summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/65829-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/65829-0.txt')
-rw-r--r--old/65829-0.txt14112
1 files changed, 0 insertions, 14112 deletions
diff --git a/old/65829-0.txt b/old/65829-0.txt
deleted file mode 100644
index 3cb49d5..0000000
--- a/old/65829-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,14112 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Bogoriana, by Annie Foore
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Bogoriana
- Roman uit Indië
-
-Author: Annie Foore
-
-Release Date: July 12, 2021 [eBook #65829]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book
- was produced from scanned images of public domain material
- from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BOGORIANA ***
-
-
-
-
- BOGORIANA
- ROMAN UIT INDIË
-
-
- DOOR
-
- ANNIE FOORE
-
-
- DERDE DRUK
-
- HAARLEM
- H. D. TJEENK WILLINK & ZOON
- 1908
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD
-
-
- Bladz.
- EEN BAL BIJ DEN GOUVERNEUR-GENERAAL 1
- DE FEEËNTUIN 10
- DE LANDVOOGD IN ZIJN KABINET 21
- EEN INDISCHE HUISHOUDING 29
- DE JONGGEHUWDE IN HAAR EIGEN HUIS 36
- PEIGNOIR CONTRA SARONG 41
- FRANS VAN BEEVELANT 47
- IN DE WITTEBROODSWEKEN 55
- EEN DINER MET EEN GAPING 59
- INVITATIES TEN HOVE 66
- JAMES EN NITA 71
- DE ZIEKENVERPLEEGSTER 86
- AAN HET STATION 94
- IN DE LOOFHUT 98
- HET BOERINNETJE EN HAAR SOLDAAT 104
- EEN JONGENSSTREEK 109
- EERZUCHT EN LIEFDE 119
- EEN TROEP BENGELS 131
- SERENADE EN VUURWERK 138
- DE VROUW VAN EEN HOOGGEPLAATSTE 146
- EEN VERLIES EN EEN TROOST 158
- FLIRTATION? 166
- INTRIGANTEN AAN ’T WERK 175
- ZELFVERLOOCHENING 186
- JONGE LIEFDE 194
- DE FAMILIE HAGEN 200
- DE MOED VAN MEVROUW VERSCHUERE 206
- NAAR DE BERGEN 213
- DOLCE FAR NIENTE 221
- JAMES ALS JOBSBODE 228
- GEVAREN VAN EEN INDISCH BOSCH 233
- TERUG OP BUITENZORG 244
- TEN DOODE GEWIJD 247
- DE WIL VAN MEVROUW VAN WALIËNHOVE 253
- DE LAATSTE DAGEN 261
- GEPASSEERD 268
- HET LEED VAN EEN STERK MAN 274
- HEIMWEE EN LIEFDE 280
- DE OOGEN WORDEN GEOPEND 285
- OP DE MAILBOOT 289
- BESLUIT 300
-
-
-
-
-
-
-
-I
-
-EEN BAL BIJ DEN GOUVERNEUR-GENERAAL.
-
-
-Droomerig suizelt de koelte door Insulindes lusthof, den plantentuin te
-Buitenzorg.
-
-Onmerkbaar beroert ze de toppen der waringins, waaronder de herten zich
-te slapen legden; zachtjes doorademt ze de kanarielaan, die dubbele rij
-van woudreuzen, verwonnen door de omarming der orchydeeën; spelend heft
-ze de witte donsjes omhoog door de zwanen achtergelaten op de vijvers;
-plechtig zucht ze in het bamboebosch dat zich heenbuigt over graven...
-dan gaat ze fluisteren van minnevuur en zomerweelde in den bloemhof,
-waar de rozen gloeien en de nachtvlinders dartelen.
-
-Uit het paleis, dat zich verheft te midden dier tropische heerlijkheid,
-stroomt een zee van licht.
-
-De inlandsche jongelingen en meisjes sluipen naderbij, of ze ook iets
-mochten bespeuren van het schitterend tooneel daarbinnen. Ze zien
-slanke gestalten in witte kleedjes; ze hooren rijtuigen ratelen,
-zweepen klappen, orders geven; ze vernemen het geruisch van satijn, het
-getrippel van hooge hakjes in de marmeren vestibules; dan worden al die
-geruchten overstemd door de eerste tonen der dansmuziek.
-
-Want het is bal ten paleize. Wat meer zegt, ’t is het groote, het
-veelbesproken bal dat Zijne Excellentie geeft ter eere van het eenig
-kind uit zijn eerste huwelijk gesproten, kortelings teruggekeerd uit
-Europa, waar ze achterbleef ter voltooiing harer opvoeding. Het
-gezelschap, dat aan de uitnoodiging gehoor gaf is talrijk, de zaal
-waarin men antichambre maakt niet groot, de atmosfeer zoo drukkend als
-ze na een dag zonder regen wezen kan op Buitenzorg, de dames zoo
-geagiteerd als ze gewoonlijk zijn, wanneer ze op het punt staan een
-nieuw galatoilet te vertoonen; dit alles maakt het tot een ware
-verlossing, nu eindelijk een adjudant komt aankondigen, dat de
-gouverneur-generaal gereed is zijne gasten te ontvangen.
-
-Het muziekkorps speelt een marsen en haastig zoekt iedere vogel zijn
-gaaike: arenden en gieren gaan voorop, dan volgen pauwen en faizanten,
-nu nachtegalen en leeuweriken, tot eindelijk roodborstjes en
-boomkruipers de achterhoede vormen; kraaien, huismusschen of spreeuwen
-zijn niet aanwezig.
-
-De landvoogd, omringd door zijne logées, geflankeerd door zijn
-adjudanten, staat tusschen vrouw en dochter. Hij ontvangt zijn gasten
-hoffelijk; zijn echtgenoot doet het trots, deftig, maar zonder een
-zweem van de eenvoudige waardigheid, die men zoo gaarne vindt bij
-hooggeplaatste personen, terwijl freule Clotilde, blijkbaar niet gewoon
-zoo op den voorgrond te treden, verlegen blozend het bruingelokte
-hoofdje buigt.
-
-Er volgen eenige minuten, waarin de gasten elkander onderling
-begroeten, de jongelui hunne dansen opschrijven, de jongemeisjes lachen
-en fluisteren en dan neemt de polonaise een aanvang.
-
-Zijne Excellentie biedt den arm aan haar, die het voorrecht heeft een
-koningsarend echtgenoot te noemen, de andere vogelsoorten volgen.
-
-Maar niet alle. Als op elk bal vormt zich ook hier aan den ingang der
-zaal de groep, die zoo nadeelig werkt op de luchtverversching.
-
-’t Zijn echter niet, als meest in Europa, onverschilligen,
-oververzadigden, die ergernis der muurbloempjes; ’t zijn ongelukkigen.
-
-Immers, geen ongelukkiger toestand dan niet te weten wat met zichzelven
-aan te vangen!
-
-En in dien toestand verkeeren er velen.
-
-Wat zal bijvoorbeeld de kapitein der Chineezen, wat moet de
-Pengghoeloe, wat kan het hoofd der vreemde oosterlingen, wat kunnen zij
-op een bal ten paleize doen?
-
-Wat kunnen jeugdige thee- of kinaplanters, verwilderd door het verblijf
-in de binnenlanden, wat jonge ambtenaren uit den omtrek,—wie niemand
-kent en die niemand kennen, anders doen dan zichzelf en anderen in den
-weg zijn?
-
-Wat ook rest den onderwijzers? Ze zien het aan hoe hun vrouwelijke
-collega’s aan den arm harer cavaliers deel gaan uitmaken van de
-achterhoede van dien langen stoet, in wiens voorhoede ze niet weinig
-kans en nog veel meer lust hebben eenmaal te komen. En ze durven haar
-voorbeeld niet volgen.
-
-Wat zullen de mannen doen, die bij een groot en algemeen feest als dit,
-nog juist in de termen vallen voor een uitnoodiging, maar van wier
-bescheidenheid men verwacht dat ze hun wederhelft thuis en zichzelf op
-den achtergrond zullen houden?
-
-Zoo oppervlakkig gezien zou men meenen, dat al die ongelukkigen even
-goed hadden kunnen wegblijven, maar toch—ze hebben hun nut.
-
-Voor degenen die een werkzaam aandeel nemen in de partij blijkt het
-niet onaardig, dat zich een publiek vormt, een publiek om toe te zien
-en te bewonderen.
-
-Te bewonderen valt er genoeg.
-
-’t Is een prachtig schouwspel, die lange reeks van dames, wier
-parijsche toiletten, zoo niet altijd in goeden smaak, dan toch zeker in
-rijkdom die harer hollandsche zusteren verre overtreffen, naast de
-losse indische uniformen; die statige figuren, die donkere hoofden met
-diamanten gekapt, die lieve meisjesgestalten daar henen zwevend in den
-tooi van jeugd en onschuld—geheel die stoet van meer dan honderd paren,
-die zich langzaam voortbeweegt in de vorstelijke balzaal, onder den
-glans van tallooze lichten, op de statige tonen der muziek.
-
-Het spiegelglad parket moge ouderen van dagen herinneren aan het gevaar
-dat de straten in het moederland ’s winters aanbieden, voor de jeugd is
-dit geen bezwaar; de lenige figuurtjes bewegen zich licht op den fijnen
-enkel, en glijdt soms een netgeschoeid voetje uit, dadelijk is een
-krachtige arm gereed om voor vallen te behoeden.
-
-Op de polonaise volgt een wals.
-
-De danszaal in het paleis te Buitenzorg heeft op andere danszalen voor,
-dat zij, die den dienst van Terpsichore vaarwel zegden, kunnen
-nederzitten zonder vrees voor de punten hunner voeten.
-
-Rondom den ingelegden vloer loopt eene marmeren gaanderij door pilaren
-eenigszins afgesloten; in die gaanderij bestaat overvloedig gelegenheid
-om, achterover geleund in fauteuil of causeuse, een gezellig praatje te
-houden, een portie ijs te gebruiken of toilet en gedrag der dansenden
-te kritiseeren.
-
-In die gaanderij beweegt zich de gouverneur-generaal.
-
-Hij vordert slechts langzaam. Het is geen gemakkelijke taak, die hij
-zoo rondwandelend volbrengt: ieder zijner gasten—waaronder zeer
-vreemdsoortige—een woordje toe te voegen, niemand minder maar ook
-niemand meer te geven dan hem toekomt; belangstellend te zijn en toch
-niet hartelijk, vriendelijk en toch niet familiaar, beleefd en toch
-niet koel.
-
-Maar, zoo iemand, dan is hem dit toevertrouwd.
-
-Zooals hij daar staat voor eene der dames die, haastig overeind
-gerezen, op zijn hoffelijke toespraak antwoordt in een—om er het minste
-van te zeggen—zeer eigenaardig hollandsch, is de indruk, dien hij
-maakt, volkomen berekend voor de plaats die hij bekleedt. De hooge
-gestalte verheft zich boven de meeste der aanwezige heeren; toch is ze
-licht gebogen, niet zoozeer door ouderdom als door vermoeienis; voor
-wie hem van nabij ziet, getuigt de schaduw onder de diepliggende oogen,
-de breede rechte plooi in het hooge voorhoofd, dat hem, als zoovelen
-zijner voorgangers, Buitenzorgs bebloemde troon doornen bood bij de
-rozen.
-
-Maar zijn gang is veerkrachtig, zijn blik helder en scherp, al moge de
-uitdrukking van het gelaat diep zwaarmoedig, al moge in de zachte
-welluidende stem een toon zijn, die spreekt van krachtig beheerschte,
-maar daarom wellicht des te dieper gevoelde smart.
-
-De overlevering zegt, dat vroeger de vrouwen der landvoogden zich
-vriendelijk en gemeenzaam bewogen onder hare gasten, de Buitenzorgers
-zijn van oordeel dat die dames toonden haar positie te
-begrijpen—immers, niet zij zijn bekleed met de hoogste macht. Doch op
-dit punt, als trouwens op zeer veel andere punten, is mevrouw Van
-Waliënhove het volstrekt niet eens met de Buitenzorgers.
-
-Aan het boveneinde der zaal, omringd van een doorzichtig priëel van
-tropische planten, zetelt ze op haar roodfluweelen canapé, te midden
-harer »hofdames«, zooals zij ze in vertrouwelijke oogenblikken spottend
-noemt, de dames wier mannen lid zijn van den Raad van Indië, de
-echtgenooten van generaals, directeuren en wat Batavia meer oplevert in
-de hooge militaire of ambtenaarswereld. Dáár staat ze toe, dat men zijn
-eerbiedige hulde komt nederleggen aan hare voeten. Ze ontvangt die
-hulde, achteloos leunende in haar zetel, het gezicht half verborgen in
-bouquet of waaier, met een voorname aanmatiging, die sommige der groote
-dames tot machtelooze woede, anderen tot openlijk verzet vervoert.
-
-Reeds hebben tal van bezoekers haar den vereischten hormat bewezen: er
-is gebogen, geglimlacht; er zijn beminnelijke woordjes gesproken; met
-het goed humeur, dat in den huiselijken kring onwaardeerbaar zijn zou,
-heeft men hatelijkheden geslikt en scherpe gezegden opgenomen als
-vriendelijkheden; waaier en bouquet hebben druk dienst gedaan, soms om
-een geeuw, soms om een spottend lachje te verbergen, een enkele maal om
-een ondeugende opmerking te fluisteren in het oor eener buurdame.
-Eindelijk spreekt de adjudant van dienst een naam uit, die haar opwekt
-uit haar voorgewende lusteloosheid.
-
-»De heer en mevrouw Verschuere.«
-
-Het jonge paar maakt zijn compliment. Mevrouw van Waliënhove begroet
-zeer vriendelijk mr. Verschuere, den knappen, geestigen ambtenaar van
-de secretarie, dien ze een jaar lang slechts noode miste op haar
-partijen. Dan, zonder zich in het minst te bekommeren ook om de
-eenvoudigste regelen der wellevendheid, zet ze haar lorgnet op en
-begint mevrouw Verschuere in oogenschouw te nemen.
-
-Nu behoort mevrouw Verschuere niet tot de dames, die schitteren in de
-balzaal; daarvoor is ze te bescheiden, te tenger, te klein vooral.
-Daarenboven heeft ze bij deze gelegenheid haar eigen denkbeelden
-omtrent toilet moeten opgeven, om die van haar man te volgen en, in
-plaats van de lichte, zachtgetinte, wolkachtige stoffen, waarvan ze
-gewoon is kleedjes te tooveren, is ze gedost in zware witte zijde.
-
-Een bataviasche modiste heeft het grootst mogelijk aantal meters stof
-gebruikt om het fijne popje te omgeven met zulke zware plooien, dat ze
-geheel in het niet verzinkt, terwijl een lange sleep evenzeer haar
-vluggen gang belemmert als bevallige beweeglijkheid, die haar anders
-een zoo groote bekoring schenkt.
-
-Ook heeft Verschuere gemeend dat ze zich niet kapte, zooals het voor
-een getrouwde vrouw past; de coiffeur heeft een stijve wrong gemaakt
-van de zijden krullen; alles met het ongelukkige gevolg, dat er van de
-blondlokkige sylphide, die aller oog had kunnen verkwikken, niets
-overbleef dan een kleine vrouw met een fijn, bleek gezichtje.
-
-Als dan ook de landvoogdes het lorgnet, waarmee ze zoo onbeschaamd kan
-omgaan, eindelijk vallen laat, is het om den referendaris aan te staren
-met een blik, die duidelijker dan woorden doen kunnen, vraagt:
-
-»Is dàt nu de moeite waard om een reis voor te maken naar Europa?
-Moesten dáárvoor de bataviasche en buitenzorgsche meisjes achterstaan?«
-
-De heer Verschuere glimlacht met dat koele zekere lachje, ziet haar in
-de oogen met dien doordringenden blik, die vrouwen als de barones in
-toom houdt; ze kent den man tegenover haar en ze heeft geleerd hem te
-sparen; ze weet dat hij zich niet behandelen laat zooals ze sommige
-andere behandelt—dus richt ze zich met een poging om vriendelijk te
-zijn tot het kleine, bevende persoontje en ontslaat hen eindelijk door
-een groet, waaruit Verschuere lezen kan dat de gunst der barones nog
-altijd zijn deel is.
-
-»Hindert je iets, Gustaaf?« vraagt, met een stem die enkel muziek is,
-de jonge vrouw eenige oogenblikken later, als ze met haar echtgenoot in
-de gaanderij is gezeten en een wolk meent te bespeuren op zijn gelaat.
-
-»Neen, lieve, niets,« antwoordt Verschuere verstrooid, terwijl hij een
-jongen wenkt om nader te komen, met zijn blad vol dranken.
-
-»Wil je een glas ijswater?«
-
-»Heb ik me misschien een beetje kinderachtig gedragen?« fluistert ze,
-als beiden bediend zijn. »Maar ze maakte me ook zoo verlegen, Gustaaf!
-ze keek me zoo vinnig aan met die booze zwarte oogen.«
-
-»Chut!... Kind, je moet wat voorzichtig zijn; de muren hebben hier
-ooren.«
-
-Hij ziet rondom zich, of ook iemand hen mocht hebben beluisterd, maar
-het teeken voor de quadrille is daar juist gegeven en men is druk bezig
-met vis à vis te zoeken.
-
-De Verschuere’s dansen niet heden avond; zij blijft zwijgend zitten
-kijken naar den grooten kring, die zich langzamerhand formeert; hij
-ziet haar van terzijde aan met vorschenden blik.
-
-»Ik kan toch niet zeggen dat die monsieur Paul slag heeft van kappen,«
-begint hij aarzelend.
-
-Nu komt de wolk, die daareven zijn voorhoofd ontsierde, zich legeren op
-haar bleek gezichtje.
-
-»O, ik weet wat het is dat je hindert,« roept ze met plotseling
-opkomenden pijnlijken blos. »Je vindt dat ik er niet goed uitzie van
-avond!«
-
-»Wat een inval! Neen, Nita, werkelijk, je vergist je! Je ziet er even
-lief uit als altijd.«
-
-»Het is heel vriendelijk van je.... maar denk je dat ik het zelve niet
-zie? En je hadt, geloof ik, juist zoo graag eens eer ingelegd met je
-keus? Als ik maar niet zoo’n hoofdpijn had gekregen van dat kappen....
-en als die zware japon me niet zoo hinderde!«
-
-»Arm kindje! Laat me je wat eau de cologne geven. En nu ga ik je eens
-voorstellen aan mevrouw Hagen.«
-
-»Och neen, Gustaaf, liever niet!«
-
-»O, zij zal een geheel anderen indruk op je maken dan mevrouw Van
-Waliënhove, en daar mijnheer zoo beleefd geweest is je dadelijk te
-komen aanspreken....«
-
-»Ik zou graag naar huis gaan.«
-
-»Maar Nita, hoe kom je er bij?«
-
-»Wezenlijk, ik kan het niet langer volhouden.«
-
-»Je moet het volhouden.«
-
-Ze ziet naar hem op, verschrikt over dien gebiedenden toon, maar zijn
-gezicht staat zoo streng, dat ze haar vraag niet meer herhalen durft en
-moedeloos achterover leunt in haar fauteuil, den met eau de cologne
-doorweekten zakdoek tegen het gloeiend voorhoofd gedrukt.
-
-Daar buigt zich Verschuere haastig tot haar over en fluistert: »Ik bid
-je, Nita, ga rechtop zitten. Daar is Zijne Excellentie. Hij komt naar
-je toe.«
-
-’t Wordt elf uur; tijd voor het souper.
-
-De whist- en hombrespelers in de voorgalerij schrikken op van hun
-partijtje; dansers en danseressen raadplegen verbaasd hun balboekjes;
-zijn er waarlijk reeds zes dansen gedaan en resten er maar vier?
-
-De paren rangschikken zich en volgen den gastheer naar de vertrekken,
-waarin het souper wacht.
-
-’t Is nu niet gelijk het onder sommige vroegere landvoogden zijn kon,
-een rampaspartij, waarbij hooge ambtenaren hun deftigheid verloren
-onder het nasnellen van uitgedroogde sandwiches, waarbij grijze
-hoofdofficieren meer moeite hadden om een glas wijn te veroveren, dan
-ooit het nemen eener benting hun kostte, waarbij lieve danseressen haar
-adem besmetten met slecht toebereide haringslâ; het was nu een souper
-zooals de gasten van een gouverneur-generaal het konden verwachten.
-
-In de eetzalen, waar de avondkoelte door de hooge boogvensters
-ongehinderd binnenstroomt, zijn tal van tafeltjes aangebracht, gedekt
-met fijn damast en kostbaar zilver. Hier en daar staan reusachtige
-buffetten, waarop in fonkelend kristal een dessert prijkt, zoo smaakvol
-gerangschikt, zoo fraai en rijk, dat menigeen in het voorbijgaan een
-begeerigen blik werpt op die kunstgewrochten van den franschen
-confiseur.
-
-Het publiek, geheel vrijgelaten in de keuze der plaatsen, verspreidt
-zich en zoekt tafelgezelschap naar eigen smaak; de adjudanten voorkomen
-ieders wenschen; de intendant vergeet al zijn waardigheden en
-ridderorden, om op te gaan in de eene waardigheid van gastheer; de
-bedienden in hun livrei van wit laken met goud doen, onder het toezicht
-van den maître d’hôtel, hun plicht onhoorbaar en onopgemerkt, zooals
-slechts een goed gedresseerde inlander dat verstaat; de zalen vullen
-zich langzamerhand met feestelijke geluiden, vroolijk gepraat van jonge
-stemmen, blij gelach, knallen van champagnekurken, rinkelen van glazen
-en messen.
-
-Door de wijdgeopende dubbele deur heeft de tweede der eetzalen
-gemeenschap met een kleiner salon; in dat salon trekken de heer en
-mevrouw Van Waliënhove zich terug. Met hen dit heilige der heiligen te
-betreden, is slechts vergund aan zeer enkelen, aan de hooggeplaatsten
-in de verschillende regeeringslichamen, aan de eersten bij marine en
-leger.
-
-’t Zijn meest oudere heeren. Toch wordt onder hen meer dan een
-gevonden, die, wat al te levenslustig, een langen blik werpt op het
-vele liefs dat hij achterlaat en talmt om binnen te gaan; toch zijn er
-enkele onder de dames die, wanneer ze aan den arm van haar strammen
-cavalier de vroolijke groepjes passeeren, een oogenblik van zwakheid
-hebben, waarin ze wenschen te mogen meedoen zooals het past aan haar
-jeugd, zij het dan ook niet aan de hooge betrekking van haar
-echtgenoot. Maar dit zijn uitzonderingen. Over het geheel stevenen de
-enkele bevoorrechten haar vriendinnen voorbij met een triumfeerend
-lachje; de echtgenooten, schoon iets minder gevoelig voor
-onderscheiding, kunnen toch niet nalaten de borst hoog op te zetten als
-ze daar binnen gaan, en dames en heeren worden gevolgd door de
-afgunstige blikken van velen; van velen, die het zich met droeve
-oprechtheid bekennen, dat hun de poorten van dit paradijs nooit zullen
-geopend worden; van enkelen ook die, vervuld van zoete illusie,
-fluisteren: »Nog één promotie, nog één sterfgeval!.... en dan!«
-
-Alleen daarginds, in dien grooten, lustigen kring, waarvan freule
-Clotilde het middenpunt uitmaakt—niet door haar rang echter, maar door
-haar meesleepende vroolijkheid, haar tintelende scherts, haar helderen
-kinderlach—alleen daarginds, in dien kring van jongelingen en meisjes
-wordt niet gedacht aan den goudglanzenden tempel der eerzucht, die de
-gevreesde gouvernante tot priesteres heeft. Er zullen oogenblikken
-komen—vele uren wellicht—waarin ook die jongelingen en meisjes worden
-gekweld door de begeerte naar grootheid, naar rijkdom, naar roem! Maar
-nu, met het champagneglas in de hand, met den gloed der balzaal op de
-wangen, met de zorgeloosheid der jeugd in het hart, nu deert het hun
-weinig of ze aanzienlijk zijn of gering, of ze rijk genoemd worden of
-arm... ze zijn jong, de gelukkigen!
-
-
-
-
-
-
-
-II
-
-DE FEEËNTUIN.
-
-
-Den volgenden dag is er diner ten paleize.
-
-De bewoners van Insulindes residentie zijn over ’t geheel vreedzame
-burgers: ze betalen willig schot en lot; men heeft ze bij de invoering
-der belastingen slechts zacht hooren klagen; kalm zitten ze boomen op
-te zetten in hun vóór-, nog kalmer liggen ze klimaat te schieten in hun
-achtergalerij; hun overigen vrijen tijd brengen ze door met het tellen
-der vallende regendruppels, een bezigheid, die nergens ter wereld
-zooveel te doen geeft als te Buitenzorg.
-
-Er is echter één punt waarop die vreedzame burgers geen scherts
-verstaan: ’t zijn de diners ten paleize. Er worden daar veel soorten
-van diners gegeven: officieele diners, racediners, nieuwjaarsdiners,
-diners voor hooge logeergasten, diners voor notabelen, voor
-uitverkorenen, voor intiemen en—afdoeners! Alleen op den afdoener
-gevraagd te worden, staat gelijk met een beleediging; slechts op de
-officieele diners te mogen verschijnen is hinderlijk; op het diner der
-uitverkorenen te zijn genoodigd heet een onderscheiding; voor het
-intieme diner een invitatiekaart te hebben ontvangen, staat gelijk met
-te zijn de vurige bewonderaar, de warme aanhanger van den landvoogd,
-van des landvoogds echtgenoot, des landvoogds familie, ja zelfs van des
-landvoogds politiek!
-
-Nu is er een tijd geweest—een tijd nog steeds met afschuw
-herdacht—waarin de goede residentiebewoners voortdurend gewond werden
-in hun gevoeligheid op dit punt.
-
-’t Was in den tijd toen de vertegenwoordiger des konings in Indië
-meende dat hij, in wiens hand het wel of wee van millioenen berust, een
-nietigheid als het opmaken der lijst van genoodigden kon overlaten aan
-de vier vroede mannen, wier krachten land- en zeedienst ontroofd worden
-om de adjudantsbetrekking te vervullen.
-
-Maar, te beginnen met hun aanvoerder, den heer d’Hannecour, ridder van
-de Militaire Willemsorde, van de Kroon van Italië, van de Witte Valk,
-van de Hertogelijke Saksische Ernestinische Huisorde enz., kolonel der
-artillerie, adjudant van Z. E. den gouverneur-generaal van
-Nederlandsch-Indië en intendant der gouvernementshôtels, bleek dit
-onmogelijk. Voor hem was elk diner een gelegenheid tot machtsvertoon,
-en daar hij zoo kleingeestig, zoo lichtgeraakt was als iemand maar
-worden kan, die zich tien jaar lang met niet veel anders bezig houdt
-dan de étiquette aan een klein hof, had hij zich voortdurend te wreken
-over allerlei beleedigingen hem in zijn persoon, zijn betrekking of
-zijn familie aangedaan.
-
-De intendante van haar kant scheen niets zoozeer te vreezen als dat men
-haar verdenken zou van geen stem te hebben in paleisaangelegenheden,
-terwijl zes dochters, fier op de ridderorden van papa, vonden dat de
-glans die van zijn borst uitging, niets minder zijn moest dan een
-stralenkrans om hare zes aschblonde hoofden; eene meening, die niet
-algemeen scheen te worden gedeeld op Buitenzorg.
-
-Met deze gegevens was er niet veel toe noodig om zich het ongenoegen
-der Hannecour’s op den hals te halen, en men kon er zeker van wezen,
-dat hij die dit ongeluk had, het eene diner vóór, het andere na, zijn
-neus, of liever zijn mond voorbij zag gaan. Ontving hij eindelijk een
-uitnoodiging, dan was het op een afdoener!
-
-De intendant beeldde zich bij veel anders in, dat hij het met zijn
-drukke werkzaamheden niet overeen kon brengen ook nog de plaatsen te
-schikken; zoo kwam dan de beurt aan zijn trawanten.
-
-Gelukkig waren ze meest ongehuwd of hadden ze jonge vrouwen, die zich
-niet zoo gauw beleedigd gevoelen als dames wier eerste jeugd voorbij
-is. Ook werden ze gebonden door de étiquette, maar die sprak niet zoo
-duidelijk, of er was nog ruimschoots gelegenheid tot het uithalen van
-een grap, of het verkoopen van een hatelijkheid.
-
-Zoo vond de kokette haar naamkaartje tusschen twee wegens ouderdom
-gepensioneerde leden der weeskamer; zoo kreeg de drukke praatster een
-stokdooven buur; zoo zag een echtgenoot, die zich verplicht had gevoeld
-den huisvriend de deur te wijzen, vrouwlief door dien zelfden
-huisvriend aan tafel brengen; doodvijanden zaten altijd tegenover
-elkaar; heeren van wie het bekend was dat ze deze of gene dame gaarne
-ontmoetten, konden zeker zijn die dame aan het andere einde der tafel
-te zien.
-
-Hadden zij het hier maar bij gelaten! Maar nu werden nog daarenboven de
-vriendjes zóó hoog, de anderen zóó laag geplaatst als dit maar
-eenigszins was overeen te brengen met hun rang.
-
-Voorbijgegaan, als een bange droom voorbijgegaan, zijn die booze dagen
-voor de residentiebewoners.
-
-Wel worden door de adjudanten nog overleveringen bewaard van hun
-invloed, wel beproeven enkelen soms den schijn aan te nemen alsof het
-nog was gelijk voorheen, maar hun machtsvertoon gelijkt het blaffen van
-den gemuilbanden hond, het jaagt niemand vrees aan.
-
-Want—dit weet zelfs het groote publiek—waar mevrouw Van Waliënhove aan
-het bestuur is, daar kan geen sprake zijn van eenige macht buiten de
-hare.
-
-Misschien is het een bewijs van het politiek doorzicht, waarvoor de
-heer Van Waliënhove bekend staat; misschien heeft hij in de betrekking,
-die hij vervulde aan vreemde hoven, de ervaring opgedaan, dat andere
-hartstochten blijven sluimeren in de borst eener heerschzuchtige vrouw,
-als ze maar kan toegeven aan dien éénen grooten hartstocht van te
-heerschen; zooveel is zeker: hij laat de barones de meest onbeperkte
-vrijheid in het bestuur der kleine hofhouding. En zij beschaamt het in
-haar gesteld vertrouwen niet. Dat blijkt bij elke gelegenheid, dat
-blijkt ook heden weer op de meest afdoende wijze.
-
-Het is een klein diner ter eere van de logeergasten, die, voor het bal
-van gister overgekomen, nog op het paleis vertoeven; enkele
-Buitenzorgers slechts zijn genoodigd. Maar hoe klein—de adjudanten aan
-de beide uiteinden der tafel meegerekend, zijn er niet meer dan een
-twintigtal gasten—het is weer een diner, zooals alleen mevrouw Van
-Waliënhove ze geeft.
-
-Wanneer men de zaal, in een tuin herschapen, betreedt, is de atmosfeer,
-die daar heerscht zoo frisch en geurig, dat ze niet alleen den eetlust,
-maar ook den geest moet opwekken; wat meer zegt, die atmosfeer, hoewel
-straks vermengd met de dampen van het gebraad, der aroma’s der piquante
-sauzen, het bouquet der fijne wijnen, blijft, dank zij een uitmuntend
-systeem van luchtverversching, frisch en geurig tot het laatst.
-
-De stafmuziek is geplaatst op zulk een wijze, het programma is zoo
-gekozen, dat mogelijke pauzes worden aangevuld, maar de gesprekken niet
-bemoeilijkt. Tallooze waskaarsen op zware kristallen kronen en in
-zilveren candelabres verspreiden een zacht licht, niet zoo helder als
-gas, maar ook niet zoo warm en veel geruststellender voor de aanwezige
-dames, die bijna alle de dertig gepasseerd zijn. De stoelen staan op
-den juisten afstand. En dit is een zaak van niet gering belang. Wat
-toch is onaangenamer dan den geheelen avond strijd te voeren met een
-tafelpoot of een voortdurende drukking te gevoelen op uw knieën? Wat
-kan belemmerender wezen voor het discours, dan wanneer er een afgrond
-gaapt tusschen den heer en zijne dame? Maar wat ook onpleizieriger dan
-de warmte op zich te voelen afstralen van een nabijzijnd lichaam,
-vooral wanneer dat lichaam in een zwarten rok steekt.
-
-Evenals bij alle groote diners in het land der bloemen, schijnt de
-tafel een reusachtig bouquet, op sneeuw ontloken, in zilver en kristal
-gevat.
-
-Mogen onder de bataviasche dames al enkelen mevrouw Van Waliënhove op
-zijde streven in pracht van damast, porselein en glaswerk,—bloemen
-gelijk ze pronken op haar disch, bloeien slechts in de serres van den
-botanischen tuin; een wenk aan den hortulanus gegeven is oorzaak, dat
-ze daar slechts bloeien voor de landvoogdes.
-
-De wijnen, die op het paleis worden geschonken, mogen zeldzaam zijn in
-Nederlandsch-Indië, eenig zijn ze niet; een even volmaakte bediening
-wordt somtijds op de landgoederen of in den groothandel gevonden; voor
-de kookkunst zijn enkele hooggeplaatste dames even beroemd als de
-fransche kok, maar slechts mevrouw Van Waliënhove kan in lange en
-ernstige samenspreking met den maître d’hôtel een menu ontwerpen, dat
-schijnbaar eenvoudig, zoo uiterst fijn, dat zonder overlading zoo rijk
-aan afwisseling, dat in zijn smaakvolle regeling zoo verrassend is.
-
-Voor iemand die weet dat de intendant bij deze gewichtige
-aangelegenheid altijd wordt voorgelicht door zijn hooge gebiedster, kan
-er geen twijfel bestaan of, wat de rangschikking der gasten betreft, is
-aan al de eischen der étiquette voldaan. Wie nog twijfelen mocht, hij
-zie den kring rond. Zit niet al wat grijs is en gedecoreerd onder de
-heeren, al wat corpulent is en met juweelen behangen onder de dames,
-aan het midden der tafel? Werd niet al wat jong is en er goed uitziet
-verbannen naar het ondereinde?
-
-De eerste dame aan mevrouw Van Waliënhove’s linkerhand is de gade van
-den algemeenen secretaris, een klein, doodmager schepseltje met lieve
-oogen en iets zeer fatsoenlijks in haar smal, zacht gezicht, maar
-anders uiterst karig bedeeld met vergankelijk schoon.
-
-Blijkbaar is ze verlegen met de hoekige schouders en puntige ellebogen,
-die, als bakens op een onstuimige zee te voorschijn komen uit de massa
-ruches, kanten, plooisels, linten en strikken van haar verknoeide
-japon.
-
-Ze houdt de oogen onafgewend op haar bord gericht.
-
-Wat haar benauwt, meer nog dan het haar gewoonlijk benauwt om ten
-paleize te dineeren—’t is dat ze aan tafel werd gebracht door den heer
-Van Sonnefelt, vroeger gouverneur van Sumatra’s Westkust, nu lid in den
-raad van Indië, een man, evenzeer bekend om zijn scherp vernuft als om
-zijn onverholen afkeer van onbeduidende vrouwen.
-
-Ze doet wat ze kan, maar dat is niet veel.
-
-En het duurt niet lang of haar tafelgenoot geeft moeilijk bedwongen
-teekenen van verveling. Dit hindert haar, niet om den heer Van
-Sonnefelt echter—zij houdt nog veel minder van geestige heeren dan hij
-met mogelijkheid van onbeduidende vrouwen houden kan,—maar om haar man.
-Ze zou hem zoo gaarne eer aandoen in den hoogen rang, waartoe ze met en
-door hem is opgeklommen; meer dan ooit voelt ze, dat ze dit niet kan,
-en de soep is ter nauwernood rondgediend, als ze zich afvraagt, wat ze
-zich bij zulke gelegenheden altijd afvraagt: waarom toch haar man geen
-algemeen secretaris zijn kan, zonder dat zij daarom haar magerheid
-behoeft prijs te geven aan al die onbescheiden blikken, zonder dat zij
-daarom haar heer moet vervelen, terwijl ze zoo gezellig zitten kon,
-thuis in de achtergalerij bij de kinderen, die haar niet mager vinden
-en niet dom, neen, soms zelfs aardig, als ze goed met hen op dreef is.
-Op dreef komen met dien Sonnefelt zal ze nooit; dat voelt ze! Hij
-schijnt ook iets van dien aard te vermoeden, ten minste hij keert zich
-ter linkerzijde.
-
-Dáár vindt hij waardeering. Een paar tintelende oogen, een paar
-lachende lippen, die bij wat gewaagde scherts zich geenszins preutsch
-samentrekken. ’t Is een mooie brunette, mevrouw Heylerts, en wat aan
-een diner meer waard is, een aardige babbelaarster; niet jong meer,
-maar een van die weinige vrouwen, die de heeren op het denkbeeld
-brengen dat leeftijd eigenlijk maar idée is.
-
-»Zegt u me eens,« vraagt ze iets zachter dan ze daareven sprak, want
-men weet dat de landvoogdes zeer scherp hoort, »begrijpt u dáár iets
-van?« en ze wijst met de punt van haar mes even naar den overkant, waar
-de heer Verschuere zit met de dochter des huizes aan zijn rechterhand.
-
-»Zegt u me eens,« antwoordt Van Sonnefelt op denzelfden toon, »begrijpt
-u daar niet alles van?«
-
-Dan zien ze elkander aan; beiden glimlachen en na een korte pauze
-herneemt mevrouw Heylerts: »’t Is waar, ’t was erg dom van me. Maar de
-ministers veranderen zoo dikwerf tegenwoordig, dat men hun namen haast
-vergeet.«
-
-»Den naam van den minister van koloniën raad ik u aan altijd goed te
-onthouden. Dat bespaart menige verrassing, dat verklaart veel waarover
-men anders verbaasd zou kunnen staan; dat bereidt voor op onverwachte
-benoemingen.«
-
-»Zoudt u denken dat...«
-
-»Mevrouw, ik ben vijf-en-twintig jaar in deze verzengde gewesten... en
-u vraagt me of ik denk? Bittere ironie! Vertel me liever eens wat u
-denkt van mevrouw Verschuere? haar type is zoo geheel anders dan het
-uwe, dat ik wel op een rechtvaardige beoordeeling rekenen kan.«
-
-Mevrouw Heylerts laat haar blik rusten op de jonge vrouw en er komt
-iets zachts in haar oogen, terwijl ze het doet.
-
-»Lief vergeet-mij-nietje,« zegt ze eindelijk, »ze hadden haar aan den
-oever van haar beekje moeten laten; de indische zon zal haar
-verschroeien.«
-
-Niet minder gelukkig dan de heer van Sonnefelt is met zijn vroolijke
-buurdame, niet minder gelukkig is haar cavalier, de schout bij nacht,
-van de drukke praatster een oogenblik verlost te wezen. Als meer
-ongetrouwde heeren heeft hij zeer eigenaardige denkbeelden: zoo houdt
-hij vol dat men uit dineeren gaat om te eten en wijdt, die overtuiging
-getrouw, zijn aandacht aan de spijskaart met een hardnekkigheid, die
-zijn dame boos maakt en zijn lijfarts handen vol werks geeft.
-
-Trouwens, toen mevrouw Heylerts zag hoe ze geplaatst was, wist ze reeds
-van welken kant haar amusement komen moest, als zij zich amuseeren zou
-heden avond; zij kende den heer Everwoude als een dubbele uitzondering
-op den regel; hoewel marine-officier, had hij geen aangename vormen;
-hoewel oud en kaalhoofdig, gevoelde hij niets voor knappe vrouwen.
-
-De plaats aan de eene zijde van den landvoogd wordt ingenomen door eene
-dame, die er met haar bronskleurig fluweelen kleed en het parelsnoer om
-den prachtigen hals, ongewoon statig uitziet; door een vrouw, die
-zooals ze daar zit in haar vorstelijk toilet, fier en kalm alle
-aanwezigen overschaduwt, niet door schoonheid—haar volwassen dochter is
-tegelijk met freule Clotilde uitgekomen—maar door het edele van haar
-gelaat, door het hooge in haar blik en houding.
-
-’t Is een feit, een feit meermalen door de dames met voldoening
-geconstateerd, dat de barones die vrouw ontziet, dat ze haar een weinig
-vreest, ja somtijds haar vleit; een minder bekend, maar daarom niet
-minder onbetwistbaar feit is het, dat de landvoogd in de moeielijke
-oogenblikken zijner regeering zich somwijlen tot haar echtgenoot wendt,
-in de hoop door den heer Hagen het oordeel van mevrouw Hagen te
-vernemen.
-
-De heer Hagen is vice-president van den Raad van Indië. Hij heeft een
-veel minder gedistingeerd voorkomen dan zijn vrouw; integendeel, hij
-heeft iets van den pater goedleven in zijn rond, gladgeschoren gezicht
-met den breeden driedubbelen onderkin, en van het indrukwekkende in
-houding en gestalte, dat sommige menschen eenigszins bevreesd maakt
-voor mevrouw Hagen, heeft mijnheer zóó weinig, dat men wel eens zou
-wenschen hem iets van haar te kunnen overdoen.
-
-Onder den schijn van te luisteren naar mevrouw Van Waliënhove, zijn
-buur, zit de heer Hagen te kijken naar mevrouw Verschuere, die er in
-haar licht blauw kleedje met een bouquet vergeet-mij-nietjes in de
-goudblonde krullen zoo bekoorlijk uitziet dat hij een oogenblik geheel
-vergeet wat hij zichzelven voornam, toen hij, veertien dagen geleden,
-zijn vier volwassen dochters in de armen sloot: »dat het voor hem nu
-uit moest zijn met die gekheden.«
-
-Mevrouw Verschuere heeft den franschen consul tot tafelgenoot en deze
-verheugt zich in het genot hem niet altijd te beurt gevallen als hij
-ten paleize dineerde, een dame te hebben, die hem in vloeiend fransch
-antwoord in plaats van met het »Oui monsieur«, dat hij reeds begon te
-beschouwen als den eenigen volzin, dien de hollandsche vrouwen leerden
-van zijn moedertaal.
-
-Amuseert mevrouw De Bruining zich slecht, mijnheer De Bruining gaat het
-al niet veel beter. Hij zit met een armezondaarsgezicht. En geen
-wonder! De verzoeking was hem te groot geweest! Hij bedankte voor alle
-wijnen, tot de Chablis kwam; toen nam hij twee glazen en—nu moet hij
-zwijgen! Want had hij het ongeluk van te praten en zich ook maar één
-oogenblik te animeeren, dan zou zijn overspannen zenuwgestel in een
-staat van opgewondenheid geraken, niet ver verwijderd van dronkenschap.
-
-Zijn dame maakt hem trouwens het zwijgen niet zwaar. Mevrouw Van
-Ramsberge is eene dier vrouwen, die in sarong en kabaia veel praats
-hebben, maar zoodra ze gekleed zijn het zoo benauwd krijgen dat ze maar
-liefst aan zich zelve worden overgelaten, om ten minste adem te kunnen
-scheppen.
-
-Geruimen tijd na het gebruik van den Chablis heeft de algemeene
-secretaris als een idioot voor zich zitten kijken; nu neemt hij
-langzamerhand het uiterlijk aan van een wijsgeer, nadenkend over de
-dwaasheden van het menschdom.
-
-In deze nieuwe houding wordt hij echter gestoord door mevrouw van
-Ramsberge, die schijnt te willen toonen dat ze nog juist genoeg adem
-heeft om een domheid te zeggen.
-
-»Kassian mijn man!«
-
-»Hoe dat, mevrouw? Is de generaal ongesteld?«
-
-»Neen, dat niet. Maar kijk eens naar mevrouw Van Waliënhove! Nu, u zult
-niet zeggen dat hij het treft met zijn dame?«
-
-Zeker niet. De generaal moet nog het eerste vriendelijke woord van hare
-lippen hooren. Zij geeft hem ternauwernood antwoord; haar gedachten
-zoowel als haar blikken dwalen telkens weder naar de plaats, waarheen
-zoo veler blikken, zoo veler gedachten heden avond dwalen, naar dat
-jong, nog bijna kinderlijk gelaat, waaromheen de bruine lokjes zoo
-dartel krullen, waarin de groote grijze oogen zoo schitteren onder de
-zijden wimpers, waarop de blos der gezondheid en de ronding der eerste
-jeugd zoo verlokkend tronen. Maar—blijven andere oogen met vriendelijke
-bewondering rusten op al dat liefs—zij keert het gelaat toornig af van
-het schoon, dat niet van haar werd geërfd; van het kind, dat niet haar
-kind en toch—de laatste dagen hebben het bewezen—haar echtgenoot de
-liefste is.
-
-»Zij moet maar gauw trouwen, vindt u niet?« hijgt mevrouw Van
-Ramsberge, terwijl ze haar dikken bruinen hals koelte toewuift met een
-kracht, die De Bruining’s steile kuif in beweging brengt.
-
-»Wie?« vraagt De Bruining, bij wien de Chablis nog min of meer werkt.
-
-»Wel, freule Clotilde!«
-
-»Is daar zoo’n haast bij?«
-
-»Haast is er altijd,« zegt mevrouw Ramsberge met het gedecideerde van
-domme menschen.
-
-»Ja, dat is de indische meening; niet de hollandsche gelukkig!«
-
-Nu kan men mevrouw Ramsberge niet meer grieven, dan door te toonen dat
-men haar of haar meeningen indisch vindt, en zeker zou haar cavalier
-zich voorzichtiger hebben uitgelaten, als zijn denkvermogen niet min of
-meer beneveld ware geweest.
-
-»Ik zou haast durven beweren dat er hier nog meer haast is dan
-gewoonlijk, al vindt u het dan ook nog zoo indisch van me,« zegt ze en
-maakt zooveel wind dat nu niet alleen De Bruining’s haren te berge
-rijzen, maar ook zijn bakkebaarden aan de algemeene beweging beginnen
-deel te nemen.
-
-Met de poging om de beide bakkebaarden in één hand te verzamelen, welke
-poging natuurlijk mislukt, werpt de heer De Bruining een langen blik op
-zeker bleek, vermoeid gezichtje, dat hem zachtjes toelacht; hij
-herinnert zich hoe rond en blozend dat gezichtje was, toen hij het voor
-het eerst tot zich ophief en kuste; hij herinnert zich hoe spoedig het
-verviel en verbleekte, en daar die droevige gedachten den laatsten damp
-van den Chablis verdrijven, begint hij op ernstigen toon een gesprek:
-
-»Ik ben van een geheel tegenovergestelde opinie, mevrouw Van Ramsberge.
-Zie die kinderen eens een pret hebben. Zou het niet zonde en jammer
-zijn, ze nu reeds de zorgen van een huishouding op de schouders te
-leggen? Neen, laat ze eerst wat genieten van het jonge meisjesleven.«
-
-»Nu, dat doen ze wel. Hoor die Gertrude Hagen eens gichelen! En
-Clotilde schijnt ook niet van de stilsten.«
-
-»Ja, zoo lachen ze niet meer als ze een kleintje thuis hebben.«
-
-»’t Is toch een mensch zijn bestemming,« zegt mevrouw Van Ramsberge en
-wuift hem de punt van zijn das tegen de kin, »dàt zult u toch niet
-tegenspreken,« en ze kijkt hem boos aan, want ze stelt er een eer in,
-dat haar dochters alle zoo bijzonder gauw—zij het dan ook niet
-bijzonder goed—getrouwd zijn.
-
-»Ja,« zegt De Bruining, zoo knorrig als het redeloos schermen met
-gemeenplaatsen iemand maken kan, »ja, als u daarin komt, wat een mensch
-zijn bestemming is. ’t Is, om eens iets te noemen, ons aller bestemming
-om gepensioneerd te worden, maar daarom gaan we nog niet dadelijk allen
-ons pensioen aanvragen.«
-
-Dat is een hatelijkheid, denkt nu mevrouw Van Ramsberge; de generaal
-heeft vijf-en-dertig jaar dienst en volgens sommigen wordt het zijn
-tijd; de heer De Bruining bespeurt dat ze het als zoodanig opneemt,
-maar hij heeft geen lust haar tot andere gedachten te brengen en doet
-wat zijn vrouw reeds een uur doet—hij kijkt in zijn bord.
-
-Behalve de vroolijkheid aan den hoek waar de jonge meisjes zitten,
-heerscht van het begin tot het einde de kalme toon, die de diners ten
-paleize kenmerkt. Zoo is men langzamerhand genaderd tot het einde: men
-heeft eenige moeite om de glacés, die daar straks zoo vlug van de
-vingers gleden, weer aan te krijgen, maar voor het overige staat men
-even kalm op als men is gaan aanzitten; men leert allengs ook om zich
-te vermaken op officieele wijze.
-
-Het kwartier dat men na het eten staande doorbrengt in de voorgalerij,
-schijnt heden korter te zullen worden dan gewoonlijk. Nauwelijks is de
-koffie gebruikt, als reeds de adjudanten naderen met een beleefde
-uitnoodiging hen te volgen en de gasten voorgaan naar het
-achtergedeelte van het paleis.
-
-Er zijn stoelen geplaatst op het balkon, maar het is stikdonker buiten,
-en juist begint men zich af te vragen, wat toch de bedoeling zijn kan
-van het staren in deze egyptische duisternis, als in een diepe
-stilte—bewijs van de nieuwsgierige spanning waarin het gezelschap
-verkeert—de intendant met zijn zakdoek wuift.
-
-Was de heer d’Hannecour gewapend geweest met het stafje eener fee, niet
-plotselinger had de verandering kunnen zijn, niet tooverachtiger had
-uit de duisternis het tooneel kunnen verrijzen, dat nu het oog der
-toeschouwers boeit. In een licht zoo zuiver wit als werd Bogor’s eeuwig
-bloeiende tuin te midden der gletschers gevonden, ligt daar de vijver,
-een reusachtige spiegel, gevat in groenfluweelen rand: rondom buigt
-zich zacht wuivend loover, de avondwind suizelt en bestrooit de
-glinsterende watervlakte met bloemen. Daar klinken de vriendelijke
-tonen eener barcarolle en, bloemguirlanden gewonden om de zilveren
-masten, veelverwige wimpels in top, met rooskleurige zeilen zwellend
-door de geurige koelte, glijden tal van bootjes over het meer.
-
-Nu gaat het schitterend witte licht over in teeder smaragd: hier en
-daar tusschen het dicht geboomte dat den vijver omkranst, vertoonen
-zich nimfen: zweven naar den oeverrand, ze plukken met volle handen
-lotosbloemen en werpen ze den gondeliers toe.
-
-De barcarolle verstomt, de lichte tonen eener wals dansen over den
-waterspiegel; daarboven klinkt de zilveren lach der spelende nimfen.
-Straks wordt het tooneel overgoten met helrooden gloed; een
-schetterende fanfare, wild geschreeuw, satyrs springen te voorschijn,
-gondeliers vluchten, nimfen verdwijnen; alles is weer in duisternis
-gehuld.
-
-De toeschouwers vergeten waar ze zich bevinden; de verrukking barst los
-in luid gejubel, in handgeklap, in dank.
-
-Zijne Excellentie bespeurt het niet. Hij hoort of ziet niets rondom
-zich; hij ziet slechts het stralend gezichtje dat naar hem wordt
-opgeheven; hij hoort slechts de stem, die bevend van verrukking
-fluistert: »O, papa! ik dank u! ik dank u!«
-
-
-
-
-
-
-
-III
-
-DE LANDVOOGD IN ZIJN KABINET.
-
-
-In een der ruime, hooge vertrekken aan de achterzijde van het paleis is
-de werkkamer van Zijne Excellentie en niettegenstaande de drukte, die
-de kleine hofhouding medebrengt, blijft het daar gedurende de
-morgenuren zoo stil, zoo rustig alsof het gebouw geen bewoners had.
-Voor heden echter maakt de heer Van Waliënhove niet het gewone nuttige
-gebruik van deze stilte: hij zit achterover geleund in zijn
-hooggerugden stoel; groote eikenhouten kisten vol stukken, gisteren
-door de mail uit Europa aangebracht, staan nog ongeopend rondom hem; de
-handen zijn werkeloos, de oogen half geloken.
-
-Daar straks is hij een oogenblik gewekt uit zijn gepeinzen—niet daarin
-gestoord—er heeft een lichte tred weerklonken; als in een droom zag hij
-een tengere gestalte, ze droeg een tuiltje veldviooltjes, ze zweefde
-hem voorbij naar het portret daarginds aan den wand... ze drukte een
-kus op zijn voorhoofd...
-
-Een uur is sedert voorbij gegaan. En nog ligt de dagtaak onaangeroerd,
-nog droomt hij, maar nu niet meer met gesloten oogen, nu met den blik
-gericht op dat gelaat, omkranst met veldviolen. Noch hij, noch zijn
-kind hadden in de drukte der feesten vergeten, dat het heden haar
-sterfdag was; hij en zijn kind, ze herdachten te zamen in een lange
-omhelzing haar, die voor een korte wijl hem verschenen was in dit
-leven; de goede engel, begaafd met de macht om den vloek, die op dat
-leven rustte, weg te nemen.
-
-O, hij was zwaar geweest om te dragen, die vloek!
-
-Hij had zijn kinderjaren verbitterd, zijn jeugd gemaakt tot een
-worsteling tegen knellende banden; banden, die hij met al zijn kracht
-niet had kunnen verbreken.
-
-Een adellijken naam te dragen en arm zijn! Al de vooroordeelen van zijn
-stand als met de moedermelk te hebben ingezogen, al de begrippen van
-dien stand te zijn toegedaan, al den trots er van te voelen bruisen in
-zijn aderen—en dan dien trots te moeten vernederen, die begrippen
-verloochenen, die vooroordeelen boeten!
-
-Ja, hij was zwaar geweest om te dragen, die vloek!..., tot zij, zijn
-goede engel, hem verscheen.
-
-Wat was toch haar geheim geweest?
-
-Ze was arm als hij, en evenwel, toen ze hun beider armoe vereend
-hadden, toen waren ze rijk geweest, onmetelijk rijk.
-
-Was het waar wat ze lachend beweerde, dat twee jonge menschen, om
-gelukkig te zijn, niet anders behoeven dan twee jonge harten?
-
-Was het haar schoonheid, die geheel haar eenvoudig kluisje verlichtte
-met zoo bekoorlijken glans? Was het haar blik, die het verwarmde met
-zoo troostvollen gloed? Was het haar lach, die het vervulde met zoo
-kostbaren zilverklank? Of was het wellicht de liefde geweest, de
-wonderbaarlijke, die alles vermag? Was dat de tooverstaf, waarmee ze
-zijn ziel had aangeraakt en teederheid gebracht in plaats van
-verbittering; de wonderbalsem, waarmee ze de duisternis had weggenomen
-uit zijn oogen en het gemor van zijn lippen; het bezweringsformulier,
-waarmee ze alle sombere denkbeelden had verbannen, om hem te doen
-gelooven in het ongeloofelijke dat ze rijk waren, mateloos rijk, rijker
-dan de rijkste op aarde?
-
-Helaas! dat de verschijning van toovergodinnen zoo kort moet zijn!
-
-Ze scheidde, ach! zoo onwillig, terwijl ze hem het laatste offer harer
-liefde bracht: een kind met den blik, den lach en—hij weet het sinds
-kort—de toovermacht harer moeder.
-
-Rijker dan de rijkste op aarde!
-
-God, hoe schoon was de droom geweest, hoe vreeselijk het ontwaken! Ach,
-als ze dan heen moest gaan, waarom had ze al den glans en het licht en
-de muziek met zich genomen?
-
-En als ze alles met zich nemen moest, waarom dan hem alleen
-achtergelaten in de nu onttooverde wereld?
-
-Wanneer hij zich terugdenkt in den tijd, die volgde op haar dood, toen
-de lasten des levens hem zoo zwaar drukten, dat ze zijn rug kromden
-voor de jaren, toen een hulpeloos kind, onverzorgde zusters, zwakke
-ouders, allen zijn bijstand vroegen, toen hij werkte en zwoegde als de
-minste en toch niet vond wat de minste vinden kan, genoeg! als hij zich
-wegdenkt in dien nacht, dubbel zwart omdat hij volgde op zoo
-schitterend een lentedag, dan vraagt hij zich af hoe hij dien heeft
-kunnen doorworstelen... Maar ook dan—en dan alleen begrijpt hij, hoe
-hij er toe gekomen is om zich te verkoopen!
-
-Zich te verkoopen!
-
-Honderde malen heeft hij het gefluisterd, dat vreeselijk woord,
-honderde malen! Al de hoon, al de schande er in vervat, is gegrift in
-de diepste diepten zijner ziel, maar nog terwijl hij het uitspreekt in
-de stilte van zijn binnenkamer, nog doet het hem pijnlijk blozen, alsof
-hij een slag kreeg in het aangezicht; nog krult zich zijn lip, zooals
-ze doen zou bij het vernemen eener laagheid, nog wendt hij het hoofd af
-van het gelaat omkranst met veldviolen...
-
-Want—bloost hij voor zichzelf, hij doet het meer nog voor haar. Immers
-door zijn tweede huwelijk heeft hij zijn eerste verloochend.
-
-De vrouw, die hem kocht, kan hem niets verwijten: zij wist dat hij geen
-hart te geven had en ze vroeg ook geen hart, ze zou niet geweten hebben
-wat er mee aan te vangen; maar Clotilde’s moeder!...
-
-Ja, wèl heeft de vloek zijns levens zwaar op hem gerust!
-
-Want, na jaren lang den aangebonden strijd te hebben volgehouden, buigt
-hij ten laatste het hoofd en onderwerpt zich aan het noodlot, dat hem
-dwingt zijn oud verveloos wapenschild te vergulden door een rijk
-huwelijk, en dan wordt hem, die zoo dikwerf en zoo dringend had
-gevraagd om een meer winstgevende betrekking, hem die gaarne al zijn
-krachten zou gewijd hebben aan zijn land, als hij daardoor zijn
-verarmde familie had kunnen steunen, hem wordt—o bittere spotternij der
-fortuin, nu op eens als het ware thuis gebracht wat hij zoo lang te
-vergeefs najaagde.
-
-En al hooger en hooger stijgend, nu hij behalve door bekwaamheid ook
-door geld gesteund wordt, ziet hij zich eindelijk benoemd tot
-gouverneur-generaal van Neerlandsch-Indië!
-
-Gouverneur-generaal van Neerlandsch-Indië! Ja... maar geketend aan eene
-vrouw, die hij haat.
-
-Haat? Hij schrikt op van het woord, nu het hem daar als van zelf op de
-lippen komt; hij herhaalt het fluisterend, als woog hij de beteekenis
-er van, als wilde hij nog ontkennen wat daar zoo luide wordt
-uitgesproken in het diepst van zijn hart.
-
-Haten? Neen immers! Dat kan, dat mag niet!
-
-Toen ze huwden, heeft hij toen niet geloofd in de mogelijkheid van haar
-te beminnen? Scheen die vorstelijke gestalte, die weelderig schoone
-vrouw hem niet begeerenswaard; bewonderde hij niet dat regelmatig fraai
-gelaat; meende hij geen liefde te lezen in de oogen, die toen nog niet
-zoo onheilspellend fonkelen, zoo toornig lichten konden?
-
-En later, toen ze hem zijn zonen schonk, toen ze aan de wieg van haar
-kind meer tot teederheid geneigd scheen, waren er toen niet
-oogenblikken geweest, waarin ze te zamen genoten van de weelden die
-kinderen onbewust hun ouders verschaffen, oogenblikken, waarin hij de
-moeder zijner heerlijke jongens dankbaar was voor dien schat?
-
-Haten? Neen! ’t Is waar, hij heeft een vrouw gehuwd om haar fortuin,
-maar hij deed het niet als een gewetenlooze. Hij gaf haar zijn naam, in
-het vast geloof dat ze waardig was dien te dragen, met het voornemen
-haar gelukkig te maken, de hoop bij haar datgene te vinden, wat hij nog
-vroeg van het leven: een kalm tevreden lot.
-
-Ach, als ze hem maar een weinig had begrepen!
-
-Als ze maar had kunnen beseffen hoe pijnlijk ze hem wondde met dien
-kouden blik, met dien wreeden lach; als ze maar had gevoeld hoe het
-blootleggen van een hart als het hare, een hart als het zijne voor
-altijd sluiten moest! Of anders, als ze maar had willen veinzen, hij
-zou niets liever gewenscht hebben dan te leven in een gelukkige
-dwaling.
-
-Maar helaas, er zijn naturen zoo laag, dat ze zelfs het begrip niet
-hebben hun laagheid te verbergen: hoe weinig had ze hem kunnen geven,
-hoeveel had ze van hem gevraagd! Wanneer de man offers brengt op het
-altaar der liefde, wanneer hij eigen zin en wil onderdrukt, eigen
-wensch verloochent voor de vrouw die hij bemint, dan wordt ze hem
-dierbaarder naarmate de offers die hij bracht, zwaarder waren. Maar wee
-de vrouw die offers eischt waar ze niet bemind wordt, wee den man die
-ze brengt zonder liefde; haat, toornige, machtelooze haat komt zich
-legeren tusschen hem en haar.
-
-Nu drie jaar geleden, toen hij geroepen werd tot zijn hoogen post,
-heeft ze van hem geëischt, wat hem moeielijk te volbrengen viel: de
-scheiding van Clotilde.
-
-Hij weigerde. Zij sprak over vaderlijk egoïsme, dat de toekomst der
-dochter bedierf, over een half voltooide opvoeding, over een nadeeligen
-invloed van het indisch klimaat... hij bleef weigeren: toen toonde zij
-zich zoozeer stiefmoeder, dat het kind zelve vroeg om te mogen
-achterblijven; immers de strengste kostschool was beter dan zulk een
-thuis... en hij weigerde niet langer.
-
-En zoo beroofde ze hem van het genot, dat hij zich lang had gedroomd;
-de plant die hij kweekte, waarvan hij elk blaadje bespied, elk knopje
-welkom geheeten had, moest hij verlaten op het oogenblik dat ze zich
-ontplooide tot vollen, heerlijken bloei. En als hij nu, nu zijn
-ontloken roos is teruggekeerd, den zonneschijn zijner liefde slechts
-over haar had mogen uitstorten! Doch—treurig raadsel—de vrouw, die niet
-heeft kunnen beminnen, kan ijverzuchtig zijn, ijverzuchtig op de doode,
-voortlevend in haar kind.
-
-Thans staat hij op het punt een ander offer te brengen.
-
-Niet dat ze het vraagt, niet dat ze, nu het haar eigen kinderen geldt,
-een opvoeding in Holland noodzakelijk vindt! Och neen, ze roept ach en
-wee over zijn hardvochtigheid, ze noemt hem een vader zonder gevoel, ze
-toornt, ze dreigt, zoodra hij maar een woord durft spreken, doelend op
-de mogelijkheid eener naderende scheiding.
-
-Toch kan hij het zich niet langer ontveinzen; die scheiding wordt
-noodzakelijk. Dagelijks is hij getuige van tooneelen, die hem de
-waarheid in het aangezicht slingeren: er moet een einde komen aan den
-bestaanden toestand; dagelijks ziet hij het, hoe de goede aanleg der
-beide jongens wordt bedorven door het onverstand der moeder, hoe hun
-trotsche aard, het erfdeel der Van Waliënhove’s, dreigt te ontaarden in
-den dommen hoogmoed, die de landvoogdes bezielde van het oogenblik af
-dat ze onder het bulderen der kanonnen voet aan wal zette te Batavia.
-
-Ziet hij niet hoe alles samenwerkt om de kinderen een veel te hoog
-denkbeeld te geven van de grootheid huns vaders, die, alles
-welbeschouwd, toch slechts een tijdelijke grootheid is? Werkt die troep
-hovelingen niet nadeelig op het karakter, zijn die kruipende Javanen
-niet juist geschikt om den kleinen tiran, die in Felix sluimert, te
-doen ontwaken? Wordt de toomelooze drift van Oscar ooit naar behooren
-gestraft? Wordt niet met al zijn luimen en nukken genoegen genomen? Ja,
-zijn insolenties en ruwe grappen, worden zij niet toegejuicht door de
-vleiers, wier eigen kinderen wellicht verbaasd zouden staan, als ze
-hier eens zagen hoeveel papa verdragen kan? Hij mag niet, als
-gelukkiger vaders uit nederiger stand, zich de weelde veroorloven zelf
-de opvoeder zijner zonen te zijn; hij behoort niet aan zijn huisgezin,
-maar aan den staat.
-
-De dagen, die het land doorleeft, waarover hij gesteld is, zijn donker:
-de toekomst, die het tegengaat, is ver van rooskleurig; er wordt
-gevreesd voor steeds grooter achteruitgang, zoo niet ondergang dreigt;
-en hij spant al zijn krachten in om in dat donker licht te scheppen, om
-dien ondergang te voorkomen; hij strijdt tegen den afmattenden invloed
-van klimaat en omgeving, tegen de moeielijkheden aan de positie van
-landvoogd verbonden. De strijd is niet licht en legt zoodanig beslag op
-al zijn gedachten, al zijn vermogens, dat hij gaarne van de zorg voor
-de opvoeding zijner zonen zou ontheven zijn geworden.
-
-Maar dit mocht niet zijn, en tusschen de regeeringszaken door, peinst
-hij op middelen om die opvoeding te doen slagen.
-
-Hij heeft gewenscht—en tegen den bepaald uitgesproken wil zijner vrouw
-doorgezet—dat Felix en Oscar naar school gingen, dat ze daar leerden en
-speelden, stoeiden en vochten, overwinnaar bleven of onder lagen, juist
-als andere knapen; maar dat is onmogelijk gebleken.
-
-Hij mocht nog zoo duidelijk verklaren, dat hij geen onderscheid
-wenschte, hij mocht zijn jongens naar school zenden, te voet, in weer
-en wind, in het traditioneele blauwe pak, de tasch op den rug gebonden,
-de onderwijzer kan toch niet vergeten dat het de kinderen van Zijne
-Excellentie zijn.
-
-Als het ongeluk wil dat in een vechtpartij Felix een blauw oog heeft
-opgeloopen, komt het hoofd der school, bleek van schrik, zijn
-verontschuldiging aanbieden; kort daarna wordt hij om deze onhandigheid
-overgeplaatst; zijn opvolger houdt zich overtuigd dat die overplaatsing
-het natuurlijk gevolg is van het blauwe oog en straft den eersten den
-besten, die het waagt een Van Waliënhove aan te raken, zoo voorbeeldig,
-dat geen knaap zich meer schuldig maakt aan die majesteitsschennis.
-
-Het schoolgaan op deze wijs moest nog veel nadeeliger werken dan het
-leeren aan huis, en mevrouw Van Waliënhove—had ze misschien de hand
-gehad in de geheele zaak?—kreeg haar wensch: een gouverneur.
-
-Het mocht geen gewone schoolmeester zijn, de gouverneur van mevrouws
-zonen! Dus werd een buitengewone gezocht, iemand die akten had voor
-alle mogelijke en onmogelijke vakken. Hij bleef drie maanden.
-
-Och neen, ’t moest heel iets anders wezen, niet zoo’n pedant heer van
-het middelbaar, maar iemand van het lager onderwijs, zoo’n manneke dat
-men niet behoefde te ontzien. Hij hield het een half jaar uit. Er was
-een Franschman geprobeerd, een Duitscher, een candidaat in de letteren,
-een dokter in de wijsbegeerte... nu kort geleden is voor de zesde maal
-de gouverneur tot Zijne Excellentie gekomen, met beleefd maar dringend
-verzoek om ontslag—en Zijne Excellentie de onderkoning van Indië heeft
-beschaamd gestaan voor dien nederigen man: hij heeft niet durven vragen
-wat de reden was van zijn verzoek, hij wist het. En hij weet ook, dat
-degeen die in ’s mans plaats komt... ah ja, de mail ligt daar nog
-ongeopend vóór hem, misschien is er bericht; misschien dat de laatste
-poging door hem aangewend, alvorens tot het uiterste over te gaan,
-gelukt is.
-
-Hij leest haastig de adressen zijner brieven, opent een daarvan, vliegt
-den inhoud door en op het gelaat, dat daar straks zoo somber stond,
-komt nu een trek van blijde verrassing.
-
-Een paar malen loopt hij met den geopenden brief de kamer op en neer,
-dan schelt hij en beveelt den intendant te roepen.
-
-»Herinnert u zich nog, kolonel,« vraagt hij, zoodra deze gezeten is,
-»herinnert u zich nog den kolonel Van Beevelant?«
-
-»Die gewond werd op Atjeh, en kort daarna gepensioneerd? Zeker herinner
-ik mij dien, Excellentie! Hij is, meen ik, reeds als tweede luitenant
-ridder geworden, en...«
-
-»Juist. U moet weten, kolonel Van Beevelant en ik zijn schoolkameraden
-geweest.«
-
-»Ah zoo?« vraagt d’Hannecour, dadelijk op zijn qui vive.
-
-»En we zijn altijd vrienden gebleven«.
-
-Met de vlugheid van den hoveling heeft de intendant begrepen welk
-antwoord hier dienstig zijn kan.
-
-»Ik ben zeker dat hij die onderscheiding waardig was. Toevallig heb ik
-het voorrecht gehad onder hem te dienen. Onze dames vooral
-sympathiseerden erg; we zagen elkaar veel en zijn altijd min of meer
-gelieerd gebleven.«
-
-»Wel zoo, dat doet me genoegen. U weet, hij had een zoon, zijn eenige.«
-
-»Ja, Frans. Hij was de speelkameraad van mijn kinderen, een aardige,
-veelbelovende jongen. Weet Uwe Excellentie misschien wat er van hem
-geworden is?«
-
-»We zullen het, denk ik, spoedig vernemen. De fransche mail is aan:
-welnu, dan is hij gisteravond afgestapt te Batavia en nu waarschijnlijk
-op reis naar hier.—A propos, zoudt u den adjudant van dienst willen
-vragen hem te gaan halen van ’t station?«
-
-»Met genoegen. Hè, wat vind ik dat aardig, Frans Beevelant weer eens
-terug te zien! En wat een verrassing zullen ze het thuis vinden!«
-
-»Ik hoop zeer dat uwe familie haar oude betrekking op hem niet zal
-vergeten. De dames geven in zulke zaken meest den toon aan, en het zou
-hem zeker veel waard zijn door mevrouw d’Hannecour te worden
-gepousseerd.«
-
-De kolonel buigt, zichtbaar gevleid.
-
-»Heb daarover geen zorg, Excellentie! Hij zal met open armen worden
-ontvangen. Zulk een aardig jongmensch en daarenboven de zoon van een
-goed, oud vriend.«
-
-»En daarenboven de gouverneur mijner jongens.«
-
-De intendant ziet den landvoogd aan alsof hij denkt aan een grap.
-
-»U zegt?« vraagt hij met een pijnlijk glimlachje.
-
-»De gouverneur mijner jongens,« antwoordt baron Van Waliënhove droog.
-
-»De gouverneur?« herhaalt d’Hannecour, en op zijn daareven zoo glanzend
-gelaat is de grootste verlegenheid te lezen. »De gouverneur?«
-
-»Wat ik u bidden mag, kolonel, blijf niet zoo stilstaan bij dat woord
-gouverneur. Het mocht u eens doen vergeten dat de gouverneur uw
-bijzondere gunsteling, de speelkameraad uwer dochters en de zoon van
-ons beider ouden vriend is.«
-
-
-
-
-
-
-
-IV
-
-EEN INDISCHE HUISHOUDING.
-
-
-»Mama, ik wil koek!«
-
-»Ma, Wim knijpt me... Adoe! adoe!« [1]
-
-»Maatje heef hort aan Jantje!«
-
-»Mama, toetie minta boeboer.« [2]
-
-Ziedaar de kreten, die, vergezeld van het geraas, dat lepels en vorken
-in kinderhanden maken, worden geslaakt door het zevental dat om de
-ontbijttafel der Bruinings gelegerd is in houdingen, welke slechts
-darwinistische denkbeelden vermogen te wekken.
-
-Die ontbijttafel is bedekt met tal van gerechten.
-
-»Want, niet waar,«—aldus mevrouw De Bruining—»wanneer men zooveel
-kinderen heeft, dan moet er van alles zijn? Daar hebt u Jantje, die wil
-altijd gort hebben en voor Non moet er koek wezen; dan eet Toetie
-boeboer en het kleintje«—er is altijd een kleintje!—»het kleintje kan
-nog niet veel anders verdragen dan nassie tim, terwijl Bruining op zijn
-kop chocolade gesteld is en juf graag kip of vleesch heeft bij de
-boterham.«
-
-»Stil toch, kinderen,« spreekt mevrouw, met een stem, veel te zwak om
-het rumoer te overschreeuwen. »Ik zal je helpen, maar gil dan niet zoo!
-Wou je koek, Non? Hier poesje. En jij Wim... jongens, vecht nu niet
-langer... kom je boterham eten... Spen kassi roti... waar is Spen?«
-
-Spen is aan het melk koken, bericht de baboe, die op den grond zit met
-een schotel rijstepap en de vijfjarige Toetie volpropt met den boeboer,
-alsof het een jonge kalkoen was die gepild moet worden.
-
-Nu had Spen reeds een uur geleden de melk kunnen koken, maar met het
-overleg den inlander eigen, waar het geldt eenig werk te ontloopen,
-stelt hij dit altijd uit tot het oogenblik van aanval; de jeugdige
-Bruinings te bedienen is geen gemakkelijke taak en hij laat die liefst
-over aan hunne moeder.
-
-Zij vliegt dan nu ook links en rechts, om de wenschen harer lievelingen
-te vervullen; zoo gauw echter niet of jongeheer Jan vindt gelegenheid
-om de »hort«, waar hij daareven zoo dringend om riep, overal te brengen
-waar ze niet behoort.
-
-Hij teekent zich met de stroop een paar snorren, die een sappeur hem
-zou kunnen benijden; nu gaat hij over tot het aanbrengen van groote
-dwarsstrepen op zijn voorhoofd, welke hem iets diepdenkends zouden
-geven zonder de beide gortkorrels aan de punt van zijn neus.
-
-Misschien zou Lavater een studie gemaakt hebben van de
-tegenstrijdigheden in de uitdrukking op Jantje’s gelaat, maar mevrouw
-De Bruining heeft daarvoor geen tijd. Nauwelijks ontdekt ze het snood
-bedrijf, als ze een natten handdoek grijpt en daarmede op den
-teekenmeester toeschiet...
-
-Juist op dit oogenblik weerklinkt een hartverscheurende kreet. De
-strijd tusschen Willem en Louis met ongewone hardnekkigheid voortgezet,
-was weldra ontaard in een buiteling en de buiteling beëindigd met een
-even treurig als verrassend voorval: Louis kwam met een weinig
-beschermd lichaamsdeel terecht in de heete rijstepap.
-
-Met pas gekrulde kuif en wijd uitgespreiden bakkebaard, met zijn das in
-de hand en zijn jas op den arm, vliegt nu de heer De Bruining de
-achtergalerij binnen: hij heeft door het hartverscheurend gegil van
-Louis gemeend, dat er een vreeselijk ongeluk gebeurde, maar de houding
-die het ventje aanneemt, nu hij uit de heete pap opkrabbelt, is zóó
-dwaas, dat papa met de kinderen en bedienden instemt en het uitschatert
-van lachen.
-
-De kus, dien hij zijn vrouw op de lippen drukt, het goeden morgen dat
-hij zijn jongens toeroept, zouden vriendelijker zijn, als hij niet zoo
-gejaagd was; immers hij is reeds gekleed voor zijn dagelijksch bezoek
-bij den gouverneur-generaal; binnen een half uur moeten hij en Zijne
-Excellentie een zaak bespreken, die alleen met behulp van zeker
-staatsblad te bespreken is. En nu werd hij in het bestudeeren van dat
-staatsblad gestoord door den noodkreet van zijn zoon. Mevrouw is
-neergeknield om de vuurroode plek, die Louis bij zijn evolutiën bloot
-geeft, te betten met den natten handdoek voor Jantje bestemd; Jantje
-vliegt paatje tegemoet, paatje geeft toe aan een opwelling van
-vaderlijk gevoel en de lichtbruine vloeistof, waarin bij de tropische
-hitte Jantje’s teekeningen zich hebben opgelost, kleeft tusschen het
-ronde gezichtje en de mooie bakkebaarden.
-
-Jantje vindt het aardig, maar papa laat zich een woord ontvallen, een
-woord dat... in ’t kort, dat hij hoogst waarschijnlijk niet gebruiken
-zal als hij straks in gezelschap is van Zijne Excellentie.
-
-Doodelijk ontsteld rijst mevrouw De Bruining overeind en spant alle
-krachten in om nog meer zulke woorden te voorkomen.
-
-De drie eitjes, die de algemeene secretaris moet gebruiken om bij zijn
-veelomvattende werkzaamheden staande te blijven, kunnen alleen door
-zijn Wies naar den eisch gekookt worden, en daar de juffrouw nog steeds
-niet verschijnt en de Spen volhardt bij het melk koken, terwijl Louis
-kermt en Jantje snikt, heeft ze de handen vol.
-
-Daar komt een inlandsch naaistertje, een naaistertje zoo jong en mooi
-als slechts bij ongetrouwde dames een dienst vinden, binnentrippelen:
-ze brengt een boodschap van »nonna jupprou«; nonna jupprou heeft erge
-kiespijn; nonna jupprou kan onmogelijk opstaan en nonna jupprou vraagt
-haar ontbijt.
-
-Terwijl ze daarvoor zorgt, ontsnapt een diepe zucht aan mevrouw De
-Bruining’s borst.
-
-»’t Wordt toch wat erg,« meent Daniël, die den zucht hoort en met
-bezorgdheid opmerkt hoe bleek zijn vrouw er weer uitziet vandaag, »’t
-wordt toch wat erg! Jij hadt van morgen wel pijn in den rug...«
-
-»Maar Daan! Alsof de meesteres zich zoo zou mogen toegeven als de juf!«
-zegt mevrouw De Bruining niet zonder eenige bitterheid. »Trouwens, ’t
-is al wat beter en straks, als ik mijn stortbad genomen heb, zal het
-wel heelemaal over zijn. Nog een boterhammetje?«
-
-»Neen, dank je! Begin nu eerst zelf eens wat te eten.« En na een pauze,
-door de kinderen krachtig aangevuld:
-
-»Wil ik je eens wat zeggen, Wies? Het gaat met deze juffrouw alweer net
-als met de beide vorigen, je hebt er meer last dan pleizier van.«
-
-»Och lieve, dat is nu eenmaal niet anders in Indië.«
-
-»Maar het is toch niet bij iedereen zoo. Ik ken wel dames, die van haar
-bonne heel wat meer gedaan krijgen dan jij.«
-
-»Ik geloof dat het aan mij ligt,« zegt de arme Wies beschaamd; »als je
-denkt dat dit de negende is. Ik ben te zwak.«
-
-»Ja, dat is het, oudje. Je bent te goed!«
-
-Ze glimlacht en legt een oogenblik haar hand in de zijne. Hij drukt die
-hand, ziet haar in het gelaat, dat met dien glimlach niet vermoeid meer
-schijnt, en de kinderen mogen leven maken zooveel ze willen, hij mag
-het teeder woordje nog zoo zacht fluisteren—zij verstaat het.
-
-’t Is een korte vreugd. In dezelfde zenuwachtige haast, waarmede hij
-naar binnen kwam stormen, vliegt hij overeind. »Mijn hemel! ’t is half
-negen. Ik moet weg! Wordt er ingespannen? Kinderen, houdt je stil...
-Wies! zorg dat de rijsttafel precies half een op tafel staat, dan kan
-ik... hou je mond, schreeuwleelijk—dan kan ik nog een oogenblik
-rusten.«
-
-Nauwelijks heeft papa zijn hielen gelicht of de wilde horde vliegt den
-tuin in; mama bedenkt dat ze geen hoeden op hebben en geen schoenen
-aan; maar in ’s hemelsnaam! De stilte is zoo verrukkelijk! En het is nu
-juist een geschikt oogenblik voor haar om te ontbijten.
-
-Gauw een kop thee, de beste is afgeschonken, maar ze kan nog wel eens
-opgieten; een eitje, de eieren van eigen kippen zijn altijd voor Daan,
-maar och, men kan het met koopeieren ook wel eens treffen...
-
-Dat smaakt. Ze zal zich een tweede kopje inschenken, een tweede broodje
-smeren... daar begint ze onrustig te worden, ze werpt schuchtere
-blikken naar beneden, naar de trap; weldra durft zij de oogen niet meer
-opheffen van haar bord. Immers, ze weet dat ze daar beneden aan de trap
-wordt opgewacht; wel niet met kwade bedoelingen, maar ... met ongeduld,
-met steeds klimmend ongeduld.
-
-Reeds stijgt een verward rumoer tot haar op; reeds onderscheidt ze het
-afschuwelijk neusgeluid, dat alleen een chineesche varkensslager kan
-voortbrengen; in de verte bengelt het klokje van den klontong;
-dichterbij kakelen kippen en kirren duiven die op voedsel wachten;
-boven alles uit weerklinkt de weinig melodieuse stem van Spen, die
-quasi de verkoopers van groenten vruchten, hout, klappers en wat ze
-meer op hun krakende picolans komen aandragen, onderhoudt over hun
-schandelijk overvragen.
-
-Mevrouw De Bruining neemt zich voor, hen te laten wachten; ze zal haar
-boterham rustig opeten, zich nergens aan storen ... haar oog ontmoet
-den strakken blik van twee naaisters, die zich houden of het haar
-bepaald onmogelijk zijn zou één steek te doen vóór zij ze werk geeft;
-daar fluistert de waschmeid een dringende bede om zeep, de kokkin
-bewaart, voor de gesloten deur der goedang gezeten, een stilzwijgen,
-dat zegt: »mensch, maak die deur open of ik zal je op je rijsttafel
-laten wachten zoolang als je er nog nooit op gewacht hebt.«
-
-De moed begeeft haar; een laatste verlangende blik op den trekpot en ze
-rijst langzaam overeind om aan de vervulling harer huishoudelijke
-plichten te beginnen.
-
-Mevrouw De Bruining is de goedheid zelve.
-
-Voor ieder, met het karakter van den inlander bekend, zal het na deze
-mededeeling duidelijk zijn, dat er op geheel Buitenzorg geen dame
-gevonden wordt, die een grooter aantal bedienden heeft en slechter
-bediend wordt, geene die meer passergeld gebruikt en minder eten op
-tafel krijgt, geene die uit haar tuin vol vruchtboomen zoo zelden een
-eetbare pisang of djamboe plukt als zij.
-
-Door ervaring geleerd, bereidt ze er zich op voor om, als zij ’s
-morgens haar oogen opent, allerlei onaangename tijdingen te hooren.
-Zooals echter vandaag alles schijnt saam te spannen om haar tot wanhoop
-te brengen, daar is zelfs zij niet op voorbereid.
-
-Het begint met de mededeeling van kokkie, dat een zeker geheimzinnig
-dier van nacht vier kippen heeft weggehaald; dan komt de tuinman
-vertellen dat een van de groote bloempotten met de juist bloeiende
-sering, in elkaar is gezakt; de huisjongen, haar steun en hulp, vraagt
-veertig gulden voorschot en twee dagen verlof om te gaan trouwen—voor
-de derde maal in den loop van dit jaar; onmiddellijk na hem nadert nog
-grooter onheilsbode in den persoon van den koetsier: hij meldt dat een
-der beide Sydneyers ziek is.
-
-Dit is te veel! Moedeloos zinkt ze neer op haar stoel voor den goedang;
-werkeloos laat ze het toe dat de kooplieden haar beetnemen; ze ziet
-kokkie boter stelen in meer dan gewone mate, ze verzet er zich niet
-tegen, ze merkt op hoe de lampenjongen met de petroleum omgaat of het
-water ware: ze zwijgt. Daar wordt ze plotseling uit haar sombere
-moedeloosheid gewekt; was dat niet een noodkreet, een gil in doodsangst
-geslaakt, die daar het moederoor trof?
-
-Reeds is ze den stoet kinderen tegemoet gevlogen, die onder akelig
-gehuil uit den tuin komt aanloopen. Wat is er gebeurd? Een kleinigheid
-maar, vinden de baboes, te oordeelen naar haar kalmte; de kinderen
-hebben steentjes in hun ooren gestopt, anders niet!
-
-Een flauwe herinnering aan steentjes, die met een haarspeld uit hun
-schuilplaats werden opgedolven, speelt de arme Wies door het hoofd.
-Maar neen, beter dadelijk ingespannen! den dokter halen!
-
-Onmogelijk! De vossen zijn met de coupé naar het paleis, een van de
-Sydneyers is ziek.
-
-Een haarspeld dàn!
-
-Ha, hier komt er reeds een te voorschijn, een steentje namelijk! en
-hier nog een... ’t blijkt nu, dat er ook enkelen in den neus
-verdwaalden.
-
-De Bruining rijdt het erf op.
-
-»Man, laat niet uitspannen! De koetsier moet dadelijk naar den dokter.«
-
-De gehoorzame echtgenoot brengt de orders aan den koetsier over, zonder
-ook maar te vragen wat er gebeurd is; hij is er aan gewoon bij zijn
-thuiskomst een gebroken arm, verstuikt been of plotseling opgekomen
-koorts te vinden.
-
-»Daan, verbeeld je!« roept Wies, als hij terugkeert in de
-achtergalerij, meest het tooneel hunner huiselijke rampen; »Daan,
-verbeeld je, daar hebben de kinderen zich volgepropt met steenen!«
-
-»Kom, Wies!« roept hij ontsteld, maar niet verbaasd, daar van die
-kinderen hem niets meer verbazen kan, »’t is waarachtig of het
-casuarissen zijn. Geef ze castor-olie!«
-
-»Neen lieve, dat is de kwestie niet. Ze zitten in hun neus, in hun
-ooren.«
-
-»Groote God! En de baboes dan? En de juffrouw!«
-
-»Die ligt in haar kamer te lezen.«
-
-De algemeene secretaris grijpt met beide handen naar zijn achterhoofd
-en laat een zucht hooren, die veel op pijnlijk kermen gelijkt. Mevrouw
-ziet die beweging met bekommerd gelaat en zegt: »Als je weer wat ijs op
-je hoofd wilt leggen, ik heb reeds laten halen.«
-
-»Straks graag. Dat moest er nog bij komen. De kinderen misschien voor
-hun leven ongelukkig!«
-
-»Waar bij?« herhaalt de heer De Bruining opgewonden. »Wel... maar, ’t
-is waar! Je weet het nog niet. Daar is me Verschuere benoemd...«
-
-»Benoemd? Tot... tot eersten gouvernements-secretaris?«
-
-»Ja. En dat terwijl Van Heuvel er het volste recht op had, terwijl het
-hem beloofd was; hij is resident van Krawang gemaakt, de arme drommel!«
-
-»Mijn hemel, Daan! Verschuere...«
-
-»Ja, je moogt wel schrikken.«
-
-»Het verwondert me van den gouverneur.«
-
-»Mij niet. Ik ben voor niets geen twintig jaar lang in Indië geweest.
-Herinner je je nog dien tijd, toen de grootste ezels de mooiste
-betrekkingen kregen, alleen omdat er schot moest komen, alleen omdat de
-schoonzoon van den minister op moest klimmen?«
-
-»Ja, ’t is erg. Dus van referendaris op eens eerste
-gouvernements-secretaris? Maar trek het je niet aan. Wind je niet zoo
-op, Daan, denk aan je hoofdpijn!«
-
-»O Wies!« roept hij, terwijl hij haar handen grijpt en het pijnlijk
-gloeiend voorhoofd daarop laat neerzinken. »O Wies! eisch niet van me,
-dat ik me kalm houd...«
-
-»Je vreesde het wel een weinig, niet waar? Het komt niet geheel
-onverwacht?«
-
-»Neen, ik heb het zien aankomen. Ik heb het verwacht. Ik weet wie
-Verschuere is... hij werkt vlugger, beter, gemakkelijker... hij kan
-meer dan iemand anders! Maar ik ken hem van vroeger, hij ontziet niets;
-hij ontziet niemand... wat hem in den weg staat loopt hij omver... en
-ik sta hem in den weg, Wies.«
-
-»Komaan,« spreekt ze vertroostend, »je moet zoo gauw den moed niet
-laten zinken. De gouverneur is je genegen.«
-
-»Maar Verschuere is de neef van den minister.«
-
-»Beste man! Denk om onze kinderen! We moeten den strijd volhouden
-zoolang we kunnen—dat heb je tot nu toe altijd gedaan.«
-
-»Ja, als ik die zenuwhoofdpijnen niet had! Als ik niet zoo vreeselijk
-was afgebeuld, nu drie jaar lang... Goddank, daar is de dokter.«
-
-
-
-
-
-
-
-V
-
-DE JONGGEHUWDE IN HAAR EIGEN HUIS.
-
-
-De woning, waarin de nieuwbenoemde zijn vrouw binnenleidde, was niet
-zulk een bescheiden nestje als waarin jonge indische paartjes meestal
-de eerste huwelijksjaren doorbrengen en och, zoo naamloos gelukkig zijn
-kunnen dat ze later, in hun marmeren paleis, nog met zoet verlangen
-terugdenken aan dat nederig stulpje. Het was een ruim huis, vol licht
-en lucht, gelegen op den besten stand van Buitenzorg, met het uitzicht
-in den Plantentuin.
-
-»Nu kind, ben je tevreden?« vraagt hij, als hij haar heeft rondgeleid.
-
-»Of ik tevreden ben?... Ik heb dikwerf gedroomd van zoo’n huis en zoo’n
-uitzicht, maar dat het ooit werkelijkheid zou worden, neen, dat had ik
-niet durven denken.«
-
-»Je zult mettertijd in een nog veel mooier, nog veel grooter huis
-wonen, dat beloof ik je!«
-
-»Nog grooter? En ik vind dit al te groot voor twee menschen, voor twee
-menschen die elkaar liefhebben, ten minste....«
-
-»Dwaas kind! Een huis met vijf kamers!«
-
-»En twee beneden. Dat maakt zeven.«
-
-»Ja, maar die moet je niet meêrekenen. Die hebben we noodig voor de
-logées.«
-
-»Zouden we veel logées krijgen, denk je?«
-
-»Natuurlijk. Als je op Buitenzorg woont, heb je altijd logées. In den
-oostmousson komen de kennissen van Batavia, omdat ze het er niet kunnen
-uithouden van de warmte; in den westmousson komen de kennissen uit de
-Preanger, omdat ze het er niet kunnen uithouden van verveling.«
-
-»Niet zoo heel prettig altijd vreemden over den vloer te hebben, vind
-je wel?« vraagt mevrouw Verschuere.
-
-»Och, daar merk je hier zoo weinig van, vooral als er een logeergebouw
-is. Maar om op die vijf kamers terug te komen. Een daarvan—deze
-rechts—is bestemd voor mijn bureau; deze had ik gekozen voor een
-boudoirtje.«
-
-»Een boudoir? Voor mij?«
-
-»Ja, je begrijpt, je moet zoo’n vertrekje hebben, waarin je je
-amuseeren kunt met je piano en je boeken, of je handwerkjes, terwijl ik
-in mijn bureau zit.«
-
-»Moet je veel in je bureau zitten?«
-
-»Ja.«
-
-»Maar zouden we niet in dezelfde kamer kunnen werken? Ik zou je niet
-hinderen; ik kan zoo stil zijn als een muis, en het zou veel gezelliger
-wezen.«
-
-»Onmogelijk, kind. Jullie vrouwen hebt altijd een zeker frou frou, en
-als ik werk kan ik niet het minste gerucht verdragen. Dan rest er een
-voor slaapsalet en verder deze voor de kleedkamer van mevrouw, en dit
-kleintje voor de kleedkamer van mijnheer.«
-
-»Hoe deftig!«
-
-»We moeten een beetje deftig zijn, dat behoort er zoo bij... Neen, lach
-me nu niet uit, Nita! Ik meen het.«
-
-Ze wandelen het huis nog eens samen door, tot eensklaps mevrouw
-Verschuere stilstaat met de vraag: »Maar wat moeten we eigenlijk met
-die groote galerijen beginnen?«
-
-»Wel, ze zijn niets te groot. Integendeel, bij de eerste de beste
-partij, die we geven, zul je zien dat de binnengalerij eigenlijk te
-klein is. Voor een dineetje van twaalf personen is de achtergalerij
-goed, maar meer zou je er ook niet kunnen plaatsen, terwijl vóór... ja,
-dat gaat. Laat zien: een dertig menschen...«
-
-»Dertig menschen? Waarom zoo veel? Zei je me laatst niet, dat je een
-hekel hadt aan groote partijen?«
-
-»O ja, wat dat betreft... maar men moet nu eenmaal soms iets doen
-waaraan men een hekel heeft.«
-
-»Je bent toch vrij?«
-
-»Vrij? Op Buitenzorg vrij? Zie je daar het paleis en praat je dan nog
-van vrij? Ah zoo, daar komen de meubeltjes te voorschijn! Ik dacht dat
-ze die emballage nooit los zouden krijgen. Kijk eens, wat is dat keurig
-overgekomen. In ’t geheel niet beschadigd. Nu, Nita...«
-
-»Wat? Waarom zeg je »nu Nita?««
-
-»Omdat ik weg moet.«
-
-»Weg? Ga je weg? En moet ik hier alleen blijven? Met al die menschen?«
-
-»Mingo is hier en je meid en je naaister. Wat kijk je me verwijtend
-aan, kind? Dacht je dan dat ik tijd had om een geheelen dag te
-verknoeien met meubels uitpakken?«
-
-»Noem je dat verknoeien? Ik had er me juist zooveel van voorgesteld het
-samen te doen; alles samen uit te pakken, te bewonderen, te schikken en
-te plaatsen.«
-
-»O, wat een idée! Ik heb er niet het minste verstand van en ook geen
-geduld toe. Geloof me, al had ik niet zoo’n massa werk, dáár zou ik
-toch niet toe te vinden zijn. Kom, Nita, je moet je eens aangrijpen. We
-hebben hier nu eenmaal geen menschen die je huis voor je meubeleeren,
-anders had ik ze je lang bezorgd. Je weet, wat een vrouw in Indië
-noodig heeft, is flinkheid; ze moet ferm zijn, zelfstandig handelend
-optreden. Nu lieve, ’t wordt mijn tijd.«
-
-»Hoe laat kom je terug?«
-
-»Tegen twaalf uur, denk ik. Ik krijg daareven bericht dat De Bruining
-met zenuwhoofdpijn te bed ligt. Nu, dan is hij nog verwarder dan
-gewoonlijk en dus zal het wel etenstijd worden vóór we klaar zijn. Tot
-straks!« en hij kust haar hartelijk.
-
-»Dag Gustaaf!«
-
-Hij keert nog eens terug op zijn schreden en vraagt lachend: »Wat is
-het eerste vereischte voor een vrouw in Indië?«
-
-»Flinkheid,« antwoordt ze met een stemmetje dat alles behalve flink
-klinkt.
-
-Nog een vluchtige groet en mevrouw Verschuere is alleen; alleen, met
-een veertigtal koelies, een dertigtal kisten en zulk een helsch leven
-als het wezen kan in een ledig huis, gevuld met werkvolk.
-
-Ze ziet rondom zich dien chaos van touwen, breekijzers, hooi, stroo,
-pakpapier; ze ziet die halfnaakte mannen, de dierlijke bruine
-gezichten, nog misvormd door den pruim tabak, dien ze vóór in den mond
-houden; ze hoort de ruwe klanken, welke, vooral als men de taal niet
-verstaat, meer aan beestengeluiden dan aan menschenstemmen doet denken
-en—ze wordt bang!
-
-»Mingo! Mingo!«
-
-Maar Mingo is juist naar den trein om den nieuwen voorraad kisten,
-daareven van Batavia aangekomen, in ontvangst te nemen. »Jeit!
-Sarinah!«
-
-Maar lijfmeid en naaister hadden een rustig oogenblikje aangegrepen om
-koffie te drinken.
-
-Ze voelt een onweerstaanbaren lust om in een der ledige kamers te
-vluchten en zich daar op te sluiten, maar ze zegt tot zichzelf dat dit
-kinderachtig zijn zou, en ze weet reeds bij ervaring, dat Verschuere
-geen kinderachtigheid verdragen kan. Dus grijpt ze zich aan, loopt met
-een fermen stap naar voren en... staat tegenover mevrouw De Bruining.
-
-Zooals deze verrijst van achter een berg kisten, met haar hoekige
-figuur gestoken in sarong en kabaia; met haar toch niet overdadige
-lokkenpracht, nog vochtig van het bad, in dunne pijpestelen afhangend
-op den rug; met haar bleek gezichtje haastig en daardoor niet zeer
-gelijkmatig gepoederd, is ze geenszins een bekoorlijke verschijning.
-Maar als mevrouw Verschuere haar aanziet, leest ze in de zachte oogen
-iets dat haar aan »mama in Holland« herinnert en ze valt haar in de
-armen met een kreet van vreugde, die in een snik eindigt.
-
-»Dacht ik het niet?« roept mevrouw de Bruining, terwijl ze vol
-moederlijke teederheid het tengere figuurtje omsluit. »Dacht ik het
-niet? Zei ik ’t niet dadelijk aan uw man, toen hij me vertelde, dat u
-hier alleen in huis waart?« En dan, met de trotsche vreugde van een
-vrouw die gelijk krijgt: »dat kon hij op zijn vingers natellen! Om u de
-waarheid te zeggen, heb ik hem eens flink beknord.«
-
-»O mevrouw! Verschuere had zooveel...«
-
-»Zooveel werk. Och ja, kindlief, dat is ook zoo, daar kunnen ze nu
-eenmaal niets aan veranderen. De stukken wachten niet. Ook is er me
-tegenwoordig zoo iets af te doen... En waart u daar nu een beetje
-zenuwachtig gaan worden? Wel, wel! Mijn lieve, wat ben ik blij dat ik
-maar zoo dadelijk in den wagen gesprongen ben! Vooral wanneer ik
-bedenk, dat ik, als ik er langer over had nagedacht, bepaald thuis zou
-zijn gebleven. U moet weten dat de juffrouw een weekje verlof
-heeft—naar Soekaboemie, daar woont haar zuster—dat kun je zoo’n mensch
-ook al moeilijk weigeren, niet waar? en dat het kleintje juist een
-hoektand doorkrijgt. Daarbij komt dat de min—maar daar hebt u nog zoo
-geen verstand van. Toch, als ik u een raad mag geven, begin daar nooit
-mee! Met minnen bedoel ik: hoektanden kunt u moeilijk buiten blijven...
-Komaan, wat is er te doen? Koffers en kisten uitpakken? Wel, dat is het
-prettigste werk van de wereld! Als er wat moois in zit ten minste. En
-als je maar weet hoe je het moet aanpakken... Waar is uw jongen? Ah
-zoo, ben jij dat? Hoe heet je? Mingo? Nu, Mingo, loop jij dan eens gauw
-hiernaast en vraag aan mevrouw een paar wipstoelen en wat ijswater.«
-
-»Maar,« brengt Nita in het midden, »ik ken die mevrouw hiernaast niet.«
-
-»Dan is dit een uitmuntend middel om kennis te maken. Zie zoo, nu
-beginnen we! Ajo koelies! Maakt open den boel! Gauw wat! Voorzichtig!
-Gauw, zeg ik je! Nu, wat voorzichtig, asjeblieft!« En zonder te
-bedenken dat het eene onmogelijkheid is die twee bevelen tegelijk uit
-te voeren, herhaalt zij ze onophoudelijk, terwijl de koelies er zich
-natuurlijk in het minst niet om bekommeren.
-
-Nu komt Mingo terug met stoelen, glazen, een ijskan en de vriendelijke
-boodschap, dat mevrouw verzocht wordt, alles wat ze mocht noodig hebben
-gerust te laten halen. De eene kist na de andere wordt ontpakt; en als
-tal van voorwerpen, met smaak gekozen in de beste magazijnen van
-Parijs, te voorschijn komen, dan vergeet mevrouw Verschuere haar
-teleurstelling, mevrouw De Bruining minnen, hoektanden en juffrouwen.
-
-Mingo blijkt een echte bataviasche jongen, vlug, net, handig—misschien
-brutaal en verliefd en diefachtig van natuur, maar een jongen waarmee
-men vooruit kan komen.
-
-Jeit en Sarinah, blijkbaar verfrischt door de koffie en het daarop
-volgende sirihpruimpje, maken zich zeer verdienstelijk; mevrouw De
-Bruining vliegt links en rechts; Nita doet wat ze kan—hetgeen zeer
-weinig is, daar niemand haar verstaat—tafels, ledikanten, kasten en
-divans komen op hun plaats; er verspreidt zich door het huis de
-eigenaardige lucht, die bewijst dat er flink gewerkt wordt door
-inlanders. De vriendelijke buurvrouw zendt tegen twaalf uur vruchten en
-portwijn. De dames hebben een verfrissching zoowel als een opwekking
-noodig, en met een zegenbede aan het adres van de geefster, zinken ze
-naast elkander op de eerste canapé de beste neer.
-
-»Wit u gelooven, dat ik niet meer op mijn beenen staan kan?« hijgt
-mevrouw De Bruining.
-
-»O mevrouw, wat spijt me dat! U had u niet zoo moeten vermoeien... ik
-hoor, dat het niet goed is in dit klimaat.«
-
-»Gekheid, kind! Laat je dat nooit wijs maken. Flinke beweging is hier
-even noodig als in Holland. Trouwens, uw bedienden zorgen wel dat—wáár
-u gebrek aan moogt hebben—het niet aan beweging is. Doen de baboes haar
-werk, dan moet men de naaisters weer narijden; is kokkie goed, dan laat
-de waschman... hemelsche goedheid! de waschman! hij zou om tien uur
-komen. Koetsier! Gauw! Vóór! Dag mevrouw! Neen, bedank me niet. Gauw,
-koetsier! Naar huis! Ik heb den waschman vergeten! ik moet nog voor de
-rijsttafel het goed ontvangen.«
-
-
-
-
-
-
-
-VI
-
-PEIGNOIR CONTRA SARONG.
-
-
-Niets vriendelijker, niets stralender dan Buitenzorg in het ochtenduur;
-niets verrukkender dan de atmosfeer, die daar heerscht wanneer de
-regen, des nachts in stroomen neergevallen, tegen den morgen ophoudt.
-
-’t Is hier niet, als in Europa’s groote steden, een ure somber en droef
-of de hemel den ganschen nacht had geweend over de aarde; hier zijn de
-regendruppels als de tranen eener bruid: ze worden des avonds geweend,
-om des morgens te zijn weggekust.
-
-Voor de in dauwdrup en bloesemgeur gedrenkte natuur is de eerste
-zonnestraal een groet, waarmede de moeder het slaapvertrek harer
-kleinen binnentreedt; glimlachend doet ze alles ontwaken. Het gebogen
-grassprietje verheft zich, het hangend kelkje tilt het hoofd omhoog,
-vochtige stammen tooien zich met vlammenden gloed, goudgevleugelde
-insecten stijgen opwaarts uit de bloem, die hen tot nachtverblijf
-diende. De morgenkoelte komt aangezweefd. En weldra ruischt het rondom
-van het eigenaardig geruisch, dat slechts in een tropische natuur
-vernomen wordt: in het dichte loofdak vallen met zacht geklater de
-regendruppels uiteen, en van zijn parelenlast bevrijd, nog getooid met
-vochtigen glans, nog geurend van nachtelijke frischheid, begint het
-gebladert dat suizelen en fluisteren, dat voor wie het verneemt zoo
-oneindig liefelijk zijn kan als de laatste toon van de symphonie van
-een tropischen nacht, maar ook als het teeder voorspel van het
-morgenconcert, dat straks een aanvang gaat nemen.
-
-Die muziek der ontwakende natuur is in volle harmonie met de beelden,
-die Agnita’s geest vervullen, wanneer ze, nog min of meer vertoevend in
-de droomenwereld, aan den arm van haar echtgenoot de dreven
-doorwandelt.
-
-Zij was al spoedig tot de ontdekking gekomen van het geheim—’t welk
-helaas voor tal van Europeanen in Indië een geheim blijft—dat het beste
-uur van den dag het morgenuurtje is, en weldra liet de zon, als zij
-verrees boven Bogor’s lanen, daar een van haar gouden stralen achter in
-de reine ziel, die, alsof het een bloem geweest ware, zich elken dag
-opende voor ochtenddauw en hemelglans.
-
-Eerst als de vogelen losbarsten in hun jubelzang, begon ook zij het
-vroolijk gepraat, dat, mengeling van kinderlijken eenvoud en
-dichterlijke verheffing, een bekoring uitoefende, groot genoeg om
-Verschuere te doen vergeten wat anders al zijn denken innam.
-
-Soms ontmoetten zij op hun wandeling freule Van Waliënhove. Voor haar
-was de morgen de vrijheid. Had eenmaal de bel voor het ontbijt geluid,
-dan was het gedaan met haar genoegen, dan had ze recht tegenover zich
-de gevreesde zwarte oogen, die haar aanstaarden, niet met dat teedere,
-dat liefkoozende, waarmee moederoogen zouden gerust hebben op die
-heerlijke verschijning, tintelend van levenslust, maar met den
-kritischen blik der vreemde, die niets liever wenscht dan een fout te
-ontdekken, op een tekortkoming te wijzen.
-
-En dat was niet moeielijk!
-
-Heden droeg het kleedje, waarmee ze aan het dejeuner kwam, de
-onmiskenbare sporen van een wilden tocht door de bosschen; morgen
-verscheen ze met een hoofd dat er uitzag alsof het slechts de koelte
-tot kapper had; nu getuigde haar gelaat dat het met de indische zon had
-kennis gemaakt, dan weer was ze te opgewonden bij het verhaal harer
-avonturen; soms ook lachte ze zoo luid, zoo lang, zoo blij, dat niet
-slechts de hooge vertrekken er van weergalmden, maar allen die het
-hoorden er zacht of luid mee moesten instemmen. Wie echter van al de
-paleisbewoners het hartelijkst meêlachten, dat waren mevrouw Van
-Waliënhove’s beide zonen. De nieuwe zus, die ze niet zonder vooroordeel
-hadden ontvangen, was tot hun onuitsprekelijke verrassing een
-speelmakker gebleken.
-
-Vóór dag en dauw, als alles nog in diepe rust lag, kwam reeds het
-gekrulde kopje bij hen om de deur kijken. Ze hield den vinger op den
-mond en kuchte; trouwens, meer was niet noodig om hen in één sprong uit
-het bed te krijgen: als ze daar zoo stond met het korte kleed, met den
-grooten stroohoed en de stevige hollandsche laarzen, dan wisten ze dat
-hun een pretje wachtte en ze volgden gewillig.
-
-»Neen, kijk nu niet op dat vervelende horloge, Gustaaf! we zitten hier
-zoo heerlijk... zie eens die blauwe lucht...«
-
-»Maar kind, het wordt mijn tijd; er is eene moeielijke kwestie
-aanhangig en de gouverneur schijnt haar zoo spoedig mogelijk te willen
-oplossen. Hij werkt hard; ik wil doen wat ik kan om hem te helpen...«
-
-»Wel, mijnheer Verschuere, dat vind ik lief van u!« roept een heldere
-stem vlak bij hen.
-
-Verbaasd zien beiden rondom zich en—van achter den reusachtigen stam
-eener waringin komt freule Clotilde te voorschijn, in het rose kleedje,
-den grooten stroohoed vol pas geplukte bloemen, frisch en jong als de
-morgenstond.
-
-»Gaat u maar gauw naar huis, mijnheer, en werk als het u belieft zoo
-hard als u kunt, want die arme papa heeft erge hoofdpijn. Ik zal
-mevrouw wel gezelschap houden. U moet weten, mevrouw Verschuere, ik
-verkeer in hetzelfde geval als u, ik word door mijn cavaliers verlaten,
-als ik dolgraag nog een uurtje in den tuin zou blijven. De arme jongens
-moeten om acht uur binnen zijn voor hun lessen. Heerlijk, vindt u niet,
-om, zooals wij, geen lessen meer te hebben? Bent u al lang van school?«
-
-»Ja, al vier jaar,« antwoordt Nita lachend.
-
-»Al vier jaar? Dan zult u niet meer, zooals ik, altijd hongerig zijn.
-Mama zegt dat het een gevolg is van ’t kostschoolleven. Maar—wilt u een
-stukje? Kijk, heerlijk bruin brood met kaas! We nemen dit mandje altijd
-mee, propvol; en het komt nooit anders dan leeg terug. U moet weten,
-dit is voor ons het lekkerste maal van den dag, wij houden niet van die
-getruffeerde kostjes en fransche sauzen. Wilt u nog een sneêtje? Niet?
-Wel, wat dunkt u er van, als we dan nog eens een eindje opliepen? We
-kunnen toch niet als twee verlaten Genoveva’s in het bosch blijven
-zitten treuren!«
-
-Ze waren nagenoeg de eenige wandelaarsters.
-
-Rozen geurden bij duizend- en nogmaals duizendtallen, zonder dat iemand
-van haar geur genoot; orchydeeën lieten haar bloesems nederhangen in
-wonderschoone trossen, zonder dat één oog zich vermeide in haar teere
-lieflijkheid; varens welfden een doorzichtigen eereboog tusschen de
-groene aarde en den blauwen hemel—geen wandelaar scheen te wenschen
-onder dien eereboog door te gaan; de koelte kwam over bosschen en
-heuvelen aanzweven, om woorden van jonge liefde op te vangen,—ze keerde
-ledig terug; beekjes kabbelden, waringinloover suizelde vrede voor
-gloeiende hoofden en strijdende harten; slanke palmen wezen naar
-hooger... de tuin bleef ledig!
-
-En dat alles omdat mevrouw Van Waliënhove sarong en kabaia een
-indécente kleeding vond!
-
-De landvoogdes had zich op dit punt vrij sterk uitgelaten; ze noemde de
-nationale dracht nooit anders dan »het indisch nachtkostuum«; eens
-zelfs, boos geworden door het beweren van den heer Hagen, dat hij ’s
-morgens ging wandelen om de nonnaatjes te zien in wat hij »de mooiste
-kleeding voor een mooie vrouw« noemde, verklaarde ze, dat het haar
-onaangenaam was op hare ochtendwandeling dames te ontmoeten in dit
-»even smakeloos als ongepast toilet«, ja, ze was verder gegaan; ze had,
-toen ze eens mevrouw Hausz in die kleeding ontmoette, haar niet
-gegroet, waarop mevrouw Hausz, die geenszins op haar mondje gevallen
-was, haar had doen weten, dat wanneer mevrouw haar toilet groette en
-niet haar persoon, ze voortaan de baboe met haar japon vooruit zou
-zenden, daar het haar, als moeder van vijf kinderen, niet gelegen kwam
-zich reeds ’s morgens te kleeden.
-
-Sedert dit voorval bekend was geworden, werden peignoirs en matinées
-meer algemeen, vooral onder de echtgenooten der adjudanten—waartoe
-ongelukkig ook mevrouw Hausz behoorde. Maar dit was niet genoeg!
-
-Toen eens twee niets kwaads vermoedende oude juffrouwen zich in den
-tuin waagden met sarong en kabaia, bleken twee daar toevallig
-rondwandelende heeren bezield met zoo vurigen ijver voor het toegeven
-aan de luimen hunner gebiedster, dat ze tot doodelijke onsteltenis der
-beide oudjes dezen den toegang weigerden.
-
-Ook dit werd bekend en de mannen onder de Buitenzorgers vroegen zich
-knorrig af, of niet de adjudanten hun boekje waren te buiten gegaan,
-toen zij de rol van den engel met het vlammend zwaard op zich namen;
-immers voor den gouverneur-generaal was wel een gedeelte van het park
-gereserveerd, maar het overige was publieke wandelplaats. Doch terwijl
-zij zich nog in die vraag verdiepten, hadden reeds hunne egâs het hoofd
-in den schoot gelegd, en kort nadat de beide zondaressen uit het
-paradijs waren verdreven, zag men het slechts door »gekleede« Eva’s
-betreden. Het getal dier Eva’s werd echter steeds geringer, want niet
-iedere huisvrouw kan het volhouden, om zich des morgens nog voor het
-ontbijt te kleeden; met haar verging ook den Adams de lust, en menige
-verrukkelijke ochtend werd nu doorgeschommeld in den luierstoel, een
-kop koffie in de hand. Dan werd er gezucht: »Wat zou ik graag een
-eindje wandelen! Wat zal het nu heerlijk zijn in den tuin! Maar als ik
-vóór half acht de kinderen naar school expedieeren en me dan nog
-kleeden zal, dan wordt het te laat, te zonnig, te warm...«
-
-Het duurde niet lang of men begon zich in Indië’s residentie zoo te
-schamen over de dracht, die toch door het klimaat als het ware wordt
-noodzakelijk gemaakt, dat niemand er zich meer in durfde vertoonen, en
-dit had ten gevolge dat de gouverneur-generaal op den dagelijkschen
-morgenrit het grappig schouwspel genoot van een burgerij, die
-verstoppertje speelde.
-
-Geen indisch echtpaar dat des morgens vóór het aan den arbeid gaat—en
-die arbeid is dikwerf zwaarder dan menig hollandsch echtpaar
-droomt—niet een oogenblik genieten wil van de frissche lucht; ja, voor
-de meesten is dit oogenblik het beste van den ganschen dag.
-
-Dit genieten in gezelschap van vrouw en kinderen was onmogelijk, sinds
-het vonnis werd geveld over de morgendracht; immers, ’t is meest bij de
-bloemen dat het kalm, vredig uurtje gesleten wordt, en de tuin ligt
-vóór het huis aan den grooten weg.
-
-Het gevaar dreigde van alle kanten; Zijne Excellentie reed te paard,
-mevrouw toerde, de freule wandelde met haar broers. Men kon elk
-oogenblik betrapt worden. Sommigen zetten wachten uit; anderen staken
-zich in ’s hemelsnaam maar dadelijk in de kleeren; weer anderen bleven,
-den strijd moede, in hun achtergalerij zitten koffie slurpen; verreweg
-de meesten echter volgden de struisvogel-politiek.
-
-Nauwelijks kregen ze een der gevreesde kabaienhaters in het gezicht, of
-ze zetten het op een loopen; op hun eigen erf drong de man zijn vrouw,
-de vader zijn dochter ter zijde, struikelden de groote broers over de
-kleinen in den wedren naar binnen, die de nadering van een Waliënhove
-noodzakelijk scheen te maken, en menigmaal beklaagde Zijne Excellentie
-zich, dat hij de goede Buitenzorgers nooit anders dan op den rug zag.
-
-Nog erger was het, als ze het gewaagd hadden den grooten weg een eindje
-op te wandelen en op heeter daad betrapt werden; de heer Van
-Waliënhove, die de kabaienhaat zijner vrouw volstrekt niet deelde,
-mocht groeten zoo vriendelijk als hij wilde, de dames bloosden, de
-heeren gedroegen zich als schooljongens bij wie knikkers gevonden
-worden.
-
-Soms ook, als ze hopen durfden zich nog te kunnen verschuilen, stelden
-ze zich op achter een boom. Maar hoe dik ook, indische boomen zijn
-zelden dikker dan indische menschen, en verraderlijk vertoonde zich de
-rand van een sarong of de punt van een kabaai, attributen, die Zijne
-Excellentie nooit naliet te groeten met hoogst hoffelijken groet.
-Mevrouw Van Waliënhove echter, achterovergeleund in haar landauer, zag
-het van onder haar rood zijden parasol met welgevallen aan, hoe de
-residentiebewoners zich door één woord van hare allesbeheerschende
-lippen hunne vrijheid ontnemen, hun morgenuurtje vergallen lieten.
-
-
-
-
-
-
-
-VII
-
-FRANS VAN BEEVELANT.
-
-
-Genietend van een ananas, zooals slechts Buitenzorg ze oplevert, zitten
-de heer en mevrouw Verschuere tegenover elkaar aan het dessert, als
-Mingo een leitje binnenbrengt.
-
-»Een verrassing, Nita!« zegt Verschuere na lezing, »we krijgen nog
-bezoek van avond, als het je ten minste gelegen komt?«
-
-»Zeker,« en ze begint haar servet op te vouwen, een gewoonte waaraan de
-bedienden de totoh herkennen.
-
-»Van wien?«
-
-»Van iemand op wien ik in onzen engagementstijd haast jaloersch was
-geworden, zoo had hij je ingepakt.«
-
-»Jaloersch?« en zij ziet hem aan met een blik die, ook al ware zijn
-plagen niet geheel scherts geweest, hem volkomen zou hebben
-gerustgesteld. »Maar wie is het?«
-
-»Frans van Beevelant.«
-
-»O, dat doet me pleizier! ’t Speet me zoo, dat hij ons reeds tweemaal
-niet thuis vond. Dat is toch werkelijk een tref, dat de nieuwe
-gouverneur juist een oude vriend moest zijn!... Vin je niet.«
-
-»Ja... betrekkelijk... Ik wil je wel bekennen, Nita, toen hij me
-schreef dat hij uit zou komen voor dat baantje, toen vond ik het ver
-van pleizierig.«
-
-»Hoe dan?«
-
-»Och, wat zal ik je zeggen? Zie je, je begrijpt die dingen nog zoo
-niet, maar oude kennissen in nieuwe omstandigheden, dat kan soms lastig
-worden.«
-
-Nita ziet hem een oogenblik peinzend aan, als zocht ze de verklaring
-zijner woorden, dan—met de naïveteit, die zoo nadeelig werkt op
-Gustaaf’s humeur: »’t Is zoo, ik begrijp die dingen niet, maar
-misschien wil je het mij uitleggen?«
-
-»Neen, dat kan ik niet!« roept hij ongeduldig. Maar straks, als ze hem
-vragend blijft aanzien: »Kom, Nita, dat begrijp je nu toch ook! Stel je
-voor, dat hij hier de positie had ingenomen van vroegere heeren
-onderwijzers!«
-
-Nu heeft ze begrepen. Dat bewijst de plotselinge schrik waarmee zij de
-oogen tot hem opheft.
-
-»Je zoudt hem toch niet verloochend hebben, niet waar? De vriend van je
-jeugd! Zeg, Gustaaf?«
-
-Ze is haastig overeind gerezen en op hem toegetreden; ze heeft zijn
-hand gevat en ziet hem in ’t gelaat. Hij laat haar die hand, maar wendt
-het hoofd af; ’t is of ze met haar ernstige diepe oogen op de bodem
-zijner ziel wil lezen.
-
-»Natuurlijk niet,« zegt hij eindelijk; »dwaas kindje! Om je zoo iets in
-’t hoofd te halen!« En na een kleine pauze: »Weet je wel dat mevrouw
-Van Waliënhove het niet zeer vriendelijk opneemt, als men beleefdheden
-bewijst aan de gouverneurs?«
-
-»Maar daar storen wij ons niet aan! Mevrouw Van Waliënhove kan véél,
-maar, niet waar? mijn man overhalen tot iets onedels, dát kan ze niet!«
-
-»Iets onedels... je gebruikt ook dadelijk zulke groote woorden. Dat
-moet je niet doen, kindlief, aan een hof. We hebben hier, onder ons,
-voor zulke zaken veel zachter termen. Enfin, ik ben blij—om zijnentwil
-vooral,—dat Van Beevelant dadelijk op zoo’n piedestal gezet is... ’t is
-grappig om te zien wat één woord in zoo’n toestand een verandering
-brengen kan, als dat woord maar rolt van machtige lippen. De laatste
-gouverneur was ook een aangenaam mensch, een man van studie, van meer
-dan gewone kennis; niemand nam eenige notie van hem. Hij is weggegaan,
-zooals een knecht weggaat, onopgemerkt: zijn opvolger komt, mijnheer
-Van Waliënhove spreekt,—en heel Buitenzorg schijnt nog maar één wensch
-te kennen en die is, beleefdheden te bewijzen aan mijnheer Van
-Beevelant.«
-
-»Vind je dat grappig, Gustaaf? Ik vind het treurig.«
-
-Hij ziet haar aan met zijn cynisch lachje. »Nita, Nita, wat moet ik
-hooren? Onthoud je mijn lessen in de levensphilosophie zoo slecht? Heb
-ik je niet gezegd dat, als men in deze kringen wil verkeeren, men de
-dingen van de belachelijke zijde moet beschouwen, om niet te bezwijken
-van ergernis?«
-
-»Ik vrees dat ik niet erg vatbaar ben voor wereldwijsheid,« zegt ze met
-een zucht.
-
-Hij strijkt haar de blonde lokken van het voorhoofd. »En ik doe
-eigenlijk dwaas met er je vatbaar voor te willen maken.... Kom, denk er
-niet meer over en zorg dat onze vriend een lekker kop thee vindt. Dan
-ga ik een fijne flesch halen.... Waar zijn de sleutels?«
-
-»Laat het een erge fijne zijn,« fluistert Nita, terwijl ze hem haar
-mandje toereikt.
-
-»En dat waarom? Om het voorbeeld van de Buitenzorgers te volgen?«
-
-»Neen. Om het weer goed te maken, als er soms een oogenblik minder
-vriendelijke gevoelens in je hart zijn geweest.«
-
-Straks, als ze met haar toebereidselen gereed is, steekt mevrouw
-Verschuere den arm door dien van haar echtgenoot.
-
-»Kom, willen we hem tegemoet gaan? Het is zoo’n heerlijke maneschijn en
-zoo stil.«
-
-Ja, het maanlicht op de groote gazons aan weerszijden van den weg, die
-naar het paleis voert, is heerlijk en in de bosschages, de ze omzoomen,
-is het stil, maar niet van de groote stilte die straks zal dalen.
-
-Nog dringt het verwijderd gewoel der stad door tot in den Plantentuin,
-nog zijn de spelende hagedissen niet tot rust, nog weerklinkt de kreet
-der nachtvogels, nog komt uit de open woonhuizen in den omtrek muziek
-en zang, kinderlach en vriendengepraat.
-
-Als ze Frans van Beevelant tegemoet treden, arm in arm, roept hij hun
-reeds van verre toe: »Gelukkige luidjes, op een avond als dezen niet
-alleen te zijn!«
-
-»Tot die gelukkige luidjes behoort u van dit oogenblik af aan ook!«
-zegt mevrouw Verschuere en reikt hem de hand met die kinderlijke
-goedhartigheid, die haar zoo onweerstaanbaar maakt, »en zult u kunnen
-behooren zoo dikwerf u ons komt opzoeken.«
-
-»Laat dat heel dikwerf zijn, Frans,« zegt Verschuere.
-
-Weldra zitten ze rondom de theetafel.
-
-»Ik kom u de groeten brengen van Bloemduin,« spreekt de bezoeker.
-
-»Van Bloemduin?« herhalen beiden.
-
-»Ja, ik ben er even heen geweest vóór mijn vertrek. Ik dacht dat jullie
-het prettig zoudt vinden, als ik de familie pas van aangezicht tot
-aangezicht had gezien.«
-
-»Dat is... daar herken ik je aan, Frans. Weet je wel, dat je mijn vrouw
-daar een enorm plezier mee hebt gedaan? Niet waar, Nita?«
-
-Mevrouw Verschuere zegt niet veel; ze heeft alleen haar gelaat gekeerd
-naar den vriend, en ofschoon het een lastige reis geweest is, die reis
-naar Bloemduin, vindt hij zich ruim beloond voor zijn moeite. Maar nu
-heft ze de oogen op naar haar echtgenoot en hij weet dat ze denkt aan
-het gesprek daar straks gevoerd; en meer dan daar straks haar naïeve
-vragen hem in verlegenheid brachten, doet het nu haar ernstige, zacht
-verwijtende blik.
-
-»En hoe maakten ze het?« vraagt hij haastig. »Was alles wel? De tantes?
-En de oude lui?«
-
-»Uitstekend. De tantes schenen me nog iets ouder geworden ofschoon ik
-niet had gedacht dat dit mogelijk was. De oude lui zagen er best uit.
-Alleen, ze misten hun kleintje erg! Ja... ’k begrijp wel, Verschuere;
-ik zou het ook niet hebben overgebracht, maar ik kreeg de boodschap
-mee:
-
-»»Zeg haar, dat we ons kleintje erg missen; zeg haar, dat er geen dag
-voorbijgaat, waarop we haar niet terugwenschen in ons midden.««
-
-»Och, ik wist het zonder dàt wel,« fluistert Nita nauw hoorbaar.
-
-»En waar vond je hen?« roept Verschuere haastig. »In de tuinkamer
-zeker? En hoe maakt onze lieve zus Corrie het? En was Jan niet gelukkig
-met zijn doctorstitel? En is het al bepaald wanneer ze gaan trouwen?«
-
-Maar vóór Van Beevelant op dien stroom van vragen kan antwoorden,
-spreekt Nita weer: »Wie zei het? Papa?«...
-
-»Ja, maar mevrouw, ik bid u...«
-
-»Dat dacht ik wel...« fluistert ze, »arme lieve pa!... En was hij erg
-bedroefd, toen hij dat zei... van zijn kleintje?«
-
-De heer van Beevelant is opgestaan; hij zag in den anderen hoek der
-galerij een hangplant, die bijzonder zijn aandacht trok.
-
-»Nita, kom, wees verstandig!« en Gustaaf slaat zacht den arm om de
-bevende gestalte. »Is dit nu niet wat overdreven, lieve?« gaat hij
-zacht verwijtend voort. »Te schreien, omdat je toevallig hoort
-uitspreken wat je toch vermoedde, ja wist? Kom, troost je: papa en mama
-hebben hun andere kinderen.«
-
-»Maar ze missen me toch; ze missen hun kleintje,« snikt ze.
-
-»Niet zoo erg als ik mijn kleintje missen zou,« fluistert hij.
-
-Van uit den hoek, waar hij nog steeds nieuwe wonderen ontdekt aan de
-belangwekkende plant, bespeurt Van Beevelant hoe een plotselinge glans
-over het beschreid gezichtje komt, hoe de blos terugkeert, hoe de
-tranen als door een tooverslag zijn weggewischt;—als hij ziet hoe ze
-glimlacht, terwijl Gustaaf haar iets in het oor fluistert, acht hij het
-bestudeeren der plant verder onnoodig.
-
-Nauwelijks is hij gezeten, of hij wordt bestormd met vragen, waarop hij
-volstrekt niet bedacht was en waarvan hij enkele maar op goed geluk
-beantwoordt; vragen, zooals een kind ze doet aan wie pas het ouderlijk
-huis betrad, over kleinigheden, maar kleinigheden welke tot dusver voor
-haar het leven uitmaakten.
-
-De bloeiende slingerplanten zich windend om de pilaren en in guirlandes
-afhangend van het lage dak, vormen een doorzichtig gordijn voor
-Agnita’s woning, maar als dat doorzichtig gordijn een chineesche muur
-geweest ware, dan had ze niet meer volkomen de wereld rondom zich
-kunnen vergeten, dan nu het geval was, terwijl Van Beevelant vertelde
-van die andere wereld, haar thuis.
-
-De thee is weggenomen, de oude wijn fonkelt in de glazen, en nu eerst
-vindt Verschuere gelegenheid zijn vriend te vragen naar de betrekkingen
-welke hij zelf achterliet.
-
-Zijn antwoord is een onderdrukte zucht. Dan luidt zijn wedervraag: »Hoe
-zou het gaan? Wat kan de toestand zijn van een familie, die op één dag
-de plannen en illusies van vijf-en-twintig jaar den bodem ziet inslaan?
-’t Is geen kleinigheid gepensioneerd te worden! Vraag dat de
-oud-officieren en oud-ambtenaren in Holland maar eens!«
-
-»Geen kleinigheid vooral, om van het mager pensioentje te gaan leven,
-juist op het oogenblik dat het volle traktement zoo noodig zou zijn om
-de opvoeding, begonnen in de verwachting van dat traktement en daarnaar
-geregeld, te voltooien. Toch, mama is moedig genoeg; de meisjes doen
-haar best... Werkelijk, het zou niet zoo treurig behoeven te zijn als
-het in den laatsten tijd was, wanneer papa er maar toe komen kon, zijn
-lot wat geduldiger te dragen.«
-
-»Zulk een lot geduldig dragen! geen wonder waarachtig dat hij het niet
-kan!« roept Verschuere. »De kranigste officier van de armée te zijn, op
-het punt te staan gouverneur van Atjeh te worden, genoemd te worden als
-de aanstaande legerkommandant, en dan te worden getroffen door zoo’n
-ellendigen kogel, die even goed wat hooger of lager had kunnen komen,
-en nu het te moeten aanzien hoe anderen je plaats innemen... Geen
-wonder dat hij zulk een lot niet geduldig dragen kan!«
-
-»Je hebt gelijk, ’t is hard. Ik, die het alles zoo van nabij gezien
-heb, zal de laatste zijn om het tegen te spreken. Maar hij behield nog
-zooveel; de herinnering aan een eervolle militaire loopbaan,
-belangstelling in alles wat het leger betreft, het talent om zijn
-denkbeelden kenbaar te maken in zijn geschriften.«
-
-»Dit neemt niet weg dat zijn carrière gebroken is. En wat troost een
-man dáárover?«
-
-»De liefde van vrouw en kind!« spreekt een stem, die nu méér dan ooit
-als muziek klinkt.
-
-»Denk je dat, Nita?« vraagt Verschuere zacht. Dan knikt hij haar toe,
-alsof ze een kind ware, nog niet in staat om de treurige waarheden des
-levens te bevatten, en keert zich tot Van Beevelant.
-
-Er is maar een enkel woord noodig om den schat van herinneringen, in
-beider hart bewaard, aan het licht te brengen. Ze hebben naast elkaar
-gewoond in het kampement te Magelang, toen hun beider vaders nog jonge
-kapiteins bij het indische leger waren, en nooit is eenig kampement
-meer geplaagd door twee ondeugende jongens. Ze zijn toevallig terecht
-gekomen op dezelfde school in Haarlem, en nooit heeft men op een school
-zoo goed geleerd, niets te zeggen ten nadeele van Indië, dan toen zij
-daar de eer van Indië ophielden en desnoods met de vuisten verdedigden.
-Zij kwamen te zamen aan de akademie, en wie hen daar kenden, ’t zij
-professoren of studenten, die spraken zelden meer over de
-»achterlijkheid« van indische jongelui.
-
-Eindelijk breekt Nita den stroom van grappige verhalen en jolige
-herinneringen af.
-
-»Vertel me eens, hoe gaat het met uw zuster Louise? Is ze weer geheel
-hersteld?«
-
-»Ze is beter, veel beter dan toen u haar ontmoette, maar ze kan maar
-niet weer op krachten komen. De doctoren rekenden op den zomer; ze zou
-dan eens een reisje gaan maken, een zachter klimaat opzoeken... ik hoop
-er het beste van. Maar Verschuere zal u wel eens gezegd hebben welk een
-vroolijk, prettig gezin het onze vroeger was... Mijn arme zuster moet
-zich van jongs af de toekomst gedroomd hebben als vrouw en moeder...
-soms vraag ik me af, of het haar niet te zwaar valt afstand te doen van
-al datgene wat ze thuis heeft leeren beschouwen als het beste wat de
-wereld geeft.«
-
-»Arm kind!« fluistert Nita.
-
-»Ja, wel arm kind! Om u de waarheid te zeggen heb ik met haar meer
-medelijden dan met papa; zij is nog zoo jong! En voor haar is de
-carrière—om het zoo eens te noemen—niet minder gebroken dan voor hem.
-Was ze in Indië gebleven, dan had ze een keus kunnen doen uit de beste
-partijen; daar op ons dorpje zal ze geen echtgenoot vinden naar haar
-smaak. Ze weet dat en ik vermoed dat het haar een teleurstelling is.
-Dit moet ik tot haar eer zeggen, ze houdt zich goed. Zij is wel niet
-zóó vroolijk meer als vroeger, maar altijd blijmoedig, opgewekt; de
-steun van moeder, de vraagbaak voor de jongeren...«
-
-»En de lievelingszuster van haar broer.«
-
-»Ja... ofschoon in den laatsten tijd... je moet weten, ze keurde mijn
-plan om deze betrekking te gaan vervullen niet goed. Ze vond dat ik
-mijn positie niet mocht opofferen.«
-
-»Misschien had ze daarin niet geheel ongelijk.«
-
-»Dunkt je dat? De positie van een doctor in de letteren?«
-
-»En meester in de rechten.«
-
-»Nu, ja, wat hielp me dat? Wat kon ik doen in Holland. Dat vraag ik je!
-Me neerzetten als advokaat en wachten of ik praktijk zou krijgen—wat ik
-het liefst gedaan had—daar had ik geen geld voor. Een postje als
-rechterlijk ambtenaar in een provinciestadje vragen en jaren rondloopen
-op zes- zevenhonderd gulden? Levenslang docent blijven, wat me nu al
-zoo verveelde?«
-
-»Ik beken,« zegt Verschuere, »de vooruitzichten, die je daar noemt,
-zijn niet schitterend, maar is het niet wel eens in je opgekomen, dat,
-waar je je nu mee bezighoudt, beneden de waardigheid is van iemand, die
-door bekwaamheid en talenten recht had op elke betrekking?«
-
-»Integendeel. Ik vind deze bezigheid in het geheel niet zoo min. Van
-twee jongens, door geboorte en fortuin geroepen om eenmaal in ons land
-een rol te spelen, bruikbare mannen te maken, dit zou in mijn oog
-geenszins beneden mijn waardigheid zijn, ook al had ik de bekwaamheden
-die je me toedicht. Goed begrepen, breeder opgevat dan de gewone
-onderwijzer dat misschien doen zou, is het een grootsche taak. En ik
-wil je wel bekennen dat ik, in plaats van te vinden dat ik er te goed
-voor ben, me dikwerf afvraag of ik er wel voor berekend ben.«
-
-»’t Is zeker dat de manier waarop mijnheer Van Waliënhove je heeft
-ontvangen en de plaats, die hij je heeft aangewezen, veel doet om je
-positie te releveeren.«
-
-»O, ik weet, Verschuere, dat gouverneur te zijn bij de zonen van
-mevrouw Van Waliënhove geen sinecure is; ik heb dat in deze weinige
-dagen reeds ondervonden.«
-
-»Ik vrees dat u van dien kant weinig steun kunt verwachten,« zegt
-Agnita, »maar ofschoon men het, zoo oppervlakkig gezien, niet bemerkt,
-après tout is de gouverneur-generaal het hoofd en zult u met hem te
-rekenen hebben; hij geeft zijn vrouw veel toe in kleinigheden, maar in
-groote kwesties handelt hij geheel volgens eigen inzicht.«
-
-»Ik ben blij dat te hooren, te meer daar ik een anderen indruk gekregen
-had en dacht dat mijn werk zoo goed als nutteloos zou zijn. En ik zou
-zoo graag willen slagen! Ik zou zoo graag het vertrouwen, dat me
-geschonken werd, mij willen waardig maken. Het was hoog tijd dat er een
-verandering kwam in den bestaanden toestand, maar ik heb goede
-verwachtingen van mijn leerlingen, en als het me gelukken mag die
-vlugge, heerlijke jongens in het goede spoor te brengen, dan zal ik de
-overtuiging hebben, dat ik niet alleen geen min baantje bekleed, maar
-even nuttig ben als de hoogstgeplaatste ambtenaar in Indië.«
-
-»Nu, dat is wat sterk, dunkt me.«
-
-»Dat schijnt het, ja. Maar heeft Zijn Excellentie niet vóór alles
-kalmte noodig en gemoedsrust? En zou ook de beste van zijn ambtenaren
-hem die kunnen schenken, zooals ik dat kan door hem de zorg over zijn
-jongens te ontnemen, de zorg die hem zoo zwaar gedrukt heeft in den
-laatsten tijd?«
-
-»Waarlijk,« roept Verschuere, half spottend, half meegesleept door den
-ernst waarmee zijn vriend spreekt, »als ik niet eerste
-gouvernements-secretaris was zou ik wenschen mijnheer van Waliënhove’s
-gouverneur te wezen!«
-
-Maar al kan hij Van Beevelant’s geestdrift niet deelen, het is hem goed
-weer samen te zijn met den vriend zijner jeugd. Weldra komen ze op
-andere onderwerpen. Agnita geniet; want uitgelokt en opgewekt door het
-helder oordeel en den logischen zin van den bezoeker, viert ook Gustaaf
-zijn vernuft bot. Het is lang na middernacht als ze hun gast uitgeleide
-doen; tot tweemaal toe keert deze in het helder maanlicht met hen terug
-naar het hek hunner woning, en tot tweemaal toe loopen ze langzaam met
-hem tot aan den ingang van het paleis.
-
-
-
-
-
-
-
-VIII
-
-IN DE WITTEBROODSWEKEN.
-
-
-»Zoo vroeg terug? Dat is een meevallertje. Kom binnen.«
-
-Maar de heer Verschuere schijnt den vriendelijken welkomstgroet zijner
-vrouw niet te hooren, zoo min als haar uitnoodiging om het boudoir te
-betreden, dat ze daareven, verheugd over zijn onverwachte thuiskomst,
-zoo haastig verliet. Werktuigelijk stapt hij door naar de
-achtergalerij, werpt zijn hoed op tafel en begint staande:
-
-»Ik ben even uit mijn werk geloopen, maar ik moet dadelijk terug. ’t
-Was maar om je iets te zeggen dat geen uitstel lijden kan. De familie
-Hagen logeert hier tot aanstaanden Donderdag; ze zijn op reis naar
-Sindanglaya, waar ze een maand denken te blijven.«
-
-»Zoo? Maar waarom moet ik dat weten?«
-
-»Wel, omdat wij ze bij deze gelegenheid een beleefdheid moeten
-bewijzen. Van avond zal er muziek gemaakt worden op het paleis; je
-weet, Gertrude Hagen zingt en de oude heer is een groot liefhebber van
-viool... Ze hadden alleen nog morgenavond vrij en ik heb hen gevraagd
-dan bij ons te komen dineeren.«
-
-»Bij ons te komen dineeren? Morgen avond! ’t is toch niet waar?«
-
-»Hemel, kind, daar behoef je niet zoo van te ontstellen! Hij is een
-alleraangenaamst mensch en mevrouw de liefste, de meest
-gedistingeerde...«
-
-»Maar een diner! Morgen avond!«
-
-»Wel neen, geen diner! Op zijn hoogst tien of twaalf menschen. Laat
-zien: drie Hagens, twee...«
-
-»Tien of twaalf menschen! Je praat er maar over of het niets is!
-Gustaaf... ik zal nooit durven!«
-
-»Je moet durven,« spreekt hij streng.
-
-»Alles zal mislukken,« fluistert ze, meer in zich zelve dan tot hem.
-Maar hij heeft haar gehoord.
-
-»Integendeel, alles zal in de uiterste puntjes zijn,« zegt hij op een
-toon die geen tegenspraak duldt.
-
-»Morgen avond, zeg je? Morgen avond! Onmogelijk!«
-
-»Onmogelijk!« herhaalt hij. En dan klinkt toornig de vraag: »Agnita,
-wat beteekent dàt nu?«
-
-»Je moet niet boos worden,« brengt ze snikkend uit, »maar wezenlijk...«
-
-»Ja, ik word wèl boos. Wat! Ik kies me een vrouw, wier moeder en
-getrouwde zusters perfekte huishoudsters zijn; een meisje, dat gewoon
-is thuis de keurigste dineetjes te helpen aanrichten; ik geef schatten
-uit voor mijn inboedel, ik houd er goedangs vol blikken en wijnen op
-na; ik heb een groot huis, een stoet van bedienden; zou men nu niet
-meenen, dat als iemand er op was ingericht om menschen te kunnen zien,
-ik dat zijn moest? Jawel! de eerste keer de beste dat ik een paar lui
-ten eten wil vragen, roept men mij toe: »Onmogelijk.««
-
-Berouwvol is reeds zijn vrouw hem ter zijde getreden.
-
-»Je bent in je recht, Gustaaf. Ik had niet van onmogelijk moeten
-spreken. En ik zou het ook zeker nooit gedaan hebben, als het wat
-minder onverwachts gekomen was. Je hebt gelijk, daarvoor heeft mama
-zich niet zooveel moeite gegeven, opdat haar dochter bang zou zijn om
-een paar gasten te ontvangen.«
-
-»Zoo mag ik het hooren.«
-
-»Ik beloof je, ik zal mijn best doen. Je weet dat het geen onwil was...
-niet waar, daarvan ben je overtuigd?«
-
-Weinige oogenblikken later zitten ze samen op de causeuze in haar
-boudoir.
-
-»Komaan, kindlief, kijk nu niet zoo angstig. Ik ben te driftig geweest,
-dat beken ik, maar daarom behoef je me nu niet een gevoel te geven
-alsof ik een tiran was, een vrouwenbeul!«
-
-Straks, als weer een glimlach het ontstelde gezichtje komt verhelderen,
-gaat hij voort op dien ernstigen toon vol overredende kracht, waarmee
-hij zijn betoogen ingang doet vinden ook bij minder gewillige hoorders
-dan Agnita.
-
-»Kind, waarvoor denk je toch dat ik de beste jaren van mijn leven hier
-in Indië doorbreng? Je weet dat ik het niet bepaald noodig heb, zelfs
-op het oogenblik niet, terwijl de tantes ieder voor zich me tot
-erfgenaam maken, zoodat ik ook niet voor een pensioen behoef te zorgen;
-je weet, dat ik ook in Holland een bestaan zou kunnen vinden. Waarvoor
-denk je dan dat ik hier ben?«
-
-Ze ziet op naar zijn gelaat. Dan, als had ze het antwoord daar gelezen,
-spreekt ze: »Om het ver te brengen in de wereld!«
-
-»Juist! Om het ver te brengen in de wereld! Daar streef ik naar!
-Daarvoor heb ik nu tien jaar gewerkt en zal ik misschien nog twintig
-jaar werken. Daarheen zijn al mijn gedachten gericht; daarheen keeren
-zich al mijn wenschen, al mijn verlangens; daarvoor leef ik.«
-
-»Daarvoor toch niet alleen, is ’t wel, lieveling? Neen, dat weet ik
-beter. Maar denk je dat het mogelijk zijn zou...?«
-
-»Waarom niet? Ben ik minder dan het meerendeel van hen die me zijn
-voorgegaan? Heb ik geen goede hersens, geen sterk gestel, geen
-kolossaal werkvermogen, geen ijzeren wilskracht en—wat misschien meer
-is dan dit alles—geen machtige protectie?«
-
-Zooals hij daar tegenover haar staat, met dien vastberaden trek op het
-mannelijk gelaat, met dat ernstig voorhoofd, die oogen, fonkelend van
-geestdrift, schijnt hij haar een reus, sterk genoeg om al de draken,
-die het betooverd kasteel der fortuin tegen hem mochten willen
-verdedigen, te verslaan.
-
-»O, je begrijpt, ik zou de laatste zijn die er aan twijfelde. Maar je
-moet niet vergeten hoeveel er noodig is.«
-
-»Ja, heel veel! Onder meer een vrouw, bezield met dezelfde gevoelens
-als ik, een vrouw ten allen tijde bereid mij bij te staan in het
-streven naar het groote doel, een vrouw, die wat durft, wat kan, een
-vrouw voor wie het woord onmogelijk niet bestaat, als aan den
-vice-president van den Raad van Indië een diner moet worden
-aangeboden...«
-
-»Laten we het menu opmaken, Gustaaf,« roept ze half beschaamd, half
-lachend.
-
-»Zoo mag ik het hooren. En, Nita, van dit oogenblik af aan beschouw ik
-je als een ingewijde. Antwoord me, lieve, wil je niet beproeven om iets
-meer voor me te zijn dan een lief, bekoorlijk kind? Wil je mijn trouwe
-reisgezellin wezen, die met me afgaat op hetzelfde doel?«
-
-Er is groote bekommernis in de oogen, die ze vol ernst naar hem
-opslaat. »O Gustaaf, ik vrees dat je je in mij vergist hebt... ik vrees
-dat je een andere vrouw hadt moeten kiezen; ik ben zoo weinig
-eerzuchtig!«
-
-»Als je me lief hebt, zul je het worden om mijnentwil!«
-
-»Als ik je lief heb!... Maar het is juist omdat ik je liefheb, dat al
-die grootsche plannen, die stoute wenschen me beangstigen, Gustaaf; het
-voornaamste is toch gelukkig te zijn, niet waar? Nu, ik kan niet
-gelooven dat grootheid of eer geluk aanbrengt.«
-
-»Dat komt omdat je nog zoo jong bent. Met elk jaar dat je ouder wordt,
-zul je leeren inzien hoe het bezit van macht... Maar ons menu! We
-hebben geen tijd te verliezen. Geef mij je potlood... of zal ik het
-maar geheel aan Cavadino overlaten?«
-
-»Cavadino?«
-
-»Ja, ik wilde hem telegrafeeren dat hij morgen met den laatsten trein
-een diner voor twaalf personen zendt. Hij heeft dat dikwerf voor me
-gedaan toen ik nog célibatair was—en altijd uitstekend. Maar toen kwam
-hij met zijn staf mee en zorgde voor alles. Dat is nu onnoodig, niet
-waar? Je zult zeker liefst zelve het arrangeeren van de bloemen en het
-dekken der tafel op je nemen? Ook moeten de bedienden—dat spreekt van
-zelf—de gerechten warm maken, de aardappelen koken en...«
-
-»O man!« roept ze verrukt, »hoe gemakkelijk! Had je me dat dadelijk
-gezegd! Ik dacht dat ik alles zelve moest klaar maken!«
-
-»Wat een idée! Je zoudt doodaf zijn. Neen, er is niets onaangenamer dan
-lekker te eten terwijl de gastvrouw, rood van overspanning, naar adem
-hijgt; ik wil dat je het hart van den vice-president morgen steelt, en
-je zoudt niet op je dreef zijn, als je er voortdurend over moest denken
-of dit of dat gerecht wel gelukt was...«
-
-»Vergeef me, Verschuere! Nu begrijp ik pas hoe mijn tegenspraak je
-moest hinderen... terwijl je alles doen wilde om het me gemakkelijk te
-maken!«
-
-»Goed, goed, kindlief! Neen, nu niet... Straks, als ik thuis kom, zal
-ik met mijn kleine rebel afrekenen. Ik verzend dus het telegram. Jij
-zorgt voor de invitaties en de rest? Tot straks!«
-
-»Tot straks! Ik zal mijn best doen, hoor! Je zult over me tevreden
-wezen.«
-
-»Als mijnheer en mevrouw Hagen het maar zijn; dat is van meer belang!«
-
-
-
-
-
-
-
-IX
-
-EEN DINER MET EEN GAPING.
-
-
-De gevreesde avond brak aan. En als iets mevrouw Verschuere had kunnen
-doen vergeten, dat er over weinige minuten gedineerd moest worden in
-haar huis, aan haar tafel, dan zouden het de genoodigden geweest zijn;
-immers het was een uitgelezen gezelschap, volkomen geschikt om een
-eerstbeginnende in de kunst van recepieeren op haar gemak te zetten.
-
-Voelde de heer Hagen, toen hij zijn gastvrouw den arm bood hoe het
-handje, dat ze op dien arm legde, beefde? Zag mevrouw Hagen hoe angstig
-het gezichtje stond, toen ze tegenover elkander plaats namen? Zooveel
-is zeker, dat de eerste zich haastte haar mee te deelen, hoe hij altijd
-gaarne de uitnoodiging voor een dineetje aannam—al was het eten voor
-hem geheel bijzaak—omdat men nergens zoo gezellig praten kon als aan
-tafel; dat de tweede haar toeknikte met een bemoedigend knikje, alsof
-ze reeds vooraf de verzekering wilde geven dat—mocht het een of ander
-in de war loopen—zij de laatste zijn zou om het kwalijk te nemen.
-
-Maar het scheen dat er niets in de war zou loopen. De jonge vrouw met
-haar kindergezichtje had wel weinig ervaring, maar zij bezat den
-kieschen takt, dien men van eene beschaafde moeder overneemt; daarbij
-gaf zekere schroom, zoowel in haar manieren als in haar wijze van
-spreken, haar een eigenaardige bekoorlijkheid.
-
-De eetzaal, de tafel, de bloemen, het toilet der gastvrouw, waren elk
-op zich zelf een bewijs van haar goeden smaak en de heer Hagen, een
-kenner, keek met innig welgevallen rondom zich. De bediening was vlug
-zonder druk te wezen, de soep bleek overheerlijk, de pasteitjes, die op
-de soep volgden, waren kunstgewrochten.
-
-Verschuere, niet zoo kalm als hij wel wilde schijnen, zag de
-tevredenheid van zijn gasten en voelde zich beter, at zijn soep en werd
-rustiger, proefde zijn pasteitje en zegende Cavadino, hoorde hoe aardig
-Nita zich met den heer Hagen onderhield, en lachte haar toe met een
-blik zoo vol waardeering, dat de hartklopping, die haar plaagde,
-onmiddellijk bedaarde.
-
-Van nu af begon hij meer aandacht te schenken aan zijn buurdames. Aan
-de eene zijde had hij mevrouw Paerel, een vroolijk dikkertje van even
-dertig. De directeur van ’s lands plantentuin bezat het voorrecht haar
-zijn gade, zeven alleraardigste dikke jongentjes het nog grooter
-voorrecht haar hun moeder te noemen. Ze zou even beminnelijk en zeker
-amusanter zijn, wanneer ze niet altijd zoo overstroomende was van
-teederheid voor haar achtdubbelen schat; immers ook de aardigste vrouw
-schijnt langdradig als ze over haar kroost spreekt, voor ongehuwden
-omdat ze oningewijden zijn, voor getrouwden omdat ze popelen van
-begeerte om over hun eigen wonderkinderen te beginnen.
-
-De gastheer kende haar zwak en bracht haar zonder dralen op het
-geliefkoosd onderwerp, in de hoop dat, als ze het met hem in het breede
-behandeld had, het zijnen gasten bespaard zou blijven. Reeds was de
-groote parel verklaard te zijn van het zuiverste water, reeds waren de
-kleinere parels aangeduid als kostbare sieraden in de kroon hunner
-moeder, van twee nog kleinere met vochtigen blik getuigd dat ze
-onschatbare schatten waren, toen de geduldige toehoorder een blik
-opving van Mingo.
-
-Die blik boeit Verschuere met toovermacht, ook terwijl mevrouw Paerel
-het pareltje bespreekt, dat frappant op het portret van Victor Hugo
-gelijkt.
-
-»’t Is te hopen,« zegt de gastheer vaag en staart naar Mingo, die zich
-nu niet meer bepaalt tot kommervolle blikken, maar ze vergezeld doet
-gaan van mondverdraaiingen, het uitspreken voorstellend van een
-woord—zeker van vreeselijke beteekenis.
-
-Eindelijk is ook de Victor Hugo in spé afgehandeld en Verschuere, die
-zich hersteld heeft, slaakt een zucht van verlichting bij de gedachte
-dat het de laatste was.
-
-Maar een moeder vertelt zich niet.
-
-»Wat nu mijn allerjongste betreft...«
-
-»O mevrouw, dat is nog een pareltje in de schelp.«
-
-»Neen, zeg dat niet. Hoewel pas zeven maanden...«
-
-Maar Verschuere vindt dat het tijdsverloop tusschen croquetjes en visch
-reusachtige afmetingen begint aan te nemen en met een: »Neem me niet
-kwalijk, mevrouw! een oogenblikje,« wenkt hij Mingo.
-
-Nauwelijks is deze genaderd, of hij bijt hem toe: »Di mana ikan?« [3]
-
-Mingo fluistert zijn meester iets toe. Het gelaat van den meester wordt
-eerst rood, dan bleek; radeloos slaat hij den blik rondom zich; dan
-laat hij hem vol verwijt op zijn vrouw rusten.
-
-Maar mevrouw Verschuere merkt dat niet op.
-
-Geheel gerustgesteld door het waardeerend knikje van zooeven, heeft zij
-zich met de zorgloosheid der jeugd overgegeven aan het genoegen van te
-luisteren naar haar beide buren en op dit oogenblik meer bijzonder naar
-den heer De Bruining, die één glas wijn gebruikt heeft en in de periode
-van den vogel verkeert.
-
-»Wat is er gaande, Verschuere?« vraagt de heer Hagen, aan wiens
-scherpen blik niets ontgaat. »De visch niet pluis? Nu, kom er maar voor
-uit. Dat is tegenwoordig aan de orde van den dag.«
-
-»Neen,« stamelt Verschuere, »dat is het niet.«
-
-Het benauwde stemgeluid waarmede dit gezegd wordt, wekt de huisvrouw
-uit haar droom: ze ziet op naar het gelaat van haar man en weet dat
-alles verloren is.
-
-De gasten beginnen nu de een na den ander te bemerken dat er onraad
-broeit; het wordt stil.
-
-»Kom, mijnheer Verschuere, wat het zijn moge, laten we er ons niets van
-aantrekken,« stelt mevrouw Paerel voor. »Ik zal u zeggen, mevrouwtje,
-wat we bij ons doen, als een gerecht mislukt: we gaan over tot het
-volgende.«
-
-»Maar... dat kunnen wij niet!« roept Verschuere.
-
-»Kunnen we dat niet?« vraagt Agnita ontsteld. »Mijn hemel, Gustaaf, wat
-is er dan?«
-
-En in de stilte, die nu volgt, klinkt het als een doodsmaar van
-Verschuere’s lippen:
-
-»Je hebt de aardappelen vergeten!«
-
-De tijding is zoo onverwacht, het geval zoo ongewoon, dat niemand weet
-wat te zeggen. Alleen mevrouw De Bruining behoudt haar tegenwoordigheid
-van geest. Ze grijpt Mingo bij den arm, bijt hem in het oor: »koken!
-dadelijk! uilskuiken!« En op haar wenk vliegen al de dienende geesten
-Mingo achterna, de keuken in.
-
-Daar men elkaar niet durft aankijken, staart men in de ledige borden;
-daarop heeft er eene algemeene broodverkruimeling plaats.
-
-Er is een lach, gul en welgemeend, een lach waarin geen zweem van
-spotternij ligt, niets dan goedhartige pret over de dwaasheid dezer
-wereld. In dien lach barstte de heer Hagen los; en het was niet omdat
-de Raad van Indië het deed, maar omdat hij het zoo aanstekelijk deed,
-dat allen met hem instemden.
-
-Te midden dier vroolijkheid kwam freule van Waliënhove op een inval,
-zooals lieve meisjes soms invallen hebben kunnen.
-
-»Gertrude!« roept ze juffrouw Hagen toe, »is dit niet een wenk van de
-Voorzienigheid? We waren straks zoo en peine over het duet, dat we
-morgenavond zingen moeten zonder het nog een enkele maal samen te
-hebben doorgezien. Zou mevrouw Verschuere ons willen veroorloven... ik
-vrees dat we na den eten niet meer zoo gedisponeerd zullen zijn.«
-
-Als het bericht had weerklonken dat er een goudmijn ontdekt was in de
-binnengalerij, hadden de gasten niet vlugger kunnen opspringen om er
-zich heen te begeven.
-
-De vleugel staat opengeslagen; men schaart zich in het rond; de beide
-frissche meisjesstemmen heffen het duet aan; niemand schijnt meer aan
-dineeren te denken, niemand dan de Verschuere’s, wie de oogenblikken
-minuten, de minuten uren schijnen, niemand dan mevrouw De Bruining,
-die, zoodra ze het onbemerkt meent te kunnen doen, wegrent, om weldra
-met haar zijden japon door de keuken te slieren, rechts, links, overal!
-nu eens een aardappel grijpend, dan weer een mes, om eindelijk, als ze
-de onmogelijkheid heeft ingezien van beiden tegelijk in handen te
-houden, zich te bepalen tot het beurtelings uitschelden, vermanen en
-prijzen der acht schillers en schilsters. Zij belooft ze ongehoord
-groote geldsommen voor het ondenkbaar geval dat ze de aardappelen
-binnen twee minuten op tafel brengen. En wel niet binnen twee minuten,
-maar toch vrij spoedig, namelijk juist als de jonge dames in edele
-zelfopoffering ten derde male het duet willen beginnen, komt Mingo met
-het zoo vurig begeerde »soedah«.
-
-In vroolijken optocht trekt men weer naar de achtergalerij. De visch is
-als door een wonder goed gebleven; de aardappelen blijken er niet
-minder om, dat ze zoo haastig gekookt werden; daarbij zijn al de
-volgende gerechten keurig voorgediend en smakelijk toebereid; de wijnen
-volkomen waardig zulke edele gerechten te besproeien, en het dessert
-alles overtreffende wat Cavadino tot dusverre leverde op dit gebied.
-
-Een fijn diner is geen bijzonderheid op Buitenzorg, maar een diner,
-waar zoo geestig verteld, zoo vermakelijk geschertst, zoo hartelijk
-gelachen wordt als hier, blijft een uitzondering. ’t Is dan ook na
-middernacht, lang over den gewonen tijd, als men uit elkaar gaat, en
-nog is dit niet met volle toestemming van den heer Hagen, die, na een
-laatst welgemeend compliment aan zijn bekoorlijke gastvrouw, slechts
-noode achter de statige gestalte aanloopt, die hem reeds is
-voorgezweefd naar het rijtuig.
-
-De anderen volgen nu spoedig hun voorbeeld, en als Verschuere de
-laatste dame naar den wagen brengt, gaat mevrouw, die boven aan de trap
-staan bleef, hem een paar treden tegemoet, den blijden glimlach,
-waarmee ze hare vrienden groette, nog om de lippen.
-
-Maar is dit de joviale gastheer van daareven? Is dit Gustaaf, die den
-geheelen avond zoo opgewekt, zoo hoffelijk was? die toornige man met
-bewolkt voorhoofd, met saamgenepen lippen?
-
-Eenigszins ontsteld treedt ze achteruit. Hij gaat haar voorbij alsof ze
-daar niet stond; regelrecht naar zijn kleedkamer, en het duurt een poos
-voor ze den moed heeft hem daar te volgen.
-
-»Kleed je je nu reeds uit?« vraagt ze en legt een bevend handje op zijn
-arm. »Willen we niet een oogenblik napraten?«
-
-Reeds heeft hij haar hand afgeschud.
-
-»Napraten?« barst hij los. »Napraten? Waarover? Over ons mislukt
-diner?« en hij gooit zijn jas op een stoel en rukt zijn das los, alsof
-elke band hem benauwde.
-
-»Mislukt? Maar Gustaaf! de menschen hebben zich uitstekend geamuseerd.«
-
-»Geamuseerd!« herhaalt hij met schamperen lach. »Geamuseerd! ja, dat
-hebben ze zich! Daar kun je zeker van zijn. Het is een aardigheid die
-ze niet elken dag zien vertoonen... een diner zonder aardappelen!«
-
-»Ze hebben het immers allen even goed opgenomen.«
-
-»Natuurlijk! Je hadt hun geen grooter pleizier kunnen doen. En niet hun
-alleen. Wees overtuigd dat mevrouw Van Waliënhove morgen een pret heeft
-van belang; wees overtuigd dat het binnen een paar dagen op Buitenzorg
-en Batavia, op al de soirées, in al de societeiten, op al de
-dames-ochtendvisites het praatje van den dag is. Neen, dáár kun je
-zeker van zijn, dat het eerste diner van mevrouw Verschuere, het diner
-zonder aardappelen, legendarisch zal worden in Indië!«
-
-»Hemel, Gustaaf, was het dan wezenlijk zóó erg?«
-
-»Ik weet niet of jij het erg vindt om belachelijk te zijn. Ik vind het
-verschrikkelijk, ondragelijk, het ergste van alles!«
-
-»’t Was onhandig van me, maar... ik had toch mijn best gedaan... Zou je
-’t me niet kunnen vergeven? Nu nog niet, dat begrijp ik wel, maar
-morgen misschien, als je wat kalmer bent?«
-
-»Dwaasheid! ik heb niets te vergeven. We zullen beiden in ons huwelijk
-wel eens fouten begaan. Als het maar niet dikwerf zulke fouten zijn,
-Nita; want die zouden op den duur in staat zijn me razend te
-maken—begrijp je dat niet?«
-
-Neen, ze begreep het niet. Ze begreep niet hoe het oordeel van vreemden
-hem zoo aan het hart ging dat hij haar, die hij liefhad, er voor kon
-grieven.
-
-
-
-Met klokslag vijf wordt Verschuere gewekt. Hij springt op als iemand,
-die weet dat een taak hem wacht; den vorigen dag liet hij alles liggen
-om zich geheel te wijden aan de ontvangst zijner gasten; nu moet de
-achterstand worden bijgewerkt nog vóór het bureau-uur slaat.
-
-Het is bijna donker in het slaapvertrek, een enkele flauwe lichtstraal
-slechts dringt door de jalouzieën, maar die lichtstraal valt op Agnita:
-ze ligt naar hem gekeerd, het hoofd gesteund op de gevouwen handen, de
-haren los gewoeld rondom het gezichtje, dat in die matgouden lijst nog
-teerder, nog fijner schijnt dan gewoonlijk. Bij haar aanblik komt hem
-de vorige avond voor den geest, hij hoort weer de bevende stem, die zoo
-nederig smeekte om vergiffenis; hij voelt weer de kleine hand te
-vergeefs de zijne zoeken; hij ziet weer die oogen naar hem opgeheven
-met den angst van een kind, dat iets misdaan heeft, en hij vraagt zich
-af, of hij het is geweest, die zich zoo wreed van haar afwendde. Hij
-buigt zich tot haar, hij bespiedt op hare lippen den zoeten lach,
-waarmede ze gewoon is hem te begroeten, hij vraagt een blik dier oogen,
-waaruit een liefkoozing tot hem komt zoo vaak zij ze naar hem opslaat.
-Als ze in dit oogenblik ontwaakt was, had hij haar op zijn knieën
-kunnen smeeken om vergeving—maar ze ontwaakte niet, ze was zoo vermoeid
-van het schreien—en hij kon niet wachten, de schrijftafel riep hem.
-
-Het was een ingewikkelde zaak waarover hij rapport moest uitbrengen,
-kort en zakelijk zooals de gouverneur-generaal alle rapporten
-eischte—een zaak, die van het oogenblik af dat ze aanhangig werd
-gemaakt, hem veel belang inboezemde. Maar juist omdat hij er zich zoo
-geheel had ingewerkt, juist omdat hij het vóór en tegen zoo nauwkeurig
-gewikt en gewogen had, viel het moeilijk om al wat hij zeggen wilde te
-besluiten in het kort bestek hem toegestaan.
-
-Echter, het gelukt—zooals trouwens zulke werkzaamheden hem altijd
-gelukken. Als hij oprijst van de schrijftafel is het met de streelende
-gewaarwording van een overwinnaar. Hij herleest de bladzijden, waarop
-het ingewikkelde vraagstuk is opgelost op eene wijze, die het de
-eenvoudigste zaak der wereld doet schijnen; hij geniet het glashelder
-betoog, den gespierden stijl, de juiste woordenkeus of ze van een ander
-geweest waren. Er zijn drie uren verloopen sinds hij voor de sponde
-zijner gade stond, en in die drie uren heeft ze niet voor hem bestaan.
-Hij bergt nu de dichtbeschreven pagina’s in zijn portefeuille, en het
-hoofd vervuld van zijn werk, gaat hij naar de achtergalerij om haastig
-zijn ontbijt te gebruiken. Als ze op het oogenblik dat hij uit Mingo’s
-handen zijn hoed aanneemt te voorschijn komt, drukt hij haar een
-vluchtigen kus op de lippen en gaat heen, zonder haar ook maar één
-gedachte te wijden.
-
-
-
-
-
-
-
-X
-
-INVITATIES TEN HOVE.
-
-
-Op de invitatielijsten, die de heer d’Hannecour zijn gebiedster
-aanbood, werd achter sommige namen een kruisje geplaatst; dit kruisje
-beteekende in de taal der barones: »alleen geschikt om te laten eten.«
-De aldus geteekenden zou de kolonel niet gewaagd hebben ook maar te
-noemen als er sprake was van een soirée, een soirée musicale,
-littéraire, dramatique, amusante of hoe de veertiendaagsche avondjes
-ten paleize heeten mochten; maar daar mevrouw Van Waliënhove niet
-zuinig was met hare kruisjes en de intendant min of meer
-verantwoordelijk werd gesteld voor het welslagen der soirées, werden
-deze voor den armen man dikwerf kruizen in den waren zin van het woord.
-
-Wat de toehoorders betrof, die kwamen van zelf bijeen. De mijnheer die
-zoo mooi viool speelde, bracht zijn drie bruine gansjes mee; de
-geestige vrouw, onmisbaar voor de jeux d’esprit, haar goeden sukkel van
-een man; de uitstekende pianiste had haar dooven papa bij zich; het
-meisje dat zoo lief reciteerde, haar ongetrouwde tante... maar het was
-niet genoeg dat er menschen verschenen, die geamuseerd wilden worden,
-er moesten er ook zijn die amuseerden. En zij waren—als overal
-elders—schaarsch te Buitenzorg.
-
-Bij de troepen, die te Batavia mooie opera’s komen bederven, zijn nu en
-dan wel eens goede artisten; ook verdwaalt er soms een violist,
-pianist, ja zelfs een enkele chanteuse, die jaren geleden in Europa wat
-naam maakte, naar Indië: met hen was de intendant den koning te rijk.
-Ze werden ten paleize ontboden en op zulk een avond had hij rust,
-behoefde hij geen dilettanten te smeeken om hun medewerking; de
-artisten deden al het werk, want daar de heer Van Waliënhove er op
-gesteld was dat ze ruim gehonoreerd werden, eischte mevrouw waar voor
-haar geld.
-
-Ze waren er echter slechts zelden. En dus bleef de kolonel steeds
-zoekende naar nieuwe krachten; ja, hij hield er jonge luitenants op na,
-die hem waarschuwden zoodra er iets van zijn gading was ontdekt. Dan
-werd de barones onmiddellijk in kennis gesteld met het feit en het
-duurde niet lang of de naam van de talentvolle persoon werd genoemd;
-onder vele mindere bevoorrechten merkte men hem op; weldra kwam er zeer
-toevallig een plaats open in Buitenzorg en hij werd aangewezen om die
-plaats te vervullen.
-
-Wèl hem, zoo hij op de eerstvolgende soirée beantwoordde aan den roep,
-van hem uitgegaan! Voor hem geen reizen of trekken meer, geen nadeelige
-venduties of dure verhuispartijen: Buitenzorg was en bleef zijn
-standplaats. Ongelukkig konden de dames d’Hannecour hun echtgenoot en
-vader weinig tot steun zijn. ’t Is waar, mevrouw d’Hannecour had
-indertijd wel aan voordrachten gedaan, maar zekere oude hoedendoos,
-waarin een lauwerkrans bewaard werd, was het eenige wat van deze gave
-restte; Victoire bespeelde de cither, doch toen ze eens een feest had
-willen opluisteren, werd haar spel niet gewaardeerd, terwijl een poging
-van Elmire, om zich in het lierdicht te onderscheiden, met niet bepaald
-gunstigen uitslag bekroond was. Het eenige wat haar dus restte, was
-dienst te doen als speurhond en dit deden ze met een ijver, die wel
-eens wat benauwend worden kon voor de bewoners der residentie.
-
-Van dien ijver werd te haren tijd mevrouw Verschuere het slachtoffer.
-
-Op zekeren vóóravond overvielen haar drie van de jonge dames; haar
-optreden was zoo onschuldig mogelijk en ze was er verre van daan,
-eenige bedoeling te zoeken achter haar komst, toen ze op de vraag of
-het dan nooit zou ophouden met regenen—de vraag, die in Buitenzorg
-meest gedaan wordt ter opening van het discours—ten antwoord kreeg:
-»Doet u ook aan de schoone kunsten, mevrouw?«
-
-Eenigszins verbaasd begon Agnita: »Als u wat bloemen maken en teekenen
-zoo noemen wilt...«
-
-»O, teekenen!« riep nu Elmire minachtend, »daar heeft men niets aan.«
-
-»Hé, vindt u?« vroeg mevrouw Verschuere, weinig vermoedend waarin
-Elmire’s minachting voor de teekenkunst haar oorsprong vond; »mij dunkt
-juist, dat men er zooveel aan heeft.«
-
-»Toch veel meer aan muziek,« viel Julia in, »daar houdt de gouverneur
-zoo van.«
-
-Nog begreep Agnita geenszins, waarom ze veel aan muziek zou hebben
-omdat de gouverneur er zoo van hield.
-
-»U doet toch aan de piano?« vroeg nu Marianne.
-
-»Ja, zoo nu en dan,« stemde Agnita toe en ze had moeilijk anders kunnen
-doen, daar men het gezicht had in de binnengalerij, waar de piano open
-stond.
-
-»Wat een heerlijke aanwinst!« riep nu Victoire.
-
-»Wat zal mevrouw Van Waliënhove blij zijn!« juichte Elmire.
-
-»Nu, maar papa dan, papa zal opgewonden wezen!« lachte Marianne.
-
-»Ik begrijp niet recht...«
-
-»O mevrouw, wat treft dat goed... En mijnheer? Mijnheer doet zeker ook
-wel aan...«
-
-»Aan muziek? Neen, hij kent geen noot.«
-
-»Maar hij doet aan bellettrie, niet waar? Ik vond dadelijk dat hij iets
-over zich had of hij aan bellettrie deed. Is het niet zoo, Elmire? Heb
-ik je niet gezegd: dat is een man voor bellettrie?«
-
-»Om je de waarheid te zeggen, dacht ik dat je hem voor het drama
-bestemd hadt.«
-
-»Neen, dat was een idée van Marianne.«
-
-»Dat moet ik je tegenspreken, Victoire; mijn overtuiging was en blijft
-tragedie.«
-
-Ten derden male beproeft Nita tusschenbeide te komen.
-
-»Tragedie? Verschuere voor tragedie? Lieve dames, ik begrijp hoe wij u
-moeten tegenvallen en het spijt me verschrikkelijk, maar geloof me,
-mijn man heeft geen tijd en ik... de geringe talenten, die ik heb, zijn
-alleen geschikt om er mij zelve wat mede bezig te houden, niet om er de
-soirées van mevrouw Van Waliënhove mee op te luisteren.«
-
-De meisjes waren diep teleurgesteld. Niet minder de vader. En toen hij
-eenigen tijd daarna de lijst ontving voor het muziekavondje dat zou
-gegeven worden, zette hij achter den naam Verschuere een kruis zóó vet,
-alsof hij er al die teleurstelling in wilde uitdrukken. Groot was
-echter den volgenden morgen zijn schrik: de barones stond vóór hem, de
-booze zwarte oogen op hem gericht, den vinger uitgestrekt naar het
-vette kruis, en vroeg op den haar eigen snijdenden toon wat dat
-beteekende?
-
-»Alleen geschikt om te laten dineeren,« zei hij met een poging om zich
-goed te houden.
-
-»Ik geloof dat dit aan mij te beoordeelen staat, kolonel.«
-
-»O zeker, mevrouw. Maar mijn meisjes hebben informaties genomen en...«
-
-»U zult wel zoo goed willen zijn den heer en mevrouw Verschuere een
-uitnoodiging te zenden?«
-
-»Nog iets van uwe orders, mevrouw?«
-
-Wel krijgt de heer d’Hannecour van vrouwlief telkens de opdracht zich
-toch maar niet boos te maken, wel herinnert hij zichzelven telkens dat
-mevrouw Van Waliënhove’s ongenade in zijn geval gelijk staat met
-pensionneering, maar niettegenstaande dit alles heeft hij oogenblikken,
-waarin hij vindt dat het een »onaangenaam baantje« is dat baantje van
-intendant—en dan kan hij zijn drift niet altijd meester blijven.
-
-»Dank u, op het oogenblik niet,« antwoordt mevrouw Van Waliënhove met
-een kalmte, die bewijst dat zoo hij satire bedoeld heeft met zijn
-vraag, dit voor haar verloren ging.
-
-Onder de genoodigden van dien avond werd, behalve de Verschueres, het
-meest opgemerkt een jong officier, niet om zijn buitengewone
-persoonlijkheid echter—hij was een officier als een ander—maar omdat
-men niet gewoon was de gastvrouw beleefdheden te zien bewijzen aan een
-tweede-luitenant van administratie.
-
-Het raadsel zou echter spoedig worden opgelost.
-
-Er was een huit-mains gespeeld, een bravourstuk, zooals de intendant er
-altijd gereed moest houden, meer om de gasten tot zitten en de
-gesprekken tot zwijgen dan om muzikale zielen in verrukking te brengen.
-
-Natuurlijk luisterde niemand.
-
-Toch had het zware werk meer toejuiching verdiend, maar misschien werd
-de opgewondenheid getemperd door medelijden, medelijden met de
-instrumenten, die—nog lang nadat het slotakkoord had
-weerklonken—stonden te trillen en te zuchten van uitputting; medelijden
-ook met de beploegers daarvan: ze maakten den indruk van nog maar één
-begeerte te hebben op aarde: »hun rok uit te gooien« en ieder wist dat
-die begeerte niet vervuld mocht worden.
-
-Op de huit-mains was een duet gevolgd, een duet van den heer en mevrouw
-Paerel; ze deden in menig welmeenend gemoed den wensch opkomen, dat ze
-in andere zaken eenstemmiger mochten wezen.
-
-En nu zou het raadsel van den tweede-luitenant worden opgelost: de man
-was niet alleen tweede luitenant, hij was ook echtgenoot en wel
-echtgenoot van een mooie jonge vrouw, in een misschien wat opvallend,
-maar zeer smaakvol toilet, gekapt op een bijzondere manier, en in dit
-gezelschap—anders wel geschikt om een nieuwelinge te intimideeren—zoo
-volkomen op haar gemak alsof al die vreemden goede kennissen waren.
-Deze jonge vrouw viel de eer te beurt zich op een wenk der barones aan
-hare zijde te mogen nederzetten.
-
-»Wel, mevrouw te Leurse, hoe gaat het?« vraagt ze vriendelijk. »Reeds
-uitgerust van de vermoeienis der reis?«
-
-»Dank u, mevrouw. Niet alleen uitgerust, maar ik verbeeld me dat ik me
-nooit zoo wel, zoo frisch en vroolijk gevoeld heb als hier op dit
-heerlijke Buitenzorg.«
-
-»Zoo, dat doet me genoegen. Dus ook zeker goed gedisponeerd?«
-
-»Wie zou niet goed gedisponeerd zijn in zulk aangenaam gezelschap? En
-met het vooruitzicht op zooveel muzikaal genot?«
-
-»Niet alleen muzikaal genot, willen we hopen. Er zal toch ook wel iets
-op ander gebied worden geleverd?«
-
-»Zoo waarlijk? Dat is nog een verrassing.«
-
-»Een verrassing? Voor u? Komaan, mevrouwtje, houd u zoo onwetend niet.
-Of wilt u zich misschien eerst wat laten bidden?«
-
-»Ik mevrouw?«
-
-»Ja, u; er wordt stellig op u gerekend. Mijnheer d’Hannecour heeft het
-u immers gevraagd?«
-
-»Dat heeft hij. Maar ik heb geweigerd,« spreekt de jonge vrouw, nu met
-hooger blos en op vrij beslisten toon.
-
-Mevrouw Van Waliënhove richt zich op in haar causeuse, ze ziet de
-spreekster zwijgend aan met haar doordringenden blik.
-
-»Maar heeft de kolonel u mijn antwoord niet overgebracht?« vraagt deze
-zonder de oogen neer te slaan, zonder ook zelfs de minste verlegenheid
-te doen blijken. De barones is niet gewoon dat men haar blijft
-weerstreven, ook als ze iemand heeft aangezien met dien blik.
-
-»U is nog te kort in Indië, mevrouw, dan dat men u een onhandigheid ten
-kwade zou mogen duiden...«
-
-»Het zou mij zeer spijten, mevrouw, wanneer ik een onhandigheid
-beging...«
-
-»Waarlijk? Dan raad ik u aan toe te geven.«
-
-»Dat mag ik niet.«
-
-»Komaan, iedereen weet dat we een der eerste sterren van het hollandsch
-tooneel in ons midden hebben, iedereen rekent er op, dat u ons het
-genot niet zult onthouden—een genot zoo dikwerf aan het publiek
-geschonken—van uwe gaven te bewonderen.«
-
-»Wezenlijk, mevrouw,« en er speelt een spottend lachje om den fraaien
-mond, »wezenlijk, ik had niet durven hopen dat iedereen zoo volkomen
-omtrent mij op de hoogte zou wezen.«
-
-»O, in Indië weet men alles. U moet denken, de kring van Europeanen
-waarin wij leven is zoo klein.«
-
-»Dat blijkt;—maar hoe goed men overigens ook moge zijn ingelicht, op
-één punt schijnt men nog in onwetendheid te verkeeren. En dat is nu
-ongelukkig in deze het kardinale punt. ’t Is dat, toen ik het tooneel
-verliet, ik mijn echtgenoot beloofde nooit weer in het publiek op te
-treden.«
-
-»Ja, ieder onzer doet wel eens van die onvoorzichtige beloften,« zegt
-mevrouw Van Waliënhove koeltjes.
-
-»’t Was geen onvoorzichtige belofte, mevrouw,« spreekt de ex-actrice
-ernstig, »’t was een vast voornemen. En u zult mij zeker niet van dat
-voornemen willen afbrengen?«
-
-»O neen, u hebt volkomen gelijk. Het is heel verstandig van u.«
-
-»Niet waar? Om een gelukkige vrouw te wezen moet men wat opofferen.«
-
-»Zeker, zeker. En dus, Buitenzorg bevalt u wel? Beter dan uw vorige
-standplaats? U komt van Solo, meen ik?«
-
-»Ja, mevrouw.«
-
-»Dat is geen prettige plaats, is ’t wel?«
-
-»O neen! ik voor mij vond het een waar verbanningsoord. Allereerst
-ontbreekt er, wat nu eenmaal bij Indië behoort, natuurschoon.«
-
-»En de conversatie?«
-
-»Och, om u de waarheid te zeggen, geloof ik dat men in de Vorstenlanden
-geboren moet zijn om er smaak in te vinden.«
-
-»En—denkt u dat het u op Atjeh nog al bevallen zal?«
-
-»Op Atjeh?« herhaalt mevrouw te Leurse... »Op Atjeh?«
-
-»Ja, daar moet mijnheer immers binnenkort heen?«
-
-»Binnenkort? Ik dacht...«
-
-»Dat u altijd op Buitenzorg blijven zoudt?«
-
-»Niet altijd, maar toch...«
-
-»Nog heel lang. Ja.. ziet u... dat zou ook niet geheel onmogelijk
-geweest zijn. U moet weten, de legercommandant vertelde me onlangs een
-en ander; hij had u gehoord in Amsterdam en ik dacht toen zoo, dat met
-uw talent... u een aanwinst zijn zoudt... Maar mevrouwlief, u is
-heelemaal bleek geworden! Wat zijn die officiersdames toch allen bang
-voor Atjeh! Is dat nu om de cholera? Of denkt u dat ze mijnheer zullen
-tjingtjangen? Of om de berri-berri misschien? Ah! daar zie ik uw man.
-Laat hij u een glas wijn geven en wandel de galerij eens met hem op en
-neer.«
-
-Een half uur later treedt mevrouw te Leurse op. Ze boeit aller oog door
-den glans, die straalt van haar bezield gelaat, door den hartstocht,
-die gloeit in haar diepe schoone oogen; ze streelt aller oor door het
-zoetvloeiende harer stem: ze treft aller hart door de kracht van haar
-woord. En haar echtgenoot lijdt weer al de helsche kwalen dier
-jaloezie, die hem half krankzinnig gemaakt heeft in den tijd, toen ze
-niet hem, maar het publiek toebehoorde; en zij geniet weer de
-bedwelming, die het lang gemis dubbel bekoorlijk maakt... en de
-landvoogdes glimlacht met den hatelijken glimlach eener
-heerschzuchtige, die alles doet buigen voor haar wil.
-
-De genoodigden ten paleize werden nooit—als te dikwerf andere
-genoodigden—slachtoffers van den lust om zich te laten hooren, die de
-menschheid bezielen kan. Het programma werd vooraf vastgesteld en telde
-niet meer dan vijf of zes nummers. De lange pauzes echter, tusschen die
-nummers gehouden, waren niet het minst prettige gedeelte van den avond:
-er bevonden zich in de ruime vertrekken van die zitjes voor twee of
-drie personen, die onwillekeurig den lust wekken tot een gezellig
-praatje en waar het praten bijzonder goed ging; er was een buffet, waar
-iemand die wist te genieten, heerlijke oogenblikken wachtten; er was
-een groep planten en varens, die een vriendelijke voorzienigheid scheen
-te hebben geplaatst om zielen, teeder gestemd door muziek en poëzie, in
-de gelegenheid te stellen zich uit te storten in andere zielen; voor
-hen die noch praten, noch drinken, noch minnekoozen wilden, waren
-tafels vol van het nieuwste wat de wereld biedt in plaatwerken, photo’s
-en aardigheden.
-
-Wat misschien meer dan dit alles bijdroeg om de pauzes prettig te
-maken, was de volkomen vrijheid die op deze avonden heerschte: men werd
-er niet geplaatst in den traditioneelen ronden kring, dien vloek voor
-de gezelligheid, ieder ging zitten of staan waar hij verkoos, ieder
-liep rond zoolang en met wie hij wilde; de gastheer eischte bij deze
-gelegenheid niets dan dat men zich amuseeren zou; de gastvrouw was
-vriendelijk—iets zoo ongewoons, dat het alleen reeds in staat geweest
-zou zijn om de stemming te verhoogen.
-
-Na de voordracht van mevrouw te Leurse volgde eene lange pauze.
-
-Er is misschien geen land ter wereld, waar een vrouw van ontwikkeling
-meer wordt gezocht, een begaafde onder hare zusteren meer op de handen
-wordt gedragen dan Indië.
-
-Is dit omdat talent zoo zeldzaam wordt gevonden onder indische
-dames—zeldzamer nog dan ontwikkeling—of misschien wijl de mensch, die
-beseft dat hij langzamerhand ondergaat in materialisme, zich verheugd
-als hij een oogenblik wordt teruggevoerd naar reiner, hooger sfeer?
-
-Wat er van zij, mevrouw te Leurse, een paar uur geleden nog
-onopgemerkt, is op eens de heldin van den avond. ’t Is niet genoeg dat
-men haar heeft toegejuicht, men verdringt zich om haar, men overlaadt
-haar met complimenten, men dankt haar of ze ieder persoonlijk een
-weldaad had bewezen.
-
-Schitterend van geluk en schoonheid, in het bewustzijn van haar triumf,
-is ze weldra het middenpunt van een grooten kring bewonderaars. Buiten
-dien kring staat één: hij wacht of ze er ook aan denken mocht hem te
-zoeken, of ze hem wellicht tot zich roepen zal met een wenk harer
-oogen, met een glimlach harer lippen; hij wacht te vergeefs—de
-bedwelming van den roem heeft hem ten tweeden male zijn geliefde
-ontrukt.
-
-Mevrouw Verschuere verdiept zich nog in het genot daareven gesmaakt,
-als de gouvernante zich naast haar komt zetten, en niet lang zit de
-gouvernante naast mevrouw als zij ook mijnheer Verschuere tot zich
-wenkt. Hij brengt op haar verzoek de beide dames een portie ijs, laat
-zich neerzinken in den lagen stoel, die toevallig naast de gastvrouw
-openbleef en luistert met een spottend lachje naar de opmerkingen die
-zij maakt, opmerkingen, die veel te denken geven over de straks
-betoonde vriendelijkheid.
-
-Vooral mevrouw Heijlerts, die zich in een hoek van het tweede salon
-heeft teruggetrokken—maar niet zoo of de heer van Sonnefelt is er haar
-spoedig gevolgd—moet het ontgelden, en Agnita hoort het niet zonder
-pijnlijke verbazing aan, hoe haar man—anders weinig kwaad sprekend—nu
-zijn tong gebruikt als een tweesnijdend zwaard, om de gastvrouw te
-amuseeren.
-
-Gelukkig voor mevrouw Heijlerts en haar bewonderaar komt er afleiding.
-
-De adjudant van dienst, kapitein Hausz, heeft met afgemeten pasjes de
-zaal doorgewandeld en met suikerzoete beleefdheid, rechts en links
-buigend, zijn weg gevonden naar den stoel, die een poosje geleden zoo
-onrustbarend kraakte onder het gewicht dat daarop neersmakte.
-
-Men heeft zich op Buitenzorg honderde malen afgevraagd, hoe het
-mogelijk was dat de heer en mevrouw Hausz ooit een paar geworden
-waren—en toch... ’t was zoo natuurlijk. In ’t goede stedeke
-Hellevoetsluis had een piepjong luitenant kamers boven een
-bakkerswinkel: hij was een nietig mannetje en de bakkersdochter—dank
-zij het oude brood levenslang genoten—een groote, knappe meid. Wat kon
-meer voor de hand liggen dan dat de kleine luitenant de forsche
-bakkersdochter begeerde? Maar wat ook meer, dan dat hij nu, adjudant
-van Zijne Excellentie geworden, met haar in zijn maag zat als wijlen
-haar vader met zijn oudbakken kadetjes?
-
-»Wat is er?« begint ze met een stem, die volkomen bij den vrouwelijken
-kolossus past en door het plat accent er niet liefelijker op wordt.
-
-»Ik wou je vragen, vrouwlief, of je... je nog al amuseert?«
-
-»Me amuseeren? Een mooie boel! met die nauwe schoenen en dat lamme
-kersjet! Als je hier komt om me voor den gek te houden, zeg het dan.«
-
-»Neen, volstrekt niet, daar kom ik niet voor. Ik kwam je zeggen,
-Jeanne, dat het tijd wordt de njonnja besaar te gaan groeten.«
-
-»Dacht ik het niet?« roept Jeanne op een toon alsof in zijn voorstel de
-vreeselijkste hoon lag besloten; »dacht ik het niet?«
-
-»Natuurlijk dacht je het!« antwoordt hij knorrig; »je weet dat het niet
-anders kan.« Dan bijna smeekend: »Wees me nu eens een beetje beleefd,
-wil je?«
-
-»Waarom zou ik niet?« vraagt ze, »mits zij het is? Maar dat beloof ik
-je, als ze weer begint met haar gewone hatelijkheden, dan zal ik ze
-dienen.«
-
-De heer Hausz beproeft zelfs niet zijne Jeanne tot andere gedachten te
-brengen; hij weet dat haar wil dezelfde eigenschappen heeft als de
-krakelingen, waarvoor haar vader beroemd was: men kon ze breken, buigen
-niet.
-
-»En hoe gaat het thuis, mevrouw Hausz?« vraagt de gouvernante niet
-onvriendelijk, schoon met een blik vol onverholen afschuw op de
-grasgroene zijde, waarin de adjudantsche heden voor het eerst ten
-paleize toog.
-
-»O, heel goed,« antwoordt kapitein Hausz voor zijn gade; want niet
-volkomen gerust over de gedragslijn die zij denkt te volgen, heeft hij
-het veilig geacht in de nabijheid der beide dames te blijven.
-
-»Heel goed?« roept nu Jeanne. »Heel goed! Heere, Hausz, hoe kun je ’t
-zeggen? U moet weten, mevrouw, Sijaantje leit met de koorts op bed en
-Allebertientje heit een steenpuist... zoo’n bommert! en dat op een
-heele lastige plek.«
-
-»Dan verwondert het me, dat u niet liever thuis zijt gebleven,« spreekt
-de barones koel en verdwijnt achter haar waaier.
-
-Hausz is doodelijk ontsteld; hij ziet het, Jeanne vat vuur, ze zal haar
-boos voornemen volvoeren, de njonnja besaar dienen.
-
-»Als u denkt dat ik hier voor me pleizier ben,« zoo barst ze los met
-een verheffing van stem, die hem het angstzweet doet uitbreken; »als u
-denkt dat ik hier voor me plezier ben, dan hebt u het mis. Ik verzeker
-u—nee Hausz, laat me uitspreken!—ik zou veel liever mijn arme wurmen
-zijn blijven oppassen dan hier opzitten en pootjes geven. Maar Hausz
-beweert altijd, dat ik het niet laten kan—och, schei toch uit, je trekt
-me de kleêren van ’t lijf—dat ik niet gemist mag worden.«
-
-»Dat zou anders volstrekt niet hinderen,« spreekt mevrouw Van
-Waliënhove snijdend. Dan maakt ze die beweging met het hoofd, waarvan
-ze het geheim bezit en die den ongelukkigen adjudant geen andere keus
-laat dan zijn wederhelft weg te voeren.
-
-»Dat wordt nu toch wat erg! daar moet een einde aan komen,« roept de
-barones buiten zichzelve. En dan, na een weinig ijswater te hebben
-gebruikt, gaat ze kalmer voort: »Men moest eigenlijk alleen ongetrouwde
-adjudanten hebben. Kapitein Hausz, op zich zelf genomen, is werkelijk
-niet kwaad, ofschoon, ’t is waar wat de legercommandant altijd beweert,
-rust roest, en de heeren adjudanten moesten, welbeschouwd, nooit langer
-dan twee jaar op Buitenzorg blijven. Weet u niet een geschikten
-plaatsvervanger voor hem, mijnheer Verschuere, in geval het door de
-militaire autoriteiten mocht noodig geoordeeld worden mijnheer Hausz
-weer eens in actieven dienst te laten treden?«
-
-»Misschien, mevrouw, ik zal...«
-
-»Verschuere, wat zou je denken van onzen James?« roept Nita op eens.
-
-»Uw James! Is dat een broer?«
-
-»Pardon, een neef. Hij is pas gedecoreerd op Atjeh. En een uitstekend
-danseur, is ’t niet, lieve?«
-
-»Dat is hij,« zegt Agnita met een lachje bij de herinnering aan zijn
-dolle galoppades en onvermoeid walsen.
-
-»En hij speelt ook comedie, is ’t niet?« vraagt Verschuere met een
-onmerkbaar glimlachje.
-
-»Zeker, we hebben menig stukje samen opgevoerd. Daarbij heeft hij een
-mooien bariton en... ik durf zeggen, een bijzonder innemend voorkomen.«
-
-»En,« vraagt mevrouw Van Waliënhove, terwijl ze den blik laat rusten op
-het gezichtje, dat zich met hooger blos kleurde bij den lof van den
-beminden neef, »zoudt u wenschen dat hij hier geplaatst werd?«
-
-»O mevrouw, natuurlijk.«
-
-»En u, mijnheer Verschuere?« vraagt ze weer, en bij die vraag gloeit er
-in de zwarte oogen een vonkje, dat het jonge paar wellicht zou hebben
-verontrust, als ze het hadden opgemerkt.
-
-»Ik, mevrouw? Wel, ’t was gister pas een jaar dat we
-trouwden—natuurlijk dat haar wenschen nog de mijne zijn!«
-
-
-
-
-
-
-
-XI
-
-JAMES EN NITA.
-
-
-»Dus je gevoelt je gelukkig, Nita? En je bent volkomen gezond?
-Werkelijk?... En Indië bevalt je?«
-
-»Maar James! Dat alles vraag je me nu zeker voor de zesde maal! Zie ik
-er dan uit of ik niet volkomen gezond ben? Vin je dat ik niet alle
-reden heb om gelukkig te zijn? En wat Indië aangaat, geloof je dat men
-het ooit beter zou kunnen treffen in Indië, dan wij het getroffen
-hebben met Buitenzorg tot onze eerste standplaats?«
-
-»Dat weet ik wel! Dat weet ik wel! Maar...«
-
-»Nu, ga voort, malle jongen!«
-
-»Je bent toch zoo heel anders dan thuis, Nita!«
-
-»Thuis!« herhaalt mevrouw Verschuere, »thuis!« en ze bukt zich haastig
-over de bouquet, die voor haar staat. »Zeg James, geloof je dat er op
-de heele wereld een plekje is als ons thuis?«
-
-»Neen, dat is zoo. Dat vinden we nergens terug. Wil je gelooven dat ik
-op Atjeh soms, vooral toen ik ziek lag, last had van heimwee, van
-heimwee naar onze tuinkamer?«
-
-»En ik dan? Maar niet naar de tuinkamer alleen... naar heel het lieve,
-heerlijke oude huis...« en ze leunt achterover in haar stoel met
-gesloten oogen, als wilde zij het voor zich doen verrijzen.
-
-»Ja, maar toch meest naar den zolder, is ’t niet? Weet je nog, die
-koffer vol boeken met die griezelige spookhistories, die je nergens zoo
-prettig bang konden maken als daar?«
-
-»En die kist met oud speelgoed, die mama bij elke schoonmaak wou
-leegmaken, en waar we altijd weer wat in vonden dat zonde was om te
-worden weggegooid?«
-
-»En de kleerkast met de oude japonnen van je grootmama? Herinner je je
-nog, hoe we daar voorstellingen mee gaven uit de bijbelsche
-geschiedenis, jij als koningin van Scheba?«
-
-»En jij als Salomo!« valt Nita in en beiden lachen zoo hartelijk alsof
-ze nog kinderen waren op den zolder.
-
-»En hoe heerlijk was het zomers in den tuin. Als de kruisbessen rijp
-waren... à propos, die oude moerbeiboom, daar achter het schuurtje,
-leeft die nog? Oom wou hem toen laten uitroeien.«
-
-»Neen, hij is op algemeen verzoek gespaard, en nu zal hij zeker blijven
-staan; je weet dat het mijn lievelingsplekje was.«
-
-»O ja, je kroopt altijd in dien grooten tak, om je lessen te leeren. En
-zaten jullie ’s avonds nog zoo gezellig thee te drinken onder den
-kastanje?«
-
-»Ja; en weet je, het koepeltje achter in den tuin is vernieuwd.«
-
-»Waar Lotte altijd heenliep in haar engagementstijd? Jullie trouwens
-zeker ook?« valt hij zichzelf in de rede. »Dat koepeltje zal wat te
-vertellen hebben!«
-
-Zulk een warme blos komt Agnita’s wangen verven bij de herinnering aan
-de weelden daar gesmaakt, dat haar neef er den weerschijn van gevoelt
-op zijn jong gezicht en zich een verwijt maakt van zijn voorbarige
-aanmerking.
-
-»In elk geval van Lotte heel wat meer dan van mij. Zij was zoo lang
-geëngageerd, en ik maar drie maanden.«
-
-»Maar drie maanden?«
-
-»Ja; kort, niet waar? Wil je gelooven, als ik nu aan alles terugdenk,
-hoe pa en ma me smeekten om het niet te doen, om bij hen te blijven...
-hoe gelukkig ik was thuis... hoe lief alle menschen voor me waren, dan
-begrijp ik zelf niet hoe ik zoo op eens zoo zonder eenige aarzeling heb
-kunnen besluiten om van dat alles te scheiden...«
-
-»Kom, Nita, Verschuere zal zeggen dat het geen heel prettige neef is,
-die je zoo dadelijk aan het schreien maakt!«
-
-»O, Verschuere komt vooreerst nog niet... en het doet me zooveel goed!«
-
-»Wat? Schreien? Onmogelijk! Je bederft er je oogen mee.«
-
-»Neen, nare jongen, je begrijpt best wat ik bedoel. Nog een kopje
-thee?«
-
-»Graag. Je schenkt de thee precies zooals je mama, is ’t niet?«
-
-»Me dunkt, het moet je gaan als mij. Je moet het nooit moe worden om
-over Bloemduin te praten?«
-
-»Nooit is wat sterk,« zegt hij plagend. »Maar vooreerst zeker niet. Als
-men lang in een vreemd land heeft gezworven onder vreemden... dan is
-het zoo’n genot om door een lieve bekende stem over lieve bekende
-dingen te hooren spreken,« en hij heft het open gelaat tot haar op met
-zoo’n trouwhartigen blik in de vochtige oogen, dat ze zijn hand grijpt
-en uitroept: »Ik ben zoo blij dat je gekomen bent... ik voel me hier
-soms zoo alleen.«
-
-Van Suylichem durft haar niet aanzien, uit vrees dat zijn gezicht zal
-verraden wat in hem omgaat bij dien onvoorzichtigen, veelbeteekenenden
-uitroep.
-
-»Is dat je man, Nita?« vraagt hij na een pauze, waarin hij vol warme
-vriendschap hare hand drukte. »Ja? die lange heer in ’t wit? Nu, dan
-begrijp ik dat je je hartje zoo stormenderhand liet innemen!«
-
-»Niet waar?« zegt ze met een blik vol teedere bewondering op de ranke
-figuur, die nader komt, »niet waar? ’t Was de mooiste man dien ik ooit
-gezien had!«
-
-De ontmoeting is zooals men het verwachten kan van twee onbekende
-neven. Maar de heer James van Suylichem is zoo jong, haast zou men
-zeggen zoo’n jongen; de eerste luitenant met de Militaire Willemsorde
-op de borst en de klewanghouw in den hals kan zoo meisjesachtig blozen,
-zoo jeugdig dwepen, zoo aanstekelijk lachen; zijn heldere oogen
-glinsteren van zooveel pret; wat hij zegt—schoon niet altijd hoftaal—is
-zoo natuurlijk, zoo kinderlijk eenvoudig soms, dat Verschuere al heel
-spoedig zijn gewone terughoudendheid laat varen en zich blijkbaar
-amuseert, ja zich laat meeslepen.
-
-Niet voor lang echter.
-
-Nog praat en schertst en vertelt de bezoeker met dezelfde opgewektheid
-van daareven, als het gelaat van zijn hoorder de uitdrukking begint aan
-te nemen, die Agnita in dit korte jaar van haar huwelijksleven zoozeer
-heeft leeren vreezen; hij luistert nog altijd, hij antwoordt zelfs nu
-en dan, maar zijn blik dwaalt af, verder en verder af, er komt een
-groote, diepe plooi in zijn voorhoofd.
-
-»Heb je nog werk, Gustaaf?« vraagt ze ten laatste.
-
-»Ik durfde er niet van spreken,« antwoordt hij met een dankbaren blik
-voor haar oplettendheid. Dan, zich tot zijn bezoeker keerend: »Het
-schijnt je misschien niet erg beleefd, Van Suylichem, maar daar we je
-heel veel hopen te zien, is het best dat we geen complimenten maken. Ik
-heb, als ik zoo den heelen dag op het bureau gezeten heb, behoefte aan
-een bad en een oogenblik rust.«
-
-»Natuurlijk!«
-
-»En als je me ’t niet kwalijk neemt, ’t spijt me dat het zoo treft,
-maar ik heb van avond nog een zaak af te doen...«
-
-»Van avond nog?« vraagt Nita teleurgesteld.
-
-»Ja, lieve: ’t zijn heeren van den handel, met den laatsten trein van
-Batavia gekomen; ze moeten morgen weer vroeg op hun kantoren wezen.«
-
-En met een vluchtig knikje aan Nita’s adres, verdwijnt hij in zijn
-kleedkamer.
-
-»Gaat dat nu altijd zoo’n gangetje?« vraagt Van Suylichem, terwijl hij
-voor de derde maal de sigaar aansteekt, die onder zijn druk praten
-uitgegaan is.
-
-»Altijd,« zegt Agnita met een mislukte poging om er uit te zien alsof
-zij het zich niet aantrekt. Dan terwijl ze haar borduurwerk wegbergt:
-»Kom, willen we een wandeling gaan maken? Je ziet, manlief heeft me
-vooreerst niet noodig.«
-
-»Graag.«
-
-»Wil je naar de muziek bij de Societeit? daar is het Woensdagsmiddags
-pantoffelparade. Of naar den tuin?«
-
-»Me dunkt, we hebben nog zooveel te bepraten... Is de tuin daar niet
-erg geschikt voor?«
-
-»Ik zie,« zegt hij, als ze een oogenblik later aan zijn zijde gaat, met
-een waardeerenden blik op haar toilet, »ik zie, je bent een élégantje
-geworden.«
-
-»Neen?« vraagt ze verschrikt, »dat meen je niet. Gustaaf heeft graag
-dat ik me goed kleed, maar...«
-
-»Maar,« zegt hij plagend, »de tijd is toch voorbij, toen je geen mooier
-jurken woudt dragen dan de kinderen van ’t dorp, omdat je het zoo hard
-voor hen vond als ze bij je afstaken.«
-
-»Niemand steekt hier bij me af,« antwoordt ze eenvoudig. »Er heerscht
-hier en vooral op Batavia zooveel luxe. Ik verzeker je, de dames zijn
-hier niets ten achter bij Holland. Ze laten meestal haar toiletten uit
-Parijs komen.«
-
-»Zoo? dat vind ik heerlijk!« roept de jonge luitenant. Dan voegt hij er
-lachend bij: »Je kunt wel zien dat ik nog niet getrouwd ben, hè?«
-
-»Nu, óf ik! Ofschoon, ik moet zeggen, Verschuere klaagt nooit over mijn
-modisterekening. Integendeel, hij zou, geloof ik, wel willen dat ik op
-elke partij iets anders aandeed.«
-
-»Je gaat zeker veel uit?«
-
-»Ja, nog al veel. Maar toch meest op het paleis: Clotilde en ik
-musiceeren druk samen.«
-
-»Clotilde? Is dat de boschnimf?«
-
-»De boschnimf?«
-
-»Ja, de boschnimf. Een anderen naam kan ik moeilijk voor haar vinden.
-Ik heb haar van morgen gezien: zij vloog letterlijk tusschen de boomen
-door, met loshangende haren, den hoed op den rug; twee gillende,
-schreeuwende jongens achter haar aan... ’k weet niet of ze
-verstoppertje speelden of boompje verwisselden, maar wel dat ik
-dolgraag had meegedaan. En musiceer je met die halve wilde?«
-
-»Ze is geen halve wilde, James. Ze is een lief natuurkind. Pas maar op,
-dat je je hart niet verliest aan die halve wilde.«
-
-»Geen nood!«
-
-»In ernst, James; wil je gelooven dat ik uit vrees daarvoor lang
-geaarzeld heb...«
-
-»Geaarzeld. Waarmee?«
-
-»Om Verschuere te vragen, dat hij zijn best zou doen je hier te
-krijgen.«
-
-»Ah, zoo! heeft Verschuere zijn best gedaan om me hier te krijgen?«
-vraagt Van Suylichem en, na een pauze, waarin zijn vroolijk gezicht een
-teleurgestelde uitdrukking aanneemt, roept hij uit: »Die chef van mij
-is er toch ook een!«
-
-»Hoe dan? wat bedoel je?«
-
-»Wel, hij maakte me wijs, dat de legercommandant over me gesproken had,
-dat de gouverneur-generaal dadelijk mijn naam had genoemd toen er een
-vakature kwam, dat... enfin, ’t doet er nu niet toe...«
-
-»En waarom zou dat niet kunnen wezen? Je hebt je flink genoeg gedragen
-om de aandacht op je te vestigen. Daarenboven, Verschuere heeft niet
-anders gedaan dan je bij mevrouw Van Waliënhove aan te bevelen.«
-
-»Maar ik ben toch mevrouw Van Waliënhove’s adjudant niet?« vraagt hij
-lachend.
-
-Nita acht het best, de beantwoording dier vraag aan den tijd over te
-laten.
-
-»We spraken daar over uitgaan,« begint ze. »Ja, we gaan nog al eens
-uit. En we zien veel menschen. Maar intieme kennissen hebben we
-weinig,« voegt ze er bij met een zucht.
-
-»Niet? Hè, dat verwondert me. Verschuere heeft toch zijn vrienden.«
-
-»Gehad. En een heel enkelen misschien nog... Ach, James, er wordt
-altijd beweerd dat in tijd van tegenspoed je vrienden je verlaten, maar
-geloof je niet, dat het in voorspoedige dagen nog moeilijker is ze te
-behouden? Ik bedoel niet dat de menschen onaardig voor ons zijn, och
-neen, we worden genoeg gevleid en ontzien en geëerd! Maar dat noem ik
-niet vrienden hebben! Je weet, Verschuere maakt carrière. Hij doet dat
-ongewoon vlug. Jongelui, die met hem studeerden, die te gelijk met hem
-naar Indië gingen, staan nog op de eerste sport van de ladder, die hij
-reeds tot op de helft beklommen heeft. Niet ieder is eerlijk genoeg om
-de meerderheid te erkennen van iemand met wien hij op de schoolbanken
-zat... niet ieder kan het denkbeeld verdragen dat een tijdgenoot hem
-voorgaat. Wanneer we vrienden hebben, dan zijn het niet de vrienden uit
-Verschuere’s jeugd.«
-
-»Maar er moeten toch een massa lui zijn, die van jullie houden, die
-hier graag komen.«
-
-»O ja, gelukkig. Van Beevelant bijvoorbeeld, die maakt een
-uitzondering. En de Hagen’s en Clotilde. En mijnheer en mevrouw De
-Bruining en, als het niet een beetje verwaand klonk, zou ik zeggen, de
-gouverneur-generaal.«
-
-»Ja, ik begrijp je!... nu gaat me een licht op.«
-
-»Een licht? Wat bedoel je?«
-
-»Neen, neen, niets. Zoo, dus geef je alleen groote partijen?«
-
-Maar zij laat zich niet zoo gemakkelijk van haar onderwerp afbrengen
-als daareven.
-
-»Welk licht gaat je op, James?«
-
-»Die ongelukkige gewoonte om mijn mond voorbij te praten!« zegt hij
-knorrig tot zichzelf. En luide: »Ik zie dat men met je op zijn tellen
-passen moet, Nita! Wel... een licht over enkele gezegden die ik zoo te
-hooi en te gras hoorde op Batavia...«
-
-»Over Verschuere? Heb je over hem hooren spreken? Veel? Op een
-hatelijke manier? zeg!«
-
-»Natuurlijk heb ik over hem hooren spreken,« antwoordt hij met zijn
-gullen lach. »Dat mag toch wel, hoop ik?«
-
-Maar zij lacht niet mede. Er zetelt een zwaarmoedige trek om den lieven
-mond.
-
-»Is het zoo het praatje van den dag?« zegt ze meer tot zichzelve dan
-tot hem. En na een korte pauze: »Dan zul je ook wel gehoord hebben,
-waaraan hij zijn promotie te danken heeft?«
-
-»Aan zijn bekwaamheid natuurlijk,« zegt James, maar terwijl hij het
-zegt, herinnert zijn gezicht haar aan het gezicht, waarmee hij in zijn
-jongensjaren een noodleugen debiteerde.
-
-»Neen!« roept ze uit met een heftigheid, die hem niet weinig verbaast
-in zijn zachtmoedig nichtje, »neen, spreek maar geen onwaarheid om mij
-te sparen. Denk je dat ik het niet weet? Denk je dat het alleen voor
-mij een geheim kan blijven wat ze zeggen? Niet waar, het is zijn oom,
-de minister van koloniën, die hem voorthelpt? Niet waar, hij heeft
-kruiwagens?«
-
-En als James, die nog leeren moet hoe men zich uit moeielijkheden als
-die, waarin hij nu verkeert, redt, een veelbeteekenend stilzwijgen
-bewaart:
-
-»Alsof hij van een minister afhing, alsof hij kruiwagens zou behoeven
-om vooruit te komen! Alsof hij, met zijn doorzicht, met zijn kennis,
-met zijn energie, niet bestemd was om al de sukkels, die hem bekladden
-omdat ze hem niet evenaren kunnen, voorbij te streven!«
-
-Nog vóór ze geheel heeft uitgesproken is haar toehoorder midden op den
-weg blijven staan. Vol verbazing staart hij haar in het van
-verontwaardiging gloeiend gelaat.
-
-Door zijn houding wordt ze attent gemaakt op haar heftigheid en ze
-zwijgt plotseling stil; dan vraagt ze, half verlegen: »Willen we een
-oogenblik rusten? Ik heb zoo druk gepraat, dat ik buiten adem ben.«
-
-»Nita,« zegt James met ongewonen ernst, als ze gezeten zijn op de bank
-onder de waringin, »Nita, neem me niet kwalijk dat ik je daar zoo
-onbeleefd stond aan te gapen, maar wezenlijk... ’t was me te kras!«
-
-»Wat? Dat een vrouw, die haar man liefheeft, zich ergert als hij
-belasterd wordt?«
-
-»Weet je wel zeker, dat het alleen ergernis is over dien laster? Nita,
-men zegt dat in de indische ambtenaarswereld het niet alleen de mannen
-zijn die een rol spelen, dat ook de vrouwen zich mengen in den strijd.
-Ik dacht dat het alleen een zeker soort van vrouwen waren, vrouwen die
-haken naar hooger rang, naar grooter inkomen; maar dáár behoor jij niet
-toe, niet waar? je hebt me gezegd dat je rijk genoeg waart, en veel te
-hoog naar je zin... Ben je dan eerzuchtig geworden?«
-
-Een treurig glimlachje komt om haar lippen spelen, terwijl ze hem in de
-oogen ziet.
-
-»Ik wou dat het waar was, James: ik wou dat ik eerzuchtig zijn kon.«
-
-»Kun je dat wenschen?« barst hij los. »Werkelijk? Zou je ook willen
-behooren tot die schepsels, die geen rust of duur hebben zoolang ze
-niet boven al haar vriendinnen verheven zijn? zou je ook zoo’n min
-wezen willen zijn, dat, getrouwd om de goede positie, haar man opzweept
-om die positie altijd nog maar te verbeteren?«
-
-»Als ik eerzuchtig werd, James, dan zou het niet zijn om mijnentwil.
-Maar wees gerust, ik zal het nooit kunnen wezen...« En na een oogenblik
-van stilte: »Daarvoor moet men een geheel andere vrouw zijn. Daar heb
-je bijvoorbeeld mevrouw Heijlerts, van wie men zegt dat ze mijnheer
-Heijlerts gemaakt heeft wat hij is...«
-
-»Een uil?« vraagt James naïef.
-
-»Directeur. Mevrouw Heijlerts is geestig; ze heeft talenten; ze kan
-over bijna elk onderwerp meepraten: ze is een vrouw van algemeene
-ontwikkeling, volkomen op de hoogte van indische toestanden...«
-
-Verrast, ontsteld bijna, springt van Suylichem op van zijn zitplaats.
-
-»En om zulk een vrouw te worden van algemeene ontwikkeling, volkomen op
-de hoogte, om zulk een vrouw te worden doet mijn nichtje haar best?«
-
-»De hemel beware me! Wat een idee van je! Hoe kom je daaraan?«
-
-»Hoe ik er aan kom? Wel, Nita, waar zat je van morgen in te lezen? In
-een werk van vijf deelen over de indische staatsinrichting, niet waar?
-En wat heb je me daar straks gevraagd? Je op de hoogte te brengen van
-den Atjeh-oorlog, je het voornaamste van de Atjeh-literatuur te leeren,
-en toen ik je gezegd heb, dat er veel moed en veel geduld toe noodig
-was om daar door heen te worstelen, toen heb je me geantwoord, dat je
-over veel moed en veel geduld te beschikken hadt.«
-
-»Dat heb ik,« zegt ze met hooger blos en neergeslagen oogen.
-
-»En merkte ik van middag niet met hoeveel belangstelling je het
-hoofdartikel in het Bataviaasch Handelsblad las, en hoe je kleurde van
-boosheid omdat het regeeringsbeleid daarin wordt gelaakt?«
-
-»Heb ik gekleurd?« vraagt ze. »’t Is wel mogelijk.«
-
-»En liet je je niet ontvallen dat je de kamerdebatten volgt? Ik vraag
-je, de kamerdebatten! Alleen een vrouw, die een eerzuchtig doel heeft,
-is daartoe in staat!«
-
-»Ja,« zegt ze met een stem en een blik die hem op eens doen begrijpen
-dat hij dwaalt, »ja, ik heb een doel. En,« voegt ze er bij met een
-blos, »het is een heel eerzuchtig doel ook, geloof ik.«
-
-Er volgt een lange stilte.
-
-»Begrijp je wat mijn doel is, James?«
-
-»Ik vermoed het, Nita.«
-
-»En je vindt het een goed doel, niet waar? O, je weet niet welk een
-treurige ontdekking het is voor een vrouw, die ontdekking dat ze haar
-man niet boeit. Je weet niet hoe het me ontmoedigt, als ik bemerk dat
-Verschuere naar me luistert meer uit vriendelijkheid, dan omdat hij er
-lust toe heeft. Soms, als hij naast mij gaat, gevoel ik dat hij zich
-inspant om zijn gedachten bij mijn gesprek te houden, dat het hem
-niettegenstaande alle inspanning mislukt... Wil je gelooven dat ik er
-om geschreid heb... heete tranen? Maar dat was vóór dat ik tot mijn
-besluit gekomen was...«
-
-»En je besluit?«
-
-»Mijn besluit is om mezelve meer geschikt te maken voor zijn
-gezelschap. Je begrijpt, James, ik bedoel niet evenveel van alles af te
-weten als hij! Ik zal al heel blij zijn als ik zijn gesprek volgen, met
-hem over dezelfde onderwerpen denken kan. Ik studeer druk, soms vier,
-vijf uur per dag... Geloof je niet, dat als ik van het een en ander wat
-op de hoogte ben, hij lust zal krijgen om met me te praten over wat hem
-interesseert, van gedachten met me te wisselen, me beter in te
-lichten?«
-
-»Zou die belooning je groot genoeg zijn om er de Atjehkwestie voor te
-bestudeeren en de kamerdebatten voor door te worstelen?« En als ze het
-onnoodig vindt zoo’n overbodige vraag te beantwoorden, voegt hij er
-lachend bij: »Wat zijn jullie vrouwen toch onverstandige engelen!«
-
-
-
-
-
-
-
-XII
-
-DE ZIEKENVERPLEEGSTER.
-
-
-»Zoo, Gustaaf, ben je daar eindelijk? Wat een schrikkelijke bui is dat
-geweest van middag! Me dunkt, zoo erg heb ik het nog niet bijgewoond:
-het geheele huis dreunde, de tuin stond blank en...«
-
-»En mevrouw Verschuere werd bang?«
-
-»Neen, bang was ik niet. Maar ik ben toch geëindigd met het hoofd onder
-de kussens te steken en ik was blij toen Sarinah wat voor mijn bed kwam
-zitten. Foei, wat een weer!«
-
-»Ja, ’t was erg! Verbeeld je, Verdijk moest in dien regen naar huis om
-zijn vrouw... Hij kruipt, zoodra het begint te onweêren, met haar in
-een donkere kamer. Heb je ooit van zoo iets kinderachtigs gehoord?«
-
-»Toch lief van hem, vind je niet?«
-
-»Lief misschien, maar niet verstandig. Hij moest haar in die dingen
-niet toegeven. Ik ben ten minste blij dat jij zulke dwaasheden niet van
-me eischt.«
-
-»’t Zou me niet veel helpen, geloof ik,« antwoordt ze lachend. »Ik zag
-je van de secretarie naar de Bruinings rijden,« gaat ze voort; »vertel
-me eens, hoe was het er vandaag?«
-
-»Och, ellendig. Hij had juist een van zijn aanvallen. Ik verbeeld me,
-Nita, dat de man vreeselijk lijdt. ’t Is een helsche kwaal, die
-zenuwhoofdpijn. En natuurlijk, hij wil zich nog goed houden, zijn werk
-doen. ’t Loopt hem niet mee, den armen drommel... Als er nu ook maar
-eens een raad van Indië dood wou gaan.«
-
-»Foei, man!«
-
-»Daarbij ligt een van de jongens, Jantje meen ik, al drie dagen met
-zware koorts en is de juf er van door.«
-
-»Er van door?« vraagt Nita verbaasd.
-
-»Ja,« antwoordt Verschuere, terwijl hij zich neervlijt in zijn
-luierstoel, om tegelijk van het zoete nietsdoen, de heerlijk
-verfrischte atmosfeer en een geurig kop thee te genieten. »Met een
-trompetter natuurlijk.«
-
-»Vind je dat natuurlijk?
-
-»Och, wat zal ik je zeggen? Er schijnt nu eenmaal een geheime
-aantrekkingskracht te bestaan tusschen bonnes en trompetters.«
-
-»Dus zit de arme ziel daar met twee zieken en zonder hulp! En al de
-andere kinderen, wie zorgt daarvoor?«
-
-»O, die zijn bij goede vrienden. Ik geloof dat de Paerels er een half
-dozijn hebben.«
-
-Straks heft mevrouw Verschuere met een verlegen blos het hoofd op van
-haar theeblad. »Gustaaf, je weet dat ik nog al een beetje verstand heb
-van ziekenoppassen. Wat dunkt je, zal ik niet wat gaan helpen?«
-
-»Dat is geen kwaad idee van je, lieve.«
-
-»Dus je keurt het goed? Laat zien, het is nu vijf uur. Zou je het erg
-vinden om van avond eens zonder mij te eten?«
-
-»Wel neen, kind, ik heb dat zooveel jaren moeten doen. Ga gerust je
-gang.«
-
-»Zie je, als ik de zorg voor Jantje op mij neem, dan kan zij bij De
-Bruining blijven en misschien van avond nog een paar uurtjes slapen. Ik
-zou dan niet terug komen voor een uur of elf—of is je dat te laat?«
-
-»Neen, volstrekt niet. Ik kom je halen.«
-
-»Je vindt het toch niet vervelend, Gus?« vraagt ze, als ze terugkeert,
-na een oogenblik te zijn weggeweest om de bedienden hare orders te
-geven.
-
-»Vervelend? Wel, kind, ik geef algemeen belet, ga in mijn bureau zitten
-en doe in dezen éénen avond meer dan anders in drie.«
-
-Ze onderdrukt een zucht, schenkt hem zijn derden kop thee in, vraagt of
-ze nog iets voor hem doen kan en stapt in het rijtuig.
-
-Mevrouw de Bruining is bezig met kleinen Jan een ijsbad te geven; het
-schijnt zijn koortsig brandend lichaam goed te doen, ten minste hij
-ligt onbewegelijk stil met een kalme uitdrukking op het hoogroode
-gezichtje.
-
-»Dat is lief van je, Nita!« zegt de moeder, als een tengere gestalte
-zachtjes neerhurkt op het lage stoeltje bij de badkuip, »dat is lief
-van je. Och, zie mijn arme jongen toch eens aan. Wat is hij vermagerd,
-niet waar? mijn mollig ventje... Juist, dat laken moet om hem heen
-geslagen... Neen, hij zal niet bij je willen zijn. Hij laat zich door
-niemand... Ja toch? Hè Nita wat is dat vreemd!«
-
-»Neen, niets vreemd. Alle kinderen houden van mij. En dat treft nu maar
-heel gelukkig, niet waar?« gaat ze voort, als ze den zieke in zijn
-bedje gelegd en onder de dekens gestopt heeft. »Nu kunt u hem gerust
-aan mij toevertrouwen... dat wilt u immers wel doen en ondertusschen
-zelf wat rust gaan nemen? U hebt het noodig, mevrouwlief, hoog noodig.«
-
-»O, dat is niets! Ik ben sterk, veel sterker dan iemand denkt.
-Misschien dat ik in gewone omstandigheden nu wel wat moe zou zijn, maar
-als Bruining of een van de kinderen ziek is, voel ik niets.«
-
-»Gaat u toch maar een oogenblikje liggen... ik zal alles doen wat
-noodig is. Ja, ik zie het al. Hij heeft een harde koorts. Nu en dan de
-thermometer aanleggen en opschrijven hoe hoog de temperatuur is. Mocht
-die nog stijgen dan moet ik voortgaan met de ijsbaden, is ’t niet?
-Neen, Jantje, stil liggen, onder de dekens blijven; geef mij maar een
-hand, lieveling.«
-
-Reeds heeft mevrouw De Bruining gezien dat Agnita berekend is voor den
-post, dien ze zoo vrijwillig op zich neemt, en een gevoel van rust, van
-kalmte, gelijk zij dit in geen dagen gekend heeft, komt over haar.
-
-»Ik geloof dat ik zal kunnen slapen,« fluistert ze dankbaar en met een
-laatsten blik op haar lieveling verwijdert ze zich.
-
-Toen de heer Verschuere mevrouw kwam halen, bleek het niet gemakkelijk
-haar mede te krijgen. Wel was de moeder na de genoten rust weer vol
-moed om den nacht in te gaan, maar de patient had zijn bleeke, slappe
-vingertjes geklemd om de hand der nieuwe verpleegster en wilde die niet
-loslaten.
-
-»Kom je gauw terug?« fluisterde hij.
-
-»Morgen vroeg. Is dat goed?« vroeg ze.
-
-»Zoo lang!« stamelde Jantje. »Zoo heel, erg lang...« En als ze zich
-over hem heenbuigt: »Ik zie je gezicht zoo graag! Je lijkt op de engel,
-je weet wel de engel op de groote schilderij.«
-
-Den volgenden morgen, toen mevrouw Verschuere kwam om haar taak te
-hervatten, vond zij den toestand er niet op verbeterd. De kleine vent
-lag stil en bewegingloos in de doodelijke afmatting, die op zware
-koorts volgt en voor zijn bedje zat de vader met een gelaat zoo vreemd,
-zoo veranderd, dat Nita zich bedwingen moest om haar ontsteltenis te
-verbergen. Kon het zijn door de pijnen den vorigen dag geleden? Was het
-misschien de angst over het kind, of had hij zelf een ziekte onder de
-leden? vroeg zij zich af, terwijl ze hem zwijgend de hand reikte.
-
-Weldra zou ze het antwoord ontvangen op die vraag. Mevrouw De Bruining
-trad binnen, schijnbaar kalm.
-
-»Dank je, dat je zoo vroeg komt,« zegt ze met een langen kus. Dan
-fluistert ze haar in het oor: »Help me! Hij moet hier vandaan!«
-
-En onmiddellijk daarop gaat ze luider voort: »Nu kun je mijn man
-aflossen, hij zit hier al veel te lang zoo.«
-
-Hij hoort haar niet. Zacht legt zij de hand op zijn schouder, maar niet
-zoo zacht of hij schrikt van die aanraking.
-
-»Daan, mevrouw Verschuere is hier, zij neemt je post van je over.«
-
-En als hij onbewegelijk zitten blijft: »Kom, lieve, ga even mee naar
-buiten... we hebben behoefte aan frissche lucht.«
-
-»Neen ik blijf hier,« spreekt hij schor.
-
-»Dwaasheid! Je moet een oogenblik verademing hebben! Kom man, wees nu
-verstandig.«
-
-En als hij zwijgen blijft: »’t Is niet beleefd van je tegenover Nita;
-zij komt hier om ons te helpen en nu wil je niet eens van die lieve
-hulp gebruik maken.«
-
-Nu ziet hij op met dien vreemden, dwalenden blik, die mevrouw
-Verschuere zoo trof bij het binnentreden. Dan, alsof hij Agnita voor
-het eerst gewaar werd, wenkt hij haar tot zich en vraagt: »Hij is heel
-erg, niet waar?«
-
-»Ja,« zegt Nita kalm, »hij zal onze hulp nog dagen lang behoeven.
-Daarom moeten allen, die hem behouden willen, hun krachten sparen.« Dan
-treedt ze voor het ledikant, legt het hoofdje terecht op het kussen,
-schuift de klamme blonde krullen terug van het bleekblauw gezichtje en
-wuift het koelte toe.
-
-»Dag... engel!« fluistert Jantje en een zwak glimlachje komt om zijn
-lippen spelen.
-
-»Zie!« zegt Nita zacht en wijst op dat lachje. De vader rijst langzaam
-van zijn stoel om haar zijn plaats te geven. Maar hij heeft geen drie
-stappen gedaan of hij wankelt. Reeds is mevrouw De Bruining
-toegetreden; ze vangt hem op in haar armen; en nu, op haar schouder
-geleund, barst hij los in een snikken zoo droef, zoo weinig bedwongen,
-zoo onmannelijk, dat Nita niet om durft zien naar die beiden, dat ze
-het hoofd dieper en dieper buigt over den kleinen zieke, dat ze zich
-uren ver wenscht, liever dan getuige te zijn van dit tooneel.
-
-De strijd om het zwakke kinderleven duurde vier lange dagen, vier
-eindelooze nachten.
-
-Hij werd gestreden met de kracht, die slechts aan vrouwen gegeven is;
-vereend bevochten moeder en vriendin den dood, voet voor voet drongen
-ze hem terug uit het vertrek aan welks drempel hij grijnzend stond;
-geen oogenblik lieten ze de plaats ledig bij het kleine bedje, waaraan
-hij zich scheen te willen neerzetten, al de wapenen, die wetenschap en
-liefde hebben uitgedacht, keerden ze tegen hem.
-
-Eindelijk—aan den morgen van den vijfden dag—liet hij zijn prooi los en
-de moeder kuste de handen die haar kind hadden verpleegd en bevochtigde
-ze met haar tranen en Jantje fluisterde: »Dag, engel,« en de heer De
-Bruining bracht haar naar het rijtuig en zeide niets, omdat hij niet
-durfde spreken; maar zij zag hem in het gelaat en wist wat hij had
-willen zeggen.
-
-Toen Verschuere dien middag terugkeerde van de secretarie, trof hem de
-stilte op zijn erf. Er was geen menschelijk wezen te zien; deuren en
-vensters waren gesloten, de putemmer, anders in altijddurende beweging,
-hing rustig aan den haak, de naaimachine ratelde niet, kokkie’s sissen
-en braden werd evenmin gehoord als spen’s messenslijpen; kebon zat,
-niet als meest op dat uur, de oorverscheurende muziek te maken, die het
-weg krabben van het gras uit het kiezel veroorzaakt, de kinderen van
-Mingo en Sarinah speelden niet voor de bijgebouwen.
-
-Van zelf verzachtte hij zijn tred, en als hij zoo de achtergalerij komt
-binnensluipen, ziet hij in het halfdonker, dat daar heerscht, een
-gestalte van den grond oprijzen.
-
-»Stil, als het u belieft, mijnheer! Mevrouw slaapt!« fluistert Sarinah
-en neemt haar plaats weder in op het matje voor Agnita’s kamerdeur.
-
-»Mevrouw slaapt,« fluistert ook Mingo ter verontschuldiging; hij heeft
-het selterswater, dat hij zijn heer altijd komt brengen bij diens
-thuiskomst, buiten ontkurkt.
-
-»Mevrouw slaapt,« schijnt het wachtwoord, dat allen drijft om zacht te
-spreken, om onhoorbaar te loopen, om voorzichtig te zijn in elke
-beweging.
-
-»Ze moeten haar die rust wèl gunnen,« denkt Verschuere, »ze moeten haar
-wèl genegen zijn, de bedienden; voor de meeste mevrouwen hebben ze
-zulke attenties niet.«
-
-Trouwens—niet de bedienden alleen. Daareven heeft hij dokter Bosschaert
-gesproken. Wat was hij vol lof! Wat roemde hij haar kalmte, haar
-geduld, haar zachte fermiteit! En die arme De Bruining... hij wordt al
-zenuwachtig van louter dankbaarheid, als hij haar naam maar noemt. Ook
-Van Beevelant. Verschuere zocht hem gister in zijn eenzaamheid op en
-telkens herhaalde hij ’t, hoezeer hij haar miste aan tafel, in huis.
-Hij, die toch van kind af aan gewoon was edele, lieve vrouwen rondom
-zich te zien, hij sprak over Agnita met een vereering... Gelukkig dat
-kleine Jan gespaard bleef, ’t is toch bij al zijn ondeugendheid zoo’n
-lief ventje!
-
-Wat een idee van het kind, dat er een engel stond bij zijn bed! Of
-neen! zoo’n heel dwaas idee toch niet! Ze heeft van die oogenblikken...
-
-Eensklaps springt hij op van den stoel, waarop hij in gedachten
-verdiept is neergevallen; hij gevoelt een onweerstaanbaren lust om naar
-binnen te gaan, maar Sarinah zit daar!... Hij grijpt het eerste het
-beste boek uit den trommel van het leesgezelschap. Maar hij kan er zijn
-aandacht niet bij bepalen. Nu werpt hij zich op den divan en kijkt van
-onder de half geloken oogleden naar de bedienden die langzamerhand
-beginnen met tafeldekken en hij vindt het prettig als hij ziet dat spen
-weer twee couverts legt.
-
-Wat was het ongezellig de laatste dagen! Gelukkig dat ze straks weer
-over hem zal zitten aan tafel.
-
-Misschien... ’t zou wel eens kunnen zijn dat ze liggen bleef, dat ze
-zich te veel vermoeid had; gister en eergister reeds zag ze er slecht
-uit. ’t Is eigenlijk een dwaasheid geweest, hij had het haar niet
-moeten toestaan! Is het niet mooi genoeg dat hij De Bruining’s werk
-doet? Moet Nita nu ook met dat van mevrouw belast worden?
-
-»Makanan soedah klaar!« komt Mingo berichten.
-
-Mijnheer staat langzaam op, maar och, hij heeft geen lust om alleen te
-eten... als ze niet zoo licht sliep, zou hij wel even... maar ze
-schrikt altijd wakker van zijn stap...
-
-Sarinah kijkt toe, terwijl haar heer heel voorzichtig zijn schoenen
-uittrekt, maar als hij de kamerdeur nadert is zij verdwenen, met de
-bescheidenheid die zoo menige hollandsche dienstbode van de inlandsche
-zou kunnen leeren.
-
-»Ben jij dat, Gustaaf?« en Nita strijkt met liefkoozende hand over zijn
-vol fraai hoofdhaar.
-
-»Ik heb je toch niet gewekt?«
-
-»Neen, ik lag er juist over te denken om op te staan en weer te
-presideeren aan je rijsttafel.«
-
-»Heerlijk!« en ofschoon dit niet bepaald noodzakelijk is, haast de heer
-Verschuere zich aan spen te berichten dat njonnja aan tafel komt.
-
-»Weet je wel,« vraagt hij, zoodra ze tegenover hem gezeten is, »dat ik
-in de laatste dagen trotsch begin te worden op mijn vrouw?«
-
-»Wezenlijk?« en ze ziet naar hem op met een gelukkigen lach.
-
-»Zeker. Iedereen is vol van je lof. Zelfs mevrouw Van Waliënhove kon
-van morgen niet nalaten me te zeggen, hoezeer zij je lieve hulp aan de
-Bruinings bewezen, waardeerde en de Gouverneur-generaal...«
-
-»Domme man,« roept ze uit en beproeft achter een vroolijk lachje haar
-teleurstelling te verbergen, »moeten mijnheer en mevrouw Van Waliënhove
-je dat zeggen? Moeten vreemden je vrouw prijzen, om je op het denkbeeld
-te brengen dat ze toch werkelijk wel eenige verdienste heeft.«
-
-Hij schrikt van dien uitroep, omdat er zooveel waarheid in is.
-
-»Komaan« zegt hij, »je bent oververmoeid en daardoor zwartgallig.
-Straks moet je maar eens een flinken dut doen. En morgen... Wat zou je
-denken van een Zondag in Soekaboemi? Met den trein hier heel vroeg
-vandaan?«
-
-»Maar Gus! Meen je het?«
-
-Hij ziet verlegen voor zich. Dat opgetogen gezichtje beschaamt hem;
-menige vrouw is niet zoo dankbaar voor het kostbaarst geschenk als zij
-voor het genot van één dag met hem te mogen samen zijn.
-
-»Meen je het wezenlijk, Gus?«
-
-Arm, lief kind! hij moet haar eens meer een pleizier doen. Maar als ze
-wist dat hij de beide laatste nachten aan zijn schrijftafel doorbracht,
-om eens één dag vrij te zijn—zou het dan nog een pleizier voor haar
-wezen?
-
-
-
-
-
-
-
-XIII
-
-AAN HET STATION.
-
-
-’t Is op den morgen van den achttienden Februari aan het station te
-Buitenzorg ongewoon vol en druk. Tevens ongewoon deftig, zooals blijkt
-uit het gelegenheidsgezicht der spoorbeambten met hun nieuwste petten
-op en hun mooiste jassen aan.
-
-Maar hoewel de gouverneur-generaal, vergezeld van familie en gevolg,
-hoewel nog verscheidene andere dames en heeren dien morgen naar Batavia
-vertrekken, zouden de reizigers alleen niet zooveel geloop en
-geschreeuw veroorzaken: ’t zijn hun koffers en kisten.
-
-Het aantal daarvan schijnt legio. En toch zijn het alleen de koelies,
-die zich verbazen over de massa bagage; ieder ander kent de oorzaak van
-het verschijnsel: er worden feesten voorbereid op Batavia.
-
-En welke feesten! Dezen zelfden avond zal er galavoorstelling zijn in
-de opera: morgen zal ’s Konings verjaardag gevierd worden met de
-gebruikelijke plechtigheden: groote parade, groote officieele
-ochtendreceptie, groot vuurwerk op het Koningsplein, groot diner ten
-paleize!
-
-Maar dit is niet alles.
-
-Gertrude Hagen viert op den avond na het koningsfeest haar twintigsten
-verjaardag met een comedievoorstelling en bal; en de invitaties, reeds
-veertien dagen geleden rondgezonden, wekken bij het pretlievend publiek
-de beste verwachtingen.
-
-Daareven hebben drie equipages de paleisbewoners gebracht: intendant en
-adjudanten zijn reeds ter plaatse, met hunne vrouwen en dochters,
-voorzoover ze die bezitten.
-
-In de gereserveerde wachtkamer troont de barones op de ottomane,
-geflankeerd door haar beide zonen, die bij hooge uitzondering het
-reisje mogen mede maken, om morgen de parade en het vuurwerk te zien.
-Ze zitten op heete kolen, de arme jongens, want daar buiten spelen drie
-jeugdige Bruinings haasje over. Hun vader, die in druk gesprek met
-Zijne Excellentie de salon op en neer loopt, ziet het gevaar, waarin ze
-verkeeren van door handkarren te worden overreden of door vallende
-kisten verpletterd te worden misschien wel, maar is te zeer gewoon zijn
-zonen in gevaar te zien om zich daarvan veel aan te trekken; hij brengt
-al gestikuleerend zijn kuif tot een ongekende hoogte, pluist al
-redeneerend zijn bakkebaarden uit tot een verbazende breedte en windt
-zich zoo verschrikkelijk op over een vrij onbeteekenende zaak, dat de
-landvoogd hem van ter zijde met bezorgdheid gadeslaat en zich afvraagt
-hoe lang het nog duren kan vóór de reactie op ’s mans overspannen
-toestand volgt en een verblijf in Europa noodzakelijk wordt.
-
-Toen freule Clotilde uit haar poneywagen sprong en mama zoo deftig zag
-zitten op de ottomane, heeft ze dadelijk aan den gouverneur van haar
-broers gevraagd, of hij óók niet vond dat de lucht drukkend was in de
-wachtkamer. Nu trippelt ze in haar kort, vlug reistoilet met hem het
-perron op en neer; en terwijl ze links en rechts groet, als wilde zij
-vergoeden wat mama in vriendelijkheid te kort schiet, volgt menig
-waardeerend woord het aardig persoontje, rust menig welwillende blik op
-het blozende gezichtje, dat zoo guitig onder den grooten stroohoed
-uitkijkt.
-
-Van de zes juffers d’Hannecour zullen niet minder dan vijf door hare
-tegenwoordigheid de feestelijkheden opluisteren, een voornemen dat al
-weer niet genoeg op prijs wordt gesteld: immers geen van de jongelui
-voegt zich bij het belangwekkend groepje dat ze met haar vijven vormen.
-Als eindelijk Van Suylichem haar zijn diensten gaat aanbieden bij het
-bezorgen der dertien valiezen, koffers en doozen, die ze met zich
-voeren, dan is dit alleen omdat zijn nichtje hem, half lachend, half
-knorrig, gevraagd heeft waarom hij toch niet naar de jonge meisjes
-ging, in plaats van altijd de oude getrouwde dames op te zoeken.
-
-De andere »oude getrouwde« dame, wier gezelschap Van Suylichem boven
-dat der jonge meisjes verkoos, is Amalia Te Leurse, een schoonheid, die
-heden blijkt beter te voldoen bij gaslicht dan in den schellen gloed
-van een indischen morgen. De mooie luitenantsche schijnt zich hiervan
-bewust en heeft haar gezicht niet alleen bedekt met veel poudre de riz
-en een weinig rouge, maar nog daarenboven met een coquet voiletje.
-
-De heer Te Leurse vertoonde zich even aan het station: dienstzaken
-houden hem terug te Buitenzorg. Maar, zooals Amalia reeds meer dan
-tienmalen aan de heeren, die haar kwamen groeten, verzekerd heeft,—hij
-hoopt voor de soirée bij de Hagens over te komen; ze kan ook moeilijk
-bekennen wat de waarheid is: dat ze geen geld genoeg in huis hadden om
-voor beiden de reis te betalen!
-
-»Vier koffers?« vraagt Nita, die in haar eenvoudig blauw kleedje aan
-een vergeet-me-niet doet denken, zooals ze daar staat en, geheel op den
-achtergrond, door weinigen wordt opgemerkt, sedert Verschuere haar
-verliet om mevrouw Van Waliënhove goeden morgen te gaan wenschen. »Vier
-koffers? Voor u alleen?«
-
-Mevrouw Te Leurse legt haar uit, dat ze het onmogelijk met minder doen
-kan. »Rekent u zelve maar eens na. Twee toiletjes alleen voor het
-comediestuk. Eén voor het bal. Eén voor de opera...«
-
-Agnita luistert maar half toe; ze herinnert zich hoe eenvoudig mevrouw
-Te Leurse gekleed ging toen ze pas op Buitenzorg kwam; hoe stil ze
-leefden in hun kleine woning; hoe geheel anders Te Leurse er uit zag
-dan nu heden morgen met dat strakke gezicht en die treurige vermoeide
-oogen.
-
-Mevrouw Heijlerts, alleen bestand tegen het klimaat van Batavia wanneer
-er op Batavia een pretje is, geeft, zooals ze daar staat onder haar
-donkerroode parasol, het schitterend bewijs, dat ze gedurende een
-tweejarig verblijf in de wereldstad der parisienne »le talent
-d’accommoder les restes« moet hebben afgezien. Gisteravond laat kwam ze
-van Soekaboemi, in gezelschap van den heer Van Sonnefelt, die gaarne
-enkele dagen der week dáár doorbrengt; en zooals gewoonlijk is ze ook
-nu het middelpunt van een kring van heeren.
-
-Men amuseert zich in dien kring, want zij plaagt den adjudant van Zijne
-Excellentie, die aan zijn betrekking verschuldigd meent te zijn, nooit
-uit de plooi te geraken, met een voorval, dat zijn reputatie van
-deftigheid in groot gevaar brengt, ja, de getrouwde heeren noopt om
-zich meesmuilend een weinig van den armen doodverlegen Hooglaan af te
-wenden, dan vraagt ze den heer Paerel met het vriendelijkste gezicht
-ter wereld, of ze eens een enkele alinea zou mogen schrijven in de
-»Annales du jardin botanique«; en als deze, niets kwaads vermoedend,
-gaarne daarin toestemt, begint ze: »Il fleurit au Jardin botanique une
-fleur aussi rare que belle, désirée par toutes les dames, destinée à
-une seule...«
-
-Paerel wordt boos, vooral om de hilariteit die er op volgt. Immers
-ieder weet welke de prachtige nieuwe bloem is, in de kassen getrokken
-en bij geheime dagorder onbereikbaar gesteld voor alle plantlievende
-dames, behalve mevrouw Van Waliënhove.
-
-Rustig en genoeglijk wordt de komst van den trein afgewacht; alleen de
-heer d’Hannecour agiteert zich; hij wenkt den stationschef, die wel
-andere dingen te doen heeft dan zich te laten wenken, en als deze
-eindelijk nader komt, bijt hij hem toe, dat men Zijne Excellentie niet
-wachten laat, waarop de man naar de klok wijst en verzoekt, den
-intendant te mogen doen opmerken dat niet de trein te laat, maar de
-landvoogd te vroeg is. Toch blijf de kolonel zich warm maken. ’t Is dan
-ook zoo’n gewichtige morgen in zijn gewichtige betrekking, die morgen
-waarop het hof naar Batavia gaat! ’t Is dan ook zoo’n zware taak, die
-rust op de schouders van hem, den intendant der gouvernementshôtels! En
-niemand schijnt het te willen gelooven of begrijpen. Zelfs de
-adjudanten niet! Zie hen eens aan! Zou men niet meenen dat ze voor hun
-pleizier meegingen? ’t Was om dol te worden.
-
-De rit van de residentie naar de hoofdplaats in de geurige frissche
-morgenlucht, is een waar pleiziertochtje. Slechts wanneer men Batavia
-nadert en de warmte de bezoekers als het ware tegenkomt, beginnen de
-dames meer werk te maken van waaiers en flacons dan van het gesprek;
-vooral mevrouw Heylerts is veel minder opgewekt dan daareven. Maar
-algemeen vermoedt men dat dit slechts ten deele aan de warmte moet
-worden toegeschreven; een naderende ontmoeting met mijnheer Heylerts
-maakt haar altijd stil. Er zijn verscheidene heeren aan den trein in de
-zwarte jas en met den hoogen hoed, die in dit klimaat altijd, maar
-vooral ’s morgens om tien uur, een krankzinnigen indruk maken. Ook de
-heer Heylerts bevindt zich onder hen, maar hij toont zeer weinig haast
-om zijne wederhelft met zich te voeren.
-
-Wie onder al de dames en heeren heden het meest de aandacht trekt, is
-Gertrude Hagen, die haar logées, de Verschuere’s en mevrouw Te Leurse,
-kwam afhalen, en er zoo ongewoon lief uitziet, zoo geheel blosjes en
-lachjes schijnt, dat men zich afvraagt of ze misschien heden jarig is;
-maar in den datum van een feest vergist men zich te Buitenzorg niet!
-Clotilde neemt haar een oogenblik ter zijde en de vriendinnen hebben
-het zoo druk te zamen, dat ze vergeten hoe het rijtuig wacht—in dat
-rijtuig de barones! Juist op het oogenblik als deze een adjudant zendt,
-slaat de freule Van Waliënhove beide armen om juffrouw Hagen’s hals en,
-ten aanschouwe van het geheele publiek, kust ze haar dat het klapt.
-
-»Zul je je dan nooit leeren gedragen!« roept de barones, zoodra haar
-dochter tegenover haar zit.
-
-»Ik vrees van niet, mama,« zegt Clotilde. Maar meteen buigt ze zich
-over naar haar vader en fluistert hem iets in het oor, om dan in de
-kussens terug te zinken met de vermaning: »Aan niemand vertellen,
-hoor!«
-
-
-
-
-
-
-
-XIV
-
-IN DE LOOFHUT.
-
-
-De Hagens wonen op het Koningsplein en ze wonen daar heerlijk. Dames,
-wier echtgenooten lid zijn in den Raad van Indië, hebben onder de vele
-voorrechten, die haar door haar zusteren vaak zuchtend worden benijd,
-dit: ze kunnen haar huis inrichten zooals ze dat wenschen; ze kunnen er
-alle moeite en zorg aan besteden, zelfs veel geld er voor uitgeven,
-zonder dat telkens als een dreigend spooksel de vraag bij haar oprijst:
-voor hoe lang?
-
-Mijnheer Hagen—want hij is het die deze villa uit vele andere koos, die
-den tuin opnieuw aanlegde, hier wat bijbouwde, daar wat afnam, hij is
-het die Jakatra afliep, om op de zolders der Chineezen het oud
-porselein te vinden, waarvoor hij bekend werd; die teekeningen maakte
-van ameublementen en ideeën aangaf van versieringen—mijnheer Hagen
-heeft ruim gebruik gemaakt van dit voorrecht.
-
-Agnita had groote marmeren ruimten verwacht, vol mooie meubelen, met
-reusachtige beelden, reusachtige spiegels en reusachtige gravures, met
-kostbare portières en alkatieven, alles geregeld naar traditioneele
-wijs: in één woord een huis zooals men er vele vindt in de Koningin van
-het Oosten, die er met hun pracht en weelde altijd blijven uitzien
-alsof ze in orde gebracht waren voor een bewoner, maar nog niet
-betrokken.
-
-De Hagens zijn rijk; mevrouw heeft fortuin, mijnheer een groot inkomen.
-Maar ze hebben den takt gehad dit niet te toonen: de eerste indruk,
-door hun huis gemaakt, is die van gezelligheid, en pas als men heeft
-opgemerkt, hoe zacht het getemperd licht naar binnen valt, hoe kunstig
-de hitte is buitengesloten, hoe heerlijk rustig en kalm de omgeving is,
-dan pas komt men er toe te bedenken, dat er duizenden moeten besteed
-zijn aan de inrichting dezer woning. Mevrouw Te Leurse is het zich
-volkomen bewust, dat, wanneer ze niet de hoofdrol vervulde in het
-stukje voor Gertrude’s feest, misschien mijnheer, maar zeker niet
-mevrouw Hagen haar zou gevraagd hebben om hun logée te willen zijn. Dit
-maakt dat zij bij aankomst iets minder zeker van zichzelve blijkt dan
-gewoonlijk. Maar er is in de waardige beminnelijkheid der gastvrouw
-zooveel geruststellends, in de vroolijke zetten van Gertrude iets zoo
-opwekkends, dat ze zich weldra geheel op haar gemak gevoelt.
-
-Straks keert ook de heer des huizes terug: hij is even naar het paleis
-gereden, om den Landvoogd te begroeten bij diens aankomst.
-
-»Goed dat u komt, papa: mama en ik hebben het erg druk en we rekenen er
-op, dat u zich met de logées occupeert. U zult niet kunnen zeggen, dat
-we voor u de minst prettige bezigheid hebben bewaard, is ’t wel?« en ze
-knijpt hem in het oor met het weinige respekt en de groote liefde die
-indische dochters gevoelen voor indische vaders.
-
-»Je kunt Gertrude immers wel missen vandaag?« vraagt mevrouw met een
-blik op de beide dames, een blik zonder eenige jaloezie echter; ze
-heeft te veel gezond verstand om, waar ze zichzelve nooit geheel kon
-geven, onverdeelde toewijding te vragen.
-
-»Je weet, ik kan haar geen uur missen,« zegt hij met een teederen blik
-op het meisje, »zelfs in dit gezelschap. Maar ik weet dat je haar
-noodig hebt en protesteer dus niet.«
-
-Reeds heeft hij zijn goedig, vriendelijk gelaat naar de bezoeksters
-gekeerd; reeds verheugt hij zich over het buitenkansje, dat hem
-verscheidene dagen haar gezelschap zal doen genieten; reeds vraagt hij
-zich af wat hij doen kan om haar die dagen aangenaam te doen
-doorbrengen.
-
-De vice-president van Indië’s Raad is, meer dan iets anders, een
-damesheer. Zijne liefde voor het schoone, die in Europa zich zou
-geopenbaard hebben in kunstzin, was hier bewondering geworden voor het
-schoonste werk der schepping. Dankbaar erkent hij het vele goede, dat
-de aarde hem biedt, maar het beste is toch voor hem het samenzijn met
-vrouwen—zoo mogelijk jonge en mooie! Dit is echter volstrekt geen
-vereischte. Als ze maar aardig praten kunnen en vriendelijk lachen, als
-ze maar verstand genoeg hebben om te begrijpen, dat, zoo hij haar het
-hof maakt, dit zonder eenige bijbedoeling is; als ze maar goed—d.w.z.
-in overeenstemming met haar uiterlijk—gekleed zijn, dan eischt hij
-verder niets.
-
-En zooals nu de beide jonge vrouwen daar zitten op dat aardig
-canapeetje, met de granaatroode portière tot achtergrond, frisch en
-jeugdig, in de doorschijnende witte kabaia, waarvoor ze haar reistoilet
-verwisselden, vindt hij het een waar genot naar haar te kijken, met
-haar te praten en te schertsen.
-
-Hij heeft van morgen reeds vroeg en buitengewoon hard gewerkt om zich
-ongestoord aan dat genot te kunnen wijden. Want hij heeft het altijd
-druk op zijn manier. Lang vóór de zon aan den hemel staat, ziet men hem
-in den stormpas het Koningsplein omloopen en na middernacht kan men hem
-nog vinden in zijn voorgalerij, verdiept in lectuur of muziek. Hij is
-een man van orde: klokslag zeven—wanneer hij reeds gebaad, gewandeld en
-ontbeten heeft—verdwijnt hij in zijn bureau en behartigt de belangen
-des lands tot klokslag elf, behalve des vrijdags, wanneer hij diezelfde
-belangen in de vergadering van den raad behandelt. Wanneer hij niet
-werkt moet Gertrude bij hem zijn. Gertrude is voor hem de vervulling
-van den wensch, die gedurende twintig jaren zijn gemoedelijk hart
-vervulde; den wensch naar eene gezellige vrouw.
-
-Als zijn dochter er niet lief had uitgezien of minder talentvol geweest
-ware, dan zou hij dit alleen jammer gevonden hebben; was ze ongezellig
-geweest, hij zou het beschouwd hebben als een vreeselijke
-teleurstelling, als een ramp bijna.
-
-Maar gelukkig, Gertrude aardde naar hem, en vader en dochter amuseeren
-zich koninklijk te zamen. ’t Is waar, ze laat hem allerlei werkjes
-doen, die eigenlijk beneden zijn waardigheid zijn: patronen teekenen,
-charades uitdenken, menu’s schrijven zelfs! Maar er komen ook dagen dat
-ze onder zijn leiding leert en zich inspant om te begrijpen; er komen
-dagen dat ze samen gaan schetsen of zich opsluiten in de zitkamer, half
-boudoir, half atelier.
-
-De Hagens hebben iets uitgedacht, dat aan het meest prozaïsch gedeelte
-van een indische woning, de achtergalerij, een poëtisch waas schenkt en
-het de »loofhut« genoemd. De loofhut schijnt een prieel, maar is
-eigenlijk een serre, ongewoon hoog van verdieping: ze vormt den
-overgang van het huis naar den tuin. Daar hebben ze hun planten en
-vogels, hun kleine fonteinen, lieve marmergroepjes, heerlijke
-luierstoelen, aardige rieten tafeltjes; daar brengen papa en dochter te
-midden van hun bloemen al de uren door, die ze maar kunnen uitsparen op
-hun altijd bezetten tijd; dat noemt Hagen zijn Capua; daar beweert
-Gertrude dat ze verliefde denkbeelden krijgt en zich zachter gestemd
-gevoelt jegens haar pretendenten; daar gaat mevrouw zoeken, als ze
-behoefte gevoelt aan het bijzijn van haar dochter, wat zeer dikwijls,
-of aan dat van haar echtgenoot, wat zeer zeldzaam gebeurt; daar worden
-alleen enkele intiemen toegelaten, maar die er toegelaten worden vinden
-het de bekoorlijkste plek van geheel het fraaie huis.
-
-Des avonds, als de familie Hagen met mevrouw te Leurse naar de opera is
-gegaan, na te vergeefs beproefd te hebben de Verschuere’s over te halen
-om hen te vergezellen, troont Agnita haar man mede naar die loofhut.
-
-De volle maan giet haar schijnsel door het bladerdak, Nita draait de
-gaspitten neer en het wordt koel en stil rondom hen, terwijl de
-fonteinen klateren en de bloemen geuren, door het avondwindje bewogen.
-
-»Zitten we hier nu niet oneindig prettiger dan in die volle, warme
-opera?« vraagt ze dan vleiend.
-
-»O, voor mij,« antwoordt Verschuere, terwijl hij met een zucht van
-genot zich uitstrekt in zijn luierstoel, »voor mij is het een ware
-verademing na den dag die achter me ligt. Maar je hadt toch eigenlijk
-mee moeten gaan, Nita... Geloof me, ik zal geen amusant gezelschap voor
-je wezen.« Met moeite onderdrukt hij een geeuw. »En ’t kan misschien
-wel aardig zijn,« voegt hij er dan lusteloos bij.
-
-»Aardig? Ja, voor anderen; maar niet voor ons. Dáárvoor hebben we
-diezelfde Romeo en Juliet te prachtig zien opvoeren in Parijs! Weet je
-nog? ’t Was den eersten avond dien we doorbrachten in de opera. Voor
-geen geld zou ik den indruk willen verliezen, dien ik toen heb
-meegebracht.«
-
-»Daar is wel iets vóór te zeggen.«
-
-»Mevrouw te Leurse vond het een dwaas idee van me, dat kon ik merken.
-Maar je bent het met me eens, niet waar? Wanneer men eenmaal het
-hoogste genoten heeft, dan kan het mindere niets geven dan ergernis.
-
-»Dat is zoo. Maar kindlief, mevrouw te Leurse beschouwt het uitgaan van
-een geheel ander standpunt. Zij gaat niet om muziek of zang; zij gaat
-om te genieten van den opgang dien ze maken zal in dat prachtige gele
-toilet.«
-
-»Wat stond het haar goed! Wat was ze mooi van avond!«
-
-»Ja heel mooi!« en weer geeuwt hij.
-
-»Me dacht, het zou zooveel prettiger zijn ons samen alles nog eens te
-herinneren: ’t is een van mijn gelukkigste avonden geweest.«
-
-»Ja? Hoe dat zoo?«
-
-Een glimlach komt om haar lippen spelen, terwijl ze zich naast hem zet
-op den langen stoel. »Ik was toen toch nog erg romantisch, Gus. ’k
-Herinner me, dat ik telkens mijn oogen toedeed om den tenor niet te
-zien en me te kunnen verbeelden, dat het mijn Romeo was die sprak.«
-
-Hij antwoordt door een kus te drukken op het gelaat dat ze naar hem
-opheft. »Dwaas kindje,« zegt hij eindelijk na een lange pauze, nauw
-hoorbaar.
-
-Het ruischen der fonteinen klinkt droomerig door de stilte, tot
-eindelijk de muziek van hare stem die verbreekt.
-
-»Wanneer men zich er eens goed in wegdenkt, Gus, wat is het dan toch
-een vreemde wereld. Daar zaten nu in die loges honderden vrouwen,
-gedecolleteerd en geblanket, vrouwen voor wie het woord liefde zijn
-heilige beteekenis verloren heeft; daar zaten die oude heeren met hun
-kale hoofden, die viveurs met hun vermoeide gezichten... en hoe werden
-ze allen geboeid, ja, tot schreiens toe bewogen door een stuk, dat
-eigenlijk niets anders is dan de verheerlijking der eerste liefde!«
-
-»Weet je nog,« vraagt ze dan en streelt de hand die zij in de hare
-houdt, »hoe wij onder den indruk waren, in welk een teedere stemming
-wij thuis kwamen? Weet je nog... den volgenden morgen zouden we naar
-Versailles gaan; we vergaten het. Zeg, Gustaaf? Verschuere?«
-
-»Wat? Zei je iets? O, neem me niet kwalijk, lieve! Ja, ’t was beeldig;
-ze zong uitstekend en...«
-
-»Ben je zoo moe? Zoo moe, dat je inslaapt terwijl ik...«
-
-»Neen ik sliep niet! ’k Was maar wat aan het dommelen. Geloof me, ’k
-heb alles gehoord wat je zei. ’t Is zoo, de tenor was wat dik!«
-
-»Wil je niet liever naar bed gaan, beste?«
-
-»Neen, volstrekt niet.«
-
-»’t Was zeker een erg vermoeiende dag.«
-
-»Ja; je weet, ik ben vanmorgen al vroeg begonnen. We hebben tot zes uur
-doorgewerkt, van dat we aankwamen af, en ’t is hier zoo schrikkelijk
-heet op dat Batavia.«
-
-Ze legt haar hand op zijn arm. »Kom, span je maar niet in om wakker te
-blijven. Je hebt de rust verdiend. Neen... ik zou nog niet kunnen
-slapen; ik heb niets uitgevoerd vandaag en van middag een lekker dutje
-gedaan.«
-
-Ze bracht hem zelve weg naar de logeerkamer, keek zorgvuldig of de
-klamboe zoo goed gesloten was dat zelfs het kleinste muskietje er niet
-in kon doordringen, onderzocht of de deuren en ramen wel wijd genoeg
-openstonden om den noodigen tocht door te laten en wenschte hem goeden
-nacht.
-
-Nu ging ze terug naar de loofhut en zat op het plekje van daareven...
-maar hoe geheel anders!
-
-De maan is schuilgegaan en het is er vol schaduwen. Ze beproeft zich
-voor te houden, dat het Gustaaf’s schuld niet is als het avondje,
-waarvan zij zooveel heeft gehoopt, op een teleurstelling uitliep; ze
-vermaant zich om het toch te waardeeren dat ze zoo’n degelijk man heeft
-die niets hoogers kent dan zijn werk; ze berispt zich omdat ze niet,
-als hij, eerzuchtig zijn kan en het goedkeuren dat hij, door zich te
-onderscheiden, aanspraak tracht te krijgen op promotie; ze scheldt
-zichzelve kinderachtig veeleischend, ondankbaar; ze tracht mevrouw De
-Bruining na te spreken, die betrekkelijk kalm verklaren kon: »Ja, zie
-je, onze mannen, dat zijn eigenlijk onze mannen niet; die zijn van de
-secretarie, en ze neemt zich voor, evenals zij, afstand te doen ten
-behoeve dier secretarie.«
-
-Maar dan wordt het opeens kil en donker in de loofhut.
-
-
-
-
-
-
-
-XV
-
-HET BOERINNETJE EN HAAR SOLDAAT.
-
-
-Het regende dien nacht alsof het met bakken van den hemel gegoten werd
-en de groote parade onderging het lot van meest alle groote parades op
-Batavia: ze werd afgekommandeerd wegens de drassigheid van het terrein.
-
-Had men zoo ook de officieele gelukwenschen kunnen afkommandeeren!
-
-Maar die moesten plaats vinden: consuls en hoofdambtenaren in hun van
-goud of zilver schitterende galarokken; de leden der rechterlijke macht
-met hun toga’s en baretten, hoofd- en subalterne officieren in hun
-fraaiste uniformen, referendarissen en commiezen in hun eenvoudigen
-zwarten rok, die allen kwamen den Landvoogd, omringd door den Raad van
-Nederlandsch-Indië en zijn staf, hun gelukwenschen aanbieden, »met
-eerbiedig verzoek ze wel te willen nederleggen aan de voeten van den
-troon.«
-
-’t Mocht een buitenkansje heeten, dat de atmosfeer was verfrischt door
-de gevallen regens, maar toch bleef het, wat het samentreffen van veel
-mannen in lakensche kleeren wezen moet, als het op het heetst van den
-dag plaats vindt, doodsbenauwd.
-
-Het diner was druk bezocht: men vergist zich soms in den volksgeest,
-vooral wanneer die zich openbaren kan in lekker eten, en bij zulke
-gelegenheden zijn ook de bataviasche Hollanders boven verwachting
-koningsgezind.
-
-De heeren—voor dames schijnt men het minder noodig te oordeelen den
-verjaardag van hun vorst te vieren—de heeren kwamen op als één man.
-
-Volgens deskundigen was de speech van den gouverneur-generaal bijna
-even goed als de getruffeerde kalkoen, en die kwam de volmaaktheid
-nabij; het vuurwerk was prachtig; er waren duizende rijtuigen en
-tienduizende toeschouwers verzameld op het Koningsplein, trouwens
-uitgebreid genoeg om het dubbele aantal te bevatten, en de geestdrift
-van het publiek, reeds zoozeer opgewekt door de kunstgewrochten van den
-grooten Gors, nam nog toe, toen de Landvoogd met zijn familie en gasten
-zich op het balkon voor het paleis vertoonde en zijn beide zonen
-telkens het sein gaven voor die bewonderende hèèèès en juichende
-hààààs, die nu eenmaal onmisbaar schijnen bij een vuurwerk.
-
-Den volgenden dag had de partij bij de Hagens plaats.
-
-Volgens de ouderen van dagen, die slechts konden toezien en bewonderen,
-was ze prachtig; volgens de jonge meisjes, die doordansten tot den
-anderen morgen, verrukkelijk; volgens de leveranciers een feest zooals
-er eigenlijk iedere maand een dozijn moesten gevierd worden; volgens de
-jeunesse dorée de prettigste fuif in jaren gegeven; volgens de
-ambtenaarswereld een »heele victorie«, want de heer en mevrouw Van
-Waliënhove, die anders zelden op partikuliere feesten verschenen,
-verschenen hier.
-
-Nooit was in Batavia, waar enkele malen liefhebberijcomedies worden
-opgevoerd door de élite der jonge dames, waar zoo natuurlijk en
-eenvoudig wordt gespeeld, dat de hollandsche tooneeldirecties er een
-lesje konden gaan nemen; waar kosten noch moeite gespaard worden om een
-voorstelling te doen gelukken, nooit was er iets geleverd zoo goed als
-heden avond.
-
-Amalia vervulde de rol eener schijnbaar ruwe, doch teêrhartige
-vivandière; Van Suylichem die van een boerenlummel; Gertrude was een
-bekoorlijk dorpskind, en zekere tweede luitenant stelde een gewond,
-maar desniettegenstaande zeer verliefd soldaat voor.
-
-’t Stukje was niet bijzonder grappig, maar fijn gedacht: het publiek
-beschaafd genoeg om het te waardeeren; als men één aanmerking had
-willen maken, dan zou het misschien geweest zijn dat de jonge luitenant
-zijn verliefde rol wel wat heel con amore speelde.
-
-Volgens sommigen had ook Gertrude wat koeler kunnen zijn; ’t is waar,
-boerinnetjes zijn vrijer in den omgang met soldaten dan jonge dames met
-officieren, maar ’t verwonderde het publiek toch.
-
-Alleen mevrouw Ramsberge, die een paar weken geleden een harer dochters
-had thuis gekregen, weduwe met een mager pensioentje, drie kinderen en
-haar een-en-twintig jaren—alleen mevrouw Ramsberge verklaarde aan
-ieder, die het hooren wilde, dat zij er niets verwonderd over was, och
-hemel neen, niets!
-
-Dat kwam er van, als men de meisjes niet op haar tijd liet trouwen,
-zooals tegenwoordig voor Indië ook al mode scheen te worden; de Hagens
-mochten nu dien verjaardag met nog zooveel ophef vieren, ’t was toch
-eigenlijk ongehoord dat zoo’n lief, rijk meisje twintig jaar werd
-zonder dat er sprake was van een engagement. Mijn hemel, waar moest het
-naar toe! ’t Was toch de bestemming! Ja, de dames mochten haar
-uitlachen zooveel ze wilden, zij had er een zwaar hoofd in.
-
-Gelukkig kon mevrouw Ramsberge dien avond haar zwaar hoofd gerust
-neerleggen. Aan het einde van het souper stond de gastheer op om de
-verloving aan te kondigen van zijne dochter Gertrude met den heer
-Willem van den Bosch (de verliefde soldaat).
-
-’t Was een goed denkbeeld dit pas aan ’t einde van het souper te doen;
-was het aan het begin geweest, de aandoeningen der gasten zouden hen
-verhinderd hebben naar waarde te genieten van de goede gaven hun
-aangeboden.
-
-Als Batavia ooit verbaasd stond, dan was het in dit oogenblik. Gertrude
-Hagen geëngageerd met Van den Bosch, een tweeden luitenant! En was het
-nog een tweede luitenant geweest van adel, een tweede luitenant met
-fortuin, of ten minste een vreemdeling! Maar—iedereen wist dadelijk
-alles van hem af—’t was maar een Hollander, niet eens een Engelschman,
-en daarbij een doodeenvoudige jongen, de zoon van een arme
-domineesweduwe, ergens in den achterhoek!
-
-Niemand kende beter den bataviaschen geest dan de heer Hagen; niemand
-had op meer recepties gebogen voor mooie jonge bruidjes naast bruigoms
-die haar vader konden zijn; niemand wist zoo goed als hij, hoe de
-handelsgeest is gedrongen in de harten, en de zucht naar weelde de
-zucht naar liefde beheerscht.
-
-Hij had voorzien hoe het engagement zijner dochter zou worden
-opgenomen; hij vermoedde welk een opschudding het brengen, welk een
-gepraat het geven zou; dáárom was alles zoo diep geheim gehouden: hij
-had het publiek willen stellen voor een voldongen feit, wel wetend dat
-niets zoo geschikt is om aan gebabbel een einde te maken, dan de
-zekerheid dat gebabbel aan de zaak niets veranderen kan.
-
-Ofschoon anders volstrekt niet ongevoelig voor de openbare meening,
-bekommerde hij er zich overigens weinig over of de keuze, door zijn
-kind gedaan, werd goedgekeurd door de groote menigte... Hoe was zijn
-huwelijk toegejuicht in der tijd! Hoe dikwerf was hem gezegd dat hij en
-zijn meisje een paartje waren als voor elkaar geknipt; hoe hadden
-familie, vrienden en kennissen alle krachten ingespannen om die
-verbintenis tot stand te brengen; hoe was zijn eigen moeder, die toch
-raden kon wat hij behoefde om gelukkig te worden, er mede ingenomen
-geweest!
-
-Batavia mocht zich verbazen zooveel het verkoos, het liet hem koud.
-Immers, Batavia kon niet weten hoe nu twee jaar geleden, toen hun
-eenige dochter terugkeerde uit Europa, de heer en mevrouw Hagen te
-zamen neerzaten, voor het eerst sedert langen tijd hand in hand, voor
-het eerst sedert langen tijd bezield door dezelfde gedachte.
-
-»Wat is ze mooi, onze lieveling,« had hij gezegd.
-
-»En lief. En zoo eenvoudig,« had zij gefluisterd, den vochtigen blik
-naar hem opgeheven. »Het zal moeite kosten haar tot de overtuiging te
-brengen dat ze trouwen moet om positie, om geld...«
-
-»Maar moeten we haar tot die overtuiging brengen?« had hij gevraagd.
-
-Toen had ze zich tot hem gekeerd met een kreet van vreugde.
-
-»Hagen, is je dat ernst? Zou je dat waarlijk willen doen? Haar
-vrijlaten in haar keus? Haar laten trouwen wien ze liefheeft? Zou je me
-dat willen beloven? Ons kind een kans geven om gelukkig te worden?«
-
-Neen, Batavia kon niet weten hoe de trotsche vrouw, zoo gewoon te
-bevelen, hem dit had gesmeekt; ’t kon niet weten wat hem door de ziel
-was gegaan van bitterheid en smart, toen ze hem dat vroeg, als het
-hoogste wat ze kon vragen voor haar kind: een huwelijk uit liefde, uit
-vrije keuze! Het wist niet hoe hij had geantwoord, terwijl hij zich
-afwendde, opdat ze niet zien zou hoe ze hem griefde.
-
-»Zou ik anders kunnen, Mathilde, na onze ervaring? Wees gerust, de
-dochter zal gelukkiger zijn dan de moeder, zij zal trouwen wien ze
-liefheeft.«
-
-Het was een tweede luitenant geweest. Een arme, eenvoudige tweede
-luitenant. Maar toch een tweede luitenant zooals er niet veel gevonden
-worden: een jeugdige god Mars, die er krijgshaftig uitziet in zijn
-uniform en zoo mogelijk nog knapper in zijn politiek; een lieve,
-vroolijke jongen met een open gezicht en heldere oogen, even frisch van
-hart als jong van jaren, rein gebleven van de smetten der wereld,
-zooals het enkele bevoorrechte moeders gegeven is haar zonen te
-bewaren.
-
-De gasten zijn vertrokken, de logées naar hunne kamers gegaan, de
-lampen gedoofd, en weer zitten de heer en mevrouw Hagen in de
-liefelijke stilte van de loofhut. Ze hebben den dank ontvangen van die
-beide overvolle harten; ze hebben opgezien in die gezichten blozend van
-liefde, in die oogen stralend van geluk; uit de verte komen de kussen
-tot hen, gewisseld in de zoete weelde van het ongestoord samenzijn; en
-voor het eerst sedert den dag waarop eerzuchtige ouders en kunstige
-drogredenen hun verbintenis tot stand brachten, gevoelen ze voor
-elkander wat zooveel doet vergeven: een diep, oneindig medelijden.
-
-»Ik ben je zeer dankbaar, Louis,« fluistert ze zacht en drukt de hand
-die in de hare ligt.
-
-»Wat zijn ze gelukkig... de kinderen! Er was een tijd, niet waar Tilde,
-er was een tijd—toen we nog geen van beiden vermoedden dat ons huwelijk
-een... vergissing zou blijken; maar zoo, zooals zij zijn, ik herinner
-’t me niet goed, maar... zijn we ooit zóó geweest?«
-
-»Arme man!« zegt ze zacht.
-
-Straks schrikken de jongverloofden op.
-
-»Hoorde ik daar niet een kus, Willem?« vraagt Gertrude. Maar Willem
-antwoordt lachend, terwijl hij haar op nieuw in zijn armen sluit: »Het
-zal de echo van onze kussen geweest zijn, lieveling!«
-
-En hij vermoedt niet hoezeer hij de waarheid spreekt.
-
-
-
-
-
-
-
-XVI
-
-EEN JONGENSSTREEK.
-
-
-De metalen gong, die den paleisbewoners verkondigt dat het uur voor den
-maaltijd daar is, doet zijn zwaren slag weerklinken door de avondlucht;
-met de stipte orde, waaraan mevrouw Van Waliënhove hen gewende, staakt
-ieder onmiddellijk zijn bezigheden en spoedt zich naar de eetzaal.
-
-Vroegere landvoogden vonden het een niet gering bezwaar aan hunne
-betrekking verbonden, dat het huiselijk leven zoozeer leed onder die
-betrekking; de heer van Waliënhove beschouwt het als een voordeel. Want
-zijn gezin is niet van de gelukkige, waar een bezoek, hoe welkom ook,
-altijd een stoornis blijft, waar gasten, hoe beminnelijk ook, kunnen
-heengaan zonder een ledig achter te laten; waar de huisvader, als hij
-geen vreemden vindt, in de handen wrijft en mama glimlachend naar hem
-opziet met de woorden: »Ja, heerlijk onder ons!«
-
-Toch scheelt het heden avond niet veel of men is »en famille«. De
-logées zijn met den laatsten trein vertrokken en worden eerst over
-eenige dagen door anderen vervangen. Hooglaan, de adjudant, die,
-evenals Van Suylichem in het paleis gehuisvest, ook wanneer hij geen
-dienst heeft, aan de avondtafel deelneemt, nam een uitnoodiging aan bij
-den referendaris Verdijk. Mevrouw Verdijk had reeds gedurende vijf
-dagen een verjaardineetje willen geven, maar dit tot heden moeten
-uitstellen, daar het elken middag onweerde en dan kwam ze niet te
-voorschijn uit haar donkere kamer.
-
-Een oogenblik van verademing kan overigens niet onwelkom zijn, want de
-laatste logées zijn menschen geweest die veel drukte, ja zelfs een
-weinig emotie aanbrachten.
-
-De eerste, een Amerikaansche, gaf evenveel stof tot verbazing als tot
-vroolijkheid. Dat ze een reis rondom de wereld maakte en reeds
-halverwege was, kon als verontschuldiging dienen voor den ontredderden
-toestand harer garderobe; dat ze de dochter was van een groot generaal,
-voor de dapperheid waarmee ze heenstapte over alle bezwaren, zich
-overgaf aan de meest gewaagde excentriciteiten; dat ze buitengewoon
-leelijk en niet bepaald jong was, voor het reizen met twee
-jongelui—trouwens ten paleize genegeerd;—maar dat ze in een
-afgrijselijk amerikaansch-engelsch doorratelde van den morgen tot den
-avond, daarvoor was geen verontschuldiging.
-
-Een dag na deze niet zeer bekoorlijke verschijning arriveerde een
-Italiaan, markies Aréoli. Hij was door zijn gouvernement voorzien van
-hetgeen noodig is om aan alle hoven een goede ontvangst te vinden, maar
-de beste aanbeveling droeg hij bij zich in zijn persoonlijkheid.
-
-Beide gasten dweepten met de tropische natuur en konden niet genoeg
-genieten van Buitenzorg’s heerlijke omstreken. Er werden tochtjes
-gemaakt, grooter uitstapjes bedacht, feestjes georganiseerd... meerdere
-leden der familie Van Waliënhove namen daaraan deel; en ging de
-Amerikaansche—misschien met het oog op haar medereizigers, die een goed
-heenkomen hadden gezocht in het hôtel—eer weg dan ze voornemens was
-geweest, de marchese bleef een week langer dan zijn oorspronkelijk plan
-scheen.
-
-Het is voor niemand in de onmiddellijke omgeving der familie een geheim
-waarom zijn vertrek tot tweemalen toe werd uitgesteld. De heer
-d’Hannecour, die in zijn hoedanigheid van intendant alles weet—en weten
-moet, wil hij zich niet de ongenade zijner zeven dames op den hals
-halen—berichtte dezen morgen naar huis: »Aréoli is sinds een half uur
-bij Zijn Excellentie.« Van Suylichem, die heden dienst heeft, deed hem
-uitgeleide; hij riep hem bij het afscheid toe: »à bientôt, j’espère«,
-wat dezen veel te denken geeft. Zóó veel, dat hij niet kan nalaten
-freule Clotilde met meer dan gewone belangstelling gade te slaan,
-wanneer ze een oogenblik na hem de eetzaal binnentreedt. ’t Doet hem
-genoegen dat ze er zoo blozend en tevreden uitziet in haar wit gazen
-kleedje met roode geraniums, volstrekt niet als een Ariadne treurend om
-het vertrek van den geliefden Theseus.
-
-»’t Zou dan ook vreeselijk jammer geweest zijn,« zegt James bij zich
-zelven, »als die vreemde snoes zoo’n lief gezellig meisje voor den neus
-van de hollandsche jongelui had weggekaapt!«
-
-Want—hij is geheel teruggekomen van zijn eerste meening! hij vindt haar
-nu geen halve wilde meer, integendeel, zooals hij zijn nicht
-herhaaldelijk verzekert, ze kunnen het best vinden samen.
-
-En de ingenomenheid is wederkeerig. Immers, wanneer hij een
-zwartbehangen zaal was binnengetreden, vol gemaskerde saamgezworenen en
-in die zaal plotseling dansmuziek vernomen had; wanneer zij in een
-onderaardsch gewelf geworpen, daar een helder licht had zien ontsteken,
-dan konden de beide jongelui niet gelukkiger geweest zijn met die
-ontdekking, dan nu ze elkaar zoo geheel onverwachts vonden in dat
-koude, stille paleis, waar de zon niet zorgvuldiger werd buitengesloten
-dan men het er de ware vroolijkheid deed.
-
-Met de inconsequentie, ons menschenkinderen eigen, zou baron Van
-Waliënhove het zeer kwalijk genomen hebben, zoo een zijner adjudanten
-Clotilde het hof had gemaakt. Toch ergerde hij zich ook aan de saaiheid
-van den heer Hooglaan, die dagelijks in gezelschap kon zijn van zulk
-een meisje, zonder ook maar een oogenblik zijn stijve vormelijkheid te
-vergeten. Met blijkbaar welgevallen daarentegen zag hij op welk een
-prettigen voet Van Suylichem met zijn dochter omging; met genot
-luisterde hij naar dien luiden frisschen lach, die een korten tijd
-verstomd scheen, maar sedert James’ komst weer den helderen metaalklank
-van vroeger dagen had.
-
-De heer Van Beevelant komt ook met klokslag acht binnen, gevolgd door
-de zonen des huizes, een paar knapen zooals moeders zich die droomen,
-krachtig van bouw, breed van schouders, vlug van beweging; een paar
-knapen zooals vaders ze behoeven om hen jong te houden, knapen om mee
-te gaan schermen en roeien en paardrijden, om trotsch op te zijn en
-zich illusies over te maken.
-
-Het gezicht van de Landvoogdes staat heden niet vroolijk, maar toch
-komt, als zij haar tegemoet vliegen, een lachje de neerhangende
-mondhoeken beroeren; de heer Van Waliënhove strijkt de krullen weg, tot
-de groote, schrandere oogen hem aanstaren met hun onbevangen
-kinderblik.
-
-»Hoe is het gegaan vandaag, Oscar?« vraagt hij zoodra men gezeten en de
-stilte, die het ronddienen der soep vergezelt, ingetreden is.
-
-»Zoo tamelijk, papa!« antwoordt deze. »We hadden hollandsche taal en u
-weet daar houd ik niet van.« Dan zachtjes: »Hij is vreeselijk streng.«
-
-»Zoo? dat doet me plezier,« antwoordt Zijn Excellentie lachend en kijkt
-naar de zijde waar Van Beevelant zit. »Dat zal je goed doen, denk je
-niet? en jij, Felix, ben je tevreden over je zelf?«
-
-»Dat kon beter, papa; ’k heb dertien fouten gehad in mijn thema.«
-»Dertien fouten!« klinkt het uit drie monden.
-
-»Ja. Maar het gaat toch al beter. Deze zanikt ten minste niet.«
-
-»Jongelui, je vergeet dat ik niet je opinie vraag over mijnheer Van
-Beevelant, maar over je zelf.«
-
-»Da’s waar ook, papa,« roept Oscar lachend; en dan met een steelschen
-blik naar den gouverneur: »Maar we hebben toch geen kwaad van hem
-gezegd.«
-
-Beevelant knikt hem vriendelijk toe, doch daar klinkt het op eens
-knorrig: »Wat veel erger is, Felix, je hebt daar een woord gebruikt,
-een woord... ik vraag je, kinderen, waar leer je die straattaal, hoe
-kom je aan zulke expressies?«...
-
-»’t Kan wel zijn dat hij het van mij heeft, mama!«
-
-»Clotilde!«
-
-»Ja, ik moest me schamen, dat ben ik geheel met u eens.«
-
-»Maar dan begrijp ik niet hoe je...«
-
-»O, ik doe mijn best om ze af te wennen, die leelijke woorden. Maar als
-we onder ons jongens zijn ontvalt er me nog wel eens een dat... uw
-fijngevoelige ooren kwetst.«
-
-Er is in den toon van het meisje, in de uitdrukking van haar gelaat,
-zoodra ze het tot haar moeder keert, iets dat hen, die haar nog niet
-lang geleden vriendelijk en zacht, gewillig en onderworpen kenden,
-verbazen moet.
-
-Maar voor hen die dagelijks in het huisgezin van den Landvoogd
-vertoeven en de verandering langzamerhand zagen komen, voor hen is er
-niets vreemds in.
-
-Ze weten dat freule Clotilde verkeert in het geval van den generaal,
-die den vijand naderde, de witte vlag reeds van verre uitgestoken, maar
-door den onverzoenlijken tegenstander gedwongen tot den strijd, zich
-laat meesleepen in de hitte van het gevecht en eindigt met uitvallen te
-doen, waar hij eerst slechts verdedigend te werk ging.
-
-»Jullie, jongens, zijt er van morgen weer vroeg op uit geweest, niet
-waar?« vraagt de gouverneur-generaal met het doel afleiding te geven.
-
-»O ja, papa, heerlijk!« antwoordt Oscar. »Een rit van twee uur. Berg
-op, berg af! De paarden waren moe. Wij in ’t geheel niet!«
-
-»Maar we hadden een honger!« roept Felix. »Ik heb drie spekpannekoeken
-gegeten.«
-
-»Spekpannekoeken!« herhaalt de adjudant van dienst.
-»Spekpannekoeken.... hé!«
-
-»Houdt u daar ook zooveel van?« vraagt Felix. En het blijkt uit de
-uitroepen, die volgen op zijn bevestigend antwoord, hoe hoog de
-vroolijke luitenant bij de jongens staat aangeschreven.
-
-»We zullen u waarschuwen, als zus ze weer laat bakken.«
-
-»Dan zult u eens smullen.«
-
-»Maar ze moeten heet uit de pan gegeten worden.«
-
-»Met vreeselijk veel stroop.«
-
-»En in de keuken.«
-
-»In de keuken?« vraagt James teleurgesteld. »Is dat zoo bepaald
-noodig?«
-
-»Ja,« zegt Clotilde, »anders smaken ze niet.«
-
-»Maar ik mag niet in de keuken komen.«
-
-»Wij ook niet,« roepen de kinderen. En dan, als uit één mond: »Maar we
-doen het toch.«
-
-»Hoort u dat, mijnheer Van Beevelant?«
-
-Het is anders de gewoonte niet van mama, de aandacht der onderwijzers
-te vestigen op de tekortkomingen harer zonen. Maar ze beweert dat Oscar
-en Felix met zachtheid geregeerd moeten worden, en nu de gouverneur, in
-weerwil daarvan, de strengste tucht handhaaft, nu tracht ze hem bij
-elke gelegenheid te bewijzen dat de methode, die hij volgt, een
-verkeerde is.
-
-»Ja, mevrouw, ik hoor het.«
-
-»En?«
-
-»En ik zwijg.«
-
-»U zwijgt? U begint dus in te zien dat u, met al uw gestrengheid, niets
-verder komt?«
-
-»Pardon, mevrouw, ik zwijg, omdat het naar mijn bescheiden oordeel hier
-noch de plaats is, noch de gelegenheid om de jongelui te berispen.«
-
-Baron Van Waliënhove ziet zijn vrouw aan, die rood is van moeielijk
-bedwongen drift, daarna den gouverneur, wiens hand beeft terwijl hij
-een glas water naar de lippen brengt. Zijn gelaat spreekt van bittere
-teleurstelling: hij meende alles zoo goed bedacht, zoo juist geregeld
-te hebben.
-
-Was bij vroegere gouverneurs niet het groote struikelblok geweest hun
-gebrek aan fijne vormen, hun burgerlijk uiterlijk of boersche manieren?
-Had ze zich niet geërgerd aan een nauw hoorbaar accent, aan het
-smakelooze van hun dassen, aan de kleur van hun handschoenen, aan de
-snit van hun jassen zelfs? Had ze niet altijd gezegd dat het een
-gentleman moest wezen, aan wien ze de opvoeding harer kinderen
-toevertrouwde? En was dit nu geen gentleman door geboorte en karakter,
-door voorkomen en manieren?
-
-Had ze niet honderdmaal verklaard, dat die »schoolmeesters« bang waren;
-dat dáárom de kinderen zooveel durfden? Was het niet altijd haar
-ergernis geweest, dat de onderwijzers lichamelijk niet genoeg
-ontwikkeld waren om zich te meten met de jongens? En is deze niet een
-volleerd ruiter, een uitstekend gymnasticus, een zwemmer die haar zonen
-verre achter zich laat?
-
-Toch, hij voelt het reeds, niettegenstaande zijn vermanen, zijn bevelen
-bijna, maakt ze ook dezen het leven ondragelijk; hij voorziet het, ook
-deze zal op een morgen tot hem komen en vragen wat de anderen gevraagd
-hebben: ontslag. En dan—is het vonnis geveld! Dit is zijn laatste
-poging geweest; als deze mislukt, mag hij niet langer aarzelen, moet
-hij zijn kinderen wegzenden naar Europa. En dit terwijl hij al zijn
-politiek talent heeft gebruikt om de onmogelijke positie van den
-gouverneur mogelijk te maken; dit, terwijl de zoon van zijn ouden
-vriend reeds een plaats won in zijn hart; dit, terwijl de knapen
-eindelijk voor hun leermeester gevoelen, wat de grondslag is van
-opvoedend onderwijs: eerbied en liefde.
-
-Immers, die met recht gewraakte uitroep van daar straks is in Oscar’s
-mond een lofrede. Volgens hem toch »zanikten« al de vroegere
-onderwijzers; ja, gerugsteund door mama, heeft hij zelfs beproefd hun
-die slechte gewoonte af te leeren, of door ze doodeenvoudig de
-gehoorzaamheid op te zeggen, of door ze, tot groote pret der
-hovelingen, voor den gek te houden. Wat kan hij haar toch misdaan
-hebben, hij die bij andere dames zoo hoog staat aangeschreven?
-
-Wat hij haar misdeed?
-
-Hij is haar niet onderworpen genoeg. Al zijn voorgangers heeft ze in
-haar macht gehad. De intendant betaalde hen onder haar goedkeuring het
-door haar bepaalde traktement; deze ontvangt het regelrecht uit de
-handen van Zijne Excellentie en ze weet niet eens of hij iets ontvangt,
-veel minder hoeveel. De andere noodigde ze een enkele maal, als er op
-veel invitaties een weigerend antwoord kwam; deze ontvangt op hoog
-bevel een kaart voor elke feestelijkheid die plaats vindt; de anderen
-bracht ze tot wanhoop door hen tegen te werken bij hun leerlingen, deze
-laat zich niet tegenwerken; de anderen vreesden haar, deze ziet haar
-aan met zijn vasten blik, en in dien blik leest ze: »Ik ben uws
-gelijke, mevrouw Van Waliënhove.«
-
-Daarom heeft ze de anderen alleen gesard en geplaagd, omdat dit zoo
-haar welbehagen was; dezen haat zij.
-
-Clotilde heeft de wolk gezien, die zich legerde op het voorhoofd van
-den geliefden vader.
-
-»En u vraagt niet eens hoe het met mijn schets is afgeloopen, papa,«
-begint ze vroolijk. »Bent u er niet nieuwsgierig naar?«
-
-»Ja, zeker, zeker. Is ze goed gelukt?«
-
-»Dat geloof ik wel. Maar niet, zooals u waarschijnlijk denkt, door het
-talent uwer dochter. Mijnheer Aréoli heeft haar afgemaakt.«
-
-Nu ze dien naam noemt, worden drie paar oogen opgeheven van de
-doperwten, die juist zijn rondgediend; maar die drie paar oogen
-ontmoeten elkaar! Met plotselingen schrik rusten ze weer op de borden
-en wordt de jacht op de doperwten hervat.
-
-»Nu, ik wil graag eens zien wat hij er van gemaakt heeft.«
-
-»Dat spijt me: hij heeft ons gezamenlijk werk meegenomen als een
-herinnering aan ons gezamenlijk tochtje,« zegt ze met het onschuldigste
-gezicht ter wereld.
-
-Terwijl ze spreekt ziet mevrouw Van Waliënhove haar dochter aan,
-begeerig om een blos, een teeken van verlegenheid te ontdekken.
-Clotilde weet het en vindt er een ondeugend genoegen in om haar moeder
-geheel in het duister te laten omtrent haar ware gevoelens.
-
-»Mogen we opstaan, papa,« vraagt Oscar eenige oogenblikken later, als
-aan het dessert wordt begonnen.
-
-Het is een gewoonte van den heer des huizes om op dit oogenblik den
-kinderen hunne vrijheid terug te geven: van al het vervelende zijner
-tegenwoordige leefwijze vindt hij de langdurige desserten het
-vervelendst, en hij acht het niet noodig ook hen daaronder te doen
-lijden.
-
-Ze loopen dus wat rond en verdwijnen meestal onopgemerkt, nadat
-Clotilde hen heeft bediend van de vruchten. Heden avond blijven ze
-langer dan gewoonlijk. Ze staan achter Clotilde’s stoel en ze moet hun
-nu dit, dan dat aanreiken. Het verveelt haar trouwens niet licht; ze
-houdt van de vroolijke deugnieten, ze knijpt ze graag eens in de
-vleezige bruine wangen of bedenkt met hen het plannetje voor den
-volgenden morgen. Van avond echter vindt zij ze lastig. Voortdurend
-staan ze te fluisteren en te gichelen, telkens trekken ze aan het
-kleedje, dat niet veel trekken verdragen kan.
-
-»Wat bedisselen en besmoenzelen die jongens daar toch achter ons?«
-vraagt ze eindelijk, ongeduldig geworden, aan den heer Van Beevelant
-die naast haar zit.
-
-»Mijnheer, een nieuw werkwoord: besmoenzelen!« roept Oscar en hij
-barst, tegelijk met zijn broer, uit in vroolijk gelach.
-
-»Bedaart wat, jongens,« vermaant de gouverneur zacht. En als dat niet
-baat: »Komaan, gedraag je wat betamelijker in presentie van je ouders.«
-
-»En van je zusters sleep,« voegt Clotilde er bij, met een bezorgden
-blik op de luchtige massa tulle en kant die van haar stoel afhangt.
-
-Daar er geen gasten zijn wordt het dessert zooveel mogelijk bekort en
-het diner dat nooit lang duurt, is heden binnen het uur afgeloopen.
-
-»’t Is een prachtige avond«, zegt James, die een gunsteling is van de
-barones en wat meer durft dan een ander. »Als de dames nog gingen
-toeren, zou ik gaarne een plaatsje verzoeken in haar rijtuig.«
-
-»Wat dunk je, Clotilde?« vraagt haar mama met een vrij vriendelijk
-lachje, want een tête a tête wordt evenmin door haar als door haar
-dochter gewenscht. »Zullen we dezen indiscreten mijnheer dat pleizier
-maar eens doen?«
-
-Zijne Excellentie keert zich tot den gouverneur: »Ik ga een wandeling
-maken, mijnheer van Beevelant; het zal mij aangenaam zijn als u me wilt
-vergezellen«, en na een lichte buiging verwijdert hij zich met zijne
-vrouw.
-
-De adjudant van dienst biedt de dochter des huizes den arm. Maar op het
-oogenblik dat ze dien wil aannemen, slaakt ze een gil.
-
-De heer en mevrouw Van Waliënhove, die juist de deur bereikt hadden, de
-maître d’hôtel die haar buigend openhield, de bedienden die en haie
-geschaard stonden om hen te laten voorbijgaan, allen kijken om, en ze
-zien.... de freule rug aan rug met den gouverneur.
-
-»Clotilde?!«
-
-»Ja, mama! Help dan toch!«
-
-»We zouden immers gaan rijden. Waarom kom je niet mee?«
-
-»Ik kan niet.«
-
-»Mijnheer van Beevelant, ik wacht u,« klinkt een gebiedende stem.
-
-»Excellentie, duizend excuses«, stamelt van Beevelant, maar blijft
-onbewegelijk staan.
-
-Reeds zijn de landvoogd en mevrouw op hun schreden teruggekeerd: het
-raadsel is opgelost zoodra zij nader treden.
-
-Aan de beide rokspanden van den heer van Beevelant is de dunne stof,
-die dienen moet om Clotilde’s pouffe en sleep te vormen, met tal van
-spelden vastgehecht en zóó vastgehecht, dat bij de minste beweging van
-een hunner een onheilspellend kraken vernomen wordt.
-
-Als door eenzelfde gedachte bezield, zoeken aller oogen de beide
-knapen: ze zijn spoorloos verdwenen.
-
-Clotilde is rood als een pioenroos, mevrouw bleek van ergernis, de heer
-Van Waliënhove vindt de zaak hoogst ongepast; dat bewijst de strenge
-uitdrukking van zijn gelaat; alleen Van Suylichem heeft moeite om
-ernstig te blijven.
-
-»Maar mijn hemel, zal dan niemand ons helpen!« roept Clotilde juist op
-het oogenblik dat haar kamenier, door een der bedienden gewaarschuwd,
-komt aanvliegen.
-
-»Ik hoop, freule,« begint van Beevelant, zoodra zijn rokspanden hem
-weer toelaten zich tot haar te wenden, »dat u de verzekering zult
-willen aannemen van mijn innig leedwezen over het gebeurde.«
-
-Clotilde, nog steeds vuurrood van verlegenheid, schikt, om zich een
-houding te geven, het verkreukeld kleedje terecht.
-
-»U waart er zoo goed het slachtoffer van als ik,« zegt ze dan.
-
-»U zult mij genoegen doen, mijnheer van Beevelant, met de jongelui
-voorbeeldig te straffen,« begint de gouverneur-generaal.
-
-»Dit is mijn voornemen, Excellentie.«
-
-Er is in den toon der beide heeren iets dat mevrouw van Waliënhove doet
-vreezen voor haar lievelingen.
-
-»Nu, we moeten een grap niet zoo hoog opnemen,« haast ze zich uit te
-roepen; »die arme kinderen mogen tegenwoordig ook niets misdoen of ze
-worden »voorbeeldig gestraft«. En zoo erg is dit nu toch waarlijk
-niet.«
-
-»Niet erg, mevrouw?« vraagt van Beevelant. En, als zij lacht: »Ik waag
-het in dezen met u van meening te verschillen: ik vind het zéér erg.«
-
-»Hebben uw rokspanden zóóveel geleden?« vraagt mevrouw Van Waliënhove
-op den toon, die haar vijanden doet zeggen dat ze een scheermes heeft
-op de plaats waar haar tong moest wezen.
-
-»Niet zooveel als mijn japon, mama. Maar aan zulke nietigheden denken
-we niet, is het wel, mijnheer van Beevelant? ’t Is de verlegenheid
-waarin ze ons brachten, het gek figuur dat ze ons lieten slaan.«
-
-»Komaan! ’t was niet prettig voor je, dat erken ik, en als het met een
-ander geweest was... iemand die... maar met mijnheer van Beevelant!«
-
-»U bedoelt?« vraagt deze, schor van ingehouden drift, doodsbleek
-geworden onder den smadelijken toon, onder den minachtenden blik. »U
-bedoelt?«
-
-»Vraag niet, mijnheer van Beevelant!« roept Clotilde en onwillekeurig
-doet ze een stap voorwaarts, als om zich te stellen tusschen hem en
-haar moeder; »vraag niet! Het is onnoodig dat mama duidelijk maakt wat
-ze bedoelt—omdat ze zich vergist. Zij meent dat het mij in groote
-verlegenheid zou gebracht hebben, wanneer de broêrs hadden goedgevonden
-hunne aardigheid te verkoopen met een ander, gister bijvoorbeeld, niet
-waar, mama? met markies Aréoli?«
-
-»Ja juist.«
-
-»Dit verwondert me van u, die anders zoo scherp ziet. Me dunkt, u moest
-weten dat, terwijl markies Aréoli mij geheel onverschillig is, ik zeer
-veel prijs stel op de goede opinie van mijnheer van Beevelant.«
-
-»Ik erken, Clotilde, dat je me verbaast.«
-
-»Ik moet u nog meer verbazen, mama«, spreekt het meisje met lippen die
-trillen, met oogen die vonken schieten van verontwaardiging; »ik moet u
-zeggen, dat het me grieft en ergert iemand, dien ik hoogacht, het
-voorwerp te zien van grofheden.«
-
-Nu gebeurt er iets, waaraan mevrouw van Waliënhove jaren later niet kan
-terugdenken zonder zich af te vragen, hoe het mogelijk is geweest dat
-ze niet tusschenbeide kwam, iets dat alleen een man van zulk een
-ridderlijke figuur en zulke volmaakte vormen als van Beevelant doen kan
-zonder zich belachelijk te maken: hij laat zich neer op ééne knie,
-neemt freule Clotilde’s hand en drukt die eerbiedig aan zijn lippen.
-
-
-
-
-
-
-
-XVII
-
-EERZUCHT EN LIEFDE.
-
-
-»Di mana njonnja?«
-
-»Ah! Daar is Gustaaf?« roept mevrouw Verschuere, sluit haar muziekboek
-en springt op van de piano.
-
-Dit alles tot groote ergernis van haar neef, die bezig is een stuk met
-haar in te studeeren voor de Zondagavondsoirée ten paleize, en juist
-hoop begon te voeden dat zekere moeilijke passage beter zou van stapel
-loopen dan hij had durven verwachten.
-
-»Dat wil zeggen: nu houden we dadelijk op en kun je wel heengaan,«
-bromt hij, terwijl hij met een niet zeer zachte beweging zijn vioolkist
-grijpt.
-
-»Foei, James,« werpt Nita tegen; maar ze heeft geen tijd om meer te
-zeggen, want reeds gaat ze haar echtgenoot te gemoet.
-
-»Nita,« roept deze met luider stem. »Groot nieuws!«
-
-Als ze echter met een veelzeggend gebaar naar de deur van haar boudoir
-wijst, vervolgt hij veel zachter: »Wat, ben je niet alleen? Visite?«
-
-»Neen. ’t Is James maar.«
-
-»Hoe onaangenaam!« zegt hij knorrig. »Hij is er, of hij komt ook
-tegenwoordig.«
-
-Een plotselinge blos verft Nita’s wangen. »Is het misschien wat druk?«
-vraagt ze met moeilijk verholen voldoening.
-
-»Keur je het niet goed?« Zijn antwoord echter helpt haar spoedig uit
-den droom.
-
-»Wel neen; hoe meer hoe liever, als het je afleiding geeft. Maar ik had
-je nu iets te zeggen, iets.... dat.... nog geheimblijven moet.«
-
-Juist komt de minder gewenschte bezoeker te voorschijn.
-
-»Goeden morgen, Verschuere. Je bent vroeg thuis van daag, is ’t niet?
-Nita, ik laat mijn viool maar staan.«
-
-»Wil je niet blijven rijsttafelen?« vraagt ze met die weifeling in haar
-stem, die een uitnoodiging maken kan tot een verzoek om zoo spoedig
-mogelijk heen te gaan.
-
-»Neen, dank je. Je denkt dus om die derde bladzijde? Oefen je nog eens
-flink van daag, wil je?«
-
-»En wat is het groote nieuws?« vraagt mevrouw Verschuere, als haar man,
-die James uitgeleide deed, in drie stappen weer bij haar terug is.
-
-»Wat het is, Nita!« roept hij, en zijn stem beeft van opgewondenheid;
-»wat het is? De Bruining gaat weg.«
-
-»Weg? naar Europa? Is hij zóó erg?«
-
-»Ja, hij is gister van Sindanglaya teruggekomen, nog zieker dan hij is
-weggegaan. ’t Schijnt dat de angst over Jantje, nu een week of zes
-geleden, zijn zenuwgestel den genadeslag gegeven heeft.«
-
-»Kassian!«
-
-»Ja, kassian, maar... ik kom in zijn plaats! De gouverneur-generaal
-heeft het me gezegd, Nita! Ik kom in zijn plaats!«
-
-»Werkelijk?« roept ze. »Heeft hij het je gezegd?«
-
-»Ja, ja! Zonder zich een oogenblik te bedenken! Vijf minuten nadat De
-Bruining was weggereden!«
-
-»Algemeen secretaris! Maar weet je wel, lieveling, dat dit prachtig
-is!«
-
-»Prachtig?... Ongehoord, kind! Op mijn leeftijd! Na zoo kort geleden
-pas promotie gemaakt te hebben! ’t Is nog geen twee jaar, waarachtig!
-En dat, terwijl er zooveel anderen zijn, die meenden dat ze in
-aanmerking zouden komen! »Er zal maar één stem over opgaan, dat begrijp
-je.«
-
-»Dat vrees ik ook. Trouwens op de secretarie werd het verwacht. Ze
-zullen van protektie spreken, van nepotisme... ze zullen je doopceel
-lichten.«
-
-»Neen, dat zullen ze laten! Er is in mijn geheele carrière geen enkele
-bladzijde, die me tot oneer strekt; dus dat zullen ze laten!« roept hij
-uit met de fierheid van den leeuw die de jakhalzen naderen ziet. »Maar
-laat ze hun gang gaan! Laat geheel Indië zeggen wat Indië altijd zegt,
-als iemand door inspanning en energie zich er bovenop werkt: dat ik
-geboft hebt, schandelijk geboft, brutaal geboft; wat maakt me dat? Laat
-zij, die er over schreeuwen, het me nadoen.
-
-»Laat ze toonen dat dit zoogenaamde boffen alleen geluk en niet ook
-bekwaamheid is!«
-
-»Ja, dat is zoo,« zegt Nita en ziet vol bewondering op naar de fiere
-gestalte, die zich daar verheft vol zelfbewuste kracht.
-
-»Nita, denk eens! Zoo’n veelomvattende betrekking, zoo’n rang, zoo’n
-traktement! En dan de toekomst. Je weet wat dat beteekent, niet waar...
-algemeen secretaris? Het vagevuur, waardoor wij in den hemel komen,
-zooals een van je voorgangsters, mevrouw Hagen, het noemt. ’t Is zoo
-goed of ik al raad van Indië was en.... eenmaal raad van Indië...«
-
-Ze legt de handen op zijn schouders en kust hem met een langen, innigen
-kus, want ze heeft hem lief; en al kan ze zich niet zóózeer verheugen
-in de behaalde zegepraal, ze kan deelen in zijn geluk; ja, als ze
-staart in dat stralend gelaat, voelt ze iets over zich komen van zijn
-opgewondenheid.
-
-»Hartelijk gefeliciteerd, mijnheer de algemeene secretaris. Moge het je
-gelukkig maken!«
-
-»Niet minder hartelijk gefeliciteerd, mevrouw de algemeene
-secretaresse!« En de armen dicht om haar heen geslagen, beantwoordt hij
-haar omhelzing.
-
-Dien avond worden de lampen ontstoken in de voorgalerij van den heer De
-Bruining. Trouwens, er komt geen bezoek, want meer nog dan de
-duisternis, vreest men in onze vroolijke indische maatschappij de
-droefheid.
-
-Achter in de pendoppo zitten ze ter neer, dicht naast elkander, afgemat
-naar lichaam en ziel, zooals men wezen kan na het vallen van een
-langverwachten slag, en zwijgen. Niet dat het hun aan stof ontbreekt,
-maar wijl ze vreezen te spreken; welk onderwerp toch kan in dit
-oogenblik worden aangeroerd zonder een pijnlijke snaar te doen trillen
-in het ontstemde speeltuig hunner ziel?
-
-Het gejuich van de kinderen in den tuin hindert, het geratel der
-rijtuigen, die hun huis voorbijrollen, vermoeit hen; ze keeren zich af
-van het schitterend tooneel dat de ondergaande zon biedt, maar
-geenszins om, als in vroeger dagen, toen de gloed dier zon bleef toeven
-in hun oogen, elkander aan te zien... Zij vreest de verwoesting te
-aanschouwen, die het zenuwlijden heeft aangericht in zijn trekken; hij
-weet dat er slechts zorg is te lezen op het smalle, bleeke gezicht
-naast hem.
-
-Een half uur hebben ze zoo gezeten, stil en rustig—iets ongeloofelijks,
-bijna iets onnatuurlijks in den huize De Bruining—als er een lichte
-tred wordt vernomen. Louise ziet op in twee groote klare oogen, vol
-deelneming, vol medelijden; het is dezelfde blik dien ze ontmoet heeft
-aan het ziekbed van haar kind... Met een heftige beweging trekt ze het
-blonde hoofd aan haar borst en barst uit in een vloed van tranen, de
-eerste die ze weent sedert de dokter het vonnis uitsprak over de
-toekomst van man en kind.
-
-»Dat zal je opluchten, Wies!« zegt De Bruining en ze laten haar rustig
-uitweenen. Straks, als de beide dames wat tot kalmte zijn gekomen,
-begint hij zacht: »’t Is goed, dat u hier zijt, mevrouw Verschuere; we
-hadden behoefte aan iemands deelneming,« en dan terwijl hij haar hand
-drukt: »’t is lief van u, mevrouwtje, om te midden van uw nieuw geluk
-aan ons te denken.«
-
-»O, natuurlijk deden we dat. Verschuere was ook graag meegekomen,
-maar... hij had het zoo druk.«
-
-»Het kan geen kwaad dat hij niet meekwam,« antwoordt De Bruining. »’t
-Is geen opwekkend gezicht, mevrouw, voor iemand aan wien juist het
-spelen van een der hoofdrollen is opgedragen, dat laatste bedrijf van
-het drama, dat men een indische carrière noemt.«
-
-»Een drama?« herhaalt de bezoekster.
-
-»Wat is het anders? Eindigt het wel eens anders dan treurig met ons
-indische ambtenaren? Suikerlords en koffieplanters gingen vroeger—en
-gaan nog wel eens een enkele maal—naar het vaderland terug met een
-verworven fortuin; wij doen het óf met een geknakte gezondheid, óf, wat
-misschien nog erger is—met een verloren reputatie. Want houdt ons
-lichaam het uit, dan overleven wij onzen roem. Zijn we niet, als de
-boomen in het bosch, reeds lang vóór we het vermoeden, gemerkt om
-plaats te maken voor degenen die naast ons opgroeien? Komen niet
-voortdurend jongeren, met nieuwe denkbeelden en nieuwe plannen, te niet
-doen wat wij hebben gedacht en gewild? Worden we niet meest op stal
-gezet, lang vóór we vermoeid zijn of versleten, alleen omdat anderen
-aan de beurt zijn?«
-
-»Wind je nu niet op, Daan!« fluistert zijn vrouw.
-
-Hij hoort niet; hij gaat voort, maar nu niet langer op den matten toon
-van daareven: »Weet u, mevrouw, waaraan onze Oost me dikwerf denken
-doet? Aan de vrouwen der parijsche demi-monde, zooals de
-romanschrijvers ons die schilderen. Als zij, blijft ze altijd jong en
-altijd schoon. Als zij, lokt ze ons door die eeuwige jeugd en
-schoonheid. Eenmaal tot haar gekomen, bedwelmt ze ons, dwaze
-jongelingen, kortzichtige mannen, verrukt ons door haar pracht, haar
-weelde, haar genot... we wijden haar al onze liefde, al onze energie,
-onze beste krachten... ze beantwoordt onze teederheid, o ja! ze schenkt
-alles wat ze te geven heeft, en het is meer zelfs dan we verwachten,
-tot... het oogenblik komt waarop we niet meer bieden kunnen wat we
-eenmaal boden... dan laat ze ons gaan! En met de zelfde hand, waarmee
-ze ons het afscheid toe wuift, wenkt ze anderen—andere dwaze
-jongelingen en kortzichtige mannen, die verheugd komen toesnellen om op
-hunne beurt hun noodlot te ondergaan.«
-
-Mevrouw De Bruining is onrustig geworden. Hij moet kalm blijven, heeft
-de dokter gezegd, vóór alles kalm! Ze tracht de bezoekster te
-waarschuwen door wenk en blik.
-
-»Is u niet wat somber gestemd?« vraagt deze, en zonder antwoord af te
-wachten gaat ze voort: »Trouwens, ’t is geen wonder. Niets wat ons zoo
-melancholiek maakt als geschokte zenuwen en vooral heden, nu het
-besluit werd genomen...«
-
-»Je hebt ’t zeker al gehoord, Nita; hij heeft een spoedcertificaat?«
-
-»Weet u wat ik geloof, mijnheer De Bruining?« zegt Nita met een
-glimlachje. »Uw vrouw doet die vraag om er op te wijzen dat het nu geen
-tijd is om ons te verdiepen in beschouwingen over Indië. Nu, ik zal,
-tot de orde geroepen, dadelijk beginnen met een heel zakelijk gesprek.
-Ja, ik wist van dat spoedcertificaat, ik begreep dat u het erg druk
-zoudt krijgen met pakken en naaiwerk en vendutie houden, en daarom kwam
-ik u maar dadelijk vragen, waarmede ik u helpen kan.«
-
-»Lief kind! Zeker kun je me helpen. We moeten warme kleeren hebben...
-het is December als we aankomen... Arme kinderen!«
-
-»Arme ouders,« denkt Nita, terwijl haar verbeelding haar die aankomst
-voortoovert.
-
-»Mevrouw Paerel gaat morgen naar Batavia en zal flanel en laken en al
-het andere akelige warme goed voor me koopen, en nu had ik al gedacht,
-dat, als je het schikken kondt me je naaister af te staan... je kunt
-haar toch wel missen?«
-
-»Natuurlijk.«
-
-»Weet je, zij gaat zoo vlug met de machine om en garneert zoo aardig;
-anders zou ik het niet durven vragen.«
-
-»Maar mijn lieve mevrouw, ik ben hier gekomen om u te zeggen dat mijn
-geheele personeel te uwer beschikking is, en als het u van dienst kan
-zijn, mijn eigen persoontje ook.«
-
-»Zeker kan ons dat van dienst zijn. Al was het alleen door ons uw lief
-deelnemend gezicht te vertoonen.«
-
-»Hoor eens aan! Men ziet wel dat hij algemeen secretaris af is, hij
-heeft weer tijd om galant te wezen,« roept Louise met de goedige
-blijdschap eener vrouw die, zeker van haar echtgenoot, hem gaarne zich
-aangenaam ziet maken bij andere dames.
-
-»Dan wou ik ook nog even over de laatste dagen vóór uw vertrek spreken;
-’t is wel wat haastig, maar ik vrees dat anders een van de vrienden mij
-voor is. Mevrouw van Waliënhove zal u natuurlijk noodigen, maar, niet
-waar? met zooveel kinderen is het misschien wat lastig logeeren op het
-paleis? U weet, wij hebben twee kamers in de bijgebouwen.«
-
-»Nita, kind! men zou zeggen dat je al tien jaar in Indië waart, zoo
-hartelijk en hulpvaardig ben je. Doch we wilden maar liever in het
-hôtel gaan. We zijn te talrijk om.... Nu, wat is er?«
-
-Dit tot Fritsje, die, buiten adem, met zijn schoenen vol slijk, een
-gescheurde kiel, een vuurrood gezicht, komt aanrennen en voortrent tot
-hij in zijn vaart wordt gestuit door den wipstoel alsook het daarin
-aanwezige lichaam zijner moeder.
-
-Nog vóór ze van den ontvangen schok is kunnen bekomen, tusschen twee
-gejaagde ademhalingen in, fluistert hij haar iets toe.
-
-»Wat zeg je?« En ze vliegt overeind met doodsschrik op het gezicht.
-»Een dolle hond... groote God! waar? Nita! Daan! Spen! Juf! Boe! grijpt
-de kinderen! Grijpt er ieder een! We moeten ze opsluiten!«
-
-Nu was het gemakkelijker gezegd dan gedaan, een Bruining te grijpen.
-Nauwelijks zagen ze den even onverwachten als talrijken jachtstoet den
-tuin instormen, of het kwaad geweten, dat elk dezer jeugdige bandieten
-met zich omdroeg, dreef hem om zijn heil te zoeken in de vlucht.
-
-’t Was te vergeefs dat de rampzalige moeder hen toeriep, hoe geen
-ontdekt kattekwaad de reden der vervolging was; te vergeefs dat de
-Javaantjes hun hoofddoeken aan de takken der boomen lieten, te vergeefs
-dat de baboes haar statige sarongstap veranderden in een gestrekten
-draf, te vergeefs dat de juf—als alle juffen van mevrouw De Bruining in
-korten tijd corpulent geworden—struikelde over de barrières, die de
-vindingrijke knaapjes voortdurend opwierpen, de drijfjacht duurde meer
-dan tien minuten.
-
-Toen waren ze allen gegrepen en werden ze, als biggen op een marktdag,
-onder even vervaarlijk geschreeuw en met even weinig complimenten,
-opgepakt en in veiligheid gebracht; maar het helsch rumoer dat ze
-aanhieven, zoodra ze zich opgesloten zagen, overtrof alles wat
-verontwaardigde biggen ooit geleverd hebben op dit gebied.
-
-»En nu den hond! Het pistool!« schreeuwt Louise hoog boven het rumoer
-uit.
-
-Mijnheers jongen brengt het pistool en met den moed, dien de wanhoop en
-het leven in Indië geven, snelt mevrouw—nu gevolgd door zeer enkele
-harer jongens—den tuin in, het huis door!
-
-Geen dolle hond.
-
-»Waar is Frits? Mijn hemel, waar is dat kind nu gebleven? Fritsje,
-lieveling, waar zit je? Als je gebeten bent, zeg het dan dadelijk,
-misschien kan het nog worden uitgebrand.«
-
-»Wat toch, ma?« vraagt Frits, terwijl hij van onder het tafelkleed komt
-uitgekropen; »wat toch?«
-
-»Kind, waar heb je dien hond gezien?«
-
-»Een hond?« herhaalt Frits. »Een hond?«
-
-»En je komt me zeggen dat er een dolle hond is.«
-
-»Ik?« Frits kijkt zijn moeder aan alsof hij vreest voor plotseling
-ingetreden krankzinnigheid. Daar heeft hij een helder oogenblik.
-
-»Meent u wat ik u kwam zeggen, van Toetie? Dat ze weer met een vollen
-mond praatte?«
-
-»Jou leelijke klikspaan!« En op Frits’ wijd uitstaande ooren dalen een
-paar vegen zoo krachtig als alleen een door schrik en angst overspannen
-moeder ze kan toedienen.
-
-Daarna worden de kinderen verlost.
-
-Maar nauwelijks hebben ze de toedracht der zaak vernomen of, woedend
-over hun kortstondige gevangenschap, vallen ze als één man aan op het
-ongelukkige kind, dat huilend herinnert hoe ma hem gister heeft
-opgedragen te waarschuwen, als Toetie weer met den mond vol praat.
-
-Mevrouw Verschuere brengt haar uitgeputte vriendin een glas ijswater.
-
-»Zal ik u ook eens inschenken?« vraagt ze dan, eenigszins verbaasd over
-de houding van den heer des huizes, die gedurende het geheele incident
-niet uit zijn ziekestoel verrezen is.
-
-»Neen, dank u, ik ben niet geschrikt,« zegt de heer De Bruining kalm.
-
-»Niet?«
-
-»Hebt u de geschiedenis wel eens gehoord van den man met den wolf?«
-vraagt hij dan. »Het gaat mij als de boeren: ik ben zoo dikwerf
-toegeschoten op een loos alarm, dat ik niet meer aan een ongeluk
-gelooven kan.«
-
-’t Duurde lang vóór de gemoederen bedaard waren, lang ook voor het
-gelukte de jeugdige Bruiningjes te doen luisteren naar het klokje van
-gehoorzaamheid; eindelijk bood Nita aan, daar juf zich zwaar gewond
-meldde en de meiden nog niet genoegzaam schenen uitgerust, Jantje naar
-bed te brengen evenals toen hij ziek was, en daar Jantje’s ziekte een
-groot evenement was geweest in de familie, werd dit beschouwd als een
-soort van voorstelling. Gelukkig sliepen de toeschouwers reeds half
-onder het kijken en slaagde men daardoor er in, hun verwijdering te
-bespoedigen.
-
-Als mevrouw Verschuere in de achtergalerij terug komt is de maan
-verrezen; want gelijkt onze hollandsche hemel een slecht beheerd
-theater, waar de toeschouwers moeten wachten, wachten tot in het
-oneindige, zonder dat het donkere scherm wordt opgehaald, de Indische
-is als een feërie: het eene schitterend tooneel volgt het andere
-onmiddellijk op: nog ziet men links de purperen sleepgewaden van den
-hofstoet die de onttroonde koningin verzelt in de ballingschap als
-rechts reeds haar blonde opvolgster nadert.
-
-Nita vindt mevrouw De Bruining nog steeds pogingen aanwendend om tot
-kalmte te komen, blijkbaar met geen ander doel dan om die te gebruiken
-voor een toornig protest tegen het noodlot.
-
-»Ik vraag je, Nita! Is dat nu niet verschrikkelijk, zoo’n toestand? Men
-heeft geen oogenblik rust. Ik begrijp niet dat er nog menschen zijn met
-groote huishoudens, hier in Indië ten minste. Is me dit nu een klimaat
-om acht kinderen te hebben?« En als op dezen wanhoopskreet echtgenoot
-en bezoekster stil blijven: »Neen ze mogen van Holland zeggen wat ze
-willen, het kan er nooit zoo lastig zijn om kinderen te hebben als
-hier. Daar kan men ze ten minste opsluiten, in één kamer houden.«
-
-»Of dat nu zoo’n voorrecht is, wordt, geloof ik, wel eens betwijfeld,«
-meent Nita te moeten opmerken.
-
-»Maar in elk geval zijn ze onder beter toezicht. Eén hollandsche meid
-is meer waard dan tien van die javaansche schepsels.«
-
-»Zoudt u denken?« vraagt Nita, en ze herinnert zich enkele exemplaren
-der laatste uitgave van vaderlandsche dienstmeisjes. Maar waartoe de
-arme haar illusie ontnomen?
-
-»Ben je nu niet wat onrechtvaardig, kind?« vraagt De Bruining.
-
-Een oogenblik nog moet de veelgeplaagde strijd voeren tegen haar
-humeur, dan slaat ze de trouwhartige oogen op naar haar man en zegt:
-»Ja, je hebt gelijk, ik moest zoo niet praten. ’t Is heel ondankbaar
-van me.«
-
-»Even ondankbaar als het straks van mij was ons goede Oostje bij een
-courtisane te vergelijken. U ziet, mevrouw Verschuere, we vervallen
-reeds in het zwak van de oudgasten: wijl Indië ons niet alles schonk
-wat we vroegen, vergeten we het vele dat het ons gaf en worden
-mopperaars.«
-
-»Nu ja, een oogenblikje misschien, maar niet lang; dáárvoor zijn we
-hier te gelukkig geweest.«
-
-»Dat zijn we,« zegt Daan.
-
-»Weet je nog,« begint nu Louise, »weet je nog toen we op Trogong waren?
-Was dat niet heerlijk? Die frissche, geurige berglucht? Die
-vriendelijke bevolking? En hoe goedkoop was het er en hoe mooi! Weet je
-nog, ’s morgens als we gingen paardrijden?«
-
-»En ’s avonds, als de maan zoo helder scheen en we zoo poëtisch gestemd
-werden?«
-
-»En zoo verliefd!«
-
-»Hemel, ja!« roept hij lachend. »’t Is waar ook, vreeselijk verliefd!«
-
-»Wat hadden we daar toch een mooien groentetuin, Daan! Herinner je je
-onze eerste doperwten, die ik niet eten wou, omdat ik vond dat jij er
-de helft van hebben moest... toen het bleek dat de spen ze had
-opgesmuld? Och, Nita, je hadt eens moeten zien, hoe eenvoudig we daar
-leefden en hoe primitief ons huis was. Geen sprake van marmeren vloeren
-of gestukadoorde plafonds, hoor... en het was er toch goed wonen, niet
-waar, Daan! Ja, ’k weet wel, het lekte een beetje en de deuren sloten
-niet al te goed, maar ’t was toch lief.«
-
-»Ja, kind, lief was het,« en van zijn gelaat is de strakke, knorrige
-trek verdwenen.
-
-»Was dat uw eerste standplaats?«
-
-»Ja; boven in de Preanger. Een groene vlakte vol witte huisjes. De
-prettigste standplaats die we ooit gehad hebben.«
-
-»Zou je denken?« vraagt Louise. »En Batoe, vergeet je Batoe dan? Je
-weet niet, Nita, hoe vroolijk het daar in dien Oosthoek lijkt. Ik heb
-me dikwerf afgevraagd, of het komt doordat het groen er zoo
-doorschijnend is of het licht zoo schitterend, maar zooveel is zeker,
-als ik op ons verblijf in den Oosthoek terugzie, is het altijd met
-genot!«
-
-»Weet u, mevrouw Verschuere, wat ik later wel eens gedacht heb? Dat het
-beter voor ons zou geweest zijn, als we op zoo’n stil, vriendelijk
-buitenpostje gebleven waren. ’t Is waar, er gaat niet veel om in zoo’n
-leven, maar het is rustig; men kan huiselijk geluk smaken, wat dan toch
-bij slot van rekening nog het hoogste geluk is....«
-
-Mevrouw Verschuere zucht.
-
-»Ik zou mettertijd een goed resident geworden zijn, geloof ik, en zij
-juist de residentsche, die men in de binnenlanden hebben moet,
-hartelijk en gul en niet te veeleischend. Want, is ’t wel, Wies,
-trotsch of heerschzuchtig zou je niet geworden zijn?«
-
-»Ik geloof het niet,« zegt ze, lachend bij het denkbeeld.
-
-»Wij waren geen menschen voor Batavia, voor Buitenzorg; wij behooren
-niet aan een hof; wij behooren thuis, bij elkaar, bij onze kinderen,«
-zegt Daan.
-
-»We hebben één troost, man; we hebben er nooit naar gejaagd! Niet waar,
-ik klaagde niet over de eenzaamheid, ik haakte niet naar conversatie of
-partijen. Kun je je dat voorstellen, Nita, dat het ons nooit ontbrak
-aan bezigheid of discours? En hij had overal tijd voor. Om met me te
-gaan wandelen, om me voor te lezen, om den tuin in orde te brengen, om
-de kinderen bezig te houden.«
-
-»Deedt u dat wel eens?« vraagt Nita ongeloovig. »De kinderen bezig
-houden!«
-
-»Of ik dat deed!« roept De Bruining, en ’t is of hij wel tien jaar
-jonger wordt bij de herinnering; »vraag eens aan Louise, of ze ooit een
-juf had, wie ze kinderen zoo gerust durfde toevertrouwen als aan mij.«
-
-De donkere wolk, die het woord »juf« altijd op het gelaat van mevrouw
-De Bruining te voorschijn roept, blijft ook nu niet uit, terwijl ze met
-een diepen zucht antwoordt:
-
-»Dat zou al een heele schrale lof zijn, Daan! Neen, je waart toen...
-och, wat was je een goed vadertje in dien tijd! Als ik denk, hoe weinig
-je je de laatste jaren met de kinderen kondt bemoeien, dan verwensch ik
-ze uit den grond van mijn hart, die hooge betrekkingen, die de vaders
-aan hun huisgezin ontrukken.«
-
-»En de moeders groote tractementen bezorgen,« merkt hij lachend op.
-»Dat moet je niet vergeten.«
-
-»Dat is zoo,« stemt Louise toe.
-
-»En toch, ik wil je wel bekennen, kind, als ik alles nog eens bedaard
-naga, dan zijn de beste souvenirs die ik meêneem uit Indië, de
-souvenirs aan het vredige, stille leven in de heerlijke natuur.
-Waarachtig, ik kon ze soms benijden, die jonge controleurs, die me hun
-opwachting kwamen maken, als ze met hun jonge vrouw naar de
-binnenlanden trokken... Ze vermoedden niet wat ze gingen genieten van
-het jonge leven en de jonge liefde, door niets afgeleid door niets
-gestoord... Ja, men ziet het te laat in, maar dat zijn de beste jaren,
-dat is de gelukkigste tijd; dat is de idylle van het indisch
-ambtenaarsleven.«
-
-Weer zucht mevrouw Verschuere.
-
-»Ga je reeds weg, Nita? Nu, mijn hartelijken dank voor je lief bezoek.
-Je ziet hoeveel goed je ons gedaan hebt.«
-
-»Mijn groeten aan Verschuere, mevrouw, en feliciteer hem van mij. ’t Is
-een prachtige promotie, die hij in korten tijd maakt... Onthoud wat ik
-u voorspel, mevrouwtje, hij brengt het nog verder.«
-
-»Ik zal morgen de naaister zenden; en stuur mij een paar kinderen; dat
-zal u rust geven. Nu, adieu!«
-
-»Wat was mevrouw Verschuere stil,« zegt De Bruining, als ze is
-weggereden.
-
-»Arm kind!« fluistert Louise; »arm, lief kind! Ze verlangt naar de
-idylle!«
-
-Wie zou het geloofd hebben op Buitenzorg, dat dien avond mevrouw De
-Bruining mevrouw Verschuere beklaagde?
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII
-
-EEN TROEP BENGELS.
-
-
-De moeilijkheid, waarin de man verkeerde, die den wolf, het lam en de
-kool wilde overbrengen, was niets, vergeleken bij die van mevrouw De
-Bruining toen zij, op aandrang der goede vrienden, het plan om in een
-hôtel te gaan, had opgegeven en nu bepalen moest, waar zij zouden
-verblijven in de laatste dagen voor het vertrek. Natuurlijk kon niemand
-de geheele familie tegelijk herbergen, tenzij mevrouw Van Waliënhove;
-er kwam dan ook te bekwamer tijd een lief briefje van Clotilde, waarin
-ze uit naam van mama het logeergebouw ten paleize ter beschikking der
-familie stelde.
-
-»Neen, ik kan veel doorstaan, maar dat niet!« riep Louise.
-
-»Kind! hoe heb ik het nu met je?« vroeg Daniël. Waarop zijn vrouw
-neerzonk in den kinderstoel (de eenige die bij de hand was, de anderen
-werden gepolitoerd) en hem vroeg, of hij dan niet wist dat daar
-tapijten lagen onder de tafels—hierbij doelende op de neiging harer
-spruiten om den vloer te beschouwen als een sawah, waarop elke
-rijstkorrel honderdvoudige vrucht zou dragen;—of hij dan niet wist dat
-er zijden dekens op de bedden waren—met het oog op een andere
-eigenaardigheid;—dat sarong en kabaai—haar grootste troost in deze
-bange dagen—daar niet vermoed, veel minder gezien mochten worden; dat
-Frits slaags zou raken met Oscar en hem zeker onder zou krijgen, wat
-ten gevolge zou hebben...
-
-»Goed! goed!« riep Daan, die er in zou toegestemd hebben dat men hem
-roosterde, als hij maar niet werd lastig gevallen met de voorbereidende
-maatregelen.
-
-»Neen, laten we nu eens kalm beraadslagen,« vermaant Louise, terwijl
-zij beproeft zich wat gemakkelijker te vlijen in den kinderstoel.
-
-Daniël onderwerpt zich. De kleinsten moesten bij mama blijven. Dat
-sprak van zelf.
-
-In den laatsten tijd verheugde De Bruining zich altijd zeer, wanneer
-iets van zelf sprak en dus herhaalde hij vroolijk: »Van zelf.«
-
-»En Jantje. Hij zal volstrekt mee naar mevrouw Verschuere willen, en
-Toetie is ook best bij mij. Zij kan niet buiten ons, dat teêre hartje!
-Dan heb je kleine Daan!«
-
-»En ik!?« roept De Bruining ongerust, »vergeet mij niet.«
-
-»Ja, dat is waar ook,« zegt Louise en zucht bij het dilemma.
-
-De zieke vergist zich in de beteekenis van dien zucht. »’t Spijt me,
-Wies,« zegt hij nederig, »dat ik het je zoo lastig moet maken.«
-
-»Daan!« roept Wies, »foei, hoe kun je zoo iets zeggen?« en ze vliegt
-naar hem toe, gevolgd door den tafelstoel, die zich hardnekkig aan haar
-vastklemt en de omhelzing, welke plaats heeft, niet weinig bemoeilijkt.
-
-»Dan zouden we dus met ons vijven bij Verschuere gaan. We sturen Frits
-en Daan bij mevrouw Paerel...«
-
-»Frits en Daan? Maar lieve man, waar denk je aan? we kregen ze niet
-levend terug! Als die twee bij elkaar zijn, verzinnen ze dingen...«
-
-»Wim dan—met de juf?«
-
-»De juf... daar zeg je zoo iets. Waar zullen we die heensturen dat we
-het minste last van haar hebben? In ’t hôtel maar.«
-
-»Met Louis?«
-
-»Neen, die sart ze voortdurend.«
-
-»Maar... mijn God, wat moet er dan gebeuren?«
-
-Mevrouw De Bruining ziet, dat mijnheer zijn hoofd vasthoudt. Dit,
-gevoegd bij haar steeds moeilijker zitplaats, brengt haar tot een
-besluit. Mini en baboe ade, Toetie de teergevoelige en Daan de zieke
-zullen haar volgen naar Verschuere, de rest zal bij mevrouw Paerel
-worden ingekwartierd. ’t Was wel gevaarlijk, maar in ’s hemelsnaam, de
-dokter woonde dicht in de buurt, voor het geval dat er een ongeluk
-gebeurde en—dit met een zucht van eerbiedige bewondering—mevrouw Paerel
-was zoo flink!
-
-Nita lachte met haar vriendelijksten lach, toen zij de regeling vernam
-en verzocht vooral Jantje—die reeds weken bij haar logeerde—tot het
-laatste te mogen houden; mevrouw Paerel zag er niets tegen op en zoo
-was dus alles tot wederzijdsch genoegen geschikt. Dit nam niet weg,
-dat, toen enkele dagen later de familie arriveerde, beide dames zich
-voelden als een boer die inkwartiering krijgt.
-
-Maar wie had nu ook kunnen vermoeden, dat Louise, na vier weken lang
-niet anders gezien te zijn dan gebogen over kisten en koffers, beladen
-met stapels kleeren, gewapend met spijker en hamer, verward in kluwens
-bindgaren of struikelend over bergen scheurpapier, wie had kunnen
-gelooven dat Louise nog altijd niet gepakt zou zijn?
-
-Wie ook had kunnen vermoeden dat de kinderen hun verhuizing zouden
-inrichten op de manier van Noach; dat Daantje zijn pratenden béo met
-zich zou voeren, dat Louis de reis zou aanvaarden met een
-kattéehaantje, dat Frits op den voet zou gevolgd worden door twee
-blatende geitjes en Willem door een paar jonge honden?
-
-»Mijn hemel! wat komt dáár aan?« riep mevrouw Paerel, toen de stoet de
-kanarielaan afkwam en zij ze reeds in de verte hoorde. »Maar zijn ze nu
-heelemaal gek geworden?« vroeg ze, toen zij kon onderscheiden wat de
-kinderen meebrachten.
-
-Het verhinderde niet dat zij ze hartelijk welkom heette.
-
-»Alle kinderen binnen en alle beesten naar den stal,« sprak ze
-vriendelijk, maar toch op den toon waaraan haar parelsnoer geleerd had
-te gehoorzamen.
-
-Dit scheen echter geenszins in de bedoeling te liggen; de jonge
-Bruinings keken haar eerst verbaasd en vervolgens, toen het bevel
-herhaald werd, uitdagend aan, drukten hun lievelingen vaster aan de
-borst, herhaalden het woord »beesten«, alsof dit een vreeselijke
-beleediging was, in één woord gedroegen zich alsof ze lid waren van een
-maatschappij voor dierenbescherming.
-
-»Komaan, laten we eerst die kip maar eens wegbrengen.«
-
-»’t Is een haan!« riep Frits met de grootste verachting voor zulk een
-vergissing.
-
-»Nu, dien haan dan.« En toen Louis weigerend het hoofd schudde, voegde
-ze er lachend bij: »Hij slaapt toch niet bij je in bed?«
-
-»Zeker; altijd.«
-
-Mevrouw Paerel schrikt niet gauw, maar dit antwoord, gegeven alsof het
-van zelf sprak, brengt haar toch min of meer van haar stuk. Na eenige
-aarzeling besluit ze echter haar gewone taktiek te volgen en met
-redeneeren te beginnen, om eerst, als redeneeren niet baat, tot krasser
-maatregelen over te gaan. Zij verzamelt—niet zonder eenige vrees voor
-zekere gebeurlijkheden—de kinderen met hun beesten rondom zich en
-begint, onder het klagelijk geblaat der geitjes, het nijdig gebrom der
-honden en het gekakel der kippen:
-
-»Zeg er eens, jullie vindt het zeker erg naar, dat je arme, goeie papa
-zoo zenuwachtig is in den laatsten tijd?«
-
-»Ja,« roept Frits, »hij kan niets verdragen; ma roept maar altijd dat
-we stil moeten zijn.«
-
-»Juist. Je begrijpt dat het heel treurig zou zijn als de papa van mijn
-jongens ook zoo werd.«
-
-»Nu, dat zou je voelen,« merkt Daan op, tot den oudsten Paerel gewend;
-»ze slaan er maar op, hoor! als ze dat hebben.«
-
-»Omdat ik de ziekte van je papa voornamelijk toeschrijf aan het rumoer,
-dat bij jullie altijd in en om huis was...«
-
-»Hou je mond, kwaje meid,« roept nu de béo; en mevrouws juf, die
-uitmuntend gedisciplineerd is, doorleeft een vreeselijk oogenblik.
-
-»Omdat ik bang ben dat mijnheer Paerel anders dezelfde ziekte krijgen
-zal, heb ik verboden dat op mijn erf ooit eenig leven gemaakt wordt.«
-
-Hier kraait de haan. Maar als een tweede Petrus stoort ze zich daaraan
-weinig en gaat voort: »Er zijn maar twee soorten van beesten, die hier
-mogen komen: visschen en konijnen; alles wat schreeuwt, kraait, miauwt,
-blaft of blaat wordt onmiddellijk verwijderd.«
-
-Daar ze ziet dat haar toespraak niet den minsten indruk maakt, slaat ze
-opeens een graftoon aan: »Ze blijven hier nooit een nacht, want de
-jongens hebben last om, zoodra het donker wordt, ze te verwurgen of
-dood te slaan.«
-
-Nauwelijks heeft mevrouw Paerel uitgesproken, of Louis, die op haar
-schoot leunde, springt ontzet achteruit; een gehuil als van halve
-wilden stijgt op uit de groep, een stem, nu niet van de béo, zegt
-duidelijk hoorbaar: »wat een gemeen mensch!« Teekenen worden gegeven,
-en zonder een woord te spreken rennen ze weg, met de beschermlingen
-onder den arm, de voorgalerij uit, de kanarielaan weer in.
-
-Mevrouw Paerel moet bekennen dat ze nog zelden voor zoo’n ondankbaar
-publiek gesproken heeft. Maar zij vindt het geval meer grappig dan
-onrustbarend en verheugt er zich op om, als Paerel straks thuis komt,
-hem er het verhaal van te doen.
-
-»Zij gaan ze denkelijk in veiligheid brengen,« zegt ze kalm tot haar
-bonne. »Loopt u ze even na? U behoeft natuurlijk niet te hollen, zooals
-zij. En brengt u ze me straks hier zonder de beesten. Dan ga ik in dien
-tijd thee zetten voor mijnheer en zal ik zorgen dat ze wat lekkers
-vinden als ze terugkomen.«
-
-Maar die zorg was onnoodig; ze kwamen niet terug.
-
-Was mevrouw Paerel ontsteld geweest bij de aankomst harer gasten, niet
-minder was mevrouw Verschuere het, toen de eene kar na de andere haar
-erf opreed, toen de koelies haar bloempotten omverwierpen bij het
-afladen der kisten, toen een der buffels aan haar mooiste klimplant
-begon te knabbelen.
-
-Met moeite onderdrukt ze den zucht, die aan haar borst dreigt te
-ontsnappen, nu ze haar bijgebouw ziet vol laden met allerlei mogelijke
-en onmogelijke voorwerpen, nu ze voortdurend stoot op kinderen en jonge
-honden (het was een nest van vijf geweest); ze zwijgt en onderwerpt
-zich. Maar toch, als Sarinah Toetie oppakt en wegleidt van een
-fantasiestoeltje, waarop dat kind bezig is vette vingers te zetten, als
-Mingo de lieve Jantje meeneemt in plaats van hem bij den suikerpot te
-laten, dan is ze haar bedienden zeer dankbaar. Ze staat trouwens voor
-alles alleen. De Bruining ligt in zijn ziekestoel, doodelijk afgemat na
-de inspanning die het overgeven zijner betrekking hem kostte; Louise
-heeft het veege lijf uitgestrekt op den divan, vermoeid als slechts een
-vrouw zijn kan, die daareven een huis verliet, »klaar voor de
-vendutie.« Verschuere heeft gezien waar de logées zijn neergezegen en
-zich toen geborgen in het tegenovergestelde gedeelte van het huis, en
-de juf is wel meegekomen, maar naar het schijnt met geen ander doel dan
-om de badkamer te bezetten.
-
-Nita schenkt thee en limonade—De Bruining zijn alle warme dranken
-verboden—en melk voor de jonge honden, en wenscht dat er onweer kwam of
-dat de deur van de badkamer openging.
-
-Daar vernemen ze in de verte een verward rumoer: hondgeblaf,
-geitgeblaat, kindergeschreeuw, en met een schrik, die in een gewoon
-geval onnatuurlijk zou zijn, rijst mevrouw De Bruining overeind en
-krijt: »Goede hemel, daar heb je ze!«
-
-Het moet gezegd, de ontmoeting tusschen de jonge honden en hun mama is
-hartelijker dan die van ouders en kinderen.
-
-Barsch vraagt de vader: »Wat beteekent dat nu?« en met een hardheid,
-die haar straks tranen van berouw zal kosten, roept de moeder:
-
-»Wil je wel eens dadelijk naar mevrouw Paerel gaan, ondeugende
-bengels.«
-
-»Ze wil ons niet hebben, pa,« zegt Daan. »Ze zegt dat ze ons van nacht
-allemaal zal laten wurgen.«
-
-»Of doodslaan!« voegt Frits hier tot opheldering bij.
-
-»Wurgen? Doodslaan? Wat is dat nu voor nonsens?«
-
-»Ja, pa,« huilt Louis, »ik ben zoo bang! Zij zegt dat op haar erf alles
-wat schreeuwt wordt doodgemoord.«
-
-»Maar je behoeft niet te schreeuwen.«
-
-»En als we dan naar bed gaan, pa?« vraagt Louis, nu blijkbaar verbaasd
-over zoo’n bewering.
-
-»Dat is waar ook. Dan schijn je ’t niet te kunnen laten. Maar... ’t is
-onmogelijk dat die goede mevrouw Paerel zoo iets gezegd heeft.«
-
-»Wat? Goed? ’t Is een vilder! een beestenmoordenaar! We gaan er niet
-meer heen!«
-
-Een doodelijke angst grijpt mevrouw Verschuere aan bij deze bedreiging.
-Zij stopt de kinderen ieder een koekje in de hand om ze tot zwijgen te
-brengen en wendt zich tot de juffrouw, die eindelijk uit de badkamer te
-voorschijn kwam.
-
-»Als u eens even naar mevrouw Paerel gingt en vroegt wat er gebeurd
-is?«
-
-»Ja, mevrouw, zoodra ik gekleed ben.«
-
-Daar de juffrouw juist even lang noodig heeft om zich te kleeden als om
-te baden, geeft dit voornemen weinig uitzicht op een spoedige
-oplossing, maar gelukkig komt op dit oogenblik de bonne van mevrouw
-Paerel. Ze heeft hard geloopen; zij is niet corpulent, zooals die der
-De Bruinings. Met enkele woorden teekent ze den inval der kinderen,
-mijnheers gevoeligheid voor hanengekraai, mevrouws afschuw van jonge
-honden; dan wendt ze zich tot de jongens en verhaalt van de
-lekkernijen, die hen wachten als ze medegaan.
-
-»En mijn geitjes?«
-
-»En mijn haantje?«
-
-»En de béo?«
-
-»Ja die kunnen niet mee.«
-
-»Dan gaan wij ook niet.«
-
-»Mijn God, mijn hoofd! Wies, wat moet er gedaan worden? Schaf dan toch
-raad, Wies!«
-
-Haar goede genius herinnert op dit oogenblik aan mevrouw Verschuere,
-dat men van twee kwaden het minste moet kiezen, en daar de treurige
-waarheid zich meer en meer aan haar opdringt dat ze òf de beesten òf de
-kinderen zal moeten houden, besluiten ze tot het eerste.
-
-»Zie maar of je hier niet een plaatsje voor hen vinden kunt. Mingo,
-help de jonge heeren eens.«
-
-»We zullen den béo hier in de achtergalerij hangen,« zegt Frits
-dankbaar, »dan hebt u er nog wat aan, hij is zoo aardig!«
-
-»Nita, je bent een engel!« zucht mevrouw De Bruining.
-
-»Hoe je mond, kwaje meid,« roept de béo.
-
-»Nu, hebben we ’t u niet gezegd? Is hij niet aardig?« gillen de
-kinderen. Maar daar papa luide begint te kermen van vermoeienis, geven
-ze eindelijk aan de roepstem der bonne gehoor en verdwijnen.
-
-Het blijkt in den loop van den avond dat deze aardigheid van den béo
-zijn eenigste is en misschien beter op haar plaats in zijn vroegere dan
-in zijn tegenwoordige betrekking; hij is namelijk lang in het bezit
-geweest van een gepensioneerd onderofficier, die naar de wijze des
-lands leefde.
-
-De avond ging vrij rustig voorbij. Er kwam een leitje van mevrouw
-Paerel, dat de ouders, zoo mogelijk, nog meer verbaasde dan verheugde:
-het meldde toch dat de kinderen in de rust waren en zich zeer goed
-gedragen hadden.
-
-Het lekkere dineetje—er was in den laatsten tijd niet veel werk gemaakt
-van de tafel thuis—fleurde den zieke wat op; de gedachte, dat ze morgen
-geen huishouding meer zou hebben, maakte mevrouw De Bruining vroolijk;
-Verschuere, de eenige van het gezelschap die niet moe was, deed de
-anderen hun vermoeidheid vergeten en men wenschte elkaar in vrij
-prettige stemming goeden nacht.
-
-Die wensch zou niet vervuld worden. Even na het slaan van twaalven werd
-eerst mevrouw en kort daarop ook mijnheer Verschuere gewekt door een
-klagelijk schreien. Nita dacht aan den zuiling, Gustaaf aan katten.
-Eindelijk begrepen ze dat het de geitjes waren.
-
-Er is niets onvermoeider dan een blatende geit, of ’t moesten twee
-blatende geiten zijn. Ze hielden niet op met blaten, en hield er eens
-eene op, dan vulde de andere onmiddellijk de pauze aan.
-
-Het »hou je mond, leelijke meid,« dat de béo nu en dan ten beste gaf,
-was het wakend echtpaar wel uit het hart gegrepen, maar toch hadden zij
-het best zonder dezen tolk hunner gevoelens kunnen doen, en meermalen
-gaf Verschuere, die zijn onmacht om de geiten te grijpen maar al te wel
-inzag, den wensch te kennen om ten minste dat »zwarte mormel« den nek
-om te draaien.
-
-Tegen den morgen schenen de beesten eindelijk uitgeput, maar dat
-plotseling stilzwijgen vervulde Nita met angstige vermoedens omtrent
-hare bloemen. En nu begon de haan te kraaien, zooals alleen een
-katteehaan kraaien kan. De »ellendeling«, gelijk Verschuere hem noemde,
-wekte al zijn collega’s uit de buurt, met dit gevolg dat kwart vóór
-vijven de nieuw benoemde algemeene secretaris stond te bonzen op de
-deur van Mingo’s kamer, rillend van de morgenkoude en in het humeur van
-een indisch man, die op is en nog geen koffie heeft.
-
-»Is er brand, toewan?« vraagt Mingo slaapdronken, terwijl hij zijn
-hoofddoek omknoopt.
-
-»Neen, veel erger! Roep al de jongens! de spen allereerst om me koffie
-te geven te geven en breng die monsters weg.«
-
-»De logées?« vraagt Mingo met het onveranderlijk gezicht van den nooit
-verbaasden Javaan.
-
-
-
-
-
-
-
-XIX
-
-SERENADE EN VUURWERK.
-
-
-In tegenstelling van den heer Paerel, die ronduit verklaart, dat als de
-jeugdige Bruinings nog één dag in zijn huis moeten blijven, hij het
-ontruimen zou; in tegenstelling van mevrouw, die Louis zonder eten naar
-bed gezonden, Daantje een oorveeg gegeven en de juf flink haar meening
-gezegd heeft over bonnes, die, in plaats van te doen waarvoor ze
-betaald worden, er ponyhaar en kuren op nahouden, zijn de Verschuere’s
-vrij kalm gebleven bij hun wederwaardigheden. En ze waren vele! Maar op
-den laatsten avond dreigden ook zij hun geduld te verliezen. ’t Is
-echter niet de schuld der logées, als er al te veel van dat geduld
-wordt gevergd: hoe toch kunnen die arme menschen vermoeden wat zoo
-zorgvuldig is geheim gehouden, hoe toch kunnen zij denken, dat er een
-plan bestaat, een plan, tot welks uitvoering allereerst noodig is dat
-mijnheer en mevrouw De Bruining »gekleed« zijn!
-
-»Het is kwart voor vijven,« zegt Verschuere, die ongewoon vroeg thuis
-kwam en sedert zijn thuiskomst reeds één leitje weggezonden en twee
-leitjes ontvangen heeft.
-
-»Ja,« antwoordt mevrouw De Bruining rustig wippend, »nog vroeg hè?«
-
-»Niet zoo bizonder vroeg,« meent Verschuere. Maar de manier waarop zijn
-logée zachtjes voortschommelt, bewijst dat ze bij haar eerste meening
-blijft.
-
-»Nog een kopje?« vraagt Nita, die, wat haar ook niet elken middag
-gebeurt, reeds gekapt en gekleed is, in zooverre ze slechts haar
-peignoir voor een japon heeft te verwisselen.
-
-»Ja, zoo straks! Maar er is geen haast bij. Ga gerust je gang met de
-bloemen.«
-
-»Ik vrees dat er wèl haast bij is,« waagt Nita op te merken, terwijl ze
-dadelijk ophoudt met het maken van een bouquet en inschenkt; »u zult
-wel visite krijgen.«
-
-»O, dat wel! Maar niet zoo vroeg.«
-
-»Zoo vroeg? ’t Is vijf uur vóór we allen gebaad en gekleed zijn...«
-
-»Wat ben je onrustig, Verschuere, met die warmte.... ik wou dat we een
-flinke donderbui kregen,« zegt De Bruining.
-
-»Een donderbui? Om alles te doen mislukken?« roept Nita, onvoorzichtig
-als vrouwen zijn kunnen.
-
-»Wat?« vraagt Louise, »wat zou mislukken?«
-
-»Och... alles... de oogst bijvoorbeeld.«
-
-»De oogst? Hoe meer regens de sawahs nu krijgen, zooveel te beter!« en
-De Bruining vraagt zich af, of het mevrouw Verschuere is die zoo’n
-domheid zeggen kan.
-
-Als Wies één zwak heeft, dat zelfs Daan erkennen moet, dan is het dat
-ze nooit een trekpot kan verlaten vóór die tot den laatsten druppel
-geledigd is; als men den heer De Bruining iets ten laste kan leggen,
-dan moet het zijn dat hij sedert het overdragen zijner betrekking
-onbeschrijfelijk lui is geworden; en met deze gegevens, gevoegd bij de
-drukkende atmosfeer, die heden heerscht, ziet het er somber uit voor
-het plan, tot welks uitvoering allereerst vereischt wordt dat mijnheer
-en mevrouw De Bruining gekleed zijn.
-
-»Nu wordt het toch onze tijd! Hemelsche goedheid, ’t is half zes,«
-roept opeens de gastheer met luider stem en springt, schijnbaar
-ontsteld, overeind, in de hoop ook hen te doen verschrikken.
-
-»Nog tien minuten er voor,« constateert De Bruining met een blik op de
-hangklok en blijft rustiger dan ooit liggen.
-
-Op dit kritiek moment daagt er ontzet. ’t Is in de persoon van mevrouw
-Verschuere’s neef.
-
-Hij overziet den toestand met een blik, den toekomstigen veldheer
-waardig.
-
-»U hier, mevrouw De Bruining?« vraagt hij. »O! daarom hoorde ik zeker
-dat arme kindje van u zoo schreien. ’t Scheen of er niemand bij was
-en«.. Maar hij kan zwijgen; reeds heeft de moeder den trekpot in den
-steek gelaten.
-
-»Mijn waarde heer De Bruining—neen, dank je Verschuere, ik zal niet
-rooken—misschien doe ik u geen ondienst met u te waarschuwen... ik heb
-er zoo iets van gehoord dat Zijne Excellentie voornemens zijn zou u nog
-even te bezoeken.«
-
-Met een snelheid, welke men niet bij hem gezocht zou hebben, verdwijnt
-ook De Bruining in het bijgebouw, en nauwelijks is hij verdwenen of er
-ontstaat een luid geroep om bedienden, beantwoord door een trouwe
-opkomst en gevolgd door een groote drukte.
-
-Alle jongens en meiden komen toeschieten: een grijpt het theegoed weg,
-een ander zet de stoelen en tafels ter zijde, een derde maakt alle
-deuren en vensters open, een vierde komt aandragen met groote bladen
-vol champagneglazen, een vijfde begint de lampen te ontsteken, alles
-onder leiding van James, die beloofd had een handje te komen helpen en
-zijn belofte schitterend gestand doet.
-
-Ook Hooglaan komt nu aangetreden—hij kon onmogelijk zoo haastig toilet
-maken als zijn collega—en met zijn afgemeten pasjes, zijn zwaaiend
-badientje en keurige kleeding zou hij reeds van verre een zeer goeden
-indruk maken, zoo niet, met dezelfde kleine pasjes, allen achter
-elkaar, zes inlanders hadden voortgestapt, wat hem deed gelijken op den
-aanvoerder van een troep ganzen. De zes inlanders waren de dragers van
-zes reusachtige bouquetten.
-
-»Van mevrouw van Waliënhove?« vroeg Nita, toen ze uit haar voorgalerij
-den stoet zag naderen.
-
-»Neen! Die neemt het zeer kwalijk, dat, als zij een afscheidsdiner
-geven wil, De Bruining het wagen durft zóó ziek te zijn dat hij het
-niet kan bijwonen. Clotilde stuurt ze. Ik heb haar gezegd dat ze
-gelijkt op de toovergodinnen, die, als ze niet zelf komen, zich laten
-vertegenwoordigen door haar geschenken. Word ik niet galant? Durf je nu
-nog zeggen dat ik den hoftoon niet heb?«
-
-De heer Verschuere daalt nu af naar de ruime gewelven onder het huis,
-waar hij zijn wijn bewaart; mevrouw gaat naar haar kleedkamer: bij hun
-terugkomst vinden ze de voorgalerij herschapen in een bloementuin,
-bestraald door een zee van licht.
-
-»Hoe keurig!« roept Nita. En dan vriendelijk: »Ik wou dat je onze
-adjudant waart, James.«
-
-»Ik wou het ook, Nita.«
-
-»Nu, daar behoef je zoo’n sentimenteel gezicht niet bij te zetten! Kijk
-eens, Verschuere, ziet het er niet allerliefst uit? Je moogt de heeren
-wel eens vriendelijk bedanken... Waar is Hooglaan?«
-
-Deze komt met een min of meer onthutst gezicht Verschuere op zijde.
-»Hebt u misschien ook een vrouwelijk wezen bij de hand?« vraagt hij
-dezen geheimzinnig.
-
-»Jawel«, zegt Verschuere en wijst lachend op Nita.
-
-Maar zulke aardigheden vallen niet in mijnheer Hooglaan’s smaak.
-
-»Ik bedoel een dienstbare. Om mevrouw De Bruining te gaan waarschuwen.«
-
-»Ik zal haar roepen. Ze zal nu wel klaar zijn, denk ik.«
-
-»Integendeel, mevrouw. Ziet u, ik had misschien niet zoo indiskreet
-moeten wezen, maar daareven wierp ik—natuurlijk bij toeval—een blik in
-haar voorgalerij en—excuseer mij, mevrouw Verschuere—ik zag daar uw
-logée in nachttoilet.«
-
-»In nachttoilet!« herhalen allen verbaasd. »Onmogelijk!«
-
-»Ik verzeker het u.«
-
-»Onmogelijk! Op dit uur van den dag!«
-
-»O ja«, roept Hooglaan nu met zijn meest gemaakt stemmetje, »’t is waar
-ook, u noemt dat anders: in sarong en kabaia, meen ik. Maar ziet u, bij
-ons op het paleis is de geijkte term....«
-
-Reeds is James uitgebarsten in »dien ruwen lach die zijn collega zoo
-agaceert«; reeds heeft Verschuere zich haastig omgekeerd om Mingo te
-roepen, wien hij niets te zeggen heeft; reeds is Agnita de trappen
-afgevlogen naar de logeerkamer, waar ze Louise vindt.... erger dan in
-nachttoilet.
-
-»Mijn hemel! juf, neem Jantje! Maar in ’s hemelsnaam, wat voert u uit,
-mijn lieve mevrouw?«
-
-»Jantje heeft zich bezeerd. ’t Ventje....«
-
-»Och, hij doet immers niets anders!« roept Nita, voor het eerst
-ongeduldig.
-
-»Nita-lief, laten we kalm blijven.«
-
-»Kalm blijven! En er komt een serenade!«
-
-»Een serenade!«
-
-»Ja. Baboe! Kassi kous!«
-
-»Een serenade?«
-
-»Ja. Hebt u uw schoenen? O neen, eerst de kousebanden; hier zijn ze.«
-
-»Maar kindlief....«
-
-»Waar is de tournure? Baboe, kassi tournure!«
-
-Jantje gilt—en geen wonder! Zijn wondje bloedt en er is niemand die
-naar hem omziet, want nauwelijks heeft juf het woord »serenade«
-gehoord, of ze is weggevlogen om haar gezicht te bedekken,—haar eerste
-beweging bij elke omstandigheid haars levens—en de anderen zijn bezig
-om naar de tournure te zoeken... die, helaas, niemand vindt.
-
-Intusschen beginnen zich hier en daar in den tuin, die tot punt van
-samenkomst is gekozen, reeds flambouwen te vertoonen; ze worden
-talrijker, steeds talrijker; ze beginnen zich in rijen te scharen; er
-ontstaat een geraas van rijtuigen, waarschijnlijk gevuld met dames die
-komen »nonton«, een gewoel van het inlandsch publiek dat
-samenschoolt—Verschuere laat vragen of de dames gereed zijn......
-
-En de tournure?
-
-»In ’s hemel naam, dan maar zonder,« en drie paar handen gooien mevrouw
-De Bruining haar japon over het hoofd.
-
-Er is in de tropische natuur altijd iets, dat aan tooneeldecoraties
-denken doet, en dit is nooit sterker het geval dan wanneer er tusschen
-het zwartgroen der palmen vuur speelt; de flambouwen geven
-wonderschoone vormen aan het majestueuse geboomte, dat ze verlichten
-met haar rooden gloed. Als vanzelf rijst De Bruining overeind; als
-vanzelf plaatsen de wachtenden in de voorgalerij zich rondom hem: de
-muziek komt tot hen. Het wordt doodstil.
-
-»Blijf zitten, mijnheer De Bruining;« zegt James vriendelijk; »u zult
-straks nog genoeg moeten staan.«
-
-De vermaning blijkt overbodig: hij zinkt reeds terug in zijn stoel.
-
-»Een serenade,... dat hadden ze niet moeten doen... waarachtig... het
-maakt me... Wies! Kom hier bij me.«
-
-»Stil, Daan! Hou je nu bedaard, Daan! Kom, je waart altijd flink...«
-
-Nita, die, terwijl ieder aan champagne dacht, zenuwstillende druppels
-gereed maakte, komt nu nader met haar medicijn.
-
-Haastig drinkt hij het glas ledig, maar hij is zoo bleek en zoo bevend,
-dat de omstanders vreezen voor de mislukking van het plan.
-
-Gelukkig ontbreekt het in de familie De Bruining nooit aan afleiding.
-Juist op het oogenblik dat de stoet het erf opkomt, rent van de andere
-zijde Toetie de voorgalerij binnen: zij rijdt paardje op papa’s
-wandelstok en—op de plaats, daartoe door een even onzinnige als
-onkiesche mode aangewezen—draagt ze mama’s tournure.
-
-Nu is het iets anders een tournure te bezitten en wederom iets anders
-die tournure voor het oog der geheele wereld te zien rondrijden in een
-voorgalerij; iets anders uw vrouw zoo’n dwaas ding te zien aanbinden en
-wederom iets anders te moeten bekennen dat ze dit doet.... de De
-Bruinings schamen zich diep.
-
-Mijnheer kan zoo gauw niet overeind komen, maar dit is ook overbodig;
-ieder wordt gaarne bereid gevonden het ongelukskind een of meer
-gevoelige vermaningen te geven, terwijl ze de trap letterlijk afrolt
-onder de vereende duwen van alle aanwezigen.
-
-Het incident heeft goed gedaan. Als er achtereenvolgens een vijftigtal
-heeren binnenkomen in zwarte jassen en met gelegenheidsgezichten, is
-het voorwerp hunner hulde ten minst in staat ieder hunner de hand te
-drukken en te danken zonder die dwaze tranen, die hem tegenwoordig te
-pas en te onpas in de oogen komen.
-
-Aan den heer Verdijk, den pas benoemden gouvernements-secretaris, is
-opgedragen het woord te voeren.
-
-»Zul je het vooral kort maken?« fluistert Verschuere hem toe; »de man
-is op van de zenuwen.«
-
-Het is zijn voornemen kort te zijn, niet zoozeer uit medelijden met den
-jubilaris—welke feestredenaar heeft ooit medelijden met zijn
-slachtoffer gehad?—maar omdat hij moeielijk spreekt en door het minste
-of geringste in de war raakt. Toch maakt hij het nog veel korter dan
-eerst zijn plan is geweest.
-
-»Mijnheer De Bruining! Uit naam van Buitenzorg’s burgers, uit naam van
-de ambtenaren der secre...« Pif! paf! pif! paf! pif!
-
-Men hoopt dat het op zal houden, dit onzinnig pif! paf! en men wacht.
-
-Men wacht. Maar het wordt harder, steeds harder, de slagen schijnen
-vertien-, verhonderdvoudigd te worden.
-
-De vreeselijke waarheid dringt zich aan de wachtenden op. Het moet een
-dier lange trossen voetzoekers zijn, zooals de Chineezen ze ontsteken
-bij hun feesten, en die, eenmaal ontstoken, klappen en klappen tot de
-laatste is opgebrand.
-
-Met den moed der wanhoop zet Verdijk borst en longen uit. »Van de
-ambtenaaren der secretarie, die u hierbij het bewijs geven«.... een
-dikke rookwolk.... de spreker kan niet voortgaan.
-
-Pif! paf! Verdijk staat De Bruining, De Bruining staat Verdijk aan te
-zien, alle gelegenheidsgezichten zijn uit de plooi, sommigen om te
-proesten van den rook, anderen om te proesten van lachen, velen om
-ssst! te roepen, alsof mortions zich tot zwijgen laten brengen vóór ze
-hebben uitgeraasd!
-
-Gelukkig komt Verdijk op den inval om het huldeblijk—een
-prachtalbum—maar zonder speech over te reiken.
-
-»Muziek!« roept een stentorstem boven het rumoer uit, en nu roept
-iedereen om muziek en dadelijk klinkt het:
-
-»Lang zal hij leven!«
-
-’t Ziet er niet naar uit of die wensch vervuld zal worden, als een half
-uur later de voorgalerij is leeggestroomd en het verdwijnen van al die
-bekende, bevriende gezichten hem zich zoo eenzaam voelen doet, dat hij
-omziet naar zijn reisgezellin op den tocht door het leven, om in een
-innige omhelzing de zekerheid te erlangen, dat die toch niet zoo
-eenzaam zal zijn als hij een oogenblik heeft gemeend.
-
-»Papa! U bedankt iedereen behalve ons!« en op eens duikt Frits op uit
-den donkeren tuin, vergezeld van een Paerel.
-
-»En waarvoor moet ik je bedanken, jongelief?« vraagt papa aangedaan:
-hij gelooft zich het voorwerp van een niet genoeg gewaardeerde attentie
-zijner kinderen.
-
-»Wel, voor dat vuurwerk! Vond papa het niet mooi? Wat paften ze, hé?
-die mortions?«
-
-»Hebt jullie dat gedaan?« vraagt de vader met onverholen afschuw.
-
-»Ja. ’t Was voor twee kwartjes,« spreekt de jeugdige Paerel fier.
-
-»En,« voegt Frits er bij, terwijl hij zijn vuile zwarte hand uitsteekt,
-»als pa er ons niet voor bedankt, zou pa ons dan het geld willen
-teruggeven.«
-
-
-
-»Zijne Excellentie!«
-
-Hij komt onverwacht, onverzeld; alleen om zijn secretaris nog eens te
-groeten; om mevrouw een gelukkige reis te wenschen; hij blijft slechts
-kort; maar iedereen weet het, het is iets zeer buitengewoons wat de
-gouverneur-generaal hiermede doet; een blijk van waardeering, van
-vriendschap bijna.
-
-De arme De Bruining kan geen woord zeggen op zijn hartelijk: »Tot
-weerziens!« en als hij het beproeft, dan barsten de tranen los, die
-dwaze tranen, den geheelen avond zoo manmoedig teruggedrongen.
-
-
-
-»Ik zal dus naar Bloemduin gaan, Nitalief?«
-
-»Ja, en u moet hen alles vertellen. Van mijn huis en mijn tuin en mijn
-bloemen. En hoe goed ik het heb getroffen met mijn bedienden. En dat ik
-weer muzieklessen neem! Daar was papa erg op gesteld, moet u weten.«
-
-»En dat je zooveel studeert en zoo’n geleerde dame wordt.«
-
-»Neen, zeg hun dat maar niet.... ze mochten eens vragen met welk
-doel... dan moet u hun ook van Gustaaf vertellen: dat hij alles voor
-mij is; alles ten minste wat hij in zijne betrekking voor me wezen kan;
-en ook hoe James hier elken dag komt en welk een prettige afleiding me
-dat geeft. U zult hun zeggen, dat ik gelukkig ben, niet waar?«
-
-»Moet ik dat zeggen, lieve?«
-
-»Ja,« en ze ziet Louise vast in de oogen, »dàt moet u zeggen: gelukkig
-en gezond!«
-
-Dan vallen de vriendinnen in elkanders armen en weenen.
-
-Den volgenden morgen..... ach, we maken het elkaar wèl zwaar, het
-heengaan, wij Indischlui, met onze afscheidspartijen en
-afscheidsbezoeken, met ons komen aan den trein en ons uitgeleide doen
-naar de boot, met onze handdrukken en kussen, met ons wuiven tot het
-laatst.
-
-Maar toch, we zouden het niet willen missen, ’t weemoedig genot van ons
-nog eens te overtuigen, dat er waren die ons liefhadden op het
-smaragden-eiland: we zouden haar niet willen missen de herinnering aan
-die oogenblikken, die ons zoo zenuwachtig maakten; immers, we hebben
-den tijd om onze zenuwen weer tot rust te laten komen in Holland—waar
-men er niet zooveel van vergt.
-
-
-
-
-
-
-
-XX
-
-DE VROUW VAN EEN HOOGGEPLAATSTE.
-
-
-Een jaar is verloopen sedert meer dan 50 passagiers het stuk
-onderteekenden, waarbij aan de directie der maatschappij Nederland
-dringend werd verzocht voortaan te waarschuwen wanneer een harer booten
-gezinnen met meer dan zes kinderen zou vervoeren; sedert zeker
-Geldersch landstadje in opschudding werd gebracht door de aankomst
-eener indische familie; sedert die indische familie dingen begon te
-doen zóó raar, dat ze weken lang stof tot praten gaven, ja, met den
-hardnekkigen levensduur aan verhalen op kleine plaatsjes eigen, over
-een halve eeuw nog in den omtrek zullen voortleven, zij het dan ook als
-legende.
-
-Een jaar sedert Wies voor de eerste maal asperges ging steken in den
-groententuin achter het huis en Daan—in een houding door Jantje
-beschouwd als uitnoodiging om bok, bok, sta vast! te spelen—moest
-antwoorden op haar vraag of dit nu niet veel prettiger was dan met
-blauw potlood aanmerkingen te zitten maken op het werk van arme
-kommiezen; sinds Daan een kloek besluit nam en Wies tranen met tuiten
-schreide, maar beiden zich onuitsprekelijk verlicht gevoelden door het
-vertrek van vier hunner zonen naar een instituut, gunstig bekend voor
-het temmen van indische jongens.
-
-Een jaar sedert, in het paleis onder de palmen, baron Van Waliënhove
-begon te vinden dat men in zijn familiekring wel eens gelukkige
-oogenblikken slijten kan.
-
-’t Is waar, zijn jongens bleven nog altijd een paar wilde knapen, maar
-’t was nu niet meer drieste onbezonnenheid; ’t was nu gezonde
-levenslust, getemperd door verstandige leiding, en—wat het voornaamste
-was—hij heeft nu de gelukkige zekerheid dat al het goede wat in hen
-sluimert wordt gewekt en ontwikkeld.
-
-Die zekerheid schenkt hem een weldadige kalmte na al de zorg die zijn
-zoons—meer nog misschien hun mentors?—hem in de laatste jaren hebben
-gekost, en mocht hij enkele malen pijnlijk getroffen worden door den
-toon, dien de barones zich tegen Van Beevelant veroorlooft, het gedrag
-van den tegenwoordigen gouverneur waarborgt hem, dat tooneelen als
-vroeger somtijds voorvielen nu tot de onmogelijkheden behooren.
-
-Ook—en dit verhoogt zijn geluk niet weinig—ook het hartstochtelijk
-verzet van Clotilde tegen de onderdrukking harer stiefmama heeft
-opgehouden. Wijdt ze haar liefde aan vader en broers, ze behandelt haar
-moeder met al de onderscheiding waarop deze aanspraak maakt—en dit is
-niet weinig! Zij schikt zich naar luimen en nukken, die haar vroeger
-ondragelijk schenen; ze zwijgt, zij het dan met pijnlijken blos, op
-grove hatelijkheden; ze stompt scherpe pijlen af door ze te ontvangen
-met een vriendelijk woord.
-
-Soms, als haar vader haar gadeslaat—zijn heftig kind zoo stil en
-zachtmoedig—ontdekt hij op haar gelaat een geheel nieuwe uitdrukking,
-die aan de kinderlijke trekken iets echt vrouwelijks schenkt, en hij
-mist ter nauwernood de kuiltjes en lachjes, die langzamerhand
-verdwijnen, want ze herinnert hem, gelijk ze nu is, een ander gelaat
-met datzelfde waas van droomerige teederheid en hij bemint in haar het
-verloren ideaal. Soms echter, als ze de oogen naar hem opslaat, vraagt
-hij zich af, of ze niet wellicht in stilte bemint? Immers alleen eene
-vrouw die bemint heeft dien blik.
-
-Maar dit is nu juist de doodzonde, die mevrouw Van Waliënhove haar niet
-vergeeft: ze bemint noch in stilte, noch in het openbaar. ’t Is dan ook
-reeds sedert veel langer dan een jaar dat mevrouw Ramsberge ongerust
-begon te worden, ja, zich ernstig boos maakte over de kuren van die
-Clotilde.
-
-»Mijn hemel, wat was dat nu voor een inval van dat domme schaap om niet
-te willen trouwen! Neen, maar ik vraag u, waar moet het heen met de
-meisjes in Indië, wanneer de dochter van den gouverneur-generaal zulk
-een voorbeeld geeft? ’t Worden compleet europeesche toestanden.«
-
-En hoe Ramsberge het haar ook afraadt, ze kan het niet laten, ze moet
-nu en dan mevrouw Van Waliënhove eens polsen, ze moet van tijd tot tijd
-eens informeeren of er nu nòg niets gaande is.
-
-»Neen, niets,« antwoordt onveranderlijk mevrouw Van Waliënhove.
-
-Ze bijt die woorden af, alsof ze gal en alsem bevatten, en om haar
-mondhoeken vertoont zich een plooi die een minder dom schepsel als de
-generaalsche zou hebben gewaarschuwd dit onderwerp maar liever niet aan
-te roeren.
-
-»Foei,« rammelde ze door, terwijl ze zich koelte toewuifde, »’t is
-ongehoord! Niets, zegt u? heelemaal niets? Men vraagt zich af: wat
-bezielt zoo’n meisje?«
-
-»Ja,« zei de ongelukkige moeder, »dat moogt u wel vragen. Men moet de
-inbeelding van Clotilde hebben, om partijen zooals zij heeft kunnen
-doen af te slaan. Ik heb haar gister nog doen opmerken dat de gekroonde
-hoofden in Europa allen getrouwd zijn; ’t kon zijn dat ze daarop
-wachtte.«
-
-»Ze verdient dat ze overblijft,« zegt mevrouw Ramsberge met een
-heftigheid, waaruit blijkt dat dit de schrikkelijkste straf is die ze
-bedenken kan.
-
-Mevrouw Ramsberge is niet de eenige die in dezen geest spreekt. Al de
-aanhangers van de barones—en ze heeft aanhangers!—vinden dat het
-eigenlijk niet te pas komt, voor de dochter uit een eerste huwelijk,
-ongetrouwd te willen blijven; ’t is waar, ze is natuurlijk vrij als
-ieder ander, maar stiefmoeders verwachten nu eenmaal dat haar
-stiefdochters haar zoo spoedig mogelijk zullen ontslaan van haar
-tegenwoordigheid en hebben nu zulke meisjes het recht om de tweede
-vrouw van hun papa teleur te stellen in die billijke verwachting?
-
-Een jaar is ook verloopen sedert aan den morgen van een blijden dag
-vriendenhanden de villa op het Koningsplein zoo rijkelijk beschonken
-met kransen en bouquetten dat ze een bloemtuin geleek. Ter nauwernood
-geloovend aan het geluk hem beschoren, kwam de bruigom uit dien
-bloemtuin de schoonste roos plukken en niet lang daarna brachten de
-heer en mevrouw Hagen hun eerste bezoek in de kleine luitenantswoning.
-
-»Ik dank u! o papa, ik dank u!« riep het jonge vrouwtje telkens weer,
-ook nadat ze reeds voor alles bedankt had, en toen de ouders
-terugkeerden in hun eigen huis vonden ze het er niet zoo eenzaam en
-ongezellig als ze indertijd gevreesd hadden dat het er zijn zou zonder
-Gertrude: ze hadden altijd stof tot praten, ze moesten altijd weer zich
-verbazen over »die kinderen«, die zoo verwonderlijk verliefd, zoo
-verwonderlijk gelukkig waren.
-
-Een jaar ook sedert mevrouw Verschuere ten tweeden male werd
-teleurgesteld in de hoop, dat zij voor veel wat haar in het huwelijk
-was ontzegd vergoeding zou vinden in het moederschap; dat ze haar hart
-gebood om stil te zijn en te doen als de kinderlooze vrouwen onder hare
-kennissen, wier mannen geheel in beslag genomen worden door hun
-betrekking: tevreden leven zonder de hulp dier mannen.
-
-Eenmaal tot dit besluit gekomen, begon ze na te gaan welke middelen een
-»vrouw zonder kind en bijna zonder man«, zooals ze zichzelve met een
-weemoedig lachje noemde, ten dienste staan om de lange indische dagen
-door te komen.
-
-De huishouding, de keuken, de tuin, lectuur, conversatie, muziek.
-
-En dan, wat de meeste dames missen en zij in de gegeven omstandigheden
-niet genoeg waardeeren kan, haar liefhebberijen; haar talent voor
-teekenen, haar studielust, haar botanische kennis en de prachtige
-gelegenheid, welke de Plantentuin biedt om die kennis te vermeerderen.
-
-De huishouding.. ja, met de helft van Verschuere’s traktement zou die
-haar handenvol werks gegeven hebben, maar nu is bijna alles wat ze
-daarin doet verkiezing, geen noodzaak.
-
-Mingo heeft zes jaar bij haar man gediend toen deze nog ongetrouwd was
-en is in dien tijd van alleenheerschappij een uiterst bekwaam mandoer
-geworden. Maar hij wil als zoodanig erkend zijn. En het is vreemd—voor
-Agnita ten minste, die nog niet weet hoe de inlander met zijn stille
-tegenwerking ons brengen kan waar hij ons hebben wil—’t is vreemd hoe,
-zoo dikwerf zij handelend optreedt, een partij of diner minder goed van
-stapel loopt dan wanneer ze met een vleiende verzekering van onbepaald
-vertrouwen alles aan Mingo overlaat.
-
-In haar keuken durft ze niet komen. Haar oude kok is een indische
-Vatel. Hij heeft achtereenvolgens gekookt voor zeven landvoogden, met
-het gevolg dat hij zeer juiste begrippen heeft over het vergankelijke
-van alle aardsche grootheid en veel boter gebruikt.
-
-Mevrouw Verschuere zou hem liefst hebben weggezonden, daar hij haar een
-gevoel geeft alsof het zijner onwaardig was ergens anders dan op het
-paleis te dienen, maar op raad harer goede vriendinnen behield ze hem,
-niettegenstaande zijn fabelachtig botergebruik, zijn voorkomen van
-miskend genie en een andere eigenaardigheid, die haar veroordeelt
-altijd met afgetreden landvoogden rekening te houden.
-
-Den eersten keer namelijk dat ze hem opdroeg een zekere pudding te
-maken, had hij gevraagd: »à la Sloet van de Beele of à la Mijer?«; hij
-maakte de hertenbout gereed à la Lansberge, rissoles à la Loudon en een
-aspic à la Duymaer van Twist... die trouwens zóó verrukkelijk was, dat
-hij zelfs Multatuli zou gesmaakt hebben.
-
-Wanneer zij een enkele maal het waagde een aanmerking te maken, dan
-wierp hij haar een half dozijn excellenties naar het hoofd, die den
-door haar gelaakten schotel dus en niet anders gewenscht hadden, en met
-dit wapen wist hij haar, zoo niet geheel van zijn domein te verdrijven,
-dan toch op eerbiedigen afstand te houden.
-
-Ook aan haar toilet behoeft ze weinig tijd en nog minder gedachten te
-wijden. Thuis maakte zij zelve haar kleedjes en droeg ze met de
-grootste voldoening, tot... ze at van den boom der kennis. Een
-kunstenares in het vak kleedde haar gedurende hun verblijf in de
-wereldstad; ze moest zichzelve bekennen, dat dit toch nog heel iets
-anders »was« en stemde gaarne toe, toen Gustaaf het plan opperde
-tweemaal ’s jaars een bestelling te doen in Parijs.
-
-In het kort, ze behoefde, om een onder huismoeders geijkten term te
-gebruiken, geen vinger uit te steken.
-
-Dus wandelde ze en botaniseerde en herboriseerde; dus speelde ze piano
-tot de buren haar weg wenschten; dus teekende ze aquarellen en
-schilderde stillevens; dus studeerde ze en verdiepte zich in allerlei
-geleerde betoogen; dus maakte ze cadeautjes voor alle bruiden en
-kransen voor alle begrafenissen en jurkjes in alle luiermanden en lieve
-attenties voor alle jarigen.
-
-Wanneer dit alles niet baatte, liet ze haar coupé voorkomen en ging
-dikwijls ’s morgens om half elf reeds visites maken.
-
-Visites maken was de eenige bezigheid, waartoe ze door het heilige
-Moeten gedwongen werd. Men leed in Buitenzorg aan de conversatiemanie,
-die het leven in Indië tot een last kan maken, meer dan muskieten of
-warmte.
-
-Ofschoon de residentie er langzamerhand te groot voor was geworden,
-huldigde men er nog steeds het systeem der buitenposten, dat iederen
-nieuw aangekomene dwingt bezoeken af te leggen bij de notabelen, en
-ieder die deze bezoeken niet aflegt beschouwt als een wezen zonder
-opvoeding, voor niets geschikt dan voor een spoedige overplaatsing.
-
-Verschuere had bij aankomst in Buitenzorg zijn visites gemaakt, maar
-sinds het aanvaarden van zijn nieuwe betrekking volgde hij het
-voorbeeld, door de meesten zijner voorgangers gegeven: hij ging niet
-meer uit. Van bezoeken in den vooravond was geen sprake: recepties
-woonde hij alleen bij, als ze ten paleize werden gegeven; voor
-speelavondjes bedankte hij onvoorwaardelijk; niet dat hij soms niet
-dollen lust had in een partijtje, maar hij kende zijne Buitenzorgers:
-als hij de eene uitnoodiging geweigerd, de andere aangenomen had, dan
-zou de burgeroorlog zijn ontbrand.
-
-Nita ware liefst met hem thuis gebleven. Maar daarvan wilde hij niet
-hooren. Integendeel, hij wenschte dat zij zou goedmaken wat hij te kort
-kwam op dit punt. Hij wist, dat het publiek niets zoo moeilijk vergeeft
-als dit, dat men toont buiten het publiek te kunnen, en daar zijn
-politiek meebracht het niet tegen zich in het harnas te jagen, gaf hij
-op gezette tijden groote partijen, opgeluisterd door hooge gasten,
-fijne wijnen en de lekkerste gerechten die de gouverneur-generaalskok
-wist te bereiden.
-
-Dan verklaarde hij aan ieder die het hooren wilde, welk een bezwaar het
-was, aan zijn betrekking verbonden, dat men zoo iets prettigs als
-visites maken er voor moest nalaten, en men ging verrukt naar huis en
-was tevreden met de bezoeken die Nita aflegde, zoo geregeld en zoo
-getrouw, alsof het gouvernement er haar voor bezoldigde. En waarlijk,
-het geleek dikwerf meer op dienst dan op uitspanning.
-
-James was haar een trouwe cavalier. Overal waar ze verscheen werd ze
-even hartelijk welkom geheeten en beklaagd dat ze altijd zoo alleen
-moest uitgaan, maar zij zelve wist niet of ze het wel zoo treurig vond.
-Als de liefde, die ze voor Gustaaf gevoelde, vatbaar was geweest voor
-verandering—maar dat was ze niet, daarvoor vervulde ze te veel haar
-geheele bestaan—dan zou ze hem minder lief gehad hebben wanneer ze met
-hem in gezelschap was.
-
-Hij kon haar dáár zoo vreemd worden! Hij geleek daar zoo weinig op het
-ideaal, dat ze in haar hart bewaarde sinds haar eerste meisjesjaren,
-zoo weinig op den Gustaaf, van wien ze hoorde spreken telkens als ze
-met haar ouders een bezoek bracht op het oude kasteel te Bloemduin; den
-Gustaaf, waarmee zijn vier oude tantes dweepten, gebogen over haar
-theekopjes: wiens brieven werden voorgelezen, wiens portret haar
-aantrok met geheimzinnige macht, dien ze verwarde met de helden uit
-hare geschiedboeken.... tot hij eindelijk verscheen in haar eenvoudig
-dorpje, omstraald door de glorie van een langdurig verblijf in den
-vreemde, in de volle kracht van zijn overheerschenden geest, van zijn
-mannelijke schoonheid.
-
-Ze kon het daar ternauwernood gelooven, dat hij niet een dier mooie,
-trotsche vrouwen gekozen had, aan wie hij nu zoo hoffelijk den arm
-bood, doch haar, het onervaren kind, dat hem niets had te bieden dan
-wat hij niet scheen te behoeven, haar liefde; en soms, als ze hem
-gadesloeg, kon de gedachte haar komen beangstigen, dat hij vroeg of
-laat zou wenschen een dier schitterrende starren gehuwd te hebben,
-liever dan zijn nederig bloempje.
-
-Neen, dat was niet haar geliefde, die glimlachende hoveling die met
-uitgestrekte hand toetrad op den hooggeplaatsten ambtenaar dien hij in
-stilte verachtte; niet haar Gustaaf, die mevrouw Heylerts noodde om met
-hem te soupeeren en dan Van Sonnefelt eene plaats aanbood aan hun
-tafeltje: niet haar Gustaaf, die Amalia te Leurse haar koket spel met
-hem drijven liet, om er zich later mede te amuseeren; die met mevrouw
-Van Waliënhove spotte over mannen en vrouwen, door hem—dit wist ze—in
-andere oogenblikken gevleid en gevierd.
-
-Hij heeft haar geleerd, dat de wereld zulke onoprechtheden eischt: hij
-heeft haar gezegd, dat dit de valsche munt is, waarmede men elkaar in
-zekere kringen betaalt, dat niemand dwaas genoeg is om ze voor echt te
-houden, en ze heeft er ook niet meer zooveel tegen dat andere dit doen,
-maar dat hij, hij, wien ze hooger schat dan al die anderen, dat hij er
-zich toe vernedert!...
-
-Soms, bij het naar huis rijden, sprak hij voort in dienzelfden lossen,
-wereldschen toon.... Ach, ze had hem zoo gaarne opheldering gevraagd
-over veel wat haar bevreemdde: zij wenschte niets liever dan van zijn
-lippen te hooren dat ook hij walgde van dit veinzen en vleien, dit
-huldigen van grootheid, dit moedwillig niet opmerken van het lage of
-gemeene, wanneer het voorviel in de hoogere rangen; maar ze durfde
-niet... ze vreesde zoozeer voor het verlies van haar ideaal! Ze nam
-slechts zijn hand in de hare en vroeg: »Te Bloemduin, bij pa en ma,
-deed je je voor zooals je werkelijk was, niet waar? Dit alles is je
-geen ernst, is ’t wel, Gustaaf?«
-
-Dan sloot hij haar lachend in zijn armen en beproefde de droefheid weg
-te kussen van het bleek, vermoeid gezichtje en beloofde, dat later,
-later, als deze tijd van werken en streven voorbij was, dat later ze in
-hem den Gustaaf zou terugvinden dien ze te Bloemduin had liefgekregen.
-
-En ze geloofde hem. Ze vermaande zich om geduld te hebben, ze beproefde
-om het heden met zijn raadselen en vragen te vergeten in de herinnering
-aan het zalig weleer; in de hoop op een niet al te verwijderde
-toekomst.
-
-’s Morgens waren alle wolken verdwenen van het gezichtje, dat hem
-toeknikte bij het ontwaken: ze had bij het eerste ochtendgloren
-gestaard op het gelaat, dat den vorigen avond haar een oogenblik vreemd
-scheen: ze had de lokken weggestreken tot het edele voorhoofd bloot
-kwam en er bij de aanraking der geliefde hand een glimlach zweefde om
-zijn lippen; ze had teruggevonden wat ze zoo noode miste.
-
-Toen Verschuere niet meer met haar kon uitgaan, betreurde Agnita dat
-slechts ten halve. Immers meer dan wanneer ze haar bezoek, altijd
-vergezeld van Verschuere, had afgelegd, werd ze vertrouwelijk met de
-dames, vooral daar ze nogal eens ’s morgens kwam en dan in de
-achtergalerij werd ontvangen.
-
-Soms, als zij ze zoo bezig zag, den blos der gezondheid op de wangen,
-vroolijk en opgewekt niettegenstaande de vele drukte, kwam zij op het
-denkbeeld te vragen naar het middel om zoo opgewekt te blijven en zoo
-gezond vooral.
-
-Ze gaven raad, zooals we meest raad geven: te veel vervuld van eigen
-belangen en eigen bezwaren en eigen grieven, om ook maar voor enkele
-oogenblikken geheel te kunnen opgaan in den toestand van haar die onze
-hulp en belangstelling komt inroepen.
-
-Ieder bezag haar geval van een verschillend standpunt. De tobbers met
-groote gezinnen, die ze aantrof in een verkreukelde kabaia, met een
-gezicht rood van ergernis luie bedienden voortdrijvend, keken half
-benijdend naar haar geborduurde peignoir, haar zorgvuldig opgemaakte
-krullen, haar kalm, zacht getint gelaat. »Als u nog klaagt, mevrouw,«
-riepen ze, »die alles heeft wat u begeert, die rijden en wandelen kunt
-wanneer u wilt, die uitstapjes kunt maken naar Batavia en nooit van een
-bal of partij behoeft thuis te blijven om de kleine peuzels, wat moet
-het dan niet zijn voor ons, voor ons, die..?« en dan volgde een lang
-relaas van spreeksters groote en kleine misères.
-
-De jonge vrouwen—getrouwd om positie of fortuin, maar daarom niet
-minder gelukkig; en helaas, zoo zijn er vele—verbaasden zich ten
-zeerste over haar. Mijn hemel, ze kon uitgaan en menschen zien, zich
-mooi kleeden, desnoods zich een beetje het hof laten maken... wat wou
-ze meer? O ja, de dagen zijn lang, dat is zoo; maar als men ’s avonds
-laat thuis komt, dan kan men den volgenden morgen gebruiken om uit te
-slapen, en dat helpt enorm om ze door te komen.
-
-De vrouwen die zelve niet denken, maar toch zoo’n ochtendbezoek heel
-aardig weten te passeeren met te herhalen wat ze hier en daar
-opvingen—en helaas, zóó zijn er ook vele!—begrepen dat ze best deden
-met haar mee te praten.
-
-Ja, zekert ’t was een plantenleven, dat leven van de dames in Indië;
-niet waar, geen afwisseling?
-
-Ja juist, dat was zoo vervelend, dat men geen jaargetijden heeft.
-
-Zeker, dat op- en ondergaan van de zon altijd op hetzelfde uur, ze had
-wel gelijk—het was vreeselijk eentonig! Maar och... als mettertijd...
-ze moest maar geduld hebben.
-
-O, daar was het weer! Dat kind! Waarom spraken ze daar toch allen over?
-Wisten ze het dan niet, de dames, die haar maar steeds vervolgden met
-een verwachting, welke nooit verwezenlijkt werd, wisten ze het dan niet
-dat uitgestelde hoop het hart verteert?
-
-Ze wilde niet meer hopen, ze zocht naar een andere oplossing van het
-vraagstuk haars levens. Toen echtgenoot en vrienden haar hadden
-gesmeekt, toch de droefheid te matigen, die haar voor altijd dreigde te
-knakken, toen vroeg ze hen haar te helpen, door niet te gewagen van dat
-beloofde land, aan welks ingang ze tot tweemalen toe stond zonder het
-te mogen binnentreden... en nu kwamen die vreemden en dwongen haar
-telkens weder, naar het gesloten paradijs om te zien.
-
-Neen, daar was geen hulp!
-
-»Je hebt toch alles wat je begeert?« vroeg Verschuere soms, verontrust
-door die smachtende uitdrukking in haar oogen. »Zeg kind, wat ontbreekt
-je? Zeg het en ik zal het je bezorgen.«
-
-»Neen, niets lieve! Dank je.«
-
-Wat zou het baten of ze hem zeide wat haar ontbrak? Hij kon het haar
-immers toch niet geven? ’t Was anders wel weinig, wat zij hem had
-willen vragen.., alleen wat meer van zijn tijd, van zijn gedachten, van
-zijn hart!...
-
-Eerst had ze gemeend, dat als ze zich maar eenmaal had losgemaakt van
-die gedachte aan een kind, alles beter gaan zou. Ze had zich haar
-bestaan afgebakend, haar dagen van uur tot uur verdeeld, ze had zich
-aangegrepen, zooals ieder haar vermaande te doen; ze was moedig
-begonnen met het nieuwe leven en toch, vreemd... ze kon dat gevoel maar
-niet van zich afschudden, alsof er iets komen moest om het ledig te
-vervullen, dat grooter en grooter werd, alsof iedere dag eindigde
-zonder haar te brengen wat ze onbewust van iederen dag vroeg.
-
-Vreemd?... Met die eigenaardige, echt vrouwelijke natuur, die haar
-dreef om van elk harer gewaarwordingen rekenschap te geven, om het
-oordeel te vragen, de goedkeuring te verlangen van haar echtgenoot, met
-die innige behoefte om vreugde en leed te deelen met wien ze liefhad?
-Met die neiging om niet zelve te handelen, maar nederig een steun te
-zoeken en zich geheel op dien steun te verlaten?
-
-»Kom eens mee, Gus! toe, kom eens zien. Ik heb een tak orchydeeën
-geteekend en ’t is zóó beeldig uitgevallen.«
-
-»Ja, lieve, dadelijk; ik zit midden in een stuk... Zoodra ik klaar
-ben...«
-
-Ze wachtte. Soms een half uur, soms langer. En als hij dan kwam vond
-hij haar stil en lusteloos; de opgetogenheid was voorbij, ze vond het
-niet eens meer de moeite waard, hem te laten zien wat ze daar straks
-zoo geroemd had; bij nader inzien was het niets buitengewoons.
-
-Een ander maal kwam ze zijn bureau binnensluipen, een schetsje in de
-hand; ze waagde het niet hem toe te spreken, ze kuchte nu of dan eens,
-tot hij haar hoorde en omkeek.
-
-Ze kon zich niet beklagen dat hij haar niet vriendelijk ontving; hij
-schreef even den volzin af, dien hij begonnen had, stond op van zijn
-schrijftafel, ging mee naar het venster om het volle licht te doen
-vallen op de teekening en prees of laakte met kennersoog. Dan kuste hij
-het naar hem opgeheven gelaat vluchtig en verstrooid en keerde naar
-zijn plaats terug.
-
-Soms bleef ze toeven aan de deur; schoorvoetend, hopend dat hij haar
-wellicht nog tot zich zou roepen, wachtend of hij haar misschien nog
-iets te zeggen had.. Ze zag hoe hij het hoofd weer boog over zijn
-papieren, ze wist dat ze hem hinderen zou, als ze langer bleef... en
-weer gingen dagen voorbij dat ze geen potlood of penseel in handen nam.
-
-Dan zeide ze tot zich zelve, dat ze niet knap genoeg voor hem was en
-wierp zich op de boeken. Ze had geen hoofd voor diepzinnige studies,
-maar ze had den scherpen blik, die vrouwen doet begrijpen waar mannen
-zich moeten inwerken, en zoo kon ze een enkele maal, wanneer de heeren
-een of ander vraagstuk behandelden, meespreken, zij het dan ook
-aarzelend en met een blos die vergeving scheen te vragen voor haar
-vermetelheid.
-
-Verschuere luisterde gaarne, als ze sprak met haar melodieuse stem, die
-ook het meest dorre onderwerp aantrekkelijk maakte; hij knikte haar
-bemoedigend toe wanneer ze schroomde met haar meening voor den dag te
-komen: hij noemde haar zijn madame De Stael en vroeg lachend of ze
-voornemens was om, wanneer hij eens lid in den raad van Indië mocht
-worden, hem de rol te laten spelen van den heer Hagen.
-
-Maar wat ze zoozeer had gehoopt, wat haar moed had gegeven tot zooveel
-inspanning, dat hij nl. met haar spreken zou over wat hem bezig hield,
-dat hij een enkele maal haar oordeel vragen zou, dat hij een deel van
-den last door hem gedragen, zou willen leggen op haar schouders, dit
-gebeurde niet. Niet dat hij een dier mannen was van halve beschaving,
-wie de ontwikkeling der vrouw een ergernis is, omdat die ontwikkeling
-hen beschaamt! o neen, als hij mevrouw Hagen ontmoette of mevrouw
-Heylerts, genoot hij van het zoo zeldzaam geboden voorrecht, verstandig
-te kunnen spreken zonder in den schertsenden toon te vervallen, welken
-mannen bewaren voor vrouwen met wie ze niet praten kunnen en die zoo
-vermoeiend wordt op den duur. Hij zag echter in Nita nog altijd »het
-kleintje«, dat hem geboeid had door haar kinderlijken eenvoud, haar
-onbekendheid met het leven; ze was hem nog altijd »de jongste«, van wie
-niemand iets anders verwachtte dan dat ze lief was en mooi;... hij gaf
-zich geen rekenschap van de groote verandering die met haar had plaats
-gegrepen.
-
-Verre van haar aan te moedigen tot de studiën, die haar tot hem moesten
-opheffen, bracht hij haar terug tot vroeger dagen, sprak hij over de
-herinneringen harer jeugd, over het ouderlijk huis, over het
-vriendelijk Bloemduin, over de tantes en haar eigenaardig bestaan, over
-de boeren en hun kinderlijk bijgeloof en hun grappige gewoonten.
-
-Dat was ontspanning voor hem! Dat was vermakelijk en belangwekkend en
-nieuw. Want hij had bijna geen jeugd gekend, noch den onwaardeerbaren
-zegen van op te groeien in een gelukkig thuis, te midden van gelach en
-liefde, van bloemen en feestjes; hij was vroeg verweesd, het kind van
-een groote stad, van een strenge kostschool; hij had als knaap, als
-jongeling slechts kunnen droomen van zijn liefelijk geboorteland en het
-noodlot leeren verwenschen, dat hem zoo jong daaruit verdreef.
-
-Als ze van »thuis« vertelde boeide ze hem misschien dubbel, omdat dan
-het ernstig mondje weer zoo vroolijk lachte, omdat dan de droomerige
-oogen weder iets herwonnen van den ouden warmen gloed.
-
-Maar hij luisterde slechts zooals men na ingespannen arbeid luistert
-naar lieve muziek. Hij zelf had geen behoefte om te spreken, geen
-behoefte om haar deelgenoot te maken van zijn gedachten. En zoo gingen
-ze dan naast elkander voort, schijnbaar nauw vereend en toch even ver
-van elkaar verwijderd als de palmen op regelmatigen afstand geplaatst
-langs den weg dien zij betraden; hunne kruinen verheffen zich te zamen,
-ze wuiven elkander kussen en groeten toe, maar hunne wortels blijven
-gescheiden.
-
-
-
-
-
-
-
-XXI
-
-EEN VERLIES EN EEN TROOST.
-
-
-»Kom, zus, wat zit je hier nu te tjingelen op die vervelende
-rammelkast; ga liever met ons mee!«
-
-»Met jullie mee?« vraagt Clotilde, terwijl ze zich vol verbazing
-omdraait op haar pianostoel. »Hebt jullie dan geen les vandaag?«
-
-»Neen we hebben vacantie!« juicht Felix, neemt haar hand in de zijne en
-wil haar meetrekken.
-
-Maar Oscar, die het noodig vindt een einde te maken aan de ongeloovige
-verbazing zijner zuster, verklaart: »Weet je wat het is, Tilde?
-Mijnheer heeft een brief gekregen uit Holland en toen zei hij dat we
-weg konden gaan.«
-
-Clotilde is opgesprongen van haar tabouret.
-
-»Een brief uit Holland?« vraagt ze. »En.... zei hij toen, dat je weg
-kondt gaan?«
-
-»Ja. Maar wat is er, zus? Wat kijk je raar!«
-
-»Begrijp je dat dan niet?« En als de kinderen haar zwijgend blijven
-aanstaren roept ze driftig: »Hè, wat zijn jullie toch een paar akelige
-ongevoelige jongens!«
-
-»Vin je dat?« vraagt Oscar, niet gewoon zoo te worden toegesproken.
-»Kom Fe, dan hebben we hier niets meer te maken.«
-
-Maar ze houdt den knaap terug met een wenk harer oogen.
-
-»Neen, blijf hier... ik meen het zoo niet... jullie kondt niet
-weten...« Dan: met een stem, bevend van ontroering: »Mijnheer heeft
-zeker slechte tijding.«
-
-»Ja, dat kan wel zijn, hij praatte op eens zoo zachtjes.«
-
-»Herinner je je niet wat ik je laatst gezegd heb? Dat je het hem niet
-lastig maken mocht omdat hij verdriet had? Ik wist toen reeds dat zijn
-zuster ziek was.«
-
-»Kassian!« zegt Felix. »Zou ze dood zijn?«
-
-»Ik hoop van neen,« fluistert Clotilde nauwelijks hoorbaar. Zóó
-ontsteld is haar gelaat, dat Oscar het zachtjes begint te streelen met
-de vraag:
-
-»Heb je zoo’n medelijden met hem, zus?«
-
-Clotilde wendt het hoofd af. De ervaring leerde haar dat wilde jongens
-scherpe opmerkers zijn kunnen.
-
-»Ja, natuurlijk,« brengt ze met moeite uit. En een oogenblik later als
-ze meent haar stem beter in bedwang te hebben: »Jullie dan niet?«
-
-»O, jawel! Maar willen we nu gaan cricketten?«
-
-Ze trekt Felix tot zich en terwijl ze hem de krullen van het voorhoofd
-wegstrijkt, vraagt ze verwijtend: »Zou je daar lust in hebben, terwijl
-die arme mijnheer Van Beevelant zoo’n verdriet heeft?«
-
-»Maar... we hebben nooit eens vacantie!«
-
-»Hij is heel alleen,« fluistert ze.
-
-Oscar behaalt een overwinning op zich zelf. »Willen we naar hem toe
-gaan?« vraagt hij.
-
-»Doe dat... Jij ook, Fe. Kom, doe dat!« Dan, als ze nog aarzelen, met
-de vrees die kinderen koesteren voor droefheid, smeekt ze: »Om mij
-pleizier te doen!« en nu gaan ze nog wel niet vlug, maar toch gewillig.
-
-Ze blijft onbewegelijk zitten, waar ze daar straks is neergezonken, in
-den grooten fauteuil bij den vleugel: haar bleek gelaat steekt scherp
-af tegen de helroode zijde; ze klemt de nagels in de polster en trekt
-de zware franje uit, de brandende oogen onafgewend gericht op de deur
-waardoor de knapen verdwenen.
-
-Niet lang duurt die spanning. Oscar komt naar binnen vliegen met de
-hoogroode kleur van een jongen, die een heldenfeit meent te hebben
-verricht.
-
-»We hebben het gedaan!«
-
-»Maar hij houdt de deur dicht!« roept Felix.
-
-»Heb je dan niet geklopt?«
-
-»Kloppen? We bonsden! Maar hij wou niet antwoorden.«
-
-»Hoorde je niets?«
-
-»Jawel!« antwoordt Oscar. »Ik hoorde... och, je weet wel zooals je
-laatst deedt, toen je je voet had gebrand.«
-
-»Hè, zus!« roept Felix, die, hoewel minder gevoelig dan Oscar, veel
-zenuwachtiger is, »wat vind ik dat naar om te hooren, zoo’n grooten man
-die kermt alsof hij pijn had.«
-
-»Ga maar cricketten,« zegt ze. Het kost haar moeite die weinige woorden
-uit te brengen, en als ze haar vragen in hun spel te deelen, kan ze hen
-nog slechts antwoorden met een afwijzend gebaar.
-
-De voetstappen der jongens, nu veel vlugger dan daareven, sterven weg
-in de vestibule, op de trappen; langzamerhand, naarmate het stiller
-wordt in de muziekzaal, voelt ze de kracht om zich te beheerschen
-verdwijnen: ze strijkt met de hand over het voorhoofd, ze loopt het
-vertrek op en neder, ze haalt diep adem; eindelijk vindt ze woorden
-voor de aandoening, die zoo op eens haar kwamen bestormen.
-
-»Ze hoorden hem kermen... alsof hij pijn had!« fluistert ze. »Alsof hij
-pijn had! Ze was zijn lievelingszuster... ik weet het van Nita. De
-Verschuere’s zijn de eenigen met wie hij spreekt over zijn
-familieomstandigheden. Met mij is hij niet vertrouwelijk... o neen! Hij
-stoot mij terug... alsof hij bang was voor te veel toenadering. Toch
-onlangs, op gevaar af van onbescheiden te schijnen, heb ik hem
-gevraagd, wat de reden was van zijn sombere stemming. Toen vertelde hij
-me van haar ziekte en van zijn vrees voor slechter tijding... En nu
-moet hij zijn smart alleen dragen. Alleen! Ver van allen die hem lief
-zijn. Alleen!«
-
-Ze herhaalt dat woord tien, twintig malen, zonder het zelve te weten;
-ze voelt slechts, terwijl ze het herhaalt dieper en dieper de sombere
-beteekenis er van.
-
-»Hij kermde... alsof hij pijn had! Dat te weten, en hier te staan,
-machteloos, werkeloos!«
-
-Als het een vreemde was, zou het gewone medelijden, dat men gevoelt
-voor ieder die in droefheid is, haar dringen tot hem te gaan. Als hij
-een vreemde was! Hoeveel te meer dan een huisgenoot! Hoeveel te meer
-een man, die sedert twee jaren zich aller achting en genegenheid heeft
-waardig gemaakt; hoeveel te meer de zoon van haars vaders oudsten
-vriend!
-
-»Was papa maar hier! Of Verschuere! Mijn God, waarom is nu ook iedereen
-weg! Nita zou nooit zijn meegegaan naar Batavia, als ze had kunnen
-vermoeden hoe noodig ze hier was! En Van Suylichem, die juist van
-morgen vertrok met verlof naar Soekaboemi. Iedereen weg... behalve
-mama!«
-
-Alleen!
-
-Straks vliegt ze overeind. Ze doet een paar schreden. Daar staat ze
-stil, het hoofd zinkt haar op de borst, de hand, die ze ophief om de
-portière terug te slaan, valt slap neer; ze keert weder naar haar
-plaats, langzaam, moedeloos als de gevangene, die een oogenblik zijn
-ketenen vergat. Ze heeft alle bewustzijn van tijd verloren, zoo vliegen
-haar de gedachten door het hoofd, zoo snel, zoo pijnlijk snel zijn de
-kloppingen van haar hart, zoo veel, zoo diep, zoo geheel anders dan
-ooit te voren gevoelt ze! Wanneer ze eindelijk ontwaakt, is het door
-het geluid van haar eigen stem, die luide het geheim uitspreekt haar in
-deze ure onthuld: »O God! heb ik hem dan zóó lief?«
-
-Straks ligt ze op de knieën, het brandend aangezicht verborgen, de
-handen gedrukt op de zwoegende borst: alsof de storm, daar opgestoken,
-kon bezworen worden door een paar zwakke meisjeshanden!
-
-»Maar als ik hem liefheb,« fluisterde het in haar, »als ik hem
-liefheb... dan mag ik ook tot hem gaan! Dan mag ik het hem ook zeggen
-dat hij niet alleen lijdt, dat hier dicht bij hem een hart klopt van
-innig medegevoel...«
-
-»Tilly,« vraagt een angstige kinderstem, »Tilly, scheelt je iets?«
-
-Ontsteld ziet ze haar broeder in het gelaat. »Wat doe je hier?« roept
-ze dan in zenuwachtige overspanning. »Heeft mama je gestuurd om me te
-bespieden?« En als de knaap haar met angstige nieuwsgierigheid blijft
-aanstaren: »Ga weg; ga weg, zeg ik je! Ik wil niemand zien!«
-
-»O zus! ik kwam je vragen of...«
-
-»Ga spelen,« roept ze. »Je moest immers volstrekt gaan spelen! Welnu,
-doe het dan!«
-
-»Maar.... ik kan niet spelen.... ik denk zoo aan mijnheer....«
-
-In twee stappen is ze bij hem. Ze sluit hem in haar armen, ze kust het
-bruingelokte hoofd.
-
-»Lieveling! lieveling!«... en ze barst uit in een vloed van tranen.
-
-»Laten we naar hem toegaan, zus.«
-
-Weinige oogenblikken later staan ze te zamen voor de gesloten deur.
-
-»Mijnheer Van Beevelant!« roept Oscar; maar het blijft stil daarbinnen.
-
-»Wilt u niet open doen? Ik ben het... Clotilde.«
-
-Hij hoort die stem, soms zoo overmoedig, voor hem zacht en smeekend,
-die stem, waarin het hem is of hij pas geweende tranen verneemt. Een
-smartelijk verlangen doortrilt zijn geheele wezen, een wild,
-hartstochtelijk hijgen naar troost; een half waanzinnig smachten naar
-een woord van deelneming.
-
-Hij staat aan de andere zijde der deur en beeft waar hij staat. O, al
-was het maar voor één enkel oogenblik zijn hoofd te mogen nederleggen
-in haar koele, zachte handen, al was het maar eenmaal zijn droefheid te
-mogen uitweenen aan dat edele groote hart! haar te mogen zeggen dat hij
-haar liefheeft en hoe vermoeid hij is van zijn strijd... die deur te
-mogen openen, ze te verbrijzelen, die deur, al de deuren die hem
-scheiden van haar!
-
-Hij slaat de hand aan de kruk... Daar, achter hem, ligt de brief,
-geschreven met stervende hand, de brief, geheiligd door de tranen der
-zusterlijke liefde en ’t is of een onverbiddelijke macht hem drijft om
-telkens weer de woorden uit te spreken, die hij daarin las:
-
-»Wees sterk! o Frans, wees sterk!«
-
-»Freule,« spreekt hij, en zijn stem is schor van de bijna
-bovenmenschelijke inspanning, die het hem kost zoo te spreken, »u weet
-zeker niet dat ik alleen ben?«
-
-»Ja, dat weet ik, en daarom kom ik tot u.«
-
-Dit is te veel. Reeds is de deur geopend, reeds staan ze tegenover
-elkander.
-
-Ze heft de oogen naar hem op, en hij weet dat ze geweend heeft om
-zijnentwil. Ze reikt hem de hand, en de druk dier hand is hem meer dan
-alle woorden van troost en bemoediging zijn konden.
-
-Straks keert hij zich tot Oscar en kust het naar hem opgeheven gelaat.
-
-»U hebt slechte tijding van huis?« vraagt de knaap.
-
-»Zeer slechte.«
-
-»Wat u vreesde is gebeurd?« fluistert Clotilde.
-
-Hij buigt het hoofd.
-
-Als ze zich heeft neergezet op den stoel, dien hij haar biedt, blijven
-ze een oogenblik zwijgend tegenover elkander. Dan, met iets plechtigs
-in gebaar en houding, rijst hij op en geeft haar den brief zijner
-moeder.
-
-En terwijl ze leest bespiedt hij hoe diep medegevoel haar aangrijpt.
-Hij heeft het nu zoo bleek en beschreid gelaat lief gehad van het
-eerste oogenblik af, waarop hij het aanschouwde, een blozend, lachend
-kindergezichtje met kuiltjes, die guitig wegscholen in ronde wangen,
-met lokjes, die vroolijk stoeiden rond een onbewolkt voorhoofd, maar
-nooit heeft hij haar zoo waarlijk schoon gevonden, of liever nooit
-heeft hij haar schoonheid zoozeer bemind als in dit oogenblik.
-
-Straks slaat hij den arm om Oscar heen. Hij zag hem onrustig worden, en
-ach! hij wil hen zoo gaarne nog een oogenblik houden; hij zou alles
-geven om de weemoedige zaligheid van dit uur te doen voortduren. Maar
-Oscar, die de schoolkamer altijd vervelend vindt, oordeelt dat het er
-heden, met »die stilte en dat huilen en die lange gezichten«, niet is
-om uit te houden.
-
-»Kun je het niet begrijpen, Oscar,« vraagt hij zacht, »dat ik erg
-bedroefd ben? Jij, die ook zooveel van je zuster houdt?«
-
-Daar barst Oscar geheel onverwacht los in het luidruchtig gehuil, dat
-bij jongens van zijn leeftijd de geliefkoosde uiting van smart schijnt.
-
-»O, mijnheer.. ’t was gemeen.. we hebben er spijt van.. geloof me,
-mijnheer, Fé ook! Hij vindt het ook een gemeene streek.«
-
-»Wat? Wat toch?«
-
-»Dat we u, bij al uw verdriet ook nog het leven hebben zuur gemaakt met
-al onze luiheid en onzen onwil.«
-
-»Maar mijn jongen, je kondt immers niet weten...«
-
-»Jawel,« gilt Oscar, »we wisten het wel! Zus had het ons gezegd! Zus
-had ons gevraagd goed voor u te zijn.«
-
-»Hebt u hun dat gevraagd, freule?«
-
-Weer ligt haar hand in de zijne. Straks, als hij plotseling die hand
-loslaat en opspringt en met groote stappen het vertrek op en neer gaat,
-roept ze hem tot zich.
-
-»Ik dank u voor de lezing van dien brief. Ik dank u zeer. Hoe
-stichtelijk is alles wat uw moeder schrijft over haar. Wilt u mij niet
-wat meer van haar vertellen? Zou het u misschien geen goed doen, als u
-over haar spreken kondt?... Dat is haar portret, niet waar?... Zij was
-zeker mooi, is het niet? Met die expressie zou zelfs een minder fijn
-besneden gezicht mooi zijn geweest.«
-
-»Ik weet niet of ze mooi was... Zij had dat eigenaardige in haar oogen,
-wat alleen lieve vrouwen hebben en wat ons aan haar schoonheid zou doen
-gelooven, ook al waren ze leelijk. Eigenlijk is ze maar heel kort jong
-en mooi geweest; toen kwam de slag, die zulk een groote verandering
-bracht in onze omstandigheden. Van dat oogenblik af was ze oudste
-dochter, oudste zuster; niets anders. ’t Scheen haast of zij alleen de
-kracht in zich voelde om de bitterheid der teleurstelling voor ons
-allen dragelijk te maken: ik weet dat ze het als haar roeping
-beschouwde. En het is haar bijna gelukt. Als ik nu terugdenk aan dat
-blijmoedig lachje, aan die heldere stem, aan die onverstoorbare goede
-luim, waarmede zij bij mama den moed opwekte, waarmee ze papa midden
-tusschen zijn klagen en brommen, kon doen lachen, dan is het me alsof
-we nooit ongelukkig geweest zijn.«
-
-»Uw mama schrijft, dat het heengaan haar zwaar is gevallen. Ik kan mij
-dat nu begrijpen... als men zulk een heerlijke roeping heeft te
-vervullen.«
-
-»Ja, ’t was niet om haar zelfs wil. Zij wist wel, dat het leven haar
-niet meer geven zou wat de illusie is van een jong meisje... maar ze
-moet ten volle hebben begrepen hoe onmisbaar ze was! Ja,« barst hij
-eensklaps los, terwijl de lang bedwongen tranen hem langs de wangen
-stroomden, »wèl onmisbaar. Ik ten minste gevoel een leegte zoo groot;
-voor mij is het een gemis zoo vreeselijk... ’t Schijnt overdreven, niet
-waar? Maar vergeet niet, dat wij te zamen achterbleven, toen pa en ma
-van verlof terugkeerden naar Indië. De verhouding van twee kinderen,
-die ver van vaderland en familie, te zamen opgroeien onder vreemden,
-wordt zoo innig. ’t Was zoo’n moedertje voor me. Ze kon zoo dapper
-opkomen voor mijn rechten, al was ze jonger en zwakker dan ik. Arme,
-lieve Louise! Al mijn grootsche plannen heeft ze aangehoord met haar
-zachten, hoopvollen glimlach, al mijn teleurstellingen met me
-gedragen...«
-
-»En u zegt, dat het leven haar niet veel schonk?« vraagt Clotilde
-opeens. »Een broeder te hebben, voor wien men alles zijn kan...«
-
-»Ja, dat moet u een geluk toeschijnen!«
-
-Er volgt een lange pauze.—»Is het u nooit in de gedachten gekomen,«
-vraagt Clotilde eindelijk met droeve, zachte stem, »is het u nooit in
-de gedachten gekomen, mijnheer van Beevelant, dat, bij al mijne
-schijnbare voorrechten, ik eigenlijk bitter weinig bezit van datgene
-wat voor andere meisjes het leven vervult. Geen zuster met wie ik
-sympathiseeren kan, geen broer die mijn troost of deelneming behoeft,
-geen moeder...«
-
-Er is in het gelaat, dat ze naar hem opheft, iets zoo onbeschrijfelijk
-nederigs, iets zoo kinderlijk smeekends, dat het hem roert tot in het
-diepst van zijn gemoed. Met uitgestoken handen, met geheel de
-aandoening, die hem het spreken belet, uitgedrukt in den warmen blik
-vol liefde, treedt hij op haar toe... Bij die plotselinge beweging
-vallen eenige dichtbeschreven vellen papier op den grond. »Wees sterk!
-o Frans, wees sterk!«
-
-Hij is sterk. De handen zinken slap neder, de gloed en de liefde wijken
-uit het neergeslagen oog, hij bukt zich.
-
-»Dit is haar laatste brief,« zegt hij zonder te durven opzien naar het
-arme, droevige gezichtje... »Ik wenschte dat ik u kon laten lezen wat
-ze schrijft. Wilt u gelooven,« gaat hij nu bedaarder voort, »dat het
-deze brief is, waardoor ik me heb kunnen doordringen van de waarheid
-die ik maar niet bevatten kon, dat ze niet langer op aarde is? Terwijl
-ik las, was het me alsof die woorden tot me kwamen uit hooger, reiner
-sfeer, alsof het niet een sterfelijk wezen was dat tot me sprak, maar
-een engel...«
-
-Hij heeft het hoofd gebogen over die laatste herinnering aan de
-geliefde doode: zacht treedt Clotilde nader, legt de hand op zijn
-schouder en fluistert: »Al ben ik uw zuster niet, al kan ik u niet zoo
-begrijpen misschien, als u me een weinig vertrouwen wildet schenken...
-misschien zou ik u wat kunnen troosten, langzamerhand...« En als hij
-zwijgen blijft, trillend onder de aanraking der aangeboden hand: »U
-zijt zooveel voor mijn broers: ik zou, nu Louise is heengegaan, zoo
-gaarne iets voor u zijn.«
-
-Hij heeft het hoofd opgeheven, hij ziet rondom zich, hijgend als het
-wild, dat, opgejaagd, te vergeefs een uitweg zoekt: nu grijpt hij naar
-den brief als zijne laatste redding.
-
-»Clotilde! je zoudt niet willen, dat ik deed wat zij mij smeekt nooit
-te doen... nooit, nooit. Je zoudt niet willen dat ik haar liefde
-onwaardig werd...!«
-
-Ze blijft zwijgen, verschrikt door dien hartstochtelijken toon, door
-dien wilden blik vol zielsangst.
-
-»Clotilde,« klinkt het weer, maar nu zoo toonloos, dat ze moeite heeft
-te verstaan: »Ik ben zoo zwak, ik smeek je...«
-
-Onhoorbaar wenkt ze Oscar en verlaat met hem het vertrek. Maar als nu
-de deur dichtvalt tusschen hen, dan weten ze het: al de deuren der
-wereld kunnen hen niet meer scheiden.
-
-
-
-
-
-
-
-XXII
-
-FLIRTATION?
-
-
-Het is negen uur in den morgen en nog schijnt de zon niet: een
-zeldzaamheid in dit land, waar de Génestet’s dichtregelen ons soms op
-de lippen komen, maar dan veranderd in de verzuchting:
-
-
- »’k Ben u zoo moe, o heete zon!
- Och! schijn niet alle dagen!«
-
-
-Tegen den blauwen hemel legeren zich zilvergrijze wolkjes; er ligt een
-fluweelen glans over de aarde, de lucht is doorzichtig, de atmosfeer
-frisch en koel.
-
-In den Plantentuin, op het geboomte dat den vijver omgordt, dansen nog
-de insecten, anders om dezen tijd van den dag reeds verjaagd door de
-hitte, fonkelen nog de druppels op het gebladert, suizelt nog de
-morgenwind in den waringin, zich welvend over het koepeldak.
-
-In den koepel heeft mevrouw Verschuere een plaats gezocht. ’t Is om uit
-te rusten, want al doen lucht en beweging haar goed, ze vermoeien toch
-ook. Het schetsboek ligt open op haar schoot, maar ze werkt niet, en
-als ze het eindelijk opent, is het met de zucht van het kind, dat haar
-les maar zal leeren omdat ze het boek in de hand en op het oogenblik
-niets beters heeft om den tijd mede door te komen.
-
-Juist heeft ze het groepje boomen aan den overkant, met zijn
-doorzichtig gebladerte, bestemd om haar heden tot onderwerp voor een
-schetsje te dienen, als er een vlugge voetstap weerklinkt op den
-begrinten weg. Ze zou geloofd hebben dat het een schooljongen was, die
-daar zoo in volle vaart den heuvel kwam afrennen, als ze niet reeds
-haar neef had herkend.
-
-»Morgen, Nita! Hoe gaat het?« roept hij van verre en doet wat hij kan
-om zijn vaart in te houden.
-
-»Dag, James!« De toon harer stem verraadt hoe verheugd ze is over zijn
-komst. »Is me dat nu een manier van je aan te dienen?« vraagt ze
-lachend, »als een bal naar beneden te komen rollen? ’t Scheelde geen
-zier of je waart in den vijver terecht gekomen.«
-
-»Geen nood. Ik wist dat waar jij waart ik altijd aan je voeten
-neerval.«
-
-»Gekheid! in onzen tijd zinkt men neer op ijzeren tuinstoeltjes, niet
-aan damesvoeten,« en ze wijst hem een der zetels naast den haren.
-
-»Hoe gaat het, Nita?« vraagt hij klaarblijkelijk zonder haar verstaan
-te hebben. »Hoe gaat het?« en hij staart haar niet zonder zekere
-bezorgdheid in het gelaat
-
-»O, heel goed!« maar ze ontwijkt zijn blik.
-
-»Hoe voel je je van daag?«
-
-»Wel, hoe zou ik me anders voelen dan uitstekend, op een morgen als
-dezen?« is haar wedervraag. »Vin je ook niet? Er zijn van die dagen
-waarin men niet denken kan aan de mogelijkheid van deze heerlijke
-wereld te verlaten.«
-
-»Aan die mogelijkheid mag je ook niet denken, Nita,« spreekt hij zacht
-en er klinkt moeilijk bedwongen aandoening in zijn stem.
-
-Dan zwijgen beiden.
-
-»En je vraagt niet eens hoe ik je hier heb ontdekt?« roept eindelijk
-James op den gemaakt luchtigen toon, waarachter we gewoon zijn onze
-aandoeningen te verbergen.
-
-»Je ontdekt me altijd; en zou je nu willen dat ik er juist dezen keer
-verbaasd over stond!«
-
-»Ik heb Verschuere ontmoet op weg naar het paleis. Hij vroeg me of ik
-je wat gezelschap wou gaan houden.«
-
-»Zoo is het gemakkelijk Columbus spelen. Maar—als ik je nu eens zei,
-dat ik hier niet gekomen ben om te praten?«
-
-»Dan zou ik dat heel onbeleefd van je vinden.«
-
-»Ja? Dat spijt me. Want wezenlijk, ’t is de waarheid! Zoo’n ochtend als
-vandaag, zoo’n zacht licht, heeft men haast nooit hier in Indië; ’t is
-een dag uit duizenden om te teekenen. Ik zou er zoo graag van
-profiteeren.. Mag ik?«
-
-»Dan zal ik je potlooden punten.«
-
-»Die zijn gepunt.«
-
-»Dan zal ik de bloem plukken die je teekenen wilt.«
-
-»Je treft het niet, James. Ik wil geen bloem teekenen vandaag. Zie je
-dat groepje boomen dáár aan den overkant, waar het licht zoo lief
-doorheen komt kijken? Nu, daarvan wou ik probeeren een schetsje te
-nemen.«
-
-»Dan zal ik je mijn gemakkelijken stoel halen.«
-
-En vóór ze hem heeft kunnen terughouden, is hij den heuvel weer op en
-weggerend naar het paleis.
-
-Er komt een dankbaar glimlachje om haar lippen spelen, terwijl ze hem
-volgt met haar gedachten langs het nu reeds meer door de zon verlichte
-pad.
-
-»Goede, beste jongen!« denkt ze. »Wat is hij altijd lief voor me en vol
-attenties! Trouwens iedereen is lief voor me. Ik kan niet dankbaar
-genoeg zijn voor al de hartelijkheid die me bewezen wordt. Vooral als
-ik ziek ben, wat een belangstelling, wat een deelneming! En wezenlijk,
-ik stel het geduld van mijn vrienden op een zware proef met dat
-altijddurend sukkelen!«
-
-Straks ziet ze den weg op, of James nog niet terugkeert.
-
-»Maar niemand doet toch zooveel voor me als hij,« peinst ze. »Daar
-loopt hij nu weer dat geheele eind, om me wat gemakkelijker te laten
-zitten; wezenlijk, hij bederft ons kleintje. Eerst dacht ik, dat hij
-zoo goed voor me was alleen uit liefde voor pa en ma, want hij
-waardeert zoozeer wat ze voor hem deden, als, zegt Gustaaf, menschen
-wie een weldaad bewezen werd, zelden doen; maar neen, ’t is werkelijk
-genegenheid, een innige, oprechte...«
-
-Eensklaps komt een donkere blos haar gelaat verven: met een ongeduldige
-beweging strijkt ze de hand over het gloeiend voorhoofd, maar ze kan
-niet tegelijk met de zijden lokken de pijnlijke gedachten wegstrijken,
-die daar zoo onverwacht opkwamen.
-
-»Nonsens,« fluistert ze, »nonsens! Een dom praatje, uit de lucht
-gegrepen, een praatje dat geen enkelen grond heeft.«
-
-Maar reeds is ze opgesprongen van haar stoel, reeds gaat ze met
-onrustige schreden het pad tusschen koepel en vijver op en neer.
-
-»’t Ware te wenschen dat de zoogenaamde »dames van ondervinding« ons
-jonge vrouwen haar waarschuwingen bespaarden. Dan zouden we ten minste
-kunnen genieten van de conversatie, dan zouden we vrienden kunnen
-hebben; nu maken ze iederen man, die geen zestig jaar is, tot een
-voorwerp van vrees en schrik!« Dan, terwijl ze eensklaps stilstaat en
-met de punt van haar parasol gaten boort in den vochtigen grond: »Ik
-moet het uit mijn hoofd zetten; ik moet mijn best doen er niet meer aan
-te denken. Zoo’n jongen! Even oud als ik! ’t Idee! Iemand met wien je
-honderdmaal kibbelde, dien je dikwijls straf hebt zien geven, dien je
-geplaagd hebt met zijn eerste pogingen om een snor te krijgen. Neen, ’t
-is al te dwaas! En toch.. van zijn kant.. Dáár, nu krijg ik al een
-kleur omdat ik zijn voetstap hoor; dat komt van die onzinnige
-praatjes!«
-
-In de stilte had ze hem reeds lang gehoord vóór hij bij haar was, en ze
-kon hem dus met een kalm gelaat en vriendelijk glimlachje ontvangen.
-
-»Ga nu eens heelemaal op je gemak zitten. Is het geen heerlijke stoel?
-En hier is een bankje en hier een sluimerrol.«
-
-»Soedah!« zegt hij tot den jongen, die hem ’t een en ander nadroeg en
-dan met dat kinderlijke in zijn manieren, dat zoo goed staat bij zijn
-forsch, krachtig uiterlijk:
-
-»Wat zeg je nu?«
-
-»Dank je, mijn trouwe ridder.«
-
-»Zie je, nu zit je als een koningin met een nederigen slaaf aan je
-voeten. Een slaaf, aangesteld om je de potlooden aan te geven, want—ik
-heb er nog eens over nagedacht—dat is het wat Verschuere me heeft
-opgedragen.«
-
-Ze begint haar werk, maar boomen teekenen is niet gemakkelijk, vooral
-als de teekenares in de war geraakt door een paar oogen, die schijnen
-te vragen of er op een morgen als dezen niet iets beters te doen is dan
-zwarte streepjes maken op wit papier.
-
-Reeds tweemaal heeft mevrouw Verschuere alles weer uitgeveegd, reeds
-driemaal een nieuw potlood gevraagd.
-
-James begint uit alle macht punten te slijpen.
-
-»Je bent toch een voorbeeldige neef,« zegt Nita, die hem gadeslaat,
-achterovergeleund in haar stoel, want het werk, dat maar niet slagen
-wil, vermoeit haar; »ik mag wel zeggen de voorbeeldigste van alle
-neven.«
-
-James breekt de punt. »Ik wou,« begint hij op den knorrigen toon, dien
-hij vroeger tegen zijn speelgenoot durfde aanslaan, »ik wou dat je je
-af kondt wennen om altijd zoo over dat neefschap te praten.«
-
-Verwonderd ziet ze hem in het gelaat.
-
-»Hindert je dat?« vraagt ze. »En ik, die me nog wel verbeeldde dat je
-er trotsch op waart me tot je nichtje te hebben!«
-
-»Dat ben ik. Bij anderen. Maar als we zoo met ons beiden zijn... laten
-we elkaar dan noemen, niet bij den naam dien we toevallig dragen door
-familierelatie, maar«—en zijn stem is nu niet knorrig meer, doch zacht
-en teeder—»bij de namen die ons hart ons ingeeft.«
-
-Agnita schrikt van de wijze waarop hij dit zegt. En als ze heeft
-neergezien in het gelaat, dat hij tot haar opheft, als ze dien warmen
-blik heeft ontmoet, dan vindt ze op eens dat de »dames van
-ondervinding« nog zoo groot ongelijk niet hebben met haar te
-waarschuwen voor mannen beneden de zestig jaar.
-
-Sedert ze zoo zwak werd, bezorgt de minste schrik of aandoening haar
-hevige hartkloppingen, en ze kan dan ook nu niets anders doen dan de
-handen op de borst drukken, voor zich zien en wachten.
-
-»Wil je me dat pleizier doen, Nita?« vraagt hij na een pauze.
-
-Ze heeft nu haar stem terug en antwoordt met goed geveinsde kalmte:
-»Zeker. Ik zal je niet meer neef noemen maar James. Is dat goed? Want
-Van Suylichem vind ik te deftig en ik kan toch moeilijk, zooals de
-kolonel, tegen je zeggen: »Mijn waarde jonge vriend, à propos, hoe
-staat het met Euphrosine?««
-
-»Waarom vraag je dat, Nita?« en hij springt op van zijn zetel en er
-fonkelt een toornig licht in zijn oog. »Je weet heel goed dat er niets
-bestaat tusschen mij en dat vervelend creatuur.«
-
-»Foei, James, praat je op die manier over een dame? Bedenk wat mama
-altijd zei: al kan een jong mensch een liefde niet beantwoorden, hij
-moet de vrouw, die hem onderscheidt, dankbaar zijn voor die
-onderscheiding.«
-
-»Ook als het Euphrosine d’Hannecour is en men de onderscheiding met
-vele voorgangers deelt?«
-
-Zij antwoordt niet en ook hij laat Euphrosine verder rusten. Dat arme
-zieltje heeft alweer de rol vervuld, die de dames d’Hannecour
-aangewezen schijnt in de Buitenzorgsche wereld; ze diende als
-bliksemafleider; de blos is geweken van Agnita’s gelaat, ze heeft haar
-hartklopping bedwongen; James kijkt niet teeder meer.
-
-Maar als hij voor het koepeltje op en neer loopt, een deuntje neuriënd,
-terwijl zij met nieuwen ijver begint te schetsen, dan trekt hij zoo’n
-ongelukkig gezicht, dat ze medelijden krijgt en vergeet hoe gevaarlijk
-zij hem weinige minuten geleden heeft gevonden.
-
-Dat vervelend gebabbel over hem, denkt ze. Nu ga ik overal iets achter
-zoeken. Hoe dikwijls heeft hij mij lief aangekeken, hoe dikwijls heeft
-hij me gezegd dat hij van ons hield, dol van ons hield... en dan heb ik
-het altijd natuurlijk gevonden. Nu... mijn hemel, wat moet hij wel
-gedacht hebben toen hij me zoo zag kleuren? Ik heb me eenvoudig
-bespottelijk gemaakt... het best zal zijn dat ik op de een of andere
-manier mijn congesties in het gesprek te pas breng.
-
-»Nita...«
-
-Ze durft hem niet aanzien, ze is bang dat hij op haar gezicht zal lezen
-wat in haar hart omgaat.
-
-»Dank je, mijn potlood is nog goed.«
-
-»Ik ben nog iets anders dan een potloodkoker, Nita.«
-
-»Daarvoor heb ik je nooit aangezien, James.«
-
-Dan beginnen beiden te lachen en Nita vermant zich en kijkt hem flink
-in de oogen.
-
-In gezelschap zouden ze nu weldra geheel vrij tegenover elkander
-gestaan hebben, maar de eenzaamheid van het plekje, waar ze zich
-bevinden, de fluisteringen van het geboomte rondom hen, het droomerig
-gesuizel van het water, de heerlijkheid van den zoelen morgen, ze
-verwarren die onervaren harten meer en meer. James breekt de eene punt
-na de andere, Agnita teekent abnormaliteiten inplaats van boomen, ze
-wordt zoo onrustig op den gemakkelijken stoel, alsof die met spelden
-was bekleed, en als ze eindelijk voor goed is opgesprongen en Van
-Suylichem haar begeleidt tot aan het hek harer woning, vraagt ze hem
-niet om binnen te komen,—ze verlangt alleen te zijn. Maar nauwelijks is
-ze alleen, of ze telt de oogenblikken tot Verschuere thuis kan komen.
-Als hij eindelijk verschijnt komt ze hem reeds op de trap tegemoet, en
-hij had blind moeten wezen om niet te zien dat er iets aan de hand is.
-
-Hij laat zich dus gewillig naar haar boudoir voeren, en nauwelijks
-heeft Mingo hem zijn selterswater gebracht, of hij vraagt: »Wat scheelt
-er aan, kleintje? Heeft de wandeling je geen goed gedaan?«
-
-»Neen, kwaad. Niets dan kwaad. Maar ’t was eigen schuld. Ik heb, in
-plaats van te genieten van den heerlijken dag, me onpleizierig zitten
-maken.«
-
-»Is James dan niet bij je gekomen?«
-
-»Ja, dat was het juist!«
-
-»Wat? James? Maar ... Nita!«
-
-Ze bloost; dan, na zich een oogenblik bedacht te hebben, vraagt ze
-vleiend: »Die oppasser, die met zijn dikke portefeuille achter je
-aankwam, dat was maar om me bang te maken,—niet waar? Er is geen haast
-bij die stukken?«
-
-»Ze kunnen ten minste wachten.«
-
-»Gelukkig want ik heb iets te zeggen, en het zal zeker nogal lang
-duren, omdat ik niet weet hoe te beginnen.«
-
-»Met het begin zou ik denken.«
-
-»Maar beloof me eerst, dat je me niet zult uitlachen.«
-
-»En, dan...«
-
-»Alles. Je begrijpt toch, dat ik, na zooveel preliminairen, brand van
-nieuwsgierigheid.«
-
-»O, ’t zal je niet meevallen! ’t Is een van die kleinigheden, die een
-vrouw geheel van haar stuk brengen en een man volkomen koud laten.«
-
-»In Godsnaam, Nita, begin!«
-
-»Neen, je moet niet doen of het gekheid is. Je weet wel,« en ze ziet
-hem nu voor het eerst aan, »dat mevrouw Van Waliënhove me gister meenam
-naar haar kamer om die nieuwe waaiers te zien?«
-
-»Ja. Waren ze mooi?«
-
-»Ik geloof het wel. Er was er een bij van negenhonderd francs,
-geschilderd met hun wapens in een krans van mosrozen.... maar ik kon
-het niet goed zien.... ze bergde alles zoo gauw weer weg. Je moet
-weten, die waaiers waren maar een pretext. Ze wou me alleen spreken
-over...«
-
-»Waarover?« vraagt hij, nu niet langer met voorgewende belangstelling.
-
-»Ze nam me bij de hand... Erg lief! En toen kwam ze naast me zitten op
-de causeuse en bracht het gesprek op James.«
-
-»Op James?«
-
-»Kun je niet raden met welke bedoeling?«
-
-»Maakt James ook al het hof aan Clotilde?«
-
-»Neen. Was het dat maar! Ze beweerde juist, dat James zijn hof niet
-maakte. Aan geen enkel jong meisje ten minste. En dit vond volgens haar
-zijn oorzaak in... het kwam omdat...«
-
-Mevrouw Verschuere ziet er nooit liever uit dan wanneer ze verlegen is,
-en Gustaaf vindt haar onbeschrijfelijk bekoorlijk op dit oogenblik; ze
-beproeft namelijk om de gloeiende wangen aan zijn borst te verbergen.
-
-»Omdat mijnheer Van Suylichem verliefd is op mevrouw Verschuere,« aldus
-vult hij den nog altoos onvoltooiden volzin aan. »Is ’t niet zoo?«...
-en hij heft haar hoofd op van zijn borst. »Mijn schuchter duifje! Moet
-je dáár zoo over blozen? Vin je dàt zoo verschrikkelijk?«
-
-»Jij dan niet?«
-
-»Wel neen. Laat me je zeggen, kind, dat ze reeds meer dan een half jaar
-bezig is mij hetzelfde in het oor te blazen.«
-
-»Ja?« vraagt ze verbaasd. »Is ’t mogelijk?«
-
-»Je begrijpt, onze intimiteit met Van Suylichem is haar een doorn in
-het oog. Versta me wel. Niet onze intimiteit meer dan een andere. Maar
-elke vriendschap, elke liefde, elke goede verhouding. Je hebt wel eens
-gehoord van salamanders, die in het vuur leven?«
-
-En als ze, in gedachten verzonken, blijft zwijgen: »Ik heb het maar
-niet verteld, omdat ik je het genoegen van James bij je te zien niet
-verbitteren wilde, maar het hindert haar, dat al haar insinuaties bij
-mij niets helpen; nu zal ze eens probeeren wat ze bij de andere partij
-vermag.«
-
-»Je moet het ergste nog hooren: ik ben van morgen in den Tuin op het
-denkbeeld gekomen, dat er wel iets van aan kon zijn.«
-
-»Waarvan?« vraagt hij streng. »Dat hij hier te veel aan huis komt, of
-dat hij verliefd op je is?«
-
-»Neen, ’k weet wel, ’t is ongerijmd... Maar... hij was toch erg vreemd
-van morgen.«
-
-»James? och kom, Nita!«
-
-»Om nu maar eens één ding te noemen: hij vroeg me om niet meer zoo
-telkens neef te zeggen.«
-
-Verschuere lacht hartelijk. »En is dit alles?« roept hij. »Wel, kind,
-ik kan me heel goed voorstellen, dat hij het vervelend vindt: ik vind
-het ook vervelend; niets stijver dan dat neef en nicht.«
-
-»Maar,« herneemt Nita, steeds met meer aarzeling, want ze gevoelt dat
-ze zich bespottelijk maakt in de oogen van haar echtgenoot, »maar...
-hij vroeg me om hem te noemen met den naam dien mijn hart me ingaf.«
-
-»En dat mag een heel hartelijke naam zijn,« zegt Verschuere met voor
-hem ongewonen ernst. »Geloof me kind, je bent nog jong, je weet nog
-niet, hoe zeldzaam vriendschap is, ten minste zoo’n trouwe
-hondenvriendschap als de zijne; maar waarachtig, iemand die van je
-houdt zooals James van ons doet, dat vin je maar eens of tweemaal in je
-leven, en als je het vindt, kun je het niet genoeg waardeeren.«
-
-»Maar hij was toch heel vreemd van morgen.«
-
-»Kom, haal je nu niet zulke dwaasheden in het hoofd! Hij was vreemd van
-morgen, zeg je? Maar weet je wel zeker dat jij niet vreemd waart? ’t
-Heeft je natuurlijk verlegen gemaakt, dat gebabbel! Als je morgen wordt
-verteld, dat Hooglaan op je verliefd is, dan vin je overmorgen, dat
-Hooglaan heel vreemd doet.«
-
-Ze lacht als een kind dat pas van een groote vrees werd bevrijd.
-
-»Dáárvoor zou toch veel moeten gebeuren, geloof ik. Die stijve Klaas!«
-
-»Niet zoo stijf of hij maakt tegenwoordig druk het hof aan... Maar kom,
-je hebt nu je hart uitgestort... en ik heb nog een massa werk. Zullen
-we gaan rijsttafelen?«
-
-Ze legt haar arm in den zijnen en naar hem opziende, schertst ze:
-
-»Wat men van je zeggen kan, Gus, niet dat je een Othello-natuur hebt.«
-
-»Misschien wel, lieve, als ik niet zooveel te doen had. Othello was met
-verlof, meen ik, toen hij Desdemona wurgde.«
-
-
-
-
-
-
-
-XXIII
-
-INTRIGANTEN AAN ’T WERK.
-
-
-Wanneer mevrouw Van Waliënhove gezegd kan worden met één Buitenzorger
-op intiemen voet te verkeeren, dan is dit met den algemeenen
-secretaris.
-
-Niet dat ze hem werkelijk genegen is, niet dat ze zich eenige illusie
-maakt omtrent de vriendschappelijkheid zijner gevoelens jegens haar,
-maar ze weet volkomen wat ze aan hem heeft—en dit is noodig, wil ze
-haar vertrouwen schenken.
-
-’t Gebeurt somwijlen dat de heer Verschuere, na een bezoek bij Zijne
-Excellentie, een uitnoodiging ontvangt om tot háár te komen; het
-verschil van duur der visites aan mijnheer en mevrouw zou aanleiding
-kunnen geven tot de vooronderstelling dat het afdoen van
-regeeringszaken vlugger gaat dan dat van partikuliere belangen.
-
-Kort na zijn terugkomst van Batavia, waar de gouverneur-generaal met
-gevolg een tiental dagen doorbracht, wacht hem een boodschap in de
-vestibule; reeds wil hij mevrouws kamenier volgen naar het zitvertrek,
-dat ’s morgens beurtelings als kantoor, als gerechtszaal en als
-ontvangkamer dienst doet, wanneer deze, met de onbescheidenheid
-dienstbaren juffertjes eigen, opmerkt:
-
-»Pardon, mijnheer! In het boudoir... ’t is confidentieel.«
-
-Hoe ongepast ook, haar waarschuwing blijkt gegrond; ’t is
-confidentieel, dat ziet hij bij den eersten oogopslag.
-
-De barones—een geheel andere echter dan die bij het groote publiek
-bekend—ontvangt hem bleek en zenuwachtig, achteloos gekleed, het altijd
-zoo zorgvuldig gekapt haar opgenomen in een lossen wrong.
-
-»Goddank dat u gekomen zijt, mijnheer Verschuere,« en ze drukt hem de
-hand, »Goddank!«
-
-»Te veel eer, mevrouw, waarlijk te veel eer!« zegt Verschuere uiterst
-hoffelijk, maar daarom niet minder voornemens op zijn hoede te zijn;
-het optreden zijner vriendin doet hem aan comedie denken.
-
-»Uw conferentie is afgeloopen? En u hebt een oogenblikje voor mij?«
-
-»Uren, mevrouw.«
-
-Nu gaat ze eerst naar de eene deur, dan naar de andere, overtuigt zich
-dat ze niet beluisterd worden en neemt dan plaats dicht naast den
-bezoeker om zachter te kunnen spreken.
-
-Ik geloof dat ik moet oppassen, denkt deze: iets meer dan gewoonlijk
-zelfs.
-
-»O mijnheer Verschuere,« roept nu mevrouw Van Waliënhove, blijkbaar
-afgemat van overspanning neerzinkend in haar fauteuil, »ik weet het
-reeds, u zult mij zeer onpolitiek vinden. Als ik u zeg wat ik te zeggen
-heb, zult u zich verbazen over zooveel onvoorzichtigheid, aan een derde
-te vertellen wat geheim moet blijven: maar... ik ben ten einde raad!«
-
-Die bekentenis van die lippen verbaast hem, ontwapent hem min of meer.
-
-»Mevrouw!« vraagt hij lachend, »u niet politiek? u niet voorzichtig?«
-En dan nog ongelooviger: »U ten einde raad?!«
-
-»Ja, ten einde raad. Ik weet niet wat te doen. Den eenen nacht na den
-anderen breng ik slapeloos door, zonder een uitweg te vinden. En toch,
-die uitweg moet gevonden. Want ofschoon het een familiezaak geldt...
-een zeer kiesche...« ze aarzelt en brengt haar waaier in beweging en
-drinkt een teug uit het glas ijswater voor haar.
-
-»Ik kan u niet zeggen hoe u mij vereert door uw vertrouwen,« begint
-Verschuere langzaam en als woog hij de beteekenis van elk woord vóór
-hij het uitsprak; »maar wanneer het een familiezaak geldt, is het dan
-wel geraden mij er in te mengen?«
-
-»Ik moet. Ik kan niet anders!«
-
-»Ik waag het, mevrouw, u te herinneren aan het fransche spreekwoord: Il
-faut laver...«
-
-»Ja, ik weet wel... ik weet wel!...«
-
-»Ik ben een vreemde.«
-
-»Een vreemde.... ja. Maar zijn het niet allen eenmaal vreemden geweest,
-die we later tot onze vrienden maakten?«
-
-Het was onmogelijk zich niet gevleid te gevoelen.
-
-»Mevrouw,« zegt Verschuere met een lichte hoofdbuiging, »ik ben geheel
-tot uw dienst.«
-
-»Dank u. Ik mag dus op u rekenen? Mijnheer Verschuere, ik zal nooit
-vergeten... dat u me uit deze moeilijkheid redden wilt;« en ze reikt
-hem de hand en brengt met de andere den zakdoek aan de oogen. »O, ik
-wist wel,« gaat ze voort, »dat als ik iemand bereid zou vinden om ons
-een groot verdriet te besparen, u het zijn zoudt.«
-
-Niettegenstaande deze verzekering is mevrouw Van Waliënhove nog verre
-van gerust: ze weet het, ze speelt een hoog spel; één niet genoegzaam
-beheerschte trek in haar gelaat, één onvoorzichtig woord zou voldoende
-zijn om in den man tegenover haar den koel berekenenden tegenstander te
-doen ontwaken.
-
-Dus, in plaats van recht op haar doel af te gaan, neemt ze een kleinen
-zijweg. Ze weet het, hij hangt met hart en ziel aan haar echtgenoot: ze
-weet, hij is een bewonderend vereerder van den man, die in zoo ongewone
-mate het geheim bezit om te verzoenen met zijn hooge betrekking.
-
-»Ik zou zoozeer wenschen,« begint ze, »dat juist in deze dagen de
-gouverneur-generaal niet behoefde te worden lastig gevallen met
-huiselijk verdriet. Hij heeft zonder dat onaangenaams genoeg. U weet
-het, de voorstellen door zekere partij in de Tweede Kamer gedaan, zijn
-hem een doorn in het oog, het drijven dier partij verontrust hem...«
-
-»En geen wonder!«
-
-»Wat hem misschien meer leed doet dan hij wel zou willen bekennen, ’t
-is dat uw oom zich sedert kort geschaard heeft aan de zijde dier
-drijvers. Hij zou zoo gaarne blijven vasthouden aan het denkbeeld dat
-vriendschap en goede trouw bestaanbaar zijn met staatkundig leven. Ik
-vrees echter dat de minister van koloniën hem spoedig genezen zal van
-zijn illusie.«
-
-»Dwalen we niet een weinig van ons onderwerp af?« vraagt de algemeene
-secretaris, die het dezer dagen niet aangenaam vindt om over de door
-zijn oom gehuldigde politiek te moeten spreken.
-
-»Misschien. Men zegt dat het een zwak is van ons dames, nooit voet bij
-stuk te houden. Maar op één punt zijn wij het toch reeds eens geworden.
-’t Is dat Zijne Excellentie niet geplaagd mag worden met familiezaken.«
-
-»Neen, zeker niet... maar wat is de quaestie, mevrouw?«
-
-»De quaestie is deze,« spreekt mevrouw van Waliënhove, terwijl zij de
-scherpe, zwarte oogen vast op haar vertrouwde vestigt, »de quaestie is
-deze: Clotilde heeft een ongeoorloofden minnehandel aangeknoopt met...
-den gouverneur.«
-
-De verachting, waarmee ze dat woord uitspreekt, maakt haar weder geheel
-tot de barones, die het groote publiek kent.
-
-»Onmogelijk!«
-
-»Onmogelijk, zegt u?«
-
-»Vergeef me, mevrouw, maar tot zoo iets is Van Beevelant niet in staat.
-Daarvoor is hij te veel fatsoenlijk man.«
-
-»Fatsoenlijk man! Hij!«
-
-»Ik meen hem wel een weinig te kennen.«
-
-»Misschien dat hij fatsoenlijk is zooals alle mannen fatsoenlijk
-zijn—tot er een vrouw in ’t spel komt.«
-
-»En freule Clotilde zou het meisje zijn om hem te brengen tot... hier
-moet een vergissing plaats hebben!«
-
-»Ik vergis me zelden, mijnheer Verschuere.«
-
-»De uitzondering bevestigt den regel, mevrouw Van Waliënhove.«
-
-Het blijft een oogenblik stil in het boudoir. Dan schijnt een der beide
-partijen een plotseling besluit te nemen.
-
-»Ik zie het al weer,« roept mevrouw Van Waliënhove, »men kan zijn
-vertrouwen niet ten halve schenken. Daarom een bekentenis die, wanneer
-de toestand haar niet zoo dringend eischte, nooit over mijn lippen zou
-zijn gekomen. U hebt u soms verbaasd,« gaat ze voort, terwijl ze de
-uitwerking van elk woord op zijn gelaat bespiedt, »u hebt u soms
-verbaasd over mijn gestrengheid tegen Clotilde?«
-
-»Ja... soms wel.«
-
-»Uw vrouw—en velen met haar—hebben hun bevreemding te kennen gegeven
-over het feit, dat wij besluiten konden haar in Europa achter te laten.
-Wij beproefden nooit ons daaromtrent te verantwoorden. Maar, mijnheer
-Verschuere, u zijt te scherpziende om niet te begrijpen dat we daarvoor
-andere redenen hadden dan alleen den wensch Clotilde’s opvoeding in
-Duitschland te acheveeren.«
-
-»Ik erken dat ik wel eens naar een andere reden gezocht heb.«
-
-»En die reden lag voor de hand, niet waar? de jaloezie der
-stiefmoeder!«
-
-»O mevrouw!«
-
-»Brisons la-dessus. Er is iets anders. Clotilde heeft dien tijd
-doorgebracht op een instituut, bekend om de afzondering, waarin de
-meisjes daar gehouden worden, bekend om de ultra-orthodoxe ideeën die
-daar heerschen... Dat kon toch in de jaloezie der stiefmoeder geen
-reden vinden?«
-
-»Neen zeker niet,—al zou men aan die jaloezie gelooven,« voegt hij er
-haastig bij, meer beleefd dan oprecht.
-
-»De wereld,« gaat mevrouw voort, nog steeds in de rol der beleedigde
-onschuld, »de wereld heeft mij veroordeeld, omdat ik wenschte mijn
-dochter getrouwd te zien. Neen, ontken het niet! Clotilde’s
-tegenwoordig gedrag rechtvaardigt mij genoeg, maar zooals gewoonlijk
-oordeelde de wereld voorbarig... Ik spreek het niet tegen... ik zag
-haar gaarne spoedig getrouwd.... mijnheer Verschuere; er zijn jonge
-meisjes voor wie een vroegtijdig huwelijk gewenscht is... Het spijt me
-te moeten bekennen dat mijn dochter tot die soort van meisjes behoort.«
-
-Een oogenblik begint de barones te vreezen dat ze te ver gegaan is.
-Verschuere ziet haar aan met ongeloovigen blik en zwijgt.
-
-»U twijfelt?«
-
-»Neen, mevrouw. Als u het zegt moet het natuurlijk waar zijn. Ik sta
-alleen verbaasd over mijn weinig doorzicht. Ik toch heb freule Clotilde
-altijd beschouwd als een jonge dame naar lichaam en geest volkomen
-gezond.«
-
-»Ja, dat verwondert me ook van u,« zegt de stiefmoeder volstrekt niet
-uit het veld geslagen. »U ziet anders zoo scherp. Maar begrijp mij wel.
-Clotilde weet zich volkomen te beheerschen, ze toont op dit punt—als op
-meer andere—een buitengewone wilskracht. Daarom—ofschoon deze richting
-van haar karakter ons veel zorg heeft gebaard—maken we er haar
-geenszins een verwijt van: men kan de natuur leiden, niet dwingen, en
-misschien is het een erfdeel harer moeder... dat moet een ziekelijk,
-geëxalteerd schepseltje geweest zijn.«
-
-»Ja...a?« vraagt de algemeene secretaris met tergende verbazing.
-
-»Ja wist u dat niet? Enfin, het is ook zoo lang vóór uw tijd geweest.
-Maar om tot Clotilde terug te keeren, er is een paar jaar geleden een
-historietje gebeurd met een student... een neef van ons... Enfin, u
-spaart me de bijzonderheden?«
-
-»Pardon, mevrouw. Als het niet te veel van u gevergd was, zou ik ze
-gaarne hooren.«
-
-Daarop heeft ze niet gerekend. Toen ze daareven den neef fingeerde, in
-een wanhopende poging om Verschuere te overtuigen, toen dacht ze dat
-hij te veel man van de wereld was om, waar zij iets verzwijgen wilde,
-haar tot spreken te dwingen.
-
-Maar ze aarzelt niet, en herneemt dadelijk met een kalmte, dubbel
-bewonderenswaardig omdat ze onder dien doordringenden blik elk woord
-moet verzinnen vóór ze het uitspreekt: »Ik zie dat wij, vrouwen, niet
-de eenige nieuwsgierigen zijn. Maar u moet uw verwachtingen niet te
-hoog spannen; het geval was niet shocking, alleen romanesk. Niets
-anders dan een mooie jongen die, bij gelegenheid van een bal masqué,
-een ridderkostuum droeg; een meisjeshart, dat, met vacantie thuis van
-een strenge school, niet veel noodig had om in vuur en vlam te geraken;
-een paar rendezvous, een plan om samen te ontvluchten... Maar gelukkig
-werd de correspondentie onderschept en de schaakpartij verhinderd.«
-
-»Zoo?«
-
-»Ze haat hem op dit oogenblik! O, ze zal hem doen boeten voor zijn
-ongeloovigheid! De gelegenheid kan komen dat ze hem op hare beurt in de
-engte zal drijven... als ze hem niet meer noodig heeft.«
-
-»Waarom vertelt u mij dit, mevrouw? Om me te bewijzen dat Van Beevelant
-een gemakkelijke overwinning behaald heeft?«
-
-»Neen, om u voor te bereiden op hetgeen ik nog zeggen moet. Om enkele
-feiten verklaarbaar te maken. U gelooft, niettegenstaande al wat ik u
-gezegd heb, aan de fatsoenlijkheid van uw vriend, aan de onschuld van
-Clotilde... Welnu!«
-
-Mevrouw heeft, terwijl ze sprak, de cassette geopend, die voor haar
-staat. Ze neemt bij dat triumfeerend »Welnu« er een briefje uit en
-reikt het Verschuere toe.
-
-De algemeene secretaris leest:
-
-»Mevrouw Van Waliënhove om negen uur uitgereden; de freule kon niet mee
-gaan: had het te druk met pianostudie. Dadelijk na mevrouws vertrek
-zijn O. en F. naar buiten gezonden. Gingen cricketten op het gazon
-achter het huis. De freule is toen naar de schoolkamer gegaan. Bleef
-daar langer dan een uur te zamen met Van B. Deuren waren gesloten.«
-
-
-
-Verschuere moet het biljet tweemaal lezen; dan geeft hij het terug
-zonder een woord te spreken.
-
-»En is...« vraagt hij eindelijk een weinig hersteld van zijn pijnlijke
-verbazing, »is deze spion te vertrouwen?«
-
-»Waarom noemt u hem een spion? Kan het niet even goed iemand zijn, wien
-de eer van ons huis ter harte gaat?«
-
-»Laat ons dit een oogenblik aannemen.—Mag men op zijn getuigenis
-afgaan?«
-
-»Denkt u, mijnheer, dat ik alleen op zijn getuigenis—hoe betrouwbaar
-overigens ook—een zoo zware beschuldiging zou herhalen. Neen, daarvoor
-is de zaak te ernstig! Ik heb Felix ondervraagd en mijn kamenier...
-Helaas, het is de waarheid...«
-
-»Maar mijn God!« roept Verschuere, terwijl hij het briefje weer opneemt
-en voor de derde maal leest, »mijn God! ’t is ongeloofelijk. De freule
-was met hem alleen, zegt u?«
-
-»Ja.«
-
-Ze weet dat het bezoek in de schoolkamer zou zijn opgehelderd, zoo dit
-schrijven een datum droeg en Verschuere had kunnen nagaan, dat ze
-derwaarts ging om te troosten; daarom heeft ze den datum afgescheurd.
-Ze weet dat het een grove leugen is, dit »ja«. Maar ze spreekt het
-daarom niet minder vast uit.
-
-»Wilt u nog meer hooren?« En zonder zijn antwoord af te wachten, reikt
-ze hem een tweede blad papier toe, beschreven met dezelfde verdraaide
-hand.
-
-
- »Freule eigenhandig bouquet gemaakt van witte rozen. Door Oscar
- laten bezorgen op de kamer van den gouverneur.«
-
-
-»En hier is er nog een.«
-
-
- »Van Beevelant heden morgen gaan wandelen met Oscar. Quasi
- toevallige ontmoeting in het park tusschen hen en de freule, die
- met Felix was uitgegaan. Handdrukken. Zacht gefluister. Op een bank
- achter het bamboeboschje beschouwing van een portret, dat bij mijn
- nadering werd weggestopt. Oscar en Felix vooruitgezonden. Volgden
- langzaam. Zochten eenzame wegen.«
-
-
-»Ja, wat dat laatste betreft, het zou moeilijk gaan in het park drukke
-wegen te zoeken!« zegt Gustaaf, en intusschen vraagt hij zich af, wie
-het zijn mag, wie hen zoo laag kan bespied hebben. ’t Is geen bediende.
-Dan zou hij spreken van jonker Oscar en mijnheer Van Beevelant. Wie kan
-het zijn, die ellendeling?
-
-Mevrouw stoort hem.
-
-»Kent u dit?« vraagt ze, ter nauwernood in staat de vreugde te
-beheerschen, die haar bezielt nu ze hem geheel geslagen ziet.
-
-»Freule Clotilde!« roept hij en neemt haar de crayonteekening uit de
-handen. »Freule Clotilde geïdealiseerd! Ernstiger! mooier! Maar toch,
-hoe sprekend gelijkend!« En hij vergeet een oogenblik, bij de
-beschouwing van het bekoorlijk gelaat, dat die teekening niet hem werd
-getoond om hem in de gelegenheid te stellen Clotilde’s schoonheid te
-bewonderen.
-
-»Mijnheer Van Beevelant heeft er zijn naam niet onder gezet,« zegt de
-barones snijdend. »Maar mocht u twijfelen of iemand anders dan een
-minnaar, van Clotilde’s gezicht een madonnakopje maken kon, zie dan
-maar eens op de achterzijde.«
-
-
- Und was du ewig
- liebst, ist ewig dein!
-
-
-leest van Beevelant’s vriend.
-
-»Twijfelt u nu nog?« vraagt mevrouw Van Waliënhove met goed geveinsde
-droefheid. »Verwondert het u nu nog dat ik radeloos ben?... dat ik uw
-hulp inroep om een einde te maken aan dien toestand; om ons huis te
-bewaren voor schande en bespotting?«
-
-En als hij, eindelijk overtuigd, het hoofd schudt, gaat ze voort:
-
-»Ik moest kalmer zijn... ik moest flinker optreden... Denk niet,
-mijnheer Verschuere, dat deze slag mij onverwacht treft. Ik heb het van
-het eerste oogenblik af geweten dat dit komen zou, tenzij een ander hem
-voor was bij Clotilde! Ik heb het als bij ingeving geraden, wat het
-doel was van zijn verblijf in ons huis. O, ik heb hem dadelijk
-doorzien! Iedereen verwonderde zich dat hij zijn vooruitzichten in
-Holland had opgegeven, om hier gouverneurtje te komen spelen. Ik niet.
-Paris vaut bien une messe. Een paar jaar die betrekking vervuld en dan
-terugkeeren als de schoonzoon van baron Van Waliënhove! Hij kende
-Clotilde, hij wist dat ze zich geroepen acht op te komen voor de
-verdrukte onschuld, hij wist dat, met zijn uiterlijk, de verdrukte
-onschuld meer dan ooit op haar bescherming kon rekenen.«
-
-»Maar vindt u dat hij als zoodanig optrad? Hij heeft zich bij ons nooit
-beklaagd. Integendeel, hij roemde zijn positie, zijn werkkring, zijn
-vlugge, pittige leerlingen vooral.«
-
-»Natuurlijk! Bij u! Daar was ook niets te winnen met zijn
-martelaars-air. Maar hier was het goud waard! Hier was het de weg tot
-Clotilde’s hart.«
-
-»Misschien zou het van uwe zijde politiek geweest zijn, zoo u hem niet
-in de gelegenheid had gesteld als martelaar te poseeren?«
-
-»Ja, dat zou het!« zegt ze met spijtigen toorn. »Ik heb dit later ook
-bedacht. Dat zou het. Maar gedane zaken nemen geen keer.«
-
-»Ik wenschte,« begint Verschuere na een lange pauze, »nog even terug te
-komen op een woord door u in het begin van ons onderhoud gebruikt. U
-spraakt toen van een ongeoorloofden minnehandel. Alles wat u mij tot nu
-toe verteld hebt, bewijst wel dat Clotilde den heer Van Beevelant
-genegen is, maar—niet waar? men kan bouquetten maken voor een jong
-mensch, men kan hem op de wandeling gaarne ontmoeten...«
-
-»Hem opzoeken in de leerkamer?«
-
-»Ja, zelfs toevallig in de leerkamer komen, zonder daarom juist een
-ongeoorloofden minnehandel te hebben. Ik erken, het portret van
-Clotilde, zóó geïdealiseerd, met dat onderschrift, bewijst dat Van
-Beevelant op haar verliefd is. Maar heeft hij haar van zijn liefde
-gesproken? Zijn ze tot een verklaring gekomen? Daarvan kreeg ik nog
-geen zekerheid. En—om u de waarheid te zeggen—ik betwijfel het. Frans
-van Beevelant is iemand, om jaren lang in stilte te kunnen droom en en
-dwepen.«
-
-Haastig slaat ze den blik neer: hij mocht eens verraden wat er in haar
-omgaat. Ha! waarom kon ze ook geen ander werktuig vinden? Waarom heeft
-ze juist hem noodig, hem, met zijn nuchter, scherp verstand, hem, wien
-ze niets wijs kan maken.
-
-»Hoe dwingt u mij toch zoo om alles te zeggen?« vraagt ze zacht,
-treurig bijna.
-
-»Omdat het mijn vriend is, mevrouw, wien dit gesprek geldt.«
-
-»Nu dan. Ze zijn het zamen geheel eens.«
-
-»En het bewijs?«
-
-»Is—dat ze gister gezien is in zijn armen... op de canapé... in de
-muziekzaal.«
-
-»U zegt: ze zijn gezien. Mag ik vragen door wie?«
-
-Mevrouw Van Waliënhove blijft het antwoord schuldig. Neen, ze durft
-niet meer wagen! Het spel, dat ze speelt, wordt al te gevaarlijk met
-dien geduchten tegenstander. Maar als zij den spottenden blik ontmoet,
-waarmee hij op haar antwoord wacht, dan vergeet zij alle
-voorzichtigheid om hem die overwinning niet te gunnen en roept: »Ik heb
-ze gezien! Ik zelf!«
-
-»U zijt zeker tusschenbeide gekomen?«
-
-»Het spijt mij,« spreekt ze, nu weder geheel zich zelve, »dat u me
-niets schijnt te kunnen sparen. Neen, ik ben niet tusschenbeide
-gekomen, ik moet vóór alles éclat vermijden. En nu hoop ik, mijnheer
-Verschuere, dat u eindelijk tevreden zijt met mijne inlichtingen. Dit
-onderwerp is mij zeer pijnlijk; me dunkt u weet genoeg om, als het u
-waarlijk ernst is geweest met uw belofte, nu handelend op te treden.«
-
-»Nog ééne inlichting. U beschouwt het als onmogelijk dat Zijne
-Excellentie de toestemming geeft tot het huwelijk?«
-
-»Tot een huwelijk van zijn dochter met dien fortuinjager! Maar mijnheer
-Verschuere, welk een vraag! ’t is onzinnig!«
-
-»Misschien. Misschien ook niet. De gouverneur-generaal heeft zulke
-geheel bijzondere begrippen omtrent liefde en trouwen.«
-
-»U bedoelt zijn romaneske idées!... Maar u weet toch ook dat men
-gewoonlijk het romaneske wil voor vreemden, niet voor zijn eigen
-dochter.«
-
-»En—vergeef me, mevrouw, het is niet beleefd wat ik u vragen ga... elk
-woord wat u gesproken hebt is de waarheid?«
-
-»Ik stem u toe, het is niet beleefd!... Natuurlijk is elk woord dat ik
-gesproken heb de waarheid...«
-
-»Wil mij dan zeggen wat u van mij vraagt: u hebt natuurlijk een plan
-gemaakt.«
-
-»Ik had gedacht dat u, in naam van uw oude vriendschap, tot Van
-Beevelant zoudt gaan...«
-
-»En verder?«
-
-»Dat u hem eens ernstig onder het oog zoudt brengen, hoezeer hij het
-vertrouwen hem geschonken heeft misbruikt, en dat hij als man van eer
-verplicht is, onder het een of ander voorwendsel, onmiddellijk zijn
-ontslag te vragen.«
-
-»U eischt veel, mevrouw! Als ik uwe opdracht vervul, dan is dit ten
-koste van onze vriendschap.«
-
-»Dat vrees ik ook. Maar is hij uw vriendschap waard?«
-
-»Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik tot dusverre trotsch was op de
-zijne.«
-
-»U moogt er op rekenen dat u de onze er mede zult winnen,« spreekt de
-verzoekster.
-
-»Ik heb veel van Van Beevelant gehouden.«
-
-Mevrouw Van Waliënhove houdt zich als of ze dien kreet van het
-vriendenhart niet hoorde.
-
-»Mijn echtgenoot zal u zoo dankbaar zijn ... en ik, ik zou alles willen
-doen voor dengeen die mij bevrijdde van die vreeselijke nachtmerrie,
-een mésalliance in onze familie.«
-
-»Alles? Dat is veel gezegd, mevrouw.«
-
-»Maar ik zweer u dat het me ernst is. Kom, mijnheer Verschuere, laat u
-niet langer bidden... Vergeet niet dat, wanneer u door de vriendschap
-zijt verbonden aan Van Beevelant, Zijne Excellentie recht heeft op uwe
-dankbaarheid.«
-
-»U hebt gelijk, mevrouw. En ik moet gelooven dat Van Beevelant mijn
-vriendschap niet waard is... Ik zal doen wat u verlangt.«
-
-
-
-
-
-
-
-XXIV
-
-ZELFVERLOOCHENING.
-
-
-De gouverneur-generaal is na het diner Van Beevelant voorgegaan naar
-zijn kabinet en heeft daar plaats genomen in zijn luierstoel, zoo
-gemakkelijk als men het op dit uur gaarne doen mag.
-
-De balkondeuren staan wijd open, ze laten de frissche avondkoelte
-binnen tegelijk met een streep helder maanlicht en het gepraat van de
-beide knapen, die met hun zuster het terras op en neder wandelen.
-
-»U hebt me van morgen om een onderhoud laten vragen,« begint de baron
-vriendelijk. »Het spijt me dat ik u tot nu toe moest laten wachten,
-maar mijn tijd was zeer bezet heden... Wilt u niet gaan zitten?«
-
-De jonge man zet zich, blijde met dit verlof, want de knieën knikken
-hem onder het lichaam; hij weet dat hij vóór alles sterk moet zijn op
-dit uur, en hij voelt zich zwak; zwak en levensmoe, sinds hij
-plotseling verloor wat hem jaren lang een zoo kostbare schat was
-geweest; de vriendschap van Gustaaf Verschuere.
-
-Er zijn weinig woorden gewisseld tusschen de beide mannen, te weinig
-misschien.
-
-Het gif had gewerkt in de borst van den een, zooals zij, die het
-toediende, hoopte dat het werken zou, en de omstandigheden hadden
-medegeholpen tot hij geloofde in de schuld van den ander. Die ander
-heeft hem niet dadelijk verstaan, niet geheel kunnen begrijpen. Toen
-hij verstond, toen hij begreep, toen heeft hij den speelmakker zijner
-jeugd zelfs niet meer aangezien; haastig wendde hij het hoofd af, om
-hem geen getuige te doen zijn van zijn zwakheid.
-
-»Verdedig je!« riep Verschuere. »Bewijs dat het alles laster is en
-logen. Verdedig je... als je kunt.«
-
-Maar Van Beevelant behoort niet tot de mannen, die zich verdedigen
-tegen een beschuldiging wanneer die komt van vriendenlippen; den
-vreemde die hem beleedigde zou hij voldoening hebben gevraagd, de
-vriend die aan hem twijfelen kon, moest hem verlaten zonder dat hij één
-woord had gesproken te zijner rechtvaardiging.
-
-Met al haar list had de booze geest van het paleis geen beter oogenblik
-kunnen kiezen, dan het oogenblik dat het noodlot koos om de vrienden
-elkaar te doen ontmoeten... en voor altijd te scheiden!
-
-Het gebeurde aan den morgen van dezen zelfden dag. De nacht was bang
-geweest; dubbel bang om zijn wonderbare lieflijkheid, met zijn zuchten
-van verlangen en zijn ruischen van beloften, met zijn droomen van lust
-en zijn zingen van liefde! dubbel bang, omdat in nachten als deze het
-hart zoo luide roept om wat het bemint.
-
-Ach, waarom heeft ze dat woord gesproken, dat hem het hoogste mocht
-doen hopen? Waarom die blos, die blik, die hem zeiden wat ze vergeefs
-trachtte te verbergen... dat hij de hand maar behoeft uit te strekken
-om de bloem te plukken, de bloem die—zelfs in deze ure van strijd en
-twijfel ontveinst hij het zich niet—hij niet plukken mag!
-
-Neen, duizendmaal neen! Het zou laagheid zijn misbruik te maken van het
-goed vertrouwen, waarmede hij is toegelaten in den huiselijken kring;
-het zou laagheid zijn, de kiesche wijze waarop hij behandeld is te
-loonen met zoo zwarten ondank: laagheid jegens den man die hem heeft
-welgedaan. Immers, ieder weet het, de heer Van Waliënhove droomt zich
-voor zijn dochter een schitterend huwelijk, rijkdom, rang! Ieder weet
-het, de beste partijen zijn hem niet goed genoeg.
-
-Wie is hij, Frans van Beevelant—het schoolmeestertje zooals haar moeder
-hem bij voorkeur noemt—om haar te durven begeeren? Wat kan hij bieden
-in ruil voor haar stand, haar titel, haar fortuin?
-
-Hij denkt geen oogenblik aan de tegenwerking, die hij van de
-stiefmoeder zou ondervinden, hij voelt zich sterk om alle tegenwerking
-het hoofd te bieden, hij weet dat, gesteund door Clotilde’s liefde, hij
-slechts zou behoeven te willen...
-
-Als hij eens wilde!
-
-Ze hadden elkaar wel lief! Waarom moesten die verblinde ouders geld
-vragen en titels, als hun kind tevreden was met liefde? ’t Was
-krankzinnigheid, het geluk eener vrouw te zoeken in aanzien!
-
-Moest Clotilde opgeofferd worden aan een vooroordeel? Mag hij, aan wien
-ze vrijwillig haar hart schonk, dat heerlijk geschenk weigeren, ten
-koste van zijn en haar geluk? Is dat niet te veel gevergd?
-
-Men zal hem een intrigant noemen, een fortuinjager. Maar als hij en zij
-beter weten, wat deert hen dan het oordeel der wereld?... Baron Van
-Waliënhove is zeer goed geweest voor den zoon van zijn vriend, maar is
-hij hem, welbeschouwd, zoo veel dankbaarheid schuldig? Heeft hij ook
-niet zijn plicht gedaan, meer dan zijn plicht zelfs?
-
-En dan—zal iemand haar kunnen geven wat hij te geven heeft, een jeugd
-zoo rein bewaard, een liefde zoo groot, een hart zoo vrij van elken
-anderen hartstocht? Heeft hij niet de hoogste rechten? de rechten die
-eeuwig hebben gegolden, de onveranderlijke rechten van jeugd en liefde?
-
-Ja, de nacht was bang.
-
-Eerst toen maanlichtglans week voor morgenblond, eerst toen gelukte het
-den eenzamen strijder om de demonen te verjagen, die hem vervolgden met
-hun verzoeking; eerst toen kon hij de oogen zijner ziel dwingen om iets
-anders te zien dan dat smeekend gezichtje, naar hem opgeheven met zoo
-zoete teederheid.
-
-Maar toen het hem eindelijk gelukt was, toen zag hij een ander gelaat,
-streng en ernstig, zooals vrouwengezichten worden kunnen door
-langdurige zelfverloochening; hij hoorde een stem, zacht maar toch zóó
-krachtig, dat zij alle andere stemmen tot zwijgen bracht, en die stem
-sprak: »Wees sterk!«
-
-En de morgen vond hem sterk: hij schreef een woordje aan den adjudant
-van dienst—op staanden voet—om te vragen op welk uur van den dag Zijne
-Excellentie hem zou kunnen ontvangen; hij was besloten te vertrekken.
-Toen ging hij zijne gewone wandeling maken, en de ochtendure deed wat
-ze zoo wèl vermag: ze stilde den storm door den nacht gewekt, ze
-bestraalde zijn hart, tot al wat er goeds in was ontwaakte en hij
-keerde terug, het hoofd hoog, de borst ruim, waardig en fier door de
-kracht die men put uit het bewustzijn iets groots te volbrengen... hij
-ontmoette Verschuere, die aarzelde hem de hand te reiken! en wat
-twintig jaren van vriendschap hadden vereend was gescheiden!
-
-Na een pauze, waarin hij tevergeefs wacht of niet van de andere zijde
-een aanvang zal worden gemaakt, vraagt de landvoogd:
-
-»Wat had u te bespreken?«
-
-»Excellentie!« stamelt de gouverneur, »ik bid u... een oogenblik... ’t
-is zoo moeilijk wat ik u te zeggen heb.«
-
-De heer Van Waliënhove treedt door de openstaande deuren op het balkon:
-de bloemdragende boomen, die als reusachtige witte ruikers pronken in
-het maanlicht, zenden hun geuren tot hem op; Clotilde werpt hem een
-kushand toe; de jongens roepen dat ze gaan roeien op den vijver; hij
-belooft zich straks met hen te genieten van den heerlijken nacht,
-straks als dit onderwerp is afgeloopen.
-
-»Rook een sigaar met me, mijnheer Van Beevelant,« zegt hij en biedt
-hem, weer binnentredend, den geopenden sigarenkoker aan, houdt zich
-alsof hij niet zag hoe de vingers beven, die de lucifer beproeven aan
-te strijken en gaat op denzelfden vriendelijken toon voort: »Komaan,
-frisch begonnen is half gedaan! Hebben de jongelui wat uitgehaald?...
-Zijn er misschien minder goede berichten van uwe ouders?... Of gaat het
-u persoonlijk aan?«
-
-»Mij persoonlijk. Maar ... de jongens toch ook... o, het moet u zoo
-ondankbaar schijnen na al het goede mij bewezen.«
-
-De landvoogd ziet hem aan met den scherpen blik waaraan niet te
-ontwijken valt... hij herinnert zich anderen op dezelfde plaats, in
-dezelfde verwarring, en een groote schrik is te lezen op het anders zoo
-welbeheerscht gelaat.
-
-»U wilt... uw ontslag vragen?«
-
-Zwijgend buigt Van Beevelant het hoofd.
-
-Er volgt een lange stilte. Alleen nu en dan komt het gelach tot hen van
-Clotilde, die met haar broers zingt en schertst in het bootje op den
-vijver.
-
-»Dat had ik niet van u verwacht.«
-
-Alles had Frans Van Beevelant beter kunnen dragen dan dien toon van
-zacht verwijt, dan dien blik vol smartelijke teleurstelling, dan het
-woord dat nu volgt: »Ik dacht dat u mijn vertrouwen zoudt gewaardeerd
-hebben.«
-
-»Ik waardeerde het, Excellentie. Ik was er trotsch op. Wat meer is, ik
-geloof te durven zeggen dat ik het me tot nu toe waardig heb betoond.«
-
-»U vraagt ontslag... Ik kan het u niet weigeren. U zijt vrij.«
-
-De landvoogd maakt een beweging met de hand, ten teeken dat hij het
-gesprek als geëindigd beschouwt en keert zich weder naar het balkon;
-een wijle staart hij naar buiten in het park naar het meer, waarop het
-bootje wiegelt met zijn vroolijken last; dan rijst uit het beleedigd
-vaderhart de kreet:
-
-»Mijn arme jongens!... En ik die geloofde dat hij van me hield.«
-
-»Dat doe ik, Excellentie! Dat doe ik.«
-
-»U nog hier?« en de landvoogd keert zich verbaasd om.
-
-Nu barst Van Beevelant los, onsamenhangend, hartstochtelijk:
-
-»O, ik weet het, ik moest hier niet meer zijn... u hebt me niets meer
-te zeggen... maar ik... ik kan zoo niet heengaan. Ik kan dit niet
-verdragen... ik wil uw vertrouwen niet onwaardig schijnen. Ik wil niet
-onder de verdenking liggen van ondankbaarheid... o God! dat ik niet
-spreken mag!«
-
-Baron Van Waliënhove is langzaam teruggekeerd in het vertrek, maar ’t
-is niet langer de vriendelijke man, die daar straks zoo welwillend
-vroeg naar de belangen van den gouverneur zijner zoons.
-
-»Laat dit genoeg zijn, mijnheer Van Beevelant,« spreekt hij ijskoud.
-»Mijn tijd is kostbaar.«
-
-Als hij ziet hoe de jonge man verbleekt bij dien toon, gaat hij voort,
-minder grievend, maar toch koel: »Waarom te schermen met groote
-woorden? Laat ons voet bij stuk houden. U beweert dat u van Oscar en
-Felix houdt, u beweert dat u me dankbaar zijt... en u wilt u niet
-langer belasten met hun opvoeding, hun opvoeding, die u weet dat mijn
-grootste zorg en tot aan uw komst een failure is geweest! U beweert
-mijn vertrouwen te waardeeren? Ik vraag u, hebt u niet met mij de
-overtuiging dat de jongens ten goede veranderden onder uw leiding, dat
-die leiding veel zorgt eischt en veel genegenheid, maar vooral een
-ruimer blik, een ontwikkelder geest dan die waarover het gros der
-onderwijzers beschikken kan? U kondt hun dit alles blijven schenken,
-maar vraagt uw ontslag... en dan wilt u dat ik gelooven zal aan uw
-liefde voor hen... Ik bid u, wees oprecht! ’k Weet dat u van nature
-geen huichelaar zijt: doe uzelf geen geweld aan om mijnentwil... ik ben
-gewoon aan teleurstellingen als deze.«
-
-»Als u wist hoe ik alles zou willen doen, alles zou willen opofferen om
-te kunnen blijven...«
-
-»Alles, uitgezonderd dit eene wat ik van u vraag: uw persoonlijke
-ijdelheid overwinnen.«
-
-»Mijn persoonlijke ijdelheid?«
-
-»Ja, ontken het niet, mijnheer Van Beevelant. ’t Is gekwetst gevoel van
-eigenwaarde, wat u tot dit besluit heeft gebracht. ’t Is u niet genoeg
-dat ik u heb doen eerbiedigen in mijn huis, dat mijn kinderen u
-liefhebben, dat mijn gasten, mijn vrienden u met onderscheiding
-behandelen... U eischt dat ook mevrouw van Waliënhove u ontzien zal.«
-
-»O, Excellentie! Denk dat niet!«
-
-»Ik erken dat u er recht op had! Ik erken dat u zwaar werd beleedigd,
-voortdurend, herhaaldelijk, ik erken dat geen uwer voorgangers...«
-
-»Och, wat ik u bidden mag, laat dat rusten! De behandeling die ik van u
-en de andere leden uwer familie mocht ondervinden, heeft me dat
-ruimschoots vergoed.«
-
-»Neen, ik weet beter, ik heb gezien hoe het u griefde en dan... ik
-begreep wat het voor u moest zijn, door hetgeen het voor mij was. Maar
-ik meende dat u vrij hoog stond, hoog genoeg om voor zekere pijlen
-onkwetsbaar te zijn.«
-
-»Excellentie, is het niet mogelijk dat u toen juist hebt gezien?... dat
-u zich nu in mij vergist?«
-
-»Hier kan helaas van geen vergissing sprake zijn. Het is hier het geval
-van den soldaat, die op een post van vertrouwen geplaatst, dien post
-verlaat omdat hij door muskieten gestoken wordt.«
-
-»O, dit is te veel!«
-
-De jonge man is opgesprongen van zijn stoel, hij heeft de hand aan het
-hoofd gebracht, als had hij een slag ontvangen in het aangezicht; maar
-onverbiddelijk door zijn verontwaardiging, gaat de heer Van Waliënhove
-voort: »U weet hoe men zulk een soldaat noemt?«
-
-»Een lafaard!«
-
-Getroffen keert de landvoogd zich tot hem. Dat woord werd niet
-gesproken als door een op wien men het zou kunnen, zou durven
-toepassen; het klonk als een smartkreet, maar ook als een protest, als
-een uitdaging.
-
-De twee mannen zien elkander in het gelaat, en dan vindt plaats wat
-plaats vinden moet wanneer de blikken van twee edele naturen elkaar
-ontmoeten, die beiden—zij het dan langs verschillenden weg—streven naar
-het goede: de plotseling opgekomen toorn wijkt voor achting en
-genegenheid.
-
-Langzaam treedt de heer Van Waliënhove op den gouverneur toe.
-
-»Weet u, aan wien u me doet denken, zooals u daar staat? Aan uw vader.«
-En dan, terwijl hij hem de hand toesteekt: »De zoon van dien vader kan
-geen lafaard zijn.«
-
-»Dank, Excellentie! U hebt goed gezien; ik ben geen lafaard! Ik ben het
-nooit minder geweest dan op dit oogenblik. Misschien,« voegt hij na een
-korte stilte er bij, met een weemoedig lachje, »misschien krijg ik
-heden zwaarder wond dan mijn vader op Borneo kreeg... En dat zonder
-Willemsorde, met verlies van uw genegenheid, zoo niet van uw achting.«
-
-»Neen, dat niet, dat niet! Maar, ziet ge, op mijn jaren verliest men
-ongaarne een illusie—men heeft er zoo weinig meer te verliezen—en
-hierdoor was ik misschien daareven onrechtvaardig, hierdoor kan ik me
-ook nog maar niet schikken in het denkbeeld, dat u ons zoudt gaan
-verlaten. Ik was u reeds min of meer gaan beschouwen als een lid van
-ons gezin, ik vond in u zooveel terug van mijn ouden vriend, van mij
-zelf. En dan, ik meende dat u zich hier niet ongelukkig voeldet, ik
-dacht dat u zich een weinig aan ons had gehecht.«
-
-Van Beevelant kan niets zeggen, hij weet dat hij verloren is als hij
-spreekt; zoo vol is hem het hart. Een groote brandende traan, even
-spoedig weggewischt als opgeweld, is zijn eenig antwoord.
-
-Maar de heer Van Waliënhove heeft dien traan gezien.
-
-»Kom Van Beevelant«, spreekt hij dringend, »kom, wees openhartig.
-Bedenk dat ik me steeds uw vriend betoond heb. Waarom wilt u ons
-verlaten? Zeg het me. Waardoor gevoelt ge u gegriefd? Is het zoo’n
-doodelijke beleediging, dat ik het niet zou kunnen herstellen? Ik weet,
-op uw leeftijd valt vergeven moeilijk, maar we moeten het immers allen
-leeren, willen we niet omkomen in een zee van bitterheid. ’k Weet, de
-taak wordt u wel zwaar gemaakt. Maar we kunnen ook het zwaarste
-volbrengen, als we het doen voor anderen. En in dat geval verkeert u.
-Zoudt u den bodem willen inslaan aan uws vaders verwachting dat zijn
-zoon carrière zal maken in Indië... Ik heb hem beloofd, dat ik vóór
-mijn heengaan u een toekomst zal openstellen. Zoudt u uw moeder, zoo
-kort na het door haar geleden verlies, willen bedroeven door den strijd
-op te geven, lang vóór de overwinning? En zou het u niet hard vallen,
-zoo u op eens moest ophouden met hun al die kleine weelden te
-verschaffen... ja, ik weet daarvan, ge behoeft niet zoo te ontstellen,
-mijn jongen; ik zelf heb jaren lang mijn ouders ondersteund, en geloof
-me, men kan zijn geld niet beter uitzetten.«
-
-»Ik weet dat ik hun een groot verdriet ga aandoen,« spreekt de jonge
-man zacht. »Die gedachte heeft me lang teruggehouden, te lang reeds.«
-
-»Welnu, neem nogmaals tijd van beraad. Ik wil gelooven dat het u op dit
-oogenblik onmogelijk schijnt op uw besluit terug te komen, maar hoe
-verschillend denken we soms in enkele dagen over dezelfde zaak.«
-
-»Als ik dit hopen mocht, denkt u dan dat ik hier voor u zou staan?«
-
-Er volgt een lange stilte; dan vraagt de heer Van Waliënhove zacht,
-smeekend bijna: »Hebt u er aan gedacht, wat dit voor mij zal zijn? Hebt
-u daaraan gedacht, wat het moet wezen voor een vader, zijn kinderen weg
-te zenden? Onder vreemden? Met de zee tusschen hen?«
-
-»Excellentie... och, folter mij niet... laat me gaan... U gelooft toch
-ook, dat om zooveel goedheid, zooveel vriendschap, zooveel vertrouwen
-te verliezen, er redenen moeten zijn, redenen... Noem me een lafaard,
-noem me ondankbaar! denk dat ik een ijdele dwaas ben! geloof dat ik om
-een persoonlijke beleediging de toekomst uwer zonen op het spel zet,
-mijn eigen toekomst voor goed bederf, dat ik uit egoïsme mijn ouders
-beroof van mijn steun... denk, geloof dat alles; maar in Godsnaam, als
-u van den vader gehouden hebt, dwing dan den zoon niet om het recht te
-verliezen op het vertrouwen van een fatsoenlijk man!«
-
-»Ga, Van Beevelant.«
-
-
-
-
-
-
-
-XXV
-
-JONGE LIEFDE.
-
-
-Langen, langen tijd nadat de deur zich sloot achter den gouverneur,
-blijft de heer Van Waliënhove onbewegelijk zitten, de handen tegen het
-voorhoofd gedrukt, de oogen gevestigd op één punt. Maar als hij daar
-zoo onbewegelijk zitten blijft, dan is dit niet om het raadsel op te
-lossen hem een uur geleden voorgelegd, hij heeft de oplossing van het
-raadsel gevonden. Dit bewijst het woord dat hem telkens wederop de
-lippen komt: »Clotilde!«
-
-Wanneer hij eindelijk oprijst, is het om zich naar haar vertrek te
-begeven en zacht te kloppen aan haar deur.
-
-»Zijt u het, papa? Kom binnen!« en ze verschijnt op den drempel harer
-zitkamer met een vriendelijk lachje om de lippen. Maar hij merkt op,
-dat terwijl de mond lacht de oogen rood zijn van pas vergoten tranen.
-
-»Ik zag geen licht, ik vreesde dat je reeds naar bed zoudt zijn.«
-
-»Dat zou ik zeker... wanneer het een regenachtige avond geweest was,
-maar als het maantje me zoo aankijkt en de sterren me zoo vertrouwelijk
-toeknikken, dan kan ik er niet toe komen ze buiten te sluiten. ’t Geeft
-me zoo’n gevoel alsof lieve vrienden me wilden bezoeken en ik ze de
-deur voor den neus dicht deed.«
-
-Al sprekend heeft ze met een vlugge beweging, de inlandsche vrouwen
-afgezien, het loshangend haar opgenomen en in een wrong tegen het
-achterhoofd gelegd; nu haalt ze een doekje en slaat dat over het dun
-wit négligé; ze weet waarvoor hij kwam; ze maken dikwerf van die kleine
-uitstapjes samen, des avonds, als de booze oogen gesloten zijn.
-
-Hand aan hand, een paar ondeugende kinderen gelijk, bang om betrapt te
-worden, sluipen ze het huis uit.
-
-»Dat hebben we er goed afgebracht!« fluistert Clotilde, als ze buiten
-de schaduwen van het dicht geboomte zijn gekomen; en terwijl ze haar
-arm door den zijnen steekt, gaat ze voort met de zenuwachtige drukte
-van iemand, die de aandacht op alles liever vestigen wil dan op zich
-zelve.
-
-»Nu zal ik u eens iets moois laten zien, iets heel bijzonders, ten
-minste de botanici zijn er over in verrukking en Annet Paerel beweert,
-dat haar man er vrouw en kind voor vergeet: een palmboom die bloeit!«
-
-»Is dat zoo iets buitengewoons? Nu, goed, ik wil er graag heengaan,
-maar je moet wat minder hard loopen.«
-
-De maan stond nu hoog aan den hemel en overgoot met zijn licht den
-palmentuin; de slanke stammen hoog en trotsch, de onbewogen bladeren
-sterk afgeteekend tegen den azuren achtergrond, in zijn koninklijke
-rust, in zijn plechtig stilzwijgen niet zoo liefelijk wellicht als
-menig ander plekje in Bogor’s lusthof, maar van verhevener schoonheid
-dan eenig ander. Vader en dochter vergeten een oogenblik de gedachten
-die hen bezig hielden, als ze rondom zich zien; weldra rust hun
-verrukte blik op het ongewoon verschijnsel: onder al die gekroonde
-hoofden één, wiens diadeem met bloemen is getooid.
-
-En welke bloemen! Een fontein van wit en rose, opgolvend uit het
-bladerdak, trillend en suizelend in de avondkoelte, stoeiend met
-stargeflonker en maanlichtglans, zwevend boven de donkere kruin, gelijk
-de sluier der andalusische boven het zwartgelokte hoofd.
-
-»Als de boom heeft uitgebloeid sterft ze,« spreekt Clotilde zacht.
-
-»Arme boom!«
-
-»Neen, Papa, zeg dat niet!« roept het meisje. En dan, met een
-hartstochtelijke trilling in haar stem: »Zou ze niet nog veel meer te
-beklagen zijn, als ze nog voort moest leven wanneer ze heeft
-uitgebloeid? Niet waar, het zou de moeite niet loonen? Wij menschen
-moeten altijd voort, ook al dragen we geen enkel bloempje meer in hoofd
-of hart, maar een palmboom is gelukkig... die mag sterven!«
-
-»Clotilde!... lieveling!« roept de heer Van Waliënhove ontsteld, en als
-hij haar in het gelaat heeft gezien, vraagt hij zich af, wat duizende
-vaders voor hem zich hebben afgevraagd en duizende na hem zich zullen
-afvragen: »Hoe kon ik zoo blind wezen?«
-
-»Kijk me niet zoo verschrikt aan, papa, dan heb ik berouw over mijn
-onvoorzichtige woorden. En toch... ik kan niet langer veinzen... ik kan
-geen vroolijk gezicht meer toonen. Ja, u hebt het reeds ontdekt, niet
-waar? ik had daar straks zitten schreien... O pa, ik ben het zoo moê...
-telkens weer die nieuwe pretendenten, altijd door vervolgd te worden
-met huwelijksplannen! Ik kan het niet langer aanhooren, ik heb het mama
-ronduit gezegd.«
-
-»Dat is goed, kind.«
-
-»Neen, het was niet goed. Want mama heeft woorden gesproken... o God!«
-En met een plotselinge beweging van droefheid en schaamte werpt ze zich
-aan zijn borst. Dan snikt ze: »U zult me toch niet dwingen! Ik mag bij
-u blijven, niet waar? Zeg vadertje, ik ben u geen doorn in het oog,
-zooals haar? U wilt me niet kwijt zijn tot elken prijs, zooals zij? U
-vindt niet dat het tijd wordt, hoog tijd? Zeg papa?«
-
-»Behoef je dat te vragen? Je bent vrij, Clotilde, vrij om bij me te
-blijven, vrij om een echtgenoot te kiezen.«
-
-»Ik wil geen echtgenoot kiezen.«
-
-»Geen echtgenoot?« herhaalt de heer Van Waliënhove. »Natuurlijk, ik
-begrijp je... niet een zooals sommige van de jongelui, die je het hof
-maakten; niet een zooals nu de laatste protégé van je mama, maar... een
-echtgenoot, die beantwoordt aan...«
-
-»Neen papa, ook niet een die beantwoordt aan mijn ideaal. Ik houd vol,
-wat ik gister aan mama heb gezegd: ik trouw niet! Of neen, ik druk me
-niet goed uit. Ik zou het heel naar vinden om als oude jongejuffrouw te
-sterven. Wanneer mama me nu maar een tijdlang met rust wou laten,
-wanneer ze mij nu maar niet forceerde, dan zou ik later—als ik wat
-ouder ben en verstandiger—dan zou ik later een huwelijk doen, waarover
-ze tevreden kon zijn.«
-
-»Een huwelijk uit berekening?... Nooit!«
-
-»Zeg dat niet, papa! Ik zal een mooie positie trouwen en een adellijken
-titel en—veel geld!«
-
-»Stil, Clotilde! Ik mag dit niet aanhooren. Het smart me, als de
-dochter van je moeder zoo spreekt. Maar kind, het was je geen ernst,
-niet waar? O, ik begrijp wat het is: ze zijn bij je gekomen, die
-vrouwen van de wereld, die lage prediksters van het proza; ze hebben je
-gezegd dat bij een verstandig meisje die »overdreven voorstellingen«
-van liefde en huwelijksgeluk langzamerhand moeten wijken voor de
-werkelijkheid en dat die werkelijkheid met poëzie niets heeft uit te
-staan. Geloof ze niet, kind, ’t is alles leugen, ’t is alles laster!
-Och lieve, kon je moeder op dit oogenblik tot je komen en je zeggen,
-wat de liefde geweest is in haar leven! Ik zie haar met dat stralend
-gezichtje me welkom heeten, me naar binnen leiden in onze kleine
-woning, met een trots alsof het een paleis ware geweest; ik hoor nog
-haar vroolijk snappen, haar kwinkeleeren als een vogeltje even blij en
-onbezorgd! Ach, ze heeft wèl genoten, al mocht het maar kort zijn! Hoe
-zalig was dat lachje, waarmee ze ’s avonds insliep aan mijn borst,
-alsof niet ik het was geweest die den nachtkus drukte op haar lippen,
-maar een halfgod, een engel. En wat was dat een geluk, toen je geboren
-zoudt worden! Wat heeft ze dikwerf gezegd: »Ik hoop maar dat het een
-meisje zijn zal!« En als ik vroeg waarom het geen zoon mocht wezen, dan
-heette het: »Mannen hebben zooveel noodig om gelukkig te zijn. Een
-vrouw behoeft niets dan liefde en die zullen we haar geven.«
-
-»Arme, lieve moeder... ach, waarom mocht ik haar niet behouden!«
-
-Luider dan de avondkoelte stijgen de zuchten omhoog van deze twee
-menschenkinderen onder den bloeienden palmboom.
-
-»Die wensch van uwe moeder is me heilig, Clotilde!... Ik wil u vóór
-alles gelukkig zien, gelukkig door het hoogste wat ouders kunnen
-begeeren voor hun kind.«
-
-Tot eenig antwoord wijst Clotilde op den palmboom, met bloemen gesierd,
-te midden harer zusteren.
-
-»Niet voor ieder is het hoogste weggelegd, papa!«
-
-»Niet voor ieder, neen. Maar als er één jong hartje is, dat de toekomst
-blij mag tegenkloppen, dan is het dat van mijn dochter.«
-
-»Ja, dat zou men zoo meenen,« fluistert ze meer tot de sterren boven
-haar, dan tot hem, die in de grootste spanning ieder woord opvangt van
-haar lippen.
-
-»Clotilde, luister. Ik heb je kinderjaren niet onbezorgd kunnen maken;
-ik heb je bij vreemden moeten achterlaten en ik weet wat je geleden
-hebt onder die scheiding; ik heb je bij je terugkeer geen gelukkig
-thuis kunnen bezorgen—maar één voorrecht laat ik me niet ontnemen: je
-met al wat achter je ligt te verzoenen door de toekomst.«
-
-»En als dat eens niet in uwe macht stond, papa?«
-
-»Als dat niet in mijn macht stond? ’t Is waar, ik vraag veel: een hart,
-dat het hart van mijn lieveling kan begrijpen. Maar ik ben zeker, dat
-we het vinden zullen.«
-
-»Laat ons er niet naar zoeken, papa. We zullen toch moeten eindigen met
-te doen als de rest en naar een goede partij uitzien.«
-
-»Foei, Clotilde. Spreek niet zoo tegen uw gevoel. Ik weet, weinig jonge
-meisjes vermoeden wat de liefde maken kan van de aarde; ik weet,
-menigeen sluit het boek des levens zonder de eenige bladzij te hebben
-gelezen, waard om gelezen te worden; ik weet, als er een troepje
-kinderen uitgaat om bloemen te plukken, dan zijn de meesten tevreden
-met de meizoentjes en klaprozen, die aan den slootkant groeien: een
-enkele slechts zal den berg beklimmen om de groote witte bloemkelk te
-zoeken, waarvan ze gedroomd heeft. Maar ons kind, niet waar, Clotilde,
-ons kind kan niet tevreden zijn met de klaprozen die men plukt aan den
-weg?«
-
-»Papa... als men de witte bloem gezocht heeft boven op den top van den
-berg en men is teruggekeerd met ledige handen?«...
-
-Zacht slaat hij den arm om haar heen, vertrouwelijk vlijt ze het hoofd
-aan zijn borst. Dan kust hij haar op de roodgeweende oogen tot zij ze
-sluit, gesust door zooveel teederheid en fluistert, zooals een moeder
-fluisteren zou in deze ure: »Je hebt de witte bloem gevonden,
-Clotilde.«
-
-Een oogenblik blijft ze liggen, stil als een kind dat droomt en vreest
-te ontwaken, omdat de droom zoo heerlijk is; dan heft ze zich langzaam
-op en staart haar vader in het gelaat.
-
-»Neen, papa, u vergist zich. ’t Is waar, ik heb aanbidders; er zijn er
-zelfs onder, geloof ik, die van me houden; maar de eenige dien ik zou
-kunnen liefhebben denkt niet aan mij!«
-
-»Dwaas kindje, weet je dat zoo zeker?«
-
-»Helaas! ik wou dat ik het minder zeker wist! Gelooft u me niet...? Nu
-dan: hij voelt niets voor me. Ik ben hem totaal onverschillig! Hij
-ontwijkt me! Hij wil zelfs niet door me vertroost worden als hij in
-droefheid is!«
-
-»Spreekt niet zoo hard, lieve!«
-
-»Als u alles wist, papa, als u alles wist, dan zoudt u zeggen dat ik
-niet langer twijfelen mag; dat ik meer gedaan heb dan ik mocht doen!
-Maar ik wist niet wat me dreef! Ik kende mijn eigen hart niet! Ik dacht
-dat het medelijden was met zijn smart, met zijn verlatenheid; ik dacht,
-dat ik voor hem opkwam, zooals ik dat doe voor ieder die miskend wordt
-en beleedigd... Hij heeft me van zich gestooten, papa! hij gaat me uit
-den weg! hij ziet me zelfs niet aan!«
-
-»Omdat hij je liefheeft, Clotilde! Omdat hij mijn vertrouwen niet wilde
-misbruiken om het hart te stelen van mijn dochter. Omdat hij weet dat
-je bestemd waart hooger prijs te halen op de huwelijksmarkt dan hij
-voor je besteden kan. Omdat hij den trots heeft van een eerlijk man,
-die de hand niet wil uitstrekken naar hetgeen anderen, meer
-bevoorrechten, toekomt!«
-
-»Papa! O, is het waar?«
-
-»Ja, mijn arme lieveling, het is waar. Hij heeft me daar straks zijn
-ontslag gevraagd. Toen heb ik alles begrepen. Toen wist ik, dat ik
-blind was geweest en doof, en dat twee jonge harten veel geleden
-hadden.«
-
-En als ze snikkend in zijn armen ligt, vraagt hij zacht: »Mijn arm
-kind, waarom heb je me niet meegenomen toen je den tocht ging doen om
-de witte bloem te zoeken?«
-
-Maar weldra zijn de tranen gedroogd. En de bloemfontein in den palmboom
-wuift en strooit hare witte bloesems op het bruingelokte hoofd, als
-wilde ze het reeds met den bruidskrans sieren en de maan ziet
-glimlachend neer op het schouwspel, dat haar verzoenen moet—en altijd
-weer verzoenen kan—met al het stuitende en treurige der aarde: het
-schouwspel van een meisjesgelaat, naar haar opgeheven in de zalige
-verrukking der eerste liefde!
-
-
-
-
-
-
-
-XXVI
-
-DE FAMILIE HAGEN.
-
-
-»Het gaat in het geheel niet goed met mevrouw,« heeft dokter Bosschaert
-gezegd tot den algemeenen secretaris, en de algemeene secretaris heeft
-zich een oogenblik losgerukt van politieke beslommeringen, om zich zeer
-ongerust te maken.
-
-Verder beweerde dokter Bosschaert: »Mevrouw behoeft vóór alles
-verstrooiing.« Buitenzorg is hier echter niet rijk aan, en daar
-Verschuere binnen enkele dagen den gouverneur-generaal vergezellen
-moest naar Batavia, wist hij niets beters te doen dan Agnita mede te
-nemen naar de vrienden, die langzamerhand hun beste vrienden geworden
-waren, de Hagens.
-
-De vice-president en zijn vrouw waren er volstrekt de menschen niet
-naar om een logée, die afleiding behoefde, deze te willen bezorgen door
-menschen zien en partijen bijwonen: ze deden hun best om het haar
-gezellig te maken in huis.
-
-En wanneer de Hagens daarvoor hun best deden, hadden ze meer kans van
-slagen dan de meesten; mevrouw wist allerlei prettige bezigheden, die
-ze liefst met de logée verrichtte; mijnheer bracht altijd wat nieuws
-mede en kon—zeldzame gave in een getrouwd man—uren lang bij de dames
-zitten zonder haar of zich zelf te vervelen; Gertrude kwam elk
-oogenblik in de loofhut binnenvallen als een zonnestraal, en de
-gelukkige jonge echtgenoot liet zich zelden lang wachten waar zijn
-vroolijk vrouwtje was. In een onbedacht oogenblik—zooals men er hebben
-kan in den engagementstijd—had hij zijn talent van voorlezen verraden.
-Nu werd hem geregeld een boek in de hand gestopt met de bewering, dat
-de dames veel beter »opschoten« als er gelezen werd; hij las dus, en
-mocht hij soms een oogenblik vertragen, dan was ’t om naar Gertrude te
-kijken, die dit als een sein beschouwde om hem een kanten baatje, een
-klein hemdje of rooskleurig spreitje voor te houden en met een stralend
-gezicht te vragen of het niet was om te stelen?
-
-’s Avonds zong ze, of liever ze zong den geheelen dag, maar ’s avonds
-deed ze ’t bij de piano; mevrouw speelde een partij schaak met haar
-schoonzoon, mijnheer accompagneerde Agnita’s spel; soms ook bleef men
-praten, en onder het genot van zijn brandy-soda schilderde dan de
-gastheer met de opgewektheid, die bij hem het gebrek aan geest bijna
-vergoedde, het Batavia van vijf-en-twintig jaar geleden. Een enkele
-maal ook, daartoe geanimeerd door een woord van Agnita—vrouw en dochter
-zorgden wel hem niet op zijn stokpaardje te brengen—handelde hij over
-kunst. Over niets sprak hij liever, en zoolang hij zich bepaalde bij
-hetgeen Europa op dat gebied te genieten geeft, over niets beter; maar
-wee, als hij zijn gemoed ging uitstorten over Indië in dit opzicht!
-
-Hij had daaromtrent ervaringen van minder aangenamen aard. Jonge
-talenten, die hij ontdekte en zag verloren gaan, warme harten, die
-verkilden onder de tropische zon, mislukte pogingen om iets tot stand
-te brengen op muzikaal of op ander gebied. Wat kon hij dwepen over de
-lieve actrice, die Batavia verrukte; helaas! te vergeefs gewaarschuwd
-voor de gevaren aan haar verlaten positie verbonden; over het aardig
-kind, dat hij in Gang Petjanongang vond, een aap teekenend op den
-vuilwitten muur, ’t kind dat hij moest gewennen aan schoenen dragen en
-Hollandsch spreken voor hij haar kon wegzenden naar Amsterdam, waar ze
-met haar bruine handjes bezig is zich een naam te maken als
-dierenschilderes... Omtrent praatjes, die geloopen hadden over zijn
-verhouding tot de jonge artiste, of omtrent hetgeen men had beweerd
-over zijn betrekking op het begaafde nonnaatje sprak hij niet; evenmin
-als hij er van repte hoe zijn zwak voor de kunst hem den naam had
-bezorgd van een man te zijn, die er liefhebberijen op nahield, dus geen
-ernstig, geen degelijk man. Misschien hield hij het er voor, dat
-anderen reeds op zich genomen hadden mevrouw Verschuere in te lichten,
-misschien ook vergat hij het. Want als hij over dit onderwerp sprak,
-zonken zijn persoonlijke grieven in ’t niet, gevoelde hij slechts die
-eene groote grief tegen het land, waar kunst een woord is zonder klank,
-waar het langzamerhand een herinnering wordt, niets meer; van waar
-chineesche koelies terugkeeren als millionairs en artisten als
-bedelaars; dat salons noch museums heeft; waar de rijke burger mist wat
-de armste werkman in Europa bezit: het voorrecht van te mogen
-nederzitten voor meesterstukken, om te genieten en te bewonderen.
-
-Er was nog al iets toe noodig om den heer Hagen zijn oostersche kalmte
-te doen verliezen, maar als hij dit zijn stokpaardje bereed, kon hij
-zich vreeselijk boos maken; dan schold hij op de mannen van invloed en
-fortuin, die niets doen tot steun van het talent, het genie wellicht,
-dat toch ook in deze maatschappij niet geheel afwezig kan zijn, dan
-bespotte hij de Koningin van het Oosten met haar huizen vol marmer,
-haar kasten vol zilver, haar vrouwen vol juweel en, haar tafels vol
-gerechten; dan bracht hij u voor zijn Verveer, zijn Mesdag, zijn Apol,
-zijn Bles, en vroeg of die niet meer waard waren dan al die dikwerf
-smakelooze pracht; dan kon hij u bijna smeeken, toch liever onzen
-hollandschen schilders hun meesterwerken af te koopen dan Fransche
-juweliers en patissiers te verrijken met het dikwerf zoo zuur verdiende
-indisch goud.
-
-»’t Is waar, we zouden zoo nu of dan een Mæcenas wel kunnen gebruiken,«
-zegt Agnita eens; en voegt er dan met een zucht bij: »Men heeft hier
-zooveel behoefte aan aanmoediging. We missen hier de veerkracht die een
-koel klimaat geeft; we hebben veel minder den prikkel der eerzucht...
-als we ten minste nog maar bezield werden door het denkbeeld dat iemand
-belang stelde in ons streven...«
-
-»Ja,« zegt mevrouw Hagen, »dat heeft me sinds ik in Indië ben getroost
-over iets, dat me in Holland niet weinig hinderde, namelijk dat ik geen
-talenten bezit; een vrouw van talent staat hier alleen. Als ze niet
-pianospelen of in een liefhebberijcomedie optreden kan, interesseert
-niemand zich voor haar andere bekwaamheden; ze durft niet spreken over
-hetgeen haar vervult, ze kan anderen geen raad vragen, ze vindt geen
-bevoegde beoordeelaars... vroeg of laat vallen pen of penseel haar uit
-de hand.«
-
-»En er is hier geen keizer Karel die ze voor haar opraapt.«
-
-»Maar,« vraagt Van den Bosch, »zou het talent werkelijk zoveel behoefte
-hebben aan aanmoediging? Zou het niet alles, aanmoediging, belooning,
-ja zelfs een juiste waardeering vinden in zich zelf?«
-
-»Misschien de groote talenten,« zegt Nita, »maar de kleine?... Het zal
-u heel kinderachtig schijnen; maar toch verzeker ik u, dat soms, als ik
-aan het schilderen ben, ik niet kan voortgaan zoolang me niet iemand
-gezegd heeft dat hij ’t mooi vindt. En,« voegt ze er bij met een zucht,
-»ik kan niet altijd iemand vinden om ’t me te zeggen.«
-
-Dien avond had de heer Hagen een apartje met zijn vrouw. Hij vroeg of
-hier niet een kunstenaarszieltje verkwijnde door gebrek aan sympathie?
-Maar mevrouw Hagen beduidde mijnheer, wat ze hem gewoonlijk beduidde,
-dat hij zich vergiste.
-
-Neen, dit was het niet wat knaagde aan Agnita’s geluk, ’t was heel iets
-anders! Gister had ze haar gevonden bij de groote naaimand, die door
-zijn inhoud verried welke hoop er gekoesterd werd door de familie; ze
-had haar gevonden, terwijl ze die verraderlijke artikeltjes een voor
-een door de handen liet gaan, ze beschouwde, gladstreek en weer
-opvouwde met het geheimzinnig voorgevoel, dat jonge vrouwen het kindje
-doet zien en tasten in de kleine kleedingstukjes, lang vóór het daarin
-is gestoken.
-
-Gertrude echter, misschien ongewoon scherpziende door haar jonge
-liefde, Gertrude hield vol, dat pa en ma beiden de plank missloegen.
-
-»Hebt u dan niet opgemerkt,« vroeg ze, »hoe haar arm, bleek gezichtje
-kleurt als Verschuere thuis komt? Hebt u niet gezien hoe die treurige
-oogen geheel veranderen van uitdrukking, alleen door zijn
-tegenwoordigheid? Hebt u niet opgemerkt hoe ze hangt aan zijn lippen,
-hoe gelukkig een vriendelijk woord van hem haar maakt?«
-
-»Er zijn veel mannen die zich laten beminnen, weinigen die liefde
-hebben te geven... ’t kan zijn dat Verschuere tot de velen behoort,«
-peinst mevrouw.
-
-Juist keert Willem terug van een militaire wandeling en moet
-zich—vermoeid en warm als hij is—laten omhelzen.
-
-»Een oogenblikje om uit te blazen, Truus! Dan ben ik verder den
-geheelen dag tot je dienst.«
-
-»Weet u, wat ik wenschte, moedertje,« vraagt de jonge vrouw terwijl ze
-haar man een glas ijswater brengt; »voor die arme Nita, bedoel ik...?
-Dat ze met een luitenant getrouwd was. Die hebben heele dagen om lief
-te zijn voor hun vrouw.«
-
-Toch was Verschuere gedurende hun verblijf op Batavia zoo »lief voor
-zijn vrouw« als de bezigheden maar eenigszins toelieten; hij keek
-telkens vol bezorgdheid naar het bleek profiel, dat steeds fijner werd,
-naar de grijze oogen, die in hun donkere kringen steeds grooter
-schenen; hij bracht boeken en gravures mede uit de stad en nieuwe
-muziek en zeldzame bloemen.
-
-Te Buitenzorg teruggekeerd, noodigde hij de goede kennissen hen veel te
-bezoeken, herinnerde hij James dat zijn couvert altijd gelegd werd, ja,
-vroeg hij zelfs mevrouw Te Leurse om eens een dagje bij hen te komen
-doorbrengen.
-
-Wel had hij zich voorgenomen den omgang te verminderen met een familie,
-die in den laatsten tijd zooveel van zich spreken deed, maar Agnita
-moest afleiding hebben en tot afleiding was niemand zoo geschikt als de
-schoone luitenantsche met haar origineele invallen, haar reciteeren van
-brokstukken uit drama’s of comedie’s, haar werkelijk geestige
-behaagzucht en, zeer enkele malen, haar diep gevoel.
-
-Dokter Bosschaert kwam veertien dagen achtereen, ’s morgens en ’s
-avonds. Toen volgde hij de gewoonte van indische geneesheeren—een
-gewoonte die vele honderde levens heeft gered;—vóór het te laat was
-raadde hij verandering van lucht aan.
-
-Mevrouw moest naar boven.
-
-Naar boven... In het begin, zoo lang hij daarbij nog denkt aan de
-tweede verdieping, glimlacht de Hollander om die uitdrukking. Maar als
-hij zijn vrienden, verkwikt naar lichaam en geest, zag terugkeeren uit
-de bergen, als vrouw of kind er herstel vond van uitgeputte kracht, dan
-glimlacht hij niet meer wanneer dat woord wordt genoemd, dan schijnt
-het hem de sleutel tot het paradijs der verkwikking.
-
-Naar boven... Verschuere’s ijzeren gestel bood nog altijd weerstand aan
-zijn afmattenden werkkring, maar hij gevoelde in den laatsten tijd een
-andere vermoeienis dan lichamelijke; hij snakte naar rust, naar
-vrijheid; hij smachtte er naar om eens, ware het voor nog zoo kort, toe
-te behooren aan zich zelf. Of meer nog aan Agnita, arm kind, dat zich
-maar niet kon gewennen aan het denkbeeld—waaraan het trouwens verbazend
-moeilijk schijnt jonge vrouwen te gewennen—dat het huwelijk niet een
-samen leven en samen genieten kan zijn, maar een, ieder voor zich,
-najagen van geheel afzonderlijke doeleinden.
-
-Hij denkt er niet aan, dat er een crisis op handen is; dat dezer dagen
-de begrooting wordt ingediend en de partij, door minister en
-gouverneur-generaal zoo warm aangehangen, gevaar loopt een nederlaag te
-lijden; hij stelt zich niets anders voor, dan hoe ze het verrukt
-gezichtje naar hem zou opheffen, als hij haar zeggen kon dat ze naar
-boven ging met hem.
-
-Maar met de wilskracht, die hem gemaakt heeft tot wat hij is, schudt
-hij zich wakker uit den schoonen droom en antwoordt op Bosschaert’s
-vraag: »U gaat natuurlijk mede?« »Onmogelijk.«
-
-De hofarts echter barst nu los in den ruwen toon die hem, volgens
-velen, ongeschikt maakt voor zijn tegenwoordig ambt. »U weet, ik houd
-niet van halve maatregelen; als u niet mee kunt gaan dient het nergens
-toe mevrouw weg te zenden. Goeden morgen.«
-
-En eer nog Verschuere heeft kunnen antwoorden is hij in zijn coupé
-gestapt en weggereden naar het paleis, waar eene der bijkokkies zich in
-den vinger heeft gesneden, reden voor mevrouw Van Waliënhove om te
-eischen dat hij tweemaal daags naar den toestand van dien vinger zal
-komen zien: hij wordt er immers voor betaald!
-
-
-
-
-
-
-
-XXVII
-
-DE MOED VAN MEVROUW VERSCHUERE.
-
-
-Geen uur is na het vertrek van den dokter verloopen, als een luide tik
-op de deur van Agnita’s boudoir haar doet overeind springen van den
-divan, waarop ze nu meest hare ochtenden doorbrengt.
-
-»Ik kom met een brief voor je, Nita; van Zijne Excellentie. En ik moet
-op antwoord wachten.«
-
-»Wat, James? Een brief van den gouverneur-generaal voor mij? Zeker een
-grap van je?« Maar terwijl ze spreekt heeft ze het couvert reeds
-opengescheurd en, na den korten inhoud te hebben doorloopen, vraagt ze
-haastig: »Wat is er gebeurd? Zeg, wat is er gebeurd?«
-
-Dan, als Van Suylichem aarzelend zwijgen blijft: »Je kunt het me gerust
-vertellen, daar mijnheer Van Waliënhove me zelf in zijn vertrouwen
-neemt.«
-
-»Neen, dat is het niet; maar... je vraagt me wat er gebeurd is en zie
-je... die vraag is niet zoo gemakkelijk te beantwoorden. Als ik voor
-een rechtbank getuigen, als ik er een eed op doen moest, zou ik zeggen:
-niets. Hier, onder de roos beweer ik: veel, heel veel. Er is
-geïntrigeerd. Er is gespionneerd. Er zijn geheimzinnige samenkomsten
-geweest. Deuren die anders openbleven zijn gesloten. Er is gekibbeld,
-gehuild en als ik me niet vergis, bemind; d’Hannecour is tot wanhoop
-gebracht, hij voelde dat er iets in de lucht zat en kon niet raden wat.
-Hooglaan doet geheimzinnig. Hij heeft conferenties met de kamenier...
-neen, niet met mooi Marietje! met die oude grompot; je weet wel,
-mevrouws vertrouwde... Mevrouw zelve is vreeselijk uit haar humeur, ze
-loopt zoo recht dat ze ieder oogenblik dreigt over voetebankjes te
-struikelen of van de trappen te rollen—wat ik haar van ganscher harte
-gunnen zou.«
-
-»Foei, James!« zegt ze lachend, om dan schijnbaar achteloos te vragen:
-»En... Van Beevelant?«
-
-»Van Beevelant?« herhaalt James.
-
-»Ja, hoe is hij?«
-
-»Wel, zooals anders.«
-
-»Och kom, dat is onmogelijk!«
-
-Daar barst Van Suylichem los in den frisschen jongenslach die hem zoo
-goed afgaat. »O jullie vrouwen! Jullie verraadt je toch altijd. Hoe
-dikwerf heb ik je gezegd dat er iets bestond tusschen Van Beevelant en
-Clotilde? En hoe dikwerf heb je me voorgepraat, dat ik het me
-verbeeldde? hoe dikwerf me vermaand om er toch met niemand over te
-spreken. Je wist er meer van, Nita! Beken het maar, je waart hun
-vertrouwde.«
-
-»Neen, daarin vergis je je. Ik wenschte dat ze het me een van beiden
-hadden gemaakt; ik zou hun graag bewijzen gegeven hebben van mijn
-sympathie. Clotilde heeft me wel verteld van andere pretendenten; kort
-geleden nog dat Hooglaan de insolentie gehad heeft haar te vragen...«
-
-»Hooglaan! Neen?... Waarachtig?«
-
-»Ja. Na haar mama, niet haar het hof te hebben gemaakt. Maar over Van
-Beevelant sprak ze nooit, ten minste niet in dien zin.«
-
-»Nu, zooals je uit den brief ziet, ze is van morgen naar Tjipanas
-vertrokken. Je weet, juffrouw Kwake is daar, de oude bonne, die met
-haar meekwam uit Europa en, daar ze het met de njonnja besaar niet
-vinden kon, moest verwijderd worden. Ze zal zeker met alle liefde voor
-haar pleegkind zorgen, maar...«
-
-»Clotilde heeft ander gezelschap noodig, wil je zeggen?«
-
-»Vraagt de oude heer je om naar Tjipanas te gaan?«
-
-»Ja,« zegt Nita, terwijl ze den brief weer openvouwt.
-
-»»Mijn arm kind is ziek!« schrijft hij. »Maar van een ziekte die niet
-de berglucht alleen geneest. Ze is diep geschokt en er is een zachte
-hand noodig om de wonden, háár geslagen, te heelen.««
-
-»Ja, er is gisteravond een scène geweest met mevrouw!... ik dacht niet
-dat baronessen er zulke stemgeluiden op nahielden... Clotilde zag er
-vreeselijk bleek en behuild uit van morgen... ’t ging me aan het hart.
-Je neemt het toch aan, Nita? Toe, zeg ja. Me dunkt, je bent er juist
-het persoontje naar, om goed te doen in zoo’n geval, juist ìemand om
-alles aan te willen vertrouwen.«
-
-»En dat zegt een jong mensch, die nog nooit bij me is gekomen om me
-zijn Confidenties te doen!«
-
-Hij ziet haar een oogenblik verwonderd, vorschend bijna, in het gelaat.
-Dan, als ze zijn blik kalm en rustig doorstaat, roept hij: »Ik heb geen
-confidentie te doen, dat weet je wel.«
-
-Nu neemt hij het boek op, waarin ze bij zijn komst las, en terwijl hij
-zich houdt of de titelplaat hem bijzonder belang inboezemt, gaat hij op
-plotseling veranderden toon voort: »Maar we spraken daar over...«
-
-Juist op dit oogenblik treedt de algemeene secretaris binnen.
-
-»Bonjour, Van Suylichem! Je bent hier met een brief, niet waar? Dank
-je, lieve; ik ken den inhoud. Je hebt James zeker gezegd wat de kwestie
-is? Goed. En wat denk je van het plannetje? Uitstekend, niet waar?
-Zoo’n aardige toevalligheid als men zelden vindt! Bosschaert was
-daareven bij me: hij zegt dat het klimaat van Tjipanas juist is wat je
-noodig hebt.«
-
-»Maar zul je het niet eenzaam vinden hier?«
-
-»O, maak je daar niet ongerust over. Ik heb altijd gezelschap in mijn
-werk. En ’t is voor je gezondheid.«
-
-»Kun je niet meegaan?« vraagt James, die evenals Bosschaert wel
-weet—wat slechts voor den betrokken persoon een geheim schijnt—dat de
-zwakke orchydee niet leven kan zonder den steun van haar boom.
-
-»Meegaan? ’k Wou dat het mogelijk was! Maar misschien kan ik je
-brengen!«
-
-»Ja, dat zou heerlijk wezen!« roept Nita verheugd, en James merkt op
-met hoe weinig ze geleerd heeft zich tevreden te stellen. »Ik hoop dat
-ik Clotilde van nut zal kunnen zijn,« gaat ze dan voort, »en ik geloof
-het wel, ten minste ik kan me zoo geheel in haar toestand verplaatsen.«
-
-»Ja,« vraagt Verschuere schertsend. »Kun je je zoo goed een
-voorstelling maken van wat dat is: een ongelukkige liefde? En ik, die
-dacht dat je geen ervaring hadt op dit punt!«
-
-»Neen, zeker niet van ongelukkige liefdes. Maar mag je dit wel zoo
-noemen?«
-
-»Of je dit zoo noemen moogt!« klinkt het van twee kanten.
-
-»Is de gouverneur-generaal er dan tegen?« vraagt ze weer.
-
-»Natuurlijk.«
-
-»Maar hoe kon hij dan de onvoorzichtigheid hebben iemand als Van
-Beevelant dagelijks in Clotilde’s gezelschap te brengen?«
-
-»Wel, dat vind ik nog al duidelijk,« roept James; »hij heeft niet
-gedacht aan de mogelijkheid.«
-
-»En dan—hij geloofde te doen te hebben met een fatsoenlijk man.«
-
-»Verschuere!... Wat bedoel je?«
-
-»Je vroegt me gister, Nita, waarom we Van Beevelant niet meer zien; je
-verwonderde je dat hij de geheele week niet hier was geweest! Ik heb je
-ontwijkend geantwoord, omdat... omdat ik wist hoezeer het je bedroeven
-zou. Maar ’t is beter dat je ’t hoort: Van Beevelant heeft zich gemeen
-gedragen en ik heb hem dat gezegd.«
-
-»Heb je hem dat gezegd?« roept Agnita en alle kleur wijkt uit haar
-gelaat. »O, wat spijt me dat, Gustaaf! hij zal het je nooit vergeven.«
-
-»Ik wensch niet dat hij ’t me vergeeft. Ik wil dat onze intimiteit voor
-goed geëindigd zij.«
-
-»Neen, dat wensch je niet. Niet waar, je zoudt willen dat zijn onschuld
-bleek en dat je het gebeurde ongedaan kondt maken. Nu weet ik wat je
-zoo gehinderd heeft in den laatsten tijd... Je beste vriend! Maar
-Verschuere, wat je ook een oogenblik geloofd moogt hebben, je moet nu
-reeds tot de overtuiging zijn gekomen dat het een vergissing is, dat
-Frans niet laag of gemeen kan gehandeld hebben. Misschien is hij zwak
-geweest... Maar slecht...«
-
-»Zwakheid is in sommige gevallen slechtheid.«
-
-»Ook wanneer de liefde in het spel is?«
-
-»Ook wanneer de liefde in het spel is.«
-
-»Verschuere,« begint James nu, »kan het geen laster zijn? ’t Komt me
-zoo ongelooflijk voor. Die loyale, flinke kerel, die je aanziet met
-zoo’n paar eerlijke oogen.«
-
-»Je moest me genoeg kennen,« spreekt Verschuere, na een oogenblik van
-stilte, met afgewend gelaat en onvaste stem, »je moest me genoeg kennen
-om te weten dat ik niet lichtvaardig mijn besten vriend zal opgeven.
-Wat ik je van Frans zeg is de waarheid, ik heb de bewijzen gezien,
-zwart op wit. Ik weet dat ze rendez-vous hadden in de leerkamer en
-quasi toevallige ontmoetingen in het park; ik weet dat ze hem bloemen
-zond.«
-
-»Om het portret van zijn zuster mee te omkransen... zooals ik ook heb
-gedaan... de bloemen, die we in een ander geval zouden hebben
-neergelegd op Louise’s graf.«
-
-»Alles heel poëtisch, Nita, maar er is meer gebeurd.«
-
-James heeft hem reeds geruimen tijd vorschend aangezien; nu springt hij
-overeind. »Verschuere, je bent opgestookt en mevrouw Van Waliënhove
-heeft het gedaan!«
-
-»Maar dat zou verschrikkelijk zijn,« roept Nita. »Twee zulke vrienden
-te scheiden, vrienden van zooveel jaren her!«
-
-Verschuere keert zich haastig om, niemand mag weten dat de brandende
-tranen hem in de oogen staan.
-
-»Goddank! dat al haar laster niet baten zal,« begint Nita straks.
-»Alles zal zich ophelderen en wanneer Clotilde hem trouw blijft...«
-
-»Dat zal hem weinig baten,« zegt James. »Je begrijpt toch, dat haar
-vader zijn toestemming niet geeft?«
-
-»Als hij van haar houdt, zooals ik geloof dat hij doet, met de
-onbaatzuchtige liefde, die alleen ouders kennen, dan zal hij meer háár
-geluk zoeken dan de bevrediging van eigen wenschen. Daarbij, hij
-begrijpt zijn dochter, hij weet dat Clotilde niet een der willooze
-wezentjes is, die met iederen man gelukkig kunnen zijn, maar een van de
-vrouwen die zelve kiezen.«
-
-»Ik geloof dat je je vergist, kind,« zegt Verschuere, zich losrukkend
-uit zijn gepeins. »Hij zal er zeer tegen zijn.«
-
-»Maar dan is het beter dat ik niet ga. Ik zou niets willen doen om
-Clotilde tot andere gedachten te brengen. Ik zou niets willen doen in
-het nadeel van onzen vriend.«
-
-»Maar ik zeg je dat hij mijn vriend niet meer is,« barst Verschuere los
-in hevigen toorn.
-
-»Des te meer reden voor mij om hem trouw te blijven.«
-
-»Ferm zoo, Nita!« roept James. »Ik voeg me bij je! De arme drommel zal
-zijn vrienden wel kunnen tellen, nu mevrouw Van Waliënhove tegen hem
-is.«
-
-Driftig keert Verschuere zich tot hem. »Je wilt niet zeggen, je durft
-niet denken dat ik hem verloochen ter wille van die vrouw!«
-
-»Neen, God beware me!«
-
-»Hoe zou hij dat kunnen denken, Gustaaf, hij, die je zoo goed kent? Wij
-weten, je gelooft dat Frans schuldig is. Na korter of langer tijd zal
-het je echter blijken dat je bedrogen bent, dat er een misverstand
-heeft plaats gehad misschien; dan zul je ons dankbaar zijn dat we niet
-aan hem getwijfeld hebben.«
-
-»James is vrij om te doen wat hem goeddunkt, maar ik wil dat jij me
-gelooven zult, Nita; ik wil dat je één lijn zult trekken met je man,
-zooals dit aan een vrouw past.«
-
-Er volgt een oogenblik van stilte. Agnita heeft haar echtgenoot
-aangezien met smartelijke verbazing; Van Suylichem is opgerezen.
-
-»Neem me niet kwalijk... ik had reeds eer willen weggaan, maar mij was
-opgedragen zoo mogelijk antwoord mee te brengen.«
-
-»Kom, lieve,« spreekt Verschuere, die reeds zijn zelfbeheersching
-herwon, »stuur James niet zoo onverrichterzake terug. Schrijf een enkel
-woordje, om te zeggen dat je...«
-
-»Ik zou liever nog geen besluit nemen, Gustaaf.«
-
-»Nu dan... mijn paard wordt lastig, als het zoo lang staat... ik ga het
-eens even afrijden... Tot straks!«
-
-Als haar neef de kamer heeft verlaten, komt Verschuere dicht bij zijn
-vrouw zitten: hij kent zijn invloed, hij weet dat ze hem niets weigert,
-als hij zoo de armen heeft geslagen om haar schouders, als hij haar in
-de oogen ziet met dien blik, waaraan ze leerde gehoorzamen in nederige
-liefde.
-
-»Luister nu eens, kindje. Je begrijpt toch, niet waar, dat dit een
-groote eer is die je wordt aangedaan? Dat de gouverneur bewijst een
-bijzonder vertrouwen in je te stellen? Dat al de dames jaloersch zullen
-zijn van deze nieuwe onderscheiding? En, niet waar, kleintje, we weten
-toch ook—al hou je je nu of je geheel vreemd bent gebleven aan de
-gewoonten hier—je weet toch ook dat je niet kunt weigeren, nu hij het
-op zoo vleiende manier vraagt?«
-
-»Maar als het nu tegen mijn gevoel strijdt?«
-
-»Dan doe je het toch.«
-
-Ze maakt zich los uit zijn armen; een oogenblik later echter treedt ze
-weer op hem toe om, bijna smeekend, te vragen: »Zeg zulke vreeselijke
-dingen niet, Gustaaf; je maakt er me zoo bedroefd mee. Ik weet wel dat
-het je geen ernst is, maar waarom je minder goed voor te doen dan je
-bent?« Dan grijpt ze zijn hand en gaat voort in hoogen ernst: »Er is
-één ding dat ik vrees... o, meer vrees dan iets anders op de wereld.
-Maar, niet waar, lieveling, daarvoor behoef ik niet bang te zijn?... ik
-zal je altijd kunnen achten?«
-
-»Dwaas kind! Natuurlijk zul je dat.«
-
-»Dat wist ik wel. Dat wist ik wel. Goddank!« Ze slaat de armen om zijn
-hals en ziet hem aan, de groote oogen vol tranen. »Frans is je vriend
-geweest, Gustaaf! je zoudt geen lage rol willen spelen jegens hem; je
-zoudt niet willen dat ik me liet gebruiken om de vrouw, die hij lief
-heeft, van hem afkeerig te maken? Je vindt goed, dat ik dit zeg aan
-mijnheer Van Waliënhove?... Niet waar, je vindt het goed!«
-
-»Maar mijn God, dit is krankzinnigheid!« stamelt hij en keert zich van
-haar af.
-
-Doch hij heeft haar lief in wat hij haar krankzinnigheid noemt; hij
-voelt wat het zijn zou, ook voor hem zijn zou, als ze de gevreesde
-ontdekking deed, als ze niet langer in hem geloofde; en wanneer ze
-thans hem zachtjes dwingt haar aan te zien, roept hij:
-
-»Ga je gang, doe het!«
-
-Straks komt de adjudant haar antwoord halen.
-
-»Wil je het hooren?« vraagt ze en leest:
-
-
- »Excellentie!
-
- »Het door Uwe Excellentie in mij gesteld vertrouwen maakt mij zeer
- gelukkig, ik ben er trotsch op door Uwe Excellentie te zijn gekozen
- om in deze dagen bij Clotilde te zijn. Gaarne wil ik tot haar gaan.
- Uwe Excellentie kent mijne gevoelen omtrent den heer Van Beevelant,
- niet waar? ik acht het meisje gelukkig dat zijn vrouw wordt. Dit
- zal hoop ik geen bezwaar zijn?«
-
-
-»Nonsens!« roept James, »hij zal je beleefd verzoeken in dat geval
-stilletjes thuis te blijven. Enfin, geef maar op!«
-
-Tien minuten later reikt hij haar het antwoord over.
-
-
- »Zeer geachte mevrouw!
-
- »Uwe gevoelens omtrent den aanstaande mijner dochter zijn ook de
- mijne. De heer Van Suylichem zal alles voor de reis regelen; wil
- dag en uur bepalen. Ik eindig, waarde mevrouw, met het verzoek uw
- echtgenoot namens mij zoo lang verlof te verleenen als u dat zult
- noodig oordeelen.«
-
-
-
-
-
-
-
-XXVIII
-
-NAAR DE BERGEN.
-
-
-Sedert lang wekte de eerste dag der week bij Agnita niet meer het
-sabbathsgevoel, dat in Holland er zulk een wijding aan had gegeven.
-Maar op dezen Zondagmorgen was het haar of ze gewekt werd door het
-klokgelui van het kerkje te Bloemduin; op dezen Zondagmorgen trok ze
-haar eenvoudig, reistoiletje aan met een gewaarwording of het de »beste
-jurk« was uit haar kinderjaren; op dezen Zondagmorgen nam ze plaats in
-den trein, alsof het de groote tentwagen geweest was, waarmee ze thuis
-uitstapjes gingen maken; pa en moe op de achterbank, broer met zijn
-meisje in het kattebakje, James op den bok en zij met de vijf andere
-kinderen, de trommels vol eetwaren, de dikke doeken, de manden met
-flesschen en de meid, geborgen waar er maar een plaatsje voor te vinden
-was.
-
-Het heeft gedurende den nacht zwaar geregend. Maar nu de zon de wolken
-begint te verdrijven, ligt de aarde daar zooals ze wezen kan in die
-lente der indische natuur, het begin van den westmousson, wanneer de
-stille riviertjes op eens weer beginnen te murmelen en de zwijgende
-vogels nieuwe wijsjes vinden; wanneer wuivende pluimen te voorschijn
-komen uit het donker olijfgroen en harde oude bladeren verdrongen
-worden door lichtgele bladknoppen, wanneer rose bloesems zich
-ontplooien naast purperen vruchten, wanneer de oranjeboom geurt en de
-aarde juicht en de hemel lacht.
-
-»Weet je waaraan je me denken doet?« vraagt Verschuere, terwijl hij
-eerst zijn vrouw aanziet en dan rondom zich in de coupé, die met bruin
-juchtleer is bekleed: »aan een nieuw goudtientje in een oude
-porte-monnaie, zoo glanzend ben je vandaag!«
-
-Die vergelijking maakt haar gelukkig. Want soms in den laatsten tijd,
-als ze zich zoo zwak gevoelde, heeft ze gevreesd dat hij het haar zou
-aanzien en dikwerf, als ze zijn rijtuig hoorde op het kiezel, sprong ze
-verschrikt overeind bij de gedachte hoe bleek ze was... onnoodige zorg,
-daar zijn binnentreden altijd een blos riep op haar gelaat.
-
-»Daar zijn we reeds te Batoe Toelis,« zegt hij en ze ziet rondom
-zich—maar dan, vatbaar voor indrukken als ze is, wordt haar gelaat
-minder vroolijk. Komt het door de betrokken lucht of door de al te
-onmiddellijke nabijheid van de bergen, dat het eerste station na
-Buitenzorg zulk een somberen indruk maakt? Of is het wellicht omdat men
-overal op de groene wegen, in de tentjes, op de rustbanken, gestalten
-ziet in de grijslinnen hospitaalkleeding, jonge mannen, het gebogen
-lichaam voortsleepend, hijgend van vermoeienis, rondwarend als droeve
-spoken, opgeroepen door den Atjehkrijg?
-
-Eenmaal Batoe Toelis voorbij wordt het tooneel steeds lichter, steeds
-ruimer, steeds vroolijker. Weldra beginnen Gustaaf en Agnita te zamen
-uit te zien door het venster, breed en hoog, zooals het zijn moet om
-het breed en hoog tafereel dat voor hen ligt te kunnen omvatten.
-
-Massing, het station waar de Tjiradani haar vloeibaar kristal uitstort
-over velden en weiden, waar ze stoeit en speelt om den voet der
-heuvelen en de kleine vallei herschept in een paradijsje vol gemurmel
-en geritsel, vol gefluister en geklater—Massing ontvangt hen als een
-vriendelijke gastvrouw op den drempel harer woning. En wie ook maar een
-glimp gezien heeft van de Preanger, laat zich niet lang nooden.
-
-Nu is het niet meer genoeg om door het eene venster te zien: naar het
-oosten ligt de Gedeh geheimzinnig somber, naar het westen de Salak tot
-aan den top gehuld in dat donker blauw groen dat de witglanzende
-boomstammen doet afsteken, als zoovele mijlpalen door reuzen geplant.
-
-’t Is een morgen zoo als er zijn kunnen tusschen Java’s bergen, stil,
-plechtig, wonderbaar; en terwijl de vogelen hun lofzang aanstemmen,
-wachten deze beide vermoeide menschenkinderen, zwijgend, hand in hand,
-tot het blond des hemels goud wordt achter de heuvelrijen en het groen
-der bosschen smaragd en het blauw der bergen violet; tot de
-Mandelawanghi blozend haar sluiers afwerpt en de Salak haar morgenbad
-neemt in zilverglans.
-
-Er blijft nu nog één donker punt in dat stralend Eden: zwart verheft
-zich te midden van den gloeienden kleurenrijkdom de Gedeh. Glans en
-gloed verdooven op haar grauwe massa’s, rozenwolken, lazuren luchtjes
-trekken vergeefs rondom haar op; nu ten oosten, dan ten westen, zoekt
-het oog des daags de stille sphinx te treffen met zijn blik... dan
-verrijst de goudvlammende vuurbol achter het berggevaarte; de zon
-stijgt hooger, steeds hooger, tot de hemel gloeit: dan strooit ze haar
-straalbundels uit en eindelijk, daar staat de Gedeh, verlicht in al
-zijn diepten en kloven, geopenbaard in al zijn schuilhoeken en
-verborgenheden, de heerlijkste in die nooit volprezen rij van
-goddelijke kunstwerken.
-
-Verblind door zooveel glans wendt Agnita het hoofd, en terwijl hij haar
-gadeslaat, vraagt Gustaaf zich af hoe hij gister heeft kunnen vinden
-dat zij er bleek en vervallen uitziet.
-
-De reis in één dag te maken zou te vermoeiend en een waagstuk geweest
-zijn met het oog op de regens; dus stappen ze uit bij de halte
-Paroeng-Koedah. Daar wordt de juchtlederen portemonnaie verwisseld voor
-een américaine, maar Verschuere’s goudtientje blijft glanzen.
-
-Straks, toen ze Paroeng-Koedah naderden, heeft ze reeds verlangend naar
-buiten getuurd of ze het niet ontdekken mocht, het witte plekje tegen
-den blauwen Salak, dat een vogel gelijkt, zich verschuilend aan de
-borst van den bergreus, of ze het niet reeds nader kwamen, het landgoed
-dat voor haar de verwezenlijking is van de lustsloten in de sprookjes
-harer kinderjaren.
-
-De paarden, die hen de steile berghelling optrokken, worden
-afgespannen, een paar andere nemen hun plaats in en vliegen voort als
-een pijl uit den boog; het zijn echte Preangers, dat wil zeggen: al het
-vuur, al de ijver, al de vlugheid, die aan den bewoner dezer streken
-ontbreekt, is in hen gevaren.
-
-Weldra wordt dan ook de bergrug bereikt en nu strekken zich langs beide
-zijden van den weg, dien ze aflegden, de theetuinen uit met hun lage,
-dichte struiken vol witte bloesems, maar voller nog van de glanzig
-groene blaadjes, die zoo menig praatje gezellig maken, zoo menig
-eenzame troosten, zoo menig vermoeide verkwikken zullen.
-
-Reeds vroeger waren ze eenige dagen hier, en het komt hun dus alles
-vriendelijk bekend voor; de smalle, rood-bruine paadjes, die als
-zonnige sporen van den menschenvoet zich slingeren over de hoogten,
-zich loswinden van de glooiing; de verrassing, die, met elke kromming
-van den weg, de vergezichten aanbieden; de welvarende kampongs langs
-goed onderhouden wegen met hun nederig groetende bewoners; nu links,
-dan rechts een golvende sawah, bevallig afstekend tegen het donkergroen
-der theevelden; het water dat overal ruischt als een welkome
-verfrissching bij het stijgen der zon; de blauwende bergketen, die
-eerst hen wenkte uit de verte, maar nu hen steeds dichter schijnt te
-omvatten, zacht en vleiend als poezele kinderarmen. Het is haast of de
-landheer een feest bereidde, zoo bont en woelig gaat het toe op dat
-onmetelijk tapijt met zijn donkergroene en bruinzwarte strepen gespreid
-over de heuvelen, afhangend in de dalen, zoo talrijk zijn de pluksters
-in haar helroode sarongs, de bewerkers van den bodem in hun kleurige
-badjoes, zoo glinsteren de veelvervige toedoens in den brandenden
-zonneschijn.
-
-Reeds rijdt het lichte voertuig de damarlaan in. De schaduw van het
-geboomte brengt koelte en rust voor de oogen, vermoeid van het staren
-op dat kleurrijk amphitheater; weldra vernemen zij het wiekgeklep van
-de witte duiven, die in vele honderdtallen opvliegen uit het bladerdak
-boven hen; straks komt het klateren tot hen van de fontein, die zijn
-stralen opzendt naar de zon en ze terug ontvangt als fonkelende
-juweelen.
-
-Agnita fluistert: »Hoe heerlijk!« en Verschuere zegt het haar na, want
-ze weten wat hen wacht aan het einde van die damarlaan: een koel, groot
-huis met de bergen tot naaste buren, een bloemtuin die de geuren van
-rozen en melattie opzendt naar een balkon, waar het goed is te wezen,
-’t zij terwijl de schemering daalt, met een lieven vriend in
-vertrouwelijk gesprek, ’t zij in de vroegte als een rooskleurige morgen
-opgaat over het heerlijk panorama, ’t zij des avonds als alles goud
-wordt en purper in de verte.
-
-Ze weten dat hen daar een bootje wacht op het stille, plechtige meer,
-en dat als heden avond het volk komt toestroomen uit de dessa’s om den
-wajang te zien en de pantoens te hooren, zij, luisterend naar de
-verwijderde tonen van den gamelang, zullen heenglijden over de
-watervlakte; ze weten dat de duiven hen reeds hebben aangemeld en dat
-de gulle gastheer, omringd van vrouw en kinderen, nu naar buiten komt
-om hen welkom te heeten op dat kroonjuweel van den Preanger, het
-vorstelijk Parakansalak.
-
-Jammer dat ze van al die heerlijkheid maar even proeven, niet genieten
-kunnen: den volgenden morgen reeds gaat het verder.
-
-»Je wou een paar uurtjes op Soekaboemie overblijven, niet waar?« vraagt
-Agnita, bezig haar hoed op te zetten. Hij helpt haar de voile
-vaststeken, speelt met de krulletjes in haar nek—een gewoonte die ze
-meende dat hij had verleerd—en zegt, half tot haar, half in zich zelf:
-»’t Is dwaas, maar al die dringende zaken komen me sinds gister minder
-dringend voor.«
-
-En dus stoomen ze langs Soekaboemie, het herstellingsoord met zijn
-luchthappende Batavianen en vermoeide ambtenaren, wachtend op het
-attest van den dokter dat ze verlof of den datum dat ze pensioen kunnen
-vragen, met zijn hôtel en kommensalenhuizen, die eigenlijk zoo misstaan
-in de binnenlanden, waar men gewoon is gastvrijheid te genieten van
-goede vrienden in gezellige woningen.
-
-Als ze Tjiandjoer naderen begint, niettegenstaande natuurgenot en
-verrukking, de maag te herinneren aan het feit dat het uur van de
-rijsttafel daar is, en meer nog dan gewoonlijk is de verschijning van
-Tjiandjoers regent hun aangenaam, omdat hij nu komt met een
-uitnoodiging van de Raden-Aijoe, om bij hen het middagmaal te
-gebruiken. De ontvangst is zoo hoffelijk en zoo welgemeend hartelijk
-tevens, het diner zoo overheerlijk, dat de reizigers geheel verfrischt
-en als het mogelijk is nog aangenamer gestemd dan te voren in hun
-rijtuig stappen.
-
-Het is een licht tentwagentje met vier vlugge paardjes; de wegen in den
-Preanger zijn keurig onderhouden, de toestand der tuigen niet zooals op
-de buitenbezittingen, waar het leven der reizigers hangt aan een
-rottantje; alles schijnt van zelf te gaan, zweepgeklap en loopersgegil
-houden op, het wordt steeds frisscher, steeds mooier, steeds stiller.
-
-Stiller op de heuvelen met hun uitgeholde ruggen en kale toppen, langs
-de gouden trappen, die de rijstvelden vormen tegen den voet der bergen,
-stil van de groote stilte, die sedert eeuwen hangt tusschen de hoogten
-en afdaalt in de pijnlijk jagende harten der menschenkinderen.
-
-Wie, die in een zacht vergulden ochtendstond onder de suizelende muziek
-der bamboebosschen de bergen bestijgen mocht, herinnert zich niet hoe
-hij steeg in dubbelen zin?
-
-De geurige koelte komt hem het brandend voorhoofd beroeren: ze wuift
-met haar frisschen adem hem het stof uit de lokken, de plooien van het
-gelaat; hij voelt hoe tegelijk met die volle teugen reine lucht er iets
-als jeugd en kracht en levenslust hem de borst doorstroomt.
-
-Ver, ver achter hem in het dal ligt de stad; een zucht van verlichting
-ontsnapt hem, bij de gedachte dat haar drukte en rumoer hem hier niet
-kunnen bereiken; immers elke stap voert hem hooger; hij drinkt de
-schoonheid in van het tafereel dat zich ontrolt voor zijn blik; hij
-staart rondom zich naar de kraters, met hun door vuur en lava
-geteisterde flanken, naar de ravijnen met hun zwarte diepten, naar de
-glooiingen met haar zijden glansen, naar de rotsmassa’s die dreigen
-neer te storten op vroolijke dessa’s... hij verdiept zich in de
-raadselen der onverklaarde natuurkrachten; hij zoekt de grenzen te
-bepalen van dien blauwen hemel, die hem nader en nader komt; hij droomt
-van het oneindige... hij herinnert zich tooneelen uit zijn
-kinderjaren... ’t is hem of hij de stem zijner moeder hoort...
-
-
-
-Het was niet meer dan natuurlijk dat de vriendinnen bij het weerzien
-elkaar in de armen vielen, alsof ze jaren gescheiden waren geweest;
-niet meer dan natuurlijk, dat toen Nita den groet van den afwezige
-overbracht, beiden uitbarstten in tranen; niet meer dan natuurlijk ook
-dat Verschuere, met de vrees die mannen hebben voor scènes, op
-eerbiedigen afstand bleef; trouwens hij had buitendien reden om tegen
-een ontmoeting met de verloofde van zijn beleedigden vriend op te zien.
-
-Zeer trof hem de verandering die in Clotilde’s voorkomen had plaats
-gegrepen. Ze geleek nu op de crayonteekening, die mevrouw Van
-Waliënhove smalend een madonnakopje had genoemd, en de gedachte kwam in
-hem op, dat toen zijn vriend haar dus zag, hij een voorgevoel had van
-den strijd die haar wachtte.
-
-Die strijd was zwaar genoeg voor het jonge hart. Ontmoeten gelukkiger
-meisjes op haar levenspad de liefde als een vrucht voor haar gerijpt,
-onder jok en scherts voor haar geboren, bij Clotilde was met de liefde
-de ernst des levens begonnen; zij behoorde geenszins tot de vrouwen,
-die door een plotseling gewekten hartstocht tijdelijk het verstand
-verliezen, en toen ze koos deed ze dat met een geopend oog voor al de
-gevolgen aan haar daad verbonden.
-
-Opgevoed voor de groote wereld, in een kring waar een schitterend
-huwelijk de kroon wordt geacht op het jongemeisjesleven, gewoon aan
-onderscheiding, een kind van weelde, begreep ze ten volle wat ze
-opofferde door eenvoudig mevrouw Van Beevelant te worden.
-
-Had de gedachte, afstand te doen van wereldsche grootheid haar—zoo niet
-toegelachen—dan toch geen oogenblik doen aarzelen; was ze moedig den
-oorlog met haar stiefmoeder begonnen; bekommerde ze zich weinig over de
-verbazing of den spot zelfs harer omgeving, ze werd tot ernstig
-nadenken gestemd door de zekerheid dat hare keuze èn haar vader èn haar
-aanstaande zoo veel kostte.
-
-Ze wist het, baron Van Waliënhove had andere verwachtingen gekoesterd
-voor de toekomst zijner eenige dochter; ze wist het, dit huwelijk zou
-den toch reeds tot het uiterste gespannen band tusschen de echtelingen
-voor goed vaneen doen springen; ze wist het, de tijd dien Frans nu
-doorbracht, was een lijdenstijd; smaad en vernedering zouden zwaar te
-dragen zijn voor dat trotsche hart.
-
-Eerst toen ze na het late avondmaal rondom de theetafel zaten en ze
-Agnita, wie de reis zeer vermoeid had, met attenties overlaadde; eerst
-toen ze op de haar eigen openhartige wijze sprak over hetgeen in den
-laatsten tijd was voorgevallen, begon ze weer een weinig te gelijken op
-de Clotilde van vroeger dagen; maar hoe openhartiger ze was, hoe
-argeloozer ze hun alles vertrouwde, hoe meer Verschuere het onhoudbare
-van zijn toestand begon te gevoelen. Vast besloten er een einde aan te
-maken, vroeg hij op eens of Clotilde correspondeerde met haar
-aanstaande.
-
-»Papa vond beter van niet,« antwoordde ze. »U begrijpt, we moeten ons
-tegenover mama houden alsof we ons niet zouden willen engageeren zonder
-haar toestemming.«
-
-»En heeft hij u iets gezegd?« vraagt Verschuere aarzelend, »nu kort
-geleden?... over mij, bedoel ik...«
-
-»Neen, niet dat ik me herinner. Trouwens, hij heeft er geen gelegenheid
-toe gehad: we spraken elkaar nooit alleen, Frans zocht het niet; papa
-is hem daar zeer dankbaar voor... en ik ook... ofschoon ik het eerst
-niet kon apprécieeren.«
-
-»Je hield het misschien voor onverschilligheid?« vraagt Nita zacht.
-»Wij vrouwen zijn niet trotsch meer als we liefhebben, niet waar? en
-daarom kunnen we de mannen niet begrijpen in zulke dagen.«
-
-»Ja,« zegt Clotilde met een zucht, »ik ben het nog altijd oneens met
-papa op dit punt. Waarom mocht hij niet ten minste een klein beetje
-laten merken dat hij van me hield? Verbeeld je, dien morgen toen hij
-het doodsbericht van Louise had gekregen en ik hem ging opzoeken in de
-leerkamer, omdat ik het denkbeeld niet verdragen kon dat hij daar
-alleen was met zijn leed, toen wilde hij ons eerst niet opendoen.«
-
-»Wie was bij je?« Aldus Nita met een zijdelingschen blik naar haar man.
-»Je zeide daar: ons.«
-
-»Oscar. Maar waarom vraag je dat?«
-
-»Omdat... och, je moet weten...«
-
-»Freule, het is beter u de geheele waarheid te zeggen. Nita vraagt dit,
-omdat ons iets anders was verteld. Omdat ik laf geweest ben! En dom!
-Omdat ik Frans in staat heb geacht tot... omdat ik bewijzen meende te
-hebben van zijn schuld. Dat is mijn eenig excuus; ik geloofde zeker te
-weten. Maar ik begrijp nu hoezeer ik hem heb miskend.«
-
-»Zijn beste vriend. En dat in deze dagen, nu hij zooveel behoefte heeft
-aan waardeering. O, Nita, hoe heeft je man dat van zich kunnen
-verkrijgen?«
-
-»Vraag daarnaar niet, lieve. Kom... beproef om te doen wat Frans gedaan
-heeft en vergeef hem. Ja, Gustaaf,« gaat Nita voort en neemt zijn hand
-in de hare, »ik heb vóór ons vertrek je ouden vriend gesproken, hij
-begrijpt wat je bewoog, hij vergeeft je; en... hij heeft me beloofd
-zijn best te doen om te vergeten... Clotilde...«
-
-Het meisje steekt hem de hand toe, Verschuere drukt die diep beschaamd,
-en nooit zijn de listen eener valsche vrouw meer verwenscht dan die van
-mevrouw Van Waliënhove verwenscht werden op dezen eersten avond te
-Tjipanas.
-
-
-
-
-
-
-
-XXIX
-
-DOLCE FAR NIENTE.
-
-
-Het is verwonderlijk hoe goed iemand, niet in staat zich zelf te
-genezen, weet welke medicijn een ander behoeft. Agnita, die in de
-laatste maanden echtgenoot en vrienden zooveel zorg baarde, Agnita die
-den dokter au bout de son latin gebracht had, begreep dadelijk wat
-dienstig kon zijn om het verstoorde evenwicht te herstellen in het
-gemoed harer vriendin.
-
-Ze keurde het volkomen goed, dat Clotilde dien eersten dag haar geheele
-hart uitstortte, den loop harer liefdesgeschiedenis in het breede
-schilderde, ja zelfs in herhalingen verviel; ze moedigde er haar toe
-aan met handdrukjes en zacht gefluisterde woorden van sympathie; ze
-verhinderde haar niet om uit te varen tegen de wreedheid van het
-noodlot, de onbillijkheid der fortuin, de harteloosheid der
-maatschappij en zooveel meer waarover we onze verontwaardiging lucht
-geven, wanneer alles niet juist zóó loopt als we dat wenschen zouden.
-Zoodra een tranenvloed het meisje belette voort te gaan, ontsloot ze de
-armen met zusterlijke teederheid en vermaande haar om maar eens goed
-uit te schreien; immers ze had het in haar tuin geleerd: de oude takken
-en bladeren moeten van de plant verwijderd worden, wil men jonge loten
-en frissche knopjes gelegenheid geven zich te ontwikkelen.
-
-Intusschen, al troostend en sympathiseerend, haastte ze zich de fraai
-gebonden boekdeeltjes weg te nemen, die ze overal liggen vond: op de
-salontafel, in het werkmandje, naast het hoofdkussen zelfs! Ze wist het
-bij ervaring, als men zich ongelukkig gevoelt behoeft men maar een
-bundel open te slaan van Heine, Byron of Lamartine—sedert kort
-Clotilde’s onafscheidelijken—om geheele bladzijden te vinden, volkomen
-toepasselijk op den toestand waarin men verkeert, een, schoon
-weemoedige, toch uiterst troostrijke ontdekking, maar een gevaarlijke
-bezigheid tevens; immers men eindigt met het leed, dat zoo diep gevoeld
-bezongen werd, zwaarder te vinden dan men eigenlijk eerst wel had
-vermoed.
-
-Het is heden de derde dag van het verblijf der Verschuere’s op
-Tjipanas. Gustaaf verslaapt zich—een zijner grootste genietingen sinds
-hij met verlof is. Eergister, gister nog, werd hij plotseling wakker op
-het gewone uur en greep naar zijn horloge met den schrik van iemand,
-die weet dat hem werk wacht, maar heden sliep hij rustig voort...
-Agnita sloot voorzichtig vensters en deuren: het heeft haar dikwerf
-genoeg gehinderd dat ze hem wekken moest.
-
-De beide jonge vrouwen brengen, in afwachting van zijn verschijning,
-den koelen morgen door in den tuin: vol van de bloemen, die alleen in
-een koud klimaat willen tieren en met haar eenvoudig schoon, te midden
-der tropische natuur, vriendelijke herinneringen wekken aan Holland’s
-kleine gaarden.
-
-»Zie eens hoe lief!« roept Clotilde met een blik op het mandje, dat ze
-samen vulden; »zou men niet denken dat wij ze met zorg geschikt hadden,
-zoo los liggen ze daar tusschen het groen, zoo harmonieeren de
-kleuren?... Ik zal het in je kamer zetten, maar dan moet je het
-onveranderd laten.«
-
-»Mag ik het voor iets anders bestemmen?« vraagt Agnita. »Je moet weten,
-er logeert een kennis van mij op Sindanglaya, ik zou ze haar gaarne
-brengen.«
-
-»Een kennis...! Wie is het?«
-
-»Neen, je hebt haar nooit ontmoet. Ze zijn drie jaar op Padang geweest
-en nu komt ze regelrecht van Atjeh. Toevallig hoorde ik een paar dagen
-geleden dat ze hier was... arme ziel! Huntvelt moet op Atjeh blijven,
-maar zij kon niet langer... ze heeft er haar jongste kindje verloren en
-nu kregen de anderen malaria; je begrijpt...«
-
-Reeds heeft Clotilde de tuinschaar weggelegd, den grooten stroohoed
-vastgestrikt; ze wil het mandje met de bloemen zelve dragen... als ze
-terugkeert heeft ze de oogen vol tranen, maar nu niet over eigen leed.
-
-Men was bijna den geheelen dag buiten; van droomen en peinzen, van
-slapelooze nachten, van gebrek aan eetlust geen sprake meer! Het
-klimaat werkte hiertoe mede. Haast overal in Indië gelijkt de natuur op
-het mooie meisje, dat uw venster voorbij gaat, maar reeds den hoek der
-straat heeft omgeslagen als ge haastig zijt opgesprongen om haar te
-groeten; in het hooggelegen bergland der Preanger is ze als de jonge
-vrouw, die rustig bij u blijft om u den dag te veraangenamen; hier
-jaagt de zon u niet naar binnen, een uurtje nadat ge haar hebt welkom
-geheeten aan den goudblonden ochtendhemel; hier vervullen de vogels hun
-roeping niet, zooals in heeter oorden, of het muzikanten waren aan
-badplaatsen, die zich alleen ’s morgens en tegen het vallen van den
-avond laten hooren: ze zingen den langen lieven dag door; hier sluiten
-de bloemen haar pas geopende kelken niet voor den brandenden gloed, die
-ze dreigt te verschroeien, ze pronken en geuren tot haar bloeitijd is
-voorbij gegaan.
-
-In afwachting dat Agnita sterk genoeg zou zijn voor grooter tochten,
-maakte men wandelingen of rijtoertjes, een enkele maal ging Clotilde
-mede met Verschuere als hij te paard den omtrek doorkruiste, en wie
-haar van zoo’n ritje zag terugkeeren met wapperenden sluier en wild
-golvende haren, werd misschien getroffen door haar frissche schoonheid,
-zeker niet door de somberheid van haar voorkomen.
-
-Op zekeren avond kwamen de beide vriendinnen den heuvel af, langzaam,
-arm in arm en even druk als geheimzinnig pratend. Nauwelijks waren de
-lampen ontstoken of Agnita plaatste zich, met den uitroep dat ze nu een
-inval hadden gekregen zooals alleen vrouwen dien krijgen kunnen, aan
-Clotilde’s schrijftafel, nam rooskleurig papier, voorzien van
-Clotilde’s monogram, doortrokken van Clotilde’s lievelingsodeur... er
-was niet eens een minnend hart noodig om tusschen de regels door te
-lezen, wie achter mevrouw Verschuere’s stoel stond, toen het een na het
-ander drie van die rooskleurige vellen beschreven werden.
-
-Een dikke brief aan Nita’s adres ontvangen, nog vóór de rooskleurige
-verzonden was, bewees, dat niet, zooals ze beweert hadden, de vrouwen
-het monopolie hebben van zulke invallen. Onder nadere goedkeuring werd
-nu deze correspondentie voortgezet met een ijver, die op den duur wel
-wat lastig dreigde te worden voor de geheimschrijfster.
-
-Weinig vermoedde Clotilde, toen ze zich meer en meer overgaf aan de
-zalige gewaarwording van te beminnen en bemind te worden, weinig
-vermoedde ze dat dit juichend ontwaken van een rein meisjeshart, dit
-verlangend uitzien naar een schoone toekomst er veel toe bijbracht om
-de verandering te bewerken, die van dag tot dag met haar gast plaats
-vond.
-
-Uren lang kon Verschuere daar liggen droomen, de half geloken oogen
-gericht op de bergen in het verschiet, blauwe wolkjes blazend in de nog
-blauwer lucht. ’t Bleef hier ’s morgens zoo stil, zoo koel, zoo
-rustig... er kwamen geen boodschappen van Zijn Excellentie, geen
-kommiezen om stukken, geen ambtenaren om voorspraak; hij kon zich weer
-eens overgeven aan zijn gedachten, weer een innerlijk leven leiden,
-niet telkens gestoord door invloeden van buiten. Voor het eerst sedert
-langen tijd had hij geen haast, werd hij niet voortgedreven door het
-denkbeeld hoeveel er nog moest worden afgedaan. ’t Scheen hem nu weer
-de moeite waard om te praten over kleinigheden; hij kon lachen om
-grappen, die hij op Buitenzorg flauwiteiten zou genoemd hebben; hij las
-voor het eerst sinds langen tijd iets wat geen betrekking had op
-koloniën of regeeringszaken; hij kwam bij een aandoenlijke passage tot
-de ontdekking dat hij ook nog zoo iets bezat als een hart; zijn geest
-was niet vermoeid meer; uit zijn oog verdween die verstrooide blik, die
-zoo menigmaal over Nita’s teêre schoonheid was heengegleden zonder ze
-te zien.
-
-Onvermengd en ongestoord genoot hij het heerlijk vacantiegevoel dat
-wij, arme werkmachines der negentiende eeuw, zoozeer behoeven. En
-zelden werd een vacantie zoo goed gebruikt, om een man er aan te
-herinneren dat er veel is wat het leven waard maakt om geleefd te
-worden, als de beide vriendinnen haar gebruikten, elkander aanvullend,
-gesteund door al de genoegens die een verrukkelijk klimaat, een
-liefelijke omgeving, een door goeden smaak verfijnde weelde geven kan.
-
-Freule Van Waliënhove was verwonderd over Verschuere zooals ze hem nu
-leerde kennen; zijn vrouw geenszins. Integendeel, sinds lang had ze
-geleefd in een staat van pijnlijke verbazing; sinds lang had ze zich
-afgevraagd of het niet een bange droom was die haar kwelde, als ze die
-trotsche gestalte zich krommen, dat statige hoofd buigen zag; als ze de
-lippen, die eenmaal spraken van hooger, beter streven, zich zagen
-bezoedelen met vleierij, met onwaarheid, met kouden spot, en ’t was
-haar of ze nu eindelijk ontwaakte uit dien bangen droom. Voor een
-kalme, praktische, koel verstandige vrouw zou het onmogelijk geweest
-zijn, weg te redeneeren wat een driejarig verblijf op Buitenzorg
-leerde; de feiten, gelijk ze daar voor haar lagen, te veranderen, te
-verontschuldigen tot ze niet meer schenen te bestaan; de waarheid te
-omsluieren tot al haar naakte, scherpe hoeken verdwenen waren; maar aan
-vrouwen, die beminnen als Agnita, is in grooter mate dan aan haar
-minder gevoelige zusteren de gave geschonken van gelooven, de gave van
-met het licht harer liefde te verhelderen wat donker, met de kracht
-harer teederheid op te te heffen wat gezonken scheen.
-
-En misschien zijn die dwepende vrouwen in haar ongeschokt geloof
-dichter bij de waarheid dan de koel beredeneerde; immers een innerlijke
-stem zegt haar, dat onder de vele dikke lagen van het stof en gruis der
-aarde een bodem ligt, rijk aan het zuiverste erts; zegt haar, dat het
-haar reine handen zijn die de lagen van stof en gruis kunnen wegnemen,
-om het kostbaar metaal aan het licht te brengen.
-
-Agnita’s geloof werd niet beschaamd. Langzamerhand, onder het ruischen
-van den bergwind en het fluisteren van lieve stemmen, onder het wekken
-van goede gedachten en dierbare herinneringen brak ook in het
-zieleleven van Gustaaf Verschuere het oogenblik aan, dat aanbreekt in
-het zieleleven van de meesten onzer, het oogenblik waarin we plotseling
-stilstaan op den weg dien we betreden, en ons afvragen of dit wel de
-goede weg is, of we ons wellicht bedrogen hebben, of het niet een
-dwaalspoor was waarop we voortgingen met zoo haastigen tred.
-
-Nu, nu we twijfelen, gevoelen we plotseling vermoeienis, vermoeienis
-ten doode toe, en pijn aan onze voetzolen, en honger en dorst, en hoe
-de koude nijpt, of hoe de zon brandt... nu bedenken we op eens hoeveel
-we reeds verloren op dien tocht, dat ons was meegegeven door zorgzame
-handen en wel waard te worden meegedragen—al scheen het somtijds onzen
-gang te belemmeren.
-
-Helaas! wat hebben er tal van bloemen gebloeid langs het pad door ons
-afgelegd, bloemen van jeugd en liefde, die we ons niet den tijd gunden
-te plukken; wat zijn we ze haastig voorbij gegaan, zonder lach of
-groet, de kinderen die kransen vlochten in den tuin en er ons zoo
-gaarne mee zouden getooid hebben; wat hebben we ze dom vermeden de
-knapen en meisjes, die dansten in de weide en ons noodden om deel te
-nemen aan hun spel; waarom hebben we niet neergezeten in de vroolijke
-rustoorden, waarom niet gestoeid en gekoosd in de stille prieelen?
-
-Ach! wat zouden we gaarne terugkeeren! Helaas, de bloemen zijn
-verflenst en de kinderen spelen niet meer en in de prieelen hebben
-anderen plaats genomen.
-
-Maar was dan ten minste de prijs waarnaar we jaagden al die opoffering
-waard? Zullen we aan den eindpaal een belooning vinden, die zooveel
-gemis vergoedt?
-
-Met ontnuchterden blik beschouwt Verschuere het bestaan dat hij nu
-sedert jaren leidt. Niet meer zichzelf, maar het werktuig van meesters
-machtiger dan hij, gekluisterd aan de schrijftafel, slaaf van de pen,
-meer nog slaaf van verordeningen en reglementen, steeds vreemder
-wordend aan wat de wereld en de maatschappij en het menschelijk streven
-belangwekkend maakt, om op te gaan in het werk dat hem hier, in de
-natuur, zoo droog en ondankbaar schijnt: gouverneurs-generaal te helpen
-in het ten uitvoer leggen van den wil der steeds wisselende
-ministeries.
-
-Ze gaan aan zijn geest voorbij, de ambtenaren in den dienst der
-koloniën, die hij beurtelings heeft zien optreden in de hoogste
-betrekkingen. Meest waren ze oud en grijs voor ze den eindpaal
-bereikten, vermoeid van den langen tocht, knorrig over de hinderpalen
-hen in den weg gelegd, teleurgesteld dat de prijs, die hen uit de verte
-tegenblonk als goud, slechts verguld koper bleek.
-
-Maar dat waren nog de gelukkigsten. Als ze niet oud waren en niet
-vermoeid, als ze het doel van hun streven bereikten, nog gewapend met
-hun geheele uitrusting van overtuiging en beginsel, van plannen en
-idealen, dan waren ze de een na den ander gevallen, afgemat door sleur,
-geknot door bureaucratie, verlamd door kleingeestige tegenwerking,
-vermoord door gezag.
-
-Ze gingen aan hem voorbij, de oost-indische ambtenaren in ruste, zooals
-hij ze bij honderden had ontmoet in Neêrlands residentie. Oud-leden in
-den raad van Indië, oud-excellenties, oud-directeuren, oud-generaals,
-die niets meer waren, van wie de Hollanders, die overal meer belang in
-stellen dan in de koloniën en hunne bestuurders, niet eens weten dat ze
-verdienste hebben jegens den staat, wien de straatjongens het als een
-scheldwoord durfden naroepen, wanneer hun tint sprak van een verblijf
-in Indië.
-
-Wat was ze, welbeschouwd, de hoogheid die in het niet verzinkt op den
-morgen dat men Java’s strand verlaat? de roem die—tenzij ze op het
-slagveld werd behaald—taant waar de indische zon ophoudt ze te
-beschijnen? Wordt de naam van wie nog zoo kleinen dienst bewees aan de
-wetenschap niet honderd malen verder gebracht door de faam? Ondervindt
-eenig Nederlander zoo weinig dank van zijn volk als de Nederlander die
-voor het belang van dat volk werkte onder de tropen? Meent men niet dat
-hij ruim beloond werd met zijn traktement, dat zoo groot schijnt aan
-wie het leven in Indië niet kent, met het pensioen dat zoo klein is
-voor wie er van moet bestaan in Holland?
-
-Midden onder zijn gepeins kwam een zachte hand de zijne zoeken.
-»Manlief,« vroeg Agnita, »heb je me laatst niet gezegd dat je pas over
-acht jaar kunt teruggaan?«
-
-»Over acht jaar min zeven maanden. Waarom vraag je dat?«
-
-»Dat is nog lang, vin je niet?... acht jaar!«
-
-»Min zeven maanden.«
-
-»Wat weet je dat precies! Verlang je soms ook?«
-
-»Och, welk mensch heeft niet wel eens een oogenblik dat hij verandering
-wenscht? Maar we mogen niet ondankbaar zijn; Indië is een goed land.
-Kijk eens voor je uit, kind, waar vin je dat?« en hij wijst op den
-Gedeh, die voor hen ligt, met de sawahs over zijn terrassen gespreid
-als licht fluweelen kleeden op mollige divans.
-
-»Ja, prachtig,« stemt ze toe. »Maar... Holland was toch ook wel lief!
-Vooral Gelderland. Je vondt het heel mooi, dat heb je zelf gezegd.«
-
-»O, zeker. Maar we zouden er ons op den duur toch vervelen.«
-
-»Wij ons vervelen! Och kom, zich vervelen doen alleen menschen die niet
-genoeg ontwikkeld zijn om zich bezig te houden. We houden beiden van
-studie, van kunst, van muziek, van reizen; dan verveelt men zich hier
-misschien, in Europa nooit; integendeel men waardeert meer en meer het
-groote voorrecht van door zijn fortuin in staat te zijn zich aan zijn
-liefhebberijen te wijden.«
-
-»Ik zou me trouwens altijd als advokaat kunnen vestigen.«
-
-»Ja juist. Op een of ander lief plekje, niet al te ver van Bloemduin.
-Wat zouden ze dat thuis prettig vinden!«
-
-»En de tantes! Wat zouden die gelukkig zijn!«
-
-»En ik,« fluistert Agnita nauw hoorbaar.
-
-Dan sluit ze de oogen voor den Gedeh in zijn heerlijkheid en droomt van
-Bloemduins dennewouden.
-
-
-
-
-
-
-
-XXX
-
-JAMES ALS JOBSBODE.
-
-
-Het is vijf uur in den namiddag en droog; iets wat niet elken dag
-gebeurt op Tjipanas; men heeft er dan ook dadelijk gebruik van gemaakt
-om niet, als naar gewoonte binnen, maar in de voorgalerij thee te
-drinken, en druk pratend letten de theedrinkers ter nauwernood op de
-enkele voorbijgangers, tot een karretje in volle vaart den heuvel komt
-afvliegen, om stil te houden voor het landhuis.
-
-»James!« roept mevrouw Verschuere, en dan, terwijl alle kleur wijkt uit
-haar gelaat: »De boodschap van den gouverneur!«
-
-De boodschap van den gouverneur... ze hebben er haar om uitgelachen,
-Gustaaf en Clotilde; haar gezegd hoe ze een kind geleek, dat op visite
-is en telkens angstig uitkijkt of de meid misschien reeds komt om haar
-te halen, maar toch, nu gevoelen ze beiden dat haar vrees op het punt
-staat bewaarheid te worden.
-
-»Alles wel?« vraagt Clotilde, terwijl ze den onverwachten gast een kop
-thee begint in te schenken.
-
-»Neen, alles even akelig!« roept James, in zijn oprechtheid soms
-vleiender dan menig hoveling; »alles even akelig sinds u weg zijt.
-Zijne Excellentie is stil en gedrukt, mevrouw... minder goed gehumeurd,
-de jongens doen het onmogelijkste kattekwaad, wij adjudanten loopen
-rond als âmes en peine, de diners zijn verschrikkelijk; niet om door te
-komen met dat onheilspellend zwijgen... Ik dankte den hemel toen ik de
-opdracht kreeg hierheen te gaan... O ja, dat heb ik nog niet gezegd:
-onder nadere goedkeuring der dames ben ik belast met de aangename taak
-haar tot cavalier te verstrekken.«
-
-»Dus moet Verschuere weg?«
-
-»Helaas ja, Nita. Men heeft je man hoog noodig op Buitenzorg. Er is
-werk aan den winkel. Sinds een paar dagen hadden we al gemerkt dat er
-iets broeide—je weet, de nieuwsgierigheid is een deugd, die we druk
-beoefenen in het adjudantengebouw.—Nu van morgen hebben we het groote
-nieuws eindelijk gehoord.«
-
-»En?« klinkt het van drie kanten.
-
-»Daar je het in alle couranten lezen kunt, acht ik niet noodig er een
-geheim van te maken: de begrooting is afgestemd.«
-
-»De begrooting afgestemd!« herhaalt Verschuere. En dan met een
-plotseling geheel veranderd gelaat: »Dat is een slechte tijding.«
-
-»Nu valt het ministerie ook, niet waar?« vraagt Clotilde, die niet zeer
-bedreven is in politiek.
-
-»Natuurlijk.«
-
-»Dat zal papa spijten. En u ook, mijnheer Verschuere. Het was uw oom en
-zijn allerprettigste manier van zaken te behandelen, die papa verzoende
-met veel wat hinderlijk had kunnen worden zonder hem.«
-
-»Het ergste is dat de partij, die nu op het kussen komt, geheel andere
-denkbeelden aanhangt dan die uw vader met zooveel ijver dient... Dit is
-een hoogst gewichtige gebeurtenis, freule, die op het politiek leven
-van Zijn Excellentie grooten invloed zal uitoefenen.«
-
-»Nu begrijp ik, waarom je met zoo’n biddersgezicht uit je karretje
-stapte, Van Suylichem,« zegt het meisje met een poging tot
-opgeruimdheid.
-
-»Je komt ons niet alleen mijnheer Verschuere weghalen... want u
-vertrekt zeker spoedig?«
-
-»Ja, freule, ik ben besloten morgen vroeg terug te gaan.«
-
-Hij legt zijn hand op die van Nita, als om haar te troosten en laat die
-hand daar. Dan keert hij zich tot den adjudant.
-
-»Heb je nog meer zulke vroolijke berichten meegebracht?«
-
-»Ja, Hooglaan heeft ontslag gevraagd.«
-
-»Hooglaan! Ontslag? Onmogelijk!« roepen de dames.
-
-»’t Is toch zoo. Hij heeft een wenk gekregen; men zegt zelfs een zeer
-duidelijken wenk. Je moet weten, er wordt heel vreemd over gesproken;
-onder anderen beweert men dat hij anonieme brieven zou hebben
-geschreven.«
-
-»Wat een dwaasheid!« lacht Clotilde, »wie doet dat nu!«
-
-»Wat er van zij, een daarvan moet—door iemand die hem wou
-ontmoeten—Zijn Excellentie in handen zijn gespeeld in plaats van de
-persoon voor wie hij bestemd was.«
-
-»En wie was die persoon?« vraagt Clotilde weer. »Zeker een jonge dame.
-Toe, vertel dan toch! Hoort u dat, mijnheer Verschuere, Hooglaan geen
-adjudant meer!«
-
-»O zoo?« vraagt de algemeene secretaris, zich eindelijk losrukkend uit
-zijn gepeins, want hij is al dien tijd ver weg geweest in ministerraad
-en Tweede Kamer.
-
-»Het ergste is, dat hij naar zoo’n vreeselijken buitenpost wordt
-gestuurd,« roept James: »och hoe heet het ook weer? Enfin, iets
-afschuwelijks: anderhalve Europeaan, de dames schitterend door
-afwezigheid, een bevolking, die wat Hooglaan gewoon is het indisch
-nachtkostuum te noemen, veel te gekleed vindt...«
-
-»De slechtste plaats is nog te goed voor dien spion,« mompelt
-Verschuere.
-
-»U zult wel zeggen dat ik op een hollandsche courant gelijk, zooveel
-akeligheden heb ik te vertellen, maar... ik mag het toch niet
-verzwijgen. De Te Leurses zijn te goede kennissen...«
-
-»Betreft het Amalia? Is ze... Heeft ze?«
-
-»Den lang gevreesden coup de canif door haar huwelijkscontract gegeven,
-bedoel je? Neen, dat niet. Ofschoon ik betwijfel of dit erger zijn zou,
-dan wat er nu gebeurd is. ’t Schijnt dat ze te veel geld hebben
-verteerd: haar mooie toiletten en fijne dineetjes, zijn onzinnig hoog
-wedden bij de races, hebben de aandacht getrokken... Niet waar, men
-vermoedt bij een officier van administratie allicht zoo iets? Om kort
-te gaan, ’t is gebleken dat hij ’s lands gelden heeft gebruikt.«
-
-»Groote God! Is ’t mogelijk?« roept Verschuere.
-
-»Arme, arme vrouw«, zucht Agnita.
-
-»Maar er is toch niets bewezen? ’t Is nog maar een vermoeden niet
-waar?« vraagt Clotilde, vreeselijk ontsteld.
-
-»Ik vrees van niet, freule! Hij zit in preventieve hechtenis.«
-
-»En zij? O, wat moet er van haar worden? Was ik maar daar.«
-
-»Wees gerust, Nita. Mevrouw Paerel is dadelijk naar haar toegereden en
-heeft haar meegenomen naar huis.«
-
-»Gelukkig! Niet waar, kind, anders had ik je niet uit je hoofd kunnen
-praten, dat je op stel en sprong naar Buitenzorg moest? Maar weet je
-wel, James, dat dit een mooie trek is in mevrouw Paerel? Ze heeft een
-hekel aan Amalia; ze heeft het alleen gedaan om haar van erger terug te
-houden, daar ben ik zeker van.«
-
-»En hoe... hoe nam mama het op?« vraagt Clotilde straks.
-
-»O, doodkalm. Mevrouw Van Waliënhove zeide dat ze het lang had zien
-aankomen,« antwoordt de adjudant.
-
-»Zei ze dat?« roept Clotilde, en haar donkere oogen schieten vuur.
-»Maar mijn God! ze moet het toch weten, dat het alles haar schuld is,
-dat zij hen zoo ver heeft gebracht!... Zei ze dat? O, Nita, herinner je
-je nog die eerste soirée? Wat was het toen een lief paartje; hij zoo
-innig goed voor zijn mooie vrouw, zij zoo eenvoudig en bescheiden. Ze
-wou geen comedie meer spelen: ze wou geen roem meer, alleen de
-goedkeuring van haar man! Herinner je je, wat ze gezegd had toen
-mijnheer d’Hannecour haar kwam vragen om op te treden: »Weten ze het
-hier ook al? Mijn God, moet ik dan mijn geheele leven dat
-»Nederlandsche Tooneel« achter me aansleepen als een veroordeelde zijn
-kogel?« Maar mama had iemand noodig die reciteeren kon... ze heeft haar
-gedwongen, ze heeft gedreigd hen te laten overplaatsen naar Atjeh... en
-die twee jonge levens zijn verwoest! Nita,«—de groote brandende tranen,
-zoo lang weerhouden, stroomen nu over het bleek gelaat—»je wilt haar
-zeker schrijven, morgen... ik verzend dadelijk een brief aan papa; wij
-moeten helpen, het is onze schuld!«
-
-Als een uur later de lampen ontstoken zijn, Van Suylichem bij eene
-illustratie is ingedut, Clotilde met koortsachtigen haast voortschrijft
-aan haar brief, komen de heer en mevrouw Verschuere te voorschijn uit
-het logeergebouw en wandelen den grooten weg op.
-
-Het is niet wat men in Indië een mooien avond noemt. De maan is in haar
-eerste kwartier, de omtrekken der bergen zijn nevelachtig, de wolken
-grauw en donker, maar er stijgen vriendelijke geruchten op uit de
-dessa: er is een geheimzinnig ritselen als van teedere ontmoetingen in
-het geboomte... het is een avond voor man en vrouw om hand aan hand te
-gaan, een avond om hoog boven het klokje dat tot scheiden roept een
-ander klokje te hooren van ver over den oceaan, het klokje dat van de
-dorpskerk luidde, toen de handen, die nu elkaar zoeken, werden ineen
-gelegd.
-
-»Ben je hier dan zoo gelukkig geweest, liefste?« vraagt hij.
-
-»Ja, onbeschrijfelijk gelukkig! O, ik wenschte dat het nog een klein
-poosje had kunnen duren en dat ik dan... had mogen sterven.«
-
-»Sterven? Dwaasheid. Ik wou je juist het tegenovergestelde voorslaan.
-Ik wou leven, een nieuw leven beginnen, een leven met en voor elkaar!«
-
-»Dat kan immers niet met deze betrekking.«
-
-»Het moet kunnen. Ik zal me terugtrekken uit al die regeeringszaken. ’t
-Helpt nu toch niet meer: ’t is zelfs de vraag of Van Waliënhove zal
-kunnen staande blijven... Ik beloof je, van nu af wil ik meer voor je
-wezen, Nita; we zullen er den tijd afnemen om gelukkig te zijn!«
-
-»En... verliefd!«
-
-»En verliefd. Maar dan moet je me één ding beloven. Je moet rustig hier
-blijven, tot je weer sterk bent en gezond. Voor mij komen drukke dagen.
-Maar wanneer die voorbij zijn, dan, ik beloof het je, dan zal ik alles
-voor je wezen.«
-
-Als ze lang daarna te zamen den salon betreden, ontwaakt Van Suylichem
-uit zijn dutje met een kreet van verrukking.
-
-»Wel, Nita, wat zie je er goed uit! Wat ben je bijgekomen! Ik dacht het
-van middag zoo niet: maar ’t is bepaald kolossaal. Goddank, nu kan ik
-weer naar Bloemduin schrijven; ’t is me in geen half jaar gebeurd.«
-
-»Foei. James!«
-
-»Ja. Wat moest ik doen? Er om jokken wou ik niet, de waarheid zeggen
-kon ik niet.«
-
-»Enfin, ’t is nu voorbij. Ik ben nu volmaakt wel.«
-
-
-
-
-
-
-
-XXXI
-
-GEVAREN VAN EEN INDISCH BOSCH.
-
-
-De linten harer muts zedig om de driedubbele kin gestrikt, de dikke
-witte handen in den reusachtigen schoot gevouwen, verklaarde juffrouw
-Kwake, dat nu mijnheer Verschuere weg en die levenmaker in zijn plaats
-gekomen was, ze vreesde heel wat te stellen te krijgen met het »jonge
-goedje«. Maar Marie, de mooie kamenier en Jansen, de aardige
-opzichter—die bijzondere redenen hadden om een niet al te groote
-waakzaamheid bij juffrouw Kwake te wenschen—noodigden haar om een
-glaasje sherry te drinken, wèl wetend dat ze alleen de wereldsche zaken
-zoo ernstig opnam, als ze zich nog niet bemoedigd had. Daar ze zich
-meest vier- of vijfmaal daags bemoedigde, had niemand reden om in haar
-de duenna te zien; er werd gecroquet, gebiljard, ja, zelfs een enkele
-maal, met de nu geheel herstelde kleintjes van mevrouw Huntvelt,
-blindemannetje gespeeld op het gazon.
-
-Wel vroeg Clotilde, nog min of meer Heine-achtig gestemd, zich soms af,
-of ze niet aan vlagen van zwaarmoedigheid moest lijden, en hinderde
-haar de gedachte dat Van Beevelant nu blootstond aan al de vinnigheid
-der stiefmoederlijke aanvallen; maar daar meldde de courant dat »Zijne
-Excellentie besloten had om, ter bevordering van land- en volkenkennis
-bij zijne zonen, hen onder leiding van hun gouverneur een reis te laten
-maken over Java!«
-
-Toen het bericht bevestigd was door een langen brief aan het adres van
-mevrouw Verschuere, zette Clotilde zich dadelijk tot schrijven, om papa
-te bedanken voor wat ze zijn »subliem idée« noemde. En ’t was uit den
-grond van haar hart dat ze er bijvoegde:
-
-»Ik weet, vadertje, dat het eigenlijk niet behoort voor een geëngageerd
-paar, dat ze zich zoo goed weten te schikken in de scheiding, maar
-Frans’ brieven aan Agnita zijn opgewekt, zelfs vroolijk, en wat mij
-betreft, ik ben tevreden, om niet te zeggen gelukkig. Vreemd, niet
-waar? Of zou het misschien komen doordat wij niet zooveel behoeven te
-vragen van het heden als anderen wie de toekomst niet het hoogste en
-beste belooft?«
-
-Ook mevrouw Verschuere had weinig te wenschen overig na dien laatsten
-avond met zijn schoone beloften; alleen zou ze op haar brieven gaarne
-een ander antwoord ontvangen hebben dan korte epistels in
-telegramstijl. Maar ze wist dat er dezer dagen over groote belangen en
-moeielijke kwesties werd gehandeld in het kabinet van den landvoogd, en
-troostte zich met het denkbeeld dat een crisis nooit lang duren kan en
-het na de crisis alles anders worden zou.
-
-Bijna dagelijks werden uitstapjes ondernomen, grooter naarmate reeds
-bezocht was wat in de buurt lag, prettiger naarmate men zich beter
-leerde wapenen tegen de regenbuien, die, ofschoon te verwachten in
-dezen tijd van het jaar, altijd onaangename verrassingen bleven;
-gemakkelijker naarmate men zich gewende aan de wegen, die reeds den
-invloed begonnen te vertoonen van den westmousson.
-
-Sinds lang was er sprake van een tochtje naar de watervallen van Tji
-Burm, maar telkens kwam er iets tusschenbeide. Toen eindelijk een dag
-bepaald en de morgen van dien dag aangebroken was, wenschte men elkaar
-geluk het zoolang te hebben uitgesteld; men trof een bedekte lucht. Een
-bedekte lucht! het eenig denkbaar geval dat bij het oostersch klimaat
-een buitenpartij genot kan zijn; de tropische natuur zonder brandenden
-zonnegloed, ’t is of men een geestige vrouw aantreft in zachte
-stemming; nu men de pijlen van haar vernuft niet heeft te vreezen, kan
-men eerst de gaven van haar hart, de schoonheid van haar gelaat
-waardeeren.
-
-Men had afgesproken klokslag zeven te vertrekken, en daar er drie dames
-meegingen—waarvan eene kleintjes achterliet—was het dus over half acht
-alvorens men op weg kon gaan.
-
-Het gezelschap bestaat uit mevrouw Huntvelt, wier kinderen, dank zij
-het heerlijk klimaat, geheel hersteld zijn en die, nu eindelijk van
-zorg bevrijdt, haar jong hart en jong gezichtje terugvindt bij al de
-genoegens die de dames van Tjipanas haar aandoen; de heer Paerel, die,
-op weg naar zijn proeftuin, zich gaarne aansloot bij het vroolijk
-clubje; een overste van de marine, oud vriend der Van Waliënhove’s, die
-op Sindanglaya logeert tot herstel zijner in het vroolijk Batavia
-geschokte gezondheid, en Van Suylichem met zijne beide dames.
-
-Het is nog vrij koud en dus besluit men te beginnen met een wandeling,
-om dubbel te kunnen genieten van dat overschoon panorama, een tropisch
-landschap, langzaam rijzend uit den morgendamp. Maar mevrouw Huntvelt
-is een Amsterdamsche en vindt dus een bergpad vermoeiend, de overste,
-die liever niet bekent dat hij geen twintig, ja zelfs geen veertig meer
-is, houdt zich of hij zijn voet gestooten heeft en beiden beklimmen de
-paardjes. Weldra volgt Clotilde met haar cavalier hun voorbeeld: zij
-wenschen binnen den kortst mogelijken tijd boven te zijn, om daar van
-het vergezicht te genieten vóór de stijgende zon dit verhindert.
-
-Mevrouw Verschuere is uit den aard der zaak de laatste bij een
-gelegenheid als deze: paardrijden werd haar verboden, van een voertuig
-kan geen sprake zijn bij de smalle bergpaadjes; dus moet ze
-gedeeltelijk wandelen, gedeeltelijk per draagstoel het doel van den
-tocht trachten te bereiken. Bevreesd tot last te zijn, stelt ze dikwerf
-voor thuis te blijven, maar ze moet altijd eindigen met aan den
-algemeenen drang toe te geven en meegaan, wat ze met een dankbaar
-lachje gaarne doet: ’t is zoo’n heerlijke gedachte dat ieder wat wil
-opofferen om haar genoegen te geven.
-
-James rijdt stapvoets voort naast haar tandoe, zonder die ook maar één
-oogenblik te verlaten, men vindt dat door de gewoonte natuurlijk;
-alleen de overste, vreemdeling in de Buitenzorgsche wereld, verwondert
-zich reeds sedert verscheidene dagen over de verhouding »van die twee
-luidjes« en hij zet nu zijn paard in draf om Paerel in te halen, met
-het doel daaromtrent eens iets naders te hooren.
-
-De directeur glimlacht medelijdend, bijna spottend.
-
-»Hoe komt u op het denkbeeld, overste?«
-
-»Ik mocht eer vragen hoe u niet op het denkbeeld komt.«
-
-»’t Is neef en nicht, eigen zusters kinderen, te zamen grootgebracht!«
-
-»Wat bewijst dat?«
-
-»Maar ik zeg u, dat er geen kwestie is van zoo iets! ’t Idee! mevrouw
-Verschuere, die zoo geheel opgaat in haar Gustaaf?«
-
-»Zoo?« vraagt de zeeman. »Dat doet me pleizier.« Straks, na een lange
-pauze, waarin zijn gedachten terug gingen naar een veelbewogen tijd in
-zijn eigen leven, vraagt hij: »En het jonge mensch?«
-
-De heer Paerel ziet juist een plantje aan den weg, dat hem bijzonder
-veel belang inboezemt, hij vergeet te antwoorden en de overste rijdt
-verder.
-
-»Wonderlijk toch!« peinst hij. »Als iemand twee kinderen met vuur zag
-spelen en hij waarschuwde het meisje, maar liet den jongen zijn gang
-gaan, zou men dat onverantwoordelijk vinden; in een geval als dit denkt
-ieder aan de vrouw, niemand aan den man. Alsof die geen kwaad kon!«
-
-Er gaat in de stilte van den morgen een vroolijk rumoer op uit de
-kleine cavalcade: de paardjes schijnen niets liever te wenschen dan
-deel te nemen aan dit pleiziertochtje en hinneken nu eens in koor, dan
-weer in solo; de koelies, gewoon aan draagstoelen, belast met dames die
-van taille niet zoo jeugdig zijn als van hart, wenschen elkaar geluk
-met het lichte vrachtje; de Soendaneesjes, die achteraan komen en de
-manden vol etenswaren dragen, doen dit zoo welgemoed alsof ze meenden
-dat de inhoud voor hen bestemd was.
-
-Zoo een van hen die illusie koesterde, zou ze hem spoedig benomen
-worden; men was nog geen uur op weg of er werd halt gehouden, om wat de
-gelukkigen der aarde »een vreeselijken honger« noemen, te stillen. Het
-was niet overbodig dat men zich een weinig versterkte, want ofschoon
-het koel en frisch bleef, werd de inspanning met ieder oogenblik
-grooter, de weg steil en moeilijk, glad van de gevallen regens, op
-sommige punten door kuilen en onverwachte hinderpalen zelfs een weinig
-gevaarlijk.
-
-Clotilde, die haar eigen vos bereed, had moeite het vurig dier over de
-smalle bamboebrugjes heen te krijgen; mevrouw Huntvelt, even
-Amsterdamsch nu het op rijden als toen het op loopen aankwam, gilde
-letterlijk van angst zoo dikwerf haar paardje uitgleed, wat nog al eens
-gebeurde; de heeren hadden handen vol werks; de koelies, die de tandoe
-droegen, verwisselden elk oogenblik van schouder, zetten haar telkens
-neer, bliezen en hijgden als postpaarden.
-
-»Ik wed dat je medelijden met hen hebt?« vraagt James lachend, als Nita
-zegt dat ze liever wil uitstappen.
-
-»Neen, maar het zien van hun inspanning hindert me. Ik zou me laten
-dragen als ik niet loopen kon, nu is het niet noodig. Vin je goed dat
-ze met je paard en de tandoe vooruitgegaan? Dan kunnen wij langzaam
-volgen.«
-
-Zij waren nu in het woud. Een leger van reuzen, maar ook een slagveld
-vol gevallenen, een tuin met purperen bloesems en sneeuwwitte
-orchydeeën, met ragfijne varens en wonderschoone boschvruchten, een
-bodem bedekt met vergankelijkheid, gifplanten en reptielen, en om en
-door dat alles een net van lianen, rottans en slingerplanten, het
-kleine verstikkend, zich vastklampend aan het groote, de levende en de
-dooden omvattend in één groote omhelzing.
-
-Er is iets geheimzinnigs in dat werken eener grootsche natuur, iets
-meêdoogenloos in dat vergaan en vernietigen... de jongelieden hooren
-hunne voetstappen, het ruischen der dorre bladeren, als de zoom van
-Agnita’s kleed ze beroert; zoo eenzaam is het rondom hen, dat als nu of
-dan de slag van een vogel weerklinkt boven hunne hoofden, ze
-opschrikken van dit geluid; zoo eenzaam, dat Nita het gelach en
-gepraat, haar straks een ergernis, terugwenscht, liever dan deze
-verlatenheid, deze stilte.
-
-»Zoo ernstig?« vraagt James en ziet haar in ’t gelaat.
-
-»Wie zou hier niet ernstig gestemd worden?« antwoordt ze en tuurt met
-droomerigen blik naar de blauwe lucht, die het bladerdak hier en daar
-laat doorschemeren. »Hoor je dat, heel in de verte, dat donderend
-beuken van de watervallen op de rotsen? Is het niet als een stem uit
-andere oorden?«
-
-Ze staan een oogenblik stil om te luisteren. Daar weerklinkt, dicht bij
-hen, de klagende roep van de woudduif, straks beantwoord door het
-teeder gekir van zijn gaaike.
-
-Met den wrevel, die hem soms aangrijpt in het bijzijn van Agnita, roept
-James: »Hoor je dat? Ik dacht dat het hier te hoog was voor de liefde!«
-
-»Te hoog voor de liefde?« vraagt ze verwonderd over zijn gezegde, maar
-meer nog over den korten, schellen lach, waarvan het vergezeld ging.
-»Te hoog voor de liefde? Neen, juist een plekje er voor: zoo ver van de
-aarde, zoo dicht bij den hemel!«
-
-De jonge man antwoordt niet. De muziek harer stem boeit hem, maar
-ternauwernood begrijpt hij wat ze zegt, zoo wild jaagt en bruist het in
-hem. Ver van de aarde! dicht bij den hemel! God... hij was nooit
-dichter bij de aarde!
-
-Straks, als ze een kleinen heuvel hebben bestegen en ze een oogenblik
-leunen blijft op zijn arm, om adem te scheppen, ziet ze hem toevallig
-in het ontroerd gelaat.
-
-»Wat scheelt er aan?« vraagt ze bezorgd. »Er is toch niets dat je
-hindert? Kom, kijk eens om je heen. Ik zou anders haast gaan gelooven,
-dat het niet aan je besteed is.«
-
-Ze heeft gelijk; het is niet aan hem besteed; hij ziet niets van de
-heerlijkheid rondom zich, hij ziet in geheel deze groote ruimte slechts
-één kleine stip, hij voelt slechts den arm die in den zijnen ligt, den
-warmen adem, die heenstrijkt over zijn gelaat, het fijne handje dat
-zijn schouder zoekt, zoo vaak ze steun behoeft—en niets, niets anders!
-
-»Laat me vooruit gaan,« vraagt hij straks. »Laat me de anderen roepen.«
-
-»Ik vrees dat ze te ver weg zijn om ons te hooren.«
-
-»De koelies dan, om je te dragen.«
-
-»Nu reeds?... ’t Is waar, het vermoeit je misschien me zoo voortdurend
-vast te houden.«
-
-»Me vermoeien?« roept hij. Maar dan schor en vreemd: »Ja.«
-
-Dat de vrouw, die een groote liefde koestert, zoo ongevoelig wezen kan
-voor wat ze in anderen wekt! Dat het geluk van zich door haar
-echtgenoot bemind te weten zelfs een ziel, zoo sympathiek als de hare,
-vreemd kan maken aan den strijd van een vriend; dat ze zoo ziende
-blind, zoo hoorende doof kan zijn! Beleedigd door dat korte »ja«, roept
-ze nu zelve:
-
-»Djan! Djan! Djan!« ’t Is de naam van den jongen, aan wien James zijn
-paard vertrouwde.
-
-Maar er komt geen antwoord.
-
-Is het de eenzaamheid, die haar nu op eens begint te beangstigen? Of
-misschien de brandende gloed der hand, die haar wordt toegestoken bij
-het overgaan van wankelende bruggetjes, het vermijden van poelen of
-plassen? Of misschien dat die hand de hare nog vasthoudt wanneer ze
-geen steun meer behoeft?
-
-Wat er van zij, haar stem trilt en haar gelaat kleurt zich met hooger
-blos, terwijl ze zenuwachtig uitroept: »Ik vind het niets aardig van de
-anderen, ons zoo aan ons lot over te laten.« En straks, als hij niet
-antwoordt, maar haar blijft aanzien met dien vreemden blik: »Ik wou dat
-we bij hen waren.«
-
-»O, we zullen ze dadelijk inhalen. Daar ben ik zeker van.«
-
-Hij brengt beide handen aan den mond en roept uit alle macht, schreeuwt
-als een bezetene. Want gevoelt zij slechts een onbestemde vrees, hij
-weet wat het gevaar is dat hen dreigt, hij kent het aan den woesten
-drang, waarmee het bloed hem naar hoofd en hart vliegt.
-
-»We moeten geduld hebben, Nita... Waarom loop je zoo hard?... leun meer
-op me... Nita... je bent toch niet bang?«
-
-»Neen, dat niet; maar..«
-
-»Maar je wordt moe. Hou me steviger vast, ’t is hier zoo glad en een
-beetje gevaarlijk met het ravijn.«
-
-»Roep nog eens; wil je?«
-
-Hij gehoorzaamt, maar het blijft stil.
-
-Straks moet hij de gestalte, die beeft van overspanning en met elk
-oogenblik zwaarder leunt op zijn schouder, omvatten, om haar voor
-vallen te behoeden.
-
-»Vin je het niet akelig, James?« vraagt ze in haar angst, »vin je het
-niet akelig zoo met ons beiden in dit groote bosch?«
-
-»Akelig?« hijgt hij. »O neen! zalig...«
-
-Nu begrijpt ze. Op eens. Alsof een gordijn werd weggeschoven van voor
-haar oogen.
-
-»God! Nita! laat me niet lost het ravijn... God! mijn lieveling!«
-
-Hij heeft haar gegrepen, in zijn armen gehouden, aan zijn borst
-geklemd...
-
-»O, James!«
-
-Er is in dien uitroep een droefheid, een teleurstelling zóó groot, dat
-hij op eens tot het volle besef komt van zijn onvoorzichtigheid; hij
-laat haar los, en wanneer ze nu doodsbleek, bevend over al haar leden,
-leunt tegen een boomstam, verwijdert hij zich langzaam met gebogen
-hoofd en het gevoel van een misdadiger.
-
-Als hij een oogenblik later hoort hoe ze een zwakke poging doet om te
-roepen, schreeuwt hij met bijna bovenmenschelijke kracht.
-
-Nu, nu het te laat is, komt er antwoord. Van meer dan één kant klinken
-stemmen. Uit de verte komt het geluid tot hen van een paard, dat in
-draf nadert.
-
-James is teruggekeerd op zijn schreden. »Nita, één woord! Ik bid je
-Nita, vóór de anderen komen...«
-
-Ze ziet hem aan met droeven blik. »Je hadt gelijk, James,« zegt ze
-langzaam, fluisterend bijna, »je hadt gelijk; het is hier te hoog voor
-de liefde... zooals jij ze begrijpt ten minste.«
-
-Dan wendt ze het hoofd naar den heer Paerel, die komt aanrijden zoo
-vlug de weg zulks toelaat.
-
-»Eindelijk!« roept de directeur. »Waar blijft u toch? we werden
-ongerust, de anderen wachten bij de grot...«
-
-»Onze koelies zijn weg, geloof ik,« brengt Agnita aarzelend uit.
-
-»Wel neen, die zitten hier achter den heuvel hun strootje te rooken.«
-
-»Iedereen heeft ons in den steek gelaten. Van Suylichem’s jongen...«
-
-»Hij komt daar aan met uw paard, mijnheer Van Suylichem. Ik heb hem
-gezegd mee terug te keeren. Maar... wat is u ontdaan? En u ook,
-mevrouw! Er is toch geen ongeluk gebeurd!«
-
-»Ja, een groot ongeluk!« roept James, springt in den zadel en rijdt weg
-in woesten galop, aan Agnita overlatend zijn wonderlijk gedrag te
-verklaren.
-
-»We waren bijna in het ravijn gevallen,« begint ze. »James is erg
-geschrikt en... heelemaal in de war. En ik... ben zoo moe.«
-
-»Wat spijt het me dat we niet bij elkaar zijn gebleven! Maar wie kon
-ook denken... o, daar zijn ze met den draagstoel!«
-
-Er is veel noodig om den heer Paerel op een denkbeeld te brengen,
-wanneer dat denkbeeld geen betrekking heeft op zijn vak; hij laat
-gaarne alle ontdekking, vermoedens en invallen aan zijn Annet over,
-maar—deze ontmoeting in het bosch verdrijft zoo ten eenemale alle
-botanische gedachten uit zijn geleerd brein, dat hij een oogenblik ook
-in andere zaken helder ziet; hij herinnert zich de vermoedens van den
-overste, brengt die vermoedens in verband met de ontsteltenis der jonge
-lieden en besluit de tandoe van mevrouw Verschuere niet meer te
-verlaten.
-
-Als in een droom voegt Agnita zich bij het gezelschap, dat neiging
-heeft getoond om knorrig te worden over het onverwacht oponthoud, maar
-deelnemend wordt zoodra ze tot hen komt met haar afgemat gezichtje en
-gescheurde laarsjes; als in een droom volgt ze hen naar de grot en is
-zoo diep in gedachten verzonken, dat ze vreeselijk schrikt wanneer het
-traditioneel pistoolschot wordt gelost om de duizenden vleermuizen, die
-aan de wanden hangen, te doen opvliegen. Daarop zit ze met de anderen
-terneer bij de watervallen, die als schitterende sluiers afhangen van
-de zwarte rotsen, stemt beurtelings Clotilde toe dat het verrukkelijk
-mooi, mevrouw Huntvelt dat het zooveel angst en vermoeienis niet waard
-en den overste dat het een griezelig plekje is, veel te kil en te
-vochtig om er iets anders te willen doen dan dadelijk weer opbreken.
-
-Vrouwen als Annet Paerel oefenen haar invloed uit, ook al zijn ze van
-haar mannen gescheiden door al de berggevaarten der Preanger. Als men
-op Tji-Bodas rondom de rijsttafel is gezeten en de gastheer van de dame
-aan zijn linkerhand slechts verstrooide antwoorden ontvangt; als hij
-opmerkt dat Van Suylichem drukker praat en meer champagne gebruikt dan
-dienstig zijn kan, is het hem of een welbekend gezicht zich tot hem
-keert met vriendelijke bezorgdheid, of de welbekende stem met de
-hartelijke drukte haar eigen, uitroept: »Daar moeten we iets aan doen,
-Paerel!«
-
-Dadelijk na het middagmaal wordt een kop koffie gebruikt, haastig,
-staande, met angstige blikken naar de lucht, die nu wel wat al te
-bedekt is.
-
-»We moeten voortmaken, freule,« zegt de overste, terwijl hij haar helpt
-opstijgen: »Ik vrees dat we een nat pak krijgen.«
-
-»Zou het,« vraagt nu de directeur, met het oog op een mogelijke
-regenbui, »niet best zijn dat elk der heeren een dame voor zijn
-rekening nam en die zoo gauw mogelijk thuis bracht, zonder zich om het
-overige gezelschap te bekommeren?«
-
-»Maar u vergeet dat we een cavalier minder hebben dan van morgen,«
-roept Agnita in waren doodsangst.
-
-»Dacht u werkelijk dat ik eene der dames zonder geleide zou laten
-teruggaan? Wel, mijn vrouw vergaf het me nooit! Neen, de proeftuin
-loopt niet weg en wat ik hier te doen heb kan even goed morgen gebeuren
-als vandaag. ’t Was trouwens dadelijk mijn plan.«
-
-Men meende zich te herinneren dat de heer Paerel dezen morgen andere
-plannen had, maar men vond het allerliefst.
-
-»Freule, mag ik de eer hebben? Iedere minuut is er een!« roept de
-overste en rijdt met zijn dame het terras af.
-
-»Mijnheer Van Suylichem, zoudt u zich met de zorg voor mevrouw Huntvelt
-willen belasten? Dan mag ik wel bij u blijven, niet waar?«
-
-Agnita weet niet of hij iets vermoedt, iets begrepen heeft; daarom is
-het zeer onvoorzichtig wat ze doet, maar ze kan het niet laten, ze
-steekt hem haar ijskoud handje toe en zegt: »Dat is lief van u,
-mijnheer Paerel.«
-
-
-
-
-
-
-
-XXXII
-
-TERUG OP BUITENZORG.
-
-
-Mevrouw Verschuere is sints een paar uur thuis en alleen; zóó alleen
-als slechts een vrouw zonder kinderen zijn kan in haar eigen woning.
-
-Ze loopt rond met het eigenaardige gevoel, dat na een afwezigheid ons
-de bekende voorwerpen doet begroeten als oude vrienden; ze gaat eens
-naar haar bloemen en plukt een paar dorre blaadjes af; ze bekijkt de
-jonge hondjes, kort vóór haar vertrek geboren; ze geeft de vogels een
-stukje suiker en tracht zich wijs te maken dat ze haar gemist hebben;
-ze overtuigt zich dat haar poesjes de vrouw nog kennen... dan schikt ze
-de ornamenten in het boudoir wat terecht, dan begint ze thee te zetten,
-dan kijkt ze op de pendule en vraagt zich af, of die wel gelijk is met
-de klok in de achtergalerij; haar docht het moest later wezen.
-
-Neen, alle klokken zijn precies gelijk, ’t is drie en een halve minuut
-over vijven.
-
-Dan zinkt ze met een zucht in den schommelstoel en begint te wippen.
-Maar om lang te wippen zonder zenuwachtig te worden moet men een
-indische zijn; dus springt ze op en zegt tot zich zelve dat het
-Verschuere’s schuld niet is, iets wat ze reeds honderdmalen tot zich
-zelve gezegd heeft sedert ze dezen morgen zijn telegram ontving op
-Tjiandjoer.
-
-Immers, wat kan hij er aan doen, als Zijne Excellentie hem op zoo’n
-ongelegen oogenblik die opdracht geeft? ’t Is natuurlijk een zaak van
-gewicht, een zaak waarbij alles afhangt van een spoedige behandeling!
-Morgen vergadert de raad van Indië in buitengewone zitting, daar staat
-het zeker mede in verband; misschien moet hij inlichtingen geven, die
-geen ander verstrekken kan...
-
-Daar valt haar blik in den spiegel: hoe zal hij vinden dat ze er
-uitziet? Zal hij opmerken dat ze bleek, dat ze weer achteruitgegaan is?
-Had ze maar kunnen rusten van middag, ’t zou haar wat hebben opgeknapt.
-Maar ze heeft zich met ongewone zorg gekapt en gekleed en och! als hij
-komt zal ze er zeker goed uitzien; ze ziet er altijd goed uit als ze
-gelukkig is.
-
-Gelukkig!... waarom heeft ze toch ook die slechte gewoonte zich van
-alles te veel voor te stellen?
-
-Natuurlijk dat hij, vermoeid van dien rit heen en terug naar Batavia,
-natuurlijk dat hij, met al die drukten aan zijn hoofd, niet zoo
-opgewonden kan zijn als zij, die in de laatste dagen aan niets dan dit
-weerzien heeft gedacht.
-
-»En, kleintje, hoe heb je het gehad?« vraagt Verschuere straks, als hij
-zijn bad genomen heeft en nu geheel verfrischt naast haar zit aan de
-theetafel. »Veel regen, niet waar en weinig afleiding?«
-
-»Och, we hebben ons geen oogenblik verveeld. De dagen vlogen om.«
-
-»Werkelijk? Nu, des te beter. Clotilde is dan ook een gastvrouw om je
-zelfs door een westmousson op Tjipanas heen te helpen. Maar nu ik je
-aankijk... zie je er niet zoo goed uit, als ik daar straks aan den
-trein wel meende; niet zoo goed ten minste als ik gehoopt had na het
-prachtig resultaat van die eerste veertien dagen.«
-
-»Je moet niet vergeten dat jij toen bij me was.«
-
-»Neen, vleister, je kunt me niet om den tuin leiden, ’t komt volstrekt
-niet van mijn weggaan. Je bent den eersten tijd na mijn vertrek altijd
-gezonder geworden en zelfs dikker... heb je me niet geschreven dat het
-je moeite begon te kosten je japonnen dicht te krijgen? Zeg? Maar
-mevrouw ging tochtjes maken, tochtjes naar Tji Burm... in ernst,
-liefste, ik begrijp niet hoe jullie met je allen niet wijzer geweest
-bent. Wie doet dat nu in den westmousson, ’s middags op weg gaan?«
-
-»We konden toch niet allen op Tjibodas blijven.«
-
-»Je hadt in ’t geheel niet op Tjibodas moeten komen. Als jullie
-volstrekt eten moest, waarom dan niet de koude keuken meegenomen en
-ergens in ’t bosch op een omgevallen boomstam gaan zitten? Enfin,
-Paerel heeft er reeds genoeg over moeten hooren.«
-
-»Je hebt anders waarlijk geen reden om boos op hem te zijn,« roept ze
-en voegt er dan met hooger blos bij: »Hij is als een vader voor me
-geweest.«
-
-»Ja?... Dan toch als een vader die zijn dochter laat kouvatten en
-natregenen. Heb je erge koorts gehad?«
-
-»Koorts? Och kom! ik was ’s avonds wat huiverig, dat is alles!« en ze
-maakt het zich druk met het inschenken van de thee.
-
-»En je bent vier dagen lang in je kamer gebleven! James vertelde me,
-dat hij je niet meer gezien heeft sedert dien bewusten tocht... A
-propos, waarom is hij nog vóór jullie terug gekomen?«
-
-»Ik weet het niet zeker, maar ik vermoed..«
-
-»Je vermoedt?«
-
-»Ja, zie je, ik weet niet of ik wel goed doe met je te zeggen wat de
-reden is geweest van zijn onverwacht vertrek. Hij heeft me gevraagd er
-mede te wachten.«
-
-»Je maakt me nieuwsgierig, Nita!«
-
-»Och, ’t is een lange geschiedenis. Om dan te beginnen met het
-begin...«
-
-»Een lange geschiedenis! Morgen, wil je? Of straks, als ik thuis kom.
-Weet je ook of Mingo mijn pakkean reeds heeft klaar gelegd?... Ja,
-lieve, daar is nu niets aan te doen, ik moet even naar ’t paleis. ’t
-Treft ellendig, dat stem ik je toe! Maar dit beloof ik je, ik doe
-verslag van mijn zending en kom dadelijk terug. Nu, niet zoo
-teleurgesteld kijken, liefste.«
-
-Ze tracht er vroolijk uit te zien: ze helpt hem kleeden om nog enkele
-oogenblikken bij hem te kunnen zijn; ze brengt hem tot aan den ingang
-van het paleis, waar ze niet behoeft te vragen of hij gewacht wordt: er
-brandt licht in de werkkamer van Zijne Excellentie; Van Suylichem, die
-dienst heeft, leidt hem regelrecht naar binnen en fluistert dat reeds
-tweemaal naar hem gevraagd werd.
-
-Dadelijk—blijkt te zijn anderhalf uur later.
-
-Mevrouw Verschuere verstaat de kunst niet, die bij sommige vrouwen een
-macht is, ze boudeert nooit; als hij eindelijk thuis komt, lang nadat
-het avondschot viel, treedt ze hem tegemoet met vriendelijk gelaat.
-
-»Arme man, je zult wel doodaf zijn... Nu, ’k heb een heerlijk dineetje.
-Mevrouw Hagen heeft oesters gestuurd en ik heb een flesch van je oude
-lievelingswijntje uitgegeven...«
-
-»Oesters? Heerlijk! Maar wijn drinken zou ik niet durven. Ik moet nog
-werken van avond. Morgen vertrekt de mail en... ja, kindlief, ik weet
-wel... je denkt dat ik mijn belofte slecht houd de eerste keer de
-beste... Neen, spreek het maar niet tegen... maar mijn God, Nita, wat
-moet ik doen? Ik kan den gouverneur-generaal toch geen koopje geven,
-omdat mijn vrouw thuis komt?«
-
-»Neen, zeker niet, dat zou ik niet willen,« zegt ze dapper.
-
-Maar straks, als hij aan zijn schrijftafel zit, hoort hij den lichten
-tred, dien hij meer gemist heeft in den laatsten tijd dan hij zich op
-dit oogenblik wel bekennen wil.
-
-Haastig, knorrig bijna, ziet hij op van zijn werk, maar dan blijft zijn
-blik met teederheid, met hartstochtelijken gloed rusten op de
-bekoorlijke gestalte in het licht rose kleedje.
-
-»Kind! Als je wist hoe ik me zelf geweld aandoe...«
-
-»Neen, ik kwam je niet storen, lieve... ik kwam je alleen maar vragen
-of ik je niet wat helpen mag? Je weet wel, laatst, toen ik de
-staatsbladen voor je heb nageslagen... je vondt toen dat ik het nog al
-goed gedaan had, niet waar?«
-
-Ze is nader getreden; hij ziet haar in het lief gelaat, frisch getint
-door de berglucht; hij neemt een zijden lok tusschen de vingers en
-antwoordt verstrooid: »O, uitstekend, uitstekend!« en kust dien lok.
-Dan strijkt hij met de hand over de oogen, keert zich haastig van haar
-af, neemt zijn pen weer op...
-
-»Of ik zou misschien, zooals dien anderen keer, iets in ’t net kunnen
-schrijven... of uittreksels maken?«
-
-»Dank je, lieve. Wat ik van avond te doen heb is geheim.«
-
-Geheim! Ze is te bescheiden om het uit te spreken, maar... geheim!
-Alsof ze niet weet dat de benoeming van het nieuwe ministerie een
-grooter teleurstelling was dan de val van het oude; alsof ze niet weet
-dat de tegenwoordige minister van koloniën de verklaarde vijand is van
-de politiek, door den vorigen gevolgd, alsof ze niet weet dat er zoo
-vergaderd wordt op elk uur van den dag en gewerkt tot in ’t holle van
-den nacht, omdat er strijd is, vinnige strijd!
-
-Straks klinkt haar stem weder in de stilte van het studeervertrek,
-slechts verbroken door het krassen van de pen, die telkens woorden moet
-uitschrappen, telkens verwarde volzinnen regelen, maar nu aarzelend,
-fluisterend bijna: »Mag ik dan... je moet het niet kinderachtig
-vinden... we zijn zoo lang gescheiden geweest... mag ik dan stil
-blijven zitten, hier? dicht bij je?«
-
-»Je zult je vervelen, liefje.«
-
-»O neen! ik zal je sigaar ruiken en het schuiven van je papier hooren
-en—ik zal je zien!«
-
-»Dwaas kindje!«
-
-Ze zit stil als een muis in haar bescheiden hoekje. Alleen nu en dan,
-als het avondkoeltje binnenzweeft door de geopende vensters, voert het
-hem haar lievelingsodeur, den geur van viooltjes toe; alleen nu en dan
-wordt hij aan haar herinnerd door het spinnen van de poes, die zachtjes
-kwam binnensluipen en in haar schoot ligt; alleen als hij opziet
-ontmoet hij de lieve oogen met hun droomerige uitdrukking... Toch kan
-hij niet doorwerken, toch neemt haar tegenwoordigheid al zijn gedachten
-in, toch ziet hij haar, ook al beproeft hij met al wat in hem is haar
-niet te zien... Daar schrikt ze op met blijde verrassing, hij heeft
-zijn pen ver van zich geworpen, zijn stoel terug geschoven.
-
-»Neen, dat is al te gek! Daarvoor heb ik te veel naar je verlangd... er
-mag van komen wat wil... Nita... liefste vrouw!«
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIII
-
-TEN DOODE GEWIJD.
-
-
-De societeit te Buitenzorg, hoe lief gelegen, hoe smaakvol gebouwd, zou
-moeilijk kunnen bestaan, zoo niet soms plaats vond, wat heden den
-kastelein zoo genoegelijk stemt: een groote gebeurtenis, die onder het
-genot van vele bittertjes moet besproken worden.
-
-Kapitein Van Rossem, de adjudant die Hooglaan verving, kwam dezen
-morgen met het treurige nieuws van Batavia. Sedert schijnt ieder
-Buitenzorger ’t zich tot een aangenamen plicht te rekenen, het zonder
-de hulp van post- of telegraafbode te verspreiden; zoo wat tegen het
-vallen van den avond kunnen ze hun taak als volbracht beschouwen; vele
-burgers en alle officieren zijn present op het terras en er wordt maar
-één naam genoemd; de naam van Te Leurse.
-
-»Die arme kerel! ’t Was anders zoo’n beste jongen.«
-
-»En lang niet dom!«
-
-»Neen, waarachtig niet! Een verlies voor het leger.«
-
-»Nummer één geweest van zijn promotie.«
-
-»Waar hij het pistool van daan heeft gekregen?«
-
-»Had hij ten minste gewacht op de uitspraak!«
-
-»Neen ’t was beter zoo. De feiten zijn van dien aard....«
-
-»Chut! de man is dood.«
-
-»Men zegt dat allerlei hooge lui voor hem in de bres zijn gesprongen,
-de hoogste zelfs.« Dit wordt gefluisterd.
-
-»Kassian! pas zes-en-twintig jaar!«
-
-»Nog zoo jong? En al zoo lang getrouwd?«
-
-»Ja, natuurlijk. Als hij niet heel jong geweest was, had hij het zeker
-niet gedaan. Waar is ze? Nog altijd bij de Paerels?... Die zullen ook
-heel wat te stellen hebben gehad vandaag!«
-
-»Neen, ze is niet meer bij de Paerels.«
-
-Toen de vreeselijke tijding zich verspreidde, hadden de heer en mevrouw
-Verschuere gemeend dat het op hun weg lag een deel van de zware taak
-door Annet Paerel zoo vriendelijk vervuld, van haar over te nemen. Ze
-konden op geen betere gedachte zijn gekomen: de bedrijvige huisvrouw
-toch heeft de gewoonte hare kinderen eenmaal s’jaars te laten
-kaalscheren en inenten; waarom deze plechtigheden elkaar binnen een
-tijdsverloop van drie dagen moeten opvolgen weet niemand; maar wat er
-van zij, het was heden de dag der inenting, de acht kaalkoppen waren op
-het appèl, de dokter djawa was er, de gezonde vrouw met het opgedirkte
-kind, de onmisbare grootmoeder waren er, de stof was er, en al hadden
-nu al de officieren van het indische leger goedgevonden zich voor het
-hoofd te schieten, ingeënt zou er worden.
-
-Een gegil, alsof ieder prikje een dolksteek was, kwam Agnita tegemoet;
-mevrouw Paerel gaf het kind, dat ze op den arm had, aan de juf over,
-dankte met vochtigen blik voor haar komst en ging haar vóór naar de
-logeerkamer.
-
-Ze wachtte even toen de kleine gestalte verdwenen was, ze wist hoe
-hartstochtelijk, hoe waanzinnig bijna Amalia was in haar droefheid en
-wilde het teere vrouwtje een scène sparen.
-
-Maar na dien eenen kreet zoo doordringend als nooit de bezoekers van de
-comedie hadden gehoord van de lippen der geliefde actrice, werd het
-stil en rustig, een zacht snikken slechts bewees dat al het berouw, al
-de wanhoop werd uitgestort in het hart der vriendin.
-
-Bij haar reinheid, haar bijna kinderlijke onbekendheid met veel van de
-zonden en zwakheden dezer wereld, kon mevrouw Verschuere begrijpen,
-mede gevoelen als weinigen: Amalia wilde haar niet laten vertrekken en
-toen eindelijk in den namiddag haar coupé het erf weer opreed, hield
-die stil voor het logeergebouw; de jonge weduwe moest absolute rust
-hebben, had Bosschaert gezegd, en absolute rust kon, bij al haar
-handigheid, de moeder van het pas ingeënte achttal haar logée niet
-verzekeren.
-
-Nauwelijks had de onverwachte gast het hoofd neergelegd in de koele
-kussens, toen de koorts opkwam, die dagen lang aanhield en voor het
-leven der patiente vreezen deed.
-
-Agnita stond niet alleen bij de oppassing harer zieke. Ze werd door de
-Buitenzorgsche dames geholpen, met de behoefte om bijstand te
-verleenen, die van elke indische vrouw een liefdezuster maakt; met den
-lust om vriendelijkheid te bewijzen, die het vreemde land zoo spoedig
-een tweede vaderland kan doen worden voor nieuwelingen, ver van moeders
-liefde en zusters hulp; met de offervaardigheid, die, als wij Indischen
-in de weegschaal der deugd werden gelegd, tegen een veel degelijker,
-veel ernstiger, veel braver volkje dan wij zijn, de schaal zou doen
-overslaan naar onze zijde.
-
-Eindelijk begon de hoop op herstel te herleven en de zieke te denken
-over haar vertrek naar Europa, dat, als ze niet weder instortte,
-misschien reeds met de eerstvolgende boot zou kunnen plaats vinden;
-eindelijk kon Nita weer eens de bijgebouwen verlaten.
-
-Toen ze den derden morgen na het wijken der koorts haar boudoir
-binnentrad, vond ze op de tafel een briefje, waarvan het adres met Van
-Suylichem’s hand was geschreven.
-
-Ze had veel aan hem gedacht in de laatste dagen, misschien dubbel veel
-omdat ze, gewoon alles wat haar door hoofd en hart ging met haar
-echtgenoot te bespreken, nu gemeend had aan James’ verzoek te moeten
-voldoen en over hetgeen was voorgevallen op het tochtje naar Tji Burm
-zwijgen, ook omdat ze in de stilte van doorwaakte nachten zich ernstige
-verwijtingen had gemaakt over de groote onvoorzichtigheid, waarmee ze
-in haar neef gevoelens had opgewekt, die hem voor korter of langer tijd
-ongelukkig maakten.
-
-De inhoud van het briefje bevreemdde haar.
-
-
- »Lieve Nita.
-
- »Vandaag ben ik tweemaal bij je geweest, gister eens, eergister
- driemaal. Maar toewan is altijd »di kantor«, njonnja altijd »di
- kammer dajo.« Daar ik dienst heb kan ik van avond niet meer komen.
- Wil je me een uur bepalen waarop ik jullie morgen thuis vind? Ik
- vraag dit zoo, omdat ik Verschuere en jezelf iets heb te zeggen,
- dat geen uitstel duldt.«
-
-
-Wat kon het zijn? Wat kon hij haar te zeggen hebben, dat geen uitstel
-duldde? Hij was zoo heftig, zoo haastig in het besluiten, dat ook het
-meest onverwachte van hem te verwachten viel, dat men nooit zeker van
-hem was!
-
-Ernstig ongerust beantwoordde ze zijn briefje dadelijk en reeds den
-volgenden morgen trad ze hem tegemoet in de voorgalerij, wat bleek,
-maar toch verfrischt door een heerlijke nachtrust, daar ze de zieke aan
-mevrouw Verdijk heeft kunnen overlaten.
-
-»Kom binnen! Hoe gaat het?« En ze reikt hem de hand met den ouden
-vertrouwenden glimlach.
-
-»Zijn we alleen, Nita?« vraagt hij, verwonderd rondziende in het
-vertrek.
-
-»Verschuere heeft zijn werk en... je hadt me misschien iets te zeggen
-dat je moeilijk zeggen kondt in zijn tegenwoordigheid?«
-
-»O, Nita,« en een gloeiend rood kleurt zijn gebruind gelaat, »wat kan
-ik je anders te zeggen hebben dan dit eene: vergeef me!«
-
-»Dat deed ik reeds lang, James, om der wille onzer goede oude
-vriendschap,« en ze ziet naar hem op, groote tranen in de oogen.
-
-»Nita,« roept hij met de oude dwaze heftigheid, die soms nog zoo’n
-jongen van hem maken kan; »Nita, ik wou dat je iets zei! Neen, niet
-iets liefs, iets bedaards, iets wat je je hebt voorgenomen me eens heel
-kalm en duidelijk aan het verstand te brengen. Ik wou dat je me
-uitscholdt! Dat je me beleedigde! Dat je me voor de voeten wierpt hoe
-laag, hoe schandelijk ik me gedragen heb!«
-
-»Maar ik vond het niet laag, ik vond het niet schandelijk, ik vond het
-alleen zwak. Daarbij, ik zelve ben ook niet zonder schuld. Ik had
-voorzichtiger moeten zijn, ik had alles moeten vermijden, wat
-aanleiding geven kon tot...«
-
-»Neen, Nita, beschuldig je zelve niet. Het was niets anders dan mijn...
-krankzinnigheid!«
-
-»Ik heb meermalen opgemerkt, James,—maar ga toch zitten, je weet, dat
-wilde op en neer loopen van je agiteert me—ik heb meermalen opgemerkt
-dat jongelui zich al heel licht vergissen in het huwelijksgeluk van de
-vrouw die ze... een weinig vereeren. Ze zien die vrouw in een aureool
-en vinden dat de echtgenoot zich zoo iets liefs, zoo iets volmaakts
-volstrekt niet waardig toont. Niet waar? beken het maar. Je neemt mijn
-man nu bijvoorbeeld kwalijk, wat ik hem zoo van harte vergeven kan, dat
-hij geheel opgaat in zijn betrekking en daardoor zijn vrouw...«
-
-»Negligeert. Ja, dat neem ik hem kwalijk!«
-
-»Maar weet je ook wat hem dit kost? Weet je wat dit voor hem is, mij,
-die hij liefheeft, zoo voortdurend te moeten achterstellen bij zijn
-werk?«
-
-»Neen... daar weet ik niet van... ik weet alleen dat ik het niet kan
-aanzien. O mijn God! Nita! als ik bedenk hoe je thuis werd verwend; als
-ik bedenk wat een ander voor je had kunnen wezen, hoe je op de handen
-zoudt zijn gedragen, hoe ieder woord, ieder blik van je zou zijn
-opgevangen, iedere wensch voorkomen...«
-
-»James, is dit goed?«
-
-»Neen, ik weet het, terwijl ik spreek, veracht ik me zelf om hetgeen ik
-zeg. Maar als je niet wilt dat ik bezwijk, dat ik gek word, laat me dan
-ten minste eenmaal uitspreken wat me reeds zoolang op het hart brandt.«
-
-»Ik zal je niet weerhouden, als je meent dat je voort moogt gaan.«
-Mevrouw Verschuere neemt de hand van haar neef en voert hem naar de
-zijde van het boudoir, waar de portretten harer ouders zijn.
-
-»Je vroeg daareven of we alleen waren, James. Neen, dat zijn we niet.«
-
-Hij ziet op naar het edel gelaat van den grijsaard, dien hij gekend
-heeft in dagen van beproeving, in dagen vol van den strijd des levens;
-naar de lieve kalme trekken der vrouw, die hij vereert als een heilige,
-hooger nog, als een moeder... naar de twee paar ernstige oogen die met
-zooveel vertrouwen op hem rusten, en evenals Nita, gevoelt hij dat ze
-niet alleen zijn, dat de goede engelen, die waakten over hun jeugd, hen
-nabij zijn.
-
-Zwijgend, beschaamd staat hij voor haar.
-
-»Beste James,« begint ze nu op hartelijken toon, »ik ben je zoo
-dankbaar voor je vriendschap. Ze heeft me zoo goed gedaan, zoo dikwerf
-getroost en bemoedigd. En ik had soms wel bemoediging noodig. Je hebt
-juist gezien, ik ben niet altijd gelukkig geweest, al hoop ik het nu
-weldra te worden. Maar dat is niet de schuld van Verschuere. Het zijn
-de omstandigheden: ik had niet genoeg te doen, ik had meer afleiding
-moeten hebben. En dan, ik heb een overdreven voorstelling gehad van het
-huwelijk; dat maakt een vrouw veeleischend.«
-
-»O, Nita! Jij veeleischend!«
-
-»Misschien ook heeft mama juist door haar ernstige levensopvatting ons
-niet genoeg geleerd, ons bezig te houden met datgene wat de meeste
-vrouwen amuseert; misschien zou ik, om in de indische maatschappij me
-gelukkig te voelen, de zaken wat lichter moeten opnemen... Maar juist
-omdat ik hier nog zoo vreemd, nog niet geheel thuis ben, juist daarom
-was je vriendschap me zooveel waard, juist daarom is het me zoo’n
-bittere teleurstelling geweest, toen ik ontdekte...«
-
-»Heb je het nooit vermoed? Al die twee jaar niet? Groote hemel, hoe is
-het mogelijk!«
-
-Zacht legt ze de hand op zijn schouder. »Ik heb wel eens getwijfeld,«
-begint ze dan met hooger blos, »maar Gustaaf heeft me altijd weten
-gerust te stellen. Hij gelooft volkomen in je, James. Hij vindt je
-zoozeer de type van ridderlijkheid en goede trouw.«
-
-»Zeg je dat als een verwijt?«
-
-»Dat weet je wel beter. Foei, alsof niet de eerlijkste, trouwste
-ridders soms eens een oogenblik... dwaas geweest waren. Maar kom, laten
-we niet langer praten over dit onderwerp, dat ons beiden pijnlijk moet
-zijn. Vertel me liever eens wat het nieuws is, dat je ons hadt mee te
-deelen.«
-
-»Ik ga met de eerstvolgende boot naar Atjeh.«
-
-»Naar Atjeh!«
-
-»Ja.«
-
-»Heb je het gevraagd?«
-
-»Ja.«
-
-Ze is zeer bleek geworden. De kalmte, die haar gedurende het geheele
-gesprek bijbleef, heeft haar plotseling verlaten, ze rijst op van haar
-stoel en moet zich aan de leuning vastgrijpen.
-
-»James, weet je dat dit onverantwoordelijk, dat dit vreeselijk
-roekeloos van je is. In dezen tijd! Met dien verpesten bodem, met die
-vreeselijke ziekten, dat verraad!...«
-
-»Ik zou geen soldaat zijn, als ik daar bang voor was!«
-
-»James, één woord! Zeg dat het niet is om... om mij!«
-
-Zelfs in dit oogenblik komt zijn eerlijk hart op tegen een onwaarheid,
-zelfs om haar kan hij geen leugen over zijn lippen brengen.
-
-»Nita,« begint hij vriendelijk, »er is geen enkele reden om je dit aan
-te trekken. Je hebt me niet alleen nooit reden gegeven om me iets in te
-beelden, je hebt getracht me te genezen op de eenige manier waardoor
-genezing mogelijk was: door me te toonen hoe lief je je man hebt. Maak
-je dus geen oogenblik verwijtingen over mijn gaan naar Atjeh. Ik behoor
-daar. Ik voel me hier niet op mijn plaats. Ik verlang terug naar mijn
-kameraden, naar het oorlogstooneel, naar de Atjehers. Ja, werkelijk!
-Zoo dikwijls ik lees van hun brutale heldenfeiten, voel ik het
-verlangen in mij opkomen, hen weer eens onder de oogen te zien; zoo
-dikwijls ik den naam hoor van een makker, die gesneuveld is of
-bezweken, schaam ik me over het gemakkelijk leventje dat ik hier leid.«
-
-»’t Is goed, James.«
-
-»Dag, Nita.«
-
-Ze houdt zich flink; maar nu, als hij zich omkeert en ze bedenkt hoe
-het binnen enkele dagen een vaarwel moet zijn voor jaren, dan gevoelt
-ze op eens welk een gemis, welk een leegte het zal geven in haar
-bestaan, wanneer de trouwe vriend niet meer bij haar is.
-
-»O, James, doe het niet... Als er eens iets gebeurde... ik zou je zoo
-missen...«
-
-Hij komt terug op zijn schreden.
-
-»Je houdt toch nog van me!« juicht hij. »Je houdt toch nog van me—al is
-het dan maar als neef!«
-
-»Als broer, James. Als een lieven, edelen, dapperen broer.«
-
-Dan heft ze het bleek, beschreid gelaat tot hem op en drukt hij een kus
-op de reine lippen.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIV
-
-DE WIL VAN MEVROUW VAN WALIËNHOVE.
-
-
-In ’s landvoogds kabinet zijn drie heeren te zaâm: de
-gouverneur-generaal, de vice-president, en de algemeene secretaris.
-Sedert geruimen tijd heerscht om de groote tafel vol stukken en
-besluiten een diepe stilte, en als eindelijk baron Van Waliënhove die
-stilte verbreekt, draagt zijn bleek, vermoeid gelaat de uitdrukking van
-den diepsten ernst, spreekt hij zeer langzaam, als woog hij ieder
-woord, maar ook vastberaden, als iemand die meester is van den
-toestand.
-
-»Mag ik u herinneren dat ik uw oordeel gevraagd heb, mijnheer Hagen?«
-zegt hij beleefd.
-
-»Excellentie!«—de vice-president is in hooge mate zenuwachtig—»duid mij
-niet ten kwade dat ik zoolang aarzelde het uit te brengen... ’t besluit
-dat u nemen wilt is zoo gewichtig in de gevolgen...«
-
-»Laat u dit niet weerhouden. Het heeft mij altijd een lafheid geschenen
-om bij belangrijke beslissingen de verantwoordelijkheid op vreemde
-schouders te willen laden; daarom vroeg ik in deze uw meening, niet uw
-raad. Bedenk dit en spreek ronduit.«
-
-De vice-president ziet geen uitweg. Hij neemt het lijvig dossier, dat
-voor hem op tafel ligt in handen en verwenscht—voor de honderdste maal
-wellicht—de betrekking, die hem dwingt in zulke moeielijke
-aangelegenheden zijn opinie te zeggen. Om zich een weinig van het
-gewicht en de zekerheid te geven, die hem zoozeer ontbreken, neemt hij
-deftiger houding aan, kucht eens en begint alsof hij het woord richtte
-tot een vergadering van minstens tien personen: »Excellentie! De
-kennisname van de uiterst épineuse zaak, welke wij in dit oogenblik
-behandelen, heeft op mij een ongewoon pijnlijken indruk gemaakt, dubbel
-zoo, omdat het resultaat waartoe de hooge regeering gemeend heeft te
-moeten komen, mij toeschijnt een miskenning te zijn des persoons van
-den vertegenwoordiger des konings in deze gewesten. Mijn
-oorspronkelijke meening was dan ook, dat Uwer Excellentie niets te doen
-overig bleef dan het bevel door het opperbestuur gegeven ten uitvoer te
-leggen en uwe demissie te vragen.«
-
-De gouverneur-generaal buigt even het hoofd.
-
-»Maar ik ben,« en Hagen laat even onverwacht als hij haar aannam den
-officieelen toon varen, »maar ik ben na rijpe overweging tot andere
-gedachten gekomen. In iedere ambtelijke loopbaan doen zich oogenblikken
-voor, waarin billijke verontwaardiging onderdrukt, eigen wenschen
-verloochend, ja zelfs persoonlijke meeningen opgeofferd moeten worden
-aan het algemeen belang; ik vraag me af, of misschien in de loopbaan
-van Uwe Excellentie dit oogenblik niet is aangebroken; ik vraag me af,
-of Indië al weder mag worden opgeofferd aan het drijven eener partij in
-Nederland. U weet, Excellentie, vleierij is mij vreemd, maar, ik kan
-het in een oogenblik als dit niet verzwijgen, ik heb de innige
-overtuiging dat het hier de welvaart, den vooruitgang, het rechtvaardig
-bestuur van millioenen geldt en—in naam dier millioenen zou ik u willen
-vragen, verdraag het onmogelijke en blijf!«
-
-»Dit verzoek—van uwe lippen een hulde—geeft me recht tot een vraag.
-Gelooft u, mijnheer Hagen, dat deze millioenen nut zullen trekken van
-mijn bestuur, wanneer dat bestuur krachteloos gemaakt wordt door
-regeeringsbesluiten als dat hetwelk daar voor u ligt? Gelooft u niet,
-dat de weinige samenwerking tusschen het tegenwoordig ministerie en mij
-noodzakelijk conflicten ten gevolge moet hebben, die niet anders dan in
-het nadeel van Indië kunnen werken? Hebt u niet met mij de overtuiging
-dat een bestuur, welk ook—in zich zelf verdeeld—daardoor reeds
-onvruchtbaar is?«
-
-»Het ministerie kan vallen.«
-
-»Wat u daar zegt is voldoende antwoord op mijn vraag; het bewijst dat u
-met dit ministerie weinig vertrouwen hebt in de goede gevolgen van mijn
-aanblijven. Welnu, we weten het; dit ministerie valt niet in den
-eersten tijd.«
-
-Zich thans keerend tot den algemeen en secretaris, gaat de heer Van
-Waliënhove voort: »Zou ik ook uwe meening mogen vernemen, mijnheer
-Verschuere?«
-
-Hoewel hij meer dan iemand het aftreden zou betreuren van dezen
-beminlijken chef, wien het een genot was te dienen, is Verschuere
-volkomen meester van zijn gevoelens en spreekt hij op den kalmen,
-zakelijken toon, dien hij bij een advies over de meest gewone kwestie
-zou aanslaan:
-
-»De heer Hagen heeft daar een woord gebruikt, dat ik alleen behoef te
-herhalen om Uwe Excellentie mijn meening te zeggen; het onmogelijke.
-Wat van Uwe Excellentie gevraagd wordt is het onmogelijke. Het is de
-verloochening van alles wat u in deze jaren hebt gedaan, gedacht,
-gewild; de vernietiging van geheel uw politiek leven. Evenals de heer
-Hagen ben ik diep doordrongen van het feit, dat Indië door uw heengaan
-een zwaar verlies zou lijden, maar in mijn oog is de naam door een
-lange reeks van voorvaderen met eere gedragen, de naam door verleden en
-toekomst behoorend aan de geschiedenis, een zeer kostbaar bezit en...«
-
-»Ga voort, mijnheer Verschuere.«
-
-»Naar mijn bescheiden meening zou het aanblijven van Uwe Excellentie na
-zulk een bevel een zwakheid zijn, een inconsequentie zóó groot, dat ze
-op dien naam een smet kon werpen. En dit—het moet me van het hart—zou,
-indien ik baron Van Waliënhove was, mij zelfs Indië niet waard zijn.«
-
-Er volgt een oogenblik van stilte. Dan spreekt de landvoogd misschien
-iets zachter, iets meer ontroerd dan daareven: »Ik dank u mijne
-heeren.« En straks, na een veel langere pauze: »U hebt beiden zeer
-waardeerend gesproken over het voordeel dat Indië zou trekken uit mijn
-aanblijven... Behoef ik het te zeggen aan de ambtenaren, die het meest
-van nabij mijn streven hebben gezien en—ik erken het dankbaar—me daarin
-trouw bijgestaan, behoef ik het hun te zeggen dat deze gedachte mij
-zwaren strijd baart? U beiden weet het, beter nog dan anderen, dit land
-is me lief, te liever wellicht omdat het me zooveel zorg en
-hoofdbrekens kostte: immers men zegt dat de moeders het meest hangen
-aan haar hulpbehoevende kinderen.«
-
-»’t Kan u een troost zijn dat u er zooveel voor deedt,« zegt
-Verschuere.
-
-»O, niet genoeg, niet genoeg! Drie en een half jaar is een korte
-tijd... een menschenleven zou ternauwernood voldoende zijn om al mijn
-plannen ten uitvoer te leggen. Maar laat ons er niet van spreken... ik
-heb geen reden van klagen, ik ben altijd krachtig gesteund door mijn
-vriend, uw oom... Hoe goed begrijp ik nu de sombere, bijna moedelooze
-stemming, waarin mijn voorganger me het bestuur overgaf... ’t is zoo
-hard een werk half afgedaan te moeten laten. Maar we mogen ons niet
-verdiepen in hetgeen had kunnen zijn; laten we denken aan hetgeen wezen
-moet. U begrijpt, mijn besluit is genomen, ik wensch nog heden het
-bevel mij gegeven ten uitvoer te leggen, maar, alvorens daartoe over te
-gaan, het telegram te verzenden, waarbij ik Zijne Majesteit verzoek mij
-van mijn ambt te willen ontslaan?«
-
-»Uw besluit is dus onherroepelijk?«
-
-»Onherroepelijk!«
-
-De gouverneur-generaal ziet in de trouwe oogen van den vice-president
-een traan, ziet groote bekommernis op Verschuere’s gelaat en met zijn
-weemoedig glimlachje treedt hij op hen toe en drukt hen de hand.
-
-»Later, in de Witte, onder een partijtje, denken we nog eens aan dezen
-morgen. Ik mag immers op u rekenen als partners?« Maar dan laat hij den
-schertsenden toon varen en zegt met die diepe stem, die hem, in
-oogenblikken van aandoening zoo welsprekend maakt: »Dat we als vrienden
-op elkaar kunnen rekenen, weten we.«
-
-
-
-Een uur later is alles geregeld en vertrekken de beide ambtenaren. Dan
-staat de heer Van Waliënhove een oogenblik onbewegelijk, alsof hij
-aarzelde de taak, die hij op zich nam, te volbrengen; hij zinkt
-lusteloos, strijdensmoe terug in zijn leunstoel. Peinzend drukt hij de
-handen tegen het voorhoofd en zucht. Doch straks, met een krachtige
-beweging, strijkt hij de grijze lokken weg, richt zich op in zijn volle
-lengte en gaat met vasten tred naar dien kant der breede vestibule,
-waar mevrouw Van Waliënhove’s vertrekken zijn.
-
-Hij wacht met de kruk der deur in de hand. Hoort hij daar niet
-Clotilde’s stem?... Gelukkig toeval, dat hem een pijnlijk tête a tête
-gaat besparen!
-
-Zooals blijkt uit het feit dat Clotilde de morgenuren in het zitvertrek
-harer moeder doorbrengt, is de verhouding tusschen de beide dames
-sedert het uitstapje naar Tjipanas en Van Beevelants afwezigheid
-verbeterd: wel spreekt mevrouw, als van iets dat lang voorbij is, over
-»die dwaze historie met het schoolmeestertje«, maar Clotilde is sterk
-door het geluk, en dankbaar voor de groote liefde haars vaders, bewaart
-ze om zijnentwil den vrede; ondertusschen borduren ze te zamen een
-scherm voor de fancy-fair, die men op Batavia ten voordeele der
-weesinrichtingen gaat houden.
-
-Mevrouw begroet haar echtgenoot met een verwonderden blik: ze is niet
-gewoon ochtendbezoeken van hem te ontvangen; Clotilde gaat hem
-tegemoet, strijkt hem zacht met de hand over zijn gelaat, als kon ze de
-diepe rimpels wegvagen en schuift dan een lage fauteuil naar het kleine
-tafeltje, waaraan zij en haar moeder gezeten waren bij zijn
-binnentreden.
-
-»Leg je werk even weg, Suzanne, wil je?« vraagt hij op den beleefden
-toon, dien hij altijd jegens zijn vrouw in acht neemt; »ik wenschte je
-een mededeeling te doen.«
-
-»Clotilde, je papa wil me spreken.«
-
-»Neen,« valt hij haastig in, »laat haar blijven.«
-
-»Dan zal de mededeeling ook zoo heel belangrijk niet zijn,« en mevrouw
-legt het satijn, dat ze juist begon op te vouwen, weer voor zich open.
-
-»Ga zitten, Clotilde... Ik ben hier gekomen om mijn vrouw en dochter te
-zeggen, wat ze het recht hebben vóór iemand anders te weten: dat er een
-groote verandering gaat plaats vinden in onze omstandigheden.«
-
-»Een verandering? En welke, als ik vragen mag?«
-
-»Ik zou alvorens verder te gaan je wel een verzoek willen doen. Je zult
-onaangenaam getroffen zijn, vrees ik. Als je kunt, spaar me dan een
-weinig. Bedenk dat ik zeer moe ben, dat dit besluit me ontzaglijk veel
-heeft gekost. Ik heb daareven een telegram verzonden. Met dat telegram
-verzoek ik mijn ontslag.«
-
-»Je ontslag?«
-
-»O, papa!«
-
-»Je ontslag? Neen, dat is onmogelijk! Je ontslag!«
-
-»Lieve, beproef bedaard te blijven. Beproef de zaak te beschouwen in
-het ware licht. Als je weet wat me er toe bracht mijn demissie te
-nemen, wat me dwingt heen te gaan, zul je me toestemmen dat ik niet
-anders handelen kon, niet anders handelen mocht.«
-
-»Nooit! Nooit!«
-
-»Luister dan toch, Suzanne! Als je alles gehoord hebt...«
-
-»Neen,« gilt ze, »ik wil er niet van hooren. Ik weet dat het
-krankzinnigheid is. En al praat je een uur lang, het blijft
-krankzinnigheid. Ja, het krankzinnigste wat je nog gedaan hebt in je
-leven. En dat zegt iets!«
-
-Vreeselijk is dat anders in zijn regelmatigheid schoon gelaat
-vertrokken, vreeselijk de schelle klank dier stem, vreeselijk de
-stekende uitdrukking dier zwartglinsterende oogen.
-
-»Mama! O mama, ik bid u, bedaar!«
-
-»Vrouw, in Godsnaam, laat het genoeg zijn. Dit bericht kan je niet zoo
-geheel onverwacht komen. Je herinnert je, wat ik je gezegd heb, toen de
-begrooting werd afgestemd? Hoe we ons moesten vertrouwd maken met het
-denkbeeld, dat mijn aanblijven een kwestie van maanden kon zijn. Je
-weet wat in den laatsten tijd gedaan is om me het bestuur moeilijk te
-maken. Nu heeft men mij een slag in het aangezicht gegeven...«
-
-»Och kom, ’t zal zoo erg niet zijn. Je bent ook zoo gevoelig!«
-
-»Wat! Niet erg?... Men wil dat ik herroepen zal, wat een mijner eerste
-en ingrijpendste regeeringsdaden was!«
-
-»Welnu, dan herroep je.«
-
-»Dat ik te niet zal doen wat, volgens mijne innige overtuiging, het
-eenig middel is om Indië’s achteruitgang...«
-
-»Welnu, dan doe je te niet!«
-
-»Maar Suzanne, bedenk toch wat je zegt... dat zou een laagheid wezen.«
-
-»Beter een laagheid dan een domheid!«
-
-»O God!« Hij kermt als van pijn. Hij weet hoe verachtelijk ze denkt,
-hoe laag ze staat. En toch, bij ieder nieuw bewijs er van lijdt hij.
-
-Clotilde, bleek van verontwaardiging, keert zich tot haar. »O, ik dank
-God, dat u mijn moeder niet zijt!« En dan: »Papa, u weet het, niet
-waar? ik ben het niet met mama eens! Ik ben uw kind... ik stel de eer
-boven het voordeel!«
-
-»Domme eend,« roept mevrouw, buiten zich zelve over die inmenging,
-»begrijp je dan niet, dat het je eigen nadeel is waarvoor je pleit? Het
-zal je duur te staan komen, als je je vader steunt in zijn Don
-Quichotterie! Jullie praat van laagheid. Maar ik vraag je, is, wat je
-nu doen wilt, je kinderen benadeelen, is dat zoo edel? Ja zeker, dat
-doe je, je benadeelt je kinderen! Zij zullen je later vragen waarom je
-de honderdduizenden, die hier voor je klaar liggen, niet liever hebt
-verdiend dan in Holland lui en lekker te gaan leven van je vrouws
-geld!«
-
-Met hijgende borst en vlammenden blik is Clotilde opgesprongen als om
-zich te stellen tusschen haar vader en de furie, die hem zoo grievend
-hoonen durft. Een oogenblik brengt die onwillekeurige beweging harer
-stiefdochter mevrouw Van Waliënhove tot zwijgen, een oogenblik slechts;
-dan barst ze op nieuw los in de laagste en domste verwijten. Maar ze
-deren haar echtgenoot niet meer, ze deren hem zoomin als de storm ons
-deert, wanneer wij in een goed gesloten huis zijn vlagen hooren loeien;
-zijn kind heeft de armen geslagen om zijn hals en fluistert woorden van
-sympathie en waardeering.
-
-Eindelijk heft hij het hoofd op, de beleedigster ziet hem in de oogen,
-en ze weet dat ze te ver gegaan is.
-
-»Is u gereed, mevrouw Van Waliënhove? Wat mij betreft, na alles wat u
-gezegd hebt, heb ik niets meer te zeggen. Alleen wensch ik enkele zaken
-te regelen met het oog op ons vertrek. De eerste maatregel, die genomen
-moet worden, is het publiek maken van Clotilde’s engagement. Dit zal
-reeds morgen plaats vinden.«
-
-»Papa! Is het mogelijk!«
-
-»Clotilde’s engagement? Is Clotilde geëngageerd? En met wien als ik
-vragen mag?« Dan, als ze het stralend gelaat harer stiefdochter heeft
-gezien, roept ze hoonend: »Met het schoolmeestertje, wil ik wedden?« en
-barst uit in een schaterlach, die aan de hel doet denken.
-
-»Ja,« spreekt de gouverneur-generaal rustig, »met het schoolmeestertje.
-Maar je zult nu zijn titel moeten veranderen en hem »het
-adjunct-inspecteurtje« noemen. Ik heb hem bij financiën geplaatst,
-Clotilde, en ik twijfel niet of met zijn capaciteiten zal hij daar een
-mooie carrière maken. Is het naar je zin?«
-
-»O lieve, beste papa! hoe zal ik u genoeg danken?«
-
-»Kom, ga met me mede... we hebben veel te bepraten, van avond staat
-zijn benoeming in de courant en—morgen komt hij zijn bruidje
-begroeten.«
-
-Maar de stiefmoeder treedt hen in den weg.
-
-»Ik wil het niet!« hijgt ze; »ik wil het niet!«
-
-»Ik wil het!«
-
-Ze deinst terug. Eenige weinige malen in hun huwelijksleven heeft hij
-haar aangezien met dien blik, heeft hij tot haar gesproken op dien
-toon; ze weet dat er dan niets te veranderen is aan zijn
-onverzettelijken wil.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXV
-
-DE LAATSTE DAGEN.
-
-
-Gouverneur-generaal terwijl de opvolger reeds benoemd is; grootheid
-gevallen, lang voor hij—als andere gevallen grootheden—verdwijnen kan
-in het niet van het ambteloos leven; heerscher over een land, hem reeds
-vreemd geworden door de zekerheid dat hij het binnen enkele maanden
-gaat verlaten; meester over dienaren die ongeduldig uitzien naar het
-oogenblik waarop ze hem een haastigen afscheidsgroet, den nieuwen
-landvoogd een juichend welkom zullen toeroepen... ’t is misschien de
-moeilijkste toestand, waarin een hooggeplaatst ambtenaar, de
-pijnlijkste, waarin een man van gevoel komen kan.
-
-Den heer Van Waliënhove werd deze toestand niet aangenamer gemaakt door
-de gedachte aan den man, die na hem den troon van Buitenzorg zou
-beklimmen. ’t Was een der grootste tegenstanders geweest van het
-afgetreden kabinet, ja, hij had zich, sinds hij zitting nam in de
-Tweede Kamer, doen kennen niet slechts als de politieke bestrijder,
-maar als persoonlijke vijand van den heer Verschuere, den nu gevallen
-minister.
-
-Betrekkelijk jong, lid eener invloedrijke familie, bezitter van een
-groot fortuin, kon hij, schoon iemand van weinig studie en nog minder
-ernst, de aandacht op zich vestigen door dit ongewoon verschijnsel in
-’s lands vergaderzalen: een geestige, dikwerf scherpe repliek en een
-schitterende welsprekendheid.
-
-Die macht over het woord, een kort verblijf in de koloniën en het
-tijdelijk de overhand hebben der partij, waarvan een ander de ziel, hij
-de woordvoerder was, werd zoo handig geëxploiteerd, dat men hem koos
-tot een der zwaarste en gewichtigste betrekkingen in ons staatsbestuur,
-koos tot verbazing van Indië en Nederland beide.
-
-De berichten dat de gouverneur-generaal zijn ontslag gevraagd had, dat
-het was aangenomen, dat de benoeming van zijn opvolger was gedaan, wie
-die opvolger was, volgden elkander in een zeer kort tijdsverloop; de
-heer Van Waliënhove wist te goed wat de wereld is, had ook in zijn
-vroegere diplomatieke loopbaan te veel gezien, om niet te begrijpen wat
-deze berichten moesten uitwerken op zijn omgeving; hij was den tijd der
-illusies te boven, wijsgeerig genoeg om van de menschen niet meer te
-verwachten dan ze geven kunnen, verheven boven kleine gevoeligheden, en
-toch...
-
-O, men was onberispelijk in Buitenzorg en Batavia. Eerbiedig voor Zijn
-Excellentie, hoffelijk voor mevrouw, lief voor Clotilde—ook na het
-publiek worden van het engagement, dat trouwens een maand geleden
-ongeloofelijk genoemd, nu alleen vrij dwaas gevonden werd—vriendelijk
-zelfs voor de jonkers, met dit onderscheid dat wat tot nu toe
-guitenstukjes heetten, op eens kwade streken werden.
-
-Toch... om de lippen van den landvoogd kwam een weemoedig lachje
-spelen... het eenig uiterlijk teeken van de pijnlijke operatie, die de
-best voorbereiden, de best gewapenden, onder ons moeten ondergaan als
-de fortuin ons den rug toekeert, het uitrukken der plant, die we
-langzamerhand knoppen en bladeren hadden afgeslagen en haast dood
-waanden, maar waarvan nu de wortels blijken te zijn gedrongen tot op
-den bodem onzer ziel!
-
-Men bezocht de recepties nog trouw, alleen... scheen het vroeger een
-onderscheiding ten paleize te mogen verschijnen, nu had het er iets
-van, alsof men den landvoogd een genoegen deed met te komen; men boog
-nog even diep; men gaf hem nog alle eer... alleen op een andere wijze;
-de heer Van Waliënhove verbloemde het zich niet—hij bestond niet meer
-voor Indië, hij was nog slechts gouverneur-generaal in naam, de
-werkelijke gouverneur-generaal was aan boord van de Radboud.
-
-Ieder sprak over hem, ieder wist wat van hem te vertellen, en voor wie
-zou durven beweren dat er kwaad gesproken wordt in onze indische
-gezelschappen, ware het beschamend geweest te hooren hoeveel goeds ze
-wisten, hoe waardeerend, hoe vol lof men was; waar een enkele het
-waagde op minder gunstige maar onloochenbare feiten te wijzen, hoe
-ijverig men daar zocht naar verontschuldigingen!
-
-’t Was zoo genoegelijk dat men dezen keer niets behoefde te herroepen
-of ongezegd te maken; niemand had gedacht aan de mogelijkheid eener
-benoeming als deze, dus ook niet beproefd om, volgens gewoonte, de
-ongeschiktheid van den candidaat te bewijzen. Dus kon men het onderwerp
-vrij en naar verkiezing behandelen, bijzonderheden ter tafel brengen,
-allerlei berichten opvangen, versieren en verspreiden naar hartelust.
-Deze was bevriend met zijn oudtante en had van haar gehoord, dat hij
-als kind geen andere boterhammen wilde eten dan boterhammen met
-stroop—wat de suikerplanters een riem onder het hart bond; gene noemde
-den burgemeester van zijn dorp oom en herinnerde zich op eens, hoe deze
-hem had geroemd als de ijverige president van het liefhebberij-tooneel:
-»In liefde bloeiende« en het letterkundig gezelschap: »Joost van den
-Vondel«, wat d’Hannecour sprakeloos maakte van ontzetting; een derde
-kende de baker, die hem eenmaal bakerde—die baker, van nu af
-belangwekkend, was »de moeder van de meid van mama, moet u weten«, ze
-leefde van haar renten in den Haag, heel netjes, en zij had verteld,
-dat hij met één jaar liep als een haas en praatte als een dominé, wat
-de moeders niet dikwerf genoeg hooren konden: immers ze hadden thuis
-een dergelijk phenomeen, dat dus mettertijd ook gouverneur-generaal kon
-worden.
-
-De nieuwe landvoogd moest veel geleerd hebben, te oordeelen naar het
-aantal dergenen die »jaren lang met hem op de schoolbanken hadden
-gezeten«, en lang gestudeerd, in aanmerking genomen met hoevelen hij
-»student geweest« was. Ook zijn zuster—hij had er ongelukkig maar eene,
-en daar men niets mocht doen dan prijzen, was men daarover spoedig
-uitgepraat—ook zijn zuster, die lieve geestige, beeldschoone vrouw,
-scheen een ongewoon bekend persoon. Van zijn mama scheen men niets
-anders te weten dan dat ze gravin was: over dat gravinschap raakte men
-niet uitgepraat; ’t was dan ook een veilig onderwerp; alleen in zeer
-intiemen kring sprak men van haar bekende schoonheid, haar veelbewogen
-leven en haar vroegen, romantischen dood. Daarentegen vertelde men
-gaarne van den vader: die scheen zijn geheele leven niet anders gedaan
-te hebben dan zich intieme vrienden maken en daartoe bij voorkeur »den
-ouwen heer« van alle mogelijke menschen op Java te hebben gekozen.
-
-In ’t bijzonder bleken de dames ingenomen met de keuze van den nieuwen
-onderkoning. Hij was rijk, niet waar? Zou deze dan nu eindelijk eens,
-zooals het behoort, royaal zijn geheele inkomen verteren? Och, wat dit
-betreft, heeft men zich niet te beklagen over de Van Waliënhove’s: ze
-hebben veel gedaan, maar enfin, men zegt toch dat hij twee ton heeft
-overgespaard, een die niets overspaart, een die alles besteedt aan
-feesten en luxe, een die alles doet voor het behoud van het prestige,
-dat is wat men noodig heeft!
-
-En—nog jong. Dus het is uit met het rijk der deftige oudere dames.
-Mevrouw Hagen cum suis kunnen haar matten wel oprollen. O, natuurlijk,
-’t was heel prettig, zoo fatsoenlijk, zoo innig europeesch als de toon
-werd in de laatste jaren, maar ’t zou ook wel aardig—zeker amusanter
-ten minste—wezen, nu weer eens iemand te krijgen, die niet geheel
-ongevoelig was voor... enfin voor zooveel dat de heer Van Waliënhove
-niet scheen te zien... Jonge vrouwen beloofden zich gouden bergen van
-de promotie, die manlief maken zou, schreven naar Parijs om nieuwe
-toiletten en sneden, in afwachting dat die kwamen, haar oude een
-vingerbreed lager uit voor de groote ontvangstreceptie.
-
-En ongehuwd! Is het wonder dat moeders ter nauwernood het oogenblik
-konden afwachten dat deze, van wien ze niets te hopen hadden, zou
-plaats maken voor dien ander, die de hoogste eer, het grootste geluk
-nog had weg te schenken?
-
-Er waren onder de mannen velen, die deze opgewondenheid hunner vrouwen
-en dochters niet deelden, die den nieuwen landvoogd, het creatuur eener
-gehate richting, ongaarne zagen komen, die den aftredende hoog achtten
-en beklaagden als het slachtoffer van staatkundige verwikkelingen, maar
-deze zwegen... Men heeft vrouw en kinderen... men moet vooruitkomen;
-nog een, zoo mogelijk nog twee rangen klimmen. Later, als men eenmaal
-pensioen heeft, als men in Holland is, ja, dan zal men zeggen hoe men
-denkt over dit en over zooveel meer.
-
-Intusschen wordt het leeg en stil en vreemd rondom den onderkoning van
-het Smaragden-eiland; zóó leeg en stil en vreemd, dat twee jonge harten
-het kloppen van teederheid en verlangen bedwongen en op zijn vraag of
-de groote dag nu niet spoedig wezen zou, antwoordden: »O neen, nog lang
-niet; we blijven bij u zoo lang we kunnen!«
-
-Hem was zulk een blijk van liefde vergoeding voor veel bitters; maar
-wat kon de vrouw, die haar geluk zocht in eer en aanzien, die geen
-vrienden had gewenscht, maar dienaren, geen genegenheid, maar
-onderwerping, wat kon haar verzoenen met den nieuwen, ondragelijken
-toestand. In machtelooze woede zag ze zich alles wat ze begeerd had
-ontglippen.
-
-Maar hoe men rondom haar veranderen mocht, zij bleef zich volkomen
-gelijk, zij gaf geen duimbreed toe, zij was en bleef, meer dan ooit te
-voren zelfs, de njonnja besaar.
-
-In één opzicht alleen veranderde ze. Niemand mocht het vermoeden, voor
-niets ter wereld zou ze het bekend hebben, maar ’t bleef niettemin een
-feit—de omstandigheden hadden haar bijna met het huwelijk harer dochter
-kunnen verzoenen.
-
-Hier, waar ze een paleis te harer beschikking heeft en altijd door
-vreemden is omringd, hier was dit kind uit het eerste huwelijk haar
-reeds een bron van ergernis. Wat zou het dan niet zijn in de
-betrekkelijk kleine ruimte eener hollandsche woning, in de beslotenheid
-van den huiselijken kring! En wie stond haar borg, dat de veelbegeerde
-dochter van den gouverneur-generaal ook dan en daar aanzoek zou krijgen
-of ten minste een aanzoek, dat voldeed aan Clotilde’s wonderlijke
-eischen? En al ware dit het geval, het werd tijd, meer dan tijd dat de
-echtgenoot zich onttrok aan den invloed der vóórdochter, dat hij zich
-wijden ging aan zijn zonen, de zonen, die erfgenaam zouden worden van
-zijn ouden naam, van haar groot fortuin.
-
-Slechts een tiental dagen voor het vertrek der familie naar Batavia zal
-het huwelijk worden voltrokken en de barones wil het vieren met alle
-pracht en praal. Niet omdat ze er eenige sympathie voor gevoelt;—als de
-zalige verrukking der verloofden verstoord had kunnen worden, dan ware
-ze het zeker door haar onvermoeide hatelijkheid;—maar om het publiek,
-het publiek dat zich zoo ondankbaar toonde, te bewijzen dat, zoo het
-menigmaal op schitterende wijze ontvangen werd in de
-gouvernementshôtels, dit niet zoozeer was geweest om de gasten genoegen
-te geven, dan omdat de heer en mevrouw Van Waliënhove het zich
-verplicht achtten aan hun positie.
-
-En zoo werden dan voor de laatste maal de marmeren trappen herschapen
-in bloem waranden, de ruime zalen in prieelen; zoo werd wat jong en
-schoon en vroolijk was genoodigd, totdat het paleis een feeënverblijf
-geleek, vol gezang en gelach, vol blonde sylphiden en witte kleedjes;
-zoo ontving geheel Buitenzorg, half Batavia en een groot deel van de
-Preanger invitatiekaarten voor het bal champêtre, dat bij het helderste
-maanlicht op een open plek gegeven werd; zoo overtrof het diner bij
-gelegenheid van den ondertrouw alle vroegere diners in verfijnde weelde
-en smaakvolle verrassing.
-
-Wat mevrouw niet besteld, maar goede vrienden bedacht hadden, dit was
-op den gewichtigen morgen het ontwaken der bruid door kinderstemmen.
-
-Ze zongen een eenvoudig lied, maar onder de driehonderd knapen en
-meisjes was er geen, die Clotilde niet had te danken, ’t zij voor een
-geschenk aan den kerstboom, ’t zij voor een zak lekkers met Sint
-Nikolaas; voor een bemoedigend woord als ze de school bezocht of een
-lief knikje bij het ontmoeten op straat, en toen ze verscheen op het
-balkon, hieven al die ronde gezichtjes, al die stralende oogen zich
-naar haar op met innige liefde.
-
-Ze stond naast hem dien ze heden zou verlaten: daareven ontving ze voor
-het laatst den morgenkus van de lippen, die, zoolang ze zich
-herinnerde, haar slechts kussen en groeten en goede woorden boden...
-Hij had zijn arm geslagen om de bevende gestalte, hij zag haar aan
-zooals slechts de minnaar of de vader staart in een lief gelaat, alsof
-hij het wil opnemen in de diepste diepten zijner ziel; ze gevoelde dien
-blik, maar durfde hem niet beantwoorden, want... het gezang stijgt tot
-hen op met het innig aandoenlijke dat kinderstemmen hebben kunnen, en
-in de gewijde stilte van den tropischen morgen komt de scheidingssmart
-over haar.
-
-Toen het lied ten einde was—te spoedig voor die smartvolle
-omhelzing—toen hij zich afwendde en zij het diepgebogen hoofd ophief om
-de kleine zangers te danken, toen deed ze dat uit den grond van haar
-hart: vader en dochter wisten het, ofschoon ze elkaar nog vaarwel
-zouden zeggen in tegenwoordigheid van anderen, dit was het oogenblik
-geweest waarop de zoo nauw vereende harten voor het laatst elkander
-tegenklopten. En aan dit oogenblik hadden de lieve kinderstemmen zijn
-vlijmendste smart ontnomen; dit oogenblik, door beiden zoozeer
-gevreesd, zou, bij al het pijnlijke, in hun herinnering iets liefelijks
-behouden: zuchten en snikken, ja, maar overstemt door engelenkoor.
-
-Op verlangen van bruid en bruidegom werd het huwelijk niet voltrokken
-ten stadhuize, waar alles zoo herinnert aan de treurige waarheid dat de
-verbintenis van twee wezens, door de heiligste wet der natuur tot
-elkaar gebracht, in den loop der eeuwen een zaak werd door de wet
-geregeld; evenmin in de kerk, waar de naakte wanden en het slecht
-bespeelde orgel en de over het kiezel rollende rijtuigen alle
-verheffing verstoren, maar in de woning, die getuige was van hun
-strijd. En daar troonden ze te midden van bloeiende oranjeboomen en
-blozende rozentuilen en geurige gewassen; daar troonden ze in de
-aureool, die de liefde vlecht om de hoofden harer uitverkorenen; daar
-troonden ze in de hemelsche zelf-genoegzaamheid van den eersten
-huwelijksdag, een godenpaar gelijk. Al dat gedwarrel van
-gelukwenschende gasten, al die glimlachende gezichten, al die vleiende
-woorden, ze bestonden niet voor hen, ze zochten slechts elkaars oogen,
-ze drukten slechts elkaars handen, ze smachtten slechts naar de
-ontmoeting van elkaars lippen; ze vermoedden het niet hoe de gloed, die
-lichtte uit hun oog, menig verkild hart verwarmde; ze vermoedden het
-niet hoe de glans, die uitging van hun jeugd en schoonheid, hen hulde
-in een stralenkrans van sympathie; ze vermoedden het niet hoe, toen de
-prediker het amen uitsprak, de bevallige bruid over den ernstigen
-bruidegom zooveel had uitgestort van de wondermacht der liefde, dat er
-in geheel dit groote gezelschap niet één was, die haar keuze durfde
-afkeuren; ze vermoedde het niet hoe in dit oogenblik de man op de
-Radboud vergeten was, om slechts de dochter der Van Waliënhove’s, die
-zonnestraal van het paleis te zien, om slechts mede te gevoelen met dat
-bleek gelaat aan hare zijde, met die edele figuur, meer dan door de
-politieke moeielijkheden, meer dan door huiselijke bezwaren, gebogen,
-geknakt bijna door de smart der scheiding.
-
-Neen, ze vermoedden het niet, maar wat deed het er toe? Halfgoden als
-ze waren door de liefde, konden de menschen niets toe- of afdoen aan
-hun geluk. Hun verbintenis mocht de wereld rondom hen een gruwel zijn,
-er mocht een hoongelach opstijgen uit die menigte, zij stonden tusschen
-de bloeiende oranjeboomen en blozende rozentuilen zóó hoog dat het hen
-niet bereiken kon... Toen de avondzon roodgloeiend weerkaatst werd in
-het metaal van den extratrein die hen wegvoerde, en een heerlijken
-glans tooverde om de zoo dicht vereende gestalten, toen wisten ze ter
-nauwernood, dat daar al die menschen achterbleven om feest te vieren te
-hunner eere; ze wisten alleen dat zij slechts elkander behoefden voor
-het hoogste en heerlijkste feest, het feest der liefde.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVI
-
-GEPASSEERD.
-
-
-De residentie, de hoofdstad, ja, voor zoover de ambtelijke wereld
-betreft, de kolonie is vervuld van het nieuws dat als »on dit« reeds de
-ronde deed in de dagbladen, maar nu door officieele berichten een feit
-werd: de vice-president van den raad van Indië gaat met verlof.
-
-Men weet de reden. Maar de voorzichtigheid brengt mede zich te houden,
-alsof men geloof slaat aan het gerucht dat de heer Hagen, plotseling
-ongesteld geworden, een koeler klimaat moet opzoeken. Men weet de reden
-en men billijkt die; immers, iemand op zijn leeftijd, iemand die bogen
-kan op zijn verleden, iemand van zijn fortuin vooral, behoeft niet te
-verdragen wat andere ambtenaren met minder gelukkige antecedenten
-verplicht zijn zich te laten welgevallen.
-
-»Kon ik zijn voorbeeld maar volgen!«
-
-Aldus velen, aldus ook Verschuere, wanneer hij, lusteloos achterover
-geleund in zijn stoel, met Agnita de opzienbarende gebeurtenis
-bespreekt.
-
-Zij zwijgt; onder heftig dampen laat hij zijn weinig vroolijke
-gedachten den loop, tot hij eensklaps opspringt met den uitroep »God,
-ja! als ik zijn voorbeeld volgen kon!«
-
-Een straal van hoop komt haar bewolkt gelaat verhelderen.
-
-»En waarom zou je niet kunnen?« vraagt ze haastig. »Waarom zou je het
-niet doen?« herhaalt ze en treedt hem op zijde en houdt hem bij in zijn
-gejaagde wandeling.
-
-»Waarom ik het niet zou kunnen?« Hij staat stil in het midden van de
-voorgalerij, om haar knorrig, toornig bijna aan te zien. »Waarom ik het
-niet zou doen? Nu? Met verlof gaan? Nu? Wat ik je bidden mag, Nita, doe
-zulke imbécile vragen niet! Ze brengen me nog meer uit mijn humeur
-dan... al het andere!«
-
-Langzaam gaat ze terug naar haar plaats.
-
-»Begrijp je dan niet, kind,« vraagt hij straks vriendelijker, »begrijp
-je niet, dat als de vice-president weggaat, hij waarschijnlijk wordt
-opgevolgd door een lid van den raad!«
-
-»Ja. En dan komt er een plaats open.«
-
-»En ’t is de gewone loop van zaken, dat wanneer er een plaats open
-komt, de algemeene secretaris die vervult.«
-
-»Maar je waart het nog zoo kort. En heb je me niet gezegd, dat deze
-keer een resident van de Buitenbezittingen aan de beurt was? Was er ook
-geen sprake van, een militair lid te brengen in den raad?«
-
-»Dat is reeds zoo lang!«
-
-»Ik vrees dat de gouverneur-generaal je niet zal willen missen, De
-handen staan hem nog zoo verkeerd.«
-
-»Dat zou je hem niet moeten zeggen,« roept hij schamper lachend.
-
-»Nu ja. Maar we weten het toch... ’t zou niet best gaan met een nieuwen
-secretaris, die zich ook nog overal moest inwerken, geloof je wel?«
-
-»Dat is zijn zaak. Daar laat ik me niet aan opofferen.«
-
-Weer volgt een lange stilte, slechts afgebroken door het geluid zijner
-voetstappen op den marmeren vloer; dan, als mevrouw Verschuere meent
-dat het gezicht, in den laatsten tijd zoo zorgvuldig bestudeerd, wat
-minder boos staat, komt ze hem wederom op zij en steekt haar hand door
-zijn arm.
-
-»’t Kon heerlijk zijn, Gus. ’t Is waar, ’t zal me aan het hart gaan
-Buitenzorg te verlaten...«
-
-»Och, wat is een plaats nog, als de goede vrienden weg zijn?«
-
-»Dat is zoo. En je zoudt zoo’n gemakkelijk leventje hebben in
-vergelijking van nu. Maar ’t is toch, geloof ik, beter dat we er ons
-nog niet te veel op verheugen.«
-
-»En waarom? Heb ik den prijs niet verdiend? Me dunkt, ik heb er recht
-op.«
-
-Ze glimlacht even. »Niet de ijverigste leerlingen worden het best
-beloond. Als je oom nog de prijzen uitdeelde...«
-
-»Mijn oom! Mijn oom! God, Nita, begin je ook al mee te schreeuwen met
-den grooten hoop? Moet ik het nu van mijn eigen vrouw hooren?«
-
-»Wat toch, lieve?« vraagt ze ontsteld door dien toon.
-
-»Wel, dat ik niets ben, niets kan, niets beteeken zonder mijn oom? Ik
-zeg je eens en voor altijd, Nita dat ik het niet hooren wil! Het
-verveelt me. Ik vind het ondragelijk, dat die »oom de minister« altijd
-wordt genoemd als de macht die te beslissen heeft over mijn toekomst.
-Ik ben zelf die macht. Zelf, versta je me?«
-
-Mevrouw Verschuere antwoordt niet; ze weet niet recht hoe te
-antwoorden, als ze wordt toegesproken op een wijze als deze; het valt
-haar nog altijd vreemd, hoewel het niet de eerste maal is... O neen, in
-de laatste maanden, in de laatste weken vooral, heeft ze kunnen leeren
-zich te gewennen aan toornige, harde woorden. Ze neemt haar handwerkje
-op, terwijl haar man met brommend geluid een plotseling einde maakt aan
-zijn wandeling en zich in den luierstoel werpt, maar de fijne vingers
-beven te zeer dan dat ze er mede kan voortgaan, en met een steelschen
-blik op het somber gelaat tegenover haar denkt ze terug aan den tijd,
-die haar nu bijna gelukkig toeschijnt, toen hij thuis kwam; ook
-vermoeid en afgemat, maar tevreden over de volbrachte dagtaak, voldaan
-over de oplossing van een of ander moeilijk vraagstuk, verrukt over de
-samenwerking met den landvoogd, die, zoo ze in meening verschilden,
-gaarne van gedachten wisselde en nooit ongenegen was om, zoo noodig,
-zijn opinie prijs te geven; naar den tijd toen hij, bij al zijn
-drukten, toch steeds een vriendelijk woord voor haar vond, toen hij nog
-beloven kon meer voor haar te worden, toen ze nog niet de treurige
-zekerheid had, dat hij minder voor haar werd, steeds minder en minder.
-
-O, die belofte! Had hij haar nooit gegeven, de teleurstelling zou
-minder groot geweest zijn! O, die onvergetelijke dagen in Tjipanas! Had
-ze nooit het genot gekend van hem onverdeeld te bezitten, misschien was
-het het haar dan nu niet zoo zwaar gevallen afstand van hem te doen.
-Toch, elken dag beproeft ze met nieuwe krachtsinspanning, of ze niet
-leeren kan zich te schikken... ze weet immers dat zijn knorrig humeur
-slechts de reactie is van den dwang, dien hij zich moet opleggen in de
-tegenwoordigheid des landvoogds; ze weet dat de andere dames ook haar
-mannen van de secretarie thuis krijgen, zenuwachtig, overspannen,
-prikkelbaar... Ze vermant zich ook nu, ze verzet zich tegen het
-moedeloos gevoel dat zijn onvriendelijkheid altijd bij haar wekt en
-spreekt bijna vroolijk:
-
-»Kom, manlief. Het is zoo’n heerlijke avond... laten we eens probeeren
-of een wandeling ons geen goed zal doen... ik geloof dat we beiden wat
-ontstemd zijn.«
-
-Hij geeft na een kleine aarzeling toe en weldra dwalen ze door de
-eenzame lanen, arm in arm, langzaam, zachtjes sprekend, somtijds
-zwijgend, zooals ze het gaarne doet; de sterrenhemel strooit zijn
-gouden vonken over het glanzig groen en deelt het iets mede van zijn
-tooverachtigen gloed. Wat Agnita had gehoopt geschiedde: in die
-liefelijke omgeving, in die bedarende stilte week Verschuere’s
-geestelijke vermoeidheid; het oog gericht op de blauwe lucht, vergat
-hij de grieven die hem daareven vervulden.
-
-Met de zusterlijke teederheid, die bij lieve vrouwen zulk een wijding
-geeft aan den echt, leidt Nita nu zijn gedachten in vriendelijke
-richting; wat zijn de Hagens veel voor hen geweest, zoolang ze het
-voorrecht hadden hen te kennen; wat was mevrouw altijd hartelijk voor
-haar en mijnheer vol lieve attenties... wat zullen ze hen missen.
-
-Langzaam gaan de vrienden en kennissen, die binnen een kort
-tijdsverloop Buitenzorg verlieten, aan hun geest voorbij; Amalia, die
-hen zoo dankbaar was en, dit herinnert het kleine vrouwtje zich niet
-zonder trots, zooveel ernstiger, zooveel beter gestemd was toen ze van
-haar afscheid nam om, gelouterd door geleden smart, een nieuw leven te
-beginnen in het vaderland; Van Waliënhove, om in de hoop op zijn zonen
-kracht te putten voor het verdragen der martelingen van zijn
-huwelijksleven; Van Beevelant en Clotilde, om in de Palmenstad het
-beste te vinden wat de wereld geeft; James om het oorlogsveld te zoeken
-wat misschien na liefdesgeluk het beste is: vergetelheid in
-plichtsbetrachting.
-
-En dicht aan elkaar geleund, opziende naar den avondhemel, komt over
-hen dat weemoedig gevoel van veranderen en verdwijnen, van alleen
-achterblijven; het treurig bewustzijn hoe alles slechts voor korten
-tijd, slechts voorbijgaande is, de donkere schaduw op ons zonnig Indië,
-maar die, Gode zij dank, hen wier bestaan verbonden werd door
-onverbreekbare banden, steeds nauwer vereent, steeds inniger samenhecht
-juist door het voorbijgaande van al het andere.
-
-Het is voor de heeren dagbladredacteurs altijd een buitenkansje wanneer
-een hooge betrekking openvalt, maar van dit buitenkansje konden ze dan
-al bizonder goed profiteeren. De benoeming bleef uit. Dit gaf
-gelegenheid om nu eens dezen dan genen ambtenaar aan te wijzen als den
-vermoedelijken vice-president, om, voor het geval van deze of gene
-benoeming, de prachtigste combinaties uit te denken om de regeering
-voor te lichten, haar te wijzen op het gevaar dat zulk een keuze, het
-voordeel dat een andere keuze hebben zou; dit alles met een ijver en
-een goeden wil, die bij andere koloniale aangelegenheden het bestuur
-zeker ten goede zou zijn gekomen.
-
-Omtrent het nieuwe lid in den raad van Indië—voor het geval dat de
-vice-president uit dat regeeringslichaam gekozen werd—twijfelden alleen
-zij, die voor zich zelf of voor familie iets hoopten, de publieke
-opinie hield vrij algemeen Verschuere voor den aangewezen persoon. Ook
-maakte ze met de openhartigheid, die, in de couranten vooral, wel eens
-tot onbescheidenheid overslaat, geen geheim van die overtuiging. Maar
-met de macht die hij bezit over iederen trek van zijn gelaat, met de
-kalmte die hem, waar hij zulks noodig acht, ieder woord doet wegen voor
-hij het uitspreekt, wist de algemeene secretaris zelfs voor zijn naaste
-omgeving te verbergen, wat hij van de zaak dacht.
-
-Alleen zijn vrouw wist hoe hij alle phasen van spanning doorliep, hoe
-hij nu eens door een woord van den landvoogd schrikte of door een
-bericht uit Batavia zich volkomen voelde gerustgesteld, dan weer door
-een tijding uit Holland of een los daarheen geworpen woord van machtige
-lippen meende alles te moeten vreezen, om eindelijk zich te voelen
-overmeesteren door dien twijfel, die zonder dat men er een bepaalde
-oorzaak voor zou kunnen noemen, aan den vooravond van belangrijke
-gebeurtenissen ons hart kan komen binnensluipen.
-
-Het duurde zoo lang voor de zaak beslist werd, dat de dagbladen gingen
-aantoonen hoe eigenlijk een vice-president onnoodig mocht heeten, daar
-toch welbeschouwd de geheele raad van Indië alle recht van bestaan
-miste. Dit onderwerp werd uitgeput; onmachtig om hierna nog veel nieuws
-te zeggen, waren juist de redacties begonnen elkanders pretendenten af
-te breken, toen er uitkomst kwam.
-
-Twee telegrammen. Het eerste hield in de benoeming tot ridder van den
-Nederlandschen Leeuw van den directeur van onderwijs, eeredienst en
-nijverheid, J. G. Heylerts.
-
-Het tweede benoemde tot vice-president in den raad van
-Nederlandsch-Indië het lid in dien raad mr. L. B. F. V. van Sonnefelt.
-
-De onderscheiding den directeur te beurt gevallen, gelijkt, bewezen aan
-iemand die in aanmerking zou kunnen komen voor pensioneering, op de
-hulde die de vos de kraai brengt wanneer het stuk kaas moet vallen: de
-heer Heylerts nam haar dan ook op met de stoïcijnsche kalmte, waartoe
-een veelbewogen huwelijksleven sommige mannen brengt, terwijl mevrouw
-haren »vriend« blikken toewierp gelijk aan die van het slachtoffer,
-over wiens lijk de overwinnaar zijn victorie tegemoet snelt.
-
-Geen twee weken later bleek er eenige reden voor die weinig opgewonden
-stemming in den huize Heylerts.
-
-De Javasche Courant, het officieel nieuwsblad, meldde in zijn rubriek:
-Civiel departement: ontslagen: eervol, op verzoek, onder dankbetuiging
-voor de diensten den lande bewezen, J. G. Heylerts, directeur van
-onderwijs, eeredienst en nijverheid.
-
-Geen week later las men onder diezelfde rubriek: benoemd tot lid in den
-raad van Indië D. de Bruining, hoofdambtenaar met verlof.
-
-Ware Gustaaf Verschuere een zwak man geweest, hij zou verlichting
-gezocht hebben in schelden op de onrechtvaardigheid dezer benoeming, in
-verkleinen van den benoemde, in dreigen zelfs met het vragen van verlof
-of het nemen van zijn ontslag; hij zou troost hebben gevonden in de
-sympathie zijner vrienden, vergetelheid in de teedere armen, die
-verlangender dan ooit zich naar hem uitstrekken;—nu hij een sterk man
-was, zweeg hij en glimlachte en roemde de bekwaamheid van het nieuwe
-raadslid, zijn ouden vriend; nu lag er iets in zijn persoonlijkheid,
-dat zijn vrienden dwong het betoon hunner deelneming te bepalen tot het
-geven van iets hartelijker handdruk dan gewoonlijk; nu keerde hij zich
-af van het gezichtje, naar hem opgeheven om hem te zeggen dat ze met en
-voor hem voelde; nu wilde hij zelfs haar niet bekennen wat dit voor hem
-was; nu koesterde hij met hoonenden lach de bitterheid, die in een
-trotsch, nog nimmer vernederd hart gewekt wordt door teleurstelling.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVII
-
-HET LEED VAN EEN STERK MAN.
-
-
-De nieuwe vice-president is geïnstalleerd, de oude naar Soekaboemi
-vertrokken, om daar het oogenblik af te wachten dat in Holland de
-winter voorbij en het seizoen meer voor verlofgangers geschikt zal
-zijn; luitenant Van den Bosch werd overgeplaatst naar Atjeh; Gertrude
-bleek er op gesteld hem te volgen, zoodat wanneer de Meimaand eenmaal
-daar is, het den Hagens niet al te zwaar zal vallen Indië te verlaten.
-
-Wat is hun het mooie huis op het Koningsplein, nu ze geen dochter meer
-hebben om het gezellig te maken; wat is hun de schoonzoon, nu hij van
-de eene garnizoensplaats naar de andere zal worden gevoerd; wat
-Batavia, nu een vreemde eerste luitenant met een vreemde jonge vrouw de
-vriendelijke kampementswoning heeft betrokken?
-
-Tot directeur van onderwijs, eeredienst en nijverheid is, in plaats van
-den armen ridder, die met stille trom, zijn vrouw en zijn leeuwtje
-vertrok, de eerste gouvernements-secretaris Verdijk benoemd en
-Buitenzorg heeft het wonderlijk feit zien gebeuren dat mevrouw Verdijk
-in een vreeselijke onweersbui uitreed... ’t was om Zijn Excellentie te
-bedanken. Deze benoeming heeft nog al ontevredenheid gewekt; men zag er
-het bewijs in, dat voortaan minder rekening zou worden gehouden met
-verdienste en recht dan met vrouw en invloed—en aan dezen nieuwen
-toestand wilde de indische ambtenaarswereld zich maar niet zoo dadelijk
-gewennen.
-
-Te bestemder tijd is ook het nieuwe lid in den raad van Indië uit
-patria teruggekeerd en beëedigd.
-
-De uitnoodiging hun door hun oude vrienden, de Verschuere’s, gedaan om
-eenigen tijd op Buitenzorg te komen doorbrengen, was uiterst welkom: de
-heer en mevrouw De Bruining verlangden niets liever dan Buitenzorg
-terug te zien, Buitenzorg, waar ze eenmaal gelukkig geweest zijn;
-immers, ze beseften het toen nog niet, maar ze weten het nu: allen bij
-elkaar te zijn, dat is geluk!
-
-Ze hebben hun vijf jongens moeten achterlaten... op uitmuntende
-scholen, bij lieve familie, voor hun eigen bestwil, o ja! maar ze
-hebben ze moeten achterlaten, en Daan is grijs als een oud man, en
-wanneer Louise een jongen in een blauwe kiel en broek ziet, wendt ze
-het hoofd af om niet uit te barsten in tranen.
-
-Ze willen op Buitenzorg zijn, om de plekjes te bezoeken waar de jongens
-speelden, waar ze hun kattekwaad uitvoerden, waar ze zoo wild stoeien,
-zoo levensgevaarlijk vechten konden, waar ze zoo ondeugend waren,
-maar—fluistert de moeder—toch ook zoo lief...
-
-Indien het mogelijk ware dat een vrouw zich troostte over het
-kinderloos blijven van haar echt, dan zou Agnita zich dezer dagen
-vertroost gevoeld hebben bij het aanschouwen van dien aan waanzin
-grenzenden angst, wanneer de mail moest aankomen; van die oogen vol
-smartelijk verlangen, die over bergen en zeeën schenen te willen
-doordringen in het hollandsch huis, waar men haar schat verborg. Louise
-en haar veel jonger zusje waren meegekomen, innerlijk en uiterlijk zeer
-in haar voordeel veranderd door geregeld schoolgaan, frissche winterkou
-en goed gemaakte japonnen—er zijn menschen geweest die vroegen waarom
-de ouders maar niet meteen de meisjes achterlieten!—De heer en mevrouw
-De Bruining hebben voor haar een gouvernante geëngageerd.
-
-»Een gouvernante!« roept Nita verbaasd, als haar vriendin haar dit
-mededeelt. »Ik dacht dat je een duren eed hadt gezworen om nooit, nooit
-meer...«
-
-»Ja, dat had ik ook... O, maar dit is een puikje. Heel wat anders dan
-de bonnetjes, die ik tot nu toe gehad heb. Ofschoon, daar waren ook wel
-goede bij... als ze maar niet altijd iets gevoeld hadden voor
-trompetters!« zucht Louise.
-
-»Heel wat anders... een dochter van een overste, geëxamineerd in drie
-talen, hoofdonderwijzeres, niet zoo piep jong meer, erg bekwaam en—nu
-ja, aan boord was ze wel een beetje opgewonden, maar anders... erg
-fatsoenlijk.«
-
-Arme Louise, die zich over zoo iets illusies maakte! Alsof juffrouwen
-met vier akten niet precies wisten hoe men een goedgeloovig indisch
-ouderpaar kan gebruiken om den overtocht te betalen, die liefst moet
-eindigen in de huwelijkshaven, en zoo dat niet vlot, om, gesteund door
-een of andere familie, hetzij dom, hetzij laag genoeg om zich tot de
-comedie te leenen, zich onmogelijk te maken en een breuk uit te lokken.
-Dan kan ze overgaan bij het gouvernement, het gouvernement, dat Dorado
-voor onderwijs gevende jonge dames, niet omdat het pensioen verzekert
-of verlofstraktement—wie, die jong is, denkt aan oud of ziek
-worden!—niet omdat het zoo genoegelijk is dagelijks vijf uur te staan
-voor een klas van opgeschoten lummels, of aan half maleische kinderen
-het a. b. c. te leeren, maar omdat het vrije leven van commensaal meer
-dan de huiselijke kring gelegenheid geeft tot »la chasse de l’homme«.
-
-De nieuwe gouvernante behoorde geenszins tot de weinige uitzonderingen
-die op dezen regel voorkomen, en Nita had bij al haar huiselijke
-drukten wel gelegenheid om op te merken: de onrust van het jonge
-meisje, die scheen te denken dat haar geluk op straat moest gevonden
-worden, den toon harer leerlingen, die als het ware met den dag minder
-eerbiedig werd; de overdreven, bijna ziekelijke teederheid die de
-beroofde moeder wijdde aan de twee kinderen, welke men haar gelaten
-had; het nu in alles flink en manlijk optreden van dienzelfden Daan,
-aan wien ze nooit anders dan met een medelijdend lachje had gedacht,
-omdat ze hem niet anders dan in zijn verval had gekend, maar vooral den
-kieschen takt dien Verschuere bij de ontvangst zijner gasten toonde.
-
-De heer De Bruining toch, met de fijngevoeligheid die hem zoo beminlijk
-maakte, gevoelde zich bezwaard door de gedachte dat zijn verheffing een
-misrekening was geweest voor zijn vriend. Maar deze wederlegde al zijn
-bezwaren.
-
-’t Is waar, men had hem genoemd, maar hij zelf had geen oogenblik
-gedacht aan de waarschijnlijkheid van zulk een keuze; er kon immers
-geen sprake van hem zijn! ’t Was toch reeds een wonderbaarlijk snelle
-promotie geweest die hij maakte; zou men hem dan zijn tegenwoordige
-betrekking zoo kort laten bekleeden? Dwaasheid! Onmogelijk!
-
-»Maar de pers...« zei de Bruining met een benauwd gezicht.
-
-»Ja, de pers,« stemde Verschuere lachend toe; »maar heeft het u nooit
-toegeschenen dat de regeering altijd iemand anders kiest dan de pers,
-al ware het om te bewijzen dat die geheel verkeerd is ingelicht?«
-
-»Maar de publieke opinie!«
-
-»Ja, dat was me weer een nieuw teeken van de frivoliteit onzer indische
-maatschappij; men had u eenvoudig vergeten, u en uw oudere rechten. U
-waart dan ook al meer dan twee jaar weg!«
-
-»Zie je, het kwam ons zoo gelegen«, brengt De Bruining nu ter
-verontschuldiging bij, en Louise keert haar vriendelijk gelaat tot Nita
-met de vraag: »Het heeft je toch niet te erg gespeten?«
-
-Nog vóór zijn vrouw heeft kunnen antwoorden, roept Verschuere: »Haar?
-Ze beklaagt zich nu al dat ze bij officieele gelegenheden altijd naast
-oude heeren wordt geplaatst. Wat zou het dan wel zijn!« En zijn lach is
-daarbij zoo natuurlijk, zijn scherts schijnt zoo welgemeend, dat het
-nieuwe raadslid volkomen is gerustgesteld.
-
-Nita bewondert Gustaaf’s zelfbeheersching, al doet het haar pijnlijk
-aan, dat ze getoond moet worden ten koste van de waarheid. Hoewel nog
-altijd niet zeer bekwaam in het verbergen harer gevoelens, weet ze nu
-toch reeds genoeg van de wereld, waarin ze leeft, om er in de gegeven
-omstandigheden het noodzakelijke van in te zien: alleen wenscht ze dat
-hij het masker, bij vreemden gedragen, bij haar had afgeworpen.
-
-Maar er iets gekomen tusschen hem en haar, iets als een muur. Een groot
-leed, te zaâm gedragen, kan een sterk man nader brengen tot een zwakke
-vrouw; een teleurstelling zal hen bijna altijd vervreemden.
-
-Nooit meer dan in deze dagen was Verschuere de strijdbare, werkzame,
-zich zijner meerderheid bewuste man geweest. Zonder zich ook maar één
-oogenblik te laten ontmoedigen ging hij, getrouw aan zijn leuze: »hoe
-grooter de tegenstand, hoe schitterender de overwinning,« af op het
-doel dat hij zich voorstelde... Had Nita naast hem kunnen gaan, had ze
-haar oog kunnen vestigen op datzelfde doel, had ze over dezelfde stalen
-zenuwen, denzelfden ijzeren wil kunnen beschikken, hij zou van haar een
-reismakker gemaakt hebben. Maar zijn vrouwen altijd sterk genoeg om te
-dragen, ze zijn soms te zwak om onmiddellijk na een slag den nieuwen
-strijd aan te binden. Voor haar was de slag zwaar geweest.
-
-Hoewel niet eerzuchtig, bleef de kans op Verschuere’s lid worden in den
-raad van Indië altijd het lichtpunt, waarop ze met stil verlangen den
-blik gevestigd hield.
-
-Honderd malen had ze zich zelve bemoedigd door de woorden te herhalen,
-eens door mevrouw Hagen gebruikt: »de betrekking van algemeen
-secretaris is het vagevuur dat we met onze mannen moeten doormaken om
-in het paradijs te komen,« en nu waren de deuren van het paradijs
-gesloten!
-
-»... tot ze weer opengaan,« had Verschuere gezegd met zijn gewone
-opgewektheid, maar och, ze wist het, een plaats in den raad van Indië
-komt niet alle dagen vakant: er zijn voorbeelden van leden, die er
-haast een kwarteeuw zitting in bleven houden. ’t Zal nu wellicht weer
-jaren duren, en jaren, dit gevoelt ze, kan zij niet meer wachten!
-
-Er was iets in haar treurigheid dat hem ontstemde: haar zachte,
-droevige blikken hinderden hem; hij wilde dat de vrouw, die hij zich
-verkoren had geen oogenblik twijfelen zou aan zijn toekomst; zoo iemand
-moedig en onbevreesd kon wezen, zoo iemand willig offers brengen kon,
-dan moest zij het zijn.
-
-Maar—gelijk hij knorrig tot zich zelven zeide—hij werd niet door haar
-begrepen, zij was niet berekend voor de plaats die ze innam. In stede
-van hem te bewonderen, dat hij zijn onder dit bewind zoo weinig
-dankbare taak met onverflauwden ijver vervulde, noemde ze het zijner
-onwaardig zulke meesters te dienen. Te vergeefs had hij beproefd haar
-te doen begrijpen, dat de door den staat bezoldigde ambtenaar zijn
-diensten moet praesteeren, ook al druischen de bevelen der lastgevers
-in tegen zijn overtuiging; ze hield vol dat men eerst denkend wezen,
-daarna ambtenaar is. Ook beoordeelde ze den nieuwen landvoogd naar den
-maatstaf dien men op Bloemduin gebruikte, en kon of wilde ze zich niet
-schikken naar den toon, die sedert kort heerschte in de hofkringen;
-kortom, hij vond in haar niet langer wat hij in zijn vrouw zocht.
-
-En ze wist het. Ze wist het hoewel hij het harde woord nog niet over de
-lippen had gebracht; ze las het in zijn oogen, ze hoorde het in zijn
-stem, ze voelde het in zijn liefkoozingen.
-
-Er is geen pijnlijker ontdekking dan deze voor de vrouw die bemint, en
-geen meer gevaarlijke tevens. Want ze ontrooft haar het natuurlijke,
-die grootste bekoorlijkheid in het oog van den man.
-
-Agnita werd op eens beschroomd, weifelend; ze durfde niet meer ronduit
-spreken; het zelfvertrouwen dat de zekerheid van zijn liefde haar
-geschonken had verdween; ze verloor het kinderlijk ongekunstelde, dat
-haar zoo aantrekkelijk had gemaakt. Bevreesd nog meer te verliezen, was
-zij niet langer zich zelve, en niets kon meer in haar nadeel wezen dan
-dat.
-
-Wel verzette ze zich met al wat in haar was tegen het beklemd gevoel,
-dat haar in Verschuere’s tegenwoordigheid overmeesterde gelijk de koude
-den in sneeuw en ijs verdwaalden reiziger; wel trad ze hem soms tegen
-met den ouden vertrouwden lach; wel drong ze hem een enkele maal haar
-te vergezellen op een wandeling of rijtoer; wel nam ze, hoewel met
-vreezen en beven, nu of dan het oude plaatsje in, dicht bij zijn
-schrijftafel; wel sloeg ze somtijds in vertwijfelende teederheid de
-armen om zijn hals,—de schoonheid van dat blozend gezichtje in zijn
-gouden lijst, de zachte ronding dier blanke armen mocht hem dan voor
-een oogenblik vervoeren, het wederzijdsch vertrouwen keerde niet terug.
-
-Juist in deze dagen leed ze onder een lichamelijke gedruktheid, een
-gevoel van onbehagen, waarvoor ze te vergeefs een oorzaak zocht en
-waarover ze dokter Bosschaert niet wilde raadplegen; ze wist wat zijn
-eerste gedachte zijn zou en ze was het moe, gevleid te worden met een
-hoop, die toch nooit vervuld scheen te mogen worden. In deze
-zwaarmoedige stemming, in de pijnlijke ongevoeligheid van haar gewond
-hart, gaf ze aan ieder woord door hem in overspanning of drift
-gesproken een veel dieper beteekenis dan het verdiende; met groote
-nauwgezetheid, gevolg eener ernstige, godsdienstige opvoeding, zocht ze
-voor zijn gedrag de oorzaak in haar eigen tekortkomingen. Ze dacht er
-geen oogenblik aan hem te beschuldigen, ze beschuldigde alleen
-zichzelve. En onder die zelfbeschuldiging leed ze, wat een vrouw die
-liefheeft lijden kan.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVIII
-
-HEIMWEE EN LIEFDE.
-
-
-»Gustaaf!«
-
-De algemeene secretaris hoort niet: haar stem, altijd zacht, komt nu
-als een verzuchting uit de beklemde borst; en hij is verdiept in de
-verslagen van de Tweede Kamer, daareven door de mail aangebracht.
-
-»Verschuere... luister eens... ik heb je iets te vragen.«
-
-Hij legt zijn lectuur neer, een weinig ongeduldig, want juist las hij
-een zeer belangwekkende speech van een zeer belangwekkend
-afgevaardigde.
-
-»Nu?« vraagt hij, als ze zwijgen blijft.
-
-»Je moet er niet verwonderd over wezen... of boos... of bedroefd, maar
-ik zou... ik zou graag...«
-
-Ze beeft zoo, dat ze niet voort kan gaan. Eerst was hij nog te zeer
-vervuld van het Kamerverslag, maar nu hoort hij de trilling in haar
-stem, nu ziet hij de vreeselijke spanning in haar gelaat.
-
-»Wat is er?« vraagt hij verbaasd. »Kind, antwoord me! Hoe ben je zoo
-ontdaan?«
-
-Vergeefs beproeft ze een woord uit te brengen; vriendelijk, met een
-zweem van de oude teederheid, begint hij:
-
-»Je hadt me iets te vragen, kleintje... Komaan, daar zie je toch niet
-tegen op?«
-
-Geen antwoord.
-
-»Weiger ik je dan zoo dikwerf iets?« Hij nadert en legt haar zacht den
-arm om het midden en neemt haar ijskoud handje in de zijnen.
-
-Maar zij trekt haar hand terug, ze maakt zich los uit zijn omarming...
-Weet ze het niet dat er een macht uitgaat van zijn aanraking, die haar
-zwak maakt en willoos?
-
-»Ik wou je vragen, of je het niet goed zou vinden als ik me de Hagens
-meeging?«
-
-»Als je met de Hagens meeging! Waarheen?«
-
-»Naar Holland, bedoel ik.«
-
-»Naar Holland!« herhaalt Verschuere weer en hij ziet haar aan alsof hij
-aan haar verstand twijfelt.
-
-»Ja,« spreekt ze dof. »Ja.«
-
-»Zonder mij?« roept hij. »Zonder mij, Nita?« vraagt hij dan met dat
-zacht vleiende in zijn stem, wat ze zoozeer vreest in dit oogenblik.
-
-»Je kunt immers niet weg?«
-
-»Neen, dat kan ik niet.«
-
-»En ik moet gaan.«
-
-Weer herhaalt hij ongeloovig het woord, dat haar door de ziel snijdt.
-»Zonder mij? Zonder mij? Nita! Kind!«
-
-»Ja, ik moet gaan.«
-
-Deze klanklooze stem, dit pijnlijk vertrokken gelaat, dat ze telkens
-afwendt, de koortsige glans in de oogen, die de zijnen trachten te
-ontwijken, verbazen hem misschien meer nog dan haar woorden; een groote
-onrust maakt zich van hem meester.
-
-»Nita... ik begrijp je niet. God! kind! wat is er gebeurd?«
-
-»O neen, niets. Zie me zoo niet aan, Gustaaf... Ik weet wat ik wil.
-Maar als je me zoo aanziet... zoo alsof je me nog liefhadt... dan
-vergeet ik wat ik wilde...«
-
-»Alsof ik je nog liefhad! Heb ik dat dan niet?«
-
-»Ja, nog een beetje, dat geloof ik ook... Maar het is beter zoo... het
-is beter dat ik wegga... beter voor ons beiden.«
-
-»Nita... je bent ziek!«
-
-Ze heeft al dien tijd rondom zich gezien als een gevangene, die een
-uitweg zoekt; als een gejaagde, wie de vervolgers op de hielen zijn.
-Bij dezen uitroep herwint ze op eens iets van haar kalmte, en terwijl
-ze de handen samenklemt op de hijgende borst, spreekt ze vast:
-
-»Je hebt gelijk, ik ben ziek. Heel ziek. Zóó ziek dat ik niet meer hier
-kan blijven, dat ik weg moet, hoe eer hoe beter!«
-
-»Maar wat scheelt je dan? Ik heb er niets van gemerkt.«
-
-Voor enkele oogenblikken komt een bittere glimlach haar om de lippen
-spelen. »Dat was ook niet waarschijnlijk, is ’t wel? Je hadt het zoo
-druk!«
-
-»Ja, ik had beter op je moeten letten... Ik ben geheel opgegaan in
-eigen gedachten, in eigen plannen, den laatsten tijd... Geloof me,
-kindlief, ik had niets liever gewenscht dan je er deelgenoot van te
-maken, maar...«
-
-»Ja, dat weet ik. Je kon niet. Vergeef het me, Verschuere... Ik had
-alles voor je willen doen. Ik had je slavin willen wezen... nu ik niet
-je gelijke, je vrouw, je kameraad zijn kon... zooals je eenmaal gehoopt
-hadt.«
-
-»Neen, spreek zoo niet...«
-
-Met een gebaar vol smartelijke afmatting legt ze hem het zwijgen op.
-»Laat dat rusten, dat is voorbij...«
-
-»Wat is voorbij? Wat praat je toch? Kom, tracht bedaard te zijn. Wat
-scheelt er aan, kind? Je hoofd gloeit, je handen zijn als ijs.«
-
-»Ik heb immers gezegd dat ik ziek ben.«
-
-»Ja, je hebt de koorts, ik zal dadelijk om Bosschaert zenden.«
-
-»Neen,« spreekt ze nu ernstig en vast besloten. »Doe dat niet.
-Bosschaert kan me niet genezen. Niemand kan dat; niemand, behalve
-misschien... mama.«
-
-»En ik dan?«
-
-Een oogenblik ziet ze hem in het gelaat, het gelaat dat ze liefheeft
-boven alle andere... een oogenblik wankelt ze in haar besluit; maar het
-is genomen ten koste van bange nachten en heete tranen; ze weet dat hij
-zijn beloften niet houden kan; ze keert zich van hem af om sterk te
-zijn.
-
-»Neen, je kunt het niet.«
-
-»Dus, je wilt weg? Je wilt niet langer bij me blijven?«
-
-Agnita wringt de handen; ze wordt aangegrepen door een gevoel van
-flauwte, als bij hevige pijn.
-
-»Antwoord me, Nita!«
-
-»Je zult me immers niet missen?...«
-
-Ze spreekt die woorden langzaam, weifelend. Ze durft niet opzien, ze
-kan niet ademhalen, zoo bonst haar hart. Zal hij zeggen dat ze zich
-bedriegt, dat de scheiding hem even hard zal vallen als haar? O God,
-indien dat mogelijk ware! Indien hij maar zeide dat hij haar noodig
-heeft voor zijn geluk! Dan bleef ze! Dan kon ze alles dragen! Dan zou
-ze moed hebben om een nieuw leven te beginnen.
-
-Ach, hoe weinig kent ze het mannenhart! Hij is gegriefd, beleedigd...
-Heeft ze niet haar ouders gesteld boven hem, hem, die zoo zeker meende
-te zijn van haar liefde, dat hij zelfs niets heeft gedaan om die te
-behouden?
-
-»Dus je wilt bij je pa en ma zijn?«
-
-»Ja.«
-
-»Liever dan bij mij?«
-
-»Ja.«
-
-Smartelijk getroffen ziet hij haar in het gelaat. Maar het is hem
-vreemd met die hartstochtelijke, verwilderde uitdrukking; zooals ze hem
-geheel en al vreemd is in dit uur, zijn zachte, zwakke vrouw, nu zoo
-vast besloten, zijn gevoelvolle Nita, nu zoo koel: de teedere woorden
-die hem uit het hart welden, besterven hem op de lippen.
-
-»Ik begrijp me niet... je bent me een raadsel.«
-
-Smeekend heft ze de handen naar hem op. »O, folter me niet langer...
-Zie je het dan niet, dat ik bezwijk? Heb medelijden... zeg dat ik gaan
-mag!«
-
-»Als je me niet meer liefhebt...«
-
-»O God! O God...« kermt ze.
-
-»Als je meer van je ouders houdt dan van mij...«
-
-»Je bent wreed, Gustaaf...«
-
-»Dan mag je gaan.«
-
-Hij verwacht een haastig antwoord, een heftige ontkenning, een nederige
-bede om vergiffenis... alles eer dan deze stilte... Maar zij blijft
-onbeweeglijk staan, zonder zelfs het hoofd naar hem op te heffen, tot
-hij zich toornend van haar afwendt... Dan zinkt ze ineen, zachtjes,
-langzaam, zonder kreet, zonder slag; alleen met een langen, kreunenden
-zucht.
-
-Als de heer Bosschaert, in allerijl geroepen, zijn patiente een vol uur
-heeft gadegeslagen zoowel onder als na hare bezwijming, verlaat hij
-haar met een ongewoon ernstige vermaning, om zich toch vooral te
-wachten voor »ziekelijke opgewondenheid«, die onberekenbaar nadeelige
-gevolgen hebben kan, en keert zich, zoodra de deur achter hen gesloten
-is, tot den jongen echtgenoot met een vraag, die dezen het bloed naar
-de wangen jaagt. Hij kan hem toch niet antwoorden dat hij het niet
-weet! Hij kan hem toch niet zeggen dat de verhouding tot zijn vrouw in
-den laatsten tijd niet van dien aard was dat er gelegenheid bestond
-voor vertrouwelijke mededeelingen! Hij kan toch niet bekennen dat hij
-vergeten heeft, sedert maanden vergeten heeft belangstelling te toonen
-in hetgeen nog de vrouw bezig houdt met hopen en vreezen bezig houdt,
-wanneer de man het reeds lang als afgedaan beschouwt.
-
-»Ze wil naar Europa,« zegt hij eindelijk, in de hoop door deze
-onverwachte mededeeling Bosschaert’s aandacht af te leiden van de
-netelige vraag.
-
-»Ah zoo, naar Europa?« vraagt deze, maar zonder iets te toonen van de
-verbazing, die Verschuere meende te wekken; dokters zien zoo scherp in
-huiselijke aangelegenheden. »Zoo, zoo, naar Europa? Weet je wel dat dit
-een uitstekend denkbeeld is?«
-
-»Zonder mij?«
-
-»Natuurlijk. Je kunt niet weg.«
-
-»Ze wil met de Hagens meegaan.«
-
-»Juist. Een prachtige gelegenheid! Je kondt geen beter wenschen. De
-zeelucht zal haar versterken, een kort verblijf in Holland haar goed
-doen. En—wat die andere kwestie betreft dat zij zoo als het wil; hier
-brengt ze het nooit tot een goed einde. Als ze gaan wil mag je haar
-vooral niet terughouden Verschuere... Ja, ik weet wel, ’t is
-onaangenaam, dat alleen achterblijven, maar... we zijn nu eenmaal niet
-voor ons pleizier in de wereld.«
-
-»Neen, dat ondervind ik.«
-
-
-
-Straks, als Nita zijn studeerkamer komt binnensluipen en half verlegen,
-half berouwvol op hem toetreedt, kan hij haar een vrij vroolijk gelaat
-toonen.
-
-Met een bevend stemmetje vraagt ze: »Gustaaf... zeg, ik heb er nog eens
-over gedacht... maar zou je werkelijk graag willen, dat ik bij je
-bleef?«
-
-Zijn stem beeft niet, zijn oogen staan niet vol tranen als de hare, hij
-is nooit lang zwak.
-
-»Natuurlijk, lieve. Natuurlijk zou ik graag willen dat je bij me kondt
-blijven. Maar we zijn nu eenmaal niet voor ons pleizier in de wereld,
-zooals Bosschaert zegt. Hij gelooft dat het je enorm veel goed zal
-doen. Enorm.«
-
-Dan, als hij de plotselinge verandering ziet in haar trekken: »Je wou
-toch niet op je besluit terugkomen?«
-
-»O neen. Ik ben vaster dan ooit besloten te gaan.«
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIX
-
-DE OOGEN WORDEN GEOPEND.
-
-
-»Buitenzorg, 6 April.
-
-»Lieve, beste man,
-
-»Ik zal dezen aan Mingo geven, met verzoek hem je ter hand te stellen,
-als ik een dag of acht weg ben. Want, Gustaaf, ik ben verwaand genoeg
-om te gelooven dat, hoe aangenaam het voor je wezen mag om weer eens
-geheel te kunnen leven voor je werk, je dàn toch wel weer eens prettig
-verrast zoudt opkijken, als de deur zachtjes open ging en zeker iemand
-binnen kwam om je te vragen of je niet eens een uurtje met haar zoudt
-willen praten.
-
-»Natuurlijk heb je van de welkome rust, na al de drukte die de laatste
-tijd meebracht, gebruik gemaakt om bergen werks af te doen; dus wil je
-me dit oogenblikje wel geven, niet waar?
-
-»Maar ik zal niet »kort en zakelijk« kunnen zijn zooals ik weet dat je
-je brieven graag ontvangt.
-
-»Ik ben zoo in de war, sinds het zeker is dat ik wegga: alles komt me
-zoo heel anders voor... soms vraag ik me af of het niet een groote
-vergissing kon zijn; of ik misschien, toen ik geloofde dat hetgeen het
-eenige was wat me te doen overbleef, je ontevredenheid te hoog opnam;
-of we misschien na korter of langer tijd niet geleerd zouden hebben
-elkaârs karakter en overtuiging te eerbiedigen; of ik niet had moeten
-blijven...
-
-»Maar neen, dit is dwaasheid! Niet waar, Gustaaf, je vondt het ook
-noodzakelijk? O, als je nog terugkwaamt op je besluit; nu nog, terwijl
-de koffers gepakt staan en de afscheidsvisites gemaakt zijn, wat zou ik
-graag weer uitpakken en—zooals je gister zei, toen ik er een balletje
-van opgooide—een gek figuur slaan.
-
-»Hoe heb ik toch ooit dit onzalig plan kunnen bedenken! Ja, ik weet het
-maar al te goed: ik weet hoe het voor het eerst in me opkwam, tegelijk
-met het pijnlijk gevoel van een plaats in te nemen, waarvoor ik niet
-geschikt bleek.
-
-»’t Was op dien middag toen ik je vertelde, dat ik bedankt had voor de
-uitnoodiging van Zijn Excellentie om dat uitstapje te maken naar
-Tjipanas; ik dacht dat je het apprecieeren zoudt, daar je niet mee
-kondt gaan wegens ongesteldheid; maar je zei dat een vrouw, die geen
-tact toont, een blok wordt aan het been van haar man. En dan,
-Verschuere, waarom heb je mevrouw Verdijk toch zoo geprezen? waarom me
-haar tot voorbeeld gesteld? Het was je geen ernst, dit weet ik; het kon
-geen ernst zijn.
-
-»Je zoudt niet willen dat ik me het hof liet maken, al was het dan nog
-zoo’n onschuldige hofmakerij: al was het dan ook tot het bereiken van
-een doel; niet waar, je zoudt het niet willen!
-
-»O, ik twijfel nu of je al die nare dingen wel hebt gezegd met de
-bedoeling, dat ik ze zoo hoog zou opnemen! Maar... herinner je je niet
-dien avond toen ik me onvoorzichtig had uitgelaten, wat je toen bij ’t
-naar huis rijden zei? Dat een getrouwd man geen meester is over zijn
-daden. Dat zijn vrouw het werk van jaren soms in één uur bederft. Dat
-je niet hadt moeten trouwen! Dat je niet hadt moeten trouwen...
-
-»Ja, Gustaaf je hadt wel moeten trouwen, alleen niet met mij.
-
-»Je zoudt me niet zoo gegriefd hebben, als je kalm geweest waart; dat
-spreekt van zelf. Maar niet waar, op zoo’n oogenblik denkt men niet
-bedaard na, en ik was diep ongelukkig en kon maar niet in slaap
-komen... ik heb een heele dwaze gewoonte man, die ik je nu maar
-bekennen zal: als je daar zoo stil in de kussens ligt, dan verdwijnt
-die strakke vermoeide trek uit je gezicht, dan krijgt het de lieve,
-vriendelijke uitdrukking van vroeger, en dan vind ik het een genot er
-naar te zien. Soms, wanneer ik bedroefd was of wanneer we iets gehad
-hadden samen, keek ik naar je, tot ik den boozen man vergeten kon en
-met de gedachte aan den lieven de oogen sluiten; dat deed ik dien avond
-ook, je glimlachte in je slaap en je weet wel, je waart naar bed gegaan
-zonder me goeden nacht te zeggen... ik gaf je een kus.
-
-»Toen gebeurde er iets; je zult het misschien een kleinigheid noemen;
-maar ik vond het vreeselijk! Je zei heel zacht: »Marie! o, Marie...«
-
-»Ik weet wie Marie voor je geweest is. Toen je me vertelde van je
-eerste liefde, vroeg ik je me te zeggen welk soort van meisje ze was...
-Toen gebruikte je een uitdrukking die ik voor het eerst hoorde en die
-me daardoor bijbleef: une maitresse femme noemde je haar. Nu weet ik
-wat dit is, une maitresse femme: het tegenovergestelde van mij...
-
-»Och, die Marie..., ik denk telkens aan haar... zij zou geschikt voor
-je geweest zijn, zij zou je flink ter zijde hebben gestaan. ’t Is waar,
-ze heeft een ander genomen om barones te worden en ik, ik zou je voor
-geen koning geruild hebben, maar wat doet dit er toe? ’t Is immers toch
-niet de liefde die een huwelijk gelukkig maakt! Zij zou je nooit
-verveeld hebben.
-
-»Wat is dat moeilijk, Gustaaf, je man te boeien! Als de meisjes wisten
-hoe moeilijk het is, zouden ze niet zoo haastig trouwen, of zich beter
-voorbereiden. Niet waar, ik heb gedaan wat ik kon? Ik ben niet
-onverschillig geworden voor den indruk, dien ik op je maken zou; ik heb
-de talenten, die ik bezat, gebruikt; ik heb beproefd het je thuis
-gezellig te maken; ik heb je vrienden hartelijk ontvangen. En ik heb
-met inspanning van al mijn krachten beproefd me te ontwikkelen; ja, ik
-heb hard gestudeerd, Gustaaf, veel harder dan je ooit vermoed hebt. En
-toch verveelde ik je! Toch kwam, als ik je iets vroeg terwijl je bezig
-waart—en je waart altijd bezig—die rimpel op je voorhoofd: toch zag ik
-telkens die ongeduldige beweging waarmee je opkeek uit je boek als ik
-nader kwam; toch heb ik je heel opgewekt hooren praten met vreemden,
-als je niet den minsten lust hadt getoond om te praten met mij. Zie je,
-dit vond ik vreeselijk, dit gevoel, dat langzamerhand over me kwam van
-tot last te zijn. Denk niet dat ik het je verwijt; je hebt genoeg je
-best gedaan om het te verbergen, maar geloof je ook niet dat niets
-moeilijker te verbergen valt dan verveling?
-
-
-
-»We zijn alweer dichter bij het afscheid en ik kan nog niet besluiten
-om dezen te eindigen; het helpt me zoo dat ik schrijven kan wat in me
-omgaat, ik zou anders veel te veel zeggen. O, lieveling, wat moet dat
-een ondragelijk iets zijn, een huwelijk zonder wederzijdsch vertrouwen,
-als ik bedenk wat ik geleden heb sedert ik je niet meer alles zeggen
-kan!
-
-»O, als ik maar eens spreken durfde! mijn geheele hart uitstorten...
-maar dat mag niet! Neen, dat mag niet, want je zoudt me aanzien en in
-je armen nemen en ik zou zwak worden, zwak tot lafheid toe en bij je
-blijven om je tot last te zijn!
-
-
-
-»Ik dacht dat ik alles overwogen had vóór ik mijn besluit nam, maar ik
-heb één ding vergeten, hoe verrukkend het is bemind te worden.
-
-»O Gustaaf, als er soms in je hart bitterheid mocht komen jegens de
-vrouw, die je heeft moeten teleurstellen, denk dan hoe zwaar ik zelve
-daaronder geleden heb; denk dan dat ik je omhelzingen mis en je kussen
-en je teederheden en je zult medelijden met me hebben. Waarom ben je
-ook zoo lief voor me, Gustaaf, nu deze laatste dagen? Waarom? Ik zou
-willen dat je driftig waart zooals een poos geleden; ik zou willen dat
-je harde, onrechtvaardige dingen zei; dat zou me sterk maken.
-
-»Maar neen, dit heb ik niet ernstig gemeend; ik kan de herinnering aan
-deze laatste goede dagen niet missen... ik neem ze mee naar Holland als
-een schat; ik voel het nu, noch de vreugde van weer thuis te zijn, noch
-papa’s groote genegenheid, noch mama’s trouwe zorgen zullen me kunnen
-vergoeden wat alleen de liefde geven kan—die volheid van geluk, die
-niets te wenschen overig laat.
-
-»Soms—niet waar Gustaaf, je lacht me niet uit zooals die dames, omdat
-ik me dit telkens weer verbeeld?—soms, als ik me in zielsangst afvraag
-hoe ik toch zonder je leven zal, is het me of ik antwoord krijg, of
-engelen me komen toefluisteren dat ze me een kindje willen brengen. Ik
-moest niet luisteren naar die beloften, maar het maakt me minder
-ongelukkig en—zijn ze bestemd om onvervuld te blijven—ach, ik ben er
-reeds aan gewoon, de engelen met de blijde boodschap op eens te zien
-verdwijnen...
-
-
-
-»Gister zei je, dat het egoïstisch van me was weg te gaan. Als je niet
-meer telkens gestoord wordt, als ik je tijd niet meer vraag voor
-allerlei nietigheden, als je geheel leven kunt voor je werk, geheel
-toebehooren aan je betrekking, dan zul je weten dat het niet egoïstisch
-van me was weg te gaan.
-
-
-
-»Gustaaf, ik droomde dat ik aankwam in Holland. Ik stond op het midden
-van de loopplank. Iemand bracht me een brief. Aan den wal wachten pa en
-ma en de broers en zusters. Ze wenkten me toe. Ik zag duidelijk ma’s
-lief gezicht: ze schreide van vreugde. Ik hoorde de neefjes en nichtjes
-roepen: »Tante, tante Nita!« en ze zonden me kushandjes toe... ik stond
-daar en las den brief. Hij bevatte maar vier woorden: »Kom weer bij
-me.« Toen groette ik pa en ma uit de verte en keerde terug op de boot;
-de loopplank werd ingehaald, ik hoorde ze roepen, gillen; ik zag hoe
-mijn arm oud vadertje moest worden vastgehouden, hoe mama’s gezicht
-veranderde... ik bekommerde er me niet om, ik voelde me zoo licht als
-een veêr. »Hij wil me terug hebben, hij mist me, hij verlangt naar me!«
-riep ik, tot ze eindelijk verdwenen uit het gezicht.
-
-»Dwaze droom, niet waar? Maar o, ik had voort willen droomen,
-luisterend naar de machine, waarvan iedere slag me nader tot je bracht,
-ik had voort willen droomen tot in eeuwigheid.
-
-»Als je wist met welk een vreeselijk gevoel van teleurstelling ik
-wakker werd! Ja, ik zal de machine hooren, maar niet om me tot je te
-brengen!
-
-»Morgen reeds is het de dag van mijn vertrek... morgen reeds, ik had
-altijd gehoopt dat er nog iets tusschenbeide zou komen, maar morgen
-reeds... nu kan het niet meer.
-
-»O, Gustaaf, ik heb je toch wel bemind! Ik bemin je nog, Gustaaf, boven
-alles! Hoe zou ik anders moed vinden om dit te doorstaan? Wat zijn de
-menschen gelukkig die plotseling sterven; ze behoeven geen afscheid te
-nemen...«
-
-
-
-
-
-
-
-XL
-
-OP DE MAILBOOT.
-
-
-»15 April.
-
-»Lieveling, wat is dat vreeselijk geweest! Had ik het maar geweten dat
-je nog zooveel van me hieldt, had ik het maar geweten dat je er zooveel
-onder lijden zoudt, geloof me, ik was bij je gebleven.
-
-»Je zult misschien niet begrijpen hoe ik het bedoel—jullie mannen voelt
-zoo heel anders dan wij—maar voor mij is het afscheid lang zoo bitter
-niet geweest als ik het me had voorgesteld. Je waart zoo bedroefd en
-dat vond ik zoo heerlijk! Je naamt me zoo telkens weer in je armen en
-je drukte me zoo vast aan je hart...
-
-»En weet je wat je wel driemaal hebt gezegd: »Kind, hoe zal ik zonder
-je leven!« Dat heeft me zooveel goed gedaan! zoo onbeschrijfelijk veel
-goed!
-
-»En weet je wat je ook gezegd hebt? Dat je nu eerst begreept hoe
-gelukkig je geweest was... dus, ik heb je toch geluk geschonken, al was
-het niet zoo veel als het had kunnen zijn!... Gustaaf, je moet me
-vergeven dat ik niet meer vertrouwen, niet meer geduld heb gehad; het
-was zoo treurig met me gesteld in den laatsten tijd... ik kon me niet
-goed meer rekenschap geven van hetgeen er in me omging; onze verhouding
-was zoo vreemd geworden; ik tastte in het duister rond... God geve dat
-ik niet heb misgetast! Soms vrees ik het.
-
-»Hoe heb je het nu? Gaat alles geregeld? Handhaaft Mingo zich in zijn
-ouden roem? Zorgt Sarinah goed voor je? En ondervind je veel
-deelneming? Mevrouw Paerel heeft me beloofd zooveel voor je te zijn als
-je haar zoudt willen toestaan; trek je nu niet terug, ze zijn zoo
-hartelijk en niet zooals veel hartelijke menschen, vervelend.
-
-»Toen ik nog bij je was, heb ik ’t je wel eens wat lastig gemaakt met
-mijn altijd vragen om liefde; nu je mij niets meer behoeft te geven,
-wijd je nu elken dag, al heb je het ook nog zoo druk, een oogenblik aan
-mijn vrienden, de dieren en de bloemen: het zal je zoo helpen, om je
-hart warm te houden, tot ik weer bij je ben om dat te doen.
-
-»Maak je over mij geen oogenblik ongerust. ’t Is waar, ik was niet heel
-flink, niet half wat ik had willen zijn, maar je weet, flauw vallen is
-een slechte gewoonte van me en toen we maar eenmaal onder stoom waren
-ging alles goed.
-
-»Er zijn veel kinderen aan boord, dus behoef ik me geen oogenblik te
-vervelen en dan, je weet hoe vriendelijk de menschen me altijd en
-overal behandelen.
-
-»Wat de Hagens betreft, er is me al meer dan eens gevraagd of ik hun
-dochter was, zóó dragen ze me op de handen; je ziet, het zou ondankbaar
-van me zijn, als ik me niet liet troosten.
-
-»Bij aankomst hier vond ik je telegram. Hartelijk dank voor de goede
-woorden, ik leg ze bij de anderen weg in mijn hart, en als al de
-hartelijkheid die ik ondervind me niet troosten kan, wat ik soms vrees,
-dan zullen zij het kunnen.«
-
-
-
-»Padang 16 April.
-
-»We liggen hier op de reê, met een prachtig gezicht op de eilandjes,
-die als groote groene ruikers op het zilverblauwe water zijn gestrooid;
-op den Apenberg met zijn wonderlijk mooie tinten, zooals hij daar bijna
-loodrecht, donkergroen met violetten weerschijn, oprijst uit de zee;
-allerlei kleine prauwen glijden voorbij, in de verte komt het
-stoombootje met de laatste passagiers, want we vertrekken over een paar
-uur.
-
-»Je ontvangt dezen binnen enkele dagen. Vind ik weer een telegram van
-je op Suez?
-
-
-
-»O, Gustaaf, verbeeld je. Ik zal probeeren het je te schrijven. Maar ik
-beef zoo, ik ben zoo vreeselijk geschrikt. Daareven kwam het bootje met
-de passagiers: een familie met negen kinderen en twee officieren van
-Atjeh.
-
-»Een er van kon niet loopen, hij werd op het dek gedragen. Mijnheer
-Hagen zei me, dat het zoo’n naar gezicht was, dus was ik niet gaan
-kijken, maar daar hoorde ik op eens om eau de cologne roepen; die erge
-zwakke was bewusteloos geworden. Ik had een flacon naast me staan, ik
-ging die dadelijk brengen, en Gustaaf! wie denk je dat het was? James!
-Onze James!
-
-»O, maar onherkenbaar! Arme, lieve, trouwe jongen, het is met hem
-gedaan, hij kan niet eens zijn hoofd meer opheffen. Als je hem zag,
-zooals hij daar ligt, die vroolijke, sterke, moedige James! Ik ben bij
-zijn veldbed neergevallen.
-
-»Toen hij bijkwam en me zag, was hij niets verbaasd. Hij glimlachte
-even en sloot de oogen. Ik dacht dat het weer een flauwte was, maar een
-oogenblik later zei hij: »Ga nu maar naar de anderen, dokter; ik ben
-bezorgd; mijn goede engel is bij me!« Och, Gustaaf als je die stem
-gehoord hadt... Ik dacht dat mijn hart zou breken.
-
-»Hij heeft zijn woord maar al te goed gehouden; iedereen is vol van
-zijn lof. ’t Schijnt dat hij zich bijzonder onderscheiden heeft; een
-van de heeren vertelde het aan mevrouw Hagen.
-
-»Heb ik je gezegd dat hij gewond is bij dat gevecht? Maar aan die wond
-zou hij niet sterven; ’t is die vreeselijke malaria, die hem vermoordt.
-De dokter geeft weinig hoop; goddank, dat ik hier ben om zijn laatste
-dagen te verzachten. Het zal hem aan niets ontbreken. O, als ik hem nog
-redden kon! hij heeft zoo’n sterk gestel en, niet waar, de zeelucht
-doet soms wonderen!
-
-»Vaarwel, lieve, ik kan hem niet langer alleen laten; de koorts komt op
-en hij roept om me.
-
-
-
-»22 April.
-
-»Hoeveel keeren was ik reeds van plan je te schrijven. Maar je weet
-niet hoe mijn tijd wordt in beslag genomen door onzen armen zieke. Ik
-heb nu mevrouw Hagen verzocht bij hem te gaan. Zij zou me zeker meer
-helpen, maar zij souffreert voortdurend aan zware hoofdpijnen—een vorm
-van zeeziekte, zegt de dokter,—en alleen wanneer de boot bijna stil
-ligt, zooals nu, voelt ze zich wel genoeg om boven te blijven. Wij
-hebben anders geen klagen over de sterke beweging: bijna altijd een
-kalme zee, het mooiste weer dat men zich wenschen kan, een prettige
-commandant en een goede geest onder de passagiers (tot nog toe): dus,
-daar ook de tafel en de bediening weinig te wenschen overlaten, alles
-wat men aan boord eischen kan.
-
-»In den toestand van James is nog niet veel verandering gekomen: alleen
-verbeeld ik me dat hij in deze vier dagen iets minder zwak is geworden,
-maar och, misschien schijnt dit maar, omdat ik geloof wat ik hoop. Als
-hij geen koorts heeft—want dan zou zijn gekreun de andere passagiers
-hinderen—ligt hij op het dek en zit ik met een boek of handwerk bij
-hem. Meest moet ik voorlezen, of anders praten. Maar in zijn half
-dommelenden toestand heeft hij geen recht begrip van tijd meer en als
-ik dan, soms na een uur, ophoud, dan is het: »Ben je nu al moe, Nita?
-Toe ik hoor je stem zoo graag; als ik je stem hoor, voel ik geen pijn.«
-
-»Je weet, hij was nooit veeleischend; maar ik geloof dat hij niet
-geheel toerekenbaar meer is: soms blijkt het me dat hij niet eens
-gehoord of ten minste niet begrepen heeft wat ik las of sprak.
-
-»Die andere luitenant is niet zoo erg ziek, maar lijdt aan
-geestverzwakking, ten gevolge van typhus. Te denken hoeveel jonge en
-krachtige lichamen op die manier gesloopt worden; te denken dat de
-moeders haar zonen in zulk een toestand thuis krijgen; te denken wat
-dat zijn moet voor een vrouw, haar man zoo weer te zien. Soms stel ik
-me voor, dat je officier waart en op Atjeh, en dan kom ik me zelve zoo
-ondankbaar voor; waarom kon ik niet tevreden zijn? Ik behoefde ten
-minste niet in angst te leven; je waart daar op de secretarie ten
-minste niet in gevaar! Er zijn verscheidene officiersfamiliën aan
-boord; als ik denk aan wat zij hebben doorstaan, dan voel ik me klein,
-dan schaam ik me bijna.
-
-»Gelukkig hebben we onder de passagiers een non, die dadelijk als
-liefdezuster is opgetreden. Ik leer veel van haar: ze is zoo handig, ze
-kan zoo rustig en bedaard blijven bij alles! Soms benijd ik ze: er ligt
-zulk een vrede op dat lieve bleeke gezicht onder de kap, die haar
-schijnt te beschutten tegen al het kleine, dat dikwerf de gedachten van
-ons, andere vrouwen, vraagt. Ik weet wel, ik, die de hoogste zaligheid
-ken, ik moest slechts medelijden hebben met zoo eene, die niet mag
-beminnen; och, het zou ook niet in me opkomen als je bij me was, maar
-ik voel me soms zoo verlaten, zoo troosteloos verlaten. En dan, zoo’n
-vrouw vraagt of twijfelt niet meer, ze geeft zich over, terwijl ik ...
-och, ik vraag altijd door, waarom dit zoo heeft moeten wezen? waarom
-dat niet anders zijn kon? Weet je wat me zoo treurig stemt dezer dagen,
-Gustaaf! nu ik James daar zoo liggen zie en ik telkens denken moet aan
-mijn ledig huis en mijn eenzamen man en onze verloren illusies? De
-gedachte dat ik, met al mijn goeden wil, met al mijn ernstig streven om
-voor mijn omgeving veel te zijn, de beide mannen, die het meest van me
-gehouden hebben, zoo weinig geluk heb kunnen schenken. Dat is één van
-de raadselen, die ik vergeefs tracht op te lossen. Maar er zijn vele,
-vele andere; ’t is of de golven ze me ’s nachts komen aanbrengen.«
-
-
-
-»Suez, 8 Mei.
-
-»Ik heb James verteld, dat ik aan je schreef. »Groet hem van me«,
-fluisterde hij. En toen nam hij mijn hand en vroeg:
-
-»Wil je hem zeggen, Nita, dat ik me zijn vertrouwen heb waardig
-gemaakt?«
-
-»Arme jongen! Zooveel had hij niet misdaan, dat hij er zoo voor boeten
-moest!
-
-»Ik verzekerde hem dat je hem alles vergeven hebt, lang geleden, en
-toen zei hij met een zweempje van zijn oude ondeugendheid: »Dat is niet
-heel moeilijk, geloof ik, den man te vergeven, die je vrouw het hof wou
-maken, als je zóó zeker weet dat ze er niet van gediend was!«
-
-»Ik ben zoo blij dat hij dit gezegd heeft, want hij lachte er bij en
-keek me vrij in het gezicht, zoodat ik zeker weet dat hij van zijn
-dwaasheid genezen is. Ik zou me anders, nu hij wat beter wordt, niet
-geheel op mijn gemak gevoeld hebben met hem.
-
-»Dat is ook een van de vele vragen die ik me doe: of ik die geheele
-zaak niet te hoog heb opgenomen? Soms, als ik hier rondom me zie onder
-al die vroolijk schertsende, veel etende, rustig slapende, kalm
-voortvegeteerende menschen, kom ik me, met al mijn bezwaren en
-bekommernis en twijfel, zoo dwaas voor. Had ik misschien moeten lachen
-om James? Is dat misschien de verklaring van veel wat me bezig houdt,
-dat ik het leven te veel heb beschouwd als ernst? Maar mijn God, is het
-dat dan niet?«
-
-
-
-»10 Mei.
-
-»Je kunt je er geen denkbeeld van maken, Gustaaf, hoe ik begin te
-verlangen naar het oogenblik van onze aankomst. Er zijn in Buitenzorg
-dagen geweest—nachten geloof ik weinig, maar dagen—dat ik in ’t geheel
-niet dacht aan thuis, en nu—het is of iedere mijl die we nader komen me
-meer vervult met de gedachte aan al de lieven, die ik terug zal zien.
-
-»Arme man, ik zeg dikwerf tot me zelf, dat je een groot geluk gemist
-hebt.... thuiskomen uit Indië en nog een vader en moeder vinden! Vooral
-sedert ik weet dat we in Genua aan wal zullen gaan, wordt dat verlangen
-grooter en grooter; het stemt me zoo gelukkig, het is de beste bron van
-troost die ik vind voor onze scheiding.
-
-»Ja, we gaan in Genua aan wal. Je begrijpt, als James niet in staat was
-geweest de reis over land te maken, dan was ik met hem aan boord
-gebleven, maar ik zag daar erg tegen op: twaalf dagen langer op zee en
-dan door de golf van Biscaye, en dat met een half verlaten boot, want
-ieder debarkeert in Genua; alleen de groote gezinnen, die het
-overleggen moeten, gaan mee door. Maar Goddank, er is, sedert we meer
-in de koude zijn, verandering ten goede gekomen: eerst werd hij
-spraakzamer, toen bleef de koorts weg, toen kreeg hij meer lust in eten
-en nu begint hij al langzamerhand een paar stapjes te doen. Op krukken,
-Gustaaf, denk je dat eens, James op krukken! Gisteren beproefde hij het
-voor het eerst, toen de anderen aan tafel waren; de zuster was bij hem;
-ik kwam toevallig boven, maar o, ik kon het niet helpen, toen ik hem
-daar zoo zag heenstrompelen, toen ben ik uitgebarsten in tranen. Eerst
-lachte hij me uit en liep verder, maar toen gooide hij op eens de
-krukken weg, ver over het dek en viel neer op zijn veldbed met de
-handen voor het gezicht.
-
-»De zuster beknorde me over mijn gebrek aan zelfbeheersching, en ik was
-doodelijk bang dat het hem kwaad zou doen, maar hij vindt het zoo
-heerlijk om beter te worden, hij geniet zoo van dat gevoel van
-terugkeer en de kracht, dat niets hem kwaad zou kunnen doen op dit
-oogenblik, geloof ik.
-
-»Hij wil echter de krukken niet meer gebruiken. Mijnheer Hagen steunt
-hem met de zuster; je begrijpt, ik ben daar te klein voor en ook, sinds
-hij beter wordt, voel ik me erg lui en lusteloos. De dokter zegt, dat
-als hij zoo blijft vooruitgaan, de reis over land hem geen kwaad zal
-doen; natuurlijk zal het zijn: zachtjes aan, maar de Hagens behoeven
-geen haast te maken.
-
-»O ja, schreef ik dat reeds? De Hagens hebben beloofd bij ons te
-blijven; vin je dat niet lief van hen? Wij zijn veel bij elkaar geweest
-met ons viertjes en ik kan hun niet dankbaar genoeg zijn; vooral
-mijnheer heeft me veel goed gedaan: hij sprak zoo telkens over je; als
-hij zag dat ik bedroefd was, dan kwam hij bij mij zitten en liet me
-over je praten; ik kon dat met niemand beter; hij waardeert je zoo. En
-dan—soms beweert hij dat je zijn voorbeeld heel gauw volgen en naar
-Holland komen zult.
-
-»Ik heb gedaan wat je me aanriedt en het gezelschap van mevrouw Hagen
-gezocht. Je dacht dat ik er van profiteeren zou om me kalmer te
-stemmen, om me de wereldsche zaken meer uit een praktisch oogpunt te
-doen zien. Misschien zal dat ook wel het geval zijn, achterna; maar op
-het oogenblik zelfs stemt ze mij niet kalmer. Zij is zoo verstandig,
-zoo logisch, zoo beredeneerd als alleen vrouwen zijn kunnen, die nooit
-een grooten hartstocht hebben gekend; ik kan het niet van me afzetten,
-dat ze me overdreven vindt en—verliefder dan het met de waardigheid van
-eene vrouw overeenkomt.
-
-»Je weet, ik kan eigenlijk alleen vertrouwelijk worden met menschen bij
-wie het hart het hoofd beheerscht: die zuster bijvoorbeeld, ik geloof
-stellig dat ze dol van iemand gehouden heeft! Ik heb haar alles
-verteld—dat vin je toch niet verkeerd? Je begrijpt, ik moest iemand
-hebben voor wie ik mijn leed uitstortte—en ze heeft alles begrepen. Op
-een avond liet ik haar je portret zien. Ze zei niets anders dan: »Arm
-kind! wat moet je dat gezicht liefhebben...« en ik weet niet hoe het
-kwam, maar we schreiden samen en sedert weet ik dat ze van iemand
-gehouden heeft.
-
-»Ik had me in den laatsten tijd bij het gadeslaan van ons
-reisgezelschap—het zijn bijna allen zieken, zwakken of
-teleurgestelden—dikwerf afgevraagd of men eigenlijk wel het recht heeft
-zich zoo te verdiepen in eigen klein leed, terwijl anderen zooveel
-grooter moeten dragen. Maar de zuster zegt, er is geen klein leed of
-groot leed: alles hangt af van het hart dat het ondervindt.
-
-»En dat begin ik ook te gelooven! Als ik bedenk hoe het me smarten kon
-wanneer je me maar ontevreden aankeekt, en als ik dan hoor hoe
-onvriendelijk enkele mannen hieraan boord voor hun vrouwen zijn en hoe
-die vrouwen een oogenblik later lachen, van ganscher harte lachen
-kunnen, dan geloof ik ook dat het alles maar van het hart afhangt. En
-misschien begrijpen wij menschen elkaar zoo weinig, omdat we altijd bij
-een ander hetzelfde gevoel zoeken als we zelf hebben. Ik ondervind in
-deze nieuwe omgeving dagelijks hoe men zich in elkaar vergist. Zoo is
-er, behalve mij, nog een dame aan boord, wier man in Indië is
-achtergebleven. Ik voelde me tot haar aangetrokken door de overeenkomst
-in onze omstandigheden en maakte met haar kennis. Wat vertelt ze me? Ze
-ging naar Europa voor pleizier! Omdat het haar verveelde langer in de
-binnenlanden te zitten. Ze wou de wereldtentoonstelling zien en Parijs
-en Weenen. Ze was nooit in de groote opera geweest en ze vond dat dit
-hoog tijd werd en—dan moest ze haar garderobe vernieuwen, men raakte op
-zoo’n buitenpost zoo ten achteren met de modes! Mijn verbazing
-amuseerde haar. Gelukkig dat ze niet in mijn hart kon lezen.
-Afschuwelijk! je man te verlaten om zulke redenen. Als ik dan denk aan
-den strijd dien het mij heeft gekost!«
-
-
-
-»11 Mei.
-
-»Je begrijpt, lieve, in dien tijd toen ik daar zoo uren lang stil bij
-James moest blijven zitten, had ik alle gelegenheid om de passagiers
-gade te slaan en mijn opmerkingen over hen te maken. Nu hij aan de
-beterhand is, beweeg ik me natuurlijk meer onder hen en onderzoek of ik
-goed heb gezien, of mijn gevolgtrekkingen juist zijn. De ongetrouwden
-interesseeren me minder; ik let meer op de getrouwden; ik zou zoo graag
-het geheim ontdekken, dat groote geheim, hoe men een man gelukkig
-maakt.
-
-»Er zijn getrouwde lui van elken leeftijd met volwassen dochters, met
-zuigelingen—het tweede schijnt me nog minder soesah dan het eerste: met
-kinderen in Holland: zonder kinderen. De meeste ouderparen komen me
-voor, elkaar te beschouwen, zooals de eigenaar een kip beschouwt, uit
-het oogpunt van de eieren die zij legt: de vrouw is lief voor den man,
-ze schijnt hem dankbaar voor de ruime omstandigheden waarin ze
-verkeert, voor de mooie positie die ze met en door hem inneemt; de man
-is vriendelijk voor haar, trotsch op de aardige, vlugge kinderen, die
-zij hem geschonken en goed opgevoed heeft, beiden gaan op in dingen
-waarmede de liefde weinig te maken heeft.
-
-»Onder de jongeren vind ik er verscheidene, die bij afwisseling
-kibbelen en zich laten verteederen, maar dat is niet wat ik bedoel:
-geluk is in mijn oog iets rustigs, iets bestendigs. Huwelijken waar de
-man, door de vrouw geboeid, alles in haar schijnt te vinden, zie ik er
-tot nu toe maar twee.
-
-»Bij die twee dames, dacht me, kon ik een lesje nemen, maar ach, man,
-wat ben ik teleurgesteld! Je zult het niet gelooven, maar die eene, die
-zoo aangebeden wordt, is een grillig schepsel vol kuren. Ze laat zich
-door hem bedienen of zij een vorstin was en hij haar slaaf, ze stoot
-hem van zich, ze haalt hem weer aan, en ze speelt met hem als een kind
-met zijn hansworst. En daarbij komt het me voor dat ze, hoewel niet
-bepaald lichtzinnig, zóó koket is als een fatsoenlijke vrouw wezen kan
-zonder dien naam te verliezen... Gustaaf, als ik ook koket geweest was,
-als ik je ook zoo in een voortdurende spanning gehouden had, zou ik je
-dán misschien geboeid hebben? Het andere huwelijk is me nog
-raadselachtiger. ’t Is van dien rechterlijken ambtenaar, je weet wel;
-je kende hem nog van vroeger. Zij is mooi, dat is zoo, en jong, maar
-zoo onbeteekenend! En dan daarbij die man met zijn helder verstand, met
-zijn groote ontwikkeling, die man, wien het een behoefte blijkt om zich
-mee te deelen, die met zoo’n innig genot al wat hij gedacht en gelezen
-en ondervonden heeft, bespreekt. Me dunkt, alleen dat slaperig,
-vervelend mooi gezicht moest genoeg zijn om hem te verhinderen haar
-ooit van iets dat hem vervult deelgenoot te maken. Toch—ze zijn acht
-jaar getrouwd en hij is doodelijk van haar, ik kreeg daarvan meer dan
-één bewijs. Gister nog. Je moet weten, die kokette vrouw—van wie ik
-daareven sprak—is zeer lief voor hem en nu hadden ze gister een uur of
-langer samen zitten praten, bizonder geanimeerd, toen hij eindelijk
-opstond.
-
-»»Gaat u reeds weg?« vroeg ze: »kom blijf nog wat...«
-
-»»De maan komt op, mevrouw,« zei hij.
-
-»»Welnu, wat doet dat er toe? U bent toch niet maanziek?«
-
-»»Een beetje... als de maan schijnt word ik teeder en als ik teeder ben
-moet ik bij mijn vrouw wezen.«
-
-»O, Gustaaf, toen ik hem een oogenblik later met haar zag op en neer
-wandelen, had ik een heel ondankbaren inval: ik wenschte dat pa en ma
-me maar niet hadden laten leeren.«
-
-
-
-»12 Mei.
-
-»Het is misschien heelemaal ongegrond, maar hoe dichter we bij Genua
-komen, hoe meer ik de zekerheid krijg dat papa daar zijn zal om ons
-welkom te heeten. Ik doe alles om mezelve van dat denkbeeld af te
-brengen, maar ik kan me onze aankomst niet anders voorstellen dan met
-hem, en James gelooft het ook stellig en vast.
-
-»Wat ben ik blij dat ik er zoo gezond uitzie! Je weet niet wat de
-zeelucht mij een goed gedaan heeft en dan die koude, die met den dag
-grooter wordt, en dan, geloof ik, ook dat gevoel van voor iemand
-onmisbaar te zijn. Weet je wat ik weleens gedacht heb, als ik zoo bij
-James zat? Hoe prettig het zou geweest zijn als je een beetje minder
-goede gezondheid hadt genoten. Zoo’n dagje thuis van tijd tot tijd, wat
-een buitenkansje voor mij! ik was dan heel gezellig bij je gaan zitten,
-ik had je kamillen laten drinken en koelte toegewuifd en voorgelezen.
-Je zult wel zeggen dat ik heel onverstandig word en dwaze wenschen doe;
-ja, lieveling, dat is zoo: soms heb ik spijt dat ik niet koket geweest
-ben; dan zou ik dom willen zijn: nu weer beklaag ik me dat mijn man
-niet ziekelijk is... Het wordt hoog tijd dat ik thuis kom! Thuis kan ik
-niet anders dan goede gedachten hebben, dunkt me. Over drie dagen! Kon
-je bij me zijn, Gustaaf!«
-
-
-
-»13 Mei.
-
-»De zuster en ik hebben van avond nog eens voor het laatst
-vertrouwelijk samengepraat. Ze zegt dat ze veel geluk voor ons ziet in
-de toekomst, dat deze scheiding noodzakelijk was, opdat we onszelf en
-elkaar, bij kalm nadenken, beter zouden leeren begrijpen. Ik bekende
-haar dat ik me soms zoo beklemd, zoo beangst gevoel, maar zij gelooft
-dat onze liefde eene groote liefde is, en dat ze dus door de
-afwezigheid eer vermeerderen dan verminderen zal.
-
-»Maar toen ik vroeg, hoe—al waren wij hereenigd en nauwer verbonden
-door de waardeering die het gemis schenkt—hoe toch ooit het groote
-verschil in onze levensbeschouwing zou worden weggenomen, hoe we ooit
-het geluk zouden vinden als we het zochten in verschillende richting,
-toen nam ze mijn hand en kuste me: »Kind, we moeten ook wat aan God
-overlaten, misschien wil Hij je een kleinen wegwijzer zenden«.
-
-
-
-»15 Mei.
-
-»Ik sluit dezen in haast. James is vrij wel en gereed om aan wal te
-gaan. Over een uur zijn we in Genua. O, liefste, waarom ben je niet bij
-me!«
-
-
-
-
-
-
-
-XLI
-
-BESLUIT.
-
-
-»Bloemduin, 22 Mei.
-
-»Ik ben thuis, Gustaaf! Ik zit tusschen papa en mama, je weet wel, op
-het oude plekje; papa houdt zich of hij de courant leest, maar telkens
-als ik opkijk knikt hij me toe, en ik kijk maar telkens op, om hem
-pleizier te doen; mama heet kousen te mazen, maar ik wil wedden dat ze
-niet één paar afkrijgt van middag, want ze doet niets dan me bedienen
-en mijn handen streelen en mijn haar glad strijken.
-
-»O, Gustaaf, die dierbare oude gezichten zoo te zien stralen, die
-liefkoozingen, die je opeens weer kind maken, te voelen, is alleen de
-moeite van de reis waard!
-
-»Ze zouden me liefst geen oogenblik verlaten; gisteren toen ik naar
-mijn kamer ging—mijn eigen lief meisjeskamertje—liep pa mee tot aan de
-deur, moest ma me helpen uitkleeden en toedekken; het was een gekus en
-een goeden nacht zeggen alsof ze bang waren dat ik weer zou wegvliegen;
-van morgen toen ik wakker werd stonden ze hand aan hand voor mijn
-bed... wie heeft ons toch gezegd dat het weerzien, als men uit Indië
-komt, een teleurstelling is? Het moet iemand geweest zijn die geen
-ouders meer vond.
-
-»Ze brachten me je telegram met dat hartelijk: »Welkom thuis!« Hoe lief
-van je! Begreep je dat dit het eenige was, wat aan mijn geluk ontbrak,
-een groet uit Buitenzorg? Wat denk je tegenwoordig veel aan me, man!
-
-»Gister waren we niet zóó gelukkig als vandaag, we waren geloof ik, te
-zenuwachtig om te genieten. We konden niets zeggen; we lachten maar
-eens tegen elkaar, en dan kregen we de tranen in de oogen en moesten
-ons weer omdraaien. Maar vandaag! vandaag is het verrukkelijk! We zijn
-op al de oude lieve plekjes geweest, James ook. We moesten natuurlijk
-om hem wat langzamer loopen; maar ik vond het prettig dat het zoo
-langzaam ging; ik had aan zooveel te denken, zooveel lief en goeds en
-vriendelijks... O, wat is ’t toch een voorrecht een gelukkige jeugd
-gehad te hebben; ’t is als de kruik met koelen drank die men den
-reiziger meegeeft; telkens wanneer hij zich vermoeid gevoelt, put hij
-uit haar nieuwe kracht.
-
-»Toen ik papa in Genua zag—want hij was in Genua, zooals ik
-verwachtte—vond ik hem oud geworden, maar sinds is het alsof hij elken
-dag bijkomt; mama zegt, dat hij veel geleden heeft onder mijn
-afwezigheid, maar hij beweert dat de vreugd van het wederzien de smart
-der scheiding te niet heeft gedaan.—Vin je dat niet lief van de tantes?
-Het rijtuig was aan den trein om ons af te halen; ze hadden prachtige
-bloemen gestuurd, maar ze waren zelve niet gekomen. »We gunnen ze je,«
-riepen ze maar, toen pa haar noodigde, »we gunnen ze je! Drie dagen mag
-je ze geheel alleen hebben; dán beginnen we te deelen!«—Van morgen
-zonden ze aardbeien: ’t waren er maar negen, de allereerste; vijf voor,
-mij en vier voor James. Er was een briefje bij; ze schreven dat ze haar
-belofte houden wilden en niet komen vóór de drie dagen om waren, maar
-dat, als pa er misschien iets tegen vond, ze gaarne haar meening aan de
-zijne zouden opofferen... We zijn er dadelijk heengegaan. Och liefste,
-wat is het goed dat we in Indië niet weten, hoezeer we betreurd worden
-in Holland! Ze konden niet genoeg van je hooren! Ze hielden elk een
-hand van me vast; ik moest maar praten, en als een ander iets zei, dan
-riep tante Dorothée dadelijk: »Laat háár nu vertellen!« Tante Mina werd
-erg ongeduldig, omdat ze niet alles verstaan kon, en tante Bettemie,
-die arme blinde ziel, zette mijn hoed af en streek mijn krullen
-glad—dat doet iedereen, Gustaaf; maar niemand kan het zooals jij—en
-vroeg maar telkens weer, hoe ik er uitzag. En dan riepen vier stemmen
-te gelijk: »O, heerlijk! Om te stelen! Liever dan ooit! Nog liever dan
-vroeger.« Maar daar werd tante boos om. »Nog liever dan vroeger?... dat
-is onmogelijk! dat zeg jullie maar om mij te plagen!«... O, je kunt er
-geen voorstelling van maken hoe zalig dat is, zoo’n thuiskomst. Wàt zou
-het geweest zijn als we samen gekomen waren!
-
-»Het houdt niet op met brieven en briefkaarten van de broers en
-zusters. Het plan is, dat ze, zoo mogelijk, allen Zondag hier zullen
-zijn. James verheugt er zich zeer op en ik ook, ik verlang hen allen
-terug te zien. Maar toch had ik liever gewild, dat we nog wat met pa en
-ma alleen gebleven waren; ze zijn zoo gelukkig!«
-
-
-
-»Bloemduin 25 Mei.
-
-»Het is Zondag. Wat is dat toch iets eigenaardigs, zoo’n hollandsche
-Zondag: dat feestelijk gevoel waarmee men wakker wordt, die deftige
-stilte in de straten, dat nette van de menschen in hun beste pak, dat
-plechtig gelui van de klokken: ik heb dat gemist in Indië: ik voel het
-nu.
-
-»De broers en zusters zijn allen hier—zelfs Rudolf is uit Groningen
-overgekomen, ofschoon hij voor zijn candidaats zit. Pa wou hem eerst
-beknorren, maar opeens viel hij zichzelf in de rede en zei: »’t Is goed
-jongen, ’t is best: voor háár is niets te veel!« O, die pa! Ik wist
-niet dat hij me zóó liefhad! Ze noemen me allen nog bij de oude
-naampjes en ze willen me allen bedienen. Als ik zeg dat mijn krullen
-vandaag twintigmaal zijn opgedraaid, op twintig verschillende vingers,
-dan jok ik niet. ’t Is dwaas, maar ik heb weer dienzelfden indruk, dien
-ik als kind had, alsof de zon ’s Zondags anders schijnt dan in de week,
-en alsof nergens op de geheele wereld die dag zoo innig genoegelijk
-gevierd kan worden als in het oude huis van den burgemeester van
-Bloemduin.
-
-»Wij zijn van morgen naar de kerk geweest. Och, wat spijt het me, dat
-je dit hebt moeten missen. Je hadt er bij moeten zijn, lieve, het was
-zoo eenig, zoo om nooit te vergeten, zoo om je opeens te verzoenen met
-het leven op een dorp. De zon scheen dan, zooals zij alleen ’s Zondags
-doet; ma ging met James vooruit en dan volgde ik met pa: daarachter de
-broers en zusters. Overal zagen we gordijntjes optillen, nieuwsgierige
-gezichten over horretjes kijken; de menschen stonden stil aan den kant
-van den weg, om ons te laten voorbijgaan—dan was het telkens dezelfde
-vertooning! Eerst heel eerbiedig de pet af. »Goeje morge, burgemeester,
-goeje morge, mevrouw!« En dan, als ik stilstond en de hand uitstak en
-ze bij den naam noemde—ik kende ze allen nog—opeens een heel andere
-toon: »Dag juffer Nietje! Dag lief kind! Hoe heb je ’t gehad in den
-Oos?« Maar als ik verder ging, dan barsten ze eigenlijk pas los. »Och
-Heere, ’t is nog krek dezelfde. Niks niet grootsch! En ze willen toch
-wel zeggen, dat ie ’n ergen heugen is daarginder!«
-
-»Maar de held van den dag was James! Hij droeg zijn uniform met kruis
-op de borst. Ze hebben van hem gelezen in de couranten; ze weten
-precies waar en wanneer hij gewond is geworden, waar hij zijn
-Willemsorde verdiend heeft... en—je zult het niet gelooven van die
-stijve boeren, maar ze drongen om hem heen en moesten hem zien, een
-hand van hem hebben... Op eens stoof Jan Mulder, je weet wel, die
-oud-soldaat, op hem af en wees op zijn borst, en riep, hoera! en toen
-barstten ze los en gooiden met de petten en tilden hem in de hoogte op
-hun schouders... ’t was of ze nooit meer tot bedaren zouden komen... me
-dunkt, zijn pijn en lijden zijn hem vergoed.
-
-»Door al dat oponthoud kwamen we laat in de kerk. Maar ook dáár hadden
-ze op ons gewacht; toen we binnentraden begon het orgel te spelen en
-zong de gemeente het eerste vers van Psalm 103. Je kent het wel?
-
-
- »Loof, loof den Heer mijn ziel met alle krachten,
- Verhef zijn naam, zoo groot, zoo heilig t’ achten,
- Och, of nu al wat in mij is Hem prees!«
-
-
-»Ik hield me goed; bij al mijn geluk en dankbaarheid kon ik toch niet
-vergeten, hoe geheel anders nog het zou geweest zijn als je bij me was;
-maar James snikte als een kind... hij is ook nog zoo zwak. Ik weet niet
-wat de dominé heeft gepreekt. Ik keek maar naar de bekende gezichten,
-die zich zoo trouwhartig naar me toekeerden, naar den preekstoel, die
-ons, kinderen, zoo menig uurtje hielp doorkomen en die jij zoo
-afschuwelijk vondt met die dieren uit het paradijs er op; ik telde de
-aapjes en de kraaien en de ijsberen, en ik vond het prettig, dat er nog
-precies evenveel waren als vroeger; toen keek ik naar den voorzanger en
-lachte met Corrie om de gekke gezichten, die hij nog altijd trekt; toen
-merkte ik op, dat de vrouwtjes van het gasthuis een nieuw model van
-neepjesmuts hadden gekregen... toch was ik onbegrijpelijk gesticht.
-Maar onder het gebed keek ik naar het lieve, oude, grijze hoofd, dat
-zich zoo diep boog over de gevouwen handen.
-
-»De tantes hadden ten strengste verboden, dat iemand ons zou bezoeken
-vóór een week na aankomst, maar nu was er niets meer aan te doen: ze
-stonden op rijen geschaard aan de kerkdeur, ze stroomden letterlijk ons
-huis binnen, en ik geloof dat de zusters meer dan honderd kopjes koffie
-geschonken hebben: ik kon niet helpen, ik kon niets doen dan handen
-geven en op James passen, die zich veel te veel vermoeide en van avond
-volstrekt naar de »Gezelligheid« wil om de jongens te trakteeren.«
-
-
-
-»Bloemduin, 1 Juni.
-
-»Wat ik je nu te vertellen heb is zoo verrukkend, zoo onbeschrijfelijk
-heerlijk, dat ik haast niet weet, hoe ik ’t je zeggen zal. Gustaaf,
-onze liefste wensch wordt vervuld! Eindelijk is al mijn twijfel
-veranderd in een zalige overtuiging: mama weet ’t zeker, de dokter weet
-’t zeker, en ik begrijp nu, dat ik het zelve reeds lang zeker geweten
-heb—maar dat ik ’t alleen niet durfde gelooven. Als je dezen ontvangt,
-behoeft het nog maar enkele maandjes te duren en je kleine Nita is een
-gelukkig moedertje. O, als ik een kindje heb, dan kom ik gauw weer bij
-je terug, dan geloof ik dat ik ’t je niet meer lastig zal maken, dan
-zal ik niet meer eischen dat je om mij je werk verzuimt... Als ik een
-kindje heb! Lieveling, ik weet wel dat je niet gelooft zooals ik, maar,
-niet waar, als je dit hoort, dan zul je toch ook danken? toch ook
-bidden?
-
-»Het is wel treurig dat we in dezen tijd niet bij elkaar zijn—bij een
-groote vreugde verlangt men zoo naar den liefste;—maar mama zegt, dat
-een vrouw in mijne omstandigheid beter bij haar moeder is dan bij haar
-man. Ik spreek het maar niet tegen: Ik heb je toch bij me. Weet je nog,
-het was in dezen zelfden tijd van het jaar... de kersenboomgaarden
-stonden in bloei en de dennen kregen die lichtgroene pluimen en er
-dreven ook witte wolkjes aan de lucht, en we hadden ook een groote
-zaligheid in het hart... ik zoek onze lievelingsplekjes op en de stille
-eenzame paadjes; soms is het me of ik je arm weer voel om mijn midden,
-of ik weer naar je moet opzien en een kus krijgen... Ik weet niet wie
-me laatst vroeg, of ik je portret meenam op die eenzame wandelingen...
-Alsof dat noodig was!
-
-»Je kunt je van de opgewondenheid der tantes geen denkbeeld maken:
-tante Mina is er wel een beetje indiscreet mee: ze schreeuwt het
-iedereen toe, met die vreeselijk harde stem van doove menschen! Tante
-Bettemie haalt me aan en kust me en vermaant me voorzichtig te
-zijn—alsof ik dat niet was—en verheugt zich dat ze nog het kind van
-háár kind—ze heeft langzamerhand je mama geheel weggedacht—zal mogen
-omhelzen vóór haar dood. Maar tante Dorothée heeft haar blijdschap op
-nog eene heel andere wijze getoond; tante Dorothée heeft iets gedaan,
-dat papa de verstandigste streek van haar geheele leven noemt, iets
-waarvan je zeker evenals ik, niet weinig verheugd zult ophooren, ze
-heeft onzen jongen—want een jongen zal het zijn, daarover zijn de drie
-oude dames het eens—ze heeft onzen jongen tot universeel erfgenaam
-gemaakt! Je weet, ze hadden, opgewonden door de freules Van Haastert,
-twee derden van haar fortuin vermaakt aan instellingen tot
-dierenbescherming. Welnu, zij heeft van haar invloed als oudste en
-verstandigste gebruik gemaakt om ook de beide andere tantes te
-bewerken. Gister was de notaris bijna drie uur hier: het testament is
-veranderd en het geheele fortuin voor ons. Nu, wat zeg je daarvan? De
-tantes verwachten van me dat ik, nu ik eenmaal op den goeden weg ben,
-me door niets zal laten weerhouden om de wereld met minstens een half
-dozijn jonge Verschuere’s te begiftigen; is het geen heerlijk
-vooruitzicht dat we nu rijk genoeg zullen zijn om ons die weelde te
-veroorloven? Is het niet een gelukkig leventje, dat ons wacht, later,
-als je gepensionneerd zijt, op dit mooie landgoed, te midden van dit
-goedige volk, dat hun nieuwen heer op de handen dragen zal?«
-
-
-
-»4 Juni.
-
-»Met de Fransche, met de Hollandsche en met de Engelsche mail kreeg ik
-in den tijd van één week drie brieven van je; heerlijke, lange, innig
-lieve, die ik meeneem op de wandeling en neerleg onder mijn hoofdkussen
-om, als ik de hand er naar uitsteek, ze te hooren kraken en me te
-zeggen dat mijn droom is vervuld, dat je naar me verlangt, dat je me
-mist, dat je me terugroept... en dat ik ze allen zou kunnen achterlaten
-om tot je terug te keeren. Maar toen je zoo schreef, en toen ik zoo
-droomde, toen wist ik nog niet van het kindje. En nu zeggen alle wijze
-menschen, dat het binnen het jaar die groote reis niet maken mag. Hoe
-kan ik nu tot je komen? O, Gustaaf, hoe moet dat gaan? We zijn nu pas
-zoo kort gescheiden en beiden schijnt het ons reeds zoo lang... je zegt
-dat je niet zonder me leven kunt... ik heb het al wel honderdmaal
-gelezen en herlezen, maar als je niet zonder me leven kunt en als ik
-zoo dwaas verlangen kan, dat ik al het goede en lieve wat me hier
-omringt vergeet, wat moet er dan van het arme kleine kindje worden? De
-oudelui nemen ’t me gelukkig niet kwalijk, dat ik van die oogenblikken
-heb, ze vinden het niet meer dan natuurlijk; soms verbeeld ik me dat ze
-er zich zelfs over verheugen. Er is één ding dat me hier hindert,
-Gustaaf. De menschen denken zoo vreemd over een scheiding van man en
-vrouw. Bij ons in Indië dwingen de omstandigheden dikwerf de
-gelukkigste paren, om, hetzij voor gezondheidsredenen, hetzij voor de
-opvoeding der kinderen, elkaar voor korter of langer tijd te verlaten.
-Van zulke toestanden kan men zich hier geen denkbeeld vormen; hier
-wordt het onveranderlijk beschouwd als een bewijs dat men ongelukkig is
-te zamen. Die nare boerinnen—ze kunnen me zoo meelijdend aankijken! Ja,
-onze goede moeder zelfs! Er is in haar teederheid voor mij iets anders
-dan in die voor de zusters; ’t is of ze gelooft dat ik het dubbel
-behoef. Ik kan je niet zeggen hoe me dat hindert, langzamerhand begin
-ik te begrijpen dat in den grond van hun hart de oudelui en de tantes,
-niettegenstaande ons duidelijk schrijven, moeilijk hebben kunnen
-gelooven aan het feit dat ik alleen zou terug keeren; nu verklaar ik me
-ook papa’s vraag, toen hij aan boord kwam: »En—Verschuere?« Die lieve
-vader heeft me met geen enkel woord verraden dat het zoo’n groote
-teleurstelling voor hem was, maar Corrie heeft het me gister verteld.
-Je moet weten, Pa wordt oud en zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer is
-hem in den laatsten tijd niet meer, zooals vroeger, een genoegen maar
-een bezwaar; vooral die reizen heen en terug naar den Haag vervelen
-hem. Nu hadden de oude lui en de tantes samen bedisseld dat, als je
-meekwaamt, pa bedanken moest en zij met hun vereenden invloed zouden
-bewerken dat je gekozen werd in zijn plaats. Je zoudt dan wel voorgoed
-in Holland blijven, meenden ze. Zóó hadden ze zich met dat denkbeeld
-vertrouwd gemaakt, dat tante Mina het nog maar altijd niet op wil geven
-en, als we eens aandringen op verbetering van een of ander dat vervalt
-of verwaarloosd wordt, ze met de grootste kalmte antwoordt: »Dat moet
-maar wachten tot Gus komt!«
-
-»Ik wou werkelijk dat je eens even kondt overvliegen om de kraamkamer
-te zien: hij wordt ontvangen als een koningskind, je jongen! Iedereen
-is reeds voor hem bezig; je moet er niet om lachen, liefste, maar tante
-Bettemie heeft al negen-en-dertig paar sokjes voor hem gebreid.
-Gisteren kwam tante Dorothée hier met een pak echte kant om het wiegje
-te garneeren. Ze was niet zooals anders, vond ik. De lieve oude vrouw,
-wat kuste ze me! Neen, ze was heel anders dan gewoonlijk... ze vroeg me
-tot driemaal toe om je te groeten.«
-
-
-
-»22 Juli.
-
-»Tante Dorothée is heengegaan. Ik begrijp dat het je, evenals ons,
-smarten zal. ’t Is waar, men kan verwachten dat eene vrouw van
-zes-en-zeventig jaar wordt weggeroepen, maar als ze nog zulk een engel
-is op aarde, dan valt het zwaar ze af te staan aan den hemel: er moeten
-er dáár zooveel zijn en we hebben er hier zoo weinig! Gelukkig heeft ze
-niets geleden; ze heeft alleen voorgevoeld dat haar uurtje daar was, en
-is gaan slapen met een glimlach om de lippen.
-
-»Het is een groot verlies voor de familie. Met de doove Mien en de
-blinde Bettemie is weinig aan te vangen; ze zijn wel niet kindsch, maar
-toch sufferig en daarbij willen zij zich niet laten raden.
-
-»Pa, de dominé, de dokter, de notaris, ieder heeft beurtelings zijn
-best gedaan om haar over te halen tot het nemen van een rentmeester,
-maar denk niet dat ze het gedaan kregen!
-
-»En toch zou het volstrekt noodig zijn. Tante Dorothée was de eenige
-die nog een weinig toezicht hield, al was het lang niet genoeg. Sedert
-je, tijdens je verlof, orde op de zaken stelde is alles
-achteruitgegaan, zegt papa; het prachtige bosch wordt geplunderd, de
-bouwgrond brengt niet half op, wat hij zou kunnen opbrengen; de
-veestapel vermindert; de boeren maken zich met mooie praatjes van de
-pacht af. Ik zou me er wel wat mee willen bemoeien, maar het staat zoo
-hebzuchtig, zoo alsof we onzen tijd niet kunnen afwachten: ook is er
-een mannenhand noodig. Daar komt bij, dat ik me in den laatsten tijd
-moe begin te gevoelen bij de kleinste inspanning. Niet dat ik zwak ben
-of ziek! Integendeel, ik ben heel flink en volstrekt niet bang,
-ofschoon soms bitter bedroefd. De tijd valt lang als men gescheiden is
-van wien men liefheeft.«
-
-
-
-»1 Augustus.
-
-»Wat verdringt, in zoo’n groot gezin als het onze, het een het ander!
-’t Is waar, tante Dorothée’s dood was eigenlijk geen gebeurtenis in
-ónze familie, maar ik geloof niet, dat ze door de Verschuere’s meer
-betreurd is geworden dan door de Van Suylichem’s. James en Corrie
-brengen nog dagelijks bloemen naar haar graf—mij is het verboden, ik
-denk toch reeds te veel aan den dood—en nu is het alweer feestvieren en
-vreugde in huis. Rudolf kwam eergister met glans door zijn candidaats.
-Hij is thuis en zooals het bij ons gaat met zulke gelegenheden, de
-broers en zusters komen van alle kanten aansporen, het geheele dorp
-neemt deel in zijne overwinning, alsof ieder die overwinning
-persoonlijk had behaald. Pa en ma zijn trotsch op den jongsten, maar
-niet den minsten hunner zonen. Ik geloof dat er spoedig weer een
-feestje te vieren zal zijn. Je herinnert je Kitty van der Elst, dat
-aardige blonde kind, het jongste dochtertje van den notaris, met wie ik
-James weleens plaagde? Nu, ’t blijkt dat de reden waarom ze een goede
-partij afsloeg en van geen uitgaan of trouwen hooren wilde, dat de
-reden daarvan onze neef was. Ze is flauw gevallen toen ze in de courant
-las van zijn eerste heldenfeit en heeft het tot driemaal toe op de
-zenuwen gehad bij zijn terugkomst; James is haar erg dankbaar voor die
-attenties; en, daar ze heel lief zingt en er beeldig uitziet, twijfel
-ik niet of hij zal spoedig waar maken, wat men reeds als een feit
-vertelt in Bloemduin, en haar zijn goed, trouw hart aanbieden.
-
-»O, Gustaaf, ik vind mezelve zoo vreemd: ’t is of sinds kort al die
-dingen me veel minder interesseeren dan vroeger, ik deel maar half in
-hun lief en leed. Ik ben onder hen en toch zoo ver, zoo ver!
-
-»Lieve, zou het waar zijn wat soms wordt beweerd, dat het kind gelijkt
-op dengeen aan wien de moeder altijd heeft gedacht...? Lieve, misschien
-zal ik er niet wezen om het je te zeggen, maar laat dan zijn gezichtje
-je de boodschap brengen, dat je mijn alles geweest bent, mijn alles!«
-
-
-
-»9 Augustus.
-
-»Gustaaf, ik ben het met de boerinnen eens: man en vrouw moeten bij
-elkaar zijn! Ik ben het met haar eens, als ze me voorbijgaan en
-medelijdend het hoofd schudden.
-
-»O, liefste, dat ik ten minste nog maar de overtuiging had, dat mijn
-heengaan je van eenig nut is geweest. Maar je schrijft zoo treurig, zoo
-wanhopig soms... je werk verveelt je, je huis is je zonder mij een
-gruwel, het drijven en jagen van de Indische wereld walgt je, en,
-Gustaaf, ik weet dat door Annet Paerel, je ziet er slecht en afgemat
-uit. Ziek! en ik niet bij je!
-
-»Nu strijden we onzen strijd ieder voor zich; is hij daarom lichter? O,
-ik kan ’t niet langer verzwijgen, ik moet het zeggen.. mijn strijd
-wordt me te zwaar. Ik ben wèl, dat is zoo, en ze overladen me met
-goedheid en liefde en ik moest gelukkig zijn om de groote vreugd die
-mij wacht; maar lieveling, ik verlang zoo naar je! Ik verlang zoo
-vreeselijk! Elken dag meer. Nacht en dag. Neen, ik wil het niet langer
-verzwijgen, ik sterf van verlangen! Naar je dierbaar gezicht, naar dien
-blik van je oogen, waarmee je me aanzag zooals niemand anders me
-aanziet en waarmee je me deedt trillen en gloeien en beven van
-zaligheid; naar den druk van je handen, naar de aanraking van je baard
-op mijn gezicht, naar dat woord van je lippen: »Nita, kind, engel!«...
-O, als ik je nog maar eens mocht zien, nog maar eens je stem hooren,
-nog maar eens je vasthouden in mijn armen! Dan zou ik weer moedig zijn!
-Nu ben ik bang! Bang om te lijden, zonder dat je bij me bent, bang om
-te sterven vóór ik je heb weergezien. Gustaaf, ik heb zoo verlangd om
-je dit te zeggen, ik wist, dat ik het niet doen mocht... ik wist dat
-je, als ik het zei, om mijnentwille nog meer verdriet zoudt hebben...
-maar—wanneer deze je bereikt, dan heb je het bericht reeds. Dan is
-alles reeds geheel anders, of alles voorbij!«
-
-
-
-Telegram. Verzonden door den heer Van Suylichem te Bloemduin op 15
-Sept. 188..
-
-
- »Buitenzorg—Verschuere.
-
- »Heerlijke jongen. Nita wèl.«
-
-
-Telegram. Verzonden door den heer Verschuere te Buitenzorg op 15 Sept.
-188..
-
-
- »Van Suylichem—Bloemduin.
-
- »Ik kom en blijf.«
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] O wee!
-
-[2] Toetie vraagt pap.
-
-[3] Waar blijft de visch?
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BOGORIANA ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.