingen altijd voort, hunne voorzorgen verdubbelende, en naast
-elkander voortkruipende. Eensklaps bleven de honden stilzwijgend staan.
-De moedige dieren schenen de waarde der stilte in deze plaats te
-beseffen, als begrepen zij, dat één enkele schreeuw hunnen meesters het
-leven kon kosten.
-
-Goedsmoeds wierp een doordringenden blik om zich heen. Zijn oog
-glinsterde, hij rolde zich als het ware ineen, en met een sprong als
-van een panter wierp hij zich op een indiaansch krijgsman, die, geheel
-voorover gebogen, een voorgevoel scheen te hebben, dat er een vijand in
-aantocht was. De Indiaan werd snel achterover geworpen eer hij een
-kreet om hulp uiten kon. Goedsmoeds schroefde hem de keel toe, en zette
-hem de knie op de borst. Vervolgens ontblootte de jager met de uiterste
-koelbloedigheid zijn mes, en stootte het tot aan het hecht in het hart
-van zijn vijand. Zoodra de wilde zag dat hij verloren was, verwaardigde
-hij zich niet om een nutteloozen tegenstand te beproeven, maar op den
-Canadees een blik van haat en verachting werpende, plooide hij zijne
-lippen tot een spotlach, en wachtte hij met onverstoorbare kalmte den
-dood af. Goedsmoeds stak het mes weêr in zijn gordel, en het lichaam
-ver van zich schoppende, zeide hij: Dat ’s één! En hij kroop weêr
-voort.
-
-Edelhart had de bewegingen van zijn vriend met de grootste aandacht
-gadegeslagen, gereed om hem in geval van nood bij te springen; toen de
-Indiaan dood was volgde hij weêr bedaard het spoor.
-
-Weldra schitterde de glans van een groot vuur tusschen de boomen door,
-en de geur van gebraden vleesch bereikte het fijne reukorgaan der
-jagers. Zij richtten zich als twee schimmen langs een ontzaglijken
-kurk-eik op, en den knoestigen stam omvattende, verborgen zij zich in
-zijne takken.
-
-Toen zagen zij om zich heen. Zij hadden het gezicht op het kamp der
-Comanchen, dat zich ongeveer tien ellen van hen af bevond.
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-DE REIZIGERS.
-
-
-Ongeveer op hetzelfde uur, dat de pelsjagers de grot verlieten om het
-spoor der Comanchen op nieuw te volgen, en omstreeks twintig mijlen ver
-van de plaats waar deze zich bevonden, maakte een vrij aanzienlijke
-troep blanke reizigers halt aan de boorden der groote Canadasche
-rivier, en begonnen aldaar, op een plek die voor verrassing veilig was,
-de noodige toebereidselen om gedurende den nacht te kampeeren.
-
-De half-bloed jagers en Gambusinos, die den reizigers tot gidsen
-dienden, haastten zich om een twaalftal muilezels, door mexicaansche
-Lanceros begeleid, te ontpakken.
-
-Met de pakken vormden zij een ovaalronde omheining, binnen welke zij
-vuur ontstaken; en vervolgens, zonder zich meer om hunne reisgenooten
-te bekommeren, vereenigden de gidsen zich in een kleine groep, en
-maakten hun avondmaal gereed.
-
-Een jeugdig officier van vier of vijf en twintig jaar, met
-krijgshaftige houding, fijne en scherpe trekken, naderde eerbiedig een
-palankijn (draagstoel) met twee muilezels bespannen, en door twee
-ruiters begeleid.
-
-»Waar verlangt Uw Excellentie, dat men de tent der señorita opsla?”
-vroeg hij, het hoofd ontblootende.
-
-»Waar gij wilt, kapitein Aguilar, mits het spoedig geschiede; mijn
-nicht is doodelijk vermoeid,” antwoordde de ruiter, die zich rechts van
-de palankijn bevond.
-
-Dit was een hooge gestalte, met harde gelaatstrekken, en een helder,
-doordringend oog; zijne haren waren wit als de sneeuw van den
-Chimborazzo, en onder zijn wijden mantel, zag men de prachtige, van
-borduursel schitterende uniform van een Mexicaansch generaal.
-
-De kapitein verwijderde zich met een buiging, en tot de lanceros
-terugkeerende, gelastte hij hun in het midden van de omheining een
-fraaie, rood en blauw gestreepte tent op te slaan, die ingepakt op den
-rug van een muilezel lag.
-
-Vijf minuten later steeg de generaal af, bood galant de hand aan een
-jonge dame, die met een lichten sprong uit de palankijn wipte, en
-geleidde haar onder de tent, waar, door de zorg van kapitein Aguilar,
-reeds alles in gereedheid was gebracht, om haar zooveel gemak te
-verschaffen als de omstandigheden maar toelieten.
-
-Achter den generaal en zijn nicht, traden nog twee personen de tent
-binnen.
-
-De eene was een kort, dik man, met een rood vollemaansgezicht, een
-groenen bril en een blonde pruik. Het mannetje dreigde te stikken in de
-uniform van officier van gezondheid in Mexicaansche dienst. Zijn
-ouderdom was een raadsel, maar hij scheen omstreeks vijftig jaar te
-zijn; zijn naam, Jerôme Boniface Durieux, duidde den Franschman aan.
-Van zijn paard stijgende had hij met zekeren eerbied een groot valies,
-dat achter aan den zadel van zijn paard was vastgemaakt en waarvan hij
-zich niet scheen te willen scheiden, onder den arm genomen.
-
-De andere was een jong meisje, of liever een kind van vijftien jaar,
-met een vroolijk en levendig gelaat, een wipneusje en een trotschen
-blik, van het ras der mestiezen. Zij diende als kamermeisje bij de
-nicht van den generaal.
-
-Een groote neger, pronkende met den verheven naam van Jupiter, haastte
-zich, om, door twee of drie Gambusinos geholpen, het souper gereed te
-maken.
-
-»Welnu, doctor,” zeide de generaal glimlachend tot het dikke mannetje,
-dat blazende zich op zijn valies nederzette, »hoe vindt gij mijn nicht
-van avond?”
-
-»De señorita is altijd even bekoorlijk,” antwoordde de doctor beleefd,
-zich het voorhoofd afwisschende; »vindt gij het drukkend warm?”
-
-»Wel neen,” zeide de generaal, »niet warmer dan anders.”
-
-»Dan zal ik het mij verbeeld hebben,” hernam de geneesheer met een
-zucht; »waarom lacht gij, leelijkert?” voegde hij er bij, zich tot het
-kamermeisje wendende, dat inderdaad bijna stikte van het lachen.
-
-»Let niet op die malle meid, doctor, gij weet wel dat het een kind is;”
-zeide de jonge dame met een bekoorlijken glimlach.
-
-»Ik heb u altijd gezegd, doña Luz,” ging de geneesheer voort, zijne
-dikke wenkbrauwen fronsende en zijne wangen opblazende, »dat dit meisje
-een daemon is, dat gij veel te goed voor haar zijt, en dat zij u den
-een of anderen dag nog eens een leelijke poets zal spelen.”
-
-»Ooah! die leelijke steenenzoeker!” zeide de mestieze grijnzend, met
-toespeling op de liefhebberij van den doctor om delfstoffen te
-verzamelen.
-
-»Kom, kom laat ons den vrede bewaren,” zeide de generaal; »heeft de
-reis van heden u vermoeid, lieve nicht?”
-
-»Neen, niet erg,” antwoordde het meisje, een geeuw onderdrukkende;
-»sedert een maand bijna, dat wij op reis zijn, begin ik mij aan deze
-levenswijze te gewennen, die, ik beken het, in het begin weinig
-aantrekkelijks voor mij had.”
-
-De generaal slaakte een zucht, maar antwoordde niet. De doctor was
-afgetrokken door de zorg, waarmede hij de planten en steenen sorteerde
-die hij in den loop van den dag bijeenverzameld had.
-
-De mestieze fladderde door de tent als een vogel, druk bezig met de
-verschillende voorwerpen, die haar meesteres mocht noodig hebben, in
-orde te brengen.
-
-Wij zullen ons dit oogenblik van stilte ten nutte maken om de jonge
-dame aan onze lezers voor te stellen.
-
-Doña Luz de Bermudez was de dochter der jongste zuster van den
-generaal. Het was een bekoorlijk kind van nauwelijks zestien jaar. Hare
-groote zwarte oogen, overschaduwd door donkere wenkbrauwen, die scherp
-afstaken bij haar zuiver blank voorhoofd, verborgen hun verblindenden
-glans achter lange, fluweelen oogharen; haar klein mondje met
-ivoorwitte tanden versierd, was begrensd door twee koraalroode lippen,
-haar fijn vel had nog dat zachte dons van rijpe vruchten, en hare
-zwarte haarvlechten met blauwen weêrschijn vormden, wanneer ze
-loshingen, een sluier, die haar geheel lichaam onzichtbaar maakte.
-
-Hare gestalte was fijn en buigzaam; zij bezat in de hoogste mate die
-bevallig golvende beweging, die de Amerikaansche vrouwen onderscheidt;
-hare handen en voeten waren buitengewoon klein; haar gang had die losse
-zachtheid der kreolen, die zoozeer door bevalligheid uitmunt.
-
-In ’t kort, in dit jonge meisje waren alle vrouwelijke volmaaktheden
-vereenigd.
-
-Onwetend, even als hare landgenooten, was zij vroolijk en lachziek, met
-de minste nietigheid zich vermakende, en van het leven alleen de
-aangename zijde kennende.
-
-Maar dit schoone beeld leefde niet; het was Pandora, voordat Prometheus
-voor haar het vuur van den hemel gestolen had; en om onze mythologische
-vergelijking voort te zetten, de liefde had haar nog met geen vleugel
-aangeraakt, hare wenkbrauwen hadden zich nog niet gefronst onder den
-invloed van het nadenken, en haar hart had nog niet geklopt onder den
-prikkel der begeerte.
-
-Door de zorg van den generaal in een bijna kloosterachtige afzondering
-opgevoed, had zij deze slechts verlaten, om hem te volgen op den tocht,
-dien hij in de prairiën ondernomen had.
-
-Waartoe die tocht en waarom had hij zoo vurig verlangd, dat zij mede
-zou gaan? Daar bekommerde het meisje zich niet om.
-
-Gelukkig dat zij in de open lucht kon leven, onophoudelijk nieuwe
-landen kon zien, vrij kon zijn, ten minste in vergelijking met het
-leven dat zij tot dusverre geleid had, had zij niet verder onderzocht
-en ook niet gepoogd haar oom met onbescheiden vragen lastig te vallen.
-Op het tijdstip, dat wij haar ontmoeten, was doña Luz een gelukkig
-kind, dat bij den dag leefde, zich in het heden gelukkig gevoelde, en
-nimmer aan de toekomst dacht.
-
-De kapitein Aguilar trad binnen, gevolgd door Jupiter, die het eten
-bracht. De tafel werd gedekt door Phebe, het kamermeisje. Het maal
-bestond uit ingelegde vruchten en een gebraden hertenbout. Vier
-personen namen rondom de tafel plaats: de generaal, zijne nicht, de
-kapitein en de doctor. Jupiter en Phebe dienden. Het gesprek bleef
-onder het eerste gerecht kwijnende, maar toen de eetlust der gasten
-bedaard was, richtte het meisje, dat er genoegen in schepte om den
-doctor te plagen, tot dezen het woord:
-
-»Hebt gij vandaag een rijken oogst gehad, doctor?” vroeg zij.
-
-»’t Heeft niet over, Señorita,” antwoordde hij.
-
-»Nu,” zeide zij glimlachend, »het schijnt mij toe dat er steenen in
-overvloed zijn op onzen weg, en dat het slechts aan u gelegen heeft, om
-er een muilezel mede te beladen.”
-
-»Gij moest wel in uw schik zijn over uwe reis, zij biedt u de ruimste
-gelegenheid aan om u geheel aan uw hartstocht over te geven en allerlei
-planten bijeen te garen,” zeide de generaal.
-
-»Ik moet u bekennen, generaal, dat het mij niet medevalt; de prairie is
-niet zoo rijk als ik gedacht heb, en zoo ik niet hoopte eindelijk een
-plant te zullen ontdekken, welker eigenschappen van groot belang zijn
-voor de wetenschap, dan zou ik bijna mijn huisje te Guadeloupe
-betreuren, waar mijn leven kalm en rustig voorbij ging.”
-
-»Bah!” viel de kapitein hem in de rede, »wij zijn pas op de grenzen der
-prairie; gij zult eens zien, als wij er maar eerst wat dieper zijn
-ingedrongen, kunt gij onmogelijk al de schatten bijeen verzamelen, die
-gij op uw weg zult ontmoeten.”
-
-»God geve het, kapitein,” zeide de geleerde met een zucht; »als ik de
-plant, die ik zoek, maar terugvind, zal ik tevreden zijn.”
-
-»Dat is dan wel eene kostbare plant,” vroeg doña Luz.
-
-»Kostbaar, Señorita?” riep de dikke doctor, die blijkbaar in vuur
-geraakte; »een plant die Linnaeus heeft beschreven en geclassificeerd,
-maar die niemand sedert teruggevonden heeft; een plant die mij beroemd
-kan maken, vraagt gij nog of die kostbaar is?”
-
-»Waartoe dient zij dan?” zeide het meisje nieuwsgierig.
-
-»Waartoe zij dient?”
-
-»Ja.”
-
-»Tot niets!” antwoordde de geleerde onschuldig.
-
-Doña Luz barstte in een luid gelach los, op een toon die een nachtegaal
-jaloersch zou gemaakt hebben.
-
-»En noemt gij dat een kostbare plant?”
-
-»Ja, wegens hare zeldzaamheid.”
-
-»Ha!.... ja wel.”
-
-»Wij willen hopen dat gij haar vinden zult, doctor,” zeide de generaal,
-die hen met elkander verzoenen wilde; »Jupiter, roep den overste der
-gidsen eens.”
-
-De neger vertrok, en kwam weldra, door een gambusino gevolgd, weder
-binnen. Deze laatste was een man van een veertig jaar, en sterk
-gebouwd; zijn gelaat was niet leelijk, maar had toch iets
-terugstootends, waarvan men zich moeielijk rekenschap kon geven; zijne
-vaalgrijze, loensche oogen, diep in hunne kassen verborgen, schitterden
-met een woesten glans; zijn laag voorhoofd, zijn kroeshaar en zijn
-kopertint vormden een geheel, dat niet zeer aantrekkelijk was. Hij
-droeg het costuum der woudloopers, was koel, stug en terughoudend, en
-antwoordde op den naam van Babbelaar, dien de Indianen, of zijne
-makkers zelven, hem zeker bij wijze van tegenstelling gegeven hadden.
-
-»Hier, mijn dappere,” zeide de generaal, terwijl hij hem een glas
-overreikte, tot den rand toe gevuld met een soort van brandewijn,
-Mezcal geheeten, naar de plaats waar zij gestookt wordt, »drink dat
-uit.”
-
-De jager boog zich en ledigde het glas, dat bijna een kan inhield, in
-een enkelen teug: toen zijn snor met de hand afvegende, bleef hij staan
-wachten.
-
-»Ik denk eenige dagen op een veilige plaats te blijven vertoeven,”
-zeide de generaal, »ten einde mij zonder kommer of ongerustheid aan
-eenige nasporingen te kunnen wijden; zouden wij hier in veiligheid
-zijn?”
-
-Het oog van den gids tintelde; hij sloeg een gloeienden blik op den
-generaal, en antwoordde: »Neen.”
-
-»Waarom niet?”
-
-»Te veel Indianen en wilde beesten.”
-
-»Kent ge een betere plaats?”
-
-»Ja.”
-
-»Is zij ver?”
-
-»Neen.”
-
-»Hoe ver?”
-
-»Veertig mijlen.”
-
-»Hoeveel dagen hebben wij noodig, om er te komen?”
-
-»Drie.”
-
-»Goed, gij zult er ons brengen; morgen bij het opgaan der zon zullen
-wij ons op weg begeven.”
-
-»Is dat alles?”
-
-»Dat is alles.”
-
-»Goeden nacht.”
-
-En de gids vertrok.
-
-»Één ding prijs ik in den Babbelaar, namelijk dat zijne gesprekken niet
-vervelend zijn,” zeide de kapitein glimlachend.
-
-»Ik wilde liever, dat hij wat meer sprak,” zeide de doctor, het hoofd
-schuddende; »ik vertrouw die menschen niet, die altijd vreezen te veel
-te zeggen: het komt gewoonlijk, omdat zij iets te verbergen hebben.”
-
-De gids, toen hij de tent verlaten had, voegde zich weêr bij zijne
-makkers, met wie hij fluisterend begon te praten.
-
-’t Was een schoone nacht. De reizigers zaten voor de tent, en spraken
-te zamen onder het rooken van een sigaar. Doña Luz zong een dier
-bekoorlijke kreoolsche liederen, vol zoete melodieën. Eensklaps
-verscheen er een roodachtige gloed aan den horizont; met ieder
-oogenblik nam die toe, en een dof, aanhoudend geluid, aan het rollen
-van een verren donder gelijk, liet zich hooren.
-
-»Wat is dat?” riep de generaal, haastig opstaande.
-
-»Dat is de prairie, die in brand staat,” antwoordde de Babbelaar
-bedaard.
-
-Bij deze vreeselijke aankondiging, op zoo kalmen toon uitgesproken,
-geraakte alles in het kamp in beweging. Men moest in alle haast
-vluchten, wilde men geen gevaar loopen van levend verbrand te worden.
-Een der Gambusinos, van de wanorde gebruik makende, gleed tusschen de
-pakken door, en verdween in de vlakte, na een geheimzinnig teeken met
-den Babbelaar gewisseld te hebben.
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-DE COMANCHEN.
-
-
-Edelhart en Goedsmoeds, tusschen de takken van den kurkeik verborgen,
-bespiedden de Comanchen.
-
-De Indianen rekenden op de waakzaamheid hunner wachten. Wel verre van
-te vermoeden dat hunne vijanden zich zoo dicht bij hen bevonden en
-hunne minste bewegingen gadesloegen, zaten of lagen zij onbekommerd
-rondom de vuren te eten en te rooken.
-
-Deze wilden, ten naasten bij 25 man sterk, waren gekleed in bisonvellen
-en op de meest verschillende en fantastische wijze uitgedoscht. De
-meesten waren geheel met vermiljoen besmeerd, anderen waren van top tot
-teen zwart en prijkten met een lange witte streep op iedere wang; zij
-droegen hun schild, boog en pijlen op den rug; naast hen lag hun
-geweer. Overigens zag men spoedig aan het groot aantal wolvenstaarten,
-die, aan hunne mocksens vastgemaakt, hen achterna sleepten, dat het
-allen uitgelezen krijgslieden waren, die den roem van hun stam
-uitmaakten.
-
-Op eenigen afstand van hen stond de Arendskop onbewegelijk tegen een
-boom geleund. Met de armen over elkander, en het lichaam een weinig
-voorover gebogen, scheen hij te luisteren naar eenige onbekende
-geluiden, die alleen zijn oor bereiken konden.
-
-De Arendskop behoorde tot den stam der Osagen; nog heel jong zijnde,
-hadden de Comanchen hem onder zich opgenomen, maar hij had altijd de
-kleeding en de zeden zijner natie bewaard.
-
-Het was een man van nauwelijks acht en twintig jaar; hij was bijna zes
-voet lang; zijn grove, sterk gespierde ledematen, duidden buitengewone
-kracht aan. Anders dan zijn makkers, droeg hij een kleed, dat alleen
-zijne heupen bedekte, ten einde zijne borst en armen beter te doen
-uitkomen: de uitdrukking van zijn gelaat was schoon en edel: zijne
-zwarte, levendige oogen, zijn kromme neus, zijn wel wat groote mond
-deden hem eenigszins op een roofvogel gelijken. Al zijn haar was
-afgeschoren, behalve een enkele smalle streep, midden op zijn hoofd,
-die aan een helmbos deed denken, en een lange vlecht, die naar achteren
-viel en met een menigte arendsvederen versierd was. Zijn gezicht was
-met vier kleuren besmeerd, met blauw, wit, zwart en rood; de wonden,
-die hij aan zijne vijanden had toegebracht, had hij met blauwe verf op
-zijn naakte borst gemerkt. Mocksens van ongelooid hertenleêr reikten
-hem tot boven de knieën, en een aantal wolvenstaarten waren aan zijne
-hielen vastgemaakt.
-
-Gelukkig voor de jagers, waren de Indianen ten strijde uitgetogen en
-niet ter jacht, zoodat zij geen honden bij zich hadden; anders waren
-zij reeds lang verraden geworden, en zouden zij niet straffeloos het
-kamp zijn genaderd.
-
-Hoe onbewegelijk het opperhoofd daar ook stond, schitterde toch zijn
-oog met onrustigen blik; zijne neusgaten trilden; hij hief
-werktuigelijk de rechterhand op, als om aan zijne krijgslieden het
-zwijgen op te leggen.
-
-»Wij zijn ontdekt,” mompelde Edelhart, zoo zacht dat zijn makker het
-nauwelijks hooren kon.
-
-»Wat nu te doen?” antwoordde Goedsmoeds.
-
-»Handelen,” zeide de pelsjager kortweg.
-
-Beiden slopen toen onhoorbaar van tak tot tak, van boom tot boom,
-zonder een voet op den grond te zetten, totdat zij zich vlak tegenover
-het kamp bevonden, juist boven de plaats, waar de paarden der Comanchen
-aan de boomen waren vastgemaakt. Goedsmoeds klom zachtjes naar beneden
-en sneed de touwen, die hen vasthielden, door. De paarden, aangevuurd
-door de zweepslagen der jagers, renden hinnikend en snuivend in alle
-richtingen voort.
-
-De Indianen stonden in verwarring op, en liepen schreeuwend weg, om
-hunne paarden op te zoeken. De Arendskop alleen, als had hij de plaats
-geraden, waar zijne vijanden in hinderlaag lagen, liep recht op hen
-toe, zich zoo goed mogelijk achter de boomen, die zich op zijn weg
-bevonden, beschuttende.
-
-De jagers gingen voet voor voet achteruit, een waakzaam oog houdende op
-den omtrek, ten einde zich niet te laten verschalken.
-
-Het geschreeuw der Indianen verdween reeds in de verte; zij dachten aan
-niets dan hunne paarden. Het opperhoofd was nu alleen in de
-tegenwoordigheid van de twee vrienden. Bij een boom gekomen, waarvan de
-dikke stam hem volkomen beveiligde, achtte hij het beneden zich om zijn
-geweer te gebruiken, en zijn kans schoon ziende, legde hij een pijl op
-zijn boog, maar hoe voorzichtig en behendig hij ook te werk ging, kon
-hij niet aanleggen zonder zich een weinig bloot te geven. Edelhart
-legde zijn geweer aan, het schot ging af, de kogel floot, het
-opperhoofd sprong met een woedend gebrul op en viel op den grond. Zijn
-arm was doorschoten. De twee jagers waren vlak bij hem.
-
-»Maak geen de minste beweging, Roodhuid,” zeide Edelhart, »of gij zijt
-dood!”
-
-De Indiaan verroerde zich niet; schijnbaar kalm en bedaard bedwong hij
-zijn toorn.
-
-»Ik zou u kunnen dooden,” ging de jager voort, »maar dat wil ik niet;
-dit is nu de tweede maal, hoofdman, dat ik u het leven schenk, maar het
-zal ook de laatste maal zijn; vertoon u niet wederom op mijn weg, en
-vooral steel mijne vallen niet meer, anders, ik zweer het u, zal ik u
-geen genade schenken.”
-
-»De Arendskop is een beroemd opperhoofd onder de mannen van zijn stam,”
-antwoordde de Indiaan trotsch, »hij vreest den dood niet; de blanke
-jager kan hem dooden, hij zal geen enkele klacht hooren.”
-
-»Neen, ik zal u niet dooden, hoofdman: mijn God verbiedt het noodeloos
-bloedvergieten.”
-
-»Ooah!” zeide de Indiaan met een spottenden lach, »mijn broeder is een
-zendeling.”
-
-»Neen, ik ben een eerlijk pelsjager; maar ik wil u niet vermoorden.”
-
-»Mijn broeder redeneert als een oude vrouw,” hernam de Indiaan;
-»Nehunutah vergeeft niet, hij wreekt zich!”
-
-»Gij kunt doen, wat gij verkiest, hoofdman;” antwoordde de jager,
-minachtend de schouders ophalend, »ik ben niet van plan uw natuur te
-veranderen, maar gij zijt gewaarschuwd; vaarwel!”
-
-»De duivel hale u!” voegde Goedsmoeds er bij, hem verachtelijk een
-schop gevende.
-
-De hoofdman scheen bij deze nieuwe beleediging ongevoelig te blijven,
-alleen zijne wenkbrauwen fronsten zich; hij bewoog zich niet, maar
-volgde met een blik vol haat zijne beide vijanden, die, zonder zich
-meer om hem te bekommeren, in het woud verdwenen.
-
-»Het zij zoo,” zeide Goedsmoeds naderhand, »maar gij hebt verkeerd
-gedaan, Edelhart; gij hadt hem moeten dooden.”
-
-»Bah! Waarom?” antwoordde de jager onbezorgd.
-
-»Cascaras! Waarom? wel dat was een ongedierte minder geweest in de
-prairie.”
-
-»Er zijn er zooveel,” zeide de ander, »dat het er op een niet aankomt.”
-
-»Dat is waar!” antwoordde Goedsmoeds, overtuigd; »maar waar zullen wij
-nu heengaan?”
-
-»Onze vallen opzoeken, Caramba! meent gij dat ik die kwijt wil zijn?”
-
-»Waarachtig, dat is een goed denkbeeld.”
-
-De jagers gingen werkelijk in de richting van het kamp voort, maar op
-de wijze der Indianen, dat is door middel van tallooze omwegen, ten
-einde de Comanchen van spoor te brengen.
-
-Na twintig minuten loopens bereikten zij het kamp. De Indianen waren
-nog niet teruggekeerd, maar naar alle waarschijnlijkheid zou het niet
-lang meer duren. Al hun bagage lag hier en daar verspreid. Twee of drie
-paarden die geen instinct genoeg bezaten om te vluchten, stonden
-bedaard te weiden. Zonder een oogenblik tijd te verliezen raapten de
-jagers hunne vallen bijeen, hetgeen spoedig genoeg gedaan was; zij
-namen er ieder vijf voor hunne rekening, en zonder dralen namen zij den
-terugweg aan naar de grot, waar hunne paarden stonden. Ondanks de zware
-vracht die zij droegen, liepen zij snel voort, verrukt over den goeden
-uitslag hunner onderneming en lachende over den fraaien trek, dien zij
-den Indianen gespeeld hadden.
-
-Zoo waren zij een geruimen tijd op weg; reeds hoorden zij in de verte
-het dof gemurmel der rivier, toen eensklaps het hinniken van een paard
-hun oor bereikte.
-
-»Men vervolgt ons,” zeide Edelhart, stilstaande.
-
-»Hm!” antwoordde Goedsmoeds, »het is misschien een wild paard.”
-
-»Neen, een wild paard hinnikt anders; het zijn de Comanchen. Maar wij
-zullen er wel achter komen.” En zich op den grond uitstrekkende,
-luisterde hij aandachtig. Dadelijk stond hij weder op.
-
-»Ik wist het wel,” zeide hij, »het zijn de Comanchen; maar zij zijn
-niet zeker van ons spoor, zij aarzelen.”
-
-»Of misschien worden zij opgehouden door de wond van den Arendskop.”
-
-»Dat is mogelijk! O, o! meenen zij dan waarlijk in staat te zijn ons te
-bereiken, als wij hen willen ontsnappen?”
-
-»Als wij maar niet zoo zwaar beladen waren, dan was het spoedig uit.”
-
-Edelhart dacht even na.
-
-»Kom,” zeide hij, »wij hebben een half uur voor ons; dat is meer dan
-genoeg.”
-
-Dicht bij hem stroomde een beek; de jager stapte er in, zoowel als zijn
-vriend, die in alles zijne bewegingen volgde. In het midden van den
-stroom gekomen, wikkelde Edelhart de vallen zorgvuldig in een
-buffelhuid, om ze voor nat te bewaren, en liet ze toen op den bodem van
-het water zinken. Dezen maatregel genomen hebbende, gingen zij naar de
-overzijde van de beek; daarna een valsch spoor van omstreeks
-tweehonderd passen makende, en behoedzaam op hunne schreden
-terugkomende, opdat niets hun terugkeer zou verraden, begaven zij zich
-in het bosch naar de paarden, na vooraf, met eene lichte beweging met
-de hand, de honden weggezonden te hebben.
-
-De verstandige dieren begrepen waarheen zij zich te wenden hadden, en
-verdwenen weldra in de duisternis.
-
-Het besluit om zich van hunne honden te scheiden hielp hen om de
-Indianen van het spoor te brengen, die zeker niet zouden verzuimen de
-sporen door de speurhonden in het hooge gras achtergelaten, te volgen.
-
-Eenmaal in het bosch zijnde, klommen de jagers op een boom en zetten
-hunnen tocht tusschen hemel en aarde voort. Deze manier van reizen is,
-veel meer dan men in Europa denken zou, gebruikelijk in landen, waar
-het, ten gevolge van het in elkander groeien der boomen en lianen,
-dikwijls onmogelijk is, om vooruit te komen, zonder zich telkens met de
-bijl een pad te banen. Men kan aldus, door van den eenen tak op den
-anderen te klauteren, mijlen ver afleggen zonder den grond aan te
-raken. De jagers deden dit echter thans om een andere reden.
-
-Zij gingen op deze wijze voor hunne vijanden uit, die hen hoe langer
-hoe meer naderden, en die zij weldra vlak onder zich op Indiaansche
-wijze, dat is achter elkander, zagen voort marcheeren, en met aandacht
-hun spoor volgen. De Arendskop ging voorop, ten gevolge van zijn wond
-half op zijn paard liggende, maar beter dan ooit gestemd om zijne
-vijanden te vervolgen. Toen zij de Comanchen onder zich hadden,
-verscholen de jagers zich tusschen de bladeren, en hielden hun adem in.
-De minste kleinigheid zou voldoende zijn geweest om hunne
-tegenwoordigheid te verraden. De Indianen gingen voorbij, zonder hen te
-zien. De jagers zetten hunnen tocht voort.
-
-»Oef!” zeide Goedsmoeds na een oogenblik van stilte, »ik geloof dat wij
-er ditmaal heelhuids afkomen.”
-
-»Laat ons nog geen victorie kraaien, maar zoo snel wij kunnen ons
-verwijderen; die verwenschte Roodhuiden zijn slim; zij zullen zich niet
-lang door onze list laten misleiden.”
-
-»Duivelsch!” riep Goedsmoeds eensklaps, »ik heb mijn mes laten vallen,
-en waar weet ik niet; als de Roodhuiden het vinden, zijn wij verloren.”
-
-»Dat is zeer waarschijnlijk,” mompelde Edelhart; »een reden te meer om
-geen minuut te verliezen.”
-
-Uit het woud, dat tot nu toe doodstil was geweest, begon eensklaps een
-dof gebrom op te rijzen; de vogels vlogen fladderend rond, en in de
-struiken hoorde men de drooge takken onder de pooten der wilde dieren
-kraken.
-
-»Wat gebeurt er toch?” zeide Edelhart, ophoudende en ongerust om zich
-heen ziende; »het woud schijnt met duizeling bevangen te zijn.”
-
-De beide jagers klommen tot in den top van den boom, waarop zij zich
-bevonden, en die bij toeval een der hoogste van het woud was.
-
-Een ontzaglijke gloed kleurde den horizont op ongeveer een mijl afstand
-van de plaats, waar zij zich bevonden; deze gloed werd van oogenblik
-tot oogenblik grooter, en naderde hen met reuzenschreden.
-
-»Vervloekt,” riep Goedsmoeds uit, »de Comanchen hebben de prairie in
-brand gestoken!”
-
-»Ja, en ik geloof dat wij ditmaal, zooals gij straks opmerktet,
-verloren zijn,” antwoordde Edelhart koelbloedig.
-
-»Wat nu gedaan?” vroeg de Canadees; »binnen een oogwenk zien zij ons.”
-
-Edelhart dacht na. Na eenige oogenblikken richtte hij het hoofd wederom
-op, een zegepralende glimlach plooide zijne lippen.
-
-»Zij hebben ons nog niet,” zeide hij; »volg mij, broeder!....” en,
-voegde hij er zachtjes bij, »ik wil mijne moeder weder zien!...”
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-DE REDDER.
-
-
-Om den lezer den toestand begrijpelijk te maken, waarin de jagers zich
-bevonden, is het noodig tot het Comanchenhoofd terug te keeren.
-
-Nauwelijks waren zijne vijanden tusschen de boomen verdwenen, of de
-Arendskop richtte zich zachtjes op, boog zijn lichaam voorover, en
-luisterde om zich te verzekeren, dat zij zich werkelijk verwijderden.
-Zoodra hij deze zekerheid verkregen had, verscheurde hij een stuk van
-zijn blankett—het kleed dat zijne heupen bedekte—waarmede hij zoo goed
-en zoo kwaad als hij kon, zijn arm verbond, en ondanks zijne zwakheid
-en de hevige pijn die hij doorstond, volgde hij behoedzaam het spoor
-der jagers. Hij vergezelde hen aldus, zonder gezien te worden, tot aan
-de grenzen van het kamp. Daar, achter een ebbenboom verscholen, was
-hij, zonder zich te kunnen verzetten, getuige van het zoeken der jagers
-naar hunne vallen, en eindelijk van hun vertrek, nadat zij ze gevonden
-hadden.
-
-Ofschoon de speurhonden der jagers uitmuntende dieren waren die de
-Indianen van verre roken, hadden zij zich door een toeval, dat het
-behoud van den hoofdman was, gulzig op de overblijfselen van het maal
-der Roodhuiden geworpen, en hunne meesters, weinig denkende, dat zij
-bespied werden, hadden het niet noodig geacht, hen tot de orde terug te
-roepen.
-
-De Comanchen waren eindelijk in het kamp teruggekomen, na er met
-ongehoorde moeite in geslaagd te zijn, hunne paarden weder te vinden.
-
-Het gezicht van hun gewonden hoofdman wekte in hooge mate hunne
-verbazing en verbolgenheid op, hetgeen den Arendskop zeer te stade
-kwam, om hen op nieuw tot het vervolgen der jagers aan te vuren, die in
-het loopen gehinderd door de vallen die zij droegen, niet ver af konden
-zijn, en hun zonder missen in handen moesten vallen.
-
-Slechts een oogenblik hadden zij zich door de list van Edelhart laten
-misleiden, en weldra ontdekten zij in de eerste boomen van het woud de
-ondubbelzinnige sporen van de richting, die hunne vijanden volgden.
-
-Beschaamd en wrevelig, dat hij dus de speelbal was geweest van twee
-onverschrokken mannen, wier listen al zijne berekeningen in de war
-brachten, besloot de Arendskop om er voor goed een eind aan te maken,
-en bracht hij zijn duivelsch voornemen om de prairie in brand te
-steken, onmiddellijk ten uitvoer. Door dit middel, ten minste hij
-twijfelde er niet aan, moesten zijne geduchte vijanden weldra in zijne
-handen vallen. Na alzoo zijne krijgslieden in verschillende richtingen
-uitgezonden te hebben, ten einde een wijden kring te vormen, deed hij
-op verschillende plaatsen tegelijk het hooge gras in brand steken.
-
-Deze maatregel, ofschoon barbaarsch en alleen wilden waardig, was niet
-kwaad bedacht.
-
-De jagers, na vergeefs beproefd te hebben aan den vuurpoel te
-ontsnappen, die hen weldra van alle kanten zou omringen, zouden tegen
-wil en dank verplicht zijn om zich aan hunne woeste vijanden over te
-geven, zoo zij ten minste niet levend verbrand wilden worden.
-
-De Arendskop had alles berekend, alles voorzien, behalve één zeer
-eenvoudige en gemakkelijk te volbrengen zaak, de eenige kans van
-behoud, die aan Edelhart overbleef.
-
-Gelijk wij gezegd hebben, hadden, op bevel van hun opperhoofd, de
-krijgslieden zich in alle richtingen verstrooid, en op verschillende
-plaatsen tegelijk vuur aangebracht.
-
-In dit vergevorderde jaargetijde waren de planten en grashalmen door de
-loodrechte stralen der zomerzon verschroeid, onmiddellijk ontvlamd, en
-het vuur had zich met schrikbarende snelheid in alle richtingen
-verspreid; niet snel genoeg echter, of het duurde nog eenigen tijd eer
-de vlammen zich vereenigd hadden.
-
-Edelhart aarzelde niet: terwijl de Indianen als duivels om den slagboom
-van vuur, waarmede zij aan hunne vijanden den weg wilden versperren,
-heenliepen, en een vroolijk gebrul lieten hooren, had de jager, door
-zijn vriend gevolgd, zich in snellen loop tusschen twee muren van vuur
-geworpen, die rechts en links van hem af brandden en sisten, en
-tegelijkertijd dreigden zich onder en boven hem te zullen vereenigen.
-Te midden der verkoolde boomen, die krakend neêrvielen, verblind door
-dikke rookwolken die hun het ademhalen beletten, gezengd door de vonken
-die van alle kanten op hen neêrregenden, volgden zij onverschrokken hun
-pad onder een gewelf van vlammen door, en het gelukte den moedigen
-avonturiers, om ten koste van eenige onbeduidende brandwonden zich door
-den heilloozen ringmuur heen te slaan, onder welken de Indianen gedacht
-hadden hen voor eeuwig te zullen begraven en reeds waren zij verre van
-hunne vijanden verwijderd, toen deze nog luide hun vreugdegejuich deden
-hooren over den gelukkigen uitslag hunner krijgslist.
-
-De brand kreeg ondertusschen een ontzettend aanzien, het woud kroop weg
-onder de omarming van het vuur; de prairie was een net van vlammen, te
-midden waarvan de wilde dieren, door deze onverwachte ramp uit hunne
-schuilplaatsen verdreven, angstig heen en weder liepen. De lucht was
-bloedig gekleurd en een onstuimige wind joeg rook en vlammen woest voor
-zich heen.
-
-De Indianen zelven waren verschrikt over hun werk, toen zij van alle
-kanten op de bergen geheele bosschen, als zoovele noodlottige fakkels
-zagen ontvlammen, toen de aarde overal warm werd en ontzaglijke kudden
-buffels den grond deden trillen, onder het uitstooten van een wanhopig
-geloei, dat het moedigste hart met schrik vervulde.
-
-In het kamp der Mexicanen heerschte de grootste verwarring; het was een
-vervaarlijk geraas, de paarden hadden hunne banden gebroken en
-vluchtten in alle richtingen, de mannen grepen naar hunne wapenen en
-naar hun kruit, anderen voerden de zadels en pakken weg. Ieder
-schreeuwde, vloekte, kommandeerde, allen liepen als gekken door het
-kamp rond.
-
-Het vuur naderde statig, alles op zijn weg verslindende, voorafgegaan
-door eene tallooze menigte van allerlei dieren, die angstig brullend,
-het gevaar dat hen dreigde, trachtten te ontvlieden.
-
-Een dikke rook, met vonken beladen, overdekte reeds het kamp der
-Mexicanen; nog twintig minuten, en het was met hen gedaan.
-
-De generaal, zijn nicht in de armen sluitende, vroeg tevergeefs aan de
-gidsen, naar middelen die het dreigend gevaar konden afwenden. Deze
-mannen, versteend van schrik, hadden alle tegenwoordigheid van geest
-verloren. En wat konden zij er ook tegen doen? de vlammen vormden een
-ontzaglijken kring, waarvan het kamp het middelpunt was geworden.
-
-Eensklaps echter was de wind, die tot nu toe het vuur had aangeblazen,
-gaan liggen. Er woei geen tochtje meer. De gang van het vuur werd
-langzamer. De voorzienigheid verlengde het leven dezer ongelukkigen met
-eenige minuten.
-
-Op dit oogenblik bood het kamp een vreemd schouwspel aan. Al deze
-mannen hadden als verstijfd van schrik zelfs het instinct van
-zelfbehoud verloren. De Lanceros gingen bij elkander te biecht. De
-gidsen waren met wanhoop geslagen, en verroerden zich niet.
-
-De generaal morde tegen den hemel. De doctor betreurde de plant, die
-hij vruchteloos gezocht had; de gedachte daaraan verdrong bij hem elk
-ander denkbeeld. Doña Luz lag met gevouwen handen en gebogen knieën te
-bidden. Het vuur met zijne voorhoede van wilde dieren naderde meer en
-meer.
-
-»O!” riep de generaal, met geweld den gids bij den arm schuddende,
-»zult gij ons dan aldus laten verbranden, zonder zelfs een poging tot
-redding in het werk te stellen?”
-
-»Wat kan men doen tegen Gods wil?” antwoordde de Babbelaar onbewogen.
-
-»Is er dan geen enkel middel om ons van den dood te bevrijden?”
-
-»Geen enkel!”
-
-»Ja, één is er!” riep nu een man, die met half verbrande haren en
-verzengd gelaat, en door nog een ander gevolgd, zich over de pakken
-heen, plotseling in het kamp stortte.
-
-»Wie zijt gij?” vroeg de generaal verrast.
-
-»Dat doet er niet toe,” antwoordde de vreemdeling kortaf; »ik kom u
-redden! Mijn vriend en ik waren reeds buiten gevaar; om u te helpen
-hebben wij niets te zwaar geacht; dit zij u genoeg. Uw behoud hangt nu
-alleen van u zelven af: gij behoeft het slechts te willen.”
-
-»Beveel,” antwoordde de generaal, »ik zal de eerste zijn om u te
-gehoorzamen.”
-
-»Hebt gij dan geen gidsen bij u?”
-
-»Ja!”
-
-»Nu, dan zijn het verraders of lafaards: want het middel dat ik zal
-aanwenden, is aan ieder bewoner der prairie bekend.”
-
-De generaal wierp den Babbelaar, die bij de plotselinge verschijning
-der twee onbekenden eene rilling niet had kunnen weêrhouden, een
-wantrouwenden blik toe.
-
-»Overigens,” zoo ging de jager voort, »is dit eene zaak, die gij later
-met hen kunt afrekenen; nu hebben wij wat anders te doen.”
-
-Op het gezag van dezen vastberaden man, hadden de Mexicanen als van
-zelf hunne hoop en hun moed voelen terugkeeren, en zij hielden zich
-gereed om zijne bevelen met allen spoed ten uitvoer te brengen.
-
-»Haast u,” zeide de jager, »ruk al het gras uit dat het kamp
-omringt.—Ieder zette zich aan ’t werk.—Wij,” zoo vervolgde de jager,
-zich tot den generaal wendende, »zullen intusschen natte zeilen over de
-pakken uitstrekken.”—De generaal, de kapitein en de doctor, door den
-jager geleid, deden wat deze beval, terwijl zijn medgezel de paarden en
-muilezels midden in het kamp aan eenige palen vastbond.
-
-»Haast u! haast u!” riep de vreemdeling gedurig, »de brand nadert.”
-Ieder verdubbelde zijn ijver. Weldra was over een groote ruimte het
-gras uitgerukt.
-
-Doña Luz zag met bewondering naar dien vreemden man, zoo onverwacht te
-voorschijn gekomen, juist op het oogenblik, dat het dreigend gevaar op
-het punt stond hen allen te verslinden, en die toch onder alles even
-kalm en bedaard bleef, als bezat hij de macht om het onheil, dat hen
-met reuzenschreden naderde, met een enkel woord te bezweren. Het meisje
-kon niet nalaten haar blikken op hem te vestigen; zij voelde zich
-onbewust tot dien onbekenden redder getrokken, wiens stem en gebaren,
-wiens geheele persoonlijkheid een magtigen indruk op haar maakte.
-
-Toen het gras en de planten waren uitgeroeid met dien koortsachtigen
-spoed, die door het dreigend doodsgevaar werd aangewakkerd, glimlachte
-de jager even.
-
-»Nu,” zeide hij, zich tot de Mexicanen richtende, »nu gaat het overige
-mijn vriend en mij aan: laat ons nu handelen; wat u betreft, wikkelt u
-allen in natgemaakte kleederen.”—Ieder volgde zijn raad. De vreemdeling
-wierp een blik om zich heen, en vervolgens zijn makker een teeken
-gevende, liep hij het vuur te gemoet.
-
-»Ik verlaat u niet,” zeide de generaal.
-
-»Kom dan,” antwoordde de vreemdeling.
-
-Aan het einde der ruimte gekomen, waarop het gras uitgerukt was, maakte
-de jager een bundel van planten en droge takken, wierp er een weinig
-kruit in, en stak er den brand in.
-
-»Wat doet gij daar?” riep de generaal verschrikt uit.
-
-»Dat ziet gij: ik bestrijd het vuur met het vuur,” antwoordde de jager
-eenvoudig.
-
-Zijn makker had aan den tegenovergestelden kant hetzelfde gedaan.
-
-Snel verhief zich een gordijn van vlammen, en gedurende eenige
-oogenblikken was het kamp bijna onder een gewelf van vuur begraven. Er
-verliep een kwartier van verschrikkelijken angst, en van gespannen
-verwachting. Langzamerhand werden de vlammen minder dik en de lucht
-zuiverde, de rook verdunde zich en het geloei van den brand nam af.
-Eindelijk kon men in dien vreeselijken chaos elkander weder herkennen.
-Een kreet van verrukking ging uit aller mond op. Het kamp was gered!
-
-De brand, waarvan het geloei hoe langer hoe doffer werd, ging, door den
-jager overwonnen, in andere richtingen zijn verwoestingen verspreiden.
-
-Allen liepen op den vreemdeling toe, om hun dank te betuigen.
-
-»Gij hebt mijne nicht het leven gered,” zeide de generaal, »hoe zal ik
-ooit mijn schuld aan u betalen?”
-
-»Gij zijt mij niets schuldig, mijnheer,” antwoordde de jager met edele
-eenvoudigheid; »in de prairie zijn alle menschen broeders; ik heb niets
-dan mijn plicht gedaan.”
-
-Toen het eerste oogenblik van vreugd voorbij was, en men de orde in het
-kamp een weinig hersteld had, begon ieder naar rust te verlangen,
-hetgeen na de verschrikkingen en vermoeienissen van dien nacht zeer
-natuurlijk was.
-
-De twee vreemdelingen, die beleefd maar standvastig alle voordeelen
-hadden van de hand gewezen, hun door den generaal aangeboden, hadden
-zich onbezorgd op de balen uitgestrekt, om eenige uren te rusten. Even
-voordat de zon opging, stonden zij op.
-
-»De grond moet al koud zijn,” zeide de een, »laat ons heen gaan, eer
-die menschen ontwaken; zij zouden misschien ons zoo niet laten
-vertrekken.”
-
-»Ja, laten wij gaan,” antwoordde de ander.
-
-Toen zij het kamp verlieten, werd de schouder van den eerste licht
-aangeraakt; hij keerde zich om. Doña Luz stond voor hem. De twee mannen
-bleven staan, en groetten de jonge dame eerbiedig.
-
-»Gaat gij ons verlaten?” vroeg zij met een zachte, welluidende stem.
-
-»Het moet, señorita,” antwoordde een der jagers.
-
-»Ik begrijp u,” zeide zij met een bekoorlijken glimlach. »Thans, nu
-wij, dank zij uwe hulp, gered zijn, hebt gij hier niets meer te doen,
-niet waar?”
-
-De twee mannen bogen, zonder te antwoorden.
-
-»Sta mij een gunst toe,” zeide zij.
-
-»Spreek, mevrouw.”
-
-Zij nam een klein crucifix, met diamanten ingelegd, dat zij op de borst
-droeg.
-
-»Bewaar dit ter herinnering aan mij.”
-
-De jager aarzelde.
-
-»Ik bid er u om,” prevelde zij met tranen in de oogen.
-
-»Ik neem het aan, mevrouw,” zeide de jager bewogen, het kruis op zijne
-borst bij zijn scapulier plaatsende; »het zal mij een talisman zijn bij
-die, welke mijne moeder mij gegeven heeft.”
-
-»Ik dank u,” antwoordde het meisje verheugd; »nog eene vraag!”
-
-»Spreek!”
-
-»Hoe zijn uwe namen?”
-
-»Mijn makker heet Goedsmoeds.”
-
-»Maar gij?”
-
-»Edelhart.”
-
-Na nog eenmaal gebogen te hebben, verwijderden de beide jagers zich
-haastig, en waren spoedig in de duisternis verdwenen. Doña Luz volgde
-hen zoolang zij kon met de oogen; vervolgens keerde zij langzaam naar
-de tent terug, half luid prevelende: »Edelhart!... O, ik zal het niet
-vergeten!...”
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-DE VERRASSING.
-
-
-De Vereenigde Staten hebben van Engeland dat systeem van voortdurende
-uitbreiding en inbezitneming overgeërfd, dat een der meest kenmerkende
-eigenschappen van het Angel-Saksische ras is.
-
-Nauwelijks was Noord-Amerika onafhankelijk en de vrede met het
-moederland gesloten, of dezelfde menschen die zoo hard over
-dwingelandij en verdrukking geschreeuwd en die zich verzet hadden tegen
-de schending van het volkenrecht, waarvan zij, zooals zij zeiden, de
-slachtoffers waren geweest, regelden met die onverbiddelijke
-koelbloedigheid, die aan hun geslacht eigen is, eene jacht op de
-Indianen, niet alleen op hun eigen grondgebied, maar over de gansche
-uitgestrektheid van Amerika’s vasteland. Niet tevreden met de
-onmetelijke gewesten, die zij reeds bezitten en welks onrustige
-bevolking, ondanks haar ijver om van alles voordeel te trekken, nog
-altijd ontoereikend is, willen zij zich meester maken van de beide
-oceanen, die Amerika bespoelen, en dringen zij voortdurend de
-inlandsche stammen terug, om deze volgens de profetische en bittere
-woorden van een Indiaansch opperhoofd, door middel van allerlei verraad
-en trouweloosheid, eindelijk in de Stille Zuidzee te verdrinken.
-
-In de Vereenigde Staten, dat land waarover de denkbeelden wel beginnen
-te veranderen, ofschoon bevooroordeelde of slecht ingelichte lieden het
-nog altijd als den klassieken grond der vrijheid blijven voorstellen,
-ontmoet men overal de blijken van die hatelijke onrechtvaardigheid, die
-twee menschenrassen heeft geplunderd en van alles beroofd ten voordeele
-van een derde, dat zich het recht van leven en dood over hen aanmatigt,
-en ze niet anders dan als slachtvee beschouwt. Deze twee rassen, de
-belangstelling van alle weldenkenden zoo overwaardig, zijn het zwarte
-en het roode ras.
-
-Het is aan den anderen kant waar, dat de Vereenigde Staten, om te
-toonen hoe philanthropisch zij zijn, in het jaar 1795 een verbond van
-vrede en vriendschap gesloten hebben met de Barbarijsche staten, die
-hun onvergelijkelijk meer voordeelen aanboden dan de orde van Malta,
-die ook met hen onderhandelen wilde.
-
-Dit verbond is gewaarborgd door de gouvernementen van Algiers en van
-Tripoli, en het luidde uitdrukkelijk, dat de regeering der Vereenigde
-Staten geenszins gebaseerd is op de Christelijke Godsdienst. Aan hen,
-wien deze bepaling doeltreffend toeschijnt, moeten wij doen opmerken
-dat de Amerikanen in hun dagelijksch leven maar één God schijnen te
-erkennen: den God Dollar! die ten allen tijde de eenige is geweest, tot
-welken de roovers van alle gewesten gebeden hebben.
-
-Men make zelf de gevolgtrekking!
-
-De Squatters, menschen zonder recht en wet, door alle natiën veracht,
-de schande en het uitvaagsel der bevolking van Noord-Amerika, dringen
-altijd naar het Westen voort, en trachten door onafgebroken
-landontginningen de Indiaansche stammen uit hun laatste schuilhoeken te
-verdrijven.
-
-Achter de squatters komen vier of vijf soldaten, een tamboer, een
-trompetter of een officier met een vaandel met sterren.
-
-Deze soldaten bouwen een fort van enkel boomstammen, planten hun
-vaandel er op, en maken openlijk bekend, dat de grenzen van het
-Staten-Verbond zich tot daar uitstrekken.
-
-Dan worden er rondom het fort eenige hutten gebouwd, een gemengde
-bevolking van blanken, zwarten en roodhuiden vestigt er zich, en
-ziedaar eene stad in het aanzijn geroepen, waaraan men een verheven
-naam, bijv. Utica, of Syracuse, of Rome, of Carthago geeft; en eenige
-jaren later, als deze stad twee of driehonderd steenen huizen bezit,
-wordt zij rechtens de hoofdstad van een nieuwen Staat, die eigenlijk
-nog moet geboren worden. Zoo gaat het in dat land toe; men ziet het is
-een zeer eenvoudige wijze van handelen.
-
-Eenige dagen na de in ons vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen, had
-er een vreemd voorval plaats, in een nauwelijks sedert twee jaar
-bestaande bezitting, aan den oever der groote Canadeesche rivier en aan
-den voet van een altijd groenen heuvel.
-
-Deze bezitting bestond uit een twintigtal hutten, grillig naast
-elkander geplaatst en beschermd door een fortje, dat met vier kanonnen
-bewapend den loop der rivier bestreek.
-
-Dit dorp, hoe nieuw het ook zijn mocht, had ten gevolge der onvermoeide
-Amerikaansche bedrijvigheid, reeds al het aanzien eener stad verkregen.
-Twee kroegen waren altijd vol drinkers, drie kerken van verschillende
-genootschappen dienden tot vergaderplaats voor de geloovigen. De
-bewoners kwamen en gingen met die driftige haast, die gewoonlijk lieden
-kenmerkt, welke met lust arbeiden en veel zaken te doen hebben.
-
-Tallooze kano’s bedekten de rivier, en karren, met koopwaren beladen,
-reden in alle richtingen, knarsten op hun ongesmeerde wielen, en lieten
-diepe sporen in den grond achter.
-
-Doch ondanks al die bewegelijkheid, misschien wel ten gevolge daarvan,
-viel het niet moeielijk te ontdekken, dat er zekere ongerustheid in het
-dorp heerschte.
-
-De bewoners ondervroegen elkander; er vormden zich groepen voor de
-huizen, en verscheidene mannen, op krachtvolle paarden gezeten, reden
-naar alle zijden op verkenning uit, nadat zij van den kommandant van
-het fort, die in groot uniform, met een verrekijker in de hand, op den
-muur der sterkte rondliep, de noodige bevelen ontvangen hadden.
-
-Langzaam naderden de kano’s den oever, de karren werden uitgespannen,
-de lastdieren in de parken opgesloten, en de geheele bevolking
-vereenigde zich op het plein van het dorp.
-
-De zon was bijna onder, de avond zou weldra gevallen zijn, de
-uitgezonden verspieders waren allen terug.
-
-»Gij ziet het,” zeide de kapitein tot de inwoners, »wij hebben niets te
-vreezen, het was slechts een valsch alarm, gij kunt rustig naar uwe
-woningen terugkeeren, men heeft op twintig mijlen in den omtrek geen
-spoor van Indianen gevonden.”
-
-»Hm!” zeide een oud jager van gemengd ras, die op zijn geweer leunde,
-»twintig mijlen zijn spoedig afgelegd door de Indianen.”
-
-»’t Is mogelijk, Wit-Oog,” antwoordde de kommandant, »maar wees
-overtuigd dat ik met geen ander doel aldus gehandeld heb, dan om de
-bevolking de verzekering te geven, dat de Indianen zich niet zullen
-durven wreken.”
-
-»De Indianen wreken zich altoos, kapitein,” zei de oude jager met
-nadruk.
-
-»Gij hebt te veel whiskey gedronken, Wit-Oog, zij is u naar het hoofd
-gestegen, gij droomt wakend.”
-
-»God geve dat gij gelijk hebt, kapitein, maar ik heb mijn gansche leven
-met het ontginnen van woeste streken doorgebracht; ik ken de gebruiken
-der Roodhuiden, terwijl gij u slechts sedert twee jaar op de grenzen
-bevindt.”
-
-»Dat is meer dan genoeg.”
-
-»Maar met goedvinden, de Indianen zijn mannen, en de twee Comanchen,
-die hier verraderlijk vermoord zijn, in spijt van het volkenrecht,
-waren krijgslieden, daar hun stam trotsch op was.”
-
-»Wit-Oog, gij zijt een halfbloed, gij zijt maar al te zeer aan het
-roode ras verwant.”
-
-»Het roode ras,” antwoordde de jager trotsch, »is edelmoedig; het
-vermoordt niemand uit lust tot bloedvergieten, gelijk gij voor vier
-dagen met die twee krijgslieden, die weerloos in hunne kano’s
-voorbijvoeren, gedaan hebt, onder voorwendsel van een nieuw geweer te
-probeeren dat gij uit Akropolis ontvangen hadt.”
-
-»’t Is wel! ’t Is genoeg! schenk mij uwe verklaring, Wit-Oog, ik wil
-van u geen aanmerkingen hooren.”
-
-De jager maakte eene linksche buiging, wierp zijn geweer over schouder
-en ging weg, bij zich zelven mompelend:
-
-»Om het even, maar het vergoten bloed schreeuwt om wraak, de Roodhuiden
-zijn mannen, zij zullen de misdaad niet ongestraft laten.”
-
-De kapitein begaf zich wederom naar het fort, blijkbaar verbitterd door
-de woorden van den mesties. Langzamerhand verstrooiden zich de burgers,
-na elkander goeden avond gewenscht te hebben, en begaven zich naar
-huis, met al de onbezorgdheid van menschen die gewoon zijn om ieder
-oogenblik hun leven in gevaar te stellen.
-
-Een uur later was de nacht geheel gevallen; een dikke duisternis omgaf
-het dorp, welks inwoners, vermoeid door den zwaren arbeid van den dag,
-onbekommerd uitrustten.
-
-De verspieders, die tegen den avond door den kapitein waren
-uitgezonden, hadden zich slecht van hun plicht gekweten of liever zij
-waren niet bekend met de streken der Indianen, anders zouden zij de
-kolonisten niet tot zulke verkeerde onbezorgdheid hebben opgewekt.
-
-Nauwelijks een mijl van het dorp verwijderd, lagen te midden van het
-dichte struikgewas en de ineengegroeide boomen van een ondoordringbaar
-woud, tweehonderd Comanchen van den Slangenstam verscholen, aangevoerd
-door hunne meest beroemde opperhoofden, waaronder de Arendskop, die,
-ofschoon gewond, nochtans aan den tocht wilde deelnemen; zij wachtten
-met dat Indiaansch geduld, dat zich door niets verstoren laat, het
-geschikte oogenblik af, om een schitterende wraak te nemen over den hun
-aangedanen hoon.
-
-Verscheidene uren gingen aldus voorbij, zonder dat de stilte van den
-nacht door het minste gedruisch werd afgebroken. Tegen elf uur des
-avonds ging de maan op, en verlichtte het landschap met haar zilveren
-stralen. Op hetzelfde oogenblik liet zich tweemaal, op verren afstand,
-het huilen van een hond hooren. De Arendskop, zich verwijderende van
-den boom, die hem beschutte, begon met buitengewone behendigheid en
-vlugheid naar het dorp te kruipen. Aan den rand van het bosch gekomen
-maakte hij halt, wierp een onderzoekenden blik om zich heen, en bootste
-het gehinnik van een paard zoo volkomen na, dat twee paarden van het
-dorp hem onmiddellijk antwoord gaven. Na eenige sekonden toevens,
-bemerkte het geoefend gehoor van het opperhoofd eenig gedruisch in de
-bladeren; niet ver van daar liet zich het geloei van een os hooren; de
-hoofdman stond op en wachtte. Twee minuten later voegde zich een man
-bij hem. Die man was Wit-Oog, de oude jager, om wiens lippen een
-onheilspellende lach speelde.
-
-»Wat doen de blanken?” vroeg het opperhoofd.
-
-»Zij slapen,” was het antwoord.
-
-»Zal mijn broeder ze in mijne handen leveren?”
-
-»Gewis, mits gij ook uw woord houdt.”
-
-»Een opperhoofd heeft maar één woord. Waar zijn de bleeke vrouw en het
-grijze hoofd?”
-
-»Zij zijn hier.”
-
-»Zullen zij mij toebehooren?”
-
-»Al de bewoners van het dorp zullen mijn broeder in handen worden
-gesteld.”
-
-»Oach! is de jager niet gekomen?”
-
-»Nog niet.”
-
-»Hij zal te laat komen.”
-
-»Waarschijnlijk.”
-
-»Wat zegt mijn broeder nu?”
-
-»Waar is het loon, dat ik aan het opperhoofd gevraagd heb?”
-
-»De huiden, de geweren en het kruit worden hier achter door mijne
-lieden bewaakt.”
-
-»Ik vertrouw u, hoofdman, maar zoo gij mij misleidt....”
-
-»Een Indiaan heeft maar één woord.”
-
-»’t Is goed!.... Nu dan, als ge maar wilt.”
-
-Tien minuten later waren de Indianen meesters van het dorp, welks
-inwoners, de een na den ander wakker geworden, zonder slag of stoot
-werden gevangen genomen.
-
-Het fort werd door de Comanchen omringd, die, na aan den voet der muren
-boomstammen, karren, meubels en allerlei gereedschappen te hebben
-bijeengezameld, slechts op een teeken van hun opperhoofd wachtten om
-den aanval te wagen. Eensklaps vertoonde zich een onduidelijk zichtbare
-gedaante boven het fort, en het geschreeuw van een sperwer weêrklonk
-over de vlakte. De Indianen staken den brandstapel aan, en stortten
-zich op de palissaden, met dien vreeselijk gillenden oorlogskreet, die
-hun eigen is, en die op de grenzen altijd het sein geeft tot den moord.
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-DE INDIAANSCHE WRAAK.
-
-
-De Amerikanen verkeerden in een benarden toestand. De kapitein, verrast
-door den stillen aanval der Comanchen, was eensklaps wakker geworden
-door hun geduchten oorlogskreet, toen zij, reeds den brand hadden
-gestoken in de voor het fort verzamelde brandstoffen.
-
-De dappere officier sprong uit zijn bed, en werd een oogenblik verblind
-door den rooden gloed der vlammen; vervolgens kleedde hij zich half
-aan, en ijlde met de sabel in de hand naar dat gedeelte, waar het
-garnizoen rustte, dat reeds ontwaakt, bezig was zich naar zijn post te
-begeven, met die onverschrokkenheid, die den Yankee eigen is.
-
-Maar wat te doen? Het garnizoen telde, den kapitein medegerekend, niet
-meer dan twaalf man. Hoe zou hij met een zoo kleine macht den Indianen
-weerstand kunnen bieden wier duivelsche gedaanten hij onheilspellend
-zag afsteken bij het akelig schijnsel der vlammen? De officier slaakte
-een zucht.
-
-»Wij zijn verloren,” mompelde hij.
-
-In de gedurige gevechten die op de indiaansche grenzen geleverd worden,
-zijn onze oorlogswetten volkomen onbekend. Het vae victis (wee den
-overwonnenen!) geldt daar in den vollen zin des woords. De verbitterde
-vijanden, die elkander met al de schrandere hulpmiddelen der
-barbaarschheid bestrijden, vragen noch geven kwartier. Iedere
-schermutseling is een gevecht op leven en dood.
-
-De kapitein wist dit; hij maakte zich ook volstrekt geen illusies over
-het lot dat hem wachtte, zoo hij den Comanchen in handen viel. Hij had
-den misslag begaan van zich door de Roodhuiden te laten verrassen, en
-moest dus de gevolgen zijner onvoorzichtigheid dragen. Maar de kapitein
-was een goed soldaat; overtuigd van niet heelshuids uit den val waarin
-hij zich bevond te kunnen ontsnappen, wilde hij ten minste eervol
-sneuvelen. De soldaten behoefden niet aan hun plicht herinnerd te
-worden, zij wisten even goed als hun kapitein, dat hun geen enkele kans
-op lijfsbehoud overbleef.
-
-De verdedigers van het fort plaatsten zich dan ook vastberaden achter
-de barricaden, en begonnen op de Indianen te schieten, met eene
-juistheid en vastheid van hand, die den vijand groote verliezen
-berokkende.
-
-De eerste, dien de kapitein, toen hij op het glacis der vesting stond,
-bemerkte, was de oude jager Wit-Oog.
-
-»Ha! ha!” mompelde de officier, »wat doet die man daar, en hoe is hij
-daar gekomen?”
-
-Vervolgens een pistool uit zijn gordel nemende, liep hij recht op den
-mesties toe, greep hem bij den strot, zette hem de tromp van zijn wapen
-op de borst, en zeide met die koelbloedigheid, die de Amerikanen van de
-Engelschen geërfd en aanmerkelijk vermeerderd hebben:
-
-»Op wat wijze hebt gij u in het fort weten te dringen, oude steenuil?”
-
-»Wel, denkelijk door de deur,” antwoordde de ander bedaard.
-
-»Bah! zijt gij dan een toovenaar?”
-
-»Misschien.”
-
-»Geen gekheid, halfbloed; gij hebt ons aan uwe broeders, de Roodhuiden
-verkocht.”
-
-Een donkere glimlach teekende zich op het gelaat van den mesties; de
-kapitein zag het.
-
-»Maar uw verraad zal u geen voordeel aanbrengen, ellendeling,” zeide
-hij met een donderende stem; »gij zult er zelf het eerste slachtoffer
-van zijn.”
-
-De jager rukte zich met een onverhoedsche beweging los, vervolgens deed
-hij een sprong achteruit, legde zijn geweer aan, en zeide:
-
-»Wij zullen zien.”
-
-Deze twee mannen, vlak tegenover elkander geplaatst op dien smallen
-omgang, alleen verlicht door het akelig schijnsel van den brand, die
-met ieder oogenblik in hevigheid toenam, leverden een vreeselijk
-schouwspel op. Elk hunner vertegenwoordigde een der twee rassen, die de
-Vereenigde Staten bevolken, en wier haat niet eindigen zal dan door de
-algeheele verdelging van een van beiden.
-
-Aan hunne voeten nam het gevecht de reusachtige evenredigheden van een
-oud heldendicht aan. De Indianen wierpen zich woedend en onder
-vreeselijk geschreeuw op de bolwerken, waar de Amerikanen hen met
-geladen geweren of gevelde bajonetten ontvingen.
-
-Maar het vuur nam steeds toe; de soldaten vielen, de een na den ander;
-weldra zou alles gedaan zijn.
-
-De bedreiging van Wit-Oog was door den kapitein met een verachtelijken
-glimlach beantwoord. Snel als de bliksem had hij zijn pistool op den
-jager afgeschoten; deze had zijn geweer laten vallen; zijn rechter arm
-was verbrijzeld. De kapitein stortte zich, brullend van vreugde, op
-hem. De mesties werd door dezen onverwachten schok op den grond
-geworpen. Toen zette zijn vijand hem de knie op de borst en zag hem een
-oogenblik aan.
-
-»Welnu,” zeide hij met een bitteren lach, »heb ik mij vergist?”
-
-»Neen,” zeide de mesties kalm, »ik ben een gek, mijn leven is in uwe
-hand, dood mij.”
-
-»Wees stil, ik zal u een indiaanschen dood bezorgen.”
-
-»Haast u, zoo gij u wreken wilt,” hernam de jager spottend, »want
-weldra zal het te laat zijn.”
-
-»Ik heb den tijd.... Waarom hebt gij ons verraden, ellendeling?”
-
-»Wat gaat het u aan?”
-
-»Ik wil het weten.”
-
-»Welnu, als gij het dan verlangt,” zeide de jager na een oogenblik
-stilte, »uwe broeders, de blanken, zijn de beulen van geheel mijne
-familie, ik heb mij willen wreken.”
-
-»Maar wij hebben u toch niets gedaan.”
-
-»Zijt gij geen blanken? dood mij en laat het uit zijn.... ik kan
-verheugd sterven, want ontelbare offers zullen mij in het graf volgen.”
-
-»Nu, als het met de zaken zoo gelegen is,” zeide de kapitein met een
-onheilspellenden blik, »zal ik u bij uwe broeders terug brengen; gij
-ziet ik ben dus edelmoedig.”
-
-En toen, zijn knie stevig op de borst van den jager drukkende, opdat
-hij niet aan de hem toegedachte straf ontkomen zou, zeide hij:
-
-»Op zijn Indiaansch!”
-
-En zijn mes nemende, greep hij met de linkerhand het dikke, borstelige,
-grijze haar van den mesties, en scalpeerde hem met onbegrijpelijke
-behendigheid.
-
-De jager kon een ontzettenden jammerkreet niet weerhouden; het bloed
-stroomde van zijn naakten schedel en overdekte zijn gelaat.
-
-»Dood mij!” riep hij, »dood mij, die pijn is afschuwelijk.”
-
-»Vindt gij?” zeide de kapitein.
-
-»O, dood mij, dood mij!”
-
-»Kom,” antwoordde de officier de schouders ophalende, »houdt gij mij
-voor een slachter, neen, ik zal u aan uwe waardige vrienden
-wedergeven.”
-
-Toen nam hij den jager bij zijne beenen, sleepte hem tot aan den rand
-van den omgang en schopte hem weg.
-
-De ongelukkige had nog besef genoeg om zich te willen redden, door met
-de linkerhand het uiteinde van een balk te grijpen, die buiten den muur
-uitstak. Een oogenblik bleef hij aldus hangen. Het was afschuwelijk om
-te zien: zijn gevilde schedel, zijn gelaat met stroomen van zwart bloed
-bedekt, en door angst en lijden geheel verwrongen, zijn gansche lichaam
-zich krampachtig samentrekkende, dat alles leverde een verschrikkelijk
-en walgelijk schouwspel op.
-
-»Genade! genade!” gilde hij.
-
-De kapitein zag hem lachend aan, met de armen over de borst gekruist.
-
-Maar de vermoeide spieren van den ongelukkige konden hem niet langer
-dragen, zijn gekromde vingers lieten den balk, dien hij met de kracht
-der wanhoop gegrepen had, los.
-
-»Beul, wees vervloekt!” schreeuwde hij in de uiterste woede.—En hij
-viel naar beneden.
-
-»Goede reis!” riep de kapitein hem spottend na. Een verschrikkelijk
-rumoer liet zich aan de deuren van het fort hooren. De kapitein snelde
-de zijnen te hulp. De Comanchen hadden zich van de barricaden meester
-gemaakt. Zij drongen in massa het fort binnen, terwijl zij al de
-vijanden die zij op hun weg ontmoetten, vermoordden of scalpeerden. Nog
-maar vier Amerikaansche soldaten hielden stand. De anderen waren dood.
-De kapitein verschanste zich midden op den trap die naar den omgang
-leidde.
-
-»Mijne vrienden,” zeide hij tot zijne makkers, »sterft gelaten, ik heb
-hem, die ons verraden heeft, gedood.” De soldaten beantwoordden deze
-zonderlinge troostrede met een luid hoerah, en maakten zich gereed om
-hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.
-
-Maar toen had er iets onbegrijpelijks plaats.
-
-De Indianen hadden eensklaps, als door betoovering, opgehouden met
-schreeuwen.
-
-De aanval werd gestaakt.
-
-»Wat voeren zij toch uit,” mompelde de kapitein, »welke nieuwe streek
-hebben die duivels nu uitgevonden?”
-
-Zoodra de Arendskop meester was van al de toegangen tot het fort, had
-hij bevel gegeven, aan het gevecht een einde te maken. De in het dorp
-buit gemaakte gevangenen werden de een na den ander voorgebracht: zij
-waren twaalf in getal, en daaronder vier vrouwen. Toen deze twaalf
-ongelukkigen sidderend voor hem stonden, liet de Arendskop de vrouwen
-ter zijde brengen. Aan de mannen gelastte hij één voor één langs hem
-heen te gaan; hij zag ze oplettend aan, en gaf toen een teeken aan de
-naast hem staande krijgslieden. Deze overrompelden de Amerikanen
-onmiddellijk, sloegen hun met de machete de handen af, scalpeerden hen,
-en wierpen hen toen in het fort.
-
-Zeven kolonisten hadden deze marteling ondergaan. Nog een bleef er
-over. Het was een grijsaard, groot van gestalte, mager, maar krachtvol;
-zijne sneeuwwitte haren vielen hem op de schouders, zijne zwarte oogen
-gloeiden, doch zijn gelaat bleef onbewegelijk; hij wachtte, schijnbaar
-kalm, het vonnis van den hoofdman, dat hem met de ongelukkigen, die hem
-waren voorgegaan, zou vereenigen.
-
-Maar het Comanchenhoofd zag hem met de grootste oplettendheid aan.
-
-Eindelijk bewogen zich de trekken van den wilde, een glimlach teekende
-zich op zijne lippen, en zijne hand naar den grijsaard uitstekende,
-zeide hij, in slecht Spaansch en met den aan zijn ras eigenen
-keelklank:
-
-»Usted no conocer amigo?—Gij niet herkennen vriend?”
-
-Op dit woord sidderde de grijsaard, en zag op zijn beurt den Indiaan
-aan.
-
-»O,” zeide hij verbaasd, »el Gallo—de Haan?”
-
-»Ooah!” antwoordde het opperhoofd tevreden, »ik ben een vriend van den
-Grijskop; de Roodhuiden hebben geen twee harten; mijn vader heeft mij
-het leven gered, mijn vader zal in mijne hut komen.”
-
-»Ik dank u, hoofdman, ik neem uw aanbod aan,” zeide de grijsaard den
-Indiaan warm de hand drukkende.
-
-En hij zette zich haastig neder bij eene bejaarde vrouw, met een edel
-gelaat, dat hoezeer ook door smart vermagerd en gerimpeld, nochtans de
-sporen droeg van vroegere schoonheid.
-
-»God zij geprezen!” zeide zij verheugd toen de grijsaard haar naderde.
-
-»God verlaat nooit diegenen, die op Hem hun vertrouwen vestigen,”
-antwoordde hij.
-
-Ondertusschen speelden de Roodhuiden de laatste tooneelen van het
-vreeselijk drama, waarvan wij den lezer getuige deden zijn. Toen al de
-kolonisten in het fort waren opgesloten, werd de brand aangewakkerd met
-al de bouwstoffen die men maar vinden kon, en als door een gordijn van
-vlammen werden de ongelukkige Amerikanen voor altijd van de wereld
-afgescheiden. Weldra was het fort niets meer dan een brandstapel,
-waaruit voortdurend kreten van smart, en nu en dan de knal van een
-ontploffend geweer omhoog rezen. De Comanchen stonden onbewogen op
-eenigen afstand den voortgang van den brand gade te slaan, en lachten
-als duivels over hunne wraakneming.
-
-De vlammen hadden het gansche gebouw omringd; zij stegen met verbazende
-snelheid omhoog, en wierpen, als een fakkel des doods, haar licht ver
-in de wildernis.
-
-Op het glacis van het fort zag men eenige personen wanhopig zich
-bewegen, terwijl anderen geknield de genade des hemels schenen in te
-roepen.
-
-Eensklaps hoorde men een ontzettend gekraak, een angstkreet rees ten
-hemel, en het fort stortte ineen, in den gloeienden vuurpoel die het
-ondermijnd had.
-
-Alles was afgeloopen.
-
-De Amerikanen waren omgekomen.
-
-De Comanchen plantten een grooten mast, op de plek waar het dorp
-gestaan had; deze mast, waaraan zij de kolonisten vastnagelden, werd
-bekroond met een met bloed bevlekte bijl.
-
-Daarna eenige nog overgeblevene hutten in brand stekende, gaf de
-Arendskop het teeken om te vertrekken.
-
-De vier vrouwen en de grijsaard, de eenigen van de bevolking dezer
-ongelukkige plaats die nog in leven waren, volgden de Comanchen.
-
-Een droevige stilte zweefde over de rookende puinhoopen die het tooneel
-waren geweest van zóóveel hartverscheurende rampen.
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-DE SCHIM.
-
-
-Het was ongeveer acht ure in den morgen: een vroolijke herfstzon
-bescheen de prairie. De vogels fladderden rond en zongen; nu en dan
-stak een hert zijn kop boven het hooge gras uit, en verdween huppelend
-in de verte.
-
-Twee ruiters, gekleed als woudloopers, volgden, op prachtige, half
-wilde paarden gezeten, in galop den linker oever der Groote Canadeesche
-rivier, terwijl verscheidene zwarte speurhonden om hen heen dartelden
-en sprongen. Deze ruiters waren Edelhart en zijn vriend Goedsmoeds.
-
-In strijd met zijne gemoedstemming, scheen Edelhart zich aan de
-levendigste vreugde over te geven; zijn gelaat schitterde, en met innig
-welbehagen zag hij om zich heen. Soms bleef hij staan, en staarde in de
-verte, als het ware om aan den horizont een voorwerp te ontdekken, dat
-vooralsnog onzichtbaar was.
-
-»Ha, komaan!” zeide Goedsmoeds eindelijk lachend, »wij zullen er wel
-komen; wees maar gerust!”
-
-»Caramba! dat weet ik wel, maar ik zou er al willen zijn! De eenige
-oogenblikken van geluk, die God mij schenkt, geniet ik bij haar, naar
-wie wij ons nu begeven! Moeder! lieve moeder! die voor mij alles
-verlaten—zonder spijt, zonder wroeging verlaten hebt! O, wat is het
-zalig eene moeder te hebben! een hart te bezitten, dat het uwe
-begrijpt, dat zich zelve volkomen verloochent! dat om en door u leeft!
-dat zich verheugt in uwe blijdschap, treurt om uwe smarten! dat uw
-leven voor twee derden op zich neemt, voor zich zelve het zwaarste deel
-behoudende, het lichtste en gemakkelijkste aan u overlatende! O,
-Goedsmoeds! om goed te begrijpen wat het is, dat goddelijk samenstel
-van opoffering en liefde, dat men eene moeder noemt, moet men er, even
-als ik, lange jaren van beroofd zijn geweest, en vervolgens haar hebben
-teruggevonden, nog rijker in liefde en aanbiddelijker dan voorheen! Wat
-gaan wij langzaam, ieder oogenblik van oponthoud schijnt een kus mijner
-moeder, dien de tijd mij ontsteelt; zullen wij er dan nooit komen?”
-
-»Hier hebben wij de ondiepte.”
-
-»Ik weet niet waarom, maar een geheime vrees beklemt mij het hart, een
-onbeschrijfelijk voorgevoel doet mij ondanks mij zelven huiveren.”
-
-»Verban die donkere gedachten, mijn vriend, binnen eenige oogenblikken
-zijn wij bij uwe moeder.”
-
-»Ja, niet waar? en toch, ik weet niet of ik het mis heb, maar ik zou
-zeggen dat het veld er niet zoo uitziet als anders; die stilte, die er
-om ons heerscht, die eenzaamheid die ons omringt schijnen mij niet zeer
-natuurlijk toe; wij zijn immers vlak bij het dorp, wij moesten de
-honden reeds hooren blaffen, en die tallooze geluiden vernemen, die een
-bewoonde plaats aankondigen.”
-
-»Inderdaad,” zeide Goedsmoeds een weinig bezorgd, »’t is wel stil in ’t
-rond.”
-
-De reizigers bevonden zich op een plek waar de rivier een vrij groote
-bocht maakte; hare oevers, bedekt met ontzaglijke rotsblokken en dicht
-kreupelhout, beletten hun ver voor zich uit te zien. Op het oogenblik
-dat de paarden in het water stapten, maakten zij eene forsche
-achterwaartsche beweging, en de speurhonden stieten een klagend gehuil
-uit, dat hun ras eigen, den dapperste ijzen doet.
-
-»Wat is dat!” mompelde Edelhart, terwijl hij zoo bleek werd als een
-doode, en een angstigen blik om zich heen sloeg.
-
-»Zie!” antwoordde Goedsmoeds, en met den vinger wees hij zijn makker
-verscheidene lijken die de rivier wegvoerde.
-
-»O,” riep Edelhart uit, »er is hier iets verschrikkelijks gebeurd.
-Mijne moeder! O mijne moeder!”
-
-»Maak u niet zoo beangst,” zeide Goedsmoeds, »zij bevindt zich zonder
-twijfel in veiligheid.”
-
-Onvatbaar voor de troostredenen, die zijn vriend hem voorhield, zonder
-dat hij er zelf aan geloofde, gaf Edelhart zijn paard de sporen en
-wierp zich in de golven. Weldra kwamen zij aan den anderen oever. Toen
-werd hun alles helder. Zij hadden voor zich het tooneel der meest
-volkomene verwoesting die men zich kan voorstellen. Het dorp en het
-fort waren niets meer dan een puinhoop. Een zwarte rook steeg in lange
-kronkelende wolken ten hemel. Midden in het dorp verhief zich een mast,
-waaraan menschenhanden waren vastgenageld, die de raven krassend
-elkander betwistten. Hier en daar lagen lijken, half verslonden door
-wilde dieren en roofvogels. Er was geen levend wezen zichtbaar. Niets
-was heel gebleven, alles was gebroken of verwoest. Men zag bij den
-eersten oogopslag, dat de Indianen daar geweest waren, met hun dorst
-naar bloed en hun ingekankerden haat tegen de blanken. Zij hadden een
-spoor van vuur en bloed achtergelaten.
-
-»O,” riep de jager zuchtend uit, »mijn voorgevoel was een waarschuwing
-des hemels. Mijne moeder! O mijne moeder!”
-
-Edelhart liet zich wanhopend op den grond vallen; hij bedekte zijn
-hoofd met beide handen en weende. De smart van dezen zwaarbeproefden
-man, wiens moed voor niets terugdeinsde en die nooit voor eenig gevaar
-beefde, was gelijk aan die van den leeuw: zij had iets schrikwekkends.
-
-Goedsmoeds eerbiedigde de droefheid van zijn vriend; welken troost kon
-hij hem aanbieden? Het was beter zijne tranen te laten stroomen, en aan
-de eerste uitbarsting der wanhoop den tijd te laten om tot bedaren te
-komen; hij was toch overtuigd dat deze man van ijzer zich niet lang zou
-laten ter nederslaan, en dat er weldra eene terugwerking volgen zou,
-die hem tot handelen zou aansporen. Doch met het talent, den jagers
-ingeschapen, begon hij in alle richtingen rond te snuffelen, of hij ook
-eenig teeken vinden mocht, dat hun later in hunne nasporingen van
-dienst kon zijn.
-
-Na langen tijd om de puinhoopen rondgedwaald te hebben, werd zijne
-aandacht eensklaps op eenig nabijzijnd kreupelhout gevestigd, door een
-geblaf dat hij meende te herkennen. Hij naderde haastig; een speurhond,
-aan de zijnen gelijk, sprong vroolijk tegen zijne beenen op en
-overlaadde hem met liefkoozingen.
-
-»O, o!” zeide de jager, »wat beteekent dat, wie heeft den armen Frim
-daar vastgemaakt?” Hij sneed den band die het dier vasthield door, en
-bemerkte toen dat hij aan zijn hals een toegevouwen, en zorgvuldig
-bedekt papiertje droeg. Hij maakte er zich meester van, en liep naar
-Edelhart terug.
-
-»Broeder,” zeide hij, »heb goeden moed!”
-
-De jager wist, dat zijn vriend de man niet was die hem met alledaagsche
-troostredenen zou lastig vallen; hij hief zijn in tranen badend gelaat
-tot hem op.
-
-De hond, zich vrij voelende, had het op een loopen gezet, en
-ontvluchtte met onbegrijpelijke snelheid en onder een luid geblaf.
-
-Goedsmoeds, die hierop bedacht geweest was; had zich gehaast, zijn das
-om den nek van het dier te binden.
-
-»Men weet nooit wat er gebeuren kan!” mompelde de Canadees, toen hij
-den hond verdwijnen zag. En na deze wijsgeerige overweging was hij zijn
-vriend gaan opzoeken.
-
-»Wat is er?” vroeg Edelhart.
-
-»Lees!” antwoordde Goedsmoeds.
-
-De jager nam het papier en doorliep het met gretige blikken.
-
-Het bevatte slechts deze woorden:
-
-»Wij zijn door de Roodhuiden gevangen genomen. Heb goeden moed!.... Er
-is niets kwaads bejegend aan uwe moeder.”
-
-»Geloofd zij God!!...” riep Edelhart, het papier dat hij in zijne hand
-hield in vervoering kussende, »mijne moeder leeft!.... O, ik zal haar
-wel vinden.”
-
-»Dat zult gij zeker!....” voegde Goedsmoeds er bij.
-
-Er had een volkomen omkeering in de ziel des jagers plaats gegrepen;
-hij had zich in zijn volle lengte opgericht; op zijn voorhoofd blonk
-een glans van vergenoegen.
-
-»Laten wij terstond een begin maken met onze nasporingen,” zeide hij:
-»misschien is een der ongelukkige inwoners aan den dood ontsnapt; van
-hem zullen wij vernemen, wat er is voorgevallen.”
-
-»Goed,” zeide Goedsmoeds met innige blijdschap, »ja, laat ons zoeken.”
-
-De honden krabden ijverig in de puinhoopen van het fort.
-
-»Laat ons daar beginnen,” zeide Edelhart.
-
-Beiden ruimden het puin weg. Zij werkten met een ijver waarvan zij
-zelven geen begrip hadden. Na twintig minuten ongeveer vonden zij een
-soort van beverval. Daaronder hoorden zij een zwak en onbestemd geluid.
-
-»Daar zijn zij!” zeide Goedsmoeds.
-
-»God geve, dat wij vroeg genoeg gekomen zijn om hen te redden!”
-
-Na lange en ongehoorde moeite gelukte het hun eindelijk om den val op
-te lichten. Een vreeselijk schouwspel vertoonde zich aan hunne blikken.
-In een kelder, waaruit een verpestende rotlucht omhoog steeg, waren
-twintig personen letterlijk op elkander gestapeld. De jagers konden
-eene beweging van afgrijzen niet weêrhouden, en traden onwillekeurig
-achteruit. Maar oogenblikkelijk kwamen zij terug, om, zoo het niet
-reeds te laat ware, nog eenigen dier ongelukkigen te redden. Van al
-deze menschen gaf slechts een enkele nog eenig teeken van leven; de
-anderen waren dood. Zij trokken hem uit het onderaardsche gewelf,
-legden hem zachtkens op een hoop drooge bladeren, en gaven hem al de
-hulp, die hij noodig had. De honden lekten de handen en het gelaat van
-den gewonde. Na eenige minuten maakte deze man een lichte beweging,
-opende de oogen herhaalde malen, en zuchtte diep. Goedsmoeds stopte
-tusschen zijn op elkander gesloten tanden den hals van eene volle
-rumflesch, en dwong hem eenige droppels te drinken.
-
-»Hij is er slecht aan toe,” zeide de jager.
-
-»Hij is verloren,” antwoordde Edelhart, het hoofd schuddende.
-
-De gewonde had echter zijne krachten weder eenigszins bijeen verzameld.
-
-»O God!” zeide hij met een zwakke en gebrokene stem, »ik ga sterven.”
-
-»Heb goeden moed,” zeide Goedsmoeds zachtjes tot hem.
-
-Een vluchtig rood kleurde de bleeke wangen van den gewonde, een
-treurige glimlach plooide zijne lippen.
-
-»Waarom zou ik leven?” antwoordde hij: »de Indianen hebben al mijne
-makkers vermoord, het leven zou een te zware last voor mij zijn.”
-
-»Zoo gij vóór uwen dood ons iets wenscht op te dragen, spreek, en op
-ons jagerswoord, als het geschieden kan, zullen wij het volbrengen.”
-
-De oogen van den stervende werden door een doffen glans verlevendigd.
-
-»Uwe flesch?” zeide hij tot Goedsmoeds.
-
-Deze gaf ze hem. De stervende dronk gulzig. Op zijn voorhoofd parelde
-het koude zweet, en een koortsachtige gloed verhoogde de kleur van zijn
-gelaat, dat een ontzettende uitdrukking aannam.
-
-»Luistert,” zeide hij: »ik ben hier kommandant geweest; de Indianen,
-bijgestaan door een ellendigen mesties, die ons aan hen verkocht heeft,
-hebben het dorp overvallen.”
-
-»De naam van dien man?” zeide de jager levendig.
-
-»Hij is dood!... ik heb hem gedood!” antwoordde de kapitein op een
-toon, die zoowel haat als vreugde te kennen gaf. »De Indianen hebben
-zich meester willen maken van het fort; de strijd is vreeselijk
-geweest; wij stonden met ons twaalven tegenover vierhonderd wilden; wat
-konden wij doen? dan tot het laatste vechten. Hiertoe werd besloten. De
-Indianen, de onmogelijkheid inziende om ons levend in handen te
-krijgen, hebben de bewoners van het dorp, na hen gescalpeerd en de
-handen afgehouwen te hebben, in het fort geworpen, en het vervolgens in
-brand gestoken.”
-
-De gewonde, wiens stem hoe langer hoe zwakker en onverstaanbaarder
-werd, dronk eenige droppels rum, en ging toen weder voort met zijn
-verhaal, waarnaar de jagers gretig luisterden.
-
-»Onder de grachten van het fort strekte zich een gewelf uit, dat tot
-kelder diende; toen ik bemerkte, dat elke kans op lijfsbehoud verloren
-was, en dat wij met geen mogelijkheid konden ontvluchten, deed ik mijne
-ongelukkige kameraden in dien kelder afdalen, hopende dat God ons
-misschien de gelegenheid zou schenken, om op deze wijze te ontkomen.
-Eenige oogenblikken later stortte het fort boven onze hoofden in.
-Niemand kan zich de martelingen voorstellen, die wij in dien verpesten
-kolk, zonder licht en lucht, hebben uitgestaan. De kreten der gewonden,
-en dat waren wij allen meer of min, het geroep om water, het gerochel
-der stervenden, dit alles vormde een concert, dat geen woorden in staat
-zijn weêr te geven. Ons reeds ondragelijk lijden nam door het gebrek
-aan lucht gedurig in hevigheid toe; een dolle waanzinnigheid
-overmeesterde ons, wij raasden tegen elkander, en in de duisternis
-onder de puinhoopen begon een afgrijselijk gevecht, dat slechts met den
-dood van al de strijders eindigen kon. Hoe lang het duurde zou ik niet
-kunnen zeggen. Reeds gevoelde ik dat de dood die al mijne kameraden had
-aangegrepen, zich ook van mij meester ging maken, toen gij kwaamt om
-hem nog eenige minuten tegen te houden. God zij geloofd! ik zal niet
-ongewroken sterven.”
-
-Na deze woorden bijna onverstaanbaar te hebben uitgesproken, heerschte
-er een sombere stilte onder de drie mannen, een stilte alleen
-afgebroken door het gerochel van den stervende, wiens doodstrijd een
-aanvang nam.
-
-Eensklaps richtte de kapitein zich met geweld op, en een wraakzuchtigen
-blik op de jagers slaande, zeide hij:
-
-»De wilden, die mij hebben aangevallen, behooren tot den stam der
-Comanchen; hun opperhoofd noemt zich de Arendskop; zweert mij dat gij
-als dappere en edele jagers mijn dood zult wreken.”
-
-»Wij zweren het!” riepen de beide mannen tegelijkertijd uit.
-
-»Ik dank u!” prevelde de kapitein, en achterover vallende, bleef hij
-onbewegelijk liggen.—Hij was dood.
-
-Zijn verwrongen trekken en geopende oogen behielden nog de uitdrukking
-van haat en wanhoop, die hem in zijn laatste oogenblik hadden bezield.
-De jagers staarden hem een poos aan; daarna dien akeligen indruk van
-zich willende onttrekken, maakten zij zich gereed om aan de ongelukkige
-slachtoffers van de woede der Indianen de laatste eer te bewijzen. Bij
-de laatste stralen der ondergaande zon staakten zij den ruwen arbeid,
-dien zij zichzelven hadden opgelegd.
-
-Na eenige oogenblikken van rust, stond Edelhart op en zadelde zijn
-paard.
-
-»Kom, broeder,” zeide hij tot Goedsmoeds, »laat ons nu het spoor van
-den Arendskop volgen.”
-
-»Laat ons gaan,” antwoordde de jager.
-
-De twee mannen wierpen een langen en treurigen blik tot afscheid om
-zich heen, en hunne honden fluitende, drongen zij onverschrokken door
-in het bosch, waarin de Comanchen verdwenen waren.
-
-Juist op dit zelfde oogenblik kwam de maan, in een oceaan van dampen
-gehuld, op, en verspreidde hare droefgeestige stralen over het
-Amerikaansche dorp, waarin voortaan de eenzaamheid en de dood
-heerschten.
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-DE VERSCHANSING.
-
-
-Wij zullen de jagers het spoor der roodhuiden laten vervolgen, en tot
-den generaal terugkeeren.
-
-Eenige oogenblikken nadat de twee mannen het kamp der Mexicanen
-verlaten hadden, verliet de generaal de tent, en een onderzoekenden
-blik om zich heen slaande, begon hij met een bedrukt gelaat heen en
-weêr te loopen. De gebeurtenissen van dien nacht hadden een diepen
-indruk gemaakt op den ouden soldaat. Voor de eerste maal misschien
-sedert hij dezen tocht ondernomen had, zag hij hem in het ware
-daglicht; hij vroeg zich af of hij inderdaad wel het recht had, om aan
-dat leven vol gevaren en gedurige hinderlagen een meisje bloot te
-stellen, van den leeftijd zijner nicht, die tot nu toe kalm en rustig
-had voortgeleefd, en waarschijnlijk zich niet zou kunnen gewennen aan
-de onophoudelijke gevaren en inspanningen van het leven in de prairiën,
-die in korten tijd zelfs de meest geharde gestellen ondermijnen. Zijn
-verlegenheid was groot. Hij aanbad zijne nicht; zij was zijn eenige
-liefde, zijn eenige troost; voor haar zou hij duizendmaal, al wat hij
-bezat, zonder spijt en wroeging hebben opgeofferd; maar van den anderen
-kant, de redenen die hem hadden aangespoord dezen hachelijken tocht te
-wagen, waren zóó belangrijk, dat hij rilde en ijsde op de gedachte van
-hem op te geven.
-
-»Wat moet ik doen?...” zeide hij; »wat moet ik doen?” Doña Luz, die op
-hare beurt de tent verliet, bemerkte dat haar oom nog altijd op en neêr
-wandelde; zij liep naar hem toe, en de armen om zijn hals slaande,
-zeide zij:
-
-»Goeden morgen, lieve oom.”
-
-»Goeden morgen, mijn kind,” antwoordde de generaal.—»Wel, wel, wat zijt
-gij vroolijk van morgen.” En hij gaf de liefkoozingen waarmede zij hem
-overlaadde, met woeker terug.
-
-»Waarom zou ik niet vroolijk zijn, oom? wij zijn, God dank! aan een
-groot gevaar ontsnapt, de natuur schijnt ons toe te lachen, de vogels
-zingen in de takken, de zon koestert ons met haar stralen; wij zouden
-ondankbaar zijn jegens onzen Schepper, zoo wij ongevoelig bleven voor
-deze openbaring zijner macht.”
-
-»Dus hebben de gevaren van dezen nacht geen treurigen indruk op uw
-gemoed achtergelaten, lief kind.”
-
-»Volstrekt niet, oom, maar veeleer innige dankbaarheid voor de
-weldaden, waarmede God ons overlaadt.”
-
-»Goed, mijn kind,” antwoordde de generaal verheugd, »ik ben blijde u
-zoo te hooren spreken.”
-
-»Des te beter, zoo het u genoegen doet, oomlief.”
-
-»Zoodat,” hernam de generaal, zijn gedachtenloop volgende, »zoodat het
-leven dat wij leiden u niet vermoeit.”
-
-»Geenszins, ik vind het heel prettig, en vooral heel avontuurlijk.”
-
-»Ja, dat is het zeker; maar, mij dunkt dat wij met dat al onze redders
-vergeten.”
-
-»Zij zijn al weg,” antwoordde doña Luz.
-
-»Zijn zij al weg?” zeide de generaal sidderend.
-
-»Reeds voor een uur zijn zij vertrokken.”
-
-»Hoe weet gij dat, lieve nicht?”
-
-»Dat heeft een heel eenvoudige reden, oom; zij hebben mij vaarwel
-gezegd, alvorens ons te verlaten.”
-
-»Dat is alles behalve braaf gehandeld,” prevelde de generaal ter
-nedergeslagen, »eene dienstbetooning verplicht zoowel hen, die haar
-bewijzen, als hen, aan wie zij bewezen wordt; zij hadden ons niet
-moeten verlaten, zonder ons te zeggen, of wij hen ooit zouden mogen
-wederzien, en zelfs zonder ons hunne namen achter te laten.”
-
-»Die weet ik.”
-
-»Gij weet die, mijn kind?” vroeg de generaal verbaasd.
-
-»Ja, oom; eer zij weggingen hebben zij mij die medegedeeld.”
-
-»En... hoe heeten zij?” vroeg de generaal angstig.
-
-»De jongste, Goedsmoeds.”
-
-»En de oudste?”
-
-»Edelhart.”
-
-»O, ik moet die mannen wedervinden,” zeide de generaal met eene
-ontroering, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven.
-
-»Wie weet?” antwoordde het meisje peinzend, »bij het eerste gevaar
-misschien, dat ons bedreigen zal, zien wij hen als twee reddende
-engelen weder verschijnen.”
-
-»God geve, dat wij niet aan een dergelijke oorzaak hun terugkeer tot
-ons zullen te danken hebben.”
-
-De kapitein kwam hun goeden morgen wenschen.
-
-»Nu, kapitein,” zeide de generaal lachend, »zijn uwe manschappen van
-hunne vermoeienissen uitgerust?”
-
-»Geheel en al, generaal,” antwoordde de jonge man; »zij zijn gereed, om
-op het eerste kommando op te breken.”
-
-»Na het ontbijt zullen wij gaan; wees daarom zoo goed de noodige
-bevelen aan de lanceros te geven en den Babbelaar bij mij te zenden.”
-
-De kapitein ging weg.
-
-»Wat u betreft, nicht,” ging de generaal voort, zich tot doña Luz
-wendende, »ga gij voor het ontbijt zorgen, terwijl ik mij met den gids
-onderhoud.”
-
-Het meisje ijlde heen.
-
-Weldra verscheen de Babbelaar. Zijn blik was donkerder, zijn gelaat
-ontevredener dan anders.
-
-De generaal scheen het echter niet op te merken.
-
-»Gij weet,” zeide hij tot hem, »dat ik u gisteren mijn plan heb
-medegedeeld, om eene plek te vinden waar mijn troep gedurende eenige
-dagen in veiligheid kampeeren kan.”
-
-»Ja, generaal.”
-
-»Gij hebt mij verzekerd eene plaats te kennen, die daartoe uitnemend
-geschikt was?”
-
-»Ja, generaal.”
-
-»Zijt gij bereid om er mij naar toe te brengen?”
-
-»Zooals gij verkiest.”
-
-»Hoeveel tijd hebben wij noodig, om er te komen?”
-
-»Twee dagen.”
-
-»Zeer goed. Wij zullen dadelijk na het ontbijt vertrekken.”
-
-De Babbelaar boog zonder antwoord te geven.
-
-»A propos!” zeide de generaal met geveinsde onverschilligheid, »is er
-niet één van uwe manschappen verdwenen?”
-
-»Ja.”
-
-»Wat is er van hem geworden?”
-
-»Ik weet het niet.”
-
-»Hoe, gij weet het niet?” riep de generaal met een uitvorschenden blik.
-
-»Neen. Toen hij den brand zag, is hij bang geworden, en heeft zich uit
-de voeten gemaakt.”
-
-»En?”
-
-»Hij is waarschijnlijk het slachtoffer zijner lafhartigheid geworden.”
-
-»Wat meent gij?”
-
-»Hij zal verbrand zijn.”
-
-»Arme kerel!”
-
-Een duivelsche lach speelde om de lippen van den gids.
-
-»Hebt gij mij niets meer te zeggen, generaal?”
-
-»Neen... o ja, wacht eens.”
-
-»Ik wacht.”
-
-»Kent gij die twee jagers niet, die ons dezen nacht een zoo groote
-dienst bewezen hebben?”
-
-»Iedereen kent ze in de prairie.”
-
-»Wat zijn het voor menschen?”
-
-»Pelsjagers.”
-
-»Dat vraag ik u niet.”
-
-»Wat vraagt gij dan?”
-
-»Ik bedoel hun gedrag.”
-
-»Dat weet ik niet.”
-
-»Hoe heeten zij?”
-
-»Goedsmoeds en Edelhart.”
-
-»En weet gij niets van hun leven?”
-
-»Niets....”
-
-»Het is goed; gij kunt weg gaan.”
-
-De gids maakte eene buiging, en keerde langzaam tot zijne kameraden
-terug, die zich tot het vertrek gereed maakten.
-
-»Hm!” prevelde de generaal, »ik zal op dien schurk het oog houden; er
-is veel geheimzinnigs in zijne wijze van handelen.”
-
-Na dit onderhoud trad de generaal de tent binnen, waar de kapitein, de
-doctor en doña Luz hem aan het ontbijt zaten te wachten.
-
-Het maal was spoedig afgeloopen. Een half uur later was de tent
-opgevouwen, waren de koffers op de muilezels geladen, en hervatte de
-karavaan haar tocht onder geleide van den Babbelaar, die als wegwijzer
-een twintigtal passen vooruit ging.
-
-De prairie had sedert den vorigen dag een geheel ander aanzien bekomen.
-De zwarte en verbrande aarde was bedekt met hoopen smeulende asch;
-verkoolde, maar nog overeind staande boomen vertoonden hier en daar hun
-treurig geraamte; van verre loeiden de vlammen nog altijd voort, en
-dikke rookwolken maakten den horizon onzichtbaar.
-
-De paarden liepen voorzichtig voort over dezen noodlottigen bodem, waar
-zij vaak struikelden over de beenderen der door den brand overvallen
-wilde dieren.
-
-Een sombere droefheid, nog verhoogd door den aanblik van het landschap,
-dat zich voor hen ontrolde, had zich van de reizigers meester gemaakt;
-zij liepen sprakeloos in gepeinzen verdiept, achter elkander voort.
-
-De weg, dien zij volgden, liep kronkelend in een nauwe diepte tusschen
-twee heuvels door, in de oude bedding van een uitgedroogde rivier. De
-grond, dien de hoeven der paarden omwoelden, bestond uit ronde
-keisteenen, die onder hunne pooten weggleden en de moeielijkheden van
-den marsch vermeerderden; de brandende zonnestralen vielen loodrecht op
-de reizigers neder, zonder dat zij er zich tegen konden beschutten;
-want het land dat zij doorkruisten had volkomen het aanzien gekregen
-van die uitgestrekte woestijnen die men in het binnenland van Afrika
-aantreft.
-
-Zoo verliep de dag, zonder dat, behalve de vermoeienis, die hen
-afmatte, eenig voorval de eentonigheid der reis verbrak.
-
-Des avonds kampeerden zij in een geheel opene vlakte; doch aan den
-horizon ontdekten zij eenig groen, waarover zij zich zeer verheugden,
-omdat zij eindelijk weder eene streek zouden betreden, die door den
-brand was gespaard.
-
-Den volgenden dag, twee uren voor zonsopgang, gaf de Babbelaar het
-teeken tot vertrek.
-
-Deze dag was nog vermoeiender dan de vorige; de reizigers waren
-letterlijk uitgeput toen men het kamp opsloeg.
-
-De Babbelaar had den generaal niet misleid; de ligging was uitnemend
-gekozen, om een aanval af te slaan; wij zullen haar niet beschrijven,
-daar de lezer haar reeds kent; het was op dezelfde plaats, waar de
-jagers zich bevonden, toen wij hen voor de eerste maal ten tooneele
-voerden.
-
-De generaal, na een blik om zich heen geworpen te hebben, kon zich niet
-weerhouden zijne tevredenheid te betuigen.
-
-»Bravo!” zeide hij tot den gids, »wij hadden bijna onoverkomelijke
-hinderpalen te overwinnen om hier te komen; maar nu wij er eenmaal
-zijn, kunnen wij er des noods een beleg uithouden.”
-
-De gids antwoordde niet; hij boog zich met een dubbelzinnigen glimlach,
-en ging heen.
-
-»Het is vreemd,” mompelde de generaal; »het gedrag van dien man is
-schijnbaar onberispelijk, en ik heb hem niet het minste verwijt te
-doen; maar toch, waarom weet ik niet, heb ik een voorgevoel, dat hij
-ons misleidt, en dat hij eenig duivelsch opzet tegen ons in den zin
-heeft.”
-
-De generaal was een oud soldaat van veel ondervinding, die niets wilde
-overlaten aan het toeval, dien deus ex machina, die in één sekonde de
-best ontworpene plannen verijdelt. Ondanks de vermoeidheid zijner
-manschappen, wilde hij geen minuut verliezen; door den kapitein
-bijgestaan, liet hij een groote menigte boomen vellen, ten einde een
-stevige verschansing te vormen. Achter die verschansing groeven de
-lanceros een breede gracht, waarvan zij de aarde aan de zijde van het
-kamp wierpen; achter die tweede omheining eindelijk werden de pakken op
-elkander gestapeld, ten einde een derden en laatsten wal te vormen.
-
-Men richtte de tent in het midden van het kamp op; de schildwachten
-werden uitgezet, en ieder gaf zich aan een welverdiende rust over.
-
-De generaal, die van plan was eenigen tijd hier te vertoeven, wilde
-zooveel mogelijk voor de veiligheid zijner kameraden zorgen, en meende
-daarin volkomen geslaagd te zijn.
-
-Sedert twee dagen hadden de reizigers over slechte wegen geloopen,
-zonder te slapen, en bijna nergens zich langer ophoudende dan hoog
-noodig was om iets te gebruiken; zij waren, gelijk wij reeds zeiden,
-uitgeput door vermoeienis, en ondanks al hun verlangen om wakker te
-blijven, hadden de schildwachten geen weêrstand kunnen bieden aan den
-slaap die hen overmeesterde, en weldra waren zij in diepe sluimering
-verzonken. Tegen middernacht terwijl iedereen in het kamp nog rustig
-sliep, stond een der mannen heel zachtjes op, en in het donker vlug als
-een slang wegsluipende, gleed hij over de barricaden en wallen heen.
-Toen legde hij zich op den grond neder, en richtte zich bijna
-onmerkbaar op handen en voeten voortkruipende, door het hooge gras naar
-een woud, dat de helling van den heuvel bedekte en zich ver in de
-prairie uitstrekte. Op eenigen afstand gekomen, en zeker van niet meer
-ontdekt te zullen worden, richtte hij zich op. De maan van tusschen de
-wolken te voorschijn komende verlichtte de gestalte.... van den
-Babbelaar.
-
-Hij zag zorgvuldig om zich heen, spitste de ooren, en bootste, met
-ongelooflijke volkomenheid, het gehuil van den hond der prairiën na.
-Bijna op hetzelfde oogenblik werd dezelfde kreet herhaald, en kwam er
-niet ver van den Babbelaar een man te voorschijn. Die man was de gids,
-die voor drie dagen bij het opkomen van den brand, uit het kamp
-ontsnapt was.
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-DE KOOP.
-
-
-De Indianen en de woudloopers hebben twee talen, waarvan zij zich
-beurtelings, naar gelang der omstandigheden bedienen, de spreektaal
-namelijk en de gebarentaal. Evenals de spreektaal heeft ook de
-gebarentaal in Amerika tallooze verscheidenheden; ieder heeft om zoo te
-zeggen, een eigen dialect. Het is een samenstel van zonderlinge en
-geheimzinnige gebaren, een soort van vrijmetselaars-telegraphie,
-waarvan de teekenen, die gedurig en willekeurig afwisselen, alleen
-kunnen begrepen worden door een klein aantal ingewijden.
-
-De Babbelaar en zijn medgezel onderhielden zich op die wijze. Dit
-zonderlinge gesprek duurde bijna een uur; het scheen hun veel belang in
-te boezemen, zooveel zelfs, dat zij ondanks de uiterste voorzorgen, die
-zij genomen hadden om niet overvallen te worden, niet bemerkten hoe
-twee schitterende oogen, uit het midden van eenig struikgewas,
-onafgewend op hen gericht bleven.
-
-»Nu,” zeide de Babbelaar, eindelijk eenige woorden uitsprekende, »ik
-laat den tijd aan u over.”
-
-»En gij zult niet lang behoeven te wachten,” antwoordde de ander.
-
-»Ik reken op u, Kennedy; wat mij betreft, ik zal mijn woord houden.”
-
-»’t Is goed, ’t is goed; men heeft zooveel woorden niet noodig, om
-elkander te verstaan,” zeide Kennedy de schouders ophalend; »alleen
-hadt gij hen op een minder sterke plaats kunnen brengen, het zal niet
-gemakkelijk zijn, om hen hier te overvallen.”
-
-»Dat is uwe zaak,” zeide de Babbelaar met een kwaadaardigen lach.
-
-Zijn makker zag hem een oogenblik aandachtig aan.
-
-»Hm!” zeide hij, »pas op, Compadre, het is nooit goed, om met menschen
-als wij, een dubbelzinnige rol te spelen.”
-
-»Ik speel geen dubbelzinnige rol, maar wij kennen elkander sinds lang,
-niet waar, Kennedy?”
-
-»Wat zou dat?”
-
-»Wel, ik wil niet dat mij nu wederom gebeure, wat mij reeds eenmaal
-gebeurd is; ziedaar alles.”
-
-»Zoudt gij terugtreden, of wel, zoudt ge er aan denken om ons te
-verraden?”
-
-»Ik treed niet terug, en ik heb volstrekt geen plan om u te verraden,
-maar...”
-
-»Nu, maar?”
-
-»Ditmaal wil ik u het beloofde niet geven, dan alvorens mijne
-voorwaarden geheel zullen zijn aangenomen.”
-
-»Dat is ten minste oprecht gesproken.”
-
-»In zaken moet men openhartig te werk gaan,” merkte de Babbelaar op.
-
-»Dat is zoo; welnu, herhaal mij uwe voorwaarden, ik zal zien, of wij ze
-kunnen aannemen.”
-
-»Waartoe zou dat dienen? gij zijt toch het opperhoofd niet, is het
-wel?”
-
-»Neen, maar toch...”
-
-»Gij zoudt er dus niets aan kunnen doen, en derhalve zou het tot niets
-leiden. O, als Ouaktehno (hij die doodt) maar hier ware, dan zou het
-een andere zaak zijn; ik weet zeker dat wij elkander spoedig zouden
-verstaan.”
-
-»Spreek dan, want hij hoort u,” riep op eens een zware en heldere stem.
-
-Er volgde eenig gedruisch in de struiken, en de persoon, die tot nu toe
-onzichtbaar getuige was geweest van het gesprek der twee mannen,
-begreep zonder twijfel, dat thans het geschikte oogenblik gekomen was
-om er deel aan te nemen, want met één sprong kwam hij uit de takken,
-die hem verborgen hadden, te voorschijn, en plaatste hij zich tusschen
-de sprekers in.
-
-»O, o! gij hebt ons afgeluisterd, kapitein Ouaktehno,” zeide de
-Babbelaar, in het minst niet van zijn stuk gebracht.
-
-»Hindert u dat?” vroeg de nieuw aangekomene met een spottenden
-glimlach.
-
-»Volstrekt niet.”
-
-»Ga dan voort, mijn dappere vriend, ik ben geheel oor.”
-
-»Goed,” zeide de gids; »het is misschien ook beter zoo.”
-
-»Nu, spreek dan maar; ik luister.”
-
-Hij, aan wien de Babbelaar den vreeselijken indiaanschen naam van
-Ouaktehno gaf, was een man van zuiver blank ras, hoogstens dertig jaren
-oud, lang en welgevormd, en met zekere achteloosheid in het
-schilderachtig gewaad der woudloopers gedost. Zijne gelaatstrekken
-waren edel en mannelijk, en hadden die hooghartige en open uitdrukking,
-die men zoo dikwijls bij mannen, aan het woeste en vrije leven der
-prairiën gewoon, aantreft.
-
-Hij vestigde zijne groote, zwarte, bliksemende oogen op den Babbelaar,
-een geheimzinnige glimlach plooide zijne lippen, en hij leunde
-achteloos op zijn karabijn, terwijl hij den gids aanhoorde.
-
-»Zoo ik de lieden, die mij betaald hebben om hun den weg te wijzen en
-te geleiden, in uwe handen lever, dan wil ik daarvoor eene goede
-belooning genieten,” zeide de bandiet.
-
-»Dat is billijk!” merkte Kennedy aan, »en de kapitein is bereid die
-belooning te geven.”
-
-»Ja,” zeide de ander, ten teeken van goedkeuring het hoofd voorover
-buigende.
-
-»Zeer wel,” hernam de gids, »maar waarin zal die belooning bestaan?”
-
-»Waarin verlangt gij, dat ze bestaan zal?” zeide de kapitein; »ik moet
-eerst uwe voorwaarden hooren, om te weten of ik er aan voldoen kan.”
-
-»O, mijne voorwaarden zijn zeer eenvoudig.”
-
-»Hoe dan?”
-
-De gids aarzelde, of liever berekende angstvallig de kansen van winst
-en verlies die deze zaak hem aanbood, na eenige oogenblikken hernam
-hij:
-
-»Die Mexicanen zijn zeer rijk.”
-
-»Dat zal wel zoo zijn,” zeide de kapitein.
-
-»Vervolgens schijnt het mij toe, dat....”
-
-»Spreek zonder omwegen, Babbelaar, wij hebben geen tijd om uwe praatjes
-aan te hooren; evenals bij iederen halfbloed, heeft ook bij u de
-indiaansche natuur de overhand, nooit gaat gij regelrecht op eenig doel
-af.”
-
-»Nu dan,” vervolgde de gids brutaal, »ik verlang vijf duizend goede
-piasters, of er komt niets van de geheele zaak.”
-
-»Nu weten wij ten minste waaraan wij ons te houden hebben. Gij vraagt
-dus vijf duizend piasters?”
-
-»Ja.”
-
-»En voor die som neemt gij op u, om den generaal, zijne nicht, en allen
-die met hem zijn, in onze handen te leveren?”
-
-»Op den eersten wenk, dien gij mij geven zult.”
-
-»Zeer goed; luister nu naar hetgeen ik u zeggen zal.”
-
-»Ik luister.”
-
-»Gij kent mij, niet waar?”
-
-»Door en door.”
-
-»Gij weet, dat men op mijn woord staat kan maken?”
-
-»Het is zoo goed als goud.”
-
-»Goed; zoo gij getrouw de verbintenis nakomt, tot welker vervulling gij
-u vrijwillig aanbiedt, dat is te zeggen, zoo gij, ik zeg niet al de
-Mexicanen waaruit uwe karavaan bestaat, maar alleen het meisje, dat men
-geloof ik doña Luz noemt, in mijne handen levert, zal ik u niet vijf
-duizend piasters geven, zooals gij verlangt, maar acht duizend. Gij
-hebt mij begrepen, niet waar?”
-
-De oogen van den gids schitterden van hebzucht.
-
-»Ja,” zeide hij.
-
-»Goed.”
-
-»Maar het zal moeielijk zijn om haar alléén buiten het kamp te lokken.”
-
-»Dat is uwe zaak.”
-
-»Ik wilde ze liever allen te zamen overleveren.”
-
-»Voor den duivel! wat wilt gij, dat ik er mede doen zal?”
-
-»Hm! wat zal de generaal zeggen?”
-
-»Die mag zeggen wat hij wil, dat raakt mij niet; ja of neen, neemt gij
-den koop aan, dien ik u voorstel?”
-
-»Ja.”
-
-»Zweert gij onze voorwaarden getrouw te zullen nakomen?”
-
-»Ik zweer het.”
-
-»Nu dan, hoe lang denkt de generaal in zijn nieuw kamp te blijven?”
-
-»Tien dagen.”
-
-»Wat zeidet gij mij dan, dat gij niet wist hoe gij het meisje naar
-buiten zoudt lokken, daar gij zooveel tijd voor u hebt.”
-
-»Alle duivels! ik wist niet wanneer gij verlangdet, dat ik haar u in
-handen geven zou.”
-
-»Dat is waar. Nu ik geef u negen dagen den tijd, dat is tot den dag die
-hun vertrek voorafgaat.”
-
-»Op die wijze....”
-
-»Alzoo draagt die schikking uwe goedkeuring weg?”
-
-»Zij kan niet beter zijn.”
-
-»’t Is dan zoo besloten?”
-
-»Onherroepelijk.”
-
-»Hier, Babbelaar,” zeide de kapitein, den gids een prachtige diamanten
-speld, die hij in zijn jachtkiel droeg, overreikende, »zie hier mijn
-godspenning.”
-
-»O!” riep de bandiet verrukt uit, het kleinood met beide handen te
-gelijk aangrijpende.
-
-»Deze speld,” hernam de kapitein, »is een geschenk, dat ik u maak boven
-de acht duizend piasters, die ik u zal voortellen bij het in ontvang
-nemen van doña Luz.”
-
-»Gij zijt edelmoedig, kapitein,” zeide de gids; »het is een voorrecht u
-te mogen dienen.”
-
-»Maar,” hernam de kapitein op een ruwen toon, en met een blik zoo koud
-als staal op den bandiet, »herinner u, dat men mij noemt: Hij die
-doodt, en dat, zoo gij mij misleidt, er in de prairie geen plek
-gevonden wordt, sterk of verborgen genoeg om u in veiligheid te stellen
-voor de gevolgen mijner wraak.”
-
-»Ik weet het, kapitein,” antwoordde de mesties, zijns ondanks rillend;
-»maar gij kunt gerust zijn, ik zal u niet misleiden.”
-
-»Ik hoop het! maar laat ons nu van elkander gaan, men zou anders uwe
-afwezigheid gewaar worden. Binnen negen dagen zal ik hier zijn.”
-
-»Binnen negen dagen zal ik het meisje in uwe handen leveren.”
-
-Na deze woorden keerde de gids naar het kamp terug, waar hij ongezien
-binnentrad.
-
-Zoodra zij alleen waren, baanden de beide mannen, met wie de Babbelaar
-een zoo zonderlingen en tevens afgrijselijken koop gesloten had, zich
-een weg door het struikgewas, onder hetwelk zij als slangen
-voortkropen. Zij bereikten weldra de oevers van een beekje, dat
-onopgemerkt het woud besproeide. Kennedy floot eenige malen.
-
-Een licht gedruisch liet zich hooren, en niet ver van de plaats waar
-zij stonden, kwam een ruiter te voorschijn, die twee paarden aan de
-hand hield.
-
-»Kom, Franck,” zeide Kennedy, »gij kunt zonder schroom naderen.”
-
-De ruiter naderde terstond.
-
-»Is er nieuws?” vroeg Kennedy.
-
-»Niets bijzonders,” antwoordde de ruiter; »ik heb een indiaansch spoor
-ontdekt.”
-
-»Ha, ha!” zeide de kapitein. »Talrijk?”
-
-»Tamelijk.”
-
-»In welke richting?”
-
-»Het doorsnijdt de prairie van het oosten naar het westen.”
-
-»Goed, Franck, en wat voor Indianen zijn het?”
-
-»Ik vermoed Comanchen.”
-
-De kapitein dacht een oogenblik na.
-
-»O, het is zeker een detachement jagers,” zeide hij.
-
-»Wel waarschijnlijk,” antwoordde Franck.
-
-De twee mannen zetten zich te paard.
-
-»Franck, en gij, Kennedy,” zeide de kapitein na eenige oogenblikken,
-»begeeft u naar het pad van den Buffalo; gij legert u in de grot, die
-zich daar bevindt, en let goed op de bewegingen der Mexicanen, maar
-draagt zorg, dat men u niet ontdekke.”
-
-»Wees gerust, kapitein.”
-
-»O! ik weet dat gij behendig en trouw zijt, ik verlaat mij dus geheel
-op u, kameraden; bewaakt ook den Babbelaar, ik vertrouw dien mesties
-maar half.”
-
-»Het zal geschieden.”
-
-»Nu, tot weêrziens; weldra zult gij weder iets van mij hooren.”
-
-Ondanks de duisternis vertrokken de drie mannen in galop, en verdwenen
-zij in verschillende richtingen in de woestijn.
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-PSYCHOLOGIE.
-
-
-De generaal had een zoo diep stilzwijgen bewaard over de oorzaken die
-hem eene reis in de prairiën, ten westen der Vereenigde Staten, hadden
-doen ondernemen, dat zij die hem vergezelden, er slechts naar hadden
-kunnen raden. Verscheidene malen reeds had op zijn bevel en zonder
-eenige blijkbare oorzaak, de karavaan in volslagen woeste streken
-gekampeerd, om aldaar acht, ja zelfs veertien dagen te blijven, zonder
-dat er eenige beweegreden voor dit oponthoud scheen te bestaan.
-Gedurende zulk een rusttijd ging de generaal iederen morgen met een der
-gidsen uit, om niet voor den avond terug te komen. Wat deed hij
-gedurende die lange uren zijner afwezigheid? Waartoe die nasporingen,
-van welke hij nooit terugkeerde, zonder dat een zwaardere wolk van
-droefgeestigheid zijn voorhoofd overdekte? Niemand wist het.
-
-Gedurende die uitstapjes leidde doña Luz, alleen te midden van de ruwe
-personen die haar omringden, een vrij eentonig leven. Zij bracht hare
-dagen droevig door, gezeten voor hare tent, of in gezelschap van
-kapitein Aguilar of den dikken doctor, kleine rijtoertjes makende in
-den omtrek van het kamp.
-
-Ook ditmaal gebeurde hetzelfde, wat bij ieder halt plaats had. Het
-meisje door haar oom verlaten, en ook door den doctor, die met altijd
-klimmenden ijver bezig was zijne zonderlinge plant te zoeken, en met
-dat doel elken morgen het kamp verliet, had geen ander gezelschap dan
-dat van Aguilar. Maar kapitein Aguilar, wij moeten het bekennen, was,
-ofschoon jong, beleefd, en vrij verstandig, een niet zeer onderhoudend
-gezelschap voor doña Luz. Als gehard soldaat, met leeuwenmoed begaafd,
-vol van liefde voor den generaal, aan wien hij alles te danken had, was
-de kapitein buitengewoon gehecht aan de nicht van zijn overste; hij was
-uiterst bezorgd voor hare veiligheid, maar ten eenenmale onbekend met
-de middelen om haar den tijd te korten, met die kleine beleefdheden en
-aangename gesprekken, waarin de jonge dames zooveel behagen scheppen.
-
-Ditmaal echter verveelde doña Luz zich niet. Sedert dien vreeselijken
-nacht van den brand, toen Edelhart, evenals een dier fabelachtige
-helden, wier geschiedenis en ongeloofelijke daden zij zoo vaak gelezen
-had, plotseling verscheen, om haar en allen die met haar waren te
-redden, was er in het hart van het meisje een nieuw gevoel ontstaan,
-waarvan zij zich nog geen rekenschap wist te geven, en dat van dag tot
-dag sterker werd, om zich eindelijk geheel van haar meester te maken.
-Het beeld van den jager kwam haar gedurig voor den geest, met dien
-schitterenden gloriekrans om het hoofd, dien onverzettelijke wilskracht
-schenkt aan den man, die geen gevaren ontziet, en de natuur dwingt
-zijne meerderheid te erkennen. Haar geheugen, even onbewimpeld als dat
-van alle meisjes, die zich nog in het ongestoord bezit van onschuld en
-reinheid verheugen, schilderde haar met nauwkeurige getrouwheid tot
-zelfs de minste bijzonderheden dier grootsche heldendaden voor. In één
-woord, zij verlevendigde in haren geest het aandenken van die rij van
-gebeurtenissen, waaraan de jager zoo onverwacht deelgenomen had; en
-waaraan hij, door zijn onbedwingbaren moed en tegenwoordigheid van
-geest, eene zoo gelukkige wending had gegeven. Het onverhoedsch vertrek
-van den jager, zijne minachting voor de eenvoudigste dankbetuigingen en
-zijne schijnbare onverschilligheid voor hen, wie hij het leven had
-gered, dit alles had het meisje gehinderd; zij was zeer geërgerd over
-deze, hetzij wezenlijke, hetzij gemaakte koelheid. Ook zag zij
-voortdurend naar middelen uit, om hem over zijne onverschilligheid
-berouw te doen gevoelen, zoo het toeval hem ten tweeden male in hare
-nabijheid mocht brengen.
-
-Ieder weet, dat er, al schijnt het bij den eersten oogopslag ongerijmd,
-van haat, of ook maar van nieuwsgierigheid, tot liefde slechts eene
-schrede ligt. Doña Luz deed die schrede, zonder dat zij het wist.
-
-Doña Luz was, zooals wij gezegd hebben, in een klooster opgevoed, over
-welks drempel de verleiding der wereld het niet waagde den voet te
-zetten. Hare jeugd was kalm en ongestoord voorbijgegaan onder die vrome
-of liever bijgeloovige praktijken, die in Mexico den grondslag der
-godsdienst uitmaken. Toen haar oom haar uit het klooster haalde, om
-haar mede te nemen op zijne voorgenomen reis door de prairiën, kende
-het meisje de meest eenvoudige behoeften des levens niet, en wist zij
-evenveel van het bestaan der wereld, waarin zij zich plotseling bewegen
-zou, als een blindgeborene van den schitterenden glans der
-zonnestralen. Deze onwetendheid, die zeer dienstig was voor de plannen
-van haar oom, was voor het meisje een steen des aanstoots, over welken
-zij ieder oogenblik struikelen zou.
-
-Maar door de zorgen, waarmede de generaal haar omringde, waren de
-weinige weken, die aan hun vertrek van Mexico voorafgingen,
-voorbijgegaan, zonder aan het meisje al te veel verdriet te
-veroorzaken. Wij moeten hier echter eene wel schijnbaar nietige
-omstandigheid vermelden, maar die toch in den geest van doña Luz al te
-diepe sporen naliet, dan dat wij haar zouden mogen vergeten.
-
-De generaal was ijverig bezig met de lieden bijeen te verzamelen, die
-hij voor zijne onderneming noodig had; hij was dus verplicht om zijne
-nicht meer aan haar lot over te laten, dan hij wel zou gewild hebben.
-Daar hij echter vreesde, dat het meisje, als zij alléén met eene oude
-vrouw in het paleis, dat hij in de calle de los Plateros bewoonde,
-achterbleef, zich zou vervelen, zond hij haar des avonds dikwijls naar
-een zijner bloedverwanten, waar zij meestal een uitgelezen gezelschap
-vond, en bij wie zij haar tijd veel aangenamer kon doorbrengen.
-
-Doch, eens, toen het gezelschap grooter geweest was dan gewoonlijk, was
-men ook veel later dan gewoonlijk uit elkander gegaan.
-
-Toen de oude klok van het klooster de la Merced elf ure sloeg, keerden
-doña Luz en de oude vrouw, die haar steeds ten dienste stond, onder
-geleide van een fakkeldrager, naar huis. Zij hadden nog maar weinige
-schreden af te leggen, toen er eensklaps terwijl zij den hoek der calle
-San-Augustin omsloegen, waardoor zij in de calle de los Plateros zouden
-komen, vier of vijf gemeene kerels als uit den grond schenen op te
-rijzen, en de beide vrouwen omsingelden, na met een vuistslag de
-fakkel, die haar den weg wees, te hebben uitgebluscht. Den schrik te
-beschrijven, die het meisje bij deze onverwachte verschijning overviel,
-zou onmogelijk zijn; zonder zelfs de kracht te hebben om te schreeuwen,
-viel zij voor de bandieten op de knieën. De oude vrouw daarentegen
-maakte met haar geschreeuw een vervaarlijk leven.
-
-De mexicaansche bandieten, allen geslepen kerels, hadden de oude vrouw
-spoedig tot zwijgen gebracht, door haar met haar rebozo (sluier) den
-mond te stoppen; vervolgens gingen zij, met al de kalmte die zulke
-waardige lieden in de uitoefening van hun ambt weten te bewaren,
-verzekerd als zij zijn van de toegevendheid der justitie, waaraan zij
-van hun kant meestal een deel van den buit afstaan, tot het plunderen
-van hunne slachtoffers over. Dit werk duurde niet lang, want niet
-alleen dachten de vrouwen er niet aan om tegenstand te bieden, maar
-ontdeden zij zich zelfs eigenhandig van hare sieraden, die de
-bandieten, grijnzend van genoegen, in den zak staken. Doch toen zij
-hiermede goed aan den gang waren, schitterde er plotseling een flambouw
-boven hunne hoofden, en rolden twee der bandieten vloekend en razend op
-den grond. Zij, die overeind bleven staan, woedend over dezen
-onverwachten aanval, wilden hunne kameraden wreken, en wierpen zich met
-geweld op den onwelkomen gast. Deze, zonder zich door hun aantal te
-laten vervaren, deed een stap achteruit, zette zich schrap, en maakte
-zich gereed hen naar behooren te ontvangen. Bij toeval viel het licht
-der maan even op zijn gelaat. De bandieten traden verschrikt terug en
-borgen hunne macheten.
-
-»Ha ha!” zeide de onbekende met een verachtelijken glimlach, terwijl
-hij hen naderde; »gij herkent mij, niet waar? Bij God, ik ben boos, ik
-heb u juist een les willen geven. Brengt men zoo mijne bevelen ten
-uitvoer?”
-
-De bandieten bleven sprakeloos staan.
-
-»Komt,” ging de onbekende voort, »maakt uw zakken leêg, rekels, en
-geeft aan deze dames alles terug, wat gij haar ontnomen hebt.”
-
-Zonder aarzelen haalden de roovers de rebozo weder uit den mond der
-oude vrouw, en gaven zij den rijken buit, dien zij gemeend hadden zich
-toe te eigenen, terug.
-
-Doña Luz kon hare verbazing niet bedwingen; zij zag met de uiterste
-verwondering een vreemden man zulk een groot gezag uitoefenen over
-onbeschaamde bandieten.
-
-»Is dat wel alles?” vroeg hij aan het meisje; »ontbreekt u niets meer,
-Señora?”
-
-»Niets, mijnheer,” antwoordde zij meer dood dan levend, zonder zelfs te
-weten wat zij zeide.
-
-»Komt,” ging de onbekende voort, »gaat nu weg, schelmen, ik zal de
-dames begeleiden.”
-
-De bandieten lieten het zich geen tweemaal zeggen; zij verdwenen als
-een vlucht raven, hunne gewonden met zich voerende.
-
-Zoodra hij met de beide vrouwen alleen was, wendde de onbekende zich
-tot doña Luz.
-
-»Vergun mij, Señorita, u mijn arm aan te bieden,” zeide hij met de
-meest mogelijke beleefdheid; »de schrik, dien gij ondervonden hebt,
-maakt u het loopen moeielijk.”
-
-Werktuigelijk en zonder te antwoorden, legde het meisje haar arm in
-dien, welke haar werd aangeboden. Aan het paleis gekomen, klopte de
-onbekende aan de deur, en vervolgens zijn hoed afnemende, zeide hij:
-
-»Señorita, ik ben verheugd, dat het toeval mij in de gelegenheid heeft
-gebracht om u een kleine dienst te bewijzen... ik zal de eer hebben u
-nog eens weder te zien. Reeds langen tijd volg ik in het donker uwe
-schreden. God, die mij de gunst verleende van eenmaal met u te spreken,
-zal mij die ook ten tweeden male toestaan; daarvan ben ik overtuigd,
-hoewel gij binnen weinige dagen eene lange reis ondernemen gaat. Vergun
-mij dus, u niet een »vaarwel” toe te roepen, maar een »tot weêrziens”!”
-
-En na een diepe buiging voor het meisje, verwijderde hij zich.
-
-Veertien dagen na dit zonderlinge avontuur, dat zij beter gevonden had
-aan haar oom niet mede te deelen, verliet doña Luz Mexico, zonder den
-onbekende te hebben wedergezien. Doch den dag voor haar vertrek had zij
-in hare slaapkamer op haar bidstoeltje een gevouwen papier gevonden.
-Hierop waren met een fraaie hand deze weinige woorden geschreven:
-
-
-»Gij vertrekt, Doña Luz; denk er om, dat ik u een »tot weêrziens” heb
-toegeroepen.”
-
-Uw redder van la calle de Plateros.”
-
-
-Langen tijd had dit voorval den geest van het meisje bezig gehouden;
-een oogenblik zelfs had zij gemeend, dat Edelhart en haar onbekende
-redder een en dezelfde persoon waren, maar deze veronderstelling was
-weldra weder geweken. Wat toch zou dit waarschijnlijk hebben gemaakt?
-Met welk doel zou Edelhart, na haar gered te hebben, zich dan zoo snel
-hebben verwijderd? Daarvoor kon immers geen reden bestaan.
-
-Maar naarmate het avontuur van Mexico uit haar gedachte week, werd de
-plaats daarin aan Edelhart toegestaan, grooter. Zij zou den jager
-hebben willen zien, met hem hebben willen spreken. Waarom? Dat wist zij
-zelve niet; om hem te zien, om zijne stem te hooren, om zich aan zijn
-aanblik te verzadigen; nergens anders om. Alle meisjes zijn zoo.
-
-Maar hoe zou zij hem wederzien? Dáár verhief zich voor het arme kind
-eene onmogelijkheid, die haar moedeloos het hoofd deed buigen.
-
-En toch, een zeker iets op den bodem haars harten, misschien wel die
-geheimvolle stem, die bij het ontwaken der liefde tot de meisjes
-spreekt, zeide haar, dat weldra haar verlangen in vervulling zou
-overgaan. Zij hoopte. Waarop? op een onvoorzien toeval, misschien wel
-op een vreeselijk gevaar, dat hen bij elkander zou brengen. De ware
-liefde twijfelt soms, zij wanhoopt nooit.
-
-Vier dagen na de oprichting van het kamp op den heuvel, toen zij des
-avonds hare tent binnen trad, glimlachte het meisje inwendig op het
-zien van haren oom, die zich in gedachten verzonken, gereed maakte, om
-zich aan de rust over te geven.
-
-Doña Luz had eindelijk een middel gevonden, om Edelhart op te zoeken.
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-DE BIJENJACHT.
-
-
-Nauwelijks verspreidde de zon haar eerste stralen, toen de generaal,
-wiens paard gezadeld stond, de rieten hut verliet, die hem tot
-slaapkamer diende, en zich gereed maakte om te vertrekken. Juist toen
-hij den voet in den stijgbeugel zette, werd het gordijn der tent door
-een kleine hand opgelicht, en kwam doña Luz te voorschijn.
-
-»Zoo, zoo! reeds op?” zeide de generaal lachend: »des te beter, mijn
-kind, dan kan ik u nog omhelzen eer ik wegga; dat zal mij misschien
-geluk aanbrengen.”
-
-»Gij moogt zoo niet weggaan, oom,” antwoordde zij, hem haar voorhoofd
-voorhoudende, waarop hij een kus drukte.
-
-»Waarom niet, juffertje?” vroeg hij.
-
-»Omdat ik iets voor u heb klaar gemaakt, dat gij eerst nog gebruiken
-moet; dat zult gij mij niet weigeren, niet waar, beste oom?” zeide zij
-met dien eigenaardigen glimlach van bedorven kinderen, die het hart
-eens grijsaards verkwikt.
-
-»Neen, zeker niet, lief kind, tenzij het ontbijt, dat gij mij zoo
-welwillend aanbiedt, zich niet lang late wachten, want ik heb haast.”
-
-»Ik vraag maar een uitstel van enkele minuten,” antwoordde zij, de tent
-wederom binnentredende.
-
-»Ga uw gang,” zeide hij, haar volgende.
-
-Het meisje klapte van vreugde in hare handen!
-
-In een oogwenk was het ontbijt gereed; en de generaal zette zich met
-zijne nicht aan tafel. Terwijl zij haar oom bediende, en zorg droeg,
-dat hem niets ontbrak, zag het meisje hem met zulk een verlegen blik
-aan, dat het den ouden soldaat weldra in het oog viel.
-
-»Kom,” zeide hij, »gij hebt mij iets te vragen, Lucita; spreek, gij
-weet wel, dat ik u niets kan weigeren.”
-
-»Dat is zoo, oom; maar nu ben ik toch bang, dat ik u niet gemakkelijk
-zal kunnen overhalen.”
-
-»Nu, nu!” zeide de generaal vroolijk, »is het dan zulk een zaak van
-gewicht?”
-
-»Integendeel, oom; maar toch ben ik bang dat gij uwe toestemming niet
-geven zult.”
-
-»Nu spreek, mijn kind, spreek zonder vrees; als gij gezegd hebt zal ik
-antwoorden.”
-
-»Welnu,” zeide het meisje, rood wordende, »ik moet u bekennen, dat het
-leven in het kamp niets aangenaams voor mij heeft.”
-
-»Dat begrijp ik, kindlief, maar wat kan ik er aan doen?”
-
-»Alles.”
-
-»Hoe dat?”
-
-»Maar, oom, als gij maar hier waart, zou het niets zijn, dan had ik u
-bij mij.”
-
-»Het is heel lief, wat gij daar zegt, maar gij weet, dat ik iederen
-morgen uitga, en dat ik niet....”
-
-»Daar zit juist de knoop.”
-
-»Ja.”
-
-»Maar, als gij wilt, zou hij gemakkelijk door te hakken zijn.”
-
-»Denkt gij dat?”
-
-»Ik weet het zeker.”
-
-»Ik zie het niet in. Het is mij onmogelijk om bij u te blijven.”
-
-»O, maar het kan wel op een andere wijze gevonden worden.”
-
-»Neen, neen.”
-
-»Ja, oom, er is een heel eenvoudig middel.”
-
-»En welk is dan dat middel, mijn poesje?”
-
-»Zal oompje niet knorren?”
-
-»Stoutert, knor ik ooit op u?”
-
-»Och neen, gij zijt zoo goed!”
-
-»Nu, laat eens zien, wat wilt gij?”
-
-»Dat middel, dat ik bedoel, oom, is...”
-
-»Nu, is....?”
-
-»Mij iederen morgen met u mede te nemen.”
-
-»Ach! ach!” zeide de generaal de wenkbrauwen fronsende, »welk een vraag
-doet gij mij daar, lief kind!”
-
-»Een heel eenvoudige vraag, dunkt mij, oom.”
-
-De generaal antwoordde niet, hij dacht na. Het meisje volgde angstig op
-zijn gelaat het vluchtig spoor zijner gedachten. Na eenige oogenblikken
-hief hij het hoofd op, en prevelde:
-
-»Inderdaad, het zal misschien nog het beste zijn;” en een blik slaande
-op het meisje, zeide hij: »Gij zoudt dus gaarne met mij medegaan?”
-
-»Ja, oom, zeer gaarne,” antwoordde zij.
-
-»Nu maak u dan maar klaar, voortaan zult gij mij op mijne uitstapjes
-vergezellen.”
-
-Het meisje sprong verheugd op, omhelsde haar oom met warmte en gaf
-bevel om haar paard te zadelen. Een kwartier later verlieten doña Luz
-en haar oom, voorafgegaan door den Babbelaar en gevolgd door twee
-lanceros de tent, en verdwenen in het bosch.
-
-»Welken kant wilt gij heden uit, generaal?” vroeg de gids.
-
-»Breng mij naar de hutten dier pelsjagers, waarvan gij mij gisteren
-gesproken hebt.”
-
-De gids boog, ten teeken van gehoorzaamheid. De kleine troep ging
-langzaam en moeielijk voort langs een nauwelijks gebaand voetpad, waar
-met iedere schrede de paarden in de lianen verward raakten, of zich
-stootten tegen de boven den grond uitstekende boomwortels. Doña Luz was
-gelukkig. Misschien zou zij op die tochtjes Edelhart ontmoeten.
-
-De Babbelaar, die vooruit liep, liet eensklaps een schreeuw hooren.
-
-»Wel,” zeide de generaal, »wat gebeurt er dan voor buitengewoons, dat
-gij u verwaardigt den mond te openen?”
-
-»Bijen, uwe Excellentie!”
-
-»Hoe, bijen? zijn hier bijen?”
-
-»Ja, doch eerst sedert kort.”
-
-»Hoe, eerst sedert kort?”
-
-»Ja, gij weet dat de bijen door de blanken in Amerika gebracht zijn.”
-
-»Ja. Maar hoe komt het, dat wij ze hier ontmoeten?”
-
-»O, dat is heel eenvoudig; de bijen zijn de voorloopers der blanken;
-naarmate de blanken dieper in Amerika indringen, gaan de bijen hun
-voor, om hun den weg te banen, en de plekken aan te wijzen, die ter
-ontginning geschikt zijn. Hare verschijning in een onbewoonde
-landstreek is altijd de voorbode van een kolonie pionniers of
-squatters.”
-
-»Dat is vreemd,” prevelde de generaal, »en zijt gij zeker van wat gij
-daar zegt?”
-
-»O, heel zeker, uwe Excellentie! Wat ik u daar zeg is aan al de
-Indianen bekend; zij vergissen er zich nooit in; naarmate de bijen
-voortrukken, gaan zij achteruit.”
-
-»Dat is inderdaad zonderling.”
-
-»De honing zal wel goed zijn,” zeide doña Luz.
-
-»Uitmuntend, Señorita, en zoo gij ze proeven wilt, niets is
-gemakkelijker dan ze meester te worden.”
-
-»Ga uw gang,” zeide de generaal.
-
-De gids, die voor weinige oogenblikken op de struiken eenig aas voor de
-bijen had nedergelegd, welke zijn scherpe blik in grooten getale
-tusschen de bladeren had zien vliegen, gaf aan allen, die hem volgden,
-een teeken om stil te staan.
-
-De bijen hadden zich werkelijk op het aas nedergezet, en onderzochten
-het van alle kanten; toen zij genoeg voorraad hadden opgedaan,
-verhieven zij zich hoog in de lucht, en vervolgens vlogen zij met de
-snelheid van een vogel in een rechte lijn voort.
-
-De gids ging aandachtig de door haar gekozen richting na en een teeken
-gevende aan den generaal, volgde hij met den geheelen troep haar spoor,
-zich een weg banende door de in elkander geweven takken, en zonder
-zijne oogen van den hemel af te wenden. Op deze wijze verloren zij de
-beladene bijen niet uit het oog, en na een uur gaans zagen zij, hoe zij
-bij haar geïmproviseerde korf in de holte van een dooden ebbenhoutboom
-aanlandden, een oogenblik er omheen fladderden, en eindelijk naar
-binnen gingen door een gat, dat zich tachtig voet boven den grond
-bevond. Toen waarschuwde de gids zijne reisgezellen om zich op
-eerbiedigen afstand te houden, ten einde niet door den boom verpletterd
-te worden, en beschut te zijn tegen de wraak zijner bewoners; hij greep
-zijn bijl, en begon er dapper op los te hakken. De bijen schenen
-volstrekt niet bang te zijn voor de slagen van de bijl, zij bleven in
-en uitgaan, en zetten onbezorgd haar arbeid voort. Een hevig gekraak
-zelfs, de voorbode van den naderenden val des booms, stoorde haar niet
-in die vlijt. Eindelijk viel de boom, met een vreeselijk gedreun, en
-opende zich over zijne geheele lengte, zoodat de met zooveel zorg
-bijeenverzamelde schatten der kleine maatschappij zichtbaar werden. De
-gids greep onmiddellijk een bosje hooi, dat hij had gereed gemaakt, en
-stak het in brand om tegen de bijen beveiligd te zijn. Maar zij vielen
-niemand aan, zij poogden zich niet te wreken. De arme dieren waren
-geheel verslagen, zij gonsden en vlogen in alle richtingen voort,
-zonder aan iets anders te denken, dan aan de mogelijke oorzaak van dit
-onheil. Ondertusschen begonnen de gids en de lanceros ijverig met
-lepels en sabels de honigraten te voorschijn te halen en in lederen
-zakken te bergen. Sommigen waren donkerbruin en van ouden datum,
-anderen helder blank; de honig in de cellen was bijna doorschijnend.
-
-Terwijl men zich haastte om zich van de beste honigraten meester te
-maken, kwamen van alle kanten tallooze zwermen bijen aanvliegen, die
-zich in de cellen der gebrokene raten dompelden en groote ladingen mede
-namen; de overige bewoners van den korf zagen ondertusschen treurig en
-somber het plunderen van hunne woning aan, zonder zelfs eene poging aan
-te wenden, om ook maar het minste te redden. De verslagenheid der
-bijen, die op het oogenblik van het onheil afwezig waren, en nu de een,
-dan de ander, met hare lading aankwamen, is onmogelijk te beschrijven:
-zij beschreven cirkels in de lucht, rondom de plek, waar de boom
-gestaan had, verwonderd die thans ledig te vinden; eindelijk schenen
-zij hare ramp te beseffen, en verzamelden zij zich groepsgewijze op een
-verdorden tak van een naburigen boom, als om van daar de puinhoopen van
-haar rijk in oogenschouw te nemen en over de verwoesting daarvan te
-klagen.
-
-Doña Luz was haars ondanks bewogen over het verdriet van die arme
-dieren.
-
-»Ach,” zeide zij, »het spijt mij dat ik naar honig verlangd heb; mijne
-gulzigheid is voor vele wezens de oorzaak van een groot ongeluk.”
-
-»Laat ons gaan,” zeide de generaal glimlachend, »en hun deze weinige
-raten laten behouden.”
-
-»O,” zeide de gids, de schouders ophalend, »weldra zullen zij door het
-wild gedierte zijn weggehaald.”
-
-»Hoe, door het wild gedierte? door welk wild gedierte?” vroeg de
-generaal.
-
-»Door de racoons, door de opossums en vooral door de beren.”
-
-»Door de beren?” zeide doña Luz.
-
-»O, Señorita,” hernam de gids, »dat zijn de slimste dieren om een
-bijenboom te ontdekken, en er hun voordeel mede te doen.”
-
-»Zij houden dus van honig?” vroeg het meisje nieuwsgierig.
-
-»Zij zijn er dol op, Señorita,” antwoordde de gids, die los begon te
-worden; »verbeeld u, zij zijn zoo gulzig, dat zij weken lang aan een
-boom knagen, totdat zij een gat hebben gemaakt, groot genoeg om er
-hunne pooten door te steken, en dan nemen zij de honig en de bijen
-mede, zonder zich de moeite te geven van te kiezen.”
-
-»Laat ons nu,” zeide de generaal, »onze reis hervatten en ons naar de
-pelsjagers begeven.”
-
-»O, wij zullen er weldra zijn, uwe Excellentie,” antwoordde de gids;
-»wij zijn nog maar weinige schreden van de groote Canadasche rivier
-verwijderd, aan welker oevers zich de pelsjagers gevestigd hebben.”
-
-De kleine troep hervatte zijn tocht. De bijenjacht had onwillekeurig
-een treurigen indruk bij het meisje achtergelaten; die arme kleine
-dieren, zoo onschuldig en ijverig, om een loutere gril aangevallen en
-verjaagd, wekten haar medelijden en nadenken op. Haar oom werd dit
-gewaar.
-
-»Lief kind,” zeide hij, »wat gaat er in u om? gij zijt niet meer zoo
-vroolijk, als toen wij vertrokken. Vanwaar die plotselinge
-verandering?”
-
-»Och, oom, maak u daarover niet ongerust, ik ben evenals alle jonge
-meisjes een beetje dwaas en grillig, die bijenjacht waarvan ik mij
-zooveel genoegen voorstelde, heeft mij onwillekeurig tot treurigheid
-gestemd.”
-
-»Gelukkig kind!” prevelde de generaal, »dat nog om zulk een nietige
-oorzaak bedroefd kan worden; God geve, mijne lieve, dat gij nog lang
-zoo blijven moogt, en dat nooit grootere en diepere smarten u treffen.”
-
-»Beste oom, zal ik bij u niet altijd gelukkig zijn?”
-
-»Helaas! mijn kind, wie weet of het Gods wil is, dat ik nog lang bij u
-zal blijven?”
-
-»Zeg dat niet, oom, ik hoop dat wij nog lange jaren te zamen zullen
-doorbrengen.”
-
-De generaal antwoordde slechts met een zucht.
-
-»Oom,” hernam het meisje, na een oogenblik zwijgens: »vindt gij niet,
-dat het gezicht der grootsche en verheven natuur om ons heen iets
-aangrijpends heeft, dat de gedachte veredelt, de ziel verheft en den
-mensen beter maakt? Wat moeten zij, die in die onbegrensde, eenzame
-wildernis leven, gelukkig zijn!”
-
-De generaal zag haar verwonderd aan.
-
-»Van waar komen u die gedachten, lief kind?” zeide hij.
-
-»Ik weet het niet, oom,” antwoordde zij verlegen; »ik ben maar een dom
-meisje, dat tot nu toe stil en vreedzaam naast u heb voortgeleefd; maar
-er zijn oogenblikken, waarin het mij toeschijnt, dat ik gelukkig zou
-wezen, indien ik in die uitgestrekte woestijnen leven mocht.”
-
-De generaal, verrast, en inwendig verrukt over de onschuldige
-openhartigheid van zijne nicht, maakte zich gereed om haar te
-antwoorden, toen de gids eensklaps nader bij kwam, een teeken gaf om de
-stilte te bewaren, en met een stem, zacht als een ademtocht, zeide:
-
-»Een mensch!....”
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-DE ZWARTE ELAND.
-
-
-Allen bleven staan. Het woord »mensch” beteekent in de woestijn bijna
-altijd een vijand. De mensch is in de woestijn nog meer gevreesd door
-zijns gelijken, dan het bloeddorstigste wilde dier. Een mensch, dat is
-een mededinger, een opgedrongen aandeelhouder, die volgens het recht
-van den sterkste met den eersten bezitter komt deelen, en hem dikwijls,
-om niet te zeggen altijd, de vrucht van zijn ondankbaren arbeid poogt
-te ontstelen. De blanken, Indianen, of mestiezen, als zij elkander in
-de prairie ontmoeten, groeten elkaâr dan ook altijd met loerenden blik,
-gespitste ooren, en den vinger op den trekker van hun geweer.
-
-Op het hooren van dat woord: een mensch! maakten zich de generaal en de
-lanceros terstond gereed, om een aanval te kunnen afwachten; zij
-laadden hunne geweren, en verscholen zich, zoo goed zij konden, achter
-de struiken. Vijftig passen voor hen uit bevond zich een persoon, die,
-met beide handen op den loop van een lang geweer rustende, hen
-opmerkzaam gadesloeg. Het was een lang, forsch gebouwd man, met
-krachtige trekken, en een vrijen en vasten blik. Zijn lang haar was
-netjes gevlochten en met ottervellen en verschillend gekleurde linten
-versierd. Een lederen jachtkiel viel hem tot op de knieën, slobkousen
-van eene zonderlinge snede, met koorden, franjes en tallooze knoopjes
-opgetuigd, omgaven zijne beenen; zijn schoeisel bestond uit een paar
-prachtige mocksens met valsche paarlen geborduurd. Een scharlaken kleed
-bedekte zijne schouders, en was om zijne heupen gebonden door middel
-van een gordel, waarin zich twee pistolen, een mes en een indiaansche
-pijp bevonden. Zijn karabijn was met vermiljoen bestreken en met kleine
-koperen spijkertjes gemonteerd. Niet ver van hem verwijderd graasde
-zijn paard, dat evenals hij zelf, op de zonderlingste wijze uitgedost
-en hier en daar met vermiljoen besmeerd was; het hoofdstel, de teugels
-en de broek waren met valsche paarlen en kokardes versierd; de kop, de
-manen en de staart prijkten met tallooze arendsvederen, die golvend op
-en neder wuifden.
-
-Op het gezicht van dezen man, kon de generaal een kreet van verrassing
-niet weêrhouden.
-
-»Tot welken indiaanschen stam behoort die man?” vroeg hij aan den gids.
-
-»Tot geene,” antwoordde deze.
-
-»Hoe, tot geene?”
-
-»Neen, het is een blanke pelsjager.”
-
-»Aldus gekleed?”
-
-De gids haalde de schouders op.
-
-»Wij zijn in de prairiën,” zeide hij.
-
-»Dat is waar,” mompelde de generaal.
-
-De persoon ondertusschen, dien wij boven beschreven hebben, scheen het
-aarzelen van den kleinen troep vóór hem moede te worden, en willende
-weten waaraan hij zich te houden had, nam hij stoutmoedig het woord.
-
-»Hei! heidaar!” riep hij in ’t Engelsch, »wie duivel zijt gij, en wat
-komt gij hier zoeken?”
-
-»Caramba!” antwoordde de generaal, zijn geweer naar achteren werpende,
-en aan zijne reisgenooten bevelende om evenzoo te doen, »wij zijn
-reizigers, die een langen tocht achter den rug hebben; de zon is heet,
-wij vragen uwe toestemming om eenige oogenblikken in uwe rancho (hut)
-uit te rusten.”
-
-Deze woorden werden in het Spaansch gesproken; de Pelsjager antwoordde
-in dezelfde taal:
-
-»Nadert onbevreesd; de Zwarte Eland is een goede kerel, als men hem
-niet tracht te verbitteren; gij zult het weinige dat ik bezit, met mij
-deelen, en het moge u wel bekomen.”
-
-Op het hooren van dien naam kon de gids een beweging van schrik niet
-weerhouden; hij wilde zelfs iets zeggen, maar had er den tijd niet toe,
-want de jager, zijn geweer over den schouder leggende, en zich met één
-sprong in den zadel werpende, was den Mexicanen reeds genaderd.
-
-»Mijne rancho is niet ver van hier,” zeide hij tot den generaal; »als
-de señorita een goed toebereiden bisonbult niet versmaadt, dan kan ik
-haar die galanterie bewijzen.”
-
-»Ik dank u, Caballero,” antwoordde het meisje glimlachend; »ik betuig
-u, dat ik voor het oogenblik meer behoefte heb aan rust dan aan iets
-anders.”
-
-»Alles op zijn tijd,” zeide de jager deftig, »vergun mij, gedurende
-eenige oogenblikken, uw gids af te lossen.”
-
-»Wij geven ons aan uw geleide over,” zeide de generaal; »ga, wij
-volgen.”
-
-»Voorwaarts dan,” hernam de pelsjager, zich aan het hoofd van den troep
-plaatsende. Terwijl hij dit zeide, vielen zijne oogen toevallig op den
-gids; zijne wenkbrauwen fronsten zich: »Hm!” mompelde hij tusschen de
-tanden, »wat beteekent dat? wij zullen zien.” En zonder zich schijnbaar
-meer om dien man te bekommeren, zonder zelfs te toonen dat hij hem
-herkende, gaf hij het teeken tot vertrek.
-
-Na eenigen tijd stilzwijgend langs een vrij breede beek te zijn
-voortgegaan, maakte de jager op eens een hoek, en ging hij op nieuw het
-bosch in.
-
-»Ik vraag u vergeving,” zeide hij, »voor den omweg, dien ik u laat
-maken; maar er is hier een bevervijver, en ik ben bang hen te zullen
-verschrikken.”
-
-»O,” riep het meisje uit, »hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik die
-nijvere dieren eens mocht zien arbeiden!”
-
-De jager bleef staan.
-
-»Niets is gemakkelijker, Señorita,” zeide hij, »zoo gij mij volgen
-wilt, terwijl uwe reisgenooten hier blijven wachten zal ik er u
-brengen.”
-
-»Ja, ja!” antwoordde doña Luz levendig; maar, zich eensklaps
-bezinnende, hervatte zij: »O, vergeving oom!”
-
-De generaal wierp een blik op den jager.
-
-»Ga, mijn kind, wij zullen u hier wachten,” zeide hij.
-
-»Dank u, oom,” zeide het meisje verheugd, en van haar paard springende.
-
-»Ik sta u borg voor haar,” zeide de jager, »vrees niets.”
-
-»Ik vrees niets, ik vertrouw haar u toe, mijn vriend,” antwoordde de
-generaal.
-
-»Verplicht!” en een teeken gevende aan doña Luz, verdween de Zwarte
-Eland met haar te midden van de struiken en boomen.
-
-Toen zij op zekeren afstand gekomen waren, bleef de jager staan. Na aan
-alle kanten geluisterd en gekeken te hebben, wendde hij zich tot het
-meisje, legde haar zachtjes zijne hand op den schouder, en zeide:
-»Luister.”
-
-Doña Luz bleef ongerust en bevend staan. De jager bemerkte haar angst.
-
-»Vrees niet,” hernam hij, »ik ben een eerlijk man: gij zijt hier in
-deze woestijn, met mij alleen, even veilig, alsof gij u in de
-kathedraal van Mexico, aan den voet van het altaar bevondt.”
-
-Het meisje wierp steelsgewijze een blik op den jager: ondanks zijn
-zonderling kostuum had zijn gelaat zulk een openhartige uitdrukking, en
-was zijn oog zoo helder en zacht op haar gevestigd, dat zij volkomen
-gerust gesteld werd.
-
-»Spreek,” zeide zij.
-
-»Gij behoort,” hernam de jager, »want ik herken u nu, tot dien troep
-vreemdelingen, die sedert eenige dagen de prairie in alle richtingen
-doorkruist, is het niet waar?”
-
-»Ja.”
-
-»Onder u bevindt zich een halve gek met een blauwen bril en een blonde
-pruik, en die zich, waarom weet ik niet, vermaakt met het bijeenzamelen
-van planten en steenen, in plaats van, gelijk een braaf jager past,
-bevers te verschalken en herten te schieten.”
-
-»Ik ken den man van wien gij spreekt, hij maakt werkelijk een deel van
-onzen troep uit, het is een zeer geleerde doctor.”
-
-»Dat weet ik, hij heeft het mij gezegd; hij komt dikwijls hierheen, wij
-zijn goede vrienden; door middel van een poeder, dat hij mij heeft doen
-innemen, heeft hij mij volkomen verlost van eene koorts, die mij sinds
-twee maanden kwelde, en waarvan ik mij vergeefs poogde te ontslaan.”
-
-»Zooveel te beter; ik ben blijde over dien goeden uitslag.”
-
-»Ik zou wel iets voor u willen doen, om die dienst terug te betalen.”
-
-»Verplicht, mijn vriend, maar ik weet niet waarmede gij mij van dienst
-zoudt kunnen zijn, behalve mij de bevers te laten zien.”
-
-De jager schudde het hoofd.
-
-»Misschien met iets anders, en wellicht eer dan gij denkt,” zeide hij.
-»Luister goed, Señorita, ik ben maar een arm man, maar hier in de
-woestijn weten wij veel, dat God ons openbaart, omdat wij van
-aangezicht tot aangezicht met Hem verkeeren; ik wil u een goeden raad
-geven: de man die u tot gids dient, is een volleerde schurk; hij staat
-als zoodanig in de prairiën van het Westen bekend; ik moet mij zeer
-vergissen of hij zal u in een strik doen vallen; er is hier geen gebrek
-aan slechte menschen, met wie hij zich kan verstaan om u ongelukkig te
-maken, of ten minste om u uit te plunderen.”
-
-»Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?” riep het meisje, verschrikt over
-die woorden, die zoo zonderling overeenkwamen met hetgeen Edelhart haar
-gezegd had.
-
-»Ik ben er even zeker van als van iets anders, dat men bezweren kan
-zonder afdoende bewijzen te hebben; ik ben verplicht u te zeggen, dat,
-na hetgeen vroeger met den Babbelaar gebeurd is, men voor hem op zijne
-hoede moet wezen; geloof mij, zoo hij u nog niet verraden heeft, zal
-het toch niet lang meer duren of hij doet het.”
-
-»Groote God, ik zal mijn oom waarschuwen!”
-
-»Wacht u daarvoor, gij zoudt daarmede alles op het spel zetten; de
-lieden, met welke uw gids zich verstaat, of zich spoedig verstaan zal,
-zijn talrijk en onverschrokken, en weten alles wat er in de prairie
-omgaat.”
-
-»Wat moeten wij dan doen?” vroeg het meisje angstig.
-
-»Niets. Wachten, en zonder er den schijn van aan te nemen, zorgvuldig
-al de gangen van uw gids bespieden.”
-
-»Maar....”
-
-»Gij begrijpt wel,” viel de jager in, »dat, zoo ik u aanraad den
-Babbelaar te wantrouwen, ik dat niet doe, om u, als de nood aan den man
-is, in den steek te laten.”
-
-»Ik geloof u.”
-
-»Welnu, zie hier wat gij doen moet; zoodra gij zekerheid hebben zult,
-dat uw gids u verraadt, zult gij dien gekken ouden doctor tot mij
-zenden; gij kunt op hem vertrouwen, niet waar.”
-
-»Volkomen.”
-
-»Goed. Dan zult gij, zooals ik gezegd heb, hem tot mij zenden, met den
-last, om alleen deze woorden uit te spreken: Zwarte Eland! De Zwarte
-Eland, ben ik.”
-
-»Dat weet ik, gij hebt het ons gezegd.”
-
-»Best. Hij moet dan zeggen: Zwarte Eland, het uur is geslagen. Niets
-anders. Gij kunt dit immers wel onthouden?”
-
-»Heel goed. Alleen begrijp ik niet recht, in welk opzicht ons dit
-nuttig zal kunnen zijn.”
-
-De jager glimlachte geheimzinnig.
-
-»Hm!” zeide hij na een oogenblik zwijgens, »die weinige woorden zullen
-in twee uur tijds vijftig der vastberadenste mannen uit de prairie om u
-scharen. Mannen, die op een teeken van hun opperhoofd zich zullen laten
-dooden om u uit de handen uwer overweldigers te rukken, wanneer,
-hetgeen ik voorzie, gebeuren zal.”
-
-Er volgde een oogenblik stilte, doña Luz mijmerde. De jager hernam
-glimlachend:
-
-»Verwonder u niet over de levendige belangstelling, die ik u betoon,
-een man, die mij geheel door zijn invloed beheerscht, heeft mij laten
-zweren, dat ik, terwijl hij om dringende redenen voor eenigen tijd
-afwezig moest zijn, in zijne plaats voor u waken zou.”
-
-»Wat bedoelt gij?” vroeg zij nieuwsgierig, »en wie is die man?”
-
-»Die man is een jager; die het bevel voert over al de blanke pelsjagers
-der prairiën; wetende, dat gij den Babbelaar tot gids hebt, heeft hij
-vermoed, dat die mesties plan had u in een hinderlaag te lokken.”
-
-»Maar de naam van dien man?” riep zij op angstigen toon.
-
-»Is Edelhart. Zult gij nu vertrouwen in mij stellen?”
-
-»Ik dank u, mijn vriend, ik dank u,” antwoordde het meisje in
-verwarring; »ik zal nooit uwe aanbeveling vergeten en als het oogenblik
-van gevaar daar is, zal ik niet aarzelen u aan uwe belofte te
-herinneren.”
-
-»En gij zult wél doen, Señorita, omdat het de eenige kans van behoud
-is, die u dan zal overschieten. Kom, gij hebt mij begrepen, alles is in
-orde, houd ons gesprek voor u; maar bovenal, wacht u voor den schijn
-alsof gij u met mij verstaan hebt; die duivel van een mesties is slim
-als een bever, zoo hij den minsten argwaan koesterde, zou hij u als een
-adder door de vingers glijden.”
-
-»Wees gerust, ik zal zwijgen.”
-
-»Laat ons nu onzen tocht naar den bevervijver voortzetten. Edelhart
-waakt over u.”
-
-»Hij heeft ons reeds eenmaal het leven gered, laatst bij den brand der
-prairie,” zeide zij levendig.
-
-»Ha, ha!” prevelde de jager, een vreemden blik op haar vestigende, »de
-zaken staan goed;” vervolgens voegde hij er hardop bij: »Vrees niet,
-Señorita; zoo gij stipt den raad, dien ik u gegeven heb, opvolgt, zal u
-in de prairie niets overkomen, aan welke schelmerijen gij ook moogt
-zijn blootgesteld.”
-
-»O,” riep zij uit, »als het uur van gevaar slaat, zal ik niet aarzelen
-tot u te komen, dat zweer ik u!”
-
-»Dat is dan afgesproken,” zeide de Zwarte Eland glimlachend; »laat ons
-nu de bevers gaan zien.” Zij hervatten hunnen tocht, en na eenige
-oogenblikken kwamen zij aan den rand van het woud. Daar bleef de jager
-staan, gaf aan het meisje een teeken, dat zij zich niet verroeren zou,
-en zich tot haar wendende, zeide hij: »Ziehier.”
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-DE BEVERS.
-
-
-Het meisje schoof de wilgentakken weg, en met voorover gebogen hoofd,
-keek zij toe.
-
-De bevers hadden niet alleen, door gemeenschappelijken ijver, den loop
-der rivier, maar ook dien van alle beken, die er in uitliepen,
-gestremd, zoodat de omliggende grond geheel in een uitgestrekt moeras
-was herschapen. Een enkele bever werkte op dit oogenblik aan de
-hoofdsluis; maar weldra kwamen er nog vijf anderen met stukken hout,
-kluiten en takken aandragen. Met hun allen wendden zij zich nu naar een
-gedeelte van den dijk, dat, gelijk het meisje zag, herstelling noodig
-had. Zij legden hunne vracht op het gebrokene deel neder, en dompelden
-zich in het water, om bijna onmiddellijk weder boven te komen, ieder
-met een zekere hoeveelheid slik beladen, waarvan zij zich als van kalk
-bedienden, om de stukken hout en takken aan elkander te verbinden, dit
-gemetsel duurde zoolang, totdat de breuk geheel verdwenen was. Zoodra
-alles gereed was, schepten de nijvere dieren een oogenblik adem; zij
-vervolgden elkander in den vijver, doken onder of speelden op de
-oppervlakte, en sloegen het water, zoo hard zij konden met hunne
-staarten.
-
-Doña Luz zag dit zonderlinge schouwspel met klimmende belangstelling
-aan. Zij had daar wel den geheelen dag willen blijven, om naar die
-vreemde dieren te zien.
-
-Terwijl deze bevers zich aldus vermaakten, kwamen er twee andere leden
-dier maatschappij te voorschijn. Een tijdlang zagen zij diepzinnig de
-spelen hunner makkers aan, zonder zelfs maar den schijn aan te nemen,
-of zij wilden mededoen; vervolgens tegen den kant opklimmende, niet ver
-van de plek waar de jager en het meisje op den uitkijk zaten, zetten
-zij zich op hun achterste pooten, leunden met de voorsten tegen een der
-jonge pijnboomen, en begonnen er de schors af te knagen. Nu en dan
-haalden zij er een klein stukje af, en hielden het tusschen de pooten,
-zonder van houding te veranderen; zij knabbelden er aan ongeveer met
-dezelfde verdraaiingen en grimassen, waarmede een aap een nootje
-oppeuzelt. Het klaarblijkelijk doel der bevers was den boom door te
-zagen, en zij werkten er met veel ijver aan. Het was een jonge
-pijnboom, zoo recht als een kaars, vrij hoog, en omstreeks 18 duim
-diameter dik, namelijk op de plaats waar zij er aan werkten. Zonder
-twijfel zouden zij hem binnen kort geheel hebben doorgevijld, zoo niet
-de generaal, ongerust geworden over het lang uitblijven zijner nicht,
-besloten had haar te gaan zoeken, waardoor de bevers, verschrikt door
-het paardengetrappel, onderdoken en plotseling verdwenen.
-
-De generaal deed zijne nicht kleine verwijten over haar langdurige
-afwezigheid; maar het meisje, verrukt over hetgeen zij zag, bekommerde
-er zich niet veel om, en deed bij zich zelve de stille gelofte, om nog
-eenmaal onzichtbaar getuige te zijn van den arbeid der bevers.
-
-De kleine troep richtte zich, onder de leiding van den jager, naar de
-rancho, waarin hij haar eene schuilplaats aanbood tegen de gloeiende
-stralen der zon, die juist de middaghoogte had bereikt.
-
-Doña Luz, wier nieuwsgierigheid, door het treffende schouwspel dat zij
-had bijgewoond, ten hoogste was opgewekt, stelde zich schadeloos voor
-de ongelukkige tusschenkomst van haar oom door den Zwarten Eland te
-ondervragen over de gewoonten der bevers en over de wijze waarop zij
-gevangen worden. De jager, evenals alle menschen, die gewoonlijk alleen
-zijn, haalde gaarne, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood, zijn
-schade wat het praten betrof in; hij liet zich dan ook niet lang
-bidden.
-
-»O, o, Señorita,” zeide hij, »de Roodhuiden zeggen, dat de bever een
-mensch is die niet spreekt, en zij hebben gelijk; hij is wijs,
-voorzichtig, dapper, ijverig en zuinig. Als de winter komt, dan wordt
-het heele huishouden aan ’t werk gezet, om provisie op te doen; ouden
-en jongen, allen werken. Dikwijls doen zij lange reizen, om de schors
-te vinden waarvan zij het meest houden. Zij houwen vaak vrij dikke
-boomen om, en nemen er de takken af, wier schors hun het meest bevalt;
-zij zagen die in stukken van omstreeks drie voet, brengen ze te water
-en laten ze naar hunne hutten drijven, om ze aldaar op te stapelen.
-Hunne woningen zijn netjes en gemakkelijk; na gegeten te hebben, werpen
-zij de stukken hout waarvan zij de schors hebben afgeknaagd, in de
-rivier, aan gene zijde van de sluis. Nooit staan zij aan een vreemden
-bever toe om zich bij hen te komen vestigen, en dikwijls vechten zij
-met het grootste geweld om hun grondgebied te verdedigen.”
-
-»Ik heb nooit iets dergelijks gehoord,” zeide het meisje.
-
-»O, maar dat is alles nog niet,” hernam de jager. »In de lente, wanneer
-zij ruien, laat het mannetje het wijfje alleen thuis en gaat hij als
-een groot heer een pleizierreisje maken, waarbij hij dan dikwijls
-groote afstanden aflegt, zich vermakende in het heldere water dat hij
-ontmoet, en tegen de oevers opklauterende, om de tengere stammen van
-jonge populieren of wilgen af te knabbelen. Maar als de zomer nadert,
-dan laat hij zijne levenswijze als alleenloopend gezel varen, herinnert
-zich zijne plichten als huisvader, keert naar zijne vrouw en naar zijn
-pasgeboren kroost terug, en geeft aan dit laatste onderwijs in het
-opdoen van winterprovisie.”
-
-»Waarlijk,” zeide de generaal, »dat dier is een der merkwaardigste van
-geheel de schepping.”
-
-»Ja,” voegde doña Luz er bij, »en ik begrijp niet, hoe men er zoo
-koelbloedig jacht op kan maken, evenals op een schadelijk dier.”
-
-»Ach! wat wilt gij dan, Señorita?” gaf de jager wijsgeerig ten
-antwoord; »alle dieren zijn voor den mensch geschapen; en dit vooral,
-daar zijne huid zoo kostbaar is.”
-
-»Dat is waar,” zeide de generaal; »maar,” voegde hij er bij, »hoe maakt
-gij die jacht? alle bevers hebben niet zooveel vertrouwen als deze; er
-zijn er die hunne hutten met veel zorg verbergen.”
-
-»Ja,” antwoordde de Zwarte Eland, »maar de gewoonte heeft den ervaren
-jager een zoo vast oog gegeven, dat hij aan het minste teeken het spoor
-van een bever ontdekt, en al is de hut ook nog zoo zorgvuldig onder de
-dikke takken en onder de wilgen, die haar overschaduwen, verborgen,
-gebeurt het toch maar zelden, dat hij niet het juiste getal harer
-bewoners raadt. Hij zet dan zijn val, plaatst haar aan den oever, twee
-of drie duim onder de oppervlakte van het water, en maakt haar met een
-ketting vast aan een diep in het slijk of in het zand geboorden paal.
-Een klein takje wordt dan van zijne schors ontdaan en in de medicijn,
-gelijk wij het lokaas noemen, gedoopt; dat takje wordt zoodanig
-geplaatst, dat het drie of vier duim boven het water uitsteekt, terwijl
-het van onderen aan de opening der val is vastgehecht. De bever, die
-een zeer fijnen reuk heeft, wordt weldra door den geur van het lokaas
-aangetrokken. Zoodra hij zijn snuit naar voren brengt, om er zich
-meester van te maken, raakt zijn voet in de val; verschrikt duikt hij
-onder; de val gaat met hem mede, maar biedt aan al zijn streven om los
-te komen weêrstand; hij worstelt een tijd lang; maar eindelijk zinkt
-hij uitgeput naar omlaag, en verdrinkt. Ziedaar, Señorita, de wijze,
-waarop gewoonlijk de bevers gevangen worden.
-
-»Maar in de rotsbeddingen, waar het niet mogelijk is een paal in den
-grond te slaan, om er de val aan vast te maken, zijn wij dikwijls
-verplicht groote en zelfs gevaarlijke nasporingen te doen, om de
-gevangen bevers te vinden. Het gebeurt ook wel, als er verscheidene
-leden van één huisgezin gevangen genomen zijn, dat de andere
-wantrouwend worden. Alsdan, hoe groot ook onze listen mogen zijn, is
-het onmogelijk, hen in het lokaas te doen happen. Zij naderen de vallen
-heel voorzichtig, ontspannen de veêr met een stokje, en werpen dikwijls
-de vallen onderst boven, slepen ze onder een hunner sluizen, en stoppen
-ze weg in het slijk.”
-
-»En dan?” vroeg het meisje.
-
-»Dan,” hernam de Zwarte Eland, »schiet er maar één ding over, dat is,
-onze vallen op den rug te nemen, ons door de bevers overwonnen te
-verklaren en verder op, naar andere, minder in den krijg bedrevene te
-gaan zoeken. Maar zie hier mijne rancho.”
-
-De reizigers waren bij een ellendige hut gekomen, samengesteld uit in
-elkander gevlochten takken, nauwelijks goed genoeg om hen tegen de
-stralen der zon te beschutten, en wat achteloosheid betreft, in alles
-volkomen gelijk aan die van de andere jagers der prairiën, die zich het
-minst van alle menschen om de gemakken des levens bekommeren. Doch hoe
-dan ook, de Zwarte Eland nam er hoffelijk de honneurs waar.
-
-Een tweede jager zat voor de hut, bezig met op het koken der bisonbult
-te letten, waarvan de Zwarte Eland aan zijne gasten melding had
-gemaakt. Deze man, wiens kostuum volmaakt op dat van den Zwarten Eland
-geleek, was te naastenbij veertig jaar; maar de vermoeienissen en de
-tallooze onheilen van zijn beroep hadden op zijn gelaat een netwerk van
-diepe rimpels gegroefd, die hem veel ouder deden schijnen dan hij
-werkelijk was. En inderdaad, er is ter wereld geen gevaarlijker, geen
-moeielijker, geen minder winstgevend beroep dan dat van pelsjager. De
-arme menschen worden vaak, hetzij door de Indianen, hetzij door andere
-jagers beroofd van al hunne met moeite bijeenvergaderde winst,
-gescalpeerd en vermoord, zonder dat iemand zich het hoofd breekt met de
-vraag, wat er van hen geworden is.
-
-»Neem plaats, señorita, en gij ook mijne heeren,” zeide de Zwarte Eland
-beleefd; »mijn huis, hoe arm het zijn mag, is toch groot genoeg om u
-allen te bergen.”
-
-De jagers namen zijn aanbod gretig aan, stegen af, en bevonden zich
-weldra gemakkelijk uitgestrekt op rustbedden van droge bladeren, bedekt
-met de huiden van bevers, elanden en bisons.
-
-Het maal, een recht jagersmaal, werd besproeid met eenige couïs
-(bekers) uitmuntenden mezcal, dien de generaal altijd op zijne tochten
-medenam, en dien de jagers naar verdienste waardeerden.
-
-Terwijl doña Luz, de gids en de lanceros gedurende eenige oogenblikken
-de gewone siësta hielden, om de grootste hitte te laten voorbijgaan,
-verzocht de generaal den Zwarten Eland om hem te volgen, en verliet met
-hem de hut. Zoodra zij zich ver genoeg verwijderd hadden, zette de
-generaal zich aan den voet van een ebbenhoutboom neder, en noodigde
-zijn gastheer uit om hetzelfde te doen, hetgeen deze dan ook
-onmiddellijk deed. Na een oogenblik stilte nam de generaal het woord:
-
-»Mijn vriend,” zeide hij, »sta mij eerst toe, dat ik u bedank voor uwe
-gulle gastvrijheid. Daarna wensch ik eenige vragen tot u te richten.”
-
-»Caballero!” antwoordde de jager met drift, »gij weet wat de Roodhuiden
-gewoon zijn te zeggen; doet tusschen ieder woord een trek aan uw
-calumet (vredespijp), opdat geen onbedacht woord aan uw mond ontvalle.”
-
-»Gij spreekt als een verstandig man, maar wees gerust, ik ben niet van
-plan u vragen te doen, die betrekking hebben op uw beroep, of op iets
-anders, dat u persoonlijk aangaat.”
-
-»Zoo ik u kan antwoorden, Caballero, zal ik niet aarzelen u te
-voldoen.”
-
-»Verplicht, mijn vriend, ik verwachtte niets minder van u; hoe lang
-woont gij al in de prairiën?”
-
-»Al tien jaar, mijnheer, en God geve dat ik er nog even zoovele mag
-doorbrengen.”
-
-»Dat leven bevalt u dus?”
-
-»Meer dan ik u zou kunnen zeggen.—Men moet het evenals ik, als kind
-begonnen zijn, er al de beproevingen van ondervonden, al het lijden van
-geleden, al de gevaren van doorgestaan hebben, om de bekoorlijkheden
-die het schenkt, de hemelsche zaligheid die het oplevert, en de
-onbekende genoegens waarmede het ons overlaadt, te begrijpen! O,
-Caballero, de schoonste en grootste stad van het oude Europa is wel
-klein, wel morsig en wel popperig, bij de woestijn vergeleken. Uw
-gebonden, geregeld en afgemeten leven is wel armzalig bij het onze! Het
-is hier alleen, dat de mensch ruim ademt, dat hij leeft, dat hij denkt!
-De overbeschaving doet hem bijna tot den rang van het dier afdalen hem
-niet meer instinct overlatende, dan noodig is om zijn ellendig doelwit
-na te jagen. In de prairie daarentegen, waar hij van aangezicht tot
-aangezicht tegenover God staat, breiden zijne gedachten zich uit,
-verruimt zich zijn gemoed, en wordt hij werkelijk, wat het hoogste
-wezen van hem heeft willen maken, namelijk heer der schepping.”
-
-Terwijl hij deze woorden uitsprak, was de jager geheel veranderd, zijn
-gelaat had een bezielde uitdrukking aangenomen, zijne oogen schoten
-vonken, en zijne gebaren waren de getrouwe spiegels van al wat er in
-hem omging.
-
-De generaal slaakte een diepen zucht, een stille traan bevochtigde zijn
-grijzen knevel.
-
-»Het is zoo,” zeide hij treurig, »dat leven heeft eigenaardige
-bekoorlijkheden voor hem die het gesmaakt heeft, en die er zich met
-onverbreekbare banden aan verbonden ziet. Toen gij in de prairiën
-kwaamt, van waar kwaamt gij toen?”
-
-»Ik kwam van Quebec, mijnheer, ik ben een Canadees.”
-
-»Ah!”
-
-Er volgde eene pauze. De generaal brak haar ten laatste weder af.
-
-»Hebt gij onder uwe makkers geen Mexicanen?” zeide hij.
-
-»Verscheidene.”
-
-»Ik zou gaarne iets van hen willen weten.”
-
-»Er is er een, die er u meer van zou kunnen zeggen, maar ongelukkig is
-die man op dit oogenblik niet hier.”
-
-»En hij heet?”
-
-»Edelhart.”
-
-»Edelhart!” hernam de generaal met vuur; »maar ik ken dien man, geloof
-ik.”
-
-»Ja, gij kent hem.”
-
-»O, God, hoe jammer!”
-
-»Misschien zal het u gemakkelijker vallen hem te ontmoeten dan gij
-denkt, ten minste zoo gij er werkelijk belang in stelt, om hem te
-zien.”
-
-»Ik heb er groot belang bij.”
-
-»Wees dan maar gerust; weldra zult gij hem zien.”
-
-»Hoe dat?”
-
-»O, op een heel eenvoudige manier. Edelhart zet zijne vallen dicht bij
-de mijne; ik houd er tegenwoordig een wakend oog op; maar hij kan niet
-lang wegblijven.”
-
-»Dat geve God!” zeide de generaal aangedaan.
-
-»Zoodra hij terugkomt, zal ik hem waarschuwen, zoo gij dan uw kamp nog
-niet verlaten hebt.”
-
-»Weet gij dan waar mijn troep kampeert?”
-
-»Wij weten alles in de woestijn,” antwoordde de jager glimlachend.
-
-»Belooft gij het mij?”
-
-»Gij hebt mijn woord, mijnheer.”
-
-»Ik dank u.”
-
-Op dit oogenblik verliet doña Luz de hut, na den Zwarten Eland een
-teeken gegeven te hebben, dat hij zwijgen zou; de generaal haastte zich
-haar te volgen.
-
-De reizigers bestegen hunne paarden weder, en na de jagers voor hunne
-gulle ontvangst te hebben dank gezegd, namen zij den terugtocht aan
-naar het kamp.
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-VERRAAD.
-
-
-De terugtocht was niet vroolijk. De generaal was nog geheel vervuld van
-het onderhoud, dat hij met den jager gehad had. Doña Luz dacht aan de
-waarschuwing die haar gegeven was. De gids, gebelgd over de
-afzonderlijke gesprekken van den Zwarten Eland met het meisje en met
-den generaal, had een geheim voorgevoel, dat hem tot voorzichtigheid
-aanspoorde. De twee Lanceros alleen liepen onbekommerd voort; zij
-kenden het drama niet dat om hen gespeeld werd, en dachten aan niets,
-als aan de rust die hen in het kamp wachtte.
-
-De Babbelaar wierp gedurig onrustige blikken om zich heen, als zocht
-hij hulp en versterking te midden der dichte struiken, door welke de
-kleine troep zich zwijgend een weg baande.
-
-De dag liep ten einde; de zon zou weldra ondergaan; de geheimzinnige
-gasten van het woud lieten reeds van tijd tot tijd hun dof gebrul
-hooren.
-
-»Zijn wij nog ver van het kamp?” vroeg de generaal eensklaps.
-
-»Neen,” antwoordde de gids, »nauwelijks een uur.”
-
-»Verhaasten wij onze schreden dan; ik wil in dit donkere bosch niet
-door den nacht overvallen worden.”
-
-De troep nam een versnelden pas aan, die hen in minder dan een half
-uur, bij de voorste wallen van het kamp bracht. Kapitein Aguilar en de
-doctor kwamen de reizigers bij hunne aankomst te gemoet. Het avondmaal
-was gereed gemaakt, en wachtte reeds lang op hen. Men zette zich aan
-tafel. Maar de treurigheid, die zich sedert eenige uren van den
-generaal en zijne nicht scheen te hebben meester gemaakt, nam eer toe
-dan af. Het tafelgesprek leed er onder; ieder at haastig zonder een
-woord te zeggen. Toen men gedaan had, ging men onder voorwendsel van
-vermoeid te zijn uiteen, schijnbaar om zich aan de rust over te geven,
-maar in werkelijkheid om alleen te zijn en na te denken over de
-gebeurtenissen van den dag.
-
-De gids van zijn kant was niet veel beter op zijn gemak; een slecht
-geweten is, zooals een wijs man gezegd heeft, de verdrietigste
-slaapkameraad dien men hebben kan, de Babbelaar nu had het slechtste
-van alle slechte gewetens; ook gevoelde hij volstrekt geen lust om te
-slapen. Hij wandelde in het kamp op en neder, en zocht te vergeefs in
-zijn onrustig gemoed naar eenig middel, om zich uit de moeielijkheid te
-redden waarin hij zich gewikkeld zag. Maar hoe hij zijn best deed om
-zijne verbeeldingskracht op te wekken, niets bracht zijn argwaan tot
-rust.
-
-Het was intusschen geheel nacht geworden; de maan was ondergegaan; een
-dikke duisternis overdekte het kamp. Iedereen sliep of scheen te
-slapen; de gids alleen, die de eerste wacht op zich had genomen, zat
-wakend op de bagage; de armen over de borst gekruist, en strak voor
-zich uitziende, verdiepte hij zich hoe langer hoe meer in sombere
-droomerijen. Eensklaps werd er een hand op zijn schouders gelegd, en
-prevelde eene stem dit ééne woord in zijn oor:
-
-»Kennedy!”
-
-De gids, rijkelijk voorzien van die tegenwoordigheid van geest en die
-onverstoorbare koelbloedigheid, die den Indianen en mestiezen nooit
-begeven, wierp een wantrouwenden blik om zich heen, ten einde zich te
-verzekeren, dat hij niet bespied werd; vervolgens greep hij de hand die
-nog altijd op zijn schouder rustte, en voerde den persoon, die hem had
-toegesproken, en die hem zonder tegenspraak volgde, met zich in een
-afgelegen hoek, waar hij zeker meende te kunnen zijn tegen elken
-overval.
-
-Op het oogenblik dat de twee mannen de tent voorbij gingen, werden de
-gordijnen zachtkens opgeslagen, om een schaduw door te laten, die hen
-zwijgend begon te volgen.
-
-Toen zij zich achter de bagage verscholen en naast elkander geplaatst
-hadden, om fluisterend te kunnen spreken, mompelde de gids:
-
-»Goddank! ik wachtte uw bezoek met ongeduld, Kennedy.”
-
-»Wist gij dan, dat ik komen moest?” antwoordde deze argwanend.
-
-»Neen, maar ik hoopte het.”
-
-»Is er nieuws?”
-
-»Ja, veel!”
-
-»Spreek en haast u.”
-
-»Dat zal ik doen. Alles is verloren.”
-
-»Zoo! wat meent gij?”
-
-»Van daag is de generaal, onder mijn geleide, naar....”
-
-»Ik weet het, ik heb u gezien.”
-
-»Vervloekt! waarom hebt gij ons niet aangevallen?”
-
-»Wij waren met ons beiden.”
-
-»Ik zou de derde geweest zijn; het had dus gelijk gestaan, daar de
-generaal slechts twee lanceros bij zich had.”
-
-»Ja, daar heb ik niet aan gedacht.”
-
-»Dat was verkeerd van u; het had alles afgeloopen kunnen zijn, terwijl
-nu waarschijnlijk alles verloren is.”
-
-»Hoe dat?”
-
-»Wel, Caraï, dat is duidelijk; de generaal en zijn nicht hebben een
-tijdlang met dien schijnheiligen Zwarten Eland staan praten; gij weet,
-hij kent mij sinds lang, hij heeft hen zeker geraden, om mij te
-wantrouwen.”
-
-»Waarom hebt gij ze ook naar den bevervijver gebracht?”
-
-»Kon ik weten, dat ik daar dien vervloekten jager tegen ’t lijf zou
-loopen?”
-
-»In ons vak moet men op alles rekenen.”
-
-»Gij hebt gelijk, ik heb een fout begaan. Maar hoe het zij, het kwaad
-is nu niet meer te herstellen, want ik heb een voorgevoel dat de Zwarte
-Eland den generaal omtrent mij heeft ingelicht.”
-
-»Hm, dat is wel waarschijnlijk. Wat moeten wij dan doen?”
-
-»Zoodra mogelijk handelen, zoodat zij geen tijd hebben om op hun hoede
-te zijn.”
-
-»Ik verlang niets anders, dat weet gij.”
-
-»Ja. Waar is de kapitein? Is hij terug?”
-
-»Van avond gekomen. Al onze manschappen zijn in de grot, wij zijn met
-ons veertigen.”
-
-»Bravo! ach, waarom zijt gij niet met u allen gekomen, in plaats van
-gij alleen; zie eens, welk een schoone gelegenheid gij hadt. Zij slapen
-als rotten. Wij zouden hen in minder dan tien minuten in handen hebben
-gehad.”
-
-»Gij hebt gelijk, maar men kan niet alles voorzien; bovendien, dat is
-het niet, wat gij met den kapitein hebt afgesproken.”
-
-»Neen, dat beken ik. Maar waarom komt gij dan?”
-
-»Om u te waarschuwen, dat wij gereed zijn, en dat wij slechts op een
-teeken van u wachten, om te handelen.”
-
-»Maar wat moet ik doen? Geef mij toch raad.”
-
-»Hoe, voor den duivel, wilt gij, dat ik u raden zal? weet ik wat er
-hier omgaat, en moet ik u zeggen, hoe gij het moet aanleggen?”
-
-De gids dacht een oogenblik na, vervolgens hief hij het hoofd op en
-keek strak in de lucht.
-
-»Luister,” hernam hij, »het is nog geen twee uur.”
-
-»Neen.”
-
-»Gij gaat weder naar de grot.”
-
-»Terstond?”
-
-»Ja.”
-
-»Goed. En dan?”
-
-»Gij zult aan den kapitein zeggen, dat, als hij het verlangt, ik hem
-het meisje nog dezen nacht zal uitleveren.”
-
-»Hm, dat zal dunkt mij niet gemakkelijk zijn.”
-
-»Gij zijt een domoor.”
-
-»’t Is mogelijk; maar ik zie niet in waarom.”
-
-»Wacht dan maar. De wacht over het kamp is aldus verdeeld: over dag
-staan de soldaten bij de borstweringen; maar daar zij aan het leven in
-de prairiën niet gewoon zijn, en hunne hulp in den nacht meer kwaad dan
-goed zou doen, zoo is aan mij en de andere gidsen de wacht opgedragen,
-terwijl de soldaten rust nemen.”
-
-»Dat is zeer vernuftig uitgedacht,” zeide Kennedy lachend.
-
-»Niet waar? Gij klimt dus te paard; beneden aan den heuvel gekomen,
-zullen zes der stoutmoedigste mannen zich bij mij voegen; met hunne
-hulp neem ik de taak op mij, om, terwijl zij slapen, den generaal en al
-de soldaten te binden.”
-
-»Dat is een heerlijk denkbeeld.”
-
-»Vindt gij?”
-
-»Ja zeker.”
-
-»Goed. Zijn die schelmen eens goed gekneveld, dan fluit ik, en de
-kapitein komt met de rest van den troep. Laat hij het dan met het
-meisje zien te vinden, dat gaat hem aan, ik bemoei er mij niet mede.
-Hoe vindt gij dat?”
-
-»Uitmuntend.”
-
-»Op die wijze vermijden wij het vergieten van bloed en wij zelven komen
-er ongedeerd af.”
-
-»Gij zijt voorzichtig.”
-
-»Ja, maar, mijn beste vriend, als men dergelijke zaken doet, die bij
-welslagen groote voordeden aanbrengen, moet men het altijd zoo zien te
-schikken, dat men alle kansen voor zich heeft.”
-
-»Goed gesproken, en bovendien, uw plan bevalt mij, en ik ga het zonder
-dralen ten uitvoer brengen; maar laat ons eerst goed afspreken, om elk
-misverstand te voorkomen.”
-
-»Daar heb ik niets tegen.”
-
-»Als de kapitein, gelijk ik wel denk, uw heerlijk en onfeilbaar plan
-goedkeurt, dan zal ik, zoodra wij aan den voet van den heuvel zijn, met
-zes onverschrokken kerels, die ik zelf zal uitkiezen, naar boven gaan.
-Van welken kant zal ik het kamp binnen dringen?”
-
-»Wel, van denzelfden kant, waarvan gij nu gekomen zijt.”
-
-»En gij, waar zult gij zijn?”
-
-»Bij den ingang; gereed om u te helpen.”
-
-»Goed. Nu is alles afgesproken. Hebt gij mij niets meer te zeggen?”
-
-»Neen, niets.”
-
-»Dan ga ik weg.”
-
-»Ja, hoe eer hoe beter.”
-
-»Gij hebt altijd gelijk. Geleid mij tot aan de plaats, waar ik uit het
-kamp kan komen, het is zoo donker dat, als ik alleen ga, ik licht zou
-kunnen verdwalen, en in aanraking komen met een slapenden soldaat,
-hetgeen ons minder goed zou dienen.”
-
-»Geef mij de hand.”
-
-»Zie daar.”
-
-De twee mannen stonden op en wilden heengaan; maar op hetzelfde
-oogenblik plaatste zich een schaduw tusschen hen beiden, en riep een
-krachtige stem hun toe:
-
-»Verraders, gij zult sterven!”
-
-Ondanks al hunne zelfbeheersching, bleven de beide mannen een oogenblik
-versteend van schrik staan. Zonder hun den tijd te geven om hunne
-tegenwoordigheid van geest terug te erlangen, schoot de persoon, die
-gesproken had twee pistolen op hen af. De ongelukkigen gaven een luiden
-gil; de een viel, de andere sprong op als een tijgerkat, klom tegen de
-borstwering op, en verdween, eer men den tijd had om ten tweedemale op
-hem los te branden.
-
-De generaal en kapitein Aguilar verschenen het eerst op de plaats, waar
-het bovenvermelde tooneel had plaats gehad. Zij vonden doña Luz met
-twee pistolen in de hand, terwijl aan hare voeten een man zich
-krampachtig rondwentelde.
-
-»Wat beteekent dat, lieve nicht? Wat is er gebeurd? in Gods naam, zijt
-gij gewond?” vroeg de generaal beangst.
-
-»Herstel u, oom; ik ben niet gewond,” antwoordde het meisje, »maar ik
-heb een verrader gestraft. Twee ellendelingen smeedden in het donker
-eene samenzwering tegen onze gemeenschappelijke veiligheid; de een is
-ontsnapt, maar ik geloof dat deze er minder goed afgekomen is.”
-
-De generaal boog zich over den schelm heen. Bij het licht der toorts,
-die hij in de hand droeg, herkende hij Kennedy, denzelfden gids, die
-volgens den Babbelaar, levend verbrand zou zijn, bij gelegenheid van
-den brand der prairie.
-
-»O, o!” zeide hij, »wat beteekent dat?”
-
-»Dat beteekent, oom,” antwoordde het meisje, »dat zoo God ons niet te
-hulp ware gekomen, wij dezen nacht door een troep bandieten, die niet
-ver van hier in hinderlaag ligt, zouden overvallen zijn.”
-
-»Laat ons dan geen tijd verliezen.”
-
-De generaal, geholpen door kapitein Aguilar, haastte zich nu om alles
-tot een geduchten tegenstand gereed te maken, ingeval men een aanval
-wagen mocht.
-
-De Babbelaar was gevlucht, maar een breed spoor van bloed bewees, dat
-hij zwaar gekwetst was. Zoo het dag ware geweest, zou men gepoogd
-hebben hem te vervolgen, en misschien zou men hem hebben kunnen
-inhalen; maar te midden der duisternis, en zonder te weten of de vijand
-niet in de nabijheid in hinderlaag lag, wilde de generaal niet dat
-zijne soldaten zich buiten het kamp waagden. Hij liet liever den
-Babbelaar deze kans op redding behouden. Wat Kennedy betrof, die was
-dood.
-
-Zoodra het eerste oogenblik voorbij was, gevoelde doña Luz, thans niet
-meer door het dreigend gevaar staande gehouden, dat zij eene vrouw was.
-Hare geestkracht verflauwde, hare oogen vielen toe, eene zenuwachtige
-trilling ging haar door al de leden, zij wankelde, en zij zou zeker
-gevallen zijn, zoo de doctor haar niet in zijne armen had opgevangen.
-
-Hij bracht haar half in zwijm onder de tent, en bewees haar al de
-zorgen, die haar toestand vereischte. Het meisje kwam langzamerhand
-bij, hare kalmte keerde terug, en er kwam weder orde in den gang van
-hare denkbeelden. Zich den raad herinnerende, dien de Zwarte Eland haar
-dienzelfden dag gegeven had, dacht zij, dat nu het oogenblik daar was,
-om hem zijne belofte in het geheugen te roepen, en zij gaf den doctor
-een teeken om naderbij te komen.
-
-»Beste doctor,” zeide zij met een zachte stem, »wilt gij mij een groote
-dienst bewijzen?”
-
-»Beschik over mij, Señorita.”
-
-»Kent gij een pelsjager, de Zwarte Eland geheeten?”
-
-»Ja, zijne hut staat niet ver van hier, bij een bevervijver.”
-
-»Juist; welnu doctor, dien moest gij eens, zoodra het dag is, uit mijn
-naam gaan opzoeken.”
-
-»Waarom, Señorita?”
-
-»Ik bid er u om,” zeide zij vleiend.
-
-»O, dan kunt gij gerust zijn, dan zal ik gaan,” antwoordde hij.
-
-»Ik dank u.”
-
-»Wat zal ik hem zeggen?”
-
-»Gij zult hem vertellen, wat hier van nacht is voorgevallen.”
-
-»Sakkerloot!”
-
-»En dan zult gij er bijvoegen, onthoud die woorden goed, want gij moet
-ze letterlijk herhalen....”
-
-»Ik ben geheel gehoor, ik zal ze in mijn geheugen opschrijven.”
-
-»Zwarte Eland, het uur is gekomen. Gij hebt mij begrepen, niet waar?”
-
-»Volkomen, Señorita.”
-
-»Zweert gij, te zullen doen wat ik u vraag?”
-
-»Ik zweer het u,” zeide hij plechtig, »bij zonsopgang zal ik den jager
-opzoeken, hem verhalen, wat er van nacht is voorgevallen, en er
-bijvoegen: Zwarte Eland, het uur is gekomen. Is dat al wat gij van mij
-verlangt?”
-
-»Ja. alles, beste doctor.”
-
-»Welnu, slaap dan maar gerust, Señorita, ik zweer u bij mijn eer, dat
-het geschieden zal.”
-
-»Ik dank u,” fluisterde het meisje, hem met een glimlach de hand
-drukkende.
-
-En overstelpt door de vreeselijke aandoeningen van dien nacht viel zij
-op haar bed, waar zij weldra een rustigen en verkwikkenden slaap
-genoot.
-
-Bij het aanbreken van den dag, in weerwil van de aanmerkingen van den
-generaal, die hem te vergeefs trachtte te beletten om heen te gaan,
-uithoofde van de gevaren waaraan hij zich zou blootstellen, verliet de
-waardige geleerde, die al wat zijn vriend tot hem zeide met een
-ontkennend hoofdschudden beantwoordde, en zonder eenige reden voor
-zijne hardnekkigheid op te geven, het kamp, en reed zoo hard hij kon
-van den heuvel naar beneden. Zoodra hij in het woud was, gaf hij zijn
-paard nogmaals de sporen en wendde zich in galop naar de hut van den
-Zwarten Eland.
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-DE ARENDSKOP.
-
-
-De Arendskop was een even voorzichtig als moedig opperhoofd; hij wist,
-dat hij alles van de Amerikanen te vreezen had, zoo hij zijn spoor niet
-geheel kon doen verdwijnen. Hij verzuimde dan ook niets om, na den
-gelukkigen aanslag tegen de nieuwe ontginning der blanken, aan de
-oevers der groote Canadasche rivier, zijn troep in veiligheid te
-stellen tegen de geduchte weêrwraak, die hem wachtte.
-
-Men kan zich geen denkbeeld maken van het door de Indianen ontwikkelde
-talent, als het hun te doen is om hun spoor te verbergen. Twintig malen
-komen zij op dezelfde plaats terug, en verwarren de sporen van hun
-doortocht zoodanig onder elkander, dat zij eindelijk onherkenbaar
-worden; geen bijzonderheid ontgaat hun; zij loopen in elkanders
-voetstappen om hun aantal te verbergen; dagen achtereen volgen zij den
-stroom van eene beek, terwijl het water hun soms tot de heupen reikt;
-ja, zij drijven hunne voorzichtigheid en hun geduld vaak zoo ver, dat
-zij met de hand, en als het ware stap voor stap, de schreden
-uitwisschen, die hen aan de helderziende en belangstellende oogen
-hunner vijanden zouden kunnen verraden.
-
-De Slangen-stam, waartoe de krijgslieden, onder het bevel van den
-Arendskop, behoorden, was ten getale van ongeveer vijf honderd man in
-de prairiën doorgedrongen, hetzij om op bisons te jagen of om slag te
-leveren aan de Pawnies en Sious, tegen welke zij onophoudelijk krijg
-voerden.
-
-Het deel van den Arendskop, zoodra de veldtocht was afgeloopen, was om
-zich onmiddellijk bij zijne broeders aan te sluiten, ten einde den buit
-door hem bij de verovering van het dorp gemaakt, in veiligheid te
-brengen en zich aan het hoofd te stellen van een groote
-krijgsonderneming, die zijn stam in den zin had tegen de in de prairiën
-verstrooide blanke jagers en mestiezen, die door de Indianen met reden
-als hunne onverzoenlijke vijanden werden beschouwd.
-
-Ondanks de menigte voorzorgen, door het opperhoofd aangewend, ging de
-troep snel vooruit. Op den avond van den zesden dag na de verwoesting
-van het fort, hielden de Comanchen halt aan de oevers van een kleine
-rivier zonder naam, gelijk er in deze streken vele zijn, en maakten zij
-zich gereed om aldaar des nachts te kampeeren. Niets is eenvoudiger dan
-een Indiaansch kamp op den voet van oorlog. De paarden worden
-vastgebonden, zoodat zij niet kunnen wegloopen; als men geen aanval
-vreest, steekt men vuur aan; in het tegenovergestelde geval, schikt
-ieder zich zoo goed hij kan om te eten en te slapen.
-
-Na hun vertrek van het fort, had niets bij de Comanchen het vermoeden
-opgewekt, dat zij achtervolgd of bespied werden, hunne spionnen hadden
-geen enkel verdacht spoor ontdekt. Zij bevonden zich op geringen
-afstand van het kamp van hun stam, hunne veiligheid liet dus niets te
-wenschen over. De Arendskop liet vuur aanleggen, en plaatste zelf de
-schildwachten, om voor allen te waken.
-
-Toen hij deze maatregelen genomen had, zette de hoofdman zich tegen een
-ebbenboom, nam zijn calumet en beval dat de grijsaard en de Spaansche
-vrouw zouden worden voorgebracht. Toen zij voor hem stonden, groette de
-Arendskop den grijsaard hartelijk en bood hem zijn calumet aan, een
-teeken van welwillendheid, dat de grijsaard aannam; zich tevens gereed
-houdende, om de vragen te beantwoorden, die de Indiaan zonder twijfel
-tot hem richten zou. Na eenige oogenblikken stilte nam deze werkelijk
-het woord:
-
-»Heeft mijn broeder het goed bij de Roodhuiden?” vroeg hij.
-
-»Ik heb geen reden tot klagen, hoofdman!” antwoordde de Spanjaard;
-»zoolang ik bij u was ben ik goed behandeld.”
-
-»Mijn broeder is een vriend,” zeide de Comanch plechtstatig.
-
-De grijsaard maakte een buiging.
-
-»Wij zijn eindelijk op onzen jachtgrond,” hernam het opperhoofd; »mijn
-broeder Grijshoofd is vermoeid van een lang leven; hij past beter bij
-het vuur van den raad, dan op een paard om op elands en bisons te
-jagen: wat begeert mijn broeder?”
-
-»Hoofdman,” antwoordde de Spanjaard, »uwe woorden zijn waar; er was een
-tijd toen ik, evenals ieder andere zoon der prairiën, dagen lang op de
-jacht doorbracht, gezeten op een vurig en onstuimig ros, maar mijne
-krachten zijn verdwenen, mijne ledematen hebben hunne buigzaamheid, en
-mijne oogen hunne onfeilbaarheid verloren, ik deug niet meer voor eene
-expeditie, hoe kort zij ook wezen moge.”
-
-»Goed,” zeide de Indiaan bedaard, dikke rookwolken uit neus en mond
-blazende, »mijn broeder zegge aan zijn vriend, wat hij verlangt, en het
-zal geschieden.”
-
-»Ik dank u, hoofdman, en ik zal van uw welwillend aanbod gebruik maken;
-ik zou gelukkig zijn, zoo gij mij de middelen wildet verschaffen, om
-mij ongehinderd naar eene plaats te begeven, waar zich menschen van
-mijne kleur gevestigd hebben, en waar ik in vrede de weinige
-levensdagen, die mij nog overblijven, kan doorbrengen.”
-
-»En waarom zou ik dat niet doen? niets is gemakkelijker; zoodra wij bij
-onzen stam zullen gekomen zijn, zal aan het verlangen van mijn broeder
-worden voldaan, aangezien hij niet bij zijn roode vrienden verkiest te
-blijven.”
-
-Er volgde een oogenblik van stilte. De grijsaard, meenende dat het
-onderhoud afgeloopen was, wilde zich verwijderen; de hoofdman gaf hem
-een teeken, om te blijven.
-
-Na eenige oogenblikken schudde de Indiaan de asch uit zijne pijp, hing
-haar aan zijn gordel, en op den Spanjaard een zonderlingen blik
-slaande, zeide hij op droevigen toon:
-
-»Mijn broeder is gelukkig; ofschoon reeds vele winters oud, bewandelt
-hij toch niet alleen het levenspad.”
-
-»Wat bedoelt de hoofdman?” vroeg de grijsaard; »ik begrijp hem niet.”
-
-»Mijn broeder heeft een huisgezin,” hernam de Comanch.
-
-»Helaas, mijn broeder bedriegt zich, ik sta alleen op de wereld.”
-
-»Wat zegt mijn broeder daar? heeft hij niet zijne gezellin bij zich?”
-
-Een treurige glimlach teekende zich op de dunne lippen van den
-grijsaard.
-
-»Neen,” zeide hij, »ik heb geen levensgezellin.”
-
-»Wat is dan deze vrouw voor hem?” zeide de hoofdman met geveinsde
-bewondering op de Spaansche dame wijzende, die stil en droevig naast
-den grijsaard stond.
-
-»Die vrouw is mijne meesteres.”
-
-»Ooah! zou mijn broeder een slaaf zijn?” zeide de Comanch grijnzend.
-
-»Neen,” antwoordde de grijsaard fier, »ik ben niet de slaaf van deze
-vrouw; ik ben haar trouwe dienaar.”
-
-»Ooah!” zeide de hoofdman, het hoofd schuddende, en hij begon over dit
-antwoord na te denken.
-
-Maar de woorden van den Spanjaard kwamen den Indiaan geheel
-onbegrijpelijk voor; de onderscheiding was hem al te fijn, hij kon haar
-niet vatten. Na twee of drie minuten zwijgens, gaf hij zijne pogingen,
-om dit voor hem onverklaarbare raadsel op te lossen, op.
-
-»Goed,” zeide hij, terwijl zich een spottende glimlach op zijn gelaat
-vertoonde, »de vrouw zal met mijn broeder vertrekken.”
-
-»Dat heb ik altijd zoo begrepen,” antwoordde de Spanjaard.
-
-De reeds bejaarde vrouw, die tot hiertoe het stilzwijgen bewaard had,
-meende nu dat het tijd was, om zich in het gesprek te mengen.
-
-»Ik bedank den hoofdman,” zeide zij, »doch daar hij zoo goed is, om
-zich ter onzer beschikking te stellen, zou ik hem wel eene gunst willen
-vragen.”
-
-»Mijne moeder spreke, mijne ooren zijn geopend.”
-
-»Ik heb een zoon, die een groot blank jager is; hij moet zich op dit
-oogenblik in de prairie bevinden; als mijn broeder goed vond ons nog
-eenige dagen bij zich te houden, dan zou het ons mogelijk zijn hem te
-ontmoeten; onder zijne bescherming zouden wij niets te vreezen hebben.”
-
-Bij deze onvoorzichtige woorden maakte de Spanjaard eene beweging van
-schrik.
-
-»Señorita,” zeide hij in zijne moedertaal, »pas op, dat....”
-
-»Stilte!” gebood de Indiaan. »Waarom spreekt mijn broeder voor mij in
-een vreemde taal? is hij bang dat ik zijne woorden verstaan zal?”
-
-»O, hoofdman!” zeide de Spanjaard met een gebaar van ontkenning.
-
-»Dat mijn broeder dan mijne moeder met het bleeke gezicht niet
-verhindere te spreken; zij spreekt tot het opperhoofd.”
-
-De grijsaard zweeg, maar een droevig voorgevoel beklemde zijne borst.
-
-Het Comanchenhoofd wist heel goed, met wie hij te doen had: hij speelde
-met de twee Spanjaarden, gelijk de kat met de muis; maar zonder iets
-van hetgeen er in hem omging te laten blijken, wendde hij zich tot de
-vrouw en zich buigende met die instinctmatige beleefdheid, waardoor de
-Indianen zich onderscheiden zeide hij:
-
-»Ooah! de zoon mijner moeder is een groot jager: des te beter.”
-
-Het hart der arme vrouw sprong op van vreugde.
-
-»Ja,” zeide zij verrukt, »het is een der dapperste pelsjagers uit de
-prairiën van het westen.”
-
-»Ooah!” riep het opperhoofd, hoe langer hoe vriendelijker wordende;
-»die beroemde krijgsman moet een geëerbiedigden naam hebben in de
-prairiën?”
-
-De Spanjaard lag op de pijnbank; bedwongen door het oog van den
-Comanch, wist hij geen middel om zijne meesteres te waarschuwen, dat
-zij den naam van haar zoon niet zou uitspreken.
-
-»Zijn naam is wel bekend,” zeide de dame.
-
-»Och,” riep de grijsaard uit, »alle moeders zijn zoo; hare zonen zijn
-altijd helden! Die, waarvan zij spreekt, ofschoon een uitmuntend jong
-mensch, is niets meer dan een ander, zijn naam is stellig mijn broeder
-nooit ter oore gekomen.”
-
-»Hoe weet mijn broeder dat?” zeide de Indiaan op hatelijken toon.
-
-»Ik vooronderstel het maar,” antwoordde de grijsaard; »of zoo mijn
-broeder hem toevallig eens heeft hooren uitspreken, zal hij hem reeds
-lang uit het geheugen zijn gegaan, en is het niet de moeite waard, dat
-hij zich dien weder herinnere. Zoo mijn broeder het goed vindt, zullen
-wij ons verwijderen; de dag is vermoeiend geweest, het uur der rust is
-gekomen.”
-
-»Oogenblikkelijk,” zeide de Comanch zoetsappig, en zich tot de vrouw
-wendende, vroeg hij haar met nadruk: »hoe heet de krijgsman der
-bleekgezichten?”
-
-Maar de oude dame, bang geworden door de tusschenkomst van haar
-dienaar, wiens trouw en voorzichtigheid zij kende, antwoordde niet,
-inwendig gevoelende, dat zij een fout begaan had, en niet wetende, hoe
-die te herstellen.
-
-»Hoort mijne moeder niet?” hernam het opperhoofd.
-
-»Waartoe u een naam gezegd, die naar alle waarschijnlijkheid u onbekend
-is, en die in ieder geval u geen belang kan inboezemen? Zoo mijn
-broeder het goed vindt, zal ik mij verwijderen.”
-
-»Neen, niet voor dat mijne moeder mij den naam gezegd heeft van haren
-zoon den grooten krijgsman,” zeide de Comanch, de wenkbrauwen fronsende
-en met kwalijk bedwongen toorn stampvoetende. De jager zag dat het
-misliep; zijne partij was oogenblikkelijk gekozen.
-
-»Mijn broeder is een groot opperhoofd,” zeide hij, »al is zijn haar
-bruin, zijne wijsheid is onmetelijk; ik ben zijn vriend, hij zal geen
-misbruik willen maken van het toeval, dat de moeder van zijn vijand in
-zijne handen geleverd heeft; de zoon van deze vrouw heet Edelhart.”
-
-»Ooah!” riep de Arendskop weder onheilspellend glimlachende, »dat wist
-ik wel; waarom hebben de bleekmuilen twee tongen en twee harten en
-zoeken zij altijd de Roodhuiden te bedriegen?”
-
-»Wij hebben niet gepoogd u te bedriegen, hoofdman.”
-
-»Dat gij, zoolang gij bij ons zijt, als kinderen van onzen stam
-behandeld zijt geworden, is door mijn toedoen; ik ben het, die u het
-leven heb gered.”
-
-»Dat is waar.”
-
-»Welnu, ik wil u toonen dat de Indianen niet vergeten; en dat zij goed
-voor kwaad weten te vergelden. Deze wonden, die gij hier ziet, wie
-heeft ze mij toegebracht? Edelhart. Wij zijn vijanden, zijne moeder is
-in mijne macht, ik zou haar terstond aan den folterpaal kunnen binden,
-dat zou mijn recht zijn.”
-
-De twee Spanjaarden bogen het hoofd.
-
-»De wet der prairiën zegt: Oog om oog, tand om tand! Luister goed naar
-mij, Oude Eik: gedachtig aan onze oude vriendschap, sta ik u een
-uitstel toe. Morgen met zonsopgang zult gij Edelhart gaan zoeken; zoo
-hij binnen vier dagen zich niet in mijne handen is komen uitleveren,
-zal zijne moeder sterven: mijne manschappen zullen haar levend aan den
-folterpaal verbranden, en mijne broeders zullen zich oorlogfluitjes
-snijden uit hare beenderen. Gaat, ik heb niets meer te zeggen.”
-
-De grijsaard viel voor het opperhoofd op de knieën, maar de
-wraakzuchtige Indiaan schopte hem van zich en ging weg.
-
-»O, mevrouw,” mompelde de grijsaard wanhopig; »gij zijt verloren.”
-
-»Eén ding verzoek ik u, Eusébio,” zeide de moeder met tranen in de
-oogen en een geroerde stem, »breng mijn zoon niet hier! Wat zegt het,
-of ik sterf? heeft mijn leven helaas al niet lang genoeg geduurd?”
-
-De oude dienaar wierp een blik van bewondering op zijne meesteres.
-
-»Altijd dezelfde,” zeide hij met aandoening.
-
-»Het leven eener moeder behoort immers aan haar kind?” riep zij uit.
-
-De twee oude lieden vielen van smart overstelpt aan den voet van een
-boom neder, en brachten den nacht door in het gebed tot God.
-
-De Arendskop scheen geen begrip te hebben van hunne wanhoop.
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-NO EUSÉBIO.
-
-
-De voorzorgen, door den Arendskop genomen om zijn gang te verbergen,
-mochten goed zijn voor zulke blanken, wier oogen minder geoefend zijn
-dan die der partijgangers en jagers, en die weinig gewend aan de listen
-der Indianen, zich in deze uitgestrekte wildernissen zonder gids bijna
-niet weten te redden, maar voor mannen als Edelhart en Goedsmoeds waren
-zij onvoldoende. Zij verloren bijna geen oogenblik het spoor uit het
-oog. Gewoon aan de wendingen en bochten der Indiaansche krijgslieden,
-lieten zij zich niet misleiden door de plotselinge teruggangen, de
-omwendingen, de valsche halten, in een woord, door al die hindernissen,
-waarmede de Comanchen hun weg hadden bezaaid. En bovendien was er iets,
-waaraan de Indianen niet gedacht hadden, en dat even zeker de richting
-aanwees, die zij gevolgd waren, als wanneer zij zorg gedragen hadden,
-om die nauwkeurig af te bakenen. Wij hebben vroeger gezegd, dat de
-jagers bij de puinhoopen eener hut een speurhond hadden gevonden, die
-aan een boom was vastgemaakt en dat deze, zoodra hij vrij was, na
-eenige liefkoozingen aan Goedsmoeds te hebben geschonken, het op een
-loopen had gezet, met den neus in den wind, om zijn meester te
-achterhalen, die geen ander was als de oude Spanjaard; en hij bereikte
-hem inderdaad. De sporen van den hond, die de Indianen verzuimden uit
-te wisschen, om de eenvoudige reden dat zij niet wisten dat hij hen
-volgde, waren overal te zien, en voor zulke behendige jagers als
-Edelhart en Goedsmoeds was dit een draad van Ariadne, dien niets kon
-breken. De jagers reden dus in stilte voort, met het geweer in den
-zadel vastgemaakt, gevolgd door hunne rastreros (spoorzoekers, hier de
-speurhonden) achter de Comanchen, die geenszins vermoedden, dat zij
-zulk een achterhoede hadden. Iederen avond hield Edelhart halt, juist
-op dezelfde plek, waar de Arendskop een dag te voren zijn bivouak had
-opgeslagen, want de haast waarmede de beide mannen voortgingen was zóó
-groot, dat de Indianen hun slechts eenige mijlen vooruit waren; zij
-zouden hen gemakkelijk hebben ingehaald, indien zulks in het plan der
-jagers gelegen had. Maar om zekere redenen wilde Edelhart hen liever
-nog eenigen tijd op den voet volgen.
-
-Nadat zij in den nacht in een opene plaats in het bosch, aan de oevers
-van een frissche beek, wier zacht gemurmel hen in slaap gewiegd had,
-hadden doorgebracht, maakten zich de jagers gereed om verder te gaan;
-hunne paarden waren gezadeld, en zij aten staande een stuk
-elandvleesch, toen Edelhart, die den geheelen morgen den mond niet
-geopend had, zich tot zijn makker wendde, met de woorden:
-
-»Laten wij een oogenblik gaan zitten; niets dringt ons, om ons te
-haasten, daar de Arendskop bij zijn stam is aangeland.”
-
-»Dat is waar,” antwoordde Goedsmoeds, terwijl hij zich op het gras
-nedervlijde; »wij kunnen wel wat praten.”
-
-»Nu, heb ik het niet geraden, dat die vervloekte Comanchen een
-krijgsbende in de nabijheid hadden? Wij kunnen er niet aan denken, om
-met ons tweeën ons meester te maken van een kamp, waarin zich
-vijfhonderd krijgslieden bevinden.”
-
-»Gij hebt gelijk,” zeide Goedsmoeds wijsgeerig, »daar zijn er heel
-veel; maar, gij weet, beste vriend, en anders zegt uw hart het u, wij
-kunnen er altijd de proef van nemen, men weet nooit wat er gebeuren
-kan.”
-
-»Dank u,” zeide Edelhart glimlachend, »maar ik geloof, dat het
-nutteloos zal zijn.”
-
-»Nu, zooals gij wilt.”
-
-»List alleen zal ons baten.”
-
-»Verzinnen wij dan een list, ik ben tot uw orders.”
-
-»Hebben wij geen vallen hier in de nabijheid?”
-
-»Hemel, ja, geen halve mijl hier van daan, bij den grooten
-bevervijver.”
-
-»Juist, ik weet niet meer, waarover ik sinds eenige dagen denk; ziet
-gij, Goedsmoeds, die gevangenschap van mijne moeder maakt mij gek, ik
-moet haar bevrijden, het koste wat het wil.”
-
-»Dat is ook mijn gevoelen, Edelhart, en ik zal u met al mijne kracht
-bijstaan.”
-
-»Morgen, bij het aanbreken van den dag moet gij eens naar den Zwarten
-Eland gaan, en hem uit mijn naam verzoeken, zooveel blanke jagers
-bijeen te verzamelen als hij maar kan.”
-
-»Zeer goed.”
-
-»In dien tusschentijd zal ik naar het kamp der Comanchen gaan, om over
-den losprijs mijner moeder te spreken; zoo zij haar mij niet willen
-uitleveren, zullen wij onze toevlucht tot de wapenen nemen, en wij
-zullen eens zien, of een twintigtal van de beste karabijnen het niet
-winnen zullen van die vijfhonderd roovers der prairiën.”
-
-»En zoo zij u gevangen nemen?”
-
-»In dat geval zal ik u mijn hond zenden, die zich in de grot bij de
-rivier bij u zal voegen; als gij hem alleen ziet komen, dan weet gij
-wat het zeggen wil, en gij kunt dan dienovereenkomstig handelen.”
-
-De Canadees schudde bedenkelijk het hoofd.
-
-»Neen,” zeide hij, »dat zal ik niet doen.”
-
-»Hoe! zult gij dat niet doen?” riep de jager verbaasd uit.
-
-»Zeker niet; neen, ik zal het niet doen, Edelhart. Bij u vergeleken,
-die zoo dapper en verstandig zijt, beteeken ik heel weinig, dat weet
-ik, maar ik heb toch een goede eigenschap, die niemand mij ontnemen
-zal, en dat is mijne genegenheid voor u.”
-
-»Ik weet het, mijn vriend, gij hebt mij lief als een broeder.”
-
-»En gij wilt, dat ik u, gelijk men in mijn land zegt, aan gene zijde
-van de groote meren, onbekommerd den neus zal laten steken in het hol
-van den wolf, of nog erger, want mijne vergelijking is vernederend voor
-de wolven, de Indianen zijn duizendmaal bloeddorstiger! Neen, ik
-herhaal het u, ik zal het niet doen; het zou een slechte daad zijn, en
-als u iets overkwam, dan zou ik het mijzelven niet vergeven.”
-
-»Verklaar u, Goedsmoeds,” zeide Edelhart ongeduldig; »op mijn eer ik
-kan u onmogelijk begrijpen.”
-
-»O, dat is toch gemakkelijk genoeg,” antwoordde de Canadees; »al heb ik
-weinig geest en al ben ik geen groot redenaar, ik heb toch gezond
-verstand, en ik kan goed uit mijne oogen zien, als het iemand geldt,
-dien ik lief heb; ik heb niemand meer lief dan u, nu mijn vader dood
-is.”
-
-»Spreek, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, »en vergeef mij de
-ongeduldige drift, waaraan ik een oogenblik geen weerstand kon bieden.”
-
-Goedsmoeds dacht even na, en hervatte toen:
-
-»Gij weet dat de grootste vijanden, die wij in de prairie hebben, de
-Comanchen zijn; door een onverklaarbaar toeval hebben wij altijd met
-hen te strijden gehad, en nooit hebben zij zich kunnen beroemen het
-minste voordeel op ons behaald te hebben; van daar tusschen hen en ons
-een onverzoenlijke haat, die in de laatste dagen nog is toegenomen door
-onze geschillen met den Arendskop, wien gij zoo slim of zoo dom zijt
-geweest slechts een arm te breken, toen het u zoo gemakkelijk viel hem
-den kop te verpletteren, eene aardigheid, die, ik ben er zeker van, het
-Comanchenhoofd u zeer kwalijk genomen heeft, en hij u nooit zal
-vergeven; overigens beken ik, dat ik in zijne plaats volkomen dezelfde
-gevoelens zou hebben aangekleefd, en dat ik daarom niet op hem gebeten
-ben.”
-
-»Ter zake! ter zake!” viel Edelhart in.
-
-»De zaak is deze,” hernam Goedsmoeds zonder zich over het ongeduld van
-zijn vriend te verwonderen: »de Arendskop zoekt op alle mogelijke wijze
-uw hoofdhaar meester te worden; nu begrijpt gij, dat, zoo gij
-onvoorzichtig genoeg zijt om u aan hem over te geven, hij de
-gelegenheid zal te baat nemen om voor eens en voor altijd met u af te
-rekenen.”
-
-»Maar,” antwoordde Edelhart, »mijne moeder is in zijne handen.”
-
-»Ja,” zeide Goedsmoeds, »maar dat weet hij niet; gij weet, mijn vriend,
-dat de Indianen, enkele gevallen uitgezonderd, de vrouwen, die zij
-machtig worden, uitstekend behandelen, en dat zij haar gewoonlijk de
-grootste beleefdheden bewijzen.”
-
-»Dat is waar,” zeide de jager.
-
-»Nu dan, daar wel niemand aan den Arendskop zal zeggen dat zijne
-gevangene uwe moeder is, zoo is zij, als men de ongerustheid, waarin
-zij omtrent u verkeert, niet mederekent, onder de Roodhuiden even goed
-bezorgd, alsof zij zich op het groote plein van Quebec bevond. Het is
-dus onnoodig om eene roekeloosheid te begaan; laten wij een twintigtal
-goede makkers bijeenroepen, en daarmede de Indianen bewaken; bij de
-eerste gelegenheid, die zich zal aanbieden, zullen wij hen dapper op
-het lijf vallen, wij dooden er zooveel mogelijk, en bevrijden uwe
-moeder; ziedaar, geloof ik, de wijste partij, die wij kiezen kunnen;
-wat denkt gij er van?”
-
-»Ik denk, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, hem de hand drukkende,
-»dat gij het beste schepsel zijt van de wereld, dat uw raad goed is, en
-dat ik hem zal opvolgen.”
-
-»Bravo!” riep Goedsmoeds verheugd; »dat noem ik taal.”
-
-»En nu...” zeide Edelhart opstaande.
-
-»Nu?” vroeg Goedsmoeds.
-
-»Bestijgen wij onze paarden, rijden om het indiaansche kamp heen, laten
-ons niet van het spoor brengen, en gaan naar de hatto van onzen braven
-vriend den Zwarten Eland, die een wijs man is, en ons zeker van dienst
-zal zijn in de uitvoering van ons plan.”
-
-»Zooals gezegd is!” zeide Goedsmoeds vroolijk, terwijl hij in den zadel
-sprong.
-
-De jagers verlieten de opene plaats en maakten een omweg, om het
-indiaansche kamp te vermijden, waarvan men den rook op hoogstens twee
-mijlen afstand gewaar werd; zij richtten zich toen naar de plaats,
-waar, naar alle waarschijnlijkheid, de Zwarte Eland zich onledig hield
-met zoo behendig mogelijk zijne strikken te spannen voor de bevers, die
-merkwaardige dieren, waarvan doña Luz zooveel hield. Zoo reden zij te
-naastenbij een uur lang, al lachend en pratend voort, want de
-redeneeringen van Goedsmoeds hadden eindelijk Edelhart overtuigd, die,
-de Indiaansche zeden grondig kennende, voor zijne moeder geen gevaar
-vreesde, toen de honden eensklaps teekenen van onrust gaven, en luid
-blaffend wegvlogen.
-
-»Wat scheelt er toch aan onze rastreros?” zeide Edelhart; »men zou
-denken, dat zij een vriend geroken hebben.”
-
-»Hemel! zij hebben den Zwarten Eland uitgevonden, wij zullen ze stellig
-in elkanders gezelschap vinden.”
-
-»’t Is mogelijk,” zeide de jager nadenkend, en zij reden voort.
-
-Na eenige oogenblikken bemerkten zij een ruiter, die zoo snel hij kon
-op hen afkwam, omringd van de honden, die hem luid blaffend nasprongen.
-
-»Het is de Zwarte Eland niet!” riep Goedsmoeds.
-
-»Neen!” zeide Edelhart, »het is Nô Eusébio. Wat beteekent dat? hij is
-alleen; zou er met mijne moeder iets gebeurd zijn?”
-
-»Laten wij ons reppen!” zeide Goedsmoeds, zijn paard de sporen gevende.
-De jager volgde hem, ten prooi aan een doodelijken angst.
-
-De drie ruiters waren weldra bijeen.
-
-»Helaas! helaas!” riep de grijsaard met eene treurige stem.
-
-»Wat is er gebeurd, Nô Eusébio? spreek, in Godsnaam, spreek!” zeide
-Edelhart.
-
-»Uw moeder! don Rafaël, uwe moeder!”
-
-»Nu, spreek!... spreek dan toch!” riep de jager angstig.
-
-»O, mijn God!” zeide de grijsaard, de armen ten hemel heffende, »het is
-te laat!”
-
-»Spreek dan, in Godsnaam! gij doet mij sterven.”
-
-De grijsaard wierp hem een troosteloozen blik toe.
-
-»Don Rafaël,” zeide hij, »wees moedig, wees een man.”
-
-»Goede God! welk vreeselijk nieuws komt gij ons brengen?”
-
-»Uwe moeder is de gevangene van den Arendskop.”
-
-»Dat weet ik.”
-
-»Zoo gij van daag, ja dezen morgen nog, u zelven niet aan het
-Comanchenhoofd hebt uitgeleverd....”
-
-»Dan?”
-
-»Dan zal zij levend verbrand worden!”
-
-»O!” gilde de jager; met een hartverscheurenden kreet.
-
-Zijn vriend ondersteunde hem, anders zou hij van zijn paard gevallen
-zijn.
-
-»Maar,” vroeg Goedsmoeds, »zegt gij, dat zij van daag verbrand moet
-worden, goede grijsaard?”
-
-»Van daag.”
-
-»Dus hebben wij nog den tijd?”
-
-»Helaas! bij zonsopgang zou het zijn, en zie eens,” zeide hij, naar de
-lucht wijzende.
-
-»O,” riep Edelhart uit, op een toon, die onmogelijk is weêr te geven,
-»ik zal mijne moeder redden!”
-
-En zich op zijn paard voorover buigende, verdween hij in duizelende
-vaart.
-
-De anderen volgden hem.
-
-Plotseling keerde hij zich om, en riep tot Goedsmoeds:
-
-»Waar gaat gij heen?”
-
-»U helpen om uwe moeder te redden, of met u sterven.”
-
-»Kom dan mede!” antwoordde Edelhart, zijne sporen in de bloedende
-zijden van zijn paard drukkende.
-
-Er was iets vreeselijks en verschrikkelijks in de dolle vaart van die
-drie mannen, die, allen op dezelfde lijn, met bleek voorhoofd, gesloten
-lippen en bliksemende oogen, over stroomen en diepten heen, geen
-hinderpalen ontziende, hunne paarden altijd bleven aanvuren, zonder
-zich een oogenblik rust te gunnen. Bij tusschenpoozen liet Edelhart het
-aan de Mexicaansche Gineten eigenaardig geschreeuw hooren, en de
-verhitte paarden verdubbelden hun spoed.
-
-»Mijn God, mijn God!” herhaalde de jager, met een doffe stem, »red! red
-mijne moeder!”
-
-
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-DE RAAD DER OPPERHOOFDEN.
-
-
-Niettegenstaande het onstuimig gesprek dat hij met Nô Eusébio gevoerd
-had, ging de Arendskop toch voort met zijne gevangene zoo zacht
-mogelijk te behandelen, en zich met eene kieschheid jegens haar te
-gedragen, die men geenszins verwachten zou van menschen, welke, volgens
-onze meening, zonder eenige geldige reden onder den naam van Wilden
-bekend staan. In het algemeen toch verdient de wijze waarop de Indianen
-met hunne gevangenen omgaan, eer geprezen dan gelaakt te worden, daar
-zij, wel verre van hen zonder oorzaak te martelen en te kwellen, gelijk
-velen het elkander hebben nagezegd, hun veeleer de grootst mogelijke
-beleefdheid bewijzen, en in zeker opzicht medelijden hebben met hun
-ongeluk.
-
-In de omstandigheden, waarvan wij spreken, was het besluit van den
-Arendskop, ten opzichte van Edelharts moeder, slechts eene
-uitzondering, waarvan de oorzaak moet worden toegeschreven aan den
-doodelijken haat, dien het Indiaansche opperhoofd den jager toedroeg.
-
-De scheiding der twee gevangenen was pijnlijk en hartverscheurend; de
-oude dienaar vertrok wanhopig om den jager te zoeken, terwijl de arme
-moeder met een gebroken hart de Comanchen volgde.
-
-Den volgenden dag kwam de Arendskop op de door de opperhoofden der
-natie vastgestelde plaats; de geheele stam was bijeen.
-
-Niets is zonderlinger en schilderachtiger dan het gezicht van een
-Indiaansch kamp. Als de Roodhuiden op een jacht- of krijgsonderneming
-uit zijn, richten zij op de plaats, waar zij halt houden, tenten op van
-bisonvellen, die over kruiselings in den grond gestoken palen zijn
-uitgespannen, deze tenten, waarvan de vloer met aardkluiten overdekt
-is, hebben alleen van boven eene opening, om den rook door te laten, en
-zonder welke zij onbewoonbaar zouden zijn.
-
-Het kamp had een levendig aanzien; de vrouwen kwamen en gingen, beladen
-met hout en vleesch, of gezeten op door honden getrokken sleden, die al
-haar rijkdommen bevatten; de krijgslieden zaten in de open lucht rondom
-de vuren te rooken en te praten. Het was echter gemakkelijk te raden
-dat er iets ongewoons werd voorbereid; want ondanks het vroege uur—de
-zon was nog nauwelijks opgegaan—waren de voornaamste hoofden in de
-raadstent bijeen, om aldaar, gelijk de ernstige uitdrukking van hun
-gelaat te kennen gaf, een gewichtige zaak te bespreken.
-
-Het was de laatste dag van uitstel door den Arendskop aan Nô Eusébio
-toegestaan. De Indiaansche krijgsman aan zijn haat getrouw en geen lust
-hebbende zijn wraak uit te stellen, had de hoofden bijeengeroepen om
-hunne goedkeuring te erlangen voor de uitvoering van zijn afschuwelijk
-plan.
-
-Wij herhalen het hier, opdat men er zich niet in vergisse, de Indianen
-begaan geen wreedheden, louter voor hun genoegen. De noodzakelijkheid
-is hunne eerste wet; nooit geven zij bevel tot de marteling en
-terdoodbrenging van een gevangene, allerminst wanneer deze eene vrouw
-is, dan wanneer het belang der natie het eischt.
-
-Zoodra de hoofden om het vuur van de raadstent bijeen gezeten waren,
-trad de pijpdrager in den kring, met een aangestoken calumet, boog
-zich, onder het prevelen van een gebedje, naar alle vier de
-hemelstreken, en bood de calumet aan het oudste opperhoofd aan, maar
-zóó dat hij het roer in de hand hield.
-
-Toen de hoofden een voor een gerookt hadden, stootte de pijpdrager de
-asch van de calumet in het vuur, en zeide:
-
-»Hoofden van den grooten Comanchenstam, moge Natosh (God) u wijsheid
-geven, en moge het besluit, dat gij nemen gaat, met de eischen der
-rechtvaardigheid overeenstemmen.”
-
-Daarna maakte hij een eerbiedige buiging en verwijderde zich.
-
-Er volgde een oogenblik stilte; ieder overpeinsde de zoo uitgesprokene
-woorden.
-
-Eindelijk stond de oudste op. Het was een eerwaardige grijsaard, wiens
-lichaam met tallooze lidteekenen was bezaaid, en die onder de zijnen
-een grooten naam van wijsheid bezat. Hij heette Eshis—de zon.
-
-»Mijn zoon de Arendskop,” zeide hij, »heeft een belangrijke mededeeling
-te doen aan den raad der hoofden: hij spreke derhalve, onze ooren zijn
-geopend; de Arendskop is een krijgsman, even wijs als dapper; zijne
-woorden zullen met eerbied door ons worden aangehoord.”
-
-»Ik dank u,” antwoordde de krijgsman; »mijn vader is de wijsheid zelve.
-Natosh heeft niets voor hem verborgen.”
-
-De hoofden bogen.
-
-De Arendskop ging voort:
-
-»De bleekmuilen, onze eeuwige vijanden, vervolgen en kwellen ons
-voortdurend, ons noodzakende een voor een onze beste jachtgronden te
-verlaten, en gelijk bloode hinden in het diepste der bosschen de wijk
-te nemen; velen hunner wagen het tot in de prairiën te komen, die ons
-tot schuilplaats dienen, de bevers te strikken en op de elands en
-bisons te jagen, die ons eigendom zijn. Deze menschen zonder trouw, het
-uitvaagsel van hun volk, bestelen en vermoorden ons, als zij het
-straffeloos doen kunnen. Is het billijk dat wij hunne rooverijen
-uitstaan, zonder ons zelfs te beklagen? Zullen wij ons laten worgen als
-vreesachtige ashahas, zonder zelfs een poging aan te wenden om ons te
-wreken? Zegt de wet der prairiën niet: oog om oog, tand om tand? laat
-mijn vader antwoorden, laten mijne broeders zeggen, of dat billijk is?”
-
-»De wraak is geoorloofd,” zeide de Zon; »zij is het onweêrsprekelijk
-recht van den zwakke en onderdrukte, maar zij moet geëvenredigd zijn
-aan de ontvangen beleediging.”
-
-»Goed! mijn vader heeft als een wijs man gesproken; wat denken mijne
-broeders er van?”
-
-»De Zon kan niet liegen; al wat hij zegt is goed,” antwoordden de
-hoofden.
-
-»Heeft mijn broeder zich over iemand te beklagen?” vroeg de grijsaard.
-
-»Ja,” hernam de Arendskop, »ik ben beleedigd door een blanken jager;
-verscheidene malen heeft hij een aanval gedaan op mijn kamp; hij heeft
-in eene hinderlaag verscheidene mijner jonge lieden gedood; ik zelf
-ben, gelijk gij zien kunt, door hem gekwetst; de wond is nog niet eens
-gesloten; die man, in één woord, is de wreedste vijand der Comanchen,
-die hij als wilde dieren vervolgt en opjaagt, om zich te verlustigen in
-hunne martelingen en naar hunne stervenskreten te luisteren.”
-
-Bij deze woorden, op een wegslependen toon uitgesproken, slaakte de
-gansche vergadering een diepen zucht van verkropten toorn. De listige
-hoofdman, begrijpende dat hij zijne zaak gewonnen had, ging voort
-zonder in het minst de vreugde te laten blijken, die hem bezielde.
-
-»Ik zou,” zeide hij, »zoo het mij alleen gegolden had, die
-beleedigingen, hoe zwaar zij ook mogen zijn, hebben kunnen vergeven,
-maar het geldt hier een algemeenen vijand, een man die aan de natie den
-ondergang gezworen heeft; en daarom, hoe pijnlijk het mij ook vallen
-moge, mag ik niet aarzelen om hem te treffen in wat hem het dierbaarste
-is. Zijne moeder is in mijne handen, ik heb geaarzeld haar op te
-offeren, ik heb mij niet door mijn haat willen laten beheerschen, ik
-heb rechtvaardig willen zijn, en toen het mij gemakkelijk viel deze
-vrouw te dooden, heb ik liever willen wachten tot gij zelven,
-eerwaardige hoofden van onzen stam, mij er bevel toe gaaft. Ik heb meer
-gedaan, omdat het mij tegen de borst stuit nutteloos bloed te vergieten
-en een onschuldige voor den schuldige te straffen; ik heb aan die vrouw
-vier dagen uitstel gegund, om aan haar zoon de gelegenheid te schenken
-haar te redden, door zich te komen aanbieden, om in hare plaats de
-marteling te ondergaan. Een door mij gevangen genomen blanke is
-uitgegaan om hem te zoeken; maar die man heeft het hart van een konijn,
-die slechts moed bezit om weerlooze vijanden te vermoorden; hij is niet
-gekomen, hij zal niet komen!.... Dezen morgen, bij het opgaan der zon,
-is de tijd, tot uitstel gegund, verstreken. Waar is die man? hij is
-niet verschenen!.... Wat zeggen mijne broeders? is mijn gedrag billijk,
-moet ik berispt worden, of wel, zal die vrouw aan den martelpaal
-gebonden worden, opdat de verschrikte bleeke dieven erkennen, dat de
-Comanchen geduchte krijgslieden zijn, die geen hoon ongestraft laten?
-Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, mannen?”
-
-Na afloop van dit lange pleidooi ging de Arendskop weêr zitten, en de
-armen kruisende, wachtte hij met gebogen hoofd de beslissing der
-hoofden af.
-
-Er volgde een vrij langdurig stilzwijgen; eindelijk stond de Zon op.
-
-»Mijn broeder heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne woorden zijn als
-van een man, die zich niet door hartstocht laat overheerschen; al wat
-hij zegt is billijk; de blanken, onze woeste vijanden leggen het op ons
-verderf toe; hoe pijnlijk de straf dier vrouw ons moge vallen, zij is
-noodzakelijk.”
-
-»Zij is noodzakelijk,” herhaalden de hoofden, het hoofd buigende.
-
-»Komt,” hernam de Zon, »maakt de noodige toebereidselen; geeft aan die
-terdoodbrenging het aanzien van een zoenoffer en niet van eene wraak;
-ieder moet overtuigd worden, dat de Comanchen niet voor hun genoegen de
-vrouwen martelen, maar dat zij de schuldigen weten te straffen; ik heb
-gezegd.”
-
-De hoofden stonden op, en na den grijsaard eerbiedig gegroet te hebben,
-verwijderden zij zich.
-
-De Arendskop was geslaagd; hij zou zich wreken, zonder de
-verantwoordelijkheid op zich te nemen van eene daad, waarvan hij al het
-afschuwelijke had doorzien, maar die hij aan de hoofden zijner natie
-had weten voor te stellen onder een schijn van billijkheid, waarover
-hij zich inwendig bekommerde.—Men haastte zich de noodige
-toebereidselen tot de strafoefening te maken.
-
-De vrouwen sneden dunne spaanders van esschenhout, om de veroordeelde
-die onder de nagels te steken, anderen maakten van de takken der
-vlierboomen een soort van lange zwavelstokken, terwijl de jongsten in
-het woud bossen groen hout gingen zoeken ten einde haar langzaam te
-verbranden en door den rook te doen stikken.
-
-Ondertusschen hadden de mannen den tot martelpaal bestemden boom geheel
-van zijne schors ontdaan, en vervolgens met elandsvet, vermengd met
-rooden oker, besmeerd; aan zijn voet hadden zij het hout van den
-brandstapel opeengehoopt, en daarna had de wichelaar den boom door
-middel van eenige geheimzinnige woorden bezworen, ten einde dien voor
-het bestemde doel geschikt te maken.
-
-Toen deze toebereidselen gemaakt waren, werd de gevangene aan den voet
-van den paal gebracht, en zonder nog vastgebonden te worden,
-genoodzaakt om zich op den brandstapel neder te zetten; daarna begon de
-scalpdans.
-
-De ongelukkige vrouw was oogenschijnlijk zeer kalm; zij had besloten
-haar leven ten offer te brengen; niets van hetgeen er om haar heen
-voorviel was meer in staat haar te ontroeren. Hare van koorts brandende
-en met tranen gevulde oogen dwaalden doelloos over die menigte, die
-haar als een hoop wilde dieren brullend omsingelde. Haar geest bleef
-echter even waakzaam en even helder als in hare schoonste dagen. De
-arme moeder had ééne vrees, die haar het hart verscheurde, meer dan de
-duizend martelingen, die de Indianen haar deden ondergaan; zij vreesde,
-dat haar zoon, gewaarschuwd omtrent het vreeselijk lot dat haar
-bedreigde, zich aan zijne woeste vijanden zou komen uitleveren, om haar
-te redden.
-
-Het minste gerucht opvangende, meende zij telkens de stappen van haar
-zoon te vernemen, die haar ieder oogenblik kon te hulp snellen; haar
-hart klopte van angst. Zij bad God uit het diepst van hare ziel, dat
-zij mocht sterven in plaats van haar geliefd kind.
-
-De scalpdans werd met woede voortgezet. Een menigte groote, schoone,
-prachtig uitgedoschte krijgslieden, met zwart gemaakte aangezichten,
-zwaaiden bij paren om den paal heen, aangevoerd door zeven met trommels
-en chicikouees gewapende muzikanten, die zich met rood en zwart hadden
-besmeerd en vederen van nachtuilen op het hoofd droegen. De
-krijgslieden hadden met vederen en roodlaken versierde geweren en
-knodsen in de hand, waarmede zij al dansend den grond aanraakten. Zij
-vormden een grooten halven kring om den paal; de andere helft van den
-cirkel bestond uit dansende vrouwen.
-
-De Arendskop, die de krijgers aanvoerde, droeg een langen stok, aan het
-bovenste uiteinde waarvan een scalp hing te wiegelen, overschaduwd door
-de uitgespreide vleugelen van een opgezette ekster; een weinig lager
-hing nog een scalp, de huid van een losch, en eenige vederen.
-
-Toen men aldus eenigen tijd gedanst had, plaatsten zich de muzikanten
-aan weêrszijden der veroordeelde, en maakten een oorverdoovend geraas
-door te gelijkertijd te zingen, en zoo hard zij konden, te trommelen en
-de chicikouees te schudden.
-
-Deze dans duurde vrij lang en ging vergezeld met een afschuwelijk
-gebrul, dat wel in staat was om de ongelukkige, aan wie zij aldus een
-voorsmaak gaven van de vreeselijke martelingen, die haar wachtten, van
-schrik krankzinnig te maken.
-
-Eindelijk raakte de Arendskop de veroordeelde met zijn stok even aan,
-op dit teeken hield het geraas eensklaps op, de rijen werden verbroken,
-ieder greep naar de wapenen.
-
-De doodstraf nam een aanvang.
-
-
-
-
-
-
-
-XX.
-
-DE MARTELING.
-
-
-Zoodra de scalpdans ophield, schaarden de voornaamste krijgslieden zich
-met de wapenen in de hand voor den paal, terwijl de vrouwen, vooral de
-meer bejaarde, zich op de veroordeelde wierpen, haar uitscholden, haar
-schopten, haar de haren uit het hoofd trokken, haar sloegen, terwijl
-zij niet alleen geen den minsten tegenstand bood, maar zich zelfs niet
-poogde te onttrekken aan de gruwelijke mishandelingen, die men haar
-deed ondergaan. De ongelukkige vrouw verlangde slechts één ding,
-namelijk dat er met de terdoodbrenging een begin zou worden gemaakt.
-Zij had met koortsachtig ongeduld de bewegingen van den scalpdans
-gevolgd, zoozeer vreesde zij dat haar geliefde zoon zou verschijnen om
-zich tusschen haar en hare beulen te plaatsen. Evenals de oude
-martelaars, beschuldigde zij uit grond van haar hart de Indianen, dat
-zij in doellooze plechtigheden een kostbaren tijd lieten verloren gaan:
-zoo zij er de kracht toe gehad had, zou zij hen over hunne
-langzaamheid, en over de aarzeling, die zij schenen aan den dag te
-leggen, om haar op te offeren, hebben berispt en uitgelachen. De
-waarheid was deze, dat de Comanchen, huns ondanks en niettegenstaande
-de straf hun billijk toescheen, een tegenzin hadden in het martelen van
-een weerlooze vrouw, die reeds op jaren was, en hun noch middellijk
-noch onmiddellijk ooit eenig leed had berokkend.
-
-De Arendskop zelf, in weerwil van zijn bitteren haat, ondervond een
-heimelijk verwijt over de misdaad, die hij beging; en wel verre van de
-laatste toebereidselen te verhaasten, maakte hij ze met een traagheid
-en tegenzin, die hij onmogelijk te boven kon komen.
-
-Voor dappere mannen, die gewoon zijn de grootste gevaren te trotseeren,
-is het altijd een onteerende daad, een zwak schepsel te martelen, die
-geen ander middel heeft om zich te verdedigen dan hare tranen. Zoo het
-een man ware geweest, zou men eenstemmig besloten hebben om hem
-terstond aan den martelpaal te binden.
-
-De Indiaansche gevangenen lachen om alle folteringen; zij beleedigen
-hunne beulen, en in hunne doodsliederen, verwijten zij aan hunne
-overwinnaars hunne lafheid, hun gebrek aan ondervinding, hunne
-onbekwaamheid om hunne slachtoffers te pijnigen; zij sommen hunne eigen
-heldenfeiten op, berekenen het aantal vijanden, die zij hebben
-gescalpeerd alvorens zelven te vallen, wekken eindelijk door hunne
-spotternijen en hunne minachtende houding den toorn hunner beulen op,
-en rechtvaardigen in zekere mate hunne wreedheid.
-
-Maar een zwakke vrouw, die zich zonder aarzelen aan haar lot overgeeft,
-die zich als een lam ter slachtbank laat voeren, welk belang kan zulk
-eene terdoodbrenging aanbieden?
-
-Men kan daarvan geen roem verwachten, maar integendeel slechts eene
-algemeene afkeuring.
-
-De Comanchen begrepen dit, van daar hun tegenzin en hun talmen. Doch er
-moest een eind aan komen.
-
-De Arendskop naderde de gevangene, en haar bevrijdende van de harpijen,
-die haar kwelden, zeide hij op somberen toon:
-
-»Vrouw, ik heb mijn woord gehouden; uw zoon is niet gekomen, gij moet
-sterven.”
-
-»Goddank!” zeide zij met een gebrokene stem, zich tegen een boomstam
-aanleunende, om niet te vallen.
-
-De hoofdman zag haar aan, zonder haar te begrijpen.
-
-»Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar.
-
-»Neen,” hernam zij, op hem een blik slaande, zacht als die van een
-engel, »hij zal mij welkom zijn; mijn leven is één lange doodstrijd
-geweest, de dood is een weldaad voor mij.”
-
-»Maar uw zoon dan?”
-
-»Mijn zoon zal leven, als ik sterf; gij hebt het gezworen bij de
-beenderen uwer vaderen.”
-
-»Ik heb het gezworen.”
-
-»Laat mij dan sterven.”
-
-»Zijn de vrouwen uwer natie dan gelijk aan de Indiaansche squaws, die
-den dood zonder beven onder de oogen zien?” riep de hoofdman verbaasd.
-
-»Ja,” antwoordde zij aangedaan; »alle moeders verachten dien wanneer
-het het welzijn harer kinderen geldt.”
-
-»Luister,” zeide de Indiaan, zijns ondanks door medelijden bewogen, »ik
-ook, ik heb eene moeder, die ik liefheb, zoo gij het verlangt, zal ik
-uw dood uitstellen tot zonsondergang.”
-
-»Waarom?” antwoordde zij met verschrikkelijken eenvoud; »neen,
-krijgsman, zoo mijne smart u wezenlijk treft, dan is er maar ééne
-gunst, die ik van u vraag.”
-
-»Spreek,” zeide hij levendig.
-
-»Laat mij terstond sterven.”
-
-»Maar zoo uw zoon dan eens kwam?”
-
-»Wat maakt dat? gij verlangt een offer, niet waar? Welnu, dat offer
-staat voor u, gij kunt het naar uw genoegen martelen. Waarom geaarzeld?
-laat mij sterven, zeg ik u.”
-
-»Aan uw verlangen zal voldaan worden,” zeide de Comanch treurig;
-»vrouw, maak u gereed.”
-
-Zij boog het hoofd voorover op de borst, en wachtte. Op eenen wenk van
-den Arendskop, grepen twee krijgslieden de gevangene aan en bonden haar
-aan den paal vast.
-
-Toen nam het messenspel een aanvang; zie hier, waarin het bestaat:
-ieder krijgsman neemt zijn scalpeermes met den duim en wijsvinger van
-de rechterhand, en werpt het naar het slachtoffer op zulk eene wijs dat
-het slechts lichte kwetsuren veroorzaakt.
-
-De Indianen, als zij iemand ter dood brengen, trachten de marteling zoo
-lang mogelijk te rekken; zij geven hun vijand den genadeslag niet,
-alvorens zij hem het leven langzaam, en als het ware lid voor lid
-hebben ontnomen.
-
-De Indianen wierpen hunne messen met zulk eene bewonderenswaardige
-behendigheid, dat allen de ongelukkige raakten, zonder dat één haar
-ernstig wondde; maar toch stroomde haar bloed; zij had de oogen
-gesloten, en geheel in zich zelve gekeerd, bad zij met warmte om den
-laatsten doodelijken slag.
-
-De mannen, wien haar lichaam tot een mikpunt strekte, verhitten zich
-langzamerhand; welgevallen in het ongewone schouwspel en zucht om hunne
-behendigheid te toonen hadden weldra in hun hart het medelijden
-verdrongen, dat zij in het eerst gevoelden. Zij gaven luidkeels hunne
-toejuiching te kennen, en moedigden elkander lachend aan. In één woord,
-het bloed, evenals altijd, ook bij de beschaafde volkeren, maakte hen
-dronken; hunne eigenliefde was in het spel, ieder zocht zijn voorganger
-te overtreffen, elke andere beschouwing werd vergeten.
-
-Toen allen hunne messen geworpen hadden, kwamen de behendigste
-schutters van den stam, en wapenden zich met geweren.
-
-Ditmaal was er een vaste blik noodig, want een slecht gerichte kogel
-kon aan de pijniging op eens een einde maken, en aan de omstanders het
-verleidelijk schouwspel ontrooven waarvan zij zich zooveel genoegen
-voorstelden.
-
-Bij ieder schot gaf het arme schepsel, geheel voorover gebogen, geen
-ander teeken van leven als een zenuwachtige trilling door haar gansche
-lichaam.
-
-»Laat ons er een eind aan maken,” zeide de Arendskop, wiens hart zijns
-ondanks week werd door zooveel moed en zooveel zelfverloochening. »De
-krijgslieden der Comanchen zijn geene jaguars, die vrouw heeft genoeg
-geleden, laat zij sterven en laat het uit zijn.”
-
-Eenig gemompel liet zich hooren onder de squaws en onder de kinderen,
-die het meest belust waren op de foltering der gevangene. Maar de
-krijgslieden waren het met het opperhoofd eens; die doodstraf, zonder
-de beleedigingen waarop het slachtoffer gewoonlijk zijne beulen
-onthaalt, had voor hen geene aantrekkelijkheid, en bovendien schaamden
-zij zich inwendig, dat zij zich zoo bloeddorstig aanstelden tegenover
-eene vrouw.
-
-Men schold dus aan de ongelukkige eenige folteringen kwijt—de splinters
-onder de nagels, de brandende zwavelstokken tusschen de vingers, het
-honigmasker op het gelaat, en nog andere, te veel om op te noemen, en
-men maakte den brandstapel gereed, waarop zij verbrand zou worden.
-
-Maar alvorens men tot dit laatste bedrijf van het bloedige treurspel
-overging, maakte men de arme vrouw los; gedurende eenige oogenblikken
-liet men haar adem scheppen, en zich herstellen van de vreeselijke
-aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest.
-
-De ongelukkige zakte bewusteloos inéén.
-
-De Arendskop naderde haar.
-
-»Mijne moeder is kordaat,” zeide hij; »vele krijgslieden zouden zooveel
-lijden niet met zooveel standvastigheid hebben doorgestaan.”
-
-Een flauwe glimlach teekende zich op hare lippen.
-
-»Ik heb een zoon,” antwoordde zij met een onuitsprekelijk zachten blik,
-»het is voor hem dat ik lijd.”
-
-»Een krijgsman, die zulk eene moeder heeft, is wel gelukkig.”
-
-»Waarom zoudt gij mijnen dood uitstellen? Het is wreed aldus te
-handelen; krijgslieden mogen geen vrouwen kwellen.”
-
-»Mijne moeder heeft gelijk, hare folteringen zijn geëindigd.”
-
-»Zal ik dan eindelijk sterven?” vroeg zij met een verruimd hart.
-
-»Ja, men maakt den brandstapel gereed.”
-
-Haars ondanks voer der arme vrouw eene huivering door al de leden, bij
-het hooren van dit vreeselijk bericht.
-
-»Mij verbranden!” riep zij verschrikt uit, »waarom mij verbranden?”
-
-»Dat is het gebruik.”
-
-Zij liet haar hoofd in hare handen vallen, maar weldra herstelde zij
-zich, en een bezielden blik ten hemel slaande, prevelde zij met
-volkomen onderwerping:
-
-»Uw wil, o God, geschiede!”
-
-»Gevoelt mijne moeder zich sterk genoeg, om aan den folterpaal te
-worden vastgebonden!” vroeg het opperhoofd met medelijden.
-
-»Ja,” zeide zij, zich krachtig opheffende.
-
-De Arendskop kon een kreet van bewondering niet weerhouden. De Indianen
-beschouwen moed als de eerste deugd.
-
-»Kom,” zeide hij.
-
-De gevangene volgde hem met vasten tred; zij had al hare kracht
-herkregen; eindelijk zou zij sterven.
-
-Het opperhoofd geleidde haar naar den folterpaal, waaraan zij ten
-tweeden male werd vastgebonden; vóór haar stapelde men de bossen groen
-hout op elkander, en op een gegeven teeken van den Arendskop stak men
-ze aan.
-
-Het vuur had eerst veel moeite om door te breken, door de vochtigheid
-van het hout, dat een dikken rook ontwikkelde; doch na eenige seconden
-barstte de vlam uit, verspreidde zich langzamerhand, en verkreeg binnen
-weinige minuten een groote uitgebreidheid.
-
-De ongelukkige vrouw kon een kreet van schrik niet bedwingen.
-
-Op hetzelfde oogenblik kwam midden in het kamp een ruiter in volle
-vaart aanrennen; met één sprong was hij op den grond, en eer men het
-hem beletten kon, verstrooide hij het hout van den brandstapel, en
-sneed de banden van het slachtoffer door.
-
-»O, waarom zijt gij gekomen?” mompelde de arme moeder, in zijne armen
-vallende.
-
-»Moeder! vergeef mij!” riep Edelhart in wanhoop uit; »mijn God! wat
-hebt gij veel moeten lijden!”
-
-»Ga, ga, Rafaël!” herhaalde zij, hem met liefkoozingen overladende;
-»laat mij in uwe plaats sterven, moet niet een moeder haar leven
-overhebben voor haar kind?”
-
-»O, spreek zoo niet, moeder, gij zoudt mij krankzinnig maken,” zeide
-hij, haar in zijne armen knellende.
-
-Maar de verwarring, door de plotselinge verschijning van Edelhart
-verwekt, was spoedig voorbij; de Indiaansche krijgslieden hadden die
-bedaardheid herkregen, die hen onder alles kenmerkt.
-
-De Arendskop naderde den jager.
-
-»Mijn broeder is welkom,” zeide hij; »ik wachtte hem niet meer.”
-
-»Hier ben ik; het was mij onmogelijk eerder te komen; mijne moeder is
-vrij, denk ik.”
-
-»Zij is vrij.”
-
-»Kan zij gaan, waar zij wil?”
-
-»Waar zij wil.”
-
-»Neen,” riep de gevangene, zich kloekmoedig tegenover het opperhoofd
-plaatsende, »het is te laat; ik ben het, die sterven moet; mijn zoon
-heeft het recht niet, om mijne plaats in te nemen.”
-
-»Moeder, wat zegt gij?...”
-
-»Ik zeg wat billijk is, Rafaël,” hernam zij levendig; »het uur, waarop
-gij komen moest, is voorbij; gij hebt het recht niet om hier te zijn,
-en mijnen dood te verhinderen; verwijder u, verwijder u, Rafaël, ik
-smeek er u om; laat mij sterven om u te redden,” voegde zij er bij, in
-tranen smeltend en zich in zijne armen werpende.
-
-»Moeder,” antwoordde Edelhart, haar met liefkoozingen overladende, »uwe
-liefde voor mij verblindt u; ik mag zulk eene misdaad niet laten
-geschieden; neen, neen, ik alleen moet hier blijven!”
-
-»Mijn God, mijn God!” zeide de arme vrouw snikkend; »hij wil mij niet
-begrijpen!... Ik zou zoo gelukkig zijn, als ik mocht sterven, om hem te
-redden!”
-
-Overweldigd door al te sterke aandoeningen, viel de moeder bewusteloos
-in de armen van haar zoon.
-
-Edelhart drukte een langen en teederen kus op haar voorhoofd, en haar
-aan Nô Eusébio overgevende, die eenige minuten te voren ook was
-aangekomen, zeide hij op doffen toon:
-
-»Ga! arme moeder; moogt gij gelukkig zijn, zoo het geluk voor u nog
-bestaan kan, zonder uw kind.”
-
-De oude dienaar zuchtte, drukte met warmte de hand van Edelhart, en
-zijne meesteres voor zich op den zadel plaatsende, wendde hij den
-teugel en verliet langzaam het kamp, zonder dat iemand zich daartegen
-verzette.
-
-Edelhart volgde zijne moeder met het oog, zoolang hij kon; vervolgens,
-toen zij verdwenen was, en de hoefslag van het paard niet meer gehoord
-werd, slaakte hij een doffen kreet, en streek zich met de hand over het
-voorhoofd, terwijl hij prevelde:
-
-»Alles is gedaan! o God, waak over haar!”
-
-Toen zich tot de Indiaansche hoofden keerende, die hem stilzwijgend met
-eerbied en bewondering aanstaarden, zeide hij met een krachtige stem en
-vlammenden blik:
-
-»Comanchen, gij zijt allen lafaards! mannen, die een hart bezitten,
-martelen geen vrouw!”
-
-De Arendskop glimlachte.
-
-»Wij zullen zien,” zeide hij spottend, »of de bleeke jager zoo dapper
-is, als hij voorgeeft.”
-
-»Ik zal ten minste als een man weten te sterven!” antwoordde hij
-trotsch.
-
-»De moeder van den jager is vrij.”
-
-»Ja. Welnu, wat wilt gij van mij?”
-
-»Een gevangene heeft geen wapenen.”
-
-»Dat is billijk,” zeide hij met een verachtelijken lach; »ik zal u de
-mijne geven!”
-
-»Nog niet, als het u belieft, beste vriend,” riep eensklaps een
-spottende stem.
-
-Goedsmoeds kwam te voorschijn.
-
-De jager had voor zich op den zadelboog een kind van vier of vijf jaar,
-en een jonge, vrij schoone, Indiaansche vrouw, was stevig aan den
-staart van zijn paard vastgebonden.
-
-»Mijn kind, mijne vrouw!” riep de Arendskop eensklaps verschrikt uit.
-
-»Ja,” hernam de jager spottend, »uw vrouw en uw kind, die ik
-krijgsgevangen gemaakt heb; ha, ha, dat is een fraaie trek van mij, is
-het niet?”
-
-Met één sprong, op een wenk van zijn vriend, had Edelhart zich van de
-vrouw meester gemaakt, die van angst klappertandde, en bevreesde
-blikken om zich heen wierp.
-
-»Nu,” hernam Goedsmoeds met een onheilspellenden glimlach, »laat ons nu
-eens praten; ik geloof dat ik de kansen gelijk gemaakt heb, hé?”
-
-En hij zette den mond van zijn pistool op het voorhoofd van het
-schuldelooze schepsel, dat op het voelen van het koude ijzer, akelig
-begon te gillen.
-
-»O!” riep de Arendskop wanhopig, »mijn zoon! geef mij mijn zoon terug!”
-
-»En uwe vrouw, vergeet gij die?” antwoordde Goedsmoeds, spottend de
-schouders ophalende.
-
-»Welke zijn uwe voorwaarden?” vroeg Edelhart.
-
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-OUAKTEHNO.—HIJ DIE DOODT.
-
-
-I.
-
-EDELHART.
-
-
-De verhouding was geheel omgekeerd. De jagers, die een oogenblik te
-voren aan de genade der Indianen waren prijs gegeven, waren niet alleen
-vrij, maar bevonden zich in zulk een toestand, dat zij strenge
-voorwaarden konden stellen. Verscheidene geweren hadden zich naar den
-Canadees gericht, verscheidene pijlen waren op hem aangelegd; maar op
-een wenk van den Arendskop werden de geweren afgewend, en de pijlen in
-de kokers geborgen. De smaad van door twee mannen voor den gek gehouden
-te worden, die hen stoutmoedig in het midden van hun kamp braveerden,
-deed den toorn der Comanchen opwellen. Zij erkenden de onmogelijkheid
-van eene worsteling met hunne dappere tegenstanders. En inderdaad, wat
-vermochten zij tegen die onverschrokken woudloopers, die hun leven voor
-niets achtten? Hen dooden? Maar zoo zij vielen, zouden zij onmeedoogend
-de gevangenen vermoorden, die men wilde redden. Het gevoel, dat bij de
-Roodhuiden het sterkst ontwikkeld is, is de liefde voor het huisgezin.
-Waar het zijne kinderen of zijne vrouw geldt, zal de bloeddorstigste
-krijgsman niet aarzelen zich aan voorwaarden te onderwerpen, waartoe
-anders de afschuwelijkste martelingen hem niet zouden kunnen dwingen.
-Toen dan ook de Arendskop zijne vrouw en zijn zoon in de macht van
-Goedsmoeds zag, dacht hij aan niets meer dan aan hun behoud.
-
-Van alle menschen zijn de Indianen misschien diegenen, die het
-gemakkelijkst zich naar eene onvoorziene omstandigheid weten te
-schikken.
-
-Het hoofd der Comanchen begroef den haat en den toorn, die hem
-verteerden, in het diepst van zijn hart. Met een edele en ongedwongene
-beweging wierp hij het kleed, dat hem tot mantel strekte, naar
-achteren, en met een kalm gelaat en een glimlach op de lippen, naderde
-hij de jagers.
-
-»Mijne bleeke broeders,” zeide het opperhoofd, »zijn vol wijsheid,
-hoewel hunne haren nog zwart zijn; zij kennen al de listen die de
-groote krijgslieden onderscheiden; zij hebben de slimheid van den bever
-en den moed van den leeuw.”
-
-De beide mannen bogen stilzwijgend.
-
-De Arendskop ging voort.
-
-»Nademaal mijn broeder Edelhart, zich in het kamp van de Comanchen der
-groote meren bevindt, zoo is eindelijk het uur gekomen dat de wolken
-verdrijft, die tusschen hem en de Roodhuiden zijn opgerezen. Edelhart
-is rechtvaardig; hij verklare zich zonder vrees; hij staat voor
-vermaarde opperhoofden, die niet zullen aarzelen het ongelijk te
-bekennen, dat zij hem hebben aangedaan.”
-
-»O, zoo!” antwoordde de Canadees; »de Arendskop is wel spoedig van
-gevoelen omtrent ons veranderd; meent hij ons met ijdele woorden te
-kunnen misleiden?”
-
-Het oog van den Indiaan schoot bliksemstralen; maar met de uiterste
-krachtsinspanning gelukte het hem zich in te houden.
-
-Eensklaps plaatste zich een man vlak tusschen de beide sprekers in. Die
-man was Eshis, de eerwaardigste krijgsman van den stam.
-
-De grijsaard verhief langzaam zijn arm.
-
-»Dat mijne kinderen luisteren,” zeide hij; »alles moet heden worden
-opgelost; de bleeke jagers zullen in den raad de calumet rooken.”
-
-»Het geschiede alzoo,” zeide Edelhart.
-
-Op een teeken van de Zon, schaarden de voornaamste hoofden van den stam
-zich om hem heen.
-
-Goedsmoeds was niet van houding veranderd, hij hield zich gereed, om
-bij het minste verdachte teeken zijne gevangenen op te offeren.
-
-Toen de pijp de ronde gedaan had in den kring, die zich om de jagers
-gevormd had, maakte de oude hoofdman een buiging voor de blanken, en
-sprak hen aldus aan.
-
-»Krijgslieden, ik dank den Meester des levens daarvoor dat hij ons
-Roodhuiden lief heeft, en dat hij ons heden deze mannen zendt, om hun
-hart voor ons te openen. Schept moed, jonge lieden, laat geen zorg u
-drukken, en jaagt den boozen geest verre van u. Wij hebben u lief,
-Edelhart, wij hebben van uwe goedheid voor de Indianen hooren spreken.
-Wij weten dat uw hart open is, en dat uwe aderen helder zijn als de
-zon. Het is waar, dat wij, Indianen, ons verstand niet gebruiken, als
-het vuur der geestdrift ons bezielt, en dat wij u in verschillende
-omstandigheden hebben mishaagd. Maar wij hopen, dat gij er niet meer
-aan denken zult, en dat, zoolang gij en wij in de prairiën zullen
-wonen, wij aan elkanders zijde zullen jagen, gelijk het aan
-krijgslieden, die elkander lief hebben en eerbiedigen, betaamt.” [3]
-Edelhart antwoordde:
-
-»Gij, hoofden en leden van de natie der Comanchen van de groote meren,
-wier oogen geopend zijn, ik hoop dat gij een luisterend oor verleenen
-zult aan de woorden van mijnen mond. De Meester des levens heeft mijn
-verstand geopend en woorden van vriendschap in mijne borst geblazen.
-Mijn hart vloeit over van welwillende gevoelens voor u, voor uwe
-vrouwen, voor uwe kinderen, en wat ik in dit oogenblik tot u zeg, komt
-voort uit het hart van mijn vriend en van mij: nooit is in de prairie
-mijne hatto gesloten geweest voor de jagers van uwe natie. Waarom doet
-gij dan mij den oorlog aan? Waarom dan martelt gij mijne moeder, die
-eene oude vrouw is? Waarom tracht gij mij van het leven te berooven? Ik
-heb er een afkeer van, om het bloed der Indianen te vergieten; want ik
-herhaal het u, ondanks al het kwaad, dat gij mij gedaan hebt, is mijn
-hart u toegenegen.”
-
-»Ooah!” viel de Arendskop hem in de rede, »mijn broeder spreekt goed;
-maar de wond, die hij mij toegebracht heeft, is nog niet geheeld.”
-
-»Mijn broeder is dwaas,” antwoordde de jager; »houdt hij mij dan voor
-zulk een sukkel, dat ik hem niet zou hebben gedood, indien zulks mijn
-voornemen ware geweest. Ik ga u bewijzen, waartoe ik in staat ben, en
-hoe ik den moed van een krijgsman begrijp. Op een teeken van mij zullen
-deze vrouw en dat kind hebben opgehouden te leven.”
-
-»Ja,” zeide Goedsmoeds.
-
-Een rilling liep door de rijen der vergadering. De Arendskop voelde,
-dat een koud zweet zijne slapen overdekte.
-
-Edelhart bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, op de Indianen een
-blik slaande, dien het onmogelijk is te beschrijven; vervolgens met
-verachting de schouders ophalende, wierp hij zijne wapenen voor zijne
-voeten en de armen kruiselings over de borst slaande, wendde hij zich
-naar den Canadees.
-
-»Goedsmoeds,” zeide hij, kalm en met nadruk, »geef aan die arme
-schepsels de vrijheid terug.”
-
-»Waaraan denkt gij?” riep de jager verschrikt uit; »het zou uw
-doodvonnis zijn.”
-
-»Dat weet ik.”
-
-»Welnu?”
-
-»Ik smeek er u om.”
-
-De Canadees antwoordde niet; hij begon tusschen zijne tanden te
-fluiten, en zijn mes te voorschijn halende, sneed hij de banden door,
-die de gevangenen vasthielden. Deze sprongen als jaguars weg, en gingen
-brullend van vreugde zich achter hunne vrienden verschuilen. Goedsmoeds
-borg zijn mes in den gordel, wierp zijne wapenen weg, klom van zijn
-paard af en plaatste zich vastberaden naast Edelhart.
-
-»Wat doet gij toch?” riep deze, »red u, mijn vriend.”
-
-»Mij redden, waarom?” antwoordde de Canadees onbezorgd; »bij God! neen,
-wij moeten toch allen eens sterven; ik doe het even gaarne nu als
-later; ik zal misschien nooit weder zulk eene goede gelegenheid
-vinden.”
-
-De twee mannen drukten elkander krachtig de hand.
-
-»Nu, opperhoofden,” zeide Edelhart op kalmen toon, »nu zijn wij in uwe
-macht! doet met ons wat u zal goed dunken.”
-
-De Comanchen zagen elkander een oogenblik met verbazing aan; de
-stoïcijnsche zelfverloochening dezer twee mannen, die door de
-stoutmoedige daad van een hunner, niet alleen hadden kunnen ontsnappen,
-maar hun tevens de wet hadden kunnen voorschrijven, en die, in plaats
-van gebruik te maken van dit onbeperkte voordeel, hunne wapenen
-wegwierpen en zich ter hunner beschikking stelden, scheen hun toe alle
-voorbeelden van heldenmoed te overtreffen, waarvan hunne natie de
-herinnering bewaarde.
-
-Er volgde een vrij lang stilzwijgen, gedurende hetwelk men het hart
-dier ijzeren mannen in hunne borst had kunnen hooren kloppen.
-
-Eindelijk wierp de Arendskop, na eenige seconden geaarzeld te hebben,
-zijne wapenen weg, en den jagers naderende, zeide hij met een bewogen
-stem, die sterk afstak bij het kalm en onverschillig uiterlijk, dat hij
-vruchteloos poogde te bewaren:
-
-»Het is waar, krijgslieden der bleekgezichten, dat gij een groot
-verstand hebt, dat het de woorden verzacht, die gij tot ons richt, en
-dat wij allen u verstaan; wij weten ook dat de waarheid uwe lippen
-opent, het kan niet anders of wij Indianen, die niet het verstand der
-blanken hebben, moeten dikwijls, zonder het te willen, verkeerde daden
-doen, maar wij hopen, dat Edelhart de huid van zijn hart zal wegnemen,
-opdat het open zij als het onze, en dat tusschen ons de bijl zal
-begraven worden, zoo diep, dat de zonen van de zonen onzer kleinzonen,
-in duizend manen en honderd bovendien, haar niet zullen wedervinden.”
-
-En de beide handen op de schouders van den jager leggende, kuste hij
-hem op de oogen, er bijvoegende:
-
-»Edelhart, wees mijn broeder!”
-
-»Het zij zoo,” zeide de jager, verheugd over deze ontknooping;
-»voortaan zal ik voor de Comanchen evenveel vriendschap koesteren, als
-tot nu toe wantrouwen.”
-
-De Indiaansche hoofden verdrongen zich om hunne nieuwe vrienden, en
-overlaadden hen met teekenen van genegenheid en hoogachting.
-
-De beide jagers waren sedert lang met den stam van den Slang bekend,
-hun naam was dikwijls gedurende den nacht, rondom het vuur van het
-kamp, genoemd geworden, het verhaal hunner heldendaden had de
-jongelieden, aan wie de oude soldaten ze vertelden, met bewondering
-vervuld.
-
-De verzoening van Edelhart met den Arendskop was oprecht; er bleef
-tusschen hen niet het minste spoor van den ouden haat meer over. De
-heldenmoed van den blanken jager had den wrok van den Roodhuid
-overwonnen.
-
-De beide mannen zaten vreedzaam aan den ingang eener hut te praten,
-toen er op eens een groote schreeuw gehoord werd, en een Indiaan met
-van schrik verbleekte trekken, zich in het kamp wierp. Allen drongen
-zich om dien man heen, om te hooren wat hij te zeggen had, maar zoodra
-de Indiaan den Arendskop zag, wendde hij zich tot dezen.
-
-»Wat gebeurt er?” vroeg het opperhoofd.
-
-De Indiaan wierp een woesten blik op Edelhart en Goedsmoeds, die
-evenmin als de anderen de oorzaak van dien schrik gissen konden.
-
-»Pas op, dat die bleekmuilen niet ontsnappen, wij zijn verraden!” zeide
-hij hijgend.
-
-»Dat mijn broeder zich duidelijker uitdrukke!” beval de Arendskop.
-
-»Al de blanke pelsjagers, de Lange messen van het Westen zijn
-vereenigd; zij vormen eene krijgsbende van omstreeks honderd man; zij
-zijn in aantocht en wel op zulk eene wijze, dat zij op eens het kamp
-van alle kanten kunnen omsingelen.”
-
-»Zijt gij er zeker van, dat die jagers als vijanden komen?” vroeg het
-opperhoofd.
-
-»Hoe kan het anders zijn?” antwoordde de Indiaan; »zij kruipen als
-slangen door het hooge gras, met het geweer naar voren en het
-scalpeermes tusschen de tanden. Hoofdman, wij zijn verraden, die twee
-mannen zijn in ons midden gezonden, om onze waakzaamheid te
-verschalken.”
-
-De Arendskop en Edelhart wisselden een glimlach, die voor allen,
-behalve voor hen zelven een raadsel was.
-
-Het opperhoofd wendde zich tot den Indiaan.
-
-»Gij hebt den aanvoerder der jagers gezien, niet waar?”
-
-»Ja, ik heb hem gezien.”
-
-»En het is Amick—de Zwarte Eland—de bewaker van de vallen van
-Edelhart.”
-
-»Wie zou het anders kunnen zijn?”
-
-»Goed, verwijder u,” zeide de krijgsman, den bode met een wenk
-wegzendende; vervolgens richtte hij zich tot den jager.
-
-»Wat moet er gedaan worden?” vroeg hij.
-
-»Niets,” antwoordde Edelhart; »dit is eene zaak, die mij aangaat, ik
-verzoek dus dat mijn broeder mij alleen late handelen.”
-
-»Mijn broeder is hier meester.”
-
-»Ik ga de jagers verkennen; dat de Arendskop tot aan mijne terugkomst
-zijne jonge lieden in het kamp terughoude.”
-
-»Het zal geschieden,”
-
-Edelhart wierp zijn geweer over zijn schouder, gaf Goedsmoeds de hand,
-lachte den hoofdman vriendelijk toe, en wendde zich naar het bosch met
-dien kalmen en bedaarden tred, die hem eigen was.
-
-Hij verdween weldra te midden van het geboomte.
-
-»Hm!” zeide Goedsmoeds, terwijl hij zijn Indiaansche pijp aanstak, tot
-den Arendskop; »gij ziet, hoofdman, dat het in deze wereld niet altijd
-eene verkeerde rekening geeft, als men zich door zijn hart laat
-leiden.”
-
-En meer dan voldaan over deze wijsgeerige ontboezeming, die hem voor de
-plechtigheid van het oogenblik bijzonder geschikt toescheen, wikkelde
-de Canadees zich in een dikke wolk van rook.
-
-Op bevel van den hoofdman werden al de verkenners, die op de grenzen
-van het kamp verspreid waren, teruggeroepen.
-
-De Indianen wachtten angstig den uitslag van Edelharts onderneming af.
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-DE ROOVERS.
-
-
-Het was avond. Even ver van het kamp der Mexicanen als van dat der
-Comanchen verwijderd, zaten in een hollen weg, tusschen twee hooge
-heuvels verborgen, een veertigtal mannen om verscheidene vuren
-vereenigd, zoodanig geplaatst, dat het schijnsel der vlammen hunne
-tegenwoordigheid niet kon verraden. Deze zonderlinge vereeniging van
-gelukzoekers met sombere gelaatstrekken, woeste blikken, slordige en
-grillige kostumen, bood een schouwspel aan, de teekenstift van Callot
-of het penseel van een Salvator Rosa waardig.
-
-Deze mannen, een vreemdsoortig samenstel van alle volkssoorten, die de
-aarde bewonen, van den Rus af tot aan den Chinees toe, vormden de meest
-volledige verzameling van schurken, die men zich maar kan voorstellen;
-vrijbuiters zonder eer, zonder wet, zonder haardstede, zonder woning,
-het uitvaagsel der beschaafde wereld, genoodzaakt tegen deze eene
-schuilplaats te zoeken in het hart der prairiën van het Westen, vormden
-zij zelfs daar in de wildernis een afzonderlijke bende, nu eens in
-oorlog met de jagers, dan weder met de Indianen, beiden in wreedheid en
-schelmerij overtreffende. Deze mannen in één woord, waren, wat men
-gewoon is de Roovers der Prairiën te noemen.
-
-Die naam komt hun in alle opzichten toe; want evenals hunne broeders op
-den Oceaan, voeren zij alle vlaggen of liever treden ze allen met
-voeten, belagen zij alle reizigers, die het wagen alleen de prairiën te
-doorkruisen, vallen zij alle karavanen aan om die te plunderen, en als
-iedere andere buit hun ontsnapt, verschuilen zij zich verraderlijk in
-het hooge gras, om van daar de Indianen te bespieden en te vermoorden,
-en alzoo de premie te verdienen, die het vaderlijk bestuur der
-Vereenigde Staten gesteld heeft op het hoofdhaar van iederen inlander,
-evenals men in Frankrijk den kop van een wolf betaalt.
-
-Deze bende werd aangevoerd door den kapitein Ouaktehno, dien wij reeds
-vroeger ten tooneele hebben gevoerd.
-
-Er heerschte onder deze bandieten een spanning, die het voorteeken was
-van eene geheimzinnige onderneming. Eenigen maakten hunne wapenen
-schoon of laadden die, anderen kleedden zich, anderen wederom rookten
-en dronken mezcal, nog anderen sliepen in hunne gescheurde mantels
-gewikkeld. De paarden, geheel gezadeld, waren aan palen vastgemaakt.
-
-Op geregelde afstanden stonden wachten, zwijgend en onbewegelijk als
-standbeelden van metaal op hunne lange karabijnen te leunen, wakende
-voor het algemeene welzijn. Het wegstervend schijnsel der vuren wierp
-nu en dan op dit tooneel een roodachtigen gloed, die aan de roovers een
-nog woester voorkomen gaf.
-
-De kapitein scheen aan eene angstige bezorgdheid ten prooi te zijn, hij
-liep met groote stappen te midden van zijne onderhoorigen heen en weder
-nu eens stampende van toorn, dan weder stilstaande om naar de
-onbestemde geluiden der prairie te luisteren.
-
-De nacht werd hoe langer hoe donkerder, de maan was ondergegaan, de
-wind huilde dof in de duisternis, de roovers waren ten laatste allen in
-slaap gevallen. De kapitein alleen waakte nog.
-
-Eensklaps meende hij in de verte het knallen van een geweerschot te
-hooren, toen een tweede, en daarna werd alles wederom stil.
-
-»Wat beteekent dat?” mompelde de kapitein woedend, »hebben die gekken
-zich laten overvallen?”
-
-Terstond zich zorgvuldig in zijnen mantel wikkelende, wendde hij zich
-met groote schreden naar dien kant, van waar het geluid vernomen was.
-
-’t Was erg donker, en ondanks zijne plaatskennis ging de kapitein
-slechts met moeite voort tusschen de wortels en takken, die bij elke
-schrede hem den weg versperden. Meermalen was hij genoodzaakt stil te
-staan en naar den weg te zoeken, dien hij gedurig kwijt was, door de
-omwegen, waartoe de rotsblokken en kreupelboschjes, die hij tegenkwam
-hem noodzaakten.
-
-Gedurende een dergelijk oponthoud, meende hij niet ver van zich af
-eenig gedruisch in de bladeren en takken te hooren, niet ongelijk aan
-dat, hetwelk veroorzaakt wordt door het harde loopen van een dier of
-van een mensch in het kreupelhout.
-
-De kapitein verborg zich achter den stam van een reusachtigen
-mahonieboom, greep zijne pistolen om op alles bereid te zijn, en
-luisterde met vooruitgestoken hoofd.
-
-Alles om hem heen was stil: het was dat geheimzinnige uur van den
-nacht, waarin de natuur schijnt te slapen, en waarin al die naamlooze
-geluiden der wildernis zwijgen, om, zooals de Indianen zeggen, alleen
-de stilte te laten hooren.
-
-»Ik heb mij vergist,” prevelde de roover, en hij maakte eene beweging
-om op zijne schreden terug te keeren. Nu liet zich hetzelfde gedruisch
-op nieuw hooren, maar duidelijker en dichterbij dan even te voren, en
-onmiddellijk gevolgd door een ingehouden kermen.
-
-»Bij God!” zeide de kapitein, »dat begint interessant te worden, daar
-moet ik het mijne van hebben.”
-
-Na een snellen loop van eenige minuten; zag hij niet ver van zich af de
-schaduw van een man in het donker voortglijden. Deze persoon, wie het
-ook zijn mocht, scheen zich met moeite voort te slepen, hij waggelde
-bij iedere schrede, en stond nu en dan stil, als om zijne krachten te
-herstellen. Soms liet hij een onderdrukte klacht hooren. De kapitein
-sprong naar hem toe, om hem den doorgang te versperren. Zoodra de
-onbekende hem bemerkte, slaakte hij een kreet van schrik, viel op de
-knieën, en mompelde met eene van angst sidderende stem:
-
-»Genade, genade! dood mij niet!”
-
-»Hoe!” riep de verbaasde kapitein, »het is de Babbelaar! Wie duivel
-heeft hem zoo toegetakeld?”
-
-Hij bukte om hem van nabij te bezien.
-
-Het was inderdaad de gids.
-
-Hij was in zwijm gevallen.
-
-»De pest hale dien stommeling!” mompelde de kapitein spijtig, »hoe kan
-ik hem nu uithooren?”
-
-Maar de roover was een man; die zich te redden wist, hij stak zijne
-pistolen in zijn gordel, nam den gekwetste op en legde hem over zijne
-schouders.
-
-Met dezen last beladen, die hem geenszins in het loopen hinderde,
-keerde hij met groote schreden langs denzelfden weg, dien hij gekomen
-was, naar het kamp terug.
-
-Hij legde den gids bij een half uitgedoofd vuur, en wierp daarin eenige
-takkenbossen, om het te laten opflikkeren. Weldra stelde een heldere
-vlam hem in staat, om den man te onderzoeken, die bewusteloos aan zijne
-voeten nederlag.
-
-De gelaatstrekken van den Babbelaar waren loodkleurig, een koud zweet
-parelde langs zijne slapen, en het bloed liep bij stroomen uit een
-diepe wond in zijne borst.
-
-»Cascaras!” prevelde de kapitein, »de arme duivel heeft wel zijn deel
-gekregen; als hij mij voor zijn dood nog maar zeggen kan, wie hem in
-dien toestand hebben gebracht, en wat er van Kennedy is geworden!”
-
-Evenals alle woudloopers had de kapitein eene practische kennis van de
-geneeskunde, en was hij geenszins verlegen met de behandeling van een
-dergelijke wond.
-
-Ten gevolge van de zorg door hem aan den gids ten koste gelegd, kwam
-deze spoedig bij. Hij slaakte een diepen zucht, sloeg flauw de oogen
-op, en bleef een tijdlang liggen zonder te kunnen spreken; maar na
-eenige vruchtelooze pogingen, bijgestaan door den kapitein, kwam hij
-zoover, dat hij zich halverwege kon oprichten, en terwijl hij herhaalde
-malen het hoofd schudde, zeide hij op wanhopigen toon, en met eene
-telkens afgebrokene stem:
-
-»Alles is verloren, kapitein! Wij hebben onzen slag gemist.”
-
-»Duizend donders!....” riep de roover woedend stampvoetende, »hoe heeft
-zich dat toegedragen?”
-
-»Dat meisje is een duivel!” hernam de gids, wiens fluitende ademhaling
-en gedurig zwakker wordende stem duidelijk genoeg bewezen, dat hij niet
-lang meer leven zou.
-
-»Zoo gij kunt,” zeide de kapitein, die van den uitroep van den
-gekwetste niets begrepen had, »zeg mij dan, hoe de zaken zich hebben
-toegedragen, en wie uw moordenaar is, opdat ik u wreke!”
-
-Een akelige lach plooide de paarsche lippen van den gids.
-
-»Wie mijn moordenaar is?” herhaalde hij spottend.
-
-»Ja.”
-
-»Doña Luz.”
-
-»Doña Luz!” riep de kapitein, verrast opspringende; »dat is
-onmogelijk!”
-
-»Luister,” hernam de gids, »mijne oogenblikken zijn geteld; weldra zal
-ik niet meer leven. Een man in mijn toestand liegt niet. Laat mij
-spreken, en val mij niet in de rede; ik weet niet of ik den tijd zal
-hebben om u alles te zeggen, alvorens ik rekenschap ga afleggen aan
-Hem, die alles weet.”
-
-»Spreek!” zeide de kapitein.
-
-En daar de stem van den gekwetste hoe langer hoe zwakker werd, knielde
-hij naast hem neder, om geen enkel woord te verliezen.
-
-De gids sloot de oogen, haalde even adem, en zeide toen met inspanning
-van al zijne krachten:
-
-»Geef mij wat brandewijn!”
-
-»Zijt gij gek, brandewijn zou u dooden.”
-
-De gewonde schudde het hoofd.
-
-»Het zal mij de noodige kracht geven, om u alles te doen verstaan, wat
-ik u te zeggen heb. Ben ik niet reeds half dood?”
-
-»Dat is waar!” prevelde de kapitein.
-
-»Aarzel dan niet,” hernam de ander; »de tijd dringt ons, ik heb u
-belangrijke zaken mede te deelen.”
-
-»Het zij zoo!” mompelde de roover, en bracht de flesch aan de lippen
-van den gids.
-
-Deze dronk gulzig en vrij lang; een koortsachtige gloed kleurde zijne
-wangen, zijne brekende oogen verhelderden zich, en begonnen levendig te
-schitteren.
-
-»Nu,” zeide hij met een krachtige en vrij harde stem, »moet gij mij
-niet in de rede vallen; zoodra gij ziet, dat mijne krachten afnemen,
-laat mij dan drinken; misschien zal ik nog den tijd vinden om u alles
-te verhalen.”
-
-De kapitein gaf hem een teeken van goedkeuring, en de Babbelaar begon
-zijn verhaal.
-
-Het duurde vrij lang, ten gevolge van de uitputting, waarin hij gedurig
-verviel; toen hij geëindigd had, voegde hij er bij:
-
-»Gij ziet het, die vrouw, gelijk ik u zeide, is een duivel, zij heeft
-Kennedy en mij gedood; zie van haar af, kapitein, het is geen
-gemakkelijk wild om te jagen, gij zult haar nooit meester worden.”
-
-»Hoe!” zeide de kapitein, de wenkbrauwen fronsende, »meent gij dat ik
-zoo licht mijne plannen laat varen?”
-
-»Goed succès dan!” prevelde de gids; »wat mij betreft, ik heb
-afgehandeld, mijne rekening is gemaakt.... Vaarwel, kapitein,” voegde
-hij er met een vreemden lach bij, »ik ga naar den duivel, daar zullen
-wij elkander wederzien!....”
-
-Hij viel omver.
-
-De kapitein wilde hem oplichten, maar hij was dood.
-
-»Goede reis!” prevelde hij koelbloedig.
-
-Hij nam het lijk op zijne schouders, bracht het in een boschje, maakte
-daar een kuil, en legde het er in; dit gedaan hebbende, ging hij naar
-het vuur in het kamp terug, wikkelde zich in zijn mantel, strekte zich
-op den grond uit, met de voeten naar het vuur gekeerd, en legde zich te
-slapen met de woorden:
-
-»Binnen eenige uren zal het dag zijn; dan zullen wij zien, wat er te
-doen is.”
-
-De bandieten sliepen niet lang; met zonsopgang was in het kamp der
-roovers alles in beweging. Allen maakten zich gereed om op weg te gaan.
-
-De kapitein, wel verre van zijn plan te laten varen, had integendeel
-besloten de uitvoering er van terstond en met geweld door te zetten,
-ten einde den Mexicanen geen tijd te laten om onder de blanke
-pelsjagers der prairiën eene hulp te vinden, die den gelukkigen uitslag
-onmogelijk zou hebben gemaakt.
-
-Zoodra het duidelijk was, dat de bevelen, die hij gegeven had, goed
-begrepen waren, gaf de kapitein het teeken van vertrek. De bende brak
-op en begon op zijn Indiaansch te marcheeren, dat is te zeggen, met den
-rug naar de plaats waar zij heen trok.
-
-Vervolgens, toen zij op eene plek gekomen waren, die hun de gewenschte
-veiligheid scheen te bieden, stegen de roovers van hunne paarden, gaven
-deze aan eenige sterke kerels over; en zich nu als een hoop adders op
-den grond uitstrekkende, of ook wel van den eenen tak op den anderen en
-van den eenen boom op den anderen overspringende, begaven zij zich met
-alle noodige voorzorgen, in de richting van het Mexicaansche kamp.
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-DE ZELFOPOFFERING.
-
-
-Zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, had de doctor met een boodschap
-van doña Luz aan den Zwarten Eland belast, het kamp der Mexicanen
-verlaten.
-
-Gelijk vele geleerden was hij van nature zeer afgetrokken, ofschoon met
-de beste bedoelingen van de wereld.
-
-Gedurende de eerste oogenblikken spande hij al zijne denkkracht in om
-de beteekenis te raden der in zijn oog zoo geheimzinnige woorden, die
-hij voor den pelsjager moest uitspreken.
-
-Hij begreep niet welke hulp zijne vrienden verwachten konden van een
-halven wilde, die eenzaam in de prairie leefde en met jagen in zijn
-onderhoud voorzag. Zoo hij de zending dan ook terstond had aangenomen,
-was het alleen omdat hij zich zoo innig aan de nicht van den generaal
-gehecht gevoelde, want eenigen goeden uitslag verwachtte hij er niet
-van. In de overtuiging, dat zijne zending geheel nutteloos was, reed
-hij niet, gelijk hij had moeten doen, regelrecht en op een draf naar de
-toldo van den Zwarten Eland; maar hij steeg af, nam zijn paard bij den
-toom en ging aan het zoeken van planten, eene bezigheid waarin hij zich
-weldra geheel verdiepte, zoodat hij de aanbeveling van doña Luz en de
-reden, waarom hij het kamp verlaten had, volkomen vergat.
-
-De tijd stond echter niet stil, de dag was reeds half verstreken; de
-doctor, die reeds lang terug had moeten zijn, was nog niet verschenen.
-
-Een groote angst heerschte in het kamp der Mexicanen. De generaal en de
-kapitein hadden alles geregeld om het tegen een aanval te kunnen
-verdedigen. Er daagde niets op. In den omtrek bleef alles bedaard; de
-Mexicanen geloofden bijna, dat zij door een valsch alarm waren
-verschrikt.
-
-Doña Luz alleen voelde hare ongerustheid met ieder oogenblik toenemen;
-met de oogen naar de vlakte gericht, zag zij vergeefs uit naar den
-kant, van waar haar boodschapper moest terugkomen. Eensklaps scheen
-het, dat het hooge gras der prairie een golvende beweging aannam,
-waarvan de oorzaak onzichtbaar was. De lucht werd door geen enkel
-koeltje bewogen, het was drukkend warm; de bladeren, door de
-zonnestralen verbrand, waren onbewegelijk; het hooge gras alleen ging
-voort langzaam en geheimzinnig te wuiven. En, wat vooral vreemd was,
-deze bijna onmerkbare beweging, die slechts een geoefend oog kon
-waarnemen was niet algemeen; integendeel, zij was voortgaande en
-naderde het kamp met eene regelmatigheid, die eene door overleg
-bestuurde beweegkracht deed vermoeden; naarmate toch de beweging zich
-aan de meer nabijzijnde halmen mededeelde, vervielen de achtersten
-weder in een volkomen rust, die verder door niets werd afgebroken.
-
-De wachten, die op de wallen stonden, wisten niet waaraan zij deze
-onbegrijpelijke beweging moesten toeschrijven. De generaal, als een
-gehard soldaat, besloot de zaak te onderzoeken; hoewel hij nooit
-persoonlijk met de Indianen in aanraking was geweest, had hij toch te
-veel van hunne manier van vechten gehoord, om hier niet eenige
-achterdocht te koesteren. Het kamp, dat al zijne verdedigers noodig
-had, niet van manschappen willende berooven, besloot hij om zelf het
-avontuur te wagen, en op verkenning uit te gaan.
-
-Toen hij zich gereed maakte om over de wallen heen te klouteren, hield
-de kapitein hem staande, en legde hem eerbiedig den arm op den
-schouder.
-
-»Wat wilt gij van mij, mijn vriend?” vroeg de generaal, zich
-omkeerende.
-
-»Ik zou, met uw verlof, wel een vraag tot u willen richten, generaal,”
-antwoordde de jongeling.
-
-»Doe zoo.”
-
-»Gij verlaat het kamp, niet waar?”
-
-»Ja.”
-
-»Zeker om op verkenning uit te gaan?”
-
-»Om op verkenning uit te gaan, ja.”
-
-»Dan, generaal, ben ik het aan wien de eer van die taak toekomt.”
-
-»Waarom?” zeide de generaal verbaasd.
-
-»Hemel, generaal, dat is zeer eenvoudig; ik ben maar een arme duivel,
-een subaltern officier, die alles aan u verplicht ben.”
-
-»Verder?”
-
-»Het gevaar waaraan ik mij zal blootstellen zoo er gevaar is, zal niets
-afdoen tot den goeden uitslag der onderneming; terwijl indien....”
-
-»Terwijl indien...?”
-
-»Indien gij gedood wordt?”
-
-De generaal maakte een afwijzende beweging.
-
-»Ja, men moet alles voorzien,” vervolgde de kapitein, »als men zulke
-tegenstanders heeft.”
-
-»Dat is waar; maar dan nog?”
-
-»Wel, onze tocht zal mislukt zijn, en geen onzer zal de beschaafde
-wereld wederzien. Gij zijt het hoofd, wij anderen, wij zijn slechts
-ledematen; blijf dus in het kamp.”
-
-De generaal dacht eenige oogenblikken na; vervolgens de hand van den
-jongeling met hartelijkheid drukkende, zeide hij:
-
-»Ik ben u zeer verplicht, maar ik moet met eigen oogen zien wat men
-tegen ons beraamt. De zaak is te ernstig dan dat ik mij op u mag
-verlaten.”
-
-»Neen, gij moet blijven, generaal,” drong de kapitein bij hem aan; »is
-het niet voor ons, laat het dan ten minste voor uwe nicht zijn, voor
-dat onschuldige brooze schepseltje, dat zoo u iets overkwam, alleen zou
-staan, alleen te midden van woeste volksstammen, zonder steun en zonder
-beschermer; wat is het leven voor mij, armen jongen, zonder familie,
-die alles aan uwe goedheid te danken heb? Het uur is nu gekomen, waarin
-ik u mijne dankbaarheid toonen kan, laat mij mijne schuld betalen.”
-
-»Maar,” wilde de generaal zeggen.
-
-»Gij weet het,” vervolgde de jongeling in vervoering, »zoo ik u kon
-vervangen bij doña Luz, ik zou het met genoegen doen, maar ik ben nog
-te jong voor die schoone rol; kom, generaal, laat ik in uwe plaats
-gaan, die eer komt mij toe.”
-
-Half vrijwillig, half gedwongen trad de oude officier terug; de
-kapitein sprong de wallen op, was er met één sprong weder af, en
-verwijderde zich zoo snel mogelijk, na zijnen vriend een laatst vaarwel
-te hebben toegeroepen.
-
-De generaal volgde hem met de oogen, zoolang hij kon; vervolgens wreef
-hij zijn voorhoofd met de hand, en prevelde:
-
-»Een brave jongen, een uitmuntend karakter!”
-
-»Niet waar, oom?” antwoordde doña Luz, die ongemerkt naderbij gekomen
-was.
-
-»Waart gij daar, mijn kind?” zeide hij met een glimlach, dien hij
-vruchteloos vroolijk trachtte te maken.
-
-»Ja, beste oom, ik heb alles gehoord.”
-
-»Goed, lieve,” zeide de generaal met gedwongen bedaardheid, »maar het
-is nu geen tijd, om weekhartig te zijn, ik moet voor uwe veiligheid
-zorgen; blijf niet langer hier, kom met mij mede; hier zou een
-Indiaansche kogel u maar al te gemakkelijk kunnen treffen.” En haar bij
-de hand nemende, bracht hij haar zachtjes tot aan de tent. Toen zij
-binnen was, gaf hij haar een kus op het voorhoofd, beval haar daar te
-blijven, en keerde weder naar de wallen, om nauwkeurig te zien wat er
-in de vlakte gebeurde, tevens den tijd berekenende, die er na het
-vertrek van den doctor verloopen was, en zich verwonderende over diens
-wegblijven.
-
-»Hij zal den Indianen in handen gevallen zijn,” zeide hij, »als zij hem
-maar niet gedood hebben!”
-
-Kapitein Aguilar was een moedig soldaat; gevormd in de gedurige
-oorlogen van Mexico, ging bij hem beleid met moed gepaard. Tot op een
-zekeren afstand van het kamp genaderd, ging hij plat op den buik liggen
-en bereikte al kruipende een rotsblok, dat juist geschikt was, om hem
-tot hinderlaag te dienen. Alles was rustig om hem heen, niets kon hem
-doen vermoeden, dat de vijand in aantocht was; na een geruimen tijd te
-hebben doorgebracht met het terrein te onderzoeken, maakte hij zich
-gereed om naar het kamp terug te keeren, overtuigd dat de generaal zich
-had vergist, en dat er volstrekt geen gevaar bestond, toen er eensklaps
-op tien passen van hem af, een verschrikte asshata, met gespitste ooren
-en naar achtergeworpen kop, opsprong, en met de duidelijke kenteekenen
-der grootste vrees, zoo hard hij kon wegliep.
-
-»Ha, ha!” prevelde de kapitein, »zou er toch werkelijk iets zijn? Wij
-zullen zien.”
-
-En de rots, achter welke hij zich verscholen had, verlatende, deed hij
-voorzichtig eenige schreden voorwaarts, om zich van de gegrondheid van
-zijn vermoeden te overtuigen.
-
-Het gras bewoog zich sterk, en eensklaps stonden er plotseling een
-tiental mannen om hem heen, die hem omsingelden eer hij tijd had, om
-zich in staat van tegenweer te stellen, of de schuilplaats die hij zoo
-roekeloos verlaten had, weder te bereiken.
-
-»In Gods naam,” zeide hij koelbloedig, »nu weet ik ten minste met wie
-ik te doen heb.”
-
-»Geef u over!” riep een der mannen, die hem het dichtst op het lijf
-zat.
-
-»Wel ja,” antwoordde hij spottend, »dat kunt gij denken; alvorens gij
-mij in handen krijgt, zult gij mij eerst van kant dienen te maken.”
-
-»Dan zal men u van kant maken, aardige jonker,” antwoordde de eerste
-spreker brutaal.
-
-»Daar reken ik op,” hernam de kapitein satiriek: »ik zal mij
-verdedigen, dat zal gedruisch maken, mijne vrienden zullen ons hooren,
-dan zal uw aanval mislukt zijn, dat is juist wat ik verlang.”
-
-Deze woorden werden zoo kalm uitgesproken, dat de roovers er over
-begonnen na te denken. Het waren mannen van kapitein Ouaktehno, hij
-zelf was onder hen.
-
-»Ja,” antwoordde de bandietenhoofdman, »uwe bedoeling is goed, maar men
-kan u wel dooden zonder gedruisch te maken, en dan ligt uw plan in
-duigen.”
-
-»Bah! wij zullen zien!” zeide de jongeling.
-
-En eer de roovers het konden verhoeden, deed hij een ontzettenden
-sprong achterwaarts, wierp twee mannen omver, en liep zoo hard hij kon
-in de richting van het kamp.
-
-Zoodra het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, begonnen de
-roovers hem na te zetten. Deze wedloop duurde vrij lang, zonder dat de
-roovers den afstand, die hen van den vluchteling scheidde, merkbaar
-zagen verminderen; want terwijl zij hem vervolgden, trachtten zij
-zooveel mogelijk zich schuil te houden voor Amerikaansche wachten, die
-zij wilden overvallen; en deze poging noodzaakte hen tot omwegen, die
-hun loop natuurlijk vertraagden.
-
-Toen de kapitein zoover gekomen was, dat hij door de zijnen kon
-verstaan worden, wierp hij een blik achter zich. Gebruik makende van
-het oponthoud, dat hij noodig had om adem te scheppen, wonnen de
-bandieten hem een grooten afstand af. De kapitein begreep, dat, als hij
-voortging met vluchten, hij juist het onheil zou uitlokken, dat hij
-wenschte te verhoeden. Oogenblikkelijk had hij zijne partij gekozen,
-hij besloot te sterven als soldaat, en nog in zijn val hun van dienst
-te zijn, voor wie hij zich opofferde. Hij zette zich met den rug tegen
-een boom, plaatste zijn machete onder het bereik van zijne hand, haalde
-zijne pistolen uit zijn gordel, vestigde zijn gelaat op de bandieten,
-die nog slechts een dertigtal passen van hem verwijderd waren, en riep
-met luide stem, ten einde zijn vrienden te waarschuwen:
-
-»Alarm! alarm! de vijand!”
-
-Daarna loste hij met de grootste koelbloedigheid, als schoot hij op den
-prijs, zijne pistolen—waarvan hij er vier met dubbelen loop geladen bij
-zich had; en herhaalde bij elken roover, die viel, zijn geroep:
-
-»Alarm! de vijand! zij omringen ons! weest op uwe hoede, weest op uwe
-hoede!”
-
-De bandieten, wanhopig over deze ruwe wijze van zelfverdediging,
-wierpen zich woedend op hem, alle voorzorgen, die zij tot nu toe
-genomen hadden, vergetende.
-
-Toen ving er een vreeselijke en ongelijke reuzenkamp aan van één man
-tegen twintig à dertig, want voor iederen roover die er viel, kwam er
-een ander in de plaats. De strijd was verschrikkelijk! De jongeling
-offerde zijn leven op, maar hij wilde het zoo duur mogelijk verkoopen.
-
-Zooals wij zeiden, bij ieder schot dat hij loste, bij iederen houw
-zijner machete, stiet hij een kreet van waarschuwing uit, een kreet
-dien de Mexicanen beantwoordden, door van hunnen kant een wel
-onderhouden musketvuur op de roovers te laten spelen, die nu, geheel
-open en bloot, voor niets oogen hadden als voor den man, die met zijn
-edele borst, hun zoo stout den voortgang belette. Eindelijk viel de
-kapitein op ééne knie. De roovers wierpen zich in verwarring op zijn
-lichaam, en de woede, waarmede zij hem trachtten van kant te maken, was
-zoo groot, dat zij elkander wonden toebrachten. Een zoodanig gevecht
-kon niet lang duren. Kapitein Aguilar viel, maar in zijn val sleepte
-hij twaalf roovers mede, die hij had gedood, en die hem als een bloedig
-geleide in het graf volgden.
-
-»Hm!” mompelde kapitein Ouaktehno, hem met bewondering aanziende,
-terwijl hij het bloed zocht te stelpen van een breede wond, die hij in
-de borst ontvangen had, »welk een man! als de anderen op hem gelijken,
-komen wij er nooit heelshuids van daan. Kom,” ging hij voort, zich tot
-zijne makkers richtende, die zijne bevelen afwachtten, »zullen wij ons
-nog langer als duiven laten dood schieten? Valt aan! bij God, valt
-aan!”
-
-De roovers volgden hem, hunne wapens zwaaiende, en begonnen tegen de
-rots op te klimmen, onder het geschreeuw van:
-
-»Valt aan, valt aan!”
-
-De Mexicanen, getuigen van den heldenmoed van kapitein Aguilar, maakten
-zich van hunnen kant gereed hem te wreken.
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-DE DOCTOR.
-
-
-Terwijl deze gebeurtenissen plaats grepen, hield de doctor zich rustig
-met het verzamelen van planten bezig.
-
-De waardige geleerde, verbaasd over de rijke flora, die hij onder de
-oogen had, had alles vergeten en dacht slechts aan den rijken oogst,
-die hem toelachte. Hij liep met het hoofd voorover, en stond stil bij
-elke plant, om die eerst eenigen tijd te bewonderen en haar dan uit te
-rukken. Eindelijk, toen hij reeds met een tallooze menigte van kruiden
-en planten beladen was, besloot hij zich aan den voet van een boom
-neder te zetten, om ze op zijn gemak na te zien en te rangschikken; hij
-besteedde hieraan al de zorg, die uitgediende geleerden gewoon zijn aan
-deze belangrijke werkzaamheid ten koste te leggen, en knabbelde
-intusschen eenige stukjes beschuit op, die hij uit zijn knapzak haalde.
-
-Geruimen tijd bleef hij in deze bezigheid verdiept, met dat inwendig
-genot, dat geleerden alleen kunnen waardeeren en dat aan gewone
-menschen onbekend is. Waarschijnlijk zou hij, alvorens de nacht inviel
-en hem dwong eene schuilplaats te zoeken, aan niets anders hebben
-gedacht, zoo zich niet eensklaps tusschen de zon en hem een schaduw was
-komen plaatsen, die zich afteekende op de planten, welke hij met
-zooveel zorg rangschikte.
-
-Werktuigelijk hief hij het hoofd op. Voor hem stond, op een lange
-karabijn leunende, een man, die hem met spotachtigen ernst aanzag. Het
-was de Zwarte Eland.
-
-»Ei, ei!” zeide hij tot den doctor, »wat doet gij daar, mijn brave
-heer? De drommel hale mij! toen ik het gras zoo zag trillen, dacht ik,
-dat er een geit in het kreupelhout zat, en ik was reeds op het punt u
-een kogel toe te zenden.”
-
-»Te duivel!” riep de doctor, hem verschrikt aanziende, »pas toch op!
-gij hadt mij kunnen dooden, weet gij dat wel?”
-
-»Waarachtig!” hernam de jager lachend; »maar wees niet bang, ik heb
-mijne dwaling nog bij tijds ingezien.”
-
-»God zij geloofd!” En de doctor, die juist een zeldzame plant in het
-oog kreeg, bukte met jeugdig vuur om haar te grijpen.
-
-»Gij wilt mij dan niet zeggen,” ging de jager voort, »wat gij daar
-uitvoert?”
-
-»Dat kunt gij wel zien, mijn vriend.”
-
-»Ja, ik zie dat gij u vermaakt met het onkruid der prairie uit te
-rukken, anders niet, en nu vraag ik waartoe dat dient?”
-
-»O, die onwetendheid!” prevelde de geleerde, en hij voegde er op dien
-toon van minzame afdaling, die vooral aan de zonen van Aesculapius
-eigen is, bij: »mijn vriend, ik pluk kruiden, welke ik verzamel, om ze
-in mijn boek te rangschikken; de flora dezer prairiën is prachtig, ik
-ben overtuigd dat ik minstens drie nieuwe soorten van chirostemon
-pentadactylon heb ontdekt, waarvan het genus uitsluitend tot de
-Flora-mexicana behoort.”
-
-»Ha!” zeide de jager, een paar groote oogen opzettende, en bijna het
-onmogelijke doende om den doctor niet in zijn aangezicht uit te lachen;
-»meent gij drie nieuwe soorten gevonden te hebben van...”
-
-»Chirostemon pentadactylon, mijn vriend,” zeide de geleerde
-zachtzinnig.
-
-»Wel, wel.”
-
-»Op zijn minst, misschien zijn er wel vier.”
-
-»Wel zoo! dat is dan wel zeer nuttig?”
-
-»Of dat nuttig is?” riep de doctor geërgerd.
-
-»Maak u niet boos; ik weet het immers niet.”
-
-»Dat is waar!” zeide de geleerde, door den toon van den Zwarten Eland
-tot bedaren gebracht; »gij kunt het belang van dien arbeid voor den
-vooruitgang der wetenschap niet begrijpen.”
-
-»Houd dat in het oog! En het is dus alleen, om op die wijze planten uit
-te trekken, dat gij in de prairiën gekomen zijt?”
-
-»Nergens anders om.”
-
-De Zwarte Eland zag hem aan met die verwondering, welke het gezicht van
-een onverklaarbaar natuurverschijnsel opwekt; de jager kon maar niet
-begrijpen, dat een verstandig man er toe komen kon, om van goeder harte
-zich aan een leven van ontbering en gevaar over te geven, alleen met
-het doel om planten te verzamelen, die tot niets nut zijn; na een
-oogenblik te hebben nagedacht kwam hij dan ook tot de overtuiging, dat
-de geleerde krankzinnig was. Hij zag hem met een meêwarigen blik aan,
-schudde met zijn hoofd, legde zijn geweer op zijn schouder en maakte
-aanstalten, om zijn weg te vervolgen.
-
-»Ja, ja!” zeide hij op dien toon, welken men bezigt om kinderen of
-onnoozelen aan te spreken en te bemoedigen, »gij hebt gelijk, mijn
-brave heer, trek gij maar planten uit, gij doet niemand kwaad, en er
-zullen er altijd nog genoeg overblijven. Goed succès en tot weerziens!”
-
-Daarop zijne honden fluitende, deed hij eenige stappen voorwaarts, maar
-bijna op hetzelfde oogenblik terugkeerende, en zich tot den doctor
-wendende, die reeds niet meer aan hem dacht, en zijne werkzaamheden,
-door den jager afgebroken, met ijver hervat had, zeide hij:
-
-»Nog een enkel woordje!”
-
-»Spreek,” antwoordde hij, het hoofd opheffende.
-
-»Ik hoop dat de jonge dame, die mij gisteren in gezelschap van haar oom
-een bezoek in mijne hatto gebracht heeft, zich wél bevindt? Dat arme
-kind, gij kunt niet begrijpen, hoeveel belang ik in haar stel, mijn
-beste heer.”
-
-De doctor stond plotseling op en sloeg zich tegen het voorhoofd.
-
-»Domoor die ik ben!” zeide hij; »ik had het glad vergeten!”
-
-»Vergeten! wat dan?” vroeg de jager verbaasd.
-
-»Dat doet ik nu altijd,” prevelde de geleerde; »gelukkig is het onheil
-zoo groot niet, en daar gij nog hier zijt, gemakkelijk te herstellen.”
-
-»Waarvan spreekt gij toch?” zeide de jager die ongerust begon te
-worden.
-
-»Verbeeld u,” ging de doctor bedaard voort, »dat de wetenschap mij
-zoodanig bezig houdt, dat ik dikwijls vergeet te eten en te drinken, en
-dus zooveel te eerder, de boodschappen, die mij worden opgedragen.”
-
-»Ter zake, ter zake!” riep de jager ongeduldig.
-
-»Och hemel, de zaak is doodeenvoudig. Ik verliet het kamp met het
-aanbreken van den dag, om mij naar uwe hatto te begeven; maar hier
-gekomen, ben ik door de tallooze menigte van zeldzame planten, die ik
-met de hoeven van mijn paard vertrad, zoodanig afgeleid, dat ik zonder
-aan het doel van mijn tocht te denken, eerst stil ben blijven staan, om
-een plant uit te trekken; vervolgens ontdekte ik er nog een die aan
-mijn verzameling ontbrak, toen nog een, en zoo voort; in ’t kort, ik
-heb er volstrekt niet meer aan gedacht om naar u te gaan; ik was
-zoodanig in mijne nasporingen verdiept, dat uw onvoorziene
-tegenwoordigheid mij nog niet eens aan de boodschap herinnerd heeft,
-die ik op mij genomen had, om aan u over te brengen.”
-
-»Gij zijt dus met zonsopgang uit het kamp vertrokken?”
-
-»Ja.”
-
-»Weet gij hoe laat het nu is?”
-
-De doctor keek naar de zon.
-
-»Omstreeks drie uur,” antwoordde hij; »maar ik zeg u nog eens het doet
-er weinig toe; nu gij toch hier zijt, zal ik u melden, wat doña Luz mij
-belast heeft aan u over te brengen, en dan zal alles in orde zijn, hoop
-ik.”
-
-»God geve, dat uwe nalatigheid niet de oorzaak worde van eenig groot
-onheil,” zeide de jager met een zucht.
-
-»Wat wilt gij daarmede zeggen?”
-
-»Gij zult het spoedig weten; ik hoop dat ik mij vergis. Spreek, ik
-luister.”
-
-»Hoor dan, wat doña Luz mij verzocht heeft u te zeggen.”
-
-»Het is dus doña Luz, die u tot mij zendt?”
-
-»Zij zelve.”
-
-»Heeft er dan iets ernstigs in het kamp plaats gehad?”
-
-»Waarachtig! dat ’s waar ook, dat kon wel eens van meer belang zijn,
-dan ik eerst vermoedde. Zie hier het gebeurde: van nacht schijnt het,
-dat een onzer gidsen....”
-
-»De Babbelaar?”
-
-»Dezelfde. Kent ge hem?”
-
-»Ja. Ga voort.”
-
-»Nu dan, het schijnt, dat die man in eene samenzwering betrokken was
-met een anderen bandiet van diezelfde soort, waarschijnlijk om het kamp
-aan de Indianen over te leveren; doña Luz heeft bij toeval het gansche
-gesprek dier schurken afgeluisterd, en op het oogenblik, dat zij langs
-haar heen gingen om te ontsnappen, heeft zij twee pistolen op hen
-afgeschoten.”
-
-»En heeft zij ze gedood?”
-
-»Helaas neen; de een, hoewel zonder twijfel zwaar gekwetst, is
-ontkomen.”
-
-»Wie is dat?”
-
-»De Babbelaar.”
-
-»En toen?”
-
-»Toen heeft doña Luz mij laten zweren, dat ik mij tot u begeven zou, en
-dat ik u zou zeggen, ja wacht eens, wat was het ook?”
-
-»Zwarte Eland, het uur is gekomen,” viel de jager hem in de rede.
-
-»Juist! dat was het,” zeide de geleerde, zich verheugd in de handen
-wrijvende, »ik wilde het juist zeggen, ik beken dat het mij duister
-genoeg voorkwam, en dat ik er niets van begrepen heb; maar gij zult het
-mij uitleggen, niet waar?”
-
-De jager greep hem heftig bij den arm, en zijn aangezicht bij het zijne
-brengende, zeide hij met gloeiende blikken en met woedend gelaat.
-
-»Armzalige gek! Waarom zijt gij mij niet dadelijk komen opzoeken, in
-plaats van met nietsdoen uw tijd te verliezen? Uw oponthoud zal
-misschien de dood uwer vrienden zijn.”
-
-»Is het mogelijk?” riep de doctor overbluft, en zonder er aan te denken
-om rekenschap te vragen van de brutale wijze, waarop de jager hem op
-het lijf viel.
-
-»Gij waart met eene boodschap belast, waarvan leven en dood afhing,
-dwaas die gij zijt; wat nu te doen? misschien is het te laat!”
-
-»O, zeg dat niet!” riep de geleerde blijkbaar ontroerd, »ik zou van
-wanhoop sterven, als dat waar was.”
-
-De arme man smolt weg in tranen en gaf ondubbelzinnige bewijzen van de
-grootste smart.
-
-De Zwarte Eland was verplicht hem te troosten.
-
-»Nu, houd maar moed, mijn beste heer,” zeide hij op zachteren toon tot
-hem: »wat duivel, misschien is alles nog wel niet verloren!”
-
-»O, als ik de oorzaak van een groote ramp moest wezen; ik zou het niet
-overleven!”
-
-»Nu, wat geschied is, is geschied, wij moeten nu kiezen wat ons te doen
-staat,” zeide de jager wijsgeerig; »ik ga er over nadenken, hoe ik hen
-helpen zal. Goddank, ik sta niet zoo alleen als men denken zou; ik hoop
-binnen weinige uren een dertigtal van de beste schutters der prairie
-bijeen te hebben.”
-
-»Gij zult hen redden, niet waar?”
-
-»Ik zal ten minste alles doen wat maar met eenige mogelijkheid kan
-gedaan worden, en als het God behaagt, zal ik wel slagen.”
-
-»De hemel verhoore u!”
-
-»Amen!” zeide de jager, zich ootmoedig kruisende, »en nu gaat gij naar
-het kamp terug, hoor.”
-
-»Terstond.”
-
-»Maar geen bloemen meer plukken, en geen planten meer uittrekken.”
-
-»O neen, dat zweer ik u; vervloekt zij het uur, waarin ik aan het
-herboriseeren gegaan ben,” riep de geleerde in komische wanhoop uit.
-
-»Zeer goed, dat is dan afgesproken: gij zult de jonge dame en haar oom
-gerust gaan stellen; gij zult hen tot waakzaamheid, en als er een
-aanval geschiedt, tot dapperen tegenstand aanmanen, en gij zult hun
-zeggen, dat zij weldra hunne vrienden hun ter hulpe zullen zien
-snellen.”
-
-»Ik zal het zeggen.”
-
-»Te paard dan, en in galop naar het kamp!”
-
-»Wees daar gerust op; maar gij, wat gaat gij doen?”
-
-»Bemoei u met mij niet, ik zal niet werkeloos blijven; maak maar dat
-gij zoo spoedig mogelijk bij uwe vrienden komt.”
-
-»Over een uur zal ik bij hen zijn.”
-
-»Houd nu maar goeden moed: en alles kan nog goed afloopen.”
-
-De Zwarte Eland liet den toom van het paard, dat hij tot hiertoe
-vasthield, los, en de geleerde vertrok in snellen draf, hetgeen den
-goeden man moeielijk genoeg viel, daar hij gedurig zijn evenwicht
-verloor.
-
-De jager zag hem een oogenblik na; en liep toen met snellen pas het
-bosch in. Hij had nauwelijks tien minuten geloopen, toen hij eensklaps
-vlak tegenover Nô Eusébio stond, die, met de moeder van Edelhart, welke
-bewusteloos dwars over den zadel lag, langzaam kwam aanrijden.
-
-Deze ontmoeting was voor den jager een uitkomst, daar hij nu van den
-ouden Spanjaard stellige berichten kon erlangen omtrent Edelhart,
-berichten welke de grijsaard zich haastte hem te geven. Vervolgens
-begaven de beide mannen zich naar de hut van den pelsjager, waarvan zij
-niet ver verwijderd waren, en waarin zij voorloopig aan de moeder van
-hun vriend huisvesting wilden verleenen.
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-HET VERBOND.
-
-
-Wij moeten nu tot Edelhart terugkeeren.
-
-Na ongeveer tien minuten rechtuit geloopen te hebben, zonder zich zelfs
-de moeite te geven, om een dier tallooze voetpaden te volgen, die de
-prairiën in alle richtingen doorkruisen, stond de jager stil, zette
-zijn geweer op den grond, zag zorgvuldig om zich heen, luisterde naar
-die duizende geluiden der wildernis, die voor den in het leven der
-prairiën ingewijden mensch allen een beteekenis hebben, en bootste,
-klaarblijkelijk over de uitkomst van zijn onderzoek voldaan, driemaal
-achtereen, het geschreeuw van een ekster zoo natuurlijk na, dat
-verscheidene dezer vogels, in het dichte loof verborgen, hem
-onmiddellijk antwoord gaven.
-
-Nauwelijks had hij voor de derde maal zijn geschreeuw doen hooren, of
-het woud, tot nu toe geheel stom en naar het scheen in volmaakte
-eenzaamheid verzonken, begon, als ware het betooverd, plotseling te
-leven; van alle zijden richtten zich van uit de struiken en van uit het
-gras, waarin zij verscholen waren, eene menigte jagers op, met
-krachtige gelaatstrekken en schilderachtige kostumen, en vormden in een
-oogenblik een dichten kring om den jager.
-
-Het toeval wilde, dat de twee eerste gezichten, die Edelhart in het oog
-vielen, die van den Zwarten Eland en van Nô Eusébio waren, welke beiden
-dicht bij hem stonden.
-
-»O,” zeide hij, hun de hand gevende, »ik begrijp alles; mijne vrienden,
-hebt dank, hebt dank voor uwen welwillenden bijstand, maar Gode zij
-dank, ik heb dien niet meer noodig.”
-
-»Des te beter,” zeide de Zwarte Eland.
-
-»Het is u dus gelukt, om aan de handen dier verwenschte Roodhuiden te
-ontsnappen?” vroeg de oude dienaar met belangstelling.
-
-»Zeg geen kwaad van de Comanchen,” zeide Edelhart glimlachende, »zij
-zijn thans mijne broeders.”
-
-»Spreekt gij in ernst,” riep de Zwarte Eland levendig; »zijt gij
-werkelijk wel met de Indianen?”
-
-»Gij zult er zelven over oordeelen; de vrede tusschen hen en mijne
-vrienden is gesloten; zoo gij het goedvindt, zal ik u aan elkander
-voorstellen.”
-
-»Hemel! in de tegenwoordige omstandigheden kon ons geen grooter geluk
-overkomen,” zeide de Zwarte Eland, »en, daar gij vrij zijt, kunnen wij
-ons met anderen bezig houden, die zich op dit oogenblik in groot gevaar
-bevinden, en die waarschijnlijk grootelijks behoefte hebben aan onze
-hulp.”
-
-»Wat wilt gij daarmede zeggen?” vroeg Edelhart met belangstellende
-nieuwsgierigheid.
-
-»Ik wil zeggen, dat diezelfde menschen, aan wie gij reeds een
-ontzaglijke dienst bewezen hebt, bij gelegenheid van den brand in de
-prairie, op dit oogenblik door een bende roovers omsingeld worden, die
-waarschijnlijk niet zullen nalaten hen aan te vallen, indien dit niet
-reeds heeft plaats gehad.”
-
-»Gij moet hun ter hulpe snellen!” riep Edelhart, die zijn aandoening
-niet bedwingen kon.
-
-»Bij God, dat is ons plan, maar wij wilden eerst u verlossen, Edelhart;
-gij zijt de ziel onzer vereeniging; zonder u zouden wij niets goeds
-kunnen doen.”
-
-»Ik dank u, mijne vrienden, maar nu, zooals gij ziet, ben ik vrij;
-niets alzoo weerhoudt ons om terstond te gaan.”
-
-»Vergeef mij,” hernam de Zwarte Eland, »maar wij hebben met eene sterke
-tegenpartij te doen; de roovers, die weten, dat zij op geen genade te
-rekenen hebben, vechten als tijgers; hoe grooter in aantal wij zijn,
-des te meer kans hebben wij om wél te slagen.”
-
-»Dat is waar! maar wat wilt gij dan?”
-
-»Wel: gij hebt in onzen naam vrede gesloten met de Comanchen; zou het
-niet....”
-
-»Gij hebt waarachtig gelijk, Zwarte Eland;” viel Edelhart hem haastig
-in de rede, »ik zou er niet aan gedacht hebben; de Indiaansche
-krijgslieden zullen blijde zijn, dat wij hun eene gelegenheid aanbieden
-om hunne dapperheid te toonen; zij zullen ons gaarne helpen, ik neem de
-zorg op mij, om hen over te halen; volgt gij mij allen, ik ga u aan
-onze nieuwe vrienden voorstellen.”
-
-De jagers vereenigden zich en vormden een dicht opeengedrongen bende
-van omtrent veertig man.
-
-De wapenen werden ten teeken van vrede onderstboven gekeerd, en allen
-richtten zich naar het kamp, voorafgegaan door Edelhart.
-
-»En mijne moeder?” vroeg Edelhart aan Nô Eusébio.
-
-»Zij is in veiligheid in de hut van den Zwarten Eland.”
-
-»Hoe gaat het met haar?”
-
-»Goed, maar halfdood van angst,” antwoordde de grijsaard; »uwe moeder
-is eene vrouw die slechts door haar hart leeft; zij bezit een
-ontzaglijken moed, de grootste lichaamssmarten schokken haar niet; zij
-gevoelt niets meer van de afschuwelijke marteling, die zij heeft
-ondergaan.”
-
-»God zij geprezen! maar wij moeten haar niet lang in die doodelijke
-spanning laten; waar is uw paard?”
-
-»Hier dicht bij, in de struiken verscholen.”
-
-»Haal dat en begeef u naar mijne moeder,—stel haar gerust en gaat met u
-beiden naar de grot van de Kopergroen, waar zij tegen alle gevaar
-beschut zal zijn. Blijf daar bij haar. Die grot is gemakkelijk te
-vinden, zij ligt niet ver van de rots van den dooden Bison; overigens,
-als gij daar gekomen zult zijn, laat de honden dan maar los, die zullen
-u den weg wel wijzen. Hebt gij mij goed begrepen?”
-
-»Volkomen.”
-
-»Ga dan, wij zijn vlak bij het kamp; uwe tegenwoordigheid is hier
-onnoodig, terwijl zij daar onmisbaar is.”
-
-»Ik ga.”
-
-»Vaarwel.”
-
-»Tot weêrziens.”
-
-Nô Eusébio floot de speurhonden, die hij met een lasso aan elkander
-bond; voor de laatste maal gaf hij Edelhart de hand, verliet hen toen,
-maakte rechtsomkeert, en ging terug naar het bosch, terwijl de
-jagerbende aan den ingang der opene plaats kwam waar de Indianen hun
-kamp hadden opgeslagen.
-
-De Comanchen vormden op eenige passen afstands van de eerste grenzen
-van hun kamp een grooten halven cirkel, in het midden waarvan de
-opperhoofden stonden. Om aan de aankomelingen alle eer te bewijzen,
-hadden zij hun schoonste gewaad aangetrokken; zij waren allen als tot
-den oorlog geschilderd en gewapend.
-
-Edelhart liet zijn troep halt houden, en alleen voortgaande, ontplooide
-hij een bisonhuid en liet die in de lucht wapperen.
-
-De Arendskop verwijderde zich toen van de andere opperhoofden, hij
-naderde op zijne beurt den jager, en deed insgelijks, ten teeken van
-vrede, een bisonhuid wapperen.
-
-Toen de beide mannen nog slechts drie passen van elkander waren, bleven
-zij staan. Edelhart nam het woord.
-
-»De meester des levens,” zeide hij, »doorziet onze harten; hij weet,
-dat tusschen ons de weg schoon en open is, en dat de woorden, die ons
-hart uitblaast en onze mond uitspreekt, oprecht zijn; de blanke jagers
-komen aan hunne roode broeders een bezoek brengen.”
-
-»Zij zijn welkom,” antwoordde de Arendskop hartelijk, en hij maakte
-eene buiging, met die bevalligheid en die edele majestueuze houding,
-die de Indianen kenmerkt.
-
-Na deze woorden schoten de Comanchen en de jagers hunne wapens in de
-lucht af, terwijl zij tevens een luid vreugdegejuich deden hooren. Toen
-werd alle stijfheid verbannen, de beide troepen mengden zich zoo geheel
-ondereen, dat zij in weinig tijds slechts eene enkele bende vormden.
-
-Maar Edelhart, die, na al wat de Zwarte Eland hem gezegd had, wist, hoe
-kostbaar de oogenblikken waren, had ondertusschen den Arendskop ter
-zijde genomen, en hem openhartig de verwachting medegedeeld, die men
-van zijn stam koesterde.
-
-De hoofdman glimlachte bij dit verzoek.
-
-»Aan het verlangen van mijn broeder zal voldaan worden,” zeide hij,
-»zoo hij slechts even wachten wil.”
-
-Hierop den jager verlatende, voegde hij zich bij de andere
-opperhoofden.
-
-Weldra klom de roeper op de verandah eener hut, en riep met luid
-geschreeuw de meest vermaarde krijgslieden op, om zich in de raadstent
-te vereenigen.
-
-Het verzoek van Edelhart verwierf algemeene goedkeuring; er werden
-tachtig uitgelezene mannen, onder aanvoering van den Arendskop,
-aangewezen, om de jagers te vergezellen, en met alle kracht mede te
-werken, tot het welslagen der onderneming.
-
-Toen het besluit der opperhoofden bekend was geworden, heerschte er
-eene algemeene vreugde in den stam. De verbondenen zouden zich met
-zonsondergang op weg begeven, om den vijand onverhoeds te overvallen.
-Men danste, met inachtneming van al de in dergelijke gevallen
-gebruikelijke plechtigheden, den grooten krijgsdans, gedurende welken
-de krijgslieden steeds in koor deze woorden herhaalden:
-
-»Wabimdam Kitchée manitoo, agarmissey hapitch neatissum!”
-
-Dat wil zeggen: »Meester des levens, zie mij met een gunstig oog aan,
-gij hebt mij den moed gegeven, om mijne aderen te openen!”
-
-Toen men op het punt stond van te vertrekken koos de Arendskop, die wel
-wist met welke gevaarlijke vijanden hij te doen zou krijgen, twintig
-lieden uit, op wie hij rekenen kon, en zond hen als verspieders
-vooruit, na hen van Scotté wigwas of boomschors voorzien te hebben,
-opdat zij terstond vuur zouden kunnen aanleggen, om ingeval van nood te
-waarschuwen.
-
-Vervolgens onderzocht hij nauwkeurig de wapenen zijner krijgslieden,
-en, voldaan over den uitslag zijner inspectie, gaf hij het teeken tot
-vertrek.
-
-De Comanchen en de pelsjagers schaarden zich op de wijze der Indianen
-in gelid, en door hunne opperhoofden voorafgegaan verlieten zij het
-kamp, achtervolgd door de wenschen en aanmoedigingen hunner vrienden,
-die hen tot aan de eerste boomen van het woud vergezelden.
-
-Het legertje bestond uit honderd dertig wakkere mannen, allen van top
-tot teen gewapend, en aangevoerd door opperhoofden, die voor geen
-hinderpaal terugweken, en door geen gevaar zich lieten afschrikken. Er
-heerschte eene dikke duisternis; de maan, door zware wolken omringd,
-die zich log en langzaam voortbewogen, verspreidde slechts nu en dan
-een flauwen glans, die aan alles een fantastisch voorkomen gaf. De wind
-blies zeer ongelijkmatig, en stortte zich met dof en klagend geluid in
-de holen en in de openingen tusschen de rotsen. Het was, in één woord,
-een van die nachten, die in de geschiedenis der menschheid altijd het
-tooneel schijnen te moeten zijn van droevige treurspelen.
-
-De krijgslieden trokken stilzwijgend voort; zij geleken in het donker
-op een troep schimmen, die aan het graf ontkomen waren, en zich
-haastten, om een nameloos, door God vervloekt werk te volbrengen, dat
-de nacht alleen in staat was met zijne schaduw te bedekken.
-
-Omstreeks middernacht werd het woord: halt! zoo zacht mogelijk
-uitgesproken. Men betrok een kamp, om op het nieuws der verspieders te
-wachten; dat wil zeggen, ieder wikkelde zich zoo goed of zoo kwaad als
-hij kon in zijn mantel, om op het eerste teeken gereed te zijn. Er
-werden geen vuren ontstoken. De Indianen, die op hunne verspieders
-vertrouwen, zetten nooit schildwachten uit, als zij ten strijde
-uitgetrokken zijn. Zoo gingen twee uren voorbij. Het kamp der Mexicanen
-was niet meer dan drie mijlen van daar verwijderd; maar alvorens zij
-zich verder waagden wilden de opperhoofden zich verzekeren, dat de weg
-vrij was; in het tegenovergestelde geval wilden zij onderzoeken, hoe
-groot het aantal was der vijanden, die hun den weg versperden, en welk
-plan van aanval zij schenen beraamd te hebben.
-
-Op het oogenblik dat Edelhart, door ongeduld verteerd, zich gereed
-maakte om zelf op verkenning uit te gaan, liet zich in de struiken
-eenig gedruisch hooren, dat in het eerst bijna onmerkbaar was, maar
-weldra hoe langer hoe sterker werd. Er kwamen twee mannen te
-voorschijn. De eerste was een der verspieders, de ander was de doctor.
-De toestand waarin de arme geleerde zich bevond, was deerniswaardig.
-Hij had zijn pruik verloren, zijne kleederen waren verscheurd, zijn
-gezicht was van angst verwrongen, en zijn geheele persoon droeg de
-duidelijke sporen van een hevig gevecht.
-
-Toen hij bij den Arendskop en bij Edelhart kwam, viel hij op den grond
-in zwijm. Men haastte zich hem in het leven terug te roepen.
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-DE LAATSTE AANVAL.
-
-
-De achter de wallen geplaatste lanceros hadden den aanval der roovers
-moedig doorgestaan. De generaal, wanhopig over den dood van kapitein
-Aguilar, en overtuigd dat er met zulke vijanden niet te onderhandelen
-viel, had besloten een onverzettelijken tegenstand te bieden en zich
-liever te laten dooden, dan in hunne handen te vallen.
-
-De Mexicanen, daaronder gerekend de peones en gidsen, op welke men zich
-nauwelijks verlaten kon, waren slechts ten getale van zeventien, zoo
-mannen als vrouwen.
-
-De roovers waren ten getale van minstens dertig.
-
-Er bestond dus een groot verschil in aantal tusschen de belegeraars en
-de belegerden; maar door de sterke ligging van het kamp op den top van
-een chaos van rotsen, viel dit verschil gedeeltelijk weg, en stonden de
-krachten aan beide zijden bijna gelijk.
-
-Kapitein Ouaktehno kende zeer goed al de bezwaren aan den aanval
-verbonden, bezwaren, die, daar de aanval thans openlijk geschiedde,
-bijna onoverkomelijk waren; ook had hij op eene verrassing gerekend, en
-vooral op het verraad van den Babbelaar. De omstandigheden alleen en
-zijne woede over het verlies, dat kapitein Aguilar hem berokkend had,
-hadden hem genoopt om den aanval te wagen.
-
-Toen echter het eerste oogenblik van drift voorbij was, en hij zag dat
-zijne manschappen, als overrijpe vruchten, aan alle zijden nedervielen,
-zonder dat hij hen kon wreken, of zonder dat zij een duim gronds
-wonnen, besloot hij, niet om terug te trekken, maar om de bestorming in
-eene belegering te veranderen, hopende dat hij gedurende den nacht
-gelegenheid zou vinden om een goeden slag te slaan, en in het uiterste
-geval, zeker zou zijn van vroeg of laat de belegerden door den honger
-te kunnen dwingen.
-
-Hij hield zich overtuigd, dat zij op geenerlei hulp of bijstand rekenen
-konden in deze prairiën, waar men slechts Indianen ontmoet, die met
-alle blanken in vijandschap leven, of wel jagers, die er niet van
-houden om zich te mengen in zaken, die hun niet aangaan.
-
-Zijn besluit eens genomen zijnde, bracht de kapitein het onmiddellijk
-ten uitvoer.
-
-Hij wierp een blik om zich heen: hun toestand bleef altijd dezelfde;
-ondanks al hunne schier bovenmenschelijke inspanning om de steile
-helling die naar de wallen leidde, te beklimmen, waren de roovers geen
-stap gevorderd.
-
-Zoodra maar iemand waagde zich te vertoonen, deed een kogel uit een der
-Mexicaansche karabijnen hem onmiddellijk in den afgrond storten.
-
-De kapitein gaf het teeken tot den aftocht, dat is te zeggen hij
-bootste het gehuil van den hond der prairiën na. Oogenblikkelijk hield
-het gevecht op. Deze plek, een oogenblik te voren nog zoo levendig door
-het geschreeuw der strijders en het losbranden der vuurwapenen, verviel
-eensklaps in eene doodelijke stilte. Zoodra echter de menschen hun
-vernielingswerk ten einde hadden gebracht, maakten de gieren, de valken
-en de arenden een begin met het hunne. Na de roovers, de roofvogels;
-zoo behoort het immers.
-
-In groote troepen dwarrelden zij als wolken om de lijken heen, waarop
-zij zich krassend en vechtend nederwierpen, ten aanschouwe der
-Mexicanen, die zich niet buiten hunne verschansingen durfden te wagen,
-en genoodzaakt waren toeschouwers te blijven van dit afschuwelijk
-feestmaal.
-
-De roovers vereenigden zich in een grot, buiten het bereik van de
-geweren der Mexicanen, en telden hunne manschappen. Hun verlies was
-vreeselijk geweest; van de veertig waren er nog maar negentien. In
-minder dan een uur hadden zij een en twintig man verloren; meer dan de
-helft.
-
-De Mexicanen hadden, behalve kapitein Aguilar, noch dooden noch
-gekwetsten.
-
-Het verlies, dat de roovers geleden hadden, bracht hen tot nadenken. De
-meerderheid was van oordeel, dat men moest aftrekken, en van de
-voordeelen eener onderneming afzien, die met zooveel gevaren en zoovele
-moeielijkheden gepaard ging. De kapitein was nog meer ontmoedigd dan
-zijne makkers.
-
-Voorzeker, als het hem slechts te doen ware geweest om goud en
-edelgesteenten te veroveren, zou hij zonder aarzelen zijne plannen
-hebben laten varen, maar een andere, meer dringende reden noopte hem
-tot handelen, en spoorde hem aan, om het avontuur tot aan het einde toe
-voort te zetten, welke ook voor hem de gevolgen mochten zijn. De schat,
-dien hij begeerde, een schat van onberekenbare waarde, was doña Luz,
-dat meisje, dat hij reeds eenmaal te Mexico uit de handen zijner
-bandieten had gered, en voor hetwelk hij, zijns ondanks, eene
-onbeteugelde liefde had opgevat. Van Mexico af volgde hij haar stap
-voor stap, evenals een wild dier op iedere gelegenheid loerend om een
-prooi meester te worden, voor welker bezit hem geen offer te zwaar,
-geene moeite te groot, geen gevaar te dreigend scheen.
-
-Hij putte dan ook bij zijne bandieten alle hulpmiddelen uit, die de
-taal schenkt aan iemand, die zich door hartstocht verblinden laat, om
-hen bij zich te houden, om hunnen moed op te wekken, in één woord om
-hen te bewegen, dat zij, alvorens zij aftrokken, nog een aanval zouden
-wagen.
-
-Hij had veel moeite om hen te overtuigen; gelijk meestal in zulke
-gevallen, waren de dappersten gedood; de overblijvenden voelden zich
-niet zeer gestemd om zich aan hetzelfde lot bloot te stellen. Maar door
-middel van beloften en bedreigingen, gelukte het den kapitein eindelijk
-om aan de bandieten de belofte af te persen, dat zij tot den volgenden
-dag aldaar blijven, en gedurende den nacht een beslissenden slag zouden
-wagen.
-
-Toen zij hierin overeengekomen waren, gaf Ouaktehno aan zijne
-manschappen bevel om zich zoo goed mogelijk te verbergen, vooral omdat
-zij er order toe kregen, zich niet te verroeren, welke beweging zij ook
-door de Mexicanen zagen maken. De kapitein hoopte door onzichtbaar te
-blijven, de belegerden in den waan te brengen dat de roovers,
-afgeschrikt door de ontzettende moeielijkheden, die zij hadden ontmoet,
-tot den aftocht besloten hadden, en werkelijk reeds afgetrokken waren.
-Dit plan was niet zonder beleid opgevat; en het verkreeg inderdaad
-bijna de uitkomst, die hij er van verwachtte.
-
-De roodachtige gloed der ondergaande zon kleurde met zijne laatste
-stralen de toppen der boomen en der rotsen; de avondwind verfrischte en
-zuiverde de lucht, de zon verdween in een bed van purperen dampen. De
-stilte werd door niets gestoord dan door het krassend geschreeuw der
-roofvogels, die hun kannibalenfeest voortzetten, en met woedende
-bloeddorstigheid elkander de stukken vleesch betwistten, die zij van de
-lijken afscheurden.
-
-De generaal, aangedaan door het droevig schouwspel, en meenende dat
-kapitein Aguilar, de man wiens heldenmoed hen allen gered had, mede aan
-die afschuwelijke ontwijding was blootgesteld, besloot zijn lijk niet
-te verlaten, en, ’t mocht kosten wat het wilde, het op te zoeken en te
-begraven, om alzoo een laatste eerbewijs te geven aan den ongelukkigen
-jongeling, die niet geaarzeld had, zich voor hem op te offeren. Doña
-Luz, aan wie hij zijn voornemen mededeelde, hoewel zij er de gevaren
-van inzag, had de kracht niet om zich er tegen te verzetten.
-
-De generaal koos vier wakkere mannen uit, en na de wallen beklommen te
-hebben, ging hij hun voor naar de plaats, waar het lijk van den
-ongelukkigen kapitein lag.
-
-De lanceros, die in het kamp gebleven waren, bewaakten de vlakte,
-gereed om hunnen moedigen makkers krachtdadig bijstand te bieden, in
-geval zij in hun vromen arbeid mochten worden gestoord.
-
-De roovers, die in de spleten der rotsen in hinderlaag lagen, verloren
-geene hunner bewegingen uit het oog, maar zij wachtten zich wel, hunne
-tegenwoordigheid te verraden.
-
-De generaal kon dus rustig den plicht volbrengen, dien hij zich had
-opgelegd. Het lijk van den kapitein was niet moeielijk te vinden.
-
-Het lag, half omver gevallen, aan den voet van een boom, met een
-pistool in de eene hand en zijne machete in de andere met opgerichten
-hoofde, met vasten blik en met een glimlach op de lippen, als daagde
-hij, nog na zijnen dood, zijne moordenaars uit. Zijn lijk was
-letterlijk met wonden bedekt, maar door een gelukkig toeval, dat de
-generaal met blijdschap opmerkte, hadden de roofvogels het tot nu toe
-gespaard.
-
-De lanceros legden het lijk op hunne geweren, en droegen het in
-gezwinden pas naar het kamp terug.
-
-De generaal liep dicht achter hen, een wakend oog houdende op de
-struiken en het kreupelhout.
-
-Geen blad bewoog zich; overal heerschte de grootste stilte; de roovers
-waren verdwenen, zonder ander spoor achter te laten als hunne dooden.
-De generaal hoopte, dat zijne vijanden waren afgetrokken; hij slaakte
-een zucht van verlichting.
-
-De nacht begon met zijne gewone snelheid te vallen, aller blikken waren
-gericht op de lanceros, die hun gesneuvelden officier terug brachten,
-niemand merkte een twintigtal schimmen op, die zwijgend over de rotsen
-gleden, en langzaam het kamp naderden, bij hetwelk zij zich in
-hinderlaag legden, om van daar hunne vlammende blikken op de
-verdedigers der legerplaats te richten.
-
-De generaal liet het lijk op een rustbed plaatsen, dat in der haast was
-opgemaakt; en eene spade nemende, wilde hij zelf een kuil graven,
-waarin de jongeling zou worden nedergelegd.
-
-Al de lanceros schaarden zich om hem heen, leunende op hunne wapenen.
-
-De generaal ontblootte zijn hoofd, nam een gebedenboek en las overluid
-het doodenformulier voor, waarop zijne nicht en de omstanders het Amen
-uitspraken.
-
-Er was iets grootsch en treffends in deze eenvoudige plechtigheid, te
-midden der wildernis, wier duizend stemmen ook een gebed schenen te
-prevelen, en in het aangezicht dier grootsche natuur, waar Gods vinger
-zich zoo duidelijk openbaart.
-
-Die grijsaard, zooals hij daar bezig was het doodenformulier voor te
-lezen boven het lijk van een jongeling, even te voren nog vol
-levenskracht, zooals hij daar stond naast dat jonge meisje, te midden
-dier sombere soldaten, die er over nadachten, hoe hetzelfde lot weldra
-hen misschien wachten zou, maar die toch kalm en onderworpen, ijverig
-baden voor hem, die hun was voorgegaan; en dan dat gebed zelve, zooals
-het daar omhoog rees in den nacht, begeleid door het zuchten van den
-avondwind, die huiverend door de takken ritselde, alles herinnerde aan
-de eerste tijden van het Christendom, toen het, vervolgd en gedwongen
-zich te verschuilen, in de woestijn de wijk nam, om nader bij God te
-wezen.
-
-De vervulling dezer laatste plichtpleging werd door niets gestoord.
-Nadat elk der aanwezigen nog eenmaal van den doode afscheid genomen
-had, werd hij in zijn mantel gewikkeld en in den kuil nedergelaten;
-zijne wapens werden naast hem geplaatst en de kuil werd dicht geworpen.
-Eene kleine verhevenheid van den grond, die weldra weder verdwijnen
-zou, wees alleen de plaats aan, waar het lijk rustte van een man, wiens
-heldenmoed en verhevene zelfopoffering diegenen had gered, welke hem de
-zorg voor hun behoud toevertrouwd hadden.
-
-De omstanders gingen uiteen, vast besloten zijn dood te wreken, en in
-geval van nood, te doen gelijk hij.
-
-Het was nu volkomen donker geworden.
-
-De generaal deed thans voor het laatste de ronde, om zich te
-verzekeren, dat de wachten allen op hun post stonden, wenschte zijne
-nicht goeden nacht, en legde zich buiten hare tent, dwars voor den
-ingang neder.—Zoo gingen er drie uren in ongestoorde rust voorbij.
-
-Eensklaps begon een twintigtal mannen, als zoovele duivels, zwijgend
-tegen de wallen op te klauteren, en eer de verbaasde schildwachten den
-minsten tegenweer konden bieden, waren zij reeds bij de keel gegrepen
-en geworgd.
-
-Het kamp der Mexicanen was door de roovers verrast, en met hen waren
-roof en moord daar binnen getreden!
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-HET GEVECHT.
-
-
-De roovers dansten als jakhalzen in het kamp rond, onder het aanheffen
-van een luid gebrul en onder het schudden der wapenen. Zoodra het kamp
-ingenomen was, had de kapitein hun de vergunning gegeven, om op hun
-gemak te gaan plunderen en moorden. Zonder zich verder met hen te
-bemoeien, was hij naar de tent geijld.
-
-Daar echter werd de doorgang hem belet. De generaal had zeven of acht
-man om zich heen verzameld, en wachtte aldus de bandieten moedig af,
-vast besloten zich liever te laten dooden, dan toe te staan dat een
-dezer ellendelingen zijne nicht aanraakte. Op het gezicht van den ouden
-soldaat, die met bliksemende oogen, met een pistool in de eene en den
-degen in de andere hand, gereed was hem te ontvangen, aarzelde de
-kapitein. Maar die aarzeling duurde geen seconde, hij riep een tiental
-roovers op, om zich rondom hem te scharen.
-
-»Maak plaats!” zeide hij, zijne machete zwaaiende.
-
-»Kom, zoo gij durft!” antwoordde de generaal, zich woedend op de lippen
-bijtende.
-
-De beide mannen wierpen zich op elkander, hunne manschappen volgden hun
-voorbeeld, het gevecht werd algemeen.
-
-’t Was eene vreeselijke worsteling, eene worsteling tusschen mannen,
-die wisten, dat zij van elkander geene genade te wachten hadden.
-
-Ieder deed zijn best om doodelijke slagen uit te deelen, zonder zich de
-moeite te geven, om die, welke op hem gericht waren, af te weren, niet
-morrende om zijn val, zoo hij in dien val slechts zijne tegenpartij
-medesleepte. De gekwetsten poogden zich nog op te richten, om met hun
-ponjaard diegenen te treffen, welke nog vechtende waren.
-
-Zulk een woeste strijd kon niet lang duren; al de lanceros werden
-afgemaakt, de generaal viel op den grond, omvergeworpen door den
-kapitein, die op hem viel, en hem met zijn gordel stevig knevelde, om
-hen allen verderen tegenstand onmogelijk te maken.
-
-De generaal was slechts licht gewond. Om zekere redenen, die hij alleen
-kende, had de kapitein hem voorbedachtelijk onder het gevecht
-beschermd, met zijne machete de slagen, die door de bandieten op hem
-gericht werden, afwerende. Hij wilde zijn vijand levend in handen
-krijgen, en het was hem gelukt.
-
-Al de overige Mexicanen waren wel is waar gevallen, maar de overwinning
-was den roovers duur te staan gekomen. Zij waren voor de grootste helft
-gedood.
-
-De neger van den generaal, met een geduchte knods gewapend, had zich
-lang verdedigd tegen hen, die zich van hem poogden meester te maken;
-zonder genade sloeg hij allen, die zich te dicht bij hem waagden, dood,
-met het moorddadig wapen, dat hij met ongemeene behendigheid hanteerde;
-eindelijk was men er in geslaagd hem te lasseeren en half geworgd op
-den grond te werpen, maar de kapitein redde hem het leven, op het
-oogenblik, dat een der roovers den arm oplichtte, om hem te dooden.
-
-Zoodra de kapitein zag, dat de generaal in de onmogelijkheid was om
-eenige beweging te maken, slaakte hij een kreet van vreugde, en zonder
-er aan te denken om het bloed te stelpen, dat hem uit twee wonden
-stroomde, sprong hij als een tijger over het lichaam van zijn vijand,
-die zich machteloos aan zijne voeten kromde, en trad de tent binnen.
-
-Deze was ledig. Doña Luz was verdwenen. De kapitein stond als aan den
-grond genageld.
-
-Wat kon er van het meisje geworden zijn?
-
-De tent was niet groot, bijna zonder meubelen; het was onmogelijk er
-zich in te verbergen. Een verfrommeld bed bewees, dat, op het oogenblik
-van den aanval, doña Luz nog rustig lag te sluimeren. Als een
-toovernimf was zij zonder eenig spoor achter te laten, verdwenen. De
-kapitein begreep niets van hare vlucht, daar het kamp van alle zijden
-te gelijk was aangevallen. Hoe zou een jong meisje, plotseling wakker
-geschrikt, genoeg moed en tegenwoordigheid van geest hebben gehad, om
-zoo vlug en zoo ongemerkt te ontsnappen, door den kring van vijanden
-heen, die haar omringden, en wier eerste zorg het geweest was, om al de
-ingangen te bewaken? Hij zocht te vergeefs naar de oplossing van dit
-raadsel. Stampvoetend van toorn peilde hij met zijn ponjaard de pakken,
-die der vluchteling tot eene tijdelijke schuilplaats hadden kunnen
-verstrekken, maar alles te vergeefs. Eindelijk overtuigd, dat zijne
-nasporingen in de tent tot niets zouden leiden, wierp hij zich naar
-buiten, als een wild dier overal rondloopende, verzekerd, dat, zoo het
-haar door een wonder gelukt was, om alleen, in den nacht, half gekleed,
-en onbekend met de wegen in de wildernis, te ontsnappen, hij haar spoor
-gemakkelijk terug zou vinden.
-
-De plundering werd ondertusschen voortgezet met eene snelheid en met
-eene orde, te midden der wanorde, die de proefondervindelijke
-kundigheden der roovers eer aandeden.
-
-De overwinnaars, eindelijk het moorden en stelen moede, openden met
-hunne ponjaards de lederen zakken mezcal, en zetten door een algemeene
-slemppartij de kroon op hun werk.
-
-Eensklaps liet zich op eenigen afstand een krassend en vreeselijk
-geschreeuw hooren, en een hagelbui van kogels stortte op de bandieten
-neder. Dezen, op hunne beurt aangevallen, vlogen te wapen, en poogden
-zich te hereenigen. Op hetzelfde oogenblik kwam er een bende Indianen
-te voorschijn, die als tijgers tusschen de pakgoederen sprongen, van
-nabij gevolgd door een troep jagers, onder de aanvoering van Edelhart,
-Goedsmoeds en den Zwarten Eland.
-
-De roovers bevonden zich in een benarden toestand. De kapitein, wien
-het gevaar, waaraan zijne manschappen waren blootgesteld, ter harte
-ging, liet het vruchteloos zoeken met weêrzin varen, en zijne lieden om
-zich heen scharende, liet hij de twee gevangenen, die hij gemaakt had,
-den generaal namelijk en zijn neger, opnemen. Toen gebruik makende van
-de verwarring, die van een dergelijken aanval onafscheidelijk is, gaf
-hij aan de zijnen bevel, om zich in alle richtingen te verspreiden, ten
-einde des te gemakkelijker aan de slagen hunner vijanden te ontkomen.
-
-De roovers schoten allen te gelijkertijd hunne geweren af, hetgeen
-onder de aanvallers eenige aarzeling teweeg bracht, en verwijderden
-zich toen als een troep bloeddorstige gieren, om weldra in de
-duisternis te verdwijnen.
-
-De kapitein intusschen, die het laatst achtergebleven was, om den
-aftocht te dekken, verzuimde niet om nogmaals, terwijl hij langs de
-rotsen afgleed, al vluchtende en zoolang hij kon, naar de sporen van
-het meisje te zoeken; maar er was niets van haar te ontdekken.
-Teleurgesteld ging hij weg, met woede in het hart en de zwartste
-voornemens in het hoofd.
-
-Edelhart door den Indiaanschen verspieder, en vooral door het verhaal
-van den doctor van den aanval op het kamp onderricht, was dadelijk op
-marsch gegaan, ten einde den Mexicanen zoo spoedig mogelijk hulp toe te
-brengen. Doch ongelukkig waren, ondanks de snelheid waarmede zij
-voortgingen, de jagers en de Comanchen te laat gekomen om de karavaan
-te redden.
-
-Toen de aanvoerders der onderneming zich van de vlucht der roovers
-verzekerd hadden, begonnen de Arendskop en zijne manschappen hen te
-achtervolgen.
-
-Edelhart, meester van het kamp gebleven zijnde, gaf bevel tot eene
-algemeene jacht in de naburige rotskloven en in het hooge gras, dat de
-bandieten nog niet den tijd hadden gehad nauwkeurig te onderzoeken,
-want zij waren nauwelijks het kamp binnengedrongen, of zij werden er
-weder uitgeslagen. Deze jacht leidde tot de ontdekking van Phebe, het
-kamermeisje van doña Luz, en van twee lanceros, die zich in een
-boomstam verscholen hadden, en die meer dood dan levend door den
-Zwarten Eland en nog eenige andere jagers werden te voorschijn
-gebracht. De arme drommels meenden den roovers in handen gevallen te
-zijn, en Edelhart had onbeschrijfelijk veel moeite om hun aan het
-verstand te brengen, dat de lieden die zij zagen vrienden waren, wel is
-waar te laat gekomen om hen te helpen, maar toch niet genegen hun eenig
-kwaad te doen. Zoodra zij een weinig gerust gesteld waren, trad
-Edelhart met hen de tent binnen, en vroeg hun een omstandig verhaal van
-het gebeurde.
-
-De jongste mesties, zoodra zij zag met wie zij te doen had, kreeg
-eensklaps al haar moed terug, en daar zij bovendien Edelhart herkende,
-liet zij zich lichtelijk tot praten bewegen: binnen weinige minuten
-bracht zij den jager op de hoogte van al de verschrikkelijke
-gebeurtenissen, waarvan zij getuige was geweest.
-
-»Dus,” vroeg hij haar, »is kapitein Aguilar gedood?”
-
-»Helaas! ja,” antwoordde het meisje met een smartelijken zucht; zij
-dacht aan den moed van den armen officier.
-
-»En de generaal?” hernam de jager.
-
-»O, de generaal,” zeide de mesties levendig, »die heeft zich geweerd
-als een leeuw, en hij is eerst na een heldhaftigen tegenstand
-gevallen.”
-
-»Is hij dood?” vroeg Edelhart, pijnlijk aangedaan.
-
-»O, neen,” zeide zij, »hij is maar gewond, ik heb gezien dat de
-bandieten hem wegdroegen, ik geloof zelfs, dat zijne wonden niet van de
-zwaarsten zijn, daar de ladrons (dieven) hem gedurende het gevecht
-altijd trachtten te sparen.”
-
-»Des te beter,” zeide de jager, en hij boog nadenkend het hoofd. Na
-eene korte pauze, voegde hij er aarzelend en met eenigszins bevende
-stem bij: »En uwe jonge meesteres, wat is daarvan geworden?”
-
-»Mijne meesteres, doña Luz?”
-
-»Ja, doña Luz, dat is geloof ik haar naam; ik zou er alles voor over
-hebben, om iets van haar te hooren, en te weten dat zij zich in
-veiligheid bevindt.”
-
-»Dat doet zij, want zij is dicht bij u,” zeide eene welluidende stem.
-
-En doña Luz trad te voorschijn, nog bleek van de aandoeningen, waaraan
-zij ten prooi was geweest, maar toch kalm, met een glimlach op de
-lippen, en met glinsterende oogen.
-
-De omstanders konden een uitroep van verbazing niet weerhouden, toen
-zij zoo onverwachts dat meisje zagen verschijnen.
-
-»O, God zij geprezen!” riep de jager uit, »onze hulp is dan niet geheel
-nutteloos geweest, Caballero.”
-
-»Neen,” antwoordde zij bevallig; en liet er treurig op volgen, terwijl
-eene donkere wolk haar gelaat overschaduwde: »thans, nu ik hem verloren
-heb, die mij als een vader was, kom ik uwe bescherming inroepen.”
-
-»Zij is u gegund, mevrouw,” zeide hij met warmte; »wat uw oom betreft,
-o, reken op mij; ik zal hem u teruggeven, al moest ik het met mijn
-leven betalen. Gij weet,” voegde hij er bij, »dat ik heden niet voor de
-eerste maal uwe zaak verdedig.”
-
-Toen de eerste oogenblikken van aandoening voorbij waren, verlangde men
-te weten, hoe het meisje er in geslaagd was om zich aan de nasporingen
-der roovers te onttrekken.
-
-Doña Luz verhaalde wat haar overkomen was.
-
-Het meisje had zich geheel gekleed te bed gelegd, de ongerustheid had
-haar wakker gehouden, een geheim voorgevoel zeide haar, dat zij op hare
-hoede moest zijn. Bij het door de roovers aangeheven geschreeuw was zij
-verschrikt opgestaan, en met den eersten oogopslag had zij gezien, dat
-het onmogelijk was om te vluchten. Een angstigen blik om zich heen
-werpende, had zij eenige kleederen bemerkt, die in wanorde in eene
-hangmat waren geworpen en naar buiten hingen.
-
-Toen was haar plotseling een gedachte in het hoofd gekomen. Zij had
-zich onder deze kleederen laten doorglijden, en zich zoo klein makende
-als zij kon, zich in de hangmat nedergelegd, zonder de wanorde der
-kleederen te verstoren. Door Gods goedheid had het opperhoofd der
-bandieten, toen hij overal rondzocht, er niet aan gedacht om met de
-hand in die schijnbaar ledige hangmat te tasten. Door dit toeval gered,
-had zij zich ongeveer een half uur schuil gehouden, al dien tijd in
-eene spanning verkeerende, die het onmogelijk is te beschrijven. De
-komst der jagers en de stem van Edelhart, die zij terstond herkende,
-hadden haar weder hoop ingeboezemd, zij had hare schuilplaats verlaten,
-en ongeduldig op eene gunstige gelegenheid gewacht om zich te
-vertoonen.
-
-De jagers stonden verbaasd over dit eenvoudig en toch zoo treffend
-verhaal; zij wenschten het meisje geluk met haren moed en hare
-tegenwoordigheid van geest, door welke alleen zij gered was geworden.
-
-Toen de orde in het kamp een weinig hersteld was, begaf Edelhart zich
-wederom naar doña Luz.
-
-»Mevrouw,” zeide hij, »weldra zal het dag zijn; als gij eenige uren
-rust zult genomen hebben, zal ik u bij mijne moeder brengen, die eene
-vrome vrouw is; als zij u kent, twijfel ik niet, of zij zal u als hare
-dochter liefhebben; daarna, als gij in veiligheid zult zijn, zal ik
-mijn best doen, om uwen oom op te sporen.”
-
-Zonder de dankbetuigingen van het meisje af te wachten, maakte hij eene
-eerbiedige buiging voor haar en ging de tent uit.
-
-Zoodra hij weg was, slaakte doña Luz een zucht, en liet zich peinzend
-op haar stoel nedervallen.
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-DE GROT VAN DEN KOPERGROEN.
-
-
-Er waren twee dagen verloopen, na de in het vorige hoofdstuk vermelde
-gebeurtenissen.
-
-Wij geleiden den lezer, tusschen drie en vier ure na den middag, in de
-door Goedsmoeds ontdekte hut, waar Edelhart bij voorkeur zijn verblijf
-hield. Het inwendige der grot, verlicht door tallooze toortsen van
-zeker hout, dat de Indianen kaarshout noemen, en die op gelijke
-afstanden in de nissen der rotsen stonden te branden, had heel veel van
-eene legerplaats van heidens of bandieten. Een veertigtal jagers en
-Comanchen waren hier en daar verspreid; sommigen sliepen, anderen
-rookten, anderen wederom maakten hunne wapens schoon of herstelden
-hunne kleederen, nog anderen lagen geknield voor twee of drie vuren,
-waarboven groote ketels hingen, of roosterden ontzaglijke stukken
-wildbraad voor het middagmaal hunner kameraden. Bij elken ingang der
-grot stonden twee schildwachten, onbewegelijk, maar op alles nauwkeurig
-acht gevende, om voor het algemeene welzijn te waken.
-
-In een afzonderlijk vertrek, door een vooruitstekend rotsblok van de
-overige ruimte afgescheiden, zaten twee vrouwen en een man op ruwe
-houtblokken zachtjes te praten.
-
-Deze vrouwen waren doña Luz en de moeder van Edelhart, de man, die
-onder het rooken van zijn maïs-cigaar het oog op haar gevestigd hield,
-en soms zich in het gesprek mengde, hetzij door een uitroep van
-verrassing, van bewondering, of van vreugde, was nô Eusébio, de oude
-Spaansche dienaar, van wien wij reeds meermalen in den loop van dit
-verhaal melding hebben gemaakt.
-
-Aan den ingang van dit vertrek, dat eene soort van kamer in de grot
-vormde, wandelde een ander man, met de handen op den rug en tusschen de
-tanden fluitend, heen en weder. Dat was de Zwarte Eland.
-
-Edelhart, de Arendskop en Goedsmoeds waren afwezig.
-
-Het gesprek der beide vrouwen scheen hun veel belang in te boezemen; de
-moeder van den jager wisselde vaak een veelbeteekenenden blik met haar
-ouden dienaar, die zijn cigaar uit had laten gaan, maar, zonder het te
-merken, werktuigelijk bleef doorrooken.
-
-»O,” zeide de oude dame, de handen samenvouwende en de oogen ten hemel
-slaande, »de vinger Gods is wel zichtbaar in dit alles.”
-
-»Ja,” antwoordde nô Eusébio met overtuiging. »Hij alléén heeft alles
-gedaan.”
-
-»En zeg mij, mijn lieve, heeft uw oom gedurende de twee maanden dat gij
-op reis zijt, u nooit laten merken, hetzij door woorden, hetzij door
-daden, wat het doel was van dien tocht?”
-
-»Nooit!” antwoordde doña Luz.
-
-»Het is vreemd,” prevelde de oude dame.
-
-»Ja vreemd, inderdaad,” herhaalde nô Eusébio, die voortging met aan
-zijn cigaar te trekken.
-
-»Maar,” hernam Edelharts moeder, »waarmede bracht uw oom sedert zijne
-komst in de prairiën, zijn tijd door? Vergeef mij, mijn kind, die
-vragen moeten u wel vreemd toeschijnen, maar zij zijn geenszins het
-gevolg van nieuwsgierigheid; later zult gij mij begrijpen; dan zult gij
-inzien hoe groot de belangstelling is, die gij mij inboezemt, en welke
-alleen mij noopt u te ondervragen.”
-
-»Ik twijfel er geenszins aan, mevrouw,” antwoordde doña Luz met een
-bekoorlijk lachje; »ook maak ik geen bezwaar om uwe vragen te
-beantwoorden. Mijn oom is sedert onze komst in de prairiën zeer
-droefgeestig en bezorgd geweest; hij zocht bij voorkeur het gezelschap
-van menschen, die aan het woestijnleven gewoon waren, en als hij er zoo
-een ontmoette, bleef hij vaak vele uren achtereen met hem praten.”
-
-»En waarover ondervroeg hij hen dan, mijn kind, herinnert gij u dat
-ook?”
-
-»O hemel, mevrouw,” antwoordde het meisje, terwijl een lichte blos hare
-wangen kleurde, »ik moet u tot mijne schande bekennen, dat ik op die
-gesprekken niet veel acht gaf, daar ik ten minste dacht, dat zij mij al
-heel weinig aangingen. Ik, arm kind, die tot nu toe eene sombere en
-eentonige levenswijze geleid heb, en die de wereld slechts heb gezien
-door de tralies van mijn klooster, ik bewonderde de grootsche natuur,
-die als door betoovering zich voor mij ontrolde; ik had geene oogen
-genoeg om die wonderen te aanschouwen, en ik aanbad den schepper, wiens
-oneindige macht zich eensklaps aan mij openbaarde.”
-
-»Het is waar, lief kind, vergeef mij die vragen, die u moeten
-vermoeien, en waarvan gij het belang niet gissen kunt,” zeide de goede
-dame, haar een kus op het voorhoofd drukkende; »als gij wilt, zullen
-wij er later nog wel eens over spreken.”
-
-»Zoo als gij wilt, mevrouw,” antwoordde het meisje haar wederom
-kussende, »ik ben blijde met u te kunnen praten, en welk onderwerp gij
-kiezen moogt ik zal er altijd veel belang in stellen.”
-
-»Maar wij zitten hier niets te doen als te babbelen, en vergeten
-intusschen mijn armen zoon die sedert dezen morgen afwezig is, en die,
-naar hij mij gezegd heeft, nu reeds terug moest zijn.”
-
-»O, als hem maar niets overkomen is,” riep doña Luz angstig.
-
-»Gij stelt dan wel belang in hem?” vroeg de oude dame glimlachend.
-
-»O, mevrouw,” antwoordde zij aangedaan, terwijl haar gelaat zich met
-gloeiend rood overdekte, »hoe zou dit anders kunnen na de diensten, die
-hij ons bewezen heeft, en die welke hij ons nog bewijzen zal gelijk ik
-zeker weet?”
-
-»Mijn zoon heeft u beloofd uw oom te zullen bevrijden; wees overtuigd,
-dat hij zijne belofte vervullen zal.”
-
-»O, ik twijfel er niet aan, mevrouw! zulk een edel en groot karakter!”
-riep zij met verheffing van stem uit, »met hoeveel recht draagt hij den
-naam van Edelhart!”
-
-De oude dame en Eusébio zagen haar glimlachend aan; zij waren verheugd
-over de verrukking van het meisje.
-
-Doña Luz bemerkte nu met welk eene aandacht men haar gadesloeg; zij
-hield verlegen op, en boog het hoofd voorover, nog sterker blozende dan
-te voren.
-
-»O,” zeide de oude dame, haar bij de hand grijpende, »ga gerust voort,
-mijn kind, ik ben verrukt u zoo over mijn zoon te hooren spreken; ja,”
-voegde zij er treurig en als tot zichzelve sprekende bij, »ja, hij
-heeft een groot en edel karakter; gelijk alle groote geesten, wordt hij
-miskend; maar geduld, God beproeft hem, eens zal hem recht wedervaren:
-voor het aangezicht van allen.”
-
-»Zou hij gelukkig zijn?” waagde het meisje te vragen.
-
-»Dat zeg ik niet, mijn kind,” antwoordde de arme moeder met een
-onderdrukten zucht, »wie kan in deze wereld zich vleien, gelukkig te
-zijn? Ieder heeft een last om te dragen, maar de Almachtige geeft aan
-ieder kracht naar kruis.”
-
-Men hoorde eenige beweging in de grot, verscheidene mannen traden
-binnen.
-
-»Daar is uw zoon, mevrouw,” zeide de Zwarte Eland.
-
-»Verplicht, mijn vriend,” antwoordde zij.
-
-»O, zooveel te beter,” zeide doña Luz, verheugd opstaande.
-
-Maar beschaamd over deze onwillekeurige beweging, liet het meisje zich
-verlegen en blozend weder op hare zitplaats nedervallen.
-
-Het was inderdaad Edelhart die binnenkwam, maar hij was niet alleen.
-Goedsmoeds en de Arendskop, benevens verscheidene jagers vergezelden
-hem.
-
-Edelhart, zoodra hij zich in de grot bevond, begaf zich dadelijk met
-groote stappen naar de plaats, waar zijne moeder zat, hij gaf haar een
-kus op het voorhoofd, wendde zich toen tot doña Luz, en groette haar
-met zekere onnatuurlijke gedwongenheid, die voor de oude dame niet
-onopgemerkt bleef.
-
-Het meisje groette hem niet minder stijf terug.
-
-»Nu,” zeide hij vroolijk, »gij zult u wel verveeld hebben, terwijl gij
-op mij zat te wachten, mijne edele gevangene! de tijd heeft u in deze
-grot wel lang moeten toeschijnen; vergeef mij, dat ik u in deze akelige
-woning geherbergd heb, doña Luz, gij, die geboren zijt om prachtige
-paleizen te bewonen. Helaas! het is het prachtigste van al mijne
-verblijven.”
-
-»Bij de moeder van hem, die mij het leven gered heeft, mijnheer,”
-antwoordde het meisje met waardigheid, »gevoel ik mij als in de
-tegenwoordigheid eener koningin, welke ook de plaats moge zijn, die
-haar tot woning verstrekt.”
-
-»Gij zijt al te goed, mevrouw!” stamelde de jager; »gij maakt mij
-waarlijk verlegen.”
-
-»Welnu, mijn zoon,” viel de oude dame in, met het doel om eene andere
-wending te geven aan het gesprek dat voor de beide jonge lieden
-moeielijk begon te worden, »wat hebt gij van daag gedaan? Hebt gij
-goede tijding voor ons? Doña Luz is zeer bezorgd omtrent het lot van
-haar oom; zij brandt van verlangen om hem weder te zien.”
-
-»Ik begrijp de ongerustheid van mevrouw,” antwoordde de jager, »ik hoop
-die weldra uit den weg te ruimen, wij hebben van daag niet veel
-uitgericht, het is ons onmogelijk geweest het spoor der bandieten terug
-te vinden. Het is om gek te worden van woede. Gelukkig hebben wij bij
-onze terugkomst, niet ver van de grot, den doctor wedergevonden, die
-volgens zijne loffelijke gewoonte, bezig was met in de spleten der
-rotsen naar kruiden te zoeken; hij zeide ons, dat hij een man van een
-verdacht uiterlijk in den omtrek had zien ronddwalen. Wij zijn dadelijk
-op de jacht gegaan, en inderdaad ontdekten wij weldra een persoon,
-waarvan wij ons onverwijld meester maakten, en dien wij hierheen hebben
-gebracht.”
-
-»Gij ziet dus, mijnheer,” zeide doña Luz min of meer schalkachtig, »dat
-het zoeken van kruiden toch nog ergens goed voor is. De goede doctor
-heeft u naar alle waarschijnlijkheid een groote dienst bewezen.”
-
-»Zonder het te willen,” antwoordde Edelhart lachend.
-
-»Dat spreek ik niet tegen,” hernam het meisje schertsend, »maar hij
-heeft het toch niettemin gedaan; en dat hebt gij aan zijne liefhebberij
-voor de planten te danken.”
-
-»Het zoeken van planten heeft iets goeds, dat stem ik u toe; maar alles
-moet zijn tijd hebben, en de doctor, zonder dat ik hem iets verwijten
-wil, heeft den zijne niet altijd even goed gekozen.”
-
-Ondanks de ernstige feiten, waarop deze woorden zinspeelden, konden de
-omstanders zich niet weêrhouden, om ten koste van den ongelukkigen
-geleerde even te glimlachen.
-
-»Kom, kom,” zeide doña Luz, »ik wil niet dat men mijnen armen doctor
-aanvalt; hij is voor zijne achteloosheid zwaar genoeg gestraft door het
-verdriet, dat hem sedert dien noodlottigen dag verteert.”
-
-»Gij hebt gelijk, mevrouw; ik zal er niet meer van spreken; maar nu
-vraag ik uwe toestemming om u te verlaten; mijne kameraden sterven
-letterlijk van honger, en de brave lieden wachten op mij, om te gaan
-eten.”
-
-»Maar,” vroeg nô Eusébio, »dien man, dien gij aangehouden hebt, wat
-wilt gij daarmede doen?”
-
-»Dat weet ik nog niet; zoodra ik gegeten heb, zal ik hem ondervragen;
-zijne antwoorden zullen waarschijnlijk mijn gedrag ten zijnen opzichte
-besturen.”
-
-De ketels werden van het vuur genomen en de stukken wildbraad klein
-gesneden; de jagers en de Indianen zetten zich broederlijk naast
-elkander en aten met veel smaak.
-
-De dames werden afzonderlijk in haar vertrek bediend door nô Eusébio,
-die de plichten van hofmeester waarnam met eene zorgvuldigheid en een
-ernst, eene betere plaats waardig.
-
-De man, die bij den ingang der grot aangehouden was, was onder bewaking
-gesteld van twee sterke, van top tot teen gewapende jagers, die hem
-niet uit het oog verloren; maar hij scheen er volstrekt niet aan te
-denken om te ontvluchten; integendeel, hij deed de spijzen, die men
-beleefd genoeg geweest was voor hem neder te zetten, zeer veel eer aan.
-
-Zoodra de maaltijd afgeloopen was, vereenigden de opperhoofden zich, en
-voerden eenige minuten lang te zamen een fluisterend gesprek. Daarna
-werd op bevel van Edelhart de gevangene voorgebracht, en maakte men
-zich gereed om hem te ondervragen. Deze man, dien men nog nauwelijks
-een blik waardig gekeurd had, werd dadelijk herkend, zoodra hij voor de
-opperhoofden stond, die een gebaar van verrassing niet konden
-weerhouden.
-
-»Kapitein Ouaktehno!” prevelde Edelhart verbaasd.
-
-»Ja, ik zelf, mijne heeren,” antwoordde de roover met spottende
-hooghartigheid; »wat hebt gij mij te vragen? Ik ben bereid u op alles
-te antwoorden.”
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-STAATKUNDE.
-
-
-Na al wat er gebeurd was, scheen het van den kapitein eene ongehoorde
-vermetelheid, om zich zelven aldus weerloos in handen te stellen van
-menschen, die niet zouden aarzelen eene schitterende wraak op hem te
-nemen. De jagers waren dan ook niet weinig verschrikt over dezen stap
-van den roover, en zij vermoedden, niet zonder reden, dat er een list
-onder verscholen lag. Zij begrepen zeer goed, dat, zoo de kapitein
-gevangen genomen was, hij zich had laten gevangen nemen, en dat hij
-waarschijnlijk eene dringende beweegreden had om aldus te handelen,
-vooral na de zorg die hij besteed had, om zijn spoor voor aller oog te
-verbergen, en zulk eene ondoordringbare schuilplaats te zoeken, dat de
-Indianen zelven, aan wier scherpen blik niets ontgaat, de hoop van die
-ooit te zullen vinden, hadden opgegeven. Wat kwam hij doen, te midden
-zijner onverzoenlijke vijanden? Welke reden had hem kunnen bewegen om
-de onvoorzichtigheid te begaan van zich zelven over te geven? Dit
-vroegen de jagers zich af, terwijl zij hem aanstaarden met die
-nieuwsgierigheid en belangstelling, welke men onwillekeurig zich
-genoopt gevoelt te wijden aan den man, die onverschrokken een moedige
-daad volbrengt, welk karakter hij overigens ook moge bezitten.
-
-»Mijnheer,” zeide Edelhart na een korte pauze tot hem, »daar gij u in
-onze handen gesteld hebt, zult gij zonder twijfel niet weigeren te
-antwoorden op de vragen, die wij noodig achten tot u te richten.”
-
-Een onbeschrijfelijke lach plooide de bleeke en dunne lippen van den
-roover.
-
-»Niet alleen,” antwoordde hij kalm en met nadruk, »zal ik niet weigeren
-u antwoord te geven, mijne heeren, maar zelfs zoo gij het vergunt, zal
-ik uwe vragen vooruitloopen, door u uit eigen beweging al wat er is
-voorgevallen te melden, hetgeen, ik ben er zeker van, u vele feiten
-duidelijk zal maken, die tot nu toe duister zijn gebleven, en die gij
-te vergeefs gepoogd hebt te verklaren.”
-
-Een gemompel van verbazing doorliep de rijen der jagers, die allen
-naderbij kwamen en aandachtig luisterden.
-
-Dit tooneel nam vreemde verhoudingen aan, en beloofde belangrijk te
-zullen worden. Edelhart dacht even na, vervolgens zich tot den roover
-wendende, zeide hij:
-
-»Ga uw gang, mijnheer, wij luisteren.”
-
-De kapitein boog, en begon op schertsenden toon zijn verhaal; toen hij
-bij de overmeestering van het kamp gekomen was, vervolgde hij aldus:
-
-»Dat was een fijne zet van ons, niet waar, mijne heeren? inderdaad, gij
-moogt mij wel een compliment daarover maken, gij, die in dergelijke
-zaken voor meesters doorgaat, maar er is iets dat gij niet weet, en dat
-ik u zeggen moet: de rijkdommen van den Mexicaanschen generaal waren
-voor mij slechts eene bijzaak, ik had een ander doel, en dat doel zal
-ik u te kennen geven; ik wilde mij meester maken van doña Luz. Van
-Mexico af ben ik de karavaan stap voor stap gevolgd; den oppersten
-gids, den Babbelaar, een ander vertrouwde van mij, had ik omgekocht;
-het goud en de kostbaarheden voor mijne kameraden overlatende, begeerde
-ik slechts het meisje.”
-
-»Nu, dan hebt gij uw doel gemist, of ik weet het niet,” viel Goedsmoeds
-hem, met een tartenden glimlach, in de rede.
-
-»Zoudt gij dat denken?” antwoordde de ander met onverstoorbare kalmte;
-»inderdaad, hebt gij in zoover gelijk, dat ik voor ditmaal mijn doel
-heb gemist; maar ik heb nog niet alles gezegd, en misschien zal ik niet
-altijd mijn doel missen.”
-
-»Gij spreekt hier, omringd door honderdvijftig der beste karabijnen der
-prairie, over dat afschuwelijk plan, met even veel vertrouwen, alsof
-gij u in veiligheid onder uwe bandieten bevondt, kapitein; dat is een
-groote onvoorzichtigheid, of wel een zeldzame vermetelheid,” zeide
-Edelhart op gestrengen toon.
-
-»Bah! het gevaar is voor mij niet zoo groot, als gij mij wilt doen
-gelooven; gij weet dat ik de man niet ben, om mij bang te laten maken,
-staak dus uwe bedreigingen, en laat ons, als het u belieft, ernstig
-praten.”
-
-»Wij allen, jagers, bevervangers en Indiaansche krijgslieden, in deze
-grot vereenigd, wij zijn in ons recht, en handelen in het belang onzer
-gemeenschappelijke veiligheid, als wij de wet der prairiën, dat is: oog
-om oog, tand om tand, op u toepassen, op u, die gegrepen, en volgens uw
-eigen bekentenis schuldig zijt aan diefstal, moord, en poging tot
-maagdenroof; die wet zullen wij onmiddellijk ten uitvoer leggen. Wat
-hebt gij tot uwe verdediging aan te voeren?”
-
-»Alles op zijn tijd, Edelhart; aanstonds zullen wij ons daarmede bezig
-houden, maar laat ons nu, bid ik u, een einde maken aan hetgeen ik te
-zeggen had; wees gerust, het zal slechts eenige minuten oponthoud
-geven; ik zelf zal op die andere zaak terugkomen, waarin gij zooveel
-belang schijnt te stellen, daar gij u op eigen gezag tot rechter in de
-woestijn opwerpt.”
-
-»Die wet is zoo oud als de wereld, zij is door God zelf gegeven: het is
-de plicht van alle eerlijke lieden, om een wild dier te vervolgen, als
-men het op zijn weg tegenkomt.”
-
-»Die vergelijking is niet vleiend,” antwoordde de roover onbewogen,
-»maar ik ben niet lichtgeraakt, ik zal er mij niet boos om maken; wilt
-gij mij nu nog voor het laatst het woord gunnen?”
-
-»Spreek, en laat het dan uit zijn.”
-
-»Dat is juist wat ik verlang; luister dan. In deze wereld vat ieder het
-leven naar zijne wijze op, de een wat ruimer, de ander wat meer
-bekrompen; wat mij betreft, het is mijn ideaal, mij binnen eenige jaren
-met een aardig fortuintje van hier te verplaatsen naar een dier schoone
-Mexicaansche provinciën, die er zoo recht prettig uitzien; gij bemerkt
-dus, dat ik niet eerzuchtig ben. Eenige maanden geleden was ik ten
-gevolge van verscheidene winstgevende zaken in de prairiën, die ik
-gelukkig had ten einde gebracht, in het bezit van een ronde som gelds,
-die ik volgens gewoonte besloot op interest te zetten, ten einde mij
-later dat fortuintje te bezorgen, waarvan ik reeds gesproken heb. Ik
-ging daarom naar Mexico, om mijn kapitaal in bewaring te geven aan een
-aldaar wonenden eerlijken Franschen bankier, die er goed voor zorgt, en
-dien ik u bij gelegenheid aanbeveel.”
-
-»Waartoe al die praatjes?” viel Edelhart hem driftig in de rede; »houdt
-gij ons voor den gek, kapitein?”
-
-»In het minst niet: ik ga voort. Te Mexico vergunde het toeval mij, om
-aan doña Luz een vrij belangrijke dienst te bewijzen.”
-
-»Gij!” riep Edelhart woedend uit.
-
-»Waarom niet?” hernam de andere; »de zaak droeg zich overigens vrij
-eenvoudig toe; ik verloste haar uit de handen van mijne bandieten, die
-juist bezig waren haar met alle zorgvuldigheid te plunderen; ik zag
-haar en werd wanhopig op haar verliefd.”
-
-»Mijnheer!” zeide de jager, terwijl het bloed hem naar het hoofd steeg,
-»dat gaat alle perken te buiten. Doña Luz is eene dame, waarvan men met
-eerbied spreken moet; ik zal niet dulden dat men haar in mijne
-tegenwoordigheid beleedigt.”
-
-»Wij zijn volkomen van hetzelfde gevoelen,” hernam de bandiet, »maar
-het is daarom niet minder waar, dat ik verliefd op haar werd; ik deed
-onderzoek naar haar, hoorde wie zij was, welke reis zij ging maken, en
-tot op het oogenblik van haar vertrek was ik zeer gelukkig, gelijk gij
-ziet; maar toen was mijn plan gemaakt, een plan, dat gelijk zoo even
-zeer te recht door u is opgemerkt, geheel schipbreuk geleden heeft,
-maar dat ik nog niet denk op te geven.”
-
-»Wij zullen er wel een eind aan weten te maken.”
-
-»En gij zult wel doen, zoo gij maar kunt.”
-
-»Nu hebt gij gedaan met spreken, geloof ik.”
-
-»Nog niet als het u belieft, maar voor wat ik nu ga zeggen is de
-tegenwoordigheid van doña Luz onmisbaar; van haar alleen hangt de goede
-uitslag mijner zending bij u af.”
-
-»Ik begrijp u niet.”
-
-»Gij behoeft mij ook nu nog niet te begrijpen, maar stel u gerust,
-Edelhart, het raadsel zal weldra worden opgelost.”
-
-Gedurende dit lange onderhoud had de roover geen oogenblik zijne
-tegenwoordigheid van geest verloren, noch dien spottenden toon en die
-losse manier van handelen opgegeven die den jager wanhopig maakten. Hij
-geleek veel meer op een landedelman, die bij zijne buren een bezoek
-aflegt, dan op een gevangene, die op het punt was van doodgeschoten te
-worden; hij scheen zich over het gevaar, dat hij liep, geen oogenblik
-te verontrusten; zoodra hij met spreken gedaan had, en terwijl de
-jagers fluisterend met elkander beraadslaagden, hield hij zich bezig
-met op een maïs-cigaar te kauwen die hij opstak en bedaard ging zitten
-rooken.
-
-»Doña Luz,” hernam Edelhart met kwalijk verborgen ongeduld, »heeft
-niets met de onderhandelingen te maken, hare tegenwoordigheid is niet
-noodzakelijk.”
-
-»Gij vergist u zeer, mijn beste,” antwoordde de onverstoorbare roover,
-terwijl hij een groote rookwolk uitblies, »zij is onmisbaar, en zie
-hier waarom: gij begrijpt heel goed, niet waar? dat ik een veel te
-slimme vogel ben om mij zoo maar voetstoots aan u uit te leveren,
-zonder bij mij iemand te hebben achtergelaten, die met zijn leven voor
-het mijne instaat; die iemand is de oom van het meisje; zoo ik niet te
-middernacht ben teruggekeerd in mijne woning, zoo als gij het gelieft
-te noemen, en te midden mijner dappere kameraden, en dat wel om tien
-minuten over twaalven, precies, dan zal die achtenswaardige heer zonder
-uitstel dood geschoten worden.”
-
-Eene rilling van gramschap liep door de rijen der jagers.
-
-»Ik weet heel goed,” ging de roover voort: »dat gij persoonlijk u zeer
-weinig om het leven van den waardigen generaal bekommert, en dat gij
-het edelmoedig zult opofferen, in ruil voor het mijne; maar gelukkig
-voor mij is doña Luz, daar ben ik zeker van, van een ander gevoelen;
-wees dus zoo goed, en verzoek haar om hier te komen, opdat zij hoore
-wat ik haar heb voor te stellen; de tijd gaat voort, de weg van hier
-naar mijn kamp is lang; als ik te laat kwam, zoudt gij alleen
-verantwoordelijk zijn voor de ongelukken, die mijn oponthoud zou
-tengevolge hebben.”
-
-»Hier ben ik, mijnheer,” zeide doña Luz, eensklaps te voorschijn
-tredende, daar zij onder de menigte verborgen, alles gehoord had wat er
-gezegd was.
-
-De roover wierp zijn half uitgerookte cigaar weg, maakte eene beleefde
-buiging voor het meisje en groette haar eerbiedig.
-
-»Ik ben gelukkig, mevrouw,” zeide hij, »van wege de eer, waarmede gij
-mij verwaardigt.”
-
-»Houd op met uw beleedigende complimenten, mijnheer; ik luister, wat
-hebt gij mij te zeggen?”
-
-»Gij beoordeelt mij verkeerd,” antwoordde de roover, »maar ik hoop, dat
-ik later genade zal vinden in uwe oogen. Herkent gij mij dan niet, ik
-meende eene betere herinnering bij u te hebben achtergelaten.”
-
-»Het is mogelijk, mijnheer, dat ik een tijdlang een goeden dunk van u
-bewaard heb,” antwoordde het meisje bewogen, »maar na al wat er in deze
-laatste dagen gebeurd is, zie ik in u niets anders als een misdadiger.”
-
-»Dat woord is hard, mevrouw!”
-
-»Vergeef mij bid ik u, mijnheer, zoo het u mocht beleedigd hebben, maar
-ik ben nog niet geheel hersteld van de schrikken die gij mij hebt
-aangejaagd, schrikken, die uw gedrag van heden veeleer verdubbelt dan
-uitwischt; wil mij dus zonder uitstel met uwe bedoelingen bekend
-maken.”
-
-»Ik zou bijna wanhopen, daar ik zoo slecht door u begrepen word,
-mevrouw; ik smeek u, schrijf al het gebeurde alleen toe aan de
-hevigheid van den hartstocht, die mij bezielt, en geloof....”
-
-»Mijnheer, gij beleedigt mij!” viel het jonge meisje, zich trotsch
-oprichtende, hem in de rede; »welke gemeenschap kan er bestaan tusschen
-mij en een bandietenhoofdman?”
-
-Bij deze geweldige beleediging overdekte een koortsachtige gloed het
-gelaat van den roover; hij beet zich op de lippen, maar een sterke
-poging doende om zichzelven te beheerschen, smoorde hij de gevoelens,
-die hem bezielden, in het diepst van zijn hart, en antwoordde hij op
-kalmen en eerbiedigen toon:
-
-»Het zij zoo, mevrouw; verpletter mij, ik heb het verdiend.”
-
-»Is het alleen om zulke alledaagsche gezegden uit te kramen, dat gij
-mijne tegenwoordigheid hebt verlangd, mijnheer? in dat geval zult gij
-mij niet kwalijk nemen, als ik mij verwijder; een meisje van mijn rang
-is aan zulke manieren niet gewoon, en verwaardigt zich niet zulke
-gesprekken aan te hooren.” Zij maakte eene beweging, om zich wederom
-naar de moeder van Edelhart te begeven, die op zijne beurt naar haar
-toekwam.
-
-»Een oogenblik, mevrouw!” riep de roover toornig uit; »gij veracht
-mijne gebeden, welnu, hoor dan mijne bevelen.”
-
-»Uwe bevelen!” brulde de jager, op hem toespringende; »vergeet gij dan
-waar gij zijt, ellendeling?”
-
-»Kom, geen bedreigingen, mijn waarde vrienden!” hernam de roover met
-luider stem, terwijl hij de armen kruiselings over de borst sloeg, het
-hoofd oprichtte en een verachtelijken blik op de omstanders wierp; »gij
-weet wel, dat gij tegen mij niets vermoogt, dat er geen haar van mijn
-hoofd vallen zal.”
-
-»Dat is te veel!” riep de jager uit.
-
-»Halt, Edelhart!” zeide doña Luz, zich voor hem plaatsende, »die man is
-uw toorn onwaardig; ik zie hem liever zoo, hij speelt zijn rol als
-bandiet goed, hij heeft ten minste het masker afgeworpen!”
-
-»Ja, ik heb het masker afgeworpen!” riep de roover woedend uit;
-»luister dan, dwaas kind: binnen drie dagen kom ik terug; gij ziet, ik
-ben goed,” vervolgde hij met een spotachtigen lach, »ik geef u den tijd
-om na te denken; zoo gij er dan niet in toestemt om mij te volgen, zal
-uw oom de vreeselijkste folteringen te verduren hebben, en als een
-laatste gedachtenis van mij, zal ik u zijn hoofd zenden.”
-
-»Monster!....” riep het meisje wanhopend uit.
-
-»Kom aan!” zeide hij, met een duivelschen grijnslach de schouders
-ophalende, »ieder bemint op zijne wijze; ik heb gezworen dat gij mijne
-vrouw zult zijn.”
-
-Maar het meisje hoorde niet meer; door smart overweldigd, was zij in
-zwijm gevallen, in de armen van des jagers moeder en van Nô Eusébio,
-die zich haastten haar weg te brengen.
-
-»Genoeg!” zeide Edelhart met eene vreeselijke stem, terwijl hij zijne
-hand op den schouder van den roover legde; »dank God, die u vergunt
-heelhuids uit onze handen te komen.”
-
-»Binnen drie dagen, op hetzelfde uur, ziet gij mij weder, mijne
-heeren,” zeide hij met verachting.
-
-»In dien tijd kan de kans omslaan,” zeide Goedsmoeds.
-
-De roover antwoordde slechts met een grijnslach en verliet de hut zoo
-kalm en bedaard, alsof er niets buitengewoons ware voorgevallen. Hij
-verwaardigde zich niet eens om even om te zien, zoo zeker was hij van
-de ontsteltenis die hij teweeg gebracht en van den indruk dien hij
-gemaakt had.
-
-Nauwelijks was hij weg, of Goedsmoeds, de Zwarte Eland en de Arendskop
-verlieten de grot langs andere wegen om zijn spoor te volgen.
-
-Edelhart bleef een oogenblik staan peinzen, vervolgens ging hij, bleek
-en met gefronsd voorhoofd, vernemen hoe doña Luz het maakte.
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-TWEESTRIJD.
-
-
-Doña Luz en Edelhart stonden in een zonderlinge verhouding tegenover
-elkander. Beide jong, beide schoon, beminden zij elkander zonder het
-zich zelven te willen bekennen, zonder er zich bijna van bewust te
-zijn. Beide, hoewel hun vorig leven hemelsbreed van elkander
-verschilde, bezaten een gelijke frischheid van gevoelens, een gelijke
-onschuld des harten.
-
-De kindsheid van het meisje was eentonig en stil voorbij gegaan onder
-overdreven godsdienstige oefeningen, in dat land, waar het christendom
-veeleer eene soort van fetischdienst is, dan wel dat zuivere, edele,
-eenvoudige geloof van onze gewesten. Nooit had zij haar hart hooger
-voelen kloppen. Zij was onbekend met de liefde, onbekend met de smart.
-Zij leefde als de vogelen des hemels, den dag van gisteren vergetende,
-aan den dag van morgen niet denkende. Maar de reis, die zij ondernomen
-had, had een geheele verandering in haar bestaan teweeg gebracht. Het
-gezicht van den onmetelijken horizon, die zich voor haar in de prairie
-uitstrekte, van de prachtige rivieren, die zij overtrok, van de hooge
-bergen, waar zij vaak langs moest, en wier toppen den hemel schenen aan
-te raken, had den kring van hare denkbeelden grooter gemaakt, een
-blinddoek was haar als het ware van de oogen gevallen, zij had begrepen
-dat God haar voor iets anders geschapen had, als om in een klooster
-haar leven voort te slepen.
-
-De verschijning van Edelhart, in de buitengewone omstandigheden, waarin
-hij zich aan haar voorstelde, had haren voor elken indruk vatbaren
-geest verleid. In zijne tegenwoordigheid voelde zij zich haars ondanks
-bewogen. Onbewust had haar hart het hart ontmoet, dat het zocht. Teeder
-en zwak als zij was, had zij behoefte aan dien krachtigen man, met dien
-doordringenden blik, met dien leeuwenmoed, met dien ijzeren wil, om
-haar staande te houden in het leven, en om haar onder zijne machtige
-bescherming te nemen.
-
-Ook had zij zich van het eerste oogenblik af aan met onbeschrijfelijk
-zoet gevoel langs de helling, die haar naar Edelhart voerde, laten
-afglijden, en de liefde had zich in hare ziel gevestigd, eer zij het
-wist, en eer zij op tegenstand bedacht was. De laatste gebeurtenissen
-hadden met vernieuwde kracht dien hartstocht, die op den bodem haars
-harten sluimerde, opgewekt. Nu, terwijl zij bij hem was, terwijl zij
-ieder oogenblik uit den mond zijner moeder en van zijne vrienden zijn
-lof hoorde verkondigen, was zij er toe gekomen om hare liefde te
-beschouwen als een deel uitmakende van haar bestaan; zij begreep niet,
-hoe zij zóólang had kunnen leven, zonder dien man te beminnen, dien zij
-van hare geboorte af scheen gekend te hebben.
-
-Zij leefde slechts voor hem en door hem, gelukkig als zij een blik of
-een glimlach van hem kon opvangen, vroolijk als zij hem zag, treurig
-als hij lang wegbleef.
-
-Edelhart was langs een gansch anderen weg tot hetzelfde einddoel
-gekomen. Opgevoed in de prairiën, om zoo te zeggen, van aangezicht tot
-aangezicht tegenover God, dien hij zich gewend had te vereeren in de
-grootsche werken, die hij altijd voor oogen had, hadden de verhevene
-natuurtafereelen, de gedurige worstelingen met de Indianen of met de
-wilde dieren, zijnen geest zoowel als zijn lichaam buitengemeen
-ontwikkeld. Evenals hij door zijne spierkracht en zijne behendigheid in
-het hanteeren der wapenen alle hinderpalen, die hem in den weg stonden,
-wist te overwinnen, was hij ook door den rijkdom zijner denkbeelden en
-door de fijnheid van zijn gevoel, in staat om alle dingen te begrijpen.
-Niets wat goed en groot was, was hem onbekend. Gelijk meestal het geval
-is met zulke uitgelezen karakters, wanneer zij reeds vroeg met
-tegenspoed te worstelen hebben, en zonder andere verdedigers als zich
-zelven aan de vreeselijkste omstandigheden des levens zijn
-blootgesteld, had ook zijne ziel zich op buitengewone wijze ontwikkeld,
-maar tevens een zonderlinge naïveteit bewaard met betrekking tot zekere
-gevoelens, die hem altijd onbekend waren gebleven, en die hem, uit
-hoofde van zijne levenswijze, eeuwig onbekend zouden gebleven zijn, zoo
-niet een toeval hem te hulp ware gekomen. De dagelijksche behoeften van
-het veelbewogen en onzekere leven, dat hij leidde, hadden in hem de
-kiem van den hartstocht onderdrukt, zijne eenzaamheid had hem onbewust
-tot een meer beschouwend leven gevoerd.
-
-Daar hij geen andere vrouwen kende als zijne moeder, want de
-Indiaansche vrouwen hadden hem nooit iets anders als afkeer
-ingeboezemd, was hij zes en dertig jaren oud geworden, zonder aan
-liefde te denken, zonder te weten wat het was, en, wat meer zegt,
-zonder zelfs ooit dat veelbeteekenend woord, dat de bron is van zooveel
-verhevene opofferingen en van zooveel verschrikkelijke misdaden, te
-hebben hooren uitspreken. Als na een lange dagreize door bosschen en
-langs rotsachtige wegen, na een vermoeiende beverjacht, van vijftien
-tot zestien uren, Edelhart en Goedsmoeds zich in de prairie bij het
-wachtvuur vereenigden, liep hun gesprek natuurlijk over niets anders
-als over de gebeurtenissen van den dag. Zoo gingen er weken, maanden,
-jaren voorbij, zonder dat er eenige verandering in zijn toestand kwam,
-behalve dat zich een onbestemd gevoel van hem meester maakte, een
-verlangen naar hij wist niet wat, een ongerustheid waarvan hij de
-oorzaak niet kende, die hem langzaam ondermijnde, zonder dat hij er
-zich rekenschap van geven kon.
-
-Want de natuur heeft hare onverbiddelijke rechten, waaraan ieder,
-willens of onwillens, in welken toestand hij zich ook bevinde, zich
-moet onderwerpen.
-
-Toen dan ook het toeval hem met doña Luz in aanraking bracht, vloog
-zijn hart tot haar met hetzelfde gevoel van natuurlijke en
-onweerstaanbare aanhankelijkheid en eenstemmigheid, dat ook het meisje
-beheerschte. Zelf verbaasd over die plotselinge belangstelling voor
-eene vreemde, welke hij waarschijnlijk nooit weder zou zien, werd hij
-bijna wrevelig over dat in hem opkomend gevoel, en openbaarde hij in
-zijn omgang met haar eene gedwongenheid, die niet in zijn karakter lag.
-Evenals alle groote geesten, die steeds allen zonder tegenstand voor
-zich hebben zien buigen, hinderde hem het bewustzijn van door een
-meisje beheerscht te worden, en onder een invloed te staan, waaraan hij
-zich reeds niet meer onttrekken kon.
-
-Doch toen hij na den brand der prairie het kamp der Mexicanen verliet,
-had hij, ondanks zijn haastig vertrek, de herinnering der vreemde in
-zijn hart medegenomen. Dat beeld was verder uitgewerkt door hare
-afwezigheid. Altijd meende hij in zijne ooren den zoeten, welluidenden
-toon van hare stem te hooren ruischen; altijd, hetzij hij waakte,
-hetzij hij sliep, stond zij voor hem, met een glimlach op de lippen, en
-met den blik op hem geslagen.
-
-De strijd was zwaar om te strijden. Edelhart, niettegenstaande den
-hartstocht die hem verteerde, wist welk een onoverkomelijke afstand hem
-van doña Luz scheidde. Hoe zinneloos zijne liefde was, hoe onmogelijk
-hare bevrediging. Alle tegenwerpingen, die in zulke gevallen slechts
-gemaakt kunnen worden, maakte hij, om zich zelven het bewijs te
-leveren, dat hij een dwaas was.
-
-Vervolgens, toen hij er in geslaagd was om zich zelven te overtuigen,
-dat er tusschen hem en haar, die hij liefhad, een diepe klove bestond,
-toen hij overwonnen was in den vreeselijken strijd, dien hij met zich
-zelven had aangegaan, en alleen de hoop, die den sterke nooit verlaat,
-hem misschien nog staande hield, was hij nog verre van zijne nederlaag
-te willen erkennen of zich weerloos over te geven aan dien hartstocht,
-die voortaan zijn eenig genot, zijn eenig geluk uitmaakte, en ging hij
-steeds voort met hem in het geheim te bestrijden, medelijden hebbende
-met zich zelven om die duizend kleine lafheden, die zijne liefde hem
-dagelijks deed begaan.
-
-Hij vermeed met eene standvastigheid, die het meisje zou hebben kunnen
-hinderen, elke gelegenheid om haar te ontmoeten; als het toeval hem
-dwong zich met haar samen te bevinden, werd hij stil en vervelend; op
-de vragen die zij tot hem richtte, antwoordde hij slechts met moeite en
-met die onhandigheid, die meestal de eerstbeginnenden in het vak der
-liefde kenmerkt; de eerste gelegenheid, die zich aanbood, nam hij waar,
-om haar te verlaten.
-
-Het meisje volgde hem treurig met hare oogen, zuchtte in stilte, en
-voelde soms een vochtige parel langs hare blozende wangen rollen, als
-zij dat afscheid zag, dat haar een bewijs zijner onverschilligheid
-toescheen, en dat toch een gevolg was van zijne liefde. Maar gedurende
-de weinige dagen, die er na de inneming van het kamp verloopen waren,
-waren de jongelieden onbewust eene groote schrede vooruitgegaan, te
-meer daar Edelharts moeder, met dien scherpen blik, welken alleen eene
-moeder bezit, zoo zij waarlijk dien naam verdient, den hartstocht van
-haren zoon geraden, zijn inwendigen strijd gezien, en zich zelve de
-geheime vertrouwde gemaakt had van die liefde, die zij buiten hun weten
-wilde bevorderen en tot een gelukkig einde brengen, terwijl zij beide
-voor zich zelven overtuigd waren, dat hunne liefde in de diepste diepte
-hunner ziel begraven lag.
-
-Zoo stonden de zaken, twee dagen na dien, waarop de kapitein aan doña
-Luz zijn voorstel gedaan had.
-
-Edelhart scheen droeviger gestemd dan gewoonlijk; hij wandelde met
-groote schreden in de grot op en neder, gaf met duidelijke teekenen
-zijn levendig ongeduld te kennen, en wierp nu en dan onrustige blikken
-om zich heen. Eindelijk leunde hij zich tegen een der wanden, liet zijn
-hoofd op zijne borst nederzinken en bleef in gedachten staan.
-
-Zoo stond hij een tijdlang, toen een zachte stem hem in het oor
-fluisterde:
-
-»Wat schort u toch, mijn zoon? van waar die droefheid, die uw gelaat
-bewolkt? Hebt gij slechte tijding ontvangen?”
-
-Edelhart hief het hoofd op, als iemand die eensklaps wordt wakker
-gemaakt. Zijne moeder en doña Luz stonden voor hem, arm in arm op
-elkander leunende. Hij wierp een treurigen blik om zich heen, en
-antwoordde op doffen toon:
-
-»Helaas, moeder, morgen is het de laatste dag! ik heb nog niets kunnen
-bedenken, om doña Luz te redden, en haar haren oom terug te geven.”
-
-De twee vrouwen sidderden.
-
-»Morgen!” prevelde doña Luz, »dat is waar, morgen moet die man komen.”
-
-»Wat zult gij doen, mijn zoon?”
-
-»Weet ik het, moeder?” antwoordde hij ongeduldig; »o, die man is
-sterker dan ik! hij heeft al mijne plannen verijdeld! Tot heden toe is
-het ons onmogelijk geweest zijne schuilplaats te ontdekken; al onze
-nasporingen hebben niet de minste vrucht opgeleverd.”
-
-»Edelhart,” zeide het meisje zachtjes, »zult gij mij dan aan de genade
-van dien bandiet overgeven? Waarom hebt gij mij dan gered?”
-
-»O,” zeide de jager, »dat verwijt zal mij dooden!”
-
-»Ik verwijt u niets, Edelhart,” zeide zij levendig, »maar ik ben zoo
-ongelukkig. Als ik blijf, dan ben ik oorzaak van den dood van den
-eenigen bloedverwant, dien ik ter wereld bezit; als ik ga, ben ik
-onteerd.”
-
-»O, en niets te kunnen doen!” riep hij bewogen uit, »u te zien
-schreien, u ongelukkig te weten, en niets te kunnen doen! O, om u een
-angst te besparen, zou ik gaarne mijn leven willen opofferen! God
-alleen weet, hoe mijne onmacht mij ter neder drukt.”
-
-»Hoop, mijn zoon!” zeide de oude dame op een toon van overtuiging. »God
-is goed, hij zal u niet verlaten.”
-
-»Hopen! wat zegt gij daar, moeder? Twee dagen lang hebben mijne
-vrienden en ik het onmogelijke beproefd, maar alles te vergeefs. Hopen!
-en binnen weinige uren zal die ellendeling zijn prooi komen opeischen!
-Ik wil liever sterven, dan zulk een misdaad te zien volbrengen.”
-
-Doña Luz zag hem met een zonderlinge uitdrukking aan; een droevige
-glimlach plooide hare lippen, en hem zachtjes hare fijne mollige hand
-op de schouders leggende, zeide zij met een welluidende stem:
-
-»Edelhart, bemint gij mij?”
-
-De jongeling sidderde; een rilling voer hem door de leden.
-
-»Waartoe die vraag?” vroeg hij bevend.
-
-»Antwoord mij, zonder aarzelen, en even vrij als ik het u vraag,”
-hernam zij: »het oogenblik is plechtig, ik heb u een gunst te
-verzoeken.”
-
-»O, spreek, mevrouw! gij weet, dat ik u niets kan weigeren.”
-
-»Antwoord mij dan eerst,” hernam zij huiverend, »bemint gij mij?”
-
-»Zoo u te beminnen, mevrouw, hetzelfde is als zijn leven voor u te
-willen opofferen; zoo u te beminnen hetzelfde is als de grootste
-marteling te ondergaan, wanneer ik een traan op uwe wangen zie
-biggelen; zoo u te beminnen hetzelfde is als den moed te hebben, om u
-morgen het offer te laten volbrengen, dat uw oom redden zal, ja,
-mevrouw, dan bemin ik u met al de liefde mijner ziel! spreek dus,
-spreek onbevreesd, wat gij mij vragen zult, ik zal het met vreugde
-doen.”
-
-»Goed, mijn vriend,” zeide zij; »ik reken op uw woord; morgen zal ik er
-u aan herinneren, als die man komt; maar eerst moet mijn oom gered
-worden, al moest ik mijn leven opofferen. Helaas! hij is mij tot een
-vader geweest, hij bemint mij als zijne dochter, om mijnentwil is hij
-den bandieten in handen gevallen. O, zweer mij, Edelhart, dat gij hem
-verlossen zult,” voegde zij er bij, met eene stem, die trilde van
-aandoening.
-
-Edelhart wilde juist antwoorden, toen Goedsmoeds en de Zwarte Eland de
-grot binnentraden.
-
-»Eindelijk!” riep hij uit, op hen toeschietende.
-
-De drie mannen bleven eenige oogenblikken met elkander staan
-fluisteren; vervolgens kwam de jager in aller ijl bij de twee vrouwen
-terug, zijn gelaat schitterde van vreugd.
-
-»Gij hebt gelijk, moeder,” riep hij uit; »God is goed, hij verlaat niet
-wie op hem vertrouwen. Nu ben ik het, die u zegt: hoop, doña Luz,
-weldra zal ik uw oom wedergeven!”
-
-»O,” juichte zij, »zou het mogelijk zijn?”
-
-»Hoop, zeg ik u! vaarwel moeder! bid God, dat hij mij helpe! meer dan
-ooit zal ik zijne hulp van noode hebben.”
-
-Zonder meer te zeggen vloog hij de grot uit, door de meeste zijner
-makkers gevolgd.
-
-»Wat bedoelde hij toch?” prevelde doña Luz angstig.
-
-»Kom, mijne dochter,” antwoordde de oude dame treurig, »laat ons voor
-hem bidden.”
-
-Zij trok haar zachtjes mede, naar het afzonderlijk vertrek, dat zij
-bewoonden.
-
-Er bleven slechts tien mannen in de grot, om de vrouwen te verdedigen.
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-DE GEVANGENE.
-
-
-Toen de Roodhuiden en de jagers het kamp der Mexicanen veroverd hadden,
-hadden de roovers, volgens den last van hunnen hoofdman, zich in alle
-richtingen verstrooid, om des te gemakkelijker aan de nasporingen
-hunner vijanden te ontkomen.
-
-De kapitein en de vier mannen, die den generaal en zijn neger droegen,
-waren langs de helling der rotsen naar beneden gegaan, op gevaar af van
-duizendmaal verbrijzeld te worden en in de diepte te storten, die aan
-hunne voeten gaapte. Op zekeren afstand gekomen, en gerust gesteld door
-de stilte, die om hen heen heerschte, en meer nog door de ongehoorde
-moeielijkheden, die zij overwonnen hadden, om de plaats te bereiken,
-waar zij zich bevonden, bleven zij stilstaan, om adem te scheppen. Een
-dikke duisternis omgaf hen, boven hunne hoofden zagen zij, op een
-ontzaglijke hoogte, evenals zoovele sterren de fakkels glinsteren van
-de jagers, die hen vervolgden, maar die het niet waagden denzelfden weg
-te gaan, langs welken zij gekomen waren.
-
-»’t Gaat goed,” zeide de kapitein; »komt, kinderen, wij kunnen nu
-eenige oogenblikken uitrusten. Wij hebben voor het tegenwoordige niets
-te vreezen; legt uwe gevangenen hier neder, en dat twee uwer de
-omstreken gaan verkennen.”
-
-Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht; eenige minuten later kwamen
-de beide bandieten zeggen, dat zij een hol hadden ontdekt, dat hun
-voorloopig tot schuilplaats kon verstrekken.
-
-»Duivels!” zeide de kapitein, »laat ons daar heen gaan;” en zelf het
-voorbeeld gevende, stond hij op, en verwijderde zich, gevolgd door de
-anderen.
-
-Zij kwamen weldra aan eene grot, die vrij ruim scheen te zijn, en die
-maar weinige voeten lager was dan de plaats, waar zij zich in ’t eerst
-hadden nedergezet.
-
-Toen zij zich hier in veiligheid gesteld hadden, was het de eerste zorg
-van den kapitein om den ingang er van met behulp van een deken geheel
-dicht te sluiten, hetgeen niet moeielijk viel, daar de ingang vrij nauw
-was, zoodat de bandieten hadden moeten bukken, om er in te komen.
-
-»Daar,” zeide de kapitein, »zijn wij nu thuis; hier behoeven wij niet
-bang te zijn, dat een onbescheiden oog ons bespieden zal.” En een
-vuursteen uit zijn zak halende, stak hij eene toorts van kaarshout aan,
-die hij tot dat einde de voorzichtigheid gehad had van mede te nemen.
-Zoodra zij de voorwerpen om hen heen konden onderscheiden, slaakten de
-bandieten een kreet van vreugde. Wat in de duisternis slechts een
-eenvoudig hol scheen te zijn, was een natuurlijke onderaardsche grot,
-gelijk er in deze gewesten velen voorkomen.
-
-»Wel zoo!” zeide de kapitein, »laat ons eens zien waar wij zijn; blijft
-daar, gij allen, houdt een waakzaam oog over de gevangenen, ik ga ons
-nieuw grondgebied verkennen.”
-
-Na een tweede toorts aangestoken te hebben, onderzocht hij de grot. Met
-een zachte helling liep zij onder den berg door; de wanden waren overal
-vrij hoog, en de ruimte daartusschen meestal breed genoeg om ruime
-zalen te vormen. Door onzichtbare spleten moest zij van buiten versche
-lucht ontvangen, want het licht brandde zonder moeite, en de kapitein
-haalde er zeer gemakkelijk adem. Hoe verder hij voortging, des te
-frisscher werd de lucht, hetgeen hem deed gissen, dat hij zich nabij
-een anderen uitgang bevond. Zoo liep hij reeds twintig minuten, toen
-eene windvlaag, die hem in het aangezicht sloeg, zijn toorts deed
-opflikkeren.
-
-»Hm!” mompelde hij, »ziedaar een uitgang; laat ons voorzichtig zijn; ik
-zal het licht uitdoen, men kan nooit weten, wat men daar buiten
-tegenkomt.”
-
-Hij trapte zijne toorts uit, en bleef eenige oogenblikken stil staan,
-om aan zijne oogen den tijd te geven zich aan de duisternis te
-gewennen. Hij was een voorzichtig man, en zijn vak van
-bandietenhoofdman volkomen meester; zoo het plan, dat hij gevormd had,
-om het kamp aan te vallen, schipbreuk geleden had, was dit slechts het
-gevolg van een samenloop van omstandigheden, die hij onmogelijk had
-kunnen voorzien. Toen dan ook de eerste booze bui over de ontvangen
-nederlaag was overgewaaid had hij terstond zijne partij gekozen,
-terwijl hij zich het genoegen voorbehield, om zich bij de eerste
-gelegenheid de beste te wreken. De fortuin scheen hem overigens op
-nieuw toe te lachen, daar zij hem, juist toen hij er de meeste behoefte
-aan had, een bijna ondoordringbare schuilplaats aanbood.
-
-Blijde en vol hoop wachtte hij dus tot zijne oogen zich aan de
-duisternis hadden gewend, en hem vergunden de voorwerpen te
-onderscheiden, om te weten of hij werkelijk een uitgang zou vinden, die
-hem meester zou maken van eene bijna onoverwinnelijke sterkte.
-
-Hij bedroog zich niet in zijne verwachting. Zoodra de vlam opgehouden
-had hem te verblinden, bemerkte hij op vrij grooten afstand vóór zich
-uit een flauw schijnsel. Hij liep moedig voort; na eenige minuten kwam
-hij aan den zoo zeer begeerden uitgang.
-
-Deze uitgang bevond zich bij den oever eener kleine rivier, waarvan het
-water onder het gewelf der grot dood liep, zoodat de bandieten slechts
-te water behoefden te gaan om haar te ontruimen, zonder eenig spoor
-achter te laten, en alzoo elke nasporing vruchteloos konden maken.
-
-De kapitein kende de prairiën van het Westen, waarin hij sedert bijna
-tien jaren zijn eerloos en winstgevend beroep uitoefende, te goed, om
-zich niet gemakkelijk te oriënteren, en binnen een oogenblik te weten,
-waar hij zich bevond. Hij zag dat deze rivier vrij ver verwijderd was
-van het kamp der Mexicanen, welke afstand nog vergroot werd door hare
-tallooze kronkelingen. Hij slaakte een kreet van zelfvoldoening, en
-toen hij goed wist waar hij zich bevond, en niet meer vreesde ontdekt
-te zullen worden, stak hij zijn toorts weder aan, en keerde langs
-denzelfden weg, dien hij gekomen was, terug.
-
-Zijne makkers waren in slaap gevallen, met uitzondering van één, die de
-gevangenen bewaakte. De kapitein wekte hen.
-
-»Komt,” zeide hij, »het is nu geen tijd van slapen; wij hebben wel wat
-anders te doen.” De bandieten stonden met weêrzin op, wreven de oogen
-uit, en gaapten alsof zij zich de kakebeenen wilden verrekken.
-
-De kapitein liet hen eerst de opening, die hun toegang verleend had,
-zorgvuldig dichtstoppen, en gaf toen bevel, dat zij met de gevangenen,
-wier beenen men had losgemaakt, opdat zij zouden kunnen loopen, hem
-onmiddellijk volgen zouden.
-
-Zij hielden halt in een der vele zalen, die de kapitein op zijn weg
-ontmoet had; een hunner werd op post gesteld, om de gevangenen, die
-hier achtergelaten werden, te bewaken; de anderen drongen met den
-kapitein verder in de grot door.
-
-»Gij ziet,” zeide hij tot hen, terwijl hij hun den uitgang wees, »dat
-ons onheil toch ergens goed voor was, daar het ons toevallig eene
-wijkplaats heeft doen vinden, waar niemand ons zal komen zoeken. Gij,
-Frank, moet terstond naar de vereenigingsplaats, die ik aan uwe
-kameraden had aangewezen; breng hen hierheen, zoowel als diegenen der
-onzen, die aan den tocht geen deel genomen hebben. Wat u betreft,
-Antonio, gij moet ons levensmiddelen verschaffen; gij kunt wel te zamen
-gaan. Ik behoef u niet te zeggen, dat ik uwe terugkomst met ongeduld
-afwacht.”
-
-De beide bandieten wierpen zich zonder spreken in de rivier en waren
-spoedig verdwenen.
-
-Toen zich tot den overblijvende wendende, zeide hij:
-
-»Wat ons betreft, Gonzalez, laten wij wat hout bijeenrapen, om vuur aan
-te leggen, en bladeren om bedden van te maken; kom, aan ’t werk, aan ’t
-werk!”
-
-Een uur later flikkerde er een helder vuur in de grot en sliepen de
-bandieten, op hunne mollige bedden van drooge bladeren een gerusten
-slaap. Met zonsopgang kwam het overige gedeelte der bende aan. Zij
-waren nog dertig in getal! De kapitein voelde zijn hart zwellen, toen
-hij zag over welk eene rijke verzameling van schurken hij nog te
-beschikken had. Met hen wanhoopte hij niet zijne zaken in orde te
-zullen brengen, en weldra eene schitterende wraak te nemen!
-
-Na een overvloedig ontbijt van wildbraad met mezcal, dacht de kapitein
-er eindelijk aan, om zich eens met zijne gevangenen te gaan bemoeien.
-Hij begaf zich naar de zaal, die hun tot gevangenis diende.
-
-Sedert hij den bandieten in handen gevallen was, had de generaal het
-stilzwijgen bewaard, en was hij oogenschijnlijk ongevoelig gebleven
-voor de slechte behandeling, waaraan hij bloot stond. De wonden, die
-hij ontvangen had, waren geheel verwaarloosd; zij waren ontstoken, en
-deden hem ontzettend veel pijn, maar hij liet geen klacht hooren. Een
-knagend verdriet verteerde hem, zoolang hij gevangen was; hij zag voor
-altijd het plan, dat hem in de prairiën gebracht had, in duigen
-gevallen, zonder hoop om het ooit ten uitvoer te zullen kunnen brengen.
-Het eenige dat hem eene lichte vertroosting aanbood, was de zekerheid,
-dat het zijne nicht gelukt was om te ontsnappen. Maar wat was er van
-haar geworden in deze wildernis, waar men slechts wilde dieren
-tegenkomt, en Indianen, die nog woester zijn dan wilde dieren? Hoe zou
-een meisje, dat aan alle gemakken des levens gewoon was, de wisselingen
-kunnen doorstaan van een leven vol van ontberingen? Dit denkbeeld
-verdubbelde zijn lijden.
-
-De kapitein was verschrikt over den toestand, waarin hij hem vond.
-
-»Kom, generaal,” zeide hij, »schep moed, voor den duivel! De kansen
-verkeeren vaak, daar weet ik van meê te praten. Caraï, men moet niet
-wanhopen, niemand kan weten, wat de dag van morgen voor hem heeft
-weggelegd! Geef mij uw woord van eer, dat gij niet zult pogen te
-ontsnappen, en ik maak oogenblikkelijk uwe banden los.”
-
-»Dat woord kan ik u niet geven,” antwoordde de generaal, »ik zou een
-valschen eed doen, ik zweer u integendeel, dat ik al het mogelijke in
-het werk zal stellen om te ontkomen.”
-
-»Bravo! goed geantwoord,” zeide de roover lachend; »in uwe plaats zou
-ik hetzelfde zeggen; maar ik geloof dat het u op dit oogenblik, met den
-besten wil van de wereld, onmogelijk zou zijn, om een stap te doen;
-daarom, ondanks al wat gij zegt, zal ik u en uwen bediende de vrijheid
-geven, gij moogt er mede doen, wat gij wilt.”
-
-En hij sneed de touwen door, waarmede de armen van den generaal
-gebonden waren; vervolgens bewees hij dezelfde dienst aan den neger
-Jupiter.
-
-Deze, zoodra hij zich vrij gevoelde, begon te springen en te lachen, en
-vertoonde twee rijen groote schitterende tanden.
-
-»Kom, houd u stil, vagebond,” zeide de roover; »gij moet hier bedaard
-zijn, als gij niet wilt dat ik u een kogel door den kop jaag.”
-
-»Ik zal niet weggaan zonder mijn meester,” antwoordde Jupiter, een paar
-groote oogen opzettende.
-
-»Akkoord, zwarte nikker!” hernam de roover; »dat blijft afgesproken;
-die zelfverloochening doet u eer aan.”
-
-En zich weder tot den generaal wendende, bette de kapitein diens wonden
-met koud water, en verbond hem met de meeste zorg; vervolgens aan de
-gevangenen spijzen voorgezet hebbende, aan welke de neger alleen de
-noodige eer bewees, verwijderde hij zich omstreeks den middag, en
-verzamelde de voornaamsten der bende om zich heen.
-
-»Caballeros!” zeide hij, »wij kunnen het niet ontkennen; wij hebben de
-eerste partij verloren: de gevangenen, die wij hebben veroverd, kunnen
-onmogelijk onze kosten goed maken; wij mogen niet in een nederlaag
-berusten, die ons onteert en belachelijk maakt. Ik ga een tweeden
-aanval ondernemen; zoo mij die niet gelukt, zal het slecht met mij
-afloopen; houdt een waakzaam oog over de gevangenen, terwijl ik afwezig
-ben. Let vooral op hetgeen ik u nu ga zeggen: zoo ik morgen te
-middernacht niet heelhuids onder u ben weêrgekeerd, morgen om vijftien
-minuten over twaalven, schiet dan de beide gevangenen zonder genade
-dood; gij hebt mij begrepen, niet waar? zonder genade.”
-
-»Wees gerust, kapitein,” antwoordde Frank in aller naam, »gij kunt
-gaan, uwe bevelen zullen worden ten uitvoer gebracht.”
-
-»Daar reken ik op; maar schiet hen vooral geen minuut vroeger of later
-dood.”
-
-»Precies op het uur.”
-
-»Dat is afgesproken; nu, vaart wel; wordt niet al te ongeduldig, als
-gij mij niet spoedig terugziet.”
-
-En de kapitein verliet de grot, om zich naar Edelhart te begeven.
-
-Wij hebben reeds gezien wat de bandiet bij den jager was gaan doen.
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-DE KRIJGSLIST.
-
-
-Na het zonderlinge voorstel, dat hij aan de jagers gedaan had, was de
-rooverhoofdman in allerijl naar zijne schuilplaats teruggekeerd.
-
-Maar hij was al te zeer aan het leven der prairiën gewoon, om niet te
-weten, dat verscheidene zijner vijanden van verre zijn spoor zouden
-volgen. Ook bracht hij om hen te misleiden alle listen in praktijk, die
-zijn vindingrijke geest hem aanbood, door tallooze omwegen te maken,
-gedurig op zijne schreden terug te keeren, en gelijk men zegt, tien
-schreden achteruit te loopen, om er een vóóruit te komen. Deze vele
-voorzorgen hadden zijn loop zeer vertraagd. Aan de oevers der rivier
-gekomen, wier golven den ingang der grot bespoelden, wierp hij een
-laatsten blik om zich heen, om zich te verzekeren dat geen onbescheiden
-oog zijne bewegingen gadesloeg. Alles was stil; niets wekte zijn
-argwaan op, hij maakte zich gereed om een vlot, dat onder de struiken
-verscholen was, te water te brengen, toen een licht gedruisch zijne
-aandacht trok.
-
-De roover sidderde, greep naar een pistool, laadde het en ging moedig
-af op de plek, van waar het gedruisch kwam. Hij zag een man, bezig om
-met een kleine spade eenige kruiden en planten uit den grond te rukken.
-Hij glimlachte, en borg zijn pistool wederom in den gordel. Hij had den
-dokter herkend, die zich met hartstochtelijken ijver aan zijne
-lievelingstudie overgaf.
-
-Deze, van zijn kant, had hem niet opgemerkt.
-
-Na hem een oogenblik minachtend te hebben aangezien, keerde de roover
-hem den rug toe, tot hem eene gedachte inviel, die hem weder bewoog,
-den dokter te naderen; hij klopte hem thans vrij onzacht op den
-schouder. Bij deze ruwe aanraking richtte de dokter zich verschrikt op,
-en liet van angst zijne spade en al zijne planten vallen.
-
-»Hola, mijn brave,” zeide de kapitein spottend, »welk eene razernij
-bezielt u toch, om altijd kruiden te zoeken, op ieder uur van den dag
-en van den nacht.”
-
-»Hoe?” antwoordde de geleerde; »wat bedoelt gij?”
-
-»Wel, dat is eenvoudig genoeg; weet gij dan niet dat het bijna
-middernacht is?”
-
-»Dat is waar,” antwoordde de geleerde onnoozel, »maar de maan schijnt
-zoo mooi!...”
-
-»Dat gij haar voor de zon hebt aangezien!” viel de roover hem lachend
-in de reden; »maar,” ging hij voort, eensklaps ernstig wordende, »dat
-is thans de vraag niet; ik heb mij laten wijsmaken, dat gij, ofschoon
-half krankzinnig, een vrij goed geneesheer zijt.”
-
-»Ik heb er examen voor afgelegd, mijnheer,” antwoordde de dokter, die
-zich beleedigd gevoelde.
-
-»Heel goed, gij zijt de man, dien ik noodig heb.”
-
-De dokter boog zich tegen wil en dank; het was duidelijk dat het hem
-maar half genoegen deed.
-
-»Wat verlangt gij?” vroeg hij; »zijt gij ziek?”
-
-»Ik niet, Goddank! maar een uwer vrienden, die op dit oogenblik mijn
-gevangene is; gij zult dus wel zoo goed zijn mij te willen volgen.”
-
-»Maar?...” wilde de dokter hem tegenwerpen.
-
-»Geen maren; volg mij, zoo gij niet wilt dat ik u de hersens insla;
-voor het overige kunt gij gerust zijn, geen leed zal u overkomen; mijne
-lieden zullen u al den eerbied bewijzen, waarop de wetenschap aanspraak
-heeft.”
-
-Ofschoon alle tegenstand onmogelijk was, koos toch de weerlooze man
-zijne partij zoo goedschiks, dat er een oogenblik zelfs een glimlach op
-zijne lippen zweefde, die den roover, zoo deze het gezien had, wel tot
-nadenken had kunnen brengen.
-
-De kapitein liet den dokter vóór zich uitgaan, en beiden haastten zich
-naar de rivier.
-
-Op het oogenblik, dat zij de plek verlieten, waar hun onderhoud had
-plaats gehad, werden de takken van een kreupelboschje zorgvuldig uiteen
-geschoven, er kwam een geschoren hoofd uit te voorschijn, op welks
-kruin slechts een enkele lange haarvlecht met een veder er in was
-gespaard gebleven, vervolgens een bovenlijf, en toen een geheel mensch,
-die als een jaguar opsprong om hem te volgen.
-
-Het was de Arendskop. Hij was nu stilzwijgend getuige van de inscheping
-der beide blanken, zag hen in de grot gaan, verdween toen op zijne
-beurt in het woud, en mompelde zachtjes:
-
-»Oah! (goed!)” in de taal der Comanchen de uitdrukking der hoogste
-vreugde.
-
-De dokter had enkel tot lokaas gediend om den roover te misleiden, en
-hem in den strik te doen vallen, die voor hem gespannen was. Had nu de
-dokter eene overeenkomst gesloten met den Arendskop? Dat zullen wij
-weldra hooren.
-
-Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag, liet de roover een
-algemeene verkenning doen in den omtrek van de grot. Er was geen spoor
-te zien. De kapitein wreef zich de handen; zijne onderneming was dubbel
-geslaagd, daar hij de grot bereikt had, zonder achtervolgd te worden.
-
-Overtuigd dat hij niets te vreezen had, wilde hij niet zooveel
-manschappen werkeloos bij zich houden; hij stelde derhalve zijne bende
-voorloopig onder bevel van Frank, een ouden afgeleefden bandiet, in
-wien hij volkomen vertrouwen stelde, hield zelf slechts tien man bij
-zich en zond de rest weg. Van hoeveel belang de zaak ook zijn mocht,
-die hij thans onder handen had, wilde hij toch zijne overige bezigheden
-niet verwaarloozen, noch het brood der luiheid schenken aan een
-twintigtal bandieten, die, evenals hij, niets te doen hadden, en hem
-ieder oogenblik een slechten trek konden spelen. Men ziet, de kapitein
-was niet slechts een verstandig man, maar hij kende en doorgrondde ook
-zijne eerbiedwaardige bondgenooten.
-
-Toen de roovers de grot verlaten hadden, gaf de kapitein aan den dokter
-een teeken om hem te volgen, en bracht hem bij den generaal. Na hen met
-zijne gewone spottende beleefdheid aan elkander te hebben voorgesteld,
-verwijderde de bandiet zich, en liet hen alleen. Doch alvorens hij dit
-deed, haalde hij een pistool uit zijn gordel, en het op de borst van
-den geleerde zettende, zeide hij:
-
-»Gij zijt wel is waar een halve gek, maar met dat al zoudt gij wel
-eenigen natuurlijken aanleg kunnen bezitten, om mij te verraden, denk
-er dus aan, mijn brave heer, dat ik u bij de minste dubbelzinnige
-beweging, die ik u zie maken, de hersenpan zal laten springen; gij zijt
-gewaarschuwd, doe nu wat gij zult goedvinden.”
-
-Daarop zijn pistool weder in zijn gordel stekende, ging hij lachend
-weg.
-
-De dokter luisterde naar deze vermaning met een benauwd gezicht, doch
-niet zonder dat een flauwe glimlach zijne lippen plooide; gelukkig werd
-dit door den kapitein niet opgemerkt.
-
-De generaal zat met zijn neger Jupiter in eene zaal, die ver van den
-ingang verwijderd was. Zij waren daar alleen. De kapitein had het niet
-noodig geacht hen van nabij te bewaken. Beiden op een bed van droge
-bladeren gezeten, waren in diep nadenken verzonken. Bij het zien van
-den geleerde, werd het somber gelaat van den generaal door een
-vluchtigen lichtstraal van hoop verhelderd.
-
-»Gij daar, dokter?” zeide hij, hem de hand toereikende, die de ander
-stilzwijgend drukte; »moet ik mij over uwe tegenwoordigheid verblijden
-of bedroeven?”
-
-»Zijn wij alleen?” vroeg de dokter, zonder op de vraag van den generaal
-te antwoorden.
-
-»Ik geloof het wel,” zeide hij verwonderd; »in ieder geval is het niet
-moeielijk u hieromtrent zekerheid te verschaffen.”
-
-De dokter tastte naar alle zijden rond, onderzocht nauwkeurig al de
-hoeken, en kwam eindelijk bij de gevangenen terug.
-
-»Wij kunnen praten,” zeide hij.
-
-De geleerde was gewoonlijk zoo verdiept in zijne wetenschappelijke
-berekeningen, hij was van natuur zoo afgetrokken, dat de gevangenen
-slechts weinig vertrouwen in hem stelden.
-
-»En mijne nicht?” vroeg de generaal bezorgd.
-
-»Stel u gerust; zij is in veiligheid bij een jager, Edelhart genaamd,
-die den diepsten eerbied voor haar koestert.”
-
-De generaal gevoelde zich verlicht, deze goede tijding gaf hem al zijn
-moed terug.
-
-»O,” zeide hij, »wat doet het er nu toe, of ik gevangen ben! nu mijne
-nicht gered is, kan ik alles verdragen.”
-
-»Neen, neen!” zeide de dokter levendig, »gij moet, wat het ook kostte,
-vóór morgen van hier ontvlucht zijn.”
-
-»Waarom?”
-
-»Antwoord mij eerst.”
-
-»Ik verlang niets liever.”
-
-»Uwe wonden schijnen mij nog al licht toe: zij zijn aan het genezen.”
-
-»Inderdaad!”
-
-»Meent gij in staat te zijn om te loopen?”
-
-»O, ja!”
-
-»Ja, maar begrijp mij wel, ik bedoel om een lange reis te ondernemen?”
-
-»Nu, nu!” zeide de neger, die tot nog toe gezwegen had, »ben ik dan
-niet sterk genoeg, om mijn meester te dragen, als hij niet meer loopen
-kan?”
-
-De dokter drukte hem de hand.
-
-»Dat is waar! Ter zake dus,” zeide de dokter; »gij moet van hier.”
-
-»Goed; maar hoe?”
-
-»Ja, hoe?” zeide de geleerde, zich tegen het voorhoofd slaande; »hoe?
-dat weet ik niet. Maar wees gerust, ik zal wel een middel vinden.”
-
-Men hoorde voetstappen naderen; de kapitein kwam te voorschijn.
-
-»Welnu,” vroeg hij, »hoe gaat het met den zieke?”
-
-»Niet al te best,” antwoordde de dokter.
-
-»Kom, kom,” hernam de roover, »dat zal zich wel schikken; bovendien, de
-generaal zal weldra vrij zijn, dan kan hij zich op zijn gemak laten
-verzorgen. Kom nu mede, dokter, ik denk dat ik u thans lang genoeg met
-uw vriend heb laten praten.”
-
-De dokter volgde hem zonder te antwoorden, na den generaal met een
-laatste gebaar tot voorzichtigheid te hebben aangespoord.
-
-De dag liep ongestoord ten einde. De gevangenen wachtten met ongeduld
-den nacht af; huns ondanks was hun vertrouwen in den dokter hersteld:
-zij hoopten. Tegen den avond keerde de waardige geleerde terug. Hij
-kwam op een fermen draf aanstappen, met een gelaat dat van vreugde
-schitterde, en met eene toorts in de hand.
-
-»Hé, dokter! wat is er dan toch?” vroeg de generaal; »gij ziet er zoo
-verheugd uit.”
-
-»Ik ben ook verheugd, generaal,” antwoordde hij glimlachend, »omdat ik
-een middel gevonden heb, om u te laten ontsnappen en mijzelven ook, wel
-te verstaan!”
-
-»En dat middel is...”
-
-»Is reeds voor de helft ten uitvoer gebracht,” zeide hij met een klein
-droog lachje, dat hem eigen was, als hij zich in zijn schik gevoelde.
-
-»Wat wilt gij daarmede zeggen?”
-
-»Wel, de zaak is heel eenvoudig, maar gij zult haar nooit raden; al de
-bandieten slapen; wij zijn meester van de grot.”
-
-»Zou het mogelijk zijn? maar als zij eens wakker worden?”
-
-»O, wees daarvoor niet bang; zij zullen wakker worden? dat is zeker;
-maar niet alvorens wij ten minste zes uur verder zijn.”
-
-»Hoe dat?”
-
-»Omdat ik zelf hun een slaapdrank ingeschonken heb; dat is te zeggen,
-bij hun avondmaal heb ik hun een afkooksel van opium toegediend, dat
-hen, als looden blokken in elkaâr heeft doen zakken, zoodat zij nu als
-ossen liggen te ronken.”
-
-»O, dat is onverbeterlijk!” riep de generaal uit.
-
-»Is het niet?” zeide de dokter zedig; »ja, ik heb het kwaad willen
-herstellen, dat ik door mijne achteloosheid heb veroorzaakt! Ik ben
-geen soldaat, ik ben maar een arm geneesheer; ik heb van mijne wapenen
-gebruik gemaakt; gij ziet dat zij soms even goed zijn als andere.”
-
-»Zij zijn honderdmaal beter! Dokter, gij zijt een aanbiddenswaardig
-man.”
-
-»Kom dan, maken wij voort! laat ons geen tijd verliezen.”
-
-»Ja, laat ons gaan! maar wat hebt gij met den kapitein gedaan?”
-
-»De kapitein? de duivel moge weten, waar hij is. Hij heeft ons dezen
-namiddag verlaten, zonder iemand iets te zeggen; maar ik vermoed waar
-hij is, en als ik mij niet zeer bedrieg, zullen wij hem weldra zien.”
-
-»Nu, alles gaat zoo goed als het maar kan, op weg!”
-
-De drie mannen begaven zich op marsch. Ondanks al de door den dokter
-genomen voorzorgen, waren de generaal en de neger niet volkomen gerust.
-Zij kwamen aan de zaal, die den bandieten tot slaapplaats verstrekte;
-deze lagen hier en daar verspreid. De vluchtelingen gingen hen voorbij.
-
-Bij den ingang der grot komende, zagen zij op het oogenblik, dat zij
-het vlot losmaakten, om de rivier over te steken, bij het bleeke licht
-der maan een ander vlot, met ongeveer vijftien man beladen, langzaam op
-hen afkomen. De weg was hun alzoo afgesneden. Hoe zouden zij aan zulk
-een groot aantal vijanden weêrstand bieden?
-
-»Helaas, helaas!” zuchtte de generaal wanhopig.
-
-»O,” zeide de dokter op jammerenden toon, »het was zulk een goed plan,
-en het had mij zooveel moeite en arbeid gekost!”
-
-De vluchtelingen wierpen zich in eene hinderlaag van rotsen, ten einde
-niet opgemerkt te worden, en met kloppende harten wachtten zij het
-ontschepen der aankomelingen af, wier bewegingen hun hoe langer hoe
-meer argwaan begonnen in te boezemen.
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-DE WET DER PRAIRIËN.
-
-
-Vóór den ingang van de door Edelhart bewoonde grot was een vrij groote
-ruimte, waar men het gras, de planten en de boomen had uitgeroeid, en
-die thans prijkte met honderd vijftig à twee honderd hutten. De geheele
-stam der Comanchen lag op deze plaats gekampeerd.
-
-Tusschen de pelsjagers en de jagers en krijgslieden der Roodhuiden
-heerschte de beste verstandhouding.
-
-In het midden van dit eensklaps verrezene dorp, waar de hutten van
-verschillend gekleurde bisonhuiden met zekere gelijkmatigheid waren
-gerangschikt, stond eene tent, die, grooter dan de anderen en met
-scalpen op lange staken bekroond, tot raadstent diende.
-
-Er heerschte eene groote levendigheid in het dorp. De Indiaansche
-krijgslieden hadden zich beschilderd en ten strijde toegerust, alsof
-zij weldra een gevecht te gemoet zagen. De jagers hadden hunne
-schoonste kleederen aangetrokken en hunne wapens met de meeste zorg
-schoon gemaakt, alsof zij ze weldra zouden noodig hebben. De paarden
-waren, geheel opgetuigd, aan de omheining vastgebonden, zoodat zij
-terstond konden bereden worden. Men zag de Roodhuiden en de jagers
-angstig heen en weder loopen. Op geregelde afstanden, iets dat onder de
-Indianen volstrekt ongewoon is, waren schildwachten geplaatst, om de
-aankomst van iederen vreemdeling te verwittigen. In één woord, alles
-deed vermoeden, dat er toebereidselen werden gemaakt tot een dier
-plechtigheden, die in de prairie te huis behooren.
-
-Maar, wat vreemd was, Edelhart, de Arendskop, en de Zwarte Eland waren
-afwezig.
-
-Goedsmoeds hield een wakend oog over de toebereidselen, die men bezig
-was te maken, nu en dan eenige woorden wisselende met het oude
-opperhoofd der Comanchen, Eshis,—de Zon.—Maar beider gelaat was
-ernstig, en hun voorhoofd gespannen; zij schenen aan een levendigen
-angst ten prooi te zijn. Het was de dag dien de rooverkapitein bepaald
-had voor de uitlevering van doña Luz. Zou de kapitein durven komen? of
-was zijn voorstel slechts eene bedreiging, om hun vrees aan te jagen?
-Zij, die den roover kenden, en de meesten kenden hem, want bijna allen
-hadden van zijne strooptochten te lijden gehad, dachten het eerste.
-
-Die man, en het was de eenige goede hoedanigheid welke men hem
-toekende, was begaafd met den moed van een leeuw, en met een wil als
-van ijzer. Als hij eens iets gezegd had, deed hij het ook vast en
-zeker. En daarbij, wat had hij te vreezen, als hij nog eens onder zijne
-vijanden kwam? had hij den generaal niet in zijne macht? den generaal,
-die met zijn leven voor het zijne instond? men wist, dat hij niet zou
-aarzelen dezen voor zijne eigene veiligheid op te offeren.
-
-Het was ongeveer acht ure in den morgen; de zon spreidde in
-schitterenden glans hare gloeiende stralen uit over het tafereel, dat
-wij getracht hebben te beschrijven. Doña Luz kwam uit de grot, leunende
-op den arm van Edelharts moeder en gevolgd door Nô Eusébio. De beide
-vrouwen zagen er treurig en bleek uit; hare roode oogen toonden, dat
-zij geweend hadden. Zoodra hij haar bemerkte, liep Goedsmoeds naar haar
-toe, en groette haar.
-
-»Is mijn zoon nog niet terug?” vroeg de oude dame met een onrustigen
-blik.
-
-»Nog niet,” antwoordde de jager; »maar stel u gerust, mevrouw, hij kan
-niet lang meer uitblijven.”
-
-»Goede God! ik weet niet waarom, maar het schijnt mij toe, dat hij door
-eenig noodlottig toeval teruggehouden wordt.”
-
-»Neen, mevrouw, dan zou ik het weten; toen ik hem dezen nacht verliet
-om u gerust te stellen, en de bevelen, die hij mij gegeven heeft, ten
-uitvoer te brengen, bevond hij zich in een uitmuntenden toestand; dus,
-geloof mij, wees gerust, en wanhoop niet.”
-
-»Helaas!” prevelde de arme vrouw, »ik leef gedurende twintig jaar in
-een voortdurende spanning; elken avond ben ik in vrees, dat ik mijn
-zoon den volgenden dag niet weder zal zien; o, mijn God, zult gij dan
-geen medelijden met mij hebben?”
-
-»Herstel u, mevrouw,” zeide doña Luz met aandoening, haar zachtjes
-omhelzende; »o! ik gevoel het hier, als Edelhart op dit oogenblik
-gevaar loopt, dan is het om mijn oom te redden; o mijn God,” voegde zij
-er met warmte bij, »geef dat het hem gelukken mag!”
-
-»Weldra, dames, zal alles zich ophelderen; verlaat u hierin op mij; gij
-weet, dat ik u niet zou willen misleiden.”
-
-»Ja,” zeide de oude dame, »gij zijt goed, gij hebt mijn zoon lief, en
-gij zoudt niet hier zijn, als er eenig gevaar voor hem bestond.”
-
-»Gij beoordeelt mij goed, mevrouw; ik dank u daarvoor; ik kan u thans
-nog niets zeggen, maar ik bid u een weinig geduld te hebben; het zij u
-genoeg te weten, dat hij bezig is, om de señora gelukkig te maken.”
-
-»O ja,” zeide de moeder; »hij is altijd even goed, altijd vol
-zelfopoffering?”
-
-»Men heeft hem ook Edelhart genoemd,” prevelde het meisje blozend.
-
-»Geen naam werd ooit beter verdiend, mevrouw,” zeide de jager met
-overtuiging; »men moet lang met hem geleefd hebben, en hem kennen,
-gelijk ik hem ken, om hem goed te waardeeren.”
-
-»Ik ben u op mijne beurt dankbaar, voor hetgeen gij van mijn zoon zegt,
-Goedsmoeds,” antwoordde de oude dame, terwijl zij de harde hand van den
-jager drukte.
-
-»Ik zeg niet meer dan de waarheid, mevrouw; ik ben rechtvaardig,
-ziedaar alles. O, het zou beter toegaan in de prairiën, als al de
-jagers hem geleken.”
-
-»Goede God, de tijd gaat voorbij; zal hij dan nooit komen?” mompelde
-zij, terwijl zij met koortsachtig ongeduld om zich heen zag.
-
-»Weldra, mevrouw.”
-
-»Ik wil de eerste zijn om hem te zien en te groeten, als hij komt.”
-
-»Ongelukkig is dat onmogelijk.”
-
-»Waarom?”
-
-»Uw zoon heeft mij belast u en de señora te smeeken dat gij in de grot
-zult blijven; hij wilde niet, dat gij tegenwoordig zoudt zijn, bij
-hetgeen hier zal plaats hebben.”
-
-»Maar,” zeide doña Luz angstig, »hoe weet ik dan, of mijn oom gered
-is?”
-
-»Wees gerust, señorita, gij zult niet lang in de onzekerheid blijven;
-maar ik bid u, blijf niet langer hier; ga naar binnen, ga naar binnen!”
-
-»Misschien zal het beter zijn,” merkte de oude dame aan; »laat ons
-gehoorzamen, liefste,” voegde zij er glimlachend bij; »laten wij naar
-binnen gaan, wijl mijn zoon het verlangt.”
-
-Doña Luz volgde haar zonder tegenstand te bieden, maar niet zonder nu
-en dan een blik achter zich te werpen, in de hoop dat zij haren beminde
-zou zien.
-
-»Hoe gelukkig moet het zijn, eene moeder te hebben!” mompelde
-Goedsmoeds, terwijl hij een zucht onderdrukte, en met de oogen de beide
-vrouwen volgde, die in de schaduw der grot verdween.
-
-Eensklaps lieten de Indiaansche schildwachten een alarmkreet hooren,
-die onmiddellijk herhaald werd door den man, die voor de raadstent op
-post stond. Op dit teeken stonden de hoofden der Comanchen op, en
-verlieten de hut, waarin zij vereenigd waren. De jagers en de
-Indiaansche krijgslieden grepen naar de wapenen, schaarden zich aan
-beide zijden van de grot en wachtten. Een stofwolk rolde met groote
-snelheid naar het kamp. De wolk scheurde weldra van een, en deed een
-troep ruiters zichtbaar worden, die in volle vaart kwamen aanrennen.
-Deze ruiters droegen voor het grootste gedeelte het kostuum der
-Mexicaansche gambusinos (goudzoekers). Aan hun hoofd reed, op een
-prachtig gitzwart paard gezeten, een man, dien allen terstond
-herkenden. Het was kapitein Ouaktehno, die stoutmoedig aan het hoofd
-zijner bende de uitvoering kwam vragen van den hatelijken ruil, dien
-hij drie dagen geleden had voorgesteld.
-
-Als in de prairiën twee benden elkander ontmoeten, of als krijgslieden
-of jagers een dorp bezoeken, zijn zij meestal gewoon een soort van
-fantasia uit te voeren, door zich in lange rijen op elkander te werpen,
-onder het aanheffen van een luid geschreeuw en het afschieten van
-geweren.
-
-Ditmaal gebeurde er niets van dat alles.
-
-De Comanchen en jagers bleven roerloos en zwijgend staan, en wachtten
-bedaard de aankomst der roovers af. De droge en koele ontvangst
-verwonderde den kapitein niet; hoewel zijne wenkbrauwen zich fronsten,
-veinsde hij toch er niets van te merken, en trad moedig aan het hoofd
-zijner bende het dorp binnen. Toen zij voor de raadstent gekomen waren
-en zich vlak voor de opperhoofden bevonden, bleven de twintig ruiters
-plotseling staan; als waren zij op eens in bronzen standbeelden
-veranderd. Deze stoute beweging werd met zulk eene groote behendigheid
-ten uitvoer gebracht, dat de jagers, die veel verstand van rijden
-hadden, slechts met moeite een kreet van verrassing onderdrukten.
-
-Nauwelijks hadden de roovers halt gehouden, of de rijen der jagers en
-krijgslieden, rechts en links van de hut geplaatst, openden zich als
-een waaier en sloten zich achter hen. Door deze snel uitgevoerde
-beweging zagen de twintig roovers zich eensklaps door een kring van
-meer dan vijfhonderd sterk gewapende mannen omsingeld. De kapitein werd
-ongerust, het berouwde hem bijna gekomen te zijn; maar hij overwon deze
-onwillekeurige aandoening, glimlachte met minachting, en hield zich
-overtuigd dat hij geen gevaar te duchten had.
-
-Hij groette de voor hem geplaatste opperhoofden, en zich tot Goedsmoeds
-wendende, vroeg hij op vasten toon:
-
-»Waar is het meisje?”
-
-»Ik weet niet wat gij bedoelt,” antwoordde de jager; »ik geloof niet
-dat er hier een meisje is, waarop gij eenig recht hebt.”
-
-»Wat beteekent dat, en wat gaat er hier om?” mompelde de kapitein, een
-wantrouwenden blik om zich heen werpende. »Is Edelhart het bezoek
-vergeten, dat ik hem voor drie dagen gebracht heb?”
-
-»Edelhart vergeet nooit iets,” zeide Goedsmoeds, »maar met hem hebt gij
-nu niets te maken; hoe hebt gij de vermetelheid gehad, om u aan het
-hoofd van een bende struikroovers onder ons te vertoonen?”
-
-»Aha,” zeide de kapitein spottend, »ik zie gij wilt mij niet
-antwoorden; wat de bedreiging aangaat, welke in het laatste gedeelte
-van uw volzin vervat is, daar bekommer ik mij zeer weinig om.”
-
-»Gij hebt ongelijk, mijnheer, want daar gij de onvoorzichtigheid begaan
-hebt om u zelven in onze handen te stellen, zullen wij toch niet zoo
-dom zijn, om u te laten ontsnappen, daar kan ik u de verzekering van
-geven.”
-
-»Zoo, zoo!” zeide de roover; »maar welk spel spelen wij dan?”
-
-»Dat zult gij hooren, mijnheer.”
-
-»Ik wacht,” antwoordde de roover, een onderzoekenden blik om zich heen
-werpende.
-
-»In deze woestijnen, waar alle menschelijke wetten zwijgen,” hernam de
-jager met een trillende stem, »mag de wet van God alleen gelden; die
-wet luidt, zooals gij weet: oog om oog, tand om tand.”
-
-»Wat meer?” zeide de roover droog weg.
-
-»Sedert tien jaren,” vervolgde Goedsmoeds bedaard, »zijt gíj, aan het
-hoofd van eene bende die recht noch wet kent, de schrik der prairiën
-geweest, en hebt gij zonder onderscheid blanken en Roodhuiden
-geplunderd en gedood; want gij weet van geen wet of geen vaderland;
-roof en diefstal zijn uwe eenigste wet; reizigers, bevervangers,
-jagers, gambusinos of Indianen, gij verschoont niemand, als gij door
-moord en doodslag een weinig goud kunt meester worden; het is
-nauwelijks eenige dagen geleden, dat gij een kamp van vreedzame
-Mexicaansche reizigers bij verrassing genomen, en hen allen zonder
-genade hebt omgebracht. Hieraan moet een einde gemaakt worden, en dat
-einde is nu gekomen. Wij allen, Indianen en jagers, wij zijn hier
-vereenigd om u te veroordeelen en de onveranderlijke wet der prairiën
-op u toe te passen.”
-
-»Oog om oog, tand om tand,” schreeuwden de omstanders, hunne wapenen
-schuddende.
-
-»Gij bedriegt u zeer, mijne heeren,” antwoordde de roover kalm, »als
-gij meent, dat ik ongehinderd mijn hals aan het mes zal aanbieden,
-gelijk een kalf, dat men ter slachtbank leidt; ik had een voorgevoel
-van hetgeen er gebeuren zou, ziedaar waarom ik een zoo goed geleide
-heb. Ik heb twintig wakkere mannen bij mij, die zich zullen weten te
-verdedigen; gij hebt ons nog niet in uwe macht.”
-
-»Zie om u heen, en gij zult weten wat u te doen staat.”
-
-De roover sloeg de oogen achter zich; vijfhonderd geweren waren op
-zijne bende gericht.
-
-Eene rilling voer hem door de leden; eene doodelijke bleekheid
-overdekte zijn gelaat; de roover begreep, dat hij in een gevaarlijken
-toestand verkeerde, maar na even te hebben nagedacht, herkreeg hij al
-zijne koelbloedigheid, en zich tot den jager wendende, antwoordde hij
-spottend:
-
-»Kom kom, waartoe die bedreigingen, die mij toch niet kunnen bang
-maken? gij weet zeer goed, dat ik voor uwe lagen beveiligd ben. Gij
-hebt wèl gezegd, dat ik voor eenige dagen Mexicaansche reizigers
-aangevallen heb, maar gij weet ook, dat de voornaamste dier reizigers
-in mijne handen gevallen is. Waagt het, één haar van mijn hoofd te
-krenken, en de generaal, de oom van dat meisje, dat gij te vergeefs aan
-mijne macht ontrukken wilt, zal onmiddellijk met zijn leven den mij
-aangedanen hoon betalen. Gelooft mij toch, mijne heeren, zoekt mij niet
-langer te verschrikken, geeft mij goedschiks haar, die ik van u
-opeisch, of ik zweer u bij God, dat de generaal binnen een uur zal
-hebben opgehouden te leven!”
-
-Eensklaps kwam er een man uit de menigte te voorschijn, die zich voor
-den roover plaatste.
-
-»Gij vergist u,” voegde hij hem toe, »de generaal is vrij.”
-
-Die man was Edelhart.
-
-Eene rilling van vreugde doorliep de rijen der jagers, een rilling van
-schrik die der roovers.
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-DE STRAF.
-
-
-De generaal en zijne twee lotgenooten waren niet lang in het onzekere
-gebleven. Het vlot was na lang aarzelen eindelijk aan land gekomen, en
-vijftien mannen wierpen zich met geveld geweer, onder het aanheffen van
-een luid geschreeuw in de grot. De vluchtelingen liepen verheugd op hen
-toe. Zij hadden aan het hoofd der aankomelingen Edelhart, het
-opperhoofd der Comanchen en den Zwarten Eland herkend.
-
-Zie hier, hoe het zich had toegedragen. Zoodra de dokter met den
-kapitein de grot binnengetreden was, had de Arendskop, overtuigd, dat
-hij de schuilplaats der roovers ontdekt had, zich wederom bij zijne
-vrienden gevoegd, om hun den goeden uitslag van zijne krijgslist mede
-te deelen. Goedsmoeds werd naar Edelhart afgezonden, die zich dan ook
-haastte om te komen; allen besloten eenstemmig om de bandieten in hun
-hol aan te vallen, terwijl andere benden van jagers en Roodhuiden, in
-de prairie verspreid en in de rotsen verborgen, de toegangen der grot
-zouden bewaken en de roovers beletten om te ontsnappen. Wij hebben den
-afloop dezer onderneming gezien.
-
-Na het eerste oogenblik gansch en al aan de vreugde en aan de
-blijdschap gewijd te hebben, waarschuwde de generaal zijne bevrijders,
-dat een tiental bandieten nog in de grot lag te slapen, onder den
-invloed van den opium, dien de moedige dokter hun had toegediend. De
-roovers werden stevig gekneveld en medegenomen; vervolgens riep men de
-verschillende benden bijeen, en keerde men in allerijl naar het kamp
-terug.
-
-Groot was de verrassing van den kapitein bij den uitroep van Edelhart,
-maar deze verrassing ging over in schrik, toen hij den generaal, dien
-hij zoo wel bewaakt dacht, zag te voorschijn komen. Hij begreep, dat al
-zijne maatregelen verijdeld, al zijne listen vruchteloos gemaakt waren,
-en dat hij ditmaal onherstelbaar verloren was.
-
-Het bloed steeg hem naar het hoofd, zijne oogen schoten bliksems, en
-zich tot Edelhart wendende, zeide hij met eene heesche stem:
-
-»Niet slecht! maar, bij God, alles is nog niet gedaan tusschen ons; ik
-zal mij wreken!”
-
-Hij maakte eene beweging, om zijn paard naar voren te brengen. Maar
-Edelhart greep het vastberaden bij den toom.
-
-»Wij hebben nog niet afgerekend,” zeide hij.
-
-De roover zag hem een oogenblik met vlammende oogen aan, terwijl hij
-met geweld zijn paard aanspoorde, ten einde den jager te dwingen het
-los te laten.
-
-»Wat wilt gij dan nog meer?” zeide hij.
-
-Edelhart bleef met ijzeren vuist het paard vasthouden, dat woedend
-schuimbekte.
-
-»Gij zijt veroordeeld,” antwoordde hij; »men gaat de wet der prairiën
-op u toepassen.”
-
-De roover liet een vreeselijk gebrul hooren, en zijne pistolen uit den
-gordel rukkende, riep hij:
-
-»Wee hem, die mij aanraakt! Laat mij door!”
-
-»Neen,” antwoordde de jager koelbloedig, »gij zijt in goede handen,
-vriendje; heden zult gij het niet ontkomen.”
-
-»Naar den duivel dan!” riep de roover uit, een zijner pistolen op
-Edelhart richtende.
-
-Maar snel als een gedachte wierp Goedsmoeds, die angstig al zijne
-bewegingen volgde, zich vóór zijn vriend met eene vlugheid, die de
-ernst van het oogenblik nog vertienvoudigde.
-
-Het schot ging af. De kogel trof den Canadees, die in zijn bloed badend
-nederviel.
-
-»Een!” schreeuwde de roover met een woesten lach.
-
-»Twee!” brulde de Arendskop, en met een sprong als van een tijger zat
-hij boven op het paard van den roover.
-
-Eer de kapitein eene beweging maken kon, om zich te verdedigen, greep
-de Indiaan hem met de linkerhand bij zijn lange haren, en trok met
-kracht zijn hoofd achterover.
-
-»Vervloekt!” riep de roover, die zich te vergeefs van zijn vijand
-trachtte te ontslaan.
-
-Toen gebeurde er iets, dat al de omstanders rillen deed. Het paard,
-door Edelhart losgelaten, woedend over de ontvangene schokken en over
-het dubbel gewicht, dat hem was opgelegd, schoot, dol van toorn,
-vooruit, in zijne toomlooze vaart alles verbrijzelend en omverwerpend,
-wat hem den doorgang belette. Maar altijd sleepte hij, op zijn rug
-vastgeklemd, de beide mannen mede, die worstelend elkander trachtten te
-dooden, en, als twee slangen kronkelend, elkander dreigden te
-verstikken.
-
-De Arendskop had, gelijk wij zeiden, het hoofd van den roover
-achterover getrokken; hij zette hem de knie in de lenden, liet zijn
-afgrijselijken oorlogskreet hooren, en zwaaide met eene geduchte
-beweging zijn mes om het voorhoofd van zijn vijand.
-
-»Dood mij dan! ellendeling,” schreeuwde de roover, en met een forsche
-beweging, richtte hij zijne linkerhand, die nog met een pistool
-gewapend was, op, maar de kogel verloor zich in de ruimte.
-
-De hoofdman der Comanchen zag den kapitein strak aan.
-
-»Gij zijt een lafaard!” zeide hij met verachting, »en een oude vrouw,
-die bang is voor den dood!”
-
-En terwijl hij den bandiet met zijn knie naar omlaag drukte, duwde hij
-hem het mes in den schedel. De kapitein slaakte een hartverscheurenden
-kreet, die zich vermengde met het gebrul en gejuich van den hoofdman.
-Het paard liep tegen een boom, en viel: de beide vijanden rolden op den
-grond. Slechts één van hen stond weder op.
-
-Dat was de Comanchen-hoofdman, die de bloedige scalp van den roover
-rondzwaaide.
-
-Ouaktehno was echter nog niet dood. Dol van woede en toorn, verblind
-door het bloed, dat hem van het hoofd stroomde, stond hij op en wierp
-zich op zijn tegenpartij, die op zulk een aanval niet was voorbereid.
-Met de armen om elkander geslagen, trachtten zij elkander omver te
-werpen en de messen, waarmede zij gewapend waren, elkander in het lijf
-te stooten. Er sprongen verscheidene jagers toe, om hen te scheiden.
-Toen zij aankwamen, was alles gedaan. De kapitein lag op den grond,
-terwijl het mes van den Arendskop tot aan het heft in zijn hart was
-doorgedrongen.
-
-De roovers door de jagers en Indianen, die hen omringden, in bedwang
-gehouden, zagen van allen tegenstand af. Toen hij zijn kapitein had
-zien vallen, verklaarde Frank uit aller naam, dat zij zich overgaven.
-Op een teeken, door Edelhart gegeven, wierpen zij de wapens weg, en
-werden zij gekneveld.
-
-Goedsmoeds, de dappere Canadees, wiens zelfopoffering zijn vriend het
-leven had gered, had een ernstige wond ontvangen, maar die gelukkig
-niet doodelijk was. Men had zich gehaast hem op te nemen en hem naar de
-grot te brengen, waar de moeder van den jager hem verbond.
-
-De Arendskop naderde Edelhart, die peinzend en somber tegen een boom
-aanleunde.
-
-»De hoofden zijn om het vuur van den raad vereenigd,” zeide hij; »zij
-wachten naar mijn broeder.”
-
-»Ik volg mijn broeder,” antwoordde de jager.
-
-Toen de beide mannen de hut binnentraden, waren al de hoofden reeds
-bijeen; onder hen bevonden zich de generaal, de Zwarte Eland, en eenige
-andere pelsjagers.
-
-De calumet werd door den pijpdrager midden in den kring gebracht: hij
-maakte een eerbiedige buiging naar de vier hoeken des hemels, en bood
-beurtelings aan iederen hoofdman het lange roer aan.
-
-Toen de calumet rondgegaan was wierp de pijpdrager de asch in het vuur,
-en verwijderde zich, eenige geheimzinnige woorden prevelend.
-
-Toen stond de Zon op, groette de leden van den raad, en zeide:
-
-»Hoofden en krijgslieden, luistert naar de woorden, die mijne borst
-blaast, en die de Meester des levens in mijn hart gelegd heeft. Wat
-denkt gij te doen met de twintig gevangenen die in uwe handen zijn?
-Zult gij hen loslaten, opdat zij hun leven van roof en moord
-voortzetten? opdat zij uwe vrouwen wegnemen, uwe paarden stelen, en uwe
-broeders dooden? Zult gij hen voeren naar de steenen dorpen van de
-groote blanke mannen van het Westen? De weg is lang, met gevaren
-bezaaid, door bergen en snelle stroomen afgewisseld; de gevangenen
-kunnen u gedurende deze reis ontvluchten, u in uwen slaap overvallen en
-u dooden. En dan, gij weet het, krijgslieden, aan de steenen dorpen
-aangekomen, zullen de lange messen hen loslaten; er is geen recht voor
-de roode mannen. Neen, krijgslieden, de meester des levens, die
-eindelijk deze woeste mannen in onze macht heeft overgeleverd, wil, dat
-zij sterven. Hij heeft aan hunne misdaden paal en perk gesteld. Als wij
-een jaguar of een grijzen beer op onzen weg ontmoeten, dan dooden wij
-hem; deze mannen zijn wreedaardiger dan de jaguars en de grijze beeren;
-zij zijn rekenschap verschuldigd van het door hen vergoten bloed: oog
-om oog, tand om tand. Dat zij dan aan den martelpaal gebonden worden.
-Ik werp een turbô (halssnoer) van roode wampums in den raad. Heb ik wel
-gesproken, machtige mannen?”
-
-Na deze woorden ging de hoofdman wederom zitten. Er volgde een
-oogenblik van plechtige stilte. Het was duidelijk, dat al de omstanders
-het met hem eens waren.
-
-Edelhart wachtte eenige oogenblikken: hij zag dat niemand zich gereed
-maakte, om op de rede van de Zon te antwoorden, toen stond hij op en
-nam het woord:
-
-»Hoofden en krijgslieden der Comanchen, en gij, blanke jagers, mijne
-broeders,” zeide hij met eene zachte en treurige stem, »de woorden van
-den eerwaardigen sachem zijn billijk; ongelukkig vordert de veiligheid
-der prairiën den dood der gevangenen. Dit uiterste is vreeselijk, maar
-wij zijn verplicht er ons aan te onderwerpen, zoo wij in vrede de
-vruchten van onzen ruwen arbeid plukken willen. Maar zoo wij ons al
-genoodzaakt zien, om de onveranderlijke wet der woestijn toe te passen,
-zoo laten we niet als barbaren te werk gaan, straffen wij omdat het
-moet, maar straffen wij als edele menschen, niet als wreedaards. Toonen
-wij aan deze bandieten, dat wij gerechtigheid uitoefenen, dat, zoo wij
-hen dooden, wij het niet doen om ons zelven, maar om de geheele
-maatschappij te wreken. Bovendien, hun hoofdman, de schuldigste onder
-hen, is gevallen onder de slagen van den Arendskop; laten wij
-edelmoedig zijn, zonder op te houden rechtvaardig te wezen. Laten wij
-aan hen de keuze van hunnen dood over. Geen nuttelooze foltering. De
-Meester des levens zal ons toelachen, hij zal tevreden zijn over zijne
-roode kinderen, en hun een goede jacht geven. Ik heb gezegd: heb ik wel
-gesproken, machtige mannen?” [4]
-
-De leden van den raad hadden aandachtig naar de woorden van den
-jongeling geluisterd. De opperhoofden hadden welwillend geglimlacht om
-de edele gevoelens die hij uitdrukte, want allen, Indianen zoowel als
-jagers, beminden en eerbiedigden hem.
-
-De Arendskop stond op.
-
-»Mijn broeder Edelhart heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne jaren
-zijn weinig in getal, maar zijne wijsheid is groot. Wij zijn blijde
-eene gelegenheid gevonden te hebben, om hem onze vriendschap te
-bewijzen; wij zullen die met geestdrift aangrijpen. Wij zullen doen,
-wat hij verlangt.”
-
-»Ik dank u,” antwoordde Edelhart aangedaan, »ik dank u, mijne broeders;
-de natie der Comanchen is eene groote en edele natie; ik heb haar lief;
-ik ben blijde door haar te zijn aangenomen.”
-
-De raad werd opgeheven; de hoofden verlieten de hut.
-
-De gevangenen, in een groep bijeen geplaatst, werden streng bewaakt
-door eene afdeeling krijgslieden.
-
-De roeper riep al de leden van den stam en de in het kamp verstrooide
-jagers te zamen.
-
-Toen allen vereenigd waren, nam de Arendskop het woord, en zich tot de
-roovers wendende, zeide hij:
-
-»Honden van bleekmuilen! de raad der hoofden van de machtige natie der
-Comanchen, wier uitgestrekte jachtgronden een groot deel der aarde
-bedekken, heeft over uw lot beslist. Doel uw best om, na als wilde
-beesten geleefd te hebben, nu niet te sterven als oude en vreesachtige
-vrouwen; weest dapper, misschien zal dan de Meester des levens
-medelijden met u hebben en u na uwen dood opnemen in de eskennane, die
-heerlijke woonplaats, waar in de eeuwigheid de dapperen mogen jagen,
-die hier den dood in het aangezicht hebben gezien.”
-
-»Wij zijn gereed,” antwoordde Frank koelbloedig, »bind ons aan den
-paal, bedenk de gruwelijkste folteringen, gij zult ons niet zien
-verbleeken.”
-
-»Onze broeder Edelhart,” ging de hoofdman voort, »is voor u tusschen
-beiden getreden. Gij zult niet aan den paal gebonden worden, de hoofden
-laten aan u de keuze van uwen dood.”
-
-Toen openbaarde zich de karaktertrek der blanken, die langen tijd in de
-prairie gewoond en eindelijk de gewoonten hunner voorouders verzaakt
-hebben, om die der Indianen over te nemen.
-
-Het voorstel, door den Arendskop gedaan, prikkelde den hoogmoed der
-roovers.
-
-»Met welk recht,” riep Frank, »treedt Edelhart voor ons tusschen beide?
-Denkt hij dan, dat wij geen mannen zijn? dat folteringen in staat
-zullen zijn om ons ook maar éen angstkreet of ééne ons onwaardige
-klacht te ontrukken? Neen, neen! men brenge ons naar den martelpaal;
-welke pijn gij ons ook moogt aandoen, zij zal nooit zoo wreed zijn als
-die, welke wij aan de krijgslieden van uwe natie zouden doen ondergaan,
-als zij ons in handen vielen!”
-
-Bij deze hooghartige woorden voelden de Indianen hun toorn opwekken,
-terwijl de roovers vreugde- en zegekreten deden hooren.
-
-»Honden! Konijnen!” riepen zij, »de Comanchen zijn oude vrouwen, wij
-zullen hun rokken aandoen.”
-
-Edelhart trad naar voren. De stilte werd hersteld.
-
-»Gij hebt de woorden van den hoofdman verkeerd begrepen,” zeide hij;
-»als wij u de keuze van uwen dood laten, dan doen wij dat niet om u te
-beleedigen; het is een eerbewijs, dat men u geeft; hier is mijn dolk,
-men zal u losmaken, hij ga van hand tot hand, en hij doorbore
-achtereenvolgens uw aller borst! De man, die vrij, zonder aarzelen,
-zich met één slag doodt, is dapperder dan hij, die, aan den martelpaal
-gebonden en de pijn niet kunnende verdragen, zijn beul uitscheldt, ten
-einde des te eerder den genadeslag te ontvangen.”
-
-Met ontzaggelijke toejuiching werden deze woorden van den jager
-beantwoord.
-
-De roovers zagen elkander een oogenblik besluiteloos aan, maar toen,
-als op een gegeven kommando, maakten zij het teeken des kruises, en
-riepen als één man:
-
-»Wij nemen uw aanbod aan!”
-
-Die gansche menigte, een oogenblik te voren zoo bewegelijk en druk,
-werd stil en kalm, onder den indruk van het vreeselijk treurspel, dat
-voor haar zou worden gespeeld.
-
-»Maakt de gevangenen los,” beval Edelhart.
-
-Dit bevel werd onmiddellijk ten uitvoer gebracht.
-
-»Uw dolk!” zeide Frank.
-
-De jager gaf hem dien.
-
-»Ik dank u en vaarwel,” zeide de roover met een vaste stem, en zijne
-kleederen openende, stak hij zich den dolk langzaam en glimlachend, als
-wilde hij den dood proeven, tot aan het heft in de borst.
-
-Een bleeke loodkleur overdekte zijn gelaat, zijne oogen rolden in hunne
-kassen, hij zag verward om zich heen, waggelde als een dronken mensch
-en tuimelde op den grond. Hij was dood.
-
-»Nu ik!” zeide de roover, die naast hem stond, en hem den dolk nog
-rookend uit de wonde rukkend, doorboorde hij er zich het hart mede.
-
-Hij viel op het lijk van den eerste.
-
-Na hem kwam een ander, toen weêr een ander, en zoo vervolgens; geen
-hunner aarzelde, geen hunner toonde eenige zwakheid; allen vielen
-glimlachend en dankten Edelhart voor den dood, dien zij aan hem
-verplicht waren.
-
-De omstanders waren als versteend over dit vreeselijk schouwspel;
-dronken als het ware door den reuk van het bloed, stonden zij daar met
-gloeiende blikken, en met hijgende borst, zonder hunne oogen van het
-afschuwelijk tooneel te kunnen afwenden.
-
-Weldra bleef er nog slechts één roover overig, deze staarde een
-oogenblik naar den lijkenstapel die voor hem lag, trok toen den dolk
-uit de borst van zijn voorganger, en zeide met een glimlach:
-
-»Men is wel gelukkig, als men in zulk een goed gezelschap mag sterven;
-maar, waar duivel gaat men heen na den dood? Foei! wat ben ik dom,
-weldra zal ik het immers weten?”
-
-En snel als eene gedachte had hij zich doorboord.
-
-Hij viel dood neder.
-
-Deze vreeselijke slachting had geen kwartier uurs geduurd! [5]
-
-Geen der roovers had tweemaal gestooten; allen hadden zich met één slag
-gedood.
-
-»Aan mij dien dolk!” zeide de Arendskop, terwijl hij hem rookend uit
-het lillende lijk van den laatsten bandiet te voorschijn haalde, »het
-is een goed wapen voor een krijgsman,” en hij hechtte hem koelbloedig
-aan zijn gordel, na hem in het gras te hebben afgewischt.
-
-De lijken der roovers werden gescalpeerd en buiten het kamp gebracht.
-
-Men liet ze liggen voor de gieren en valken, wien zij een overvloedig
-voedsel verschaften, en die, door den reuk van het bloed aangetrokken,
-reeds boven hen ronddwarrelden, onder het uitstooten van akelige
-vreugdekreten.
-
-De geduchte bende van kapitein Ouaktehno was vernietigd.
-
-Ongelukkig waren er nog anderen in de prairiën.
-
-Na de terdoodbrenging traden de Indianen zorgeloos hunne hutten wederom
-binnen; voor hen was het slechts een van die tooneelen geweest, waaraan
-zij sedert langen tijd gewoon waren, en die het vermogen niet meer
-bezaten om hun zenuwgestel te vermurwen.
-
-De jagers integendeel, ondanks het ruwe leven, dat zij leidden, en
-niettegenstaande ook zij zeer gewoon zijn om het bloed van anderen te
-zien storten of zelven het te vergieten, verstrooiden zich, bedrukt en
-met beklemde harten over deze afschuwelijke slachting.
-
-Edelhart en de generaal begaven zich naar de grot.
-
-De dames, die zich steeds in het onderaardsch gewelf bevonden, wisten
-niets van het vreeselijk tooneel, dat er had plaats gehad, noch van het
-bloedig zoenoffer, dat zooeven aan de gerechtigheid der prairiën was
-gebracht.
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-DE VERGIFFENIS.
-
-
-Het wederzien van den generaal en zijne nicht was zeer treffend.
-
-De oude, zwaar beproefde soldaat was blijde het onschuldige kind in
-zijne armen te kunnen drukken, dat zijn eenige bloedverwant was, en als
-door een wonder aan de rampen, waaraan het had bloot gestaan, was
-ontsnapt.
-
-Langen tijd zaten zij in zoet gekeuvel verdiept, alles om zich heen
-vergetende, de generaal deed onderzoek naar hare levenswijze gedurende
-den tijd zijner gevangenschap, en het meisje ondervroeg hem over de
-gevaren, die hij was doorgeworsteld, en de slechte behandeling, die hij
-had ondergaan.
-
-»En nu, oom,” vroeg zij eindelijk, »wat is nu uw plan?”
-
-»Helaas, mijn kind,” antwoordde hij, een zucht onderdrukkende, »wij
-moeten onverwijld deze vreeselijke gewesten verlaten en naar Mexico
-terugkeeren.”
-
-Het meisje voelde zich treurig aangedaan, ofschoon zij zelve de
-noodzakelijkheid van een spoedigen terugkeer inzag. Maar vertrekken,
-was hem te verlaten, dien zij liefhad! van hem te scheiden, zonder dat
-er eenige mogelijkheid overbleef om hem weder te zien;—scheiden! van
-dien man, wiens bewonderenswaardig karakter zij hoe langer hoe meer had
-leeren waardeeren, en die nu onmisbaar geworden was voor haar leven en
-voor haar geluk.
-
-»Wat schort u, mijn kind? gij zijt treurig, uwe oogen zijn vol tranen,”
-vroeg haar oom, haar met warmte de hand drukkend.
-
-»Helaas! oom,” antwoordde zij klagend, »hoe zou ik niet treurig zijn,
-na alles wat er in de laatste dagen gebeurd is? mijn hart is gebroken.”
-
-»Dat is zoo; de gebeurtenissen waarvan wij de getuigen en de
-slachtoffers geweest zijn, zijn meer dan voldoende, om u treurig te
-maken; maar gij zijt nog jong, mijn kind, binnen eenigen tijd zullen
-deze gebeurtenissen in uw hart geen ander spoor meer achterlaten als de
-herinnering aan feiten, die gij, Gode zij dank! voor het vervolg niet
-meer zult te vreezen hebben.”
-
-»Wij vertrekken dus weldra?”
-
-»Morgen, als het kan; wat zou ik hier langer doen? de hemel zelf
-verklaart zich tegen mij, daar hij mij verplicht af te zien van die
-onderneming, wier goede uitslag het geluk van mijn ouden dag zou
-geweest zijn: maar God wil niet, dat ik vertroost worde; Zijn wil
-geschiede,” zeide hij met onderwerping.
-
-»Wat bedoelt gij, oom?” vroeg het meisje met geestdrift.
-
-»Niets, dat u heden belang kan inboezemen, mijn kind; het is beter, dat
-gij het niet weet, en dat ik alleen lijde; ik ben oud, ik ben er aan
-gewoon,” zeide hij droefgeestig.
-
-»Arme oom!”
-
-»Ik dank u voor de vriendschap, die gij voor mij koestert, mijn kind,
-maar laten wij van dat treurig onderwerp afstappen; spreken wij, zoo
-gij wilt, liever een weinig van die brave lieden, waaraan wij zooveel
-verplichting hebben.”
-
-»Van Edelhart?” prevelde doña Luz blozend.
-
-»Ja,” antwoordde de generaal, »van Edelhart en van zijne moeder, die
-waardige vrouw, die ik nog niet heb kunnen bedanken, ten gevolge van de
-wond van dien armen Goedsmoeds, en aan wie gij het verschuldigd zijt,
-dat u hier niets ontbroken heeft.”
-
-»Zij heeft voor mij gezorgd als eene teedere moeder!”
-
-»Hoe zal ik ooit mijn schuld aan haar en aan haren edelen zoon kunnen
-betalen? Zij is gelukkig, in het bezit van zulk een kind; helaas! die
-vreugde is mij niet gegeven, ik ben alleen!” zeide de generaal, terwijl
-hij zijn hoofd in zijne handen liet zinken.
-
-»En ik dan,” zeide het meisje vleiend.
-
-»O, gij,” antwoordde hij, haar teeder omhelzende, »gij zijt mijne lieve
-dochter, maar ik heb geen zoon!”
-
-»Dat is waar!” prevelde zij peinzend.
-
-»Edelhart,” hernam de generaal, »heeft een veel te zonderling karakter,
-om iets van mij aan te nemen. Wat zal ik doen? Hoe zal ik mijne schuld
-aan hem kunnen betalen? Hoe hem de gewichtige diensten, die hij mij
-bewezen heeft, naar behooren vergelden?”
-
-Er volgde een oogenblik van stilte.
-
-Doña Luz naderde den generaal, kuste hem op het voorhoofd, verborg haar
-gelaat aan zijn schouder, en zeide met eene van aandoening bevende
-stem:
-
-»Oom, daar valt mij eene gedachte in!”
-
-»Spreek, mijne lieve,” antwoordde hij, »spreek onbeschroomd, het is God
-wellicht, die haar u ingeeft.”
-
-»Gij hebt geen zoon, aan wien gij uw naam en uw fortuin nalaten kunt,
-is het niet, oom?”
-
-»Helaas!” prevelde hij, »ik heb een oogenblik gemeend er een te zullen
-terugvinden; maar die hoop is voor altijd verdwenen; gij weet het,
-kindlief, ik ben alleen!”
-
-»Edelhart noch zijne moeder, zullen iets van u willen aannemen.”
-
-»Neen.”
-
-»Toch geloof ik, dat er een middel is om hen te verplichten, hen te
-dwingen zelfs.”
-
-»En dat middel is?” zeide hij.
-
-»Oom, daar gij het zoo betreurt geen zoon te hebben, aan wien gij uw
-naam kunt nalaten, waarom zoudt gij Edelhart niet als uw zoon
-aannemen?”
-
-De generaal zag haar aan, een hoog rood kleurde hare wangen en zij
-beefde van top tot teen.
-
-»O, kindlief,” zeide hij, haar teeder omhelzende, »uw plan is
-verrukkelijk, maar het is onuitvoerbaar; ik zou gelukkig en trotsch
-zijn met een zoon als Edelhart; gij zelve hebt het gezegd, zijne moeder
-aanbidt hem, zij zal jaloersch op hem zijn, nooit zal zij er in
-toestemmen om hem met een vreemde te deelen.”
-
-»Misschien!” prevelde zij.
-
-»En dan nog,” ging de generaal voort, »zelfs als zijne moeder, wat ik
-onmogelijk acht, uit liefde voor hem, en ten einde hem eene plaats in
-de maatschappij te bezorgen, mijn voorstel aannam, dan nog zelfs zou
-hij het weigeren; of gelooft gij, lieve, dat die man, opgevoed in de
-woestijn, die zijn geheele leven heeft doorgebracht in onvoorziene en
-aangrijpende gebeurtenissen, te midden van een verhevene natuur, er in
-zal toestemmen, om voor een weinig goud, dat hij veracht en voor een
-naam, die hem nutteloos is, af te zien van dat schoone, avontuurlijke
-leven, zoo vol zoete en vreeselijke aandoeningen, dat voor hem een
-behoefte geworden is? Neen, neen, hij zou in onze steden verkwijnen;
-voor een verheven karakter als het zijne, zou onze beschaving doodelijk
-zijn, vergeet dus dat denkbeeld, lief kind; helaas ik ben er van
-overtuigd, hij zou het weigeren.”
-
-»Wie weet,” zeide zij, het hoofd schuddende.
-
-»God is mijn getuige,” hernam de generaal met nadruk, »dat ik blijde
-zou zijn, indien het gelukte, en dat dan al mijne wenschen verhoord
-zouden zijn; maar waarom ons zelven met dwaze droomen misleid? hij zal
-het weigeren, zeg ik u! en ik ben genoodzaakt er bij te voegen, hij zal
-gelijk hebben, als hij het doet.”
-
-»Neem er de proef van, oom!” antwoordde zij; »zoo uw voorstel verworpen
-wordt, zult gij aan Edelhart ten minste bewezen hebben, dat gij geen
-ondankbare zijt, en dat gij hem naar waarde hebt weten te schatten.”
-
-»Gij wilt het dus?” zeide de generaal, die gaarne overtuigd wilde zijn.
-
-»Ik bid er u om, oom,” zeide zij, hem omhelzende, om hare blijdschap en
-haar blozen te verbergen; »ik weet niet waarom, maar het schijnt mij
-toe, dat gij slagen zult.”
-
-»Het zij dan zoo,” prevelde de generaal met een droevigen glimlach,
-»verzoek Edelhart en zijne moeder om mij hier te komen bezoeken.”
-
-»Binnen vijf minuten breng ik hen bij u,” riep zij vroolijk uit.
-
-En huppelend als een gazelle, verdween het meisje en spoedde zich door
-de kronkelingen van de grot.
-
-Zoodra hij alleen was, verzonk de generaal in een ernstig nadenken.
-
-Eenige minuten later stond Doña Luz met Edelhart en diens moeder voor
-hem.
-
-De generaal hief het hoofd op, groette de aankomenden met groote
-beleefdheid, en gaf aan zijne nicht een teeken om zich te verwijderen.
-
-Het meisje gehoorzaamde.
-
-Het was in dat gedeelte van de grot slechts half dag, en alle
-voorwerpen waren niet even sterk verlicht; door een vreemde gril
-gedreven, had de moeder van Edelhart haar rebozo (sluier) zoo omgedaan,
-dat deze haar gelaat bijna geheel en al bedekte. Hoe aandachtig hij
-haar ook beschouwde, het mocht den generaal niet gelukken, hare
-gelaatstrekken te zien.
-
-»Gij hebt ons geroepen, generaal,” zeide Edelhart luchthartig; »gij
-ziet, wij hebben ons gehaast, om aan uw verlangen te voldoen.”
-
-»Verplicht voor die haast, mijn vriend,” antwoordde de generaal;
-»ontvang eerst de uitdrukking mijner erkentenis voor de belangrijke
-diensten, die gij mij bewezen hebt, en wat ik tot u zeg, mijn
-vriend,—vergun mij u dien titel te geven,—betreft ook uwe goede en
-voortreffelijke moeder, voor de teedere zorg, die zij aan mijne nicht
-bewezen heeft.”
-
-»Generaal,” antwoordde de jager bewogen, »ik dank u voor die
-vriendelijke woorden, die ruimschoots opwegen tegen alles, wat gij aan
-mij meent verschuldigd te zijn. Door u te hulp te komen, heb ik de
-gelofte vervuld, die ik gedaan had, om nooit mijn naaste zonder hulp te
-laten; geloof mij, ik verlang geene andere belooning dan uwe achting,
-ik ben, voor het weinige dat ik gedaan heb, genoeg betaald door de
-voldoening, die ik op dit oogenblik smaak.”
-
-»Ik wilde toch zoo gaarne, vergun mij dat ik er op aandring, ik wilde
-toch zoo gaarne u op een andere wijze beloonen.”
-
-»Mij beloonen!” riep de vurige jongeling uit, tot over de ooren een
-kleur krijgende.
-
-»Laat mij uitspreken,” hernam de generaal levendig; »zoo het voorstel,
-dat ik u daarna denk te doen, u mishaagt, welnu, dan zult gij daarop
-antwoorden, even openhartig als ik mij nu zal verklaren.”
-
-»Spreek, generaal, ik luister.”
-
-»Mijn vriend, mijne reis in de prairiën had een heilig doel, dat ik
-niet heb mogen bereiken! gij kent de oorzaak daarvan; de mannen, die
-mij gevolgd waren, zijn aan mijne zijde gesneuveld. Bijna alléén
-overgebleven, zie ik mij genoodzaakt een onderzoek op te geven, dat
-ware het goed afgeloopen, het geluk zou hebben uitgemaakt van de
-weinige levensdagen, die mij nog overblijven. God straft mij wreed. Ik
-heb al mijne kinderen zien sterven; een enkele bleef mij misschien nog
-over, maar dien heb ik, in een oogenblik van zinneloozen hoogmoed, van
-mij weggejaagd; thans nu ik aan den eindpaal van mijn leven gekomen
-ben, is mijn huis ledig, mijn haard verlaten. Ik ben alleen, helaas!
-zonder betrekkingen, zonder vrienden, zonder een erfgenaam, aan wien
-ik, niet mijn fortuin, maar mijn naam kan nalaten, dien een lange reeks
-van voorouders mij zonder smet of vlek heeft overgeleverd. Wilt gij bij
-mij de plaats innemen van dat huisgezin, dat mij ontbreekt? Edelhart,
-wilt gij mijn zoon zijn?”
-
-Onder het uitspreken dezer woorden was de generaal opgestaan, en had
-hij de hand van den jongeling gegrepen, die hij hartelijk in de zijne
-drukte, terwijl hem de tranen in de oogen stonden.
-
-Bij dit onverwachte aanbod was de jager blijven staan, verbaasd,
-bevend, niet wetende wat te moeten antwoorden.
-
-Zijne moeder wierp driftig haar sluier naar achteren, en haar gelaat
-vertoonende, dat van vreugde schitterde, en als het ware geheel van
-uitdrukking veranderd was, plaatste zij zich tusschen de beide mannen,
-legde hare hand op den schouder van den generaal, zag hem strak aan en
-zeide met eene stem die van aandoening trilde:
-
-»Eindelijk, don Ramon de Garillas, vraagt gij dan dien zoon terug, dien
-gij sedert twintig jaren zoo wreed aan zijn lot hebt overgelaten.”
-
-»Vrouw, wat bedoelt gij?” stotterde de generaal.
-
-»Ik bedoel, don Ramon,” hernam zij op een majestueuzen toon, »dat ik
-doña Jesusita, uwe vrouw, ben, en dat Edelhart uw zoon Rafaël is, dien
-gij vervloekt hebt.”
-
-»O!” riep de generaal terwijl hij op zijne knieën viel, en in tranen
-scheen te baden: »vergeving, vergeving, mijn zoon.”
-
-»Mijn vader!” riep Edelhart, zich in zijne armen werpende, en
-trachtende hem op te richten, »wat doet gij?”
-
-»Mijn zoon,” zeide de grijsaard, bijna waanzinnig van vreugde en smart,
-»ik laat die houding niet varen, aleer gij mij vergeven hebt.”
-
-»Sta op, don Ramon,” zeide doña Jesusita met een zachte stem; »sedert
-langen tijd reeds woont er in het hart der moeder en in dat van den
-zoon voor u geen ander gevoel dan dat van eerbied en liefde.”
-
-»O,” riep de grijsaard, hen beurtelings omhelzende, »het is te veel
-geluk, ik verdien niet zoo gelukkig te zijn na het wreede gedrag
-waaraan ik mij heb schuldig gemaakt.”
-
-»Mijn vader,” antwoordde de jager op edelen toon, »aan de straf, die
-gij mij hebt opgelegd, heb ik het te danken, dat ik een eerlijk man
-geworden ben; vergeet dan het verledene, dat niet meer is dan een
-droom, en denk alleen aan de toekomst, die u tegenlacht.”
-
-In dit oogenblik trad doña Luz beschroomd en verlegen te voorschijn.
-
-Zoodra hij haar bemerkte, greep de generaal haar bij de hand, bracht
-haar bij doña Jesusita, en zeide:
-
-»Lieve nicht, gij kunt nu zonder schroom Edelhart beminnen, hij is
-thans inderdaad mijn zoon. God heeft in zijne eindelooze goedheid
-toegestaan, dat ik hem zou wedervinden op het oogenblik, dat ik aan
-zulk een geluk wanhoopte.”
-
-Het meisje slaakte een kreet van vreugde, en verborg haar gelaat
-verlegen in den schoot van doña Jesusita, terwijl zij hare hand in die
-van Rafaël liet, die aan hare voeten nederviel en haar in vervoering
-kuste.
-
-
-
-
-
-
-
-
-NASCHRIFT.
-
-
-Vele jaren later bevond de schrijver van dit verhaal zich alleen op weg
-van Mexico naar Hermosillo. Nog was hij na een reis van zeven en
-vijftig dagen, slechts weinige mijlen van laatstgenoemde stad
-verwijderd, toen de nacht hem overviel, en zoowel de vermoeidheid van
-zijn paard en zijn eigene behoefte aan rust, als ook zijn onbekendheid
-met de landstreek, waarin hij zich bevond, hem aanspoorden zich tot de
-bewoners eener eenzame haciënda, wier licht hem van verre toescheen, te
-wenden, en voor dien nacht hunne gastvrijheid in te roepen. Met de
-meeste bereidwilligheid werd deze hem geschonken; en daaraan had hij te
-danken de kennismaking met eene familie, die hem van het eerste
-oogenblik zoodanig boeide, dat hij hun welgemeend aanbod om zijn
-verblijf ten hunnent eenige dagen te rekken, met vreugde aannam.
-
-Wat hem in dit huisgezin vooral aantrok, was niet zoozeer de goede
-verstandhouding, waarin al de leden, ook de bedienden daaronder
-gerekend, tot elkander stonden, noch hun patriarchale levenswijze, noch
-de hartelijkheid, waarmede zij hem in hun midden opnamen, als wel de
-vreemdsoortige bestanddeelen, waaruit het was samengesteld; en de
-ernstige tint, die over het geheele huis en over hun geheele wijze van
-doen gespreid lag.
-
-Een bijna honderdjarige grijsaard, eene deftige oude dame van ten
-naastebij tachtig; een krachtvol man van vijftig, met schitterende
-oogen en sterk sprekende gelaatstrekken, eene vrouw, die, ofschoon haar
-veertigste jaar voorbij, nog schoon mocht heeten, en vijf of zes
-bekoorlijke kinderen, van verschillenden leeftijd, vormden het
-eigenlijke huisgezin; op gelijken voet met dezen stonden, naar het
-scheen, nog twee andere mannen, die naar hun uitzicht en naar hun
-gewaad te oordeelen, eer in de prairiën van het verre westen dan in
-zulk een rustig verblijf te huis behoorden, en bovendien, een Indiaan,
-een Roodhuid, kennelijk uit den stam der Comanchen, die de lieveling
-der kinderen was. Behalve dezen waren er een aantal bedienden van
-verschillenden rang, die echter allen als leden des huisgezins werden
-beschouwd en behandeld.
-
-Het leven dier goede lieden evenwel was, naar het mij toescheen, niet
-altijd zoo kalm en rustig geweest als thans; ik verbeeldde mij dat zij
-eerst na vele en zware stormen in de haven van het huiselijk geluk
-waren aangeland. Aller gelaat droeg dien stempel van edele waardigheid,
-die slechts het gevolg kan zijn van groote doorgestane rampen, en de
-rimpels op hun voorhoofd waren te diep om niet de sprekende getuigen te
-zijn van een lang en bitter lijden.
-
-Ik brandde van nieuwsgierigheid, om meer van hun vorigen levensloop te
-vernemen; bescheidenheid alleen sloot mij den mond, die tot vragen
-gereed was. Doch zoo doende verviel ik in een toestand van
-afgetrokkenheid, die den gastheer niet ontging. Op zijn aandringen
-bekende ik eindelijk, welke de reden was van mijn onbeleefde
-stilzwijgendheid.
-
-Wat hij mij toen verhaalde, lezer, behoef ik u niet weder te verhalen,
-als ik u eenvoudig mededeel, dat de namen der mij omringende
-hoofdpersonen waren: don Ramon Garillas de Savedra, doña Jesusita, don
-Rafaël, doña Luz, Goedsmoeds, de Zwarte Eland en de Arendskop.
-
-Ik beken het, die lotgevallen, verteld door hem, die er de hoofdrol in
-had gespeeld, in tegenwoordigheid van zoovelen, die er aan hadden
-deelgenomen, wekten mijne belangstelling in hooge mate op. Ik vatte
-dadelijk het voornemen op daaraan door een geregelde mededeeling de
-bekendheid te geven waarop zij aanspraak hebben. Hebben zij, onder
-mijne hand aan belangrijkheid verloren, niet aan die lotgevallen, aan
-mij alléén ligt de schuld, en misschien aan den lezer, die al te zeer
-gewoon is aan het lezen van romans, om nog vatbaar te zijn voor den
-diepen indruk, dien de werkelijkheid soms kan te weeg brengen.
-
-Acht dagen later verliet ik, diep getroffen, het huis, waarin ik met
-zoo gulle vriendelijkheid ontvangen was; maar in plaats van naar
-Hermosillo te gaan en mij aldaar in te schepen naar Guaymas, gelijk
-eerst mijn voornemen was geweest, maakte ik met den Arendskop een
-uitstapje naar Apacheria, een uitstapje, gedurende hetwelk het toeval
-mij getuige deed zijn van een aantal buitengewone voorvallen, die ik u
-misschien later zal mededeelen, als het blijken zal, dat dit verhaal u
-niet al te zeer heeft verveeld.
-
-
- EINDE.
-
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- INLEIDING.
-
- DE VADERVLOEK.
-
- Bladz.
- 1. Hermosillo 1.
- 2. De haciënda del Milagro 7.
- 3. Het vonnis 12.
- 4. De moeder 18.
-
-
- I. EDELHART.
-
- 1. De prairie 24.
- 2. De jagers 29.
- 3. Het spoor 34.
- 4. De reizigers 39.
- 5. De Comanchen 44.
- 6. De redder 49.
- 7. De verrassing 54.
- 8. De Indiaansche wraak 59.
- 9. De schim 64.
- 10. De verschansing 69.
- 11. De koop 74.
- 12. Psychologie 79.
- 13. De bijenjacht 83.
- 14. De Zwarte Eland 89.
- 15. De bevers 94.
- 16. Verraad 99.
- 17. De Arendskop 105.
- 18. Nô Eusébio 110.
- 19. De raad der opperhoofden 115.
- 20. De marteling 120.
-
-
- II. OUAKTEHNO.—HIJ DIE DOODT.
-
- 1. Edelhart 127.
- 2. De roovers 132.
- 3. De zelfopoffering 137.
- 4. De doctor 142.
- 5. Het verbond 147.
- 6. De laatste aanval 151.
- 7. Het gevecht 156.
- 8. De grot van den Kopergroen 160.
- 9. Staatkunde 165.
- 10. Tweestrijd 170.
- 11. De gevangenen 176.
- 12. De krijgslist 180.
- 13. De wet der prairiën 185.
- 14. De straf 190.
- 15. De vergiffenis 197.
-
-
- Naschrift.
-
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] De lasso is een lang werptouw, een soort van slinger, waarmede de
-Mexicanen hunne koeien en paarden opvangen.
-
-[2] Waarmede de bevers gevangen worden.
-
-[3] Om aan de belangstelling onzer lezers te voldoen, geven wij hier
-deze redevoering in het oorspronkelijke, als een proefje van de taal
-der Comanchen.
-
-Meegvoitch kitchée manitoo, kaigait-kee zargetoone an nishinnorbay
-nogomé, shafhijyar payshik artawway winnin tercushenan, cawween kitchée
-morgussey, an nishinnorbay nogomé, cawwickar indenendum Kaygait kitchée
-muskowway geossay haguarmissey waybenau matchée oathy nee zargetoone
-saggonash artawway winnin kaygait hapadgey kitchée morgussey an
-nishinnorbay; kaig notch annaboikassey nennerwind mornooch towvach nee
-zargey debwoije kee appayomar, cuppar bebone nepewar appiminiqui omar.
-
-[4] Met deze formule eindigt elke redevoering bij de Indianen.
-
-[5] Dit geheele tooneel is geschiedkundig; de schrijver heeft een
-dergelijke strafoefening in Apacheria bijgewoond.
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PELSJAGERS VAN DE ARKANSAS ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.