diff options
Diffstat (limited to 'old/65829-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/65829-0.txt | 14112 |
1 files changed, 0 insertions, 14112 deletions
diff --git a/old/65829-0.txt b/old/65829-0.txt deleted file mode 100644 index 3cb49d5..0000000 --- a/old/65829-0.txt +++ /dev/null @@ -1,14112 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Bogoriana, by Annie Foore - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Bogoriana - Roman uit Indië - -Author: Annie Foore - -Release Date: July 12, 2021 [eBook #65829] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book - was produced from scanned images of public domain material - from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BOGORIANA *** - - - - - BOGORIANA - ROMAN UIT INDIË - - - DOOR - - ANNIE FOORE - - - DERDE DRUK - - HAARLEM - H. D. TJEENK WILLINK & ZOON - 1908 - - - - - - - -INHOUD - - - Bladz. - EEN BAL BIJ DEN GOUVERNEUR-GENERAAL 1 - DE FEEËNTUIN 10 - DE LANDVOOGD IN ZIJN KABINET 21 - EEN INDISCHE HUISHOUDING 29 - DE JONGGEHUWDE IN HAAR EIGEN HUIS 36 - PEIGNOIR CONTRA SARONG 41 - FRANS VAN BEEVELANT 47 - IN DE WITTEBROODSWEKEN 55 - EEN DINER MET EEN GAPING 59 - INVITATIES TEN HOVE 66 - JAMES EN NITA 71 - DE ZIEKENVERPLEEGSTER 86 - AAN HET STATION 94 - IN DE LOOFHUT 98 - HET BOERINNETJE EN HAAR SOLDAAT 104 - EEN JONGENSSTREEK 109 - EERZUCHT EN LIEFDE 119 - EEN TROEP BENGELS 131 - SERENADE EN VUURWERK 138 - DE VROUW VAN EEN HOOGGEPLAATSTE 146 - EEN VERLIES EN EEN TROOST 158 - FLIRTATION? 166 - INTRIGANTEN AAN ’T WERK 175 - ZELFVERLOOCHENING 186 - JONGE LIEFDE 194 - DE FAMILIE HAGEN 200 - DE MOED VAN MEVROUW VERSCHUERE 206 - NAAR DE BERGEN 213 - DOLCE FAR NIENTE 221 - JAMES ALS JOBSBODE 228 - GEVAREN VAN EEN INDISCH BOSCH 233 - TERUG OP BUITENZORG 244 - TEN DOODE GEWIJD 247 - DE WIL VAN MEVROUW VAN WALIËNHOVE 253 - DE LAATSTE DAGEN 261 - GEPASSEERD 268 - HET LEED VAN EEN STERK MAN 274 - HEIMWEE EN LIEFDE 280 - DE OOGEN WORDEN GEOPEND 285 - OP DE MAILBOOT 289 - BESLUIT 300 - - - - - - - -I - -EEN BAL BIJ DEN GOUVERNEUR-GENERAAL. - - -Droomerig suizelt de koelte door Insulindes lusthof, den plantentuin te -Buitenzorg. - -Onmerkbaar beroert ze de toppen der waringins, waaronder de herten zich -te slapen legden; zachtjes doorademt ze de kanarielaan, die dubbele rij -van woudreuzen, verwonnen door de omarming der orchydeeën; spelend heft -ze de witte donsjes omhoog door de zwanen achtergelaten op de vijvers; -plechtig zucht ze in het bamboebosch dat zich heenbuigt over graven... -dan gaat ze fluisteren van minnevuur en zomerweelde in den bloemhof, -waar de rozen gloeien en de nachtvlinders dartelen. - -Uit het paleis, dat zich verheft te midden dier tropische heerlijkheid, -stroomt een zee van licht. - -De inlandsche jongelingen en meisjes sluipen naderbij, of ze ook iets -mochten bespeuren van het schitterend tooneel daarbinnen. Ze zien -slanke gestalten in witte kleedjes; ze hooren rijtuigen ratelen, -zweepen klappen, orders geven; ze vernemen het geruisch van satijn, het -getrippel van hooge hakjes in de marmeren vestibules; dan worden al die -geruchten overstemd door de eerste tonen der dansmuziek. - -Want het is bal ten paleize. Wat meer zegt, ’t is het groote, het -veelbesproken bal dat Zijne Excellentie geeft ter eere van het eenig -kind uit zijn eerste huwelijk gesproten, kortelings teruggekeerd uit -Europa, waar ze achterbleef ter voltooiing harer opvoeding. Het -gezelschap, dat aan de uitnoodiging gehoor gaf is talrijk, de zaal -waarin men antichambre maakt niet groot, de atmosfeer zoo drukkend als -ze na een dag zonder regen wezen kan op Buitenzorg, de dames zoo -geagiteerd als ze gewoonlijk zijn, wanneer ze op het punt staan een -nieuw galatoilet te vertoonen; dit alles maakt het tot een ware -verlossing, nu eindelijk een adjudant komt aankondigen, dat de -gouverneur-generaal gereed is zijne gasten te ontvangen. - -Het muziekkorps speelt een marsen en haastig zoekt iedere vogel zijn -gaaike: arenden en gieren gaan voorop, dan volgen pauwen en faizanten, -nu nachtegalen en leeuweriken, tot eindelijk roodborstjes en -boomkruipers de achterhoede vormen; kraaien, huismusschen of spreeuwen -zijn niet aanwezig. - -De landvoogd, omringd door zijne logées, geflankeerd door zijn -adjudanten, staat tusschen vrouw en dochter. Hij ontvangt zijn gasten -hoffelijk; zijn echtgenoot doet het trots, deftig, maar zonder een -zweem van de eenvoudige waardigheid, die men zoo gaarne vindt bij -hooggeplaatste personen, terwijl freule Clotilde, blijkbaar niet gewoon -zoo op den voorgrond te treden, verlegen blozend het bruingelokte -hoofdje buigt. - -Er volgen eenige minuten, waarin de gasten elkander onderling -begroeten, de jongelui hunne dansen opschrijven, de jongemeisjes lachen -en fluisteren en dan neemt de polonaise een aanvang. - -Zijne Excellentie biedt den arm aan haar, die het voorrecht heeft een -koningsarend echtgenoot te noemen, de andere vogelsoorten volgen. - -Maar niet alle. Als op elk bal vormt zich ook hier aan den ingang der -zaal de groep, die zoo nadeelig werkt op de luchtverversching. - -’t Zijn echter niet, als meest in Europa, onverschilligen, -oververzadigden, die ergernis der muurbloempjes; ’t zijn ongelukkigen. - -Immers, geen ongelukkiger toestand dan niet te weten wat met zichzelven -aan te vangen! - -En in dien toestand verkeeren er velen. - -Wat zal bijvoorbeeld de kapitein der Chineezen, wat moet de -Pengghoeloe, wat kan het hoofd der vreemde oosterlingen, wat kunnen zij -op een bal ten paleize doen? - -Wat kunnen jeugdige thee- of kinaplanters, verwilderd door het verblijf -in de binnenlanden, wat jonge ambtenaren uit den omtrek,—wie niemand -kent en die niemand kennen, anders doen dan zichzelf en anderen in den -weg zijn? - -Wat ook rest den onderwijzers? Ze zien het aan hoe hun vrouwelijke -collega’s aan den arm harer cavaliers deel gaan uitmaken van de -achterhoede van dien langen stoet, in wiens voorhoede ze niet weinig -kans en nog veel meer lust hebben eenmaal te komen. En ze durven haar -voorbeeld niet volgen. - -Wat zullen de mannen doen, die bij een groot en algemeen feest als dit, -nog juist in de termen vallen voor een uitnoodiging, maar van wier -bescheidenheid men verwacht dat ze hun wederhelft thuis en zichzelf op -den achtergrond zullen houden? - -Zoo oppervlakkig gezien zou men meenen, dat al die ongelukkigen even -goed hadden kunnen wegblijven, maar toch—ze hebben hun nut. - -Voor degenen die een werkzaam aandeel nemen in de partij blijkt het -niet onaardig, dat zich een publiek vormt, een publiek om toe te zien -en te bewonderen. - -Te bewonderen valt er genoeg. - -’t Is een prachtig schouwspel, die lange reeks van dames, wier -parijsche toiletten, zoo niet altijd in goeden smaak, dan toch zeker in -rijkdom die harer hollandsche zusteren verre overtreffen, naast de -losse indische uniformen; die statige figuren, die donkere hoofden met -diamanten gekapt, die lieve meisjesgestalten daar henen zwevend in den -tooi van jeugd en onschuld—geheel die stoet van meer dan honderd paren, -die zich langzaam voortbeweegt in de vorstelijke balzaal, onder den -glans van tallooze lichten, op de statige tonen der muziek. - -Het spiegelglad parket moge ouderen van dagen herinneren aan het gevaar -dat de straten in het moederland ’s winters aanbieden, voor de jeugd is -dit geen bezwaar; de lenige figuurtjes bewegen zich licht op den fijnen -enkel, en glijdt soms een netgeschoeid voetje uit, dadelijk is een -krachtige arm gereed om voor vallen te behoeden. - -Op de polonaise volgt een wals. - -De danszaal in het paleis te Buitenzorg heeft op andere danszalen voor, -dat zij, die den dienst van Terpsichore vaarwel zegden, kunnen -nederzitten zonder vrees voor de punten hunner voeten. - -Rondom den ingelegden vloer loopt eene marmeren gaanderij door pilaren -eenigszins afgesloten; in die gaanderij bestaat overvloedig gelegenheid -om, achterover geleund in fauteuil of causeuse, een gezellig praatje te -houden, een portie ijs te gebruiken of toilet en gedrag der dansenden -te kritiseeren. - -In die gaanderij beweegt zich de gouverneur-generaal. - -Hij vordert slechts langzaam. Het is geen gemakkelijke taak, die hij -zoo rondwandelend volbrengt: ieder zijner gasten—waaronder zeer -vreemdsoortige—een woordje toe te voegen, niemand minder maar ook -niemand meer te geven dan hem toekomt; belangstellend te zijn en toch -niet hartelijk, vriendelijk en toch niet familiaar, beleefd en toch -niet koel. - -Maar, zoo iemand, dan is hem dit toevertrouwd. - -Zooals hij daar staat voor eene der dames die, haastig overeind -gerezen, op zijn hoffelijke toespraak antwoordt in een—om er het minste -van te zeggen—zeer eigenaardig hollandsch, is de indruk, dien hij -maakt, volkomen berekend voor de plaats die hij bekleedt. De hooge -gestalte verheft zich boven de meeste der aanwezige heeren; toch is ze -licht gebogen, niet zoozeer door ouderdom als door vermoeienis; voor -wie hem van nabij ziet, getuigt de schaduw onder de diepliggende oogen, -de breede rechte plooi in het hooge voorhoofd, dat hem, als zoovelen -zijner voorgangers, Buitenzorgs bebloemde troon doornen bood bij de -rozen. - -Maar zijn gang is veerkrachtig, zijn blik helder en scherp, al moge de -uitdrukking van het gelaat diep zwaarmoedig, al moge in de zachte -welluidende stem een toon zijn, die spreekt van krachtig beheerschte, -maar daarom wellicht des te dieper gevoelde smart. - -De overlevering zegt, dat vroeger de vrouwen der landvoogden zich -vriendelijk en gemeenzaam bewogen onder hare gasten, de Buitenzorgers -zijn van oordeel dat die dames toonden haar positie te -begrijpen—immers, niet zij zijn bekleed met de hoogste macht. Doch op -dit punt, als trouwens op zeer veel andere punten, is mevrouw Van -Waliënhove het volstrekt niet eens met de Buitenzorgers. - -Aan het boveneinde der zaal, omringd van een doorzichtig priëel van -tropische planten, zetelt ze op haar roodfluweelen canapé, te midden -harer »hofdames«, zooals zij ze in vertrouwelijke oogenblikken spottend -noemt, de dames wier mannen lid zijn van den Raad van Indië, de -echtgenooten van generaals, directeuren en wat Batavia meer oplevert in -de hooge militaire of ambtenaarswereld. Dáár staat ze toe, dat men zijn -eerbiedige hulde komt nederleggen aan hare voeten. Ze ontvangt die -hulde, achteloos leunende in haar zetel, het gezicht half verborgen in -bouquet of waaier, met een voorname aanmatiging, die sommige der groote -dames tot machtelooze woede, anderen tot openlijk verzet vervoert. - -Reeds hebben tal van bezoekers haar den vereischten hormat bewezen: er -is gebogen, geglimlacht; er zijn beminnelijke woordjes gesproken; met -het goed humeur, dat in den huiselijken kring onwaardeerbaar zijn zou, -heeft men hatelijkheden geslikt en scherpe gezegden opgenomen als -vriendelijkheden; waaier en bouquet hebben druk dienst gedaan, soms om -een geeuw, soms om een spottend lachje te verbergen, een enkele maal om -een ondeugende opmerking te fluisteren in het oor eener buurdame. -Eindelijk spreekt de adjudant van dienst een naam uit, die haar opwekt -uit haar voorgewende lusteloosheid. - -»De heer en mevrouw Verschuere.« - -Het jonge paar maakt zijn compliment. Mevrouw van Waliënhove begroet -zeer vriendelijk mr. Verschuere, den knappen, geestigen ambtenaar van -de secretarie, dien ze een jaar lang slechts noode miste op haar -partijen. Dan, zonder zich in het minst te bekommeren ook om de -eenvoudigste regelen der wellevendheid, zet ze haar lorgnet op en -begint mevrouw Verschuere in oogenschouw te nemen. - -Nu behoort mevrouw Verschuere niet tot de dames, die schitteren in de -balzaal; daarvoor is ze te bescheiden, te tenger, te klein vooral. -Daarenboven heeft ze bij deze gelegenheid haar eigen denkbeelden -omtrent toilet moeten opgeven, om die van haar man te volgen en, in -plaats van de lichte, zachtgetinte, wolkachtige stoffen, waarvan ze -gewoon is kleedjes te tooveren, is ze gedost in zware witte zijde. - -Een bataviasche modiste heeft het grootst mogelijk aantal meters stof -gebruikt om het fijne popje te omgeven met zulke zware plooien, dat ze -geheel in het niet verzinkt, terwijl een lange sleep evenzeer haar -vluggen gang belemmert als bevallige beweeglijkheid, die haar anders -een zoo groote bekoring schenkt. - -Ook heeft Verschuere gemeend dat ze zich niet kapte, zooals het voor -een getrouwde vrouw past; de coiffeur heeft een stijve wrong gemaakt -van de zijden krullen; alles met het ongelukkige gevolg, dat er van de -blondlokkige sylphide, die aller oog had kunnen verkwikken, niets -overbleef dan een kleine vrouw met een fijn, bleek gezichtje. - -Als dan ook de landvoogdes het lorgnet, waarmee ze zoo onbeschaamd kan -omgaan, eindelijk vallen laat, is het om den referendaris aan te staren -met een blik, die duidelijker dan woorden doen kunnen, vraagt: - -»Is dàt nu de moeite waard om een reis voor te maken naar Europa? -Moesten dáárvoor de bataviasche en buitenzorgsche meisjes achterstaan?« - -De heer Verschuere glimlacht met dat koele zekere lachje, ziet haar in -de oogen met dien doordringenden blik, die vrouwen als de barones in -toom houdt; ze kent den man tegenover haar en ze heeft geleerd hem te -sparen; ze weet dat hij zich niet behandelen laat zooals ze sommige -andere behandelt—dus richt ze zich met een poging om vriendelijk te -zijn tot het kleine, bevende persoontje en ontslaat hen eindelijk door -een groet, waaruit Verschuere lezen kan dat de gunst der barones nog -altijd zijn deel is. - -»Hindert je iets, Gustaaf?« vraagt, met een stem die enkel muziek is, -de jonge vrouw eenige oogenblikken later, als ze met haar echtgenoot in -de gaanderij is gezeten en een wolk meent te bespeuren op zijn gelaat. - -»Neen, lieve, niets,« antwoordt Verschuere verstrooid, terwijl hij een -jongen wenkt om nader te komen, met zijn blad vol dranken. - -»Wil je een glas ijswater?« - -»Heb ik me misschien een beetje kinderachtig gedragen?« fluistert ze, -als beiden bediend zijn. »Maar ze maakte me ook zoo verlegen, Gustaaf! -ze keek me zoo vinnig aan met die booze zwarte oogen.« - -»Chut!... Kind, je moet wat voorzichtig zijn; de muren hebben hier -ooren.« - -Hij ziet rondom zich, of ook iemand hen mocht hebben beluisterd, maar -het teeken voor de quadrille is daar juist gegeven en men is druk bezig -met vis à vis te zoeken. - -De Verschuere’s dansen niet heden avond; zij blijft zwijgend zitten -kijken naar den grooten kring, die zich langzamerhand formeert; hij -ziet haar van terzijde aan met vorschenden blik. - -»Ik kan toch niet zeggen dat die monsieur Paul slag heeft van kappen,« -begint hij aarzelend. - -Nu komt de wolk, die daareven zijn voorhoofd ontsierde, zich legeren op -haar bleek gezichtje. - -»O, ik weet wat het is dat je hindert,« roept ze met plotseling -opkomenden pijnlijken blos. »Je vindt dat ik er niet goed uitzie van -avond!« - -»Wat een inval! Neen, Nita, werkelijk, je vergist je! Je ziet er even -lief uit als altijd.« - -»Het is heel vriendelijk van je.... maar denk je dat ik het zelve niet -zie? En je hadt, geloof ik, juist zoo graag eens eer ingelegd met je -keus? Als ik maar niet zoo’n hoofdpijn had gekregen van dat kappen.... -en als die zware japon me niet zoo hinderde!« - -»Arm kindje! Laat me je wat eau de cologne geven. En nu ga ik je eens -voorstellen aan mevrouw Hagen.« - -»Och neen, Gustaaf, liever niet!« - -»O, zij zal een geheel anderen indruk op je maken dan mevrouw Van -Waliënhove, en daar mijnheer zoo beleefd geweest is je dadelijk te -komen aanspreken....« - -»Ik zou graag naar huis gaan.« - -»Maar Nita, hoe kom je er bij?« - -»Wezenlijk, ik kan het niet langer volhouden.« - -»Je moet het volhouden.« - -Ze ziet naar hem op, verschrikt over dien gebiedenden toon, maar zijn -gezicht staat zoo streng, dat ze haar vraag niet meer herhalen durft en -moedeloos achterover leunt in haar fauteuil, den met eau de cologne -doorweekten zakdoek tegen het gloeiend voorhoofd gedrukt. - -Daar buigt zich Verschuere haastig tot haar over en fluistert: »Ik bid -je, Nita, ga rechtop zitten. Daar is Zijne Excellentie. Hij komt naar -je toe.« - -’t Wordt elf uur; tijd voor het souper. - -De whist- en hombrespelers in de voorgalerij schrikken op van hun -partijtje; dansers en danseressen raadplegen verbaasd hun balboekjes; -zijn er waarlijk reeds zes dansen gedaan en resten er maar vier? - -De paren rangschikken zich en volgen den gastheer naar de vertrekken, -waarin het souper wacht. - -’t Is nu niet gelijk het onder sommige vroegere landvoogden zijn kon, -een rampaspartij, waarbij hooge ambtenaren hun deftigheid verloren -onder het nasnellen van uitgedroogde sandwiches, waarbij grijze -hoofdofficieren meer moeite hadden om een glas wijn te veroveren, dan -ooit het nemen eener benting hun kostte, waarbij lieve danseressen haar -adem besmetten met slecht toebereide haringslâ; het was nu een souper -zooals de gasten van een gouverneur-generaal het konden verwachten. - -In de eetzalen, waar de avondkoelte door de hooge boogvensters -ongehinderd binnenstroomt, zijn tal van tafeltjes aangebracht, gedekt -met fijn damast en kostbaar zilver. Hier en daar staan reusachtige -buffetten, waarop in fonkelend kristal een dessert prijkt, zoo smaakvol -gerangschikt, zoo fraai en rijk, dat menigeen in het voorbijgaan een -begeerigen blik werpt op die kunstgewrochten van den franschen -confiseur. - -Het publiek, geheel vrijgelaten in de keuze der plaatsen, verspreidt -zich en zoekt tafelgezelschap naar eigen smaak; de adjudanten voorkomen -ieders wenschen; de intendant vergeet al zijn waardigheden en -ridderorden, om op te gaan in de eene waardigheid van gastheer; de -bedienden in hun livrei van wit laken met goud doen, onder het toezicht -van den maître d’hôtel, hun plicht onhoorbaar en onopgemerkt, zooals -slechts een goed gedresseerde inlander dat verstaat; de zalen vullen -zich langzamerhand met feestelijke geluiden, vroolijk gepraat van jonge -stemmen, blij gelach, knallen van champagnekurken, rinkelen van glazen -en messen. - -Door de wijdgeopende dubbele deur heeft de tweede der eetzalen -gemeenschap met een kleiner salon; in dat salon trekken de heer en -mevrouw Van Waliënhove zich terug. Met hen dit heilige der heiligen te -betreden, is slechts vergund aan zeer enkelen, aan de hooggeplaatsten -in de verschillende regeeringslichamen, aan de eersten bij marine en -leger. - -’t Zijn meest oudere heeren. Toch wordt onder hen meer dan een -gevonden, die, wat al te levenslustig, een langen blik werpt op het -vele liefs dat hij achterlaat en talmt om binnen te gaan; toch zijn er -enkele onder de dames die, wanneer ze aan den arm van haar strammen -cavalier de vroolijke groepjes passeeren, een oogenblik van zwakheid -hebben, waarin ze wenschen te mogen meedoen zooals het past aan haar -jeugd, zij het dan ook niet aan de hooge betrekking van haar -echtgenoot. Maar dit zijn uitzonderingen. Over het geheel stevenen de -enkele bevoorrechten haar vriendinnen voorbij met een triumfeerend -lachje; de echtgenooten, schoon iets minder gevoelig voor -onderscheiding, kunnen toch niet nalaten de borst hoog op te zetten als -ze daar binnen gaan, en dames en heeren worden gevolgd door de -afgunstige blikken van velen; van velen, die het zich met droeve -oprechtheid bekennen, dat hun de poorten van dit paradijs nooit zullen -geopend worden; van enkelen ook die, vervuld van zoete illusie, -fluisteren: »Nog één promotie, nog één sterfgeval!.... en dan!« - -Alleen daarginds, in dien grooten, lustigen kring, waarvan freule -Clotilde het middenpunt uitmaakt—niet door haar rang echter, maar door -haar meesleepende vroolijkheid, haar tintelende scherts, haar helderen -kinderlach—alleen daarginds, in dien kring van jongelingen en meisjes -wordt niet gedacht aan den goudglanzenden tempel der eerzucht, die de -gevreesde gouvernante tot priesteres heeft. Er zullen oogenblikken -komen—vele uren wellicht—waarin ook die jongelingen en meisjes worden -gekweld door de begeerte naar grootheid, naar rijkdom, naar roem! Maar -nu, met het champagneglas in de hand, met den gloed der balzaal op de -wangen, met de zorgeloosheid der jeugd in het hart, nu deert het hun -weinig of ze aanzienlijk zijn of gering, of ze rijk genoemd worden of -arm... ze zijn jong, de gelukkigen! - - - - - - - -II - -DE FEEËNTUIN. - - -Den volgenden dag is er diner ten paleize. - -De bewoners van Insulindes residentie zijn over ’t geheel vreedzame -burgers: ze betalen willig schot en lot; men heeft ze bij de invoering -der belastingen slechts zacht hooren klagen; kalm zitten ze boomen op -te zetten in hun vóór-, nog kalmer liggen ze klimaat te schieten in hun -achtergalerij; hun overigen vrijen tijd brengen ze door met het tellen -der vallende regendruppels, een bezigheid, die nergens ter wereld -zooveel te doen geeft als te Buitenzorg. - -Er is echter één punt waarop die vreedzame burgers geen scherts -verstaan: ’t zijn de diners ten paleize. Er worden daar veel soorten -van diners gegeven: officieele diners, racediners, nieuwjaarsdiners, -diners voor hooge logeergasten, diners voor notabelen, voor -uitverkorenen, voor intiemen en—afdoeners! Alleen op den afdoener -gevraagd te worden, staat gelijk met een beleediging; slechts op de -officieele diners te mogen verschijnen is hinderlijk; op het diner der -uitverkorenen te zijn genoodigd heet een onderscheiding; voor het -intieme diner een invitatiekaart te hebben ontvangen, staat gelijk met -te zijn de vurige bewonderaar, de warme aanhanger van den landvoogd, -van des landvoogds echtgenoot, des landvoogds familie, ja zelfs van des -landvoogds politiek! - -Nu is er een tijd geweest—een tijd nog steeds met afschuw -herdacht—waarin de goede residentiebewoners voortdurend gewond werden -in hun gevoeligheid op dit punt. - -’t Was in den tijd toen de vertegenwoordiger des konings in Indië -meende dat hij, in wiens hand het wel of wee van millioenen berust, een -nietigheid als het opmaken der lijst van genoodigden kon overlaten aan -de vier vroede mannen, wier krachten land- en zeedienst ontroofd worden -om de adjudantsbetrekking te vervullen. - -Maar, te beginnen met hun aanvoerder, den heer d’Hannecour, ridder van -de Militaire Willemsorde, van de Kroon van Italië, van de Witte Valk, -van de Hertogelijke Saksische Ernestinische Huisorde enz., kolonel der -artillerie, adjudant van Z. E. den gouverneur-generaal van -Nederlandsch-Indië en intendant der gouvernementshôtels, bleek dit -onmogelijk. Voor hem was elk diner een gelegenheid tot machtsvertoon, -en daar hij zoo kleingeestig, zoo lichtgeraakt was als iemand maar -worden kan, die zich tien jaar lang met niet veel anders bezig houdt -dan de étiquette aan een klein hof, had hij zich voortdurend te wreken -over allerlei beleedigingen hem in zijn persoon, zijn betrekking of -zijn familie aangedaan. - -De intendante van haar kant scheen niets zoozeer te vreezen als dat men -haar verdenken zou van geen stem te hebben in paleisaangelegenheden, -terwijl zes dochters, fier op de ridderorden van papa, vonden dat de -glans die van zijn borst uitging, niets minder zijn moest dan een -stralenkrans om hare zes aschblonde hoofden; eene meening, die niet -algemeen scheen te worden gedeeld op Buitenzorg. - -Met deze gegevens was er niet veel toe noodig om zich het ongenoegen -der Hannecour’s op den hals te halen, en men kon er zeker van wezen, -dat hij die dit ongeluk had, het eene diner vóór, het andere na, zijn -neus, of liever zijn mond voorbij zag gaan. Ontving hij eindelijk een -uitnoodiging, dan was het op een afdoener! - -De intendant beeldde zich bij veel anders in, dat hij het met zijn -drukke werkzaamheden niet overeen kon brengen ook nog de plaatsen te -schikken; zoo kwam dan de beurt aan zijn trawanten. - -Gelukkig waren ze meest ongehuwd of hadden ze jonge vrouwen, die zich -niet zoo gauw beleedigd gevoelen als dames wier eerste jeugd voorbij -is. Ook werden ze gebonden door de étiquette, maar die sprak niet zoo -duidelijk, of er was nog ruimschoots gelegenheid tot het uithalen van -een grap, of het verkoopen van een hatelijkheid. - -Zoo vond de kokette haar naamkaartje tusschen twee wegens ouderdom -gepensioneerde leden der weeskamer; zoo kreeg de drukke praatster een -stokdooven buur; zoo zag een echtgenoot, die zich verplicht had gevoeld -den huisvriend de deur te wijzen, vrouwlief door dien zelfden -huisvriend aan tafel brengen; doodvijanden zaten altijd tegenover -elkaar; heeren van wie het bekend was dat ze deze of gene dame gaarne -ontmoetten, konden zeker zijn die dame aan het andere einde der tafel -te zien. - -Hadden zij het hier maar bij gelaten! Maar nu werden nog daarenboven de -vriendjes zóó hoog, de anderen zóó laag geplaatst als dit maar -eenigszins was overeen te brengen met hun rang. - -Voorbijgegaan, als een bange droom voorbijgegaan, zijn die booze dagen -voor de residentiebewoners. - -Wel worden door de adjudanten nog overleveringen bewaard van hun -invloed, wel beproeven enkelen soms den schijn aan te nemen alsof het -nog was gelijk voorheen, maar hun machtsvertoon gelijkt het blaffen van -den gemuilbanden hond, het jaagt niemand vrees aan. - -Want—dit weet zelfs het groote publiek—waar mevrouw Van Waliënhove aan -het bestuur is, daar kan geen sprake zijn van eenige macht buiten de -hare. - -Misschien is het een bewijs van het politiek doorzicht, waarvoor de -heer Van Waliënhove bekend staat; misschien heeft hij in de betrekking, -die hij vervulde aan vreemde hoven, de ervaring opgedaan, dat andere -hartstochten blijven sluimeren in de borst eener heerschzuchtige vrouw, -als ze maar kan toegeven aan dien éénen grooten hartstocht van te -heerschen; zooveel is zeker: hij laat de barones de meest onbeperkte -vrijheid in het bestuur der kleine hofhouding. En zij beschaamt het in -haar gesteld vertrouwen niet. Dat blijkt bij elke gelegenheid, dat -blijkt ook heden weer op de meest afdoende wijze. - -Het is een klein diner ter eere van de logeergasten, die, voor het bal -van gister overgekomen, nog op het paleis vertoeven; enkele -Buitenzorgers slechts zijn genoodigd. Maar hoe klein—de adjudanten aan -de beide uiteinden der tafel meegerekend, zijn er niet meer dan een -twintigtal gasten—het is weer een diner, zooals alleen mevrouw Van -Waliënhove ze geeft. - -Wanneer men de zaal, in een tuin herschapen, betreedt, is de atmosfeer, -die daar heerscht zoo frisch en geurig, dat ze niet alleen den eetlust, -maar ook den geest moet opwekken; wat meer zegt, die atmosfeer, hoewel -straks vermengd met de dampen van het gebraad, der aroma’s der piquante -sauzen, het bouquet der fijne wijnen, blijft, dank zij een uitmuntend -systeem van luchtverversching, frisch en geurig tot het laatst. - -De stafmuziek is geplaatst op zulk een wijze, het programma is zoo -gekozen, dat mogelijke pauzes worden aangevuld, maar de gesprekken niet -bemoeilijkt. Tallooze waskaarsen op zware kristallen kronen en in -zilveren candelabres verspreiden een zacht licht, niet zoo helder als -gas, maar ook niet zoo warm en veel geruststellender voor de aanwezige -dames, die bijna alle de dertig gepasseerd zijn. De stoelen staan op -den juisten afstand. En dit is een zaak van niet gering belang. Wat -toch is onaangenamer dan den geheelen avond strijd te voeren met een -tafelpoot of een voortdurende drukking te gevoelen op uw knieën? Wat -kan belemmerender wezen voor het discours, dan wanneer er een afgrond -gaapt tusschen den heer en zijne dame? Maar wat ook onpleizieriger dan -de warmte op zich te voelen afstralen van een nabijzijnd lichaam, -vooral wanneer dat lichaam in een zwarten rok steekt. - -Evenals bij alle groote diners in het land der bloemen, schijnt de -tafel een reusachtig bouquet, op sneeuw ontloken, in zilver en kristal -gevat. - -Mogen onder de bataviasche dames al enkelen mevrouw Van Waliënhove op -zijde streven in pracht van damast, porselein en glaswerk,—bloemen -gelijk ze pronken op haar disch, bloeien slechts in de serres van den -botanischen tuin; een wenk aan den hortulanus gegeven is oorzaak, dat -ze daar slechts bloeien voor de landvoogdes. - -De wijnen, die op het paleis worden geschonken, mogen zeldzaam zijn in -Nederlandsch-Indië, eenig zijn ze niet; een even volmaakte bediening -wordt somtijds op de landgoederen of in den groothandel gevonden; voor -de kookkunst zijn enkele hooggeplaatste dames even beroemd als de -fransche kok, maar slechts mevrouw Van Waliënhove kan in lange en -ernstige samenspreking met den maître d’hôtel een menu ontwerpen, dat -schijnbaar eenvoudig, zoo uiterst fijn, dat zonder overlading zoo rijk -aan afwisseling, dat in zijn smaakvolle regeling zoo verrassend is. - -Voor iemand die weet dat de intendant bij deze gewichtige -aangelegenheid altijd wordt voorgelicht door zijn hooge gebiedster, kan -er geen twijfel bestaan of, wat de rangschikking der gasten betreft, is -aan al de eischen der étiquette voldaan. Wie nog twijfelen mocht, hij -zie den kring rond. Zit niet al wat grijs is en gedecoreerd onder de -heeren, al wat corpulent is en met juweelen behangen onder de dames, -aan het midden der tafel? Werd niet al wat jong is en er goed uitziet -verbannen naar het ondereinde? - -De eerste dame aan mevrouw Van Waliënhove’s linkerhand is de gade van -den algemeenen secretaris, een klein, doodmager schepseltje met lieve -oogen en iets zeer fatsoenlijks in haar smal, zacht gezicht, maar -anders uiterst karig bedeeld met vergankelijk schoon. - -Blijkbaar is ze verlegen met de hoekige schouders en puntige ellebogen, -die, als bakens op een onstuimige zee te voorschijn komen uit de massa -ruches, kanten, plooisels, linten en strikken van haar verknoeide -japon. - -Ze houdt de oogen onafgewend op haar bord gericht. - -Wat haar benauwt, meer nog dan het haar gewoonlijk benauwt om ten -paleize te dineeren—’t is dat ze aan tafel werd gebracht door den heer -Van Sonnefelt, vroeger gouverneur van Sumatra’s Westkust, nu lid in den -raad van Indië, een man, evenzeer bekend om zijn scherp vernuft als om -zijn onverholen afkeer van onbeduidende vrouwen. - -Ze doet wat ze kan, maar dat is niet veel. - -En het duurt niet lang of haar tafelgenoot geeft moeilijk bedwongen -teekenen van verveling. Dit hindert haar, niet om den heer Van -Sonnefelt echter—zij houdt nog veel minder van geestige heeren dan hij -met mogelijkheid van onbeduidende vrouwen houden kan,—maar om haar man. -Ze zou hem zoo gaarne eer aandoen in den hoogen rang, waartoe ze met en -door hem is opgeklommen; meer dan ooit voelt ze, dat ze dit niet kan, -en de soep is ter nauwernood rondgediend, als ze zich afvraagt, wat ze -zich bij zulke gelegenheden altijd afvraagt: waarom toch haar man geen -algemeen secretaris zijn kan, zonder dat zij daarom haar magerheid -behoeft prijs te geven aan al die onbescheiden blikken, zonder dat zij -daarom haar heer moet vervelen, terwijl ze zoo gezellig zitten kon, -thuis in de achtergalerij bij de kinderen, die haar niet mager vinden -en niet dom, neen, soms zelfs aardig, als ze goed met hen op dreef is. -Op dreef komen met dien Sonnefelt zal ze nooit; dat voelt ze! Hij -schijnt ook iets van dien aard te vermoeden, ten minste hij keert zich -ter linkerzijde. - -Dáár vindt hij waardeering. Een paar tintelende oogen, een paar -lachende lippen, die bij wat gewaagde scherts zich geenszins preutsch -samentrekken. ’t Is een mooie brunette, mevrouw Heylerts, en wat aan -een diner meer waard is, een aardige babbelaarster; niet jong meer, -maar een van die weinige vrouwen, die de heeren op het denkbeeld -brengen dat leeftijd eigenlijk maar idée is. - -»Zegt u me eens,« vraagt ze iets zachter dan ze daareven sprak, want -men weet dat de landvoogdes zeer scherp hoort, »begrijpt u dáár iets -van?« en ze wijst met de punt van haar mes even naar den overkant, waar -de heer Verschuere zit met de dochter des huizes aan zijn rechterhand. - -»Zegt u me eens,« antwoordt Van Sonnefelt op denzelfden toon, »begrijpt -u daar niet alles van?« - -Dan zien ze elkander aan; beiden glimlachen en na een korte pauze -herneemt mevrouw Heylerts: »’t Is waar, ’t was erg dom van me. Maar de -ministers veranderen zoo dikwerf tegenwoordig, dat men hun namen haast -vergeet.« - -»Den naam van den minister van koloniën raad ik u aan altijd goed te -onthouden. Dat bespaart menige verrassing, dat verklaart veel waarover -men anders verbaasd zou kunnen staan; dat bereidt voor op onverwachte -benoemingen.« - -»Zoudt u denken dat...« - -»Mevrouw, ik ben vijf-en-twintig jaar in deze verzengde gewesten... en -u vraagt me of ik denk? Bittere ironie! Vertel me liever eens wat u -denkt van mevrouw Verschuere? haar type is zoo geheel anders dan het -uwe, dat ik wel op een rechtvaardige beoordeeling rekenen kan.« - -Mevrouw Heylerts laat haar blik rusten op de jonge vrouw en er komt -iets zachts in haar oogen, terwijl ze het doet. - -»Lief vergeet-mij-nietje,« zegt ze eindelijk, »ze hadden haar aan den -oever van haar beekje moeten laten; de indische zon zal haar -verschroeien.« - -Niet minder gelukkig dan de heer van Sonnefelt is met zijn vroolijke -buurdame, niet minder gelukkig is haar cavalier, de schout bij nacht, -van de drukke praatster een oogenblik verlost te wezen. Als meer -ongetrouwde heeren heeft hij zeer eigenaardige denkbeelden: zoo houdt -hij vol dat men uit dineeren gaat om te eten en wijdt, die overtuiging -getrouw, zijn aandacht aan de spijskaart met een hardnekkigheid, die -zijn dame boos maakt en zijn lijfarts handen vol werks geeft. - -Trouwens, toen mevrouw Heylerts zag hoe ze geplaatst was, wist ze reeds -van welken kant haar amusement komen moest, als zij zich amuseeren zou -heden avond; zij kende den heer Everwoude als een dubbele uitzondering -op den regel; hoewel marine-officier, had hij geen aangename vormen; -hoewel oud en kaalhoofdig, gevoelde hij niets voor knappe vrouwen. - -De plaats aan de eene zijde van den landvoogd wordt ingenomen door eene -dame, die er met haar bronskleurig fluweelen kleed en het parelsnoer om -den prachtigen hals, ongewoon statig uitziet; door een vrouw, die -zooals ze daar zit in haar vorstelijk toilet, fier en kalm alle -aanwezigen overschaduwt, niet door schoonheid—haar volwassen dochter is -tegelijk met freule Clotilde uitgekomen—maar door het edele van haar -gelaat, door het hooge in haar blik en houding. - -’t Is een feit, een feit meermalen door de dames met voldoening -geconstateerd, dat de barones die vrouw ontziet, dat ze haar een weinig -vreest, ja somtijds haar vleit; een minder bekend, maar daarom niet -minder onbetwistbaar feit is het, dat de landvoogd in de moeielijke -oogenblikken zijner regeering zich somwijlen tot haar echtgenoot wendt, -in de hoop door den heer Hagen het oordeel van mevrouw Hagen te -vernemen. - -De heer Hagen is vice-president van den Raad van Indië. Hij heeft een -veel minder gedistingeerd voorkomen dan zijn vrouw; integendeel, hij -heeft iets van den pater goedleven in zijn rond, gladgeschoren gezicht -met den breeden driedubbelen onderkin, en van het indrukwekkende in -houding en gestalte, dat sommige menschen eenigszins bevreesd maakt -voor mevrouw Hagen, heeft mijnheer zóó weinig, dat men wel eens zou -wenschen hem iets van haar te kunnen overdoen. - -Onder den schijn van te luisteren naar mevrouw Van Waliënhove, zijn -buur, zit de heer Hagen te kijken naar mevrouw Verschuere, die er in -haar licht blauw kleedje met een bouquet vergeet-mij-nietjes in de -goudblonde krullen zoo bekoorlijk uitziet dat hij een oogenblik geheel -vergeet wat hij zichzelven voornam, toen hij, veertien dagen geleden, -zijn vier volwassen dochters in de armen sloot: »dat het voor hem nu -uit moest zijn met die gekheden.« - -Mevrouw Verschuere heeft den franschen consul tot tafelgenoot en deze -verheugt zich in het genot hem niet altijd te beurt gevallen als hij -ten paleize dineerde, een dame te hebben, die hem in vloeiend fransch -antwoord in plaats van met het »Oui monsieur«, dat hij reeds begon te -beschouwen als den eenigen volzin, dien de hollandsche vrouwen leerden -van zijn moedertaal. - -Amuseert mevrouw De Bruining zich slecht, mijnheer De Bruining gaat het -al niet veel beter. Hij zit met een armezondaarsgezicht. En geen -wonder! De verzoeking was hem te groot geweest! Hij bedankte voor alle -wijnen, tot de Chablis kwam; toen nam hij twee glazen en—nu moet hij -zwijgen! Want had hij het ongeluk van te praten en zich ook maar één -oogenblik te animeeren, dan zou zijn overspannen zenuwgestel in een -staat van opgewondenheid geraken, niet ver verwijderd van dronkenschap. - -Zijn dame maakt hem trouwens het zwijgen niet zwaar. Mevrouw Van -Ramsberge is eene dier vrouwen, die in sarong en kabaia veel praats -hebben, maar zoodra ze gekleed zijn het zoo benauwd krijgen dat ze maar -liefst aan zich zelve worden overgelaten, om ten minste adem te kunnen -scheppen. - -Geruimen tijd na het gebruik van den Chablis heeft de algemeene -secretaris als een idioot voor zich zitten kijken; nu neemt hij -langzamerhand het uiterlijk aan van een wijsgeer, nadenkend over de -dwaasheden van het menschdom. - -In deze nieuwe houding wordt hij echter gestoord door mevrouw van -Ramsberge, die schijnt te willen toonen dat ze nog juist genoeg adem -heeft om een domheid te zeggen. - -»Kassian mijn man!« - -»Hoe dat, mevrouw? Is de generaal ongesteld?« - -»Neen, dat niet. Maar kijk eens naar mevrouw Van Waliënhove! Nu, u zult -niet zeggen dat hij het treft met zijn dame?« - -Zeker niet. De generaal moet nog het eerste vriendelijke woord van hare -lippen hooren. Zij geeft hem ternauwernood antwoord; haar gedachten -zoowel als haar blikken dwalen telkens weder naar de plaats, waarheen -zoo veler blikken, zoo veler gedachten heden avond dwalen, naar dat -jong, nog bijna kinderlijk gelaat, waaromheen de bruine lokjes zoo -dartel krullen, waarin de groote grijze oogen zoo schitteren onder de -zijden wimpers, waarop de blos der gezondheid en de ronding der eerste -jeugd zoo verlokkend tronen. Maar—blijven andere oogen met vriendelijke -bewondering rusten op al dat liefs—zij keert het gelaat toornig af van -het schoon, dat niet van haar werd geërfd; van het kind, dat niet haar -kind en toch—de laatste dagen hebben het bewezen—haar echtgenoot de -liefste is. - -»Zij moet maar gauw trouwen, vindt u niet?« hijgt mevrouw Van -Ramsberge, terwijl ze haar dikken bruinen hals koelte toewuift met een -kracht, die De Bruining’s steile kuif in beweging brengt. - -»Wie?« vraagt De Bruining, bij wien de Chablis nog min of meer werkt. - -»Wel, freule Clotilde!« - -»Is daar zoo’n haast bij?« - -»Haast is er altijd,« zegt mevrouw Ramsberge met het gedecideerde van -domme menschen. - -»Ja, dat is de indische meening; niet de hollandsche gelukkig!« - -Nu kan men mevrouw Ramsberge niet meer grieven, dan door te toonen dat -men haar of haar meeningen indisch vindt, en zeker zou haar cavalier -zich voorzichtiger hebben uitgelaten, als zijn denkvermogen niet min of -meer beneveld ware geweest. - -»Ik zou haast durven beweren dat er hier nog meer haast is dan -gewoonlijk, al vindt u het dan ook nog zoo indisch van me,« zegt ze en -maakt zooveel wind dat nu niet alleen De Bruining’s haren te berge -rijzen, maar ook zijn bakkebaarden aan de algemeene beweging beginnen -deel te nemen. - -Met de poging om de beide bakkebaarden in één hand te verzamelen, welke -poging natuurlijk mislukt, werpt de heer De Bruining een langen blik op -zeker bleek, vermoeid gezichtje, dat hem zachtjes toelacht; hij -herinnert zich hoe rond en blozend dat gezichtje was, toen hij het voor -het eerst tot zich ophief en kuste; hij herinnert zich hoe spoedig het -verviel en verbleekte, en daar die droevige gedachten den laatsten damp -van den Chablis verdrijven, begint hij op ernstigen toon een gesprek: - -»Ik ben van een geheel tegenovergestelde opinie, mevrouw Van Ramsberge. -Zie die kinderen eens een pret hebben. Zou het niet zonde en jammer -zijn, ze nu reeds de zorgen van een huishouding op de schouders te -leggen? Neen, laat ze eerst wat genieten van het jonge meisjesleven.« - -»Nu, dat doen ze wel. Hoor die Gertrude Hagen eens gichelen! En -Clotilde schijnt ook niet van de stilsten.« - -»Ja, zoo lachen ze niet meer als ze een kleintje thuis hebben.« - -»’t Is toch een mensch zijn bestemming,« zegt mevrouw Van Ramsberge en -wuift hem de punt van zijn das tegen de kin, »dàt zult u toch niet -tegenspreken,« en ze kijkt hem boos aan, want ze stelt er een eer in, -dat haar dochters alle zoo bijzonder gauw—zij het dan ook niet -bijzonder goed—getrouwd zijn. - -»Ja,« zegt De Bruining, zoo knorrig als het redeloos schermen met -gemeenplaatsen iemand maken kan, »ja, als u daarin komt, wat een mensch -zijn bestemming is. ’t Is, om eens iets te noemen, ons aller bestemming -om gepensioneerd te worden, maar daarom gaan we nog niet dadelijk allen -ons pensioen aanvragen.« - -Dat is een hatelijkheid, denkt nu mevrouw Van Ramsberge; de generaal -heeft vijf-en-dertig jaar dienst en volgens sommigen wordt het zijn -tijd; de heer De Bruining bespeurt dat ze het als zoodanig opneemt, -maar hij heeft geen lust haar tot andere gedachten te brengen en doet -wat zijn vrouw reeds een uur doet—hij kijkt in zijn bord. - -Behalve de vroolijkheid aan den hoek waar de jonge meisjes zitten, -heerscht van het begin tot het einde de kalme toon, die de diners ten -paleize kenmerkt. Zoo is men langzamerhand genaderd tot het einde: men -heeft eenige moeite om de glacés, die daar straks zoo vlug van de -vingers gleden, weer aan te krijgen, maar voor het overige staat men -even kalm op als men is gaan aanzitten; men leert allengs ook om zich -te vermaken op officieele wijze. - -Het kwartier dat men na het eten staande doorbrengt in de voorgalerij, -schijnt heden korter te zullen worden dan gewoonlijk. Nauwelijks is de -koffie gebruikt, als reeds de adjudanten naderen met een beleefde -uitnoodiging hen te volgen en de gasten voorgaan naar het -achtergedeelte van het paleis. - -Er zijn stoelen geplaatst op het balkon, maar het is stikdonker buiten, -en juist begint men zich af te vragen, wat toch de bedoeling zijn kan -van het staren in deze egyptische duisternis, als in een diepe -stilte—bewijs van de nieuwsgierige spanning waarin het gezelschap -verkeert—de intendant met zijn zakdoek wuift. - -Was de heer d’Hannecour gewapend geweest met het stafje eener fee, niet -plotselinger had de verandering kunnen zijn, niet tooverachtiger had -uit de duisternis het tooneel kunnen verrijzen, dat nu het oog der -toeschouwers boeit. In een licht zoo zuiver wit als werd Bogor’s eeuwig -bloeiende tuin te midden der gletschers gevonden, ligt daar de vijver, -een reusachtige spiegel, gevat in groenfluweelen rand: rondom buigt -zich zacht wuivend loover, de avondwind suizelt en bestrooit de -glinsterende watervlakte met bloemen. Daar klinken de vriendelijke -tonen eener barcarolle en, bloemguirlanden gewonden om de zilveren -masten, veelverwige wimpels in top, met rooskleurige zeilen zwellend -door de geurige koelte, glijden tal van bootjes over het meer. - -Nu gaat het schitterend witte licht over in teeder smaragd: hier en -daar tusschen het dicht geboomte dat den vijver omkranst, vertoonen -zich nimfen: zweven naar den oeverrand, ze plukken met volle handen -lotosbloemen en werpen ze den gondeliers toe. - -De barcarolle verstomt, de lichte tonen eener wals dansen over den -waterspiegel; daarboven klinkt de zilveren lach der spelende nimfen. -Straks wordt het tooneel overgoten met helrooden gloed; een -schetterende fanfare, wild geschreeuw, satyrs springen te voorschijn, -gondeliers vluchten, nimfen verdwijnen; alles is weer in duisternis -gehuld. - -De toeschouwers vergeten waar ze zich bevinden; de verrukking barst los -in luid gejubel, in handgeklap, in dank. - -Zijne Excellentie bespeurt het niet. Hij hoort of ziet niets rondom -zich; hij ziet slechts het stralend gezichtje dat naar hem wordt -opgeheven; hij hoort slechts de stem, die bevend van verrukking -fluistert: »O, papa! ik dank u! ik dank u!« - - - - - - - -III - -DE LANDVOOGD IN ZIJN KABINET. - - -In een der ruime, hooge vertrekken aan de achterzijde van het paleis is -de werkkamer van Zijne Excellentie en niettegenstaande de drukte, die -de kleine hofhouding medebrengt, blijft het daar gedurende de -morgenuren zoo stil, zoo rustig alsof het gebouw geen bewoners had. -Voor heden echter maakt de heer Van Waliënhove niet het gewone nuttige -gebruik van deze stilte: hij zit achterover geleund in zijn -hooggerugden stoel; groote eikenhouten kisten vol stukken, gisteren -door de mail uit Europa aangebracht, staan nog ongeopend rondom hem; de -handen zijn werkeloos, de oogen half geloken. - -Daar straks is hij een oogenblik gewekt uit zijn gepeinzen—niet daarin -gestoord—er heeft een lichte tred weerklonken; als in een droom zag hij -een tengere gestalte, ze droeg een tuiltje veldviooltjes, ze zweefde -hem voorbij naar het portret daarginds aan den wand... ze drukte een -kus op zijn voorhoofd... - -Een uur is sedert voorbij gegaan. En nog ligt de dagtaak onaangeroerd, -nog droomt hij, maar nu niet meer met gesloten oogen, nu met den blik -gericht op dat gelaat, omkranst met veldviolen. Noch hij, noch zijn -kind hadden in de drukte der feesten vergeten, dat het heden haar -sterfdag was; hij en zijn kind, ze herdachten te zamen in een lange -omhelzing haar, die voor een korte wijl hem verschenen was in dit -leven; de goede engel, begaafd met de macht om den vloek, die op dat -leven rustte, weg te nemen. - -O, hij was zwaar geweest om te dragen, die vloek! - -Hij had zijn kinderjaren verbitterd, zijn jeugd gemaakt tot een -worsteling tegen knellende banden; banden, die hij met al zijn kracht -niet had kunnen verbreken. - -Een adellijken naam te dragen en arm zijn! Al de vooroordeelen van zijn -stand als met de moedermelk te hebben ingezogen, al de begrippen van -dien stand te zijn toegedaan, al den trots er van te voelen bruisen in -zijn aderen—en dan dien trots te moeten vernederen, die begrippen -verloochenen, die vooroordeelen boeten! - -Ja, hij was zwaar geweest om te dragen, die vloek!..., tot zij, zijn -goede engel, hem verscheen. - -Wat was toch haar geheim geweest? - -Ze was arm als hij, en evenwel, toen ze hun beider armoe vereend -hadden, toen waren ze rijk geweest, onmetelijk rijk. - -Was het waar wat ze lachend beweerde, dat twee jonge menschen, om -gelukkig te zijn, niet anders behoeven dan twee jonge harten? - -Was het haar schoonheid, die geheel haar eenvoudig kluisje verlichtte -met zoo bekoorlijken glans? Was het haar blik, die het verwarmde met -zoo troostvollen gloed? Was het haar lach, die het vervulde met zoo -kostbaren zilverklank? Of was het wellicht de liefde geweest, de -wonderbaarlijke, die alles vermag? Was dat de tooverstaf, waarmee ze -zijn ziel had aangeraakt en teederheid gebracht in plaats van -verbittering; de wonderbalsem, waarmee ze de duisternis had weggenomen -uit zijn oogen en het gemor van zijn lippen; het bezweringsformulier, -waarmee ze alle sombere denkbeelden had verbannen, om hem te doen -gelooven in het ongeloofelijke dat ze rijk waren, mateloos rijk, rijker -dan de rijkste op aarde? - -Helaas! dat de verschijning van toovergodinnen zoo kort moet zijn! - -Ze scheidde, ach! zoo onwillig, terwijl ze hem het laatste offer harer -liefde bracht: een kind met den blik, den lach en—hij weet het sinds -kort—de toovermacht harer moeder. - -Rijker dan de rijkste op aarde! - -God, hoe schoon was de droom geweest, hoe vreeselijk het ontwaken! Ach, -als ze dan heen moest gaan, waarom had ze al den glans en het licht en -de muziek met zich genomen? - -En als ze alles met zich nemen moest, waarom dan hem alleen -achtergelaten in de nu onttooverde wereld? - -Wanneer hij zich terugdenkt in den tijd, die volgde op haar dood, toen -de lasten des levens hem zoo zwaar drukten, dat ze zijn rug kromden -voor de jaren, toen een hulpeloos kind, onverzorgde zusters, zwakke -ouders, allen zijn bijstand vroegen, toen hij werkte en zwoegde als de -minste en toch niet vond wat de minste vinden kan, genoeg! als hij zich -wegdenkt in dien nacht, dubbel zwart omdat hij volgde op zoo -schitterend een lentedag, dan vraagt hij zich af hoe hij dien heeft -kunnen doorworstelen... Maar ook dan—en dan alleen begrijpt hij, hoe -hij er toe gekomen is om zich te verkoopen! - -Zich te verkoopen! - -Honderde malen heeft hij het gefluisterd, dat vreeselijk woord, -honderde malen! Al de hoon, al de schande er in vervat, is gegrift in -de diepste diepten zijner ziel, maar nog terwijl hij het uitspreekt in -de stilte van zijn binnenkamer, nog doet het hem pijnlijk blozen, alsof -hij een slag kreeg in het aangezicht; nog krult zich zijn lip, zooals -ze doen zou bij het vernemen eener laagheid, nog wendt hij het hoofd af -van het gelaat omkranst met veldviolen... - -Want—bloost hij voor zichzelf, hij doet het meer nog voor haar. Immers -door zijn tweede huwelijk heeft hij zijn eerste verloochend. - -De vrouw, die hem kocht, kan hem niets verwijten: zij wist dat hij geen -hart te geven had en ze vroeg ook geen hart, ze zou niet geweten hebben -wat er mee aan te vangen; maar Clotilde’s moeder!... - -Ja, wèl heeft de vloek zijns levens zwaar op hem gerust! - -Want, na jaren lang den aangebonden strijd te hebben volgehouden, buigt -hij ten laatste het hoofd en onderwerpt zich aan het noodlot, dat hem -dwingt zijn oud verveloos wapenschild te vergulden door een rijk -huwelijk, en dan wordt hem, die zoo dikwerf en zoo dringend had -gevraagd om een meer winstgevende betrekking, hem die gaarne al zijn -krachten zou gewijd hebben aan zijn land, als hij daardoor zijn -verarmde familie had kunnen steunen, hem wordt—o bittere spotternij der -fortuin, nu op eens als het ware thuis gebracht wat hij zoo lang te -vergeefs najaagde. - -En al hooger en hooger stijgend, nu hij behalve door bekwaamheid ook -door geld gesteund wordt, ziet hij zich eindelijk benoemd tot -gouverneur-generaal van Neerlandsch-Indië! - -Gouverneur-generaal van Neerlandsch-Indië! Ja... maar geketend aan eene -vrouw, die hij haat. - -Haat? Hij schrikt op van het woord, nu het hem daar als van zelf op de -lippen komt; hij herhaalt het fluisterend, als woog hij de beteekenis -er van, als wilde hij nog ontkennen wat daar zoo luide wordt -uitgesproken in het diepst van zijn hart. - -Haten? Neen immers! Dat kan, dat mag niet! - -Toen ze huwden, heeft hij toen niet geloofd in de mogelijkheid van haar -te beminnen? Scheen die vorstelijke gestalte, die weelderig schoone -vrouw hem niet begeerenswaard; bewonderde hij niet dat regelmatig fraai -gelaat; meende hij geen liefde te lezen in de oogen, die toen nog niet -zoo onheilspellend fonkelen, zoo toornig lichten konden? - -En later, toen ze hem zijn zonen schonk, toen ze aan de wieg van haar -kind meer tot teederheid geneigd scheen, waren er toen niet -oogenblikken geweest, waarin ze te zamen genoten van de weelden die -kinderen onbewust hun ouders verschaffen, oogenblikken, waarin hij de -moeder zijner heerlijke jongens dankbaar was voor dien schat? - -Haten? Neen! ’t Is waar, hij heeft een vrouw gehuwd om haar fortuin, -maar hij deed het niet als een gewetenlooze. Hij gaf haar zijn naam, in -het vast geloof dat ze waardig was dien te dragen, met het voornemen -haar gelukkig te maken, de hoop bij haar datgene te vinden, wat hij nog -vroeg van het leven: een kalm tevreden lot. - -Ach, als ze hem maar een weinig had begrepen! - -Als ze maar had kunnen beseffen hoe pijnlijk ze hem wondde met dien -kouden blik, met dien wreeden lach; als ze maar had gevoeld hoe het -blootleggen van een hart als het hare, een hart als het zijne voor -altijd sluiten moest! Of anders, als ze maar had willen veinzen, hij -zou niets liever gewenscht hebben dan te leven in een gelukkige -dwaling. - -Maar helaas, er zijn naturen zoo laag, dat ze zelfs het begrip niet -hebben hun laagheid te verbergen: hoe weinig had ze hem kunnen geven, -hoeveel had ze van hem gevraagd! Wanneer de man offers brengt op het -altaar der liefde, wanneer hij eigen zin en wil onderdrukt, eigen -wensch verloochent voor de vrouw die hij bemint, dan wordt ze hem -dierbaarder naarmate de offers die hij bracht, zwaarder waren. Maar wee -de vrouw die offers eischt waar ze niet bemind wordt, wee den man die -ze brengt zonder liefde; haat, toornige, machtelooze haat komt zich -legeren tusschen hem en haar. - -Nu drie jaar geleden, toen hij geroepen werd tot zijn hoogen post, -heeft ze van hem geëischt, wat hem moeielijk te volbrengen viel: de -scheiding van Clotilde. - -Hij weigerde. Zij sprak over vaderlijk egoïsme, dat de toekomst der -dochter bedierf, over een half voltooide opvoeding, over een nadeeligen -invloed van het indisch klimaat... hij bleef weigeren: toen toonde zij -zich zoozeer stiefmoeder, dat het kind zelve vroeg om te mogen -achterblijven; immers de strengste kostschool was beter dan zulk een -thuis... en hij weigerde niet langer. - -En zoo beroofde ze hem van het genot, dat hij zich lang had gedroomd; -de plant die hij kweekte, waarvan hij elk blaadje bespied, elk knopje -welkom geheeten had, moest hij verlaten op het oogenblik dat ze zich -ontplooide tot vollen, heerlijken bloei. En als hij nu, nu zijn -ontloken roos is teruggekeerd, den zonneschijn zijner liefde slechts -over haar had mogen uitstorten! Doch—treurig raadsel—de vrouw, die niet -heeft kunnen beminnen, kan ijverzuchtig zijn, ijverzuchtig op de doode, -voortlevend in haar kind. - -Thans staat hij op het punt een ander offer te brengen. - -Niet dat ze het vraagt, niet dat ze, nu het haar eigen kinderen geldt, -een opvoeding in Holland noodzakelijk vindt! Och neen, ze roept ach en -wee over zijn hardvochtigheid, ze noemt hem een vader zonder gevoel, ze -toornt, ze dreigt, zoodra hij maar een woord durft spreken, doelend op -de mogelijkheid eener naderende scheiding. - -Toch kan hij het zich niet langer ontveinzen; die scheiding wordt -noodzakelijk. Dagelijks is hij getuige van tooneelen, die hem de -waarheid in het aangezicht slingeren: er moet een einde komen aan den -bestaanden toestand; dagelijks ziet hij het, hoe de goede aanleg der -beide jongens wordt bedorven door het onverstand der moeder, hoe hun -trotsche aard, het erfdeel der Van Waliënhove’s, dreigt te ontaarden in -den dommen hoogmoed, die de landvoogdes bezielde van het oogenblik af -dat ze onder het bulderen der kanonnen voet aan wal zette te Batavia. - -Ziet hij niet hoe alles samenwerkt om de kinderen een veel te hoog -denkbeeld te geven van de grootheid huns vaders, die, alles -welbeschouwd, toch slechts een tijdelijke grootheid is? Werkt die troep -hovelingen niet nadeelig op het karakter, zijn die kruipende Javanen -niet juist geschikt om den kleinen tiran, die in Felix sluimert, te -doen ontwaken? Wordt de toomelooze drift van Oscar ooit naar behooren -gestraft? Wordt niet met al zijn luimen en nukken genoegen genomen? Ja, -zijn insolenties en ruwe grappen, worden zij niet toegejuicht door de -vleiers, wier eigen kinderen wellicht verbaasd zouden staan, als ze -hier eens zagen hoeveel papa verdragen kan? Hij mag niet, als -gelukkiger vaders uit nederiger stand, zich de weelde veroorloven zelf -de opvoeder zijner zonen te zijn; hij behoort niet aan zijn huisgezin, -maar aan den staat. - -De dagen, die het land doorleeft, waarover hij gesteld is, zijn donker: -de toekomst, die het tegengaat, is ver van rooskleurig; er wordt -gevreesd voor steeds grooter achteruitgang, zoo niet ondergang dreigt; -en hij spant al zijn krachten in om in dat donker licht te scheppen, om -dien ondergang te voorkomen; hij strijdt tegen den afmattenden invloed -van klimaat en omgeving, tegen de moeielijkheden aan de positie van -landvoogd verbonden. De strijd is niet licht en legt zoodanig beslag op -al zijn gedachten, al zijn vermogens, dat hij gaarne van de zorg voor -de opvoeding zijner zonen zou ontheven zijn geworden. - -Maar dit mocht niet zijn, en tusschen de regeeringszaken door, peinst -hij op middelen om die opvoeding te doen slagen. - -Hij heeft gewenscht—en tegen den bepaald uitgesproken wil zijner vrouw -doorgezet—dat Felix en Oscar naar school gingen, dat ze daar leerden en -speelden, stoeiden en vochten, overwinnaar bleven of onder lagen, juist -als andere knapen; maar dat is onmogelijk gebleken. - -Hij mocht nog zoo duidelijk verklaren, dat hij geen onderscheid -wenschte, hij mocht zijn jongens naar school zenden, te voet, in weer -en wind, in het traditioneele blauwe pak, de tasch op den rug gebonden, -de onderwijzer kan toch niet vergeten dat het de kinderen van Zijne -Excellentie zijn. - -Als het ongeluk wil dat in een vechtpartij Felix een blauw oog heeft -opgeloopen, komt het hoofd der school, bleek van schrik, zijn -verontschuldiging aanbieden; kort daarna wordt hij om deze onhandigheid -overgeplaatst; zijn opvolger houdt zich overtuigd dat die overplaatsing -het natuurlijk gevolg is van het blauwe oog en straft den eersten den -besten, die het waagt een Van Waliënhove aan te raken, zoo voorbeeldig, -dat geen knaap zich meer schuldig maakt aan die majesteitsschennis. - -Het schoolgaan op deze wijs moest nog veel nadeeliger werken dan het -leeren aan huis, en mevrouw Van Waliënhove—had ze misschien de hand -gehad in de geheele zaak?—kreeg haar wensch: een gouverneur. - -Het mocht geen gewone schoolmeester zijn, de gouverneur van mevrouws -zonen! Dus werd een buitengewone gezocht, iemand die akten had voor -alle mogelijke en onmogelijke vakken. Hij bleef drie maanden. - -Och neen, ’t moest heel iets anders wezen, niet zoo’n pedant heer van -het middelbaar, maar iemand van het lager onderwijs, zoo’n manneke dat -men niet behoefde te ontzien. Hij hield het een half jaar uit. Er was -een Franschman geprobeerd, een Duitscher, een candidaat in de letteren, -een dokter in de wijsbegeerte... nu kort geleden is voor de zesde maal -de gouverneur tot Zijne Excellentie gekomen, met beleefd maar dringend -verzoek om ontslag—en Zijne Excellentie de onderkoning van Indië heeft -beschaamd gestaan voor dien nederigen man: hij heeft niet durven vragen -wat de reden was van zijn verzoek, hij wist het. En hij weet ook, dat -degeen die in ’s mans plaats komt... ah ja, de mail ligt daar nog -ongeopend vóór hem, misschien is er bericht; misschien dat de laatste -poging door hem aangewend, alvorens tot het uiterste over te gaan, -gelukt is. - -Hij leest haastig de adressen zijner brieven, opent een daarvan, vliegt -den inhoud door en op het gelaat, dat daar straks zoo somber stond, -komt nu een trek van blijde verrassing. - -Een paar malen loopt hij met den geopenden brief de kamer op en neer, -dan schelt hij en beveelt den intendant te roepen. - -»Herinnert u zich nog, kolonel,« vraagt hij, zoodra deze gezeten is, -»herinnert u zich nog den kolonel Van Beevelant?« - -»Die gewond werd op Atjeh, en kort daarna gepensioneerd? Zeker herinner -ik mij dien, Excellentie! Hij is, meen ik, reeds als tweede luitenant -ridder geworden, en...« - -»Juist. U moet weten, kolonel Van Beevelant en ik zijn schoolkameraden -geweest.« - -»Ah zoo?« vraagt d’Hannecour, dadelijk op zijn qui vive. - -»En we zijn altijd vrienden gebleven«. - -Met de vlugheid van den hoveling heeft de intendant begrepen welk -antwoord hier dienstig zijn kan. - -»Ik ben zeker dat hij die onderscheiding waardig was. Toevallig heb ik -het voorrecht gehad onder hem te dienen. Onze dames vooral -sympathiseerden erg; we zagen elkaar veel en zijn altijd min of meer -gelieerd gebleven.« - -»Wel zoo, dat doet me genoegen. U weet, hij had een zoon, zijn eenige.« - -»Ja, Frans. Hij was de speelkameraad van mijn kinderen, een aardige, -veelbelovende jongen. Weet Uwe Excellentie misschien wat er van hem -geworden is?« - -»We zullen het, denk ik, spoedig vernemen. De fransche mail is aan: -welnu, dan is hij gisteravond afgestapt te Batavia en nu waarschijnlijk -op reis naar hier.—A propos, zoudt u den adjudant van dienst willen -vragen hem te gaan halen van ’t station?« - -»Met genoegen. Hè, wat vind ik dat aardig, Frans Beevelant weer eens -terug te zien! En wat een verrassing zullen ze het thuis vinden!« - -»Ik hoop zeer dat uwe familie haar oude betrekking op hem niet zal -vergeten. De dames geven in zulke zaken meest den toon aan, en het zou -hem zeker veel waard zijn door mevrouw d’Hannecour te worden -gepousseerd.« - -De kolonel buigt, zichtbaar gevleid. - -»Heb daarover geen zorg, Excellentie! Hij zal met open armen worden -ontvangen. Zulk een aardig jongmensch en daarenboven de zoon van een -goed, oud vriend.« - -»En daarenboven de gouverneur mijner jongens.« - -De intendant ziet den landvoogd aan alsof hij denkt aan een grap. - -»U zegt?« vraagt hij met een pijnlijk glimlachje. - -»De gouverneur mijner jongens,« antwoordt baron Van Waliënhove droog. - -»De gouverneur?« herhaalt d’Hannecour, en op zijn daareven zoo glanzend -gelaat is de grootste verlegenheid te lezen. »De gouverneur?« - -»Wat ik u bidden mag, kolonel, blijf niet zoo stilstaan bij dat woord -gouverneur. Het mocht u eens doen vergeten dat de gouverneur uw -bijzondere gunsteling, de speelkameraad uwer dochters en de zoon van -ons beider ouden vriend is.« - - - - - - - -IV - -EEN INDISCHE HUISHOUDING. - - -»Mama, ik wil koek!« - -»Ma, Wim knijpt me... Adoe! adoe!« [1] - -»Maatje heef hort aan Jantje!« - -»Mama, toetie minta boeboer.« [2] - -Ziedaar de kreten, die, vergezeld van het geraas, dat lepels en vorken -in kinderhanden maken, worden geslaakt door het zevental dat om de -ontbijttafel der Bruinings gelegerd is in houdingen, welke slechts -darwinistische denkbeelden vermogen te wekken. - -Die ontbijttafel is bedekt met tal van gerechten. - -»Want, niet waar,«—aldus mevrouw De Bruining—»wanneer men zooveel -kinderen heeft, dan moet er van alles zijn? Daar hebt u Jantje, die wil -altijd gort hebben en voor Non moet er koek wezen; dan eet Toetie -boeboer en het kleintje«—er is altijd een kleintje!—»het kleintje kan -nog niet veel anders verdragen dan nassie tim, terwijl Bruining op zijn -kop chocolade gesteld is en juf graag kip of vleesch heeft bij de -boterham.« - -»Stil toch, kinderen,« spreekt mevrouw, met een stem, veel te zwak om -het rumoer te overschreeuwen. »Ik zal je helpen, maar gil dan niet zoo! -Wou je koek, Non? Hier poesje. En jij Wim... jongens, vecht nu niet -langer... kom je boterham eten... Spen kassi roti... waar is Spen?« - -Spen is aan het melk koken, bericht de baboe, die op den grond zit met -een schotel rijstepap en de vijfjarige Toetie volpropt met den boeboer, -alsof het een jonge kalkoen was die gepild moet worden. - -Nu had Spen reeds een uur geleden de melk kunnen koken, maar met het -overleg den inlander eigen, waar het geldt eenig werk te ontloopen, -stelt hij dit altijd uit tot het oogenblik van aanval; de jeugdige -Bruinings te bedienen is geen gemakkelijke taak en hij laat die liefst -over aan hunne moeder. - -Zij vliegt dan nu ook links en rechts, om de wenschen harer lievelingen -te vervullen; zoo gauw echter niet of jongeheer Jan vindt gelegenheid -om de »hort«, waar hij daareven zoo dringend om riep, overal te brengen -waar ze niet behoort. - -Hij teekent zich met de stroop een paar snorren, die een sappeur hem -zou kunnen benijden; nu gaat hij over tot het aanbrengen van groote -dwarsstrepen op zijn voorhoofd, welke hem iets diepdenkends zouden -geven zonder de beide gortkorrels aan de punt van zijn neus. - -Misschien zou Lavater een studie gemaakt hebben van de -tegenstrijdigheden in de uitdrukking op Jantje’s gelaat, maar mevrouw -De Bruining heeft daarvoor geen tijd. Nauwelijks ontdekt ze het snood -bedrijf, als ze een natten handdoek grijpt en daarmede op den -teekenmeester toeschiet... - -Juist op dit oogenblik weerklinkt een hartverscheurende kreet. De -strijd tusschen Willem en Louis met ongewone hardnekkigheid voortgezet, -was weldra ontaard in een buiteling en de buiteling beëindigd met een -even treurig als verrassend voorval: Louis kwam met een weinig -beschermd lichaamsdeel terecht in de heete rijstepap. - -Met pas gekrulde kuif en wijd uitgespreiden bakkebaard, met zijn das in -de hand en zijn jas op den arm, vliegt nu de heer De Bruining de -achtergalerij binnen: hij heeft door het hartverscheurend gegil van -Louis gemeend, dat er een vreeselijk ongeluk gebeurde, maar de houding -die het ventje aanneemt, nu hij uit de heete pap opkrabbelt, is zóó -dwaas, dat papa met de kinderen en bedienden instemt en het uitschatert -van lachen. - -De kus, dien hij zijn vrouw op de lippen drukt, het goeden morgen dat -hij zijn jongens toeroept, zouden vriendelijker zijn, als hij niet zoo -gejaagd was; immers hij is reeds gekleed voor zijn dagelijksch bezoek -bij den gouverneur-generaal; binnen een half uur moeten hij en Zijne -Excellentie een zaak bespreken, die alleen met behulp van zeker -staatsblad te bespreken is. En nu werd hij in het bestudeeren van dat -staatsblad gestoord door den noodkreet van zijn zoon. Mevrouw is -neergeknield om de vuurroode plek, die Louis bij zijn evolutiën bloot -geeft, te betten met den natten handdoek voor Jantje bestemd; Jantje -vliegt paatje tegemoet, paatje geeft toe aan een opwelling van -vaderlijk gevoel en de lichtbruine vloeistof, waarin bij de tropische -hitte Jantje’s teekeningen zich hebben opgelost, kleeft tusschen het -ronde gezichtje en de mooie bakkebaarden. - -Jantje vindt het aardig, maar papa laat zich een woord ontvallen, een -woord dat... in ’t kort, dat hij hoogst waarschijnlijk niet gebruiken -zal als hij straks in gezelschap is van Zijne Excellentie. - -Doodelijk ontsteld rijst mevrouw De Bruining overeind en spant alle -krachten in om nog meer zulke woorden te voorkomen. - -De drie eitjes, die de algemeene secretaris moet gebruiken om bij zijn -veelomvattende werkzaamheden staande te blijven, kunnen alleen door -zijn Wies naar den eisch gekookt worden, en daar de juffrouw nog steeds -niet verschijnt en de Spen volhardt bij het melk koken, terwijl Louis -kermt en Jantje snikt, heeft ze de handen vol. - -Daar komt een inlandsch naaistertje, een naaistertje zoo jong en mooi -als slechts bij ongetrouwde dames een dienst vinden, binnentrippelen: -ze brengt een boodschap van »nonna jupprou«; nonna jupprou heeft erge -kiespijn; nonna jupprou kan onmogelijk opstaan en nonna jupprou vraagt -haar ontbijt. - -Terwijl ze daarvoor zorgt, ontsnapt een diepe zucht aan mevrouw De -Bruining’s borst. - -»’t Wordt toch wat erg,« meent Daniël, die den zucht hoort en met -bezorgdheid opmerkt hoe bleek zijn vrouw er weer uitziet vandaag, »’t -wordt toch wat erg! Jij hadt van morgen wel pijn in den rug...« - -»Maar Daan! Alsof de meesteres zich zoo zou mogen toegeven als de juf!« -zegt mevrouw De Bruining niet zonder eenige bitterheid. »Trouwens, ’t -is al wat beter en straks, als ik mijn stortbad genomen heb, zal het -wel heelemaal over zijn. Nog een boterhammetje?« - -»Neen, dank je! Begin nu eerst zelf eens wat te eten.« En na een pauze, -door de kinderen krachtig aangevuld: - -»Wil ik je eens wat zeggen, Wies? Het gaat met deze juffrouw alweer net -als met de beide vorigen, je hebt er meer last dan pleizier van.« - -»Och lieve, dat is nu eenmaal niet anders in Indië.« - -»Maar het is toch niet bij iedereen zoo. Ik ken wel dames, die van haar -bonne heel wat meer gedaan krijgen dan jij.« - -»Ik geloof dat het aan mij ligt,« zegt de arme Wies beschaamd; »als je -denkt dat dit de negende is. Ik ben te zwak.« - -»Ja, dat is het, oudje. Je bent te goed!« - -Ze glimlacht en legt een oogenblik haar hand in de zijne. Hij drukt die -hand, ziet haar in het gelaat, dat met dien glimlach niet vermoeid meer -schijnt, en de kinderen mogen leven maken zooveel ze willen, hij mag -het teeder woordje nog zoo zacht fluisteren—zij verstaat het. - -’t Is een korte vreugd. In dezelfde zenuwachtige haast, waarmede hij -naar binnen kwam stormen, vliegt hij overeind. »Mijn hemel! ’t is half -negen. Ik moet weg! Wordt er ingespannen? Kinderen, houdt je stil... -Wies! zorg dat de rijsttafel precies half een op tafel staat, dan kan -ik... hou je mond, schreeuwleelijk—dan kan ik nog een oogenblik -rusten.« - -Nauwelijks heeft papa zijn hielen gelicht of de wilde horde vliegt den -tuin in; mama bedenkt dat ze geen hoeden op hebben en geen schoenen -aan; maar in ’s hemelsnaam! De stilte is zoo verrukkelijk! En het is nu -juist een geschikt oogenblik voor haar om te ontbijten. - -Gauw een kop thee, de beste is afgeschonken, maar ze kan nog wel eens -opgieten; een eitje, de eieren van eigen kippen zijn altijd voor Daan, -maar och, men kan het met koopeieren ook wel eens treffen... - -Dat smaakt. Ze zal zich een tweede kopje inschenken, een tweede broodje -smeren... daar begint ze onrustig te worden, ze werpt schuchtere -blikken naar beneden, naar de trap; weldra durft zij de oogen niet meer -opheffen van haar bord. Immers, ze weet dat ze daar beneden aan de trap -wordt opgewacht; wel niet met kwade bedoelingen, maar ... met ongeduld, -met steeds klimmend ongeduld. - -Reeds stijgt een verward rumoer tot haar op; reeds onderscheidt ze het -afschuwelijk neusgeluid, dat alleen een chineesche varkensslager kan -voortbrengen; in de verte bengelt het klokje van den klontong; -dichterbij kakelen kippen en kirren duiven die op voedsel wachten; -boven alles uit weerklinkt de weinig melodieuse stem van Spen, die -quasi de verkoopers van groenten vruchten, hout, klappers en wat ze -meer op hun krakende picolans komen aandragen, onderhoudt over hun -schandelijk overvragen. - -Mevrouw De Bruining neemt zich voor, hen te laten wachten; ze zal haar -boterham rustig opeten, zich nergens aan storen ... haar oog ontmoet -den strakken blik van twee naaisters, die zich houden of het haar -bepaald onmogelijk zijn zou één steek te doen vóór zij ze werk geeft; -daar fluistert de waschmeid een dringende bede om zeep, de kokkin -bewaart, voor de gesloten deur der goedang gezeten, een stilzwijgen, -dat zegt: »mensch, maak die deur open of ik zal je op je rijsttafel -laten wachten zoolang als je er nog nooit op gewacht hebt.« - -De moed begeeft haar; een laatste verlangende blik op den trekpot en ze -rijst langzaam overeind om aan de vervulling harer huishoudelijke -plichten te beginnen. - -Mevrouw De Bruining is de goedheid zelve. - -Voor ieder, met het karakter van den inlander bekend, zal het na deze -mededeeling duidelijk zijn, dat er op geheel Buitenzorg geen dame -gevonden wordt, die een grooter aantal bedienden heeft en slechter -bediend wordt, geene die meer passergeld gebruikt en minder eten op -tafel krijgt, geene die uit haar tuin vol vruchtboomen zoo zelden een -eetbare pisang of djamboe plukt als zij. - -Door ervaring geleerd, bereidt ze er zich op voor om, als zij ’s -morgens haar oogen opent, allerlei onaangename tijdingen te hooren. -Zooals echter vandaag alles schijnt saam te spannen om haar tot wanhoop -te brengen, daar is zelfs zij niet op voorbereid. - -Het begint met de mededeeling van kokkie, dat een zeker geheimzinnig -dier van nacht vier kippen heeft weggehaald; dan komt de tuinman -vertellen dat een van de groote bloempotten met de juist bloeiende -sering, in elkaar is gezakt; de huisjongen, haar steun en hulp, vraagt -veertig gulden voorschot en twee dagen verlof om te gaan trouwen—voor -de derde maal in den loop van dit jaar; onmiddellijk na hem nadert nog -grooter onheilsbode in den persoon van den koetsier: hij meldt dat een -der beide Sydneyers ziek is. - -Dit is te veel! Moedeloos zinkt ze neer op haar stoel voor den goedang; -werkeloos laat ze het toe dat de kooplieden haar beetnemen; ze ziet -kokkie boter stelen in meer dan gewone mate, ze verzet er zich niet -tegen, ze merkt op hoe de lampenjongen met de petroleum omgaat of het -water ware: ze zwijgt. Daar wordt ze plotseling uit haar sombere -moedeloosheid gewekt; was dat niet een noodkreet, een gil in doodsangst -geslaakt, die daar het moederoor trof? - -Reeds is ze den stoet kinderen tegemoet gevlogen, die onder akelig -gehuil uit den tuin komt aanloopen. Wat is er gebeurd? Een kleinigheid -maar, vinden de baboes, te oordeelen naar haar kalmte; de kinderen -hebben steentjes in hun ooren gestopt, anders niet! - -Een flauwe herinnering aan steentjes, die met een haarspeld uit hun -schuilplaats werden opgedolven, speelt de arme Wies door het hoofd. -Maar neen, beter dadelijk ingespannen! den dokter halen! - -Onmogelijk! De vossen zijn met de coupé naar het paleis, een van de -Sydneyers is ziek. - -Een haarspeld dàn! - -Ha, hier komt er reeds een te voorschijn, een steentje namelijk! en -hier nog een... ’t blijkt nu, dat er ook enkelen in den neus -verdwaalden. - -De Bruining rijdt het erf op. - -»Man, laat niet uitspannen! De koetsier moet dadelijk naar den dokter.« - -De gehoorzame echtgenoot brengt de orders aan den koetsier over, zonder -ook maar te vragen wat er gebeurd is; hij is er aan gewoon bij zijn -thuiskomst een gebroken arm, verstuikt been of plotseling opgekomen -koorts te vinden. - -»Daan, verbeeld je!« roept Wies, als hij terugkeert in de -achtergalerij, meest het tooneel hunner huiselijke rampen; »Daan, -verbeeld je, daar hebben de kinderen zich volgepropt met steenen!« - -»Kom, Wies!« roept hij ontsteld, maar niet verbaasd, daar van die -kinderen hem niets meer verbazen kan, »’t is waarachtig of het -casuarissen zijn. Geef ze castor-olie!« - -»Neen lieve, dat is de kwestie niet. Ze zitten in hun neus, in hun -ooren.« - -»Groote God! En de baboes dan? En de juffrouw!« - -»Die ligt in haar kamer te lezen.« - -De algemeene secretaris grijpt met beide handen naar zijn achterhoofd -en laat een zucht hooren, die veel op pijnlijk kermen gelijkt. Mevrouw -ziet die beweging met bekommerd gelaat en zegt: »Als je weer wat ijs op -je hoofd wilt leggen, ik heb reeds laten halen.« - -»Straks graag. Dat moest er nog bij komen. De kinderen misschien voor -hun leven ongelukkig!« - -»Waar bij?« herhaalt de heer De Bruining opgewonden. »Wel... maar, ’t -is waar! Je weet het nog niet. Daar is me Verschuere benoemd...« - -»Benoemd? Tot... tot eersten gouvernements-secretaris?« - -»Ja. En dat terwijl Van Heuvel er het volste recht op had, terwijl het -hem beloofd was; hij is resident van Krawang gemaakt, de arme drommel!« - -»Mijn hemel, Daan! Verschuere...« - -»Ja, je moogt wel schrikken.« - -»Het verwondert me van den gouverneur.« - -»Mij niet. Ik ben voor niets geen twintig jaar lang in Indië geweest. -Herinner je je nog dien tijd, toen de grootste ezels de mooiste -betrekkingen kregen, alleen omdat er schot moest komen, alleen omdat de -schoonzoon van den minister op moest klimmen?« - -»Ja, ’t is erg. Dus van referendaris op eens eerste -gouvernements-secretaris? Maar trek het je niet aan. Wind je niet zoo -op, Daan, denk aan je hoofdpijn!« - -»O Wies!« roept hij, terwijl hij haar handen grijpt en het pijnlijk -gloeiend voorhoofd daarop laat neerzinken. »O Wies! eisch niet van me, -dat ik me kalm houd...« - -»Je vreesde het wel een weinig, niet waar? Het komt niet geheel -onverwacht?« - -»Neen, ik heb het zien aankomen. Ik heb het verwacht. Ik weet wie -Verschuere is... hij werkt vlugger, beter, gemakkelijker... hij kan -meer dan iemand anders! Maar ik ken hem van vroeger, hij ontziet niets; -hij ontziet niemand... wat hem in den weg staat loopt hij omver... en -ik sta hem in den weg, Wies.« - -»Komaan,« spreekt ze vertroostend, »je moet zoo gauw den moed niet -laten zinken. De gouverneur is je genegen.« - -»Maar Verschuere is de neef van den minister.« - -»Beste man! Denk om onze kinderen! We moeten den strijd volhouden -zoolang we kunnen—dat heb je tot nu toe altijd gedaan.« - -»Ja, als ik die zenuwhoofdpijnen niet had! Als ik niet zoo vreeselijk -was afgebeuld, nu drie jaar lang... Goddank, daar is de dokter.« - - - - - - - -V - -DE JONGGEHUWDE IN HAAR EIGEN HUIS. - - -De woning, waarin de nieuwbenoemde zijn vrouw binnenleidde, was niet -zulk een bescheiden nestje als waarin jonge indische paartjes meestal -de eerste huwelijksjaren doorbrengen en och, zoo naamloos gelukkig zijn -kunnen dat ze later, in hun marmeren paleis, nog met zoet verlangen -terugdenken aan dat nederig stulpje. Het was een ruim huis, vol licht -en lucht, gelegen op den besten stand van Buitenzorg, met het uitzicht -in den Plantentuin. - -»Nu kind, ben je tevreden?« vraagt hij, als hij haar heeft rondgeleid. - -»Of ik tevreden ben?... Ik heb dikwerf gedroomd van zoo’n huis en zoo’n -uitzicht, maar dat het ooit werkelijkheid zou worden, neen, dat had ik -niet durven denken.« - -»Je zult mettertijd in een nog veel mooier, nog veel grooter huis -wonen, dat beloof ik je!« - -»Nog grooter? En ik vind dit al te groot voor twee menschen, voor twee -menschen die elkaar liefhebben, ten minste....« - -»Dwaas kind! Een huis met vijf kamers!« - -»En twee beneden. Dat maakt zeven.« - -»Ja, maar die moet je niet meêrekenen. Die hebben we noodig voor de -logées.« - -»Zouden we veel logées krijgen, denk je?« - -»Natuurlijk. Als je op Buitenzorg woont, heb je altijd logées. In den -oostmousson komen de kennissen van Batavia, omdat ze het er niet kunnen -uithouden van de warmte; in den westmousson komen de kennissen uit de -Preanger, omdat ze het er niet kunnen uithouden van verveling.« - -»Niet zoo heel prettig altijd vreemden over den vloer te hebben, vind -je wel?« vraagt mevrouw Verschuere. - -»Och, daar merk je hier zoo weinig van, vooral als er een logeergebouw -is. Maar om op die vijf kamers terug te komen. Een daarvan—deze -rechts—is bestemd voor mijn bureau; deze had ik gekozen voor een -boudoirtje.« - -»Een boudoir? Voor mij?« - -»Ja, je begrijpt, je moet zoo’n vertrekje hebben, waarin je je -amuseeren kunt met je piano en je boeken, of je handwerkjes, terwijl ik -in mijn bureau zit.« - -»Moet je veel in je bureau zitten?« - -»Ja.« - -»Maar zouden we niet in dezelfde kamer kunnen werken? Ik zou je niet -hinderen; ik kan zoo stil zijn als een muis, en het zou veel gezelliger -wezen.« - -»Onmogelijk, kind. Jullie vrouwen hebt altijd een zeker frou frou, en -als ik werk kan ik niet het minste gerucht verdragen. Dan rest er een -voor slaapsalet en verder deze voor de kleedkamer van mevrouw, en dit -kleintje voor de kleedkamer van mijnheer.« - -»Hoe deftig!« - -»We moeten een beetje deftig zijn, dat behoort er zoo bij... Neen, lach -me nu niet uit, Nita! Ik meen het.« - -Ze wandelen het huis nog eens samen door, tot eensklaps mevrouw -Verschuere stilstaat met de vraag: »Maar wat moeten we eigenlijk met -die groote galerijen beginnen?« - -»Wel, ze zijn niets te groot. Integendeel, bij de eerste de beste -partij, die we geven, zul je zien dat de binnengalerij eigenlijk te -klein is. Voor een dineetje van twaalf personen is de achtergalerij -goed, maar meer zou je er ook niet kunnen plaatsen, terwijl vóór... ja, -dat gaat. Laat zien: een dertig menschen...« - -»Dertig menschen? Waarom zoo veel? Zei je me laatst niet, dat je een -hekel hadt aan groote partijen?« - -»O ja, wat dat betreft... maar men moet nu eenmaal soms iets doen -waaraan men een hekel heeft.« - -»Je bent toch vrij?« - -»Vrij? Op Buitenzorg vrij? Zie je daar het paleis en praat je dan nog -van vrij? Ah zoo, daar komen de meubeltjes te voorschijn! Ik dacht dat -ze die emballage nooit los zouden krijgen. Kijk eens, wat is dat keurig -overgekomen. In ’t geheel niet beschadigd. Nu, Nita...« - -»Wat? Waarom zeg je »nu Nita?«« - -»Omdat ik weg moet.« - -»Weg? Ga je weg? En moet ik hier alleen blijven? Met al die menschen?« - -»Mingo is hier en je meid en je naaister. Wat kijk je me verwijtend -aan, kind? Dacht je dan dat ik tijd had om een geheelen dag te -verknoeien met meubels uitpakken?« - -»Noem je dat verknoeien? Ik had er me juist zooveel van voorgesteld het -samen te doen; alles samen uit te pakken, te bewonderen, te schikken en -te plaatsen.« - -»O, wat een idée! Ik heb er niet het minste verstand van en ook geen -geduld toe. Geloof me, al had ik niet zoo’n massa werk, dáár zou ik -toch niet toe te vinden zijn. Kom, Nita, je moet je eens aangrijpen. We -hebben hier nu eenmaal geen menschen die je huis voor je meubeleeren, -anders had ik ze je lang bezorgd. Je weet, wat een vrouw in Indië -noodig heeft, is flinkheid; ze moet ferm zijn, zelfstandig handelend -optreden. Nu lieve, ’t wordt mijn tijd.« - -»Hoe laat kom je terug?« - -»Tegen twaalf uur, denk ik. Ik krijg daareven bericht dat De Bruining -met zenuwhoofdpijn te bed ligt. Nu, dan is hij nog verwarder dan -gewoonlijk en dus zal het wel etenstijd worden vóór we klaar zijn. Tot -straks!« en hij kust haar hartelijk. - -»Dag Gustaaf!« - -Hij keert nog eens terug op zijn schreden en vraagt lachend: »Wat is -het eerste vereischte voor een vrouw in Indië?« - -»Flinkheid,« antwoordt ze met een stemmetje dat alles behalve flink -klinkt. - -Nog een vluchtige groet en mevrouw Verschuere is alleen; alleen, met -een veertigtal koelies, een dertigtal kisten en zulk een helsch leven -als het wezen kan in een ledig huis, gevuld met werkvolk. - -Ze ziet rondom zich dien chaos van touwen, breekijzers, hooi, stroo, -pakpapier; ze ziet die halfnaakte mannen, de dierlijke bruine -gezichten, nog misvormd door den pruim tabak, dien ze vóór in den mond -houden; ze hoort de ruwe klanken, welke, vooral als men de taal niet -verstaat, meer aan beestengeluiden dan aan menschenstemmen doet denken -en—ze wordt bang! - -»Mingo! Mingo!« - -Maar Mingo is juist naar den trein om den nieuwen voorraad kisten, -daareven van Batavia aangekomen, in ontvangst te nemen. »Jeit! -Sarinah!« - -Maar lijfmeid en naaister hadden een rustig oogenblikje aangegrepen om -koffie te drinken. - -Ze voelt een onweerstaanbaren lust om in een der ledige kamers te -vluchten en zich daar op te sluiten, maar ze zegt tot zichzelf dat dit -kinderachtig zijn zou, en ze weet reeds bij ervaring, dat Verschuere -geen kinderachtigheid verdragen kan. Dus grijpt ze zich aan, loopt met -een fermen stap naar voren en... staat tegenover mevrouw De Bruining. - -Zooals deze verrijst van achter een berg kisten, met haar hoekige -figuur gestoken in sarong en kabaia; met haar toch niet overdadige -lokkenpracht, nog vochtig van het bad, in dunne pijpestelen afhangend -op den rug; met haar bleek gezichtje haastig en daardoor niet zeer -gelijkmatig gepoederd, is ze geenszins een bekoorlijke verschijning. -Maar als mevrouw Verschuere haar aanziet, leest ze in de zachte oogen -iets dat haar aan »mama in Holland« herinnert en ze valt haar in de -armen met een kreet van vreugde, die in een snik eindigt. - -»Dacht ik het niet?« roept mevrouw de Bruining, terwijl ze vol -moederlijke teederheid het tengere figuurtje omsluit. »Dacht ik het -niet? Zei ik ’t niet dadelijk aan uw man, toen hij me vertelde, dat u -hier alleen in huis waart?« En dan, met de trotsche vreugde van een -vrouw die gelijk krijgt: »dat kon hij op zijn vingers natellen! Om u de -waarheid te zeggen, heb ik hem eens flink beknord.« - -»O mevrouw! Verschuere had zooveel...« - -»Zooveel werk. Och ja, kindlief, dat is ook zoo, daar kunnen ze nu -eenmaal niets aan veranderen. De stukken wachten niet. Ook is er me -tegenwoordig zoo iets af te doen... En waart u daar nu een beetje -zenuwachtig gaan worden? Wel, wel! Mijn lieve, wat ben ik blij dat ik -maar zoo dadelijk in den wagen gesprongen ben! Vooral wanneer ik -bedenk, dat ik, als ik er langer over had nagedacht, bepaald thuis zou -zijn gebleven. U moet weten dat de juffrouw een weekje verlof -heeft—naar Soekaboemie, daar woont haar zuster—dat kun je zoo’n mensch -ook al moeilijk weigeren, niet waar? en dat het kleintje juist een -hoektand doorkrijgt. Daarbij komt dat de min—maar daar hebt u nog zoo -geen verstand van. Toch, als ik u een raad mag geven, begin daar nooit -mee! Met minnen bedoel ik: hoektanden kunt u moeilijk buiten blijven... -Komaan, wat is er te doen? Koffers en kisten uitpakken? Wel, dat is het -prettigste werk van de wereld! Als er wat moois in zit ten minste. En -als je maar weet hoe je het moet aanpakken... Waar is uw jongen? Ah -zoo, ben jij dat? Hoe heet je? Mingo? Nu, Mingo, loop jij dan eens gauw -hiernaast en vraag aan mevrouw een paar wipstoelen en wat ijswater.« - -»Maar,« brengt Nita in het midden, »ik ken die mevrouw hiernaast niet.« - -»Dan is dit een uitmuntend middel om kennis te maken. Zie zoo, nu -beginnen we! Ajo koelies! Maakt open den boel! Gauw wat! Voorzichtig! -Gauw, zeg ik je! Nu, wat voorzichtig, asjeblieft!« En zonder te -bedenken dat het eene onmogelijkheid is die twee bevelen tegelijk uit -te voeren, herhaalt zij ze onophoudelijk, terwijl de koelies er zich -natuurlijk in het minst niet om bekommeren. - -Nu komt Mingo terug met stoelen, glazen, een ijskan en de vriendelijke -boodschap, dat mevrouw verzocht wordt, alles wat ze mocht noodig hebben -gerust te laten halen. De eene kist na de andere wordt ontpakt; en als -tal van voorwerpen, met smaak gekozen in de beste magazijnen van -Parijs, te voorschijn komen, dan vergeet mevrouw Verschuere haar -teleurstelling, mevrouw De Bruining minnen, hoektanden en juffrouwen. - -Mingo blijkt een echte bataviasche jongen, vlug, net, handig—misschien -brutaal en verliefd en diefachtig van natuur, maar een jongen waarmee -men vooruit kan komen. - -Jeit en Sarinah, blijkbaar verfrischt door de koffie en het daarop -volgende sirihpruimpje, maken zich zeer verdienstelijk; mevrouw De -Bruining vliegt links en rechts; Nita doet wat ze kan—hetgeen zeer -weinig is, daar niemand haar verstaat—tafels, ledikanten, kasten en -divans komen op hun plaats; er verspreidt zich door het huis de -eigenaardige lucht, die bewijst dat er flink gewerkt wordt door -inlanders. De vriendelijke buurvrouw zendt tegen twaalf uur vruchten en -portwijn. De dames hebben een verfrissching zoowel als een opwekking -noodig, en met een zegenbede aan het adres van de geefster, zinken ze -naast elkander op de eerste canapé de beste neer. - -»Wit u gelooven, dat ik niet meer op mijn beenen staan kan?« hijgt -mevrouw De Bruining. - -»O mevrouw, wat spijt me dat! U had u niet zoo moeten vermoeien... ik -hoor, dat het niet goed is in dit klimaat.« - -»Gekheid, kind! Laat je dat nooit wijs maken. Flinke beweging is hier -even noodig als in Holland. Trouwens, uw bedienden zorgen wel dat—wáár -u gebrek aan moogt hebben—het niet aan beweging is. Doen de baboes haar -werk, dan moet men de naaisters weer narijden; is kokkie goed, dan laat -de waschman... hemelsche goedheid! de waschman! hij zou om tien uur -komen. Koetsier! Gauw! Vóór! Dag mevrouw! Neen, bedank me niet. Gauw, -koetsier! Naar huis! Ik heb den waschman vergeten! ik moet nog voor de -rijsttafel het goed ontvangen.« - - - - - - - -VI - -PEIGNOIR CONTRA SARONG. - - -Niets vriendelijker, niets stralender dan Buitenzorg in het ochtenduur; -niets verrukkender dan de atmosfeer, die daar heerscht wanneer de -regen, des nachts in stroomen neergevallen, tegen den morgen ophoudt. - -’t Is hier niet, als in Europa’s groote steden, een ure somber en droef -of de hemel den ganschen nacht had geweend over de aarde; hier zijn de -regendruppels als de tranen eener bruid: ze worden des avonds geweend, -om des morgens te zijn weggekust. - -Voor de in dauwdrup en bloesemgeur gedrenkte natuur is de eerste -zonnestraal een groet, waarmede de moeder het slaapvertrek harer -kleinen binnentreedt; glimlachend doet ze alles ontwaken. Het gebogen -grassprietje verheft zich, het hangend kelkje tilt het hoofd omhoog, -vochtige stammen tooien zich met vlammenden gloed, goudgevleugelde -insecten stijgen opwaarts uit de bloem, die hen tot nachtverblijf -diende. De morgenkoelte komt aangezweefd. En weldra ruischt het rondom -van het eigenaardig geruisch, dat slechts in een tropische natuur -vernomen wordt: in het dichte loofdak vallen met zacht geklater de -regendruppels uiteen, en van zijn parelenlast bevrijd, nog getooid met -vochtigen glans, nog geurend van nachtelijke frischheid, begint het -gebladert dat suizelen en fluisteren, dat voor wie het verneemt zoo -oneindig liefelijk zijn kan als de laatste toon van de symphonie van -een tropischen nacht, maar ook als het teeder voorspel van het -morgenconcert, dat straks een aanvang gaat nemen. - -Die muziek der ontwakende natuur is in volle harmonie met de beelden, -die Agnita’s geest vervullen, wanneer ze, nog min of meer vertoevend in -de droomenwereld, aan den arm van haar echtgenoot de dreven -doorwandelt. - -Zij was al spoedig tot de ontdekking gekomen van het geheim—’t welk -helaas voor tal van Europeanen in Indië een geheim blijft—dat het beste -uur van den dag het morgenuurtje is, en weldra liet de zon, als zij -verrees boven Bogor’s lanen, daar een van haar gouden stralen achter in -de reine ziel, die, alsof het een bloem geweest ware, zich elken dag -opende voor ochtenddauw en hemelglans. - -Eerst als de vogelen losbarsten in hun jubelzang, begon ook zij het -vroolijk gepraat, dat, mengeling van kinderlijken eenvoud en -dichterlijke verheffing, een bekoring uitoefende, groot genoeg om -Verschuere te doen vergeten wat anders al zijn denken innam. - -Soms ontmoetten zij op hun wandeling freule Van Waliënhove. Voor haar -was de morgen de vrijheid. Had eenmaal de bel voor het ontbijt geluid, -dan was het gedaan met haar genoegen, dan had ze recht tegenover zich -de gevreesde zwarte oogen, die haar aanstaarden, niet met dat teedere, -dat liefkoozende, waarmee moederoogen zouden gerust hebben op die -heerlijke verschijning, tintelend van levenslust, maar met den -kritischen blik der vreemde, die niets liever wenscht dan een fout te -ontdekken, op een tekortkoming te wijzen. - -En dat was niet moeielijk! - -Heden droeg het kleedje, waarmee ze aan het dejeuner kwam, de -onmiskenbare sporen van een wilden tocht door de bosschen; morgen -verscheen ze met een hoofd dat er uitzag alsof het slechts de koelte -tot kapper had; nu getuigde haar gelaat dat het met de indische zon had -kennis gemaakt, dan weer was ze te opgewonden bij het verhaal harer -avonturen; soms ook lachte ze zoo luid, zoo lang, zoo blij, dat niet -slechts de hooge vertrekken er van weergalmden, maar allen die het -hoorden er zacht of luid mee moesten instemmen. Wie echter van al de -paleisbewoners het hartelijkst meêlachten, dat waren mevrouw Van -Waliënhove’s beide zonen. De nieuwe zus, die ze niet zonder vooroordeel -hadden ontvangen, was tot hun onuitsprekelijke verrassing een -speelmakker gebleken. - -Vóór dag en dauw, als alles nog in diepe rust lag, kwam reeds het -gekrulde kopje bij hen om de deur kijken. Ze hield den vinger op den -mond en kuchte; trouwens, meer was niet noodig om hen in één sprong uit -het bed te krijgen: als ze daar zoo stond met het korte kleed, met den -grooten stroohoed en de stevige hollandsche laarzen, dan wisten ze dat -hun een pretje wachtte en ze volgden gewillig. - -»Neen, kijk nu niet op dat vervelende horloge, Gustaaf! we zitten hier -zoo heerlijk... zie eens die blauwe lucht...« - -»Maar kind, het wordt mijn tijd; er is eene moeielijke kwestie -aanhangig en de gouverneur schijnt haar zoo spoedig mogelijk te willen -oplossen. Hij werkt hard; ik wil doen wat ik kan om hem te helpen...« - -»Wel, mijnheer Verschuere, dat vind ik lief van u!« roept een heldere -stem vlak bij hen. - -Verbaasd zien beiden rondom zich en—van achter den reusachtigen stam -eener waringin komt freule Clotilde te voorschijn, in het rose kleedje, -den grooten stroohoed vol pas geplukte bloemen, frisch en jong als de -morgenstond. - -»Gaat u maar gauw naar huis, mijnheer, en werk als het u belieft zoo -hard als u kunt, want die arme papa heeft erge hoofdpijn. Ik zal -mevrouw wel gezelschap houden. U moet weten, mevrouw Verschuere, ik -verkeer in hetzelfde geval als u, ik word door mijn cavaliers verlaten, -als ik dolgraag nog een uurtje in den tuin zou blijven. De arme jongens -moeten om acht uur binnen zijn voor hun lessen. Heerlijk, vindt u niet, -om, zooals wij, geen lessen meer te hebben? Bent u al lang van school?« - -»Ja, al vier jaar,« antwoordt Nita lachend. - -»Al vier jaar? Dan zult u niet meer, zooals ik, altijd hongerig zijn. -Mama zegt dat het een gevolg is van ’t kostschoolleven. Maar—wilt u een -stukje? Kijk, heerlijk bruin brood met kaas! We nemen dit mandje altijd -mee, propvol; en het komt nooit anders dan leeg terug. U moet weten, -dit is voor ons het lekkerste maal van den dag, wij houden niet van die -getruffeerde kostjes en fransche sauzen. Wilt u nog een sneêtje? Niet? -Wel, wat dunkt u er van, als we dan nog eens een eindje opliepen? We -kunnen toch niet als twee verlaten Genoveva’s in het bosch blijven -zitten treuren!« - -Ze waren nagenoeg de eenige wandelaarsters. - -Rozen geurden bij duizend- en nogmaals duizendtallen, zonder dat iemand -van haar geur genoot; orchydeeën lieten haar bloesems nederhangen in -wonderschoone trossen, zonder dat één oog zich vermeide in haar teere -lieflijkheid; varens welfden een doorzichtigen eereboog tusschen de -groene aarde en den blauwen hemel—geen wandelaar scheen te wenschen -onder dien eereboog door te gaan; de koelte kwam over bosschen en -heuvelen aanzweven, om woorden van jonge liefde op te vangen,—ze keerde -ledig terug; beekjes kabbelden, waringinloover suizelde vrede voor -gloeiende hoofden en strijdende harten; slanke palmen wezen naar -hooger... de tuin bleef ledig! - -En dat alles omdat mevrouw Van Waliënhove sarong en kabaia een -indécente kleeding vond! - -De landvoogdes had zich op dit punt vrij sterk uitgelaten; ze noemde de -nationale dracht nooit anders dan »het indisch nachtkostuum«; eens -zelfs, boos geworden door het beweren van den heer Hagen, dat hij ’s -morgens ging wandelen om de nonnaatjes te zien in wat hij »de mooiste -kleeding voor een mooie vrouw« noemde, verklaarde ze, dat het haar -onaangenaam was op hare ochtendwandeling dames te ontmoeten in dit -»even smakeloos als ongepast toilet«, ja, ze was verder gegaan; ze had, -toen ze eens mevrouw Hausz in die kleeding ontmoette, haar niet -gegroet, waarop mevrouw Hausz, die geenszins op haar mondje gevallen -was, haar had doen weten, dat wanneer mevrouw haar toilet groette en -niet haar persoon, ze voortaan de baboe met haar japon vooruit zou -zenden, daar het haar, als moeder van vijf kinderen, niet gelegen kwam -zich reeds ’s morgens te kleeden. - -Sedert dit voorval bekend was geworden, werden peignoirs en matinées -meer algemeen, vooral onder de echtgenooten der adjudanten—waartoe -ongelukkig ook mevrouw Hausz behoorde. Maar dit was niet genoeg! - -Toen eens twee niets kwaads vermoedende oude juffrouwen zich in den -tuin waagden met sarong en kabaia, bleken twee daar toevallig -rondwandelende heeren bezield met zoo vurigen ijver voor het toegeven -aan de luimen hunner gebiedster, dat ze tot doodelijke onsteltenis der -beide oudjes dezen den toegang weigerden. - -Ook dit werd bekend en de mannen onder de Buitenzorgers vroegen zich -knorrig af, of niet de adjudanten hun boekje waren te buiten gegaan, -toen zij de rol van den engel met het vlammend zwaard op zich namen; -immers voor den gouverneur-generaal was wel een gedeelte van het park -gereserveerd, maar het overige was publieke wandelplaats. Doch terwijl -zij zich nog in die vraag verdiepten, hadden reeds hunne egâs het hoofd -in den schoot gelegd, en kort nadat de beide zondaressen uit het -paradijs waren verdreven, zag men het slechts door »gekleede« Eva’s -betreden. Het getal dier Eva’s werd echter steeds geringer, want niet -iedere huisvrouw kan het volhouden, om zich des morgens nog voor het -ontbijt te kleeden; met haar verging ook den Adams de lust, en menige -verrukkelijke ochtend werd nu doorgeschommeld in den luierstoel, een -kop koffie in de hand. Dan werd er gezucht: »Wat zou ik graag een -eindje wandelen! Wat zal het nu heerlijk zijn in den tuin! Maar als ik -vóór half acht de kinderen naar school expedieeren en me dan nog -kleeden zal, dan wordt het te laat, te zonnig, te warm...« - -Het duurde niet lang of men begon zich in Indië’s residentie zoo te -schamen over de dracht, die toch door het klimaat als het ware wordt -noodzakelijk gemaakt, dat niemand er zich meer in durfde vertoonen, en -dit had ten gevolge dat de gouverneur-generaal op den dagelijkschen -morgenrit het grappig schouwspel genoot van een burgerij, die -verstoppertje speelde. - -Geen indisch echtpaar dat des morgens vóór het aan den arbeid gaat—en -die arbeid is dikwerf zwaarder dan menig hollandsch echtpaar -droomt—niet een oogenblik genieten wil van de frissche lucht; ja, voor -de meesten is dit oogenblik het beste van den ganschen dag. - -Dit genieten in gezelschap van vrouw en kinderen was onmogelijk, sinds -het vonnis werd geveld over de morgendracht; immers, ’t is meest bij de -bloemen dat het kalm, vredig uurtje gesleten wordt, en de tuin ligt -vóór het huis aan den grooten weg. - -Het gevaar dreigde van alle kanten; Zijne Excellentie reed te paard, -mevrouw toerde, de freule wandelde met haar broers. Men kon elk -oogenblik betrapt worden. Sommigen zetten wachten uit; anderen staken -zich in ’s hemelsnaam maar dadelijk in de kleeren; weer anderen bleven, -den strijd moede, in hun achtergalerij zitten koffie slurpen; verreweg -de meesten echter volgden de struisvogel-politiek. - -Nauwelijks kregen ze een der gevreesde kabaienhaters in het gezicht, of -ze zetten het op een loopen; op hun eigen erf drong de man zijn vrouw, -de vader zijn dochter ter zijde, struikelden de groote broers over de -kleinen in den wedren naar binnen, die de nadering van een Waliënhove -noodzakelijk scheen te maken, en menigmaal beklaagde Zijne Excellentie -zich, dat hij de goede Buitenzorgers nooit anders dan op den rug zag. - -Nog erger was het, als ze het gewaagd hadden den grooten weg een eindje -op te wandelen en op heeter daad betrapt werden; de heer Van -Waliënhove, die de kabaienhaat zijner vrouw volstrekt niet deelde, -mocht groeten zoo vriendelijk als hij wilde, de dames bloosden, de -heeren gedroegen zich als schooljongens bij wie knikkers gevonden -worden. - -Soms ook, als ze hopen durfden zich nog te kunnen verschuilen, stelden -ze zich op achter een boom. Maar hoe dik ook, indische boomen zijn -zelden dikker dan indische menschen, en verraderlijk vertoonde zich de -rand van een sarong of de punt van een kabaai, attributen, die Zijne -Excellentie nooit naliet te groeten met hoogst hoffelijken groet. -Mevrouw Van Waliënhove echter, achterovergeleund in haar landauer, zag -het van onder haar rood zijden parasol met welgevallen aan, hoe de -residentiebewoners zich door één woord van hare allesbeheerschende -lippen hunne vrijheid ontnemen, hun morgenuurtje vergallen lieten. - - - - - - - -VII - -FRANS VAN BEEVELANT. - - -Genietend van een ananas, zooals slechts Buitenzorg ze oplevert, zitten -de heer en mevrouw Verschuere tegenover elkaar aan het dessert, als -Mingo een leitje binnenbrengt. - -»Een verrassing, Nita!« zegt Verschuere na lezing, »we krijgen nog -bezoek van avond, als het je ten minste gelegen komt?« - -»Zeker,« en ze begint haar servet op te vouwen, een gewoonte waaraan de -bedienden de totoh herkennen. - -»Van wien?« - -»Van iemand op wien ik in onzen engagementstijd haast jaloersch was -geworden, zoo had hij je ingepakt.« - -»Jaloersch?« en zij ziet hem aan met een blik die, ook al ware zijn -plagen niet geheel scherts geweest, hem volkomen zou hebben -gerustgesteld. »Maar wie is het?« - -»Frans van Beevelant.« - -»O, dat doet me pleizier! ’t Speet me zoo, dat hij ons reeds tweemaal -niet thuis vond. Dat is toch werkelijk een tref, dat de nieuwe -gouverneur juist een oude vriend moest zijn!... Vin je niet.« - -»Ja... betrekkelijk... Ik wil je wel bekennen, Nita, toen hij me -schreef dat hij uit zou komen voor dat baantje, toen vond ik het ver -van pleizierig.« - -»Hoe dan?« - -»Och, wat zal ik je zeggen? Zie je, je begrijpt die dingen nog zoo -niet, maar oude kennissen in nieuwe omstandigheden, dat kan soms lastig -worden.« - -Nita ziet hem een oogenblik peinzend aan, als zocht ze de verklaring -zijner woorden, dan—met de naïveteit, die zoo nadeelig werkt op -Gustaaf’s humeur: »’t Is zoo, ik begrijp die dingen niet, maar -misschien wil je het mij uitleggen?« - -»Neen, dat kan ik niet!« roept hij ongeduldig. Maar straks, als ze hem -vragend blijft aanzien: »Kom, Nita, dat begrijp je nu toch ook! Stel je -voor, dat hij hier de positie had ingenomen van vroegere heeren -onderwijzers!« - -Nu heeft ze begrepen. Dat bewijst de plotselinge schrik waarmee zij de -oogen tot hem opheft. - -»Je zoudt hem toch niet verloochend hebben, niet waar? De vriend van je -jeugd! Zeg, Gustaaf?« - -Ze is haastig overeind gerezen en op hem toegetreden; ze heeft zijn -hand gevat en ziet hem in ’t gelaat. Hij laat haar die hand, maar wendt -het hoofd af; ’t is of ze met haar ernstige diepe oogen op de bodem -zijner ziel wil lezen. - -»Natuurlijk niet,« zegt hij eindelijk; »dwaas kindje! Om je zoo iets in -’t hoofd te halen!« En na een kleine pauze: »Weet je wel dat mevrouw -Van Waliënhove het niet zeer vriendelijk opneemt, als men beleefdheden -bewijst aan de gouverneurs?« - -»Maar daar storen wij ons niet aan! Mevrouw Van Waliënhove kan véél, -maar, niet waar? mijn man overhalen tot iets onedels, dát kan ze niet!« - -»Iets onedels... je gebruikt ook dadelijk zulke groote woorden. Dat -moet je niet doen, kindlief, aan een hof. We hebben hier, onder ons, -voor zulke zaken veel zachter termen. Enfin, ik ben blij—om zijnentwil -vooral,—dat Van Beevelant dadelijk op zoo’n piedestal gezet is... ’t is -grappig om te zien wat één woord in zoo’n toestand een verandering -brengen kan, als dat woord maar rolt van machtige lippen. De laatste -gouverneur was ook een aangenaam mensch, een man van studie, van meer -dan gewone kennis; niemand nam eenige notie van hem. Hij is weggegaan, -zooals een knecht weggaat, onopgemerkt: zijn opvolger komt, mijnheer -Van Waliënhove spreekt,—en heel Buitenzorg schijnt nog maar één wensch -te kennen en die is, beleefdheden te bewijzen aan mijnheer Van -Beevelant.« - -»Vind je dat grappig, Gustaaf? Ik vind het treurig.« - -Hij ziet haar aan met zijn cynisch lachje. »Nita, Nita, wat moet ik -hooren? Onthoud je mijn lessen in de levensphilosophie zoo slecht? Heb -ik je niet gezegd dat, als men in deze kringen wil verkeeren, men de -dingen van de belachelijke zijde moet beschouwen, om niet te bezwijken -van ergernis?« - -»Ik vrees dat ik niet erg vatbaar ben voor wereldwijsheid,« zegt ze met -een zucht. - -Hij strijkt haar de blonde lokken van het voorhoofd. »En ik doe -eigenlijk dwaas met er je vatbaar voor te willen maken.... Kom, denk er -niet meer over en zorg dat onze vriend een lekker kop thee vindt. Dan -ga ik een fijne flesch halen.... Waar zijn de sleutels?« - -»Laat het een erge fijne zijn,« fluistert Nita, terwijl ze hem haar -mandje toereikt. - -»En dat waarom? Om het voorbeeld van de Buitenzorgers te volgen?« - -»Neen. Om het weer goed te maken, als er soms een oogenblik minder -vriendelijke gevoelens in je hart zijn geweest.« - -Straks, als ze met haar toebereidselen gereed is, steekt mevrouw -Verschuere den arm door dien van haar echtgenoot. - -»Kom, willen we hem tegemoet gaan? Het is zoo’n heerlijke maneschijn en -zoo stil.« - -Ja, het maanlicht op de groote gazons aan weerszijden van den weg, die -naar het paleis voert, is heerlijk en in de bosschages, de ze omzoomen, -is het stil, maar niet van de groote stilte die straks zal dalen. - -Nog dringt het verwijderd gewoel der stad door tot in den Plantentuin, -nog zijn de spelende hagedissen niet tot rust, nog weerklinkt de kreet -der nachtvogels, nog komt uit de open woonhuizen in den omtrek muziek -en zang, kinderlach en vriendengepraat. - -Als ze Frans van Beevelant tegemoet treden, arm in arm, roept hij hun -reeds van verre toe: »Gelukkige luidjes, op een avond als dezen niet -alleen te zijn!« - -»Tot die gelukkige luidjes behoort u van dit oogenblik af aan ook!« -zegt mevrouw Verschuere en reikt hem de hand met die kinderlijke -goedhartigheid, die haar zoo onweerstaanbaar maakt, »en zult u kunnen -behooren zoo dikwerf u ons komt opzoeken.« - -»Laat dat heel dikwerf zijn, Frans,« zegt Verschuere. - -Weldra zitten ze rondom de theetafel. - -»Ik kom u de groeten brengen van Bloemduin,« spreekt de bezoeker. - -»Van Bloemduin?« herhalen beiden. - -»Ja, ik ben er even heen geweest vóór mijn vertrek. Ik dacht dat jullie -het prettig zoudt vinden, als ik de familie pas van aangezicht tot -aangezicht had gezien.« - -»Dat is... daar herken ik je aan, Frans. Weet je wel, dat je mijn vrouw -daar een enorm plezier mee hebt gedaan? Niet waar, Nita?« - -Mevrouw Verschuere zegt niet veel; ze heeft alleen haar gelaat gekeerd -naar den vriend, en ofschoon het een lastige reis geweest is, die reis -naar Bloemduin, vindt hij zich ruim beloond voor zijn moeite. Maar nu -heft ze de oogen op naar haar echtgenoot en hij weet dat ze denkt aan -het gesprek daar straks gevoerd; en meer dan daar straks haar naïeve -vragen hem in verlegenheid brachten, doet het nu haar ernstige, zacht -verwijtende blik. - -»En hoe maakten ze het?« vraagt hij haastig. »Was alles wel? De tantes? -En de oude lui?« - -»Uitstekend. De tantes schenen me nog iets ouder geworden ofschoon ik -niet had gedacht dat dit mogelijk was. De oude lui zagen er best uit. -Alleen, ze misten hun kleintje erg! Ja... ’k begrijp wel, Verschuere; -ik zou het ook niet hebben overgebracht, maar ik kreeg de boodschap -mee: - -»»Zeg haar, dat we ons kleintje erg missen; zeg haar, dat er geen dag -voorbijgaat, waarop we haar niet terugwenschen in ons midden.«« - -»Och, ik wist het zonder dàt wel,« fluistert Nita nauw hoorbaar. - -»En waar vond je hen?« roept Verschuere haastig. »In de tuinkamer -zeker? En hoe maakt onze lieve zus Corrie het? En was Jan niet gelukkig -met zijn doctorstitel? En is het al bepaald wanneer ze gaan trouwen?« - -Maar vóór Van Beevelant op dien stroom van vragen kan antwoorden, -spreekt Nita weer: »Wie zei het? Papa?«... - -»Ja, maar mevrouw, ik bid u...« - -»Dat dacht ik wel...« fluistert ze, »arme lieve pa!... En was hij erg -bedroefd, toen hij dat zei... van zijn kleintje?« - -De heer van Beevelant is opgestaan; hij zag in den anderen hoek der -galerij een hangplant, die bijzonder zijn aandacht trok. - -»Nita, kom, wees verstandig!« en Gustaaf slaat zacht den arm om de -bevende gestalte. »Is dit nu niet wat overdreven, lieve?« gaat hij -zacht verwijtend voort. »Te schreien, omdat je toevallig hoort -uitspreken wat je toch vermoedde, ja wist? Kom, troost je: papa en mama -hebben hun andere kinderen.« - -»Maar ze missen me toch; ze missen hun kleintje,« snikt ze. - -»Niet zoo erg als ik mijn kleintje missen zou,« fluistert hij. - -Van uit den hoek, waar hij nog steeds nieuwe wonderen ontdekt aan de -belangwekkende plant, bespeurt Van Beevelant hoe een plotselinge glans -over het beschreid gezichtje komt, hoe de blos terugkeert, hoe de -tranen als door een tooverslag zijn weggewischt;—als hij ziet hoe ze -glimlacht, terwijl Gustaaf haar iets in het oor fluistert, acht hij het -bestudeeren der plant verder onnoodig. - -Nauwelijks is hij gezeten, of hij wordt bestormd met vragen, waarop hij -volstrekt niet bedacht was en waarvan hij enkele maar op goed geluk -beantwoordt; vragen, zooals een kind ze doet aan wie pas het ouderlijk -huis betrad, over kleinigheden, maar kleinigheden welke tot dusver voor -haar het leven uitmaakten. - -De bloeiende slingerplanten zich windend om de pilaren en in guirlandes -afhangend van het lage dak, vormen een doorzichtig gordijn voor -Agnita’s woning, maar als dat doorzichtig gordijn een chineesche muur -geweest ware, dan had ze niet meer volkomen de wereld rondom zich -kunnen vergeten, dan nu het geval was, terwijl Van Beevelant vertelde -van die andere wereld, haar thuis. - -De thee is weggenomen, de oude wijn fonkelt in de glazen, en nu eerst -vindt Verschuere gelegenheid zijn vriend te vragen naar de betrekkingen -welke hij zelf achterliet. - -Zijn antwoord is een onderdrukte zucht. Dan luidt zijn wedervraag: »Hoe -zou het gaan? Wat kan de toestand zijn van een familie, die op één dag -de plannen en illusies van vijf-en-twintig jaar den bodem ziet inslaan? -’t Is geen kleinigheid gepensioneerd te worden! Vraag dat de -oud-officieren en oud-ambtenaren in Holland maar eens!« - -»Geen kleinigheid vooral, om van het mager pensioentje te gaan leven, -juist op het oogenblik dat het volle traktement zoo noodig zou zijn om -de opvoeding, begonnen in de verwachting van dat traktement en daarnaar -geregeld, te voltooien. Toch, mama is moedig genoeg; de meisjes doen -haar best... Werkelijk, het zou niet zoo treurig behoeven te zijn als -het in den laatsten tijd was, wanneer papa er maar toe komen kon, zijn -lot wat geduldiger te dragen.« - -»Zulk een lot geduldig dragen! geen wonder waarachtig dat hij het niet -kan!« roept Verschuere. »De kranigste officier van de armée te zijn, op -het punt te staan gouverneur van Atjeh te worden, genoemd te worden als -de aanstaande legerkommandant, en dan te worden getroffen door zoo’n -ellendigen kogel, die even goed wat hooger of lager had kunnen komen, -en nu het te moeten aanzien hoe anderen je plaats innemen... Geen -wonder dat hij zulk een lot niet geduldig dragen kan!« - -»Je hebt gelijk, ’t is hard. Ik, die het alles zoo van nabij gezien -heb, zal de laatste zijn om het tegen te spreken. Maar hij behield nog -zooveel; de herinnering aan een eervolle militaire loopbaan, -belangstelling in alles wat het leger betreft, het talent om zijn -denkbeelden kenbaar te maken in zijn geschriften.« - -»Dit neemt niet weg dat zijn carrière gebroken is. En wat troost een -man dáárover?« - -»De liefde van vrouw en kind!« spreekt een stem, die nu méér dan ooit -als muziek klinkt. - -»Denk je dat, Nita?« vraagt Verschuere zacht. Dan knikt hij haar toe, -alsof ze een kind ware, nog niet in staat om de treurige waarheden des -levens te bevatten, en keert zich tot Van Beevelant. - -Er is maar een enkel woord noodig om den schat van herinneringen, in -beider hart bewaard, aan het licht te brengen. Ze hebben naast elkaar -gewoond in het kampement te Magelang, toen hun beider vaders nog jonge -kapiteins bij het indische leger waren, en nooit is eenig kampement -meer geplaagd door twee ondeugende jongens. Ze zijn toevallig terecht -gekomen op dezelfde school in Haarlem, en nooit heeft men op een school -zoo goed geleerd, niets te zeggen ten nadeele van Indië, dan toen zij -daar de eer van Indië ophielden en desnoods met de vuisten verdedigden. -Zij kwamen te zamen aan de akademie, en wie hen daar kenden, ’t zij -professoren of studenten, die spraken zelden meer over de -»achterlijkheid« van indische jongelui. - -Eindelijk breekt Nita den stroom van grappige verhalen en jolige -herinneringen af. - -»Vertel me eens, hoe gaat het met uw zuster Louise? Is ze weer geheel -hersteld?« - -»Ze is beter, veel beter dan toen u haar ontmoette, maar ze kan maar -niet weer op krachten komen. De doctoren rekenden op den zomer; ze zou -dan eens een reisje gaan maken, een zachter klimaat opzoeken... ik hoop -er het beste van. Maar Verschuere zal u wel eens gezegd hebben welk een -vroolijk, prettig gezin het onze vroeger was... Mijn arme zuster moet -zich van jongs af de toekomst gedroomd hebben als vrouw en moeder... -soms vraag ik me af, of het haar niet te zwaar valt afstand te doen van -al datgene wat ze thuis heeft leeren beschouwen als het beste wat de -wereld geeft.« - -»Arm kind!« fluistert Nita. - -»Ja, wel arm kind! Om u de waarheid te zeggen heb ik met haar meer -medelijden dan met papa; zij is nog zoo jong! En voor haar is de -carrière—om het zoo eens te noemen—niet minder gebroken dan voor hem. -Was ze in Indië gebleven, dan had ze een keus kunnen doen uit de beste -partijen; daar op ons dorpje zal ze geen echtgenoot vinden naar haar -smaak. Ze weet dat en ik vermoed dat het haar een teleurstelling is. -Dit moet ik tot haar eer zeggen, ze houdt zich goed. Zij is wel niet -zóó vroolijk meer als vroeger, maar altijd blijmoedig, opgewekt; de -steun van moeder, de vraagbaak voor de jongeren...« - -»En de lievelingszuster van haar broer.« - -»Ja... ofschoon in den laatsten tijd... je moet weten, ze keurde mijn -plan om deze betrekking te gaan vervullen niet goed. Ze vond dat ik -mijn positie niet mocht opofferen.« - -»Misschien had ze daarin niet geheel ongelijk.« - -»Dunkt je dat? De positie van een doctor in de letteren?« - -»En meester in de rechten.« - -»Nu, ja, wat hielp me dat? Wat kon ik doen in Holland. Dat vraag ik je! -Me neerzetten als advokaat en wachten of ik praktijk zou krijgen—wat ik -het liefst gedaan had—daar had ik geen geld voor. Een postje als -rechterlijk ambtenaar in een provinciestadje vragen en jaren rondloopen -op zes- zevenhonderd gulden? Levenslang docent blijven, wat me nu al -zoo verveelde?« - -»Ik beken,« zegt Verschuere, »de vooruitzichten, die je daar noemt, -zijn niet schitterend, maar is het niet wel eens in je opgekomen, dat, -waar je je nu mee bezighoudt, beneden de waardigheid is van iemand, die -door bekwaamheid en talenten recht had op elke betrekking?« - -»Integendeel. Ik vind deze bezigheid in het geheel niet zoo min. Van -twee jongens, door geboorte en fortuin geroepen om eenmaal in ons land -een rol te spelen, bruikbare mannen te maken, dit zou in mijn oog -geenszins beneden mijn waardigheid zijn, ook al had ik de bekwaamheden -die je me toedicht. Goed begrepen, breeder opgevat dan de gewone -onderwijzer dat misschien doen zou, is het een grootsche taak. En ik -wil je wel bekennen dat ik, in plaats van te vinden dat ik er te goed -voor ben, me dikwerf afvraag of ik er wel voor berekend ben.« - -»’t Is zeker dat de manier waarop mijnheer Van Waliënhove je heeft -ontvangen en de plaats, die hij je heeft aangewezen, veel doet om je -positie te releveeren.« - -»O, ik weet, Verschuere, dat gouverneur te zijn bij de zonen van -mevrouw Van Waliënhove geen sinecure is; ik heb dat in deze weinige -dagen reeds ondervonden.« - -»Ik vrees dat u van dien kant weinig steun kunt verwachten,« zegt -Agnita, »maar ofschoon men het, zoo oppervlakkig gezien, niet bemerkt, -après tout is de gouverneur-generaal het hoofd en zult u met hem te -rekenen hebben; hij geeft zijn vrouw veel toe in kleinigheden, maar in -groote kwesties handelt hij geheel volgens eigen inzicht.« - -»Ik ben blij dat te hooren, te meer daar ik een anderen indruk gekregen -had en dacht dat mijn werk zoo goed als nutteloos zou zijn. En ik zou -zoo graag willen slagen! Ik zou zoo graag het vertrouwen, dat me -geschonken werd, mij willen waardig maken. Het was hoog tijd dat er een -verandering kwam in den bestaanden toestand, maar ik heb goede -verwachtingen van mijn leerlingen, en als het me gelukken mag die -vlugge, heerlijke jongens in het goede spoor te brengen, dan zal ik de -overtuiging hebben, dat ik niet alleen geen min baantje bekleed, maar -even nuttig ben als de hoogstgeplaatste ambtenaar in Indië.« - -»Nu, dat is wat sterk, dunkt me.« - -»Dat schijnt het, ja. Maar heeft Zijn Excellentie niet vóór alles -kalmte noodig en gemoedsrust? En zou ook de beste van zijn ambtenaren -hem die kunnen schenken, zooals ik dat kan door hem de zorg over zijn -jongens te ontnemen, de zorg die hem zoo zwaar gedrukt heeft in den -laatsten tijd?« - -»Waarlijk,« roept Verschuere, half spottend, half meegesleept door den -ernst waarmee zijn vriend spreekt, »als ik niet eerste -gouvernements-secretaris was zou ik wenschen mijnheer van Waliënhove’s -gouverneur te wezen!« - -Maar al kan hij Van Beevelant’s geestdrift niet deelen, het is hem goed -weer samen te zijn met den vriend zijner jeugd. Weldra komen ze op -andere onderwerpen. Agnita geniet; want uitgelokt en opgewekt door het -helder oordeel en den logischen zin van den bezoeker, viert ook Gustaaf -zijn vernuft bot. Het is lang na middernacht als ze hun gast uitgeleide -doen; tot tweemaal toe keert deze in het helder maanlicht met hen terug -naar het hek hunner woning, en tot tweemaal toe loopen ze langzaam met -hem tot aan den ingang van het paleis. - - - - - - - -VIII - -IN DE WITTEBROODSWEKEN. - - -»Zoo vroeg terug? Dat is een meevallertje. Kom binnen.« - -Maar de heer Verschuere schijnt den vriendelijken welkomstgroet zijner -vrouw niet te hooren, zoo min als haar uitnoodiging om het boudoir te -betreden, dat ze daareven, verheugd over zijn onverwachte thuiskomst, -zoo haastig verliet. Werktuigelijk stapt hij door naar de -achtergalerij, werpt zijn hoed op tafel en begint staande: - -»Ik ben even uit mijn werk geloopen, maar ik moet dadelijk terug. ’t -Was maar om je iets te zeggen dat geen uitstel lijden kan. De familie -Hagen logeert hier tot aanstaanden Donderdag; ze zijn op reis naar -Sindanglaya, waar ze een maand denken te blijven.« - -»Zoo? Maar waarom moet ik dat weten?« - -»Wel, omdat wij ze bij deze gelegenheid een beleefdheid moeten -bewijzen. Van avond zal er muziek gemaakt worden op het paleis; je -weet, Gertrude Hagen zingt en de oude heer is een groot liefhebber van -viool... Ze hadden alleen nog morgenavond vrij en ik heb hen gevraagd -dan bij ons te komen dineeren.« - -»Bij ons te komen dineeren? Morgen avond! ’t is toch niet waar?« - -»Hemel, kind, daar behoef je niet zoo van te ontstellen! Hij is een -alleraangenaamst mensch en mevrouw de liefste, de meest -gedistingeerde...« - -»Maar een diner! Morgen avond!« - -»Wel neen, geen diner! Op zijn hoogst tien of twaalf menschen. Laat -zien: drie Hagens, twee...« - -»Tien of twaalf menschen! Je praat er maar over of het niets is! -Gustaaf... ik zal nooit durven!« - -»Je moet durven,« spreekt hij streng. - -»Alles zal mislukken,« fluistert ze, meer in zich zelve dan tot hem. -Maar hij heeft haar gehoord. - -»Integendeel, alles zal in de uiterste puntjes zijn,« zegt hij op een -toon die geen tegenspraak duldt. - -»Morgen avond, zeg je? Morgen avond! Onmogelijk!« - -»Onmogelijk!« herhaalt hij. En dan klinkt toornig de vraag: »Agnita, -wat beteekent dàt nu?« - -»Je moet niet boos worden,« brengt ze snikkend uit, »maar wezenlijk...« - -»Ja, ik word wèl boos. Wat! Ik kies me een vrouw, wier moeder en -getrouwde zusters perfekte huishoudsters zijn; een meisje, dat gewoon -is thuis de keurigste dineetjes te helpen aanrichten; ik geef schatten -uit voor mijn inboedel, ik houd er goedangs vol blikken en wijnen op -na; ik heb een groot huis, een stoet van bedienden; zou men nu niet -meenen, dat als iemand er op was ingericht om menschen te kunnen zien, -ik dat zijn moest? Jawel! de eerste keer de beste dat ik een paar lui -ten eten wil vragen, roept men mij toe: »Onmogelijk.«« - -Berouwvol is reeds zijn vrouw hem ter zijde getreden. - -»Je bent in je recht, Gustaaf. Ik had niet van onmogelijk moeten -spreken. En ik zou het ook zeker nooit gedaan hebben, als het wat -minder onverwachts gekomen was. Je hebt gelijk, daarvoor heeft mama -zich niet zooveel moeite gegeven, opdat haar dochter bang zou zijn om -een paar gasten te ontvangen.« - -»Zoo mag ik het hooren.« - -»Ik beloof je, ik zal mijn best doen. Je weet dat het geen onwil was... -niet waar, daarvan ben je overtuigd?« - -Weinige oogenblikken later zitten ze samen op de causeuze in haar -boudoir. - -»Komaan, kindlief, kijk nu niet zoo angstig. Ik ben te driftig geweest, -dat beken ik, maar daarom behoef je me nu niet een gevoel te geven -alsof ik een tiran was, een vrouwenbeul!« - -Straks, als weer een glimlach het ontstelde gezichtje komt verhelderen, -gaat hij voort op dien ernstigen toon vol overredende kracht, waarmee -hij zijn betoogen ingang doet vinden ook bij minder gewillige hoorders -dan Agnita. - -»Kind, waarvoor denk je toch dat ik de beste jaren van mijn leven hier -in Indië doorbreng? Je weet dat ik het niet bepaald noodig heb, zelfs -op het oogenblik niet, terwijl de tantes ieder voor zich me tot -erfgenaam maken, zoodat ik ook niet voor een pensioen behoef te zorgen; -je weet, dat ik ook in Holland een bestaan zou kunnen vinden. Waarvoor -denk je dan dat ik hier ben?« - -Ze ziet op naar zijn gelaat. Dan, als had ze het antwoord daar gelezen, -spreekt ze: »Om het ver te brengen in de wereld!« - -»Juist! Om het ver te brengen in de wereld! Daar streef ik naar! -Daarvoor heb ik nu tien jaar gewerkt en zal ik misschien nog twintig -jaar werken. Daarheen zijn al mijn gedachten gericht; daarheen keeren -zich al mijn wenschen, al mijn verlangens; daarvoor leef ik.« - -»Daarvoor toch niet alleen, is ’t wel, lieveling? Neen, dat weet ik -beter. Maar denk je dat het mogelijk zijn zou...?« - -»Waarom niet? Ben ik minder dan het meerendeel van hen die me zijn -voorgegaan? Heb ik geen goede hersens, geen sterk gestel, geen -kolossaal werkvermogen, geen ijzeren wilskracht en—wat misschien meer -is dan dit alles—geen machtige protectie?« - -Zooals hij daar tegenover haar staat, met dien vastberaden trek op het -mannelijk gelaat, met dat ernstig voorhoofd, die oogen, fonkelend van -geestdrift, schijnt hij haar een reus, sterk genoeg om al de draken, -die het betooverd kasteel der fortuin tegen hem mochten willen -verdedigen, te verslaan. - -»O, je begrijpt, ik zou de laatste zijn die er aan twijfelde. Maar je -moet niet vergeten hoeveel er noodig is.« - -»Ja, heel veel! Onder meer een vrouw, bezield met dezelfde gevoelens -als ik, een vrouw ten allen tijde bereid mij bij te staan in het -streven naar het groote doel, een vrouw, die wat durft, wat kan, een -vrouw voor wie het woord onmogelijk niet bestaat, als aan den -vice-president van den Raad van Indië een diner moet worden -aangeboden...« - -»Laten we het menu opmaken, Gustaaf,« roept ze half beschaamd, half -lachend. - -»Zoo mag ik het hooren. En, Nita, van dit oogenblik af aan beschouw ik -je als een ingewijde. Antwoord me, lieve, wil je niet beproeven om iets -meer voor me te zijn dan een lief, bekoorlijk kind? Wil je mijn trouwe -reisgezellin wezen, die met me afgaat op hetzelfde doel?« - -Er is groote bekommernis in de oogen, die ze vol ernst naar hem -opslaat. »O Gustaaf, ik vrees dat je je in mij vergist hebt... ik vrees -dat je een andere vrouw hadt moeten kiezen; ik ben zoo weinig -eerzuchtig!« - -»Als je me lief hebt, zul je het worden om mijnentwil!« - -»Als ik je lief heb!... Maar het is juist omdat ik je liefheb, dat al -die grootsche plannen, die stoute wenschen me beangstigen, Gustaaf; het -voornaamste is toch gelukkig te zijn, niet waar? Nu, ik kan niet -gelooven dat grootheid of eer geluk aanbrengt.« - -»Dat komt omdat je nog zoo jong bent. Met elk jaar dat je ouder wordt, -zul je leeren inzien hoe het bezit van macht... Maar ons menu! We -hebben geen tijd te verliezen. Geef mij je potlood... of zal ik het -maar geheel aan Cavadino overlaten?« - -»Cavadino?« - -»Ja, ik wilde hem telegrafeeren dat hij morgen met den laatsten trein -een diner voor twaalf personen zendt. Hij heeft dat dikwerf voor me -gedaan toen ik nog célibatair was—en altijd uitstekend. Maar toen kwam -hij met zijn staf mee en zorgde voor alles. Dat is nu onnoodig, niet -waar? Je zult zeker liefst zelve het arrangeeren van de bloemen en het -dekken der tafel op je nemen? Ook moeten de bedienden—dat spreekt van -zelf—de gerechten warm maken, de aardappelen koken en...« - -»O man!« roept ze verrukt, »hoe gemakkelijk! Had je me dat dadelijk -gezegd! Ik dacht dat ik alles zelve moest klaar maken!« - -»Wat een idée! Je zoudt doodaf zijn. Neen, er is niets onaangenamer dan -lekker te eten terwijl de gastvrouw, rood van overspanning, naar adem -hijgt; ik wil dat je het hart van den vice-president morgen steelt, en -je zoudt niet op je dreef zijn, als je er voortdurend over moest denken -of dit of dat gerecht wel gelukt was...« - -»Vergeef me, Verschuere! Nu begrijp ik pas hoe mijn tegenspraak je -moest hinderen... terwijl je alles doen wilde om het me gemakkelijk te -maken!« - -»Goed, goed, kindlief! Neen, nu niet... Straks, als ik thuis kom, zal -ik met mijn kleine rebel afrekenen. Ik verzend dus het telegram. Jij -zorgt voor de invitaties en de rest? Tot straks!« - -»Tot straks! Ik zal mijn best doen, hoor! Je zult over me tevreden -wezen.« - -»Als mijnheer en mevrouw Hagen het maar zijn; dat is van meer belang!« - - - - - - - -IX - -EEN DINER MET EEN GAPING. - - -De gevreesde avond brak aan. En als iets mevrouw Verschuere had kunnen -doen vergeten, dat er over weinige minuten gedineerd moest worden in -haar huis, aan haar tafel, dan zouden het de genoodigden geweest zijn; -immers het was een uitgelezen gezelschap, volkomen geschikt om een -eerstbeginnende in de kunst van recepieeren op haar gemak te zetten. - -Voelde de heer Hagen, toen hij zijn gastvrouw den arm bood hoe het -handje, dat ze op dien arm legde, beefde? Zag mevrouw Hagen hoe angstig -het gezichtje stond, toen ze tegenover elkander plaats namen? Zooveel -is zeker, dat de eerste zich haastte haar mee te deelen, hoe hij altijd -gaarne de uitnoodiging voor een dineetje aannam—al was het eten voor -hem geheel bijzaak—omdat men nergens zoo gezellig praten kon als aan -tafel; dat de tweede haar toeknikte met een bemoedigend knikje, alsof -ze reeds vooraf de verzekering wilde geven dat—mocht het een of ander -in de war loopen—zij de laatste zijn zou om het kwalijk te nemen. - -Maar het scheen dat er niets in de war zou loopen. De jonge vrouw met -haar kindergezichtje had wel weinig ervaring, maar zij bezat den -kieschen takt, dien men van eene beschaafde moeder overneemt; daarbij -gaf zekere schroom, zoowel in haar manieren als in haar wijze van -spreken, haar een eigenaardige bekoorlijkheid. - -De eetzaal, de tafel, de bloemen, het toilet der gastvrouw, waren elk -op zich zelf een bewijs van haar goeden smaak en de heer Hagen, een -kenner, keek met innig welgevallen rondom zich. De bediening was vlug -zonder druk te wezen, de soep bleek overheerlijk, de pasteitjes, die op -de soep volgden, waren kunstgewrochten. - -Verschuere, niet zoo kalm als hij wel wilde schijnen, zag de -tevredenheid van zijn gasten en voelde zich beter, at zijn soep en werd -rustiger, proefde zijn pasteitje en zegende Cavadino, hoorde hoe aardig -Nita zich met den heer Hagen onderhield, en lachte haar toe met een -blik zoo vol waardeering, dat de hartklopping, die haar plaagde, -onmiddellijk bedaarde. - -Van nu af begon hij meer aandacht te schenken aan zijn buurdames. Aan -de eene zijde had hij mevrouw Paerel, een vroolijk dikkertje van even -dertig. De directeur van ’s lands plantentuin bezat het voorrecht haar -zijn gade, zeven alleraardigste dikke jongentjes het nog grooter -voorrecht haar hun moeder te noemen. Ze zou even beminnelijk en zeker -amusanter zijn, wanneer ze niet altijd zoo overstroomende was van -teederheid voor haar achtdubbelen schat; immers ook de aardigste vrouw -schijnt langdradig als ze over haar kroost spreekt, voor ongehuwden -omdat ze oningewijden zijn, voor getrouwden omdat ze popelen van -begeerte om over hun eigen wonderkinderen te beginnen. - -De gastheer kende haar zwak en bracht haar zonder dralen op het -geliefkoosd onderwerp, in de hoop dat, als ze het met hem in het breede -behandeld had, het zijnen gasten bespaard zou blijven. Reeds was de -groote parel verklaard te zijn van het zuiverste water, reeds waren de -kleinere parels aangeduid als kostbare sieraden in de kroon hunner -moeder, van twee nog kleinere met vochtigen blik getuigd dat ze -onschatbare schatten waren, toen de geduldige toehoorder een blik -opving van Mingo. - -Die blik boeit Verschuere met toovermacht, ook terwijl mevrouw Paerel -het pareltje bespreekt, dat frappant op het portret van Victor Hugo -gelijkt. - -»’t Is te hopen,« zegt de gastheer vaag en staart naar Mingo, die zich -nu niet meer bepaalt tot kommervolle blikken, maar ze vergezeld doet -gaan van mondverdraaiingen, het uitspreken voorstellend van een -woord—zeker van vreeselijke beteekenis. - -Eindelijk is ook de Victor Hugo in spé afgehandeld en Verschuere, die -zich hersteld heeft, slaakt een zucht van verlichting bij de gedachte -dat het de laatste was. - -Maar een moeder vertelt zich niet. - -»Wat nu mijn allerjongste betreft...« - -»O mevrouw, dat is nog een pareltje in de schelp.« - -»Neen, zeg dat niet. Hoewel pas zeven maanden...« - -Maar Verschuere vindt dat het tijdsverloop tusschen croquetjes en visch -reusachtige afmetingen begint aan te nemen en met een: »Neem me niet -kwalijk, mevrouw! een oogenblikje,« wenkt hij Mingo. - -Nauwelijks is deze genaderd, of hij bijt hem toe: »Di mana ikan?« [3] - -Mingo fluistert zijn meester iets toe. Het gelaat van den meester wordt -eerst rood, dan bleek; radeloos slaat hij den blik rondom zich; dan -laat hij hem vol verwijt op zijn vrouw rusten. - -Maar mevrouw Verschuere merkt dat niet op. - -Geheel gerustgesteld door het waardeerend knikje van zooeven, heeft zij -zich met de zorgloosheid der jeugd overgegeven aan het genoegen van te -luisteren naar haar beide buren en op dit oogenblik meer bijzonder naar -den heer De Bruining, die één glas wijn gebruikt heeft en in de periode -van den vogel verkeert. - -»Wat is er gaande, Verschuere?« vraagt de heer Hagen, aan wiens -scherpen blik niets ontgaat. »De visch niet pluis? Nu, kom er maar voor -uit. Dat is tegenwoordig aan de orde van den dag.« - -»Neen,« stamelt Verschuere, »dat is het niet.« - -Het benauwde stemgeluid waarmede dit gezegd wordt, wekt de huisvrouw -uit haar droom: ze ziet op naar het gelaat van haar man en weet dat -alles verloren is. - -De gasten beginnen nu de een na den ander te bemerken dat er onraad -broeit; het wordt stil. - -»Kom, mijnheer Verschuere, wat het zijn moge, laten we er ons niets van -aantrekken,« stelt mevrouw Paerel voor. »Ik zal u zeggen, mevrouwtje, -wat we bij ons doen, als een gerecht mislukt: we gaan over tot het -volgende.« - -»Maar... dat kunnen wij niet!« roept Verschuere. - -»Kunnen we dat niet?« vraagt Agnita ontsteld. »Mijn hemel, Gustaaf, wat -is er dan?« - -En in de stilte, die nu volgt, klinkt het als een doodsmaar van -Verschuere’s lippen: - -»Je hebt de aardappelen vergeten!« - -De tijding is zoo onverwacht, het geval zoo ongewoon, dat niemand weet -wat te zeggen. Alleen mevrouw De Bruining behoudt haar tegenwoordigheid -van geest. Ze grijpt Mingo bij den arm, bijt hem in het oor: »koken! -dadelijk! uilskuiken!« En op haar wenk vliegen al de dienende geesten -Mingo achterna, de keuken in. - -Daar men elkaar niet durft aankijken, staart men in de ledige borden; -daarop heeft er eene algemeene broodverkruimeling plaats. - -Er is een lach, gul en welgemeend, een lach waarin geen zweem van -spotternij ligt, niets dan goedhartige pret over de dwaasheid dezer -wereld. In dien lach barstte de heer Hagen los; en het was niet omdat -de Raad van Indië het deed, maar omdat hij het zoo aanstekelijk deed, -dat allen met hem instemden. - -Te midden dier vroolijkheid kwam freule van Waliënhove op een inval, -zooals lieve meisjes soms invallen hebben kunnen. - -»Gertrude!« roept ze juffrouw Hagen toe, »is dit niet een wenk van de -Voorzienigheid? We waren straks zoo en peine over het duet, dat we -morgenavond zingen moeten zonder het nog een enkele maal samen te -hebben doorgezien. Zou mevrouw Verschuere ons willen veroorloven... ik -vrees dat we na den eten niet meer zoo gedisponeerd zullen zijn.« - -Als het bericht had weerklonken dat er een goudmijn ontdekt was in de -binnengalerij, hadden de gasten niet vlugger kunnen opspringen om er -zich heen te begeven. - -De vleugel staat opengeslagen; men schaart zich in het rond; de beide -frissche meisjesstemmen heffen het duet aan; niemand schijnt meer aan -dineeren te denken, niemand dan de Verschuere’s, wie de oogenblikken -minuten, de minuten uren schijnen, niemand dan mevrouw De Bruining, -die, zoodra ze het onbemerkt meent te kunnen doen, wegrent, om weldra -met haar zijden japon door de keuken te slieren, rechts, links, overal! -nu eens een aardappel grijpend, dan weer een mes, om eindelijk, als ze -de onmogelijkheid heeft ingezien van beiden tegelijk in handen te -houden, zich te bepalen tot het beurtelings uitschelden, vermanen en -prijzen der acht schillers en schilsters. Zij belooft ze ongehoord -groote geldsommen voor het ondenkbaar geval dat ze de aardappelen -binnen twee minuten op tafel brengen. En wel niet binnen twee minuten, -maar toch vrij spoedig, namelijk juist als de jonge dames in edele -zelfopoffering ten derde male het duet willen beginnen, komt Mingo met -het zoo vurig begeerde »soedah«. - -In vroolijken optocht trekt men weer naar de achtergalerij. De visch is -als door een wonder goed gebleven; de aardappelen blijken er niet -minder om, dat ze zoo haastig gekookt werden; daarbij zijn al de -volgende gerechten keurig voorgediend en smakelijk toebereid; de wijnen -volkomen waardig zulke edele gerechten te besproeien, en het dessert -alles overtreffende wat Cavadino tot dusverre leverde op dit gebied. - -Een fijn diner is geen bijzonderheid op Buitenzorg, maar een diner, -waar zoo geestig verteld, zoo vermakelijk geschertst, zoo hartelijk -gelachen wordt als hier, blijft een uitzondering. ’t Is dan ook na -middernacht, lang over den gewonen tijd, als men uit elkaar gaat, en -nog is dit niet met volle toestemming van den heer Hagen, die, na een -laatst welgemeend compliment aan zijn bekoorlijke gastvrouw, slechts -noode achter de statige gestalte aanloopt, die hem reeds is -voorgezweefd naar het rijtuig. - -De anderen volgen nu spoedig hun voorbeeld, en als Verschuere de -laatste dame naar den wagen brengt, gaat mevrouw, die boven aan de trap -staan bleef, hem een paar treden tegemoet, den blijden glimlach, -waarmee ze hare vrienden groette, nog om de lippen. - -Maar is dit de joviale gastheer van daareven? Is dit Gustaaf, die den -geheelen avond zoo opgewekt, zoo hoffelijk was? die toornige man met -bewolkt voorhoofd, met saamgenepen lippen? - -Eenigszins ontsteld treedt ze achteruit. Hij gaat haar voorbij alsof ze -daar niet stond; regelrecht naar zijn kleedkamer, en het duurt een poos -voor ze den moed heeft hem daar te volgen. - -»Kleed je je nu reeds uit?« vraagt ze en legt een bevend handje op zijn -arm. »Willen we niet een oogenblik napraten?« - -Reeds heeft hij haar hand afgeschud. - -»Napraten?« barst hij los. »Napraten? Waarover? Over ons mislukt -diner?« en hij gooit zijn jas op een stoel en rukt zijn das los, alsof -elke band hem benauwde. - -»Mislukt? Maar Gustaaf! de menschen hebben zich uitstekend geamuseerd.« - -»Geamuseerd!« herhaalt hij met schamperen lach. »Geamuseerd! ja, dat -hebben ze zich! Daar kun je zeker van zijn. Het is een aardigheid die -ze niet elken dag zien vertoonen... een diner zonder aardappelen!« - -»Ze hebben het immers allen even goed opgenomen.« - -»Natuurlijk! Je hadt hun geen grooter pleizier kunnen doen. En niet hun -alleen. Wees overtuigd dat mevrouw Van Waliënhove morgen een pret heeft -van belang; wees overtuigd dat het binnen een paar dagen op Buitenzorg -en Batavia, op al de soirées, in al de societeiten, op al de -dames-ochtendvisites het praatje van den dag is. Neen, dáár kun je -zeker van zijn, dat het eerste diner van mevrouw Verschuere, het diner -zonder aardappelen, legendarisch zal worden in Indië!« - -»Hemel, Gustaaf, was het dan wezenlijk zóó erg?« - -»Ik weet niet of jij het erg vindt om belachelijk te zijn. Ik vind het -verschrikkelijk, ondragelijk, het ergste van alles!« - -»’t Was onhandig van me, maar... ik had toch mijn best gedaan... Zou je -’t me niet kunnen vergeven? Nu nog niet, dat begrijp ik wel, maar -morgen misschien, als je wat kalmer bent?« - -»Dwaasheid! ik heb niets te vergeven. We zullen beiden in ons huwelijk -wel eens fouten begaan. Als het maar niet dikwerf zulke fouten zijn, -Nita; want die zouden op den duur in staat zijn me razend te -maken—begrijp je dat niet?« - -Neen, ze begreep het niet. Ze begreep niet hoe het oordeel van vreemden -hem zoo aan het hart ging dat hij haar, die hij liefhad, er voor kon -grieven. - - - -Met klokslag vijf wordt Verschuere gewekt. Hij springt op als iemand, -die weet dat een taak hem wacht; den vorigen dag liet hij alles liggen -om zich geheel te wijden aan de ontvangst zijner gasten; nu moet de -achterstand worden bijgewerkt nog vóór het bureau-uur slaat. - -Het is bijna donker in het slaapvertrek, een enkele flauwe lichtstraal -slechts dringt door de jalouzieën, maar die lichtstraal valt op Agnita: -ze ligt naar hem gekeerd, het hoofd gesteund op de gevouwen handen, de -haren los gewoeld rondom het gezichtje, dat in die matgouden lijst nog -teerder, nog fijner schijnt dan gewoonlijk. Bij haar aanblik komt hem -de vorige avond voor den geest, hij hoort weer de bevende stem, die zoo -nederig smeekte om vergiffenis; hij voelt weer de kleine hand te -vergeefs de zijne zoeken; hij ziet weer die oogen naar hem opgeheven -met den angst van een kind, dat iets misdaan heeft, en hij vraagt zich -af, of hij het is geweest, die zich zoo wreed van haar afwendde. Hij -buigt zich tot haar, hij bespiedt op hare lippen den zoeten lach, -waarmede ze gewoon is hem te begroeten, hij vraagt een blik dier oogen, -waaruit een liefkoozing tot hem komt zoo vaak zij ze naar hem opslaat. -Als ze in dit oogenblik ontwaakt was, had hij haar op zijn knieën -kunnen smeeken om vergeving—maar ze ontwaakte niet, ze was zoo vermoeid -van het schreien—en hij kon niet wachten, de schrijftafel riep hem. - -Het was een ingewikkelde zaak waarover hij rapport moest uitbrengen, -kort en zakelijk zooals de gouverneur-generaal alle rapporten -eischte—een zaak, die van het oogenblik af dat ze aanhangig werd -gemaakt, hem veel belang inboezemde. Maar juist omdat hij er zich zoo -geheel had ingewerkt, juist omdat hij het vóór en tegen zoo nauwkeurig -gewikt en gewogen had, viel het moeilijk om al wat hij zeggen wilde te -besluiten in het kort bestek hem toegestaan. - -Echter, het gelukt—zooals trouwens zulke werkzaamheden hem altijd -gelukken. Als hij oprijst van de schrijftafel is het met de streelende -gewaarwording van een overwinnaar. Hij herleest de bladzijden, waarop -het ingewikkelde vraagstuk is opgelost op eene wijze, die het de -eenvoudigste zaak der wereld doet schijnen; hij geniet het glashelder -betoog, den gespierden stijl, de juiste woordenkeus of ze van een ander -geweest waren. Er zijn drie uren verloopen sinds hij voor de sponde -zijner gade stond, en in die drie uren heeft ze niet voor hem bestaan. -Hij bergt nu de dichtbeschreven pagina’s in zijn portefeuille, en het -hoofd vervuld van zijn werk, gaat hij naar de achtergalerij om haastig -zijn ontbijt te gebruiken. Als ze op het oogenblik dat hij uit Mingo’s -handen zijn hoed aanneemt te voorschijn komt, drukt hij haar een -vluchtigen kus op de lippen en gaat heen, zonder haar ook maar één -gedachte te wijden. - - - - - - - -X - -INVITATIES TEN HOVE. - - -Op de invitatielijsten, die de heer d’Hannecour zijn gebiedster -aanbood, werd achter sommige namen een kruisje geplaatst; dit kruisje -beteekende in de taal der barones: »alleen geschikt om te laten eten.« -De aldus geteekenden zou de kolonel niet gewaagd hebben ook maar te -noemen als er sprake was van een soirée, een soirée musicale, -littéraire, dramatique, amusante of hoe de veertiendaagsche avondjes -ten paleize heeten mochten; maar daar mevrouw Van Waliënhove niet -zuinig was met hare kruisjes en de intendant min of meer -verantwoordelijk werd gesteld voor het welslagen der soirées, werden -deze voor den armen man dikwerf kruizen in den waren zin van het woord. - -Wat de toehoorders betrof, die kwamen van zelf bijeen. De mijnheer die -zoo mooi viool speelde, bracht zijn drie bruine gansjes mee; de -geestige vrouw, onmisbaar voor de jeux d’esprit, haar goeden sukkel van -een man; de uitstekende pianiste had haar dooven papa bij zich; het -meisje dat zoo lief reciteerde, haar ongetrouwde tante... maar het was -niet genoeg dat er menschen verschenen, die geamuseerd wilden worden, -er moesten er ook zijn die amuseerden. En zij waren—als overal -elders—schaarsch te Buitenzorg. - -Bij de troepen, die te Batavia mooie opera’s komen bederven, zijn nu en -dan wel eens goede artisten; ook verdwaalt er soms een violist, -pianist, ja zelfs een enkele chanteuse, die jaren geleden in Europa wat -naam maakte, naar Indië: met hen was de intendant den koning te rijk. -Ze werden ten paleize ontboden en op zulk een avond had hij rust, -behoefde hij geen dilettanten te smeeken om hun medewerking; de -artisten deden al het werk, want daar de heer Van Waliënhove er op -gesteld was dat ze ruim gehonoreerd werden, eischte mevrouw waar voor -haar geld. - -Ze waren er echter slechts zelden. En dus bleef de kolonel steeds -zoekende naar nieuwe krachten; ja, hij hield er jonge luitenants op na, -die hem waarschuwden zoodra er iets van zijn gading was ontdekt. Dan -werd de barones onmiddellijk in kennis gesteld met het feit en het -duurde niet lang of de naam van de talentvolle persoon werd genoemd; -onder vele mindere bevoorrechten merkte men hem op; weldra kwam er zeer -toevallig een plaats open in Buitenzorg en hij werd aangewezen om die -plaats te vervullen. - -Wèl hem, zoo hij op de eerstvolgende soirée beantwoordde aan den roep, -van hem uitgegaan! Voor hem geen reizen of trekken meer, geen nadeelige -venduties of dure verhuispartijen: Buitenzorg was en bleef zijn -standplaats. Ongelukkig konden de dames d’Hannecour hun echtgenoot en -vader weinig tot steun zijn. ’t Is waar, mevrouw d’Hannecour had -indertijd wel aan voordrachten gedaan, maar zekere oude hoedendoos, -waarin een lauwerkrans bewaard werd, was het eenige wat van deze gave -restte; Victoire bespeelde de cither, doch toen ze eens een feest had -willen opluisteren, werd haar spel niet gewaardeerd, terwijl een poging -van Elmire, om zich in het lierdicht te onderscheiden, met niet bepaald -gunstigen uitslag bekroond was. Het eenige wat haar dus restte, was -dienst te doen als speurhond en dit deden ze met een ijver, die wel -eens wat benauwend worden kon voor de bewoners der residentie. - -Van dien ijver werd te haren tijd mevrouw Verschuere het slachtoffer. - -Op zekeren vóóravond overvielen haar drie van de jonge dames; haar -optreden was zoo onschuldig mogelijk en ze was er verre van daan, -eenige bedoeling te zoeken achter haar komst, toen ze op de vraag of -het dan nooit zou ophouden met regenen—de vraag, die in Buitenzorg -meest gedaan wordt ter opening van het discours—ten antwoord kreeg: -»Doet u ook aan de schoone kunsten, mevrouw?« - -Eenigszins verbaasd begon Agnita: »Als u wat bloemen maken en teekenen -zoo noemen wilt...« - -»O, teekenen!« riep nu Elmire minachtend, »daar heeft men niets aan.« - -»Hé, vindt u?« vroeg mevrouw Verschuere, weinig vermoedend waarin -Elmire’s minachting voor de teekenkunst haar oorsprong vond; »mij dunkt -juist, dat men er zooveel aan heeft.« - -»Toch veel meer aan muziek,« viel Julia in, »daar houdt de gouverneur -zoo van.« - -Nog begreep Agnita geenszins, waarom ze veel aan muziek zou hebben -omdat de gouverneur er zoo van hield. - -»U doet toch aan de piano?« vroeg nu Marianne. - -»Ja, zoo nu en dan,« stemde Agnita toe en ze had moeilijk anders kunnen -doen, daar men het gezicht had in de binnengalerij, waar de piano open -stond. - -»Wat een heerlijke aanwinst!« riep nu Victoire. - -»Wat zal mevrouw Van Waliënhove blij zijn!« juichte Elmire. - -»Nu, maar papa dan, papa zal opgewonden wezen!« lachte Marianne. - -»Ik begrijp niet recht...« - -»O mevrouw, wat treft dat goed... En mijnheer? Mijnheer doet zeker ook -wel aan...« - -»Aan muziek? Neen, hij kent geen noot.« - -»Maar hij doet aan bellettrie, niet waar? Ik vond dadelijk dat hij iets -over zich had of hij aan bellettrie deed. Is het niet zoo, Elmire? Heb -ik je niet gezegd: dat is een man voor bellettrie?« - -»Om je de waarheid te zeggen, dacht ik dat je hem voor het drama -bestemd hadt.« - -»Neen, dat was een idée van Marianne.« - -»Dat moet ik je tegenspreken, Victoire; mijn overtuiging was en blijft -tragedie.« - -Ten derden male beproeft Nita tusschenbeide te komen. - -»Tragedie? Verschuere voor tragedie? Lieve dames, ik begrijp hoe wij u -moeten tegenvallen en het spijt me verschrikkelijk, maar geloof me, -mijn man heeft geen tijd en ik... de geringe talenten, die ik heb, zijn -alleen geschikt om er mij zelve wat mede bezig te houden, niet om er de -soirées van mevrouw Van Waliënhove mee op te luisteren.« - -De meisjes waren diep teleurgesteld. Niet minder de vader. En toen hij -eenigen tijd daarna de lijst ontving voor het muziekavondje dat zou -gegeven worden, zette hij achter den naam Verschuere een kruis zóó vet, -alsof hij er al die teleurstelling in wilde uitdrukken. Groot was -echter den volgenden morgen zijn schrik: de barones stond vóór hem, de -booze zwarte oogen op hem gericht, den vinger uitgestrekt naar het -vette kruis, en vroeg op den haar eigen snijdenden toon wat dat -beteekende? - -»Alleen geschikt om te laten dineeren,« zei hij met een poging om zich -goed te houden. - -»Ik geloof dat dit aan mij te beoordeelen staat, kolonel.« - -»O zeker, mevrouw. Maar mijn meisjes hebben informaties genomen en...« - -»U zult wel zoo goed willen zijn den heer en mevrouw Verschuere een -uitnoodiging te zenden?« - -»Nog iets van uwe orders, mevrouw?« - -Wel krijgt de heer d’Hannecour van vrouwlief telkens de opdracht zich -toch maar niet boos te maken, wel herinnert hij zichzelven telkens dat -mevrouw Van Waliënhove’s ongenade in zijn geval gelijk staat met -pensionneering, maar niettegenstaande dit alles heeft hij oogenblikken, -waarin hij vindt dat het een »onaangenaam baantje« is dat baantje van -intendant—en dan kan hij zijn drift niet altijd meester blijven. - -»Dank u, op het oogenblik niet,« antwoordt mevrouw Van Waliënhove met -een kalmte, die bewijst dat zoo hij satire bedoeld heeft met zijn -vraag, dit voor haar verloren ging. - -Onder de genoodigden van dien avond werd, behalve de Verschueres, het -meest opgemerkt een jong officier, niet om zijn buitengewone -persoonlijkheid echter—hij was een officier als een ander—maar omdat -men niet gewoon was de gastvrouw beleefdheden te zien bewijzen aan een -tweede-luitenant van administratie. - -Het raadsel zou echter spoedig worden opgelost. - -Er was een huit-mains gespeeld, een bravourstuk, zooals de intendant er -altijd gereed moest houden, meer om de gasten tot zitten en de -gesprekken tot zwijgen dan om muzikale zielen in verrukking te brengen. - -Natuurlijk luisterde niemand. - -Toch had het zware werk meer toejuiching verdiend, maar misschien werd -de opgewondenheid getemperd door medelijden, medelijden met de -instrumenten, die—nog lang nadat het slotakkoord had -weerklonken—stonden te trillen en te zuchten van uitputting; medelijden -ook met de beploegers daarvan: ze maakten den indruk van nog maar één -begeerte te hebben op aarde: »hun rok uit te gooien« en ieder wist dat -die begeerte niet vervuld mocht worden. - -Op de huit-mains was een duet gevolgd, een duet van den heer en mevrouw -Paerel; ze deden in menig welmeenend gemoed den wensch opkomen, dat ze -in andere zaken eenstemmiger mochten wezen. - -En nu zou het raadsel van den tweede-luitenant worden opgelost: de man -was niet alleen tweede luitenant, hij was ook echtgenoot en wel -echtgenoot van een mooie jonge vrouw, in een misschien wat opvallend, -maar zeer smaakvol toilet, gekapt op een bijzondere manier, en in dit -gezelschap—anders wel geschikt om een nieuwelinge te intimideeren—zoo -volkomen op haar gemak alsof al die vreemden goede kennissen waren. -Deze jonge vrouw viel de eer te beurt zich op een wenk der barones aan -hare zijde te mogen nederzetten. - -»Wel, mevrouw te Leurse, hoe gaat het?« vraagt ze vriendelijk. »Reeds -uitgerust van de vermoeienis der reis?« - -»Dank u, mevrouw. Niet alleen uitgerust, maar ik verbeeld me dat ik me -nooit zoo wel, zoo frisch en vroolijk gevoeld heb als hier op dit -heerlijke Buitenzorg.« - -»Zoo, dat doet me genoegen. Dus ook zeker goed gedisponeerd?« - -»Wie zou niet goed gedisponeerd zijn in zulk aangenaam gezelschap? En -met het vooruitzicht op zooveel muzikaal genot?« - -»Niet alleen muzikaal genot, willen we hopen. Er zal toch ook wel iets -op ander gebied worden geleverd?« - -»Zoo waarlijk? Dat is nog een verrassing.« - -»Een verrassing? Voor u? Komaan, mevrouwtje, houd u zoo onwetend niet. -Of wilt u zich misschien eerst wat laten bidden?« - -»Ik mevrouw?« - -»Ja, u; er wordt stellig op u gerekend. Mijnheer d’Hannecour heeft het -u immers gevraagd?« - -»Dat heeft hij. Maar ik heb geweigerd,« spreekt de jonge vrouw, nu met -hooger blos en op vrij beslisten toon. - -Mevrouw Van Waliënhove richt zich op in haar causeuse, ze ziet de -spreekster zwijgend aan met haar doordringenden blik. - -»Maar heeft de kolonel u mijn antwoord niet overgebracht?« vraagt deze -zonder de oogen neer te slaan, zonder ook zelfs de minste verlegenheid -te doen blijken. De barones is niet gewoon dat men haar blijft -weerstreven, ook als ze iemand heeft aangezien met dien blik. - -»U is nog te kort in Indië, mevrouw, dan dat men u een onhandigheid ten -kwade zou mogen duiden...« - -»Het zou mij zeer spijten, mevrouw, wanneer ik een onhandigheid -beging...« - -»Waarlijk? Dan raad ik u aan toe te geven.« - -»Dat mag ik niet.« - -»Komaan, iedereen weet dat we een der eerste sterren van het hollandsch -tooneel in ons midden hebben, iedereen rekent er op, dat u ons het -genot niet zult onthouden—een genot zoo dikwerf aan het publiek -geschonken—van uwe gaven te bewonderen.« - -»Wezenlijk, mevrouw,« en er speelt een spottend lachje om den fraaien -mond, »wezenlijk, ik had niet durven hopen dat iedereen zoo volkomen -omtrent mij op de hoogte zou wezen.« - -»O, in Indië weet men alles. U moet denken, de kring van Europeanen -waarin wij leven is zoo klein.« - -»Dat blijkt;—maar hoe goed men overigens ook moge zijn ingelicht, op -één punt schijnt men nog in onwetendheid te verkeeren. En dat is nu -ongelukkig in deze het kardinale punt. ’t Is dat, toen ik het tooneel -verliet, ik mijn echtgenoot beloofde nooit weer in het publiek op te -treden.« - -»Ja, ieder onzer doet wel eens van die onvoorzichtige beloften,« zegt -mevrouw Van Waliënhove koeltjes. - -»’t Was geen onvoorzichtige belofte, mevrouw,« spreekt de ex-actrice -ernstig, »’t was een vast voornemen. En u zult mij zeker niet van dat -voornemen willen afbrengen?« - -»O neen, u hebt volkomen gelijk. Het is heel verstandig van u.« - -»Niet waar? Om een gelukkige vrouw te wezen moet men wat opofferen.« - -»Zeker, zeker. En dus, Buitenzorg bevalt u wel? Beter dan uw vorige -standplaats? U komt van Solo, meen ik?« - -»Ja, mevrouw.« - -»Dat is geen prettige plaats, is ’t wel?« - -»O neen! ik voor mij vond het een waar verbanningsoord. Allereerst -ontbreekt er, wat nu eenmaal bij Indië behoort, natuurschoon.« - -»En de conversatie?« - -»Och, om u de waarheid te zeggen, geloof ik dat men in de Vorstenlanden -geboren moet zijn om er smaak in te vinden.« - -»En—denkt u dat het u op Atjeh nog al bevallen zal?« - -»Op Atjeh?« herhaalt mevrouw te Leurse... »Op Atjeh?« - -»Ja, daar moet mijnheer immers binnenkort heen?« - -»Binnenkort? Ik dacht...« - -»Dat u altijd op Buitenzorg blijven zoudt?« - -»Niet altijd, maar toch...« - -»Nog heel lang. Ja.. ziet u... dat zou ook niet geheel onmogelijk -geweest zijn. U moet weten, de legercommandant vertelde me onlangs een -en ander; hij had u gehoord in Amsterdam en ik dacht toen zoo, dat met -uw talent... u een aanwinst zijn zoudt... Maar mevrouwlief, u is -heelemaal bleek geworden! Wat zijn die officiersdames toch allen bang -voor Atjeh! Is dat nu om de cholera? Of denkt u dat ze mijnheer zullen -tjingtjangen? Of om de berri-berri misschien? Ah! daar zie ik uw man. -Laat hij u een glas wijn geven en wandel de galerij eens met hem op en -neer.« - -Een half uur later treedt mevrouw te Leurse op. Ze boeit aller oog door -den glans, die straalt van haar bezield gelaat, door den hartstocht, -die gloeit in haar diepe schoone oogen; ze streelt aller oor door het -zoetvloeiende harer stem: ze treft aller hart door de kracht van haar -woord. En haar echtgenoot lijdt weer al de helsche kwalen dier -jaloezie, die hem half krankzinnig gemaakt heeft in den tijd, toen ze -niet hem, maar het publiek toebehoorde; en zij geniet weer de -bedwelming, die het lang gemis dubbel bekoorlijk maakt... en de -landvoogdes glimlacht met den hatelijken glimlach eener -heerschzuchtige, die alles doet buigen voor haar wil. - -De genoodigden ten paleize werden nooit—als te dikwerf andere -genoodigden—slachtoffers van den lust om zich te laten hooren, die de -menschheid bezielen kan. Het programma werd vooraf vastgesteld en telde -niet meer dan vijf of zes nummers. De lange pauzes echter, tusschen die -nummers gehouden, waren niet het minst prettige gedeelte van den avond: -er bevonden zich in de ruime vertrekken van die zitjes voor twee of -drie personen, die onwillekeurig den lust wekken tot een gezellig -praatje en waar het praten bijzonder goed ging; er was een buffet, waar -iemand die wist te genieten, heerlijke oogenblikken wachtten; er was -een groep planten en varens, die een vriendelijke voorzienigheid scheen -te hebben geplaatst om zielen, teeder gestemd door muziek en poëzie, in -de gelegenheid te stellen zich uit te storten in andere zielen; voor -hen die noch praten, noch drinken, noch minnekoozen wilden, waren -tafels vol van het nieuwste wat de wereld biedt in plaatwerken, photo’s -en aardigheden. - -Wat misschien meer dan dit alles bijdroeg om de pauzes prettig te -maken, was de volkomen vrijheid die op deze avonden heerschte: men werd -er niet geplaatst in den traditioneelen ronden kring, dien vloek voor -de gezelligheid, ieder ging zitten of staan waar hij verkoos, ieder -liep rond zoolang en met wie hij wilde; de gastheer eischte bij deze -gelegenheid niets dan dat men zich amuseeren zou; de gastvrouw was -vriendelijk—iets zoo ongewoons, dat het alleen reeds in staat geweest -zou zijn om de stemming te verhoogen. - -Na de voordracht van mevrouw te Leurse volgde eene lange pauze. - -Er is misschien geen land ter wereld, waar een vrouw van ontwikkeling -meer wordt gezocht, een begaafde onder hare zusteren meer op de handen -wordt gedragen dan Indië. - -Is dit omdat talent zoo zeldzaam wordt gevonden onder indische -dames—zeldzamer nog dan ontwikkeling—of misschien wijl de mensch, die -beseft dat hij langzamerhand ondergaat in materialisme, zich verheugd -als hij een oogenblik wordt teruggevoerd naar reiner, hooger sfeer? - -Wat er van zij, mevrouw te Leurse, een paar uur geleden nog -onopgemerkt, is op eens de heldin van den avond. ’t Is niet genoeg dat -men haar heeft toegejuicht, men verdringt zich om haar, men overlaadt -haar met complimenten, men dankt haar of ze ieder persoonlijk een -weldaad had bewezen. - -Schitterend van geluk en schoonheid, in het bewustzijn van haar triumf, -is ze weldra het middenpunt van een grooten kring bewonderaars. Buiten -dien kring staat één: hij wacht of ze er ook aan denken mocht hem te -zoeken, of ze hem wellicht tot zich roepen zal met een wenk harer -oogen, met een glimlach harer lippen; hij wacht te vergeefs—de -bedwelming van den roem heeft hem ten tweeden male zijn geliefde -ontrukt. - -Mevrouw Verschuere verdiept zich nog in het genot daareven gesmaakt, -als de gouvernante zich naast haar komt zetten, en niet lang zit de -gouvernante naast mevrouw als zij ook mijnheer Verschuere tot zich -wenkt. Hij brengt op haar verzoek de beide dames een portie ijs, laat -zich neerzinken in den lagen stoel, die toevallig naast de gastvrouw -openbleef en luistert met een spottend lachje naar de opmerkingen die -zij maakt, opmerkingen, die veel te denken geven over de straks -betoonde vriendelijkheid. - -Vooral mevrouw Heijlerts, die zich in een hoek van het tweede salon -heeft teruggetrokken—maar niet zoo of de heer van Sonnefelt is er haar -spoedig gevolgd—moet het ontgelden, en Agnita hoort het niet zonder -pijnlijke verbazing aan, hoe haar man—anders weinig kwaad sprekend—nu -zijn tong gebruikt als een tweesnijdend zwaard, om de gastvrouw te -amuseeren. - -Gelukkig voor mevrouw Heijlerts en haar bewonderaar komt er afleiding. - -De adjudant van dienst, kapitein Hausz, heeft met afgemeten pasjes de -zaal doorgewandeld en met suikerzoete beleefdheid, rechts en links -buigend, zijn weg gevonden naar den stoel, die een poosje geleden zoo -onrustbarend kraakte onder het gewicht dat daarop neersmakte. - -Men heeft zich op Buitenzorg honderde malen afgevraagd, hoe het -mogelijk was dat de heer en mevrouw Hausz ooit een paar geworden -waren—en toch... ’t was zoo natuurlijk. In ’t goede stedeke -Hellevoetsluis had een piepjong luitenant kamers boven een -bakkerswinkel: hij was een nietig mannetje en de bakkersdochter—dank -zij het oude brood levenslang genoten—een groote, knappe meid. Wat kon -meer voor de hand liggen dan dat de kleine luitenant de forsche -bakkersdochter begeerde? Maar wat ook meer, dan dat hij nu, adjudant -van Zijne Excellentie geworden, met haar in zijn maag zat als wijlen -haar vader met zijn oudbakken kadetjes? - -»Wat is er?« begint ze met een stem, die volkomen bij den vrouwelijken -kolossus past en door het plat accent er niet liefelijker op wordt. - -»Ik wou je vragen, vrouwlief, of je... je nog al amuseert?« - -»Me amuseeren? Een mooie boel! met die nauwe schoenen en dat lamme -kersjet! Als je hier komt om me voor den gek te houden, zeg het dan.« - -»Neen, volstrekt niet, daar kom ik niet voor. Ik kwam je zeggen, -Jeanne, dat het tijd wordt de njonnja besaar te gaan groeten.« - -»Dacht ik het niet?« roept Jeanne op een toon alsof in zijn voorstel de -vreeselijkste hoon lag besloten; »dacht ik het niet?« - -»Natuurlijk dacht je het!« antwoordt hij knorrig; »je weet dat het niet -anders kan.« Dan bijna smeekend: »Wees me nu eens een beetje beleefd, -wil je?« - -»Waarom zou ik niet?« vraagt ze, »mits zij het is? Maar dat beloof ik -je, als ze weer begint met haar gewone hatelijkheden, dan zal ik ze -dienen.« - -De heer Hausz beproeft zelfs niet zijne Jeanne tot andere gedachten te -brengen; hij weet dat haar wil dezelfde eigenschappen heeft als de -krakelingen, waarvoor haar vader beroemd was: men kon ze breken, buigen -niet. - -»En hoe gaat het thuis, mevrouw Hausz?« vraagt de gouvernante niet -onvriendelijk, schoon met een blik vol onverholen afschuw op de -grasgroene zijde, waarin de adjudantsche heden voor het eerst ten -paleize toog. - -»O, heel goed,« antwoordt kapitein Hausz voor zijn gade; want niet -volkomen gerust over de gedragslijn die zij denkt te volgen, heeft hij -het veilig geacht in de nabijheid der beide dames te blijven. - -»Heel goed?« roept nu Jeanne. »Heel goed! Heere, Hausz, hoe kun je ’t -zeggen? U moet weten, mevrouw, Sijaantje leit met de koorts op bed en -Allebertientje heit een steenpuist... zoo’n bommert! en dat op een -heele lastige plek.« - -»Dan verwondert het me, dat u niet liever thuis zijt gebleven,« spreekt -de barones koel en verdwijnt achter haar waaier. - -Hausz is doodelijk ontsteld; hij ziet het, Jeanne vat vuur, ze zal haar -boos voornemen volvoeren, de njonnja besaar dienen. - -»Als u denkt dat ik hier voor me pleizier ben,« zoo barst ze los met -een verheffing van stem, die hem het angstzweet doet uitbreken; »als u -denkt dat ik hier voor me plezier ben, dan hebt u het mis. Ik verzeker -u—nee Hausz, laat me uitspreken!—ik zou veel liever mijn arme wurmen -zijn blijven oppassen dan hier opzitten en pootjes geven. Maar Hausz -beweert altijd, dat ik het niet laten kan—och, schei toch uit, je trekt -me de kleêren van ’t lijf—dat ik niet gemist mag worden.« - -»Dat zou anders volstrekt niet hinderen,« spreekt mevrouw Van -Waliënhove snijdend. Dan maakt ze die beweging met het hoofd, waarvan -ze het geheim bezit en die den ongelukkigen adjudant geen andere keus -laat dan zijn wederhelft weg te voeren. - -»Dat wordt nu toch wat erg! daar moet een einde aan komen,« roept de -barones buiten zichzelve. En dan, na een weinig ijswater te hebben -gebruikt, gaat ze kalmer voort: »Men moest eigenlijk alleen ongetrouwde -adjudanten hebben. Kapitein Hausz, op zich zelf genomen, is werkelijk -niet kwaad, ofschoon, ’t is waar wat de legercommandant altijd beweert, -rust roest, en de heeren adjudanten moesten, welbeschouwd, nooit langer -dan twee jaar op Buitenzorg blijven. Weet u niet een geschikten -plaatsvervanger voor hem, mijnheer Verschuere, in geval het door de -militaire autoriteiten mocht noodig geoordeeld worden mijnheer Hausz -weer eens in actieven dienst te laten treden?« - -»Misschien, mevrouw, ik zal...« - -»Verschuere, wat zou je denken van onzen James?« roept Nita op eens. - -»Uw James! Is dat een broer?« - -»Pardon, een neef. Hij is pas gedecoreerd op Atjeh. En een uitstekend -danseur, is ’t niet, lieve?« - -»Dat is hij,« zegt Agnita met een lachje bij de herinnering aan zijn -dolle galoppades en onvermoeid walsen. - -»En hij speelt ook comedie, is ’t niet?« vraagt Verschuere met een -onmerkbaar glimlachje. - -»Zeker, we hebben menig stukje samen opgevoerd. Daarbij heeft hij een -mooien bariton en... ik durf zeggen, een bijzonder innemend voorkomen.« - -»En,« vraagt mevrouw Van Waliënhove, terwijl ze den blik laat rusten op -het gezichtje, dat zich met hooger blos kleurde bij den lof van den -beminden neef, »zoudt u wenschen dat hij hier geplaatst werd?« - -»O mevrouw, natuurlijk.« - -»En u, mijnheer Verschuere?« vraagt ze weer, en bij die vraag gloeit er -in de zwarte oogen een vonkje, dat het jonge paar wellicht zou hebben -verontrust, als ze het hadden opgemerkt. - -»Ik, mevrouw? Wel, ’t was gister pas een jaar dat we -trouwden—natuurlijk dat haar wenschen nog de mijne zijn!« - - - - - - - -XI - -JAMES EN NITA. - - -»Dus je gevoelt je gelukkig, Nita? En je bent volkomen gezond? -Werkelijk?... En Indië bevalt je?« - -»Maar James! Dat alles vraag je me nu zeker voor de zesde maal! Zie ik -er dan uit of ik niet volkomen gezond ben? Vin je dat ik niet alle -reden heb om gelukkig te zijn? En wat Indië aangaat, geloof je dat men -het ooit beter zou kunnen treffen in Indië, dan wij het getroffen -hebben met Buitenzorg tot onze eerste standplaats?« - -»Dat weet ik wel! Dat weet ik wel! Maar...« - -»Nu, ga voort, malle jongen!« - -»Je bent toch zoo heel anders dan thuis, Nita!« - -»Thuis!« herhaalt mevrouw Verschuere, »thuis!« en ze bukt zich haastig -over de bouquet, die voor haar staat. »Zeg James, geloof je dat er op -de heele wereld een plekje is als ons thuis?« - -»Neen, dat is zoo. Dat vinden we nergens terug. Wil je gelooven dat ik -op Atjeh soms, vooral toen ik ziek lag, last had van heimwee, van -heimwee naar onze tuinkamer?« - -»En ik dan? Maar niet naar de tuinkamer alleen... naar heel het lieve, -heerlijke oude huis...« en ze leunt achterover in haar stoel met -gesloten oogen, als wilde zij het voor zich doen verrijzen. - -»Ja, maar toch meest naar den zolder, is ’t niet? Weet je nog, die -koffer vol boeken met die griezelige spookhistories, die je nergens zoo -prettig bang konden maken als daar?« - -»En die kist met oud speelgoed, die mama bij elke schoonmaak wou -leegmaken, en waar we altijd weer wat in vonden dat zonde was om te -worden weggegooid?« - -»En de kleerkast met de oude japonnen van je grootmama? Herinner je je -nog, hoe we daar voorstellingen mee gaven uit de bijbelsche -geschiedenis, jij als koningin van Scheba?« - -»En jij als Salomo!« valt Nita in en beiden lachen zoo hartelijk alsof -ze nog kinderen waren op den zolder. - -»En hoe heerlijk was het zomers in den tuin. Als de kruisbessen rijp -waren... à propos, die oude moerbeiboom, daar achter het schuurtje, -leeft die nog? Oom wou hem toen laten uitroeien.« - -»Neen, hij is op algemeen verzoek gespaard, en nu zal hij zeker blijven -staan; je weet dat het mijn lievelingsplekje was.« - -»O ja, je kroopt altijd in dien grooten tak, om je lessen te leeren. En -zaten jullie ’s avonds nog zoo gezellig thee te drinken onder den -kastanje?« - -»Ja; en weet je, het koepeltje achter in den tuin is vernieuwd.« - -»Waar Lotte altijd heenliep in haar engagementstijd? Jullie trouwens -zeker ook?« valt hij zichzelf in de rede. »Dat koepeltje zal wat te -vertellen hebben!« - -Zulk een warme blos komt Agnita’s wangen verven bij de herinnering aan -de weelden daar gesmaakt, dat haar neef er den weerschijn van gevoelt -op zijn jong gezicht en zich een verwijt maakt van zijn voorbarige -aanmerking. - -»In elk geval van Lotte heel wat meer dan van mij. Zij was zoo lang -geëngageerd, en ik maar drie maanden.« - -»Maar drie maanden?« - -»Ja; kort, niet waar? Wil je gelooven, als ik nu aan alles terugdenk, -hoe pa en ma me smeekten om het niet te doen, om bij hen te blijven... -hoe gelukkig ik was thuis... hoe lief alle menschen voor me waren, dan -begrijp ik zelf niet hoe ik zoo op eens zoo zonder eenige aarzeling heb -kunnen besluiten om van dat alles te scheiden...« - -»Kom, Nita, Verschuere zal zeggen dat het geen heel prettige neef is, -die je zoo dadelijk aan het schreien maakt!« - -»O, Verschuere komt vooreerst nog niet... en het doet me zooveel goed!« - -»Wat? Schreien? Onmogelijk! Je bederft er je oogen mee.« - -»Neen, nare jongen, je begrijpt best wat ik bedoel. Nog een kopje -thee?« - -»Graag. Je schenkt de thee precies zooals je mama, is ’t niet?« - -»Me dunkt, het moet je gaan als mij. Je moet het nooit moe worden om -over Bloemduin te praten?« - -»Nooit is wat sterk,« zegt hij plagend. »Maar vooreerst zeker niet. Als -men lang in een vreemd land heeft gezworven onder vreemden... dan is -het zoo’n genot om door een lieve bekende stem over lieve bekende -dingen te hooren spreken,« en hij heft het open gelaat tot haar op met -zoo’n trouwhartigen blik in de vochtige oogen, dat ze zijn hand grijpt -en uitroept: »Ik ben zoo blij dat je gekomen bent... ik voel me hier -soms zoo alleen.« - -Van Suylichem durft haar niet aanzien, uit vrees dat zijn gezicht zal -verraden wat in hem omgaat bij dien onvoorzichtigen, veelbeteekenenden -uitroep. - -»Is dat je man, Nita?« vraagt hij na een pauze, waarin hij vol warme -vriendschap hare hand drukte. »Ja? die lange heer in ’t wit? Nu, dan -begrijp ik dat je je hartje zoo stormenderhand liet innemen!« - -»Niet waar?« zegt ze met een blik vol teedere bewondering op de ranke -figuur, die nader komt, »niet waar? ’t Was de mooiste man dien ik ooit -gezien had!« - -De ontmoeting is zooals men het verwachten kan van twee onbekende -neven. Maar de heer James van Suylichem is zoo jong, haast zou men -zeggen zoo’n jongen; de eerste luitenant met de Militaire Willemsorde -op de borst en de klewanghouw in den hals kan zoo meisjesachtig blozen, -zoo jeugdig dwepen, zoo aanstekelijk lachen; zijn heldere oogen -glinsteren van zooveel pret; wat hij zegt—schoon niet altijd hoftaal—is -zoo natuurlijk, zoo kinderlijk eenvoudig soms, dat Verschuere al heel -spoedig zijn gewone terughoudendheid laat varen en zich blijkbaar -amuseert, ja zich laat meeslepen. - -Niet voor lang echter. - -Nog praat en schertst en vertelt de bezoeker met dezelfde opgewektheid -van daareven, als het gelaat van zijn hoorder de uitdrukking begint aan -te nemen, die Agnita in dit korte jaar van haar huwelijksleven zoozeer -heeft leeren vreezen; hij luistert nog altijd, hij antwoordt zelfs nu -en dan, maar zijn blik dwaalt af, verder en verder af, er komt een -groote, diepe plooi in zijn voorhoofd. - -»Heb je nog werk, Gustaaf?« vraagt ze ten laatste. - -»Ik durfde er niet van spreken,« antwoordt hij met een dankbaren blik -voor haar oplettendheid. Dan, zich tot zijn bezoeker keerend: »Het -schijnt je misschien niet erg beleefd, Van Suylichem, maar daar we je -heel veel hopen te zien, is het best dat we geen complimenten maken. Ik -heb, als ik zoo den heelen dag op het bureau gezeten heb, behoefte aan -een bad en een oogenblik rust.« - -»Natuurlijk!« - -»En als je me ’t niet kwalijk neemt, ’t spijt me dat het zoo treft, -maar ik heb van avond nog een zaak af te doen...« - -»Van avond nog?« vraagt Nita teleurgesteld. - -»Ja, lieve: ’t zijn heeren van den handel, met den laatsten trein van -Batavia gekomen; ze moeten morgen weer vroeg op hun kantoren wezen.« - -En met een vluchtig knikje aan Nita’s adres, verdwijnt hij in zijn -kleedkamer. - -»Gaat dat nu altijd zoo’n gangetje?« vraagt Van Suylichem, terwijl hij -voor de derde maal de sigaar aansteekt, die onder zijn druk praten -uitgegaan is. - -»Altijd,« zegt Agnita met een mislukte poging om er uit te zien alsof -zij het zich niet aantrekt. Dan terwijl ze haar borduurwerk wegbergt: -»Kom, willen we een wandeling gaan maken? Je ziet, manlief heeft me -vooreerst niet noodig.« - -»Graag.« - -»Wil je naar de muziek bij de Societeit? daar is het Woensdagsmiddags -pantoffelparade. Of naar den tuin?« - -»Me dunkt, we hebben nog zooveel te bepraten... Is de tuin daar niet -erg geschikt voor?« - -»Ik zie,« zegt hij, als ze een oogenblik later aan zijn zijde gaat, met -een waardeerenden blik op haar toilet, »ik zie, je bent een élégantje -geworden.« - -»Neen?« vraagt ze verschrikt, »dat meen je niet. Gustaaf heeft graag -dat ik me goed kleed, maar...« - -»Maar,« zegt hij plagend, »de tijd is toch voorbij, toen je geen mooier -jurken woudt dragen dan de kinderen van ’t dorp, omdat je het zoo hard -voor hen vond als ze bij je afstaken.« - -»Niemand steekt hier bij me af,« antwoordt ze eenvoudig. »Er heerscht -hier en vooral op Batavia zooveel luxe. Ik verzeker je, de dames zijn -hier niets ten achter bij Holland. Ze laten meestal haar toiletten uit -Parijs komen.« - -»Zoo? dat vind ik heerlijk!« roept de jonge luitenant. Dan voegt hij er -lachend bij: »Je kunt wel zien dat ik nog niet getrouwd ben, hè?« - -»Nu, óf ik! Ofschoon, ik moet zeggen, Verschuere klaagt nooit over mijn -modisterekening. Integendeel, hij zou, geloof ik, wel willen dat ik op -elke partij iets anders aandeed.« - -»Je gaat zeker veel uit?« - -»Ja, nog al veel. Maar toch meest op het paleis: Clotilde en ik -musiceeren druk samen.« - -»Clotilde? Is dat de boschnimf?« - -»De boschnimf?« - -»Ja, de boschnimf. Een anderen naam kan ik moeilijk voor haar vinden. -Ik heb haar van morgen gezien: zij vloog letterlijk tusschen de boomen -door, met loshangende haren, den hoed op den rug; twee gillende, -schreeuwende jongens achter haar aan... ’k weet niet of ze -verstoppertje speelden of boompje verwisselden, maar wel dat ik -dolgraag had meegedaan. En musiceer je met die halve wilde?« - -»Ze is geen halve wilde, James. Ze is een lief natuurkind. Pas maar op, -dat je je hart niet verliest aan die halve wilde.« - -»Geen nood!« - -»In ernst, James; wil je gelooven dat ik uit vrees daarvoor lang -geaarzeld heb...« - -»Geaarzeld. Waarmee?« - -»Om Verschuere te vragen, dat hij zijn best zou doen je hier te -krijgen.« - -»Ah, zoo! heeft Verschuere zijn best gedaan om me hier te krijgen?« -vraagt Van Suylichem en, na een pauze, waarin zijn vroolijk gezicht een -teleurgestelde uitdrukking aanneemt, roept hij uit: »Die chef van mij -is er toch ook een!« - -»Hoe dan? wat bedoel je?« - -»Wel, hij maakte me wijs, dat de legercommandant over me gesproken had, -dat de gouverneur-generaal dadelijk mijn naam had genoemd toen er een -vakature kwam, dat... enfin, ’t doet er nu niet toe...« - -»En waarom zou dat niet kunnen wezen? Je hebt je flink genoeg gedragen -om de aandacht op je te vestigen. Daarenboven, Verschuere heeft niet -anders gedaan dan je bij mevrouw Van Waliënhove aan te bevelen.« - -»Maar ik ben toch mevrouw Van Waliënhove’s adjudant niet?« vraagt hij -lachend. - -Nita acht het best, de beantwoording dier vraag aan den tijd over te -laten. - -»We spraken daar over uitgaan,« begint ze. »Ja, we gaan nog al eens -uit. En we zien veel menschen. Maar intieme kennissen hebben we -weinig,« voegt ze er bij met een zucht. - -»Niet? Hè, dat verwondert me. Verschuere heeft toch zijn vrienden.« - -»Gehad. En een heel enkelen misschien nog... Ach, James, er wordt -altijd beweerd dat in tijd van tegenspoed je vrienden je verlaten, maar -geloof je niet, dat het in voorspoedige dagen nog moeilijker is ze te -behouden? Ik bedoel niet dat de menschen onaardig voor ons zijn, och -neen, we worden genoeg gevleid en ontzien en geëerd! Maar dat noem ik -niet vrienden hebben! Je weet, Verschuere maakt carrière. Hij doet dat -ongewoon vlug. Jongelui, die met hem studeerden, die te gelijk met hem -naar Indië gingen, staan nog op de eerste sport van de ladder, die hij -reeds tot op de helft beklommen heeft. Niet ieder is eerlijk genoeg om -de meerderheid te erkennen van iemand met wien hij op de schoolbanken -zat... niet ieder kan het denkbeeld verdragen dat een tijdgenoot hem -voorgaat. Wanneer we vrienden hebben, dan zijn het niet de vrienden uit -Verschuere’s jeugd.« - -»Maar er moeten toch een massa lui zijn, die van jullie houden, die -hier graag komen.« - -»O ja, gelukkig. Van Beevelant bijvoorbeeld, die maakt een -uitzondering. En de Hagen’s en Clotilde. En mijnheer en mevrouw De -Bruining en, als het niet een beetje verwaand klonk, zou ik zeggen, de -gouverneur-generaal.« - -»Ja, ik begrijp je!... nu gaat me een licht op.« - -»Een licht? Wat bedoel je?« - -»Neen, neen, niets. Zoo, dus geef je alleen groote partijen?« - -Maar zij laat zich niet zoo gemakkelijk van haar onderwerp afbrengen -als daareven. - -»Welk licht gaat je op, James?« - -»Die ongelukkige gewoonte om mijn mond voorbij te praten!« zegt hij -knorrig tot zichzelf. En luide: »Ik zie dat men met je op zijn tellen -passen moet, Nita! Wel... een licht over enkele gezegden die ik zoo te -hooi en te gras hoorde op Batavia...« - -»Over Verschuere? Heb je over hem hooren spreken? Veel? Op een -hatelijke manier? zeg!« - -»Natuurlijk heb ik over hem hooren spreken,« antwoordt hij met zijn -gullen lach. »Dat mag toch wel, hoop ik?« - -Maar zij lacht niet mede. Er zetelt een zwaarmoedige trek om den lieven -mond. - -»Is het zoo het praatje van den dag?« zegt ze meer tot zichzelve dan -tot hem. En na een korte pauze: »Dan zul je ook wel gehoord hebben, -waaraan hij zijn promotie te danken heeft?« - -»Aan zijn bekwaamheid natuurlijk,« zegt James, maar terwijl hij het -zegt, herinnert zijn gezicht haar aan het gezicht, waarmee hij in zijn -jongensjaren een noodleugen debiteerde. - -»Neen!« roept ze uit met een heftigheid, die hem niet weinig verbaast -in zijn zachtmoedig nichtje, »neen, spreek maar geen onwaarheid om mij -te sparen. Denk je dat ik het niet weet? Denk je dat het alleen voor -mij een geheim kan blijven wat ze zeggen? Niet waar, het is zijn oom, -de minister van koloniën, die hem voorthelpt? Niet waar, hij heeft -kruiwagens?« - -En als James, die nog leeren moet hoe men zich uit moeielijkheden als -die, waarin hij nu verkeert, redt, een veelbeteekenend stilzwijgen -bewaart: - -»Alsof hij van een minister afhing, alsof hij kruiwagens zou behoeven -om vooruit te komen! Alsof hij, met zijn doorzicht, met zijn kennis, -met zijn energie, niet bestemd was om al de sukkels, die hem bekladden -omdat ze hem niet evenaren kunnen, voorbij te streven!« - -Nog vóór ze geheel heeft uitgesproken is haar toehoorder midden op den -weg blijven staan. Vol verbazing staart hij haar in het van -verontwaardiging gloeiend gelaat. - -Door zijn houding wordt ze attent gemaakt op haar heftigheid en ze -zwijgt plotseling stil; dan vraagt ze, half verlegen: »Willen we een -oogenblik rusten? Ik heb zoo druk gepraat, dat ik buiten adem ben.« - -»Nita,« zegt James met ongewonen ernst, als ze gezeten zijn op de bank -onder de waringin, »Nita, neem me niet kwalijk dat ik je daar zoo -onbeleefd stond aan te gapen, maar wezenlijk... ’t was me te kras!« - -»Wat? Dat een vrouw, die haar man liefheeft, zich ergert als hij -belasterd wordt?« - -»Weet je wel zeker, dat het alleen ergernis is over dien laster? Nita, -men zegt dat in de indische ambtenaarswereld het niet alleen de mannen -zijn die een rol spelen, dat ook de vrouwen zich mengen in den strijd. -Ik dacht dat het alleen een zeker soort van vrouwen waren, vrouwen die -haken naar hooger rang, naar grooter inkomen; maar dáár behoor jij niet -toe, niet waar? je hebt me gezegd dat je rijk genoeg waart, en veel te -hoog naar je zin... Ben je dan eerzuchtig geworden?« - -Een treurig glimlachje komt om haar lippen spelen, terwijl ze hem in de -oogen ziet. - -»Ik wou dat het waar was, James: ik wou dat ik eerzuchtig zijn kon.« - -»Kun je dat wenschen?« barst hij los. »Werkelijk? Zou je ook willen -behooren tot die schepsels, die geen rust of duur hebben zoolang ze -niet boven al haar vriendinnen verheven zijn? zou je ook zoo’n min -wezen willen zijn, dat, getrouwd om de goede positie, haar man opzweept -om die positie altijd nog maar te verbeteren?« - -»Als ik eerzuchtig werd, James, dan zou het niet zijn om mijnentwil. -Maar wees gerust, ik zal het nooit kunnen wezen...« En na een oogenblik -van stilte: »Daarvoor moet men een geheel andere vrouw zijn. Daar heb -je bijvoorbeeld mevrouw Heijlerts, van wie men zegt dat ze mijnheer -Heijlerts gemaakt heeft wat hij is...« - -»Een uil?« vraagt James naïef. - -»Directeur. Mevrouw Heijlerts is geestig; ze heeft talenten; ze kan -over bijna elk onderwerp meepraten: ze is een vrouw van algemeene -ontwikkeling, volkomen op de hoogte van indische toestanden...« - -Verrast, ontsteld bijna, springt van Suylichem op van zijn zitplaats. - -»En om zulk een vrouw te worden van algemeene ontwikkeling, volkomen op -de hoogte, om zulk een vrouw te worden doet mijn nichtje haar best?« - -»De hemel beware me! Wat een idee van je! Hoe kom je daaraan?« - -»Hoe ik er aan kom? Wel, Nita, waar zat je van morgen in te lezen? In -een werk van vijf deelen over de indische staatsinrichting, niet waar? -En wat heb je me daar straks gevraagd? Je op de hoogte te brengen van -den Atjeh-oorlog, je het voornaamste van de Atjeh-literatuur te leeren, -en toen ik je gezegd heb, dat er veel moed en veel geduld toe noodig -was om daar door heen te worstelen, toen heb je me geantwoord, dat je -over veel moed en veel geduld te beschikken hadt.« - -»Dat heb ik,« zegt ze met hooger blos en neergeslagen oogen. - -»En merkte ik van middag niet met hoeveel belangstelling je het -hoofdartikel in het Bataviaasch Handelsblad las, en hoe je kleurde van -boosheid omdat het regeeringsbeleid daarin wordt gelaakt?« - -»Heb ik gekleurd?« vraagt ze. »’t Is wel mogelijk.« - -»En liet je je niet ontvallen dat je de kamerdebatten volgt? Ik vraag -je, de kamerdebatten! Alleen een vrouw, die een eerzuchtig doel heeft, -is daartoe in staat!« - -»Ja,« zegt ze met een stem en een blik die hem op eens doen begrijpen -dat hij dwaalt, »ja, ik heb een doel. En,« voegt ze er bij met een -blos, »het is een heel eerzuchtig doel ook, geloof ik.« - -Er volgt een lange stilte. - -»Begrijp je wat mijn doel is, James?« - -»Ik vermoed het, Nita.« - -»En je vindt het een goed doel, niet waar? O, je weet niet welk een -treurige ontdekking het is voor een vrouw, die ontdekking dat ze haar -man niet boeit. Je weet niet hoe het me ontmoedigt, als ik bemerk dat -Verschuere naar me luistert meer uit vriendelijkheid, dan omdat hij er -lust toe heeft. Soms, als hij naast mij gaat, gevoel ik dat hij zich -inspant om zijn gedachten bij mijn gesprek te houden, dat het hem -niettegenstaande alle inspanning mislukt... Wil je gelooven dat ik er -om geschreid heb... heete tranen? Maar dat was vóór dat ik tot mijn -besluit gekomen was...« - -»En je besluit?« - -»Mijn besluit is om mezelve meer geschikt te maken voor zijn -gezelschap. Je begrijpt, James, ik bedoel niet evenveel van alles af te -weten als hij! Ik zal al heel blij zijn als ik zijn gesprek volgen, met -hem over dezelfde onderwerpen denken kan. Ik studeer druk, soms vier, -vijf uur per dag... Geloof je niet, dat als ik van het een en ander wat -op de hoogte ben, hij lust zal krijgen om met me te praten over wat hem -interesseert, van gedachten met me te wisselen, me beter in te -lichten?« - -»Zou die belooning je groot genoeg zijn om er de Atjehkwestie voor te -bestudeeren en de kamerdebatten voor door te worstelen?« En als ze het -onnoodig vindt zoo’n overbodige vraag te beantwoorden, voegt hij er -lachend bij: »Wat zijn jullie vrouwen toch onverstandige engelen!« - - - - - - - -XII - -DE ZIEKENVERPLEEGSTER. - - -»Zoo, Gustaaf, ben je daar eindelijk? Wat een schrikkelijke bui is dat -geweest van middag! Me dunkt, zoo erg heb ik het nog niet bijgewoond: -het geheele huis dreunde, de tuin stond blank en...« - -»En mevrouw Verschuere werd bang?« - -»Neen, bang was ik niet. Maar ik ben toch geëindigd met het hoofd onder -de kussens te steken en ik was blij toen Sarinah wat voor mijn bed kwam -zitten. Foei, wat een weer!« - -»Ja, ’t was erg! Verbeeld je, Verdijk moest in dien regen naar huis om -zijn vrouw... Hij kruipt, zoodra het begint te onweêren, met haar in -een donkere kamer. Heb je ooit van zoo iets kinderachtigs gehoord?« - -»Toch lief van hem, vind je niet?« - -»Lief misschien, maar niet verstandig. Hij moest haar in die dingen -niet toegeven. Ik ben ten minste blij dat jij zulke dwaasheden niet van -me eischt.« - -»’t Zou me niet veel helpen, geloof ik,« antwoordt ze lachend. »Ik zag -je van de secretarie naar de Bruinings rijden,« gaat ze voort; »vertel -me eens, hoe was het er vandaag?« - -»Och, ellendig. Hij had juist een van zijn aanvallen. Ik verbeeld me, -Nita, dat de man vreeselijk lijdt. ’t Is een helsche kwaal, die -zenuwhoofdpijn. En natuurlijk, hij wil zich nog goed houden, zijn werk -doen. ’t Loopt hem niet mee, den armen drommel... Als er nu ook maar -eens een raad van Indië dood wou gaan.« - -»Foei, man!« - -»Daarbij ligt een van de jongens, Jantje meen ik, al drie dagen met -zware koorts en is de juf er van door.« - -»Er van door?« vraagt Nita verbaasd. - -»Ja,« antwoordt Verschuere, terwijl hij zich neervlijt in zijn -luierstoel, om tegelijk van het zoete nietsdoen, de heerlijk -verfrischte atmosfeer en een geurig kop thee te genieten. »Met een -trompetter natuurlijk.« - -»Vind je dat natuurlijk? - -»Och, wat zal ik je zeggen? Er schijnt nu eenmaal een geheime -aantrekkingskracht te bestaan tusschen bonnes en trompetters.« - -»Dus zit de arme ziel daar met twee zieken en zonder hulp! En al de -andere kinderen, wie zorgt daarvoor?« - -»O, die zijn bij goede vrienden. Ik geloof dat de Paerels er een half -dozijn hebben.« - -Straks heft mevrouw Verschuere met een verlegen blos het hoofd op van -haar theeblad. »Gustaaf, je weet dat ik nog al een beetje verstand heb -van ziekenoppassen. Wat dunkt je, zal ik niet wat gaan helpen?« - -»Dat is geen kwaad idee van je, lieve.« - -»Dus je keurt het goed? Laat zien, het is nu vijf uur. Zou je het erg -vinden om van avond eens zonder mij te eten?« - -»Wel neen, kind, ik heb dat zooveel jaren moeten doen. Ga gerust je -gang.« - -»Zie je, als ik de zorg voor Jantje op mij neem, dan kan zij bij De -Bruining blijven en misschien van avond nog een paar uurtjes slapen. Ik -zou dan niet terug komen voor een uur of elf—of is je dat te laat?« - -»Neen, volstrekt niet. Ik kom je halen.« - -»Je vindt het toch niet vervelend, Gus?« vraagt ze, als ze terugkeert, -na een oogenblik te zijn weggeweest om de bedienden hare orders te -geven. - -»Vervelend? Wel, kind, ik geef algemeen belet, ga in mijn bureau zitten -en doe in dezen éénen avond meer dan anders in drie.« - -Ze onderdrukt een zucht, schenkt hem zijn derden kop thee in, vraagt of -ze nog iets voor hem doen kan en stapt in het rijtuig. - -Mevrouw de Bruining is bezig met kleinen Jan een ijsbad te geven; het -schijnt zijn koortsig brandend lichaam goed te doen, ten minste hij -ligt onbewegelijk stil met een kalme uitdrukking op het hoogroode -gezichtje. - -»Dat is lief van je, Nita!« zegt de moeder, als een tengere gestalte -zachtjes neerhurkt op het lage stoeltje bij de badkuip, »dat is lief -van je. Och, zie mijn arme jongen toch eens aan. Wat is hij vermagerd, -niet waar? mijn mollig ventje... Juist, dat laken moet om hem heen -geslagen... Neen, hij zal niet bij je willen zijn. Hij laat zich door -niemand... Ja toch? Hè Nita wat is dat vreemd!« - -»Neen, niets vreemd. Alle kinderen houden van mij. En dat treft nu maar -heel gelukkig, niet waar?« gaat ze voort, als ze den zieke in zijn -bedje gelegd en onder de dekens gestopt heeft. »Nu kunt u hem gerust -aan mij toevertrouwen... dat wilt u immers wel doen en ondertusschen -zelf wat rust gaan nemen? U hebt het noodig, mevrouwlief, hoog noodig.« - -»O, dat is niets! Ik ben sterk, veel sterker dan iemand denkt. -Misschien dat ik in gewone omstandigheden nu wel wat moe zou zijn, maar -als Bruining of een van de kinderen ziek is, voel ik niets.« - -»Gaat u toch maar een oogenblikje liggen... ik zal alles doen wat -noodig is. Ja, ik zie het al. Hij heeft een harde koorts. Nu en dan de -thermometer aanleggen en opschrijven hoe hoog de temperatuur is. Mocht -die nog stijgen dan moet ik voortgaan met de ijsbaden, is ’t niet? -Neen, Jantje, stil liggen, onder de dekens blijven; geef mij maar een -hand, lieveling.« - -Reeds heeft mevrouw De Bruining gezien dat Agnita berekend is voor den -post, dien ze zoo vrijwillig op zich neemt, en een gevoel van rust, van -kalmte, gelijk zij dit in geen dagen gekend heeft, komt over haar. - -»Ik geloof dat ik zal kunnen slapen,« fluistert ze dankbaar en met een -laatsten blik op haar lieveling verwijdert ze zich. - -Toen de heer Verschuere mevrouw kwam halen, bleek het niet gemakkelijk -haar mede te krijgen. Wel was de moeder na de genoten rust weer vol -moed om den nacht in te gaan, maar de patient had zijn bleeke, slappe -vingertjes geklemd om de hand der nieuwe verpleegster en wilde die niet -loslaten. - -»Kom je gauw terug?« fluisterde hij. - -»Morgen vroeg. Is dat goed?« vroeg ze. - -»Zoo lang!« stamelde Jantje. »Zoo heel, erg lang...« En als ze zich -over hem heenbuigt: »Ik zie je gezicht zoo graag! Je lijkt op de engel, -je weet wel de engel op de groote schilderij.« - -Den volgenden morgen, toen mevrouw Verschuere kwam om haar taak te -hervatten, vond zij den toestand er niet op verbeterd. De kleine vent -lag stil en bewegingloos in de doodelijke afmatting, die op zware -koorts volgt en voor zijn bedje zat de vader met een gelaat zoo vreemd, -zoo veranderd, dat Nita zich bedwingen moest om haar ontsteltenis te -verbergen. Kon het zijn door de pijnen den vorigen dag geleden? Was het -misschien de angst over het kind, of had hij zelf een ziekte onder de -leden? vroeg zij zich af, terwijl ze hem zwijgend de hand reikte. - -Weldra zou ze het antwoord ontvangen op die vraag. Mevrouw De Bruining -trad binnen, schijnbaar kalm. - -»Dank je, dat je zoo vroeg komt,« zegt ze met een langen kus. Dan -fluistert ze haar in het oor: »Help me! Hij moet hier vandaan!« - -En onmiddellijk daarop gaat ze luider voort: »Nu kun je mijn man -aflossen, hij zit hier al veel te lang zoo.« - -Hij hoort haar niet. Zacht legt zij de hand op zijn schouder, maar niet -zoo zacht of hij schrikt van die aanraking. - -»Daan, mevrouw Verschuere is hier, zij neemt je post van je over.« - -En als hij onbewegelijk zitten blijft: »Kom, lieve, ga even mee naar -buiten... we hebben behoefte aan frissche lucht.« - -»Neen ik blijf hier,« spreekt hij schor. - -»Dwaasheid! Je moet een oogenblik verademing hebben! Kom man, wees nu -verstandig.« - -En als hij zwijgen blijft: »’t Is niet beleefd van je tegenover Nita; -zij komt hier om ons te helpen en nu wil je niet eens van die lieve -hulp gebruik maken.« - -Nu ziet hij op met dien vreemden, dwalenden blik, die mevrouw -Verschuere zoo trof bij het binnentreden. Dan, alsof hij Agnita voor -het eerst gewaar werd, wenkt hij haar tot zich en vraagt: »Hij is heel -erg, niet waar?« - -»Ja,« zegt Nita kalm, »hij zal onze hulp nog dagen lang behoeven. -Daarom moeten allen, die hem behouden willen, hun krachten sparen.« Dan -treedt ze voor het ledikant, legt het hoofdje terecht op het kussen, -schuift de klamme blonde krullen terug van het bleekblauw gezichtje en -wuift het koelte toe. - -»Dag... engel!« fluistert Jantje en een zwak glimlachje komt om zijn -lippen spelen. - -»Zie!« zegt Nita zacht en wijst op dat lachje. De vader rijst langzaam -van zijn stoel om haar zijn plaats te geven. Maar hij heeft geen drie -stappen gedaan of hij wankelt. Reeds is mevrouw De Bruining -toegetreden; ze vangt hem op in haar armen; en nu, op haar schouder -geleund, barst hij los in een snikken zoo droef, zoo weinig bedwongen, -zoo onmannelijk, dat Nita niet om durft zien naar die beiden, dat ze -het hoofd dieper en dieper buigt over den kleinen zieke, dat ze zich -uren ver wenscht, liever dan getuige te zijn van dit tooneel. - -De strijd om het zwakke kinderleven duurde vier lange dagen, vier -eindelooze nachten. - -Hij werd gestreden met de kracht, die slechts aan vrouwen gegeven is; -vereend bevochten moeder en vriendin den dood, voet voor voet drongen -ze hem terug uit het vertrek aan welks drempel hij grijnzend stond; -geen oogenblik lieten ze de plaats ledig bij het kleine bedje, waaraan -hij zich scheen te willen neerzetten, al de wapenen, die wetenschap en -liefde hebben uitgedacht, keerden ze tegen hem. - -Eindelijk—aan den morgen van den vijfden dag—liet hij zijn prooi los en -de moeder kuste de handen die haar kind hadden verpleegd en bevochtigde -ze met haar tranen en Jantje fluisterde: »Dag, engel,« en de heer De -Bruining bracht haar naar het rijtuig en zeide niets, omdat hij niet -durfde spreken; maar zij zag hem in het gelaat en wist wat hij had -willen zeggen. - -Toen Verschuere dien middag terugkeerde van de secretarie, trof hem de -stilte op zijn erf. Er was geen menschelijk wezen te zien; deuren en -vensters waren gesloten, de putemmer, anders in altijddurende beweging, -hing rustig aan den haak, de naaimachine ratelde niet, kokkie’s sissen -en braden werd evenmin gehoord als spen’s messenslijpen; kebon zat, -niet als meest op dat uur, de oorverscheurende muziek te maken, die het -weg krabben van het gras uit het kiezel veroorzaakt, de kinderen van -Mingo en Sarinah speelden niet voor de bijgebouwen. - -Van zelf verzachtte hij zijn tred, en als hij zoo de achtergalerij komt -binnensluipen, ziet hij in het halfdonker, dat daar heerscht, een -gestalte van den grond oprijzen. - -»Stil, als het u belieft, mijnheer! Mevrouw slaapt!« fluistert Sarinah -en neemt haar plaats weder in op het matje voor Agnita’s kamerdeur. - -»Mevrouw slaapt,« fluistert ook Mingo ter verontschuldiging; hij heeft -het selterswater, dat hij zijn heer altijd komt brengen bij diens -thuiskomst, buiten ontkurkt. - -»Mevrouw slaapt,« schijnt het wachtwoord, dat allen drijft om zacht te -spreken, om onhoorbaar te loopen, om voorzichtig te zijn in elke -beweging. - -»Ze moeten haar die rust wèl gunnen,« denkt Verschuere, »ze moeten haar -wèl genegen zijn, de bedienden; voor de meeste mevrouwen hebben ze -zulke attenties niet.« - -Trouwens—niet de bedienden alleen. Daareven heeft hij dokter Bosschaert -gesproken. Wat was hij vol lof! Wat roemde hij haar kalmte, haar -geduld, haar zachte fermiteit! En die arme De Bruining... hij wordt al -zenuwachtig van louter dankbaarheid, als hij haar naam maar noemt. Ook -Van Beevelant. Verschuere zocht hem gister in zijn eenzaamheid op en -telkens herhaalde hij ’t, hoezeer hij haar miste aan tafel, in huis. -Hij, die toch van kind af aan gewoon was edele, lieve vrouwen rondom -zich te zien, hij sprak over Agnita met een vereering... Gelukkig dat -kleine Jan gespaard bleef, ’t is toch bij al zijn ondeugendheid zoo’n -lief ventje! - -Wat een idee van het kind, dat er een engel stond bij zijn bed! Of -neen! zoo’n heel dwaas idee toch niet! Ze heeft van die oogenblikken... - -Eensklaps springt hij op van den stoel, waarop hij in gedachten -verdiept is neergevallen; hij gevoelt een onweerstaanbaren lust om naar -binnen te gaan, maar Sarinah zit daar!... Hij grijpt het eerste het -beste boek uit den trommel van het leesgezelschap. Maar hij kan er zijn -aandacht niet bij bepalen. Nu werpt hij zich op den divan en kijkt van -onder de half geloken oogleden naar de bedienden die langzamerhand -beginnen met tafeldekken en hij vindt het prettig als hij ziet dat spen -weer twee couverts legt. - -Wat was het ongezellig de laatste dagen! Gelukkig dat ze straks weer -over hem zal zitten aan tafel. - -Misschien... ’t zou wel eens kunnen zijn dat ze liggen bleef, dat ze -zich te veel vermoeid had; gister en eergister reeds zag ze er slecht -uit. ’t Is eigenlijk een dwaasheid geweest, hij had het haar niet -moeten toestaan! Is het niet mooi genoeg dat hij De Bruining’s werk -doet? Moet Nita nu ook met dat van mevrouw belast worden? - -»Makanan soedah klaar!« komt Mingo berichten. - -Mijnheer staat langzaam op, maar och, hij heeft geen lust om alleen te -eten... als ze niet zoo licht sliep, zou hij wel even... maar ze -schrikt altijd wakker van zijn stap... - -Sarinah kijkt toe, terwijl haar heer heel voorzichtig zijn schoenen -uittrekt, maar als hij de kamerdeur nadert is zij verdwenen, met de -bescheidenheid die zoo menige hollandsche dienstbode van de inlandsche -zou kunnen leeren. - -»Ben jij dat, Gustaaf?« en Nita strijkt met liefkoozende hand over zijn -vol fraai hoofdhaar. - -»Ik heb je toch niet gewekt?« - -»Neen, ik lag er juist over te denken om op te staan en weer te -presideeren aan je rijsttafel.« - -»Heerlijk!« en ofschoon dit niet bepaald noodzakelijk is, haast de heer -Verschuere zich aan spen te berichten dat njonnja aan tafel komt. - -»Weet je wel,« vraagt hij, zoodra ze tegenover hem gezeten is, »dat ik -in de laatste dagen trotsch begin te worden op mijn vrouw?« - -»Wezenlijk?« en ze ziet naar hem op met een gelukkigen lach. - -»Zeker. Iedereen is vol van je lof. Zelfs mevrouw Van Waliënhove kon -van morgen niet nalaten me te zeggen, hoezeer zij je lieve hulp aan de -Bruinings bewezen, waardeerde en de Gouverneur-generaal...« - -»Domme man,« roept ze uit en beproeft achter een vroolijk lachje haar -teleurstelling te verbergen, »moeten mijnheer en mevrouw Van Waliënhove -je dat zeggen? Moeten vreemden je vrouw prijzen, om je op het denkbeeld -te brengen dat ze toch werkelijk wel eenige verdienste heeft.« - -Hij schrikt van dien uitroep, omdat er zooveel waarheid in is. - -»Komaan« zegt hij, »je bent oververmoeid en daardoor zwartgallig. -Straks moet je maar eens een flinken dut doen. En morgen... Wat zou je -denken van een Zondag in Soekaboemi? Met den trein hier heel vroeg -vandaan?« - -»Maar Gus! Meen je het?« - -Hij ziet verlegen voor zich. Dat opgetogen gezichtje beschaamt hem; -menige vrouw is niet zoo dankbaar voor het kostbaarst geschenk als zij -voor het genot van één dag met hem te mogen samen zijn. - -»Meen je het wezenlijk, Gus?« - -Arm, lief kind! hij moet haar eens meer een pleizier doen. Maar als ze -wist dat hij de beide laatste nachten aan zijn schrijftafel doorbracht, -om eens één dag vrij te zijn—zou het dan nog een pleizier voor haar -wezen? - - - - - - - -XIII - -AAN HET STATION. - - -’t Is op den morgen van den achttienden Februari aan het station te -Buitenzorg ongewoon vol en druk. Tevens ongewoon deftig, zooals blijkt -uit het gelegenheidsgezicht der spoorbeambten met hun nieuwste petten -op en hun mooiste jassen aan. - -Maar hoewel de gouverneur-generaal, vergezeld van familie en gevolg, -hoewel nog verscheidene andere dames en heeren dien morgen naar Batavia -vertrekken, zouden de reizigers alleen niet zooveel geloop en -geschreeuw veroorzaken: ’t zijn hun koffers en kisten. - -Het aantal daarvan schijnt legio. En toch zijn het alleen de koelies, -die zich verbazen over de massa bagage; ieder ander kent de oorzaak van -het verschijnsel: er worden feesten voorbereid op Batavia. - -En welke feesten! Dezen zelfden avond zal er galavoorstelling zijn in -de opera: morgen zal ’s Konings verjaardag gevierd worden met de -gebruikelijke plechtigheden: groote parade, groote officieele -ochtendreceptie, groot vuurwerk op het Koningsplein, groot diner ten -paleize! - -Maar dit is niet alles. - -Gertrude Hagen viert op den avond na het koningsfeest haar twintigsten -verjaardag met een comedievoorstelling en bal; en de invitaties, reeds -veertien dagen geleden rondgezonden, wekken bij het pretlievend publiek -de beste verwachtingen. - -Daareven hebben drie equipages de paleisbewoners gebracht: intendant en -adjudanten zijn reeds ter plaatse, met hunne vrouwen en dochters, -voorzoover ze die bezitten. - -In de gereserveerde wachtkamer troont de barones op de ottomane, -geflankeerd door haar beide zonen, die bij hooge uitzondering het -reisje mogen mede maken, om morgen de parade en het vuurwerk te zien. -Ze zitten op heete kolen, de arme jongens, want daar buiten spelen drie -jeugdige Bruinings haasje over. Hun vader, die in druk gesprek met -Zijne Excellentie de salon op en neer loopt, ziet het gevaar, waarin ze -verkeeren van door handkarren te worden overreden of door vallende -kisten verpletterd te worden misschien wel, maar is te zeer gewoon zijn -zonen in gevaar te zien om zich daarvan veel aan te trekken; hij brengt -al gestikuleerend zijn kuif tot een ongekende hoogte, pluist al -redeneerend zijn bakkebaarden uit tot een verbazende breedte en windt -zich zoo verschrikkelijk op over een vrij onbeteekenende zaak, dat de -landvoogd hem van ter zijde met bezorgdheid gadeslaat en zich afvraagt -hoe lang het nog duren kan vóór de reactie op ’s mans overspannen -toestand volgt en een verblijf in Europa noodzakelijk wordt. - -Toen freule Clotilde uit haar poneywagen sprong en mama zoo deftig zag -zitten op de ottomane, heeft ze dadelijk aan den gouverneur van haar -broers gevraagd, of hij óók niet vond dat de lucht drukkend was in de -wachtkamer. Nu trippelt ze in haar kort, vlug reistoilet met hem het -perron op en neer; en terwijl ze links en rechts groet, als wilde zij -vergoeden wat mama in vriendelijkheid te kort schiet, volgt menig -waardeerend woord het aardig persoontje, rust menig welwillende blik op -het blozende gezichtje, dat zoo guitig onder den grooten stroohoed -uitkijkt. - -Van de zes juffers d’Hannecour zullen niet minder dan vijf door hare -tegenwoordigheid de feestelijkheden opluisteren, een voornemen dat al -weer niet genoeg op prijs wordt gesteld: immers geen van de jongelui -voegt zich bij het belangwekkend groepje dat ze met haar vijven vormen. -Als eindelijk Van Suylichem haar zijn diensten gaat aanbieden bij het -bezorgen der dertien valiezen, koffers en doozen, die ze met zich -voeren, dan is dit alleen omdat zijn nichtje hem, half lachend, half -knorrig, gevraagd heeft waarom hij toch niet naar de jonge meisjes -ging, in plaats van altijd de oude getrouwde dames op te zoeken. - -De andere »oude getrouwde« dame, wier gezelschap Van Suylichem boven -dat der jonge meisjes verkoos, is Amalia Te Leurse, een schoonheid, die -heden blijkt beter te voldoen bij gaslicht dan in den schellen gloed -van een indischen morgen. De mooie luitenantsche schijnt zich hiervan -bewust en heeft haar gezicht niet alleen bedekt met veel poudre de riz -en een weinig rouge, maar nog daarenboven met een coquet voiletje. - -De heer Te Leurse vertoonde zich even aan het station: dienstzaken -houden hem terug te Buitenzorg. Maar, zooals Amalia reeds meer dan -tienmalen aan de heeren, die haar kwamen groeten, verzekerd heeft,—hij -hoopt voor de soirée bij de Hagens over te komen; ze kan ook moeilijk -bekennen wat de waarheid is: dat ze geen geld genoeg in huis hadden om -voor beiden de reis te betalen! - -»Vier koffers?« vraagt Nita, die in haar eenvoudig blauw kleedje aan -een vergeet-me-niet doet denken, zooals ze daar staat en, geheel op den -achtergrond, door weinigen wordt opgemerkt, sedert Verschuere haar -verliet om mevrouw Van Waliënhove goeden morgen te gaan wenschen. »Vier -koffers? Voor u alleen?« - -Mevrouw Te Leurse legt haar uit, dat ze het onmogelijk met minder doen -kan. »Rekent u zelve maar eens na. Twee toiletjes alleen voor het -comediestuk. Eén voor het bal. Eén voor de opera...« - -Agnita luistert maar half toe; ze herinnert zich hoe eenvoudig mevrouw -Te Leurse gekleed ging toen ze pas op Buitenzorg kwam; hoe stil ze -leefden in hun kleine woning; hoe geheel anders Te Leurse er uit zag -dan nu heden morgen met dat strakke gezicht en die treurige vermoeide -oogen. - -Mevrouw Heijlerts, alleen bestand tegen het klimaat van Batavia wanneer -er op Batavia een pretje is, geeft, zooals ze daar staat onder haar -donkerroode parasol, het schitterend bewijs, dat ze gedurende een -tweejarig verblijf in de wereldstad der parisienne »le talent -d’accommoder les restes« moet hebben afgezien. Gisteravond laat kwam ze -van Soekaboemi, in gezelschap van den heer Van Sonnefelt, die gaarne -enkele dagen der week dáár doorbrengt; en zooals gewoonlijk is ze ook -nu het middelpunt van een kring van heeren. - -Men amuseert zich in dien kring, want zij plaagt den adjudant van Zijne -Excellentie, die aan zijn betrekking verschuldigd meent te zijn, nooit -uit de plooi te geraken, met een voorval, dat zijn reputatie van -deftigheid in groot gevaar brengt, ja, de getrouwde heeren noopt om -zich meesmuilend een weinig van den armen doodverlegen Hooglaan af te -wenden, dan vraagt ze den heer Paerel met het vriendelijkste gezicht -ter wereld, of ze eens een enkele alinea zou mogen schrijven in de -»Annales du jardin botanique«; en als deze, niets kwaads vermoedend, -gaarne daarin toestemt, begint ze: »Il fleurit au Jardin botanique une -fleur aussi rare que belle, désirée par toutes les dames, destinée à -une seule...« - -Paerel wordt boos, vooral om de hilariteit die er op volgt. Immers -ieder weet welke de prachtige nieuwe bloem is, in de kassen getrokken -en bij geheime dagorder onbereikbaar gesteld voor alle plantlievende -dames, behalve mevrouw Van Waliënhove. - -Rustig en genoeglijk wordt de komst van den trein afgewacht; alleen de -heer d’Hannecour agiteert zich; hij wenkt den stationschef, die wel -andere dingen te doen heeft dan zich te laten wenken, en als deze -eindelijk nader komt, bijt hij hem toe, dat men Zijne Excellentie niet -wachten laat, waarop de man naar de klok wijst en verzoekt, den -intendant te mogen doen opmerken dat niet de trein te laat, maar de -landvoogd te vroeg is. Toch blijf de kolonel zich warm maken. ’t Is dan -ook zoo’n gewichtige morgen in zijn gewichtige betrekking, die morgen -waarop het hof naar Batavia gaat! ’t Is dan ook zoo’n zware taak, die -rust op de schouders van hem, den intendant der gouvernementshôtels! En -niemand schijnt het te willen gelooven of begrijpen. Zelfs de -adjudanten niet! Zie hen eens aan! Zou men niet meenen dat ze voor hun -pleizier meegingen? ’t Was om dol te worden. - -De rit van de residentie naar de hoofdplaats in de geurige frissche -morgenlucht, is een waar pleiziertochtje. Slechts wanneer men Batavia -nadert en de warmte de bezoekers als het ware tegenkomt, beginnen de -dames meer werk te maken van waaiers en flacons dan van het gesprek; -vooral mevrouw Heylerts is veel minder opgewekt dan daareven. Maar -algemeen vermoedt men dat dit slechts ten deele aan de warmte moet -worden toegeschreven; een naderende ontmoeting met mijnheer Heylerts -maakt haar altijd stil. Er zijn verscheidene heeren aan den trein in de -zwarte jas en met den hoogen hoed, die in dit klimaat altijd, maar -vooral ’s morgens om tien uur, een krankzinnigen indruk maken. Ook de -heer Heylerts bevindt zich onder hen, maar hij toont zeer weinig haast -om zijne wederhelft met zich te voeren. - -Wie onder al de dames en heeren heden het meest de aandacht trekt, is -Gertrude Hagen, die haar logées, de Verschuere’s en mevrouw Te Leurse, -kwam afhalen, en er zoo ongewoon lief uitziet, zoo geheel blosjes en -lachjes schijnt, dat men zich afvraagt of ze misschien heden jarig is; -maar in den datum van een feest vergist men zich te Buitenzorg niet! -Clotilde neemt haar een oogenblik ter zijde en de vriendinnen hebben -het zoo druk te zamen, dat ze vergeten hoe het rijtuig wacht—in dat -rijtuig de barones! Juist op het oogenblik als deze een adjudant zendt, -slaat de freule Van Waliënhove beide armen om juffrouw Hagen’s hals en, -ten aanschouwe van het geheele publiek, kust ze haar dat het klapt. - -»Zul je je dan nooit leeren gedragen!« roept de barones, zoodra haar -dochter tegenover haar zit. - -»Ik vrees van niet, mama,« zegt Clotilde. Maar meteen buigt ze zich -over naar haar vader en fluistert hem iets in het oor, om dan in de -kussens terug te zinken met de vermaning: »Aan niemand vertellen, -hoor!« - - - - - - - -XIV - -IN DE LOOFHUT. - - -De Hagens wonen op het Koningsplein en ze wonen daar heerlijk. Dames, -wier echtgenooten lid zijn in den Raad van Indië, hebben onder de vele -voorrechten, die haar door haar zusteren vaak zuchtend worden benijd, -dit: ze kunnen haar huis inrichten zooals ze dat wenschen; ze kunnen er -alle moeite en zorg aan besteden, zelfs veel geld er voor uitgeven, -zonder dat telkens als een dreigend spooksel de vraag bij haar oprijst: -voor hoe lang? - -Mijnheer Hagen—want hij is het die deze villa uit vele andere koos, die -den tuin opnieuw aanlegde, hier wat bijbouwde, daar wat afnam, hij is -het die Jakatra afliep, om op de zolders der Chineezen het oud -porselein te vinden, waarvoor hij bekend werd; die teekeningen maakte -van ameublementen en ideeën aangaf van versieringen—mijnheer Hagen -heeft ruim gebruik gemaakt van dit voorrecht. - -Agnita had groote marmeren ruimten verwacht, vol mooie meubelen, met -reusachtige beelden, reusachtige spiegels en reusachtige gravures, met -kostbare portières en alkatieven, alles geregeld naar traditioneele -wijs: in één woord een huis zooals men er vele vindt in de Koningin van -het Oosten, die er met hun pracht en weelde altijd blijven uitzien -alsof ze in orde gebracht waren voor een bewoner, maar nog niet -betrokken. - -De Hagens zijn rijk; mevrouw heeft fortuin, mijnheer een groot inkomen. -Maar ze hebben den takt gehad dit niet te toonen: de eerste indruk, -door hun huis gemaakt, is die van gezelligheid, en pas als men heeft -opgemerkt, hoe zacht het getemperd licht naar binnen valt, hoe kunstig -de hitte is buitengesloten, hoe heerlijk rustig en kalm de omgeving is, -dan pas komt men er toe te bedenken, dat er duizenden moeten besteed -zijn aan de inrichting dezer woning. Mevrouw Te Leurse is het zich -volkomen bewust, dat, wanneer ze niet de hoofdrol vervulde in het -stukje voor Gertrude’s feest, misschien mijnheer, maar zeker niet -mevrouw Hagen haar zou gevraagd hebben om hun logée te willen zijn. Dit -maakt dat zij bij aankomst iets minder zeker van zichzelve blijkt dan -gewoonlijk. Maar er is in de waardige beminnelijkheid der gastvrouw -zooveel geruststellends, in de vroolijke zetten van Gertrude iets zoo -opwekkends, dat ze zich weldra geheel op haar gemak gevoelt. - -Straks keert ook de heer des huizes terug: hij is even naar het paleis -gereden, om den Landvoogd te begroeten bij diens aankomst. - -»Goed dat u komt, papa: mama en ik hebben het erg druk en we rekenen er -op, dat u zich met de logées occupeert. U zult niet kunnen zeggen, dat -we voor u de minst prettige bezigheid hebben bewaard, is ’t wel?« en ze -knijpt hem in het oor met het weinige respekt en de groote liefde die -indische dochters gevoelen voor indische vaders. - -»Je kunt Gertrude immers wel missen vandaag?« vraagt mevrouw met een -blik op de beide dames, een blik zonder eenige jaloezie echter; ze -heeft te veel gezond verstand om, waar ze zichzelve nooit geheel kon -geven, onverdeelde toewijding te vragen. - -»Je weet, ik kan haar geen uur missen,« zegt hij met een teederen blik -op het meisje, »zelfs in dit gezelschap. Maar ik weet dat je haar -noodig hebt en protesteer dus niet.« - -Reeds heeft hij zijn goedig, vriendelijk gelaat naar de bezoeksters -gekeerd; reeds verheugt hij zich over het buitenkansje, dat hem -verscheidene dagen haar gezelschap zal doen genieten; reeds vraagt hij -zich af wat hij doen kan om haar die dagen aangenaam te doen -doorbrengen. - -De vice-president van Indië’s Raad is, meer dan iets anders, een -damesheer. Zijne liefde voor het schoone, die in Europa zich zou -geopenbaard hebben in kunstzin, was hier bewondering geworden voor het -schoonste werk der schepping. Dankbaar erkent hij het vele goede, dat -de aarde hem biedt, maar het beste is toch voor hem het samenzijn met -vrouwen—zoo mogelijk jonge en mooie! Dit is echter volstrekt geen -vereischte. Als ze maar aardig praten kunnen en vriendelijk lachen, als -ze maar verstand genoeg hebben om te begrijpen, dat, zoo hij haar het -hof maakt, dit zonder eenige bijbedoeling is; als ze maar goed—d.w.z. -in overeenstemming met haar uiterlijk—gekleed zijn, dan eischt hij -verder niets. - -En zooals nu de beide jonge vrouwen daar zitten op dat aardig -canapeetje, met de granaatroode portière tot achtergrond, frisch en -jeugdig, in de doorschijnende witte kabaia, waarvoor ze haar reistoilet -verwisselden, vindt hij het een waar genot naar haar te kijken, met -haar te praten en te schertsen. - -Hij heeft van morgen reeds vroeg en buitengewoon hard gewerkt om zich -ongestoord aan dat genot te kunnen wijden. Want hij heeft het altijd -druk op zijn manier. Lang vóór de zon aan den hemel staat, ziet men hem -in den stormpas het Koningsplein omloopen en na middernacht kan men hem -nog vinden in zijn voorgalerij, verdiept in lectuur of muziek. Hij is -een man van orde: klokslag zeven—wanneer hij reeds gebaad, gewandeld en -ontbeten heeft—verdwijnt hij in zijn bureau en behartigt de belangen -des lands tot klokslag elf, behalve des vrijdags, wanneer hij diezelfde -belangen in de vergadering van den raad behandelt. Wanneer hij niet -werkt moet Gertrude bij hem zijn. Gertrude is voor hem de vervulling -van den wensch, die gedurende twintig jaren zijn gemoedelijk hart -vervulde; den wensch naar eene gezellige vrouw. - -Als zijn dochter er niet lief had uitgezien of minder talentvol geweest -ware, dan zou hij dit alleen jammer gevonden hebben; was ze ongezellig -geweest, hij zou het beschouwd hebben als een vreeselijke -teleurstelling, als een ramp bijna. - -Maar gelukkig, Gertrude aardde naar hem, en vader en dochter amuseeren -zich koninklijk te zamen. ’t Is waar, ze laat hem allerlei werkjes -doen, die eigenlijk beneden zijn waardigheid zijn: patronen teekenen, -charades uitdenken, menu’s schrijven zelfs! Maar er komen ook dagen dat -ze onder zijn leiding leert en zich inspant om te begrijpen; er komen -dagen dat ze samen gaan schetsen of zich opsluiten in de zitkamer, half -boudoir, half atelier. - -De Hagens hebben iets uitgedacht, dat aan het meest prozaïsch gedeelte -van een indische woning, de achtergalerij, een poëtisch waas schenkt en -het de »loofhut« genoemd. De loofhut schijnt een prieel, maar is -eigenlijk een serre, ongewoon hoog van verdieping: ze vormt den -overgang van het huis naar den tuin. Daar hebben ze hun planten en -vogels, hun kleine fonteinen, lieve marmergroepjes, heerlijke -luierstoelen, aardige rieten tafeltjes; daar brengen papa en dochter te -midden van hun bloemen al de uren door, die ze maar kunnen uitsparen op -hun altijd bezetten tijd; dat noemt Hagen zijn Capua; daar beweert -Gertrude dat ze verliefde denkbeelden krijgt en zich zachter gestemd -gevoelt jegens haar pretendenten; daar gaat mevrouw zoeken, als ze -behoefte gevoelt aan het bijzijn van haar dochter, wat zeer dikwijls, -of aan dat van haar echtgenoot, wat zeer zeldzaam gebeurt; daar worden -alleen enkele intiemen toegelaten, maar die er toegelaten worden vinden -het de bekoorlijkste plek van geheel het fraaie huis. - -Des avonds, als de familie Hagen met mevrouw te Leurse naar de opera is -gegaan, na te vergeefs beproefd te hebben de Verschuere’s over te halen -om hen te vergezellen, troont Agnita haar man mede naar die loofhut. - -De volle maan giet haar schijnsel door het bladerdak, Nita draait de -gaspitten neer en het wordt koel en stil rondom hen, terwijl de -fonteinen klateren en de bloemen geuren, door het avondwindje bewogen. - -»Zitten we hier nu niet oneindig prettiger dan in die volle, warme -opera?« vraagt ze dan vleiend. - -»O, voor mij,« antwoordt Verschuere, terwijl hij met een zucht van -genot zich uitstrekt in zijn luierstoel, »voor mij is het een ware -verademing na den dag die achter me ligt. Maar je hadt toch eigenlijk -mee moeten gaan, Nita... Geloof me, ik zal geen amusant gezelschap voor -je wezen.« Met moeite onderdrukt hij een geeuw. »En ’t kan misschien -wel aardig zijn,« voegt hij er dan lusteloos bij. - -»Aardig? Ja, voor anderen; maar niet voor ons. Dáárvoor hebben we -diezelfde Romeo en Juliet te prachtig zien opvoeren in Parijs! Weet je -nog? ’t Was den eersten avond dien we doorbrachten in de opera. Voor -geen geld zou ik den indruk willen verliezen, dien ik toen heb -meegebracht.« - -»Daar is wel iets vóór te zeggen.« - -»Mevrouw te Leurse vond het een dwaas idee van me, dat kon ik merken. -Maar je bent het met me eens, niet waar? Wanneer men eenmaal het -hoogste genoten heeft, dan kan het mindere niets geven dan ergernis. - -»Dat is zoo. Maar kindlief, mevrouw te Leurse beschouwt het uitgaan van -een geheel ander standpunt. Zij gaat niet om muziek of zang; zij gaat -om te genieten van den opgang dien ze maken zal in dat prachtige gele -toilet.« - -»Wat stond het haar goed! Wat was ze mooi van avond!« - -»Ja heel mooi!« en weer geeuwt hij. - -»Me dacht, het zou zooveel prettiger zijn ons samen alles nog eens te -herinneren: ’t is een van mijn gelukkigste avonden geweest.« - -»Ja? Hoe dat zoo?« - -Een glimlach komt om haar lippen spelen, terwijl ze zich naast hem zet -op den langen stoel. »Ik was toen toch nog erg romantisch, Gus. ’k -Herinner me, dat ik telkens mijn oogen toedeed om den tenor niet te -zien en me te kunnen verbeelden, dat het mijn Romeo was die sprak.« - -Hij antwoordt door een kus te drukken op het gelaat dat ze naar hem -opheft. »Dwaas kindje,« zegt hij eindelijk na een lange pauze, nauw -hoorbaar. - -Het ruischen der fonteinen klinkt droomerig door de stilte, tot -eindelijk de muziek van hare stem die verbreekt. - -»Wanneer men zich er eens goed in wegdenkt, Gus, wat is het dan toch -een vreemde wereld. Daar zaten nu in die loges honderden vrouwen, -gedecolleteerd en geblanket, vrouwen voor wie het woord liefde zijn -heilige beteekenis verloren heeft; daar zaten die oude heeren met hun -kale hoofden, die viveurs met hun vermoeide gezichten... en hoe werden -ze allen geboeid, ja, tot schreiens toe bewogen door een stuk, dat -eigenlijk niets anders is dan de verheerlijking der eerste liefde!« - -»Weet je nog,« vraagt ze dan en streelt de hand die zij in de hare -houdt, »hoe wij onder den indruk waren, in welk een teedere stemming -wij thuis kwamen? Weet je nog... den volgenden morgen zouden we naar -Versailles gaan; we vergaten het. Zeg, Gustaaf? Verschuere?« - -»Wat? Zei je iets? O, neem me niet kwalijk, lieve! Ja, ’t was beeldig; -ze zong uitstekend en...« - -»Ben je zoo moe? Zoo moe, dat je inslaapt terwijl ik...« - -»Neen ik sliep niet! ’k Was maar wat aan het dommelen. Geloof me, ’k -heb alles gehoord wat je zei. ’t Is zoo, de tenor was wat dik!« - -»Wil je niet liever naar bed gaan, beste?« - -»Neen, volstrekt niet.« - -»’t Was zeker een erg vermoeiende dag.« - -»Ja; je weet, ik ben vanmorgen al vroeg begonnen. We hebben tot zes uur -doorgewerkt, van dat we aankwamen af, en ’t is hier zoo schrikkelijk -heet op dat Batavia.« - -Ze legt haar hand op zijn arm. »Kom, span je maar niet in om wakker te -blijven. Je hebt de rust verdiend. Neen... ik zou nog niet kunnen -slapen; ik heb niets uitgevoerd vandaag en van middag een lekker dutje -gedaan.« - -Ze bracht hem zelve weg naar de logeerkamer, keek zorgvuldig of de -klamboe zoo goed gesloten was dat zelfs het kleinste muskietje er niet -in kon doordringen, onderzocht of de deuren en ramen wel wijd genoeg -openstonden om den noodigen tocht door te laten en wenschte hem goeden -nacht. - -Nu ging ze terug naar de loofhut en zat op het plekje van daareven... -maar hoe geheel anders! - -De maan is schuilgegaan en het is er vol schaduwen. Ze beproeft zich -voor te houden, dat het Gustaaf’s schuld niet is als het avondje, -waarvan zij zooveel heeft gehoopt, op een teleurstelling uitliep; ze -vermaant zich om het toch te waardeeren dat ze zoo’n degelijk man heeft -die niets hoogers kent dan zijn werk; ze berispt zich omdat ze niet, -als hij, eerzuchtig zijn kan en het goedkeuren dat hij, door zich te -onderscheiden, aanspraak tracht te krijgen op promotie; ze scheldt -zichzelve kinderachtig veeleischend, ondankbaar; ze tracht mevrouw De -Bruining na te spreken, die betrekkelijk kalm verklaren kon: »Ja, zie -je, onze mannen, dat zijn eigenlijk onze mannen niet; die zijn van de -secretarie, en ze neemt zich voor, evenals zij, afstand te doen ten -behoeve dier secretarie.« - -Maar dan wordt het opeens kil en donker in de loofhut. - - - - - - - -XV - -HET BOERINNETJE EN HAAR SOLDAAT. - - -Het regende dien nacht alsof het met bakken van den hemel gegoten werd -en de groote parade onderging het lot van meest alle groote parades op -Batavia: ze werd afgekommandeerd wegens de drassigheid van het terrein. - -Had men zoo ook de officieele gelukwenschen kunnen afkommandeeren! - -Maar die moesten plaats vinden: consuls en hoofdambtenaren in hun van -goud of zilver schitterende galarokken; de leden der rechterlijke macht -met hun toga’s en baretten, hoofd- en subalterne officieren in hun -fraaiste uniformen, referendarissen en commiezen in hun eenvoudigen -zwarten rok, die allen kwamen den Landvoogd, omringd door den Raad van -Nederlandsch-Indië en zijn staf, hun gelukwenschen aanbieden, »met -eerbiedig verzoek ze wel te willen nederleggen aan de voeten van den -troon.« - -’t Mocht een buitenkansje heeten, dat de atmosfeer was verfrischt door -de gevallen regens, maar toch bleef het, wat het samentreffen van veel -mannen in lakensche kleeren wezen moet, als het op het heetst van den -dag plaats vindt, doodsbenauwd. - -Het diner was druk bezocht: men vergist zich soms in den volksgeest, -vooral wanneer die zich openbaren kan in lekker eten, en bij zulke -gelegenheden zijn ook de bataviasche Hollanders boven verwachting -koningsgezind. - -De heeren—voor dames schijnt men het minder noodig te oordeelen den -verjaardag van hun vorst te vieren—de heeren kwamen op als één man. - -Volgens deskundigen was de speech van den gouverneur-generaal bijna -even goed als de getruffeerde kalkoen, en die kwam de volmaaktheid -nabij; het vuurwerk was prachtig; er waren duizende rijtuigen en -tienduizende toeschouwers verzameld op het Koningsplein, trouwens -uitgebreid genoeg om het dubbele aantal te bevatten, en de geestdrift -van het publiek, reeds zoozeer opgewekt door de kunstgewrochten van den -grooten Gors, nam nog toe, toen de Landvoogd met zijn familie en gasten -zich op het balkon voor het paleis vertoonde en zijn beide zonen -telkens het sein gaven voor die bewonderende hèèèès en juichende -hààààs, die nu eenmaal onmisbaar schijnen bij een vuurwerk. - -Den volgenden dag had de partij bij de Hagens plaats. - -Volgens de ouderen van dagen, die slechts konden toezien en bewonderen, -was ze prachtig; volgens de jonge meisjes, die doordansten tot den -anderen morgen, verrukkelijk; volgens de leveranciers een feest zooals -er eigenlijk iedere maand een dozijn moesten gevierd worden; volgens de -jeunesse dorée de prettigste fuif in jaren gegeven; volgens de -ambtenaarswereld een »heele victorie«, want de heer en mevrouw Van -Waliënhove, die anders zelden op partikuliere feesten verschenen, -verschenen hier. - -Nooit was in Batavia, waar enkele malen liefhebberijcomedies worden -opgevoerd door de élite der jonge dames, waar zoo natuurlijk en -eenvoudig wordt gespeeld, dat de hollandsche tooneeldirecties er een -lesje konden gaan nemen; waar kosten noch moeite gespaard worden om een -voorstelling te doen gelukken, nooit was er iets geleverd zoo goed als -heden avond. - -Amalia vervulde de rol eener schijnbaar ruwe, doch teêrhartige -vivandière; Van Suylichem die van een boerenlummel; Gertrude was een -bekoorlijk dorpskind, en zekere tweede luitenant stelde een gewond, -maar desniettegenstaande zeer verliefd soldaat voor. - -’t Stukje was niet bijzonder grappig, maar fijn gedacht: het publiek -beschaafd genoeg om het te waardeeren; als men één aanmerking had -willen maken, dan zou het misschien geweest zijn dat de jonge luitenant -zijn verliefde rol wel wat heel con amore speelde. - -Volgens sommigen had ook Gertrude wat koeler kunnen zijn; ’t is waar, -boerinnetjes zijn vrijer in den omgang met soldaten dan jonge dames met -officieren, maar ’t verwonderde het publiek toch. - -Alleen mevrouw Ramsberge, die een paar weken geleden een harer dochters -had thuis gekregen, weduwe met een mager pensioentje, drie kinderen en -haar een-en-twintig jaren—alleen mevrouw Ramsberge verklaarde aan -ieder, die het hooren wilde, dat zij er niets verwonderd over was, och -hemel neen, niets! - -Dat kwam er van, als men de meisjes niet op haar tijd liet trouwen, -zooals tegenwoordig voor Indië ook al mode scheen te worden; de Hagens -mochten nu dien verjaardag met nog zooveel ophef vieren, ’t was toch -eigenlijk ongehoord dat zoo’n lief, rijk meisje twintig jaar werd -zonder dat er sprake was van een engagement. Mijn hemel, waar moest het -naar toe! ’t Was toch de bestemming! Ja, de dames mochten haar -uitlachen zooveel ze wilden, zij had er een zwaar hoofd in. - -Gelukkig kon mevrouw Ramsberge dien avond haar zwaar hoofd gerust -neerleggen. Aan het einde van het souper stond de gastheer op om de -verloving aan te kondigen van zijne dochter Gertrude met den heer -Willem van den Bosch (de verliefde soldaat). - -’t Was een goed denkbeeld dit pas aan ’t einde van het souper te doen; -was het aan het begin geweest, de aandoeningen der gasten zouden hen -verhinderd hebben naar waarde te genieten van de goede gaven hun -aangeboden. - -Als Batavia ooit verbaasd stond, dan was het in dit oogenblik. Gertrude -Hagen geëngageerd met Van den Bosch, een tweeden luitenant! En was het -nog een tweede luitenant geweest van adel, een tweede luitenant met -fortuin, of ten minste een vreemdeling! Maar—iedereen wist dadelijk -alles van hem af—’t was maar een Hollander, niet eens een Engelschman, -en daarbij een doodeenvoudige jongen, de zoon van een arme -domineesweduwe, ergens in den achterhoek! - -Niemand kende beter den bataviaschen geest dan de heer Hagen; niemand -had op meer recepties gebogen voor mooie jonge bruidjes naast bruigoms -die haar vader konden zijn; niemand wist zoo goed als hij, hoe de -handelsgeest is gedrongen in de harten, en de zucht naar weelde de -zucht naar liefde beheerscht. - -Hij had voorzien hoe het engagement zijner dochter zou worden -opgenomen; hij vermoedde welk een opschudding het brengen, welk een -gepraat het geven zou; dáárom was alles zoo diep geheim gehouden: hij -had het publiek willen stellen voor een voldongen feit, wel wetend dat -niets zoo geschikt is om aan gebabbel een einde te maken, dan de -zekerheid dat gebabbel aan de zaak niets veranderen kan. - -Ofschoon anders volstrekt niet ongevoelig voor de openbare meening, -bekommerde hij er zich overigens weinig over of de keuze, door zijn -kind gedaan, werd goedgekeurd door de groote menigte... Hoe was zijn -huwelijk toegejuicht in der tijd! Hoe dikwerf was hem gezegd dat hij en -zijn meisje een paartje waren als voor elkaar geknipt; hoe hadden -familie, vrienden en kennissen alle krachten ingespannen om die -verbintenis tot stand te brengen; hoe was zijn eigen moeder, die toch -raden kon wat hij behoefde om gelukkig te worden, er mede ingenomen -geweest! - -Batavia mocht zich verbazen zooveel het verkoos, het liet hem koud. -Immers, Batavia kon niet weten hoe nu twee jaar geleden, toen hun -eenige dochter terugkeerde uit Europa, de heer en mevrouw Hagen te -zamen neerzaten, voor het eerst sedert langen tijd hand in hand, voor -het eerst sedert langen tijd bezield door dezelfde gedachte. - -»Wat is ze mooi, onze lieveling,« had hij gezegd. - -»En lief. En zoo eenvoudig,« had zij gefluisterd, den vochtigen blik -naar hem opgeheven. »Het zal moeite kosten haar tot de overtuiging te -brengen dat ze trouwen moet om positie, om geld...« - -»Maar moeten we haar tot die overtuiging brengen?« had hij gevraagd. - -Toen had ze zich tot hem gekeerd met een kreet van vreugde. - -»Hagen, is je dat ernst? Zou je dat waarlijk willen doen? Haar -vrijlaten in haar keus? Haar laten trouwen wien ze liefheeft? Zou je me -dat willen beloven? Ons kind een kans geven om gelukkig te worden?« - -Neen, Batavia kon niet weten hoe de trotsche vrouw, zoo gewoon te -bevelen, hem dit had gesmeekt; ’t kon niet weten wat hem door de ziel -was gegaan van bitterheid en smart, toen ze hem dat vroeg, als het -hoogste wat ze kon vragen voor haar kind: een huwelijk uit liefde, uit -vrije keuze! Het wist niet hoe hij had geantwoord, terwijl hij zich -afwendde, opdat ze niet zien zou hoe ze hem griefde. - -»Zou ik anders kunnen, Mathilde, na onze ervaring? Wees gerust, de -dochter zal gelukkiger zijn dan de moeder, zij zal trouwen wien ze -liefheeft.« - -Het was een tweede luitenant geweest. Een arme, eenvoudige tweede -luitenant. Maar toch een tweede luitenant zooals er niet veel gevonden -worden: een jeugdige god Mars, die er krijgshaftig uitziet in zijn -uniform en zoo mogelijk nog knapper in zijn politiek; een lieve, -vroolijke jongen met een open gezicht en heldere oogen, even frisch van -hart als jong van jaren, rein gebleven van de smetten der wereld, -zooals het enkele bevoorrechte moeders gegeven is haar zonen te -bewaren. - -De gasten zijn vertrokken, de logées naar hunne kamers gegaan, de -lampen gedoofd, en weer zitten de heer en mevrouw Hagen in de -liefelijke stilte van de loofhut. Ze hebben den dank ontvangen van die -beide overvolle harten; ze hebben opgezien in die gezichten blozend van -liefde, in die oogen stralend van geluk; uit de verte komen de kussen -tot hen, gewisseld in de zoete weelde van het ongestoord samenzijn; en -voor het eerst sedert den dag waarop eerzuchtige ouders en kunstige -drogredenen hun verbintenis tot stand brachten, gevoelen ze voor -elkander wat zooveel doet vergeven: een diep, oneindig medelijden. - -»Ik ben je zeer dankbaar, Louis,« fluistert ze zacht en drukt de hand -die in de hare ligt. - -»Wat zijn ze gelukkig... de kinderen! Er was een tijd, niet waar Tilde, -er was een tijd—toen we nog geen van beiden vermoedden dat ons huwelijk -een... vergissing zou blijken; maar zoo, zooals zij zijn, ik herinner -’t me niet goed, maar... zijn we ooit zóó geweest?« - -»Arme man!« zegt ze zacht. - -Straks schrikken de jongverloofden op. - -»Hoorde ik daar niet een kus, Willem?« vraagt Gertrude. Maar Willem -antwoordt lachend, terwijl hij haar op nieuw in zijn armen sluit: »Het -zal de echo van onze kussen geweest zijn, lieveling!« - -En hij vermoedt niet hoezeer hij de waarheid spreekt. - - - - - - - -XVI - -EEN JONGENSSTREEK. - - -De metalen gong, die den paleisbewoners verkondigt dat het uur voor den -maaltijd daar is, doet zijn zwaren slag weerklinken door de avondlucht; -met de stipte orde, waaraan mevrouw Van Waliënhove hen gewende, staakt -ieder onmiddellijk zijn bezigheden en spoedt zich naar de eetzaal. - -Vroegere landvoogden vonden het een niet gering bezwaar aan hunne -betrekking verbonden, dat het huiselijk leven zoozeer leed onder die -betrekking; de heer van Waliënhove beschouwt het als een voordeel. Want -zijn gezin is niet van de gelukkige, waar een bezoek, hoe welkom ook, -altijd een stoornis blijft, waar gasten, hoe beminnelijk ook, kunnen -heengaan zonder een ledig achter te laten; waar de huisvader, als hij -geen vreemden vindt, in de handen wrijft en mama glimlachend naar hem -opziet met de woorden: »Ja, heerlijk onder ons!« - -Toch scheelt het heden avond niet veel of men is »en famille«. De -logées zijn met den laatsten trein vertrokken en worden eerst over -eenige dagen door anderen vervangen. Hooglaan, de adjudant, die, -evenals Van Suylichem in het paleis gehuisvest, ook wanneer hij geen -dienst heeft, aan de avondtafel deelneemt, nam een uitnoodiging aan bij -den referendaris Verdijk. Mevrouw Verdijk had reeds gedurende vijf -dagen een verjaardineetje willen geven, maar dit tot heden moeten -uitstellen, daar het elken middag onweerde en dan kwam ze niet te -voorschijn uit haar donkere kamer. - -Een oogenblik van verademing kan overigens niet onwelkom zijn, want de -laatste logées zijn menschen geweest die veel drukte, ja zelfs een -weinig emotie aanbrachten. - -De eerste, een Amerikaansche, gaf evenveel stof tot verbazing als tot -vroolijkheid. Dat ze een reis rondom de wereld maakte en reeds -halverwege was, kon als verontschuldiging dienen voor den ontredderden -toestand harer garderobe; dat ze de dochter was van een groot generaal, -voor de dapperheid waarmee ze heenstapte over alle bezwaren, zich -overgaf aan de meest gewaagde excentriciteiten; dat ze buitengewoon -leelijk en niet bepaald jong was, voor het reizen met twee -jongelui—trouwens ten paleize genegeerd;—maar dat ze in een -afgrijselijk amerikaansch-engelsch doorratelde van den morgen tot den -avond, daarvoor was geen verontschuldiging. - -Een dag na deze niet zeer bekoorlijke verschijning arriveerde een -Italiaan, markies Aréoli. Hij was door zijn gouvernement voorzien van -hetgeen noodig is om aan alle hoven een goede ontvangst te vinden, maar -de beste aanbeveling droeg hij bij zich in zijn persoonlijkheid. - -Beide gasten dweepten met de tropische natuur en konden niet genoeg -genieten van Buitenzorg’s heerlijke omstreken. Er werden tochtjes -gemaakt, grooter uitstapjes bedacht, feestjes georganiseerd... meerdere -leden der familie Van Waliënhove namen daaraan deel; en ging de -Amerikaansche—misschien met het oog op haar medereizigers, die een goed -heenkomen hadden gezocht in het hôtel—eer weg dan ze voornemens was -geweest, de marchese bleef een week langer dan zijn oorspronkelijk plan -scheen. - -Het is voor niemand in de onmiddellijke omgeving der familie een geheim -waarom zijn vertrek tot tweemalen toe werd uitgesteld. De heer -d’Hannecour, die in zijn hoedanigheid van intendant alles weet—en weten -moet, wil hij zich niet de ongenade zijner zeven dames op den hals -halen—berichtte dezen morgen naar huis: »Aréoli is sinds een half uur -bij Zijn Excellentie.« Van Suylichem, die heden dienst heeft, deed hem -uitgeleide; hij riep hem bij het afscheid toe: »à bientôt, j’espère«, -wat dezen veel te denken geeft. Zóó veel, dat hij niet kan nalaten -freule Clotilde met meer dan gewone belangstelling gade te slaan, -wanneer ze een oogenblik na hem de eetzaal binnentreedt. ’t Doet hem -genoegen dat ze er zoo blozend en tevreden uitziet in haar wit gazen -kleedje met roode geraniums, volstrekt niet als een Ariadne treurend om -het vertrek van den geliefden Theseus. - -»’t Zou dan ook vreeselijk jammer geweest zijn,« zegt James bij zich -zelven, »als die vreemde snoes zoo’n lief gezellig meisje voor den neus -van de hollandsche jongelui had weggekaapt!« - -Want—hij is geheel teruggekomen van zijn eerste meening! hij vindt haar -nu geen halve wilde meer, integendeel, zooals hij zijn nicht -herhaaldelijk verzekert, ze kunnen het best vinden samen. - -En de ingenomenheid is wederkeerig. Immers, wanneer hij een -zwartbehangen zaal was binnengetreden, vol gemaskerde saamgezworenen en -in die zaal plotseling dansmuziek vernomen had; wanneer zij in een -onderaardsch gewelf geworpen, daar een helder licht had zien ontsteken, -dan konden de beide jongelui niet gelukkiger geweest zijn met die -ontdekking, dan nu ze elkaar zoo geheel onverwachts vonden in dat -koude, stille paleis, waar de zon niet zorgvuldiger werd buitengesloten -dan men het er de ware vroolijkheid deed. - -Met de inconsequentie, ons menschenkinderen eigen, zou baron Van -Waliënhove het zeer kwalijk genomen hebben, zoo een zijner adjudanten -Clotilde het hof had gemaakt. Toch ergerde hij zich ook aan de saaiheid -van den heer Hooglaan, die dagelijks in gezelschap kon zijn van zulk -een meisje, zonder ook maar een oogenblik zijn stijve vormelijkheid te -vergeten. Met blijkbaar welgevallen daarentegen zag hij op welk een -prettigen voet Van Suylichem met zijn dochter omging; met genot -luisterde hij naar dien luiden frisschen lach, die een korten tijd -verstomd scheen, maar sedert James’ komst weer den helderen metaalklank -van vroeger dagen had. - -De heer Van Beevelant komt ook met klokslag acht binnen, gevolgd door -de zonen des huizes, een paar knapen zooals moeders zich die droomen, -krachtig van bouw, breed van schouders, vlug van beweging; een paar -knapen zooals vaders ze behoeven om hen jong te houden, knapen om mee -te gaan schermen en roeien en paardrijden, om trotsch op te zijn en -zich illusies over te maken. - -Het gezicht van de Landvoogdes staat heden niet vroolijk, maar toch -komt, als zij haar tegemoet vliegen, een lachje de neerhangende -mondhoeken beroeren; de heer Van Waliënhove strijkt de krullen weg, tot -de groote, schrandere oogen hem aanstaren met hun onbevangen -kinderblik. - -»Hoe is het gegaan vandaag, Oscar?« vraagt hij zoodra men gezeten en de -stilte, die het ronddienen der soep vergezelt, ingetreden is. - -»Zoo tamelijk, papa!« antwoordt deze. »We hadden hollandsche taal en u -weet daar houd ik niet van.« Dan zachtjes: »Hij is vreeselijk streng.« - -»Zoo? dat doet me plezier,« antwoordt Zijn Excellentie lachend en kijkt -naar de zijde waar Van Beevelant zit. »Dat zal je goed doen, denk je -niet? en jij, Felix, ben je tevreden over je zelf?« - -»Dat kon beter, papa; ’k heb dertien fouten gehad in mijn thema.« -»Dertien fouten!« klinkt het uit drie monden. - -»Ja. Maar het gaat toch al beter. Deze zanikt ten minste niet.« - -»Jongelui, je vergeet dat ik niet je opinie vraag over mijnheer Van -Beevelant, maar over je zelf.« - -»Da’s waar ook, papa,« roept Oscar lachend; en dan met een steelschen -blik naar den gouverneur: »Maar we hebben toch geen kwaad van hem -gezegd.« - -Beevelant knikt hem vriendelijk toe, doch daar klinkt het op eens -knorrig: »Wat veel erger is, Felix, je hebt daar een woord gebruikt, -een woord... ik vraag je, kinderen, waar leer je die straattaal, hoe -kom je aan zulke expressies?«... - -»’t Kan wel zijn dat hij het van mij heeft, mama!« - -»Clotilde!« - -»Ja, ik moest me schamen, dat ben ik geheel met u eens.« - -»Maar dan begrijp ik niet hoe je...« - -»O, ik doe mijn best om ze af te wennen, die leelijke woorden. Maar als -we onder ons jongens zijn ontvalt er me nog wel eens een dat... uw -fijngevoelige ooren kwetst.« - -Er is in den toon van het meisje, in de uitdrukking van haar gelaat, -zoodra ze het tot haar moeder keert, iets dat hen, die haar nog niet -lang geleden vriendelijk en zacht, gewillig en onderworpen kenden, -verbazen moet. - -Maar voor hen die dagelijks in het huisgezin van den Landvoogd -vertoeven en de verandering langzamerhand zagen komen, voor hen is er -niets vreemds in. - -Ze weten dat freule Clotilde verkeert in het geval van den generaal, -die den vijand naderde, de witte vlag reeds van verre uitgestoken, maar -door den onverzoenlijken tegenstander gedwongen tot den strijd, zich -laat meesleepen in de hitte van het gevecht en eindigt met uitvallen te -doen, waar hij eerst slechts verdedigend te werk ging. - -»Jullie, jongens, zijt er van morgen weer vroeg op uit geweest, niet -waar?« vraagt de gouverneur-generaal met het doel afleiding te geven. - -»O ja, papa, heerlijk!« antwoordt Oscar. »Een rit van twee uur. Berg -op, berg af! De paarden waren moe. Wij in ’t geheel niet!« - -»Maar we hadden een honger!« roept Felix. »Ik heb drie spekpannekoeken -gegeten.« - -»Spekpannekoeken!« herhaalt de adjudant van dienst. -»Spekpannekoeken.... hé!« - -»Houdt u daar ook zooveel van?« vraagt Felix. En het blijkt uit de -uitroepen, die volgen op zijn bevestigend antwoord, hoe hoog de -vroolijke luitenant bij de jongens staat aangeschreven. - -»We zullen u waarschuwen, als zus ze weer laat bakken.« - -»Dan zult u eens smullen.« - -»Maar ze moeten heet uit de pan gegeten worden.« - -»Met vreeselijk veel stroop.« - -»En in de keuken.« - -»In de keuken?« vraagt James teleurgesteld. »Is dat zoo bepaald -noodig?« - -»Ja,« zegt Clotilde, »anders smaken ze niet.« - -»Maar ik mag niet in de keuken komen.« - -»Wij ook niet,« roepen de kinderen. En dan, als uit één mond: »Maar we -doen het toch.« - -»Hoort u dat, mijnheer Van Beevelant?« - -Het is anders de gewoonte niet van mama, de aandacht der onderwijzers -te vestigen op de tekortkomingen harer zonen. Maar ze beweert dat Oscar -en Felix met zachtheid geregeerd moeten worden, en nu de gouverneur, in -weerwil daarvan, de strengste tucht handhaaft, nu tracht ze hem bij -elke gelegenheid te bewijzen dat de methode, die hij volgt, een -verkeerde is. - -»Ja, mevrouw, ik hoor het.« - -»En?« - -»En ik zwijg.« - -»U zwijgt? U begint dus in te zien dat u, met al uw gestrengheid, niets -verder komt?« - -»Pardon, mevrouw, ik zwijg, omdat het naar mijn bescheiden oordeel hier -noch de plaats is, noch de gelegenheid om de jongelui te berispen.« - -Baron Van Waliënhove ziet zijn vrouw aan, die rood is van moeielijk -bedwongen drift, daarna den gouverneur, wiens hand beeft terwijl hij -een glas water naar de lippen brengt. Zijn gelaat spreekt van bittere -teleurstelling: hij meende alles zoo goed bedacht, zoo juist geregeld -te hebben. - -Was bij vroegere gouverneurs niet het groote struikelblok geweest hun -gebrek aan fijne vormen, hun burgerlijk uiterlijk of boersche manieren? -Had ze zich niet geërgerd aan een nauw hoorbaar accent, aan het -smakelooze van hun dassen, aan de kleur van hun handschoenen, aan de -snit van hun jassen zelfs? Had ze niet altijd gezegd dat het een -gentleman moest wezen, aan wien ze de opvoeding harer kinderen -toevertrouwde? En was dit nu geen gentleman door geboorte en karakter, -door voorkomen en manieren? - -Had ze niet honderdmaal verklaard, dat die »schoolmeesters« bang waren; -dat dáárom de kinderen zooveel durfden? Was het niet altijd haar -ergernis geweest, dat de onderwijzers lichamelijk niet genoeg -ontwikkeld waren om zich te meten met de jongens? En is deze niet een -volleerd ruiter, een uitstekend gymnasticus, een zwemmer die haar zonen -verre achter zich laat? - -Toch, hij voelt het reeds, niettegenstaande zijn vermanen, zijn bevelen -bijna, maakt ze ook dezen het leven ondragelijk; hij voorziet het, ook -deze zal op een morgen tot hem komen en vragen wat de anderen gevraagd -hebben: ontslag. En dan—is het vonnis geveld! Dit is zijn laatste -poging geweest; als deze mislukt, mag hij niet langer aarzelen, moet -hij zijn kinderen wegzenden naar Europa. En dit terwijl hij al zijn -politiek talent heeft gebruikt om de onmogelijke positie van den -gouverneur mogelijk te maken; dit, terwijl de zoon van zijn ouden -vriend reeds een plaats won in zijn hart; dit, terwijl de knapen -eindelijk voor hun leermeester gevoelen, wat de grondslag is van -opvoedend onderwijs: eerbied en liefde. - -Immers, die met recht gewraakte uitroep van daar straks is in Oscar’s -mond een lofrede. Volgens hem toch »zanikten« al de vroegere -onderwijzers; ja, gerugsteund door mama, heeft hij zelfs beproefd hun -die slechte gewoonte af te leeren, of door ze doodeenvoudig de -gehoorzaamheid op te zeggen, of door ze, tot groote pret der -hovelingen, voor den gek te houden. Wat kan hij haar toch misdaan -hebben, hij die bij andere dames zoo hoog staat aangeschreven? - -Wat hij haar misdeed? - -Hij is haar niet onderworpen genoeg. Al zijn voorgangers heeft ze in -haar macht gehad. De intendant betaalde hen onder haar goedkeuring het -door haar bepaalde traktement; deze ontvangt het regelrecht uit de -handen van Zijne Excellentie en ze weet niet eens of hij iets ontvangt, -veel minder hoeveel. De andere noodigde ze een enkele maal, als er op -veel invitaties een weigerend antwoord kwam; deze ontvangt op hoog -bevel een kaart voor elke feestelijkheid die plaats vindt; de anderen -bracht ze tot wanhoop door hen tegen te werken bij hun leerlingen, deze -laat zich niet tegenwerken; de anderen vreesden haar, deze ziet haar -aan met zijn vasten blik, en in dien blik leest ze: »Ik ben uws -gelijke, mevrouw Van Waliënhove.« - -Daarom heeft ze de anderen alleen gesard en geplaagd, omdat dit zoo -haar welbehagen was; dezen haat zij. - -Clotilde heeft de wolk gezien, die zich legerde op het voorhoofd van -den geliefden vader. - -»En u vraagt niet eens hoe het met mijn schets is afgeloopen, papa,« -begint ze vroolijk. »Bent u er niet nieuwsgierig naar?« - -»Ja, zeker, zeker. Is ze goed gelukt?« - -»Dat geloof ik wel. Maar niet, zooals u waarschijnlijk denkt, door het -talent uwer dochter. Mijnheer Aréoli heeft haar afgemaakt.« - -Nu ze dien naam noemt, worden drie paar oogen opgeheven van de -doperwten, die juist zijn rondgediend; maar die drie paar oogen -ontmoeten elkaar! Met plotselingen schrik rusten ze weer op de borden -en wordt de jacht op de doperwten hervat. - -»Nu, ik wil graag eens zien wat hij er van gemaakt heeft.« - -»Dat spijt me: hij heeft ons gezamenlijk werk meegenomen als een -herinnering aan ons gezamenlijk tochtje,« zegt ze met het onschuldigste -gezicht ter wereld. - -Terwijl ze spreekt ziet mevrouw Van Waliënhove haar dochter aan, -begeerig om een blos, een teeken van verlegenheid te ontdekken. -Clotilde weet het en vindt er een ondeugend genoegen in om haar moeder -geheel in het duister te laten omtrent haar ware gevoelens. - -»Mogen we opstaan, papa,« vraagt Oscar eenige oogenblikken later, als -aan het dessert wordt begonnen. - -Het is een gewoonte van den heer des huizes om op dit oogenblik den -kinderen hunne vrijheid terug te geven: van al het vervelende zijner -tegenwoordige leefwijze vindt hij de langdurige desserten het -vervelendst, en hij acht het niet noodig ook hen daaronder te doen -lijden. - -Ze loopen dus wat rond en verdwijnen meestal onopgemerkt, nadat -Clotilde hen heeft bediend van de vruchten. Heden avond blijven ze -langer dan gewoonlijk. Ze staan achter Clotilde’s stoel en ze moet hun -nu dit, dan dat aanreiken. Het verveelt haar trouwens niet licht; ze -houdt van de vroolijke deugnieten, ze knijpt ze graag eens in de -vleezige bruine wangen of bedenkt met hen het plannetje voor den -volgenden morgen. Van avond echter vindt zij ze lastig. Voortdurend -staan ze te fluisteren en te gichelen, telkens trekken ze aan het -kleedje, dat niet veel trekken verdragen kan. - -»Wat bedisselen en besmoenzelen die jongens daar toch achter ons?« -vraagt ze eindelijk, ongeduldig geworden, aan den heer Van Beevelant -die naast haar zit. - -»Mijnheer, een nieuw werkwoord: besmoenzelen!« roept Oscar en hij -barst, tegelijk met zijn broer, uit in vroolijk gelach. - -»Bedaart wat, jongens,« vermaant de gouverneur zacht. En als dat niet -baat: »Komaan, gedraag je wat betamelijker in presentie van je ouders.« - -»En van je zusters sleep,« voegt Clotilde er bij, met een bezorgden -blik op de luchtige massa tulle en kant die van haar stoel afhangt. - -Daar er geen gasten zijn wordt het dessert zooveel mogelijk bekort en -het diner dat nooit lang duurt, is heden binnen het uur afgeloopen. - -»’t Is een prachtige avond«, zegt James, die een gunsteling is van de -barones en wat meer durft dan een ander. »Als de dames nog gingen -toeren, zou ik gaarne een plaatsje verzoeken in haar rijtuig.« - -»Wat dunk je, Clotilde?« vraagt haar mama met een vrij vriendelijk -lachje, want een tête a tête wordt evenmin door haar als door haar -dochter gewenscht. »Zullen we dezen indiscreten mijnheer dat pleizier -maar eens doen?« - -Zijne Excellentie keert zich tot den gouverneur: »Ik ga een wandeling -maken, mijnheer van Beevelant; het zal mij aangenaam zijn als u me wilt -vergezellen«, en na een lichte buiging verwijdert hij zich met zijne -vrouw. - -De adjudant van dienst biedt de dochter des huizes den arm. Maar op het -oogenblik dat ze dien wil aannemen, slaakt ze een gil. - -De heer en mevrouw Van Waliënhove, die juist de deur bereikt hadden, de -maître d’hôtel die haar buigend openhield, de bedienden die en haie -geschaard stonden om hen te laten voorbijgaan, allen kijken om, en ze -zien.... de freule rug aan rug met den gouverneur. - -»Clotilde?!« - -»Ja, mama! Help dan toch!« - -»We zouden immers gaan rijden. Waarom kom je niet mee?« - -»Ik kan niet.« - -»Mijnheer van Beevelant, ik wacht u,« klinkt een gebiedende stem. - -»Excellentie, duizend excuses«, stamelt van Beevelant, maar blijft -onbewegelijk staan. - -Reeds zijn de landvoogd en mevrouw op hun schreden teruggekeerd: het -raadsel is opgelost zoodra zij nader treden. - -Aan de beide rokspanden van den heer van Beevelant is de dunne stof, -die dienen moet om Clotilde’s pouffe en sleep te vormen, met tal van -spelden vastgehecht en zóó vastgehecht, dat bij de minste beweging van -een hunner een onheilspellend kraken vernomen wordt. - -Als door eenzelfde gedachte bezield, zoeken aller oogen de beide -knapen: ze zijn spoorloos verdwenen. - -Clotilde is rood als een pioenroos, mevrouw bleek van ergernis, de heer -Van Waliënhove vindt de zaak hoogst ongepast; dat bewijst de strenge -uitdrukking van zijn gelaat; alleen Van Suylichem heeft moeite om -ernstig te blijven. - -»Maar mijn hemel, zal dan niemand ons helpen!« roept Clotilde juist op -het oogenblik dat haar kamenier, door een der bedienden gewaarschuwd, -komt aanvliegen. - -»Ik hoop, freule,« begint van Beevelant, zoodra zijn rokspanden hem -weer toelaten zich tot haar te wenden, »dat u de verzekering zult -willen aannemen van mijn innig leedwezen over het gebeurde.« - -Clotilde, nog steeds vuurrood van verlegenheid, schikt, om zich een -houding te geven, het verkreukeld kleedje terecht. - -»U waart er zoo goed het slachtoffer van als ik,« zegt ze dan. - -»U zult mij genoegen doen, mijnheer van Beevelant, met de jongelui -voorbeeldig te straffen,« begint de gouverneur-generaal. - -»Dit is mijn voornemen, Excellentie.« - -Er is in den toon der beide heeren iets dat mevrouw van Waliënhove doet -vreezen voor haar lievelingen. - -»Nu, we moeten een grap niet zoo hoog opnemen,« haast ze zich uit te -roepen; »die arme kinderen mogen tegenwoordig ook niets misdoen of ze -worden »voorbeeldig gestraft«. En zoo erg is dit nu toch waarlijk -niet.« - -»Niet erg, mevrouw?« vraagt van Beevelant. En, als zij lacht: »Ik waag -het in dezen met u van meening te verschillen: ik vind het zéér erg.« - -»Hebben uw rokspanden zóóveel geleden?« vraagt mevrouw Van Waliënhove -op den toon, die haar vijanden doet zeggen dat ze een scheermes heeft -op de plaats waar haar tong moest wezen. - -»Niet zooveel als mijn japon, mama. Maar aan zulke nietigheden denken -we niet, is het wel, mijnheer van Beevelant? ’t Is de verlegenheid -waarin ze ons brachten, het gek figuur dat ze ons lieten slaan.« - -»Komaan! ’t was niet prettig voor je, dat erken ik, en als het met een -ander geweest was... iemand die... maar met mijnheer van Beevelant!« - -»U bedoelt?« vraagt deze, schor van ingehouden drift, doodsbleek -geworden onder den smadelijken toon, onder den minachtenden blik. »U -bedoelt?« - -»Vraag niet, mijnheer van Beevelant!« roept Clotilde en onwillekeurig -doet ze een stap voorwaarts, als om zich te stellen tusschen hem en -haar moeder; »vraag niet! Het is onnoodig dat mama duidelijk maakt wat -ze bedoelt—omdat ze zich vergist. Zij meent dat het mij in groote -verlegenheid zou gebracht hebben, wanneer de broêrs hadden goedgevonden -hunne aardigheid te verkoopen met een ander, gister bijvoorbeeld, niet -waar, mama? met markies Aréoli?« - -»Ja juist.« - -»Dit verwondert me van u, die anders zoo scherp ziet. Me dunkt, u moest -weten dat, terwijl markies Aréoli mij geheel onverschillig is, ik zeer -veel prijs stel op de goede opinie van mijnheer van Beevelant.« - -»Ik erken, Clotilde, dat je me verbaast.« - -»Ik moet u nog meer verbazen, mama«, spreekt het meisje met lippen die -trillen, met oogen die vonken schieten van verontwaardiging; »ik moet u -zeggen, dat het me grieft en ergert iemand, dien ik hoogacht, het -voorwerp te zien van grofheden.« - -Nu gebeurt er iets, waaraan mevrouw van Waliënhove jaren later niet kan -terugdenken zonder zich af te vragen, hoe het mogelijk is geweest dat -ze niet tusschenbeide kwam, iets dat alleen een man van zulk een -ridderlijke figuur en zulke volmaakte vormen als van Beevelant doen kan -zonder zich belachelijk te maken: hij laat zich neer op ééne knie, -neemt freule Clotilde’s hand en drukt die eerbiedig aan zijn lippen. - - - - - - - -XVII - -EERZUCHT EN LIEFDE. - - -»Di mana njonnja?« - -»Ah! Daar is Gustaaf?« roept mevrouw Verschuere, sluit haar muziekboek -en springt op van de piano. - -Dit alles tot groote ergernis van haar neef, die bezig is een stuk met -haar in te studeeren voor de Zondagavondsoirée ten paleize, en juist -hoop begon te voeden dat zekere moeilijke passage beter zou van stapel -loopen dan hij had durven verwachten. - -»Dat wil zeggen: nu houden we dadelijk op en kun je wel heengaan,« -bromt hij, terwijl hij met een niet zeer zachte beweging zijn vioolkist -grijpt. - -»Foei, James,« werpt Nita tegen; maar ze heeft geen tijd om meer te -zeggen, want reeds gaat ze haar echtgenoot te gemoet. - -»Nita,« roept deze met luider stem. »Groot nieuws!« - -Als ze echter met een veelzeggend gebaar naar de deur van haar boudoir -wijst, vervolgt hij veel zachter: »Wat, ben je niet alleen? Visite?« - -»Neen. ’t Is James maar.« - -»Hoe onaangenaam!« zegt hij knorrig. »Hij is er, of hij komt ook -tegenwoordig.« - -Een plotselinge blos verft Nita’s wangen. »Is het misschien wat druk?« -vraagt ze met moeilijk verholen voldoening. - -»Keur je het niet goed?« Zijn antwoord echter helpt haar spoedig uit -den droom. - -»Wel neen; hoe meer hoe liever, als het je afleiding geeft. Maar ik had -je nu iets te zeggen, iets.... dat.... nog geheimblijven moet.« - -Juist komt de minder gewenschte bezoeker te voorschijn. - -»Goeden morgen, Verschuere. Je bent vroeg thuis van daag, is ’t niet? -Nita, ik laat mijn viool maar staan.« - -»Wil je niet blijven rijsttafelen?« vraagt ze met die weifeling in haar -stem, die een uitnoodiging maken kan tot een verzoek om zoo spoedig -mogelijk heen te gaan. - -»Neen, dank je. Je denkt dus om die derde bladzijde? Oefen je nog eens -flink van daag, wil je?« - -»En wat is het groote nieuws?« vraagt mevrouw Verschuere, als haar man, -die James uitgeleide deed, in drie stappen weer bij haar terug is. - -»Wat het is, Nita!« roept hij, en zijn stem beeft van opgewondenheid; -»wat het is? De Bruining gaat weg.« - -»Weg? naar Europa? Is hij zóó erg?« - -»Ja, hij is gister van Sindanglaya teruggekomen, nog zieker dan hij is -weggegaan. ’t Schijnt dat de angst over Jantje, nu een week of zes -geleden, zijn zenuwgestel den genadeslag gegeven heeft.« - -»Kassian!« - -»Ja, kassian, maar... ik kom in zijn plaats! De gouverneur-generaal -heeft het me gezegd, Nita! Ik kom in zijn plaats!« - -»Werkelijk?« roept ze. »Heeft hij het je gezegd?« - -»Ja, ja! Zonder zich een oogenblik te bedenken! Vijf minuten nadat De -Bruining was weggereden!« - -»Algemeen secretaris! Maar weet je wel, lieveling, dat dit prachtig -is!« - -»Prachtig?... Ongehoord, kind! Op mijn leeftijd! Na zoo kort geleden -pas promotie gemaakt te hebben! ’t Is nog geen twee jaar, waarachtig! -En dat, terwijl er zooveel anderen zijn, die meenden dat ze in -aanmerking zouden komen! »Er zal maar één stem over opgaan, dat begrijp -je.« - -»Dat vrees ik ook. Trouwens op de secretarie werd het verwacht. Ze -zullen van protektie spreken, van nepotisme... ze zullen je doopceel -lichten.« - -»Neen, dat zullen ze laten! Er is in mijn geheele carrière geen enkele -bladzijde, die me tot oneer strekt; dus dat zullen ze laten!« roept hij -uit met de fierheid van den leeuw die de jakhalzen naderen ziet. »Maar -laat ze hun gang gaan! Laat geheel Indië zeggen wat Indië altijd zegt, -als iemand door inspanning en energie zich er bovenop werkt: dat ik -geboft hebt, schandelijk geboft, brutaal geboft; wat maakt me dat? Laat -zij, die er over schreeuwen, het me nadoen. - -»Laat ze toonen dat dit zoogenaamde boffen alleen geluk en niet ook -bekwaamheid is!« - -»Ja, dat is zoo,« zegt Nita en ziet vol bewondering op naar de fiere -gestalte, die zich daar verheft vol zelfbewuste kracht. - -»Nita, denk eens! Zoo’n veelomvattende betrekking, zoo’n rang, zoo’n -traktement! En dan de toekomst. Je weet wat dat beteekent, niet waar... -algemeen secretaris? Het vagevuur, waardoor wij in den hemel komen, -zooals een van je voorgangsters, mevrouw Hagen, het noemt. ’t Is zoo -goed of ik al raad van Indië was en.... eenmaal raad van Indië...« - -Ze legt de handen op zijn schouders en kust hem met een langen, innigen -kus, want ze heeft hem lief; en al kan ze zich niet zóózeer verheugen -in de behaalde zegepraal, ze kan deelen in zijn geluk; ja, als ze -staart in dat stralend gelaat, voelt ze iets over zich komen van zijn -opgewondenheid. - -»Hartelijk gefeliciteerd, mijnheer de algemeene secretaris. Moge het je -gelukkig maken!« - -»Niet minder hartelijk gefeliciteerd, mevrouw de algemeene -secretaresse!« En de armen dicht om haar heen geslagen, beantwoordt hij -haar omhelzing. - -Dien avond worden de lampen ontstoken in de voorgalerij van den heer De -Bruining. Trouwens, er komt geen bezoek, want meer nog dan de -duisternis, vreest men in onze vroolijke indische maatschappij de -droefheid. - -Achter in de pendoppo zitten ze ter neer, dicht naast elkander, afgemat -naar lichaam en ziel, zooals men wezen kan na het vallen van een -langverwachten slag, en zwijgen. Niet dat het hun aan stof ontbreekt, -maar wijl ze vreezen te spreken; welk onderwerp toch kan in dit -oogenblik worden aangeroerd zonder een pijnlijke snaar te doen trillen -in het ontstemde speeltuig hunner ziel? - -Het gejuich van de kinderen in den tuin hindert, het geratel der -rijtuigen, die hun huis voorbijrollen, vermoeit hen; ze keeren zich af -van het schitterend tooneel dat de ondergaande zon biedt, maar -geenszins om, als in vroeger dagen, toen de gloed dier zon bleef toeven -in hun oogen, elkander aan te zien... Zij vreest de verwoesting te -aanschouwen, die het zenuwlijden heeft aangericht in zijn trekken; hij -weet dat er slechts zorg is te lezen op het smalle, bleeke gezicht -naast hem. - -Een half uur hebben ze zoo gezeten, stil en rustig—iets ongeloofelijks, -bijna iets onnatuurlijks in den huize De Bruining—als er een lichte -tred wordt vernomen. Louise ziet op in twee groote klare oogen, vol -deelneming, vol medelijden; het is dezelfde blik dien ze ontmoet heeft -aan het ziekbed van haar kind... Met een heftige beweging trekt ze het -blonde hoofd aan haar borst en barst uit in een vloed van tranen, de -eerste die ze weent sedert de dokter het vonnis uitsprak over de -toekomst van man en kind. - -»Dat zal je opluchten, Wies!« zegt De Bruining en ze laten haar rustig -uitweenen. Straks, als de beide dames wat tot kalmte zijn gekomen, -begint hij zacht: »’t Is goed, dat u hier zijt, mevrouw Verschuere; we -hadden behoefte aan iemands deelneming,« en dan terwijl hij haar hand -drukt: »’t is lief van u, mevrouwtje, om te midden van uw nieuw geluk -aan ons te denken.« - -»O, natuurlijk deden we dat. Verschuere was ook graag meegekomen, -maar... hij had het zoo druk.« - -»Het kan geen kwaad dat hij niet meekwam,« antwoordt De Bruining. »’t -Is geen opwekkend gezicht, mevrouw, voor iemand aan wien juist het -spelen van een der hoofdrollen is opgedragen, dat laatste bedrijf van -het drama, dat men een indische carrière noemt.« - -»Een drama?« herhaalt de bezoekster. - -»Wat is het anders? Eindigt het wel eens anders dan treurig met ons -indische ambtenaren? Suikerlords en koffieplanters gingen vroeger—en -gaan nog wel eens een enkele maal—naar het vaderland terug met een -verworven fortuin; wij doen het óf met een geknakte gezondheid, óf, wat -misschien nog erger is—met een verloren reputatie. Want houdt ons -lichaam het uit, dan overleven wij onzen roem. Zijn we niet, als de -boomen in het bosch, reeds lang vóór we het vermoeden, gemerkt om -plaats te maken voor degenen die naast ons opgroeien? Komen niet -voortdurend jongeren, met nieuwe denkbeelden en nieuwe plannen, te niet -doen wat wij hebben gedacht en gewild? Worden we niet meest op stal -gezet, lang vóór we vermoeid zijn of versleten, alleen omdat anderen -aan de beurt zijn?« - -»Wind je nu niet op, Daan!« fluistert zijn vrouw. - -Hij hoort niet; hij gaat voort, maar nu niet langer op den matten toon -van daareven: »Weet u, mevrouw, waaraan onze Oost me dikwerf denken -doet? Aan de vrouwen der parijsche demi-monde, zooals de -romanschrijvers ons die schilderen. Als zij, blijft ze altijd jong en -altijd schoon. Als zij, lokt ze ons door die eeuwige jeugd en -schoonheid. Eenmaal tot haar gekomen, bedwelmt ze ons, dwaze -jongelingen, kortzichtige mannen, verrukt ons door haar pracht, haar -weelde, haar genot... we wijden haar al onze liefde, al onze energie, -onze beste krachten... ze beantwoordt onze teederheid, o ja! ze schenkt -alles wat ze te geven heeft, en het is meer zelfs dan we verwachten, -tot... het oogenblik komt waarop we niet meer bieden kunnen wat we -eenmaal boden... dan laat ze ons gaan! En met de zelfde hand, waarmee -ze ons het afscheid toe wuift, wenkt ze anderen—andere dwaze -jongelingen en kortzichtige mannen, die verheugd komen toesnellen om op -hunne beurt hun noodlot te ondergaan.« - -Mevrouw De Bruining is onrustig geworden. Hij moet kalm blijven, heeft -de dokter gezegd, vóór alles kalm! Ze tracht de bezoekster te -waarschuwen door wenk en blik. - -»Is u niet wat somber gestemd?« vraagt deze, en zonder antwoord af te -wachten gaat ze voort: »Trouwens, ’t is geen wonder. Niets wat ons zoo -melancholiek maakt als geschokte zenuwen en vooral heden, nu het -besluit werd genomen...« - -»Je hebt ’t zeker al gehoord, Nita; hij heeft een spoedcertificaat?« - -»Weet u wat ik geloof, mijnheer De Bruining?« zegt Nita met een -glimlachje. »Uw vrouw doet die vraag om er op te wijzen dat het nu geen -tijd is om ons te verdiepen in beschouwingen over Indië. Nu, ik zal, -tot de orde geroepen, dadelijk beginnen met een heel zakelijk gesprek. -Ja, ik wist van dat spoedcertificaat, ik begreep dat u het erg druk -zoudt krijgen met pakken en naaiwerk en vendutie houden, en daarom kwam -ik u maar dadelijk vragen, waarmede ik u helpen kan.« - -»Lief kind! Zeker kun je me helpen. We moeten warme kleeren hebben... -het is December als we aankomen... Arme kinderen!« - -»Arme ouders,« denkt Nita, terwijl haar verbeelding haar die aankomst -voortoovert. - -»Mevrouw Paerel gaat morgen naar Batavia en zal flanel en laken en al -het andere akelige warme goed voor me koopen, en nu had ik al gedacht, -dat, als je het schikken kondt me je naaister af te staan... je kunt -haar toch wel missen?« - -»Natuurlijk.« - -»Weet je, zij gaat zoo vlug met de machine om en garneert zoo aardig; -anders zou ik het niet durven vragen.« - -»Maar mijn lieve mevrouw, ik ben hier gekomen om u te zeggen dat mijn -geheele personeel te uwer beschikking is, en als het u van dienst kan -zijn, mijn eigen persoontje ook.« - -»Zeker kan ons dat van dienst zijn. Al was het alleen door ons uw lief -deelnemend gezicht te vertoonen.« - -»Hoor eens aan! Men ziet wel dat hij algemeen secretaris af is, hij -heeft weer tijd om galant te wezen,« roept Louise met de goedige -blijdschap eener vrouw die, zeker van haar echtgenoot, hem gaarne zich -aangenaam ziet maken bij andere dames. - -»Dan wou ik ook nog even over de laatste dagen vóór uw vertrek spreken; -’t is wel wat haastig, maar ik vrees dat anders een van de vrienden mij -voor is. Mevrouw van Waliënhove zal u natuurlijk noodigen, maar, niet -waar? met zooveel kinderen is het misschien wat lastig logeeren op het -paleis? U weet, wij hebben twee kamers in de bijgebouwen.« - -»Nita, kind! men zou zeggen dat je al tien jaar in Indië waart, zoo -hartelijk en hulpvaardig ben je. Doch we wilden maar liever in het -hôtel gaan. We zijn te talrijk om.... Nu, wat is er?« - -Dit tot Fritsje, die, buiten adem, met zijn schoenen vol slijk, een -gescheurde kiel, een vuurrood gezicht, komt aanrennen en voortrent tot -hij in zijn vaart wordt gestuit door den wipstoel alsook het daarin -aanwezige lichaam zijner moeder. - -Nog vóór ze van den ontvangen schok is kunnen bekomen, tusschen twee -gejaagde ademhalingen in, fluistert hij haar iets toe. - -»Wat zeg je?« En ze vliegt overeind met doodsschrik op het gezicht. -»Een dolle hond... groote God! waar? Nita! Daan! Spen! Juf! Boe! grijpt -de kinderen! Grijpt er ieder een! We moeten ze opsluiten!« - -Nu was het gemakkelijker gezegd dan gedaan, een Bruining te grijpen. -Nauwelijks zagen ze den even onverwachten als talrijken jachtstoet den -tuin instormen, of het kwaad geweten, dat elk dezer jeugdige bandieten -met zich omdroeg, dreef hem om zijn heil te zoeken in de vlucht. - -’t Was te vergeefs dat de rampzalige moeder hen toeriep, hoe geen -ontdekt kattekwaad de reden der vervolging was; te vergeefs dat de -Javaantjes hun hoofddoeken aan de takken der boomen lieten, te vergeefs -dat de baboes haar statige sarongstap veranderden in een gestrekten -draf, te vergeefs dat de juf—als alle juffen van mevrouw De Bruining in -korten tijd corpulent geworden—struikelde over de barrières, die de -vindingrijke knaapjes voortdurend opwierpen, de drijfjacht duurde meer -dan tien minuten. - -Toen waren ze allen gegrepen en werden ze, als biggen op een marktdag, -onder even vervaarlijk geschreeuw en met even weinig complimenten, -opgepakt en in veiligheid gebracht; maar het helsch rumoer dat ze -aanhieven, zoodra ze zich opgesloten zagen, overtrof alles wat -verontwaardigde biggen ooit geleverd hebben op dit gebied. - -»En nu den hond! Het pistool!« schreeuwt Louise hoog boven het rumoer -uit. - -Mijnheers jongen brengt het pistool en met den moed, dien de wanhoop en -het leven in Indië geven, snelt mevrouw—nu gevolgd door zeer enkele -harer jongens—den tuin in, het huis door! - -Geen dolle hond. - -»Waar is Frits? Mijn hemel, waar is dat kind nu gebleven? Fritsje, -lieveling, waar zit je? Als je gebeten bent, zeg het dan dadelijk, -misschien kan het nog worden uitgebrand.« - -»Wat toch, ma?« vraagt Frits, terwijl hij van onder het tafelkleed komt -uitgekropen; »wat toch?« - -»Kind, waar heb je dien hond gezien?« - -»Een hond?« herhaalt Frits. »Een hond?« - -»En je komt me zeggen dat er een dolle hond is.« - -»Ik?« Frits kijkt zijn moeder aan alsof hij vreest voor plotseling -ingetreden krankzinnigheid. Daar heeft hij een helder oogenblik. - -»Meent u wat ik u kwam zeggen, van Toetie? Dat ze weer met een vollen -mond praatte?« - -»Jou leelijke klikspaan!« En op Frits’ wijd uitstaande ooren dalen een -paar vegen zoo krachtig als alleen een door schrik en angst overspannen -moeder ze kan toedienen. - -Daarna worden de kinderen verlost. - -Maar nauwelijks hebben ze de toedracht der zaak vernomen of, woedend -over hun kortstondige gevangenschap, vallen ze als één man aan op het -ongelukkige kind, dat huilend herinnert hoe ma hem gister heeft -opgedragen te waarschuwen, als Toetie weer met den mond vol praat. - -Mevrouw Verschuere brengt haar uitgeputte vriendin een glas ijswater. - -»Zal ik u ook eens inschenken?« vraagt ze dan, eenigszins verbaasd over -de houding van den heer des huizes, die gedurende het geheele incident -niet uit zijn ziekestoel verrezen is. - -»Neen, dank u, ik ben niet geschrikt,« zegt de heer De Bruining kalm. - -»Niet?« - -»Hebt u de geschiedenis wel eens gehoord van den man met den wolf?« -vraagt hij dan. »Het gaat mij als de boeren: ik ben zoo dikwerf -toegeschoten op een loos alarm, dat ik niet meer aan een ongeluk -gelooven kan.« - -’t Duurde lang vóór de gemoederen bedaard waren, lang ook voor het -gelukte de jeugdige Bruiningjes te doen luisteren naar het klokje van -gehoorzaamheid; eindelijk bood Nita aan, daar juf zich zwaar gewond -meldde en de meiden nog niet genoegzaam schenen uitgerust, Jantje naar -bed te brengen evenals toen hij ziek was, en daar Jantje’s ziekte een -groot evenement was geweest in de familie, werd dit beschouwd als een -soort van voorstelling. Gelukkig sliepen de toeschouwers reeds half -onder het kijken en slaagde men daardoor er in, hun verwijdering te -bespoedigen. - -Als mevrouw Verschuere in de achtergalerij terug komt is de maan -verrezen; want gelijkt onze hollandsche hemel een slecht beheerd -theater, waar de toeschouwers moeten wachten, wachten tot in het -oneindige, zonder dat het donkere scherm wordt opgehaald, de Indische -is als een feërie: het eene schitterend tooneel volgt het andere -onmiddellijk op: nog ziet men links de purperen sleepgewaden van den -hofstoet die de onttroonde koningin verzelt in de ballingschap als -rechts reeds haar blonde opvolgster nadert. - -Nita vindt mevrouw De Bruining nog steeds pogingen aanwendend om tot -kalmte te komen, blijkbaar met geen ander doel dan om die te gebruiken -voor een toornig protest tegen het noodlot. - -»Ik vraag je, Nita! Is dat nu niet verschrikkelijk, zoo’n toestand? Men -heeft geen oogenblik rust. Ik begrijp niet dat er nog menschen zijn met -groote huishoudens, hier in Indië ten minste. Is me dit nu een klimaat -om acht kinderen te hebben?« En als op dezen wanhoopskreet echtgenoot -en bezoekster stil blijven: »Neen ze mogen van Holland zeggen wat ze -willen, het kan er nooit zoo lastig zijn om kinderen te hebben als -hier. Daar kan men ze ten minste opsluiten, in één kamer houden.« - -»Of dat nu zoo’n voorrecht is, wordt, geloof ik, wel eens betwijfeld,« -meent Nita te moeten opmerken. - -»Maar in elk geval zijn ze onder beter toezicht. Eén hollandsche meid -is meer waard dan tien van die javaansche schepsels.« - -»Zoudt u denken?« vraagt Nita, en ze herinnert zich enkele exemplaren -der laatste uitgave van vaderlandsche dienstmeisjes. Maar waartoe de -arme haar illusie ontnomen? - -»Ben je nu niet wat onrechtvaardig, kind?« vraagt De Bruining. - -Een oogenblik nog moet de veelgeplaagde strijd voeren tegen haar -humeur, dan slaat ze de trouwhartige oogen op naar haar man en zegt: -»Ja, je hebt gelijk, ik moest zoo niet praten. ’t Is heel ondankbaar -van me.« - -»Even ondankbaar als het straks van mij was ons goede Oostje bij een -courtisane te vergelijken. U ziet, mevrouw Verschuere, we vervallen -reeds in het zwak van de oudgasten: wijl Indië ons niet alles schonk -wat we vroegen, vergeten we het vele dat het ons gaf en worden -mopperaars.« - -»Nu ja, een oogenblikje misschien, maar niet lang; dáárvoor zijn we -hier te gelukkig geweest.« - -»Dat zijn we,« zegt Daan. - -»Weet je nog,« begint nu Louise, »weet je nog toen we op Trogong waren? -Was dat niet heerlijk? Die frissche, geurige berglucht? Die -vriendelijke bevolking? En hoe goedkoop was het er en hoe mooi! Weet je -nog, ’s morgens als we gingen paardrijden?« - -»En ’s avonds, als de maan zoo helder scheen en we zoo poëtisch gestemd -werden?« - -»En zoo verliefd!« - -»Hemel, ja!« roept hij lachend. »’t Is waar ook, vreeselijk verliefd!« - -»Wat hadden we daar toch een mooien groentetuin, Daan! Herinner je je -onze eerste doperwten, die ik niet eten wou, omdat ik vond dat jij er -de helft van hebben moest... toen het bleek dat de spen ze had -opgesmuld? Och, Nita, je hadt eens moeten zien, hoe eenvoudig we daar -leefden en hoe primitief ons huis was. Geen sprake van marmeren vloeren -of gestukadoorde plafonds, hoor... en het was er toch goed wonen, niet -waar, Daan! Ja, ’k weet wel, het lekte een beetje en de deuren sloten -niet al te goed, maar ’t was toch lief.« - -»Ja, kind, lief was het,« en van zijn gelaat is de strakke, knorrige -trek verdwenen. - -»Was dat uw eerste standplaats?« - -»Ja; boven in de Preanger. Een groene vlakte vol witte huisjes. De -prettigste standplaats die we ooit gehad hebben.« - -»Zou je denken?« vraagt Louise. »En Batoe, vergeet je Batoe dan? Je -weet niet, Nita, hoe vroolijk het daar in dien Oosthoek lijkt. Ik heb -me dikwerf afgevraagd, of het komt doordat het groen er zoo -doorschijnend is of het licht zoo schitterend, maar zooveel is zeker, -als ik op ons verblijf in den Oosthoek terugzie, is het altijd met -genot!« - -»Weet u, mevrouw Verschuere, wat ik later wel eens gedacht heb? Dat het -beter voor ons zou geweest zijn, als we op zoo’n stil, vriendelijk -buitenpostje gebleven waren. ’t Is waar, er gaat niet veel om in zoo’n -leven, maar het is rustig; men kan huiselijk geluk smaken, wat dan toch -bij slot van rekening nog het hoogste geluk is....« - -Mevrouw Verschuere zucht. - -»Ik zou mettertijd een goed resident geworden zijn, geloof ik, en zij -juist de residentsche, die men in de binnenlanden hebben moet, -hartelijk en gul en niet te veeleischend. Want, is ’t wel, Wies, -trotsch of heerschzuchtig zou je niet geworden zijn?« - -»Ik geloof het niet,« zegt ze, lachend bij het denkbeeld. - -»Wij waren geen menschen voor Batavia, voor Buitenzorg; wij behooren -niet aan een hof; wij behooren thuis, bij elkaar, bij onze kinderen,« -zegt Daan. - -»We hebben één troost, man; we hebben er nooit naar gejaagd! Niet waar, -ik klaagde niet over de eenzaamheid, ik haakte niet naar conversatie of -partijen. Kun je je dat voorstellen, Nita, dat het ons nooit ontbrak -aan bezigheid of discours? En hij had overal tijd voor. Om met me te -gaan wandelen, om me voor te lezen, om den tuin in orde te brengen, om -de kinderen bezig te houden.« - -»Deedt u dat wel eens?« vraagt Nita ongeloovig. »De kinderen bezig -houden!« - -»Of ik dat deed!« roept De Bruining, en ’t is of hij wel tien jaar -jonger wordt bij de herinnering; »vraag eens aan Louise, of ze ooit een -juf had, wie ze kinderen zoo gerust durfde toevertrouwen als aan mij.« - -De donkere wolk, die het woord »juf« altijd op het gelaat van mevrouw -De Bruining te voorschijn roept, blijft ook nu niet uit, terwijl ze met -een diepen zucht antwoordt: - -»Dat zou al een heele schrale lof zijn, Daan! Neen, je waart toen... -och, wat was je een goed vadertje in dien tijd! Als ik denk, hoe weinig -je je de laatste jaren met de kinderen kondt bemoeien, dan verwensch ik -ze uit den grond van mijn hart, die hooge betrekkingen, die de vaders -aan hun huisgezin ontrukken.« - -»En de moeders groote tractementen bezorgen,« merkt hij lachend op. -»Dat moet je niet vergeten.« - -»Dat is zoo,« stemt Louise toe. - -»En toch, ik wil je wel bekennen, kind, als ik alles nog eens bedaard -naga, dan zijn de beste souvenirs die ik meêneem uit Indië, de -souvenirs aan het vredige, stille leven in de heerlijke natuur. -Waarachtig, ik kon ze soms benijden, die jonge controleurs, die me hun -opwachting kwamen maken, als ze met hun jonge vrouw naar de -binnenlanden trokken... Ze vermoedden niet wat ze gingen genieten van -het jonge leven en de jonge liefde, door niets afgeleid door niets -gestoord... Ja, men ziet het te laat in, maar dat zijn de beste jaren, -dat is de gelukkigste tijd; dat is de idylle van het indisch -ambtenaarsleven.« - -Weer zucht mevrouw Verschuere. - -»Ga je reeds weg, Nita? Nu, mijn hartelijken dank voor je lief bezoek. -Je ziet hoeveel goed je ons gedaan hebt.« - -»Mijn groeten aan Verschuere, mevrouw, en feliciteer hem van mij. ’t Is -een prachtige promotie, die hij in korten tijd maakt... Onthoud wat ik -u voorspel, mevrouwtje, hij brengt het nog verder.« - -»Ik zal morgen de naaister zenden; en stuur mij een paar kinderen; dat -zal u rust geven. Nu, adieu!« - -»Wat was mevrouw Verschuere stil,« zegt De Bruining, als ze is -weggereden. - -»Arm kind!« fluistert Louise; »arm, lief kind! Ze verlangt naar de -idylle!« - -Wie zou het geloofd hebben op Buitenzorg, dat dien avond mevrouw De -Bruining mevrouw Verschuere beklaagde? - - - - - - - -XVIII - -EEN TROEP BENGELS. - - -De moeilijkheid, waarin de man verkeerde, die den wolf, het lam en de -kool wilde overbrengen, was niets, vergeleken bij die van mevrouw De -Bruining toen zij, op aandrang der goede vrienden, het plan om in een -hôtel te gaan, had opgegeven en nu bepalen moest, waar zij zouden -verblijven in de laatste dagen voor het vertrek. Natuurlijk kon niemand -de geheele familie tegelijk herbergen, tenzij mevrouw Van Waliënhove; -er kwam dan ook te bekwamer tijd een lief briefje van Clotilde, waarin -ze uit naam van mama het logeergebouw ten paleize ter beschikking der -familie stelde. - -»Neen, ik kan veel doorstaan, maar dat niet!« riep Louise. - -»Kind! hoe heb ik het nu met je?« vroeg Daniël. Waarop zijn vrouw -neerzonk in den kinderstoel (de eenige die bij de hand was, de anderen -werden gepolitoerd) en hem vroeg, of hij dan niet wist dat daar -tapijten lagen onder de tafels—hierbij doelende op de neiging harer -spruiten om den vloer te beschouwen als een sawah, waarop elke -rijstkorrel honderdvoudige vrucht zou dragen;—of hij dan niet wist dat -er zijden dekens op de bedden waren—met het oog op een andere -eigenaardigheid;—dat sarong en kabaai—haar grootste troost in deze -bange dagen—daar niet vermoed, veel minder gezien mochten worden; dat -Frits slaags zou raken met Oscar en hem zeker onder zou krijgen, wat -ten gevolge zou hebben... - -»Goed! goed!« riep Daan, die er in zou toegestemd hebben dat men hem -roosterde, als hij maar niet werd lastig gevallen met de voorbereidende -maatregelen. - -»Neen, laten we nu eens kalm beraadslagen,« vermaant Louise, terwijl -zij beproeft zich wat gemakkelijker te vlijen in den kinderstoel. - -Daniël onderwerpt zich. De kleinsten moesten bij mama blijven. Dat -sprak van zelf. - -In den laatsten tijd verheugde De Bruining zich altijd zeer, wanneer -iets van zelf sprak en dus herhaalde hij vroolijk: »Van zelf.« - -»En Jantje. Hij zal volstrekt mee naar mevrouw Verschuere willen, en -Toetie is ook best bij mij. Zij kan niet buiten ons, dat teêre hartje! -Dan heb je kleine Daan!« - -»En ik!?« roept De Bruining ongerust, »vergeet mij niet.« - -»Ja, dat is waar ook,« zegt Louise en zucht bij het dilemma. - -De zieke vergist zich in de beteekenis van dien zucht. »’t Spijt me, -Wies,« zegt hij nederig, »dat ik het je zoo lastig moet maken.« - -»Daan!« roept Wies, »foei, hoe kun je zoo iets zeggen?« en ze vliegt -naar hem toe, gevolgd door den tafelstoel, die zich hardnekkig aan haar -vastklemt en de omhelzing, welke plaats heeft, niet weinig bemoeilijkt. - -»Dan zouden we dus met ons vijven bij Verschuere gaan. We sturen Frits -en Daan bij mevrouw Paerel...« - -»Frits en Daan? Maar lieve man, waar denk je aan? we kregen ze niet -levend terug! Als die twee bij elkaar zijn, verzinnen ze dingen...« - -»Wim dan—met de juf?« - -»De juf... daar zeg je zoo iets. Waar zullen we die heensturen dat we -het minste last van haar hebben? In ’t hôtel maar.« - -»Met Louis?« - -»Neen, die sart ze voortdurend.« - -»Maar... mijn God, wat moet er dan gebeuren?« - -Mevrouw De Bruining ziet, dat mijnheer zijn hoofd vasthoudt. Dit, -gevoegd bij haar steeds moeilijker zitplaats, brengt haar tot een -besluit. Mini en baboe ade, Toetie de teergevoelige en Daan de zieke -zullen haar volgen naar Verschuere, de rest zal bij mevrouw Paerel -worden ingekwartierd. ’t Was wel gevaarlijk, maar in ’s hemelsnaam, de -dokter woonde dicht in de buurt, voor het geval dat er een ongeluk -gebeurde en—dit met een zucht van eerbiedige bewondering—mevrouw Paerel -was zoo flink! - -Nita lachte met haar vriendelijksten lach, toen zij de regeling vernam -en verzocht vooral Jantje—die reeds weken bij haar logeerde—tot het -laatste te mogen houden; mevrouw Paerel zag er niets tegen op en zoo -was dus alles tot wederzijdsch genoegen geschikt. Dit nam niet weg, -dat, toen enkele dagen later de familie arriveerde, beide dames zich -voelden als een boer die inkwartiering krijgt. - -Maar wie had nu ook kunnen vermoeden, dat Louise, na vier weken lang -niet anders gezien te zijn dan gebogen over kisten en koffers, beladen -met stapels kleeren, gewapend met spijker en hamer, verward in kluwens -bindgaren of struikelend over bergen scheurpapier, wie had kunnen -gelooven dat Louise nog altijd niet gepakt zou zijn? - -Wie ook had kunnen vermoeden dat de kinderen hun verhuizing zouden -inrichten op de manier van Noach; dat Daantje zijn pratenden béo met -zich zou voeren, dat Louis de reis zou aanvaarden met een -kattéehaantje, dat Frits op den voet zou gevolgd worden door twee -blatende geitjes en Willem door een paar jonge honden? - -»Mijn hemel! wat komt dáár aan?« riep mevrouw Paerel, toen de stoet de -kanarielaan afkwam en zij ze reeds in de verte hoorde. »Maar zijn ze nu -heelemaal gek geworden?« vroeg ze, toen zij kon onderscheiden wat de -kinderen meebrachten. - -Het verhinderde niet dat zij ze hartelijk welkom heette. - -»Alle kinderen binnen en alle beesten naar den stal,« sprak ze -vriendelijk, maar toch op den toon waaraan haar parelsnoer geleerd had -te gehoorzamen. - -Dit scheen echter geenszins in de bedoeling te liggen; de jonge -Bruinings keken haar eerst verbaasd en vervolgens, toen het bevel -herhaald werd, uitdagend aan, drukten hun lievelingen vaster aan de -borst, herhaalden het woord »beesten«, alsof dit een vreeselijke -beleediging was, in één woord gedroegen zich alsof ze lid waren van een -maatschappij voor dierenbescherming. - -»Komaan, laten we eerst die kip maar eens wegbrengen.« - -»’t Is een haan!« riep Frits met de grootste verachting voor zulk een -vergissing. - -»Nu, dien haan dan.« En toen Louis weigerend het hoofd schudde, voegde -ze er lachend bij: »Hij slaapt toch niet bij je in bed?« - -»Zeker; altijd.« - -Mevrouw Paerel schrikt niet gauw, maar dit antwoord, gegeven alsof het -van zelf sprak, brengt haar toch min of meer van haar stuk. Na eenige -aarzeling besluit ze echter haar gewone taktiek te volgen en met -redeneeren te beginnen, om eerst, als redeneeren niet baat, tot krasser -maatregelen over te gaan. Zij verzamelt—niet zonder eenige vrees voor -zekere gebeurlijkheden—de kinderen met hun beesten rondom zich en -begint, onder het klagelijk geblaat der geitjes, het nijdig gebrom der -honden en het gekakel der kippen: - -»Zeg er eens, jullie vindt het zeker erg naar, dat je arme, goeie papa -zoo zenuwachtig is in den laatsten tijd?« - -»Ja,« roept Frits, »hij kan niets verdragen; ma roept maar altijd dat -we stil moeten zijn.« - -»Juist. Je begrijpt dat het heel treurig zou zijn als de papa van mijn -jongens ook zoo werd.« - -»Nu, dat zou je voelen,« merkt Daan op, tot den oudsten Paerel gewend; -»ze slaan er maar op, hoor! als ze dat hebben.« - -»Omdat ik de ziekte van je papa voornamelijk toeschrijf aan het rumoer, -dat bij jullie altijd in en om huis was...« - -»Hou je mond, kwaje meid,« roept nu de béo; en mevrouws juf, die -uitmuntend gedisciplineerd is, doorleeft een vreeselijk oogenblik. - -»Omdat ik bang ben dat mijnheer Paerel anders dezelfde ziekte krijgen -zal, heb ik verboden dat op mijn erf ooit eenig leven gemaakt wordt.« - -Hier kraait de haan. Maar als een tweede Petrus stoort ze zich daaraan -weinig en gaat voort: »Er zijn maar twee soorten van beesten, die hier -mogen komen: visschen en konijnen; alles wat schreeuwt, kraait, miauwt, -blaft of blaat wordt onmiddellijk verwijderd.« - -Daar ze ziet dat haar toespraak niet den minsten indruk maakt, slaat ze -opeens een graftoon aan: »Ze blijven hier nooit een nacht, want de -jongens hebben last om, zoodra het donker wordt, ze te verwurgen of -dood te slaan.« - -Nauwelijks heeft mevrouw Paerel uitgesproken, of Louis, die op haar -schoot leunde, springt ontzet achteruit; een gehuil als van halve -wilden stijgt op uit de groep, een stem, nu niet van de béo, zegt -duidelijk hoorbaar: »wat een gemeen mensch!« Teekenen worden gegeven, -en zonder een woord te spreken rennen ze weg, met de beschermlingen -onder den arm, de voorgalerij uit, de kanarielaan weer in. - -Mevrouw Paerel moet bekennen dat ze nog zelden voor zoo’n ondankbaar -publiek gesproken heeft. Maar zij vindt het geval meer grappig dan -onrustbarend en verheugt er zich op om, als Paerel straks thuis komt, -hem er het verhaal van te doen. - -»Zij gaan ze denkelijk in veiligheid brengen,« zegt ze kalm tot haar -bonne. »Loopt u ze even na? U behoeft natuurlijk niet te hollen, zooals -zij. En brengt u ze me straks hier zonder de beesten. Dan ga ik in dien -tijd thee zetten voor mijnheer en zal ik zorgen dat ze wat lekkers -vinden als ze terugkomen.« - -Maar die zorg was onnoodig; ze kwamen niet terug. - -Was mevrouw Paerel ontsteld geweest bij de aankomst harer gasten, niet -minder was mevrouw Verschuere het, toen de eene kar na de andere haar -erf opreed, toen de koelies haar bloempotten omverwierpen bij het -afladen der kisten, toen een der buffels aan haar mooiste klimplant -begon te knabbelen. - -Met moeite onderdrukt ze den zucht, die aan haar borst dreigt te -ontsnappen, nu ze haar bijgebouw ziet vol laden met allerlei mogelijke -en onmogelijke voorwerpen, nu ze voortdurend stoot op kinderen en jonge -honden (het was een nest van vijf geweest); ze zwijgt en onderwerpt -zich. Maar toch, als Sarinah Toetie oppakt en wegleidt van een -fantasiestoeltje, waarop dat kind bezig is vette vingers te zetten, als -Mingo de lieve Jantje meeneemt in plaats van hem bij den suikerpot te -laten, dan is ze haar bedienden zeer dankbaar. Ze staat trouwens voor -alles alleen. De Bruining ligt in zijn ziekestoel, doodelijk afgemat na -de inspanning die het overgeven zijner betrekking hem kostte; Louise -heeft het veege lijf uitgestrekt op den divan, vermoeid als slechts een -vrouw zijn kan, die daareven een huis verliet, »klaar voor de -vendutie.« Verschuere heeft gezien waar de logées zijn neergezegen en -zich toen geborgen in het tegenovergestelde gedeelte van het huis, en -de juf is wel meegekomen, maar naar het schijnt met geen ander doel dan -om de badkamer te bezetten. - -Nita schenkt thee en limonade—De Bruining zijn alle warme dranken -verboden—en melk voor de jonge honden, en wenscht dat er onweer kwam of -dat de deur van de badkamer openging. - -Daar vernemen ze in de verte een verward rumoer: hondgeblaf, -geitgeblaat, kindergeschreeuw, en met een schrik, die in een gewoon -geval onnatuurlijk zou zijn, rijst mevrouw De Bruining overeind en -krijt: »Goede hemel, daar heb je ze!« - -Het moet gezegd, de ontmoeting tusschen de jonge honden en hun mama is -hartelijker dan die van ouders en kinderen. - -Barsch vraagt de vader: »Wat beteekent dat nu?« en met een hardheid, -die haar straks tranen van berouw zal kosten, roept de moeder: - -»Wil je wel eens dadelijk naar mevrouw Paerel gaan, ondeugende -bengels.« - -»Ze wil ons niet hebben, pa,« zegt Daan. »Ze zegt dat ze ons van nacht -allemaal zal laten wurgen.« - -»Of doodslaan!« voegt Frits hier tot opheldering bij. - -»Wurgen? Doodslaan? Wat is dat nu voor nonsens?« - -»Ja, pa,« huilt Louis, »ik ben zoo bang! Zij zegt dat op haar erf alles -wat schreeuwt wordt doodgemoord.« - -»Maar je behoeft niet te schreeuwen.« - -»En als we dan naar bed gaan, pa?« vraagt Louis, nu blijkbaar verbaasd -over zoo’n bewering. - -»Dat is waar ook. Dan schijn je ’t niet te kunnen laten. Maar... ’t is -onmogelijk dat die goede mevrouw Paerel zoo iets gezegd heeft.« - -»Wat? Goed? ’t Is een vilder! een beestenmoordenaar! We gaan er niet -meer heen!« - -Een doodelijke angst grijpt mevrouw Verschuere aan bij deze bedreiging. -Zij stopt de kinderen ieder een koekje in de hand om ze tot zwijgen te -brengen en wendt zich tot de juffrouw, die eindelijk uit de badkamer te -voorschijn kwam. - -»Als u eens even naar mevrouw Paerel gingt en vroegt wat er gebeurd -is?« - -»Ja, mevrouw, zoodra ik gekleed ben.« - -Daar de juffrouw juist even lang noodig heeft om zich te kleeden als om -te baden, geeft dit voornemen weinig uitzicht op een spoedige -oplossing, maar gelukkig komt op dit oogenblik de bonne van mevrouw -Paerel. Ze heeft hard geloopen; zij is niet corpulent, zooals die der -De Bruinings. Met enkele woorden teekent ze den inval der kinderen, -mijnheers gevoeligheid voor hanengekraai, mevrouws afschuw van jonge -honden; dan wendt ze zich tot de jongens en verhaalt van de -lekkernijen, die hen wachten als ze medegaan. - -»En mijn geitjes?« - -»En mijn haantje?« - -»En de béo?« - -»Ja die kunnen niet mee.« - -»Dan gaan wij ook niet.« - -»Mijn God, mijn hoofd! Wies, wat moet er gedaan worden? Schaf dan toch -raad, Wies!« - -Haar goede genius herinnert op dit oogenblik aan mevrouw Verschuere, -dat men van twee kwaden het minste moet kiezen, en daar de treurige -waarheid zich meer en meer aan haar opdringt dat ze òf de beesten òf de -kinderen zal moeten houden, besluiten ze tot het eerste. - -»Zie maar of je hier niet een plaatsje voor hen vinden kunt. Mingo, -help de jonge heeren eens.« - -»We zullen den béo hier in de achtergalerij hangen,« zegt Frits -dankbaar, »dan hebt u er nog wat aan, hij is zoo aardig!« - -»Nita, je bent een engel!« zucht mevrouw De Bruining. - -»Hoe je mond, kwaje meid,« roept de béo. - -»Nu, hebben we ’t u niet gezegd? Is hij niet aardig?« gillen de -kinderen. Maar daar papa luide begint te kermen van vermoeienis, geven -ze eindelijk aan de roepstem der bonne gehoor en verdwijnen. - -Het blijkt in den loop van den avond dat deze aardigheid van den béo -zijn eenigste is en misschien beter op haar plaats in zijn vroegere dan -in zijn tegenwoordige betrekking; hij is namelijk lang in het bezit -geweest van een gepensioneerd onderofficier, die naar de wijze des -lands leefde. - -De avond ging vrij rustig voorbij. Er kwam een leitje van mevrouw -Paerel, dat de ouders, zoo mogelijk, nog meer verbaasde dan verheugde: -het meldde toch dat de kinderen in de rust waren en zich zeer goed -gedragen hadden. - -Het lekkere dineetje—er was in den laatsten tijd niet veel werk gemaakt -van de tafel thuis—fleurde den zieke wat op; de gedachte, dat ze morgen -geen huishouding meer zou hebben, maakte mevrouw De Bruining vroolijk; -Verschuere, de eenige van het gezelschap die niet moe was, deed de -anderen hun vermoeidheid vergeten en men wenschte elkaar in vrij -prettige stemming goeden nacht. - -Die wensch zou niet vervuld worden. Even na het slaan van twaalven werd -eerst mevrouw en kort daarop ook mijnheer Verschuere gewekt door een -klagelijk schreien. Nita dacht aan den zuiling, Gustaaf aan katten. -Eindelijk begrepen ze dat het de geitjes waren. - -Er is niets onvermoeider dan een blatende geit, of ’t moesten twee -blatende geiten zijn. Ze hielden niet op met blaten, en hield er eens -eene op, dan vulde de andere onmiddellijk de pauze aan. - -Het »hou je mond, leelijke meid,« dat de béo nu en dan ten beste gaf, -was het wakend echtpaar wel uit het hart gegrepen, maar toch hadden zij -het best zonder dezen tolk hunner gevoelens kunnen doen, en meermalen -gaf Verschuere, die zijn onmacht om de geiten te grijpen maar al te wel -inzag, den wensch te kennen om ten minste dat »zwarte mormel« den nek -om te draaien. - -Tegen den morgen schenen de beesten eindelijk uitgeput, maar dat -plotseling stilzwijgen vervulde Nita met angstige vermoedens omtrent -hare bloemen. En nu begon de haan te kraaien, zooals alleen een -katteehaan kraaien kan. De »ellendeling«, gelijk Verschuere hem noemde, -wekte al zijn collega’s uit de buurt, met dit gevolg dat kwart vóór -vijven de nieuw benoemde algemeene secretaris stond te bonzen op de -deur van Mingo’s kamer, rillend van de morgenkoude en in het humeur van -een indisch man, die op is en nog geen koffie heeft. - -»Is er brand, toewan?« vraagt Mingo slaapdronken, terwijl hij zijn -hoofddoek omknoopt. - -»Neen, veel erger! Roep al de jongens! de spen allereerst om me koffie -te geven te geven en breng die monsters weg.« - -»De logées?« vraagt Mingo met het onveranderlijk gezicht van den nooit -verbaasden Javaan. - - - - - - - -XIX - -SERENADE EN VUURWERK. - - -In tegenstelling van den heer Paerel, die ronduit verklaart, dat als de -jeugdige Bruinings nog één dag in zijn huis moeten blijven, hij het -ontruimen zou; in tegenstelling van mevrouw, die Louis zonder eten naar -bed gezonden, Daantje een oorveeg gegeven en de juf flink haar meening -gezegd heeft over bonnes, die, in plaats van te doen waarvoor ze -betaald worden, er ponyhaar en kuren op nahouden, zijn de Verschuere’s -vrij kalm gebleven bij hun wederwaardigheden. En ze waren vele! Maar op -den laatsten avond dreigden ook zij hun geduld te verliezen. ’t Is -echter niet de schuld der logées, als er al te veel van dat geduld -wordt gevergd: hoe toch kunnen die arme menschen vermoeden wat zoo -zorgvuldig is geheim gehouden, hoe toch kunnen zij denken, dat er een -plan bestaat, een plan, tot welks uitvoering allereerst noodig is dat -mijnheer en mevrouw De Bruining »gekleed« zijn! - -»Het is kwart voor vijven,« zegt Verschuere, die ongewoon vroeg thuis -kwam en sedert zijn thuiskomst reeds één leitje weggezonden en twee -leitjes ontvangen heeft. - -»Ja,« antwoordt mevrouw De Bruining rustig wippend, »nog vroeg hè?« - -»Niet zoo bizonder vroeg,« meent Verschuere. Maar de manier waarop zijn -logée zachtjes voortschommelt, bewijst dat ze bij haar eerste meening -blijft. - -»Nog een kopje?« vraagt Nita, die, wat haar ook niet elken middag -gebeurt, reeds gekapt en gekleed is, in zooverre ze slechts haar -peignoir voor een japon heeft te verwisselen. - -»Ja, zoo straks! Maar er is geen haast bij. Ga gerust je gang met de -bloemen.« - -»Ik vrees dat er wèl haast bij is,« waagt Nita op te merken, terwijl ze -dadelijk ophoudt met het maken van een bouquet en inschenkt; »u zult -wel visite krijgen.« - -»O, dat wel! Maar niet zoo vroeg.« - -»Zoo vroeg? ’t Is vijf uur vóór we allen gebaad en gekleed zijn...« - -»Wat ben je onrustig, Verschuere, met die warmte.... ik wou dat we een -flinke donderbui kregen,« zegt De Bruining. - -»Een donderbui? Om alles te doen mislukken?« roept Nita, onvoorzichtig -als vrouwen zijn kunnen. - -»Wat?« vraagt Louise, »wat zou mislukken?« - -»Och... alles... de oogst bijvoorbeeld.« - -»De oogst? Hoe meer regens de sawahs nu krijgen, zooveel te beter!« en -De Bruining vraagt zich af, of het mevrouw Verschuere is die zoo’n -domheid zeggen kan. - -Als Wies één zwak heeft, dat zelfs Daan erkennen moet, dan is het dat -ze nooit een trekpot kan verlaten vóór die tot den laatsten druppel -geledigd is; als men den heer De Bruining iets ten laste kan leggen, -dan moet het zijn dat hij sedert het overdragen zijner betrekking -onbeschrijfelijk lui is geworden; en met deze gegevens, gevoegd bij de -drukkende atmosfeer, die heden heerscht, ziet het er somber uit voor -het plan, tot welks uitvoering allereerst vereischt wordt dat mijnheer -en mevrouw De Bruining gekleed zijn. - -»Nu wordt het toch onze tijd! Hemelsche goedheid, ’t is half zes,« -roept opeens de gastheer met luider stem en springt, schijnbaar -ontsteld, overeind, in de hoop ook hen te doen verschrikken. - -»Nog tien minuten er voor,« constateert De Bruining met een blik op de -hangklok en blijft rustiger dan ooit liggen. - -Op dit kritiek moment daagt er ontzet. ’t Is in de persoon van mevrouw -Verschuere’s neef. - -Hij overziet den toestand met een blik, den toekomstigen veldheer -waardig. - -»U hier, mevrouw De Bruining?« vraagt hij. »O! daarom hoorde ik zeker -dat arme kindje van u zoo schreien. ’t Scheen of er niemand bij was -en«.. Maar hij kan zwijgen; reeds heeft de moeder den trekpot in den -steek gelaten. - -»Mijn waarde heer De Bruining—neen, dank je Verschuere, ik zal niet -rooken—misschien doe ik u geen ondienst met u te waarschuwen... ik heb -er zoo iets van gehoord dat Zijne Excellentie voornemens zijn zou u nog -even te bezoeken.« - -Met een snelheid, welke men niet bij hem gezocht zou hebben, verdwijnt -ook De Bruining in het bijgebouw, en nauwelijks is hij verdwenen of er -ontstaat een luid geroep om bedienden, beantwoord door een trouwe -opkomst en gevolgd door een groote drukte. - -Alle jongens en meiden komen toeschieten: een grijpt het theegoed weg, -een ander zet de stoelen en tafels ter zijde, een derde maakt alle -deuren en vensters open, een vierde komt aandragen met groote bladen -vol champagneglazen, een vijfde begint de lampen te ontsteken, alles -onder leiding van James, die beloofd had een handje te komen helpen en -zijn belofte schitterend gestand doet. - -Ook Hooglaan komt nu aangetreden—hij kon onmogelijk zoo haastig toilet -maken als zijn collega—en met zijn afgemeten pasjes, zijn zwaaiend -badientje en keurige kleeding zou hij reeds van verre een zeer goeden -indruk maken, zoo niet, met dezelfde kleine pasjes, allen achter -elkaar, zes inlanders hadden voortgestapt, wat hem deed gelijken op den -aanvoerder van een troep ganzen. De zes inlanders waren de dragers van -zes reusachtige bouquetten. - -»Van mevrouw van Waliënhove?« vroeg Nita, toen ze uit haar voorgalerij -den stoet zag naderen. - -»Neen! Die neemt het zeer kwalijk, dat, als zij een afscheidsdiner -geven wil, De Bruining het wagen durft zóó ziek te zijn dat hij het -niet kan bijwonen. Clotilde stuurt ze. Ik heb haar gezegd dat ze -gelijkt op de toovergodinnen, die, als ze niet zelf komen, zich laten -vertegenwoordigen door haar geschenken. Word ik niet galant? Durf je nu -nog zeggen dat ik den hoftoon niet heb?« - -De heer Verschuere daalt nu af naar de ruime gewelven onder het huis, -waar hij zijn wijn bewaart; mevrouw gaat naar haar kleedkamer: bij hun -terugkomst vinden ze de voorgalerij herschapen in een bloementuin, -bestraald door een zee van licht. - -»Hoe keurig!« roept Nita. En dan vriendelijk: »Ik wou dat je onze -adjudant waart, James.« - -»Ik wou het ook, Nita.« - -»Nu, daar behoef je zoo’n sentimenteel gezicht niet bij te zetten! Kijk -eens, Verschuere, ziet het er niet allerliefst uit? Je moogt de heeren -wel eens vriendelijk bedanken... Waar is Hooglaan?« - -Deze komt met een min of meer onthutst gezicht Verschuere op zijde. -»Hebt u misschien ook een vrouwelijk wezen bij de hand?« vraagt hij -dezen geheimzinnig. - -»Jawel«, zegt Verschuere en wijst lachend op Nita. - -Maar zulke aardigheden vallen niet in mijnheer Hooglaan’s smaak. - -»Ik bedoel een dienstbare. Om mevrouw De Bruining te gaan waarschuwen.« - -»Ik zal haar roepen. Ze zal nu wel klaar zijn, denk ik.« - -»Integendeel, mevrouw. Ziet u, ik had misschien niet zoo indiskreet -moeten wezen, maar daareven wierp ik—natuurlijk bij toeval—een blik in -haar voorgalerij en—excuseer mij, mevrouw Verschuere—ik zag daar uw -logée in nachttoilet.« - -»In nachttoilet!« herhalen allen verbaasd. »Onmogelijk!« - -»Ik verzeker het u.« - -»Onmogelijk! Op dit uur van den dag!« - -»O ja«, roept Hooglaan nu met zijn meest gemaakt stemmetje, »’t is waar -ook, u noemt dat anders: in sarong en kabaia, meen ik. Maar ziet u, bij -ons op het paleis is de geijkte term....« - -Reeds is James uitgebarsten in »dien ruwen lach die zijn collega zoo -agaceert«; reeds heeft Verschuere zich haastig omgekeerd om Mingo te -roepen, wien hij niets te zeggen heeft; reeds is Agnita de trappen -afgevlogen naar de logeerkamer, waar ze Louise vindt.... erger dan in -nachttoilet. - -»Mijn hemel! juf, neem Jantje! Maar in ’s hemelsnaam, wat voert u uit, -mijn lieve mevrouw?« - -»Jantje heeft zich bezeerd. ’t Ventje....« - -»Och, hij doet immers niets anders!« roept Nita, voor het eerst -ongeduldig. - -»Nita-lief, laten we kalm blijven.« - -»Kalm blijven! En er komt een serenade!« - -»Een serenade!« - -»Ja. Baboe! Kassi kous!« - -»Een serenade?« - -»Ja. Hebt u uw schoenen? O neen, eerst de kousebanden; hier zijn ze.« - -»Maar kindlief....« - -»Waar is de tournure? Baboe, kassi tournure!« - -Jantje gilt—en geen wonder! Zijn wondje bloedt en er is niemand die -naar hem omziet, want nauwelijks heeft juf het woord »serenade« -gehoord, of ze is weggevlogen om haar gezicht te bedekken,—haar eerste -beweging bij elke omstandigheid haars levens—en de anderen zijn bezig -om naar de tournure te zoeken... die, helaas, niemand vindt. - -Intusschen beginnen zich hier en daar in den tuin, die tot punt van -samenkomst is gekozen, reeds flambouwen te vertoonen; ze worden -talrijker, steeds talrijker; ze beginnen zich in rijen te scharen; er -ontstaat een geraas van rijtuigen, waarschijnlijk gevuld met dames die -komen »nonton«, een gewoel van het inlandsch publiek dat -samenschoolt—Verschuere laat vragen of de dames gereed zijn...... - -En de tournure? - -»In ’s hemel naam, dan maar zonder,« en drie paar handen gooien mevrouw -De Bruining haar japon over het hoofd. - -Er is in de tropische natuur altijd iets, dat aan tooneeldecoraties -denken doet, en dit is nooit sterker het geval dan wanneer er tusschen -het zwartgroen der palmen vuur speelt; de flambouwen geven -wonderschoone vormen aan het majestueuse geboomte, dat ze verlichten -met haar rooden gloed. Als vanzelf rijst De Bruining overeind; als -vanzelf plaatsen de wachtenden in de voorgalerij zich rondom hem: de -muziek komt tot hen. Het wordt doodstil. - -»Blijf zitten, mijnheer De Bruining;« zegt James vriendelijk; »u zult -straks nog genoeg moeten staan.« - -De vermaning blijkt overbodig: hij zinkt reeds terug in zijn stoel. - -»Een serenade,... dat hadden ze niet moeten doen... waarachtig... het -maakt me... Wies! Kom hier bij me.« - -»Stil, Daan! Hou je nu bedaard, Daan! Kom, je waart altijd flink...« - -Nita, die, terwijl ieder aan champagne dacht, zenuwstillende druppels -gereed maakte, komt nu nader met haar medicijn. - -Haastig drinkt hij het glas ledig, maar hij is zoo bleek en zoo bevend, -dat de omstanders vreezen voor de mislukking van het plan. - -Gelukkig ontbreekt het in de familie De Bruining nooit aan afleiding. -Juist op het oogenblik dat de stoet het erf opkomt, rent van de andere -zijde Toetie de voorgalerij binnen: zij rijdt paardje op papa’s -wandelstok en—op de plaats, daartoe door een even onzinnige als -onkiesche mode aangewezen—draagt ze mama’s tournure. - -Nu is het iets anders een tournure te bezitten en wederom iets anders -die tournure voor het oog der geheele wereld te zien rondrijden in een -voorgalerij; iets anders uw vrouw zoo’n dwaas ding te zien aanbinden en -wederom iets anders te moeten bekennen dat ze dit doet.... de De -Bruinings schamen zich diep. - -Mijnheer kan zoo gauw niet overeind komen, maar dit is ook overbodig; -ieder wordt gaarne bereid gevonden het ongelukskind een of meer -gevoelige vermaningen te geven, terwijl ze de trap letterlijk afrolt -onder de vereende duwen van alle aanwezigen. - -Het incident heeft goed gedaan. Als er achtereenvolgens een vijftigtal -heeren binnenkomen in zwarte jassen en met gelegenheidsgezichten, is -het voorwerp hunner hulde ten minst in staat ieder hunner de hand te -drukken en te danken zonder die dwaze tranen, die hem tegenwoordig te -pas en te onpas in de oogen komen. - -Aan den heer Verdijk, den pas benoemden gouvernements-secretaris, is -opgedragen het woord te voeren. - -»Zul je het vooral kort maken?« fluistert Verschuere hem toe; »de man -is op van de zenuwen.« - -Het is zijn voornemen kort te zijn, niet zoozeer uit medelijden met den -jubilaris—welke feestredenaar heeft ooit medelijden met zijn -slachtoffer gehad?—maar omdat hij moeielijk spreekt en door het minste -of geringste in de war raakt. Toch maakt hij het nog veel korter dan -eerst zijn plan is geweest. - -»Mijnheer De Bruining! Uit naam van Buitenzorg’s burgers, uit naam van -de ambtenaren der secre...« Pif! paf! pif! paf! pif! - -Men hoopt dat het op zal houden, dit onzinnig pif! paf! en men wacht. - -Men wacht. Maar het wordt harder, steeds harder, de slagen schijnen -vertien-, verhonderdvoudigd te worden. - -De vreeselijke waarheid dringt zich aan de wachtenden op. Het moet een -dier lange trossen voetzoekers zijn, zooals de Chineezen ze ontsteken -bij hun feesten, en die, eenmaal ontstoken, klappen en klappen tot de -laatste is opgebrand. - -Met den moed der wanhoop zet Verdijk borst en longen uit. »Van de -ambtenaaren der secretarie, die u hierbij het bewijs geven«.... een -dikke rookwolk.... de spreker kan niet voortgaan. - -Pif! paf! Verdijk staat De Bruining, De Bruining staat Verdijk aan te -zien, alle gelegenheidsgezichten zijn uit de plooi, sommigen om te -proesten van den rook, anderen om te proesten van lachen, velen om -ssst! te roepen, alsof mortions zich tot zwijgen laten brengen vóór ze -hebben uitgeraasd! - -Gelukkig komt Verdijk op den inval om het huldeblijk—een -prachtalbum—maar zonder speech over te reiken. - -»Muziek!« roept een stentorstem boven het rumoer uit, en nu roept -iedereen om muziek en dadelijk klinkt het: - -»Lang zal hij leven!« - -’t Ziet er niet naar uit of die wensch vervuld zal worden, als een half -uur later de voorgalerij is leeggestroomd en het verdwijnen van al die -bekende, bevriende gezichten hem zich zoo eenzaam voelen doet, dat hij -omziet naar zijn reisgezellin op den tocht door het leven, om in een -innige omhelzing de zekerheid te erlangen, dat die toch niet zoo -eenzaam zal zijn als hij een oogenblik heeft gemeend. - -»Papa! U bedankt iedereen behalve ons!« en op eens duikt Frits op uit -den donkeren tuin, vergezeld van een Paerel. - -»En waarvoor moet ik je bedanken, jongelief?« vraagt papa aangedaan: -hij gelooft zich het voorwerp van een niet genoeg gewaardeerde attentie -zijner kinderen. - -»Wel, voor dat vuurwerk! Vond papa het niet mooi? Wat paften ze, hé? -die mortions?« - -»Hebt jullie dat gedaan?« vraagt de vader met onverholen afschuw. - -»Ja. ’t Was voor twee kwartjes,« spreekt de jeugdige Paerel fier. - -»En,« voegt Frits er bij, terwijl hij zijn vuile zwarte hand uitsteekt, -»als pa er ons niet voor bedankt, zou pa ons dan het geld willen -teruggeven.« - - - -»Zijne Excellentie!« - -Hij komt onverwacht, onverzeld; alleen om zijn secretaris nog eens te -groeten; om mevrouw een gelukkige reis te wenschen; hij blijft slechts -kort; maar iedereen weet het, het is iets zeer buitengewoons wat de -gouverneur-generaal hiermede doet; een blijk van waardeering, van -vriendschap bijna. - -De arme De Bruining kan geen woord zeggen op zijn hartelijk: »Tot -weerziens!« en als hij het beproeft, dan barsten de tranen los, die -dwaze tranen, den geheelen avond zoo manmoedig teruggedrongen. - - - -»Ik zal dus naar Bloemduin gaan, Nitalief?« - -»Ja, en u moet hen alles vertellen. Van mijn huis en mijn tuin en mijn -bloemen. En hoe goed ik het heb getroffen met mijn bedienden. En dat ik -weer muzieklessen neem! Daar was papa erg op gesteld, moet u weten.« - -»En dat je zooveel studeert en zoo’n geleerde dame wordt.« - -»Neen, zeg hun dat maar niet.... ze mochten eens vragen met welk -doel... dan moet u hun ook van Gustaaf vertellen: dat hij alles voor -mij is; alles ten minste wat hij in zijne betrekking voor me wezen kan; -en ook hoe James hier elken dag komt en welk een prettige afleiding me -dat geeft. U zult hun zeggen, dat ik gelukkig ben, niet waar?« - -»Moet ik dat zeggen, lieve?« - -»Ja,« en ze ziet Louise vast in de oogen, »dàt moet u zeggen: gelukkig -en gezond!« - -Dan vallen de vriendinnen in elkanders armen en weenen. - -Den volgenden morgen..... ach, we maken het elkaar wèl zwaar, het -heengaan, wij Indischlui, met onze afscheidspartijen en -afscheidsbezoeken, met ons komen aan den trein en ons uitgeleide doen -naar de boot, met onze handdrukken en kussen, met ons wuiven tot het -laatst. - -Maar toch, we zouden het niet willen missen, ’t weemoedig genot van ons -nog eens te overtuigen, dat er waren die ons liefhadden op het -smaragden-eiland: we zouden haar niet willen missen de herinnering aan -die oogenblikken, die ons zoo zenuwachtig maakten; immers, we hebben -den tijd om onze zenuwen weer tot rust te laten komen in Holland—waar -men er niet zooveel van vergt. - - - - - - - -XX - -DE VROUW VAN EEN HOOGGEPLAATSTE. - - -Een jaar is verloopen sedert meer dan 50 passagiers het stuk -onderteekenden, waarbij aan de directie der maatschappij Nederland -dringend werd verzocht voortaan te waarschuwen wanneer een harer booten -gezinnen met meer dan zes kinderen zou vervoeren; sedert zeker -Geldersch landstadje in opschudding werd gebracht door de aankomst -eener indische familie; sedert die indische familie dingen begon te -doen zóó raar, dat ze weken lang stof tot praten gaven, ja, met den -hardnekkigen levensduur aan verhalen op kleine plaatsjes eigen, over -een halve eeuw nog in den omtrek zullen voortleven, zij het dan ook als -legende. - -Een jaar sedert Wies voor de eerste maal asperges ging steken in den -groententuin achter het huis en Daan—in een houding door Jantje -beschouwd als uitnoodiging om bok, bok, sta vast! te spelen—moest -antwoorden op haar vraag of dit nu niet veel prettiger was dan met -blauw potlood aanmerkingen te zitten maken op het werk van arme -kommiezen; sinds Daan een kloek besluit nam en Wies tranen met tuiten -schreide, maar beiden zich onuitsprekelijk verlicht gevoelden door het -vertrek van vier hunner zonen naar een instituut, gunstig bekend voor -het temmen van indische jongens. - -Een jaar sedert, in het paleis onder de palmen, baron Van Waliënhove -begon te vinden dat men in zijn familiekring wel eens gelukkige -oogenblikken slijten kan. - -’t Is waar, zijn jongens bleven nog altijd een paar wilde knapen, maar -’t was nu niet meer drieste onbezonnenheid; ’t was nu gezonde -levenslust, getemperd door verstandige leiding, en—wat het voornaamste -was—hij heeft nu de gelukkige zekerheid dat al het goede wat in hen -sluimert wordt gewekt en ontwikkeld. - -Die zekerheid schenkt hem een weldadige kalmte na al de zorg die zijn -zoons—meer nog misschien hun mentors?—hem in de laatste jaren hebben -gekost, en mocht hij enkele malen pijnlijk getroffen worden door den -toon, dien de barones zich tegen Van Beevelant veroorlooft, het gedrag -van den tegenwoordigen gouverneur waarborgt hem, dat tooneelen als -vroeger somtijds voorvielen nu tot de onmogelijkheden behooren. - -Ook—en dit verhoogt zijn geluk niet weinig—ook het hartstochtelijk -verzet van Clotilde tegen de onderdrukking harer stiefmama heeft -opgehouden. Wijdt ze haar liefde aan vader en broers, ze behandelt haar -moeder met al de onderscheiding waarop deze aanspraak maakt—en dit is -niet weinig! Zij schikt zich naar luimen en nukken, die haar vroeger -ondragelijk schenen; ze zwijgt, zij het dan met pijnlijken blos, op -grove hatelijkheden; ze stompt scherpe pijlen af door ze te ontvangen -met een vriendelijk woord. - -Soms, als haar vader haar gadeslaat—zijn heftig kind zoo stil en -zachtmoedig—ontdekt hij op haar gelaat een geheel nieuwe uitdrukking, -die aan de kinderlijke trekken iets echt vrouwelijks schenkt, en hij -mist ter nauwernood de kuiltjes en lachjes, die langzamerhand -verdwijnen, want ze herinnert hem, gelijk ze nu is, een ander gelaat -met datzelfde waas van droomerige teederheid en hij bemint in haar het -verloren ideaal. Soms echter, als ze de oogen naar hem opslaat, vraagt -hij zich af, of ze niet wellicht in stilte bemint? Immers alleen eene -vrouw die bemint heeft dien blik. - -Maar dit is nu juist de doodzonde, die mevrouw Van Waliënhove haar niet -vergeeft: ze bemint noch in stilte, noch in het openbaar. ’t Is dan ook -reeds sedert veel langer dan een jaar dat mevrouw Ramsberge ongerust -begon te worden, ja, zich ernstig boos maakte over de kuren van die -Clotilde. - -»Mijn hemel, wat was dat nu voor een inval van dat domme schaap om niet -te willen trouwen! Neen, maar ik vraag u, waar moet het heen met de -meisjes in Indië, wanneer de dochter van den gouverneur-generaal zulk -een voorbeeld geeft? ’t Worden compleet europeesche toestanden.« - -En hoe Ramsberge het haar ook afraadt, ze kan het niet laten, ze moet -nu en dan mevrouw Van Waliënhove eens polsen, ze moet van tijd tot tijd -eens informeeren of er nu nòg niets gaande is. - -»Neen, niets,« antwoordt onveranderlijk mevrouw Van Waliënhove. - -Ze bijt die woorden af, alsof ze gal en alsem bevatten, en om haar -mondhoeken vertoont zich een plooi die een minder dom schepsel als de -generaalsche zou hebben gewaarschuwd dit onderwerp maar liever niet aan -te roeren. - -»Foei,« rammelde ze door, terwijl ze zich koelte toewuifde, »’t is -ongehoord! Niets, zegt u? heelemaal niets? Men vraagt zich af: wat -bezielt zoo’n meisje?« - -»Ja,« zei de ongelukkige moeder, »dat moogt u wel vragen. Men moet de -inbeelding van Clotilde hebben, om partijen zooals zij heeft kunnen -doen af te slaan. Ik heb haar gister nog doen opmerken dat de gekroonde -hoofden in Europa allen getrouwd zijn; ’t kon zijn dat ze daarop -wachtte.« - -»Ze verdient dat ze overblijft,« zegt mevrouw Ramsberge met een -heftigheid, waaruit blijkt dat dit de schrikkelijkste straf is die ze -bedenken kan. - -Mevrouw Ramsberge is niet de eenige die in dezen geest spreekt. Al de -aanhangers van de barones—en ze heeft aanhangers!—vinden dat het -eigenlijk niet te pas komt, voor de dochter uit een eerste huwelijk, -ongetrouwd te willen blijven; ’t is waar, ze is natuurlijk vrij als -ieder ander, maar stiefmoeders verwachten nu eenmaal dat haar -stiefdochters haar zoo spoedig mogelijk zullen ontslaan van haar -tegenwoordigheid en hebben nu zulke meisjes het recht om de tweede -vrouw van hun papa teleur te stellen in die billijke verwachting? - -Een jaar is ook verloopen sedert aan den morgen van een blijden dag -vriendenhanden de villa op het Koningsplein zoo rijkelijk beschonken -met kransen en bouquetten dat ze een bloemtuin geleek. Ter nauwernood -geloovend aan het geluk hem beschoren, kwam de bruigom uit dien -bloemtuin de schoonste roos plukken en niet lang daarna brachten de -heer en mevrouw Hagen hun eerste bezoek in de kleine luitenantswoning. - -»Ik dank u! o papa, ik dank u!« riep het jonge vrouwtje telkens weer, -ook nadat ze reeds voor alles bedankt had, en toen de ouders -terugkeerden in hun eigen huis vonden ze het er niet zoo eenzaam en -ongezellig als ze indertijd gevreesd hadden dat het er zijn zou zonder -Gertrude: ze hadden altijd stof tot praten, ze moesten altijd weer zich -verbazen over »die kinderen«, die zoo verwonderlijk verliefd, zoo -verwonderlijk gelukkig waren. - -Een jaar ook sedert mevrouw Verschuere ten tweeden male werd -teleurgesteld in de hoop, dat zij voor veel wat haar in het huwelijk -was ontzegd vergoeding zou vinden in het moederschap; dat ze haar hart -gebood om stil te zijn en te doen als de kinderlooze vrouwen onder hare -kennissen, wier mannen geheel in beslag genomen worden door hun -betrekking: tevreden leven zonder de hulp dier mannen. - -Eenmaal tot dit besluit gekomen, begon ze na te gaan welke middelen een -»vrouw zonder kind en bijna zonder man«, zooals ze zichzelve met een -weemoedig lachje noemde, ten dienste staan om de lange indische dagen -door te komen. - -De huishouding, de keuken, de tuin, lectuur, conversatie, muziek. - -En dan, wat de meeste dames missen en zij in de gegeven omstandigheden -niet genoeg waardeeren kan, haar liefhebberijen; haar talent voor -teekenen, haar studielust, haar botanische kennis en de prachtige -gelegenheid, welke de Plantentuin biedt om die kennis te vermeerderen. - -De huishouding.. ja, met de helft van Verschuere’s traktement zou die -haar handenvol werks gegeven hebben, maar nu is bijna alles wat ze -daarin doet verkiezing, geen noodzaak. - -Mingo heeft zes jaar bij haar man gediend toen deze nog ongetrouwd was -en is in dien tijd van alleenheerschappij een uiterst bekwaam mandoer -geworden. Maar hij wil als zoodanig erkend zijn. En het is vreemd—voor -Agnita ten minste, die nog niet weet hoe de inlander met zijn stille -tegenwerking ons brengen kan waar hij ons hebben wil—’t is vreemd hoe, -zoo dikwerf zij handelend optreedt, een partij of diner minder goed van -stapel loopt dan wanneer ze met een vleiende verzekering van onbepaald -vertrouwen alles aan Mingo overlaat. - -In haar keuken durft ze niet komen. Haar oude kok is een indische -Vatel. Hij heeft achtereenvolgens gekookt voor zeven landvoogden, met -het gevolg dat hij zeer juiste begrippen heeft over het vergankelijke -van alle aardsche grootheid en veel boter gebruikt. - -Mevrouw Verschuere zou hem liefst hebben weggezonden, daar hij haar een -gevoel geeft alsof het zijner onwaardig was ergens anders dan op het -paleis te dienen, maar op raad harer goede vriendinnen behield ze hem, -niettegenstaande zijn fabelachtig botergebruik, zijn voorkomen van -miskend genie en een andere eigenaardigheid, die haar veroordeelt -altijd met afgetreden landvoogden rekening te houden. - -Den eersten keer namelijk dat ze hem opdroeg een zekere pudding te -maken, had hij gevraagd: »à la Sloet van de Beele of à la Mijer?«; hij -maakte de hertenbout gereed à la Lansberge, rissoles à la Loudon en een -aspic à la Duymaer van Twist... die trouwens zóó verrukkelijk was, dat -hij zelfs Multatuli zou gesmaakt hebben. - -Wanneer zij een enkele maal het waagde een aanmerking te maken, dan -wierp hij haar een half dozijn excellenties naar het hoofd, die den -door haar gelaakten schotel dus en niet anders gewenscht hadden, en met -dit wapen wist hij haar, zoo niet geheel van zijn domein te verdrijven, -dan toch op eerbiedigen afstand te houden. - -Ook aan haar toilet behoeft ze weinig tijd en nog minder gedachten te -wijden. Thuis maakte zij zelve haar kleedjes en droeg ze met de -grootste voldoening, tot... ze at van den boom der kennis. Een -kunstenares in het vak kleedde haar gedurende hun verblijf in de -wereldstad; ze moest zichzelve bekennen, dat dit toch nog heel iets -anders »was« en stemde gaarne toe, toen Gustaaf het plan opperde -tweemaal ’s jaars een bestelling te doen in Parijs. - -In het kort, ze behoefde, om een onder huismoeders geijkten term te -gebruiken, geen vinger uit te steken. - -Dus wandelde ze en botaniseerde en herboriseerde; dus speelde ze piano -tot de buren haar weg wenschten; dus teekende ze aquarellen en -schilderde stillevens; dus studeerde ze en verdiepte zich in allerlei -geleerde betoogen; dus maakte ze cadeautjes voor alle bruiden en -kransen voor alle begrafenissen en jurkjes in alle luiermanden en lieve -attenties voor alle jarigen. - -Wanneer dit alles niet baatte, liet ze haar coupé voorkomen en ging -dikwijls ’s morgens om half elf reeds visites maken. - -Visites maken was de eenige bezigheid, waartoe ze door het heilige -Moeten gedwongen werd. Men leed in Buitenzorg aan de conversatiemanie, -die het leven in Indië tot een last kan maken, meer dan muskieten of -warmte. - -Ofschoon de residentie er langzamerhand te groot voor was geworden, -huldigde men er nog steeds het systeem der buitenposten, dat iederen -nieuw aangekomene dwingt bezoeken af te leggen bij de notabelen, en -ieder die deze bezoeken niet aflegt beschouwt als een wezen zonder -opvoeding, voor niets geschikt dan voor een spoedige overplaatsing. - -Verschuere had bij aankomst in Buitenzorg zijn visites gemaakt, maar -sinds het aanvaarden van zijn nieuwe betrekking volgde hij het -voorbeeld, door de meesten zijner voorgangers gegeven: hij ging niet -meer uit. Van bezoeken in den vooravond was geen sprake: recepties -woonde hij alleen bij, als ze ten paleize werden gegeven; voor -speelavondjes bedankte hij onvoorwaardelijk; niet dat hij soms niet -dollen lust had in een partijtje, maar hij kende zijne Buitenzorgers: -als hij de eene uitnoodiging geweigerd, de andere aangenomen had, dan -zou de burgeroorlog zijn ontbrand. - -Nita ware liefst met hem thuis gebleven. Maar daarvan wilde hij niet -hooren. Integendeel, hij wenschte dat zij zou goedmaken wat hij te kort -kwam op dit punt. Hij wist, dat het publiek niets zoo moeilijk vergeeft -als dit, dat men toont buiten het publiek te kunnen, en daar zijn -politiek meebracht het niet tegen zich in het harnas te jagen, gaf hij -op gezette tijden groote partijen, opgeluisterd door hooge gasten, -fijne wijnen en de lekkerste gerechten die de gouverneur-generaalskok -wist te bereiden. - -Dan verklaarde hij aan ieder die het hooren wilde, welk een bezwaar het -was, aan zijn betrekking verbonden, dat men zoo iets prettigs als -visites maken er voor moest nalaten, en men ging verrukt naar huis en -was tevreden met de bezoeken die Nita aflegde, zoo geregeld en zoo -getrouw, alsof het gouvernement er haar voor bezoldigde. En waarlijk, -het geleek dikwerf meer op dienst dan op uitspanning. - -James was haar een trouwe cavalier. Overal waar ze verscheen werd ze -even hartelijk welkom geheeten en beklaagd dat ze altijd zoo alleen -moest uitgaan, maar zij zelve wist niet of ze het wel zoo treurig vond. -Als de liefde, die ze voor Gustaaf gevoelde, vatbaar was geweest voor -verandering—maar dat was ze niet, daarvoor vervulde ze te veel haar -geheele bestaan—dan zou ze hem minder lief gehad hebben wanneer ze met -hem in gezelschap was. - -Hij kon haar dáár zoo vreemd worden! Hij geleek daar zoo weinig op het -ideaal, dat ze in haar hart bewaarde sinds haar eerste meisjesjaren, -zoo weinig op den Gustaaf, van wien ze hoorde spreken telkens als ze -met haar ouders een bezoek bracht op het oude kasteel te Bloemduin; den -Gustaaf, waarmee zijn vier oude tantes dweepten, gebogen over haar -theekopjes: wiens brieven werden voorgelezen, wiens portret haar -aantrok met geheimzinnige macht, dien ze verwarde met de helden uit -hare geschiedboeken.... tot hij eindelijk verscheen in haar eenvoudig -dorpje, omstraald door de glorie van een langdurig verblijf in den -vreemde, in de volle kracht van zijn overheerschenden geest, van zijn -mannelijke schoonheid. - -Ze kon het daar ternauwernood gelooven, dat hij niet een dier mooie, -trotsche vrouwen gekozen had, aan wie hij nu zoo hoffelijk den arm -bood, doch haar, het onervaren kind, dat hem niets had te bieden dan -wat hij niet scheen te behoeven, haar liefde; en soms, als ze hem -gadesloeg, kon de gedachte haar komen beangstigen, dat hij vroeg of -laat zou wenschen een dier schitterrende starren gehuwd te hebben, -liever dan zijn nederig bloempje. - -Neen, dat was niet haar geliefde, die glimlachende hoveling die met -uitgestrekte hand toetrad op den hooggeplaatsten ambtenaar dien hij in -stilte verachtte; niet haar Gustaaf, die mevrouw Heylerts noodde om met -hem te soupeeren en dan Van Sonnefelt eene plaats aanbood aan hun -tafeltje: niet haar Gustaaf, die Amalia te Leurse haar koket spel met -hem drijven liet, om er zich later mede te amuseeren; die met mevrouw -Van Waliënhove spotte over mannen en vrouwen, door hem—dit wist ze—in -andere oogenblikken gevleid en gevierd. - -Hij heeft haar geleerd, dat de wereld zulke onoprechtheden eischt: hij -heeft haar gezegd, dat dit de valsche munt is, waarmede men elkaar in -zekere kringen betaalt, dat niemand dwaas genoeg is om ze voor echt te -houden, en ze heeft er ook niet meer zooveel tegen dat andere dit doen, -maar dat hij, hij, wien ze hooger schat dan al die anderen, dat hij er -zich toe vernedert!... - -Soms, bij het naar huis rijden, sprak hij voort in dienzelfden lossen, -wereldschen toon.... Ach, ze had hem zoo gaarne opheldering gevraagd -over veel wat haar bevreemdde: zij wenschte niets liever dan van zijn -lippen te hooren dat ook hij walgde van dit veinzen en vleien, dit -huldigen van grootheid, dit moedwillig niet opmerken van het lage of -gemeene, wanneer het voorviel in de hoogere rangen; maar ze durfde -niet... ze vreesde zoozeer voor het verlies van haar ideaal! Ze nam -slechts zijn hand in de hare en vroeg: »Te Bloemduin, bij pa en ma, -deed je je voor zooals je werkelijk was, niet waar? Dit alles is je -geen ernst, is ’t wel, Gustaaf?« - -Dan sloot hij haar lachend in zijn armen en beproefde de droefheid weg -te kussen van het bleek, vermoeid gezichtje en beloofde, dat later, -later, als deze tijd van werken en streven voorbij was, dat later ze in -hem den Gustaaf zou terugvinden dien ze te Bloemduin had liefgekregen. - -En ze geloofde hem. Ze vermaande zich om geduld te hebben, ze beproefde -om het heden met zijn raadselen en vragen te vergeten in de herinnering -aan het zalig weleer; in de hoop op een niet al te verwijderde -toekomst. - -’s Morgens waren alle wolken verdwenen van het gezichtje, dat hem -toeknikte bij het ontwaken: ze had bij het eerste ochtendgloren -gestaard op het gelaat, dat den vorigen avond haar een oogenblik vreemd -scheen: ze had de lokken weggestreken tot het edele voorhoofd bloot -kwam en er bij de aanraking der geliefde hand een glimlach zweefde om -zijn lippen; ze had teruggevonden wat ze zoo noode miste. - -Toen Verschuere niet meer met haar kon uitgaan, betreurde Agnita dat -slechts ten halve. Immers meer dan wanneer ze haar bezoek, altijd -vergezeld van Verschuere, had afgelegd, werd ze vertrouwelijk met de -dames, vooral daar ze nogal eens ’s morgens kwam en dan in de -achtergalerij werd ontvangen. - -Soms, als zij ze zoo bezig zag, den blos der gezondheid op de wangen, -vroolijk en opgewekt niettegenstaande de vele drukte, kwam zij op het -denkbeeld te vragen naar het middel om zoo opgewekt te blijven en zoo -gezond vooral. - -Ze gaven raad, zooals we meest raad geven: te veel vervuld van eigen -belangen en eigen bezwaren en eigen grieven, om ook maar voor enkele -oogenblikken geheel te kunnen opgaan in den toestand van haar die onze -hulp en belangstelling komt inroepen. - -Ieder bezag haar geval van een verschillend standpunt. De tobbers met -groote gezinnen, die ze aantrof in een verkreukelde kabaia, met een -gezicht rood van ergernis luie bedienden voortdrijvend, keken half -benijdend naar haar geborduurde peignoir, haar zorgvuldig opgemaakte -krullen, haar kalm, zacht getint gelaat. »Als u nog klaagt, mevrouw,« -riepen ze, »die alles heeft wat u begeert, die rijden en wandelen kunt -wanneer u wilt, die uitstapjes kunt maken naar Batavia en nooit van een -bal of partij behoeft thuis te blijven om de kleine peuzels, wat moet -het dan niet zijn voor ons, voor ons, die..?« en dan volgde een lang -relaas van spreeksters groote en kleine misères. - -De jonge vrouwen—getrouwd om positie of fortuin, maar daarom niet -minder gelukkig; en helaas, zoo zijn er vele—verbaasden zich ten -zeerste over haar. Mijn hemel, ze kon uitgaan en menschen zien, zich -mooi kleeden, desnoods zich een beetje het hof laten maken... wat wou -ze meer? O ja, de dagen zijn lang, dat is zoo; maar als men ’s avonds -laat thuis komt, dan kan men den volgenden morgen gebruiken om uit te -slapen, en dat helpt enorm om ze door te komen. - -De vrouwen die zelve niet denken, maar toch zoo’n ochtendbezoek heel -aardig weten te passeeren met te herhalen wat ze hier en daar -opvingen—en helaas, zóó zijn er ook vele!—begrepen dat ze best deden -met haar mee te praten. - -Ja, zekert ’t was een plantenleven, dat leven van de dames in Indië; -niet waar, geen afwisseling? - -Ja juist, dat was zoo vervelend, dat men geen jaargetijden heeft. - -Zeker, dat op- en ondergaan van de zon altijd op hetzelfde uur, ze had -wel gelijk—het was vreeselijk eentonig! Maar och... als mettertijd... -ze moest maar geduld hebben. - -O, daar was het weer! Dat kind! Waarom spraken ze daar toch allen over? -Wisten ze het dan niet, de dames, die haar maar steeds vervolgden met -een verwachting, welke nooit verwezenlijkt werd, wisten ze het dan niet -dat uitgestelde hoop het hart verteert? - -Ze wilde niet meer hopen, ze zocht naar een andere oplossing van het -vraagstuk haars levens. Toen echtgenoot en vrienden haar hadden -gesmeekt, toch de droefheid te matigen, die haar voor altijd dreigde te -knakken, toen vroeg ze hen haar te helpen, door niet te gewagen van dat -beloofde land, aan welks ingang ze tot tweemalen toe stond zonder het -te mogen binnentreden... en nu kwamen die vreemden en dwongen haar -telkens weder, naar het gesloten paradijs om te zien. - -Neen, daar was geen hulp! - -»Je hebt toch alles wat je begeert?« vroeg Verschuere soms, verontrust -door die smachtende uitdrukking in haar oogen. »Zeg kind, wat ontbreekt -je? Zeg het en ik zal het je bezorgen.« - -»Neen, niets lieve! Dank je.« - -Wat zou het baten of ze hem zeide wat haar ontbrak? Hij kon het haar -immers toch niet geven? ’t Was anders wel weinig, wat zij hem had -willen vragen.., alleen wat meer van zijn tijd, van zijn gedachten, van -zijn hart!... - -Eerst had ze gemeend, dat als ze zich maar eenmaal had losgemaakt van -die gedachte aan een kind, alles beter gaan zou. Ze had zich haar -bestaan afgebakend, haar dagen van uur tot uur verdeeld, ze had zich -aangegrepen, zooals ieder haar vermaande te doen; ze was moedig -begonnen met het nieuwe leven en toch, vreemd... ze kon dat gevoel maar -niet van zich afschudden, alsof er iets komen moest om het ledig te -vervullen, dat grooter en grooter werd, alsof iedere dag eindigde -zonder haar te brengen wat ze onbewust van iederen dag vroeg. - -Vreemd?... Met die eigenaardige, echt vrouwelijke natuur, die haar -dreef om van elk harer gewaarwordingen rekenschap te geven, om het -oordeel te vragen, de goedkeuring te verlangen van haar echtgenoot, met -die innige behoefte om vreugde en leed te deelen met wien ze liefhad? -Met die neiging om niet zelve te handelen, maar nederig een steun te -zoeken en zich geheel op dien steun te verlaten? - -»Kom eens mee, Gus! toe, kom eens zien. Ik heb een tak orchydeeën -geteekend en ’t is zóó beeldig uitgevallen.« - -»Ja, lieve, dadelijk; ik zit midden in een stuk... Zoodra ik klaar -ben...« - -Ze wachtte. Soms een half uur, soms langer. En als hij dan kwam vond -hij haar stil en lusteloos; de opgetogenheid was voorbij, ze vond het -niet eens meer de moeite waard, hem te laten zien wat ze daar straks -zoo geroemd had; bij nader inzien was het niets buitengewoons. - -Een ander maal kwam ze zijn bureau binnensluipen, een schetsje in de -hand; ze waagde het niet hem toe te spreken, ze kuchte nu of dan eens, -tot hij haar hoorde en omkeek. - -Ze kon zich niet beklagen dat hij haar niet vriendelijk ontving; hij -schreef even den volzin af, dien hij begonnen had, stond op van zijn -schrijftafel, ging mee naar het venster om het volle licht te doen -vallen op de teekening en prees of laakte met kennersoog. Dan kuste hij -het naar hem opgeheven gelaat vluchtig en verstrooid en keerde naar -zijn plaats terug. - -Soms bleef ze toeven aan de deur; schoorvoetend, hopend dat hij haar -wellicht nog tot zich zou roepen, wachtend of hij haar misschien nog -iets te zeggen had.. Ze zag hoe hij het hoofd weer boog over zijn -papieren, ze wist dat ze hem hinderen zou, als ze langer bleef... en -weer gingen dagen voorbij dat ze geen potlood of penseel in handen nam. - -Dan zeide ze tot zich zelve, dat ze niet knap genoeg voor hem was en -wierp zich op de boeken. Ze had geen hoofd voor diepzinnige studies, -maar ze had den scherpen blik, die vrouwen doet begrijpen waar mannen -zich moeten inwerken, en zoo kon ze een enkele maal, wanneer de heeren -een of ander vraagstuk behandelden, meespreken, zij het dan ook -aarzelend en met een blos die vergeving scheen te vragen voor haar -vermetelheid. - -Verschuere luisterde gaarne, als ze sprak met haar melodieuse stem, die -ook het meest dorre onderwerp aantrekkelijk maakte; hij knikte haar -bemoedigend toe wanneer ze schroomde met haar meening voor den dag te -komen: hij noemde haar zijn madame De Stael en vroeg lachend of ze -voornemens was om, wanneer hij eens lid in den raad van Indië mocht -worden, hem de rol te laten spelen van den heer Hagen. - -Maar wat ze zoozeer had gehoopt, wat haar moed had gegeven tot zooveel -inspanning, dat hij nl. met haar spreken zou over wat hem bezig hield, -dat hij een enkele maal haar oordeel vragen zou, dat hij een deel van -den last door hem gedragen, zou willen leggen op haar schouders, dit -gebeurde niet. Niet dat hij een dier mannen was van halve beschaving, -wie de ontwikkeling der vrouw een ergernis is, omdat die ontwikkeling -hen beschaamt! o neen, als hij mevrouw Hagen ontmoette of mevrouw -Heylerts, genoot hij van het zoo zeldzaam geboden voorrecht, verstandig -te kunnen spreken zonder in den schertsenden toon te vervallen, welken -mannen bewaren voor vrouwen met wie ze niet praten kunnen en die zoo -vermoeiend wordt op den duur. Hij zag echter in Nita nog altijd »het -kleintje«, dat hem geboeid had door haar kinderlijken eenvoud, haar -onbekendheid met het leven; ze was hem nog altijd »de jongste«, van wie -niemand iets anders verwachtte dan dat ze lief was en mooi;... hij gaf -zich geen rekenschap van de groote verandering die met haar had plaats -gegrepen. - -Verre van haar aan te moedigen tot de studiën, die haar tot hem moesten -opheffen, bracht hij haar terug tot vroeger dagen, sprak hij over de -herinneringen harer jeugd, over het ouderlijk huis, over het -vriendelijk Bloemduin, over de tantes en haar eigenaardig bestaan, over -de boeren en hun kinderlijk bijgeloof en hun grappige gewoonten. - -Dat was ontspanning voor hem! Dat was vermakelijk en belangwekkend en -nieuw. Want hij had bijna geen jeugd gekend, noch den onwaardeerbaren -zegen van op te groeien in een gelukkig thuis, te midden van gelach en -liefde, van bloemen en feestjes; hij was vroeg verweesd, het kind van -een groote stad, van een strenge kostschool; hij had als knaap, als -jongeling slechts kunnen droomen van zijn liefelijk geboorteland en het -noodlot leeren verwenschen, dat hem zoo jong daaruit verdreef. - -Als ze van »thuis« vertelde boeide ze hem misschien dubbel, omdat dan -het ernstig mondje weer zoo vroolijk lachte, omdat dan de droomerige -oogen weder iets herwonnen van den ouden warmen gloed. - -Maar hij luisterde slechts zooals men na ingespannen arbeid luistert -naar lieve muziek. Hij zelf had geen behoefte om te spreken, geen -behoefte om haar deelgenoot te maken van zijn gedachten. En zoo gingen -ze dan naast elkander voort, schijnbaar nauw vereend en toch even ver -van elkaar verwijderd als de palmen op regelmatigen afstand geplaatst -langs den weg dien zij betraden; hunne kruinen verheffen zich te zamen, -ze wuiven elkander kussen en groeten toe, maar hunne wortels blijven -gescheiden. - - - - - - - -XXI - -EEN VERLIES EN EEN TROOST. - - -»Kom, zus, wat zit je hier nu te tjingelen op die vervelende -rammelkast; ga liever met ons mee!« - -»Met jullie mee?« vraagt Clotilde, terwijl ze zich vol verbazing -omdraait op haar pianostoel. »Hebt jullie dan geen les vandaag?« - -»Neen we hebben vacantie!« juicht Felix, neemt haar hand in de zijne en -wil haar meetrekken. - -Maar Oscar, die het noodig vindt een einde te maken aan de ongeloovige -verbazing zijner zuster, verklaart: »Weet je wat het is, Tilde? -Mijnheer heeft een brief gekregen uit Holland en toen zei hij dat we -weg konden gaan.« - -Clotilde is opgesprongen van haar tabouret. - -»Een brief uit Holland?« vraagt ze. »En.... zei hij toen, dat je weg -kondt gaan?« - -»Ja. Maar wat is er, zus? Wat kijk je raar!« - -»Begrijp je dat dan niet?« En als de kinderen haar zwijgend blijven -aanstaren roept ze driftig: »Hè, wat zijn jullie toch een paar akelige -ongevoelige jongens!« - -»Vin je dat?« vraagt Oscar, niet gewoon zoo te worden toegesproken. -»Kom Fe, dan hebben we hier niets meer te maken.« - -Maar ze houdt den knaap terug met een wenk harer oogen. - -»Neen, blijf hier... ik meen het zoo niet... jullie kondt niet -weten...« Dan: met een stem, bevend van ontroering: »Mijnheer heeft -zeker slechte tijding.« - -»Ja, dat kan wel zijn, hij praatte op eens zoo zachtjes.« - -»Herinner je je niet wat ik je laatst gezegd heb? Dat je het hem niet -lastig maken mocht omdat hij verdriet had? Ik wist toen reeds dat zijn -zuster ziek was.« - -»Kassian!« zegt Felix. »Zou ze dood zijn?« - -»Ik hoop van neen,« fluistert Clotilde nauwelijks hoorbaar. Zóó -ontsteld is haar gelaat, dat Oscar het zachtjes begint te streelen met -de vraag: - -»Heb je zoo’n medelijden met hem, zus?« - -Clotilde wendt het hoofd af. De ervaring leerde haar dat wilde jongens -scherpe opmerkers zijn kunnen. - -»Ja, natuurlijk,« brengt ze met moeite uit. En een oogenblik later als -ze meent haar stem beter in bedwang te hebben: »Jullie dan niet?« - -»O, jawel! Maar willen we nu gaan cricketten?« - -Ze trekt Felix tot zich en terwijl ze hem de krullen van het voorhoofd -wegstrijkt, vraagt ze verwijtend: »Zou je daar lust in hebben, terwijl -die arme mijnheer Van Beevelant zoo’n verdriet heeft?« - -»Maar... we hebben nooit eens vacantie!« - -»Hij is heel alleen,« fluistert ze. - -Oscar behaalt een overwinning op zich zelf. »Willen we naar hem toe -gaan?« vraagt hij. - -»Doe dat... Jij ook, Fe. Kom, doe dat!« Dan, als ze nog aarzelen, met -de vrees die kinderen koesteren voor droefheid, smeekt ze: »Om mij -pleizier te doen!« en nu gaan ze nog wel niet vlug, maar toch gewillig. - -Ze blijft onbewegelijk zitten, waar ze daar straks is neergezonken, in -den grooten fauteuil bij den vleugel: haar bleek gelaat steekt scherp -af tegen de helroode zijde; ze klemt de nagels in de polster en trekt -de zware franje uit, de brandende oogen onafgewend gericht op de deur -waardoor de knapen verdwenen. - -Niet lang duurt die spanning. Oscar komt naar binnen vliegen met de -hoogroode kleur van een jongen, die een heldenfeit meent te hebben -verricht. - -»We hebben het gedaan!« - -»Maar hij houdt de deur dicht!« roept Felix. - -»Heb je dan niet geklopt?« - -»Kloppen? We bonsden! Maar hij wou niet antwoorden.« - -»Hoorde je niets?« - -»Jawel!« antwoordt Oscar. »Ik hoorde... och, je weet wel zooals je -laatst deedt, toen je je voet had gebrand.« - -»Hè, zus!« roept Felix, die, hoewel minder gevoelig dan Oscar, veel -zenuwachtiger is, »wat vind ik dat naar om te hooren, zoo’n grooten man -die kermt alsof hij pijn had.« - -»Ga maar cricketten,« zegt ze. Het kost haar moeite die weinige woorden -uit te brengen, en als ze haar vragen in hun spel te deelen, kan ze hen -nog slechts antwoorden met een afwijzend gebaar. - -De voetstappen der jongens, nu veel vlugger dan daareven, sterven weg -in de vestibule, op de trappen; langzamerhand, naarmate het stiller -wordt in de muziekzaal, voelt ze de kracht om zich te beheerschen -verdwijnen: ze strijkt met de hand over het voorhoofd, ze loopt het -vertrek op en neder, ze haalt diep adem; eindelijk vindt ze woorden -voor de aandoening, die zoo op eens haar kwamen bestormen. - -»Ze hoorden hem kermen... alsof hij pijn had!« fluistert ze. »Alsof hij -pijn had! Ze was zijn lievelingszuster... ik weet het van Nita. De -Verschuere’s zijn de eenigen met wie hij spreekt over zijn -familieomstandigheden. Met mij is hij niet vertrouwelijk... o neen! Hij -stoot mij terug... alsof hij bang was voor te veel toenadering. Toch -onlangs, op gevaar af van onbescheiden te schijnen, heb ik hem -gevraagd, wat de reden was van zijn sombere stemming. Toen vertelde hij -me van haar ziekte en van zijn vrees voor slechter tijding... En nu -moet hij zijn smart alleen dragen. Alleen! Ver van allen die hem lief -zijn. Alleen!« - -Ze herhaalt dat woord tien, twintig malen, zonder het zelve te weten; -ze voelt slechts, terwijl ze het herhaalt dieper en dieper de sombere -beteekenis er van. - -»Hij kermde... alsof hij pijn had! Dat te weten, en hier te staan, -machteloos, werkeloos!« - -Als het een vreemde was, zou het gewone medelijden, dat men gevoelt -voor ieder die in droefheid is, haar dringen tot hem te gaan. Als hij -een vreemde was! Hoeveel te meer dan een huisgenoot! Hoeveel te meer -een man, die sedert twee jaren zich aller achting en genegenheid heeft -waardig gemaakt; hoeveel te meer de zoon van haars vaders oudsten -vriend! - -»Was papa maar hier! Of Verschuere! Mijn God, waarom is nu ook iedereen -weg! Nita zou nooit zijn meegegaan naar Batavia, als ze had kunnen -vermoeden hoe noodig ze hier was! En Van Suylichem, die juist van -morgen vertrok met verlof naar Soekaboemi. Iedereen weg... behalve -mama!« - -Alleen! - -Straks vliegt ze overeind. Ze doet een paar schreden. Daar staat ze -stil, het hoofd zinkt haar op de borst, de hand, die ze ophief om de -portière terug te slaan, valt slap neer; ze keert weder naar haar -plaats, langzaam, moedeloos als de gevangene, die een oogenblik zijn -ketenen vergat. Ze heeft alle bewustzijn van tijd verloren, zoo vliegen -haar de gedachten door het hoofd, zoo snel, zoo pijnlijk snel zijn de -kloppingen van haar hart, zoo veel, zoo diep, zoo geheel anders dan -ooit te voren gevoelt ze! Wanneer ze eindelijk ontwaakt, is het door -het geluid van haar eigen stem, die luide het geheim uitspreekt haar in -deze ure onthuld: »O God! heb ik hem dan zóó lief?« - -Straks ligt ze op de knieën, het brandend aangezicht verborgen, de -handen gedrukt op de zwoegende borst: alsof de storm, daar opgestoken, -kon bezworen worden door een paar zwakke meisjeshanden! - -»Maar als ik hem liefheb,« fluisterde het in haar, »als ik hem -liefheb... dan mag ik ook tot hem gaan! Dan mag ik het hem ook zeggen -dat hij niet alleen lijdt, dat hier dicht bij hem een hart klopt van -innig medegevoel...« - -»Tilly,« vraagt een angstige kinderstem, »Tilly, scheelt je iets?« - -Ontsteld ziet ze haar broeder in het gelaat. »Wat doe je hier?« roept -ze dan in zenuwachtige overspanning. »Heeft mama je gestuurd om me te -bespieden?« En als de knaap haar met angstige nieuwsgierigheid blijft -aanstaren: »Ga weg; ga weg, zeg ik je! Ik wil niemand zien!« - -»O zus! ik kwam je vragen of...« - -»Ga spelen,« roept ze. »Je moest immers volstrekt gaan spelen! Welnu, -doe het dan!« - -»Maar.... ik kan niet spelen.... ik denk zoo aan mijnheer....« - -In twee stappen is ze bij hem. Ze sluit hem in haar armen, ze kust het -bruingelokte hoofd. - -»Lieveling! lieveling!«... en ze barst uit in een vloed van tranen. - -»Laten we naar hem toegaan, zus.« - -Weinige oogenblikken later staan ze te zamen voor de gesloten deur. - -»Mijnheer Van Beevelant!« roept Oscar; maar het blijft stil daarbinnen. - -»Wilt u niet open doen? Ik ben het... Clotilde.« - -Hij hoort die stem, soms zoo overmoedig, voor hem zacht en smeekend, -die stem, waarin het hem is of hij pas geweende tranen verneemt. Een -smartelijk verlangen doortrilt zijn geheele wezen, een wild, -hartstochtelijk hijgen naar troost; een half waanzinnig smachten naar -een woord van deelneming. - -Hij staat aan de andere zijde der deur en beeft waar hij staat. O, al -was het maar voor één enkel oogenblik zijn hoofd te mogen nederleggen -in haar koele, zachte handen, al was het maar eenmaal zijn droefheid te -mogen uitweenen aan dat edele groote hart! haar te mogen zeggen dat hij -haar liefheeft en hoe vermoeid hij is van zijn strijd... die deur te -mogen openen, ze te verbrijzelen, die deur, al de deuren die hem -scheiden van haar! - -Hij slaat de hand aan de kruk... Daar, achter hem, ligt de brief, -geschreven met stervende hand, de brief, geheiligd door de tranen der -zusterlijke liefde en ’t is of een onverbiddelijke macht hem drijft om -telkens weer de woorden uit te spreken, die hij daarin las: - -»Wees sterk! o Frans, wees sterk!« - -»Freule,« spreekt hij, en zijn stem is schor van de bijna -bovenmenschelijke inspanning, die het hem kost zoo te spreken, »u weet -zeker niet dat ik alleen ben?« - -»Ja, dat weet ik, en daarom kom ik tot u.« - -Dit is te veel. Reeds is de deur geopend, reeds staan ze tegenover -elkander. - -Ze heft de oogen naar hem op, en hij weet dat ze geweend heeft om -zijnentwil. Ze reikt hem de hand, en de druk dier hand is hem meer dan -alle woorden van troost en bemoediging zijn konden. - -Straks keert hij zich tot Oscar en kust het naar hem opgeheven gelaat. - -»U hebt slechte tijding van huis?« vraagt de knaap. - -»Zeer slechte.« - -»Wat u vreesde is gebeurd?« fluistert Clotilde. - -Hij buigt het hoofd. - -Als ze zich heeft neergezet op den stoel, dien hij haar biedt, blijven -ze een oogenblik zwijgend tegenover elkander. Dan, met iets plechtigs -in gebaar en houding, rijst hij op en geeft haar den brief zijner -moeder. - -En terwijl ze leest bespiedt hij hoe diep medegevoel haar aangrijpt. -Hij heeft het nu zoo bleek en beschreid gelaat lief gehad van het -eerste oogenblik af, waarop hij het aanschouwde, een blozend, lachend -kindergezichtje met kuiltjes, die guitig wegscholen in ronde wangen, -met lokjes, die vroolijk stoeiden rond een onbewolkt voorhoofd, maar -nooit heeft hij haar zoo waarlijk schoon gevonden, of liever nooit -heeft hij haar schoonheid zoozeer bemind als in dit oogenblik. - -Straks slaat hij den arm om Oscar heen. Hij zag hem onrustig worden, en -ach! hij wil hen zoo gaarne nog een oogenblik houden; hij zou alles -geven om de weemoedige zaligheid van dit uur te doen voortduren. Maar -Oscar, die de schoolkamer altijd vervelend vindt, oordeelt dat het er -heden, met »die stilte en dat huilen en die lange gezichten«, niet is -om uit te houden. - -»Kun je het niet begrijpen, Oscar,« vraagt hij zacht, »dat ik erg -bedroefd ben? Jij, die ook zooveel van je zuster houdt?« - -Daar barst Oscar geheel onverwacht los in het luidruchtig gehuil, dat -bij jongens van zijn leeftijd de geliefkoosde uiting van smart schijnt. - -»O, mijnheer.. ’t was gemeen.. we hebben er spijt van.. geloof me, -mijnheer, Fé ook! Hij vindt het ook een gemeene streek.« - -»Wat? Wat toch?« - -»Dat we u, bij al uw verdriet ook nog het leven hebben zuur gemaakt met -al onze luiheid en onzen onwil.« - -»Maar mijn jongen, je kondt immers niet weten...« - -»Jawel,« gilt Oscar, »we wisten het wel! Zus had het ons gezegd! Zus -had ons gevraagd goed voor u te zijn.« - -»Hebt u hun dat gevraagd, freule?« - -Weer ligt haar hand in de zijne. Straks, als hij plotseling die hand -loslaat en opspringt en met groote stappen het vertrek op en neer gaat, -roept ze hem tot zich. - -»Ik dank u voor de lezing van dien brief. Ik dank u zeer. Hoe -stichtelijk is alles wat uw moeder schrijft over haar. Wilt u mij niet -wat meer van haar vertellen? Zou het u misschien geen goed doen, als u -over haar spreken kondt?... Dat is haar portret, niet waar?... Zij was -zeker mooi, is het niet? Met die expressie zou zelfs een minder fijn -besneden gezicht mooi zijn geweest.« - -»Ik weet niet of ze mooi was... Zij had dat eigenaardige in haar oogen, -wat alleen lieve vrouwen hebben en wat ons aan haar schoonheid zou doen -gelooven, ook al waren ze leelijk. Eigenlijk is ze maar heel kort jong -en mooi geweest; toen kwam de slag, die zulk een groote verandering -bracht in onze omstandigheden. Van dat oogenblik af was ze oudste -dochter, oudste zuster; niets anders. ’t Scheen haast of zij alleen de -kracht in zich voelde om de bitterheid der teleurstelling voor ons -allen dragelijk te maken: ik weet dat ze het als haar roeping -beschouwde. En het is haar bijna gelukt. Als ik nu terugdenk aan dat -blijmoedig lachje, aan die heldere stem, aan die onverstoorbare goede -luim, waarmede zij bij mama den moed opwekte, waarmee ze papa midden -tusschen zijn klagen en brommen, kon doen lachen, dan is het me alsof -we nooit ongelukkig geweest zijn.« - -»Uw mama schrijft, dat het heengaan haar zwaar is gevallen. Ik kan mij -dat nu begrijpen... als men zulk een heerlijke roeping heeft te -vervullen.« - -»Ja, ’t was niet om haar zelfs wil. Zij wist wel, dat het leven haar -niet meer geven zou wat de illusie is van een jong meisje... maar ze -moet ten volle hebben begrepen hoe onmisbaar ze was! Ja,« barst hij -eensklaps los, terwijl de lang bedwongen tranen hem langs de wangen -stroomden, »wèl onmisbaar. Ik ten minste gevoel een leegte zoo groot; -voor mij is het een gemis zoo vreeselijk... ’t Schijnt overdreven, niet -waar? Maar vergeet niet, dat wij te zamen achterbleven, toen pa en ma -van verlof terugkeerden naar Indië. De verhouding van twee kinderen, -die ver van vaderland en familie, te zamen opgroeien onder vreemden, -wordt zoo innig. ’t Was zoo’n moedertje voor me. Ze kon zoo dapper -opkomen voor mijn rechten, al was ze jonger en zwakker dan ik. Arme, -lieve Louise! Al mijn grootsche plannen heeft ze aangehoord met haar -zachten, hoopvollen glimlach, al mijn teleurstellingen met me -gedragen...« - -»En u zegt, dat het leven haar niet veel schonk?« vraagt Clotilde -opeens. »Een broeder te hebben, voor wien men alles zijn kan...« - -»Ja, dat moet u een geluk toeschijnen!« - -Er volgt een lange pauze.—»Is het u nooit in de gedachten gekomen,« -vraagt Clotilde eindelijk met droeve, zachte stem, »is het u nooit in -de gedachten gekomen, mijnheer van Beevelant, dat, bij al mijne -schijnbare voorrechten, ik eigenlijk bitter weinig bezit van datgene -wat voor andere meisjes het leven vervult. Geen zuster met wie ik -sympathiseeren kan, geen broer die mijn troost of deelneming behoeft, -geen moeder...« - -Er is in het gelaat, dat ze naar hem opheft, iets zoo onbeschrijfelijk -nederigs, iets zoo kinderlijk smeekends, dat het hem roert tot in het -diepst van zijn gemoed. Met uitgestoken handen, met geheel de -aandoening, die hem het spreken belet, uitgedrukt in den warmen blik -vol liefde, treedt hij op haar toe... Bij die plotselinge beweging -vallen eenige dichtbeschreven vellen papier op den grond. »Wees sterk! -o Frans, wees sterk!« - -Hij is sterk. De handen zinken slap neder, de gloed en de liefde wijken -uit het neergeslagen oog, hij bukt zich. - -»Dit is haar laatste brief,« zegt hij zonder te durven opzien naar het -arme, droevige gezichtje... »Ik wenschte dat ik u kon laten lezen wat -ze schrijft. Wilt u gelooven,« gaat hij nu bedaarder voort, »dat het -deze brief is, waardoor ik me heb kunnen doordringen van de waarheid -die ik maar niet bevatten kon, dat ze niet langer op aarde is? Terwijl -ik las, was het me alsof die woorden tot me kwamen uit hooger, reiner -sfeer, alsof het niet een sterfelijk wezen was dat tot me sprak, maar -een engel...« - -Hij heeft het hoofd gebogen over die laatste herinnering aan de -geliefde doode: zacht treedt Clotilde nader, legt de hand op zijn -schouder en fluistert: »Al ben ik uw zuster niet, al kan ik u niet zoo -begrijpen misschien, als u me een weinig vertrouwen wildet schenken... -misschien zou ik u wat kunnen troosten, langzamerhand...« En als hij -zwijgen blijft, trillend onder de aanraking der aangeboden hand: »U -zijt zooveel voor mijn broers: ik zou, nu Louise is heengegaan, zoo -gaarne iets voor u zijn.« - -Hij heeft het hoofd opgeheven, hij ziet rondom zich, hijgend als het -wild, dat, opgejaagd, te vergeefs een uitweg zoekt: nu grijpt hij naar -den brief als zijne laatste redding. - -»Clotilde! je zoudt niet willen, dat ik deed wat zij mij smeekt nooit -te doen... nooit, nooit. Je zoudt niet willen dat ik haar liefde -onwaardig werd...!« - -Ze blijft zwijgen, verschrikt door dien hartstochtelijken toon, door -dien wilden blik vol zielsangst. - -»Clotilde,« klinkt het weer, maar nu zoo toonloos, dat ze moeite heeft -te verstaan: »Ik ben zoo zwak, ik smeek je...« - -Onhoorbaar wenkt ze Oscar en verlaat met hem het vertrek. Maar als nu -de deur dichtvalt tusschen hen, dan weten ze het: al de deuren der -wereld kunnen hen niet meer scheiden. - - - - - - - -XXII - -FLIRTATION? - - -Het is negen uur in den morgen en nog schijnt de zon niet: een -zeldzaamheid in dit land, waar de Génestet’s dichtregelen ons soms op -de lippen komen, maar dan veranderd in de verzuchting: - - - »’k Ben u zoo moe, o heete zon! - Och! schijn niet alle dagen!« - - -Tegen den blauwen hemel legeren zich zilvergrijze wolkjes; er ligt een -fluweelen glans over de aarde, de lucht is doorzichtig, de atmosfeer -frisch en koel. - -In den Plantentuin, op het geboomte dat den vijver omgordt, dansen nog -de insecten, anders om dezen tijd van den dag reeds verjaagd door de -hitte, fonkelen nog de druppels op het gebladert, suizelt nog de -morgenwind in den waringin, zich welvend over het koepeldak. - -In den koepel heeft mevrouw Verschuere een plaats gezocht. ’t Is om uit -te rusten, want al doen lucht en beweging haar goed, ze vermoeien toch -ook. Het schetsboek ligt open op haar schoot, maar ze werkt niet, en -als ze het eindelijk opent, is het met de zucht van het kind, dat haar -les maar zal leeren omdat ze het boek in de hand en op het oogenblik -niets beters heeft om den tijd mede door te komen. - -Juist heeft ze het groepje boomen aan den overkant, met zijn -doorzichtig gebladerte, bestemd om haar heden tot onderwerp voor een -schetsje te dienen, als er een vlugge voetstap weerklinkt op den -begrinten weg. Ze zou geloofd hebben dat het een schooljongen was, die -daar zoo in volle vaart den heuvel kwam afrennen, als ze niet reeds -haar neef had herkend. - -»Morgen, Nita! Hoe gaat het?« roept hij van verre en doet wat hij kan -om zijn vaart in te houden. - -»Dag, James!« De toon harer stem verraadt hoe verheugd ze is over zijn -komst. »Is me dat nu een manier van je aan te dienen?« vraagt ze -lachend, »als een bal naar beneden te komen rollen? ’t Scheelde geen -zier of je waart in den vijver terecht gekomen.« - -»Geen nood. Ik wist dat waar jij waart ik altijd aan je voeten -neerval.« - -»Gekheid! in onzen tijd zinkt men neer op ijzeren tuinstoeltjes, niet -aan damesvoeten,« en ze wijst hem een der zetels naast den haren. - -»Hoe gaat het, Nita?« vraagt hij klaarblijkelijk zonder haar verstaan -te hebben. »Hoe gaat het?« en hij staart haar niet zonder zekere -bezorgdheid in het gelaat - -»O, heel goed!« maar ze ontwijkt zijn blik. - -»Hoe voel je je van daag?« - -»Wel, hoe zou ik me anders voelen dan uitstekend, op een morgen als -dezen?« is haar wedervraag. »Vin je ook niet? Er zijn van die dagen -waarin men niet denken kan aan de mogelijkheid van deze heerlijke -wereld te verlaten.« - -»Aan die mogelijkheid mag je ook niet denken, Nita,« spreekt hij zacht -en er klinkt moeilijk bedwongen aandoening in zijn stem. - -Dan zwijgen beiden. - -»En je vraagt niet eens hoe ik je hier heb ontdekt?« roept eindelijk -James op den gemaakt luchtigen toon, waarachter we gewoon zijn onze -aandoeningen te verbergen. - -»Je ontdekt me altijd; en zou je nu willen dat ik er juist dezen keer -verbaasd over stond!« - -»Ik heb Verschuere ontmoet op weg naar het paleis. Hij vroeg me of ik -je wat gezelschap wou gaan houden.« - -»Zoo is het gemakkelijk Columbus spelen. Maar—als ik je nu eens zei, -dat ik hier niet gekomen ben om te praten?« - -»Dan zou ik dat heel onbeleefd van je vinden.« - -»Ja? Dat spijt me. Want wezenlijk, ’t is de waarheid! Zoo’n ochtend als -vandaag, zoo’n zacht licht, heeft men haast nooit hier in Indië; ’t is -een dag uit duizenden om te teekenen. Ik zou er zoo graag van -profiteeren.. Mag ik?« - -»Dan zal ik je potlooden punten.« - -»Die zijn gepunt.« - -»Dan zal ik de bloem plukken die je teekenen wilt.« - -»Je treft het niet, James. Ik wil geen bloem teekenen vandaag. Zie je -dat groepje boomen dáár aan den overkant, waar het licht zoo lief -doorheen komt kijken? Nu, daarvan wou ik probeeren een schetsje te -nemen.« - -»Dan zal ik je mijn gemakkelijken stoel halen.« - -En vóór ze hem heeft kunnen terughouden, is hij den heuvel weer op en -weggerend naar het paleis. - -Er komt een dankbaar glimlachje om haar lippen spelen, terwijl ze hem -volgt met haar gedachten langs het nu reeds meer door de zon verlichte -pad. - -»Goede, beste jongen!« denkt ze. »Wat is hij altijd lief voor me en vol -attenties! Trouwens iedereen is lief voor me. Ik kan niet dankbaar -genoeg zijn voor al de hartelijkheid die me bewezen wordt. Vooral als -ik ziek ben, wat een belangstelling, wat een deelneming! En wezenlijk, -ik stel het geduld van mijn vrienden op een zware proef met dat -altijddurend sukkelen!« - -Straks ziet ze den weg op, of James nog niet terugkeert. - -»Maar niemand doet toch zooveel voor me als hij,« peinst ze. »Daar -loopt hij nu weer dat geheele eind, om me wat gemakkelijker te laten -zitten; wezenlijk, hij bederft ons kleintje. Eerst dacht ik, dat hij -zoo goed voor me was alleen uit liefde voor pa en ma, want hij -waardeert zoozeer wat ze voor hem deden, als, zegt Gustaaf, menschen -wie een weldaad bewezen werd, zelden doen; maar neen, ’t is werkelijk -genegenheid, een innige, oprechte...« - -Eensklaps komt een donkere blos haar gelaat verven: met een ongeduldige -beweging strijkt ze de hand over het gloeiend voorhoofd, maar ze kan -niet tegelijk met de zijden lokken de pijnlijke gedachten wegstrijken, -die daar zoo onverwacht opkwamen. - -»Nonsens,« fluistert ze, »nonsens! Een dom praatje, uit de lucht -gegrepen, een praatje dat geen enkelen grond heeft.« - -Maar reeds is ze opgesprongen van haar stoel, reeds gaat ze met -onrustige schreden het pad tusschen koepel en vijver op en neer. - -»’t Ware te wenschen dat de zoogenaamde »dames van ondervinding« ons -jonge vrouwen haar waarschuwingen bespaarden. Dan zouden we ten minste -kunnen genieten van de conversatie, dan zouden we vrienden kunnen -hebben; nu maken ze iederen man, die geen zestig jaar is, tot een -voorwerp van vrees en schrik!« Dan, terwijl ze eensklaps stilstaat en -met de punt van haar parasol gaten boort in den vochtigen grond: »Ik -moet het uit mijn hoofd zetten; ik moet mijn best doen er niet meer aan -te denken. Zoo’n jongen! Even oud als ik! ’t Idee! Iemand met wien je -honderdmaal kibbelde, dien je dikwijls straf hebt zien geven, dien je -geplaagd hebt met zijn eerste pogingen om een snor te krijgen. Neen, ’t -is al te dwaas! En toch.. van zijn kant.. Dáár, nu krijg ik al een -kleur omdat ik zijn voetstap hoor; dat komt van die onzinnige -praatjes!« - -In de stilte had ze hem reeds lang gehoord vóór hij bij haar was, en ze -kon hem dus met een kalm gelaat en vriendelijk glimlachje ontvangen. - -»Ga nu eens heelemaal op je gemak zitten. Is het geen heerlijke stoel? -En hier is een bankje en hier een sluimerrol.« - -»Soedah!« zegt hij tot den jongen, die hem ’t een en ander nadroeg en -dan met dat kinderlijke in zijn manieren, dat zoo goed staat bij zijn -forsch, krachtig uiterlijk: - -»Wat zeg je nu?« - -»Dank je, mijn trouwe ridder.« - -»Zie je, nu zit je als een koningin met een nederigen slaaf aan je -voeten. Een slaaf, aangesteld om je de potlooden aan te geven, want—ik -heb er nog eens over nagedacht—dat is het wat Verschuere me heeft -opgedragen.« - -Ze begint haar werk, maar boomen teekenen is niet gemakkelijk, vooral -als de teekenares in de war geraakt door een paar oogen, die schijnen -te vragen of er op een morgen als dezen niet iets beters te doen is dan -zwarte streepjes maken op wit papier. - -Reeds tweemaal heeft mevrouw Verschuere alles weer uitgeveegd, reeds -driemaal een nieuw potlood gevraagd. - -James begint uit alle macht punten te slijpen. - -»Je bent toch een voorbeeldige neef,« zegt Nita, die hem gadeslaat, -achterovergeleund in haar stoel, want het werk, dat maar niet slagen -wil, vermoeit haar; »ik mag wel zeggen de voorbeeldigste van alle -neven.« - -James breekt de punt. »Ik wou,« begint hij op den knorrigen toon, dien -hij vroeger tegen zijn speelgenoot durfde aanslaan, »ik wou dat je je -af kondt wennen om altijd zoo over dat neefschap te praten.« - -Verwonderd ziet ze hem in het gelaat. - -»Hindert je dat?« vraagt ze. »En ik, die me nog wel verbeeldde dat je -er trotsch op waart me tot je nichtje te hebben!« - -»Dat ben ik. Bij anderen. Maar als we zoo met ons beiden zijn... laten -we elkaar dan noemen, niet bij den naam dien we toevallig dragen door -familierelatie, maar«—en zijn stem is nu niet knorrig meer, doch zacht -en teeder—»bij de namen die ons hart ons ingeeft.« - -Agnita schrikt van de wijze waarop hij dit zegt. En als ze heeft -neergezien in het gelaat, dat hij tot haar opheft, als ze dien warmen -blik heeft ontmoet, dan vindt ze op eens dat de »dames van -ondervinding« nog zoo groot ongelijk niet hebben met haar te -waarschuwen voor mannen beneden de zestig jaar. - -Sedert ze zoo zwak werd, bezorgt de minste schrik of aandoening haar -hevige hartkloppingen, en ze kan dan ook nu niets anders doen dan de -handen op de borst drukken, voor zich zien en wachten. - -»Wil je me dat pleizier doen, Nita?« vraagt hij na een pauze. - -Ze heeft nu haar stem terug en antwoordt met goed geveinsde kalmte: -»Zeker. Ik zal je niet meer neef noemen maar James. Is dat goed? Want -Van Suylichem vind ik te deftig en ik kan toch moeilijk, zooals de -kolonel, tegen je zeggen: »Mijn waarde jonge vriend, à propos, hoe -staat het met Euphrosine?«« - -»Waarom vraag je dat, Nita?« en hij springt op van zijn zetel en er -fonkelt een toornig licht in zijn oog. »Je weet heel goed dat er niets -bestaat tusschen mij en dat vervelend creatuur.« - -»Foei, James, praat je op die manier over een dame? Bedenk wat mama -altijd zei: al kan een jong mensch een liefde niet beantwoorden, hij -moet de vrouw, die hem onderscheidt, dankbaar zijn voor die -onderscheiding.« - -»Ook als het Euphrosine d’Hannecour is en men de onderscheiding met -vele voorgangers deelt?« - -Zij antwoordt niet en ook hij laat Euphrosine verder rusten. Dat arme -zieltje heeft alweer de rol vervuld, die de dames d’Hannecour -aangewezen schijnt in de Buitenzorgsche wereld; ze diende als -bliksemafleider; de blos is geweken van Agnita’s gelaat, ze heeft haar -hartklopping bedwongen; James kijkt niet teeder meer. - -Maar als hij voor het koepeltje op en neer loopt, een deuntje neuriënd, -terwijl zij met nieuwen ijver begint te schetsen, dan trekt hij zoo’n -ongelukkig gezicht, dat ze medelijden krijgt en vergeet hoe gevaarlijk -zij hem weinige minuten geleden heeft gevonden. - -Dat vervelend gebabbel over hem, denkt ze. Nu ga ik overal iets achter -zoeken. Hoe dikwijls heeft hij mij lief aangekeken, hoe dikwijls heeft -hij me gezegd dat hij van ons hield, dol van ons hield... en dan heb ik -het altijd natuurlijk gevonden. Nu... mijn hemel, wat moet hij wel -gedacht hebben toen hij me zoo zag kleuren? Ik heb me eenvoudig -bespottelijk gemaakt... het best zal zijn dat ik op de een of andere -manier mijn congesties in het gesprek te pas breng. - -»Nita...« - -Ze durft hem niet aanzien, ze is bang dat hij op haar gezicht zal lezen -wat in haar hart omgaat. - -»Dank je, mijn potlood is nog goed.« - -»Ik ben nog iets anders dan een potloodkoker, Nita.« - -»Daarvoor heb ik je nooit aangezien, James.« - -Dan beginnen beiden te lachen en Nita vermant zich en kijkt hem flink -in de oogen. - -In gezelschap zouden ze nu weldra geheel vrij tegenover elkander -gestaan hebben, maar de eenzaamheid van het plekje, waar ze zich -bevinden, de fluisteringen van het geboomte rondom hen, het droomerig -gesuizel van het water, de heerlijkheid van den zoelen morgen, ze -verwarren die onervaren harten meer en meer. James breekt de eene punt -na de andere, Agnita teekent abnormaliteiten inplaats van boomen, ze -wordt zoo onrustig op den gemakkelijken stoel, alsof die met spelden -was bekleed, en als ze eindelijk voor goed is opgesprongen en Van -Suylichem haar begeleidt tot aan het hek harer woning, vraagt ze hem -niet om binnen te komen,—ze verlangt alleen te zijn. Maar nauwelijks is -ze alleen, of ze telt de oogenblikken tot Verschuere thuis kan komen. -Als hij eindelijk verschijnt komt ze hem reeds op de trap tegemoet, en -hij had blind moeten wezen om niet te zien dat er iets aan de hand is. - -Hij laat zich dus gewillig naar haar boudoir voeren, en nauwelijks -heeft Mingo hem zijn selterswater gebracht, of hij vraagt: »Wat scheelt -er aan, kleintje? Heeft de wandeling je geen goed gedaan?« - -»Neen, kwaad. Niets dan kwaad. Maar ’t was eigen schuld. Ik heb, in -plaats van te genieten van den heerlijken dag, me onpleizierig zitten -maken.« - -»Is James dan niet bij je gekomen?« - -»Ja, dat was het juist!« - -»Wat? James? Maar ... Nita!« - -Ze bloost; dan, na zich een oogenblik bedacht te hebben, vraagt ze -vleiend: »Die oppasser, die met zijn dikke portefeuille achter je -aankwam, dat was maar om me bang te maken,—niet waar? Er is geen haast -bij die stukken?« - -»Ze kunnen ten minste wachten.« - -»Gelukkig want ik heb iets te zeggen, en het zal zeker nogal lang -duren, omdat ik niet weet hoe te beginnen.« - -»Met het begin zou ik denken.« - -»Maar beloof me eerst, dat je me niet zult uitlachen.« - -»En, dan...« - -»Alles. Je begrijpt toch, dat ik, na zooveel preliminairen, brand van -nieuwsgierigheid.« - -»O, ’t zal je niet meevallen! ’t Is een van die kleinigheden, die een -vrouw geheel van haar stuk brengen en een man volkomen koud laten.« - -»In Godsnaam, Nita, begin!« - -»Neen, je moet niet doen of het gekheid is. Je weet wel,« en ze ziet -hem nu voor het eerst aan, »dat mevrouw Van Waliënhove me gister meenam -naar haar kamer om die nieuwe waaiers te zien?« - -»Ja. Waren ze mooi?« - -»Ik geloof het wel. Er was er een bij van negenhonderd francs, -geschilderd met hun wapens in een krans van mosrozen.... maar ik kon -het niet goed zien.... ze bergde alles zoo gauw weer weg. Je moet -weten, die waaiers waren maar een pretext. Ze wou me alleen spreken -over...« - -»Waarover?« vraagt hij, nu niet langer met voorgewende belangstelling. - -»Ze nam me bij de hand... Erg lief! En toen kwam ze naast me zitten op -de causeuse en bracht het gesprek op James.« - -»Op James?« - -»Kun je niet raden met welke bedoeling?« - -»Maakt James ook al het hof aan Clotilde?« - -»Neen. Was het dat maar! Ze beweerde juist, dat James zijn hof niet -maakte. Aan geen enkel jong meisje ten minste. En dit vond volgens haar -zijn oorzaak in... het kwam omdat...« - -Mevrouw Verschuere ziet er nooit liever uit dan wanneer ze verlegen is, -en Gustaaf vindt haar onbeschrijfelijk bekoorlijk op dit oogenblik; ze -beproeft namelijk om de gloeiende wangen aan zijn borst te verbergen. - -»Omdat mijnheer Van Suylichem verliefd is op mevrouw Verschuere,« aldus -vult hij den nog altoos onvoltooiden volzin aan. »Is ’t niet zoo?«... -en hij heft haar hoofd op van zijn borst. »Mijn schuchter duifje! Moet -je dáár zoo over blozen? Vin je dàt zoo verschrikkelijk?« - -»Jij dan niet?« - -»Wel neen. Laat me je zeggen, kind, dat ze reeds meer dan een half jaar -bezig is mij hetzelfde in het oor te blazen.« - -»Ja?« vraagt ze verbaasd. »Is ’t mogelijk?« - -»Je begrijpt, onze intimiteit met Van Suylichem is haar een doorn in -het oog. Versta me wel. Niet onze intimiteit meer dan een andere. Maar -elke vriendschap, elke liefde, elke goede verhouding. Je hebt wel eens -gehoord van salamanders, die in het vuur leven?« - -En als ze, in gedachten verzonken, blijft zwijgen: »Ik heb het maar -niet verteld, omdat ik je het genoegen van James bij je te zien niet -verbitteren wilde, maar het hindert haar, dat al haar insinuaties bij -mij niets helpen; nu zal ze eens probeeren wat ze bij de andere partij -vermag.« - -»Je moet het ergste nog hooren: ik ben van morgen in den Tuin op het -denkbeeld gekomen, dat er wel iets van aan kon zijn.« - -»Waarvan?« vraagt hij streng. »Dat hij hier te veel aan huis komt, of -dat hij verliefd op je is?« - -»Neen, ’k weet wel, ’t is ongerijmd... Maar... hij was toch erg vreemd -van morgen.« - -»James? och kom, Nita!« - -»Om nu maar eens één ding te noemen: hij vroeg me om niet meer zoo -telkens neef te zeggen.« - -Verschuere lacht hartelijk. »En is dit alles?« roept hij. »Wel, kind, -ik kan me heel goed voorstellen, dat hij het vervelend vindt: ik vind -het ook vervelend; niets stijver dan dat neef en nicht.« - -»Maar,« herneemt Nita, steeds met meer aarzeling, want ze gevoelt dat -ze zich bespottelijk maakt in de oogen van haar echtgenoot, »maar... -hij vroeg me om hem te noemen met den naam dien mijn hart me ingaf.« - -»En dat mag een heel hartelijke naam zijn,« zegt Verschuere met voor -hem ongewonen ernst. »Geloof me kind, je bent nog jong, je weet nog -niet, hoe zeldzaam vriendschap is, ten minste zoo’n trouwe -hondenvriendschap als de zijne; maar waarachtig, iemand die van je -houdt zooals James van ons doet, dat vin je maar eens of tweemaal in je -leven, en als je het vindt, kun je het niet genoeg waardeeren.« - -»Maar hij was toch heel vreemd van morgen.« - -»Kom, haal je nu niet zulke dwaasheden in het hoofd! Hij was vreemd van -morgen, zeg je? Maar weet je wel zeker dat jij niet vreemd waart? ’t -Heeft je natuurlijk verlegen gemaakt, dat gebabbel! Als je morgen wordt -verteld, dat Hooglaan op je verliefd is, dan vin je overmorgen, dat -Hooglaan heel vreemd doet.« - -Ze lacht als een kind dat pas van een groote vrees werd bevrijd. - -»Dáárvoor zou toch veel moeten gebeuren, geloof ik. Die stijve Klaas!« - -»Niet zoo stijf of hij maakt tegenwoordig druk het hof aan... Maar kom, -je hebt nu je hart uitgestort... en ik heb nog een massa werk. Zullen -we gaan rijsttafelen?« - -Ze legt haar arm in den zijnen en naar hem opziende, schertst ze: - -»Wat men van je zeggen kan, Gus, niet dat je een Othello-natuur hebt.« - -»Misschien wel, lieve, als ik niet zooveel te doen had. Othello was met -verlof, meen ik, toen hij Desdemona wurgde.« - - - - - - - -XXIII - -INTRIGANTEN AAN ’T WERK. - - -Wanneer mevrouw Van Waliënhove gezegd kan worden met één Buitenzorger -op intiemen voet te verkeeren, dan is dit met den algemeenen -secretaris. - -Niet dat ze hem werkelijk genegen is, niet dat ze zich eenige illusie -maakt omtrent de vriendschappelijkheid zijner gevoelens jegens haar, -maar ze weet volkomen wat ze aan hem heeft—en dit is noodig, wil ze -haar vertrouwen schenken. - -’t Gebeurt somwijlen dat de heer Verschuere, na een bezoek bij Zijne -Excellentie, een uitnoodiging ontvangt om tot háár te komen; het -verschil van duur der visites aan mijnheer en mevrouw zou aanleiding -kunnen geven tot de vooronderstelling dat het afdoen van -regeeringszaken vlugger gaat dan dat van partikuliere belangen. - -Kort na zijn terugkomst van Batavia, waar de gouverneur-generaal met -gevolg een tiental dagen doorbracht, wacht hem een boodschap in de -vestibule; reeds wil hij mevrouws kamenier volgen naar het zitvertrek, -dat ’s morgens beurtelings als kantoor, als gerechtszaal en als -ontvangkamer dienst doet, wanneer deze, met de onbescheidenheid -dienstbaren juffertjes eigen, opmerkt: - -»Pardon, mijnheer! In het boudoir... ’t is confidentieel.« - -Hoe ongepast ook, haar waarschuwing blijkt gegrond; ’t is -confidentieel, dat ziet hij bij den eersten oogopslag. - -De barones—een geheel andere echter dan die bij het groote publiek -bekend—ontvangt hem bleek en zenuwachtig, achteloos gekleed, het altijd -zoo zorgvuldig gekapt haar opgenomen in een lossen wrong. - -»Goddank dat u gekomen zijt, mijnheer Verschuere,« en ze drukt hem de -hand, »Goddank!« - -»Te veel eer, mevrouw, waarlijk te veel eer!« zegt Verschuere uiterst -hoffelijk, maar daarom niet minder voornemens op zijn hoede te zijn; -het optreden zijner vriendin doet hem aan comedie denken. - -»Uw conferentie is afgeloopen? En u hebt een oogenblikje voor mij?« - -»Uren, mevrouw.« - -Nu gaat ze eerst naar de eene deur, dan naar de andere, overtuigt zich -dat ze niet beluisterd worden en neemt dan plaats dicht naast den -bezoeker om zachter te kunnen spreken. - -Ik geloof dat ik moet oppassen, denkt deze: iets meer dan gewoonlijk -zelfs. - -»O mijnheer Verschuere,« roept nu mevrouw Van Waliënhove, blijkbaar -afgemat van overspanning neerzinkend in haar fauteuil, »ik weet het -reeds, u zult mij zeer onpolitiek vinden. Als ik u zeg wat ik te zeggen -heb, zult u zich verbazen over zooveel onvoorzichtigheid, aan een derde -te vertellen wat geheim moet blijven: maar... ik ben ten einde raad!« - -Die bekentenis van die lippen verbaast hem, ontwapent hem min of meer. - -»Mevrouw!« vraagt hij lachend, »u niet politiek? u niet voorzichtig?« -En dan nog ongelooviger: »U ten einde raad?!« - -»Ja, ten einde raad. Ik weet niet wat te doen. Den eenen nacht na den -anderen breng ik slapeloos door, zonder een uitweg te vinden. En toch, -die uitweg moet gevonden. Want ofschoon het een familiezaak geldt... -een zeer kiesche...« ze aarzelt en brengt haar waaier in beweging en -drinkt een teug uit het glas ijswater voor haar. - -»Ik kan u niet zeggen hoe u mij vereert door uw vertrouwen,« begint -Verschuere langzaam en als woog hij de beteekenis van elk woord vóór -hij het uitsprak; »maar wanneer het een familiezaak geldt, is het dan -wel geraden mij er in te mengen?« - -»Ik moet. Ik kan niet anders!« - -»Ik waag het, mevrouw, u te herinneren aan het fransche spreekwoord: Il -faut laver...« - -»Ja, ik weet wel... ik weet wel!...« - -»Ik ben een vreemde.« - -»Een vreemde.... ja. Maar zijn het niet allen eenmaal vreemden geweest, -die we later tot onze vrienden maakten?« - -Het was onmogelijk zich niet gevleid te gevoelen. - -»Mevrouw,« zegt Verschuere met een lichte hoofdbuiging, »ik ben geheel -tot uw dienst.« - -»Dank u. Ik mag dus op u rekenen? Mijnheer Verschuere, ik zal nooit -vergeten... dat u me uit deze moeilijkheid redden wilt;« en ze reikt -hem de hand en brengt met de andere den zakdoek aan de oogen. »O, ik -wist wel,« gaat ze voort, »dat als ik iemand bereid zou vinden om ons -een groot verdriet te besparen, u het zijn zoudt.« - -Niettegenstaande deze verzekering is mevrouw Van Waliënhove nog verre -van gerust: ze weet het, ze speelt een hoog spel; één niet genoegzaam -beheerschte trek in haar gelaat, één onvoorzichtig woord zou voldoende -zijn om in den man tegenover haar den koel berekenenden tegenstander te -doen ontwaken. - -Dus, in plaats van recht op haar doel af te gaan, neemt ze een kleinen -zijweg. Ze weet het, hij hangt met hart en ziel aan haar echtgenoot: ze -weet, hij is een bewonderend vereerder van den man, die in zoo ongewone -mate het geheim bezit om te verzoenen met zijn hooge betrekking. - -»Ik zou zoozeer wenschen,« begint ze, »dat juist in deze dagen de -gouverneur-generaal niet behoefde te worden lastig gevallen met -huiselijk verdriet. Hij heeft zonder dat onaangenaams genoeg. U weet -het, de voorstellen door zekere partij in de Tweede Kamer gedaan, zijn -hem een doorn in het oog, het drijven dier partij verontrust hem...« - -»En geen wonder!« - -»Wat hem misschien meer leed doet dan hij wel zou willen bekennen, ’t -is dat uw oom zich sedert kort geschaard heeft aan de zijde dier -drijvers. Hij zou zoo gaarne blijven vasthouden aan het denkbeeld dat -vriendschap en goede trouw bestaanbaar zijn met staatkundig leven. Ik -vrees echter dat de minister van koloniën hem spoedig genezen zal van -zijn illusie.« - -»Dwalen we niet een weinig van ons onderwerp af?« vraagt de algemeene -secretaris, die het dezer dagen niet aangenaam vindt om over de door -zijn oom gehuldigde politiek te moeten spreken. - -»Misschien. Men zegt dat het een zwak is van ons dames, nooit voet bij -stuk te houden. Maar op één punt zijn wij het toch reeds eens geworden. -’t Is dat Zijne Excellentie niet geplaagd mag worden met familiezaken.« - -»Neen, zeker niet... maar wat is de quaestie, mevrouw?« - -»De quaestie is deze,« spreekt mevrouw van Waliënhove, terwijl zij de -scherpe, zwarte oogen vast op haar vertrouwde vestigt, »de quaestie is -deze: Clotilde heeft een ongeoorloofden minnehandel aangeknoopt met... -den gouverneur.« - -De verachting, waarmee ze dat woord uitspreekt, maakt haar weder geheel -tot de barones, die het groote publiek kent. - -»Onmogelijk!« - -»Onmogelijk, zegt u?« - -»Vergeef me, mevrouw, maar tot zoo iets is Van Beevelant niet in staat. -Daarvoor is hij te veel fatsoenlijk man.« - -»Fatsoenlijk man! Hij!« - -»Ik meen hem wel een weinig te kennen.« - -»Misschien dat hij fatsoenlijk is zooals alle mannen fatsoenlijk -zijn—tot er een vrouw in ’t spel komt.« - -»En freule Clotilde zou het meisje zijn om hem te brengen tot... hier -moet een vergissing plaats hebben!« - -»Ik vergis me zelden, mijnheer Verschuere.« - -»De uitzondering bevestigt den regel, mevrouw Van Waliënhove.« - -Het blijft een oogenblik stil in het boudoir. Dan schijnt een der beide -partijen een plotseling besluit te nemen. - -»Ik zie het al weer,« roept mevrouw Van Waliënhove, »men kan zijn -vertrouwen niet ten halve schenken. Daarom een bekentenis die, wanneer -de toestand haar niet zoo dringend eischte, nooit over mijn lippen zou -zijn gekomen. U hebt u soms verbaasd,« gaat ze voort, terwijl ze de -uitwerking van elk woord op zijn gelaat bespiedt, »u hebt u soms -verbaasd over mijn gestrengheid tegen Clotilde?« - -»Ja... soms wel.« - -»Uw vrouw—en velen met haar—hebben hun bevreemding te kennen gegeven -over het feit, dat wij besluiten konden haar in Europa achter te laten. -Wij beproefden nooit ons daaromtrent te verantwoorden. Maar, mijnheer -Verschuere, u zijt te scherpziende om niet te begrijpen dat we daarvoor -andere redenen hadden dan alleen den wensch Clotilde’s opvoeding in -Duitschland te acheveeren.« - -»Ik erken dat ik wel eens naar een andere reden gezocht heb.« - -»En die reden lag voor de hand, niet waar? de jaloezie der -stiefmoeder!« - -»O mevrouw!« - -»Brisons la-dessus. Er is iets anders. Clotilde heeft dien tijd -doorgebracht op een instituut, bekend om de afzondering, waarin de -meisjes daar gehouden worden, bekend om de ultra-orthodoxe ideeën die -daar heerschen... Dat kon toch in de jaloezie der stiefmoeder geen -reden vinden?« - -»Neen zeker niet,—al zou men aan die jaloezie gelooven,« voegt hij er -haastig bij, meer beleefd dan oprecht. - -»De wereld,« gaat mevrouw voort, nog steeds in de rol der beleedigde -onschuld, »de wereld heeft mij veroordeeld, omdat ik wenschte mijn -dochter getrouwd te zien. Neen, ontken het niet! Clotilde’s -tegenwoordig gedrag rechtvaardigt mij genoeg, maar zooals gewoonlijk -oordeelde de wereld voorbarig... Ik spreek het niet tegen... ik zag -haar gaarne spoedig getrouwd.... mijnheer Verschuere; er zijn jonge -meisjes voor wie een vroegtijdig huwelijk gewenscht is... Het spijt me -te moeten bekennen dat mijn dochter tot die soort van meisjes behoort.« - -Een oogenblik begint de barones te vreezen dat ze te ver gegaan is. -Verschuere ziet haar aan met ongeloovigen blik en zwijgt. - -»U twijfelt?« - -»Neen, mevrouw. Als u het zegt moet het natuurlijk waar zijn. Ik sta -alleen verbaasd over mijn weinig doorzicht. Ik toch heb freule Clotilde -altijd beschouwd als een jonge dame naar lichaam en geest volkomen -gezond.« - -»Ja, dat verwondert me ook van u,« zegt de stiefmoeder volstrekt niet -uit het veld geslagen. »U ziet anders zoo scherp. Maar begrijp mij wel. -Clotilde weet zich volkomen te beheerschen, ze toont op dit punt—als op -meer andere—een buitengewone wilskracht. Daarom—ofschoon deze richting -van haar karakter ons veel zorg heeft gebaard—maken we er haar -geenszins een verwijt van: men kan de natuur leiden, niet dwingen, en -misschien is het een erfdeel harer moeder... dat moet een ziekelijk, -geëxalteerd schepseltje geweest zijn.« - -»Ja...a?« vraagt de algemeene secretaris met tergende verbazing. - -»Ja wist u dat niet? Enfin, het is ook zoo lang vóór uw tijd geweest. -Maar om tot Clotilde terug te keeren, er is een paar jaar geleden een -historietje gebeurd met een student... een neef van ons... Enfin, u -spaart me de bijzonderheden?« - -»Pardon, mevrouw. Als het niet te veel van u gevergd was, zou ik ze -gaarne hooren.« - -Daarop heeft ze niet gerekend. Toen ze daareven den neef fingeerde, in -een wanhopende poging om Verschuere te overtuigen, toen dacht ze dat -hij te veel man van de wereld was om, waar zij iets verzwijgen wilde, -haar tot spreken te dwingen. - -Maar ze aarzelt niet, en herneemt dadelijk met een kalmte, dubbel -bewonderenswaardig omdat ze onder dien doordringenden blik elk woord -moet verzinnen vóór ze het uitspreekt: »Ik zie dat wij, vrouwen, niet -de eenige nieuwsgierigen zijn. Maar u moet uw verwachtingen niet te -hoog spannen; het geval was niet shocking, alleen romanesk. Niets -anders dan een mooie jongen die, bij gelegenheid van een bal masqué, -een ridderkostuum droeg; een meisjeshart, dat, met vacantie thuis van -een strenge school, niet veel noodig had om in vuur en vlam te geraken; -een paar rendezvous, een plan om samen te ontvluchten... Maar gelukkig -werd de correspondentie onderschept en de schaakpartij verhinderd.« - -»Zoo?« - -»Ze haat hem op dit oogenblik! O, ze zal hem doen boeten voor zijn -ongeloovigheid! De gelegenheid kan komen dat ze hem op hare beurt in de -engte zal drijven... als ze hem niet meer noodig heeft.« - -»Waarom vertelt u mij dit, mevrouw? Om me te bewijzen dat Van Beevelant -een gemakkelijke overwinning behaald heeft?« - -»Neen, om u voor te bereiden op hetgeen ik nog zeggen moet. Om enkele -feiten verklaarbaar te maken. U gelooft, niettegenstaande al wat ik u -gezegd heb, aan de fatsoenlijkheid van uw vriend, aan de onschuld van -Clotilde... Welnu!« - -Mevrouw heeft, terwijl ze sprak, de cassette geopend, die voor haar -staat. Ze neemt bij dat triumfeerend »Welnu« er een briefje uit en -reikt het Verschuere toe. - -De algemeene secretaris leest: - -»Mevrouw Van Waliënhove om negen uur uitgereden; de freule kon niet mee -gaan: had het te druk met pianostudie. Dadelijk na mevrouws vertrek -zijn O. en F. naar buiten gezonden. Gingen cricketten op het gazon -achter het huis. De freule is toen naar de schoolkamer gegaan. Bleef -daar langer dan een uur te zamen met Van B. Deuren waren gesloten.« - - - -Verschuere moet het biljet tweemaal lezen; dan geeft hij het terug -zonder een woord te spreken. - -»En is...« vraagt hij eindelijk een weinig hersteld van zijn pijnlijke -verbazing, »is deze spion te vertrouwen?« - -»Waarom noemt u hem een spion? Kan het niet even goed iemand zijn, wien -de eer van ons huis ter harte gaat?« - -»Laat ons dit een oogenblik aannemen.—Mag men op zijn getuigenis -afgaan?« - -»Denkt u, mijnheer, dat ik alleen op zijn getuigenis—hoe betrouwbaar -overigens ook—een zoo zware beschuldiging zou herhalen. Neen, daarvoor -is de zaak te ernstig! Ik heb Felix ondervraagd en mijn kamenier... -Helaas, het is de waarheid...« - -»Maar mijn God!« roept Verschuere, terwijl hij het briefje weer opneemt -en voor de derde maal leest, »mijn God! ’t is ongeloofelijk. De freule -was met hem alleen, zegt u?« - -»Ja.« - -Ze weet dat het bezoek in de schoolkamer zou zijn opgehelderd, zoo dit -schrijven een datum droeg en Verschuere had kunnen nagaan, dat ze -derwaarts ging om te troosten; daarom heeft ze den datum afgescheurd. -Ze weet dat het een grove leugen is, dit »ja«. Maar ze spreekt het -daarom niet minder vast uit. - -»Wilt u nog meer hooren?« En zonder zijn antwoord af te wachten, reikt -ze hem een tweede blad papier toe, beschreven met dezelfde verdraaide -hand. - - - »Freule eigenhandig bouquet gemaakt van witte rozen. Door Oscar - laten bezorgen op de kamer van den gouverneur.« - - -»En hier is er nog een.« - - - »Van Beevelant heden morgen gaan wandelen met Oscar. Quasi - toevallige ontmoeting in het park tusschen hen en de freule, die - met Felix was uitgegaan. Handdrukken. Zacht gefluister. Op een bank - achter het bamboeboschje beschouwing van een portret, dat bij mijn - nadering werd weggestopt. Oscar en Felix vooruitgezonden. Volgden - langzaam. Zochten eenzame wegen.« - - -»Ja, wat dat laatste betreft, het zou moeilijk gaan in het park drukke -wegen te zoeken!« zegt Gustaaf, en intusschen vraagt hij zich af, wie -het zijn mag, wie hen zoo laag kan bespied hebben. ’t Is geen bediende. -Dan zou hij spreken van jonker Oscar en mijnheer Van Beevelant. Wie kan -het zijn, die ellendeling? - -Mevrouw stoort hem. - -»Kent u dit?« vraagt ze, ter nauwernood in staat de vreugde te -beheerschen, die haar bezielt nu ze hem geheel geslagen ziet. - -»Freule Clotilde!« roept hij en neemt haar de crayonteekening uit de -handen. »Freule Clotilde geïdealiseerd! Ernstiger! mooier! Maar toch, -hoe sprekend gelijkend!« En hij vergeet een oogenblik, bij de -beschouwing van het bekoorlijk gelaat, dat die teekening niet hem werd -getoond om hem in de gelegenheid te stellen Clotilde’s schoonheid te -bewonderen. - -»Mijnheer Van Beevelant heeft er zijn naam niet onder gezet,« zegt de -barones snijdend. »Maar mocht u twijfelen of iemand anders dan een -minnaar, van Clotilde’s gezicht een madonnakopje maken kon, zie dan -maar eens op de achterzijde.« - - - Und was du ewig - liebst, ist ewig dein! - - -leest van Beevelant’s vriend. - -»Twijfelt u nu nog?« vraagt mevrouw Van Waliënhove met goed geveinsde -droefheid. »Verwondert het u nu nog dat ik radeloos ben?... dat ik uw -hulp inroep om een einde te maken aan dien toestand; om ons huis te -bewaren voor schande en bespotting?« - -En als hij, eindelijk overtuigd, het hoofd schudt, gaat ze voort: - -»Ik moest kalmer zijn... ik moest flinker optreden... Denk niet, -mijnheer Verschuere, dat deze slag mij onverwacht treft. Ik heb het van -het eerste oogenblik af geweten dat dit komen zou, tenzij een ander hem -voor was bij Clotilde! Ik heb het als bij ingeving geraden, wat het -doel was van zijn verblijf in ons huis. O, ik heb hem dadelijk -doorzien! Iedereen verwonderde zich dat hij zijn vooruitzichten in -Holland had opgegeven, om hier gouverneurtje te komen spelen. Ik niet. -Paris vaut bien une messe. Een paar jaar die betrekking vervuld en dan -terugkeeren als de schoonzoon van baron Van Waliënhove! Hij kende -Clotilde, hij wist dat ze zich geroepen acht op te komen voor de -verdrukte onschuld, hij wist dat, met zijn uiterlijk, de verdrukte -onschuld meer dan ooit op haar bescherming kon rekenen.« - -»Maar vindt u dat hij als zoodanig optrad? Hij heeft zich bij ons nooit -beklaagd. Integendeel, hij roemde zijn positie, zijn werkkring, zijn -vlugge, pittige leerlingen vooral.« - -»Natuurlijk! Bij u! Daar was ook niets te winnen met zijn -martelaars-air. Maar hier was het goud waard! Hier was het de weg tot -Clotilde’s hart.« - -»Misschien zou het van uwe zijde politiek geweest zijn, zoo u hem niet -in de gelegenheid had gesteld als martelaar te poseeren?« - -»Ja, dat zou het!« zegt ze met spijtigen toorn. »Ik heb dit later ook -bedacht. Dat zou het. Maar gedane zaken nemen geen keer.« - -»Ik wenschte,« begint Verschuere na een lange pauze, »nog even terug te -komen op een woord door u in het begin van ons onderhoud gebruikt. U -spraakt toen van een ongeoorloofden minnehandel. Alles wat u mij tot nu -toe verteld hebt, bewijst wel dat Clotilde den heer Van Beevelant -genegen is, maar—niet waar? men kan bouquetten maken voor een jong -mensch, men kan hem op de wandeling gaarne ontmoeten...« - -»Hem opzoeken in de leerkamer?« - -»Ja, zelfs toevallig in de leerkamer komen, zonder daarom juist een -ongeoorloofden minnehandel te hebben. Ik erken, het portret van -Clotilde, zóó geïdealiseerd, met dat onderschrift, bewijst dat Van -Beevelant op haar verliefd is. Maar heeft hij haar van zijn liefde -gesproken? Zijn ze tot een verklaring gekomen? Daarvan kreeg ik nog -geen zekerheid. En—om u de waarheid te zeggen—ik betwijfel het. Frans -van Beevelant is iemand, om jaren lang in stilte te kunnen droom en en -dwepen.« - -Haastig slaat ze den blik neer: hij mocht eens verraden wat er in haar -omgaat. Ha! waarom kon ze ook geen ander werktuig vinden? Waarom heeft -ze juist hem noodig, hem, met zijn nuchter, scherp verstand, hem, wien -ze niets wijs kan maken. - -»Hoe dwingt u mij toch zoo om alles te zeggen?« vraagt ze zacht, -treurig bijna. - -»Omdat het mijn vriend is, mevrouw, wien dit gesprek geldt.« - -»Nu dan. Ze zijn het zamen geheel eens.« - -»En het bewijs?« - -»Is—dat ze gister gezien is in zijn armen... op de canapé... in de -muziekzaal.« - -»U zegt: ze zijn gezien. Mag ik vragen door wie?« - -Mevrouw Van Waliënhove blijft het antwoord schuldig. Neen, ze durft -niet meer wagen! Het spel, dat ze speelt, wordt al te gevaarlijk met -dien geduchten tegenstander. Maar als zij den spottenden blik ontmoet, -waarmee hij op haar antwoord wacht, dan vergeet zij alle -voorzichtigheid om hem die overwinning niet te gunnen en roept: »Ik heb -ze gezien! Ik zelf!« - -»U zijt zeker tusschenbeide gekomen?« - -»Het spijt mij,« spreekt ze, nu weder geheel zich zelve, »dat u me -niets schijnt te kunnen sparen. Neen, ik ben niet tusschenbeide -gekomen, ik moet vóór alles éclat vermijden. En nu hoop ik, mijnheer -Verschuere, dat u eindelijk tevreden zijt met mijne inlichtingen. Dit -onderwerp is mij zeer pijnlijk; me dunkt u weet genoeg om, als het u -waarlijk ernst is geweest met uw belofte, nu handelend op te treden.« - -»Nog ééne inlichting. U beschouwt het als onmogelijk dat Zijne -Excellentie de toestemming geeft tot het huwelijk?« - -»Tot een huwelijk van zijn dochter met dien fortuinjager! Maar mijnheer -Verschuere, welk een vraag! ’t is onzinnig!« - -»Misschien. Misschien ook niet. De gouverneur-generaal heeft zulke -geheel bijzondere begrippen omtrent liefde en trouwen.« - -»U bedoelt zijn romaneske idées!... Maar u weet toch ook dat men -gewoonlijk het romaneske wil voor vreemden, niet voor zijn eigen -dochter.« - -»En—vergeef me, mevrouw, het is niet beleefd wat ik u vragen ga... elk -woord wat u gesproken hebt is de waarheid?« - -»Ik stem u toe, het is niet beleefd!... Natuurlijk is elk woord dat ik -gesproken heb de waarheid...« - -»Wil mij dan zeggen wat u van mij vraagt: u hebt natuurlijk een plan -gemaakt.« - -»Ik had gedacht dat u, in naam van uw oude vriendschap, tot Van -Beevelant zoudt gaan...« - -»En verder?« - -»Dat u hem eens ernstig onder het oog zoudt brengen, hoezeer hij het -vertrouwen hem geschonken heeft misbruikt, en dat hij als man van eer -verplicht is, onder het een of ander voorwendsel, onmiddellijk zijn -ontslag te vragen.« - -»U eischt veel, mevrouw! Als ik uwe opdracht vervul, dan is dit ten -koste van onze vriendschap.« - -»Dat vrees ik ook. Maar is hij uw vriendschap waard?« - -»Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik tot dusverre trotsch was op de -zijne.« - -»U moogt er op rekenen dat u de onze er mede zult winnen,« spreekt de -verzoekster. - -»Ik heb veel van Van Beevelant gehouden.« - -Mevrouw Van Waliënhove houdt zich als of ze dien kreet van het -vriendenhart niet hoorde. - -»Mijn echtgenoot zal u zoo dankbaar zijn ... en ik, ik zou alles willen -doen voor dengeen die mij bevrijdde van die vreeselijke nachtmerrie, -een mésalliance in onze familie.« - -»Alles? Dat is veel gezegd, mevrouw.« - -»Maar ik zweer u dat het me ernst is. Kom, mijnheer Verschuere, laat u -niet langer bidden... Vergeet niet dat, wanneer u door de vriendschap -zijt verbonden aan Van Beevelant, Zijne Excellentie recht heeft op uwe -dankbaarheid.« - -»U hebt gelijk, mevrouw. En ik moet gelooven dat Van Beevelant mijn -vriendschap niet waard is... Ik zal doen wat u verlangt.« - - - - - - - -XXIV - -ZELFVERLOOCHENING. - - -De gouverneur-generaal is na het diner Van Beevelant voorgegaan naar -zijn kabinet en heeft daar plaats genomen in zijn luierstoel, zoo -gemakkelijk als men het op dit uur gaarne doen mag. - -De balkondeuren staan wijd open, ze laten de frissche avondkoelte -binnen tegelijk met een streep helder maanlicht en het gepraat van de -beide knapen, die met hun zuster het terras op en neder wandelen. - -»U hebt me van morgen om een onderhoud laten vragen,« begint de baron -vriendelijk. »Het spijt me dat ik u tot nu toe moest laten wachten, -maar mijn tijd was zeer bezet heden... Wilt u niet gaan zitten?« - -De jonge man zet zich, blijde met dit verlof, want de knieën knikken -hem onder het lichaam; hij weet dat hij vóór alles sterk moet zijn op -dit uur, en hij voelt zich zwak; zwak en levensmoe, sinds hij -plotseling verloor wat hem jaren lang een zoo kostbare schat was -geweest; de vriendschap van Gustaaf Verschuere. - -Er zijn weinig woorden gewisseld tusschen de beide mannen, te weinig -misschien. - -Het gif had gewerkt in de borst van den een, zooals zij, die het -toediende, hoopte dat het werken zou, en de omstandigheden hadden -medegeholpen tot hij geloofde in de schuld van den ander. Die ander -heeft hem niet dadelijk verstaan, niet geheel kunnen begrijpen. Toen -hij verstond, toen hij begreep, toen heeft hij den speelmakker zijner -jeugd zelfs niet meer aangezien; haastig wendde hij het hoofd af, om -hem geen getuige te doen zijn van zijn zwakheid. - -»Verdedig je!« riep Verschuere. »Bewijs dat het alles laster is en -logen. Verdedig je... als je kunt.« - -Maar Van Beevelant behoort niet tot de mannen, die zich verdedigen -tegen een beschuldiging wanneer die komt van vriendenlippen; den -vreemde die hem beleedigde zou hij voldoening hebben gevraagd, de -vriend die aan hem twijfelen kon, moest hem verlaten zonder dat hij één -woord had gesproken te zijner rechtvaardiging. - -Met al haar list had de booze geest van het paleis geen beter oogenblik -kunnen kiezen, dan het oogenblik dat het noodlot koos om de vrienden -elkaar te doen ontmoeten... en voor altijd te scheiden! - -Het gebeurde aan den morgen van dezen zelfden dag. De nacht was bang -geweest; dubbel bang om zijn wonderbare lieflijkheid, met zijn zuchten -van verlangen en zijn ruischen van beloften, met zijn droomen van lust -en zijn zingen van liefde! dubbel bang, omdat in nachten als deze het -hart zoo luide roept om wat het bemint. - -Ach, waarom heeft ze dat woord gesproken, dat hem het hoogste mocht -doen hopen? Waarom die blos, die blik, die hem zeiden wat ze vergeefs -trachtte te verbergen... dat hij de hand maar behoeft uit te strekken -om de bloem te plukken, de bloem die—zelfs in deze ure van strijd en -twijfel ontveinst hij het zich niet—hij niet plukken mag! - -Neen, duizendmaal neen! Het zou laagheid zijn misbruik te maken van het -goed vertrouwen, waarmede hij is toegelaten in den huiselijken kring; -het zou laagheid zijn, de kiesche wijze waarop hij behandeld is te -loonen met zoo zwarten ondank: laagheid jegens den man die hem heeft -welgedaan. Immers, ieder weet het, de heer Van Waliënhove droomt zich -voor zijn dochter een schitterend huwelijk, rijkdom, rang! Ieder weet -het, de beste partijen zijn hem niet goed genoeg. - -Wie is hij, Frans van Beevelant—het schoolmeestertje zooals haar moeder -hem bij voorkeur noemt—om haar te durven begeeren? Wat kan hij bieden -in ruil voor haar stand, haar titel, haar fortuin? - -Hij denkt geen oogenblik aan de tegenwerking, die hij van de -stiefmoeder zou ondervinden, hij voelt zich sterk om alle tegenwerking -het hoofd te bieden, hij weet dat, gesteund door Clotilde’s liefde, hij -slechts zou behoeven te willen... - -Als hij eens wilde! - -Ze hadden elkaar wel lief! Waarom moesten die verblinde ouders geld -vragen en titels, als hun kind tevreden was met liefde? ’t Was -krankzinnigheid, het geluk eener vrouw te zoeken in aanzien! - -Moest Clotilde opgeofferd worden aan een vooroordeel? Mag hij, aan wien -ze vrijwillig haar hart schonk, dat heerlijk geschenk weigeren, ten -koste van zijn en haar geluk? Is dat niet te veel gevergd? - -Men zal hem een intrigant noemen, een fortuinjager. Maar als hij en zij -beter weten, wat deert hen dan het oordeel der wereld?... Baron Van -Waliënhove is zeer goed geweest voor den zoon van zijn vriend, maar is -hij hem, welbeschouwd, zoo veel dankbaarheid schuldig? Heeft hij ook -niet zijn plicht gedaan, meer dan zijn plicht zelfs? - -En dan—zal iemand haar kunnen geven wat hij te geven heeft, een jeugd -zoo rein bewaard, een liefde zoo groot, een hart zoo vrij van elken -anderen hartstocht? Heeft hij niet de hoogste rechten? de rechten die -eeuwig hebben gegolden, de onveranderlijke rechten van jeugd en liefde? - -Ja, de nacht was bang. - -Eerst toen maanlichtglans week voor morgenblond, eerst toen gelukte het -den eenzamen strijder om de demonen te verjagen, die hem vervolgden met -hun verzoeking; eerst toen kon hij de oogen zijner ziel dwingen om iets -anders te zien dan dat smeekend gezichtje, naar hem opgeheven met zoo -zoete teederheid. - -Maar toen het hem eindelijk gelukt was, toen zag hij een ander gelaat, -streng en ernstig, zooals vrouwengezichten worden kunnen door -langdurige zelfverloochening; hij hoorde een stem, zacht maar toch zóó -krachtig, dat zij alle andere stemmen tot zwijgen bracht, en die stem -sprak: »Wees sterk!« - -En de morgen vond hem sterk: hij schreef een woordje aan den adjudant -van dienst—op staanden voet—om te vragen op welk uur van den dag Zijne -Excellentie hem zou kunnen ontvangen; hij was besloten te vertrekken. -Toen ging hij zijne gewone wandeling maken, en de ochtendure deed wat -ze zoo wèl vermag: ze stilde den storm door den nacht gewekt, ze -bestraalde zijn hart, tot al wat er goeds in was ontwaakte en hij -keerde terug, het hoofd hoog, de borst ruim, waardig en fier door de -kracht die men put uit het bewustzijn iets groots te volbrengen... hij -ontmoette Verschuere, die aarzelde hem de hand te reiken! en wat -twintig jaren van vriendschap hadden vereend was gescheiden! - -Na een pauze, waarin hij tevergeefs wacht of niet van de andere zijde -een aanvang zal worden gemaakt, vraagt de landvoogd: - -»Wat had u te bespreken?« - -»Excellentie!« stamelt de gouverneur, »ik bid u... een oogenblik... ’t -is zoo moeilijk wat ik u te zeggen heb.« - -De heer Van Waliënhove treedt door de openstaande deuren op het balkon: -de bloemdragende boomen, die als reusachtige witte ruikers pronken in -het maanlicht, zenden hun geuren tot hem op; Clotilde werpt hem een -kushand toe; de jongens roepen dat ze gaan roeien op den vijver; hij -belooft zich straks met hen te genieten van den heerlijken nacht, -straks als dit onderwerp is afgeloopen. - -»Rook een sigaar met me, mijnheer Van Beevelant,« zegt hij en biedt -hem, weer binnentredend, den geopenden sigarenkoker aan, houdt zich -alsof hij niet zag hoe de vingers beven, die de lucifer beproeven aan -te strijken en gaat op denzelfden vriendelijken toon voort: »Komaan, -frisch begonnen is half gedaan! Hebben de jongelui wat uitgehaald?... -Zijn er misschien minder goede berichten van uwe ouders?... Of gaat het -u persoonlijk aan?« - -»Mij persoonlijk. Maar ... de jongens toch ook... o, het moet u zoo -ondankbaar schijnen na al het goede mij bewezen.« - -De landvoogd ziet hem aan met den scherpen blik waaraan niet te -ontwijken valt... hij herinnert zich anderen op dezelfde plaats, in -dezelfde verwarring, en een groote schrik is te lezen op het anders zoo -welbeheerscht gelaat. - -»U wilt... uw ontslag vragen?« - -Zwijgend buigt Van Beevelant het hoofd. - -Er volgt een lange stilte. Alleen nu en dan komt het gelach tot hen van -Clotilde, die met haar broers zingt en schertst in het bootje op den -vijver. - -»Dat had ik niet van u verwacht.« - -Alles had Frans Van Beevelant beter kunnen dragen dan dien toon van -zacht verwijt, dan dien blik vol smartelijke teleurstelling, dan het -woord dat nu volgt: »Ik dacht dat u mijn vertrouwen zoudt gewaardeerd -hebben.« - -»Ik waardeerde het, Excellentie. Ik was er trotsch op. Wat meer is, ik -geloof te durven zeggen dat ik het me tot nu toe waardig heb betoond.« - -»U vraagt ontslag... Ik kan het u niet weigeren. U zijt vrij.« - -De landvoogd maakt een beweging met de hand, ten teeken dat hij het -gesprek als geëindigd beschouwt en keert zich weder naar het balkon; -een wijle staart hij naar buiten in het park naar het meer, waarop het -bootje wiegelt met zijn vroolijken last; dan rijst uit het beleedigd -vaderhart de kreet: - -»Mijn arme jongens!... En ik die geloofde dat hij van me hield.« - -»Dat doe ik, Excellentie! Dat doe ik.« - -»U nog hier?« en de landvoogd keert zich verbaasd om. - -Nu barst Van Beevelant los, onsamenhangend, hartstochtelijk: - -»O, ik weet het, ik moest hier niet meer zijn... u hebt me niets meer -te zeggen... maar ik... ik kan zoo niet heengaan. Ik kan dit niet -verdragen... ik wil uw vertrouwen niet onwaardig schijnen. Ik wil niet -onder de verdenking liggen van ondankbaarheid... o God! dat ik niet -spreken mag!« - -Baron Van Waliënhove is langzaam teruggekeerd in het vertrek, maar ’t -is niet langer de vriendelijke man, die daar straks zoo welwillend -vroeg naar de belangen van den gouverneur zijner zoons. - -»Laat dit genoeg zijn, mijnheer Van Beevelant,« spreekt hij ijskoud. -»Mijn tijd is kostbaar.« - -Als hij ziet hoe de jonge man verbleekt bij dien toon, gaat hij voort, -minder grievend, maar toch koel: »Waarom te schermen met groote -woorden? Laat ons voet bij stuk houden. U beweert dat u van Oscar en -Felix houdt, u beweert dat u me dankbaar zijt... en u wilt u niet -langer belasten met hun opvoeding, hun opvoeding, die u weet dat mijn -grootste zorg en tot aan uw komst een failure is geweest! U beweert -mijn vertrouwen te waardeeren? Ik vraag u, hebt u niet met mij de -overtuiging dat de jongens ten goede veranderden onder uw leiding, dat -die leiding veel zorgt eischt en veel genegenheid, maar vooral een -ruimer blik, een ontwikkelder geest dan die waarover het gros der -onderwijzers beschikken kan? U kondt hun dit alles blijven schenken, -maar vraagt uw ontslag... en dan wilt u dat ik gelooven zal aan uw -liefde voor hen... Ik bid u, wees oprecht! ’k Weet dat u van nature -geen huichelaar zijt: doe uzelf geen geweld aan om mijnentwil... ik ben -gewoon aan teleurstellingen als deze.« - -»Als u wist hoe ik alles zou willen doen, alles zou willen opofferen om -te kunnen blijven...« - -»Alles, uitgezonderd dit eene wat ik van u vraag: uw persoonlijke -ijdelheid overwinnen.« - -»Mijn persoonlijke ijdelheid?« - -»Ja, ontken het niet, mijnheer Van Beevelant. ’t Is gekwetst gevoel van -eigenwaarde, wat u tot dit besluit heeft gebracht. ’t Is u niet genoeg -dat ik u heb doen eerbiedigen in mijn huis, dat mijn kinderen u -liefhebben, dat mijn gasten, mijn vrienden u met onderscheiding -behandelen... U eischt dat ook mevrouw van Waliënhove u ontzien zal.« - -»O, Excellentie! Denk dat niet!« - -»Ik erken dat u er recht op had! Ik erken dat u zwaar werd beleedigd, -voortdurend, herhaaldelijk, ik erken dat geen uwer voorgangers...« - -»Och, wat ik u bidden mag, laat dat rusten! De behandeling die ik van u -en de andere leden uwer familie mocht ondervinden, heeft me dat -ruimschoots vergoed.« - -»Neen, ik weet beter, ik heb gezien hoe het u griefde en dan... ik -begreep wat het voor u moest zijn, door hetgeen het voor mij was. Maar -ik meende dat u vrij hoog stond, hoog genoeg om voor zekere pijlen -onkwetsbaar te zijn.« - -»Excellentie, is het niet mogelijk dat u toen juist hebt gezien?... dat -u zich nu in mij vergist?« - -»Hier kan helaas van geen vergissing sprake zijn. Het is hier het geval -van den soldaat, die op een post van vertrouwen geplaatst, dien post -verlaat omdat hij door muskieten gestoken wordt.« - -»O, dit is te veel!« - -De jonge man is opgesprongen van zijn stoel, hij heeft de hand aan het -hoofd gebracht, als had hij een slag ontvangen in het aangezicht; maar -onverbiddelijk door zijn verontwaardiging, gaat de heer Van Waliënhove -voort: »U weet hoe men zulk een soldaat noemt?« - -»Een lafaard!« - -Getroffen keert de landvoogd zich tot hem. Dat woord werd niet -gesproken als door een op wien men het zou kunnen, zou durven -toepassen; het klonk als een smartkreet, maar ook als een protest, als -een uitdaging. - -De twee mannen zien elkander in het gelaat, en dan vindt plaats wat -plaats vinden moet wanneer de blikken van twee edele naturen elkaar -ontmoeten, die beiden—zij het dan langs verschillenden weg—streven naar -het goede: de plotseling opgekomen toorn wijkt voor achting en -genegenheid. - -Langzaam treedt de heer Van Waliënhove op den gouverneur toe. - -»Weet u, aan wien u me doet denken, zooals u daar staat? Aan uw vader.« -En dan, terwijl hij hem de hand toesteekt: »De zoon van dien vader kan -geen lafaard zijn.« - -»Dank, Excellentie! U hebt goed gezien; ik ben geen lafaard! Ik ben het -nooit minder geweest dan op dit oogenblik. Misschien,« voegt hij na een -korte stilte er bij, met een weemoedig lachje, »misschien krijg ik -heden zwaarder wond dan mijn vader op Borneo kreeg... En dat zonder -Willemsorde, met verlies van uw genegenheid, zoo niet van uw achting.« - -»Neen, dat niet, dat niet! Maar, ziet ge, op mijn jaren verliest men -ongaarne een illusie—men heeft er zoo weinig meer te verliezen—en -hierdoor was ik misschien daareven onrechtvaardig, hierdoor kan ik me -ook nog maar niet schikken in het denkbeeld, dat u ons zoudt gaan -verlaten. Ik was u reeds min of meer gaan beschouwen als een lid van -ons gezin, ik vond in u zooveel terug van mijn ouden vriend, van mij -zelf. En dan, ik meende dat u zich hier niet ongelukkig voeldet, ik -dacht dat u zich een weinig aan ons had gehecht.« - -Van Beevelant kan niets zeggen, hij weet dat hij verloren is als hij -spreekt; zoo vol is hem het hart. Een groote brandende traan, even -spoedig weggewischt als opgeweld, is zijn eenig antwoord. - -Maar de heer Van Waliënhove heeft dien traan gezien. - -»Kom Van Beevelant«, spreekt hij dringend, »kom, wees openhartig. -Bedenk dat ik me steeds uw vriend betoond heb. Waarom wilt u ons -verlaten? Zeg het me. Waardoor gevoelt ge u gegriefd? Is het zoo’n -doodelijke beleediging, dat ik het niet zou kunnen herstellen? Ik weet, -op uw leeftijd valt vergeven moeilijk, maar we moeten het immers allen -leeren, willen we niet omkomen in een zee van bitterheid. ’k Weet, de -taak wordt u wel zwaar gemaakt. Maar we kunnen ook het zwaarste -volbrengen, als we het doen voor anderen. En in dat geval verkeert u. -Zoudt u den bodem willen inslaan aan uws vaders verwachting dat zijn -zoon carrière zal maken in Indië... Ik heb hem beloofd, dat ik vóór -mijn heengaan u een toekomst zal openstellen. Zoudt u uw moeder, zoo -kort na het door haar geleden verlies, willen bedroeven door den strijd -op te geven, lang vóór de overwinning? En zou het u niet hard vallen, -zoo u op eens moest ophouden met hun al die kleine weelden te -verschaffen... ja, ik weet daarvan, ge behoeft niet zoo te ontstellen, -mijn jongen; ik zelf heb jaren lang mijn ouders ondersteund, en geloof -me, men kan zijn geld niet beter uitzetten.« - -»Ik weet dat ik hun een groot verdriet ga aandoen,« spreekt de jonge -man zacht. »Die gedachte heeft me lang teruggehouden, te lang reeds.« - -»Welnu, neem nogmaals tijd van beraad. Ik wil gelooven dat het u op dit -oogenblik onmogelijk schijnt op uw besluit terug te komen, maar hoe -verschillend denken we soms in enkele dagen over dezelfde zaak.« - -»Als ik dit hopen mocht, denkt u dan dat ik hier voor u zou staan?« - -Er volgt een lange stilte; dan vraagt de heer Van Waliënhove zacht, -smeekend bijna: »Hebt u er aan gedacht, wat dit voor mij zal zijn? Hebt -u daaraan gedacht, wat het moet wezen voor een vader, zijn kinderen weg -te zenden? Onder vreemden? Met de zee tusschen hen?« - -»Excellentie... och, folter mij niet... laat me gaan... U gelooft toch -ook, dat om zooveel goedheid, zooveel vriendschap, zooveel vertrouwen -te verliezen, er redenen moeten zijn, redenen... Noem me een lafaard, -noem me ondankbaar! denk dat ik een ijdele dwaas ben! geloof dat ik om -een persoonlijke beleediging de toekomst uwer zonen op het spel zet, -mijn eigen toekomst voor goed bederf, dat ik uit egoïsme mijn ouders -beroof van mijn steun... denk, geloof dat alles; maar in Godsnaam, als -u van den vader gehouden hebt, dwing dan den zoon niet om het recht te -verliezen op het vertrouwen van een fatsoenlijk man!« - -»Ga, Van Beevelant.« - - - - - - - -XXV - -JONGE LIEFDE. - - -Langen, langen tijd nadat de deur zich sloot achter den gouverneur, -blijft de heer Van Waliënhove onbewegelijk zitten, de handen tegen het -voorhoofd gedrukt, de oogen gevestigd op één punt. Maar als hij daar -zoo onbewegelijk zitten blijft, dan is dit niet om het raadsel op te -lossen hem een uur geleden voorgelegd, hij heeft de oplossing van het -raadsel gevonden. Dit bewijst het woord dat hem telkens wederop de -lippen komt: »Clotilde!« - -Wanneer hij eindelijk oprijst, is het om zich naar haar vertrek te -begeven en zacht te kloppen aan haar deur. - -»Zijt u het, papa? Kom binnen!« en ze verschijnt op den drempel harer -zitkamer met een vriendelijk lachje om de lippen. Maar hij merkt op, -dat terwijl de mond lacht de oogen rood zijn van pas vergoten tranen. - -»Ik zag geen licht, ik vreesde dat je reeds naar bed zoudt zijn.« - -»Dat zou ik zeker... wanneer het een regenachtige avond geweest was, -maar als het maantje me zoo aankijkt en de sterren me zoo vertrouwelijk -toeknikken, dan kan ik er niet toe komen ze buiten te sluiten. ’t Geeft -me zoo’n gevoel alsof lieve vrienden me wilden bezoeken en ik ze de -deur voor den neus dicht deed.« - -Al sprekend heeft ze met een vlugge beweging, de inlandsche vrouwen -afgezien, het loshangend haar opgenomen en in een wrong tegen het -achterhoofd gelegd; nu haalt ze een doekje en slaat dat over het dun -wit négligé; ze weet waarvoor hij kwam; ze maken dikwerf van die kleine -uitstapjes samen, des avonds, als de booze oogen gesloten zijn. - -Hand aan hand, een paar ondeugende kinderen gelijk, bang om betrapt te -worden, sluipen ze het huis uit. - -»Dat hebben we er goed afgebracht!« fluistert Clotilde, als ze buiten -de schaduwen van het dicht geboomte zijn gekomen; en terwijl ze haar -arm door den zijnen steekt, gaat ze voort met de zenuwachtige drukte -van iemand, die de aandacht op alles liever vestigen wil dan op zich -zelve. - -»Nu zal ik u eens iets moois laten zien, iets heel bijzonders, ten -minste de botanici zijn er over in verrukking en Annet Paerel beweert, -dat haar man er vrouw en kind voor vergeet: een palmboom die bloeit!« - -»Is dat zoo iets buitengewoons? Nu, goed, ik wil er graag heengaan, -maar je moet wat minder hard loopen.« - -De maan stond nu hoog aan den hemel en overgoot met zijn licht den -palmentuin; de slanke stammen hoog en trotsch, de onbewogen bladeren -sterk afgeteekend tegen den azuren achtergrond, in zijn koninklijke -rust, in zijn plechtig stilzwijgen niet zoo liefelijk wellicht als -menig ander plekje in Bogor’s lusthof, maar van verhevener schoonheid -dan eenig ander. Vader en dochter vergeten een oogenblik de gedachten -die hen bezig hielden, als ze rondom zich zien; weldra rust hun -verrukte blik op het ongewoon verschijnsel: onder al die gekroonde -hoofden één, wiens diadeem met bloemen is getooid. - -En welke bloemen! Een fontein van wit en rose, opgolvend uit het -bladerdak, trillend en suizelend in de avondkoelte, stoeiend met -stargeflonker en maanlichtglans, zwevend boven de donkere kruin, gelijk -de sluier der andalusische boven het zwartgelokte hoofd. - -»Als de boom heeft uitgebloeid sterft ze,« spreekt Clotilde zacht. - -»Arme boom!« - -»Neen, Papa, zeg dat niet!« roept het meisje. En dan, met een -hartstochtelijke trilling in haar stem: »Zou ze niet nog veel meer te -beklagen zijn, als ze nog voort moest leven wanneer ze heeft -uitgebloeid? Niet waar, het zou de moeite niet loonen? Wij menschen -moeten altijd voort, ook al dragen we geen enkel bloempje meer in hoofd -of hart, maar een palmboom is gelukkig... die mag sterven!« - -»Clotilde!... lieveling!« roept de heer Van Waliënhove ontsteld, en als -hij haar in het gelaat heeft gezien, vraagt hij zich af, wat duizende -vaders voor hem zich hebben afgevraagd en duizende na hem zich zullen -afvragen: »Hoe kon ik zoo blind wezen?« - -»Kijk me niet zoo verschrikt aan, papa, dan heb ik berouw over mijn -onvoorzichtige woorden. En toch... ik kan niet langer veinzen... ik kan -geen vroolijk gezicht meer toonen. Ja, u hebt het reeds ontdekt, niet -waar? ik had daar straks zitten schreien... O pa, ik ben het zoo moê... -telkens weer die nieuwe pretendenten, altijd door vervolgd te worden -met huwelijksplannen! Ik kan het niet langer aanhooren, ik heb het mama -ronduit gezegd.« - -»Dat is goed, kind.« - -»Neen, het was niet goed. Want mama heeft woorden gesproken... o God!« -En met een plotselinge beweging van droefheid en schaamte werpt ze zich -aan zijn borst. Dan snikt ze: »U zult me toch niet dwingen! Ik mag bij -u blijven, niet waar? Zeg vadertje, ik ben u geen doorn in het oog, -zooals haar? U wilt me niet kwijt zijn tot elken prijs, zooals zij? U -vindt niet dat het tijd wordt, hoog tijd? Zeg papa?« - -»Behoef je dat te vragen? Je bent vrij, Clotilde, vrij om bij me te -blijven, vrij om een echtgenoot te kiezen.« - -»Ik wil geen echtgenoot kiezen.« - -»Geen echtgenoot?« herhaalt de heer Van Waliënhove. »Natuurlijk, ik -begrijp je... niet een zooals sommige van de jongelui, die je het hof -maakten; niet een zooals nu de laatste protégé van je mama, maar... een -echtgenoot, die beantwoordt aan...« - -»Neen papa, ook niet een die beantwoordt aan mijn ideaal. Ik houd vol, -wat ik gister aan mama heb gezegd: ik trouw niet! Of neen, ik druk me -niet goed uit. Ik zou het heel naar vinden om als oude jongejuffrouw te -sterven. Wanneer mama me nu maar een tijdlang met rust wou laten, -wanneer ze mij nu maar niet forceerde, dan zou ik later—als ik wat -ouder ben en verstandiger—dan zou ik later een huwelijk doen, waarover -ze tevreden kon zijn.« - -»Een huwelijk uit berekening?... Nooit!« - -»Zeg dat niet, papa! Ik zal een mooie positie trouwen en een adellijken -titel en—veel geld!« - -»Stil, Clotilde! Ik mag dit niet aanhooren. Het smart me, als de -dochter van je moeder zoo spreekt. Maar kind, het was je geen ernst, -niet waar? O, ik begrijp wat het is: ze zijn bij je gekomen, die -vrouwen van de wereld, die lage prediksters van het proza; ze hebben je -gezegd dat bij een verstandig meisje die »overdreven voorstellingen« -van liefde en huwelijksgeluk langzamerhand moeten wijken voor de -werkelijkheid en dat die werkelijkheid met poëzie niets heeft uit te -staan. Geloof ze niet, kind, ’t is alles leugen, ’t is alles laster! -Och lieve, kon je moeder op dit oogenblik tot je komen en je zeggen, -wat de liefde geweest is in haar leven! Ik zie haar met dat stralend -gezichtje me welkom heeten, me naar binnen leiden in onze kleine -woning, met een trots alsof het een paleis ware geweest; ik hoor nog -haar vroolijk snappen, haar kwinkeleeren als een vogeltje even blij en -onbezorgd! Ach, ze heeft wèl genoten, al mocht het maar kort zijn! Hoe -zalig was dat lachje, waarmee ze ’s avonds insliep aan mijn borst, -alsof niet ik het was geweest die den nachtkus drukte op haar lippen, -maar een halfgod, een engel. En wat was dat een geluk, toen je geboren -zoudt worden! Wat heeft ze dikwerf gezegd: »Ik hoop maar dat het een -meisje zijn zal!« En als ik vroeg waarom het geen zoon mocht wezen, dan -heette het: »Mannen hebben zooveel noodig om gelukkig te zijn. Een -vrouw behoeft niets dan liefde en die zullen we haar geven.« - -»Arme, lieve moeder... ach, waarom mocht ik haar niet behouden!« - -Luider dan de avondkoelte stijgen de zuchten omhoog van deze twee -menschenkinderen onder den bloeienden palmboom. - -»Die wensch van uwe moeder is me heilig, Clotilde!... Ik wil u vóór -alles gelukkig zien, gelukkig door het hoogste wat ouders kunnen -begeeren voor hun kind.« - -Tot eenig antwoord wijst Clotilde op den palmboom, met bloemen gesierd, -te midden harer zusteren. - -»Niet voor ieder is het hoogste weggelegd, papa!« - -»Niet voor ieder, neen. Maar als er één jong hartje is, dat de toekomst -blij mag tegenkloppen, dan is het dat van mijn dochter.« - -»Ja, dat zou men zoo meenen,« fluistert ze meer tot de sterren boven -haar, dan tot hem, die in de grootste spanning ieder woord opvangt van -haar lippen. - -»Clotilde, luister. Ik heb je kinderjaren niet onbezorgd kunnen maken; -ik heb je bij vreemden moeten achterlaten en ik weet wat je geleden -hebt onder die scheiding; ik heb je bij je terugkeer geen gelukkig -thuis kunnen bezorgen—maar één voorrecht laat ik me niet ontnemen: je -met al wat achter je ligt te verzoenen door de toekomst.« - -»En als dat eens niet in uwe macht stond, papa?« - -»Als dat niet in mijn macht stond? ’t Is waar, ik vraag veel: een hart, -dat het hart van mijn lieveling kan begrijpen. Maar ik ben zeker, dat -we het vinden zullen.« - -»Laat ons er niet naar zoeken, papa. We zullen toch moeten eindigen met -te doen als de rest en naar een goede partij uitzien.« - -»Foei, Clotilde. Spreek niet zoo tegen uw gevoel. Ik weet, weinig jonge -meisjes vermoeden wat de liefde maken kan van de aarde; ik weet, -menigeen sluit het boek des levens zonder de eenige bladzij te hebben -gelezen, waard om gelezen te worden; ik weet, als er een troepje -kinderen uitgaat om bloemen te plukken, dan zijn de meesten tevreden -met de meizoentjes en klaprozen, die aan den slootkant groeien: een -enkele slechts zal den berg beklimmen om de groote witte bloemkelk te -zoeken, waarvan ze gedroomd heeft. Maar ons kind, niet waar, Clotilde, -ons kind kan niet tevreden zijn met de klaprozen die men plukt aan den -weg?« - -»Papa... als men de witte bloem gezocht heeft boven op den top van den -berg en men is teruggekeerd met ledige handen?«... - -Zacht slaat hij den arm om haar heen, vertrouwelijk vlijt ze het hoofd -aan zijn borst. Dan kust hij haar op de roodgeweende oogen tot zij ze -sluit, gesust door zooveel teederheid en fluistert, zooals een moeder -fluisteren zou in deze ure: »Je hebt de witte bloem gevonden, -Clotilde.« - -Een oogenblik blijft ze liggen, stil als een kind dat droomt en vreest -te ontwaken, omdat de droom zoo heerlijk is; dan heft ze zich langzaam -op en staart haar vader in het gelaat. - -»Neen, papa, u vergist zich. ’t Is waar, ik heb aanbidders; er zijn er -zelfs onder, geloof ik, die van me houden; maar de eenige dien ik zou -kunnen liefhebben denkt niet aan mij!« - -»Dwaas kindje, weet je dat zoo zeker?« - -»Helaas! ik wou dat ik het minder zeker wist! Gelooft u me niet...? Nu -dan: hij voelt niets voor me. Ik ben hem totaal onverschillig! Hij -ontwijkt me! Hij wil zelfs niet door me vertroost worden als hij in -droefheid is!« - -»Spreekt niet zoo hard, lieve!« - -»Als u alles wist, papa, als u alles wist, dan zoudt u zeggen dat ik -niet langer twijfelen mag; dat ik meer gedaan heb dan ik mocht doen! -Maar ik wist niet wat me dreef! Ik kende mijn eigen hart niet! Ik dacht -dat het medelijden was met zijn smart, met zijn verlatenheid; ik dacht, -dat ik voor hem opkwam, zooals ik dat doe voor ieder die miskend wordt -en beleedigd... Hij heeft me van zich gestooten, papa! hij gaat me uit -den weg! hij ziet me zelfs niet aan!« - -»Omdat hij je liefheeft, Clotilde! Omdat hij mijn vertrouwen niet wilde -misbruiken om het hart te stelen van mijn dochter. Omdat hij weet dat -je bestemd waart hooger prijs te halen op de huwelijksmarkt dan hij -voor je besteden kan. Omdat hij den trots heeft van een eerlijk man, -die de hand niet wil uitstrekken naar hetgeen anderen, meer -bevoorrechten, toekomt!« - -»Papa! O, is het waar?« - -»Ja, mijn arme lieveling, het is waar. Hij heeft me daar straks zijn -ontslag gevraagd. Toen heb ik alles begrepen. Toen wist ik, dat ik -blind was geweest en doof, en dat twee jonge harten veel geleden -hadden.« - -En als ze snikkend in zijn armen ligt, vraagt hij zacht: »Mijn arm -kind, waarom heb je me niet meegenomen toen je den tocht ging doen om -de witte bloem te zoeken?« - -Maar weldra zijn de tranen gedroogd. En de bloemfontein in den palmboom -wuift en strooit hare witte bloesems op het bruingelokte hoofd, als -wilde ze het reeds met den bruidskrans sieren en de maan ziet -glimlachend neer op het schouwspel, dat haar verzoenen moet—en altijd -weer verzoenen kan—met al het stuitende en treurige der aarde: het -schouwspel van een meisjesgelaat, naar haar opgeheven in de zalige -verrukking der eerste liefde! - - - - - - - -XXVI - -DE FAMILIE HAGEN. - - -»Het gaat in het geheel niet goed met mevrouw,« heeft dokter Bosschaert -gezegd tot den algemeenen secretaris, en de algemeene secretaris heeft -zich een oogenblik losgerukt van politieke beslommeringen, om zich zeer -ongerust te maken. - -Verder beweerde dokter Bosschaert: »Mevrouw behoeft vóór alles -verstrooiing.« Buitenzorg is hier echter niet rijk aan, en daar -Verschuere binnen enkele dagen den gouverneur-generaal vergezellen -moest naar Batavia, wist hij niets beters te doen dan Agnita mede te -nemen naar de vrienden, die langzamerhand hun beste vrienden geworden -waren, de Hagens. - -De vice-president en zijn vrouw waren er volstrekt de menschen niet -naar om een logée, die afleiding behoefde, deze te willen bezorgen door -menschen zien en partijen bijwonen: ze deden hun best om het haar -gezellig te maken in huis. - -En wanneer de Hagens daarvoor hun best deden, hadden ze meer kans van -slagen dan de meesten; mevrouw wist allerlei prettige bezigheden, die -ze liefst met de logée verrichtte; mijnheer bracht altijd wat nieuws -mede en kon—zeldzame gave in een getrouwd man—uren lang bij de dames -zitten zonder haar of zich zelf te vervelen; Gertrude kwam elk -oogenblik in de loofhut binnenvallen als een zonnestraal, en de -gelukkige jonge echtgenoot liet zich zelden lang wachten waar zijn -vroolijk vrouwtje was. In een onbedacht oogenblik—zooals men er hebben -kan in den engagementstijd—had hij zijn talent van voorlezen verraden. -Nu werd hem geregeld een boek in de hand gestopt met de bewering, dat -de dames veel beter »opschoten« als er gelezen werd; hij las dus, en -mocht hij soms een oogenblik vertragen, dan was ’t om naar Gertrude te -kijken, die dit als een sein beschouwde om hem een kanten baatje, een -klein hemdje of rooskleurig spreitje voor te houden en met een stralend -gezicht te vragen of het niet was om te stelen? - -’s Avonds zong ze, of liever ze zong den geheelen dag, maar ’s avonds -deed ze ’t bij de piano; mevrouw speelde een partij schaak met haar -schoonzoon, mijnheer accompagneerde Agnita’s spel; soms ook bleef men -praten, en onder het genot van zijn brandy-soda schilderde dan de -gastheer met de opgewektheid, die bij hem het gebrek aan geest bijna -vergoedde, het Batavia van vijf-en-twintig jaar geleden. Een enkele -maal ook, daartoe geanimeerd door een woord van Agnita—vrouw en dochter -zorgden wel hem niet op zijn stokpaardje te brengen—handelde hij over -kunst. Over niets sprak hij liever, en zoolang hij zich bepaalde bij -hetgeen Europa op dat gebied te genieten geeft, over niets beter; maar -wee, als hij zijn gemoed ging uitstorten over Indië in dit opzicht! - -Hij had daaromtrent ervaringen van minder aangenamen aard. Jonge -talenten, die hij ontdekte en zag verloren gaan, warme harten, die -verkilden onder de tropische zon, mislukte pogingen om iets tot stand -te brengen op muzikaal of op ander gebied. Wat kon hij dwepen over de -lieve actrice, die Batavia verrukte; helaas! te vergeefs gewaarschuwd -voor de gevaren aan haar verlaten positie verbonden; over het aardig -kind, dat hij in Gang Petjanongang vond, een aap teekenend op den -vuilwitten muur, ’t kind dat hij moest gewennen aan schoenen dragen en -Hollandsch spreken voor hij haar kon wegzenden naar Amsterdam, waar ze -met haar bruine handjes bezig is zich een naam te maken als -dierenschilderes... Omtrent praatjes, die geloopen hadden over zijn -verhouding tot de jonge artiste, of omtrent hetgeen men had beweerd -over zijn betrekking op het begaafde nonnaatje sprak hij niet; evenmin -als hij er van repte hoe zijn zwak voor de kunst hem den naam had -bezorgd van een man te zijn, die er liefhebberijen op nahield, dus geen -ernstig, geen degelijk man. Misschien hield hij het er voor, dat -anderen reeds op zich genomen hadden mevrouw Verschuere in te lichten, -misschien ook vergat hij het. Want als hij over dit onderwerp sprak, -zonken zijn persoonlijke grieven in ’t niet, gevoelde hij slechts die -eene groote grief tegen het land, waar kunst een woord is zonder klank, -waar het langzamerhand een herinnering wordt, niets meer; van waar -chineesche koelies terugkeeren als millionairs en artisten als -bedelaars; dat salons noch museums heeft; waar de rijke burger mist wat -de armste werkman in Europa bezit: het voorrecht van te mogen -nederzitten voor meesterstukken, om te genieten en te bewonderen. - -Er was nog al iets toe noodig om den heer Hagen zijn oostersche kalmte -te doen verliezen, maar als hij dit zijn stokpaardje bereed, kon hij -zich vreeselijk boos maken; dan schold hij op de mannen van invloed en -fortuin, die niets doen tot steun van het talent, het genie wellicht, -dat toch ook in deze maatschappij niet geheel afwezig kan zijn, dan -bespotte hij de Koningin van het Oosten met haar huizen vol marmer, -haar kasten vol zilver, haar vrouwen vol juweel en, haar tafels vol -gerechten; dan bracht hij u voor zijn Verveer, zijn Mesdag, zijn Apol, -zijn Bles, en vroeg of die niet meer waard waren dan al die dikwerf -smakelooze pracht; dan kon hij u bijna smeeken, toch liever onzen -hollandschen schilders hun meesterwerken af te koopen dan Fransche -juweliers en patissiers te verrijken met het dikwerf zoo zuur verdiende -indisch goud. - -»’t Is waar, we zouden zoo nu of dan een Mæcenas wel kunnen gebruiken,« -zegt Agnita eens; en voegt er dan met een zucht bij: »Men heeft hier -zooveel behoefte aan aanmoediging. We missen hier de veerkracht die een -koel klimaat geeft; we hebben veel minder den prikkel der eerzucht... -als we ten minste nog maar bezield werden door het denkbeeld dat iemand -belang stelde in ons streven...« - -»Ja,« zegt mevrouw Hagen, »dat heeft me sinds ik in Indië ben getroost -over iets, dat me in Holland niet weinig hinderde, namelijk dat ik geen -talenten bezit; een vrouw van talent staat hier alleen. Als ze niet -pianospelen of in een liefhebberijcomedie optreden kan, interesseert -niemand zich voor haar andere bekwaamheden; ze durft niet spreken over -hetgeen haar vervult, ze kan anderen geen raad vragen, ze vindt geen -bevoegde beoordeelaars... vroeg of laat vallen pen of penseel haar uit -de hand.« - -»En er is hier geen keizer Karel die ze voor haar opraapt.« - -»Maar,« vraagt Van den Bosch, »zou het talent werkelijk zoveel behoefte -hebben aan aanmoediging? Zou het niet alles, aanmoediging, belooning, -ja zelfs een juiste waardeering vinden in zich zelf?« - -»Misschien de groote talenten,« zegt Nita, »maar de kleine?... Het zal -u heel kinderachtig schijnen; maar toch verzeker ik u, dat soms, als ik -aan het schilderen ben, ik niet kan voortgaan zoolang me niet iemand -gezegd heeft dat hij ’t mooi vindt. En,« voegt ze er bij met een zucht, -»ik kan niet altijd iemand vinden om ’t me te zeggen.« - -Dien avond had de heer Hagen een apartje met zijn vrouw. Hij vroeg of -hier niet een kunstenaarszieltje verkwijnde door gebrek aan sympathie? -Maar mevrouw Hagen beduidde mijnheer, wat ze hem gewoonlijk beduidde, -dat hij zich vergiste. - -Neen, dit was het niet wat knaagde aan Agnita’s geluk, ’t was heel iets -anders! Gister had ze haar gevonden bij de groote naaimand, die door -zijn inhoud verried welke hoop er gekoesterd werd door de familie; ze -had haar gevonden, terwijl ze die verraderlijke artikeltjes een voor -een door de handen liet gaan, ze beschouwde, gladstreek en weer -opvouwde met het geheimzinnig voorgevoel, dat jonge vrouwen het kindje -doet zien en tasten in de kleine kleedingstukjes, lang vóór het daarin -is gestoken. - -Gertrude echter, misschien ongewoon scherpziende door haar jonge -liefde, Gertrude hield vol, dat pa en ma beiden de plank missloegen. - -»Hebt u dan niet opgemerkt,« vroeg ze, »hoe haar arm, bleek gezichtje -kleurt als Verschuere thuis komt? Hebt u niet gezien hoe die treurige -oogen geheel veranderen van uitdrukking, alleen door zijn -tegenwoordigheid? Hebt u niet opgemerkt hoe ze hangt aan zijn lippen, -hoe gelukkig een vriendelijk woord van hem haar maakt?« - -»Er zijn veel mannen die zich laten beminnen, weinigen die liefde -hebben te geven... ’t kan zijn dat Verschuere tot de velen behoort,« -peinst mevrouw. - -Juist keert Willem terug van een militaire wandeling en moet -zich—vermoeid en warm als hij is—laten omhelzen. - -»Een oogenblikje om uit te blazen, Truus! Dan ben ik verder den -geheelen dag tot je dienst.« - -»Weet u, wat ik wenschte, moedertje,« vraagt de jonge vrouw terwijl ze -haar man een glas ijswater brengt; »voor die arme Nita, bedoel ik...? -Dat ze met een luitenant getrouwd was. Die hebben heele dagen om lief -te zijn voor hun vrouw.« - -Toch was Verschuere gedurende hun verblijf op Batavia zoo »lief voor -zijn vrouw« als de bezigheden maar eenigszins toelieten; hij keek -telkens vol bezorgdheid naar het bleek profiel, dat steeds fijner werd, -naar de grijze oogen, die in hun donkere kringen steeds grooter -schenen; hij bracht boeken en gravures mede uit de stad en nieuwe -muziek en zeldzame bloemen. - -Te Buitenzorg teruggekeerd, noodigde hij de goede kennissen hen veel te -bezoeken, herinnerde hij James dat zijn couvert altijd gelegd werd, ja, -vroeg hij zelfs mevrouw Te Leurse om eens een dagje bij hen te komen -doorbrengen. - -Wel had hij zich voorgenomen den omgang te verminderen met een familie, -die in den laatsten tijd zooveel van zich spreken deed, maar Agnita -moest afleiding hebben en tot afleiding was niemand zoo geschikt als de -schoone luitenantsche met haar origineele invallen, haar reciteeren van -brokstukken uit drama’s of comedie’s, haar werkelijk geestige -behaagzucht en, zeer enkele malen, haar diep gevoel. - -Dokter Bosschaert kwam veertien dagen achtereen, ’s morgens en ’s -avonds. Toen volgde hij de gewoonte van indische geneesheeren—een -gewoonte die vele honderde levens heeft gered;—vóór het te laat was -raadde hij verandering van lucht aan. - -Mevrouw moest naar boven. - -Naar boven... In het begin, zoo lang hij daarbij nog denkt aan de -tweede verdieping, glimlacht de Hollander om die uitdrukking. Maar als -hij zijn vrienden, verkwikt naar lichaam en geest, zag terugkeeren uit -de bergen, als vrouw of kind er herstel vond van uitgeputte kracht, dan -glimlacht hij niet meer wanneer dat woord wordt genoemd, dan schijnt -het hem de sleutel tot het paradijs der verkwikking. - -Naar boven... Verschuere’s ijzeren gestel bood nog altijd weerstand aan -zijn afmattenden werkkring, maar hij gevoelde in den laatsten tijd een -andere vermoeienis dan lichamelijke; hij snakte naar rust, naar -vrijheid; hij smachtte er naar om eens, ware het voor nog zoo kort, toe -te behooren aan zich zelf. Of meer nog aan Agnita, arm kind, dat zich -maar niet kon gewennen aan het denkbeeld—waaraan het trouwens verbazend -moeilijk schijnt jonge vrouwen te gewennen—dat het huwelijk niet een -samen leven en samen genieten kan zijn, maar een, ieder voor zich, -najagen van geheel afzonderlijke doeleinden. - -Hij denkt er niet aan, dat er een crisis op handen is; dat dezer dagen -de begrooting wordt ingediend en de partij, door minister en -gouverneur-generaal zoo warm aangehangen, gevaar loopt een nederlaag te -lijden; hij stelt zich niets anders voor, dan hoe ze het verrukt -gezichtje naar hem zou opheffen, als hij haar zeggen kon dat ze naar -boven ging met hem. - -Maar met de wilskracht, die hem gemaakt heeft tot wat hij is, schudt -hij zich wakker uit den schoonen droom en antwoordt op Bosschaert’s -vraag: »U gaat natuurlijk mede?« »Onmogelijk.« - -De hofarts echter barst nu los in den ruwen toon die hem, volgens -velen, ongeschikt maakt voor zijn tegenwoordig ambt. »U weet, ik houd -niet van halve maatregelen; als u niet mee kunt gaan dient het nergens -toe mevrouw weg te zenden. Goeden morgen.« - -En eer nog Verschuere heeft kunnen antwoorden is hij in zijn coupé -gestapt en weggereden naar het paleis, waar eene der bijkokkies zich in -den vinger heeft gesneden, reden voor mevrouw Van Waliënhove om te -eischen dat hij tweemaal daags naar den toestand van dien vinger zal -komen zien: hij wordt er immers voor betaald! - - - - - - - -XXVII - -DE MOED VAN MEVROUW VERSCHUERE. - - -Geen uur is na het vertrek van den dokter verloopen, als een luide tik -op de deur van Agnita’s boudoir haar doet overeind springen van den -divan, waarop ze nu meest hare ochtenden doorbrengt. - -»Ik kom met een brief voor je, Nita; van Zijne Excellentie. En ik moet -op antwoord wachten.« - -»Wat, James? Een brief van den gouverneur-generaal voor mij? Zeker een -grap van je?« Maar terwijl ze spreekt heeft ze het couvert reeds -opengescheurd en, na den korten inhoud te hebben doorloopen, vraagt ze -haastig: »Wat is er gebeurd? Zeg, wat is er gebeurd?« - -Dan, als Van Suylichem aarzelend zwijgen blijft: »Je kunt het me gerust -vertellen, daar mijnheer Van Waliënhove me zelf in zijn vertrouwen -neemt.« - -»Neen, dat is het niet; maar... je vraagt me wat er gebeurd is en zie -je... die vraag is niet zoo gemakkelijk te beantwoorden. Als ik voor -een rechtbank getuigen, als ik er een eed op doen moest, zou ik zeggen: -niets. Hier, onder de roos beweer ik: veel, heel veel. Er is -geïntrigeerd. Er is gespionneerd. Er zijn geheimzinnige samenkomsten -geweest. Deuren die anders openbleven zijn gesloten. Er is gekibbeld, -gehuild en als ik me niet vergis, bemind; d’Hannecour is tot wanhoop -gebracht, hij voelde dat er iets in de lucht zat en kon niet raden wat. -Hooglaan doet geheimzinnig. Hij heeft conferenties met de kamenier... -neen, niet met mooi Marietje! met die oude grompot; je weet wel, -mevrouws vertrouwde... Mevrouw zelve is vreeselijk uit haar humeur, ze -loopt zoo recht dat ze ieder oogenblik dreigt over voetebankjes te -struikelen of van de trappen te rollen—wat ik haar van ganscher harte -gunnen zou.« - -»Foei, James!« zegt ze lachend, om dan schijnbaar achteloos te vragen: -»En... Van Beevelant?« - -»Van Beevelant?« herhaalt James. - -»Ja, hoe is hij?« - -»Wel, zooals anders.« - -»Och kom, dat is onmogelijk!« - -Daar barst Van Suylichem los in den frisschen jongenslach die hem zoo -goed afgaat. »O jullie vrouwen! Jullie verraadt je toch altijd. Hoe -dikwerf heb ik je gezegd dat er iets bestond tusschen Van Beevelant en -Clotilde? En hoe dikwerf heb je me voorgepraat, dat ik het me -verbeeldde? hoe dikwerf me vermaand om er toch met niemand over te -spreken. Je wist er meer van, Nita! Beken het maar, je waart hun -vertrouwde.« - -»Neen, daarin vergis je je. Ik wenschte dat ze het me een van beiden -hadden gemaakt; ik zou hun graag bewijzen gegeven hebben van mijn -sympathie. Clotilde heeft me wel verteld van andere pretendenten; kort -geleden nog dat Hooglaan de insolentie gehad heeft haar te vragen...« - -»Hooglaan! Neen?... Waarachtig?« - -»Ja. Na haar mama, niet haar het hof te hebben gemaakt. Maar over Van -Beevelant sprak ze nooit, ten minste niet in dien zin.« - -»Nu, zooals je uit den brief ziet, ze is van morgen naar Tjipanas -vertrokken. Je weet, juffrouw Kwake is daar, de oude bonne, die met -haar meekwam uit Europa en, daar ze het met de njonnja besaar niet -vinden kon, moest verwijderd worden. Ze zal zeker met alle liefde voor -haar pleegkind zorgen, maar...« - -»Clotilde heeft ander gezelschap noodig, wil je zeggen?« - -»Vraagt de oude heer je om naar Tjipanas te gaan?« - -»Ja,« zegt Nita, terwijl ze den brief weer openvouwt. - -»»Mijn arm kind is ziek!« schrijft hij. »Maar van een ziekte die niet -de berglucht alleen geneest. Ze is diep geschokt en er is een zachte -hand noodig om de wonden, háár geslagen, te heelen.«« - -»Ja, er is gisteravond een scène geweest met mevrouw!... ik dacht niet -dat baronessen er zulke stemgeluiden op nahielden... Clotilde zag er -vreeselijk bleek en behuild uit van morgen... ’t ging me aan het hart. -Je neemt het toch aan, Nita? Toe, zeg ja. Me dunkt, je bent er juist -het persoontje naar, om goed te doen in zoo’n geval, juist ìemand om -alles aan te willen vertrouwen.« - -»En dat zegt een jong mensch, die nog nooit bij me is gekomen om me -zijn Confidenties te doen!« - -Hij ziet haar een oogenblik verwonderd, vorschend bijna, in het gelaat. -Dan, als ze zijn blik kalm en rustig doorstaat, roept hij: »Ik heb geen -confidentie te doen, dat weet je wel.« - -Nu neemt hij het boek op, waarin ze bij zijn komst las, en terwijl hij -zich houdt of de titelplaat hem bijzonder belang inboezemt, gaat hij op -plotseling veranderden toon voort: »Maar we spraken daar over...« - -Juist op dit oogenblik treedt de algemeene secretaris binnen. - -»Bonjour, Van Suylichem! Je bent hier met een brief, niet waar? Dank -je, lieve; ik ken den inhoud. Je hebt James zeker gezegd wat de kwestie -is? Goed. En wat denk je van het plannetje? Uitstekend, niet waar? -Zoo’n aardige toevalligheid als men zelden vindt! Bosschaert was -daareven bij me: hij zegt dat het klimaat van Tjipanas juist is wat je -noodig hebt.« - -»Maar zul je het niet eenzaam vinden hier?« - -»O, maak je daar niet ongerust over. Ik heb altijd gezelschap in mijn -werk. En ’t is voor je gezondheid.« - -»Kun je niet meegaan?« vraagt James, die evenals Bosschaert wel -weet—wat slechts voor den betrokken persoon een geheim schijnt—dat de -zwakke orchydee niet leven kan zonder den steun van haar boom. - -»Meegaan? ’k Wou dat het mogelijk was! Maar misschien kan ik je -brengen!« - -»Ja, dat zou heerlijk wezen!« roept Nita verheugd, en James merkt op -met hoe weinig ze geleerd heeft zich tevreden te stellen. »Ik hoop dat -ik Clotilde van nut zal kunnen zijn,« gaat ze dan voort, »en ik geloof -het wel, ten minste ik kan me zoo geheel in haar toestand verplaatsen.« - -»Ja,« vraagt Verschuere schertsend. »Kun je je zoo goed een -voorstelling maken van wat dat is: een ongelukkige liefde? En ik, die -dacht dat je geen ervaring hadt op dit punt!« - -»Neen, zeker niet van ongelukkige liefdes. Maar mag je dit wel zoo -noemen?« - -»Of je dit zoo noemen moogt!« klinkt het van twee kanten. - -»Is de gouverneur-generaal er dan tegen?« vraagt ze weer. - -»Natuurlijk.« - -»Maar hoe kon hij dan de onvoorzichtigheid hebben iemand als Van -Beevelant dagelijks in Clotilde’s gezelschap te brengen?« - -»Wel, dat vind ik nog al duidelijk,« roept James; »hij heeft niet -gedacht aan de mogelijkheid.« - -»En dan—hij geloofde te doen te hebben met een fatsoenlijk man.« - -»Verschuere!... Wat bedoel je?« - -»Je vroegt me gister, Nita, waarom we Van Beevelant niet meer zien; je -verwonderde je dat hij de geheele week niet hier was geweest! Ik heb je -ontwijkend geantwoord, omdat... omdat ik wist hoezeer het je bedroeven -zou. Maar ’t is beter dat je ’t hoort: Van Beevelant heeft zich gemeen -gedragen en ik heb hem dat gezegd.« - -»Heb je hem dat gezegd?« roept Agnita en alle kleur wijkt uit haar -gelaat. »O, wat spijt me dat, Gustaaf! hij zal het je nooit vergeven.« - -»Ik wensch niet dat hij ’t me vergeeft. Ik wil dat onze intimiteit voor -goed geëindigd zij.« - -»Neen, dat wensch je niet. Niet waar, je zoudt willen dat zijn onschuld -bleek en dat je het gebeurde ongedaan kondt maken. Nu weet ik wat je -zoo gehinderd heeft in den laatsten tijd... Je beste vriend! Maar -Verschuere, wat je ook een oogenblik geloofd moogt hebben, je moet nu -reeds tot de overtuiging zijn gekomen dat het een vergissing is, dat -Frans niet laag of gemeen kan gehandeld hebben. Misschien is hij zwak -geweest... Maar slecht...« - -»Zwakheid is in sommige gevallen slechtheid.« - -»Ook wanneer de liefde in het spel is?« - -»Ook wanneer de liefde in het spel is.« - -»Verschuere,« begint James nu, »kan het geen laster zijn? ’t Komt me -zoo ongelooflijk voor. Die loyale, flinke kerel, die je aanziet met -zoo’n paar eerlijke oogen.« - -»Je moest me genoeg kennen,« spreekt Verschuere, na een oogenblik van -stilte, met afgewend gelaat en onvaste stem, »je moest me genoeg kennen -om te weten dat ik niet lichtvaardig mijn besten vriend zal opgeven. -Wat ik je van Frans zeg is de waarheid, ik heb de bewijzen gezien, -zwart op wit. Ik weet dat ze rendez-vous hadden in de leerkamer en -quasi toevallige ontmoetingen in het park; ik weet dat ze hem bloemen -zond.« - -»Om het portret van zijn zuster mee te omkransen... zooals ik ook heb -gedaan... de bloemen, die we in een ander geval zouden hebben -neergelegd op Louise’s graf.« - -»Alles heel poëtisch, Nita, maar er is meer gebeurd.« - -James heeft hem reeds geruimen tijd vorschend aangezien; nu springt hij -overeind. »Verschuere, je bent opgestookt en mevrouw Van Waliënhove -heeft het gedaan!« - -»Maar dat zou verschrikkelijk zijn,« roept Nita. »Twee zulke vrienden -te scheiden, vrienden van zooveel jaren her!« - -Verschuere keert zich haastig om, niemand mag weten dat de brandende -tranen hem in de oogen staan. - -»Goddank! dat al haar laster niet baten zal,« begint Nita straks. -»Alles zal zich ophelderen en wanneer Clotilde hem trouw blijft...« - -»Dat zal hem weinig baten,« zegt James. »Je begrijpt toch, dat haar -vader zijn toestemming niet geeft?« - -»Als hij van haar houdt, zooals ik geloof dat hij doet, met de -onbaatzuchtige liefde, die alleen ouders kennen, dan zal hij meer háár -geluk zoeken dan de bevrediging van eigen wenschen. Daarbij, hij -begrijpt zijn dochter, hij weet dat Clotilde niet een der willooze -wezentjes is, die met iederen man gelukkig kunnen zijn, maar een van de -vrouwen die zelve kiezen.« - -»Ik geloof dat je je vergist, kind,« zegt Verschuere, zich losrukkend -uit zijn gepeins. »Hij zal er zeer tegen zijn.« - -»Maar dan is het beter dat ik niet ga. Ik zou niets willen doen om -Clotilde tot andere gedachten te brengen. Ik zou niets willen doen in -het nadeel van onzen vriend.« - -»Maar ik zeg je dat hij mijn vriend niet meer is,« barst Verschuere los -in hevigen toorn. - -»Des te meer reden voor mij om hem trouw te blijven.« - -»Ferm zoo, Nita!« roept James. »Ik voeg me bij je! De arme drommel zal -zijn vrienden wel kunnen tellen, nu mevrouw Van Waliënhove tegen hem -is.« - -Driftig keert Verschuere zich tot hem. »Je wilt niet zeggen, je durft -niet denken dat ik hem verloochen ter wille van die vrouw!« - -»Neen, God beware me!« - -»Hoe zou hij dat kunnen denken, Gustaaf, hij, die je zoo goed kent? Wij -weten, je gelooft dat Frans schuldig is. Na korter of langer tijd zal -het je echter blijken dat je bedrogen bent, dat er een misverstand -heeft plaats gehad misschien; dan zul je ons dankbaar zijn dat we niet -aan hem getwijfeld hebben.« - -»James is vrij om te doen wat hem goeddunkt, maar ik wil dat jij me -gelooven zult, Nita; ik wil dat je één lijn zult trekken met je man, -zooals dit aan een vrouw past.« - -Er volgt een oogenblik van stilte. Agnita heeft haar echtgenoot -aangezien met smartelijke verbazing; Van Suylichem is opgerezen. - -»Neem me niet kwalijk... ik had reeds eer willen weggaan, maar mij was -opgedragen zoo mogelijk antwoord mee te brengen.« - -»Kom, lieve,« spreekt Verschuere, die reeds zijn zelfbeheersching -herwon, »stuur James niet zoo onverrichterzake terug. Schrijf een enkel -woordje, om te zeggen dat je...« - -»Ik zou liever nog geen besluit nemen, Gustaaf.« - -»Nu dan... mijn paard wordt lastig, als het zoo lang staat... ik ga het -eens even afrijden... Tot straks!« - -Als haar neef de kamer heeft verlaten, komt Verschuere dicht bij zijn -vrouw zitten: hij kent zijn invloed, hij weet dat ze hem niets weigert, -als hij zoo de armen heeft geslagen om haar schouders, als hij haar in -de oogen ziet met dien blik, waaraan ze leerde gehoorzamen in nederige -liefde. - -»Luister nu eens, kindje. Je begrijpt toch, niet waar, dat dit een -groote eer is die je wordt aangedaan? Dat de gouverneur bewijst een -bijzonder vertrouwen in je te stellen? Dat al de dames jaloersch zullen -zijn van deze nieuwe onderscheiding? En, niet waar, kleintje, we weten -toch ook—al hou je je nu of je geheel vreemd bent gebleven aan de -gewoonten hier—je weet toch ook dat je niet kunt weigeren, nu hij het -op zoo vleiende manier vraagt?« - -»Maar als het nu tegen mijn gevoel strijdt?« - -»Dan doe je het toch.« - -Ze maakt zich los uit zijn armen; een oogenblik later echter treedt ze -weer op hem toe om, bijna smeekend, te vragen: »Zeg zulke vreeselijke -dingen niet, Gustaaf; je maakt er me zoo bedroefd mee. Ik weet wel dat -het je geen ernst is, maar waarom je minder goed voor te doen dan je -bent?« Dan grijpt ze zijn hand en gaat voort in hoogen ernst: »Er is -één ding dat ik vrees... o, meer vrees dan iets anders op de wereld. -Maar, niet waar, lieveling, daarvoor behoef ik niet bang te zijn?... ik -zal je altijd kunnen achten?« - -»Dwaas kind! Natuurlijk zul je dat.« - -»Dat wist ik wel. Dat wist ik wel. Goddank!« Ze slaat de armen om zijn -hals en ziet hem aan, de groote oogen vol tranen. »Frans is je vriend -geweest, Gustaaf! je zoudt geen lage rol willen spelen jegens hem; je -zoudt niet willen dat ik me liet gebruiken om de vrouw, die hij lief -heeft, van hem afkeerig te maken? Je vindt goed, dat ik dit zeg aan -mijnheer Van Waliënhove?... Niet waar, je vindt het goed!« - -»Maar mijn God, dit is krankzinnigheid!« stamelt hij en keert zich van -haar af. - -Doch hij heeft haar lief in wat hij haar krankzinnigheid noemt; hij -voelt wat het zijn zou, ook voor hem zijn zou, als ze de gevreesde -ontdekking deed, als ze niet langer in hem geloofde; en wanneer ze -thans hem zachtjes dwingt haar aan te zien, roept hij: - -»Ga je gang, doe het!« - -Straks komt de adjudant haar antwoord halen. - -»Wil je het hooren?« vraagt ze en leest: - - - »Excellentie! - - »Het door Uwe Excellentie in mij gesteld vertrouwen maakt mij zeer - gelukkig, ik ben er trotsch op door Uwe Excellentie te zijn gekozen - om in deze dagen bij Clotilde te zijn. Gaarne wil ik tot haar gaan. - Uwe Excellentie kent mijne gevoelen omtrent den heer Van Beevelant, - niet waar? ik acht het meisje gelukkig dat zijn vrouw wordt. Dit - zal hoop ik geen bezwaar zijn?« - - -»Nonsens!« roept James, »hij zal je beleefd verzoeken in dat geval -stilletjes thuis te blijven. Enfin, geef maar op!« - -Tien minuten later reikt hij haar het antwoord over. - - - »Zeer geachte mevrouw! - - »Uwe gevoelens omtrent den aanstaande mijner dochter zijn ook de - mijne. De heer Van Suylichem zal alles voor de reis regelen; wil - dag en uur bepalen. Ik eindig, waarde mevrouw, met het verzoek uw - echtgenoot namens mij zoo lang verlof te verleenen als u dat zult - noodig oordeelen.« - - - - - - - -XXVIII - -NAAR DE BERGEN. - - -Sedert lang wekte de eerste dag der week bij Agnita niet meer het -sabbathsgevoel, dat in Holland er zulk een wijding aan had gegeven. -Maar op dezen Zondagmorgen was het haar of ze gewekt werd door het -klokgelui van het kerkje te Bloemduin; op dezen Zondagmorgen trok ze -haar eenvoudig, reistoiletje aan met een gewaarwording of het de »beste -jurk« was uit haar kinderjaren; op dezen Zondagmorgen nam ze plaats in -den trein, alsof het de groote tentwagen geweest was, waarmee ze thuis -uitstapjes gingen maken; pa en moe op de achterbank, broer met zijn -meisje in het kattebakje, James op den bok en zij met de vijf andere -kinderen, de trommels vol eetwaren, de dikke doeken, de manden met -flesschen en de meid, geborgen waar er maar een plaatsje voor te vinden -was. - -Het heeft gedurende den nacht zwaar geregend. Maar nu de zon de wolken -begint te verdrijven, ligt de aarde daar zooals ze wezen kan in die -lente der indische natuur, het begin van den westmousson, wanneer de -stille riviertjes op eens weer beginnen te murmelen en de zwijgende -vogels nieuwe wijsjes vinden; wanneer wuivende pluimen te voorschijn -komen uit het donker olijfgroen en harde oude bladeren verdrongen -worden door lichtgele bladknoppen, wanneer rose bloesems zich -ontplooien naast purperen vruchten, wanneer de oranjeboom geurt en de -aarde juicht en de hemel lacht. - -»Weet je waaraan je me denken doet?« vraagt Verschuere, terwijl hij -eerst zijn vrouw aanziet en dan rondom zich in de coupé, die met bruin -juchtleer is bekleed: »aan een nieuw goudtientje in een oude -porte-monnaie, zoo glanzend ben je vandaag!« - -Die vergelijking maakt haar gelukkig. Want soms in den laatsten tijd, -als ze zich zoo zwak gevoelde, heeft ze gevreesd dat hij het haar zou -aanzien en dikwerf, als ze zijn rijtuig hoorde op het kiezel, sprong ze -verschrikt overeind bij de gedachte hoe bleek ze was... onnoodige zorg, -daar zijn binnentreden altijd een blos riep op haar gelaat. - -»Daar zijn we reeds te Batoe Toelis,« zegt hij en ze ziet rondom -zich—maar dan, vatbaar voor indrukken als ze is, wordt haar gelaat -minder vroolijk. Komt het door de betrokken lucht of door de al te -onmiddellijke nabijheid van de bergen, dat het eerste station na -Buitenzorg zulk een somberen indruk maakt? Of is het wellicht omdat men -overal op de groene wegen, in de tentjes, op de rustbanken, gestalten -ziet in de grijslinnen hospitaalkleeding, jonge mannen, het gebogen -lichaam voortsleepend, hijgend van vermoeienis, rondwarend als droeve -spoken, opgeroepen door den Atjehkrijg? - -Eenmaal Batoe Toelis voorbij wordt het tooneel steeds lichter, steeds -ruimer, steeds vroolijker. Weldra beginnen Gustaaf en Agnita te zamen -uit te zien door het venster, breed en hoog, zooals het zijn moet om -het breed en hoog tafereel dat voor hen ligt te kunnen omvatten. - -Massing, het station waar de Tjiradani haar vloeibaar kristal uitstort -over velden en weiden, waar ze stoeit en speelt om den voet der -heuvelen en de kleine vallei herschept in een paradijsje vol gemurmel -en geritsel, vol gefluister en geklater—Massing ontvangt hen als een -vriendelijke gastvrouw op den drempel harer woning. En wie ook maar een -glimp gezien heeft van de Preanger, laat zich niet lang nooden. - -Nu is het niet meer genoeg om door het eene venster te zien: naar het -oosten ligt de Gedeh geheimzinnig somber, naar het westen de Salak tot -aan den top gehuld in dat donker blauw groen dat de witglanzende -boomstammen doet afsteken, als zoovele mijlpalen door reuzen geplant. - -’t Is een morgen zoo als er zijn kunnen tusschen Java’s bergen, stil, -plechtig, wonderbaar; en terwijl de vogelen hun lofzang aanstemmen, -wachten deze beide vermoeide menschenkinderen, zwijgend, hand in hand, -tot het blond des hemels goud wordt achter de heuvelrijen en het groen -der bosschen smaragd en het blauw der bergen violet; tot de -Mandelawanghi blozend haar sluiers afwerpt en de Salak haar morgenbad -neemt in zilverglans. - -Er blijft nu nog één donker punt in dat stralend Eden: zwart verheft -zich te midden van den gloeienden kleurenrijkdom de Gedeh. Glans en -gloed verdooven op haar grauwe massa’s, rozenwolken, lazuren luchtjes -trekken vergeefs rondom haar op; nu ten oosten, dan ten westen, zoekt -het oog des daags de stille sphinx te treffen met zijn blik... dan -verrijst de goudvlammende vuurbol achter het berggevaarte; de zon -stijgt hooger, steeds hooger, tot de hemel gloeit: dan strooit ze haar -straalbundels uit en eindelijk, daar staat de Gedeh, verlicht in al -zijn diepten en kloven, geopenbaard in al zijn schuilhoeken en -verborgenheden, de heerlijkste in die nooit volprezen rij van -goddelijke kunstwerken. - -Verblind door zooveel glans wendt Agnita het hoofd, en terwijl hij haar -gadeslaat, vraagt Gustaaf zich af hoe hij gister heeft kunnen vinden -dat zij er bleek en vervallen uitziet. - -De reis in één dag te maken zou te vermoeiend en een waagstuk geweest -zijn met het oog op de regens; dus stappen ze uit bij de halte -Paroeng-Koedah. Daar wordt de juchtlederen portemonnaie verwisseld voor -een américaine, maar Verschuere’s goudtientje blijft glanzen. - -Straks, toen ze Paroeng-Koedah naderden, heeft ze reeds verlangend naar -buiten getuurd of ze het niet ontdekken mocht, het witte plekje tegen -den blauwen Salak, dat een vogel gelijkt, zich verschuilend aan de -borst van den bergreus, of ze het niet reeds nader kwamen, het landgoed -dat voor haar de verwezenlijking is van de lustsloten in de sprookjes -harer kinderjaren. - -De paarden, die hen de steile berghelling optrokken, worden -afgespannen, een paar andere nemen hun plaats in en vliegen voort als -een pijl uit den boog; het zijn echte Preangers, dat wil zeggen: al het -vuur, al de ijver, al de vlugheid, die aan den bewoner dezer streken -ontbreekt, is in hen gevaren. - -Weldra wordt dan ook de bergrug bereikt en nu strekken zich langs beide -zijden van den weg, dien ze aflegden, de theetuinen uit met hun lage, -dichte struiken vol witte bloesems, maar voller nog van de glanzig -groene blaadjes, die zoo menig praatje gezellig maken, zoo menig -eenzame troosten, zoo menig vermoeide verkwikken zullen. - -Reeds vroeger waren ze eenige dagen hier, en het komt hun dus alles -vriendelijk bekend voor; de smalle, rood-bruine paadjes, die als -zonnige sporen van den menschenvoet zich slingeren over de hoogten, -zich loswinden van de glooiing; de verrassing, die, met elke kromming -van den weg, de vergezichten aanbieden; de welvarende kampongs langs -goed onderhouden wegen met hun nederig groetende bewoners; nu links, -dan rechts een golvende sawah, bevallig afstekend tegen het donkergroen -der theevelden; het water dat overal ruischt als een welkome -verfrissching bij het stijgen der zon; de blauwende bergketen, die -eerst hen wenkte uit de verte, maar nu hen steeds dichter schijnt te -omvatten, zacht en vleiend als poezele kinderarmen. Het is haast of de -landheer een feest bereidde, zoo bont en woelig gaat het toe op dat -onmetelijk tapijt met zijn donkergroene en bruinzwarte strepen gespreid -over de heuvelen, afhangend in de dalen, zoo talrijk zijn de pluksters -in haar helroode sarongs, de bewerkers van den bodem in hun kleurige -badjoes, zoo glinsteren de veelvervige toedoens in den brandenden -zonneschijn. - -Reeds rijdt het lichte voertuig de damarlaan in. De schaduw van het -geboomte brengt koelte en rust voor de oogen, vermoeid van het staren -op dat kleurrijk amphitheater; weldra vernemen zij het wiekgeklep van -de witte duiven, die in vele honderdtallen opvliegen uit het bladerdak -boven hen; straks komt het klateren tot hen van de fontein, die zijn -stralen opzendt naar de zon en ze terug ontvangt als fonkelende -juweelen. - -Agnita fluistert: »Hoe heerlijk!« en Verschuere zegt het haar na, want -ze weten wat hen wacht aan het einde van die damarlaan: een koel, groot -huis met de bergen tot naaste buren, een bloemtuin die de geuren van -rozen en melattie opzendt naar een balkon, waar het goed is te wezen, -’t zij terwijl de schemering daalt, met een lieven vriend in -vertrouwelijk gesprek, ’t zij in de vroegte als een rooskleurige morgen -opgaat over het heerlijk panorama, ’t zij des avonds als alles goud -wordt en purper in de verte. - -Ze weten dat hen daar een bootje wacht op het stille, plechtige meer, -en dat als heden avond het volk komt toestroomen uit de dessa’s om den -wajang te zien en de pantoens te hooren, zij, luisterend naar de -verwijderde tonen van den gamelang, zullen heenglijden over de -watervlakte; ze weten dat de duiven hen reeds hebben aangemeld en dat -de gulle gastheer, omringd van vrouw en kinderen, nu naar buiten komt -om hen welkom te heeten op dat kroonjuweel van den Preanger, het -vorstelijk Parakansalak. - -Jammer dat ze van al die heerlijkheid maar even proeven, niet genieten -kunnen: den volgenden morgen reeds gaat het verder. - -»Je wou een paar uurtjes op Soekaboemie overblijven, niet waar?« vraagt -Agnita, bezig haar hoed op te zetten. Hij helpt haar de voile -vaststeken, speelt met de krulletjes in haar nek—een gewoonte die ze -meende dat hij had verleerd—en zegt, half tot haar, half in zich zelf: -»’t Is dwaas, maar al die dringende zaken komen me sinds gister minder -dringend voor.« - -En dus stoomen ze langs Soekaboemie, het herstellingsoord met zijn -luchthappende Batavianen en vermoeide ambtenaren, wachtend op het -attest van den dokter dat ze verlof of den datum dat ze pensioen kunnen -vragen, met zijn hôtel en kommensalenhuizen, die eigenlijk zoo misstaan -in de binnenlanden, waar men gewoon is gastvrijheid te genieten van -goede vrienden in gezellige woningen. - -Als ze Tjiandjoer naderen begint, niettegenstaande natuurgenot en -verrukking, de maag te herinneren aan het feit dat het uur van de -rijsttafel daar is, en meer nog dan gewoonlijk is de verschijning van -Tjiandjoers regent hun aangenaam, omdat hij nu komt met een -uitnoodiging van de Raden-Aijoe, om bij hen het middagmaal te -gebruiken. De ontvangst is zoo hoffelijk en zoo welgemeend hartelijk -tevens, het diner zoo overheerlijk, dat de reizigers geheel verfrischt -en als het mogelijk is nog aangenamer gestemd dan te voren in hun -rijtuig stappen. - -Het is een licht tentwagentje met vier vlugge paardjes; de wegen in den -Preanger zijn keurig onderhouden, de toestand der tuigen niet zooals op -de buitenbezittingen, waar het leven der reizigers hangt aan een -rottantje; alles schijnt van zelf te gaan, zweepgeklap en loopersgegil -houden op, het wordt steeds frisscher, steeds mooier, steeds stiller. - -Stiller op de heuvelen met hun uitgeholde ruggen en kale toppen, langs -de gouden trappen, die de rijstvelden vormen tegen den voet der bergen, -stil van de groote stilte, die sedert eeuwen hangt tusschen de hoogten -en afdaalt in de pijnlijk jagende harten der menschenkinderen. - -Wie, die in een zacht vergulden ochtendstond onder de suizelende muziek -der bamboebosschen de bergen bestijgen mocht, herinnert zich niet hoe -hij steeg in dubbelen zin? - -De geurige koelte komt hem het brandend voorhoofd beroeren: ze wuift -met haar frisschen adem hem het stof uit de lokken, de plooien van het -gelaat; hij voelt hoe tegelijk met die volle teugen reine lucht er iets -als jeugd en kracht en levenslust hem de borst doorstroomt. - -Ver, ver achter hem in het dal ligt de stad; een zucht van verlichting -ontsnapt hem, bij de gedachte dat haar drukte en rumoer hem hier niet -kunnen bereiken; immers elke stap voert hem hooger; hij drinkt de -schoonheid in van het tafereel dat zich ontrolt voor zijn blik; hij -staart rondom zich naar de kraters, met hun door vuur en lava -geteisterde flanken, naar de ravijnen met hun zwarte diepten, naar de -glooiingen met haar zijden glansen, naar de rotsmassa’s die dreigen -neer te storten op vroolijke dessa’s... hij verdiept zich in de -raadselen der onverklaarde natuurkrachten; hij zoekt de grenzen te -bepalen van dien blauwen hemel, die hem nader en nader komt; hij droomt -van het oneindige... hij herinnert zich tooneelen uit zijn -kinderjaren... ’t is hem of hij de stem zijner moeder hoort... - - - -Het was niet meer dan natuurlijk dat de vriendinnen bij het weerzien -elkaar in de armen vielen, alsof ze jaren gescheiden waren geweest; -niet meer dan natuurlijk, dat toen Nita den groet van den afwezige -overbracht, beiden uitbarstten in tranen; niet meer dan natuurlijk ook -dat Verschuere, met de vrees die mannen hebben voor scènes, op -eerbiedigen afstand bleef; trouwens hij had buitendien reden om tegen -een ontmoeting met de verloofde van zijn beleedigden vriend op te zien. - -Zeer trof hem de verandering die in Clotilde’s voorkomen had plaats -gegrepen. Ze geleek nu op de crayonteekening, die mevrouw Van -Waliënhove smalend een madonnakopje had genoemd, en de gedachte kwam in -hem op, dat toen zijn vriend haar dus zag, hij een voorgevoel had van -den strijd die haar wachtte. - -Die strijd was zwaar genoeg voor het jonge hart. Ontmoeten gelukkiger -meisjes op haar levenspad de liefde als een vrucht voor haar gerijpt, -onder jok en scherts voor haar geboren, bij Clotilde was met de liefde -de ernst des levens begonnen; zij behoorde geenszins tot de vrouwen, -die door een plotseling gewekten hartstocht tijdelijk het verstand -verliezen, en toen ze koos deed ze dat met een geopend oog voor al de -gevolgen aan haar daad verbonden. - -Opgevoed voor de groote wereld, in een kring waar een schitterend -huwelijk de kroon wordt geacht op het jongemeisjesleven, gewoon aan -onderscheiding, een kind van weelde, begreep ze ten volle wat ze -opofferde door eenvoudig mevrouw Van Beevelant te worden. - -Had de gedachte, afstand te doen van wereldsche grootheid haar—zoo niet -toegelachen—dan toch geen oogenblik doen aarzelen; was ze moedig den -oorlog met haar stiefmoeder begonnen; bekommerde ze zich weinig over de -verbazing of den spot zelfs harer omgeving, ze werd tot ernstig -nadenken gestemd door de zekerheid dat hare keuze èn haar vader èn haar -aanstaande zoo veel kostte. - -Ze wist het, baron Van Waliënhove had andere verwachtingen gekoesterd -voor de toekomst zijner eenige dochter; ze wist het, dit huwelijk zou -den toch reeds tot het uiterste gespannen band tusschen de echtelingen -voor goed vaneen doen springen; ze wist het, de tijd dien Frans nu -doorbracht, was een lijdenstijd; smaad en vernedering zouden zwaar te -dragen zijn voor dat trotsche hart. - -Eerst toen ze na het late avondmaal rondom de theetafel zaten en ze -Agnita, wie de reis zeer vermoeid had, met attenties overlaadde; eerst -toen ze op de haar eigen openhartige wijze sprak over hetgeen in den -laatsten tijd was voorgevallen, begon ze weer een weinig te gelijken op -de Clotilde van vroeger dagen; maar hoe openhartiger ze was, hoe -argeloozer ze hun alles vertrouwde, hoe meer Verschuere het onhoudbare -van zijn toestand begon te gevoelen. Vast besloten er een einde aan te -maken, vroeg hij op eens of Clotilde correspondeerde met haar -aanstaande. - -»Papa vond beter van niet,« antwoordde ze. »U begrijpt, we moeten ons -tegenover mama houden alsof we ons niet zouden willen engageeren zonder -haar toestemming.« - -»En heeft hij u iets gezegd?« vraagt Verschuere aarzelend, »nu kort -geleden?... over mij, bedoel ik...« - -»Neen, niet dat ik me herinner. Trouwens, hij heeft er geen gelegenheid -toe gehad: we spraken elkaar nooit alleen, Frans zocht het niet; papa -is hem daar zeer dankbaar voor... en ik ook... ofschoon ik het eerst -niet kon apprécieeren.« - -»Je hield het misschien voor onverschilligheid?« vraagt Nita zacht. -»Wij vrouwen zijn niet trotsch meer als we liefhebben, niet waar? en -daarom kunnen we de mannen niet begrijpen in zulke dagen.« - -»Ja,« zegt Clotilde met een zucht, »ik ben het nog altijd oneens met -papa op dit punt. Waarom mocht hij niet ten minste een klein beetje -laten merken dat hij van me hield? Verbeeld je, dien morgen toen hij -het doodsbericht van Louise had gekregen en ik hem ging opzoeken in de -leerkamer, omdat ik het denkbeeld niet verdragen kon dat hij daar -alleen was met zijn leed, toen wilde hij ons eerst niet opendoen.« - -»Wie was bij je?« Aldus Nita met een zijdelingschen blik naar haar man. -»Je zeide daar: ons.« - -»Oscar. Maar waarom vraag je dat?« - -»Omdat... och, je moet weten...« - -»Freule, het is beter u de geheele waarheid te zeggen. Nita vraagt dit, -omdat ons iets anders was verteld. Omdat ik laf geweest ben! En dom! -Omdat ik Frans in staat heb geacht tot... omdat ik bewijzen meende te -hebben van zijn schuld. Dat is mijn eenig excuus; ik geloofde zeker te -weten. Maar ik begrijp nu hoezeer ik hem heb miskend.« - -»Zijn beste vriend. En dat in deze dagen, nu hij zooveel behoefte heeft -aan waardeering. O, Nita, hoe heeft je man dat van zich kunnen -verkrijgen?« - -»Vraag daarnaar niet, lieve. Kom... beproef om te doen wat Frans gedaan -heeft en vergeef hem. Ja, Gustaaf,« gaat Nita voort en neemt zijn hand -in de hare, »ik heb vóór ons vertrek je ouden vriend gesproken, hij -begrijpt wat je bewoog, hij vergeeft je; en... hij heeft me beloofd -zijn best te doen om te vergeten... Clotilde...« - -Het meisje steekt hem de hand toe, Verschuere drukt die diep beschaamd, -en nooit zijn de listen eener valsche vrouw meer verwenscht dan die van -mevrouw Van Waliënhove verwenscht werden op dezen eersten avond te -Tjipanas. - - - - - - - -XXIX - -DOLCE FAR NIENTE. - - -Het is verwonderlijk hoe goed iemand, niet in staat zich zelf te -genezen, weet welke medicijn een ander behoeft. Agnita, die in de -laatste maanden echtgenoot en vrienden zooveel zorg baarde, Agnita die -den dokter au bout de son latin gebracht had, begreep dadelijk wat -dienstig kon zijn om het verstoorde evenwicht te herstellen in het -gemoed harer vriendin. - -Ze keurde het volkomen goed, dat Clotilde dien eersten dag haar geheele -hart uitstortte, den loop harer liefdesgeschiedenis in het breede -schilderde, ja zelfs in herhalingen verviel; ze moedigde er haar toe -aan met handdrukjes en zacht gefluisterde woorden van sympathie; ze -verhinderde haar niet om uit te varen tegen de wreedheid van het -noodlot, de onbillijkheid der fortuin, de harteloosheid der -maatschappij en zooveel meer waarover we onze verontwaardiging lucht -geven, wanneer alles niet juist zóó loopt als we dat wenschen zouden. -Zoodra een tranenvloed het meisje belette voort te gaan, ontsloot ze de -armen met zusterlijke teederheid en vermaande haar om maar eens goed -uit te schreien; immers ze had het in haar tuin geleerd: de oude takken -en bladeren moeten van de plant verwijderd worden, wil men jonge loten -en frissche knopjes gelegenheid geven zich te ontwikkelen. - -Intusschen, al troostend en sympathiseerend, haastte ze zich de fraai -gebonden boekdeeltjes weg te nemen, die ze overal liggen vond: op de -salontafel, in het werkmandje, naast het hoofdkussen zelfs! Ze wist het -bij ervaring, als men zich ongelukkig gevoelt behoeft men maar een -bundel open te slaan van Heine, Byron of Lamartine—sedert kort -Clotilde’s onafscheidelijken—om geheele bladzijden te vinden, volkomen -toepasselijk op den toestand waarin men verkeert, een, schoon -weemoedige, toch uiterst troostrijke ontdekking, maar een gevaarlijke -bezigheid tevens; immers men eindigt met het leed, dat zoo diep gevoeld -bezongen werd, zwaarder te vinden dan men eigenlijk eerst wel had -vermoed. - -Het is heden de derde dag van het verblijf der Verschuere’s op -Tjipanas. Gustaaf verslaapt zich—een zijner grootste genietingen sinds -hij met verlof is. Eergister, gister nog, werd hij plotseling wakker op -het gewone uur en greep naar zijn horloge met den schrik van iemand, -die weet dat hem werk wacht, maar heden sliep hij rustig voort... -Agnita sloot voorzichtig vensters en deuren: het heeft haar dikwerf -genoeg gehinderd dat ze hem wekken moest. - -De beide jonge vrouwen brengen, in afwachting van zijn verschijning, -den koelen morgen door in den tuin: vol van de bloemen, die alleen in -een koud klimaat willen tieren en met haar eenvoudig schoon, te midden -der tropische natuur, vriendelijke herinneringen wekken aan Holland’s -kleine gaarden. - -»Zie eens hoe lief!« roept Clotilde met een blik op het mandje, dat ze -samen vulden; »zou men niet denken dat wij ze met zorg geschikt hadden, -zoo los liggen ze daar tusschen het groen, zoo harmonieeren de -kleuren?... Ik zal het in je kamer zetten, maar dan moet je het -onveranderd laten.« - -»Mag ik het voor iets anders bestemmen?« vraagt Agnita. »Je moet weten, -er logeert een kennis van mij op Sindanglaya, ik zou ze haar gaarne -brengen.« - -»Een kennis...! Wie is het?« - -»Neen, je hebt haar nooit ontmoet. Ze zijn drie jaar op Padang geweest -en nu komt ze regelrecht van Atjeh. Toevallig hoorde ik een paar dagen -geleden dat ze hier was... arme ziel! Huntvelt moet op Atjeh blijven, -maar zij kon niet langer... ze heeft er haar jongste kindje verloren en -nu kregen de anderen malaria; je begrijpt...« - -Reeds heeft Clotilde de tuinschaar weggelegd, den grooten stroohoed -vastgestrikt; ze wil het mandje met de bloemen zelve dragen... als ze -terugkeert heeft ze de oogen vol tranen, maar nu niet over eigen leed. - -Men was bijna den geheelen dag buiten; van droomen en peinzen, van -slapelooze nachten, van gebrek aan eetlust geen sprake meer! Het -klimaat werkte hiertoe mede. Haast overal in Indië gelijkt de natuur op -het mooie meisje, dat uw venster voorbij gaat, maar reeds den hoek der -straat heeft omgeslagen als ge haastig zijt opgesprongen om haar te -groeten; in het hooggelegen bergland der Preanger is ze als de jonge -vrouw, die rustig bij u blijft om u den dag te veraangenamen; hier -jaagt de zon u niet naar binnen, een uurtje nadat ge haar hebt welkom -geheeten aan den goudblonden ochtendhemel; hier vervullen de vogels hun -roeping niet, zooals in heeter oorden, of het muzikanten waren aan -badplaatsen, die zich alleen ’s morgens en tegen het vallen van den -avond laten hooren: ze zingen den langen lieven dag door; hier sluiten -de bloemen haar pas geopende kelken niet voor den brandenden gloed, die -ze dreigt te verschroeien, ze pronken en geuren tot haar bloeitijd is -voorbij gegaan. - -In afwachting dat Agnita sterk genoeg zou zijn voor grooter tochten, -maakte men wandelingen of rijtoertjes, een enkele maal ging Clotilde -mede met Verschuere als hij te paard den omtrek doorkruiste, en wie -haar van zoo’n ritje zag terugkeeren met wapperenden sluier en wild -golvende haren, werd misschien getroffen door haar frissche schoonheid, -zeker niet door de somberheid van haar voorkomen. - -Op zekeren avond kwamen de beide vriendinnen den heuvel af, langzaam, -arm in arm en even druk als geheimzinnig pratend. Nauwelijks waren de -lampen ontstoken of Agnita plaatste zich, met den uitroep dat ze nu een -inval hadden gekregen zooals alleen vrouwen dien krijgen kunnen, aan -Clotilde’s schrijftafel, nam rooskleurig papier, voorzien van -Clotilde’s monogram, doortrokken van Clotilde’s lievelingsodeur... er -was niet eens een minnend hart noodig om tusschen de regels door te -lezen, wie achter mevrouw Verschuere’s stoel stond, toen het een na het -ander drie van die rooskleurige vellen beschreven werden. - -Een dikke brief aan Nita’s adres ontvangen, nog vóór de rooskleurige -verzonden was, bewees, dat niet, zooals ze beweert hadden, de vrouwen -het monopolie hebben van zulke invallen. Onder nadere goedkeuring werd -nu deze correspondentie voortgezet met een ijver, die op den duur wel -wat lastig dreigde te worden voor de geheimschrijfster. - -Weinig vermoedde Clotilde, toen ze zich meer en meer overgaf aan de -zalige gewaarwording van te beminnen en bemind te worden, weinig -vermoedde ze dat dit juichend ontwaken van een rein meisjeshart, dit -verlangend uitzien naar een schoone toekomst er veel toe bijbracht om -de verandering te bewerken, die van dag tot dag met haar gast plaats -vond. - -Uren lang kon Verschuere daar liggen droomen, de half geloken oogen -gericht op de bergen in het verschiet, blauwe wolkjes blazend in de nog -blauwer lucht. ’t Bleef hier ’s morgens zoo stil, zoo koel, zoo -rustig... er kwamen geen boodschappen van Zijn Excellentie, geen -kommiezen om stukken, geen ambtenaren om voorspraak; hij kon zich weer -eens overgeven aan zijn gedachten, weer een innerlijk leven leiden, -niet telkens gestoord door invloeden van buiten. Voor het eerst sedert -langen tijd had hij geen haast, werd hij niet voortgedreven door het -denkbeeld hoeveel er nog moest worden afgedaan. ’t Scheen hem nu weer -de moeite waard om te praten over kleinigheden; hij kon lachen om -grappen, die hij op Buitenzorg flauwiteiten zou genoemd hebben; hij las -voor het eerst sinds langen tijd iets wat geen betrekking had op -koloniën of regeeringszaken; hij kwam bij een aandoenlijke passage tot -de ontdekking dat hij ook nog zoo iets bezat als een hart; zijn geest -was niet vermoeid meer; uit zijn oog verdween die verstrooide blik, die -zoo menigmaal over Nita’s teêre schoonheid was heengegleden zonder ze -te zien. - -Onvermengd en ongestoord genoot hij het heerlijk vacantiegevoel dat -wij, arme werkmachines der negentiende eeuw, zoozeer behoeven. En -zelden werd een vacantie zoo goed gebruikt, om een man er aan te -herinneren dat er veel is wat het leven waard maakt om geleefd te -worden, als de beide vriendinnen haar gebruikten, elkander aanvullend, -gesteund door al de genoegens die een verrukkelijk klimaat, een -liefelijke omgeving, een door goeden smaak verfijnde weelde geven kan. - -Freule Van Waliënhove was verwonderd over Verschuere zooals ze hem nu -leerde kennen; zijn vrouw geenszins. Integendeel, sinds lang had ze -geleefd in een staat van pijnlijke verbazing; sinds lang had ze zich -afgevraagd of het niet een bange droom was die haar kwelde, als ze die -trotsche gestalte zich krommen, dat statige hoofd buigen zag; als ze de -lippen, die eenmaal spraken van hooger, beter streven, zich zagen -bezoedelen met vleierij, met onwaarheid, met kouden spot, en ’t was -haar of ze nu eindelijk ontwaakte uit dien bangen droom. Voor een -kalme, praktische, koel verstandige vrouw zou het onmogelijk geweest -zijn, weg te redeneeren wat een driejarig verblijf op Buitenzorg -leerde; de feiten, gelijk ze daar voor haar lagen, te veranderen, te -verontschuldigen tot ze niet meer schenen te bestaan; de waarheid te -omsluieren tot al haar naakte, scherpe hoeken verdwenen waren; maar aan -vrouwen, die beminnen als Agnita, is in grooter mate dan aan haar -minder gevoelige zusteren de gave geschonken van gelooven, de gave van -met het licht harer liefde te verhelderen wat donker, met de kracht -harer teederheid op te te heffen wat gezonken scheen. - -En misschien zijn die dwepende vrouwen in haar ongeschokt geloof -dichter bij de waarheid dan de koel beredeneerde; immers een innerlijke -stem zegt haar, dat onder de vele dikke lagen van het stof en gruis der -aarde een bodem ligt, rijk aan het zuiverste erts; zegt haar, dat het -haar reine handen zijn die de lagen van stof en gruis kunnen wegnemen, -om het kostbaar metaal aan het licht te brengen. - -Agnita’s geloof werd niet beschaamd. Langzamerhand, onder het ruischen -van den bergwind en het fluisteren van lieve stemmen, onder het wekken -van goede gedachten en dierbare herinneringen brak ook in het -zieleleven van Gustaaf Verschuere het oogenblik aan, dat aanbreekt in -het zieleleven van de meesten onzer, het oogenblik waarin we plotseling -stilstaan op den weg dien we betreden, en ons afvragen of dit wel de -goede weg is, of we ons wellicht bedrogen hebben, of het niet een -dwaalspoor was waarop we voortgingen met zoo haastigen tred. - -Nu, nu we twijfelen, gevoelen we plotseling vermoeienis, vermoeienis -ten doode toe, en pijn aan onze voetzolen, en honger en dorst, en hoe -de koude nijpt, of hoe de zon brandt... nu bedenken we op eens hoeveel -we reeds verloren op dien tocht, dat ons was meegegeven door zorgzame -handen en wel waard te worden meegedragen—al scheen het somtijds onzen -gang te belemmeren. - -Helaas! wat hebben er tal van bloemen gebloeid langs het pad door ons -afgelegd, bloemen van jeugd en liefde, die we ons niet den tijd gunden -te plukken; wat zijn we ze haastig voorbij gegaan, zonder lach of -groet, de kinderen die kransen vlochten in den tuin en er ons zoo -gaarne mee zouden getooid hebben; wat hebben we ze dom vermeden de -knapen en meisjes, die dansten in de weide en ons noodden om deel te -nemen aan hun spel; waarom hebben we niet neergezeten in de vroolijke -rustoorden, waarom niet gestoeid en gekoosd in de stille prieelen? - -Ach! wat zouden we gaarne terugkeeren! Helaas, de bloemen zijn -verflenst en de kinderen spelen niet meer en in de prieelen hebben -anderen plaats genomen. - -Maar was dan ten minste de prijs waarnaar we jaagden al die opoffering -waard? Zullen we aan den eindpaal een belooning vinden, die zooveel -gemis vergoedt? - -Met ontnuchterden blik beschouwt Verschuere het bestaan dat hij nu -sedert jaren leidt. Niet meer zichzelf, maar het werktuig van meesters -machtiger dan hij, gekluisterd aan de schrijftafel, slaaf van de pen, -meer nog slaaf van verordeningen en reglementen, steeds vreemder -wordend aan wat de wereld en de maatschappij en het menschelijk streven -belangwekkend maakt, om op te gaan in het werk dat hem hier, in de -natuur, zoo droog en ondankbaar schijnt: gouverneurs-generaal te helpen -in het ten uitvoer leggen van den wil der steeds wisselende -ministeries. - -Ze gaan aan zijn geest voorbij, de ambtenaren in den dienst der -koloniën, die hij beurtelings heeft zien optreden in de hoogste -betrekkingen. Meest waren ze oud en grijs voor ze den eindpaal -bereikten, vermoeid van den langen tocht, knorrig over de hinderpalen -hen in den weg gelegd, teleurgesteld dat de prijs, die hen uit de verte -tegenblonk als goud, slechts verguld koper bleek. - -Maar dat waren nog de gelukkigsten. Als ze niet oud waren en niet -vermoeid, als ze het doel van hun streven bereikten, nog gewapend met -hun geheele uitrusting van overtuiging en beginsel, van plannen en -idealen, dan waren ze de een na den ander gevallen, afgemat door sleur, -geknot door bureaucratie, verlamd door kleingeestige tegenwerking, -vermoord door gezag. - -Ze gingen aan hem voorbij, de oost-indische ambtenaren in ruste, zooals -hij ze bij honderden had ontmoet in Neêrlands residentie. Oud-leden in -den raad van Indië, oud-excellenties, oud-directeuren, oud-generaals, -die niets meer waren, van wie de Hollanders, die overal meer belang in -stellen dan in de koloniën en hunne bestuurders, niet eens weten dat ze -verdienste hebben jegens den staat, wien de straatjongens het als een -scheldwoord durfden naroepen, wanneer hun tint sprak van een verblijf -in Indië. - -Wat was ze, welbeschouwd, de hoogheid die in het niet verzinkt op den -morgen dat men Java’s strand verlaat? de roem die—tenzij ze op het -slagveld werd behaald—taant waar de indische zon ophoudt ze te -beschijnen? Wordt de naam van wie nog zoo kleinen dienst bewees aan de -wetenschap niet honderd malen verder gebracht door de faam? Ondervindt -eenig Nederlander zoo weinig dank van zijn volk als de Nederlander die -voor het belang van dat volk werkte onder de tropen? Meent men niet dat -hij ruim beloond werd met zijn traktement, dat zoo groot schijnt aan -wie het leven in Indië niet kent, met het pensioen dat zoo klein is -voor wie er van moet bestaan in Holland? - -Midden onder zijn gepeins kwam een zachte hand de zijne zoeken. -»Manlief,« vroeg Agnita, »heb je me laatst niet gezegd dat je pas over -acht jaar kunt teruggaan?« - -»Over acht jaar min zeven maanden. Waarom vraag je dat?« - -»Dat is nog lang, vin je niet?... acht jaar!« - -»Min zeven maanden.« - -»Wat weet je dat precies! Verlang je soms ook?« - -»Och, welk mensch heeft niet wel eens een oogenblik dat hij verandering -wenscht? Maar we mogen niet ondankbaar zijn; Indië is een goed land. -Kijk eens voor je uit, kind, waar vin je dat?« en hij wijst op den -Gedeh, die voor hen ligt, met de sawahs over zijn terrassen gespreid -als licht fluweelen kleeden op mollige divans. - -»Ja, prachtig,« stemt ze toe. »Maar... Holland was toch ook wel lief! -Vooral Gelderland. Je vondt het heel mooi, dat heb je zelf gezegd.« - -»O, zeker. Maar we zouden er ons op den duur toch vervelen.« - -»Wij ons vervelen! Och kom, zich vervelen doen alleen menschen die niet -genoeg ontwikkeld zijn om zich bezig te houden. We houden beiden van -studie, van kunst, van muziek, van reizen; dan verveelt men zich hier -misschien, in Europa nooit; integendeel men waardeert meer en meer het -groote voorrecht van door zijn fortuin in staat te zijn zich aan zijn -liefhebberijen te wijden.« - -»Ik zou me trouwens altijd als advokaat kunnen vestigen.« - -»Ja juist. Op een of ander lief plekje, niet al te ver van Bloemduin. -Wat zouden ze dat thuis prettig vinden!« - -»En de tantes! Wat zouden die gelukkig zijn!« - -»En ik,« fluistert Agnita nauw hoorbaar. - -Dan sluit ze de oogen voor den Gedeh in zijn heerlijkheid en droomt van -Bloemduins dennewouden. - - - - - - - -XXX - -JAMES ALS JOBSBODE. - - -Het is vijf uur in den namiddag en droog; iets wat niet elken dag -gebeurt op Tjipanas; men heeft er dan ook dadelijk gebruik van gemaakt -om niet, als naar gewoonte binnen, maar in de voorgalerij thee te -drinken, en druk pratend letten de theedrinkers ter nauwernood op de -enkele voorbijgangers, tot een karretje in volle vaart den heuvel komt -afvliegen, om stil te houden voor het landhuis. - -»James!« roept mevrouw Verschuere, en dan, terwijl alle kleur wijkt uit -haar gelaat: »De boodschap van den gouverneur!« - -De boodschap van den gouverneur... ze hebben er haar om uitgelachen, -Gustaaf en Clotilde; haar gezegd hoe ze een kind geleek, dat op visite -is en telkens angstig uitkijkt of de meid misschien reeds komt om haar -te halen, maar toch, nu gevoelen ze beiden dat haar vrees op het punt -staat bewaarheid te worden. - -»Alles wel?« vraagt Clotilde, terwijl ze den onverwachten gast een kop -thee begint in te schenken. - -»Neen, alles even akelig!« roept James, in zijn oprechtheid soms -vleiender dan menig hoveling; »alles even akelig sinds u weg zijt. -Zijne Excellentie is stil en gedrukt, mevrouw... minder goed gehumeurd, -de jongens doen het onmogelijkste kattekwaad, wij adjudanten loopen -rond als âmes en peine, de diners zijn verschrikkelijk; niet om door te -komen met dat onheilspellend zwijgen... Ik dankte den hemel toen ik de -opdracht kreeg hierheen te gaan... O ja, dat heb ik nog niet gezegd: -onder nadere goedkeuring der dames ben ik belast met de aangename taak -haar tot cavalier te verstrekken.« - -»Dus moet Verschuere weg?« - -»Helaas ja, Nita. Men heeft je man hoog noodig op Buitenzorg. Er is -werk aan den winkel. Sinds een paar dagen hadden we al gemerkt dat er -iets broeide—je weet, de nieuwsgierigheid is een deugd, die we druk -beoefenen in het adjudantengebouw.—Nu van morgen hebben we het groote -nieuws eindelijk gehoord.« - -»En?« klinkt het van drie kanten. - -»Daar je het in alle couranten lezen kunt, acht ik niet noodig er een -geheim van te maken: de begrooting is afgestemd.« - -»De begrooting afgestemd!« herhaalt Verschuere. En dan met een -plotseling geheel veranderd gelaat: »Dat is een slechte tijding.« - -»Nu valt het ministerie ook, niet waar?« vraagt Clotilde, die niet zeer -bedreven is in politiek. - -»Natuurlijk.« - -»Dat zal papa spijten. En u ook, mijnheer Verschuere. Het was uw oom en -zijn allerprettigste manier van zaken te behandelen, die papa verzoende -met veel wat hinderlijk had kunnen worden zonder hem.« - -»Het ergste is dat de partij, die nu op het kussen komt, geheel andere -denkbeelden aanhangt dan die uw vader met zooveel ijver dient... Dit is -een hoogst gewichtige gebeurtenis, freule, die op het politiek leven -van Zijn Excellentie grooten invloed zal uitoefenen.« - -»Nu begrijp ik, waarom je met zoo’n biddersgezicht uit je karretje -stapte, Van Suylichem,« zegt het meisje met een poging tot -opgeruimdheid. - -»Je komt ons niet alleen mijnheer Verschuere weghalen... want u -vertrekt zeker spoedig?« - -»Ja, freule, ik ben besloten morgen vroeg terug te gaan.« - -Hij legt zijn hand op die van Nita, als om haar te troosten en laat die -hand daar. Dan keert hij zich tot den adjudant. - -»Heb je nog meer zulke vroolijke berichten meegebracht?« - -»Ja, Hooglaan heeft ontslag gevraagd.« - -»Hooglaan! Ontslag? Onmogelijk!« roepen de dames. - -»’t Is toch zoo. Hij heeft een wenk gekregen; men zegt zelfs een zeer -duidelijken wenk. Je moet weten, er wordt heel vreemd over gesproken; -onder anderen beweert men dat hij anonieme brieven zou hebben -geschreven.« - -»Wat een dwaasheid!« lacht Clotilde, »wie doet dat nu!« - -»Wat er van zij, een daarvan moet—door iemand die hem wou -ontmoeten—Zijn Excellentie in handen zijn gespeeld in plaats van de -persoon voor wie hij bestemd was.« - -»En wie was die persoon?« vraagt Clotilde weer. »Zeker een jonge dame. -Toe, vertel dan toch! Hoort u dat, mijnheer Verschuere, Hooglaan geen -adjudant meer!« - -»O zoo?« vraagt de algemeene secretaris, zich eindelijk losrukkend uit -zijn gepeins, want hij is al dien tijd ver weg geweest in ministerraad -en Tweede Kamer. - -»Het ergste is, dat hij naar zoo’n vreeselijken buitenpost wordt -gestuurd,« roept James: »och hoe heet het ook weer? Enfin, iets -afschuwelijks: anderhalve Europeaan, de dames schitterend door -afwezigheid, een bevolking, die wat Hooglaan gewoon is het indisch -nachtkostuum te noemen, veel te gekleed vindt...« - -»De slechtste plaats is nog te goed voor dien spion,« mompelt -Verschuere. - -»U zult wel zeggen dat ik op een hollandsche courant gelijk, zooveel -akeligheden heb ik te vertellen, maar... ik mag het toch niet -verzwijgen. De Te Leurses zijn te goede kennissen...« - -»Betreft het Amalia? Is ze... Heeft ze?« - -»Den lang gevreesden coup de canif door haar huwelijkscontract gegeven, -bedoel je? Neen, dat niet. Ofschoon ik betwijfel of dit erger zijn zou, -dan wat er nu gebeurd is. ’t Schijnt dat ze te veel geld hebben -verteerd: haar mooie toiletten en fijne dineetjes, zijn onzinnig hoog -wedden bij de races, hebben de aandacht getrokken... Niet waar, men -vermoedt bij een officier van administratie allicht zoo iets? Om kort -te gaan, ’t is gebleken dat hij ’s lands gelden heeft gebruikt.« - -»Groote God! Is ’t mogelijk?« roept Verschuere. - -»Arme, arme vrouw«, zucht Agnita. - -»Maar er is toch niets bewezen? ’t Is nog maar een vermoeden niet -waar?« vraagt Clotilde, vreeselijk ontsteld. - -»Ik vrees van niet, freule! Hij zit in preventieve hechtenis.« - -»En zij? O, wat moet er van haar worden? Was ik maar daar.« - -»Wees gerust, Nita. Mevrouw Paerel is dadelijk naar haar toegereden en -heeft haar meegenomen naar huis.« - -»Gelukkig! Niet waar, kind, anders had ik je niet uit je hoofd kunnen -praten, dat je op stel en sprong naar Buitenzorg moest? Maar weet je -wel, James, dat dit een mooie trek is in mevrouw Paerel? Ze heeft een -hekel aan Amalia; ze heeft het alleen gedaan om haar van erger terug te -houden, daar ben ik zeker van.« - -»En hoe... hoe nam mama het op?« vraagt Clotilde straks. - -»O, doodkalm. Mevrouw Van Waliënhove zeide dat ze het lang had zien -aankomen,« antwoordt de adjudant. - -»Zei ze dat?« roept Clotilde, en haar donkere oogen schieten vuur. -»Maar mijn God! ze moet het toch weten, dat het alles haar schuld is, -dat zij hen zoo ver heeft gebracht!... Zei ze dat? O, Nita, herinner je -je nog die eerste soirée? Wat was het toen een lief paartje; hij zoo -innig goed voor zijn mooie vrouw, zij zoo eenvoudig en bescheiden. Ze -wou geen comedie meer spelen: ze wou geen roem meer, alleen de -goedkeuring van haar man! Herinner je je, wat ze gezegd had toen -mijnheer d’Hannecour haar kwam vragen om op te treden: »Weten ze het -hier ook al? Mijn God, moet ik dan mijn geheele leven dat -»Nederlandsche Tooneel« achter me aansleepen als een veroordeelde zijn -kogel?« Maar mama had iemand noodig die reciteeren kon... ze heeft haar -gedwongen, ze heeft gedreigd hen te laten overplaatsen naar Atjeh... en -die twee jonge levens zijn verwoest! Nita,«—de groote brandende tranen, -zoo lang weerhouden, stroomen nu over het bleek gelaat—»je wilt haar -zeker schrijven, morgen... ik verzend dadelijk een brief aan papa; wij -moeten helpen, het is onze schuld!« - -Als een uur later de lampen ontstoken zijn, Van Suylichem bij eene -illustratie is ingedut, Clotilde met koortsachtigen haast voortschrijft -aan haar brief, komen de heer en mevrouw Verschuere te voorschijn uit -het logeergebouw en wandelen den grooten weg op. - -Het is niet wat men in Indië een mooien avond noemt. De maan is in haar -eerste kwartier, de omtrekken der bergen zijn nevelachtig, de wolken -grauw en donker, maar er stijgen vriendelijke geruchten op uit de -dessa: er is een geheimzinnig ritselen als van teedere ontmoetingen in -het geboomte... het is een avond voor man en vrouw om hand aan hand te -gaan, een avond om hoog boven het klokje dat tot scheiden roept een -ander klokje te hooren van ver over den oceaan, het klokje dat van de -dorpskerk luidde, toen de handen, die nu elkaar zoeken, werden ineen -gelegd. - -»Ben je hier dan zoo gelukkig geweest, liefste?« vraagt hij. - -»Ja, onbeschrijfelijk gelukkig! O, ik wenschte dat het nog een klein -poosje had kunnen duren en dat ik dan... had mogen sterven.« - -»Sterven? Dwaasheid. Ik wou je juist het tegenovergestelde voorslaan. -Ik wou leven, een nieuw leven beginnen, een leven met en voor elkaar!« - -»Dat kan immers niet met deze betrekking.« - -»Het moet kunnen. Ik zal me terugtrekken uit al die regeeringszaken. ’t -Helpt nu toch niet meer: ’t is zelfs de vraag of Van Waliënhove zal -kunnen staande blijven... Ik beloof je, van nu af wil ik meer voor je -wezen, Nita; we zullen er den tijd afnemen om gelukkig te zijn!« - -»En... verliefd!« - -»En verliefd. Maar dan moet je me één ding beloven. Je moet rustig hier -blijven, tot je weer sterk bent en gezond. Voor mij komen drukke dagen. -Maar wanneer die voorbij zijn, dan, ik beloof het je, dan zal ik alles -voor je wezen.« - -Als ze lang daarna te zamen den salon betreden, ontwaakt Van Suylichem -uit zijn dutje met een kreet van verrukking. - -»Wel, Nita, wat zie je er goed uit! Wat ben je bijgekomen! Ik dacht het -van middag zoo niet: maar ’t is bepaald kolossaal. Goddank, nu kan ik -weer naar Bloemduin schrijven; ’t is me in geen half jaar gebeurd.« - -»Foei. James!« - -»Ja. Wat moest ik doen? Er om jokken wou ik niet, de waarheid zeggen -kon ik niet.« - -»Enfin, ’t is nu voorbij. Ik ben nu volmaakt wel.« - - - - - - - -XXXI - -GEVAREN VAN EEN INDISCH BOSCH. - - -De linten harer muts zedig om de driedubbele kin gestrikt, de dikke -witte handen in den reusachtigen schoot gevouwen, verklaarde juffrouw -Kwake, dat nu mijnheer Verschuere weg en die levenmaker in zijn plaats -gekomen was, ze vreesde heel wat te stellen te krijgen met het »jonge -goedje«. Maar Marie, de mooie kamenier en Jansen, de aardige -opzichter—die bijzondere redenen hadden om een niet al te groote -waakzaamheid bij juffrouw Kwake te wenschen—noodigden haar om een -glaasje sherry te drinken, wèl wetend dat ze alleen de wereldsche zaken -zoo ernstig opnam, als ze zich nog niet bemoedigd had. Daar ze zich -meest vier- of vijfmaal daags bemoedigde, had niemand reden om in haar -de duenna te zien; er werd gecroquet, gebiljard, ja, zelfs een enkele -maal, met de nu geheel herstelde kleintjes van mevrouw Huntvelt, -blindemannetje gespeeld op het gazon. - -Wel vroeg Clotilde, nog min of meer Heine-achtig gestemd, zich soms af, -of ze niet aan vlagen van zwaarmoedigheid moest lijden, en hinderde -haar de gedachte dat Van Beevelant nu blootstond aan al de vinnigheid -der stiefmoederlijke aanvallen; maar daar meldde de courant dat »Zijne -Excellentie besloten had om, ter bevordering van land- en volkenkennis -bij zijne zonen, hen onder leiding van hun gouverneur een reis te laten -maken over Java!« - -Toen het bericht bevestigd was door een langen brief aan het adres van -mevrouw Verschuere, zette Clotilde zich dadelijk tot schrijven, om papa -te bedanken voor wat ze zijn »subliem idée« noemde. En ’t was uit den -grond van haar hart dat ze er bijvoegde: - -»Ik weet, vadertje, dat het eigenlijk niet behoort voor een geëngageerd -paar, dat ze zich zoo goed weten te schikken in de scheiding, maar -Frans’ brieven aan Agnita zijn opgewekt, zelfs vroolijk, en wat mij -betreft, ik ben tevreden, om niet te zeggen gelukkig. Vreemd, niet -waar? Of zou het misschien komen doordat wij niet zooveel behoeven te -vragen van het heden als anderen wie de toekomst niet het hoogste en -beste belooft?« - -Ook mevrouw Verschuere had weinig te wenschen overig na dien laatsten -avond met zijn schoone beloften; alleen zou ze op haar brieven gaarne -een ander antwoord ontvangen hebben dan korte epistels in -telegramstijl. Maar ze wist dat er dezer dagen over groote belangen en -moeielijke kwesties werd gehandeld in het kabinet van den landvoogd, en -troostte zich met het denkbeeld dat een crisis nooit lang duren kan en -het na de crisis alles anders worden zou. - -Bijna dagelijks werden uitstapjes ondernomen, grooter naarmate reeds -bezocht was wat in de buurt lag, prettiger naarmate men zich beter -leerde wapenen tegen de regenbuien, die, ofschoon te verwachten in -dezen tijd van het jaar, altijd onaangename verrassingen bleven; -gemakkelijker naarmate men zich gewende aan de wegen, die reeds den -invloed begonnen te vertoonen van den westmousson. - -Sinds lang was er sprake van een tochtje naar de watervallen van Tji -Burm, maar telkens kwam er iets tusschenbeide. Toen eindelijk een dag -bepaald en de morgen van dien dag aangebroken was, wenschte men elkaar -geluk het zoolang te hebben uitgesteld; men trof een bedekte lucht. Een -bedekte lucht! het eenig denkbaar geval dat bij het oostersch klimaat -een buitenpartij genot kan zijn; de tropische natuur zonder brandenden -zonnegloed, ’t is of men een geestige vrouw aantreft in zachte -stemming; nu men de pijlen van haar vernuft niet heeft te vreezen, kan -men eerst de gaven van haar hart, de schoonheid van haar gelaat -waardeeren. - -Men had afgesproken klokslag zeven te vertrekken, en daar er drie dames -meegingen—waarvan eene kleintjes achterliet—was het dus over half acht -alvorens men op weg kon gaan. - -Het gezelschap bestaat uit mevrouw Huntvelt, wier kinderen, dank zij -het heerlijk klimaat, geheel hersteld zijn en die, nu eindelijk van -zorg bevrijdt, haar jong hart en jong gezichtje terugvindt bij al de -genoegens die de dames van Tjipanas haar aandoen; de heer Paerel, die, -op weg naar zijn proeftuin, zich gaarne aansloot bij het vroolijk -clubje; een overste van de marine, oud vriend der Van Waliënhove’s, die -op Sindanglaya logeert tot herstel zijner in het vroolijk Batavia -geschokte gezondheid, en Van Suylichem met zijne beide dames. - -Het is nog vrij koud en dus besluit men te beginnen met een wandeling, -om dubbel te kunnen genieten van dat overschoon panorama, een tropisch -landschap, langzaam rijzend uit den morgendamp. Maar mevrouw Huntvelt -is een Amsterdamsche en vindt dus een bergpad vermoeiend, de overste, -die liever niet bekent dat hij geen twintig, ja zelfs geen veertig meer -is, houdt zich of hij zijn voet gestooten heeft en beiden beklimmen de -paardjes. Weldra volgt Clotilde met haar cavalier hun voorbeeld: zij -wenschen binnen den kortst mogelijken tijd boven te zijn, om daar van -het vergezicht te genieten vóór de stijgende zon dit verhindert. - -Mevrouw Verschuere is uit den aard der zaak de laatste bij een -gelegenheid als deze: paardrijden werd haar verboden, van een voertuig -kan geen sprake zijn bij de smalle bergpaadjes; dus moet ze -gedeeltelijk wandelen, gedeeltelijk per draagstoel het doel van den -tocht trachten te bereiken. Bevreesd tot last te zijn, stelt ze dikwerf -voor thuis te blijven, maar ze moet altijd eindigen met aan den -algemeenen drang toe te geven en meegaan, wat ze met een dankbaar -lachje gaarne doet: ’t is zoo’n heerlijke gedachte dat ieder wat wil -opofferen om haar genoegen te geven. - -James rijdt stapvoets voort naast haar tandoe, zonder die ook maar één -oogenblik te verlaten, men vindt dat door de gewoonte natuurlijk; -alleen de overste, vreemdeling in de Buitenzorgsche wereld, verwondert -zich reeds sedert verscheidene dagen over de verhouding »van die twee -luidjes« en hij zet nu zijn paard in draf om Paerel in te halen, met -het doel daaromtrent eens iets naders te hooren. - -De directeur glimlacht medelijdend, bijna spottend. - -»Hoe komt u op het denkbeeld, overste?« - -»Ik mocht eer vragen hoe u niet op het denkbeeld komt.« - -»’t Is neef en nicht, eigen zusters kinderen, te zamen grootgebracht!« - -»Wat bewijst dat?« - -»Maar ik zeg u, dat er geen kwestie is van zoo iets! ’t Idee! mevrouw -Verschuere, die zoo geheel opgaat in haar Gustaaf?« - -»Zoo?« vraagt de zeeman. »Dat doet me pleizier.« Straks, na een lange -pauze, waarin zijn gedachten terug gingen naar een veelbewogen tijd in -zijn eigen leven, vraagt hij: »En het jonge mensch?« - -De heer Paerel ziet juist een plantje aan den weg, dat hem bijzonder -veel belang inboezemt, hij vergeet te antwoorden en de overste rijdt -verder. - -»Wonderlijk toch!« peinst hij. »Als iemand twee kinderen met vuur zag -spelen en hij waarschuwde het meisje, maar liet den jongen zijn gang -gaan, zou men dat onverantwoordelijk vinden; in een geval als dit denkt -ieder aan de vrouw, niemand aan den man. Alsof die geen kwaad kon!« - -Er gaat in de stilte van den morgen een vroolijk rumoer op uit de -kleine cavalcade: de paardjes schijnen niets liever te wenschen dan -deel te nemen aan dit pleiziertochtje en hinneken nu eens in koor, dan -weer in solo; de koelies, gewoon aan draagstoelen, belast met dames die -van taille niet zoo jeugdig zijn als van hart, wenschen elkaar geluk -met het lichte vrachtje; de Soendaneesjes, die achteraan komen en de -manden vol etenswaren dragen, doen dit zoo welgemoed alsof ze meenden -dat de inhoud voor hen bestemd was. - -Zoo een van hen die illusie koesterde, zou ze hem spoedig benomen -worden; men was nog geen uur op weg of er werd halt gehouden, om wat de -gelukkigen der aarde »een vreeselijken honger« noemen, te stillen. Het -was niet overbodig dat men zich een weinig versterkte, want ofschoon -het koel en frisch bleef, werd de inspanning met ieder oogenblik -grooter, de weg steil en moeilijk, glad van de gevallen regens, op -sommige punten door kuilen en onverwachte hinderpalen zelfs een weinig -gevaarlijk. - -Clotilde, die haar eigen vos bereed, had moeite het vurig dier over de -smalle bamboebrugjes heen te krijgen; mevrouw Huntvelt, even -Amsterdamsch nu het op rijden als toen het op loopen aankwam, gilde -letterlijk van angst zoo dikwerf haar paardje uitgleed, wat nog al eens -gebeurde; de heeren hadden handen vol werks; de koelies, die de tandoe -droegen, verwisselden elk oogenblik van schouder, zetten haar telkens -neer, bliezen en hijgden als postpaarden. - -»Ik wed dat je medelijden met hen hebt?« vraagt James lachend, als Nita -zegt dat ze liever wil uitstappen. - -»Neen, maar het zien van hun inspanning hindert me. Ik zou me laten -dragen als ik niet loopen kon, nu is het niet noodig. Vin je goed dat -ze met je paard en de tandoe vooruitgegaan? Dan kunnen wij langzaam -volgen.« - -Zij waren nu in het woud. Een leger van reuzen, maar ook een slagveld -vol gevallenen, een tuin met purperen bloesems en sneeuwwitte -orchydeeën, met ragfijne varens en wonderschoone boschvruchten, een -bodem bedekt met vergankelijkheid, gifplanten en reptielen, en om en -door dat alles een net van lianen, rottans en slingerplanten, het -kleine verstikkend, zich vastklampend aan het groote, de levende en de -dooden omvattend in één groote omhelzing. - -Er is iets geheimzinnigs in dat werken eener grootsche natuur, iets -meêdoogenloos in dat vergaan en vernietigen... de jongelieden hooren -hunne voetstappen, het ruischen der dorre bladeren, als de zoom van -Agnita’s kleed ze beroert; zoo eenzaam is het rondom hen, dat als nu of -dan de slag van een vogel weerklinkt boven hunne hoofden, ze -opschrikken van dit geluid; zoo eenzaam, dat Nita het gelach en -gepraat, haar straks een ergernis, terugwenscht, liever dan deze -verlatenheid, deze stilte. - -»Zoo ernstig?« vraagt James en ziet haar in ’t gelaat. - -»Wie zou hier niet ernstig gestemd worden?« antwoordt ze en tuurt met -droomerigen blik naar de blauwe lucht, die het bladerdak hier en daar -laat doorschemeren. »Hoor je dat, heel in de verte, dat donderend -beuken van de watervallen op de rotsen? Is het niet als een stem uit -andere oorden?« - -Ze staan een oogenblik stil om te luisteren. Daar weerklinkt, dicht bij -hen, de klagende roep van de woudduif, straks beantwoord door het -teeder gekir van zijn gaaike. - -Met den wrevel, die hem soms aangrijpt in het bijzijn van Agnita, roept -James: »Hoor je dat? Ik dacht dat het hier te hoog was voor de liefde!« - -»Te hoog voor de liefde?« vraagt ze verwonderd over zijn gezegde, maar -meer nog over den korten, schellen lach, waarvan het vergezeld ging. -»Te hoog voor de liefde? Neen, juist een plekje er voor: zoo ver van de -aarde, zoo dicht bij den hemel!« - -De jonge man antwoordt niet. De muziek harer stem boeit hem, maar -ternauwernood begrijpt hij wat ze zegt, zoo wild jaagt en bruist het in -hem. Ver van de aarde! dicht bij den hemel! God... hij was nooit -dichter bij de aarde! - -Straks, als ze een kleinen heuvel hebben bestegen en ze een oogenblik -leunen blijft op zijn arm, om adem te scheppen, ziet ze hem toevallig -in het ontroerd gelaat. - -»Wat scheelt er aan?« vraagt ze bezorgd. »Er is toch niets dat je -hindert? Kom, kijk eens om je heen. Ik zou anders haast gaan gelooven, -dat het niet aan je besteed is.« - -Ze heeft gelijk; het is niet aan hem besteed; hij ziet niets van de -heerlijkheid rondom zich, hij ziet in geheel deze groote ruimte slechts -één kleine stip, hij voelt slechts den arm die in den zijnen ligt, den -warmen adem, die heenstrijkt over zijn gelaat, het fijne handje dat -zijn schouder zoekt, zoo vaak ze steun behoeft—en niets, niets anders! - -»Laat me vooruit gaan,« vraagt hij straks. »Laat me de anderen roepen.« - -»Ik vrees dat ze te ver weg zijn om ons te hooren.« - -»De koelies dan, om je te dragen.« - -»Nu reeds?... ’t Is waar, het vermoeit je misschien me zoo voortdurend -vast te houden.« - -»Me vermoeien?« roept hij. Maar dan schor en vreemd: »Ja.« - -Dat de vrouw, die een groote liefde koestert, zoo ongevoelig wezen kan -voor wat ze in anderen wekt! Dat het geluk van zich door haar -echtgenoot bemind te weten zelfs een ziel, zoo sympathiek als de hare, -vreemd kan maken aan den strijd van een vriend; dat ze zoo ziende -blind, zoo hoorende doof kan zijn! Beleedigd door dat korte »ja«, roept -ze nu zelve: - -»Djan! Djan! Djan!« ’t Is de naam van den jongen, aan wien James zijn -paard vertrouwde. - -Maar er komt geen antwoord. - -Is het de eenzaamheid, die haar nu op eens begint te beangstigen? Of -misschien de brandende gloed der hand, die haar wordt toegestoken bij -het overgaan van wankelende bruggetjes, het vermijden van poelen of -plassen? Of misschien dat die hand de hare nog vasthoudt wanneer ze -geen steun meer behoeft? - -Wat er van zij, haar stem trilt en haar gelaat kleurt zich met hooger -blos, terwijl ze zenuwachtig uitroept: »Ik vind het niets aardig van de -anderen, ons zoo aan ons lot over te laten.« En straks, als hij niet -antwoordt, maar haar blijft aanzien met dien vreemden blik: »Ik wou dat -we bij hen waren.« - -»O, we zullen ze dadelijk inhalen. Daar ben ik zeker van.« - -Hij brengt beide handen aan den mond en roept uit alle macht, schreeuwt -als een bezetene. Want gevoelt zij slechts een onbestemde vrees, hij -weet wat het gevaar is dat hen dreigt, hij kent het aan den woesten -drang, waarmee het bloed hem naar hoofd en hart vliegt. - -»We moeten geduld hebben, Nita... Waarom loop je zoo hard?... leun meer -op me... Nita... je bent toch niet bang?« - -»Neen, dat niet; maar..« - -»Maar je wordt moe. Hou me steviger vast, ’t is hier zoo glad en een -beetje gevaarlijk met het ravijn.« - -»Roep nog eens; wil je?« - -Hij gehoorzaamt, maar het blijft stil. - -Straks moet hij de gestalte, die beeft van overspanning en met elk -oogenblik zwaarder leunt op zijn schouder, omvatten, om haar voor -vallen te behoeden. - -»Vin je het niet akelig, James?« vraagt ze in haar angst, »vin je het -niet akelig zoo met ons beiden in dit groote bosch?« - -»Akelig?« hijgt hij. »O neen! zalig...« - -Nu begrijpt ze. Op eens. Alsof een gordijn werd weggeschoven van voor -haar oogen. - -»God! Nita! laat me niet lost het ravijn... God! mijn lieveling!« - -Hij heeft haar gegrepen, in zijn armen gehouden, aan zijn borst -geklemd... - -»O, James!« - -Er is in dien uitroep een droefheid, een teleurstelling zóó groot, dat -hij op eens tot het volle besef komt van zijn onvoorzichtigheid; hij -laat haar los, en wanneer ze nu doodsbleek, bevend over al haar leden, -leunt tegen een boomstam, verwijdert hij zich langzaam met gebogen -hoofd en het gevoel van een misdadiger. - -Als hij een oogenblik later hoort hoe ze een zwakke poging doet om te -roepen, schreeuwt hij met bijna bovenmenschelijke kracht. - -Nu, nu het te laat is, komt er antwoord. Van meer dan één kant klinken -stemmen. Uit de verte komt het geluid tot hen van een paard, dat in -draf nadert. - -James is teruggekeerd op zijn schreden. »Nita, één woord! Ik bid je -Nita, vóór de anderen komen...« - -Ze ziet hem aan met droeven blik. »Je hadt gelijk, James,« zegt ze -langzaam, fluisterend bijna, »je hadt gelijk; het is hier te hoog voor -de liefde... zooals jij ze begrijpt ten minste.« - -Dan wendt ze het hoofd naar den heer Paerel, die komt aanrijden zoo -vlug de weg zulks toelaat. - -»Eindelijk!« roept de directeur. »Waar blijft u toch? we werden -ongerust, de anderen wachten bij de grot...« - -»Onze koelies zijn weg, geloof ik,« brengt Agnita aarzelend uit. - -»Wel neen, die zitten hier achter den heuvel hun strootje te rooken.« - -»Iedereen heeft ons in den steek gelaten. Van Suylichem’s jongen...« - -»Hij komt daar aan met uw paard, mijnheer Van Suylichem. Ik heb hem -gezegd mee terug te keeren. Maar... wat is u ontdaan? En u ook, -mevrouw! Er is toch geen ongeluk gebeurd!« - -»Ja, een groot ongeluk!« roept James, springt in den zadel en rijdt weg -in woesten galop, aan Agnita overlatend zijn wonderlijk gedrag te -verklaren. - -»We waren bijna in het ravijn gevallen,« begint ze. »James is erg -geschrikt en... heelemaal in de war. En ik... ben zoo moe.« - -»Wat spijt het me dat we niet bij elkaar zijn gebleven! Maar wie kon -ook denken... o, daar zijn ze met den draagstoel!« - -Er is veel noodig om den heer Paerel op een denkbeeld te brengen, -wanneer dat denkbeeld geen betrekking heeft op zijn vak; hij laat -gaarne alle ontdekking, vermoedens en invallen aan zijn Annet over, -maar—deze ontmoeting in het bosch verdrijft zoo ten eenemale alle -botanische gedachten uit zijn geleerd brein, dat hij een oogenblik ook -in andere zaken helder ziet; hij herinnert zich de vermoedens van den -overste, brengt die vermoedens in verband met de ontsteltenis der jonge -lieden en besluit de tandoe van mevrouw Verschuere niet meer te -verlaten. - -Als in een droom voegt Agnita zich bij het gezelschap, dat neiging -heeft getoond om knorrig te worden over het onverwacht oponthoud, maar -deelnemend wordt zoodra ze tot hen komt met haar afgemat gezichtje en -gescheurde laarsjes; als in een droom volgt ze hen naar de grot en is -zoo diep in gedachten verzonken, dat ze vreeselijk schrikt wanneer het -traditioneel pistoolschot wordt gelost om de duizenden vleermuizen, die -aan de wanden hangen, te doen opvliegen. Daarop zit ze met de anderen -terneer bij de watervallen, die als schitterende sluiers afhangen van -de zwarte rotsen, stemt beurtelings Clotilde toe dat het verrukkelijk -mooi, mevrouw Huntvelt dat het zooveel angst en vermoeienis niet waard -en den overste dat het een griezelig plekje is, veel te kil en te -vochtig om er iets anders te willen doen dan dadelijk weer opbreken. - -Vrouwen als Annet Paerel oefenen haar invloed uit, ook al zijn ze van -haar mannen gescheiden door al de berggevaarten der Preanger. Als men -op Tji-Bodas rondom de rijsttafel is gezeten en de gastheer van de dame -aan zijn linkerhand slechts verstrooide antwoorden ontvangt; als hij -opmerkt dat Van Suylichem drukker praat en meer champagne gebruikt dan -dienstig zijn kan, is het hem of een welbekend gezicht zich tot hem -keert met vriendelijke bezorgdheid, of de welbekende stem met de -hartelijke drukte haar eigen, uitroept: »Daar moeten we iets aan doen, -Paerel!« - -Dadelijk na het middagmaal wordt een kop koffie gebruikt, haastig, -staande, met angstige blikken naar de lucht, die nu wel wat al te -bedekt is. - -»We moeten voortmaken, freule,« zegt de overste, terwijl hij haar helpt -opstijgen: »Ik vrees dat we een nat pak krijgen.« - -»Zou het,« vraagt nu de directeur, met het oog op een mogelijke -regenbui, »niet best zijn dat elk der heeren een dame voor zijn -rekening nam en die zoo gauw mogelijk thuis bracht, zonder zich om het -overige gezelschap te bekommeren?« - -»Maar u vergeet dat we een cavalier minder hebben dan van morgen,« -roept Agnita in waren doodsangst. - -»Dacht u werkelijk dat ik eene der dames zonder geleide zou laten -teruggaan? Wel, mijn vrouw vergaf het me nooit! Neen, de proeftuin -loopt niet weg en wat ik hier te doen heb kan even goed morgen gebeuren -als vandaag. ’t Was trouwens dadelijk mijn plan.« - -Men meende zich te herinneren dat de heer Paerel dezen morgen andere -plannen had, maar men vond het allerliefst. - -»Freule, mag ik de eer hebben? Iedere minuut is er een!« roept de -overste en rijdt met zijn dame het terras af. - -»Mijnheer Van Suylichem, zoudt u zich met de zorg voor mevrouw Huntvelt -willen belasten? Dan mag ik wel bij u blijven, niet waar?« - -Agnita weet niet of hij iets vermoedt, iets begrepen heeft; daarom is -het zeer onvoorzichtig wat ze doet, maar ze kan het niet laten, ze -steekt hem haar ijskoud handje toe en zegt: »Dat is lief van u, -mijnheer Paerel.« - - - - - - - -XXXII - -TERUG OP BUITENZORG. - - -Mevrouw Verschuere is sints een paar uur thuis en alleen; zóó alleen -als slechts een vrouw zonder kinderen zijn kan in haar eigen woning. - -Ze loopt rond met het eigenaardige gevoel, dat na een afwezigheid ons -de bekende voorwerpen doet begroeten als oude vrienden; ze gaat eens -naar haar bloemen en plukt een paar dorre blaadjes af; ze bekijkt de -jonge hondjes, kort vóór haar vertrek geboren; ze geeft de vogels een -stukje suiker en tracht zich wijs te maken dat ze haar gemist hebben; -ze overtuigt zich dat haar poesjes de vrouw nog kennen... dan schikt ze -de ornamenten in het boudoir wat terecht, dan begint ze thee te zetten, -dan kijkt ze op de pendule en vraagt zich af, of die wel gelijk is met -de klok in de achtergalerij; haar docht het moest later wezen. - -Neen, alle klokken zijn precies gelijk, ’t is drie en een halve minuut -over vijven. - -Dan zinkt ze met een zucht in den schommelstoel en begint te wippen. -Maar om lang te wippen zonder zenuwachtig te worden moet men een -indische zijn; dus springt ze op en zegt tot zich zelve dat het -Verschuere’s schuld niet is, iets wat ze reeds honderdmalen tot zich -zelve gezegd heeft sedert ze dezen morgen zijn telegram ontving op -Tjiandjoer. - -Immers, wat kan hij er aan doen, als Zijne Excellentie hem op zoo’n -ongelegen oogenblik die opdracht geeft? ’t Is natuurlijk een zaak van -gewicht, een zaak waarbij alles afhangt van een spoedige behandeling! -Morgen vergadert de raad van Indië in buitengewone zitting, daar staat -het zeker mede in verband; misschien moet hij inlichtingen geven, die -geen ander verstrekken kan... - -Daar valt haar blik in den spiegel: hoe zal hij vinden dat ze er -uitziet? Zal hij opmerken dat ze bleek, dat ze weer achteruitgegaan is? -Had ze maar kunnen rusten van middag, ’t zou haar wat hebben opgeknapt. -Maar ze heeft zich met ongewone zorg gekapt en gekleed en och! als hij -komt zal ze er zeker goed uitzien; ze ziet er altijd goed uit als ze -gelukkig is. - -Gelukkig!... waarom heeft ze toch ook die slechte gewoonte zich van -alles te veel voor te stellen? - -Natuurlijk dat hij, vermoeid van dien rit heen en terug naar Batavia, -natuurlijk dat hij, met al die drukten aan zijn hoofd, niet zoo -opgewonden kan zijn als zij, die in de laatste dagen aan niets dan dit -weerzien heeft gedacht. - -»En, kleintje, hoe heb je het gehad?« vraagt Verschuere straks, als hij -zijn bad genomen heeft en nu geheel verfrischt naast haar zit aan de -theetafel. »Veel regen, niet waar en weinig afleiding?« - -»Och, we hebben ons geen oogenblik verveeld. De dagen vlogen om.« - -»Werkelijk? Nu, des te beter. Clotilde is dan ook een gastvrouw om je -zelfs door een westmousson op Tjipanas heen te helpen. Maar nu ik je -aankijk... zie je er niet zoo goed uit, als ik daar straks aan den -trein wel meende; niet zoo goed ten minste als ik gehoopt had na het -prachtig resultaat van die eerste veertien dagen.« - -»Je moet niet vergeten dat jij toen bij me was.« - -»Neen, vleister, je kunt me niet om den tuin leiden, ’t komt volstrekt -niet van mijn weggaan. Je bent den eersten tijd na mijn vertrek altijd -gezonder geworden en zelfs dikker... heb je me niet geschreven dat het -je moeite begon te kosten je japonnen dicht te krijgen? Zeg? Maar -mevrouw ging tochtjes maken, tochtjes naar Tji Burm... in ernst, -liefste, ik begrijp niet hoe jullie met je allen niet wijzer geweest -bent. Wie doet dat nu in den westmousson, ’s middags op weg gaan?« - -»We konden toch niet allen op Tjibodas blijven.« - -»Je hadt in ’t geheel niet op Tjibodas moeten komen. Als jullie -volstrekt eten moest, waarom dan niet de koude keuken meegenomen en -ergens in ’t bosch op een omgevallen boomstam gaan zitten? Enfin, -Paerel heeft er reeds genoeg over moeten hooren.« - -»Je hebt anders waarlijk geen reden om boos op hem te zijn,« roept ze -en voegt er dan met hooger blos bij: »Hij is als een vader voor me -geweest.« - -»Ja?... Dan toch als een vader die zijn dochter laat kouvatten en -natregenen. Heb je erge koorts gehad?« - -»Koorts? Och kom! ik was ’s avonds wat huiverig, dat is alles!« en ze -maakt het zich druk met het inschenken van de thee. - -»En je bent vier dagen lang in je kamer gebleven! James vertelde me, -dat hij je niet meer gezien heeft sedert dien bewusten tocht... A -propos, waarom is hij nog vóór jullie terug gekomen?« - -»Ik weet het niet zeker, maar ik vermoed..« - -»Je vermoedt?« - -»Ja, zie je, ik weet niet of ik wel goed doe met je te zeggen wat de -reden is geweest van zijn onverwacht vertrek. Hij heeft me gevraagd er -mede te wachten.« - -»Je maakt me nieuwsgierig, Nita!« - -»Och, ’t is een lange geschiedenis. Om dan te beginnen met het -begin...« - -»Een lange geschiedenis! Morgen, wil je? Of straks, als ik thuis kom. -Weet je ook of Mingo mijn pakkean reeds heeft klaar gelegd?... Ja, -lieve, daar is nu niets aan te doen, ik moet even naar ’t paleis. ’t -Treft ellendig, dat stem ik je toe! Maar dit beloof ik je, ik doe -verslag van mijn zending en kom dadelijk terug. Nu, niet zoo -teleurgesteld kijken, liefste.« - -Ze tracht er vroolijk uit te zien: ze helpt hem kleeden om nog enkele -oogenblikken bij hem te kunnen zijn; ze brengt hem tot aan den ingang -van het paleis, waar ze niet behoeft te vragen of hij gewacht wordt: er -brandt licht in de werkkamer van Zijne Excellentie; Van Suylichem, die -dienst heeft, leidt hem regelrecht naar binnen en fluistert dat reeds -tweemaal naar hem gevraagd werd. - -Dadelijk—blijkt te zijn anderhalf uur later. - -Mevrouw Verschuere verstaat de kunst niet, die bij sommige vrouwen een -macht is, ze boudeert nooit; als hij eindelijk thuis komt, lang nadat -het avondschot viel, treedt ze hem tegemoet met vriendelijk gelaat. - -»Arme man, je zult wel doodaf zijn... Nu, ’k heb een heerlijk dineetje. -Mevrouw Hagen heeft oesters gestuurd en ik heb een flesch van je oude -lievelingswijntje uitgegeven...« - -»Oesters? Heerlijk! Maar wijn drinken zou ik niet durven. Ik moet nog -werken van avond. Morgen vertrekt de mail en... ja, kindlief, ik weet -wel... je denkt dat ik mijn belofte slecht houd de eerste keer de -beste... Neen, spreek het maar niet tegen... maar mijn God, Nita, wat -moet ik doen? Ik kan den gouverneur-generaal toch geen koopje geven, -omdat mijn vrouw thuis komt?« - -»Neen, zeker niet, dat zou ik niet willen,« zegt ze dapper. - -Maar straks, als hij aan zijn schrijftafel zit, hoort hij den lichten -tred, dien hij meer gemist heeft in den laatsten tijd dan hij zich op -dit oogenblik wel bekennen wil. - -Haastig, knorrig bijna, ziet hij op van zijn werk, maar dan blijft zijn -blik met teederheid, met hartstochtelijken gloed rusten op de -bekoorlijke gestalte in het licht rose kleedje. - -»Kind! Als je wist hoe ik me zelf geweld aandoe...« - -»Neen, ik kwam je niet storen, lieve... ik kwam je alleen maar vragen -of ik je niet wat helpen mag? Je weet wel, laatst, toen ik de -staatsbladen voor je heb nageslagen... je vondt toen dat ik het nog al -goed gedaan had, niet waar?« - -Ze is nader getreden; hij ziet haar in het lief gelaat, frisch getint -door de berglucht; hij neemt een zijden lok tusschen de vingers en -antwoordt verstrooid: »O, uitstekend, uitstekend!« en kust dien lok. -Dan strijkt hij met de hand over de oogen, keert zich haastig van haar -af, neemt zijn pen weer op... - -»Of ik zou misschien, zooals dien anderen keer, iets in ’t net kunnen -schrijven... of uittreksels maken?« - -»Dank je, lieve. Wat ik van avond te doen heb is geheim.« - -Geheim! Ze is te bescheiden om het uit te spreken, maar... geheim! -Alsof ze niet weet dat de benoeming van het nieuwe ministerie een -grooter teleurstelling was dan de val van het oude; alsof ze niet weet -dat de tegenwoordige minister van koloniën de verklaarde vijand is van -de politiek, door den vorigen gevolgd, alsof ze niet weet dat er zoo -vergaderd wordt op elk uur van den dag en gewerkt tot in ’t holle van -den nacht, omdat er strijd is, vinnige strijd! - -Straks klinkt haar stem weder in de stilte van het studeervertrek, -slechts verbroken door het krassen van de pen, die telkens woorden moet -uitschrappen, telkens verwarde volzinnen regelen, maar nu aarzelend, -fluisterend bijna: »Mag ik dan... je moet het niet kinderachtig -vinden... we zijn zoo lang gescheiden geweest... mag ik dan stil -blijven zitten, hier? dicht bij je?« - -»Je zult je vervelen, liefje.« - -»O neen! ik zal je sigaar ruiken en het schuiven van je papier hooren -en—ik zal je zien!« - -»Dwaas kindje!« - -Ze zit stil als een muis in haar bescheiden hoekje. Alleen nu en dan, -als het avondkoeltje binnenzweeft door de geopende vensters, voert het -hem haar lievelingsodeur, den geur van viooltjes toe; alleen nu en dan -wordt hij aan haar herinnerd door het spinnen van de poes, die zachtjes -kwam binnensluipen en in haar schoot ligt; alleen als hij opziet -ontmoet hij de lieve oogen met hun droomerige uitdrukking... Toch kan -hij niet doorwerken, toch neemt haar tegenwoordigheid al zijn gedachten -in, toch ziet hij haar, ook al beproeft hij met al wat in hem is haar -niet te zien... Daar schrikt ze op met blijde verrassing, hij heeft -zijn pen ver van zich geworpen, zijn stoel terug geschoven. - -»Neen, dat is al te gek! Daarvoor heb ik te veel naar je verlangd... er -mag van komen wat wil... Nita... liefste vrouw!« - - - - - - - -XXXIII - -TEN DOODE GEWIJD. - - -De societeit te Buitenzorg, hoe lief gelegen, hoe smaakvol gebouwd, zou -moeilijk kunnen bestaan, zoo niet soms plaats vond, wat heden den -kastelein zoo genoegelijk stemt: een groote gebeurtenis, die onder het -genot van vele bittertjes moet besproken worden. - -Kapitein Van Rossem, de adjudant die Hooglaan verving, kwam dezen -morgen met het treurige nieuws van Batavia. Sedert schijnt ieder -Buitenzorger ’t zich tot een aangenamen plicht te rekenen, het zonder -de hulp van post- of telegraafbode te verspreiden; zoo wat tegen het -vallen van den avond kunnen ze hun taak als volbracht beschouwen; vele -burgers en alle officieren zijn present op het terras en er wordt maar -één naam genoemd; de naam van Te Leurse. - -»Die arme kerel! ’t Was anders zoo’n beste jongen.« - -»En lang niet dom!« - -»Neen, waarachtig niet! Een verlies voor het leger.« - -»Nummer één geweest van zijn promotie.« - -»Waar hij het pistool van daan heeft gekregen?« - -»Had hij ten minste gewacht op de uitspraak!« - -»Neen ’t was beter zoo. De feiten zijn van dien aard....« - -»Chut! de man is dood.« - -»Men zegt dat allerlei hooge lui voor hem in de bres zijn gesprongen, -de hoogste zelfs.« Dit wordt gefluisterd. - -»Kassian! pas zes-en-twintig jaar!« - -»Nog zoo jong? En al zoo lang getrouwd?« - -»Ja, natuurlijk. Als hij niet heel jong geweest was, had hij het zeker -niet gedaan. Waar is ze? Nog altijd bij de Paerels?... Die zullen ook -heel wat te stellen hebben gehad vandaag!« - -»Neen, ze is niet meer bij de Paerels.« - -Toen de vreeselijke tijding zich verspreidde, hadden de heer en mevrouw -Verschuere gemeend dat het op hun weg lag een deel van de zware taak -door Annet Paerel zoo vriendelijk vervuld, van haar over te nemen. Ze -konden op geen betere gedachte zijn gekomen: de bedrijvige huisvrouw -toch heeft de gewoonte hare kinderen eenmaal s’jaars te laten -kaalscheren en inenten; waarom deze plechtigheden elkaar binnen een -tijdsverloop van drie dagen moeten opvolgen weet niemand; maar wat er -van zij, het was heden de dag der inenting, de acht kaalkoppen waren op -het appèl, de dokter djawa was er, de gezonde vrouw met het opgedirkte -kind, de onmisbare grootmoeder waren er, de stof was er, en al hadden -nu al de officieren van het indische leger goedgevonden zich voor het -hoofd te schieten, ingeënt zou er worden. - -Een gegil, alsof ieder prikje een dolksteek was, kwam Agnita tegemoet; -mevrouw Paerel gaf het kind, dat ze op den arm had, aan de juf over, -dankte met vochtigen blik voor haar komst en ging haar vóór naar de -logeerkamer. - -Ze wachtte even toen de kleine gestalte verdwenen was, ze wist hoe -hartstochtelijk, hoe waanzinnig bijna Amalia was in haar droefheid en -wilde het teere vrouwtje een scène sparen. - -Maar na dien eenen kreet zoo doordringend als nooit de bezoekers van de -comedie hadden gehoord van de lippen der geliefde actrice, werd het -stil en rustig, een zacht snikken slechts bewees dat al het berouw, al -de wanhoop werd uitgestort in het hart der vriendin. - -Bij haar reinheid, haar bijna kinderlijke onbekendheid met veel van de -zonden en zwakheden dezer wereld, kon mevrouw Verschuere begrijpen, -mede gevoelen als weinigen: Amalia wilde haar niet laten vertrekken en -toen eindelijk in den namiddag haar coupé het erf weer opreed, hield -die stil voor het logeergebouw; de jonge weduwe moest absolute rust -hebben, had Bosschaert gezegd, en absolute rust kon, bij al haar -handigheid, de moeder van het pas ingeënte achttal haar logée niet -verzekeren. - -Nauwelijks had de onverwachte gast het hoofd neergelegd in de koele -kussens, toen de koorts opkwam, die dagen lang aanhield en voor het -leven der patiente vreezen deed. - -Agnita stond niet alleen bij de oppassing harer zieke. Ze werd door de -Buitenzorgsche dames geholpen, met de behoefte om bijstand te -verleenen, die van elke indische vrouw een liefdezuster maakt; met den -lust om vriendelijkheid te bewijzen, die het vreemde land zoo spoedig -een tweede vaderland kan doen worden voor nieuwelingen, ver van moeders -liefde en zusters hulp; met de offervaardigheid, die, als wij Indischen -in de weegschaal der deugd werden gelegd, tegen een veel degelijker, -veel ernstiger, veel braver volkje dan wij zijn, de schaal zou doen -overslaan naar onze zijde. - -Eindelijk begon de hoop op herstel te herleven en de zieke te denken -over haar vertrek naar Europa, dat, als ze niet weder instortte, -misschien reeds met de eerstvolgende boot zou kunnen plaats vinden; -eindelijk kon Nita weer eens de bijgebouwen verlaten. - -Toen ze den derden morgen na het wijken der koorts haar boudoir -binnentrad, vond ze op de tafel een briefje, waarvan het adres met Van -Suylichem’s hand was geschreven. - -Ze had veel aan hem gedacht in de laatste dagen, misschien dubbel veel -omdat ze, gewoon alles wat haar door hoofd en hart ging met haar -echtgenoot te bespreken, nu gemeend had aan James’ verzoek te moeten -voldoen en over hetgeen was voorgevallen op het tochtje naar Tji Burm -zwijgen, ook omdat ze in de stilte van doorwaakte nachten zich ernstige -verwijtingen had gemaakt over de groote onvoorzichtigheid, waarmee ze -in haar neef gevoelens had opgewekt, die hem voor korter of langer tijd -ongelukkig maakten. - -De inhoud van het briefje bevreemdde haar. - - - »Lieve Nita. - - »Vandaag ben ik tweemaal bij je geweest, gister eens, eergister - driemaal. Maar toewan is altijd »di kantor«, njonnja altijd »di - kammer dajo.« Daar ik dienst heb kan ik van avond niet meer komen. - Wil je me een uur bepalen waarop ik jullie morgen thuis vind? Ik - vraag dit zoo, omdat ik Verschuere en jezelf iets heb te zeggen, - dat geen uitstel duldt.« - - -Wat kon het zijn? Wat kon hij haar te zeggen hebben, dat geen uitstel -duldde? Hij was zoo heftig, zoo haastig in het besluiten, dat ook het -meest onverwachte van hem te verwachten viel, dat men nooit zeker van -hem was! - -Ernstig ongerust beantwoordde ze zijn briefje dadelijk en reeds den -volgenden morgen trad ze hem tegemoet in de voorgalerij, wat bleek, -maar toch verfrischt door een heerlijke nachtrust, daar ze de zieke aan -mevrouw Verdijk heeft kunnen overlaten. - -»Kom binnen! Hoe gaat het?« En ze reikt hem de hand met den ouden -vertrouwenden glimlach. - -»Zijn we alleen, Nita?« vraagt hij, verwonderd rondziende in het -vertrek. - -»Verschuere heeft zijn werk en... je hadt me misschien iets te zeggen -dat je moeilijk zeggen kondt in zijn tegenwoordigheid?« - -»O, Nita,« en een gloeiend rood kleurt zijn gebruind gelaat, »wat kan -ik je anders te zeggen hebben dan dit eene: vergeef me!« - -»Dat deed ik reeds lang, James, om der wille onzer goede oude -vriendschap,« en ze ziet naar hem op, groote tranen in de oogen. - -»Nita,« roept hij met de oude dwaze heftigheid, die soms nog zoo’n -jongen van hem maken kan; »Nita, ik wou dat je iets zei! Neen, niet -iets liefs, iets bedaards, iets wat je je hebt voorgenomen me eens heel -kalm en duidelijk aan het verstand te brengen. Ik wou dat je me -uitscholdt! Dat je me beleedigde! Dat je me voor de voeten wierpt hoe -laag, hoe schandelijk ik me gedragen heb!« - -»Maar ik vond het niet laag, ik vond het niet schandelijk, ik vond het -alleen zwak. Daarbij, ik zelve ben ook niet zonder schuld. Ik had -voorzichtiger moeten zijn, ik had alles moeten vermijden, wat -aanleiding geven kon tot...« - -»Neen, Nita, beschuldig je zelve niet. Het was niets anders dan mijn... -krankzinnigheid!« - -»Ik heb meermalen opgemerkt, James,—maar ga toch zitten, je weet, dat -wilde op en neer loopen van je agiteert me—ik heb meermalen opgemerkt -dat jongelui zich al heel licht vergissen in het huwelijksgeluk van de -vrouw die ze... een weinig vereeren. Ze zien die vrouw in een aureool -en vinden dat de echtgenoot zich zoo iets liefs, zoo iets volmaakts -volstrekt niet waardig toont. Niet waar? beken het maar. Je neemt mijn -man nu bijvoorbeeld kwalijk, wat ik hem zoo van harte vergeven kan, dat -hij geheel opgaat in zijn betrekking en daardoor zijn vrouw...« - -»Negligeert. Ja, dat neem ik hem kwalijk!« - -»Maar weet je ook wat hem dit kost? Weet je wat dit voor hem is, mij, -die hij liefheeft, zoo voortdurend te moeten achterstellen bij zijn -werk?« - -»Neen... daar weet ik niet van... ik weet alleen dat ik het niet kan -aanzien. O mijn God! Nita! als ik bedenk hoe je thuis werd verwend; als -ik bedenk wat een ander voor je had kunnen wezen, hoe je op de handen -zoudt zijn gedragen, hoe ieder woord, ieder blik van je zou zijn -opgevangen, iedere wensch voorkomen...« - -»James, is dit goed?« - -»Neen, ik weet het, terwijl ik spreek, veracht ik me zelf om hetgeen ik -zeg. Maar als je niet wilt dat ik bezwijk, dat ik gek word, laat me dan -ten minste eenmaal uitspreken wat me reeds zoolang op het hart brandt.« - -»Ik zal je niet weerhouden, als je meent dat je voort moogt gaan.« -Mevrouw Verschuere neemt de hand van haar neef en voert hem naar de -zijde van het boudoir, waar de portretten harer ouders zijn. - -»Je vroeg daareven of we alleen waren, James. Neen, dat zijn we niet.« - -Hij ziet op naar het edel gelaat van den grijsaard, dien hij gekend -heeft in dagen van beproeving, in dagen vol van den strijd des levens; -naar de lieve kalme trekken der vrouw, die hij vereert als een heilige, -hooger nog, als een moeder... naar de twee paar ernstige oogen die met -zooveel vertrouwen op hem rusten, en evenals Nita, gevoelt hij dat ze -niet alleen zijn, dat de goede engelen, die waakten over hun jeugd, hen -nabij zijn. - -Zwijgend, beschaamd staat hij voor haar. - -»Beste James,« begint ze nu op hartelijken toon, »ik ben je zoo -dankbaar voor je vriendschap. Ze heeft me zoo goed gedaan, zoo dikwerf -getroost en bemoedigd. En ik had soms wel bemoediging noodig. Je hebt -juist gezien, ik ben niet altijd gelukkig geweest, al hoop ik het nu -weldra te worden. Maar dat is niet de schuld van Verschuere. Het zijn -de omstandigheden: ik had niet genoeg te doen, ik had meer afleiding -moeten hebben. En dan, ik heb een overdreven voorstelling gehad van het -huwelijk; dat maakt een vrouw veeleischend.« - -»O, Nita! Jij veeleischend!« - -»Misschien ook heeft mama juist door haar ernstige levensopvatting ons -niet genoeg geleerd, ons bezig te houden met datgene wat de meeste -vrouwen amuseert; misschien zou ik, om in de indische maatschappij me -gelukkig te voelen, de zaken wat lichter moeten opnemen... Maar juist -omdat ik hier nog zoo vreemd, nog niet geheel thuis ben, juist daarom -was je vriendschap me zooveel waard, juist daarom is het me zoo’n -bittere teleurstelling geweest, toen ik ontdekte...« - -»Heb je het nooit vermoed? Al die twee jaar niet? Groote hemel, hoe is -het mogelijk!« - -Zacht legt ze de hand op zijn schouder. »Ik heb wel eens getwijfeld,« -begint ze dan met hooger blos, »maar Gustaaf heeft me altijd weten -gerust te stellen. Hij gelooft volkomen in je, James. Hij vindt je -zoozeer de type van ridderlijkheid en goede trouw.« - -»Zeg je dat als een verwijt?« - -»Dat weet je wel beter. Foei, alsof niet de eerlijkste, trouwste -ridders soms eens een oogenblik... dwaas geweest waren. Maar kom, laten -we niet langer praten over dit onderwerp, dat ons beiden pijnlijk moet -zijn. Vertel me liever eens wat het nieuws is, dat je ons hadt mee te -deelen.« - -»Ik ga met de eerstvolgende boot naar Atjeh.« - -»Naar Atjeh!« - -»Ja.« - -»Heb je het gevraagd?« - -»Ja.« - -Ze is zeer bleek geworden. De kalmte, die haar gedurende het geheele -gesprek bijbleef, heeft haar plotseling verlaten, ze rijst op van haar -stoel en moet zich aan de leuning vastgrijpen. - -»James, weet je dat dit onverantwoordelijk, dat dit vreeselijk -roekeloos van je is. In dezen tijd! Met dien verpesten bodem, met die -vreeselijke ziekten, dat verraad!...« - -»Ik zou geen soldaat zijn, als ik daar bang voor was!« - -»James, één woord! Zeg dat het niet is om... om mij!« - -Zelfs in dit oogenblik komt zijn eerlijk hart op tegen een onwaarheid, -zelfs om haar kan hij geen leugen over zijn lippen brengen. - -»Nita,« begint hij vriendelijk, »er is geen enkele reden om je dit aan -te trekken. Je hebt me niet alleen nooit reden gegeven om me iets in te -beelden, je hebt getracht me te genezen op de eenige manier waardoor -genezing mogelijk was: door me te toonen hoe lief je je man hebt. Maak -je dus geen oogenblik verwijtingen over mijn gaan naar Atjeh. Ik behoor -daar. Ik voel me hier niet op mijn plaats. Ik verlang terug naar mijn -kameraden, naar het oorlogstooneel, naar de Atjehers. Ja, werkelijk! -Zoo dikwijls ik lees van hun brutale heldenfeiten, voel ik het -verlangen in mij opkomen, hen weer eens onder de oogen te zien; zoo -dikwijls ik den naam hoor van een makker, die gesneuveld is of -bezweken, schaam ik me over het gemakkelijk leventje dat ik hier leid.« - -»’t Is goed, James.« - -»Dag, Nita.« - -Ze houdt zich flink; maar nu, als hij zich omkeert en ze bedenkt hoe -het binnen enkele dagen een vaarwel moet zijn voor jaren, dan gevoelt -ze op eens welk een gemis, welk een leegte het zal geven in haar -bestaan, wanneer de trouwe vriend niet meer bij haar is. - -»O, James, doe het niet... Als er eens iets gebeurde... ik zou je zoo -missen...« - -Hij komt terug op zijn schreden. - -»Je houdt toch nog van me!« juicht hij. »Je houdt toch nog van me—al is -het dan maar als neef!« - -»Als broer, James. Als een lieven, edelen, dapperen broer.« - -Dan heft ze het bleek, beschreid gelaat tot hem op en drukt hij een kus -op de reine lippen. - - - - - - - -XXXIV - -DE WIL VAN MEVROUW VAN WALIËNHOVE. - - -In ’s landvoogds kabinet zijn drie heeren te zaâm: de -gouverneur-generaal, de vice-president, en de algemeene secretaris. -Sedert geruimen tijd heerscht om de groote tafel vol stukken en -besluiten een diepe stilte, en als eindelijk baron Van Waliënhove die -stilte verbreekt, draagt zijn bleek, vermoeid gelaat de uitdrukking van -den diepsten ernst, spreekt hij zeer langzaam, als woog hij ieder -woord, maar ook vastberaden, als iemand die meester is van den -toestand. - -»Mag ik u herinneren dat ik uw oordeel gevraagd heb, mijnheer Hagen?« -zegt hij beleefd. - -»Excellentie!«—de vice-president is in hooge mate zenuwachtig—»duid mij -niet ten kwade dat ik zoolang aarzelde het uit te brengen... ’t besluit -dat u nemen wilt is zoo gewichtig in de gevolgen...« - -»Laat u dit niet weerhouden. Het heeft mij altijd een lafheid geschenen -om bij belangrijke beslissingen de verantwoordelijkheid op vreemde -schouders te willen laden; daarom vroeg ik in deze uw meening, niet uw -raad. Bedenk dit en spreek ronduit.« - -De vice-president ziet geen uitweg. Hij neemt het lijvig dossier, dat -voor hem op tafel ligt in handen en verwenscht—voor de honderdste maal -wellicht—de betrekking, die hem dwingt in zulke moeielijke -aangelegenheden zijn opinie te zeggen. Om zich een weinig van het -gewicht en de zekerheid te geven, die hem zoozeer ontbreken, neemt hij -deftiger houding aan, kucht eens en begint alsof hij het woord richtte -tot een vergadering van minstens tien personen: »Excellentie! De -kennisname van de uiterst épineuse zaak, welke wij in dit oogenblik -behandelen, heeft op mij een ongewoon pijnlijken indruk gemaakt, dubbel -zoo, omdat het resultaat waartoe de hooge regeering gemeend heeft te -moeten komen, mij toeschijnt een miskenning te zijn des persoons van -den vertegenwoordiger des konings in deze gewesten. Mijn -oorspronkelijke meening was dan ook, dat Uwer Excellentie niets te doen -overig bleef dan het bevel door het opperbestuur gegeven ten uitvoer te -leggen en uwe demissie te vragen.« - -De gouverneur-generaal buigt even het hoofd. - -»Maar ik ben,« en Hagen laat even onverwacht als hij haar aannam den -officieelen toon varen, »maar ik ben na rijpe overweging tot andere -gedachten gekomen. In iedere ambtelijke loopbaan doen zich oogenblikken -voor, waarin billijke verontwaardiging onderdrukt, eigen wenschen -verloochend, ja zelfs persoonlijke meeningen opgeofferd moeten worden -aan het algemeen belang; ik vraag me af, of misschien in de loopbaan -van Uwe Excellentie dit oogenblik niet is aangebroken; ik vraag me af, -of Indië al weder mag worden opgeofferd aan het drijven eener partij in -Nederland. U weet, Excellentie, vleierij is mij vreemd, maar, ik kan -het in een oogenblik als dit niet verzwijgen, ik heb de innige -overtuiging dat het hier de welvaart, den vooruitgang, het rechtvaardig -bestuur van millioenen geldt en—in naam dier millioenen zou ik u willen -vragen, verdraag het onmogelijke en blijf!« - -»Dit verzoek—van uwe lippen een hulde—geeft me recht tot een vraag. -Gelooft u, mijnheer Hagen, dat deze millioenen nut zullen trekken van -mijn bestuur, wanneer dat bestuur krachteloos gemaakt wordt door -regeeringsbesluiten als dat hetwelk daar voor u ligt? Gelooft u niet, -dat de weinige samenwerking tusschen het tegenwoordig ministerie en mij -noodzakelijk conflicten ten gevolge moet hebben, die niet anders dan in -het nadeel van Indië kunnen werken? Hebt u niet met mij de overtuiging -dat een bestuur, welk ook—in zich zelf verdeeld—daardoor reeds -onvruchtbaar is?« - -»Het ministerie kan vallen.« - -»Wat u daar zegt is voldoende antwoord op mijn vraag; het bewijst dat u -met dit ministerie weinig vertrouwen hebt in de goede gevolgen van mijn -aanblijven. Welnu, we weten het; dit ministerie valt niet in den -eersten tijd.« - -Zich thans keerend tot den algemeen en secretaris, gaat de heer Van -Waliënhove voort: »Zou ik ook uwe meening mogen vernemen, mijnheer -Verschuere?« - -Hoewel hij meer dan iemand het aftreden zou betreuren van dezen -beminlijken chef, wien het een genot was te dienen, is Verschuere -volkomen meester van zijn gevoelens en spreekt hij op den kalmen, -zakelijken toon, dien hij bij een advies over de meest gewone kwestie -zou aanslaan: - -»De heer Hagen heeft daar een woord gebruikt, dat ik alleen behoef te -herhalen om Uwe Excellentie mijn meening te zeggen; het onmogelijke. -Wat van Uwe Excellentie gevraagd wordt is het onmogelijke. Het is de -verloochening van alles wat u in deze jaren hebt gedaan, gedacht, -gewild; de vernietiging van geheel uw politiek leven. Evenals de heer -Hagen ben ik diep doordrongen van het feit, dat Indië door uw heengaan -een zwaar verlies zou lijden, maar in mijn oog is de naam door een -lange reeks van voorvaderen met eere gedragen, de naam door verleden en -toekomst behoorend aan de geschiedenis, een zeer kostbaar bezit en...« - -»Ga voort, mijnheer Verschuere.« - -»Naar mijn bescheiden meening zou het aanblijven van Uwe Excellentie na -zulk een bevel een zwakheid zijn, een inconsequentie zóó groot, dat ze -op dien naam een smet kon werpen. En dit—het moet me van het hart—zou, -indien ik baron Van Waliënhove was, mij zelfs Indië niet waard zijn.« - -Er volgt een oogenblik van stilte. Dan spreekt de landvoogd misschien -iets zachter, iets meer ontroerd dan daareven: »Ik dank u mijne -heeren.« En straks, na een veel langere pauze: »U hebt beiden zeer -waardeerend gesproken over het voordeel dat Indië zou trekken uit mijn -aanblijven... Behoef ik het te zeggen aan de ambtenaren, die het meest -van nabij mijn streven hebben gezien en—ik erken het dankbaar—me daarin -trouw bijgestaan, behoef ik het hun te zeggen dat deze gedachte mij -zwaren strijd baart? U beiden weet het, beter nog dan anderen, dit land -is me lief, te liever wellicht omdat het me zooveel zorg en -hoofdbrekens kostte: immers men zegt dat de moeders het meest hangen -aan haar hulpbehoevende kinderen.« - -»’t Kan u een troost zijn dat u er zooveel voor deedt,« zegt -Verschuere. - -»O, niet genoeg, niet genoeg! Drie en een half jaar is een korte -tijd... een menschenleven zou ternauwernood voldoende zijn om al mijn -plannen ten uitvoer te leggen. Maar laat ons er niet van spreken... ik -heb geen reden van klagen, ik ben altijd krachtig gesteund door mijn -vriend, uw oom... Hoe goed begrijp ik nu de sombere, bijna moedelooze -stemming, waarin mijn voorganger me het bestuur overgaf... ’t is zoo -hard een werk half afgedaan te moeten laten. Maar we mogen ons niet -verdiepen in hetgeen had kunnen zijn; laten we denken aan hetgeen wezen -moet. U begrijpt, mijn besluit is genomen, ik wensch nog heden het -bevel mij gegeven ten uitvoer te leggen, maar, alvorens daartoe over te -gaan, het telegram te verzenden, waarbij ik Zijne Majesteit verzoek mij -van mijn ambt te willen ontslaan?« - -»Uw besluit is dus onherroepelijk?« - -»Onherroepelijk!« - -De gouverneur-generaal ziet in de trouwe oogen van den vice-president -een traan, ziet groote bekommernis op Verschuere’s gelaat en met zijn -weemoedig glimlachje treedt hij op hen toe en drukt hen de hand. - -»Later, in de Witte, onder een partijtje, denken we nog eens aan dezen -morgen. Ik mag immers op u rekenen als partners?« Maar dan laat hij den -schertsenden toon varen en zegt met die diepe stem, die hem, in -oogenblikken van aandoening zoo welsprekend maakt: »Dat we als vrienden -op elkaar kunnen rekenen, weten we.« - - - -Een uur later is alles geregeld en vertrekken de beide ambtenaren. Dan -staat de heer Van Waliënhove een oogenblik onbewegelijk, alsof hij -aarzelde de taak, die hij op zich nam, te volbrengen; hij zinkt -lusteloos, strijdensmoe terug in zijn leunstoel. Peinzend drukt hij de -handen tegen het voorhoofd en zucht. Doch straks, met een krachtige -beweging, strijkt hij de grijze lokken weg, richt zich op in zijn volle -lengte en gaat met vasten tred naar dien kant der breede vestibule, -waar mevrouw Van Waliënhove’s vertrekken zijn. - -Hij wacht met de kruk der deur in de hand. Hoort hij daar niet -Clotilde’s stem?... Gelukkig toeval, dat hem een pijnlijk tête a tête -gaat besparen! - -Zooals blijkt uit het feit dat Clotilde de morgenuren in het zitvertrek -harer moeder doorbrengt, is de verhouding tusschen de beide dames -sedert het uitstapje naar Tjipanas en Van Beevelants afwezigheid -verbeterd: wel spreekt mevrouw, als van iets dat lang voorbij is, over -»die dwaze historie met het schoolmeestertje«, maar Clotilde is sterk -door het geluk, en dankbaar voor de groote liefde haars vaders, bewaart -ze om zijnentwil den vrede; ondertusschen borduren ze te zamen een -scherm voor de fancy-fair, die men op Batavia ten voordeele der -weesinrichtingen gaat houden. - -Mevrouw begroet haar echtgenoot met een verwonderden blik: ze is niet -gewoon ochtendbezoeken van hem te ontvangen; Clotilde gaat hem -tegemoet, strijkt hem zacht met de hand over zijn gelaat, als kon ze de -diepe rimpels wegvagen en schuift dan een lage fauteuil naar het kleine -tafeltje, waaraan zij en haar moeder gezeten waren bij zijn -binnentreden. - -»Leg je werk even weg, Suzanne, wil je?« vraagt hij op den beleefden -toon, dien hij altijd jegens zijn vrouw in acht neemt; »ik wenschte je -een mededeeling te doen.« - -»Clotilde, je papa wil me spreken.« - -»Neen,« valt hij haastig in, »laat haar blijven.« - -»Dan zal de mededeeling ook zoo heel belangrijk niet zijn,« en mevrouw -legt het satijn, dat ze juist begon op te vouwen, weer voor zich open. - -»Ga zitten, Clotilde... Ik ben hier gekomen om mijn vrouw en dochter te -zeggen, wat ze het recht hebben vóór iemand anders te weten: dat er een -groote verandering gaat plaats vinden in onze omstandigheden.« - -»Een verandering? En welke, als ik vragen mag?« - -»Ik zou alvorens verder te gaan je wel een verzoek willen doen. Je zult -onaangenaam getroffen zijn, vrees ik. Als je kunt, spaar me dan een -weinig. Bedenk dat ik zeer moe ben, dat dit besluit me ontzaglijk veel -heeft gekost. Ik heb daareven een telegram verzonden. Met dat telegram -verzoek ik mijn ontslag.« - -»Je ontslag?« - -»O, papa!« - -»Je ontslag? Neen, dat is onmogelijk! Je ontslag!« - -»Lieve, beproef bedaard te blijven. Beproef de zaak te beschouwen in -het ware licht. Als je weet wat me er toe bracht mijn demissie te -nemen, wat me dwingt heen te gaan, zul je me toestemmen dat ik niet -anders handelen kon, niet anders handelen mocht.« - -»Nooit! Nooit!« - -»Luister dan toch, Suzanne! Als je alles gehoord hebt...« - -»Neen,« gilt ze, »ik wil er niet van hooren. Ik weet dat het -krankzinnigheid is. En al praat je een uur lang, het blijft -krankzinnigheid. Ja, het krankzinnigste wat je nog gedaan hebt in je -leven. En dat zegt iets!« - -Vreeselijk is dat anders in zijn regelmatigheid schoon gelaat -vertrokken, vreeselijk de schelle klank dier stem, vreeselijk de -stekende uitdrukking dier zwartglinsterende oogen. - -»Mama! O mama, ik bid u, bedaar!« - -»Vrouw, in Godsnaam, laat het genoeg zijn. Dit bericht kan je niet zoo -geheel onverwacht komen. Je herinnert je, wat ik je gezegd heb, toen de -begrooting werd afgestemd? Hoe we ons moesten vertrouwd maken met het -denkbeeld, dat mijn aanblijven een kwestie van maanden kon zijn. Je -weet wat in den laatsten tijd gedaan is om me het bestuur moeilijk te -maken. Nu heeft men mij een slag in het aangezicht gegeven...« - -»Och kom, ’t zal zoo erg niet zijn. Je bent ook zoo gevoelig!« - -»Wat! Niet erg?... Men wil dat ik herroepen zal, wat een mijner eerste -en ingrijpendste regeeringsdaden was!« - -»Welnu, dan herroep je.« - -»Dat ik te niet zal doen wat, volgens mijne innige overtuiging, het -eenig middel is om Indië’s achteruitgang...« - -»Welnu, dan doe je te niet!« - -»Maar Suzanne, bedenk toch wat je zegt... dat zou een laagheid wezen.« - -»Beter een laagheid dan een domheid!« - -»O God!« Hij kermt als van pijn. Hij weet hoe verachtelijk ze denkt, -hoe laag ze staat. En toch, bij ieder nieuw bewijs er van lijdt hij. - -Clotilde, bleek van verontwaardiging, keert zich tot haar. »O, ik dank -God, dat u mijn moeder niet zijt!« En dan: »Papa, u weet het, niet -waar? ik ben het niet met mama eens! Ik ben uw kind... ik stel de eer -boven het voordeel!« - -»Domme eend,« roept mevrouw, buiten zich zelve over die inmenging, -»begrijp je dan niet, dat het je eigen nadeel is waarvoor je pleit? Het -zal je duur te staan komen, als je je vader steunt in zijn Don -Quichotterie! Jullie praat van laagheid. Maar ik vraag je, is, wat je -nu doen wilt, je kinderen benadeelen, is dat zoo edel? Ja zeker, dat -doe je, je benadeelt je kinderen! Zij zullen je later vragen waarom je -de honderdduizenden, die hier voor je klaar liggen, niet liever hebt -verdiend dan in Holland lui en lekker te gaan leven van je vrouws -geld!« - -Met hijgende borst en vlammenden blik is Clotilde opgesprongen als om -zich te stellen tusschen haar vader en de furie, die hem zoo grievend -hoonen durft. Een oogenblik brengt die onwillekeurige beweging harer -stiefdochter mevrouw Van Waliënhove tot zwijgen, een oogenblik slechts; -dan barst ze op nieuw los in de laagste en domste verwijten. Maar ze -deren haar echtgenoot niet meer, ze deren hem zoomin als de storm ons -deert, wanneer wij in een goed gesloten huis zijn vlagen hooren loeien; -zijn kind heeft de armen geslagen om zijn hals en fluistert woorden van -sympathie en waardeering. - -Eindelijk heft hij het hoofd op, de beleedigster ziet hem in de oogen, -en ze weet dat ze te ver gegaan is. - -»Is u gereed, mevrouw Van Waliënhove? Wat mij betreft, na alles wat u -gezegd hebt, heb ik niets meer te zeggen. Alleen wensch ik enkele zaken -te regelen met het oog op ons vertrek. De eerste maatregel, die genomen -moet worden, is het publiek maken van Clotilde’s engagement. Dit zal -reeds morgen plaats vinden.« - -»Papa! Is het mogelijk!« - -»Clotilde’s engagement? Is Clotilde geëngageerd? En met wien als ik -vragen mag?« Dan, als ze het stralend gelaat harer stiefdochter heeft -gezien, roept ze hoonend: »Met het schoolmeestertje, wil ik wedden?« en -barst uit in een schaterlach, die aan de hel doet denken. - -»Ja,« spreekt de gouverneur-generaal rustig, »met het schoolmeestertje. -Maar je zult nu zijn titel moeten veranderen en hem »het -adjunct-inspecteurtje« noemen. Ik heb hem bij financiën geplaatst, -Clotilde, en ik twijfel niet of met zijn capaciteiten zal hij daar een -mooie carrière maken. Is het naar je zin?« - -»O lieve, beste papa! hoe zal ik u genoeg danken?« - -»Kom, ga met me mede... we hebben veel te bepraten, van avond staat -zijn benoeming in de courant en—morgen komt hij zijn bruidje -begroeten.« - -Maar de stiefmoeder treedt hen in den weg. - -»Ik wil het niet!« hijgt ze; »ik wil het niet!« - -»Ik wil het!« - -Ze deinst terug. Eenige weinige malen in hun huwelijksleven heeft hij -haar aangezien met dien blik, heeft hij tot haar gesproken op dien -toon; ze weet dat er dan niets te veranderen is aan zijn -onverzettelijken wil. - - - - - - - -XXXV - -DE LAATSTE DAGEN. - - -Gouverneur-generaal terwijl de opvolger reeds benoemd is; grootheid -gevallen, lang voor hij—als andere gevallen grootheden—verdwijnen kan -in het niet van het ambteloos leven; heerscher over een land, hem reeds -vreemd geworden door de zekerheid dat hij het binnen enkele maanden -gaat verlaten; meester over dienaren die ongeduldig uitzien naar het -oogenblik waarop ze hem een haastigen afscheidsgroet, den nieuwen -landvoogd een juichend welkom zullen toeroepen... ’t is misschien de -moeilijkste toestand, waarin een hooggeplaatst ambtenaar, de -pijnlijkste, waarin een man van gevoel komen kan. - -Den heer Van Waliënhove werd deze toestand niet aangenamer gemaakt door -de gedachte aan den man, die na hem den troon van Buitenzorg zou -beklimmen. ’t Was een der grootste tegenstanders geweest van het -afgetreden kabinet, ja, hij had zich, sinds hij zitting nam in de -Tweede Kamer, doen kennen niet slechts als de politieke bestrijder, -maar als persoonlijke vijand van den heer Verschuere, den nu gevallen -minister. - -Betrekkelijk jong, lid eener invloedrijke familie, bezitter van een -groot fortuin, kon hij, schoon iemand van weinig studie en nog minder -ernst, de aandacht op zich vestigen door dit ongewoon verschijnsel in -’s lands vergaderzalen: een geestige, dikwerf scherpe repliek en een -schitterende welsprekendheid. - -Die macht over het woord, een kort verblijf in de koloniën en het -tijdelijk de overhand hebben der partij, waarvan een ander de ziel, hij -de woordvoerder was, werd zoo handig geëxploiteerd, dat men hem koos -tot een der zwaarste en gewichtigste betrekkingen in ons staatsbestuur, -koos tot verbazing van Indië en Nederland beide. - -De berichten dat de gouverneur-generaal zijn ontslag gevraagd had, dat -het was aangenomen, dat de benoeming van zijn opvolger was gedaan, wie -die opvolger was, volgden elkander in een zeer kort tijdsverloop; de -heer Van Waliënhove wist te goed wat de wereld is, had ook in zijn -vroegere diplomatieke loopbaan te veel gezien, om niet te begrijpen wat -deze berichten moesten uitwerken op zijn omgeving; hij was den tijd der -illusies te boven, wijsgeerig genoeg om van de menschen niet meer te -verwachten dan ze geven kunnen, verheven boven kleine gevoeligheden, en -toch... - -O, men was onberispelijk in Buitenzorg en Batavia. Eerbiedig voor Zijn -Excellentie, hoffelijk voor mevrouw, lief voor Clotilde—ook na het -publiek worden van het engagement, dat trouwens een maand geleden -ongeloofelijk genoemd, nu alleen vrij dwaas gevonden werd—vriendelijk -zelfs voor de jonkers, met dit onderscheid dat wat tot nu toe -guitenstukjes heetten, op eens kwade streken werden. - -Toch... om de lippen van den landvoogd kwam een weemoedig lachje -spelen... het eenig uiterlijk teeken van de pijnlijke operatie, die de -best voorbereiden, de best gewapenden, onder ons moeten ondergaan als -de fortuin ons den rug toekeert, het uitrukken der plant, die we -langzamerhand knoppen en bladeren hadden afgeslagen en haast dood -waanden, maar waarvan nu de wortels blijken te zijn gedrongen tot op -den bodem onzer ziel! - -Men bezocht de recepties nog trouw, alleen... scheen het vroeger een -onderscheiding ten paleize te mogen verschijnen, nu had het er iets -van, alsof men den landvoogd een genoegen deed met te komen; men boog -nog even diep; men gaf hem nog alle eer... alleen op een andere wijze; -de heer Van Waliënhove verbloemde het zich niet—hij bestond niet meer -voor Indië, hij was nog slechts gouverneur-generaal in naam, de -werkelijke gouverneur-generaal was aan boord van de Radboud. - -Ieder sprak over hem, ieder wist wat van hem te vertellen, en voor wie -zou durven beweren dat er kwaad gesproken wordt in onze indische -gezelschappen, ware het beschamend geweest te hooren hoeveel goeds ze -wisten, hoe waardeerend, hoe vol lof men was; waar een enkele het -waagde op minder gunstige maar onloochenbare feiten te wijzen, hoe -ijverig men daar zocht naar verontschuldigingen! - -’t Was zoo genoegelijk dat men dezen keer niets behoefde te herroepen -of ongezegd te maken; niemand had gedacht aan de mogelijkheid eener -benoeming als deze, dus ook niet beproefd om, volgens gewoonte, de -ongeschiktheid van den candidaat te bewijzen. Dus kon men het onderwerp -vrij en naar verkiezing behandelen, bijzonderheden ter tafel brengen, -allerlei berichten opvangen, versieren en verspreiden naar hartelust. -Deze was bevriend met zijn oudtante en had van haar gehoord, dat hij -als kind geen andere boterhammen wilde eten dan boterhammen met -stroop—wat de suikerplanters een riem onder het hart bond; gene noemde -den burgemeester van zijn dorp oom en herinnerde zich op eens, hoe deze -hem had geroemd als de ijverige president van het liefhebberij-tooneel: -»In liefde bloeiende« en het letterkundig gezelschap: »Joost van den -Vondel«, wat d’Hannecour sprakeloos maakte van ontzetting; een derde -kende de baker, die hem eenmaal bakerde—die baker, van nu af -belangwekkend, was »de moeder van de meid van mama, moet u weten«, ze -leefde van haar renten in den Haag, heel netjes, en zij had verteld, -dat hij met één jaar liep als een haas en praatte als een dominé, wat -de moeders niet dikwerf genoeg hooren konden: immers ze hadden thuis -een dergelijk phenomeen, dat dus mettertijd ook gouverneur-generaal kon -worden. - -De nieuwe landvoogd moest veel geleerd hebben, te oordeelen naar het -aantal dergenen die »jaren lang met hem op de schoolbanken hadden -gezeten«, en lang gestudeerd, in aanmerking genomen met hoevelen hij -»student geweest« was. Ook zijn zuster—hij had er ongelukkig maar eene, -en daar men niets mocht doen dan prijzen, was men daarover spoedig -uitgepraat—ook zijn zuster, die lieve geestige, beeldschoone vrouw, -scheen een ongewoon bekend persoon. Van zijn mama scheen men niets -anders te weten dan dat ze gravin was: over dat gravinschap raakte men -niet uitgepraat; ’t was dan ook een veilig onderwerp; alleen in zeer -intiemen kring sprak men van haar bekende schoonheid, haar veelbewogen -leven en haar vroegen, romantischen dood. Daarentegen vertelde men -gaarne van den vader: die scheen zijn geheele leven niet anders gedaan -te hebben dan zich intieme vrienden maken en daartoe bij voorkeur »den -ouwen heer« van alle mogelijke menschen op Java te hebben gekozen. - -In ’t bijzonder bleken de dames ingenomen met de keuze van den nieuwen -onderkoning. Hij was rijk, niet waar? Zou deze dan nu eindelijk eens, -zooals het behoort, royaal zijn geheele inkomen verteren? Och, wat dit -betreft, heeft men zich niet te beklagen over de Van Waliënhove’s: ze -hebben veel gedaan, maar enfin, men zegt toch dat hij twee ton heeft -overgespaard, een die niets overspaart, een die alles besteedt aan -feesten en luxe, een die alles doet voor het behoud van het prestige, -dat is wat men noodig heeft! - -En—nog jong. Dus het is uit met het rijk der deftige oudere dames. -Mevrouw Hagen cum suis kunnen haar matten wel oprollen. O, natuurlijk, -’t was heel prettig, zoo fatsoenlijk, zoo innig europeesch als de toon -werd in de laatste jaren, maar ’t zou ook wel aardig—zeker amusanter -ten minste—wezen, nu weer eens iemand te krijgen, die niet geheel -ongevoelig was voor... enfin voor zooveel dat de heer Van Waliënhove -niet scheen te zien... Jonge vrouwen beloofden zich gouden bergen van -de promotie, die manlief maken zou, schreven naar Parijs om nieuwe -toiletten en sneden, in afwachting dat die kwamen, haar oude een -vingerbreed lager uit voor de groote ontvangstreceptie. - -En ongehuwd! Is het wonder dat moeders ter nauwernood het oogenblik -konden afwachten dat deze, van wien ze niets te hopen hadden, zou -plaats maken voor dien ander, die de hoogste eer, het grootste geluk -nog had weg te schenken? - -Er waren onder de mannen velen, die deze opgewondenheid hunner vrouwen -en dochters niet deelden, die den nieuwen landvoogd, het creatuur eener -gehate richting, ongaarne zagen komen, die den aftredende hoog achtten -en beklaagden als het slachtoffer van staatkundige verwikkelingen, maar -deze zwegen... Men heeft vrouw en kinderen... men moet vooruitkomen; -nog een, zoo mogelijk nog twee rangen klimmen. Later, als men eenmaal -pensioen heeft, als men in Holland is, ja, dan zal men zeggen hoe men -denkt over dit en over zooveel meer. - -Intusschen wordt het leeg en stil en vreemd rondom den onderkoning van -het Smaragden-eiland; zóó leeg en stil en vreemd, dat twee jonge harten -het kloppen van teederheid en verlangen bedwongen en op zijn vraag of -de groote dag nu niet spoedig wezen zou, antwoordden: »O neen, nog lang -niet; we blijven bij u zoo lang we kunnen!« - -Hem was zulk een blijk van liefde vergoeding voor veel bitters; maar -wat kon de vrouw, die haar geluk zocht in eer en aanzien, die geen -vrienden had gewenscht, maar dienaren, geen genegenheid, maar -onderwerping, wat kon haar verzoenen met den nieuwen, ondragelijken -toestand. In machtelooze woede zag ze zich alles wat ze begeerd had -ontglippen. - -Maar hoe men rondom haar veranderen mocht, zij bleef zich volkomen -gelijk, zij gaf geen duimbreed toe, zij was en bleef, meer dan ooit te -voren zelfs, de njonnja besaar. - -In één opzicht alleen veranderde ze. Niemand mocht het vermoeden, voor -niets ter wereld zou ze het bekend hebben, maar ’t bleef niettemin een -feit—de omstandigheden hadden haar bijna met het huwelijk harer dochter -kunnen verzoenen. - -Hier, waar ze een paleis te harer beschikking heeft en altijd door -vreemden is omringd, hier was dit kind uit het eerste huwelijk haar -reeds een bron van ergernis. Wat zou het dan niet zijn in de -betrekkelijk kleine ruimte eener hollandsche woning, in de beslotenheid -van den huiselijken kring! En wie stond haar borg, dat de veelbegeerde -dochter van den gouverneur-generaal ook dan en daar aanzoek zou krijgen -of ten minste een aanzoek, dat voldeed aan Clotilde’s wonderlijke -eischen? En al ware dit het geval, het werd tijd, meer dan tijd dat de -echtgenoot zich onttrok aan den invloed der vóórdochter, dat hij zich -wijden ging aan zijn zonen, de zonen, die erfgenaam zouden worden van -zijn ouden naam, van haar groot fortuin. - -Slechts een tiental dagen voor het vertrek der familie naar Batavia zal -het huwelijk worden voltrokken en de barones wil het vieren met alle -pracht en praal. Niet omdat ze er eenige sympathie voor gevoelt;—als de -zalige verrukking der verloofden verstoord had kunnen worden, dan ware -ze het zeker door haar onvermoeide hatelijkheid;—maar om het publiek, -het publiek dat zich zoo ondankbaar toonde, te bewijzen dat, zoo het -menigmaal op schitterende wijze ontvangen werd in de -gouvernementshôtels, dit niet zoozeer was geweest om de gasten genoegen -te geven, dan omdat de heer en mevrouw Van Waliënhove het zich -verplicht achtten aan hun positie. - -En zoo werden dan voor de laatste maal de marmeren trappen herschapen -in bloem waranden, de ruime zalen in prieelen; zoo werd wat jong en -schoon en vroolijk was genoodigd, totdat het paleis een feeënverblijf -geleek, vol gezang en gelach, vol blonde sylphiden en witte kleedjes; -zoo ontving geheel Buitenzorg, half Batavia en een groot deel van de -Preanger invitatiekaarten voor het bal champêtre, dat bij het helderste -maanlicht op een open plek gegeven werd; zoo overtrof het diner bij -gelegenheid van den ondertrouw alle vroegere diners in verfijnde weelde -en smaakvolle verrassing. - -Wat mevrouw niet besteld, maar goede vrienden bedacht hadden, dit was -op den gewichtigen morgen het ontwaken der bruid door kinderstemmen. - -Ze zongen een eenvoudig lied, maar onder de driehonderd knapen en -meisjes was er geen, die Clotilde niet had te danken, ’t zij voor een -geschenk aan den kerstboom, ’t zij voor een zak lekkers met Sint -Nikolaas; voor een bemoedigend woord als ze de school bezocht of een -lief knikje bij het ontmoeten op straat, en toen ze verscheen op het -balkon, hieven al die ronde gezichtjes, al die stralende oogen zich -naar haar op met innige liefde. - -Ze stond naast hem dien ze heden zou verlaten: daareven ontving ze voor -het laatst den morgenkus van de lippen, die, zoolang ze zich -herinnerde, haar slechts kussen en groeten en goede woorden boden... -Hij had zijn arm geslagen om de bevende gestalte, hij zag haar aan -zooals slechts de minnaar of de vader staart in een lief gelaat, alsof -hij het wil opnemen in de diepste diepten zijner ziel; ze gevoelde dien -blik, maar durfde hem niet beantwoorden, want... het gezang stijgt tot -hen op met het innig aandoenlijke dat kinderstemmen hebben kunnen, en -in de gewijde stilte van den tropischen morgen komt de scheidingssmart -over haar. - -Toen het lied ten einde was—te spoedig voor die smartvolle -omhelzing—toen hij zich afwendde en zij het diepgebogen hoofd ophief om -de kleine zangers te danken, toen deed ze dat uit den grond van haar -hart: vader en dochter wisten het, ofschoon ze elkaar nog vaarwel -zouden zeggen in tegenwoordigheid van anderen, dit was het oogenblik -geweest waarop de zoo nauw vereende harten voor het laatst elkander -tegenklopten. En aan dit oogenblik hadden de lieve kinderstemmen zijn -vlijmendste smart ontnomen; dit oogenblik, door beiden zoozeer -gevreesd, zou, bij al het pijnlijke, in hun herinnering iets liefelijks -behouden: zuchten en snikken, ja, maar overstemt door engelenkoor. - -Op verlangen van bruid en bruidegom werd het huwelijk niet voltrokken -ten stadhuize, waar alles zoo herinnert aan de treurige waarheid dat de -verbintenis van twee wezens, door de heiligste wet der natuur tot -elkaar gebracht, in den loop der eeuwen een zaak werd door de wet -geregeld; evenmin in de kerk, waar de naakte wanden en het slecht -bespeelde orgel en de over het kiezel rollende rijtuigen alle -verheffing verstoren, maar in de woning, die getuige was van hun -strijd. En daar troonden ze te midden van bloeiende oranjeboomen en -blozende rozentuilen en geurige gewassen; daar troonden ze in de -aureool, die de liefde vlecht om de hoofden harer uitverkorenen; daar -troonden ze in de hemelsche zelf-genoegzaamheid van den eersten -huwelijksdag, een godenpaar gelijk. Al dat gedwarrel van -gelukwenschende gasten, al die glimlachende gezichten, al die vleiende -woorden, ze bestonden niet voor hen, ze zochten slechts elkaars oogen, -ze drukten slechts elkaars handen, ze smachtten slechts naar de -ontmoeting van elkaars lippen; ze vermoedden het niet hoe de gloed, die -lichtte uit hun oog, menig verkild hart verwarmde; ze vermoedden het -niet hoe de glans, die uitging van hun jeugd en schoonheid, hen hulde -in een stralenkrans van sympathie; ze vermoedden het niet hoe, toen de -prediker het amen uitsprak, de bevallige bruid over den ernstigen -bruidegom zooveel had uitgestort van de wondermacht der liefde, dat er -in geheel dit groote gezelschap niet één was, die haar keuze durfde -afkeuren; ze vermoedde het niet hoe in dit oogenblik de man op de -Radboud vergeten was, om slechts de dochter der Van Waliënhove’s, die -zonnestraal van het paleis te zien, om slechts mede te gevoelen met dat -bleek gelaat aan hare zijde, met die edele figuur, meer dan door de -politieke moeielijkheden, meer dan door huiselijke bezwaren, gebogen, -geknakt bijna door de smart der scheiding. - -Neen, ze vermoedden het niet, maar wat deed het er toe? Halfgoden als -ze waren door de liefde, konden de menschen niets toe- of afdoen aan -hun geluk. Hun verbintenis mocht de wereld rondom hen een gruwel zijn, -er mocht een hoongelach opstijgen uit die menigte, zij stonden tusschen -de bloeiende oranjeboomen en blozende rozentuilen zóó hoog dat het hen -niet bereiken kon... Toen de avondzon roodgloeiend weerkaatst werd in -het metaal van den extratrein die hen wegvoerde, en een heerlijken -glans tooverde om de zoo dicht vereende gestalten, toen wisten ze ter -nauwernood, dat daar al die menschen achterbleven om feest te vieren te -hunner eere; ze wisten alleen dat zij slechts elkander behoefden voor -het hoogste en heerlijkste feest, het feest der liefde. - - - - - - - -XXXVI - -GEPASSEERD. - - -De residentie, de hoofdstad, ja, voor zoover de ambtelijke wereld -betreft, de kolonie is vervuld van het nieuws dat als »on dit« reeds de -ronde deed in de dagbladen, maar nu door officieele berichten een feit -werd: de vice-president van den raad van Indië gaat met verlof. - -Men weet de reden. Maar de voorzichtigheid brengt mede zich te houden, -alsof men geloof slaat aan het gerucht dat de heer Hagen, plotseling -ongesteld geworden, een koeler klimaat moet opzoeken. Men weet de reden -en men billijkt die; immers, iemand op zijn leeftijd, iemand die bogen -kan op zijn verleden, iemand van zijn fortuin vooral, behoeft niet te -verdragen wat andere ambtenaren met minder gelukkige antecedenten -verplicht zijn zich te laten welgevallen. - -»Kon ik zijn voorbeeld maar volgen!« - -Aldus velen, aldus ook Verschuere, wanneer hij, lusteloos achterover -geleund in zijn stoel, met Agnita de opzienbarende gebeurtenis -bespreekt. - -Zij zwijgt; onder heftig dampen laat hij zijn weinig vroolijke -gedachten den loop, tot hij eensklaps opspringt met den uitroep »God, -ja! als ik zijn voorbeeld volgen kon!« - -Een straal van hoop komt haar bewolkt gelaat verhelderen. - -»En waarom zou je niet kunnen?« vraagt ze haastig. »Waarom zou je het -niet doen?« herhaalt ze en treedt hem op zijde en houdt hem bij in zijn -gejaagde wandeling. - -»Waarom ik het niet zou kunnen?« Hij staat stil in het midden van de -voorgalerij, om haar knorrig, toornig bijna aan te zien. »Waarom ik het -niet zou doen? Nu? Met verlof gaan? Nu? Wat ik je bidden mag, Nita, doe -zulke imbécile vragen niet! Ze brengen me nog meer uit mijn humeur -dan... al het andere!« - -Langzaam gaat ze terug naar haar plaats. - -»Begrijp je dan niet, kind,« vraagt hij straks vriendelijker, »begrijp -je niet, dat als de vice-president weggaat, hij waarschijnlijk wordt -opgevolgd door een lid van den raad!« - -»Ja. En dan komt er een plaats open.« - -»En ’t is de gewone loop van zaken, dat wanneer er een plaats open -komt, de algemeene secretaris die vervult.« - -»Maar je waart het nog zoo kort. En heb je me niet gezegd, dat deze -keer een resident van de Buitenbezittingen aan de beurt was? Was er ook -geen sprake van, een militair lid te brengen in den raad?« - -»Dat is reeds zoo lang!« - -»Ik vrees dat de gouverneur-generaal je niet zal willen missen, De -handen staan hem nog zoo verkeerd.« - -»Dat zou je hem niet moeten zeggen,« roept hij schamper lachend. - -»Nu ja. Maar we weten het toch... ’t zou niet best gaan met een nieuwen -secretaris, die zich ook nog overal moest inwerken, geloof je wel?« - -»Dat is zijn zaak. Daar laat ik me niet aan opofferen.« - -Weer volgt een lange stilte, slechts afgebroken door het geluid zijner -voetstappen op den marmeren vloer; dan, als mevrouw Verschuere meent -dat het gezicht, in den laatsten tijd zoo zorgvuldig bestudeerd, wat -minder boos staat, komt ze hem wederom op zij en steekt haar hand door -zijn arm. - -»’t Kon heerlijk zijn, Gus. ’t Is waar, ’t zal me aan het hart gaan -Buitenzorg te verlaten...« - -»Och, wat is een plaats nog, als de goede vrienden weg zijn?« - -»Dat is zoo. En je zoudt zoo’n gemakkelijk leventje hebben in -vergelijking van nu. Maar ’t is toch, geloof ik, beter dat we er ons -nog niet te veel op verheugen.« - -»En waarom? Heb ik den prijs niet verdiend? Me dunkt, ik heb er recht -op.« - -Ze glimlacht even. »Niet de ijverigste leerlingen worden het best -beloond. Als je oom nog de prijzen uitdeelde...« - -»Mijn oom! Mijn oom! God, Nita, begin je ook al mee te schreeuwen met -den grooten hoop? Moet ik het nu van mijn eigen vrouw hooren?« - -»Wat toch, lieve?« vraagt ze ontsteld door dien toon. - -»Wel, dat ik niets ben, niets kan, niets beteeken zonder mijn oom? Ik -zeg je eens en voor altijd, Nita dat ik het niet hooren wil! Het -verveelt me. Ik vind het ondragelijk, dat die »oom de minister« altijd -wordt genoemd als de macht die te beslissen heeft over mijn toekomst. -Ik ben zelf die macht. Zelf, versta je me?« - -Mevrouw Verschuere antwoordt niet; ze weet niet recht hoe te -antwoorden, als ze wordt toegesproken op een wijze als deze; het valt -haar nog altijd vreemd, hoewel het niet de eerste maal is... O neen, in -de laatste maanden, in de laatste weken vooral, heeft ze kunnen leeren -zich te gewennen aan toornige, harde woorden. Ze neemt haar handwerkje -op, terwijl haar man met brommend geluid een plotseling einde maakt aan -zijn wandeling en zich in den luierstoel werpt, maar de fijne vingers -beven te zeer dan dat ze er mede kan voortgaan, en met een steelschen -blik op het somber gelaat tegenover haar denkt ze terug aan den tijd, -die haar nu bijna gelukkig toeschijnt, toen hij thuis kwam; ook -vermoeid en afgemat, maar tevreden over de volbrachte dagtaak, voldaan -over de oplossing van een of ander moeilijk vraagstuk, verrukt over de -samenwerking met den landvoogd, die, zoo ze in meening verschilden, -gaarne van gedachten wisselde en nooit ongenegen was om, zoo noodig, -zijn opinie prijs te geven; naar den tijd toen hij, bij al zijn -drukten, toch steeds een vriendelijk woord voor haar vond, toen hij nog -beloven kon meer voor haar te worden, toen ze nog niet de treurige -zekerheid had, dat hij minder voor haar werd, steeds minder en minder. - -O, die belofte! Had hij haar nooit gegeven, de teleurstelling zou -minder groot geweest zijn! O, die onvergetelijke dagen in Tjipanas! Had -ze nooit het genot gekend van hem onverdeeld te bezitten, misschien was -het het haar dan nu niet zoo zwaar gevallen afstand van hem te doen. -Toch, elken dag beproeft ze met nieuwe krachtsinspanning, of ze niet -leeren kan zich te schikken... ze weet immers dat zijn knorrig humeur -slechts de reactie is van den dwang, dien hij zich moet opleggen in de -tegenwoordigheid des landvoogds; ze weet dat de andere dames ook haar -mannen van de secretarie thuis krijgen, zenuwachtig, overspannen, -prikkelbaar... Ze vermant zich ook nu, ze verzet zich tegen het -moedeloos gevoel dat zijn onvriendelijkheid altijd bij haar wekt en -spreekt bijna vroolijk: - -»Kom, manlief. Het is zoo’n heerlijke avond... laten we eens probeeren -of een wandeling ons geen goed zal doen... ik geloof dat we beiden wat -ontstemd zijn.« - -Hij geeft na een kleine aarzeling toe en weldra dwalen ze door de -eenzame lanen, arm in arm, langzaam, zachtjes sprekend, somtijds -zwijgend, zooals ze het gaarne doet; de sterrenhemel strooit zijn -gouden vonken over het glanzig groen en deelt het iets mede van zijn -tooverachtigen gloed. Wat Agnita had gehoopt geschiedde: in die -liefelijke omgeving, in die bedarende stilte week Verschuere’s -geestelijke vermoeidheid; het oog gericht op de blauwe lucht, vergat -hij de grieven die hem daareven vervulden. - -Met de zusterlijke teederheid, die bij lieve vrouwen zulk een wijding -geeft aan den echt, leidt Nita nu zijn gedachten in vriendelijke -richting; wat zijn de Hagens veel voor hen geweest, zoolang ze het -voorrecht hadden hen te kennen; wat was mevrouw altijd hartelijk voor -haar en mijnheer vol lieve attenties... wat zullen ze hen missen. - -Langzaam gaan de vrienden en kennissen, die binnen een kort -tijdsverloop Buitenzorg verlieten, aan hun geest voorbij; Amalia, die -hen zoo dankbaar was en, dit herinnert het kleine vrouwtje zich niet -zonder trots, zooveel ernstiger, zooveel beter gestemd was toen ze van -haar afscheid nam om, gelouterd door geleden smart, een nieuw leven te -beginnen in het vaderland; Van Waliënhove, om in de hoop op zijn zonen -kracht te putten voor het verdragen der martelingen van zijn -huwelijksleven; Van Beevelant en Clotilde, om in de Palmenstad het -beste te vinden wat de wereld geeft; James om het oorlogsveld te zoeken -wat misschien na liefdesgeluk het beste is: vergetelheid in -plichtsbetrachting. - -En dicht aan elkaar geleund, opziende naar den avondhemel, komt over -hen dat weemoedig gevoel van veranderen en verdwijnen, van alleen -achterblijven; het treurig bewustzijn hoe alles slechts voor korten -tijd, slechts voorbijgaande is, de donkere schaduw op ons zonnig Indië, -maar die, Gode zij dank, hen wier bestaan verbonden werd door -onverbreekbare banden, steeds nauwer vereent, steeds inniger samenhecht -juist door het voorbijgaande van al het andere. - -Het is voor de heeren dagbladredacteurs altijd een buitenkansje wanneer -een hooge betrekking openvalt, maar van dit buitenkansje konden ze dan -al bizonder goed profiteeren. De benoeming bleef uit. Dit gaf -gelegenheid om nu eens dezen dan genen ambtenaar aan te wijzen als den -vermoedelijken vice-president, om, voor het geval van deze of gene -benoeming, de prachtigste combinaties uit te denken om de regeering -voor te lichten, haar te wijzen op het gevaar dat zulk een keuze, het -voordeel dat een andere keuze hebben zou; dit alles met een ijver en -een goeden wil, die bij andere koloniale aangelegenheden het bestuur -zeker ten goede zou zijn gekomen. - -Omtrent het nieuwe lid in den raad van Indië—voor het geval dat de -vice-president uit dat regeeringslichaam gekozen werd—twijfelden alleen -zij, die voor zich zelf of voor familie iets hoopten, de publieke -opinie hield vrij algemeen Verschuere voor den aangewezen persoon. Ook -maakte ze met de openhartigheid, die, in de couranten vooral, wel eens -tot onbescheidenheid overslaat, geen geheim van die overtuiging. Maar -met de macht die hij bezit over iederen trek van zijn gelaat, met de -kalmte die hem, waar hij zulks noodig acht, ieder woord doet wegen voor -hij het uitspreekt, wist de algemeene secretaris zelfs voor zijn naaste -omgeving te verbergen, wat hij van de zaak dacht. - -Alleen zijn vrouw wist hoe hij alle phasen van spanning doorliep, hoe -hij nu eens door een woord van den landvoogd schrikte of door een -bericht uit Batavia zich volkomen voelde gerustgesteld, dan weer door -een tijding uit Holland of een los daarheen geworpen woord van machtige -lippen meende alles te moeten vreezen, om eindelijk zich te voelen -overmeesteren door dien twijfel, die zonder dat men er een bepaalde -oorzaak voor zou kunnen noemen, aan den vooravond van belangrijke -gebeurtenissen ons hart kan komen binnensluipen. - -Het duurde zoo lang voor de zaak beslist werd, dat de dagbladen gingen -aantoonen hoe eigenlijk een vice-president onnoodig mocht heeten, daar -toch welbeschouwd de geheele raad van Indië alle recht van bestaan -miste. Dit onderwerp werd uitgeput; onmachtig om hierna nog veel nieuws -te zeggen, waren juist de redacties begonnen elkanders pretendenten af -te breken, toen er uitkomst kwam. - -Twee telegrammen. Het eerste hield in de benoeming tot ridder van den -Nederlandschen Leeuw van den directeur van onderwijs, eeredienst en -nijverheid, J. G. Heylerts. - -Het tweede benoemde tot vice-president in den raad van -Nederlandsch-Indië het lid in dien raad mr. L. B. F. V. van Sonnefelt. - -De onderscheiding den directeur te beurt gevallen, gelijkt, bewezen aan -iemand die in aanmerking zou kunnen komen voor pensioneering, op de -hulde die de vos de kraai brengt wanneer het stuk kaas moet vallen: de -heer Heylerts nam haar dan ook op met de stoïcijnsche kalmte, waartoe -een veelbewogen huwelijksleven sommige mannen brengt, terwijl mevrouw -haren »vriend« blikken toewierp gelijk aan die van het slachtoffer, -over wiens lijk de overwinnaar zijn victorie tegemoet snelt. - -Geen twee weken later bleek er eenige reden voor die weinig opgewonden -stemming in den huize Heylerts. - -De Javasche Courant, het officieel nieuwsblad, meldde in zijn rubriek: -Civiel departement: ontslagen: eervol, op verzoek, onder dankbetuiging -voor de diensten den lande bewezen, J. G. Heylerts, directeur van -onderwijs, eeredienst en nijverheid. - -Geen week later las men onder diezelfde rubriek: benoemd tot lid in den -raad van Indië D. de Bruining, hoofdambtenaar met verlof. - -Ware Gustaaf Verschuere een zwak man geweest, hij zou verlichting -gezocht hebben in schelden op de onrechtvaardigheid dezer benoeming, in -verkleinen van den benoemde, in dreigen zelfs met het vragen van verlof -of het nemen van zijn ontslag; hij zou troost hebben gevonden in de -sympathie zijner vrienden, vergetelheid in de teedere armen, die -verlangender dan ooit zich naar hem uitstrekken;—nu hij een sterk man -was, zweeg hij en glimlachte en roemde de bekwaamheid van het nieuwe -raadslid, zijn ouden vriend; nu lag er iets in zijn persoonlijkheid, -dat zijn vrienden dwong het betoon hunner deelneming te bepalen tot het -geven van iets hartelijker handdruk dan gewoonlijk; nu keerde hij zich -af van het gezichtje, naar hem opgeheven om hem te zeggen dat ze met en -voor hem voelde; nu wilde hij zelfs haar niet bekennen wat dit voor hem -was; nu koesterde hij met hoonenden lach de bitterheid, die in een -trotsch, nog nimmer vernederd hart gewekt wordt door teleurstelling. - - - - - - - -XXXVII - -HET LEED VAN EEN STERK MAN. - - -De nieuwe vice-president is geïnstalleerd, de oude naar Soekaboemi -vertrokken, om daar het oogenblik af te wachten dat in Holland de -winter voorbij en het seizoen meer voor verlofgangers geschikt zal -zijn; luitenant Van den Bosch werd overgeplaatst naar Atjeh; Gertrude -bleek er op gesteld hem te volgen, zoodat wanneer de Meimaand eenmaal -daar is, het den Hagens niet al te zwaar zal vallen Indië te verlaten. - -Wat is hun het mooie huis op het Koningsplein, nu ze geen dochter meer -hebben om het gezellig te maken; wat is hun de schoonzoon, nu hij van -de eene garnizoensplaats naar de andere zal worden gevoerd; wat -Batavia, nu een vreemde eerste luitenant met een vreemde jonge vrouw de -vriendelijke kampementswoning heeft betrokken? - -Tot directeur van onderwijs, eeredienst en nijverheid is, in plaats van -den armen ridder, die met stille trom, zijn vrouw en zijn leeuwtje -vertrok, de eerste gouvernements-secretaris Verdijk benoemd en -Buitenzorg heeft het wonderlijk feit zien gebeuren dat mevrouw Verdijk -in een vreeselijke onweersbui uitreed... ’t was om Zijn Excellentie te -bedanken. Deze benoeming heeft nog al ontevredenheid gewekt; men zag er -het bewijs in, dat voortaan minder rekening zou worden gehouden met -verdienste en recht dan met vrouw en invloed—en aan dezen nieuwen -toestand wilde de indische ambtenaarswereld zich maar niet zoo dadelijk -gewennen. - -Te bestemder tijd is ook het nieuwe lid in den raad van Indië uit -patria teruggekeerd en beëedigd. - -De uitnoodiging hun door hun oude vrienden, de Verschuere’s, gedaan om -eenigen tijd op Buitenzorg te komen doorbrengen, was uiterst welkom: de -heer en mevrouw De Bruining verlangden niets liever dan Buitenzorg -terug te zien, Buitenzorg, waar ze eenmaal gelukkig geweest zijn; -immers, ze beseften het toen nog niet, maar ze weten het nu: allen bij -elkaar te zijn, dat is geluk! - -Ze hebben hun vijf jongens moeten achterlaten... op uitmuntende -scholen, bij lieve familie, voor hun eigen bestwil, o ja! maar ze -hebben ze moeten achterlaten, en Daan is grijs als een oud man, en -wanneer Louise een jongen in een blauwe kiel en broek ziet, wendt ze -het hoofd af om niet uit te barsten in tranen. - -Ze willen op Buitenzorg zijn, om de plekjes te bezoeken waar de jongens -speelden, waar ze hun kattekwaad uitvoerden, waar ze zoo wild stoeien, -zoo levensgevaarlijk vechten konden, waar ze zoo ondeugend waren, -maar—fluistert de moeder—toch ook zoo lief... - -Indien het mogelijk ware dat een vrouw zich troostte over het -kinderloos blijven van haar echt, dan zou Agnita zich dezer dagen -vertroost gevoeld hebben bij het aanschouwen van dien aan waanzin -grenzenden angst, wanneer de mail moest aankomen; van die oogen vol -smartelijk verlangen, die over bergen en zeeën schenen te willen -doordringen in het hollandsch huis, waar men haar schat verborg. Louise -en haar veel jonger zusje waren meegekomen, innerlijk en uiterlijk zeer -in haar voordeel veranderd door geregeld schoolgaan, frissche winterkou -en goed gemaakte japonnen—er zijn menschen geweest die vroegen waarom -de ouders maar niet meteen de meisjes achterlieten!—De heer en mevrouw -De Bruining hebben voor haar een gouvernante geëngageerd. - -»Een gouvernante!« roept Nita verbaasd, als haar vriendin haar dit -mededeelt. »Ik dacht dat je een duren eed hadt gezworen om nooit, nooit -meer...« - -»Ja, dat had ik ook... O, maar dit is een puikje. Heel wat anders dan -de bonnetjes, die ik tot nu toe gehad heb. Ofschoon, daar waren ook wel -goede bij... als ze maar niet altijd iets gevoeld hadden voor -trompetters!« zucht Louise. - -»Heel wat anders... een dochter van een overste, geëxamineerd in drie -talen, hoofdonderwijzeres, niet zoo piep jong meer, erg bekwaam en—nu -ja, aan boord was ze wel een beetje opgewonden, maar anders... erg -fatsoenlijk.« - -Arme Louise, die zich over zoo iets illusies maakte! Alsof juffrouwen -met vier akten niet precies wisten hoe men een goedgeloovig indisch -ouderpaar kan gebruiken om den overtocht te betalen, die liefst moet -eindigen in de huwelijkshaven, en zoo dat niet vlot, om, gesteund door -een of andere familie, hetzij dom, hetzij laag genoeg om zich tot de -comedie te leenen, zich onmogelijk te maken en een breuk uit te lokken. -Dan kan ze overgaan bij het gouvernement, het gouvernement, dat Dorado -voor onderwijs gevende jonge dames, niet omdat het pensioen verzekert -of verlofstraktement—wie, die jong is, denkt aan oud of ziek -worden!—niet omdat het zoo genoegelijk is dagelijks vijf uur te staan -voor een klas van opgeschoten lummels, of aan half maleische kinderen -het a. b. c. te leeren, maar omdat het vrije leven van commensaal meer -dan de huiselijke kring gelegenheid geeft tot »la chasse de l’homme«. - -De nieuwe gouvernante behoorde geenszins tot de weinige uitzonderingen -die op dezen regel voorkomen, en Nita had bij al haar huiselijke -drukten wel gelegenheid om op te merken: de onrust van het jonge -meisje, die scheen te denken dat haar geluk op straat moest gevonden -worden, den toon harer leerlingen, die als het ware met den dag minder -eerbiedig werd; de overdreven, bijna ziekelijke teederheid die de -beroofde moeder wijdde aan de twee kinderen, welke men haar gelaten -had; het nu in alles flink en manlijk optreden van dienzelfden Daan, -aan wien ze nooit anders dan met een medelijdend lachje had gedacht, -omdat ze hem niet anders dan in zijn verval had gekend, maar vooral den -kieschen takt dien Verschuere bij de ontvangst zijner gasten toonde. - -De heer De Bruining toch, met de fijngevoeligheid die hem zoo beminlijk -maakte, gevoelde zich bezwaard door de gedachte dat zijn verheffing een -misrekening was geweest voor zijn vriend. Maar deze wederlegde al zijn -bezwaren. - -’t Is waar, men had hem genoemd, maar hij zelf had geen oogenblik -gedacht aan de waarschijnlijkheid van zulk een keuze; er kon immers -geen sprake van hem zijn! ’t Was toch reeds een wonderbaarlijk snelle -promotie geweest die hij maakte; zou men hem dan zijn tegenwoordige -betrekking zoo kort laten bekleeden? Dwaasheid! Onmogelijk! - -»Maar de pers...« zei de Bruining met een benauwd gezicht. - -»Ja, de pers,« stemde Verschuere lachend toe; »maar heeft het u nooit -toegeschenen dat de regeering altijd iemand anders kiest dan de pers, -al ware het om te bewijzen dat die geheel verkeerd is ingelicht?« - -»Maar de publieke opinie!« - -»Ja, dat was me weer een nieuw teeken van de frivoliteit onzer indische -maatschappij; men had u eenvoudig vergeten, u en uw oudere rechten. U -waart dan ook al meer dan twee jaar weg!« - -»Zie je, het kwam ons zoo gelegen«, brengt De Bruining nu ter -verontschuldiging bij, en Louise keert haar vriendelijk gelaat tot Nita -met de vraag: »Het heeft je toch niet te erg gespeten?« - -Nog vóór zijn vrouw heeft kunnen antwoorden, roept Verschuere: »Haar? -Ze beklaagt zich nu al dat ze bij officieele gelegenheden altijd naast -oude heeren wordt geplaatst. Wat zou het dan wel zijn!« En zijn lach is -daarbij zoo natuurlijk, zijn scherts schijnt zoo welgemeend, dat het -nieuwe raadslid volkomen is gerustgesteld. - -Nita bewondert Gustaaf’s zelfbeheersching, al doet het haar pijnlijk -aan, dat ze getoond moet worden ten koste van de waarheid. Hoewel nog -altijd niet zeer bekwaam in het verbergen harer gevoelens, weet ze nu -toch reeds genoeg van de wereld, waarin ze leeft, om er in de gegeven -omstandigheden het noodzakelijke van in te zien: alleen wenscht ze dat -hij het masker, bij vreemden gedragen, bij haar had afgeworpen. - -Maar er iets gekomen tusschen hem en haar, iets als een muur. Een groot -leed, te zaâm gedragen, kan een sterk man nader brengen tot een zwakke -vrouw; een teleurstelling zal hen bijna altijd vervreemden. - -Nooit meer dan in deze dagen was Verschuere de strijdbare, werkzame, -zich zijner meerderheid bewuste man geweest. Zonder zich ook maar één -oogenblik te laten ontmoedigen ging hij, getrouw aan zijn leuze: »hoe -grooter de tegenstand, hoe schitterender de overwinning,« af op het -doel dat hij zich voorstelde... Had Nita naast hem kunnen gaan, had ze -haar oog kunnen vestigen op datzelfde doel, had ze over dezelfde stalen -zenuwen, denzelfden ijzeren wil kunnen beschikken, hij zou van haar een -reismakker gemaakt hebben. Maar zijn vrouwen altijd sterk genoeg om te -dragen, ze zijn soms te zwak om onmiddellijk na een slag den nieuwen -strijd aan te binden. Voor haar was de slag zwaar geweest. - -Hoewel niet eerzuchtig, bleef de kans op Verschuere’s lid worden in den -raad van Indië altijd het lichtpunt, waarop ze met stil verlangen den -blik gevestigd hield. - -Honderd malen had ze zich zelve bemoedigd door de woorden te herhalen, -eens door mevrouw Hagen gebruikt: »de betrekking van algemeen -secretaris is het vagevuur dat we met onze mannen moeten doormaken om -in het paradijs te komen,« en nu waren de deuren van het paradijs -gesloten! - -»... tot ze weer opengaan,« had Verschuere gezegd met zijn gewone -opgewektheid, maar och, ze wist het, een plaats in den raad van Indië -komt niet alle dagen vakant: er zijn voorbeelden van leden, die er -haast een kwarteeuw zitting in bleven houden. ’t Zal nu wellicht weer -jaren duren, en jaren, dit gevoelt ze, kan zij niet meer wachten! - -Er was iets in haar treurigheid dat hem ontstemde: haar zachte, -droevige blikken hinderden hem; hij wilde dat de vrouw, die hij zich -verkoren had geen oogenblik twijfelen zou aan zijn toekomst; zoo iemand -moedig en onbevreesd kon wezen, zoo iemand willig offers brengen kon, -dan moest zij het zijn. - -Maar—gelijk hij knorrig tot zich zelven zeide—hij werd niet door haar -begrepen, zij was niet berekend voor de plaats die ze innam. In stede -van hem te bewonderen, dat hij zijn onder dit bewind zoo weinig -dankbare taak met onverflauwden ijver vervulde, noemde ze het zijner -onwaardig zulke meesters te dienen. Te vergeefs had hij beproefd haar -te doen begrijpen, dat de door den staat bezoldigde ambtenaar zijn -diensten moet praesteeren, ook al druischen de bevelen der lastgevers -in tegen zijn overtuiging; ze hield vol dat men eerst denkend wezen, -daarna ambtenaar is. Ook beoordeelde ze den nieuwen landvoogd naar den -maatstaf dien men op Bloemduin gebruikte, en kon of wilde ze zich niet -schikken naar den toon, die sedert kort heerschte in de hofkringen; -kortom, hij vond in haar niet langer wat hij in zijn vrouw zocht. - -En ze wist het. Ze wist het hoewel hij het harde woord nog niet over de -lippen had gebracht; ze las het in zijn oogen, ze hoorde het in zijn -stem, ze voelde het in zijn liefkoozingen. - -Er is geen pijnlijker ontdekking dan deze voor de vrouw die bemint, en -geen meer gevaarlijke tevens. Want ze ontrooft haar het natuurlijke, -die grootste bekoorlijkheid in het oog van den man. - -Agnita werd op eens beschroomd, weifelend; ze durfde niet meer ronduit -spreken; het zelfvertrouwen dat de zekerheid van zijn liefde haar -geschonken had verdween; ze verloor het kinderlijk ongekunstelde, dat -haar zoo aantrekkelijk had gemaakt. Bevreesd nog meer te verliezen, was -zij niet langer zich zelve, en niets kon meer in haar nadeel wezen dan -dat. - -Wel verzette ze zich met al wat in haar was tegen het beklemd gevoel, -dat haar in Verschuere’s tegenwoordigheid overmeesterde gelijk de koude -den in sneeuw en ijs verdwaalden reiziger; wel trad ze hem soms tegen -met den ouden vertrouwden lach; wel drong ze hem een enkele maal haar -te vergezellen op een wandeling of rijtoer; wel nam ze, hoewel met -vreezen en beven, nu of dan het oude plaatsje in, dicht bij zijn -schrijftafel; wel sloeg ze somtijds in vertwijfelende teederheid de -armen om zijn hals,—de schoonheid van dat blozend gezichtje in zijn -gouden lijst, de zachte ronding dier blanke armen mocht hem dan voor -een oogenblik vervoeren, het wederzijdsch vertrouwen keerde niet terug. - -Juist in deze dagen leed ze onder een lichamelijke gedruktheid, een -gevoel van onbehagen, waarvoor ze te vergeefs een oorzaak zocht en -waarover ze dokter Bosschaert niet wilde raadplegen; ze wist wat zijn -eerste gedachte zijn zou en ze was het moe, gevleid te worden met een -hoop, die toch nooit vervuld scheen te mogen worden. In deze -zwaarmoedige stemming, in de pijnlijke ongevoeligheid van haar gewond -hart, gaf ze aan ieder woord door hem in overspanning of drift -gesproken een veel dieper beteekenis dan het verdiende; met groote -nauwgezetheid, gevolg eener ernstige, godsdienstige opvoeding, zocht ze -voor zijn gedrag de oorzaak in haar eigen tekortkomingen. Ze dacht er -geen oogenblik aan hem te beschuldigen, ze beschuldigde alleen -zichzelve. En onder die zelfbeschuldiging leed ze, wat een vrouw die -liefheeft lijden kan. - - - - - - - -XXXVIII - -HEIMWEE EN LIEFDE. - - -»Gustaaf!« - -De algemeene secretaris hoort niet: haar stem, altijd zacht, komt nu -als een verzuchting uit de beklemde borst; en hij is verdiept in de -verslagen van de Tweede Kamer, daareven door de mail aangebracht. - -»Verschuere... luister eens... ik heb je iets te vragen.« - -Hij legt zijn lectuur neer, een weinig ongeduldig, want juist las hij -een zeer belangwekkende speech van een zeer belangwekkend -afgevaardigde. - -»Nu?« vraagt hij, als ze zwijgen blijft. - -»Je moet er niet verwonderd over wezen... of boos... of bedroefd, maar -ik zou... ik zou graag...« - -Ze beeft zoo, dat ze niet voort kan gaan. Eerst was hij nog te zeer -vervuld van het Kamerverslag, maar nu hoort hij de trilling in haar -stem, nu ziet hij de vreeselijke spanning in haar gelaat. - -»Wat is er?« vraagt hij verbaasd. »Kind, antwoord me! Hoe ben je zoo -ontdaan?« - -Vergeefs beproeft ze een woord uit te brengen; vriendelijk, met een -zweem van de oude teederheid, begint hij: - -»Je hadt me iets te vragen, kleintje... Komaan, daar zie je toch niet -tegen op?« - -Geen antwoord. - -»Weiger ik je dan zoo dikwerf iets?« Hij nadert en legt haar zacht den -arm om het midden en neemt haar ijskoud handje in de zijnen. - -Maar zij trekt haar hand terug, ze maakt zich los uit zijn omarming... -Weet ze het niet dat er een macht uitgaat van zijn aanraking, die haar -zwak maakt en willoos? - -»Ik wou je vragen, of je het niet goed zou vinden als ik me de Hagens -meeging?« - -»Als je met de Hagens meeging! Waarheen?« - -»Naar Holland, bedoel ik.« - -»Naar Holland!« herhaalt Verschuere weer en hij ziet haar aan alsof hij -aan haar verstand twijfelt. - -»Ja,« spreekt ze dof. »Ja.« - -»Zonder mij?« roept hij. »Zonder mij, Nita?« vraagt hij dan met dat -zacht vleiende in zijn stem, wat ze zoozeer vreest in dit oogenblik. - -»Je kunt immers niet weg?« - -»Neen, dat kan ik niet.« - -»En ik moet gaan.« - -Weer herhaalt hij ongeloovig het woord, dat haar door de ziel snijdt. -»Zonder mij? Zonder mij? Nita! Kind!« - -»Ja, ik moet gaan.« - -Deze klanklooze stem, dit pijnlijk vertrokken gelaat, dat ze telkens -afwendt, de koortsige glans in de oogen, die de zijnen trachten te -ontwijken, verbazen hem misschien meer nog dan haar woorden; een groote -onrust maakt zich van hem meester. - -»Nita... ik begrijp je niet. God! kind! wat is er gebeurd?« - -»O neen, niets. Zie me zoo niet aan, Gustaaf... Ik weet wat ik wil. -Maar als je me zoo aanziet... zoo alsof je me nog liefhadt... dan -vergeet ik wat ik wilde...« - -»Alsof ik je nog liefhad! Heb ik dat dan niet?« - -»Ja, nog een beetje, dat geloof ik ook... Maar het is beter zoo... het -is beter dat ik wegga... beter voor ons beiden.« - -»Nita... je bent ziek!« - -Ze heeft al dien tijd rondom zich gezien als een gevangene, die een -uitweg zoekt; als een gejaagde, wie de vervolgers op de hielen zijn. -Bij dezen uitroep herwint ze op eens iets van haar kalmte, en terwijl -ze de handen samenklemt op de hijgende borst, spreekt ze vast: - -»Je hebt gelijk, ik ben ziek. Heel ziek. Zóó ziek dat ik niet meer hier -kan blijven, dat ik weg moet, hoe eer hoe beter!« - -»Maar wat scheelt je dan? Ik heb er niets van gemerkt.« - -Voor enkele oogenblikken komt een bittere glimlach haar om de lippen -spelen. »Dat was ook niet waarschijnlijk, is ’t wel? Je hadt het zoo -druk!« - -»Ja, ik had beter op je moeten letten... Ik ben geheel opgegaan in -eigen gedachten, in eigen plannen, den laatsten tijd... Geloof me, -kindlief, ik had niets liever gewenscht dan je er deelgenoot van te -maken, maar...« - -»Ja, dat weet ik. Je kon niet. Vergeef het me, Verschuere... Ik had -alles voor je willen doen. Ik had je slavin willen wezen... nu ik niet -je gelijke, je vrouw, je kameraad zijn kon... zooals je eenmaal gehoopt -hadt.« - -»Neen, spreek zoo niet...« - -Met een gebaar vol smartelijke afmatting legt ze hem het zwijgen op. -»Laat dat rusten, dat is voorbij...« - -»Wat is voorbij? Wat praat je toch? Kom, tracht bedaard te zijn. Wat -scheelt er aan, kind? Je hoofd gloeit, je handen zijn als ijs.« - -»Ik heb immers gezegd dat ik ziek ben.« - -»Ja, je hebt de koorts, ik zal dadelijk om Bosschaert zenden.« - -»Neen,« spreekt ze nu ernstig en vast besloten. »Doe dat niet. -Bosschaert kan me niet genezen. Niemand kan dat; niemand, behalve -misschien... mama.« - -»En ik dan?« - -Een oogenblik ziet ze hem in het gelaat, het gelaat dat ze liefheeft -boven alle andere... een oogenblik wankelt ze in haar besluit; maar het -is genomen ten koste van bange nachten en heete tranen; ze weet dat hij -zijn beloften niet houden kan; ze keert zich van hem af om sterk te -zijn. - -»Neen, je kunt het niet.« - -»Dus, je wilt weg? Je wilt niet langer bij me blijven?« - -Agnita wringt de handen; ze wordt aangegrepen door een gevoel van -flauwte, als bij hevige pijn. - -»Antwoord me, Nita!« - -»Je zult me immers niet missen?...« - -Ze spreekt die woorden langzaam, weifelend. Ze durft niet opzien, ze -kan niet ademhalen, zoo bonst haar hart. Zal hij zeggen dat ze zich -bedriegt, dat de scheiding hem even hard zal vallen als haar? O God, -indien dat mogelijk ware! Indien hij maar zeide dat hij haar noodig -heeft voor zijn geluk! Dan bleef ze! Dan kon ze alles dragen! Dan zou -ze moed hebben om een nieuw leven te beginnen. - -Ach, hoe weinig kent ze het mannenhart! Hij is gegriefd, beleedigd... -Heeft ze niet haar ouders gesteld boven hem, hem, die zoo zeker meende -te zijn van haar liefde, dat hij zelfs niets heeft gedaan om die te -behouden? - -»Dus je wilt bij je pa en ma zijn?« - -»Ja.« - -»Liever dan bij mij?« - -»Ja.« - -Smartelijk getroffen ziet hij haar in het gelaat. Maar het is hem -vreemd met die hartstochtelijke, verwilderde uitdrukking; zooals ze hem -geheel en al vreemd is in dit uur, zijn zachte, zwakke vrouw, nu zoo -vast besloten, zijn gevoelvolle Nita, nu zoo koel: de teedere woorden -die hem uit het hart welden, besterven hem op de lippen. - -»Ik begrijp me niet... je bent me een raadsel.« - -Smeekend heft ze de handen naar hem op. »O, folter me niet langer... -Zie je het dan niet, dat ik bezwijk? Heb medelijden... zeg dat ik gaan -mag!« - -»Als je me niet meer liefhebt...« - -»O God! O God...« kermt ze. - -»Als je meer van je ouders houdt dan van mij...« - -»Je bent wreed, Gustaaf...« - -»Dan mag je gaan.« - -Hij verwacht een haastig antwoord, een heftige ontkenning, een nederige -bede om vergiffenis... alles eer dan deze stilte... Maar zij blijft -onbeweeglijk staan, zonder zelfs het hoofd naar hem op te heffen, tot -hij zich toornend van haar afwendt... Dan zinkt ze ineen, zachtjes, -langzaam, zonder kreet, zonder slag; alleen met een langen, kreunenden -zucht. - -Als de heer Bosschaert, in allerijl geroepen, zijn patiente een vol uur -heeft gadegeslagen zoowel onder als na hare bezwijming, verlaat hij -haar met een ongewoon ernstige vermaning, om zich toch vooral te -wachten voor »ziekelijke opgewondenheid«, die onberekenbaar nadeelige -gevolgen hebben kan, en keert zich, zoodra de deur achter hen gesloten -is, tot den jongen echtgenoot met een vraag, die dezen het bloed naar -de wangen jaagt. Hij kan hem toch niet antwoorden dat hij het niet -weet! Hij kan hem toch niet zeggen dat de verhouding tot zijn vrouw in -den laatsten tijd niet van dien aard was dat er gelegenheid bestond -voor vertrouwelijke mededeelingen! Hij kan toch niet bekennen dat hij -vergeten heeft, sedert maanden vergeten heeft belangstelling te toonen -in hetgeen nog de vrouw bezig houdt met hopen en vreezen bezig houdt, -wanneer de man het reeds lang als afgedaan beschouwt. - -»Ze wil naar Europa,« zegt hij eindelijk, in de hoop door deze -onverwachte mededeeling Bosschaert’s aandacht af te leiden van de -netelige vraag. - -»Ah zoo, naar Europa?« vraagt deze, maar zonder iets te toonen van de -verbazing, die Verschuere meende te wekken; dokters zien zoo scherp in -huiselijke aangelegenheden. »Zoo, zoo, naar Europa? Weet je wel dat dit -een uitstekend denkbeeld is?« - -»Zonder mij?« - -»Natuurlijk. Je kunt niet weg.« - -»Ze wil met de Hagens meegaan.« - -»Juist. Een prachtige gelegenheid! Je kondt geen beter wenschen. De -zeelucht zal haar versterken, een kort verblijf in Holland haar goed -doen. En—wat die andere kwestie betreft dat zij zoo als het wil; hier -brengt ze het nooit tot een goed einde. Als ze gaan wil mag je haar -vooral niet terughouden Verschuere... Ja, ik weet wel, ’t is -onaangenaam, dat alleen achterblijven, maar... we zijn nu eenmaal niet -voor ons pleizier in de wereld.« - -»Neen, dat ondervind ik.« - - - -Straks, als Nita zijn studeerkamer komt binnensluipen en half verlegen, -half berouwvol op hem toetreedt, kan hij haar een vrij vroolijk gelaat -toonen. - -Met een bevend stemmetje vraagt ze: »Gustaaf... zeg, ik heb er nog eens -over gedacht... maar zou je werkelijk graag willen, dat ik bij je -bleef?« - -Zijn stem beeft niet, zijn oogen staan niet vol tranen als de hare, hij -is nooit lang zwak. - -»Natuurlijk, lieve. Natuurlijk zou ik graag willen dat je bij me kondt -blijven. Maar we zijn nu eenmaal niet voor ons pleizier in de wereld, -zooals Bosschaert zegt. Hij gelooft dat het je enorm veel goed zal -doen. Enorm.« - -Dan, als hij de plotselinge verandering ziet in haar trekken: »Je wou -toch niet op je besluit terugkomen?« - -»O neen. Ik ben vaster dan ooit besloten te gaan.« - - - - - - - -XXXIX - -DE OOGEN WORDEN GEOPEND. - - -»Buitenzorg, 6 April. - -»Lieve, beste man, - -»Ik zal dezen aan Mingo geven, met verzoek hem je ter hand te stellen, -als ik een dag of acht weg ben. Want, Gustaaf, ik ben verwaand genoeg -om te gelooven dat, hoe aangenaam het voor je wezen mag om weer eens -geheel te kunnen leven voor je werk, je dàn toch wel weer eens prettig -verrast zoudt opkijken, als de deur zachtjes open ging en zeker iemand -binnen kwam om je te vragen of je niet eens een uurtje met haar zoudt -willen praten. - -»Natuurlijk heb je van de welkome rust, na al de drukte die de laatste -tijd meebracht, gebruik gemaakt om bergen werks af te doen; dus wil je -me dit oogenblikje wel geven, niet waar? - -»Maar ik zal niet »kort en zakelijk« kunnen zijn zooals ik weet dat je -je brieven graag ontvangt. - -»Ik ben zoo in de war, sinds het zeker is dat ik wegga: alles komt me -zoo heel anders voor... soms vraag ik me af of het niet een groote -vergissing kon zijn; of ik misschien, toen ik geloofde dat hetgeen het -eenige was wat me te doen overbleef, je ontevredenheid te hoog opnam; -of we misschien na korter of langer tijd niet geleerd zouden hebben -elkaârs karakter en overtuiging te eerbiedigen; of ik niet had moeten -blijven... - -»Maar neen, dit is dwaasheid! Niet waar, Gustaaf, je vondt het ook -noodzakelijk? O, als je nog terugkwaamt op je besluit; nu nog, terwijl -de koffers gepakt staan en de afscheidsvisites gemaakt zijn, wat zou ik -graag weer uitpakken en—zooals je gister zei, toen ik er een balletje -van opgooide—een gek figuur slaan. - -»Hoe heb ik toch ooit dit onzalig plan kunnen bedenken! Ja, ik weet het -maar al te goed: ik weet hoe het voor het eerst in me opkwam, tegelijk -met het pijnlijk gevoel van een plaats in te nemen, waarvoor ik niet -geschikt bleek. - -»’t Was op dien middag toen ik je vertelde, dat ik bedankt had voor de -uitnoodiging van Zijn Excellentie om dat uitstapje te maken naar -Tjipanas; ik dacht dat je het apprecieeren zoudt, daar je niet mee -kondt gaan wegens ongesteldheid; maar je zei dat een vrouw, die geen -tact toont, een blok wordt aan het been van haar man. En dan, -Verschuere, waarom heb je mevrouw Verdijk toch zoo geprezen? waarom me -haar tot voorbeeld gesteld? Het was je geen ernst, dit weet ik; het kon -geen ernst zijn. - -»Je zoudt niet willen dat ik me het hof liet maken, al was het dan nog -zoo’n onschuldige hofmakerij: al was het dan ook tot het bereiken van -een doel; niet waar, je zoudt het niet willen! - -»O, ik twijfel nu of je al die nare dingen wel hebt gezegd met de -bedoeling, dat ik ze zoo hoog zou opnemen! Maar... herinner je je niet -dien avond toen ik me onvoorzichtig had uitgelaten, wat je toen bij ’t -naar huis rijden zei? Dat een getrouwd man geen meester is over zijn -daden. Dat zijn vrouw het werk van jaren soms in één uur bederft. Dat -je niet hadt moeten trouwen! Dat je niet hadt moeten trouwen... - -»Ja, Gustaaf je hadt wel moeten trouwen, alleen niet met mij. - -»Je zoudt me niet zoo gegriefd hebben, als je kalm geweest waart; dat -spreekt van zelf. Maar niet waar, op zoo’n oogenblik denkt men niet -bedaard na, en ik was diep ongelukkig en kon maar niet in slaap -komen... ik heb een heele dwaze gewoonte man, die ik je nu maar -bekennen zal: als je daar zoo stil in de kussens ligt, dan verdwijnt -die strakke vermoeide trek uit je gezicht, dan krijgt het de lieve, -vriendelijke uitdrukking van vroeger, en dan vind ik het een genot er -naar te zien. Soms, wanneer ik bedroefd was of wanneer we iets gehad -hadden samen, keek ik naar je, tot ik den boozen man vergeten kon en -met de gedachte aan den lieven de oogen sluiten; dat deed ik dien avond -ook, je glimlachte in je slaap en je weet wel, je waart naar bed gegaan -zonder me goeden nacht te zeggen... ik gaf je een kus. - -»Toen gebeurde er iets; je zult het misschien een kleinigheid noemen; -maar ik vond het vreeselijk! Je zei heel zacht: »Marie! o, Marie...« - -»Ik weet wie Marie voor je geweest is. Toen je me vertelde van je -eerste liefde, vroeg ik je me te zeggen welk soort van meisje ze was... -Toen gebruikte je een uitdrukking die ik voor het eerst hoorde en die -me daardoor bijbleef: une maitresse femme noemde je haar. Nu weet ik -wat dit is, une maitresse femme: het tegenovergestelde van mij... - -»Och, die Marie..., ik denk telkens aan haar... zij zou geschikt voor -je geweest zijn, zij zou je flink ter zijde hebben gestaan. ’t Is waar, -ze heeft een ander genomen om barones te worden en ik, ik zou je voor -geen koning geruild hebben, maar wat doet dit er toe? ’t Is immers toch -niet de liefde die een huwelijk gelukkig maakt! Zij zou je nooit -verveeld hebben. - -»Wat is dat moeilijk, Gustaaf, je man te boeien! Als de meisjes wisten -hoe moeilijk het is, zouden ze niet zoo haastig trouwen, of zich beter -voorbereiden. Niet waar, ik heb gedaan wat ik kon? Ik ben niet -onverschillig geworden voor den indruk, dien ik op je maken zou; ik heb -de talenten, die ik bezat, gebruikt; ik heb beproefd het je thuis -gezellig te maken; ik heb je vrienden hartelijk ontvangen. En ik heb -met inspanning van al mijn krachten beproefd me te ontwikkelen; ja, ik -heb hard gestudeerd, Gustaaf, veel harder dan je ooit vermoed hebt. En -toch verveelde ik je! Toch kwam, als ik je iets vroeg terwijl je bezig -waart—en je waart altijd bezig—die rimpel op je voorhoofd: toch zag ik -telkens die ongeduldige beweging waarmee je opkeek uit je boek als ik -nader kwam; toch heb ik je heel opgewekt hooren praten met vreemden, -als je niet den minsten lust hadt getoond om te praten met mij. Zie je, -dit vond ik vreeselijk, dit gevoel, dat langzamerhand over me kwam van -tot last te zijn. Denk niet dat ik het je verwijt; je hebt genoeg je -best gedaan om het te verbergen, maar geloof je ook niet dat niets -moeilijker te verbergen valt dan verveling? - - - -»We zijn alweer dichter bij het afscheid en ik kan nog niet besluiten -om dezen te eindigen; het helpt me zoo dat ik schrijven kan wat in me -omgaat, ik zou anders veel te veel zeggen. O, lieveling, wat moet dat -een ondragelijk iets zijn, een huwelijk zonder wederzijdsch vertrouwen, -als ik bedenk wat ik geleden heb sedert ik je niet meer alles zeggen -kan! - -»O, als ik maar eens spreken durfde! mijn geheele hart uitstorten... -maar dat mag niet! Neen, dat mag niet, want je zoudt me aanzien en in -je armen nemen en ik zou zwak worden, zwak tot lafheid toe en bij je -blijven om je tot last te zijn! - - - -»Ik dacht dat ik alles overwogen had vóór ik mijn besluit nam, maar ik -heb één ding vergeten, hoe verrukkend het is bemind te worden. - -»O Gustaaf, als er soms in je hart bitterheid mocht komen jegens de -vrouw, die je heeft moeten teleurstellen, denk dan hoe zwaar ik zelve -daaronder geleden heb; denk dan dat ik je omhelzingen mis en je kussen -en je teederheden en je zult medelijden met me hebben. Waarom ben je -ook zoo lief voor me, Gustaaf, nu deze laatste dagen? Waarom? Ik zou -willen dat je driftig waart zooals een poos geleden; ik zou willen dat -je harde, onrechtvaardige dingen zei; dat zou me sterk maken. - -»Maar neen, dit heb ik niet ernstig gemeend; ik kan de herinnering aan -deze laatste goede dagen niet missen... ik neem ze mee naar Holland als -een schat; ik voel het nu, noch de vreugde van weer thuis te zijn, noch -papa’s groote genegenheid, noch mama’s trouwe zorgen zullen me kunnen -vergoeden wat alleen de liefde geven kan—die volheid van geluk, die -niets te wenschen overig laat. - -»Soms—niet waar Gustaaf, je lacht me niet uit zooals die dames, omdat -ik me dit telkens weer verbeeld?—soms, als ik me in zielsangst afvraag -hoe ik toch zonder je leven zal, is het me of ik antwoord krijg, of -engelen me komen toefluisteren dat ze me een kindje willen brengen. Ik -moest niet luisteren naar die beloften, maar het maakt me minder -ongelukkig en—zijn ze bestemd om onvervuld te blijven—ach, ik ben er -reeds aan gewoon, de engelen met de blijde boodschap op eens te zien -verdwijnen... - - - -»Gister zei je, dat het egoïstisch van me was weg te gaan. Als je niet -meer telkens gestoord wordt, als ik je tijd niet meer vraag voor -allerlei nietigheden, als je geheel leven kunt voor je werk, geheel -toebehooren aan je betrekking, dan zul je weten dat het niet egoïstisch -van me was weg te gaan. - - - -»Gustaaf, ik droomde dat ik aankwam in Holland. Ik stond op het midden -van de loopplank. Iemand bracht me een brief. Aan den wal wachten pa en -ma en de broers en zusters. Ze wenkten me toe. Ik zag duidelijk ma’s -lief gezicht: ze schreide van vreugde. Ik hoorde de neefjes en nichtjes -roepen: »Tante, tante Nita!« en ze zonden me kushandjes toe... ik stond -daar en las den brief. Hij bevatte maar vier woorden: »Kom weer bij -me.« Toen groette ik pa en ma uit de verte en keerde terug op de boot; -de loopplank werd ingehaald, ik hoorde ze roepen, gillen; ik zag hoe -mijn arm oud vadertje moest worden vastgehouden, hoe mama’s gezicht -veranderde... ik bekommerde er me niet om, ik voelde me zoo licht als -een veêr. »Hij wil me terug hebben, hij mist me, hij verlangt naar me!« -riep ik, tot ze eindelijk verdwenen uit het gezicht. - -»Dwaze droom, niet waar? Maar o, ik had voort willen droomen, -luisterend naar de machine, waarvan iedere slag me nader tot je bracht, -ik had voort willen droomen tot in eeuwigheid. - -»Als je wist met welk een vreeselijk gevoel van teleurstelling ik -wakker werd! Ja, ik zal de machine hooren, maar niet om me tot je te -brengen! - -»Morgen reeds is het de dag van mijn vertrek... morgen reeds, ik had -altijd gehoopt dat er nog iets tusschenbeide zou komen, maar morgen -reeds... nu kan het niet meer. - -»O, Gustaaf, ik heb je toch wel bemind! Ik bemin je nog, Gustaaf, boven -alles! Hoe zou ik anders moed vinden om dit te doorstaan? Wat zijn de -menschen gelukkig die plotseling sterven; ze behoeven geen afscheid te -nemen...« - - - - - - - -XL - -OP DE MAILBOOT. - - -»15 April. - -»Lieveling, wat is dat vreeselijk geweest! Had ik het maar geweten dat -je nog zooveel van me hieldt, had ik het maar geweten dat je er zooveel -onder lijden zoudt, geloof me, ik was bij je gebleven. - -»Je zult misschien niet begrijpen hoe ik het bedoel—jullie mannen voelt -zoo heel anders dan wij—maar voor mij is het afscheid lang zoo bitter -niet geweest als ik het me had voorgesteld. Je waart zoo bedroefd en -dat vond ik zoo heerlijk! Je naamt me zoo telkens weer in je armen en -je drukte me zoo vast aan je hart... - -»En weet je wat je wel driemaal hebt gezegd: »Kind, hoe zal ik zonder -je leven!« Dat heeft me zooveel goed gedaan! zoo onbeschrijfelijk veel -goed! - -»En weet je wat je ook gezegd hebt? Dat je nu eerst begreept hoe -gelukkig je geweest was... dus, ik heb je toch geluk geschonken, al was -het niet zoo veel als het had kunnen zijn!... Gustaaf, je moet me -vergeven dat ik niet meer vertrouwen, niet meer geduld heb gehad; het -was zoo treurig met me gesteld in den laatsten tijd... ik kon me niet -goed meer rekenschap geven van hetgeen er in me omging; onze verhouding -was zoo vreemd geworden; ik tastte in het duister rond... God geve dat -ik niet heb misgetast! Soms vrees ik het. - -»Hoe heb je het nu? Gaat alles geregeld? Handhaaft Mingo zich in zijn -ouden roem? Zorgt Sarinah goed voor je? En ondervind je veel -deelneming? Mevrouw Paerel heeft me beloofd zooveel voor je te zijn als -je haar zoudt willen toestaan; trek je nu niet terug, ze zijn zoo -hartelijk en niet zooals veel hartelijke menschen, vervelend. - -»Toen ik nog bij je was, heb ik ’t je wel eens wat lastig gemaakt met -mijn altijd vragen om liefde; nu je mij niets meer behoeft te geven, -wijd je nu elken dag, al heb je het ook nog zoo druk, een oogenblik aan -mijn vrienden, de dieren en de bloemen: het zal je zoo helpen, om je -hart warm te houden, tot ik weer bij je ben om dat te doen. - -»Maak je over mij geen oogenblik ongerust. ’t Is waar, ik was niet heel -flink, niet half wat ik had willen zijn, maar je weet, flauw vallen is -een slechte gewoonte van me en toen we maar eenmaal onder stoom waren -ging alles goed. - -»Er zijn veel kinderen aan boord, dus behoef ik me geen oogenblik te -vervelen en dan, je weet hoe vriendelijk de menschen me altijd en -overal behandelen. - -»Wat de Hagens betreft, er is me al meer dan eens gevraagd of ik hun -dochter was, zóó dragen ze me op de handen; je ziet, het zou ondankbaar -van me zijn, als ik me niet liet troosten. - -»Bij aankomst hier vond ik je telegram. Hartelijk dank voor de goede -woorden, ik leg ze bij de anderen weg in mijn hart, en als al de -hartelijkheid die ik ondervind me niet troosten kan, wat ik soms vrees, -dan zullen zij het kunnen.« - - - -»Padang 16 April. - -»We liggen hier op de reê, met een prachtig gezicht op de eilandjes, -die als groote groene ruikers op het zilverblauwe water zijn gestrooid; -op den Apenberg met zijn wonderlijk mooie tinten, zooals hij daar bijna -loodrecht, donkergroen met violetten weerschijn, oprijst uit de zee; -allerlei kleine prauwen glijden voorbij, in de verte komt het -stoombootje met de laatste passagiers, want we vertrekken over een paar -uur. - -»Je ontvangt dezen binnen enkele dagen. Vind ik weer een telegram van -je op Suez? - - - -»O, Gustaaf, verbeeld je. Ik zal probeeren het je te schrijven. Maar ik -beef zoo, ik ben zoo vreeselijk geschrikt. Daareven kwam het bootje met -de passagiers: een familie met negen kinderen en twee officieren van -Atjeh. - -»Een er van kon niet loopen, hij werd op het dek gedragen. Mijnheer -Hagen zei me, dat het zoo’n naar gezicht was, dus was ik niet gaan -kijken, maar daar hoorde ik op eens om eau de cologne roepen; die erge -zwakke was bewusteloos geworden. Ik had een flacon naast me staan, ik -ging die dadelijk brengen, en Gustaaf! wie denk je dat het was? James! -Onze James! - -»O, maar onherkenbaar! Arme, lieve, trouwe jongen, het is met hem -gedaan, hij kan niet eens zijn hoofd meer opheffen. Als je hem zag, -zooals hij daar ligt, die vroolijke, sterke, moedige James! Ik ben bij -zijn veldbed neergevallen. - -»Toen hij bijkwam en me zag, was hij niets verbaasd. Hij glimlachte -even en sloot de oogen. Ik dacht dat het weer een flauwte was, maar een -oogenblik later zei hij: »Ga nu maar naar de anderen, dokter; ik ben -bezorgd; mijn goede engel is bij me!« Och, Gustaaf als je die stem -gehoord hadt... Ik dacht dat mijn hart zou breken. - -»Hij heeft zijn woord maar al te goed gehouden; iedereen is vol van -zijn lof. ’t Schijnt dat hij zich bijzonder onderscheiden heeft; een -van de heeren vertelde het aan mevrouw Hagen. - -»Heb ik je gezegd dat hij gewond is bij dat gevecht? Maar aan die wond -zou hij niet sterven; ’t is die vreeselijke malaria, die hem vermoordt. -De dokter geeft weinig hoop; goddank, dat ik hier ben om zijn laatste -dagen te verzachten. Het zal hem aan niets ontbreken. O, als ik hem nog -redden kon! hij heeft zoo’n sterk gestel en, niet waar, de zeelucht -doet soms wonderen! - -»Vaarwel, lieve, ik kan hem niet langer alleen laten; de koorts komt op -en hij roept om me. - - - -»22 April. - -»Hoeveel keeren was ik reeds van plan je te schrijven. Maar je weet -niet hoe mijn tijd wordt in beslag genomen door onzen armen zieke. Ik -heb nu mevrouw Hagen verzocht bij hem te gaan. Zij zou me zeker meer -helpen, maar zij souffreert voortdurend aan zware hoofdpijnen—een vorm -van zeeziekte, zegt de dokter,—en alleen wanneer de boot bijna stil -ligt, zooals nu, voelt ze zich wel genoeg om boven te blijven. Wij -hebben anders geen klagen over de sterke beweging: bijna altijd een -kalme zee, het mooiste weer dat men zich wenschen kan, een prettige -commandant en een goede geest onder de passagiers (tot nog toe): dus, -daar ook de tafel en de bediening weinig te wenschen overlaten, alles -wat men aan boord eischen kan. - -»In den toestand van James is nog niet veel verandering gekomen: alleen -verbeeld ik me dat hij in deze vier dagen iets minder zwak is geworden, -maar och, misschien schijnt dit maar, omdat ik geloof wat ik hoop. Als -hij geen koorts heeft—want dan zou zijn gekreun de andere passagiers -hinderen—ligt hij op het dek en zit ik met een boek of handwerk bij -hem. Meest moet ik voorlezen, of anders praten. Maar in zijn half -dommelenden toestand heeft hij geen recht begrip van tijd meer en als -ik dan, soms na een uur, ophoud, dan is het: »Ben je nu al moe, Nita? -Toe ik hoor je stem zoo graag; als ik je stem hoor, voel ik geen pijn.« - -»Je weet, hij was nooit veeleischend; maar ik geloof dat hij niet -geheel toerekenbaar meer is: soms blijkt het me dat hij niet eens -gehoord of ten minste niet begrepen heeft wat ik las of sprak. - -»Die andere luitenant is niet zoo erg ziek, maar lijdt aan -geestverzwakking, ten gevolge van typhus. Te denken hoeveel jonge en -krachtige lichamen op die manier gesloopt worden; te denken dat de -moeders haar zonen in zulk een toestand thuis krijgen; te denken wat -dat zijn moet voor een vrouw, haar man zoo weer te zien. Soms stel ik -me voor, dat je officier waart en op Atjeh, en dan kom ik me zelve zoo -ondankbaar voor; waarom kon ik niet tevreden zijn? Ik behoefde ten -minste niet in angst te leven; je waart daar op de secretarie ten -minste niet in gevaar! Er zijn verscheidene officiersfamiliën aan -boord; als ik denk aan wat zij hebben doorstaan, dan voel ik me klein, -dan schaam ik me bijna. - -»Gelukkig hebben we onder de passagiers een non, die dadelijk als -liefdezuster is opgetreden. Ik leer veel van haar: ze is zoo handig, ze -kan zoo rustig en bedaard blijven bij alles! Soms benijd ik ze: er ligt -zulk een vrede op dat lieve bleeke gezicht onder de kap, die haar -schijnt te beschutten tegen al het kleine, dat dikwerf de gedachten van -ons, andere vrouwen, vraagt. Ik weet wel, ik, die de hoogste zaligheid -ken, ik moest slechts medelijden hebben met zoo eene, die niet mag -beminnen; och, het zou ook niet in me opkomen als je bij me was, maar -ik voel me soms zoo verlaten, zoo troosteloos verlaten. En dan, zoo’n -vrouw vraagt of twijfelt niet meer, ze geeft zich over, terwijl ik ... -och, ik vraag altijd door, waarom dit zoo heeft moeten wezen? waarom -dat niet anders zijn kon? Weet je wat me zoo treurig stemt dezer dagen, -Gustaaf! nu ik James daar zoo liggen zie en ik telkens denken moet aan -mijn ledig huis en mijn eenzamen man en onze verloren illusies? De -gedachte dat ik, met al mijn goeden wil, met al mijn ernstig streven om -voor mijn omgeving veel te zijn, de beide mannen, die het meest van me -gehouden hebben, zoo weinig geluk heb kunnen schenken. Dat is één van -de raadselen, die ik vergeefs tracht op te lossen. Maar er zijn vele, -vele andere; ’t is of de golven ze me ’s nachts komen aanbrengen.« - - - -»Suez, 8 Mei. - -»Ik heb James verteld, dat ik aan je schreef. »Groet hem van me«, -fluisterde hij. En toen nam hij mijn hand en vroeg: - -»Wil je hem zeggen, Nita, dat ik me zijn vertrouwen heb waardig -gemaakt?« - -»Arme jongen! Zooveel had hij niet misdaan, dat hij er zoo voor boeten -moest! - -»Ik verzekerde hem dat je hem alles vergeven hebt, lang geleden, en -toen zei hij met een zweempje van zijn oude ondeugendheid: »Dat is niet -heel moeilijk, geloof ik, den man te vergeven, die je vrouw het hof wou -maken, als je zóó zeker weet dat ze er niet van gediend was!« - -»Ik ben zoo blij dat hij dit gezegd heeft, want hij lachte er bij en -keek me vrij in het gezicht, zoodat ik zeker weet dat hij van zijn -dwaasheid genezen is. Ik zou me anders, nu hij wat beter wordt, niet -geheel op mijn gemak gevoeld hebben met hem. - -»Dat is ook een van de vele vragen die ik me doe: of ik die geheele -zaak niet te hoog heb opgenomen? Soms, als ik hier rondom me zie onder -al die vroolijk schertsende, veel etende, rustig slapende, kalm -voortvegeteerende menschen, kom ik me, met al mijn bezwaren en -bekommernis en twijfel, zoo dwaas voor. Had ik misschien moeten lachen -om James? Is dat misschien de verklaring van veel wat me bezig houdt, -dat ik het leven te veel heb beschouwd als ernst? Maar mijn God, is het -dat dan niet?« - - - -»10 Mei. - -»Je kunt je er geen denkbeeld van maken, Gustaaf, hoe ik begin te -verlangen naar het oogenblik van onze aankomst. Er zijn in Buitenzorg -dagen geweest—nachten geloof ik weinig, maar dagen—dat ik in ’t geheel -niet dacht aan thuis, en nu—het is of iedere mijl die we nader komen me -meer vervult met de gedachte aan al de lieven, die ik terug zal zien. - -»Arme man, ik zeg dikwerf tot me zelf, dat je een groot geluk gemist -hebt.... thuiskomen uit Indië en nog een vader en moeder vinden! Vooral -sedert ik weet dat we in Genua aan wal zullen gaan, wordt dat verlangen -grooter en grooter; het stemt me zoo gelukkig, het is de beste bron van -troost die ik vind voor onze scheiding. - -»Ja, we gaan in Genua aan wal. Je begrijpt, als James niet in staat was -geweest de reis over land te maken, dan was ik met hem aan boord -gebleven, maar ik zag daar erg tegen op: twaalf dagen langer op zee en -dan door de golf van Biscaye, en dat met een half verlaten boot, want -ieder debarkeert in Genua; alleen de groote gezinnen, die het -overleggen moeten, gaan mee door. Maar Goddank, er is, sedert we meer -in de koude zijn, verandering ten goede gekomen: eerst werd hij -spraakzamer, toen bleef de koorts weg, toen kreeg hij meer lust in eten -en nu begint hij al langzamerhand een paar stapjes te doen. Op krukken, -Gustaaf, denk je dat eens, James op krukken! Gisteren beproefde hij het -voor het eerst, toen de anderen aan tafel waren; de zuster was bij hem; -ik kwam toevallig boven, maar o, ik kon het niet helpen, toen ik hem -daar zoo zag heenstrompelen, toen ben ik uitgebarsten in tranen. Eerst -lachte hij me uit en liep verder, maar toen gooide hij op eens de -krukken weg, ver over het dek en viel neer op zijn veldbed met de -handen voor het gezicht. - -»De zuster beknorde me over mijn gebrek aan zelfbeheersching, en ik was -doodelijk bang dat het hem kwaad zou doen, maar hij vindt het zoo -heerlijk om beter te worden, hij geniet zoo van dat gevoel van -terugkeer en de kracht, dat niets hem kwaad zou kunnen doen op dit -oogenblik, geloof ik. - -»Hij wil echter de krukken niet meer gebruiken. Mijnheer Hagen steunt -hem met de zuster; je begrijpt, ik ben daar te klein voor en ook, sinds -hij beter wordt, voel ik me erg lui en lusteloos. De dokter zegt, dat -als hij zoo blijft vooruitgaan, de reis over land hem geen kwaad zal -doen; natuurlijk zal het zijn: zachtjes aan, maar de Hagens behoeven -geen haast te maken. - -»O ja, schreef ik dat reeds? De Hagens hebben beloofd bij ons te -blijven; vin je dat niet lief van hen? Wij zijn veel bij elkaar geweest -met ons viertjes en ik kan hun niet dankbaar genoeg zijn; vooral -mijnheer heeft me veel goed gedaan: hij sprak zoo telkens over je; als -hij zag dat ik bedroefd was, dan kwam hij bij mij zitten en liet me -over je praten; ik kon dat met niemand beter; hij waardeert je zoo. En -dan—soms beweert hij dat je zijn voorbeeld heel gauw volgen en naar -Holland komen zult. - -»Ik heb gedaan wat je me aanriedt en het gezelschap van mevrouw Hagen -gezocht. Je dacht dat ik er van profiteeren zou om me kalmer te -stemmen, om me de wereldsche zaken meer uit een praktisch oogpunt te -doen zien. Misschien zal dat ook wel het geval zijn, achterna; maar op -het oogenblik zelfs stemt ze mij niet kalmer. Zij is zoo verstandig, -zoo logisch, zoo beredeneerd als alleen vrouwen zijn kunnen, die nooit -een grooten hartstocht hebben gekend; ik kan het niet van me afzetten, -dat ze me overdreven vindt en—verliefder dan het met de waardigheid van -eene vrouw overeenkomt. - -»Je weet, ik kan eigenlijk alleen vertrouwelijk worden met menschen bij -wie het hart het hoofd beheerscht: die zuster bijvoorbeeld, ik geloof -stellig dat ze dol van iemand gehouden heeft! Ik heb haar alles -verteld—dat vin je toch niet verkeerd? Je begrijpt, ik moest iemand -hebben voor wie ik mijn leed uitstortte—en ze heeft alles begrepen. Op -een avond liet ik haar je portret zien. Ze zei niets anders dan: »Arm -kind! wat moet je dat gezicht liefhebben...« en ik weet niet hoe het -kwam, maar we schreiden samen en sedert weet ik dat ze van iemand -gehouden heeft. - -»Ik had me in den laatsten tijd bij het gadeslaan van ons -reisgezelschap—het zijn bijna allen zieken, zwakken of -teleurgestelden—dikwerf afgevraagd of men eigenlijk wel het recht heeft -zich zoo te verdiepen in eigen klein leed, terwijl anderen zooveel -grooter moeten dragen. Maar de zuster zegt, er is geen klein leed of -groot leed: alles hangt af van het hart dat het ondervindt. - -»En dat begin ik ook te gelooven! Als ik bedenk hoe het me smarten kon -wanneer je me maar ontevreden aankeekt, en als ik dan hoor hoe -onvriendelijk enkele mannen hieraan boord voor hun vrouwen zijn en hoe -die vrouwen een oogenblik later lachen, van ganscher harte lachen -kunnen, dan geloof ik ook dat het alles maar van het hart afhangt. En -misschien begrijpen wij menschen elkaar zoo weinig, omdat we altijd bij -een ander hetzelfde gevoel zoeken als we zelf hebben. Ik ondervind in -deze nieuwe omgeving dagelijks hoe men zich in elkaar vergist. Zoo is -er, behalve mij, nog een dame aan boord, wier man in Indië is -achtergebleven. Ik voelde me tot haar aangetrokken door de overeenkomst -in onze omstandigheden en maakte met haar kennis. Wat vertelt ze me? Ze -ging naar Europa voor pleizier! Omdat het haar verveelde langer in de -binnenlanden te zitten. Ze wou de wereldtentoonstelling zien en Parijs -en Weenen. Ze was nooit in de groote opera geweest en ze vond dat dit -hoog tijd werd en—dan moest ze haar garderobe vernieuwen, men raakte op -zoo’n buitenpost zoo ten achteren met de modes! Mijn verbazing -amuseerde haar. Gelukkig dat ze niet in mijn hart kon lezen. -Afschuwelijk! je man te verlaten om zulke redenen. Als ik dan denk aan -den strijd dien het mij heeft gekost!« - - - -»11 Mei. - -»Je begrijpt, lieve, in dien tijd toen ik daar zoo uren lang stil bij -James moest blijven zitten, had ik alle gelegenheid om de passagiers -gade te slaan en mijn opmerkingen over hen te maken. Nu hij aan de -beterhand is, beweeg ik me natuurlijk meer onder hen en onderzoek of ik -goed heb gezien, of mijn gevolgtrekkingen juist zijn. De ongetrouwden -interesseeren me minder; ik let meer op de getrouwden; ik zou zoo graag -het geheim ontdekken, dat groote geheim, hoe men een man gelukkig -maakt. - -»Er zijn getrouwde lui van elken leeftijd met volwassen dochters, met -zuigelingen—het tweede schijnt me nog minder soesah dan het eerste: met -kinderen in Holland: zonder kinderen. De meeste ouderparen komen me -voor, elkaar te beschouwen, zooals de eigenaar een kip beschouwt, uit -het oogpunt van de eieren die zij legt: de vrouw is lief voor den man, -ze schijnt hem dankbaar voor de ruime omstandigheden waarin ze -verkeert, voor de mooie positie die ze met en door hem inneemt; de man -is vriendelijk voor haar, trotsch op de aardige, vlugge kinderen, die -zij hem geschonken en goed opgevoed heeft, beiden gaan op in dingen -waarmede de liefde weinig te maken heeft. - -»Onder de jongeren vind ik er verscheidene, die bij afwisseling -kibbelen en zich laten verteederen, maar dat is niet wat ik bedoel: -geluk is in mijn oog iets rustigs, iets bestendigs. Huwelijken waar de -man, door de vrouw geboeid, alles in haar schijnt te vinden, zie ik er -tot nu toe maar twee. - -»Bij die twee dames, dacht me, kon ik een lesje nemen, maar ach, man, -wat ben ik teleurgesteld! Je zult het niet gelooven, maar die eene, die -zoo aangebeden wordt, is een grillig schepsel vol kuren. Ze laat zich -door hem bedienen of zij een vorstin was en hij haar slaaf, ze stoot -hem van zich, ze haalt hem weer aan, en ze speelt met hem als een kind -met zijn hansworst. En daarbij komt het me voor dat ze, hoewel niet -bepaald lichtzinnig, zóó koket is als een fatsoenlijke vrouw wezen kan -zonder dien naam te verliezen... Gustaaf, als ik ook koket geweest was, -als ik je ook zoo in een voortdurende spanning gehouden had, zou ik je -dán misschien geboeid hebben? Het andere huwelijk is me nog -raadselachtiger. ’t Is van dien rechterlijken ambtenaar, je weet wel; -je kende hem nog van vroeger. Zij is mooi, dat is zoo, en jong, maar -zoo onbeteekenend! En dan daarbij die man met zijn helder verstand, met -zijn groote ontwikkeling, die man, wien het een behoefte blijkt om zich -mee te deelen, die met zoo’n innig genot al wat hij gedacht en gelezen -en ondervonden heeft, bespreekt. Me dunkt, alleen dat slaperig, -vervelend mooi gezicht moest genoeg zijn om hem te verhinderen haar -ooit van iets dat hem vervult deelgenoot te maken. Toch—ze zijn acht -jaar getrouwd en hij is doodelijk van haar, ik kreeg daarvan meer dan -één bewijs. Gister nog. Je moet weten, die kokette vrouw—van wie ik -daareven sprak—is zeer lief voor hem en nu hadden ze gister een uur of -langer samen zitten praten, bizonder geanimeerd, toen hij eindelijk -opstond. - -»»Gaat u reeds weg?« vroeg ze: »kom blijf nog wat...« - -»»De maan komt op, mevrouw,« zei hij. - -»»Welnu, wat doet dat er toe? U bent toch niet maanziek?« - -»»Een beetje... als de maan schijnt word ik teeder en als ik teeder ben -moet ik bij mijn vrouw wezen.« - -»O, Gustaaf, toen ik hem een oogenblik later met haar zag op en neer -wandelen, had ik een heel ondankbaren inval: ik wenschte dat pa en ma -me maar niet hadden laten leeren.« - - - -»12 Mei. - -»Het is misschien heelemaal ongegrond, maar hoe dichter we bij Genua -komen, hoe meer ik de zekerheid krijg dat papa daar zijn zal om ons -welkom te heeten. Ik doe alles om mezelve van dat denkbeeld af te -brengen, maar ik kan me onze aankomst niet anders voorstellen dan met -hem, en James gelooft het ook stellig en vast. - -»Wat ben ik blij dat ik er zoo gezond uitzie! Je weet niet wat de -zeelucht mij een goed gedaan heeft en dan die koude, die met den dag -grooter wordt, en dan, geloof ik, ook dat gevoel van voor iemand -onmisbaar te zijn. Weet je wat ik weleens gedacht heb, als ik zoo bij -James zat? Hoe prettig het zou geweest zijn als je een beetje minder -goede gezondheid hadt genoten. Zoo’n dagje thuis van tijd tot tijd, wat -een buitenkansje voor mij! ik was dan heel gezellig bij je gaan zitten, -ik had je kamillen laten drinken en koelte toegewuifd en voorgelezen. -Je zult wel zeggen dat ik heel onverstandig word en dwaze wenschen doe; -ja, lieveling, dat is zoo: soms heb ik spijt dat ik niet koket geweest -ben; dan zou ik dom willen zijn: nu weer beklaag ik me dat mijn man -niet ziekelijk is... Het wordt hoog tijd dat ik thuis kom! Thuis kan ik -niet anders dan goede gedachten hebben, dunkt me. Over drie dagen! Kon -je bij me zijn, Gustaaf!« - - - -»13 Mei. - -»De zuster en ik hebben van avond nog eens voor het laatst -vertrouwelijk samengepraat. Ze zegt dat ze veel geluk voor ons ziet in -de toekomst, dat deze scheiding noodzakelijk was, opdat we onszelf en -elkaar, bij kalm nadenken, beter zouden leeren begrijpen. Ik bekende -haar dat ik me soms zoo beklemd, zoo beangst gevoel, maar zij gelooft -dat onze liefde eene groote liefde is, en dat ze dus door de -afwezigheid eer vermeerderen dan verminderen zal. - -»Maar toen ik vroeg, hoe—al waren wij hereenigd en nauwer verbonden -door de waardeering die het gemis schenkt—hoe toch ooit het groote -verschil in onze levensbeschouwing zou worden weggenomen, hoe we ooit -het geluk zouden vinden als we het zochten in verschillende richting, -toen nam ze mijn hand en kuste me: »Kind, we moeten ook wat aan God -overlaten, misschien wil Hij je een kleinen wegwijzer zenden«. - - - -»15 Mei. - -»Ik sluit dezen in haast. James is vrij wel en gereed om aan wal te -gaan. Over een uur zijn we in Genua. O, liefste, waarom ben je niet bij -me!« - - - - - - - -XLI - -BESLUIT. - - -»Bloemduin, 22 Mei. - -»Ik ben thuis, Gustaaf! Ik zit tusschen papa en mama, je weet wel, op -het oude plekje; papa houdt zich of hij de courant leest, maar telkens -als ik opkijk knikt hij me toe, en ik kijk maar telkens op, om hem -pleizier te doen; mama heet kousen te mazen, maar ik wil wedden dat ze -niet één paar afkrijgt van middag, want ze doet niets dan me bedienen -en mijn handen streelen en mijn haar glad strijken. - -»O, Gustaaf, die dierbare oude gezichten zoo te zien stralen, die -liefkoozingen, die je opeens weer kind maken, te voelen, is alleen de -moeite van de reis waard! - -»Ze zouden me liefst geen oogenblik verlaten; gisteren toen ik naar -mijn kamer ging—mijn eigen lief meisjeskamertje—liep pa mee tot aan de -deur, moest ma me helpen uitkleeden en toedekken; het was een gekus en -een goeden nacht zeggen alsof ze bang waren dat ik weer zou wegvliegen; -van morgen toen ik wakker werd stonden ze hand aan hand voor mijn -bed... wie heeft ons toch gezegd dat het weerzien, als men uit Indië -komt, een teleurstelling is? Het moet iemand geweest zijn die geen -ouders meer vond. - -»Ze brachten me je telegram met dat hartelijk: »Welkom thuis!« Hoe lief -van je! Begreep je dat dit het eenige was, wat aan mijn geluk ontbrak, -een groet uit Buitenzorg? Wat denk je tegenwoordig veel aan me, man! - -»Gister waren we niet zóó gelukkig als vandaag, we waren geloof ik, te -zenuwachtig om te genieten. We konden niets zeggen; we lachten maar -eens tegen elkaar, en dan kregen we de tranen in de oogen en moesten -ons weer omdraaien. Maar vandaag! vandaag is het verrukkelijk! We zijn -op al de oude lieve plekjes geweest, James ook. We moesten natuurlijk -om hem wat langzamer loopen; maar ik vond het prettig dat het zoo -langzaam ging; ik had aan zooveel te denken, zooveel lief en goeds en -vriendelijks... O, wat is ’t toch een voorrecht een gelukkige jeugd -gehad te hebben; ’t is als de kruik met koelen drank die men den -reiziger meegeeft; telkens wanneer hij zich vermoeid gevoelt, put hij -uit haar nieuwe kracht. - -»Toen ik papa in Genua zag—want hij was in Genua, zooals ik -verwachtte—vond ik hem oud geworden, maar sinds is het alsof hij elken -dag bijkomt; mama zegt, dat hij veel geleden heeft onder mijn -afwezigheid, maar hij beweert dat de vreugd van het wederzien de smart -der scheiding te niet heeft gedaan.—Vin je dat niet lief van de tantes? -Het rijtuig was aan den trein om ons af te halen; ze hadden prachtige -bloemen gestuurd, maar ze waren zelve niet gekomen. »We gunnen ze je,« -riepen ze maar, toen pa haar noodigde, »we gunnen ze je! Drie dagen mag -je ze geheel alleen hebben; dán beginnen we te deelen!«—Van morgen -zonden ze aardbeien: ’t waren er maar negen, de allereerste; vijf voor, -mij en vier voor James. Er was een briefje bij; ze schreven dat ze haar -belofte houden wilden en niet komen vóór de drie dagen om waren, maar -dat, als pa er misschien iets tegen vond, ze gaarne haar meening aan de -zijne zouden opofferen... We zijn er dadelijk heengegaan. Och liefste, -wat is het goed dat we in Indië niet weten, hoezeer we betreurd worden -in Holland! Ze konden niet genoeg van je hooren! Ze hielden elk een -hand van me vast; ik moest maar praten, en als een ander iets zei, dan -riep tante Dorothée dadelijk: »Laat háár nu vertellen!« Tante Mina werd -erg ongeduldig, omdat ze niet alles verstaan kon, en tante Bettemie, -die arme blinde ziel, zette mijn hoed af en streek mijn krullen -glad—dat doet iedereen, Gustaaf; maar niemand kan het zooals jij—en -vroeg maar telkens weer, hoe ik er uitzag. En dan riepen vier stemmen -te gelijk: »O, heerlijk! Om te stelen! Liever dan ooit! Nog liever dan -vroeger.« Maar daar werd tante boos om. »Nog liever dan vroeger?... dat -is onmogelijk! dat zeg jullie maar om mij te plagen!«... O, je kunt er -geen voorstelling van maken hoe zalig dat is, zoo’n thuiskomst. Wàt zou -het geweest zijn als we samen gekomen waren! - -»Het houdt niet op met brieven en briefkaarten van de broers en -zusters. Het plan is, dat ze, zoo mogelijk, allen Zondag hier zullen -zijn. James verheugt er zich zeer op en ik ook, ik verlang hen allen -terug te zien. Maar toch had ik liever gewild, dat we nog wat met pa en -ma alleen gebleven waren; ze zijn zoo gelukkig!« - - - -»Bloemduin 25 Mei. - -»Het is Zondag. Wat is dat toch iets eigenaardigs, zoo’n hollandsche -Zondag: dat feestelijk gevoel waarmee men wakker wordt, die deftige -stilte in de straten, dat nette van de menschen in hun beste pak, dat -plechtig gelui van de klokken: ik heb dat gemist in Indië: ik voel het -nu. - -»De broers en zusters zijn allen hier—zelfs Rudolf is uit Groningen -overgekomen, ofschoon hij voor zijn candidaats zit. Pa wou hem eerst -beknorren, maar opeens viel hij zichzelf in de rede en zei: »’t Is goed -jongen, ’t is best: voor háár is niets te veel!« O, die pa! Ik wist -niet dat hij me zóó liefhad! Ze noemen me allen nog bij de oude -naampjes en ze willen me allen bedienen. Als ik zeg dat mijn krullen -vandaag twintigmaal zijn opgedraaid, op twintig verschillende vingers, -dan jok ik niet. ’t Is dwaas, maar ik heb weer dienzelfden indruk, dien -ik als kind had, alsof de zon ’s Zondags anders schijnt dan in de week, -en alsof nergens op de geheele wereld die dag zoo innig genoegelijk -gevierd kan worden als in het oude huis van den burgemeester van -Bloemduin. - -»Wij zijn van morgen naar de kerk geweest. Och, wat spijt het me, dat -je dit hebt moeten missen. Je hadt er bij moeten zijn, lieve, het was -zoo eenig, zoo om nooit te vergeten, zoo om je opeens te verzoenen met -het leven op een dorp. De zon scheen dan, zooals zij alleen ’s Zondags -doet; ma ging met James vooruit en dan volgde ik met pa: daarachter de -broers en zusters. Overal zagen we gordijntjes optillen, nieuwsgierige -gezichten over horretjes kijken; de menschen stonden stil aan den kant -van den weg, om ons te laten voorbijgaan—dan was het telkens dezelfde -vertooning! Eerst heel eerbiedig de pet af. »Goeje morge, burgemeester, -goeje morge, mevrouw!« En dan, als ik stilstond en de hand uitstak en -ze bij den naam noemde—ik kende ze allen nog—opeens een heel andere -toon: »Dag juffer Nietje! Dag lief kind! Hoe heb je ’t gehad in den -Oos?« Maar als ik verder ging, dan barsten ze eigenlijk pas los. »Och -Heere, ’t is nog krek dezelfde. Niks niet grootsch! En ze willen toch -wel zeggen, dat ie ’n ergen heugen is daarginder!« - -»Maar de held van den dag was James! Hij droeg zijn uniform met kruis -op de borst. Ze hebben van hem gelezen in de couranten; ze weten -precies waar en wanneer hij gewond is geworden, waar hij zijn -Willemsorde verdiend heeft... en—je zult het niet gelooven van die -stijve boeren, maar ze drongen om hem heen en moesten hem zien, een -hand van hem hebben... Op eens stoof Jan Mulder, je weet wel, die -oud-soldaat, op hem af en wees op zijn borst, en riep, hoera! en toen -barstten ze los en gooiden met de petten en tilden hem in de hoogte op -hun schouders... ’t was of ze nooit meer tot bedaren zouden komen... me -dunkt, zijn pijn en lijden zijn hem vergoed. - -»Door al dat oponthoud kwamen we laat in de kerk. Maar ook dáár hadden -ze op ons gewacht; toen we binnentraden begon het orgel te spelen en -zong de gemeente het eerste vers van Psalm 103. Je kent het wel? - - - »Loof, loof den Heer mijn ziel met alle krachten, - Verhef zijn naam, zoo groot, zoo heilig t’ achten, - Och, of nu al wat in mij is Hem prees!« - - -»Ik hield me goed; bij al mijn geluk en dankbaarheid kon ik toch niet -vergeten, hoe geheel anders nog het zou geweest zijn als je bij me was; -maar James snikte als een kind... hij is ook nog zoo zwak. Ik weet niet -wat de dominé heeft gepreekt. Ik keek maar naar de bekende gezichten, -die zich zoo trouwhartig naar me toekeerden, naar den preekstoel, die -ons, kinderen, zoo menig uurtje hielp doorkomen en die jij zoo -afschuwelijk vondt met die dieren uit het paradijs er op; ik telde de -aapjes en de kraaien en de ijsberen, en ik vond het prettig, dat er nog -precies evenveel waren als vroeger; toen keek ik naar den voorzanger en -lachte met Corrie om de gekke gezichten, die hij nog altijd trekt; toen -merkte ik op, dat de vrouwtjes van het gasthuis een nieuw model van -neepjesmuts hadden gekregen... toch was ik onbegrijpelijk gesticht. -Maar onder het gebed keek ik naar het lieve, oude, grijze hoofd, dat -zich zoo diep boog over de gevouwen handen. - -»De tantes hadden ten strengste verboden, dat iemand ons zou bezoeken -vóór een week na aankomst, maar nu was er niets meer aan te doen: ze -stonden op rijen geschaard aan de kerkdeur, ze stroomden letterlijk ons -huis binnen, en ik geloof dat de zusters meer dan honderd kopjes koffie -geschonken hebben: ik kon niet helpen, ik kon niets doen dan handen -geven en op James passen, die zich veel te veel vermoeide en van avond -volstrekt naar de »Gezelligheid« wil om de jongens te trakteeren.« - - - -»Bloemduin, 1 Juni. - -»Wat ik je nu te vertellen heb is zoo verrukkend, zoo onbeschrijfelijk -heerlijk, dat ik haast niet weet, hoe ik ’t je zeggen zal. Gustaaf, -onze liefste wensch wordt vervuld! Eindelijk is al mijn twijfel -veranderd in een zalige overtuiging: mama weet ’t zeker, de dokter weet -’t zeker, en ik begrijp nu, dat ik het zelve reeds lang zeker geweten -heb—maar dat ik ’t alleen niet durfde gelooven. Als je dezen ontvangt, -behoeft het nog maar enkele maandjes te duren en je kleine Nita is een -gelukkig moedertje. O, als ik een kindje heb, dan kom ik gauw weer bij -je terug, dan geloof ik dat ik ’t je niet meer lastig zal maken, dan -zal ik niet meer eischen dat je om mij je werk verzuimt... Als ik een -kindje heb! Lieveling, ik weet wel dat je niet gelooft zooals ik, maar, -niet waar, als je dit hoort, dan zul je toch ook danken? toch ook -bidden? - -»Het is wel treurig dat we in dezen tijd niet bij elkaar zijn—bij een -groote vreugde verlangt men zoo naar den liefste;—maar mama zegt, dat -een vrouw in mijne omstandigheid beter bij haar moeder is dan bij haar -man. Ik spreek het maar niet tegen: Ik heb je toch bij me. Weet je nog, -het was in dezen zelfden tijd van het jaar... de kersenboomgaarden -stonden in bloei en de dennen kregen die lichtgroene pluimen en er -dreven ook witte wolkjes aan de lucht, en we hadden ook een groote -zaligheid in het hart... ik zoek onze lievelingsplekjes op en de stille -eenzame paadjes; soms is het me of ik je arm weer voel om mijn midden, -of ik weer naar je moet opzien en een kus krijgen... Ik weet niet wie -me laatst vroeg, of ik je portret meenam op die eenzame wandelingen... -Alsof dat noodig was! - -»Je kunt je van de opgewondenheid der tantes geen denkbeeld maken: -tante Mina is er wel een beetje indiscreet mee: ze schreeuwt het -iedereen toe, met die vreeselijk harde stem van doove menschen! Tante -Bettemie haalt me aan en kust me en vermaant me voorzichtig te -zijn—alsof ik dat niet was—en verheugt zich dat ze nog het kind van -háár kind—ze heeft langzamerhand je mama geheel weggedacht—zal mogen -omhelzen vóór haar dood. Maar tante Dorothée heeft haar blijdschap op -nog eene heel andere wijze getoond; tante Dorothée heeft iets gedaan, -dat papa de verstandigste streek van haar geheele leven noemt, iets -waarvan je zeker evenals ik, niet weinig verheugd zult ophooren, ze -heeft onzen jongen—want een jongen zal het zijn, daarover zijn de drie -oude dames het eens—ze heeft onzen jongen tot universeel erfgenaam -gemaakt! Je weet, ze hadden, opgewonden door de freules Van Haastert, -twee derden van haar fortuin vermaakt aan instellingen tot -dierenbescherming. Welnu, zij heeft van haar invloed als oudste en -verstandigste gebruik gemaakt om ook de beide andere tantes te -bewerken. Gister was de notaris bijna drie uur hier: het testament is -veranderd en het geheele fortuin voor ons. Nu, wat zeg je daarvan? De -tantes verwachten van me dat ik, nu ik eenmaal op den goeden weg ben, -me door niets zal laten weerhouden om de wereld met minstens een half -dozijn jonge Verschuere’s te begiftigen; is het geen heerlijk -vooruitzicht dat we nu rijk genoeg zullen zijn om ons die weelde te -veroorloven? Is het niet een gelukkig leventje, dat ons wacht, later, -als je gepensionneerd zijt, op dit mooie landgoed, te midden van dit -goedige volk, dat hun nieuwen heer op de handen dragen zal?« - - - -»4 Juni. - -»Met de Fransche, met de Hollandsche en met de Engelsche mail kreeg ik -in den tijd van één week drie brieven van je; heerlijke, lange, innig -lieve, die ik meeneem op de wandeling en neerleg onder mijn hoofdkussen -om, als ik de hand er naar uitsteek, ze te hooren kraken en me te -zeggen dat mijn droom is vervuld, dat je naar me verlangt, dat je me -mist, dat je me terugroept... en dat ik ze allen zou kunnen achterlaten -om tot je terug te keeren. Maar toen je zoo schreef, en toen ik zoo -droomde, toen wist ik nog niet van het kindje. En nu zeggen alle wijze -menschen, dat het binnen het jaar die groote reis niet maken mag. Hoe -kan ik nu tot je komen? O, Gustaaf, hoe moet dat gaan? We zijn nu pas -zoo kort gescheiden en beiden schijnt het ons reeds zoo lang... je zegt -dat je niet zonder me leven kunt... ik heb het al wel honderdmaal -gelezen en herlezen, maar als je niet zonder me leven kunt en als ik -zoo dwaas verlangen kan, dat ik al het goede en lieve wat me hier -omringt vergeet, wat moet er dan van het arme kleine kindje worden? De -oudelui nemen ’t me gelukkig niet kwalijk, dat ik van die oogenblikken -heb, ze vinden het niet meer dan natuurlijk; soms verbeeld ik me dat ze -er zich zelfs over verheugen. Er is één ding dat me hier hindert, -Gustaaf. De menschen denken zoo vreemd over een scheiding van man en -vrouw. Bij ons in Indië dwingen de omstandigheden dikwerf de -gelukkigste paren, om, hetzij voor gezondheidsredenen, hetzij voor de -opvoeding der kinderen, elkaar voor korter of langer tijd te verlaten. -Van zulke toestanden kan men zich hier geen denkbeeld vormen; hier -wordt het onveranderlijk beschouwd als een bewijs dat men ongelukkig is -te zamen. Die nare boerinnen—ze kunnen me zoo meelijdend aankijken! Ja, -onze goede moeder zelfs! Er is in haar teederheid voor mij iets anders -dan in die voor de zusters; ’t is of ze gelooft dat ik het dubbel -behoef. Ik kan je niet zeggen hoe me dat hindert, langzamerhand begin -ik te begrijpen dat in den grond van hun hart de oudelui en de tantes, -niettegenstaande ons duidelijk schrijven, moeilijk hebben kunnen -gelooven aan het feit dat ik alleen zou terug keeren; nu verklaar ik me -ook papa’s vraag, toen hij aan boord kwam: »En—Verschuere?« Die lieve -vader heeft me met geen enkel woord verraden dat het zoo’n groote -teleurstelling voor hem was, maar Corrie heeft het me gister verteld. -Je moet weten, Pa wordt oud en zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer is -hem in den laatsten tijd niet meer, zooals vroeger, een genoegen maar -een bezwaar; vooral die reizen heen en terug naar den Haag vervelen -hem. Nu hadden de oude lui en de tantes samen bedisseld dat, als je -meekwaamt, pa bedanken moest en zij met hun vereenden invloed zouden -bewerken dat je gekozen werd in zijn plaats. Je zoudt dan wel voorgoed -in Holland blijven, meenden ze. Zóó hadden ze zich met dat denkbeeld -vertrouwd gemaakt, dat tante Mina het nog maar altijd niet op wil geven -en, als we eens aandringen op verbetering van een of ander dat vervalt -of verwaarloosd wordt, ze met de grootste kalmte antwoordt: »Dat moet -maar wachten tot Gus komt!« - -»Ik wou werkelijk dat je eens even kondt overvliegen om de kraamkamer -te zien: hij wordt ontvangen als een koningskind, je jongen! Iedereen -is reeds voor hem bezig; je moet er niet om lachen, liefste, maar tante -Bettemie heeft al negen-en-dertig paar sokjes voor hem gebreid. -Gisteren kwam tante Dorothée hier met een pak echte kant om het wiegje -te garneeren. Ze was niet zooals anders, vond ik. De lieve oude vrouw, -wat kuste ze me! Neen, ze was heel anders dan gewoonlijk... ze vroeg me -tot driemaal toe om je te groeten.« - - - -»22 Juli. - -»Tante Dorothée is heengegaan. Ik begrijp dat het je, evenals ons, -smarten zal. ’t Is waar, men kan verwachten dat eene vrouw van -zes-en-zeventig jaar wordt weggeroepen, maar als ze nog zulk een engel -is op aarde, dan valt het zwaar ze af te staan aan den hemel: er moeten -er dáár zooveel zijn en we hebben er hier zoo weinig! Gelukkig heeft ze -niets geleden; ze heeft alleen voorgevoeld dat haar uurtje daar was, en -is gaan slapen met een glimlach om de lippen. - -»Het is een groot verlies voor de familie. Met de doove Mien en de -blinde Bettemie is weinig aan te vangen; ze zijn wel niet kindsch, maar -toch sufferig en daarbij willen zij zich niet laten raden. - -»Pa, de dominé, de dokter, de notaris, ieder heeft beurtelings zijn -best gedaan om haar over te halen tot het nemen van een rentmeester, -maar denk niet dat ze het gedaan kregen! - -»En toch zou het volstrekt noodig zijn. Tante Dorothée was de eenige -die nog een weinig toezicht hield, al was het lang niet genoeg. Sedert -je, tijdens je verlof, orde op de zaken stelde is alles -achteruitgegaan, zegt papa; het prachtige bosch wordt geplunderd, de -bouwgrond brengt niet half op, wat hij zou kunnen opbrengen; de -veestapel vermindert; de boeren maken zich met mooie praatjes van de -pacht af. Ik zou me er wel wat mee willen bemoeien, maar het staat zoo -hebzuchtig, zoo alsof we onzen tijd niet kunnen afwachten: ook is er -een mannenhand noodig. Daar komt bij, dat ik me in den laatsten tijd -moe begin te gevoelen bij de kleinste inspanning. Niet dat ik zwak ben -of ziek! Integendeel, ik ben heel flink en volstrekt niet bang, -ofschoon soms bitter bedroefd. De tijd valt lang als men gescheiden is -van wien men liefheeft.« - - - -»1 Augustus. - -»Wat verdringt, in zoo’n groot gezin als het onze, het een het ander! -’t Is waar, tante Dorothée’s dood was eigenlijk geen gebeurtenis in -ónze familie, maar ik geloof niet, dat ze door de Verschuere’s meer -betreurd is geworden dan door de Van Suylichem’s. James en Corrie -brengen nog dagelijks bloemen naar haar graf—mij is het verboden, ik -denk toch reeds te veel aan den dood—en nu is het alweer feestvieren en -vreugde in huis. Rudolf kwam eergister met glans door zijn candidaats. -Hij is thuis en zooals het bij ons gaat met zulke gelegenheden, de -broers en zusters komen van alle kanten aansporen, het geheele dorp -neemt deel in zijne overwinning, alsof ieder die overwinning -persoonlijk had behaald. Pa en ma zijn trotsch op den jongsten, maar -niet den minsten hunner zonen. Ik geloof dat er spoedig weer een -feestje te vieren zal zijn. Je herinnert je Kitty van der Elst, dat -aardige blonde kind, het jongste dochtertje van den notaris, met wie ik -James weleens plaagde? Nu, ’t blijkt dat de reden waarom ze een goede -partij afsloeg en van geen uitgaan of trouwen hooren wilde, dat de -reden daarvan onze neef was. Ze is flauw gevallen toen ze in de courant -las van zijn eerste heldenfeit en heeft het tot driemaal toe op de -zenuwen gehad bij zijn terugkomst; James is haar erg dankbaar voor die -attenties; en, daar ze heel lief zingt en er beeldig uitziet, twijfel -ik niet of hij zal spoedig waar maken, wat men reeds als een feit -vertelt in Bloemduin, en haar zijn goed, trouw hart aanbieden. - -»O, Gustaaf, ik vind mezelve zoo vreemd: ’t is of sinds kort al die -dingen me veel minder interesseeren dan vroeger, ik deel maar half in -hun lief en leed. Ik ben onder hen en toch zoo ver, zoo ver! - -»Lieve, zou het waar zijn wat soms wordt beweerd, dat het kind gelijkt -op dengeen aan wien de moeder altijd heeft gedacht...? Lieve, misschien -zal ik er niet wezen om het je te zeggen, maar laat dan zijn gezichtje -je de boodschap brengen, dat je mijn alles geweest bent, mijn alles!« - - - -»9 Augustus. - -»Gustaaf, ik ben het met de boerinnen eens: man en vrouw moeten bij -elkaar zijn! Ik ben het met haar eens, als ze me voorbijgaan en -medelijdend het hoofd schudden. - -»O, liefste, dat ik ten minste nog maar de overtuiging had, dat mijn -heengaan je van eenig nut is geweest. Maar je schrijft zoo treurig, zoo -wanhopig soms... je werk verveelt je, je huis is je zonder mij een -gruwel, het drijven en jagen van de Indische wereld walgt je, en, -Gustaaf, ik weet dat door Annet Paerel, je ziet er slecht en afgemat -uit. Ziek! en ik niet bij je! - -»Nu strijden we onzen strijd ieder voor zich; is hij daarom lichter? O, -ik kan ’t niet langer verzwijgen, ik moet het zeggen.. mijn strijd -wordt me te zwaar. Ik ben wèl, dat is zoo, en ze overladen me met -goedheid en liefde en ik moest gelukkig zijn om de groote vreugd die -mij wacht; maar lieveling, ik verlang zoo naar je! Ik verlang zoo -vreeselijk! Elken dag meer. Nacht en dag. Neen, ik wil het niet langer -verzwijgen, ik sterf van verlangen! Naar je dierbaar gezicht, naar dien -blik van je oogen, waarmee je me aanzag zooals niemand anders me -aanziet en waarmee je me deedt trillen en gloeien en beven van -zaligheid; naar den druk van je handen, naar de aanraking van je baard -op mijn gezicht, naar dat woord van je lippen: »Nita, kind, engel!«... -O, als ik je nog maar eens mocht zien, nog maar eens je stem hooren, -nog maar eens je vasthouden in mijn armen! Dan zou ik weer moedig zijn! -Nu ben ik bang! Bang om te lijden, zonder dat je bij me bent, bang om -te sterven vóór ik je heb weergezien. Gustaaf, ik heb zoo verlangd om -je dit te zeggen, ik wist, dat ik het niet doen mocht... ik wist dat -je, als ik het zei, om mijnentwille nog meer verdriet zoudt hebben... -maar—wanneer deze je bereikt, dan heb je het bericht reeds. Dan is -alles reeds geheel anders, of alles voorbij!« - - - -Telegram. Verzonden door den heer Van Suylichem te Bloemduin op 15 -Sept. 188.. - - - »Buitenzorg—Verschuere. - - »Heerlijke jongen. Nita wèl.« - - -Telegram. Verzonden door den heer Verschuere te Buitenzorg op 15 Sept. -188.. - - - »Van Suylichem—Bloemduin. - - »Ik kom en blijf.« - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] O wee! - -[2] Toetie vraagt pap. - -[3] Waar blijft de visch? - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BOGORIANA *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
